Bouwman, H. (1928)

Gereformeerd Kerkrecht I
Kampen
J.H. Kok
1928

Bouwman, H. (1928) § 1

|1|

 

 

Inleiding.

 

§ 1. Kerk en kerkrecht.

De kerk is volgens de uitspraken van het Nieuwe Testament eene vergadering der geloovigen, die in Christus hunne zaligheid zoeken, gewasschen zijnde in zijn bloed en verzegeld door den Heiligen Geest. Als zoodanig is het wezen der kerk onzicht­baar, een voorwerp des geloofs en kunnen wij niet met zekerheid weten, wie tot haar behooren. Christus alleen weet onfeilbaar, wie de zijnen zijn, en eenmaal, in de voleinding der eeuwen, zullen allen, die door Christus verlost zijn van de zonde, als leden van het vol­komen lichaam van Christus, opgenomen zijn in heerlijkheid, om eeuwig Hem in volmaaktheid te dienen en te prijzen. Maar de kerk heeft ook eene zichtbare zijde. In dit leven vergadert de Heere de zijnen door zijn Geest en Woord tot een lichaam, om Hem te kennen, in Hem te genieten de vergeving van zonden en den vrede des harten in zijn gemeenschap, en zijn strijd te strijden tegen Satan en de zonde. De geloovigen kennen door de genade des Heiligen Geestes een drang in zich, om zich te vereenigen tot de bediening des Woords, der Sacramenten en der gebeden en om persoonlijk en onder de leiding van het ambt, des Heeren werk te doen, zijn wil te volbrengen, te verkondigen de deugden desgenen, die hen uit de duisternis ge­roepen heeft tot zijn wonderbaar licht, en zoodoende mede te werken tot de verheerlijking Gods en het heil van andere menschen.

Daaruit blijkt, dat de kerk, naar haar wezen onzichtbaar, de be­stemming heeft om te midden van het menschenleven eene roeping te volbrengen. Zij is geroepen het Woord Gods te verkondigen. En waar het Woord verkondigd wordt, daar komen menschen, die de roepstem hooren en die gelooven. De Apostel Paulus verklaart: „Hoe zullen zij dan hem aanroepen, in welken zij niet geloofd hebben?  En hoe zullen zij in hem gelooven, van welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij hooren, zonder die hun predikt?” (Rom. 10: 14).

|2|

Hiermede is meteen uitgesproken, dat de vorm en het instituut der kerk niet willekeurig door menschen in het leven geroepen is. Het is niet een genootschap, eene vereeniging, een zedelijk lichaam door den vrijen wil des menschen samengevoegd en ingericht naar het wilsbesluit der stemhebbende leden. Dan zou zij evengoed tegen als vóór Christus partij kunnen kiezen. Maar het instituut der kerk is door den Koning der kerk ingesteld, met het doel om zijn koninkrijk te doen komen.

Wij kunnen de kerk en het recht der kerk niet leeren uit de kerk zelve, maar moeten opklimmen tot den wil van den Koning der kerk, die haar in het aanzijn riep, en haar een eigen recht schonk. Christus is de eeuwige Koning der kerk, die haar van uit den hemel regeert. Hij is de eenige wetgever, die aan niemand, aan geen wereldlijke of kerke­lijke overheid zijn gezag afstaat en die eischt dat de gemeente naar zijn wil, in zijn Woord bekend gemaakt, moet gelooven en leven.

Daarom onderscheiden wij tusschen het jus constitutum (het vi­geerend recht) en het jus constituendum (het recht, zooals het behoort te zijn). Het vigeerend recht kan feilen, het recht, zooals Christus het gegeven heeft, niet. Wat Christus beveelt, heeft absoluut gezag, maar de opzieners der gemeente hebben uit zichzelven niets te zeggen, maar alleen als bedienaars des Woords. Het Woord geeft de begin­selen, waarnaar de dragers van het ambt hebben te spreken en te handelen. Het jus constituendum is de ideëele opvatting van de regelen in de kerk gemaakt, gelijk ze der kerk voor oogen zweven, en die door de studie van het kerkrecht, het onderzoek van de Heilige Schrift en de deductie uit de gevondene beginselen, steeds helderder in het licht treden. Het jus constitutum is de practische regeling van het recht, dat een proces doorloopt, en poogt het ideëele recht te realiseeren, maar er slechts gebrekkig in slaagt het te belichamen. Wat de kerk vaststelt, is dus geen absolute wet, maar eene regeling, afgeleid uit het Woord van Christus, naar de behoeften van bijzon­dere omstandigheden in bepaalde tijden.

Dat jus constituendum kan dus niet gevonden worden in de idee van de kerk, noch in de historische ontwikkeling en de practische doelmatigheid der kerk, maar in de Heilige Schrift. Steeds moet de kerk zich naar de Schrift reformeeren en zorgen, dat de geldende rechtsregelen niet in strijd zijn met de Schrift, en de Christusregeering niet tegenwerken. Wanneer de Schriftmatige grondslag wordt prijs­gegeven, dan wordt het verband tusschen het kerkelijk instituut en het lichaam van Christus doorgesneden.

