Bouwman, H. (1928) § 22

§ 22. De Gereformeerde kerken in Engeland en Schotland.

In Engeland, waar de kerk zich niet gelijk in Nederland, Frankrijk en Schotland als eene „kerk onder het kruis” op presbyteriaansche wijze heeft ontwikkeld, is een Gereformeerde staatskerk ontstaan, aan welker hoofd de koning stond. Aan den paus werd alle jurisdictie

|263|

in Engeland ontnomen, en de koning werd het aardsch hoofd der Engelsche kerk. De kerk behield den episcopalen vorm, maar ontving uit de hand van koningin Elisabeth eene belijdenis, die in hoofd­inhoud Gereformeerd is, maar in het stuk van de verhouding van kerk en staat erastiaansch. Elisabeth verlangde eenvormigheid in de gebruiken der kerk, in cultus en ambtsgewaad, en schiep met behulp van bisschop Parker een kerkinrichting, die het midden houdt tusschen Rome en het Calvinisme1). Toen deze uniformiteit met geweld werd doorgedreven, ontstond verzet van de zijde der strenge Gereformeerden, die aanstoot namen aan den cultus met zijn Roomsche liturgie, orgels, crucifixen, miskleeding, ambtsgewaad, doopritus, enz., aan den hiërarchischen bouw der kerkinrichting en de ineenvlechting van het episcopaat met het wereldlijk bezit en rechten.

De Puriteinen, die op zuivering van den eeredienst aandrongen, protesteerden en toen het eindelijk verboden werd, zonder ambtsgewaad te prediken en de ceremoniën hun werden opgedrongen kwam het tot eene afscheiding. Den 20en November 1572 werd te Wandsworth bij Londen de eerste Presbyteriaansche kerk in Engeland geïnstitueerd2). Thomas Cartwright (1535-1603) is de vader van het Engelsch Pres­byterianisme. In zijne geschriften tegen het streven van Dr. Whitgift zette hij het Presbyteriaansche beginsel uiteen, dat de kerk in leer, tucht en kerkregeering haar grond en maatstaf heeft in de H. Schrift. Hij leerde: 1˚. de naam en het ambt van de bisschoppen en aarts­bisschoppen moet worden verwijderd uit de kerk; 2˚. volgens het Woord Gods is het ambt van den bisschop de bediening des Woords en van de diakenen de verzorging der armen; 3˚. de regeering der kerk is niet in handen van bisschoppelijke kanseliers en raden, maar van de predikanten en de ouderlingen der gemeente; 4˚. elke predikant is verbonden aan eene bepaalde gemeente, en niet aan meerdere; 5˚. de diaken wordt niet door den bisschop benoemd, maar door de gemeente gekozen.Het door de Puriteinen hooggeschatte werk van Travers, predikant te Cambridge: „Disciplina Ecclesiae sacra ex Dei verbo descripta”, in 1574 te Genève uitgegeven, is door hem in het Engelsch vertaald en na zijnen dood in 1644 onder den titel: „Directory of Government” uitgegeven. De Presbyteriaansche gemeenten namen niettegenstaande den druk der regeering geleidelijk toe in aantal en


1) Burnet, The history of the Reformation of the Church in England, Oxford, 1865; J. Gairdner, The English Church in the 16 centurv, 1912; W.H. Frere, A history of the English Church in the reigns of Elisabeth and James I, London 1911; F. Makower, Die Verfassung der Kirche von England, Berlin 1894.
2) Neal, Historie der Regtzinnige Puriteinen, Rotterdam 1753,I, 207; L. von Ranke, Englische Geschichte, I, 273 f.; Thomas Lindsay, A. history of the Reformation, Edinburgh, 1908, II, 385.

|264|

in kracht, en vooral onder de regeering van Jacobus I werkte het Puriteinsche beginsel in Engeland door.

De Reformatie in Schotland kreeg in het midden der 16e eeuw een Calvinistisch karakter. Vooral John Knox is het geweest, die het Gereformeerde stempel op Schotland drukte. In 1560 schafte het parlement den Roomsch-Katholieken godsdienst, benevens de pause­lijke jurisdictie af, en nam een door Knox ontworpen belijdenis, welke beslist Calvinistisch is, aan. De eerste Generale Synode van 1560 aanvaardde eene kerkorde, waarin het kerkelijk leven aanvankelijk werd geregeld in Gereformeerden zin, maar die nimmer wette­lijke sanctie ontving1). De presbyteriale kerkinrichting werd hierin duidelijk omschreven. Een vreemd element was het instituut der superintendenten. Men had in 1560 slechts 12 predikanten, van wie 7 aangewezen waren voor de hoofdplaatsen, terwijl de vijf overige aan­gewezen werden om rond te reizen, om voor de organisatie van nieuwe gemeenten te zorgen en toezicht te houden op het leven en den arbeid der predikanten en daarvan rapport uit te brengen op de Generale Synode. Deze instelling was tijdelijk bedoeld. De Synode achtte haar niet in strijd met het beginsel, dat de dienaren gelijk zijn, en bepaalde, dat de superintendenten geheel aan het toezicht der Synode onderworpen waren. Maar toch bleek naderhand, dat deze tijdelijke instelling verkeerde gevolgen had. Immers later wilden de superintendenten hunne macht uitbreiden, en in het begin van de 17de eeuw beriepen de voorstanders der episcopale inrichting zich op deze instelling2). De predikanten, de ouderlingen en de diakenen vormden plaatselijk den kerkeraad (Kirksession). Later ontwikkelden zich de classes (presbyteries), de Provinciale en de Generale Synoden. De kerkelijke tucht werd zeer streng uitgeoefend. Ook de Liturgie werd geregeld in het „Boek of Common Order”, hetwelk is een herziening en uitwerking van „The Book of Geneva”, de kerkorde van de Engelsche kerk in Genève. Deze orde bleef in gebruik tot 1645 toen zij vervangen werd door de liturgie van Westminster.

Bij parlementsbesluit van December 1567 werden aan de Gerefor­meerde kerk van Schotland de rechten van een staatskerk toegekend. De Staat waarborgde aan de kerk de handhaving harer rechten. Deze band met den Staat bevatte echter in zich de kiem van een geweldigen strijd over de vraag, of de overheid zou ingrijpen in de


1) De text is te vinden in: A collection of Confessions of Faith, Catechisms, Directories, Books of Discipline etc. Edinburgh, Watson, 1722; Knox, The history of the Reformation, p. 487-525; Mitchell, The Scottish Reformation, p. 144 ff.; Calderwood, History of the Kirk of Scotland, Edinburgh 1843, II, p. 51; Lorimer, The Scottish Reformation, 1860, p. 252.
2) Mc.Crie’s Life of John Knox; Brandes, John Knox, S 243, 433.

