Bouwman, H. (1928) § 54

§ 54. Het ambt of de taak der ouderlingen.

Het ambt of de taak van de ouderlingen werd in de Gereformeerde kerkenordeningen duidelijk omschreven. Reeds op het convent van Wezel1) werd uitgesproken, dat de ouderlingen met de Dienaren samen den kerkeraad vormen, en dat hun ambt is, naarstig de wacht te houden en de hun toevertrouwde gemeenteleden van huis tot huis te bezoeken, vooral ten tijde des Avondmaals, en dat zij nauwkeurig onderzoek doen naar het leven, en naar bevind van


1) Cap. IV.

|549|

zaken de leden der gemeente dienen met vermaning, onderwijzing en vertroosting. Deze gedachte is in de latere kerkenordeningen, vooral sedert 1581 meer precies omschreven en in 1586 gebracht in den vorm, zooals wij deze nog in onze kerkenordening bezitten, waar wij in Art. 23 lezen: „Der Ouderlingen ambt is, behalve hetgene dat boven, in Art. 16, gezegd is, hun met den Dienaar des Woords gemeen te zijn, opzicht te hebben, dat de Dienaren, mitgaders hunne andere Medehelpers en Diakenen hun ambt getrouwelijk bedienen, en de bezoeking te doen, naardat de gelegenheid des tijds en der plaats tot stichting der gemeente, zoo voor als na het Nachtmaal, kan lijden, om bijzonder de lidmaten der gemeente te vertroosten en te onderwijzen, en ook anderen tot de Christelijke religie te vermanen”. Drie zaken behooren dus tot het werk der ouderlingen: a. de regeering der gemeente met de dienaren des Woords, waarin opgesloten ligt het houden van opzicht en tucht over de gemeente; b. het houden van opzicht over hunne medeambtsdragers, de Dienaren des Woords en de Diakenen en c. het huisbezoek.

a. De regeering en tucht der kerk. Art. 23 verwijst voor dit deel van der Ouderlingen werk naar Art. 16, waar gezegd wordt, dat der Dienaren ambt is „met de ouderlingen de kerkelijke discipline te oefenen en te bezorgen, dat alles eerlijk en met orde geschiede”. De regeering der kerk is een gewichtig stuk van het ambt der ouderlingen. Zij beoogt de heerschappij van Christus in zijne gemeente te realiseeren, opdat ’s Heeren Woord regel en richtsnoer zij, en de gemeente zich in leer en wandel openbare als het lichaam des Heeren. Deze regeering is van het gezag der overheid in oorsprong, wezen, aard en strekking onderscheiden. In oorsprong, want het ambt der overheid vloeit rechtstreeks voort uit de souvereiniteit van den Drieëenigen God, terwijl de kerkelijke macht haar grond vindt in Christus, het Hoofd zijner kerk. In wezen, want het ambt der overheid raakt den mensch in zijne uitwendige verhoudingen, in zijn recht, zijn bezit en zijn veiligheid, terwijl het gezag der kerk betrekking heeft op den inwendigen mensch naar zijn geestelijk bestaan, naar zijn godsdienstige en zedelijke openbaring. In aard, want de overheid is ingesteld uit oorzaak van de verdorvenheid des menschelijken geslachte, opdat de ongebondenheid der menschen bedwongen worde en het alles met goede orde onder de menschen toega. De overheid heeft daartoe ontvangen een dwingende macht, terwijl de kerkelijke autoriteit bedienend is, in dienst staat van Christus, ten behoeve van de gemeente. En eindelijk, in strekking, wijl het overheidsgezag ten doel heeft de instandhouding en de bevordering van de gerechtigheid Gods in het aardsche leven, en het kerkelijk ambt allereerst beoogt de eeuwige zaligheid der

|550|

uitverkorenen, den opbouw van het lichaam van Christus (Ef. 4: 12), en in verband hiermede den eerbaren en godzaligen wandel der Christenen, opdat Christus in alles geprezen worde.

Het ambt der kerkedienaren is dienend. Het is een dienst van Christus, door hem ingesteld, opdat de gemeente worde geregeerd, orde en tucht worde gehandhaafd, en de geloovigen, geleid in de wegen des Heeren, zich openbaren als een heilig volk, geroepen om de eere des Heeren te zoeken en zijn werk te volbrengen. Daartoe behoort elk dienaar van Christus te verstaan, dat in de ambtelijke bediening niet de mensch, maar Christus op den voorgrond staat. De dienaar trede gaarne terug achter Christus, zijnen Zender. Hij spreke zijn Woord, zij bezield met zijne liefde, handele naar zijn wil. Wanneer de liefde van Christus dringt, en de autoriteit van Christus spreekt in de handelingen der kerk, kan ook naar recht gehoorzaamheid worden gevraagd. De band der gehoorzaamheid loopt over Christus. De wil van Christus bindt zoowel de opzieners als de leden der kerk, en wanneer de opzieners vragen, dat de gemeente in alles luistere en handele naar ’s Heeren Woord, dan is het Christus zelf, die spreekt door zijne dienaren. Christus heeft zelf tot zijne discipelen gesproken: „Wie u hoort, die hoort mij, en wie u verwerpt, die verwerpt mij” (Luc. 10: 16). De gehoorzaamheid aan het ambt behoort dan ook te geschieden met een gewillig hart. Christus heeft ons met zijn bloed gekocht en door zijnen Geest vernieuwd tot zijn evenbeeld, opdat wij met ons gansche leven ons dankbaar jegens God zouden betoonen en hij door ons geprezen worde. De leden van de gemeente hebben dan ook te erkennen, dat de kerkedienaren handelen volgens de opdracht van Christus, en dus onderwerping en volgzaamheid te betoonen, niet aan hen persoonlijk, maar aan het Woord, dat in den naam des Heeren door hen wordt bediend.