De Roomsch Katholieke kerk heeft terecht gezien, dat Christus aan zijne kerk een eigen instituut en een eigen recht gegeven heeft, en

|3|

dat de overheid hare bevelen niet aan de kerk mag opleggen1). Maar zij beging de fout een valsch begrip in de kerk in te brengen, het instituut als het wezen, het ál der kerk te beschouwen, het instituut zelf mystiek op te vatten, en een zichtbaar hoofd der kerk aan te nemen. Niettegenstaande deze fout heeft Rome echter haar gebouw op een zelfstandig fundament opgetrokken.

De kerken der Reformatie braken met de hiërarchie, maakten een onderscheiding tusschen zichtbare en onzichtbare kerk, maar zij konden over het algemeen niet de zelfstandigheid der kerk tegen­over de overheid handhaven, en gaven aan de overheid zeggenschap of stelden de volkskerk en de landskerk in de plaats van de oecu­menische kerk. De juristen, die het Romeinsch recht volgden, hebben bijna overal de kerken onder de overheid gebracht. Zelfs in Gerefor­meerde landen, waar de Reformatie meer van het volk dan van de vorsten uitging, kon men de beginselen van Calvijn niet geheel in de practijk toepassen en werd de vrijheid der kerk door de overheid aan banden gelegd.

Vandaar ook dat de leeraars van het kerkrecht veelal eene geheel verkeerde voorstelling omtrent de kerk huldigden. Sedert de dagen van Hugo de Groot hebben de woordvoerders van het territoriale stelsel de kerk beschouwd als eene vereeniging in den staat, aan de hoogheid van den staat onderworpen. De mensch streeft als gezellig wezen naar vereeniging met religieus gelijkgezinden, om met hen in gemeenschappelijken cultus uitdrukking te geven aan zijne gods­dienstige beschouwingen. Deze voorstelling, gehuldigd door Samuel Pufendorf2), J.H. Böhmer3) en G.L. Böhmer4), is door lateren over­genomen en ook gehuldigd door de voorstanders van het collegiale systeem. Het collegiale stelsel, opgekomen in de eerste helft van de 18de eeuw, en in de tweede helft der 19de eeuw tot heerschappij gekomen, is niets anders dan de toepassing van de revolutionnaire


1) Leo XIII schreef in de Encycl. Immortale Dei van 1 Nov. 1885 (Herdersche Sammlung, S. 351): Dei filius societatem in terra constituit quae ecclesia dicitur. En in de beginwoorden der publicatie-bul van de Codex Juris Canonici heet het: Provi­dentissima Mater Ecclesia, ita a Conditore Christo constituta, ut omnibus instructa esset notis quae cuilibet perfectae societati congruunt, Bendix, Kirche und Kirchen­recht, 1895, S. 10; Heiner, Katholisches Kirchenrecht, 1912, S. 3 ; Sägmüler, Lehrbuch d. Kath. Kirchenrechts, 1909, § 2.
2) S. à Pufendorf leerde van de kerken der eerste drie eeuwen: „Eas constat habuisse indolem collegiorum seu ejusmodi societatum, quia plures homines certi cujusdam negotii gratia inter se connectuntur” (De habitu religionis christianae etc. 1677, p. 181).
3) J.H. Böhmer (Institutiones juris canonici, Lib. I, tit. I, § 4) : „Externa ecclesia­ est societas hominum inter se per eandem confessionem fidei unitorum ad religionis christianae scopum obtinendum”.
4) Aan het einde van de 18e eeuw schreef G.L. Böhmer (Principia juris Canonici § 4) : „Ecclesia christiana est societas hominum per eandem fidem christianam unitorum de religione christiana colenda”.

|4|

denkbeelden op de kerk. De kerk wordt gelijkgesteld met eene mensche­lijke vereeniging. De bron voor het gezag is de leer der volkssouve­reiniteit. Van het koningsrecht van Christus in de kerk is geen sprake. De godsdienstige vereeniging regelt en bestuurt hare eigen aangelegen­heden zelfstandig. De staat heeft slechts hoogheidsrecht (jus circa sacra), de kerk de uitoefening der macht in eigen kring (jus in sacra).

