Bouwman, H. (1928) § 4

§ 4. Geschiedenis der behandeling van het kerkrecht.

De geschiedenis van de behandeling van het kerkrecht begint eerst in het midden van de twaalfde eeuw. De oudere wetenschap bestond slechts in eene verzameling van rechtsbronnen

|32|

en hare geschiedenis valt samen met die der rechtsbronnen.

In de eerste dagen der jeugdige kerk rustte het kerkelijke leven op de regelen, door Christus en de apostelen gegeven in de H. Schriften des N. Testaments. Doch reeds in de tweede eeuw stelde de kerk afzonderlijke regelingen op voor den cultus, de belijdenis en de kerk­inrichting. De oudste dezer regelingen, ons bekend, is de Διδαχὴ τῶν δώδεκα ἀποστόλων, door den metropoliet van Nicomedië, Bryennius, hervonden en in 1883 gepubliceerd. De Didache is een kerkelijk hand­boekje, dat naast moreele voorschriften ook bepalingen bevat over den cultus en de ambten in de gemeente. De tweede regeling is de Apostolische kerkorde (κάνονες ἐκκλησιαστικοὶ τῶν ἁγίων ἀποστόλων), eene verzameling van kerkelijke bepalingen, waarschijnlijk in de derde eeuw in Egypte ontstaan. De Didache was de grondslag van de Διδασκαλία τῶν ἀποστόλων, eene verzameling van kerkelijke bepalingen in den vorm van doorloopende leeringen der apostelen, over onder­werpen van leer, orde en tucht. Dit werk werd tegen het einde der vierde eeuw omgewerkt en aangevuld met liturgische formules tot de Constitutiones apostolorum, welke door de Westersche kerk als apocryph werden beschouwd en door de Synode van Trullos, 692, c. 2 als onecht werden verworpen. Aan dit werk werden als aan­hangsel van het achtste boek nog toegevoegd de in het begin der vijfde eeuw ontstane canones apostolorum, die den vorm dragen van de gewone canones der oude concilies. Deze canones werden door Dionysius Exiguus in het latijn vertaald, en aan het begin van zijne verzameling van canones geplaatst. De Oostersche kerk erkent ze voor echt, de Westersche niet.

In de Oostersche kerk golden als rechtsbronnen voor het kerkelijke recht de besluiten of canones der algemeene en particuliere syno­den van de eerste vijf eeuwen, die in de acta van de synode van Chalcedon (451) vermeld worden. Deze besluiten werden in latere verzamelingen opgenomen en met nieuwe aangevuld.1)

In het Westen waren alleen de canones van Nicaea in Latijnsche vertaling geldig, waaraan later de besluiten der andere synoden, in Latijnsche vertaling, werden toegevoegd. Zij zijn bekend in twee vertalingen, namelijk de versio Prisca of Itala en de versio Hispana of Isidoriana. De eerste planmatige verzameling werd ver­vaardigd door den Scythischen monnik Dionysius Exiguus † 536, welke verzameling in Italië, Gallië, Spanje en Griekenland als corpus canonum werd erkend en gebruikt. Later werd deze bundel, omge­werkt en vermeerderd, door paus Hadrianus in 774 aan Karel den


1) Zie bl. 15 van dit werk: De bronnen van het kerkrecht.

|33|

Groote ten geschenke gegeven, en vandaar collectio Dionysio-Ha­driana genoemd, en sedert 802 door de synode van Aken voor de Frankische kerk formeel als kerkelijk wetboek (codex canonum) erkend.

In de Spaansche kerk ontstond in het begin der zevende eeuw eene verzameling van rechtsbepalingen, die men de Spaansche of Isidorische noemt, welke andere verzamelingen tot grondslag heeft, en die ten onrechte toegeschreven wordt aan den aartsbisschop Isidorus van Sevilla † 536. Deze Spaansche verzameling was reeds vroeg in Frankrijk bekend, en werd, geheel omgewerkt en met talrijke valsche stukken vermeerderd, in de negende eeuw in West-Frankrijk verbreid. Als vervaardiger wordt genoemd in de voorrede: Isidorus, met den bijnaam Mercator, en vandaar wordt deze verzameling toe­geschreven aan den H. Isidorus van Sevilla.

Met de Pseudo-Isidorische verzameling sluit de rij van de Collectiones, die de voorhanden rechtsbepalingen grootendeels in Chronologische orde samenstellen. Een zelfstandige bearbeiding van enkele stukken, van het huwelijksrecht en van het tiendenrecht, werd door sommige schrijvers ondernomen. De wetgeving der kerk werd door zendbrieven van de bisschoppen, door de canones der synoden, door de behandeling van allerlei vragen door de kerkvaders en de latere geestelijken ge­regeld; ook op de kerkelijke scholen werd het kerkrecht als deel van de theologie geleerd, maar het kwam voor de twaalfde eeuw niet tot eene wetenschappelijke behandeling van het kerkrecht. Tot aan de dagen van Gratianus was het kerkrecht in handen van theologen.

De schepper van eene zelfstandige wetenschap van het kerkrecht is de Camaldolenser monnik en leeraar in het recht te Bologna, Gratianus,1) die voor het eerst aan de universiteit aldaar voorlezingen hield over het canonieke recht als eene zelfstandige juridische, van de theologie onderscheidene, wetenschap. Hij ging bij de behandeling van de stof niet tot de oorspronkelijke bronnen terug, maar bediende zich van de meest bekende verzamelingen van zijn tijd, doch bewerkte deze naar een bepaalde methode. Hij stelde eerst de algemeene tekst vast (distinctiones, causae, quaestiones), deelde deze in deelen in (rubricae), beantwoordde dan de stellingen met bewijzen (canones) uit de autoriteiten, en verbond en verklaarde deze door tusschengevoegde opmerkingen (dicta Gratiani). Gratianus noemde zelf zijn boek, dat tusschen 1140 en 1150 verscheen, concordia discordantium canonum, omdat zijn doel was aan de tegenstrijdige beschouwingen over de canones een einde te maken, en een harmonische eenheid te geven,


1) Fournier, Deux controverses sur les origines du décret de Gratian, 1898; R. Sohm, Das altkatholische Kirchenrecht und das Decret Gratians, München-Leipzig, 1918.

|34|

doch het is later bekend geworden als Decretum Gratiani. Het werk zelf wordt ingedeeld in drie deelen (partes). Het eerste deel is inge­deeld in 101 distincties, van welke dist. 1-20 bevat eene inleiding over de rechtsbronnen en dist. 21-101 handelt over de kerkelijke personen, en wel dist. 21-59 over de clerus en hun ordening (tractatus ordinandorum); dist. 60-90 over de keuze, de consecratie en de rechtspositie van de clerus; dist. 91-101 over de kerkelijke macht van de pauselijke legaten en primaten. Het tweede deel handelt over de kerkelijke macht der ambtsdragers, en bevat 36 rechtsgevallen of causae. Uit elke causa worden rechtsvragen of quaestiones afgeleid, welke in canones beantwoord worden, en door eigen beschouwingen van den schrijver verbonden worden. Causa 33, qu. 3 bevat eene zelfstandige verhandeling over de boete (tractatus de poenitentia). Het derde deel handelt over de liturgie (de consecratione), over de sacra­menten en de sacramentaliën. Dit Decretum Gratiani verdrong weldra alle andere verzamelingen, en werd de grondslag van de ras opbloeiende wetenschap van het canonieke recht, dat als een zelfstandige tak van de juridische wetenschap naast het Romeinsche recht werd beoefend.