|265|

rechten der kerk of wel zich zou onderwerpen aan de besluiten der kerkelijke vergaderingen. Reeds in 1572 werd besloten, dat de vrij­gewordene plaatsen van aartsbisschoppen en bisschoppen bezet zouden worden door protestantsche geestelijken. Knox heeft de in­stelling der bisschoppen nooit goedgekeurd, maar uit vrees, dat de goederen aan de kerk zouden worden ontnomen, stemde hij er in toe, dat de Roomsche bisschoppen door Gereformeerde titularissen zouden worden opgevolgd, onder voorwaarde, dat deze bisschoppen of superintendenten niet hooger zouden staan dan de predikanten. De Synode van 1572 keurde ook de titels van bisschop, aarts­bisschop, decanus enz., niet goed. Maar het baatte niet. Spoedig kreeg men eene rij van bisschoppen in de Gereformeerde kerk van Schotland. De Gereformeerden bleven na den dood van Knox (1572) onder de leiding van Andrew Melville met kracht zich tegen het streven der regeering verzetten. In het Second Book of Discipline (1581) werden de grondbeginselen van Calvijn scherp uitgewerkt en werd de bisschoppelijke titel verworpen, doch de regeering weigerde deze kerkorde goed te keuren. Tevergeefs trachtten de Synoden de souvereiniteit der kerk te handhaven. Eindelijk bezweek de Synode onder den voortdurenden druk der regeering. Zij stemde toe in 1598, dat vertegenwoordigers der kerk in het parlement, zonder den titel van bisschop, zitting zouden nemen, en dat deze verantwoordelijk zouden blijven aan de Algemeene synode, maar de koning en het parlement stoorden zich niet aan deze voorwaarden en benoemden in 1603 drie, en in 1608 acht predikanten tot bisschoppen en leden van het parlement. Toen Jacobus in 1603 koning van Engeland geworden was, streefde hij er naar, om aan de Schotsche staatskerk denzelfden vorm te geven als aan de Engelsche. De bevoegdheid van de bisschoppen werd al meer uitgebreid. Zij werden belast met de visitatie hunner bisdommen (1602), met het voorzitterschap op de synoden (1606), met het gericht over alle geestelijke zaken (1606), met de bevestiging van de geestelijken, die door de patronen benoemd werden (1610) en voorts werden zij door de wijding der Engelsche bisschoppen begiftigd met de apostolische successie (1610). Vervolgens werden de kathedraalkapittels met de keuze der bisschoppen belast (1617). Zoo werd de nieuwe bisschoppelijke inrichting voltooid, de predikanten aan de bisschoppen en de synodes aan den koning onder­worpen1). Op de algemeene vergadering te Perth (1618) werden vijf artikelen doorgedreven, waarbij het knielen bij het avondmaal, waar­neming van de kerkelijke feestdagen, confirmatie door de bisschoppen,


1) Macpherson, History of the Church in Scotland, p. 172; Cunningham, Episcopacy, Presbytery and Puritanisme in Scotland, 1572-1660.

|266|

private doop en private communie aan de Gereformeerde kerk werd opgelegd. Hierdoor werd de kerkelijke strijd al meer dreigend.

De grondstellingen van Koning Jacobus I omtrent de uitbreiding van de koninklijke macht en de doorvoering van de bisschoppelijke organisatie in Engeland en in Schotland werden door zijnen zoon Karel I nader uitgewerkt. Dewijl deze niet rekende met de rechten des volks, en het parlement onwillekeurig ontbond, werd de ontevreden­heid onder het volk al grooter. En omdat hij de Puriteinen tegen­werkte, een ijverig Arminiaan was en den Roomschen genegen was rees bij het volk de gedachte, dat hij den waren godsdienst tegen­werkte. Alle standen des lands in Schotland vereenigden zich door een heilig verbond tot bescherming van godsdienst en kerk. Als een eenig man stond het Schotsche volk tegenover de dwalingen van het Romanisme en het Episcopalisme1). Op de Synode van Glasgow, Nov. 1638, werden alle besluiten der vorige Synodes sedert 1603 met heel de bisschoppelijke kerkinrichting voor ongeldig verklaard, werd de presbyteriaansche kerkinrichting hersteld en omtrent het recht der plaatselijke kerk bepaald, dat „geen persoon in eenige kerk tegen den wil der gemeente mag opgedrongen worden”.

Deze gebeurtenissen werkten in op den toestand in Engeland. Omdat het parlement zich verzette tegen ’s konings willekeur, en deze bij herhaling ingreep in de rechten van het parlement en de vrijheid der conscientie, ontstond een burgeroorlog. De koning vluchtte. Het parlement kreeg de leiding. Het schafte alle bisschoppelijke ambten af en besloot eene kerkvergadering samen te roepen, die de Engelsche kerk op streng Gereformeerde of Puriteinsche wijze zou organiseeren. De synode van Westminster kwam 1 Juli 1643 samen. Hare besluiten zijn zeer gewichtig, zoowel voor de leer als voor de kerkregeering en den cultus. Zij stelde op: a. een geloofsbelijdenis, die in dogma­tische stukken scherp belijnd Gereformeerd, in zaken van het kerk­recht, onder den invloed der Schotsche afgevaardigden, positief presbyteriaansch is. Tegenover de leer van Rome en van de Angli­caansche kerk wordt het Gereformeerde beginsel van het koningschap van Christus in de kerk sterk geaccentuëerd. „Er is geen ander hoofd van de kerk dan de Heere Jezus Christus” (Art. 25, 6). „De Heere Jezus als Koning en Hoofd van zijne kerk heeft daarin gesteld eene regeering, welke berust in de hand van de opzieners der kerk, onderscheiden van de burgerlijke overheid” (Art. 30, 1); b. twee catechismi; c. eene handleiding voor den openbaren godsdienst en


1) Tekst van het Covenant bij Peterkin, Records of the Kirk of Scotland, Edinb. 1838, 1-192; Row, History of the Kirk of Scotland from 1558-1639; Macpherson, History of the Church in Scotland, 175-190; Herzog R.E.3 Art. Covenant.

|267|

d. eene kerkorde7). Onder den invloed en met behulp van Schotland zegevierde de Presbyteriaansche partij in Engeland, maar wijl de Presbyterianen, eenmaal aan de regeering gekomen, overeenkomstig Art. 20 der confessie, niet duldden, dat de leer en de orde der kerk werd aangerand en dat leeringen, die ingingen tegen de grond­stellingen van het Christendom en verderfelijk waren voor de leer en de orde der kerk, publiek werden geleerd en zij de afwijkende gevoelens onderdrukten, kwam er verzet in het leger, dat niet wilde dulden, dat het vrijgeboren Engelsche volk werd geknecht of dat ergens eene partij inzake de regeering of het geweten wetten voorschreef. Het geheele leger was doortrokken met den Independentistischen geest.