Tegen deze verkeerde beschouwingen rees van onderscheidene zijden verzet. Niet alleen van de zijde der Gereformeerden, die de kerk zochten te reformeeren naar de beginselen van het Woord Gods en van de Gereformeerde belijdenis, maar ook in de Luthersche kerk verzetten zich Stahl1) en anderen tegen de beginselen der Aufklärung, zonder de volle Christusregeering te verstaan, en zonder dus ook den band van de kerk met den staat los te maken. De school van Puchta en Richter2) bestreed ook de beginselen der Aufklärung, in het col­legialistische stelsel belichaamd, erkende ook de beteekenis van het Woord Gods voor het recht der Kerk, maar kwam toch de collegi­alistische gedachte niet te boven. Deze genootschapsidee heerscht bij de meeste schrijvers over het kerkrecht in onze dagen. A. Harnack3) P. Wernle4) en anderen zijn van oordeel, dat Jezus wel religieuse ideeën heeft uitgesproken en de prediking van het godsrijk heeft gebracht, als het rijk van liefde, gerechtigheid en vrede, dat als een machtige en stille kracht moet werken in de harten en openbaar moet worden in het leven; dat Christus wel een kring van discipelen om zich heeft verzameld, een gemeenschap in ideëelen zin van hen, die in Hem hun heer en hoofd zagen en zich practisch hielden aan zijne leeringen, maar dat Christus geen gemeente heeft gesticht, geen organisatie heeft willen geven. „Alles, wat werkelijk geworden is, is niet uit een vooraf beraamd plan ontstaan, maar is onder de gegeven tijdsomstandigheden automatisch voortgekomen uit de broeder­lijke gemeenschap van menschen, die door Jezus God hadden ge­vonden, die zich daarom door den Geest Gods geregeerd wisten, en die, in de Joodsche theocratie staande, geloofden aan de verwezen­lijking door Jezus, en daarvoor hun leven gaven.”5) Eerst na Jezus’


1) F. J. Stahl erkende in: „Die Kirchenverfassung nach Lehre und Recht der Pro­testanten” de zichtbare kerk als een „organische Institution”, die boven de ge­meente stond. Aan de door het leerambt en de wereldlijke overheid „geordneten organische Anstalt” heeft Christus de kerkmacht gegeven. Stahl was Luthersch en trachtte de Luthersch-episcopaalsche idee, met enkele calvinistische ideeën vermengd, tot de heerschappij te brengen.
2) Puchta, Gewohnheitsrecht II 1837, S. 266, 274; Einleitung in das Recht der Kirche 1840, S. 24, 65, 129. Richter, Kirchenrecht, 1842 § 3.
3) Harnack, Lehrbuch der Dogmengeschichte, 1889 I S. 39-66.
4) Wernle, Die Anfänge unser Religion, 1914, S. 64, 72.
5) A. Harnack, Entstehung und Entwickelung der Kirchenverfassung und des Kirchenrechts in den zwei ersten Jahrhunderten, 1910, S. 3.

|5|

dood, onder den indruk der verschijningen, ontstond de kerk onder de leiding der apostelen.1)

Evenwel is de tegenstelling tusschen kerk en godsrijk, door de moderne theologie gemaakt, dat Christus wel een koninkrijk van liefde, vrede en gerechtigheid, maar niet eene kerk heeft gesticht, valsch.2) Al wordt in Matth. 16: 18 en 18: 17 nog niet gesproken van eene afgeronde organisatie, hier is toch een kring van geloovigen, en wordt niet alleen gezegd, dat Christus de kerk zal bouwen, maar ook dat naar den regel van Christus in de kerk zal worden gehandeld.

Jezus maakte dus een aanvang met de organisatie van zijne kerk. Hij begon zijn instituëerend werk met de verkiezing van de twaalven, (Matth. 10: 1-5; Marc. 3: 14-19; Luk. 6: 13-16) met de uitzending van de discipelen, om het evangelie van het koninkrijk Gods te prediken. Hij verklaart dat hij zelf ambtelijk door den Vader geroepen is, om het werk des Middelaars te verrichten. Hij is gezonden door den Vader, en zendt op zijn beurt zijne gezanten met een bepaalden last (Joh. 20: 21-23). En de apostelen hebben terstond na de opstanding van Christus verstaan wat Hij hun wilde zeggen, en zijn in gehoorzaam­heid aan hun Meester opgetreden met de macht en de autoriteit, die hun gegeven was. Zij hebben verordend, dat het getal der apostelen, na den dood van Judas, weder zou worden aangevuld (Hand. 1: 16); zij hebben het woord der vergeving en zaligheid verkondigd (Hand. 2: 38); zij vertolkten voor de schare in den tempel het woord der profetie, alsof God door hen sprak (Hand. 3); zij hebben in Jezus' naam teekenen en wonderen gedaan (Hand. 3); zij doopten tot vergeving der zonden (Hand. 2: 38); zij gaven verordeningen aan de gemeente, voor de verkiezing van ambtsdragers, voor de inrichting der gemeente, voor de handhaving van orde en tucht (Hand. 6: 1-6; 8: 14 v.; 15: 22, 23; 1 Cor. 4: 1; 7: 17; 9: 14; 11: 34; 16: 1; 1 Tim. 3; Titus 1).

Duidelijk blijkt dus, dat de organisatie der kerk door Christus is verordend, en dat Hij zelf de beginselen dezer organisatie heeft gegeven. Het instituut der kerk komt dus niet op uit menschelijke wilsactie, maar uit de instelling van den Koning der kerk. De kerk heeft zich in alles naar het Woord des Heeren te openbaren. Zijn wil is de regel voor geloof en leven, en daarom heeft ook de kerk een eigen zelfstandig recht. De beginselen van het kerkrecht moeten dus gezocht worden in het Woord van God, en het vigeerend kerkrecht moet zijn grond en steun vinden in het Schriftuurlijk beginsel.