Het rechtsboek van Gratianus werd het voorwerp van weten­schappelijke behandeling. De magistri decretorum hielden voorlezingen over dit boek, de inhoud werd medegedeeld, de tekst voorgelezen, bepaalde gevallen daarbij behandeld, parallele plaatsen aangehaald, rechtsregelen vastgesteld, rechtsvragen opgeworpen en uit de stof van het boek beantwoord. Ook werden schriftelijke verhandelingen gegeven. Onder de leeraars der rechtswetenschap of de decretisten zijn vooral bekend: Paucapalea, in het midden der 12de eeuw, Omnibonus † 1185, Stephanus Tornacensis † 1203, Joh. Faventius † 1171, den plagiator van Stephanus en Rufinus, Rolandus Bandinellus, later paus Alexander III † 1181, Joh. Teutonicus (13de eeuw). De meest primitieve vorm van dezen wetenschappelijken arbeid was de glosse, d.i. een in het handschrift tusschen de regels (interliniares) of aan den rand (marginales) aangebrachte woordverklaring, of eene bij­voeging van parallele plaatsen tot verduidelijking van den tekst. Van deze glossen kregen bijzonder aanzien die van Joh. Teutonicus (vóór 1215), welke door Bartholomeus van Brescia werden bewerkt en vermeerderd. Een reeds vrijer ontwikkelde, maar toch nog aan de bronnen gebonden vorm, deze commentarieerend of een enkel punt zelfstandig behande­lend, waren de summae, die enkele hoofdstukken verklaarden, of den inhoud in enkele distincties voorstelden. Een derde vorm van littera­rische werkzaamheid zijn monographieën, die onder den naam van quaestiones praktische rechtsgevallen beantwoordden, en als tractatus de theoretische voorstelling van afzonderlijke rechtsinstituten gaven.

|35|

De tweede periode van de litteratuurgeschiedenis van het kerkrecht is die van Gregorius IX tot de Reformatie. De kring van de bronnen van het kerkrecht werd in dezen tijd zeer uitgebreid, doordat het corpus juris canonici in deze periode werd voltooid. Paus Gregorius IX (1227-1245) vervaardigde uit het groote materiaal, dat door Gratianus niet was opgenomen, of dat later ontstaan was, en waarvan afzonder­lijke verzamelingen waren gemaakt, en daarom genoemd werden Decretales extra Decretum (Gratiani) vagantes (extravagantes sc. litterae; Extravagantia, sc. capita) met behulp van zijn kapelaan en poenitentiarius Raymundus van Pennaforte, eene nieuwe verzameling van wetten. Om dit wetboek voor de praktijk bruikbaar te maken, behield Raymundus de in deze verzamelingen gebezigde volgorde naar vijf boeken, aangeduid door den hexameter, Judex, Judicium, Clerus, Connubia, Crimen,1) welke 5 boeken worden ingedeeld in tituli en capita. Om de leemten in deze wetgeving aan te vullen, liet Gregorius nog onderscheidene decretalen onder zijn naam vervaardigen. Deze geheele verzameling, waardoor de na Gratianus ontstane ver­zamelingen terzijde werden geschoven, werd door de bul Rex Pacificus, 5 Sept. 1234, als het eenige boek der decretaliën naast het Decretum Gratiani gepubliceerd, en werd daarom ook wel liber extra (sc. decretum) genaamd. De decretalen, welke na 1234 verschenen en aan­vankelijk zelfstandig, los naast de wetboeken, voortleefden, werden door Bonifacius VIII verzameld, ingedeeld in vijf deelen, en door de bul Sacrosanctae Romanae Ecclesiae van 9 Maart 1298 gepubliceerd. Dit boek kreeg den naam van Liber sextus en is juridisch het beste stuk van het Corpus Juris Canonici.

Reeds spoedig daarna werd het kerkelijk wetboek weder uitgebreid. Clemens V (1304-1314) liet de besluiten van het Concilie van Vienne en een deel van zijn eigen constituties, eveneens in vijf deelen inge­deeld, ieder liber in tituli, en elke titulus in capita gedeeld, in een officiëele collectie vereenigen en publiceeren, 1314. De verzending aan de universiteiten bleef door den dood der pausen achterwege. Om alle bezwaren tegen de rechtskracht weg te nemen, liet Johannes XXII (1316-1334) haar door de bul Quoniam nulla opnieuw publiceeren. Zij draagt den naam Clementinae (sc. constitutiones).

Deze drie verzamelingen ontvingen samen met het Decretum


1) Bernhard van Pavia is in zijn privaatwerk quinque compilationes (1191) de vader dezer indeeling, welke later in alle decretalenverzamelingen is overgenomen. Hij nam ongetwijfeld den codex Justinianus tot voorbeeld. In het boek Judex behandelt hij de kerkelijke personen, ambtsdragers en rechters; in Judicium het kerkelijk recht en de wijze van rechtspraak; in Clerus het persoonlijk leven, gedrag, plichten der geeste­lijken en het vermogensrecht; in Connubia (sponsalia) het huwelijksrecht; in Crimen het strafrecht en het strafproces. cf. V. Schulte, R.E.3, Art. Kanones und Decretalen­sammlungen.

|36|

Gratiani op het concilie van Bazel den naam van Corpus juris canonici.

De decretalen der volgende pausen werden slechts willekeurig aan de Clementinae toegevoegd, tot Jean Chappuis ze, in 2 deelen gedeeld, aan zijne uitgave van de Sextus en de Clementinen toe­voegde. Het eerste deel bevat twintig decretalen van paus Johannes XXII in 14 titels, het andere 71 decretalen in 14 titels. Sedert werden deze decretalen, Extravagantes genoemd, bestanddeelen van het Corpus Juris geacht, ofschoon zij niet de autoriteit van een wetboek hebben.

De decretalen van Gregorius IX, de Liber Sextus en de Clementi­nae zijn de eigenlijke wetboeken, zoodat de in deze bundels opge­nomen wetten onvoorwaardelijke rechtskracht bezitten. Ook thans is het Corpus juris nog het wetboek voor de Roomsch Katholieke kerk. In hoever de enkele wetten, daarin opgenomen, nog rechts­kracht bezitten, hangt er van af, of eene latere wet van pausen of concilies ze krachteloos hebben gemaakt. Ook voor het wereldlijke recht was het Corpus juris in de middeleeuwen door de gewoonte rechtens aanvaard, en was het naast het Corpus juris civilis een bron van het gemeene recht. Kwamen beide met elkander in tegen­spraak, dan had het Corpus juris canonici, als het jongere recht, de voorkeur. In de moderne staten heeft het canonieke recht tegelijk met het Romeinsche recht zijn kracht verloren, ofschoon het nog als subsidiair recht bij de rechtspraak erkend wordt.