De dienaren des Woords en de ouderlingen zijn dus geen heeren, die heerschappij oefenen over het erfdeel van Christus, maar dienaren van Christus, die in ’s Heeren naam spreken en handelen en opzicht houden over de gemeente. Calvijn gebruikte dan ook steeds de woorden: „ouderlingen” en „opzieners”, niet alleen omdat die naam schriftuurlijk is, maar ook omdat hun mandaat daardoor zoo goed wordt uitgedrukt, en alle heerschzucht daardoor te beter werd beteugeld. Na verloop van tijd is men in de Gereformeerde kerken gaan spreken over „regeerouderlingen”, maar, zooals Prof. Rutgers terecht opmerkte1): „die naam, die reeds op zich zelf niet kan dienen om hun dienst van dien der predikanten te onderscheiden, brengt


1) De betekenis der gemeenteleden, bl. 23, 24.

|551|

ook bovendien het gevaar met zich, dat op het „regeeren” te veel nadruk gelegd wordt, en dan aan hun eigenlijk ambt en ook aan de beteekenis der gemeenteleden weder wordt te kort gedaan. Naar de opvatting van Calvijn moest de kerk ook wel regeling en bestuur hebben; maar dit was in den kerkedienst volstrekt niet de hoofdzaak. Waar het om te doen was, zoowel bij de ouderlingen als bij de predikanten, dat was: geestelijk opzicht over de gemeente te houden, en door al hun arbeid hare geestelijke opbouwing te bevorderen”.

Opdat elke hiërarchie zou worden vermeden en er meer waarborg zij voor goede orde en tucht in de gemeente, worden uit de leden der gemeente mannen tot opzieners gekozen, die met den dienaar des Woords de gemeente verzorgen. Daartoe vormen zij samen den raad der kerk, om samen de gemeente te regeeren, heel den arbeid in de gemeente te regelen, en in alle zaken, die het welzijn der gemeente en harer leden raken, beslissingen te nemen. De ouderlingen en de dienaren des Woords oefenen niet afzonderlijk de regeering uit, maar in gemeenschap met elkander. Herderlijk werk kan een afzonderlijk ouderling ook wel doen. Hij kan en mag ook persoonlijk de leden der gemeente bezoeken, den eenzamen, den zieken en den zwakken een woord van troost en steun toespreken. Dit is, zoo hij daartoe in de gelegenheid is, zijne roeping, zooals het Formulier van Bevestiging als taak der Ouderlingen aangeeft om „ook met raad en troost alle gemeene christenen te dienen”. Maar in de regeering der kerk is een ouderling alleen, evenmin als de predikant afzonderlijk, tot geen beslissende daad bevoegd. De Schrift spreekt dan ook steeds van ouderlingen, in het meervoud (Hand. 14: 23; 20: 17; Phil. 1: 1; Tit. 1: 5). Slechts in vereeniging met elkander en met den dienaar vormen zij den raad der kerk, en zijn zij tot de regeering bevoegd.

Deze bevoegdheid ontleenen zij aan het Woord Gods. De ouderlingen worden vermaand, de gemeente te weiden en te verzorgen (Hand. 20: 28; Ef. 4: 11; 1 Petr. 5: 4), terwijl de geloovigen vermaand worden den ouderlingen onderdanig te zijn (1 Tim. 5: 17; Hebr. 13: 17). Als raad der kerk vormen zij samen eene vertegenwoordiging der kerk, die volgens opdracht van den Koning der kerk de zaken der gemeente behartigt, zoodat zij kunnen genoemd worden: het oog, het oor en de mond der kerk. Voetius zegt1): „Iemand spreekt tot een rechtbank of raad, wanneer hij zulks doet tot den voorzitter of burgemeester, ook al spreekt hij niet openlijk en onmiddellijk tot alle leden van dit college te zamen en tot elk afzonderlijk; zoo ook spreekt iemand tot de kerk, als hij de zaak overgeeft aan den kerkeraad, aan


1) Pol. Eccl. I. 28.

|552|

denwelken ingevolge de opdracht van de kerk de kennisneming der zaken is toebetrouwd, totdat men na de kennisneming der zaak toegekomen is aan de bekendmaking van het oordeel”.

Het beheer der goederen behoort niet rechtstreeks tot het ambt der ouderlingen, en evenmin tot dat der diakenen, daar zij, zooals de Gen. synode van Dordrecht1) uitsprak, „1º voor zoover zij administratie is, geen geestelijk karakter draagt, en ook met den dienst der barmhartigheid niets gemeen heeft, waarmede in verband staat, dat zij geheel door den kerkeraad gevoerd wordende, zoowel dezen, alsook de ouderlingen en diakenen in ’t bijzonder, van aller eigenlijke roeping lichtelijk teveel afleidt, en 2º dat voor zulke administratie gaven vereischt worden, die voor den dienst der ouderlingen of diakenen niet noodig zijn, en omgekeerd, terwijl de onderscheidene gaven lang niet bij denzelfden persoon vereenigd zijn, zoodat uit de vaste verbinding van die tweeërlei werkzaamheid vooral in kleinere kerken telkens volgen zou, dat gemeenteleden, die van de eene of voor de andere werkzaamheid bijzonder geschikt zijn, toch in het geheel niet zouden kunnen gebruikt worden, omdat zij nu eenmaal voor beide tegelijk geene genoegzame gaven hebben”. Wel echter dient het beheer der goederen te geschieden onder toezicht van den kerkeraad, omdat deze het eenig wettig bestuur is der kerk, en dus de beheerders der goederen van den kerkeraad hunne instructie ontvangen en aan dit college rekening en verantwoording schuldig zijn.