 

Het Independentisme wortelt niet in de Puriteinsche beweging, maar in het separatisme van Robert Browne (1550-1636) 2), die zelf onder invloed stond van Nederlandsche Anabaptisten, die, door de vervolging uitgeweken, in Norfolk, waar Browne huiskapelaan van den hertog was, een toevluchtsoord gevonden hadden. Omdat Browne hartstochtelijk tegen de staatskerk predikte, moest hij vluchten en week in 1581 met een deel zijner gemeente naar Middelburg, waar hij vertoefde tot 1584. Hier schreef hij onderscheiden tractaten, waarin hij leerde, dat de bisschoppelijke kerk innerlijk bedorven en dat van haar evenmin als van eene presbyteriaansche kerk heil te verwachten was. Elk kerkbestuur, dat in eene wereldlijke overheid zijn oorsprong had, moest als antichristelijk verworpen worden. Elke gemeente van ware geloovigen, die zich scheidt van de staatskerk, en die door een vrijwillig verdrag met God zich in gehoorzaamheid aan Christus onderwerpt, is eene ware kerk. Christus is de eenige Koning. Alle geloovigen zijn koningen, profeten en priesters. Evenwel heeft elke gemeente een herder, een leeraar, een of meer oudsten, een of meer helpers en een of meer weduwen, menschen, die gaven hebben voor het ambt en daarvoor door het volk zijn beproefd en worden aan­genomen. De leden der gemeente moeten op elkander acht nemen en de afzonderlijke gemeenten moeten in liefde met elkander samen­werken. In gewijzigden vorm is deze leer door Henry Barrow, Henry Ainsworth en John Robinson overgenomen.


1) Neal, Historie der Puriteinen, Rotterdam 1752, II, 1, 387; W.M. Hetherington, History of the Westminster Assembly of Divines, Edinburgh, 1878, p. 129; A.F. Mitchell, The Westminster Assembly, London 1883, p. 246-324; A. Wright, The Presbyterian Church, its worship, function and ministerial orders 1895, p. 132; E.F.K. Müller, Die Bekenntnisschriften der Ref. Kirche, 1903, S. 542.
2) H.M. Dexter, The congregationalism of the last three hunderd years, Newyork 1880; W. Walker, The Creeds and Platforms of Congregationalism, Newyork 1893; D. Calderwood, True history of the church of Scotland, Edinburgh, 1842-49; H. Weingarten. Die Revolutionskirchen Englands, Leipzig, 1868.

|268|

Het Congregationalisme of het Independentisme gaat uit van de autonomie der congregaties of groepen van geloovigen, geheel vrij en onafhankelijk van kerkverband en staatsgezag. De gedachte der autonomie wordt zeer scherp uitgedrukt in eene petitie in 1616 aan Jakobus I, namelijk hun recht „of spiritual administration and govern­ment in itself and over itself by the common and free consent of the people independently and immediately under Christ”. De kerk­gemeenten vallen niet samen met de burgerlijke grenzen, maar op een en dezelfde plaats kunnen verschillende gemeenten zijn, en elke vergadering is in eigen kring volkomen onafhankelijk. Vandaar de naam Independenten. Deze onafhankelijkheid geldt niet alleen van de beroeping der dienaren, maar ook van den eeredienst, de belijdenis en de tucht. Het bindend gezag der meerdere vergaderingen mag niet bestaan. De congregaties kunnen wel samenkomen in conferenties, doch deze kunnen hoogstens advies uitbrengen1). Er is maar één autoriteit en deze is Christus en de H. Schrift. Christus heeft het ­gezag gegeven aan de gemeente, en wel aan de leden der gemeente, individuëel opgevat. Van een geestelijk voorrecht van de ambtsdragers en van een autoriteit der wereldlijke macht in de kerk mag geen sprake zijn. Het onderscheid tusschen de regeerders en de leden der gemeente is hiermede opgeheven. De kerkeraad regeert niet, maar voert den wil der gemeente uit. Alle leden der gemeente zijn profeten. Wel zijn er dienaren, ouderlingen, diakenen en helpers in de gemeente, die naar goddelijke ordinantie door de gemeente geroepen worden, om het volk Gods te weiden, maar zij mogen geen heeren, maar zij moeten dienaren der gemeente zijn. De geldigheid van de besluiten des kerkeraads is afhankelijk van de toestemming der gemeente. Eveneens wordt de bindende kracht van de uitwendige vormen in het godsdienstig en kerkelijk leven verworpen. Een voorgeschreven en vast formuliergebed geldt als vernietiging van den Geest. Zelfs het gebed des Heeren is hiervan niet uitgesloten. Vaststaande kerkelijke feestdagen moeten worden afgeschaft. God openbaart zich bij den voortduur door den Geest in de geloovigen. Als leden der gemeente mogen alleen geloovigen, d.i. uitverkorenen en wedergeborenen erkend worden. Slechts wie het kenmerk van een wedergeborene draagt, mag tot de gemeente worden toegelaten. De doop mag alleen bediend worden aan de kinderen der geloovigen. De kerk is dus eene ver­gadering van uitverkorenen, maar dan in Dooperschen zin omgevormd.


1) In de petitie van 1616 wordt gezegd: „We acknowledge, that, on occasion, there ought to be, on earth, a consociation of Congregations or Churches, but not a subor­dination, or surely not a subjection of the Congregations under any higher Spiritual Authority absolute, save only Christ’s and the Holy Scriptures”.

|269|

Voor het verbond Gods hebben de Independenten geen oog. Zij belijden zeer juist het koningschap van Christus in de kerk en de vrijheid der geloovigen, maar hun fout is, dat zij geen oog hebben voor het organisch karakter der gemeente, en deze beschouwen als een aggregaat van geloovigen, een som van individuëele Christenen. De organische eenheid der kerk wordt dus verscheurd, met het verleden wordt gebroken, de leiding des H. Geestes in de historie wordt miskend. Het is dan ook niet juist, wanneer H. Weingarten zegt, dat “diese Verfassungsideeën sind die Conzequenz der Calvinischen Prädestinationslehre”, want het Calvinisme wil de goddelijke praedesti­natie en het verbond, d.i. den weg, waarlangs God zijn volk tot de eeuwige zaligheid leidt, niet scheiden. De Independenten wilden wel Gereformeerd zijn, maar konden niet los worden van de beginselen der Dooperschen, waarmee zij van huis uit verwant waren, en vertoonden daarom in hunne kerkrechtelijke beschouwingen een enthousiastisch­-revolutionaire kleur.

Van de gemeente der Independenten scheidden in 1633 zich eenige leden af en constituëerden eene zelfstandige gemeente. Een deel van hen kwam tot de overtuiging, dat niet alleen de kinderdoop, maar ook de doop der volwassenen door besprenging of begieting niet geoorloofd was, maar de doop door onderdompeling voor de zaligheid noodig was. Om die reden werd de dompeldoop ingevoerd. Zoo ont­stond de eerste Baptistengemeente. De groote meerderheid der Bap­tisten behoort tot de „Regular” of „Particular Baptists”. Zij zijn, be­halve in het stuk van verbond en doop, Calvinistisch in de leer en Independentistisch in de kerkregeering. Zij gelooven in de zaligheid van allen, die sterven voor zij tot de jaren des onderscheids gekomen zijn, en houden den doop voor een uitwendig teeken en belijdenis van het geloof, dat alreede ontvangen is1).