Een officieele uitgave van het Corpus Juris is die van 1582, welke door eene commissie van kardinalen en vakgeleerden op last van den paus werd bezorgd. De nieuwste uitgave is die van E. Friedberg (1879, 1881), die den oorspronkelijken tekst van Gratianus poogde te herstellen.

De wetenschap bemoeide zich in deze periode niet met andere ver­zamelingen van wetten, omdat het gebruik van niet-ambtelijke verzamelingen in de school en in het gericht verboden was. Evenwel werd de behandeling in dezen tijd breeder. Uit de eenvoudige glosse ontwikkelden zich de apparatus, de lezingen, die, geheel afgezonderd van den tekst, hoewel deze volgend in de orde van titels en capita, formeele commentaren waren geworden. Er kwamen over de decretalen van Gregorius IX de summae titulorum, d.i. leer- en handboeken van het canonieke recht, naar de orde der wetten ingericht. Daarnaast werden opgesteld compendia, los van den wettelijken vorm, en werden de oude tractatus breeder uitgewerkt. Ten behoeve van de praktijk werden opgesteld: repertoria (lijsten of opgave van stukken), lexica juris (rechtswoordenboeken), tabulae juris civilis et canonici (registers van het burgerlijk en canoniek recht of verzamelingen van besluiten), decisiones (beslissingen), responsa (antwoorden), consilia (adviezen en besluiten), die betrekking hadden op bepaalde rechtsgevallen.

|37|

Wij kunnen met het oog op den inhoud en het doel der litteratuur onderscheiden tusschen vier soorten van schrijvers: a. De vertegen­woordigers van de zuiver juridische litteratuur, die tot onderwerp namen de dogmatiek van het canonieke recht, zooals Raymundus de Pennaforte, vervaardiger van de verzameling der decretalen van Gregorius IX, † 1241, die o.a. leerde dat de ordo (ambt) geldig was, indien maar de wezenlijke vorm was onderhouden; Johannes Andreae, een der beroemdste leeraren in het canonieke recht te Bologna, die glossen maakte op den Liber Sextus (1302-1348), en die door zijne tijdgenooten als de fons et tuba juris (bron en verkondiger van het recht) geprezen werd. b. De schrijvers van het forum internum (het inwendig gericht), die de gewetensgevallen uitwerkten, o.a. Willem Durandus, bisschop van Meude, † 1296, een beroemd schrijver en practicus, die in zijn hoofdwerk: „Speculum judiciale”, het geheele geestelijke recht als in een spiegel te aanschouwen geeft. c. De ge­leerden, die reageerden tegen het papale systeem, zooals Willem van Occam, † 1349, Marsilius van Padua, † 1342, in zijn boek „Defensor Pacis”, en Johannes a Turrecremata, van wiens geschriften inzonder­heid het na de twaalfde zitting van het concilie van Bazel ver­vaardigde: „de potestate papae et concilii generalist auctoritate” daarom van belang is, dat het beslist de pauselijke onfeilbaarheid bestrijdt; of die het pauselijke stelsel verdedigden, zooals Augustinus Triumfus, † 1313, de Augustijner generaal uit Ancona; de Domini­caan Petrus de Palude, † 1342. En terwijl Philippus Decius, de ge­leerde canonist van Milaan, een apologie gaf van het concilie van Pisa (1511) en de waardigheid van het concilie verhief boven die van den paus, schreef Cajetanus verhandelingen, waarin hij trachtte aan te toonen, dat de paus zijne autoriteit niet van de kerk, maar van Christus had ontvangen.1) d. De populaire litteratuur van het Roomsch­-canonieke recht, die door rechtsspiegels (specula juris) en allerlei wonderlijk materiaal de kennis van het kerkrecht zocht te brengen tot het volk.

De scholastieke philosophie leverde aan deze schrijvers de methode. De schrijvers bezaten geen historischen zin, en namen het materiaal van andere schrijvers over. De schrijvers waren juristen, die tevens theologen waren, en voor de theologie en de philosophie het be­slissende woord gaven. Een plaats uit den Bijbel en uit het Corpus juris had dezelfde kracht. Aristoteles en de kerkvaders bezaten dezelfde autoriteit. Het canonieke recht werd voornamelijk beoefend aan de universiteiten, aan welke sedert de 13e eeuw ook leeken als


1) Hefele, Conciliengeschichte, VIII, 470-76.

|38|

leeraren werden toegelaten, terwijl ook de geestelijke orden, deels in verbinding met de universiteiten, deels zonder verband hiermede, het kerkrecht beoefenden.

De derde periode van de geschiedenis der litteratuur van het kerk­recht begint bij de Reformatie. De breuk met Rome aan de eene zijde en de hervormingspogingen van het Trentsche Concilie aan den anderen kant leidden tot eene andere behandeling van het kerkrecht. Het geschil in de eeuw der Reformatie liep hoofdzakelijk over de bronnen, of Gods Woord de hoofdbron was van het kerkrecht, dan wel de traditie; of de hiërarchie steunde op de H. Schrift dan wel of de kerk, vrij van de macht der geestelijkheid, zich als gemeente van geloovigen onder Christus als Koning, als een verloste gemeente moest openbaren; of de overheid de leiding der kerkelijke zaken had, dan wel of de ge­meente zich zelf naar het Woord Gods onder leiding der ambtsdragers moest regeeren. Met betrekking tot de verschillende kerkrechtelijke systemen onderscheiden wij tusschen het Roomsche, het Luthersche, het Gereformeerde en het Independentistische systeem.

Binnen de Roomsche kerk werd zeer veel aan het kerkrecht ge­daan, zoowel door den dogmatischen grondslag te verdiepen, alsook door voort te bouwen op de Middeleeuwsche casuistiek. Vooral de Italianen hebben grooten invloed geoefend op de ontwikkeling van de canonistische wetenschap. In de werken der Italiaansche geleer­den weerspiegelt zich de tegenstelling van het curialisme en het anti-curialisme. Van beteekenis is het leerboek van Giovanni Paolo Lancelotti, professor in het canonieke recht te Perugia, † 1590, „Insti­tutiones juris canonici”, naar het model van Justinianus’ „Institutiones” geschreven. Ofschoon het niet de pauselijke goedkeuring ontving wegens bedenkingen tegen sommige punten, werd het boek toch her­haaldelijk uitgegeven en gecommentariëerd, en in breeden kring gebruikt. Uit dit werk kan het canonieke recht, zooals het vóór het Trentsche concilie gold, gekend worden. Als polemicus tegen de Protestanten is bekend: Roberto Bellarmino, 4 Oct. 1542 in Toskane geboren uit een adellijke familie. Hij sloot zich reeds in 1560 bij de Jezuieten aan, en studeerde theologie te Padua, Venetië en Leuven. In de Nederlanden kreeg hij kennis van de groote controvers met de Protestanten. In 1576 ging hij voor zijne gezondheid naar Rome, waar hij in het pas opgerichte Collegium Romanum voordrachten hield over de controversen, waarvan de vrucht was zijn beroemd werk: „Disputationes de controversis christianae fidei adversus hujus temporis haereticos”. Vooral van beteekenis zijn de vijf boeken „over den Romeinschen Pontifex”, waarin hij op gematigde wijze zich uit­spreekt over de onfeilbaarheid van den paus, doch zeer sterk de