Tegenover de beschouwing, dat de organisatie der kerk door Christus is verordend, heeft R. Sohm in zijn boek „Kirchenrecht” eene principiëele


1) P. Wernle, Die Anfänge, S. 89.
2) Zahn, Comm. Ev. d. Matth. S. 547; „De Bazuin”, 1914, No. 31.

|6|

bestrijding gesteld. Het geestelijk wezen der kerk, zoo leert hij, sluit elke rechtsorde uit, en het kerkrecht is in strijd met het wezen der kerk geboren. „Das Kirchenrecht steht mit dem Wesen der Kirche im Widerspruch.” „Das Wesen der Kirche ist geistlich, das Wesen des Rechts ist weltlich. Die Kirche will durch das Walten des gottlichen Geistes geführt, regiert werden; das Recht vermag immer nur mensch­liche Herrschaft, irdischer, fehlbarer, der Zeitströmung unterworfener Natur hervorzubringen.”1) Volgens Sohm beteekent de ecclesia de gansche Christenheid, de geheele verzameling van Christenen. Waar twee of drie in Christus’ naam vergaderd zijn, daar is het volk van Christus, want Christus is in hun midden, met al zijne beloften.2) Wanneer er schijnbaar gesproken wordt van eene plaatselijke gemeente, of van huiskerken, dan is dat niet eene vergadering van de plaatselijke gemeente, maar „eine Erscheinungsform der Ekklesia, der Versammlung des gesammten Christenvolks”.3) De eenige organisatie is de charis­matische. Het bijzondere charisma, dat de leiding der kerk in den naam van Christus had, was de Lehrgabe.4) Door deze gave werd orde en tucht vastgesteld en leiding gegeven. Deze charismatische organisatie nu leidde tot eene geestelijke anarchie, en uit het streven naar een zedelijk geordend gemeenteleven, voor de bediening van de eucharistie, het beheer van het kerkegoed en de handhaving der Christelijke waarheid, is, in den strijd met het Gnosticisme en het Mon­tanisme, geboren de Katholieke kerk met haar uitwendige rechts­orde.5) „Aus einer geistlichen Gemeinschaft ist unter den Händen des Katholicismus eine Rechtsgemeinschaft, aus dem Leibe Christi ein mit irdischer Gewalt regierter Rechts- und Verfassungskörper geworden.” „Die wahre Kirche, die Kirche Christi, kennt kein Kirchenrecht.”6) Luther heeft, zoo leert Sohm, elk kerkrecht den oorlog verklaard. „Die Kirche Christi will kein Kirchenrecht”, zoo volgt uit de Luthersche belijdenisschriften, doch door het landsheerlijk kerkregiment is het gekomen tot het kerkrecht, in strijd met de Luthersche belijdenis. Het Gereformeerde kerkbegrip eischte evenals het Katholieke kerk­begrip het kerkrecht. „Die Ausbildung eines rechtlichen Kirchen­regiments hat das Wesen der Kirche aufgehoben.” „Ueberal hat das Kirchenrecht sich als ein Angriff auf das geistliche Wesen der Kirche erwiesen, mit welchem deshalb die lebendigen geistlichen Krafte der Kirche in naturnotwendigen Kampfe sich bevinden.”7)

Deze voorstelling van Sohm steunt niet op de H. Schrift en is ook


1) Rud. Sohm, Kirchenrecht, Leipzig, 1892 I, 1 ; II, 1923 passim.
2) Kirchenrecht S. 20.
3) Kirchenrecht S. 21.
4) Kirchenrecht S. 28.
5) Sohm, Wesen und Ursprung des Katholicismus S.25-40.
6) Sohm, Kirchenrecht, S. 455-459.
7) Sohm, Kirchenrecht, S. 699, 700.

|7|

niet af te leiden uit het wezen van de kerk, maar zij is louter een philosophische constructie. Zij gaat a. uit van een verkeerd kerk­begrip. Ongetwijfeld heeft Luther’s leer van de kerk op Sohm’s beschouwing invloed geoefend. Luther ging uit van de onzichtbare kerk en hield met de zichtbare al heel weinig rekening. Nu vinden wij in Luther’s werken beide gedachten, dat er geen recht in de kerk moet zijn, en dat er wel recht moet wezen, maar feitelijk heeft Luther slechts in zoover belang bij de zichtbare kerk, als zij hem biedt de zaligheid door de bediening van Woord en Sacrament. Het sociologisch element, dat de geloovigen in zich de drang kennen om zich te vereenigen en naar den wil van Christus de kerk te organiseeren, komt bij Luther niet tot zijn recht. Van Luther’s grondgedachte uitgaande ziet Sohm de organisatie der eerste Christengemeente als een zuiver charismatische. Dit is niet juist. Want reeds in het N. Testament hebben wij de duidelijke aanwijzingen voor eene vaste orde en recht in de kerk (Hand. 6, 15; Ef. 4: 11; 1 Petr. 5: 2). Wel bloeide in den buitengewonen tijd van de eerste Christelijke kerk de gave des Geestes, maar de Heere gaf van den beginne leiding der gaven door het ambt der apostelen, en weldra zien wij de overgangen van het extraordinaire tot het ordinaire en van het charismatische tot het ambtelijke.