Het Congregationalisme is tot op dezen tijd in hoofdzaak gelijk ge­bleven2). De afzonderlijke gemeenten zijn autonoom. De kern der gemeente zijn de leden, die op belijdenis des geloofs zijn toegelaten. Slechts wezenlijke „bekeerden” worden op voorstel van eene com­missie door stemming der leden aangenomen. Kinderen van de leden der gemeente kunnen ook gedoopt worden, maar zijn eerst dan leden, als zij formeel daartoe worden aangenomen. Rondom de kern der gemeente schaart zich de kring van hen, die aan de godsdienst­oefeningen deelnemen. Ook al zijn zij niet gedoopt en hebben zij nog


1) Schaff, The Creeds of Christendom III, 738-741; Newman, A history of the Baptists of the United States, Newyork, 1895; Dr H. Bouwman, Het Baptisme, Zutphen, Van den Brink.
2) Loofs, R.E.3 Art. Kongregationalisten; W. Walker, A history of the congregational churches in the United States.

|270|

geen belijdenis des geloofs afgelegd, behooren zij toch eenigszins tot de plaatselijke gemeente. Zij dragen mede bij tot de kosten voor de instandhouding der gemeente, en werken mede tot de keuze der leeraars. Ambtsdragers der gemeente zijn: de pastor (ook ouderling of bisschop genoemd) en leeken-diakenen, die bij de bediening der sacramenten en bij de oefening der barmhartigheid helpen. Afzonderlijke ouderlingen naast de predikers zijn er niet meer. De predi­kanten worden bij vrije stemming door de leden der gemeente ge­kozen, en door de naburige predikanten geordend. Een vast kerkverband of eene bindende belijdenis van al de kerken is er niet, zoodat de onderscheidene gemeenten soms nog al verschillen in richting.

 

Met de zege der Independenten werd aan de Westminster-synode en aan de heerschappij der Presbyterianen in Engeland een einde gemaakt. In 1660 kwam de restauratie onder Karel II en daarmede het herstel der Episcopaalsche kerk als staatskerk. Een bangen tijd doorleefden de Presbyterianen onder de regeering der laatste Stuarts. De langdurige oorlog nam gelukkig een einde met de komst van Willem III, die bij de tolerantie-acte de volle vrijheid van godsdienst­oefening toestond1). Het Schotsche parlement verklaarde bij de wet van 22 juli 1689, dat het bisschoppelijke kerkregiment was opgeheven en dat de Gereformeerde religie en kerkregeering de religie en de kerkregeering der natie was. Bij het tot stand komen der Unie tusschen Engeland en Schotland (1707) werd bij de Act of Security verklaard, dat de rechten der Presbyteriaansche staatskerk nimmer zouden worden gekrenkt2). Doch niettegenstaande het verzet der Presbyterianen werd door het Engelsche parlement de wet van 1690 over het pa­tronaat herroepen, en daarmede het patronaatsrecht hersteld. De misbruiken der patroons bij de bezetting van de predikantsplaatsen werden aanleiding tot eene herhaalde scheuring in de Schotsche kerk.

De eerste secessie had plaats in 1733, onder leiding van Ebenezer Erskine, predikant van Stirling, die als moderator aan de Prov. Synode van Perth en Stirling publiek tegen de verkorting der rechten van de kerk had geprotesteerd. Toen de Synode van 1733 Erskine hierover berispte en besloot hem te suspendeeren in de bediening, indien hij bleef weigeren zich te onderwerpen, con­stitueerde hij met nog drie predikanten de eerste Associate Pres­bytery3). De tweede secessie kwam twintig jaren later tot stand. De


1) Macauly, Gesch. v.h. Engelsche volk, III, bl. 48-53.
2) Köstlin, Die schottische Kirche, 1852, S. 265-267; Macpherson, History of the Church of Scotland, p. 302.
3) Macpherson, History of the Church of Scotland, p. 317; Köstlin, Die schottische Kirche, S. 292-299.

|271|

patroons zetten met kracht hun wettelijke rechten door, dreven herhaaldelijk tegen den wensch der kerken de benoeming van de door hen voorgestelde predikanten door, en toen de synode van Schotland bepaalde, dat te Dunferline de benoemde predikant moest worden bevestigd, bleef Thomas Gillespie, de predikant van Carnock, zich verzetten, en werd deswege om zijne hardnekkigheid afgezet. Thomas Boston, zoon van den bekenden predikant Thomas Boston van Ettrick, die door de gemeente van Iedburgh was beroepen, maar door den patroon werd geweerd, en Collier, predikant van Colingsburgh, sloten zich bij Gillespie aan, en vereenigden zich met elkander tot een presbytery of relief (1752). Onder den invloed van het Mode­ratisme, dat indifferent en veelal sceptisch stond tegenover de leer der kerk, en door de antidogmatische- en moraalprediking de Gere­formeerden van de kerk vervreemdde, namen velen de toevlucht tot de gesepareerde kerken, zoodat deze aan het einde der 18de eeuw een groote macht in Schotland geworden waren en meer dan 200 gemeenten met bijna evenveel predikanten telden.

De doorwerking van het Moderatisme bevorderde ook de gedeeld­heid der kerk. Er kwam groot verschil van gevoelen niet alleen over de macht van de overheid inzake de religie, over de wettigheid van den burgereed en over de kracht van het covenant van 1638, maar eveneens over de handhaving van de belijdenis in de kerk. In 1747 kwam het onder de Seceeders van 1733 tot eene scheuring in Glasgow, Perth en Edinburgh, waar men gedwongen werd, een eed af te leggen, die aldus luidde: „Ik beken met geheel mijn hart de ware religie, die tegenwoordig in dit rijk beleden wordt en door de wet geauto­riseerd is”, omdat velen daarin zagen een erkenning en goedkeuring van de wettelijke regeling der kerkelijke aangelegenheden in Schotland, een billijking dus van de Staatskerk met al haar afwijking, waarom zij juist met de Staatskerk hadden gebroken. Een ander deel oor­deelde, dat er geen bezwaar was tegen het afleggen van den eed, omdat zij er slechts in zagen eene erkenning van de belijdenis der zuivere religie. De strijd eindigde in 1747 met eene scheuring, waarbij de minderheidsgroep den naam General Associate Synod aanvaardde, en de meerderheid den naam Associate Synod behield. In den volks­mond werden beide groepen naar de kwestie, die tot verdeeldheid aanleiding gegeven had, onderscheiden als „Burghers” en „Anti-­Burghers”.

In elk van deze beide groepen ontstond weldra een nieuwe scheuring, veroorzaakt door verschil van gevoelen over de handhaving der confessie en over de macht der overheid in zaken van de religie. De minderheid der Burghers, die geen de minste verandering gedoogde,

|272|

constitueerde zich onder den naam van „Associate Presbytery”, de minderheid der Anti-Burghers onder den naam van „Constituonal Associate Presbytery”. De populaire naam, waarmede deze groepen werden aangeduid, was: „Auld Lichts” voor de palstaande minderheid, en „New-Lichts” voor de meerderheid. Men had dus 4 groepen: de „Auld Licht Burghers” en de „Auld Licht Anti-Burghers” en de „New Licht-Burghers” en de „New Licht Anti-Burghers”. Daarna kwam er reactie, die leidde tot eene hereeniging. In 1820 vereenigden zich de beide groepen van het „Nieuwe Licht” tot de United Secession Church, waarbij in 1847 zich voegde de oude Relief Church van Gillespie en welke vereenigde kerk den naam ontving van United Presbyterian Church. Deze kerkengroep telde op het moment der vereeniging niet minder dan 500 kerken. De oude Seceeders van 1733 waren na allerlei splitsingen en hereenigingen tenslotte in 1842 in twee vrije kerkengroepen belichaamd: de United Secession Church en de United Original Secession Church.