|39|

macht van den paus in wereldlijke dingen verdedigt. Dit werk was het bewijs van de krachtige wetenschappelijke verheffing der Roomsche kerk sedert de Reformatie. Geweldig was de indruk, dien Bellarminus’ werk maakte. De groote woordvoerders der Protestanten Gerhard, Chemnitz, Barclay e.a. beantwoordden hem met belangrijke geschriften. In Frankrijk werd zijn werk over den paus en diens macht ver­oordeeld. Bellarminus bleef tot 1689 professor in de theologie, en werd daarna tot hooge waardigheden bevorderd, in 1599 kardinaal, in 1602 aartsbisschop van Capua. Hij stierf 17 Sept. 1621. Als tegen­standers van de Jezuieten traden op: Paolo Sarpi, † 1623, met zijne „Geschiedenis van het Concilie van Trente” en Marco Antonio de Dominis, † 1624, met zijn „De Republica Ecclesiastica”, 1617-1620, waarin hij tegenover het pauselijke kerkbegrip het echte katholieke kerkbegrip tracht aan te toonen. Dit werk werd door onderscheidene curialistische schrijvers o.a. door Sforza Pallavicini, † 1667, bestreden.1)

In Spanje traden op Antonio Agostino, † 1586; de eigenlijke stichter van eene wetenschappelijke geschiedenis en kritiek der bronnen; Frances Suarez, 1548-1617, een Jezuiet, wiens litterarische werk­zaamheid zich hoofdzakelijk uitstrekte tot de behandeling van de aristotelische philosophie en de scholastieke theologie ; voorts Frances Tolet, † 1596; Thomas Sanchez, † 1610; Manuel Gonzalez Tellez, † 1649; en in Portugal Augustino Barbosa, † 1649.

In Frankrijk waren beoefenaars van het kerkrecht: Jean Chappuis, die in het laatst van de 16e eeuw een nieuwe bewerking van het Corpus juris canonici gaf; De Moachi † 1574; Charles du Moulin † 1566; e.a. De episcopaalsche richting in Frankrijk, die de vrijheden van de Gallicaansche kerk verdedigde, had hare vertegenwoordigers in Etienne du Pasquier, † 1615; Louis Thomassin, † 1697; Bossuet, † 1704; Pasquier Quesnel, † 1719 en Claude Fleury, † 1723. Naast deze geleerde beoefenaars van het kerkrecht moet worden genoemd: David Blondel2) (geb. 1590 te Chalons s. Marne, studeerde te Genève, werd op 27-jarigen leeftijd predikant te Roucy, tot hij 1650 benoemd werd tot hoogleeraar van het Atheneum Illustre te Amsterdam, waar hij in 1655 stierf), de calvinistische bestrijder van het pausdom, beroemd door zijn kerk ­en dogmenhistorische en polemische geschriften: „Pseudo-Isidorus et Turrianus vapulentes”, Genève 1628; „De la primauté en l’Eglise”, Genève, 1641 fol.

De Fransche school heeft grooten invloed geoefend op de Neder­landsche school, van welke als vertegenwoordiger optrad: Zeger


1) V. Ranke, Die Römische Päpste, Bd I-III; Tschakert, in Herzog R.E.3, XVII, Art. Sarpi en R.E.3, IV, Art de Dominis door Benrath.
2) Bayle, Dictionnaire historique et critique; Herzog, R.E.3, Art. D. Blondel.

|40|

Bernhard van Espen (1641-1728), hoogleeraar aan de universiteit van Leuven, en voorstander van het Jansenisme. In zijn geschriften, o.a. Jus ecclesiasticum universum, Mainz 1791, bestreed hij het primaat van den paus, en leerde hij de absolute souvereiniteit van het staats­gezag. Ook de Duitsche school stond in de 17de en 18e eeuw onder den invloed van Frankrijk, vooral door de wetenschappelijke methode, den historischen zin en het kritische karakter der Fransche auteurs. De Scholastieke methode is in beginsel overwonnen. Men wilde de dingen historisch verstaan.

Voor Duitschland en Oostenrijk hadden sedert de 16de eeuw de universiteiten van Italië en Frankrijk hare aantrekkingskracht verloren. De universiteiten in Duitschland groeiden in aanzien en weten­schappelijke kracht, de Duitsche taal werd bij de wetenschap meer algemeen gebruikt en de letterkunde begon te bloeien. Een geheel nieuwe litteratuur ontstond, waarin het Luthersche kerkrecht en zijne bestrijding tot uiting kwam. Overigens gingen de Roomsche en Luthersche schrijvers hun eigen weg. Wanneer zij elkanders kerkrecht behandelden, geschiedde dit slechts met een polemisch doel. Het Roomsche kerkrecht werd beschouwd als het domein der theologie en werd beoefend door theologen: den bekenden hoogleeraar van Ingol­stadt Johann Eck, † 1543; Heinrich Canisius, † 1610; Ehrenreich Pirhing, Jezuiet te Dillingen, † 1699; Franz Schmalzgrueber, † 1674, e.a. De taak dezer geleerden was de vereeniging van het voor- en na-Trentsche kerkrecht, een moeilijk en gevaarlijk werk, omdat Pius IV de inter­pretatie van de besluiten van het Concilie van Trente verboden had. In de achttiende eeuw verlieten vele Roomsche beoefenaars van het kerkrecht de traditioneele banen van de scholastiek en kwamen onder den invloed van het natuurrecht. Zoo o.a. Zallwein, † 1766, Amort, † 1775, Reller, Ph.A. Schmidt, † 1805.

Een meer kritische en vrije richting volgden de voorstanders van de episcopaalsche richting, die onder den naam van Febronianisme bedoelde de herstelling van de Duitsch-nationale kerk, en die dus het curialisme bestreed. De vader dezer richting was Nicolaas Hontheim.1) Deze, een leerling van Van Espen, van 1748-1799 wijbisschop van Trier, gaf in 1763, onder het pseudoniem Justus Febronius, een werk uit, getiteld: „De l’Etat, de l’Eglise et de la légitime puissance du pontife romain”. In dit boek bestreed hij het primaat en de onfeilbaarheid van den paus. De regeering der kerk is niet monarchaal noch democratisch, maar aristocratisch; de paus staat wel als persoon boven den bisschop, doch niet boven het college der bisschoppen, dat de kerk bestuurt. De


1) Albers, Kerkgeschiedenis, II, 296, 480; Duynstee, Kerk en Staat, I, 137; Ad. Rösch Das Kirchenrecht der Aufklärung in Arch. f. Kath. Kirchenrecht, Bd 83.

|41|

paus is onder de bisschoppen „primus inter pares” (de eerste onder de gelijken). De bisschoppen ontvangen hun macht onmiddellijk van God en oefenen deze, als opvolgers van de apostelen, zoowel in geloofs­zaken als in het uitdeelen der sacramenten en der jurisdictie onaf­hankelijk uit. Zij zijn noodwendig leden van de synode. Om zijn doel te bereiken geeft hij de volgende middelen aan: 1e. doelmatige ontwikkeling des volks, 2e. eene vrije algemeene synode, 3e. eene nationale synode, welke, zoo noodig, de gehoorzaamheid aan den paus kan onttrekken, 4e. het vereenigd optreden der vorsten tegen Rome onder leiding van de bisschoppen, zonder vrees voor censuur of scheuring, 5e. het koninklijk „placet”, 6e. het appelleeren op eene algemeene synode. Dit boek, dat instemming vond bij sommige vorst­bisschoppen in Duitschland, van Mainz, Keulen, Trier en Salzburg, is van invloed geweest op de kerkpolitiek van Jozef II, keizer van Oostenrijk. Onderscheidene schrijvers steunden dit Febronianisme, o.a. Pehem, † 1799, in zijn „Vorlesungen über das Kirchenrecht”, Dannenmayer, Gmeiner, Rautenstrauch, † 1785, doch het werd bestreden door de Ligorio, den Jezuiet Zaccaria, e.a.