b. In de tweede plaats behoort tot het ambt der ouderlingen het houden van opzicht over hunne medeambtsdragers. Zij moeten waken, dat niemand op onwettige wijze komt tot de bediening in de kerk. Ze regelen dus met de dienaren de verkiezing van ambtsdragers. Op hen rust de verantwoordelijkheid, te zorgen, dat de gemeente geleid en bestuurd wordt naar den regel, door Christus gesteld. Niemand mag anders dan door wettige beroeping in de kerk van Christus dienen. Onze vaderen hadden te strijden tegen de overheidsbemoeiing inzake de beroeping van predikanten, ouderlingen en diakenen. De patronen en ambachtsheeren drongen herhaaldelijk een predikant op aan de gemeente. Persoonlijke invloed of zucht naar eer en voordeel gaven menigmaal den doorslag. Het recht en de vrijheid der gemeente werd vaak miskend. Tegen deze en andere misbruiken moet de raad der kerk op zijn hoede zijn. De opzieners der gemeente mogen niet zijn dienaars van menschen om menschen te behagen, om invloed te verwerven voor zich zelf of voor hunne vrienden, maar zij moeten zorgen, dat der gemeente geen ongewilde of ongeschikte menschen


1) Acta, 1893, bl. 130, 131.

|553|

worden opgedrongen. Ook mogen zij niet buigen voor den drang van de groote massa, die in koortsachtige opwinding een minder geschikten broeder begeert, neen, de raad der kerk moet — rekening houdend met den wensch der gemeente, haar raadplegend en zooveel mogelijk haar begeerte eerbiedigend — zorg dragen, dat aan geschikte en bekwame mannen, mannen des geloofs en des H. Geestes, die bij de gemeente door hun geloof en hun wandel zich een goeden naam hebben verworven, de leiding en verzorging der gemeente wordt toevertrouwd. De raad der opzieners is verantwoording schuldig aan Christus, die zelf, al is het middellijk, hen in het opzienersambt gesteld heeft (Hand. 20: 28).

Maar niet alleen hebben de opzieners te zorgen, dat niemand anders dan door wettige beroeping in de kerk van Christus dient, in het bijzonder moeten zij toezien, „dat de dienaren, mitsgaders hunne medehelpers (namelijk hunne mede-ouderlingen) en diakenen hun ambt getrouwelijk bedienen”. Er behoort wederzijdsch toezicht op elkander te zijn. Zoo wordt gewaakt tegen de heerschzucht en de hoogheid van predikanten, en tevens voor de zuiverheid van de leer. Het Formulier van Bevestiging legt in ’t bijzonder nadruk op het toezicht op „de leer en den wandel van de dienaren des Woords, ten einde alles tot stichting der kerk gericht moge worden, en dat geen vreemde leer worde voorgesteld, volgens hetgene wij lezen Hand. 20: 28, waar de apostel vermaant naarstige wacht te houden tegen de wolven, die in de schaapskooi van Christus mochten komen.”

Dit toezicht op de leer en den wandel van de dienaren des Woords is noodig. De dienaren zijn toch gezanten van Christus, en moeten zich houden aan zijn opdracht, en het Woord des Konings in al zijn zuiverheid en scherpte, met liefde en getrouwheid brengen. Van het werk van den gezant hangt het wel en wee van de kudde af. En nu blijft de trouwste gezant een mensch, en ontloopt niet altoos het gevaar, dat hij zijn lastbrief eenzijdig verstaat, en niet altoos leert en handelt zooals het tot de rechte stichting van de gemeente is. Doch er zijn ook trage en ontrouwe herders, over wie de profeet Ezechiël het wee uitsprak in naam des Heeren, en die hij veroordeelde met deze woorden „Gij eet het vette en bekleedt u met wol, gij slacht het gemeste, maar de schapen weidt gij niet; de zwakken sterkt gij niet, en het kranke heelt gij niet, en het gebrokene verbindt gij niet, en het weggedrevene brengt gij niet weder, en het verlorene zoekt gij niet; maar gij heerscht over hen met strengheid en met hardheid. Alzoo zijn zij verstrooid, omdat er geen herder is” (34: 3-5). En de apostel Paulus waarschuwt de opzieners van Efeze: „Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolken tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen, en uit uzelve zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de

|554|

discipelen af te trekken achter zich. Daarom waakt” (Hand. 20: 29-31).

Het opzicht houden op de medebroeders moet geschieden in den geest van Christus, naar zijn Woord. Men spreke en handele met elkander in alle getrouwheid. Het onheilige vuur van wantrouwen sticht licht een onheilspellenden brand, die groote verwoestingen aanricht. Er heersche dan vertrouwen bij de onderlinge samenwerking. Een iegelijk zie niet alleen op het zijne, maar ook op hetgeen des anderen is, en achte den ander uitnemend naar de mate der gaven, die God hem gegeven heeft. Het woord der prediking worde in alle zachtmoedigheid en lijdzaamheid gehoord. Het wordt gebracht in den naam des Heeren. En al staat geen enkel dienaar boven eenige vergissing, een afwijking van het Woord Gods mag niet worden toegelaten. Nimmer mag toegelaten, dat de majesteit en het recht van Christus en zijn Woord wordt aangetast. En nu is het wel de roeping van al de leden der gemeente, om de prediking te toetsen aan Gods Woord, maar het is in het bijzonder de taak der opzieners om te beoordeelen, of de prediking al of niet in overeenstemming is met het Woord Gods, of de prediking gezond, opbouwend en profijtelijk is voor de gemeente.

Om deze gewichtige roeping naar behooren te kunnen volbrengen, zijn de ouderlingen schuldig, zegt het Formulier van Bevestiging, „Gods Woord naarstig te onderzoeken, en zichzelven geduriglijk te oefenen in de overlegging van de verborgenheden des geloofs”. Het onderzoek van Gods Woord is voor een ouderling een besliste behoefte. Hoe zullen zij beoordeelen of, hetgeen der gemeente voorgehouden wordt, is naar de gezonde leer, indien zij zelf de Schrift niet recht verstaan? Hunne zinnen moeten geoefend zijn om het valsche van het ware te onderscheiden, om de rechte leer en de dwalingen, die daartegen strijden, onderscheidenlijk te kennen. Het kan toch voorkomen, dat de prediker onder den schijn van rechtzinnigheid bedektelijk allerlei dwalingen in de gemeente voorbereidt, dat hij door een valsche gemoedelijkheid de gemeente doet steunen op eigen werk of gestalten, of dat hij door een dorre deugd-prediking de gemeente afvoert van den eenigen grondslag des geloofs, de gerechtigheid en de heiligheid, die in Christus is. Daarom moet het oog en het oor der ouderlingen geoefend zijn.