b. In de tweede plaats heeft Sohm eene verkeerde voorstelling van de verhouding van recht en kerk. Het is waar, dat het recht van nature formeel is, en dat, wanneer het leven ingeschroefd wordt in het formeele, het hoogste recht kan ontaarden in het grootste onrecht, maar dit neemt niet weg, dat eene rechtsorde noodig is. Opdat het wezen behoorlijk tot zijn recht kome, zijn nu eenmaal vormen noodig. De vormen kunnen gebrekkig zijn, maar zij zijn niet verkeerd. Maar opdat de vorm het wezen van de kerk niet hindere, maar steune, is noodig, dat het vigeerend recht steeds worde getoetst aan het Woord van God, dat de vormen weinige zijn en dat de kerkorde uitdrukkelijk vrijheid geeft, en zelfs voorschrijft, dat men zich aan Gods Woord moet houden, als het zijn moet tegen alle kerkelijke ordeningen in. Zoo kan er geen strijd komen tusschen het formeele en het reëele. Het kerkelijk recht vraagt onderwerping van alle leden der kerk aan Christus, wil dat elk mensch naar lichaam en geest den Koning der gemeente erkenne en eere. Zoolang de kerk in deze aardsche bedeeling is, en haar de zonde aankleeft, kan zij niet zonder een vast recht. Niet het feit, dat de kerk aan rechtsvormen gebonden is, vernedert haar. Dat wetten en bepalingen, regelingen en vermaningen noodig zijn, is bewijs, dat de kerk nog niet is, waar zij moet zijn.

Nu zegt Sohm dat de kerk van Christus een geestelijk karakter

|8|

heeft en het recht van deze wereld is. Deze gedachte is vroeger meermalen, o.a. door de Anabaptisten uitgesproken. Zij zeiden, dat de rechtsorde, in het algemeen de wereld, iets is, waarmede de Christen zich niet mocht inlaten. Zoo zegt ook Sohm, dat de rechtsorde met het wezen van de kerk in tegenspraak is. Wanneer nu Sohm zegt, dat in den loop der historie de kerkelijke rechtsorde als „eine geschichtliche Nothwendigkeit” opkomt, dan is deze zijne tweede bewering in strijd met de eerste.

Feitelijk vloeit het beginsel, waarvan Sohm uitgaat, voort uit eene valsche mystiek en eene doopersche minachting van de kerk. De kerk wordt voorgesteld als een organisme, dat buiten en tegenover de bestaande menschheid staat, en als een oliedrop op de wateren drijft.

c. Daarmede hangt samen een verkeerde beschouwing van het recht. Indien het recht in strijd is met het wezen der kerk, dan is het recht wereldsch, uit den mensch, zoodat het enkel de werking is van het menschelijk levensproces, en dit is de toepassing van het pantheïsme. Of indien men het recht laat uitgaan van den staat, dan is dit de toepassing van het positivisme. Of indien men het geestelijke leven afscheidt van het natuurlijke leven, dan krijgen wij het spiritu­alisme of het valsche dualisme. Volgens de H. Schrift en de Gerefor­meerde belijdenis is het recht uit God, die het rechtsbesef in het bewuste leven van den mensch heeft ingeschapen en in den loop der historie tot ontwikkeling en uiting deed komen, en die zelfs aan zijn bondsvolk Israël op eene bijzondere wijze de normen van het zedelijke leven in de tien woorden heeft bekend gemaakt. Des menschen taak is, de gedachte Gods, die Hij in de schepping heeft gegeven, in de historie tot ontplooiïng deed komen, en die Hij in zijn Woord bekend gemaakt heeft, in te denken en na te denken. Dat recht Gods is goed. Wel is ons denkvermogen door de zonde zeer belemmerd, maar het recht Gods is niet verdonkerd. Dat recht Gods kan dus met het wezen der kerk nooit in strijd zijn. Wel moet in de kerk liefde heerschen, maar eene liefde, die niet rekent met het recht, is geen ware liefde, maar zwakheid, onaandoenlijkheid of onverschilligheid. Voorts sluit het recht de liefde niet uit.