Kort na de vereeniging van 1842 had in de Schotsche kerk een tweede kerkelijke actie plaats, waaruit de Free Church is voortge­komen. De aanleiding tot haar ontstaan was een conflict, veroorzaakt door het optreden der patronen in de kerk. In de periode van geestelijke inzinking in de achttiende eeuw werden de bezwaren tegen het patronaatsrecht niet sterk meer gevoeld, maar met de geestelijke opleving in Schotland in het begin der 19e eeuw werd dit anders, en zag men weer, dat het in lijnrechten strijd was met het Gereformeerde kerkrecht. Daarom besloot dan ook de Generale Synode der Staats­kerk in 1834, met 184 tegen 138 stemmen, dat wanneer de meerder­heid der mannelijke gezinshoofden, die ten avondmaal waren toe­gelaten, zich tegen den, door den patroon aangewezen, predikant verklaarden, deze niet in het ambt kon worden bevestigd. De patronen, zich verongelijkt achtende, brachten deze geschillen voor de burgerlijke rechtbanken, die in tal van gevallen ten hunnen gunste beslisten, zoodat de „Evangelicals” herhaaldelijk tot geldboeten werden veroordeeld. Een poging van de Gereformeerden, om het Hoogerhuis te bewegen, het vetorecht der gemeente te erkennen, mislukte, en nu moest het wel komen tot eene breuk. Door den langen duur van den strijd tegen het patronaatsrecht hadden de Gereformeerden de gelegenheid gehad, zich grondig voor te bereiden, en fondsen bijeengebracht om, in het geval van eene breuk met den staat, te kunnen handelen. En bij de opening der synode van 1843 verklaarde de moderator van de vorige synode, Dr Welsh, dat tengevolge van de herhaalde inbreuk op de vrijheid der kerk het voor de synode onmogelijk was hare zittingen aan te vangen onder voorzitterschap van den

|273|

regeeringscommissaris, en dat daarom hij en de zijnen zich in hunne conscientie gedrongen gevoelden, St Andrews te verlaten en op eene andere plaats te vergaderen, en elken band met den staat te verbreken. Meer dan 200 predikanten, met Dr Welsh en Dr Chalmers aan de spits, verlieten de vergadering, begaven zich naar eene andere vergaderplaats en constitueerden zich daar als de Generale synode der Vrije Gereformeerde kerk van Schotland (the Free Church of Scotland). De kerkegoederen bleven in handen van de Staatskerk, maar overal verrezen nieuwe kerken, voor de zending werden fondsen bijeengebracht, en in Edingburgh en later ook te Glasgow en te Aberdeen werden „colleges” voor de opleiding van dienaren des Woords opgericht. Braken in 1843 470 predikanten met de Staatskerk, tegen het einde der 19de eeuw was het aantal predikanten geklommen tot 1200 en bedroeg het getal harer leden ongeveer 2/5 der bevolking.

Na de breuk werd in 1846 een wet aangenomen door het parlement, waarbii het vetorecht tegen de aanwiizing der predikanten aan de kerken werd toegekend, maar het was te laat om de Evangelicals te bewegen, tot de Staatskerk terug te keeren. Zelfs de algeheele afschaffing van het patronaatsrecht in 1874 vermocht dit niet.

Het optreden van de Free Church vond groote sympathie bij de Original Seceeders, en het grootste deel van hen vereenigde zich met de Free Church. De minderheid was van oordeel, dat het standpunt der Nationale Covenants van de 19de eeuw ook nu nog de natie bond, en wilde de aanvaarding van dit standpunt als fundamenteel beding voor de vereeniging stellen. En wijl de meerderheid der synode van 1852 dit beding niet wenschte te aanvaarden, ging zij over tot de Free Church en bleef de minderheid als United Original Secession Church voortbestaan. Deze kleine kerkengroep telt thans nog 3500 leden met 20 predikanten. Omdat zij niet genoeg predikanten bezit, wordt van den hulpdienst van predikanten van andere kerken wel gebruik gemaakt1). Een soort Theologische School met twee professoren, die tegelijk dienaren des Woords zijn, en de volle zorg voor eene gemeente hebben, wordt door hen onderhouden. De colleges kunnen alleen in de 3 of 4 zomermaanden worden gegeven. Deze lessen worden thans slechts gevolgd door 4 studenten. Deze kleine groep heeft een eigen zending en geeft een eigen kerkelijke peri­odiek uit.

Een zeer kleine groep is de Reformed Presbyterian Church. Deze kerk telt de laatste vertegenwoordigers van de oude Cameroniërs, die van oordeel waren, dat het covenant van 1638 een verbond was,


1) Dr. G.Ch. Aalders, Geref. kerkelijk leven in Schotland, Ger. Theol. Tijdschrift, 25e jaargang, bl. 199, 241, 289.

|274|

dat, met God gesloten, nooit mocht worden losgelaten, en dat het dus afval van God was, wanneer men iets aan de regeering toegaf inzake de invoering van het episcopaat en de Anglicaansche ceremoniën, en die, toen Karel II gepoogd had, de Schotsche kerk van haar karakter te berooven, den koning voor afgezet verklaard hadden. De kleine groep, die met Cameron instemde, weigerde dan ook de Staatskerk te erkennen, en beschouwde zichzelve als de ware kerk van Schotland. Voorloopig kwamen zij nog niet tot eene kerkelijke organisatie. Eerst tien jaren na de eerste secessie, in 1743, organiseerden zij zich als Reformed Presbyterian Church, welke kerk nog tot heden voortbestaat. In 1876 vereenigde zich het grootste deel van de leden dezer kerk met de Free Church, maar een klein deel blijft nog haar gesepareerd bestaan voortzetten. Zij telt nog 10 gemeenten met 930 leden.

De United Presbyterian Church, in 1847 gevormd door de vereeni­ging van de Reliefchurch met de United Secession Church, hield evenals alle loten van de nationale kerk vast aan de oude standaards des geloofs en kerkregeering, maar bij de verdere ontwikkeling kwam er een verzwakking in de beginselen. Men trachtte al meer aan de bezwaren der mannen van het „nieuwe licht” tegemoet te komen, en de band aan de belijdenis meer los te maken. Zij, die zich niet geheel konden vinden in de scherpe strakke lijnen der belijdenis, oefenden sterken drang uit in de richting van meerdere verruiming der onderteekeningsformule. In deze onderteekeningsformule moesten de Dienaren des Woords verklaren, dat zij erkenden en geloofden „the whole doctrine, contained in the Confession of Faith” als „founded on the Word of God”. Hierin werd deze wijziging gebracht, dat zij voor het vervolg hadden te verklaren, gebonden te zijn aan „the doctrine of this Church set fort in the Confession of Faith”. Hierbij werd uitgesproken, dat het er niet zoozeer op aankwam, wat in de oude belijdenis stond, maar wat de kerk in een bepaalden tijd nog van die belijdenis daadwerkelijk aanvaardde. Men kon bij insluipende dwaling­ allerlei stukken, die men niet meer geloofde, laten liggen als behoorden zij niet meer tot de belijdenis. Deze wijziging kwam voor het eerst tot stand in de United Presbyterian Church, door de aanneming van de Declaratory Act, waarin de bedoeling van de onderteekening der Confessie werd omschreven (1879).