Hiertoe is het wel noodig, dat de ouderlingen trouw den dienst des Woords bijwonen, en hetzij voor of na den dienst de stof der prediking onderzoeken en overdenken. In de tweede plaats is het ook goed, dat zij van tijd tot tijd de catechisatiën bijwonen om kennis te nemen van de wijze van leering en van de vorderingen der jongelieden der gemeente, van de catechumenen. Over het algemeen zijn de ouderlingen

|555|

in dit deel van hun werk niet het meest getrouw. Hun tijd is vaak door andere bezigheden zoo zeer bezet. Veelal vreezen zij ook door hun bezoek op de catechisatiën den schijn te wekken, den dienaar des Woords niet recht te vertrouwen. Doch dit vreesargument is onvoldoende, wijl het tot de roeping der ouderlingen behoort, niet alleen dat zij toezicht houden op de leering der dienaren, welke leering toch wel een hoofdelement op de catechisatiën uitmaakt, maar tevens moeten zij toezien of de kinderen der gemeente wel getrouw zijn in het bezoeken der catechisatiën en in het leeren. Bovendien kon er ook voor de ouderlingen deze nuttigheid in gelegen zijn, dat zij zelf van het onderwijs, op de catechisatiën gegeven, profijt kunnen trekken.

Ook op hunne mede-ouderlingen en op de diakenen moeten zij opzicht houden, of zij hun ambt getrouwelijk bedienen. Om die reden wordt geregeld de Christelijke censuur over de leden des kerkeraads onder elkander gehouden. Er is dan gelegenheid om op de vergadering van den kerkeraad de bezwaren tegen de medebroeders mede te deelen. Het is wenschelijk, dat de bezwaren tegen de prediking niet terstond na afloop van eene prediking worden uitgesproken Men is dan niet op wettige wijze als vergadering bijeen, en ontneemt door een ontactische aanmerking misschien ook een ander den zegen. De rechte weg is, dat eerst naar den regel van Matth. 18 persoonlijk gehandeld wordt, en wanneer dat niet baat, in het bijzijn van twee of drie getuigen. En eerst dan, wanneer de persoonlijke samenspreking onvruchtbaar bleek, onderwerpe men de bezwaren aan het oordeel des kerkeraads.

Het spreekt wel vanzelf, dat al de opmerkingen, die op leer en wandel der ambtsdragers gemaakt worden, gedaan moeten worden in den geest der Christelijke liefde, in alle getrouwheid, maar ook met de gepaste kieschheid, niet met de bedoeling om te vitten of te bedillen, maar opdat het der gemeente wèl ga, en de eer des Heeren worde verhoogd. Een valsch bedekken van feiten is zonde, maar eveneens een liefdeloos beoordeelen en veroordeelen van elkander. Een ieder kenne zijn plaats en handele met wijsheid en voorzichtigheid, zooals een voorganger betaamt. Wanneer de Christelijke censuur in broederlijken geest geschiedt, zal zij ongetwijfeld aan de ambtelijke bediening en aan het welzijn der gemeente ten goede komen.

c. In de derde plaats behoort tot het ambt der ouderlingen het huisbezoek1).

Het huisbezoek is een van de kostelijkste middelen, waarvan Christus


1) Het Huisbezoek, door P. Biesterveld, Derde druk, Kampen, 1923; H.A. Köstlin, Die Lehre von der Seelsorge2, Berlin, 1907; Achelis, Praktische Theologie, Leipzig, 1898, S. 177-323; P. Stegenga, Zielszorg, Amsterdam, 1919; Dr H.F. Kohlbrügge, Das Amt der Presbyter, Elberfeld, 1870.

|556|

zich wil bedienen om zijne gemeente te verzorgen. Het is een zorg van geheel bijzonderen aard. Bij de bediening des Woords komt de herder tot de geheele kudde, die samenkomt om onderwijzing en voeding te ontvangen, maar bij het huisbezoek komt de herder tot de afzonderlijke schapen, om afzonderlijk hunne gangen na te gaan en hen te leiden in ’s Heeren weg. Het huisbezoek vult de openbare bediening des Woords aan, bedoelt na te gaan of de prediking vrucht draagt, of de belijdenis en de wandel der gemeenteleden is naar den Woorde Gods, en werkt daardoor, hoewel allereerst gericht op den welstand van de afzonderlijke personen en gezinnen, mede aan den opbouw der gemeente.

Het huisbezoek is gegrond in de H. Schrift. Christus is de goede Herder, die de schapen zijner kudde weidt en verzorgt, die zijn leven geeft voor de schapen, die hen bewaart voor het verderf (Joh. 10). Hij is de groote Herder der schapen (Hebr. 13: 20), die altoos zijne herderszorg blijft uitstrekken over de schapen, maar die ook menschen als zijne onderherders aanstelt (1 Petr. 2: 25; 5: 3). Hij predikte niet alleen voor de schare, maar hij handelde ook met den enkele; hij sprak met de Samaritaansche vrouw; troostte de boetvaardige zondares; zocht de weenende Maria op; herstelde den gevallen Petrus in zijn ambt, en gaf ook aan zijne discipelen de opdracht om het evangelie te prediken, en de schapen zijner kudde te wijden. De apostelen des Heeren hebben, getrouw aan de opdracht huns Meesters, het evangelie gebracht overal, waar zij daartoe in de gelegenheid waren, in het openbaar en aan de huizen. En de apostel Paulus vermaant de ouderlingen te Efeze: „Zoo hebt dan acht op uzelven en op de geheele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft om de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door zijn eigen bloed”. „Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen” (Hand. 20: 28, 31). Op grond van het bevel des Heeren en naar het voorbeeld der apostelen is het de taak van de opzieners der kerk, te waken voor het welzijn van de geheele gemeente en zorg te dragen voor de afzonderlijke leden (1 Tim. 5: 17; 1 Thess. 5: 11-14).