Het is waar dat het recht verbindend is, maar het recht wil in de kerk niet heerschen door dwang, maar door de liefde, door de over­tuiging, dat Christus het vraagt, zich aan zijn wil te onderwerpen. Sohm identificeert Rechtsgewalt en Zwangsgewalt. Nu is het waar dat de overheid de onderdanen dwingt tot gehoorzaamheid. Deze dwang echter is niet het karakter van het recht in het algemeen, maar zij is door de zonde in de wereld ingekomen, evenals de overheid „uit oorzaak der verdorvenheid van het menschelijk geslacht

|9|

door God verordend is”.1) Dat de handhaving van het recht veelal met dwang gepaard gaat ligt in de onwilligheid der menschen om er aan te gehoorzamen. Op kerkelijk gebied mag er geen dwang bestaan, omdat der kerk geen dwangmiddel ter beschikking staat, omdat gedwongen vroomheid geen beteekenis heeft, en omdat het lidmaatschap der kerk veronderstelt vrijwillige gehoorzaamheid aan en liefde tot den Koning der kerk, wijl Christus zijn volk door zijn Geest en Woord bereid maakt hem in liefde te volgen. Zeker, er is straf in de kerk, maar deze straf is geen rechterlijke straf of een dwangmiddel, maar een geneesmiddel, met het doel om den zondaar terecht te brengen en het recht Gods te handhaven.

De rechtsorde behoort bij de aardsche bedeeling. In den hemel zal de schare der geloovigen niet meer saamgehouden worden door een kerkelijk instituut en een rechtsorde, maar zullen zij uit innerlijke liefdesdrang Gods wil volkomen doen. Doch op aarde moet, ter oorzake van de gesteldheid der menschen, een formeel recht blijven, en moeten de leden der kerk steeds aan hunne roeping worden herinnerd.

Het kerkrecht is dus niet, zooals Sohm beweert, met het wezen der kerk in strijd, en is niet een storende macht, die het leven der kerk misvormt, maar juist een middel, waardoor de schade van de kerk wordt afgewend. Wel kan het kerkrecht der kerk geen leven en bloei aanbrengen; het is Gods Geest alleen, die levend maakt, en die de kerk doet groeien en bloeien. Maar het kerkrecht kan ook niet gemist worden. Het geeft leiding, vastheid, orde, samenwerking, zoodat de kerk daardoor te beter aan hare roeping kan beantwoorden. Het kerkrecht is noodig voor het welwezen der kerk. Christus, de Koning zijner kerk, heeft zijn Woord bekend gemaakt en zijne dienaren ge­geven tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus (Ef. 4: 11). En de apostelen hebben in Jezus' naam verordend, dat alle dingen in de gemeente eerlijk en met orde geschieden moeten (1 Cor. 14: 40) en zij hebben regelen gegeven voor het leven der gemeente, opdat de geloovigen zouden weten „hoe men in het huis Gods moet verkeeren” (1 Tim. 3: 15).2)

Daaruit blijkt dat het kerkrecht is, naar de juiste bepaling van


1) Ned. Geloofsbel. Art. 36.
2) G. Voetii, Politica ecclesiastica, Amst. 1663; Dr A. Kuyper, Encyclopaedie der H. Godgeleerdheid, III, § 22; Dr Rud. Sohm, Kirchenrecht, Leipzig I 1892, II 1923; Dr F. L. Rutgers, Het kerkrecht in zoover het de kerk met het recht in verband brengt, Amsterdam, 1894; Reischle, Sohm’s Kirchenrecht und die Streit über die Ver­haltniss von Recht und Kirche, Giessen, 1895; Dr W. Kahl, Lehrsystem des Kirchen­rechts und der Kirchenpolitik, Erste Hälfte, Freib. in B. 1894, § 5; Dr E. Chr. Achelis, Lehrbuch d. pract. Theologie, Leipzig 1898, II, 517; Dr H. Bouwman, De kerkelijke tucht, Kampen, 1912.

|10|

Voetius1) de heilige wetenschap van de regeering der zichtbare kerk. Het is een heilige wetenschap, omdat het onderscheiden is van het recht, dat in den staat en in het burgerlijke leven geldt, en omdat het zich beweegt op het terrein van het heilige, van de kerk. Het spreekt vanzelf, dat het kerkrecht zich slechts kan bezig houden met iets wat zichtbaar is. Recht en orde gelden van iets, wat in de wereld der verschijnselen optreedt. Van het onzichtbare kunnen wij geen be­schrijving geven. En omdat het Woord Gods de beginselen geeft van wat in de kerk voor recht gelden moet, kan men het kerkrecht be­palen als de wetenschap, die beschrijft het recht, dat in de zichtbaar geïnstitueerde kerk geldt en gelden moet.


1) G. Voetii: Scientia Sacra regendi ecclesiam visibilem, Pol. Eccl. I, 1.

Bouwman, H. (1928) § 2

§ 2. Het kerkrecht eene theologische wetenschap.