Eenige jaren daarna, in 1892, werd een soortgelijke Declaratory Act in de Free Church aangenomen. Gevolg hiervan was, dat een kleine groep zich afscheidde van de Free Church, en zich constitu­eerde als de Free Presbyterian Church, die nog bestaat als eene kerk van 20 gemeenten met 15 predikanten. Maar tevens was hiermee de weg gebaand voor de vereeniging van de Free Church met de United

|275|

Presbyterian Church, welke vereeniging in 1900 tot stand kwam onder den naam van United Free Church. De United Presbyterian Church nam de Unie aan met algemeene stemmen, maar in de Synode van de Free Church waren 643 stemmen voor en 27 stemmen tegen de vereeniging. Door deze vereeniging was een groote kerk tot stand gekomen met 500.000 leden naast de Staatskerk, die ongeveer 700.000 leden telde.

De minderheid van de leden der Synode van de Free Church diende bij monde van Rev. J. Kennedy Cameron een protest in, en verklaarde, dat het haar voornemen was, ais de wettige voortzetting der synode het werk voort te zetten. Toen de leden der minderheid den volgenden dag de synode wilden voortzetten, vonden zij de vergaderzaal der synode gesloten. En daarom gingen deze stoere mannen onder den blooten hemel, in den stroomenden regen, onderwijl de meerderheid met de U.P.’s de plechtige vereeniging voltrok, de vergadering der synode voortzetten, en na de noodzakelijke werkzaamheden te hebben verricht haar verleggen naar een andere vergaderplaats.

Het optreden der minderheid leidde, wijl de meerderheid van eene schikking niet wilde weten, tot een proces over de kerkegoederen. De lagere rechtscolleges beslisten ten gunste van de meerderheid en veroordeelden de minderheid in de kosten van het proces. De minder­heid, overtuigd, dat eene verandering in de Constitutie alleen kon tot stand komen met goedvinden van de geheele kerk, besloot het proces tot in de hoogste instantie door te zetten, met dit gevolg, dat 1 Aug. 1904 door de Commissie uit het Hoogerhuis uitspraak werd gedaan, welke zonder eenig voorbehoud ten gunste van de minder­heid was. Uitgaande van de letterlijke bewoordingen van de Consti­tutie der Free Church, waarbij de trouw aan de oude geloofsbelijde­nissen werd verklaard als een fundamenteel stuk van de Constitutie van de kerk van Schotland, werd door de Lords verklaard, dat de meerderheid het oude standpunt had verlaten, en dat dus de minder­heid, die zich hield aan de oude belijdenis en kerkeregeering, was de Free Church of Scotland, en dat dus haar de kerkegoederen toekwamen. Geen synode had het recht, deze Constitutie te wijzigen en alzoo de kerkegoederen te bestemmen en aan te wenden voor een ander doel dan waarvoor ze oorspronkelijk waren gegeven.

Door deze beslissing werd een moeielijke toestand geschapen. De meerderheid wilde de kerkegoederen niet goedwillig afgegeven. Een aantal procedures volgden. Eindelijk werd op aandrang van de meer­derheid eene wet uitgevaardigd door het Parlement. De minderheid werd bevestigd in haar recht op den ouden naam de Free Church of Scotland; aan haar werd gegeven zulk een deel van de eigendommen,

|276|

beide in gebouwen en in bezittingen en fondsen, als zij metterdaad kon gebruiken, al het overige werd gegeven aan de United Free Church of Scotland.

Er bestaan dus thans in Schotland naast de Staatskerk met on­geveer 690.000 avondmaalgangers nog 5 Vrije Gereformeerde kerken: a. de Vereenigde Vrije Kerk met ruim 500.000 avondmaalgangers, b. de Vrije Kerk met 140 gemeenten, waarvan 5/6 deel in de Hooglanden, en 10.000 avondmaalgangers; c. de Vereenigde Oorspronkelijke Kerk der scheiding met 20 gemeenten en 3500 avondmaalgangers; d. de Reformed Presbyterian Church met 10 gemeenten en 930 avondmaal­gangers en e. de Free Presbyterian Church1).

 

Het Methodisme. Het Methodisme, in Engeland ontstaan en tegen­woordig over de geheele wereld verbreid, is van huis uit eene reactie tegen de kerkontbindende en antireligieuse werking van het Deisme, hetwelk weer voorbereid was door het religieus individualisme der 17de eeuw. De Presbyterianen waren na de Synode van Westminster (1643-1649) in aantal en invloed achteruitgegaan. Allerlei richtingen: Arminiaansche, Chiliastische, Antinomiaansche, zelfs Libertijnsche gevoelens drongen naar voren. Toen de verwarring der geesten hopeloos was, ontwaakte de gedachte, dat in alles, wat bij de vele secten gemeenschappelijk was, het wezen der religie kon wezen, en zoo werden de geloofsmysteriën terzijde gesteld, en al, wat duidelijk was voor het nuchtere verstand en wat nuttig was, werd als het voorwerp der religie beschouwd. Indifferentisme en scepticisme heerschten bij de ontwikkelden, en bij het volk onkunde en wereldzin.

Deze ideeën tastten ook de kerk aan. De prediking werd dorre moraalprediking. Plichtmatig verrichtte de geestelijkheid de voor­geschreven ceremoniën, maar bekommerde zich niet om het heil der gemeente. Alle hoogere bezieling was verdwenen. De gemeente was en werd verwaarloosd. De Zondagsheiliging werd vervangen door allerlei volksvermaken. En voorzoover men nog naar de kerk ging, deed men dit uit gewoonte om te slapen en te lachen. Montes­quieu zeide in krachtige overdrijving, dat in Engeland geen godsdienst meer was.

Op dezen bodem is geboren de religieuse beweging, die bekend is onder den naam van Methodisme. Niet alsof er vóór het optreden van het Methodisme geen leven was, en dat deze opwekkings­beweging alleen de herleving heeft te voorschijn geroepen. Er waren zoowel in Schotland als in Engeland nog enkele ware bezielde


1) J.N. Ogilvie, The Presbyterian Churches of Christendom, p. 130-139.

|277|

predikers, die bij de vromen geliefd waren. Er waren hier en daar ook kringetjes van geloovigen, die in vereenigingen samenkwamen, om elkander te stichten. Maar het is de eere van de vaders van het Methodisme, John Wesley en George Whitefield, dat zij in Gods hand het middel werden tot eene opwekking in de breedere kringen van het volk.