De Gereformeerden hebben van den aanvang af nadruk gelegd op de noodzakelijkheid van het huisbezoek, niet alleen om het Woord Gods aan de huizen tot alle menschen te brengen, maar ook en vooral, opdat de gemeente zich openbare als een heilige gemeente, en de leden zich schikken naar de orde en de tucht. Het ambt dient te waken, dat allen wandelen naar het Woord. Om die reden werd door Calvijn reeds in 1536 in de belijdenis van Genève aan de predikanten voorgeschreven, om de kudde Gods te weiden, en werd in de kerkenordening

|557|

van 1561 als roeping van de dienaren des Woords bepaald, dat zij met de ouderlingen de bezoeking moesten doen. Bullinger omschreef in de Tweede Helvetische Confessie de roeping der dienaren om niet alleen het Woord en de sacramenten te bedienen, maar ook „de onwetenden te onderwijzen en te vermanen, en aan te dringen bij hen, die stil staan op den weg Gods of die traag voortgaan, om voort te schrijden; eveneens om te troosten en te versterken de kleinmoedigen en hen te beveiligen tegen de listen van satan, de zondaren te bestraffen en dwalenden op den weg terug te roepen, de gevallenen op te richten, de tegensprekers te weerleggen … de zieken en hen, die aan onderscheidene beproevingen zijn blootgesteld, te bezoeken, hen te onderwijzen en in den weg des levens te houden” enz. Ook de Wezelsche Artikelen van 1568 rekenen het huisbezoek tot de taak van de predikanten (Cap. 3, 13) en de ouderlingen (4, 2). „Hun ambt bestaat hierin, dat zij, een iegelijk over zijn eigen parochie, naarstig de wacht houden en de hun toevertrouwde gemeenteleden van huis tot huis minstens eenmaal per week, en voorts zoo dikwijls het de gewoonte zal zijn naar de regeling van elke kerk, bezoeken, vooral echter tegen den tijd der avondmaalsviering”. In overeenstemming hiermede werd op de synoden, die daarna volgden, van Emden (1571, art. 25), van Dordrecht (1574, art. 73; 1578, art. 71) het huisbezoek gerekend tot het werk der predikanten en der ouderlingen. In de kerkenorde van 1581 en daarna wordt het huisbezoek niet met zoovele woorden als taak der predikanten genoemd.

Maar daarmede is niet uitgesproken, dat het huisbezoek niet behoort tot het ambt der predikanten. Immers is een predikant ook opziener der gemeente. En in de tweede plaats, in art. 16 wordt gezegd, dat het ’t ambt der dienaren is „op hunne medebroeders, ouderlingen en diakenen, mitsgaders de gemeente, goede acht te nemen”, en hierin is ook het huisbezoek begrepen. De provinciale synoden hebben deze bepaling naar omstandigheden uitgebreid en toegelicht. Zeer sterk werd dit uitgesproken in de kerkelijke wetten van Friesland1): „Sal ook een Predikant de Huis-bezoeking aan de Ledematen voor het celebreeren van des Heeren Heilig Avondmaal getrouwelijk waarnemen, alsook in droefenis en krankheid of anderzins en zullen de nalaatige in deesen censurabel zijn”. De Friesche synode van 1652 besloot: „predikanten syn censurabel, die de visitatien van hare gemeente versuymen ende verlaten”.

Regel dient te zijn, dat de ouderlingen met de predikanten het huisbezoek doen. Voetius zegt2): „De visitatie moet geschieden door


1) Nauta, Kerkel. wetten, Tit. XI, art. 10.
2) Pol. Eccl. IV, 107.

|558|

den dienaar en een ouderling tevens. Het schijnt niet geraden, dat zij door den dienaar alleen verricht wordt. In geval van noodzakelijkheid gebeurt het soms, dat visitatie gedaan wordt door den dienaar alleen, waar in kleinere kerken slechts twee ouderlingen zijn, waarvan de eene gestorven is of in dien tijd afwezig is, en de andere nauwelijks tijd kon vinden voor dat werk. Men streve er echter naar, dat zij door twee gezamenlijk geschiedt, of dat in dat geval van noodzakelijkheid in de plaats van den ouderling, volgens den wil en met toestemming van den kerkeraad, een diaken te hulp genomen wordt. Wij weten niet hoezeer in dat moeilijke werk plotseling gevraagd wordt, dat „in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta”. Trouwens hoe zullen de dienaren des Woords naar eisch hunne roeping volbrengen, de kudde des Heeren recht weiden, indien zij het aangezicht hunner schapen niet kennen, hunne moeiten en strijd niet verstaan? Bovendien is het huisbezoek voor den predikant ook goed. Hij leert zijne gemeente en hare behoeften beter kennen, terwijl de ontmoetingen en de ervaringen, die hij opdoet in de gemeente, en de leidingen van Gods kinderen, die hem worden medegedeeld, dienstbaar kunnen zijn tot verdieping en verrijking van eigen geloofsleven, zoodat de prediking meer profijtelijk wordt en de gemeente er winst van heeft.

Evenwel kan een predikant niet altoos heel het huisbezoek doen. In eene groote gemeente is zijn tijd zoo bezet met de voorbereiding voor de preek, met de catechisaties, met het ziekenbezoek en allerlei noodzakelijken arbeid, dat hij slechts weinig tijd voor het huisbezoek overhoudt. Het zou echter zeer tot schade voor den predikant en den gemeentelijken arbeid zijn, indien de predikant geheel vrijgesteld wordt van het huisbezoek.