Het Schriftuurlijk beginsel van het kerkrecht mag nooit worden prijsgegeven. Zoo nauw mogelijk moet het verband aangelegd worden tusschen de kerk als instituut en de kerk als het lichaam van Christus. Ook al weten wij, dat het instituut der kerk nooit mag vereenzelvigd worden met hare geestelijke onzichtbare zijde als eene gemeente van uitverkorenen, is het toch noodig dat de kerk door het vasthouden aan Gods Woord in belijdenis en wandel, in hare handelingen, in regeering en tucht, zooveel mogelijk het beeld van het lichaam van Christus vertoone, en Christus’ Koningschap ook in de practijk van het kerkelijke leven uitschittere. Daartoe is noodig, dat de beginselen van het kerkrecht, waarnaar de rechts­regelen in het instituut der kerk worden vastgesteld, uit Gods Woord worden opgediept. Ontleent men de grondbeginselen niet uit de H. Schrift, dan kan men wel belijden, dat er een lichaam van Christus is, maar elke waarborg ontbreekt, dat het wezen der kerk in hare uitwendige openbaring uitkomt. Dan loopt de kerk gevaar het karakter van kerk te verliezen en eene religieuse vereeniging of een gods­dienstig genootschap te worden.

Is nu het kerkrecht de wetenschap, die beschrijft het recht, dat in de kerk geldt en gelden moet, dan volgt daaruit ook, dat het een theologische wetenschap is. Het heeft een eigen object en neemt een eigen plaats in de theologische wetenschap in.

|11|

Veelal wordt het kerkrecht opgevat als een wetenschap, die thuis hoort niet alleen in de theologie, maar ook in de rechtswetenschap. Otto1), Bluntschli2) en anderen noemen het kerkrecht eene theolo­gische wetenschap, inzoover de kerkelijke verordeningen uit het begrip kerk kunnen ontwikkeld worden, maar inzoover het ook staatsrechtelijke elementen in zich opneemt, is het een theologisch-­juridische wetenschap. Kahl3) zegt, dat het kerkrecht niet dezelfde beteekenis heeft als het kerkelijk recht, wijl het niet slechts de regelen bevat, die door de kerk zelve voor hare ordening gegeven zijn, maar ook die welke door den staat ten behoeve van de kerk voorgeschreven zijn, in zoover de kerk aan de rechtshoogheid van den staat onderworpen is. Door Mejer4) en anderen is beweerd, dat het kerkrecht niet eene zelfstandige wetenschap is, wijl er geen recht is zonder den staat. Kerk en staat zijn niet twee instituten, maar één, waarbij aan den leerstand toekomt krachtens goddelijke autoriteit de bediening van Woord en Sacrament, terwijl de overheid het recht en de roeping heeft te zorgen, dat in het land woord en sacrament zuiver worden bediend en dat geen valsche godsdienst wordt geduld (custodia utriusque tabulae). Maar al is het waar, dat de kerk de wetten der overheid heeft te erkennen en haar als dienaresse Gods heeft te eeren, de overheid mag nooit ingrijpen in het recht der kerk en haar geen wetten opleggen, die in strijd zijn met haar karakter als kerk van Christus. Kerk en staat hebben beide een eigen levensterrein, waarop beide als dienares Gods optreden, en daarom missen beide het recht in elkanders erf te treden, en op elkanders leven dwang uit te oefenen.

Om die reden kan de gedachte van het Byzantijnsche recht, dat na Constantijn den Groote in zwang kwam, en dat door de Remonstranten, en de voorstanders van het territoriale kerkrecht is ontwikkeld, waarbij de kerk aan de wereldlijke macht werd onderworpen en de kerk niet meer was dan eene vereeniging in den staat, en het kerkrecht is een deel van de rechtswetenschap, onder den vorm van het privaatrecht5), niet genoeg worden afgekeurd.

De reden, waarom het kerkrecht veelal tot de juridische wetenschap gerekend wordt, hangt samen met de geschiedenis van het kerkrecht. Oorspronkelijk was de kerk geheel vrij en kon zij naar eigen beginselen haar recht ontwikkelen, maar in de vierde eeuw werd zij staatskerk; de Christelijke godsdienst trad in de plaats van den ouden staatscultus,


1) Otto, Ev. Prakt. Theologie, Gotha 1870, II 259.
2) Bluntschli, Psychol. Studien, S. 37.
3) W. Kahl, Lehrsystem des Kirchenrechts, Einl. § 1.
4) Mejer, Die Grundlagen des lutherischen Kirchenregiments, 1864.
5) Vergelijk de juridische Encyclopaedieën van Wenck (1810), Friedlander (1847), Falck (1851), Arndt von Amesberg (1871); Krug, Das Kirchenrecht nach Grundsätzen der Vernunft, 1864.

|12|

de kerk kreeg allerlei voorrechten: bescherming en verzorging, doch nu eischte de staat ook voor zich op het bestuur over en de zeggenschap in de kerk. De ware katholiciteit, het geestelijk karakter en de vrijheid der kerk ging te loor. Als deel van den staat werd de kerk eene politieke instelling, eene rijkskerk.