Van Roomsch-Katholieke zijde hebben zich in de laatste eeuw verdienstelijk gemaakt: Permaneder, „Handb. des Kirchenrechts”, bes. v. Silbernagl, 1864; Hergenröther, „Lehrbuch des Kath. Kirchenrechts”, 1888; F. Schulte, „Das Kathol. Kirchenrecht”, 2 Th.1856 en 1860; F. Walter, „Lehrbuch des Kirchenrechts”, in 14. Aufl. besorgt von Gerlach, 1871; J. Silbernagl, „Lehrb. des Kath. Kirchenrechts”, 1880; F. H. Vering, „Lehrb. d. Kathol., oriental., und protestantischen Kirchenrechts”, 3e Aufl. 1893; Fr. Heiner, „Kathol. Kirchenrecht”, 6e Aufl. Paderborn, 1912.

De Oud-Katholieke richting (Döllinger, Reuss, Friedrich) heeft een eigen litteratuur opgesteld. Tegenover haar heeft de Vaticaansche richting een orgaan in: „Archiv für Katholisches Kirchenrecht”, onder redactie van Vering. Ook worden van Roomsche zijde uitgegeven: „Kirchenrechtliche Abhandlungen” onder redactie van Dr. Ulrich Stutz, Stuttgart, Verlag Ferd. Enke.

Een uitnemende bron voor de kennis van de Oostersche kerken is: „Das Kirchenrecht der morgenländischer Kirche” von Dr. Nikodemus Milasch, bisschop in Zara, übersetzt von Dr. Alexander R. v. Pessic, zweite Auflage, Mostar, 1905.

Het Luthersche kerkrecht was in zijne ontwikkeling afhankelijk van twee problemen, de verhouding van het canonieke recht en de wetenschappelijke motiveering van het landsheerlijke kerkrecht. Luther bestreed aanvankelijk met heftige woorden het canonieke recht, en ging van paus en traditie terug tot de H. Schrift. Maar weldra kwam de vraag op, of het canonieke recht ook voor het vervolg kon worden

|42|

gebruikt. Luther beantwoordde deze vraag bevestigend en sedert beschouwde men in Duitschland het canonieke recht wel niet meer als formeele rechtsbron, maar toch krachtens het natuurrecht en uit practisch oogpunt van veel waarde. In deze richting heeft J.H. Böhmer in zijn groot werk over het Protestantsch kerkrecht (Jus Ecclesiasticum Protestantium), waarin hij zich aansloot aan het canoniek recht, nieuwe banen geopend. Bij de oplossing van het tweede probleem, de wetenschappelijke motiveering van het landsheerlijk kerkrecht moest men nieuwe wegen inslaan, en in verband met de plaats, die de schrijvers aan den landsheer, den leerstand of aan de gemeente toe­schreven, kwam men tot zeer verschillende resultaten. Op voetspoor van Daniël Nettelbladt, † 1791, werden deze richtingen aangeduid met de namen: het episcopale, het territoriale en het collegialistische systeem. De vertegenwoordigers van het episcopale systeem waren Joachim Stephani, Matth. Stephani, † 1646, Theodor Reinkingk, † 1664, Benedict Carpzov, † 1666, welke laatste als systematicus van het geheele kerkrecht door zijn werk „Jurisprudentia ecclesiastica seu consistorialis” grooten invloed kreeg op de theorie en de praktijk van het kerkrecht. Het territoriale systeem heeft als voorloopers: Thomas Erastus, † 1583, Hugo de Groot, † 1645 en Thomas Hobbes, † 1679, en als vertegenwoordigers: Sam. Pufendorf, † 1694, Heinrich Link, † 1696, Christian Thomasius, † 1728, en J.H. Böhmer, † 1749. Vertegenwoordi­gers van het collegialistische systeem zijn: Christoph Matthäus Pfaff, † 1760, Mosheim, Schleiermacher, e.a.

Met Karl Friedrich Eichhorn, † 1854, treedt een nieuwe methode van behandeling van het kerkrecht op. Hij paste in: „Grundsätze des Kirchenrechts der in Deutschland”, voor het eerst de historische methode op het kerkrecht toe, en heeft daardoor, en mede door zijn groote kennis der bronnen en door scherpe ontleding der begrippen, aan de ontwikkeling van het kerkrecht groote diensten bewezen. Ofschoon hij de oppervlakkigheid van het collegialistische systeem aantoonde, en aandrong op aansluiting aan de leer der kerk, is hij niet geheel vrij geworden van de collegialistische beginselen, omdat hij innerlijk niet leefde uit de beginselen van het christendom en de kerk. Aemilius Ludwig Richter sloot zich bij de historische school van Eichhorn aan, maar stond persoonlijk in een nauwere verhouding tot de belijdenis der kerk. Hij was van oordeel, dat de kerkregeering van de dagen der Reformatie af, tot groote schade voor het kerkelijk leven, van de goede richting is afgegleden. Hij keerde zich voornamelijk tegen het territoriale systeem, doch oefende, in aansluiting aan Von Höfling en Scheurl, in: „Über die Grundlagen der Kirchenverfassung nach den Ansichten der Sächsischen

|43|

Reformatoren” (1840) ook scherpe kritiek op de theorie van Stahl. Hij zag in het bestuur der overheid over de kerk wel eene loffelijke, doch slechts menschelijke orde. In latere jaren bepleitte hij een geleidelijke overgang tot een zelfbestuur der kerk door eigene organen. Hij was echter tegenstander van zelfstandigheid der kerk in den zin van eene collegialistische kerkregeering zooals Von Raumer deze voorstond. Richter schreef in 1842 zijn: „Lehrbuch des Kathol. u. Evang. Kirchen­rechts”, dat in 1874 den 7den druk beleefde, in 1886 opnieuw door Prof. W. Kahl is uitgegeven, en dat ook in het Nederlandsch is vertaald. Van groote beteekenis is zijn werk: „Die evangelischen Kirchenordnungen des 16en Jahrhunderts”, dat in 1846 in twee deelen te Weimar werd uitgegeven.