Van den tijd, wanneer het huisbezoek moet geschieden, zegt art. 23 „de bezoeking te doen naar dat de gelegenheid des tijds en der plaats tot stichting der gemeente, zoo voor als na het Nachtmaal, kan lijden”. Naar de bedoeling der vaderen werd het huisbezoek gehouden in verband met het avondmaal. Vóór het avondmaal werd de gemeente bezocht om haar voor te bereiden voor de viering van het avondmaal, en na het avondmaal om over de vrucht des avondmaals te spreken. Met zeldzame trouw werd in den goeden tijd der Gereformeerde kerken aan dezen regel de hand gehouden. Maar toen de tijd der geestelijke spanning voorbij was, zonk ook de trouwe herderszorg in. Tendeele werd het meer huisbezoek dan zielenzorg. En herhaaldelijk moesten de kerkelijke vergaderingen maatregelen nemen om de geregelde bezoeking te bevorderen.

Het bezoeken van de leden der gemeente zoo vóór als ná het avondmaal is in de meeste kerken in onbruik geraakt, en vervangen

|559|

door het jaarlijksch huisbezoek. In sommige kerken geschiedt het huisbezoek op sommige dagen in de week gedurende het geheele jaar, terwijl in andere kerken de gemeente in de herfst- en wintermaanden bezocht wordt. En al kost het aan den predikant en de ouderlingen veel moeite en tijd, bij een goede organisatie is het mogelijk, dat ook een groote gemeente geregeld bezocht wordt.

Het huisbezoek is beslist noodig. Daardoor blijft er contact tusschen de opzieners en de gemeente, tusschen herder en kudde. De opzieners kunnen kennis nemen van al wat er leeft in de harten, en de leden der kerk met raad en leiding dienen. Men kan vertrouwelijk met elkander spreken over allerlei zorgen en bezwaren. Men kan misverstand wegnemen, den rechten weg openen, onderrichten en vertroosten. Door vertrouwelijke samenspreking wordt de eenheid, de liefde en de samenwerking in de gemeente bevorderd. Hoe trouwer de hand gehouden wordt aan het huisbezoek, hoe meer de gemeente zal worden gebouwd.

Behoort tot het ambt der ouderlingen ook het lezen van eene leerrede of het voorlezen in de kerk? Deze vraag kan niet rechtstreeks bevestigend beantwoord worden. Wel is door velen als hun gevoelen uitgesproken, dat deze werkzaamheden beslist door een ouderling moeten worden verricht. Doch de zoodanigen vergeten, dat noch in de Schrift, noch in de Belijdenis of in het Formulier van Bevestiging de lezing van een preek of de voorlezing van een gedeelte van Gods Woord bij den dienst aan de ouderlingen wordt opgedragen. Integendeel, het ambt der ouderlingen is het houden van opzicht en tucht over de gemeente. En daaronder valt niet rechtstreeks het lezen eener preek voor de gemeentevergadering. Hierbij komt, dat voor het voorlezen en vooral voor het preeklezen eene bekwaamheid noodig is, die niet van al de ouderlingen kan worden gevraagd. Iemand kan een uitnemend opziener zijn, een voortreffelijk ziekentrooster, en toch een slecht lezer, omdat hij niet beschikt over een goede en duidelijke stem, of de taal niet recht verstaat of ook door zijn wijze van lezen de gemeente bezwaarlijk stichten kan. Goed lezen en vooral goed voorlezen is een kunst, waarin iemand zich wel terdege mag oefenen, vóór hij in het publiek optreedt.

De leesdienst is een hulpdienst, die in geval van nood de gewone bediening des Woords vervangt. In de kruiskerken was het voorgeschreven, dat wanneer des Zondags de prediking niet door een dienaar kon gehouden worden, de ouderling voorgaan zal in het gebed en de lezing van een predikatie, welke door den dienaar of door den kerkeraad zal zijn aanbevolen, zonder toevoeging van eenige verklaring of beantwoording van vragen (Le Bouton, 1563). In de oude Nederlandsche

|560|

kerken voerde men, in navolging van de Schotsche kerk (First Book of Discipline IV, 4), op plaatsen, waar nog geen predikanten waren, lezers in, die onder toezicht stonden van de classen, maar wier werk zooveel mogelijk werd beperkt (Syn. 1571, art. 41; 1581, vr. 12), terwijl zelfs de synode van Utrecht, 1633, er orde op stelde, wat er door hen werd gelezen. Ten tijde der republiek werd op vele plaatsen, evenals ook in de Gereformeerde kerken in de 19de eeuw en ook nu nog, bij ontstentenis van een predikant, gelezen. Deze gewoonte is goed. Maar dan behoort ook de kerkeraad, die de leiding van den dienst heeft, te zorgen, dat er een goede lezer optreedt en dat de preek, die gelezen wordt, geschikt is voor de gemeente, en dat de broeder, die voorgaat, iemand is, die met stichting dezen arbeid kan verrichten. De kerkeraad zelf wijst dus den lezer aan en in die aanstelling voor een bepaalden arbeid ligt de bevoegdheid. Het is natuurlijk aan te bevelen, dat een ouderling voor het lezen eener preek worde aangewezen, omdat deze een opziener is, en dus een persoon, die deelt in de hoogachting der gemeente, een man des vertrouwens. Maar wanneer het mocht zijn, dat niet een der ouderlingen de benoodigde gaven bezat — het­geen wel een zeldzaam geval zal zijn — dan zou de kerkeraad daarvoor een anderen broeder kunnen aanwijzen.

De gewone voorlezing van het Woord Gods in de samenkomsten der gemeente kan geschieden door den dienaar des Woords of door een der andere ambtsdragers, of ook door een lid der gemeente, mits deze daartoe door den kerkeraad is aangewezen.