John Wesley (1703-1791), de bezielende leidsman en organisator van het Methodisme, werd onder den invloed van de Hernhutters voor zijn roeping voorbereid. In een godsdienstige vereeniging tot bekeering gekomen (24 Mei 1735), was de gedachte van eene vereeniging (society) onlosmakelijk aan zijn geestelijk leven verbonden. Hij wilde terug naar den oud-apostolischen tijd, en de gedachte van een eccle­siola in ecclesia, die hij bij de Moravische broeders vond, bekoorde hem geheel. En in stede van de plaatselijke kerk stelde hij een samen­werking van de kringen, die, krachtig georganiseerd, met rigoristische ascetische discipline aan elkander verbonden, een missionaire wereld­kerk zouden vormen.

Whitefield (1714-1770) was de groote prediker, die in zijn 34-jarigen arbeid 18000 preeken heeft gehouden, en geregeld voor een groote schare, eenmaal zelfs voor 50.000 toehoorders, preekte. Hij stond eigenlijk onverschillig voor kerkrechtelijke vragen. Zijn groote kracht bestond daarin, dat hij, evenals de andere Methodistische preekers, de eenvoudige grondgedachte van het Evangelie, die van de kansels der staatskerk slechts zelden gehoord werd, met sterke fantasie, met zijn krachtige en schoone stem en met levendige mimiek uitbeeldde, en met hel en dood krachtig aandrong. Hij werkte minder op het verstand dan op het gevoel, en bezielde en inspireerde zijn gehoor zoo sterk, dat soms een luid snikken werd vernomen. Heeft Wesley van den aanvang af georganiseerd, de aanhangers van Whitefield, die in het stuk der leer in hoofdzaak Calvinistisch waren, kwamen wel in conferenties samen; maar eerst in 1811 is uit den kring van de Calvinistische Methodisten de Calvinistic Methodist Church ont­staan, als eene zelfstandige kerk gesticht door Thomas Charles, een anglicaansch geestelijke in Noord-Wales.

In Wales was als vrucht van het optreden van een jong prediker, Howell Harris van Trevecca, een godsdienstige opwekking ontstaan, welke door de predikanten Rowlands en Davies en ook door Whitefield werd aangevuurd. Men wilde niet met de staatskerk breken, maar richtte vereenigingen op binnen de kerk, om het geestelijke leven aan te kweeken. De kerk stond evenwel vijandig tegenover deze beweging en dientengevolge ging de predikant Thomas Charles van Bala er toe over, om eenige presbyters de handen op te leggen en

|278|

eene zelfstandige kerk te stichten, de Welsh Calvinistic Methodist Church. In den eersten tijd was zij weinig meer dan een vereeniging van evangelische Christenen zonder eene vaste organisatie, maar in 1823 werd eene belijdenis aangenomen, die wel eenige methodistische trekken vertoont, maar overigens steunt op en zeer veel overeenkomt met de Confessie van Westminster1). De kerkinrichting is presbyteri­aansch. De vereenigingen zijn gegroepeerd in presbyteries of classes, en deze weer samengevoegd in twee synoden, die van Noord- en Zuid-Wales. In het ¾ deel der gemeenten wordt de taal van het land gebruikt, terwijl in 372 congregaties gebruik gemaakt wordt van de Engelsche taal. In 1921 waren er in deze kerkgemeenschap 1481 gemeenten met 961 predikanten en 187.000 avondmaalgangers. Met de „hoorders” telt deze kerk ongeveer 500.000 leden.

De Calvinistische Methodisten, die Whitefield volgden, zijn voor een overwegend deel Independenten geworden. Ook de gemeenschap van Lady Huntingdon ongeveer 1770 ontstaan heeft Independentistische trekken. Voor een deel zijn hare aanhangers in de bisschoppelijke kerk van Engeland, en werden de grondleggers van de Low-Church partij; voor een deel organiseerden zij zich zelfstandig. Zij bezit een seminarium te Cheshunt voor de opleiding van Independentistische predikanten, doch deze school is ook voor andere Calvinisten toe­gankelijk. Zij telde in 1821 slechts 101 kapellen met 19.159 leden.

John Wesley heeft de menschen, aan wie hij het evangelie heeft verkondigd, vereenigd in vereenigingen (societies). Hij haatte het Calvinisme en keerde zich al meer af van de Puriteinsche kerk­beschouwing. Hij wilde terug naar den Apostolischen tijd, en negeerde de historische ontwikkeling. Zielen winnen voor Jezus, dat is het hoogste. Om die reden staat ook de zending en de evangelisatie op den voorgrond. Hij vergat echter, dat de kerk is eene schepping Gods, door Christus ingesteld om hem te dienen in den strijd tegen satan en in de verovering van de wereld.

Wesley vond eene kerk, die koud en onaandoenlijk was voor de heiligheid Gods en de redding van het verlorene, en toen hij zelf tot bekeering was gekomen, bracht hij het zoeken van zondaren en het gevoel van de verlossing sterk naar voren. Niet zoozeer het geloof in Christus, maar wel het levendige gevoel geeft deel aan de genade, en daarom moet dit gevoel altijd weer opnieuw worden opgewekt. Niet de daad van Christus, maar de eigen ervaring van Christus’ werk en leven in ons is grond van het vertrouwen. Op die ervaring en niet op de belofte Gods in Zijn Woord moet de steun


1) Loofs, Art. Methodismus, R.E.3 12; E.F.K.Müller, Bekenntnisschriften der ref. Kirche, 1902, S. 871-899; Ogilvie, The Presbyt. Churches, 1925, p. 165.

|279|

ge­vestigd1). De praedestinatie werd verworpen, de mensch en zijn werk in de leer des heils op den voorgrond geplaatst, de mystieke gevoels­ervaring als beslissende factor van de zekerheid des geloofs. Geen wonder, dat er ook een hiërarchische inslag kwam in de inrichting van de Methodistische vereenigingen.

Wesley gaf aan hen, die hij rijp genoeg achtte, society tickets (vereenigingskaarten), waarop een pakkende bijbeltekst, soms met een anker der hoop, een beschermengel of een andere symbolische figuur, gedrukt was. Deze tickets, welke ieder kwartaal moesten worden vernieuwd, dienden als bewijzen van lidmaatschap. De anderen, die nog niet rijp genoeg waren, nam Wesley aan op proef.

Sedert 15 Febr. 1742 onstond het klassesysteem. De „Vereeniging” van Bristol had schuld. Om geld te bekomen, splitste men het aantal leden in groepjes van 12. Een persoon nam op zich, in verbinding met zijn elf medeleden, een penny per persoon wekelijks op te brengen, en dat hij, als er in gebreke bleven, zelf uit eigen beurs het bedrag zou aanvullen. De societies werden dus ingedeeld in classes, en aan het hoofd der classes stond een leider (classleaders). Deze class-meeting is het hart van de methodistische organisatie, van de financiën, van het vereenigingsleven en van de tucht. Er zijn twee soorten van classes: de wekeiijksche gemengde klasse voor mannen en vrouwen, en de classe der kinderen. In de gewone class-meeting moeten de leiders een stuk uit den Bijbel lezen en bidden, terwijl het hun ook vergund is, aan de Schriftlezing eene korte vermaning toe te voegen. Het hoofddoel is het zich oefenen in het vrijmoedige getuigen. Op deze wijze wordt zulk een class-meeting een geestelijke bakermat voor toekomstige predikanten.