Onder de schrijvers over kerkrecht is vooral bekend: Friedrich Julius Stahl (1802-1860), van geboorte een jood, die, op 17-jarigen leeftijd het christendom aangenomen hebbende, in 1826 doctor in de rechten werd, in 1832 buitengewoon hoogleeraar te Erlangen, in het­zelfde jaar hoogleeraar in het canonieke recht te Würzburg en in 1834 hoogleeraar te Erlangen in het staats- en kerkrecht werd. Later werd hij lid van den landdag, van de synode en van den Ober­Kirchenrath. Stahl was een man, die op het gebied der wetenschap, van de kerk en van de staatkunde een leidende positie innam. Hij was een geloovig Luthersch man, die in de dagen der revolutie van 1848 zich schrap zette tegen de doorwerking der revolutionaire be­ginselen. In 1840 schreef hij: „Die Kirchenverfassung nach Lehre und Recht der Protestanten”, waarin hij de territoriale gedachte bestreed, maar het tevens onkerkelijk en onprotestantsch noemde, om den band met den staat los te maken. Het ambt is, volgens hem, niet ontstaan in de gemeente uit oorzaak van doelmatigheid, zooals Puchta had geleerd, noch terwille van de orde, gelijk von Höfling meende, maar het ambt is door God verordend en gesticht. Christus zelf heeft het apostelambt gesticht, en de dienst des Woords is de voortzetting van het apostelambt, dat nooit is opgehouden en nooit kan ophouden. „Het goddelijke of bovennatuurlijke van het ambt bestaat zelfs niet daarin, dat God de gave (het charisma) voor het ambt geeft, en zoo voortdurend voor de kerk zorgt, maar ook daarin, dat hij positief bevel voor de instelling van het ambt en de eerste stichting daarvan gaf en dat hij aan dat naar zijn bevel ingestelde ambt zijn volmacht en zijne beloften gaf”.1) De gemeente is niet waarlijk kerk zonder het ambt. Op dit standpunt staande, behoeft het niet te bevreemden, dat Stahl de episcopale inrichting aanbeval. Opdat de kerk niet in enkele


1) Stahl, Die Kirchenverfassung, Erlangen, 1862, S. 114.

|44|

locale gemeenten zou uiteenvallen, is hoogere concentratie noodig, die òf door steeds nieuwe verkiezing òf door een blijvenden leerstand wordt overgedragen. Dit autocratisch beginsel vindt Stahl in het Episcopale stelsel, waarbij in de handen van blijvende personen de regeermacht en de herderlijke zorg over de gemeente is. Een Duitsch­-evangelisch episcopaat zou een dam opwerpen tegen verdrukking van buiten, en afval en verwording van binnen. In de tweede uitgave van dit werk acht hij ook het opnemen van eene Calvinistische synode voor de kerkregeering niet afkeurenswaardig.

Onder de groote mannen van het kerkrecht in Duitschland moeten genoemd worden: Otto Mejer (1813-1893), die als hoogleeraar te Rostock schreef zijn: „Institutionen des gemeinen deutschen Kirchen­rechts” (1845) en zijn „Lehrbuch des deutschen Kirchenrechts” (1869). Hij heeft veel gedaan, om de verhouding van de overheid tot de Roomsche kerk nader te bepalen. De leerlingen van de school van Richter: Hinschius, Friedberg, Schulte en anderen hebben de studie van het kerkrecht zeer bevorderd. Paul Hinschius (1835-1898), eerst hoogleeraar te Halle en Kiel, en sedert 1872 te Berlijn, waar hij tevens in den Kulturkampf raadsman der Pruisische regeering was, was een veelzijdig geleerde, die met bijzondere nauwkeurigheid werkte. In 1863 heeft hij grooten naam gemaakt door zijne kritische uitgave van Pseudo-Isidorus. Zijn hoofdwerk is: „Kirchenrecht der Katholiken und Protestanten”, waarvan het eerste deel in 1869 verscheen, het zesde deel in 1897, dat bij zijn dood nog onvoltooid was. Voor Hinschius’ systematischen arbeid is van beteekenis dat hij eene scherpe scheiding trok tusschen het Roomsch-katholieke en het Evangelische kerkrecht.1) Emil Friedberg, geb. 1834, is een van de uitnemendste kenners van het kerkrecht, die van juridisch standpunt uit schreef een voortreffelijk handboek: „Lehrbuch des kathol. u. evang. Kirchenrechts”, dat reeds in zesden druk verscheen. Goede boeken schreven ook Ad. Frantz „Lehrbuch des Kirchenrechts”, 2 Aufl. 1891; Ph. Zorn, „Lehrbuch des Kirchenrechts”, 1888; W. Kahl, „Lehrsystem des Kirchenrechts und Kirchenpolitik”, I 1894, en Rud. Sohm, „Kirchenrecht”, I 1892, II 1923 en Emil Sehling, „Kirchenrecht”, Leipzig, Sammlung Göschen, 1908.

Voor de geschiedenis van het kerkrecht leverden kostelijke bij­dragen: J.W. Bickell, „Geschichte des Kirchenrechts” (1843); E. Loening, „Gesch. d. deutschen Kirchenrechts”; E. Sehling, „Die evangelischen Kirchenordnungen des 16. Jahrhunderts”, 1908 en A. Harnack, „Ent­stehung und Entwickelung der Kirchenverfassung und des Kirchen­rechts”, 1910. Voor de behandeling van speciale gevallen zijn van beteekenis,


1) „Mir scheint”, zoo zegt hij Bd. I, S. VIII „durch das Wesen beider Kirchen eine verschiedene Systematik im einzelnen geboten”. Stutz is hem hierin gevolgd.

|45|

o.a.: Friedberg, „Das geltende Verfassungsrecht der ev. Landeskirchen in Deutschland und Oesterreich”, 1888; K. Rieker, „Die rechtliche Stellung der evang. Kirche Deutschlands in ihrer geschichtl. Entwickelung bis zur Gegenwart”, 1893.

Het „Zeitschrift für Kirchenrecht”, opgericht door A. Dove, voortgezet door E. Friedberg, was in 1889 in 22 deelen voltooid, en werd in 1892 voortgezet door E. Friedberg en E. Sehling als: „Deutsche Zeitschrift für Kirchenrecht”.

Voor de speciale litteratuur verwijzen wij naar de handboeken van Friedberg en Kahl.

De Gereformeerde kerken. Van Gereformeerde zijde is er een zeer breede litteratuur over het kerkrecht. Calvijn, de vader van het Gereformeerde kerkrecht, trok in zijne Institutie de lijnen, en zijne leerlingen: Beza, à Lasco, John Knox, Andreas Melville, Olevianus en anderen zetten zijn werk in de onderscheidene landen voort, en trachtten de beginselen in geschriften en kerkenordeningen uit te werken. Het Erastianisme, dat in onderscheidene landen bijval vond, werd door de Gereformeerde theologen, in Engeland door Hooper en Cartwright, in Schotland door Melville, in Nederland door Acronius, Walaeus, Trigland en anderen bestreden.