Een vraag van beteekenis is: Mogen de ouderlingen ook een huwelijk bevestigen? Volstrekt niet. Want een huwelijksbevestiging behoort evenals de openbare belijdenis van de jonge leden der gemeente tot den dienst des Woords en voor dit werk is een ouderling niet onderzocht noch aangesteld. Ook mag een ouderling niet optreden als oefenaar, tenzij hij door de kerk daarvoor is bevoegd verklaard. Niet die zich zelf waardig acht, maar die door de kerk geroepen is voor een bepaalden arbeid, mag dezen dienst verrichten. De orde moet in ’s Heeren kerk beslist gehandhaafd worden. Art. 3 der Kerkenordening waarschuwt dan ook tegen het verwarren der ambten: „Het zal niemand, alhoewel hij doctor, ouderling of diaken is, geoorloofd zijn, den dienst des Woords en der sacramenten te betreden, zonder wettelijk daartoe beroepen te zijn.”

Mag een ouderling wel bezoldigd worden? Deze vraag was aan de orde gekomen in de stad Leiden en werd behandeld op de Synode van Middelburg (1581). Zij werd beantwoord door Prof. Danaeus in dien zin, dat dit niet raadzaam was, en wel a. om te voorkomen, dat dit ambt om finantiëel voordeel zou worden begeerd; b. dat dit ambt van

|561|

dien aard is, dat het om niet behoort te worden gedaan; c. dat de ouderlingen en diakenen bij het waarnemen van hun ambt niet behoeven afstand te doen van hun beroep, en dus ook tegelijk met het vervullen van hun ambt voor hun leeftocht en voor hun gezin kunnen zorgen. Geheel anders is het met de dienaren des Woords. Zij wijden geheel hun leven en al hunne krachten aan de kerk, kunnen en mogen geen aardsch beroep uitoefenen, en hebben daarom volgens 1 Tim. 6 en 1 Cor. 9 recht op levensonderhoud. Indien evenwel de waarneming van hun ambt zooveel van hun tijd en hunne krachten vergt, dat eigen zaken en de verzorging van eigen gezin daardoor zou schade lijden, gebiedt de Christelijke liefde, dat men te hulp kome uit de kerkelijke goederen.

Ook Voetius1) acht het gewenscht, dat de ouderlingen hun ambt om niet waarnemen, wijl men anders gevaar loopt, dat lediggangers en die geen voorstanders zijn in het geloof en in godzaligheid, terwille van de tractementen zouden staan naar de regeering.

Maar tevens zegt hij, dat eene bezoldiging niet kan geweigerd worden aan de ouderlingen, indien zij zich geheel overgeven aan hun ambt.

Principiëel is hiermede het antwoord op de vraag gegeven. Het is volstrekt niet ongeoorloofd, aan een ouderling of aan een diaken een bezoldiging te geven. Maar in de practijk dient men in dezen voorzichtig te zijn. De regel behoort te zijn, dat de ouderlingen en diakenen hun ambt zonder bezoldiging vervullen. Al is het voor velen hunner wel eene opoffering, om zooveel tijd te onttrekken aan hun gezinnen en aan hunnen arbeid, de dienst, dien zij bewijzen aan de gemeente, moet een liefdedienst zijn, waarvoor geen bezoldiging gegeven wordt. In bijzondere gevallen evenwel — wanneer het wenschelijk is, dat een of meer broeders, die rijk begaafd zijn, veel tijd geven voor den gemeentelijken arbeid, maar die met het oog op de verzorging van hun gezin daartoe niet in de gelegenheid zijn — is aan te bevelen, dat dezulken een vergoeding ontvangen voor hun arbeid in de gemeente.

Een van de meest gewichtige werkzaamheden van de ouderlingen is de arbeid in de vergaderingen van den kerkeraad. Zij vormen met de dienaren des Woords den kerkeraad, die tot taak heeft het houden van opzicht en tucht over de gemeente, de leiding van de verkiezing der ambtsdragers, de vertegenwoordiging der gemeente naar buiten, de regeling van de diensten van Woord en sacrament, en het beheer van de financiën der gemeente. Al deze werkzaamheden worden in onze Kerkenordening samengevat in de woorden van art. 16,


1) Pol. Eccl. I. 815; III. 442.

|562|

waar ook als ambt der dienaren genoemd wordt: „en ten laatste met de ouderlingen te bezorgen, dat alles eerlijk en met orde geschiede.” Juist om hiërarchie en willekeur te voorkomen hebben de Gereformeerden het als een der noodzakelijke elementen der kerkregeering geacht, dat de regeering der gemeente niet bij één persoon alleen bestaat, maar bij eene vergadering van opzieners. Er kan dan ook geen wettig besluit genomen worden dan op een wettige vergadering.

Ook het beheer der financiën mag niet onttrokken worden aan het opzicht en het bestuur der opzieners. Op welke wijze het financiëel beheer behoort te geschieden, zullen wij later, wanneer wij handelen over den kerkeraad, onder de oogen zien. Alleen dit zij hier opgemerkt, dat de kerk voor alles wat tot de uitoefening der ambtelijke bediening behoort, en voor de gelden, daarvoor noodig, niet afhankelijk mag zijn van eene macht buiten haar. Wel kan een kerk admini­strateurs benoemen, of eene commissie van beheer, wier leden niet noodzakelijk leden van den kerkeraad behoeven te zijn, maar de kerkeraad heeft er voor te zorgen, dat de beheerders van de kerkegoederen geheel verantwoordelijk zijn aan den kerkeraad, en dus nimmer eene van de kerk onafhankelijke positie innemen. Het beheer der goederen is wel niet een taak van de ouderlingen persoonlijk. Hun ambt is allereerst geestelijk van aard. Doch de ouderlingen zijn met de Dienaren des Woords als opzieners der gemeente verantwoordelijk voor den goeden gang van het kerkelijk leven. Voor den dienst des Woords zijn personen en gebouwen noodig. Het onderhoud van den kerkedienst kost geld. En al laat de kerkeraad het beheer in engeren zin over aan personen, die daarvoor geschikt zijn, deze personen worden benoemd door, ontvangen hunne instructiën van, en zijn in alles rekening en verantwoording schuldig aan den kerkeraad. Anders zou men twee afzonderlijke machten krijgen in de kerk, die met elkander in botsing kunnen komen, en zou de kerk gevaar loopen, hare zelfstandigheid en vrijheid te verliezen.