De plaatselijke vereenigingen (societies) hebben haar middelpunt in de kapel, die een eigen bestuur (trustees) heeft, en een beheerder der gelden (steward), voor wiens benoeming de toestemming van den superintendent noodig is. In de kapel wordt gepreekt, worden de ­society-meetings gehouden, de liefdesfeesten, die door gemeenschap­pelijk genieten van brood en water, onder gezang en toespraken, gevierd worden, en de covenant-service, de vernieuwing des verbonds, op den eersten Zondagnamiddag in het nieuwe jaar. Uit Richard Alleine worden de verbondswoorden voorgelezen, en door plechtig opstaan verbindt zich de gansche gemeente aan den Heere.

De locale vereenigingen zijn verbonden tot kringen (circuits) en deze weder tot districten. Elke circuit heeft onderscheidene predikers.


1) Dr. M. Schneckenburger, Vorlesungen über die Lehrbegriffe der kleineren protestantischen Kirchenparteien, 1863, S. 103-151; Loofs, Methodismus, R.E.3, 12; J. du Toit, Het Methodisme, bl. 153.

|280|

Aan het hoofd van de predikers in elke circuit staat een door de conference aangewezen superintendent, die naar een vast plan de ambtsbezigheden der predikers in de verschillende societies zoo regelt, dat zij allen gemeenschappelijk het pastorale werk in den geheelen circuit verrichten kunnen. Om de drie jaren moeten zij op last van de conference van den eenen kring in den anderen over­gaan, alleen de lokale of leekenpreekers blijven steeds dezelfde plaats of ook wel de naburige plaatsen bedienen. Zij, die de noodige gaven bezitten, kunnen reeds op 20-jarigen leeftijd als locale predikers oefeningen houden. Wanneer zij, door den superintendent onderwezen in de Bijbelsche geschiedenis en de Engelsche gramma­tica, voldoende bekwaamheid bezitten, kunnen zij in den circuit op­treden. En eerst na een-jarigen proeftijd, en een examen in de 53 standaard-preeken van Wesley en zijne Aanteekeningen op het N. Testament, ontvangen zij door nominatie van den superintendent en de toestemming van de vergadering der plaatselijke predikers (local praechers-meeting) volledige bevoegdheid. Zij mogen echter eerst de sacramenten bedienen, wanneer zij drie jaren aan een van de theologische scholen hebben gestudeerd, een vierjarigen proeftijd hebben doorgemaakt, en zijn geëxamineerd en geordend.

De inrichting van de Methodistische kerk is dus hiërarchisch. Er zijn vier bestuursmachten: 1. de vergadering van de leiders (leaders­meeting), die alle weken, op zijn minst eenmaal in de drie maanden, moet worden gehouden, en waarvan alle predikanten van denzelfden circuit, benevens alle leiders en stewards van de betrokkene societies leden zijn. Op deze vergaderingen worden de finantiëele aange­legenheden en de tuchtkwesties behandeld, en de nominaties van de plaatselijke leiders, die uitsluitend bij den superintendent behooren, goedgekeurd. 2. De driemaandelijksche vergadering van alle predikers, leiders, penningmeesters (stewards) en trustees van den circuit (quarterly meeting). Deze vergadering bezit niet alleen de bestuurs­macht in alle uiterlijke aangelegenheden, maar ook het recht van veto met betrekking tot de door de algemeene conferentie voorge­stelde bepalingen. 3. De district-meeting of de districts-synode, be­staande uit alle predikanten, en een geringer aantal van leekenafge­vaardigden, met de beheerders der verschillende fondsen. Zij is een voorbereidende vergadering, die telken jare in Mei voor de algemeene conferentie gehouden wordt, die afgevaardigden voor deze conferentie kiest, en in laatste instantie voor alle finantieele en bestuursaange­legenheden beslist. 4. De jaarlijksche algemeene conferentie, bestaande uit 300 predikanten en 300 leeken, die de beslissing geeft inzake alle finantieele en bestuursaangelegenheden. Aan de zitting der

|281|

predikanten, waarin beslissingen worden genomen omtrent de plaatsing der predikanten en tuchtzaken, nemen de leekenafgevaardigden geen deel. In heel deze organisatie wordt het recht der gemeenten niet erkend. De leiders staan boven de gemeente. De predikanten en superintendenten krijgen hunne aanstelling van de hoogere vergadering. Er zijn hoogere en lagere ambten.

In Amerika heeft het Methodisme een vruchtbaren bodem gevonden. Den 30sten October 1784 is de eerste Methodistenkapel te New-York gesticht, en vandaar heeft het zich over de andere staten verbreid. Wesley verleende bij de organisatie zijne hulp, maar de eigenlijke organisatoren zijn Francis Asbury en Thomas Rankin. De onafhan­kelijkheidsverklaring van N.-Amerika maakte het Methodisme los van de Engelsche Methodisten, hoewel de geestelijke invloed bleef bestaan. Wesley zond in 1784 onderscheidene mannen naar Amerika, onder leiding van Dr Thomas Coke, dien hij als superintendent voor de Amerikaansche kudde wijdde. Coke nam tegen den wensch van Wesley den titel van bisschop aan, en organiseerde de bisschoppelijke Amerikaansche kerk1).

Deze bisschoppelijke kerk is naast de Roomsch-Katholieke kerk de grootste in N. Amerika. Zij telde in 1901 19 bisschoppen, 4 zendings­bisschoppen, 124 jaarlijksche conferences, 17.792 reizende predikers, 14.232 plaatselijke predikers, 2.907.877 leden, 32.119 Zondagsscholen met 2.700.543 leerlingen en 27.382 kerkgebouwen. Naast deze episco­pale kerk zijn er nog 16 andere Methodistenkerken. Het totale aantal der Methodisten in Amerika met inbegrip van de buitenlandsche Zendingskerken, bedraagt 6.437.361 leden. Ook in Canada, Duitschland en elders zijn Methodistenkerken.

In de leer stemt het Amerikaansche Methodisme in hoofdzaak overeen met het Engelsche. De 25 geloofsartikelen, die Wesley op den grondslag van de 39 artikelen der Engelsche kerk had geformu­leerd met de 53 preeken van Wesley en diens Notes op het N. Testament (eene verkorting van Bengel’s Gnomon) vormen de basis der Methodistische leer. In de kerkregeering volgen de Amerikaansche Methodisten de beginselen van Wesley, maar hebben in deze de bisschoppelijke gedachte ingelascht en ze voor het Amerikaansche leven naar de behoefte van de praktijk omgevormd.


1) A New History of Methodism by W.J. Towsend, London, 1909; W.A. Curtiss, A. History of Creeds, Edinburg, 1911, p. 328; Ruelsen, Art. Methodismus in Amerika, R.E.3 13.