Tot de oudste boeken over het Gereformeerde kerkrecht behooren de geschriften van Thomas Cartwright (1535-1603). Hij was een groot kanselredenaar, gevreesd disputator en een krachtig verdediger van de Puriteinsche richting tegenover het streven van koningin Elisabeth, die in de regeering en de cultus der kerk romaniseerende en Erasti­aansche gedachten zocht in te werken. Tegenover den aartsbisschop Whitgift, die van oordeel was, dat de kerk het recht had zulke wetten te maken, die tot den welstand der kerk noodig zijn, mits deze niet in strijd zijn met de Schrift, en dat de bisschoppelijke inrichting wel niet noodig was tot zaligheid, maar toch wel goed en geheel in over­eenstemming met den apostolischen tijd, zette hij het beginsel der Presbyterianen in onderscheidene geschriften uiteen, en toonde hij aan, dat de kerk in leer, regeering en cultus haar grond en maatstaf vindt in de H. Schrift. Daarom wil hij elke hiërarchie, het ambt van bisschop en aartsbisschop verwijderd zien uit de kerk. Het ambt van bisschop is niet anders dan dat van den bedienaar des Woords en het ambt van diaken is de verzorging der armen. Een predikant is niet in meerdere gemeenten of in de geheele kerk, maar in ééne plaatselijke gemeente drager van het ambt. Tijdens zijne verbanning heeft Cartwright het door de Puriteinen hooggeachte werk van Travers, een geleerd predikant te Cambridge: „Disciplina Ecclesiae sacra ex Dei Verbo descripta” (de heilige discipline der kerk in Gods Woord

|46|

beschreven), in 1574 te Genève uitgegeven, in het Engelsch vertaald en van eene voorrede voorzien. Gedurende den druk werd het boek ontdekt en verbrand, maar in 1644 werd het onder Cartwright's nalatenschap gevonden, en onder den titel: „Directory of Government” uitgegeven.1) Zijn groote tegenstander was Richard Hooker (1544-1600), die in zijn beroemd werk: „Of the laws of ecclesiastical Polity”, in 1592 en volgende jaren uitgegeven, de Gereformeerde kerkregeering zocht te bestrijden. Hij leerde, dat ofschoon de H. Schrift de volmaakte richtsnoer is van de leer, deze nochtans geen regel van de discipline of kerkregeering is, en dat daarom de kerk evenals elke, andere maatschappij de macht en het recht heeft zulke wetten te maken die tot haar welstand noodig zijn, mits deze niet in strijd zijn met de H. Schrift. Wijl de kerk is de moeder der leden, zijn allen, die binnen de kerk geboren zijn, verplicht zich aan de kerkelijke wetten te onderwerpen. Hiertegen merkte Cartwright op, dat deze redeneering daarom niet opgaat, om­dat Christus en de apostelen de grondregelen der kerkregeering hebben gegeven, en het nergens in het N. Testament blijkt, dat de kerk de macht heeft ontvangen, de instelling van Christus te veranderen of te verbeteren.

Tot de oudste schrijvers over Gereformeerd kerkrecht behooren W. Zepperus, wiens „Politica ecclesiastica” herhaaldelijk door Voetius wordt geciteerd, en het werk van een anoniemen schrijver: De Politia et Disciplina Civili et Ecclesiastica, Libri II, 1585, waarin hij handelt over de verhouding van kerk en staat en van de kerkinrichting, vooral over de kerkelijke tucht.2) Het schijnt, dat de schrijver tot den kring van die mannen behoort, die in Nederland den kamp moesten voeren met de overheid, die aan het recht der kerk wilde te kort doen. Tot deze mannen behoort ook Ruardus Acronius, † 1611, die in onder­scheidene geschriften, o.a. „Nootwendig Vertooch”, hoe Gods gemeente „in hare regieringhe van de Politike Regieringhe onderscheyden is geweest", Delft, 1610, waarin hij het recht der gemeente, op grond van Gods Woord, bepleit om zelve hare regeerders en predikers te benoemen. Na zijn dood zag nog het licht: „Christelijke en Wette­lijcke Beroepinge der Dienaren Jesu Christi” enz.

De groote canonicus van de Gereformeerde kerken in Nederland is geweest Gysbertus Voetius. Na 23 jaren predikant geweest te zijn, werd hij in 1634 hoogleeraar te Utrecht. Op verzoek gaf hij in de jaren 1663-1676 uit, wat hij op de colleges van het kerkrecht behandelde. Hij geeft


1) Neal, Hist. der Puriteinen, I, 409-422.
2) De auteur onderteekent de aan den Paltzgraaf Johann Casimir gerichte voorrede met de letters J.B.A.C., waaruit H.E. von Hoffmann afleidt dat de schrijver was Hendrik van de Corput. Omdat de initialen daarmede niet overeenstemmen, hebben anderen gedacht aan Joh. Bacharius, een uit de Rijnlanden gevlucht theoloog.

|47|

hierin niet zoozeer de practijk of de bestaande inrichting van het kerkelijke leven, maar vooral, hoe dat recht behoort te zijn volgens de Heilige Schrift. Bij elke kwestie gaat hij de Schriftuurlijke en de dogmatische gronden na, benevens de wederlegging der dwalingen; dan geeft hij een uiteenzetting van de problemen, en tenslotte eene serie vragen, die beantwoord worden. Tegenover hen, die opmerkten, dat zoo het boek te groot werd, voerde hij aan, dat al zulke kwesties voorgekomen zijn en nog kunnen voorkomen en dat zulke vragen en antwoorden de beste illustraties zijn van de theses. Vooral achtte hij het noodig, omdat de thetische uiteenzetting vaak ingewikkeld is, en door het gebruik der scholastische termen dikwijls duister. Voetius is de groote leidsman op kerkrechtelijk gebied, die krachtig en zuiver de grondbeginselen uitwerkt en verdedigt. Het gevoelen van Dr Kleyn, dat Voetius bij de uiteenzetting van het kerkverband „uit tegenstand tegen het Roomsche kerkbegrip en door zijne poli­tieke beginselen op de klippen van een gematigd independentisme verzeild” is, is alleen te verklaren uit het eenzijdig synodaal stand­punt van den schrijver.1) De noodzakelijkheid van een bindend kerkverband is door Voetius boven allen twijfel verheven. Vermeldens­waard zijn ook de practische geschriften van leerlingen van Voetius Jacobus Koelman, „Het ambt en de plichten der ouderlingen en diakenen”, dat in 1694 voor het eerst uitgegeven, herhaaldelijk her­drukt is; en van Lodewijk van Renesse: „Verhandeling over het Regeer-ouderlingschap in de Gereformeerde kerk” (Amsterdam 1765).