Ten slotte rekent onze Kerkenordening ook nog tot het ambt der ouderlingen om ook anderen tot de Christelijke religie te bekeeren. Deze woorden zijn in 1586 in de Kerkenordening ingekomen, en bedoelen naar de historische beteekenis, dat de kerkeraad ambtelijk over alle bewoners van de plaats zeggenschap heeft. De Gereformeerde kerk was de eenige erkende kerk, en alle burgers waren naar de beschouwing dier dagen verplicht, zich bij de kerk te voegen. Daaruit volgde, dat allen, die zich niet bij haar gevoegd hadden, daarover ambtelijk moesten vermaand worden. Dit standpunt, waarin de idee

|563|

van de volkskerk zich uitspreekt, is thans bij de gedeeldheid van het kerkelijke leven, nu het recht van het zelfstandig bestaan der afzonderlijke kerken algemeen erkenning gevonden heeft, niet meer vol te houden. Het gezag der kerk strekt zich niet uit tot alle burgers van een plaats, maar alleen tot hen, die zich vrijwillig voegen onder het opzicht en de tucht van den kerkeraad. Wel mogen de ouderlingen degenen, die buiten de kerk zijn, vermanen den Heere te dienen en zich te voegen bij de Gereformeerde kerk, maar dit behoort niet tot hun ambt, wijl anders de opzieners van ontrouw te beschuldigen waren, indien zij niet alle burgers geregeld opzochten en hen vermaanden tot de Christelijke religie. In historischen zin zijn deze woorden dan ook niet meer te handhaven1). Dit is ook bij de ineensmelting der Gereformeerde kerken in 1892 erkend. Doch daarbij is uitgesproken, dat op de kerken wel de verplichting rust, om al wie van Gereformeerden huize is en toch nog van verre blijft staan, tot zich te trekken, met dien verstande, dat niemand als lid der kerk erkend wordt, en dus geen voorwerp der kerkelijke tucht is, dan die als lid der kerk is erkend.

Wel behoort mede tot de roeping der kerk, de van het geloof vervreemde Christenheid wederom voor het Evangelie van Christus te herwinnen, en is het de roeping van den kerkeraad, dezen evangelisatiearbeid ter hand te nemen en te regelen, en te zorgen, dat onder de leiding van den kerkeraad deze arbeid verricht wordt. Het doel van de evangelisatie is toch, hen, die van het geloof der Christenheid vervreemd zijn, voor het Evangelie te herwinnen. En dat is de roeping der kerk, aan wie ook opgedragen is, het verlorene te zoeken en het afgedoolde terecht te brengen. Hiertoe heeft de geheele gemeente mede te werken. De predikanten doen dat in de prediking, en met de ouderlingen in het huisbezoek, maar naast de ambtelijke verkondiging des Woords, waartoe alleen het recht aan de ambten in de geïnstitueerde kerk toekomt, is er ook een persoonlijk getuigenis van Christus, waartoe geen ambtelijke roeping noodig is, evenmin als een mandaat van de kerk, maar waartoe elk lid der kerk het recht en de bevoegdheid heeft, zooals ook de Heidelbergsche Catechismus zegt (vr. 56): „Eerstelijk, dat de geloovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Christus en alle zijne schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere, dat elk zich moet schuldig weten, zijne gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden”. Ook de particuliere geloovigen hebben door de liefde van Christus gedreven dit al de


1) De Bazuin, 1915, No. 19.

|564|

eeuwen door gedaan, en de arbeid door de Christelijke vereenigingen voor onderwijs, barmhartigheid en evangelisatie, voor Zondagsschool, Bijbel- en tractaatverspreiding in latere jaren legt een heerlijk getuigenis af van den rijken zegen voor Gods koninkrijk. De afbakening van de verhouding tusschen de roeping der geloovigen en die der geïnstitueerde kerk is niet gemakkelijk. „Men heeft hier niet te doen met twee scherp van elkander afgezonderde terreinen, maar veeleer met eenzelfde arbeidsveld, waarop beide werken, zij het dan ook ieder met een onderscheiden roeping. Niet twee naast elkaar liggende cirkels, maar de ellips met twee brandpunten is hier het juiste beeld. Of wilt ge liever, het onderscheid is hier hetzelfde als tusschen het catechetisch onderwijs, dat op onze lagere en hoogere scholen gegeven wordt, en dat, hetwelk van den predikant uitgaat; de gave der barmhartigheid, die gij den armen geeft, en die welke de diakenen uitreiken; het stichtelijk woord, dat een proponent of oefenaar spreekt, en de bediening des Woords van den predikant in het midden der gemeente” 1). De bediening van de sleutelmacht heeft Christus aan zijne kerk gegeven, en daarom moet ook de kerk leiding geven aan den arbeid, die beoogt de afgedwaalden en verlorenen te winnen voor het evangelie, maar het particulier initiatief behoort hierin behulpzaam te zijn.

Hieruit volgt, dat de ouderling als lid van den kerkeraad geroepen is, mede te werken tot de evangelisatie. In hun ambtelijk werk hebben de ouderlingen evenals de predikanten zich te bepalen tot de gemeente, die aan hunne zorgen is toevertrouwd, en tot de vermaning en leiding van de leden der kerk, ook de afgedoolde leden, maar wijl voorts de kerk de roeping heeft om het licht der genade alom te laten schijnen, moet ook de raad van opzieners, d.i. de kerkeraad, het als zijn taak rekenen om ook in breeden kring zondaren voor Christus te winnen, en dien arbeid te organiseeren en te leiden. De geloovigen kunnen ook als geloovigen, zonder den kerkeraad te vragen, evangeliseerend werken, maar zal deze arbeid geordend gaan en tot een goed resultaat leiden, dan dient de kerkeraad hem te organiseeren en te leiden.


1) Dr H.H. Kuyper, Handelingen van het congres voor Geref. Evangelisatie, 1913, bl. 159.