Met de inzinking van het Gereformeerd kerkelijk leven in Nederland in de achttiende eeuw, nam ook de liefde tot de beoefening van het kerkrecht af. Na de invoering van het Algemeen Reglement der Ned. Hervormde kerk in 1816, verschenen er echter onderscheidene bijdragen van Broes, Heringa, Kist, Ypey, Van Hall, Den Tex en Van der Tuuk. Maar het was eerst Prof. H.J. Royaards, die een wetenschappelijk Handboek trachtte te leveren in zijn : „Heden­daagsch kerkrecht bij de Hervormden in Nederland”, 1834, dat, hoeveel wetenswaardigs ook leverend, toch alleen was een handleiding, om in het vigeerend recht der Ned. Hervormde kerk thuis te geraken, en niet voldeed aan de eischen, die aan een principieel handboek voor kerkrecht behooren te worden gesteld. Sedert verschenen van moderne zijde: Dr J.J. Prius, „Het kerkrecht der Ned. Hervormde kerk”, Leiden, 1870; en van orthodoxe zijde: Dr G.J. Vos, „De tegenwoor­dige inrichting der Vaderlandsche kerk”, Dordrecht, 1884, en „Hoe men zich in de Ned. Hervormde kerk moet gedragen”, Utrecht, 1896.


1) Algemeene kerk en plaatselijke gemeente door Dr H.G. Kleyn, Dordrecht 1888, bl. 323.

|48|

In 1924 verscheen een beknopte handleiding tot het „Nederlandsch Hervormd kerkrecht” van Dr J.R. Slotemaker de Bruine.

Van Gereformeerde zijde is in de negentiende eeuw, in verband met de aan de orde zijnde kerkelijke vraagstukken en de begeerte om de kerk naar eisch der Gereformeerde beginselen te reformeeren, de belangstelling voor en de studie van het Gereformeerde kerkrecht herleefd. Ter voorbereiding van de reformatie der kerken gaf Dr A. Kuyper op Luthers vierde eeuwfeest, 1883, een „Tractaat van de Reformatie der kerken”, terwijl hij ook in andere geschriften de be­ginselen van het Gereformeerde kerkrecht propageerde. Maar het is bovenal Prof. Dr F.L. Rutgers geweest, die als grootmeester in het Gereformeerd kerkrecht geschitterd heeft. Jaren lang, van 1880-1910, heeft hij op zijne colleges zijne leerlingen liefde voor dit studievak ingeprent. Door onderscheidene geschriften: „Het kerkverband”, 1882, „De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken”, 1886 (met Jhr Mr A.F. de Savornin Lohman), „Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw”, 1889, „De geldigheid van de oude kerkenordeningen der Nederlandsche Gereformeerde kerken”, 1890, „Het kerkrecht in zoover het de kerk met het recht in verband brengt”, 1894, „De beteekenis van de gemeenteleden als zoodanig, volgens de beginselen, die Calvijn heeft ontwikkeld en toegepast”, 1906, en door zijne vele adviezen, waarvan een deel in 1921 zijn uitgegeven onder den titel „Kerkelijke adviezen”, heeft hij een school gevormd, en op den vasten gang van het leven der Gereformeerde kerken een blijvenden invloed uitgeoefend.

Onder de beoefenaars van het Gereformeerde kerkrecht in Nederland in lateren tijd kunnen genoemd worden: Prof. Dr H.H. Kuyper, die, naast vele belangrijke artikelen in De Heraut, schreef: „De opleiding tot den dienst des Woords bij de Gereformeerden”, 1891; „De ver­kiezing tot het ambt”, 1900; Dr H. Schokking, „De leertucht in de Gereformeerde kerk van Nederland tusschen 1540 en 1620”, 1902; Biesterveld, Lonkhuijzen en Rudolph, „Het Diaconaat”, 1907; Dr H. Bouwman, „Het ambt der diakenen”, 1907; „De kerkelijke tucht naar het Gereformeerd kerkrecht”, 1912; Dr P.A.E. Sillevis Smitt, „De organisatie van de christelijke kerk in den Apostolischen tijd”, 1910; Joh. Jansen: „De kerkenordening van de Gereformeerde kerken in Nederland”, 1917; „De kerkelijke tucht”, 1913; „Korte verklaring van de Kerkenordening”, 1923. Voor de kerkregeering is ook van beteekenis het maandblad: „Het Ouderlingenblad" onder redactie van Prof. Dr G.Ch. Aalders, Prof. Dr H. Bouwman, Prof. Dr T. Hoekstra en Prof. Dr H.H. Kuyper, dat sedert 1922 bij J.B. v.d. Brink & Co. te Zutphen verschijnt.

Ook in Duitschland is de belangstelling voor het Gereformeerd kerkrecht ontwaakt.

|49|

Hadden reeds in 1847 Dr H. Heppe in zijne „Geschichte der Hes­sischen Generalsynoden 1568-1582”, G. v. Lechler in „Geschichte der Presbyterial und Synodalverfassung seit der Reformation”, Leiden, 1854, en andere schrijvers de aandacht gevestigd op de beteekenis van de oude synoden, in den laatsten tijd worden ook de beginselen een voorwerp van onderzoek. Dr Karl Rieker schreef een veelszins uitnemend boek: „Grundsätze reformierter Kirchenverfassung”, Leipzig, 1899, en Dr H.E. von Hoffmann: „Das Kirchenverfassungsrecht der niederländischen Reformierten bis zum Beginn der Dordrechter Nationalsynode von 1618/19”, Leipzig, 1902. Ook de geschriften van Prof. Ed. Simons: „Synodalbuch, Urkundenbuch zur Rheinischen Kir­chengeschichten”, Bd. 1 „Die Akten der Synoden und Quartier-konsisto­riën in Jülich, Cleve und Berg, 1570-1610”, Neuwied 1909; „General­synodalbuch”, 1910; „Kölnische Konsistorialbeschlüsse, 1572-1596”, 1905, hebben de kennis van het oude Gereformeerde kerkrecht zeer bevorderd. Ter voorbereiding van de nieuwe kerkenordening na de revolutiedagen van 1918 schreef Prof. Dr Joh. Victor Bredt: „Neues evangelisches Kirchenrecht für Preuszen”, waarin hij met warmte de Gereformeerde principiën aanbeveelt.

Het is niet wel mogelijk, de litteratuur over het kerkrecht in andere landen eenigszins volledig aan te geven. Voor Engeland en Schotland verwijzen wij naar de volgende geschriften: „The official Year Book of the Church of England” (jaarlijks verschijnend); „A Compendium of the Laws of the Church of Scotland”, Edin­burgh, Printing and Publishing co. Robert Philimore, „The ecclesias­tical Laws of the Church of England”, 1873; Felix Makower, „Die Ver­fassung der Kirche von England”, Berlin, 1894; E. Hermitage Day, „The ministry of the Church”, in the St. Paul’s Handbooks, London, Pitman; F.J.A. Hort, „The Christian Ecclesia, a course of lectures of the early history”, London, Macmillan, 1914; Thomas Lindsay, „The church and the ministry”, London, 1907.

Voor Frankrijk: Voor de oude Fransche Gereformeerde kerken: Aymon, „Tous les Synodes Nationaux des Eglises Reformées de France”, Haag, 1710; Armand Lods, „La legislation des cultes Protestants” (1787-1887), Paris 1887, en „Traité de l’administration des cultes Pro­testants”, Paris 1896.

Voor Amerika verwijzen wij, behalve naar de officieele kerkelijke handboekjes, naar: „The Church and its Polity” by Charles Hodge, London, 1879; „Church Government, A treatise compiled from his lectures in theological seminaries” by Alexander F. MgGill, Philadel­phia, 1888, en de in deze boeken aangegeven litteratuur.