Later ontwikkelde zich het canonieke recht, of de systematische behandeling van de canones der kerk. Het woord canon beteekent: regel, wet. Een canon der kerk is een regel, die geldt voor de kerk. De oude kerk beschouwde heel het leven vanuit het gezichtspunt van het Woord en de wet Gods, die de regel of de canon was voor geloof en leven, en daarom waren ook de rechtsregelen, door de kerk opgesteld, uit religieuse gronden verbindend. De canones der kerk zijn allengs ontstaan. Op de onderscheidene kerkvergaderingen hielden de vaders der kerk zich bezig met kwesties, niet alleen van theologischen aard, maar ook met zaken, die de orde en de tucht, benevens het burgerlijke en het maatschappelijke leven raakten. Uit den aard der zaak scheidde men niet, ook zelfs niet in de terminologie, tusschen decreten of dogmatische leeringen en tusschen canones of rechts­regelen. In beide gevallen gaf toch het Woord Gods den toon aan; wanneer in betrekking tot het maatschappelijke en het burgerlijke leven het Romeinsche recht niet bevredigde, stelden de concilies canones op, die, in afwijking van het Romeinsche recht, de gedachten vertolkten, welke zij omtrent bepaalde zaken in de Schrift meenden te vinden. Voor alle mogelijke kwesties, van privaat-, straf-, wissel­- en handelsrecht zocht men de beginselen in Gods Woord en in de traditie. Zoo ontwikkelde zich naast het Romeinsche recht het canonieke recht. In de 12de tot de 14de eeuw werden de groote rechtsverzamelingen samengevat tot het corpus juris canonici, en dit wetboek had in de Middeleeuwen naast het burgerlijk Wetboek (Corpus juris civilis) gezag en was mede een bron voor het gemeene recht. Kwamen beide met elkander in tegenspraak, dan had het canonieke recht als het jongere de voorkeur. Dit canonieke recht werd aan de hoogescholen in de juridische faculteit onderwezen; om het te beoefenen moest men jurist zijn. Men achtte het voor de juristen wenschelijk in beide deelen van het recht te promoveeren, en gaf aan hen, die in het wereldlijk en canoniek recht gepromoveerd waren, den titel: juris utriusque doctor. Ditzelfde corpus juris cano­nici is nog steeds een wetboek voor de Roomsche kerk, en tevens een bron van het Luthersche kerkrecht1). De Reformatie heeft het canonieke recht niet aanvaard. Luther ijverde geweldig tegen de


1) Rud. Sohm, Kirchenrecht II, S. 59-130.

|13|

pauselijke decretalen en verbrandde ze tegelijk met den pauselijken banbul. Toch heeft het canonieke recht in Luthersche en in andere landen nog een betrekkelijk recht behouden. Naast het Romeinsche recht werd het canonieke recht beoefend en aan de hoogescholen onderwezen. In de moderne staten heeft het zijn beteekenis verloren, ofschoon het in sommige gevallen nog subsidiairen invloed heeft. En dewijl vele handboeken over het kerkrecht geschreven zijn door juristen, en het kerkrecht in Duitschland, Zwitserland, Engeland en elders over het algemeen door juristen beoefend wordt, leeft thans nog bij velen de meening, dat het kerkrecht eene juridische wetenschap is. Deze voorstelling is niet juist. Al is het wenschelijk, dat de juristen niet geheel onbekend zijn met de beginselen van het kerkrecht, de ge­dachte, dat het kerkrecht behoort bij de rechtswetenschap, vloeit voort uit een verkeerd begrip van de verhouding van kerk en staat. Principieel is het kerkrecht eene theologische wetenschap, omdat het tot inhoud heeft het recht, dat in de kerk geldt en gelden moet volgens de H. Schrift.

De kerk heeft een eigen leven en daarom een eigen recht, dat rust op het recht, door Christus, den Koning der kerk, gegeven. Zij behoeft niet door de overheid te worden erkend, om als kerk op te treden. Zij is er krachtens de beschikking van Christus en het leven des Geestes, die in haar woont. Daarom is elk pogen, om het kerkrecht op grond van het natuurrecht1) of het vereenigingsrecht2) te con­strueeren, verkeerd te noemen. Elke kerk moet voor haar institueering en ordening terug naar de H. Schrift. Wat in de Schrift niet gegrond is, kan het geweten niet binden. Elke kerk moet in de overtuiging staan, dat haar constitutie aan een hoogeren maatstaf beantwoordt. Alleen, indien zij overtuigd is kerk te zijn, zooals Christus die geïn­stituëerd heeft, kan zij ook de geestelijke macht, die in haar gelegd is, uitoefenen. Het recht van Christus is absoluut.

Wanneer dan de kerk optreedt in rechten, dient de overheid haar te behandelen naar haar eigen aard. Zeer zeker is de kerk geroepen het recht der overheid te erkennen, maar de overheid van haar kant mag nimmer hare autonomie en zelfstandigheid aantasten. De rechts­positie van de kerk in den staat, de verhouding van de kerk tot de overheid raakt ten deele de theologische en ten deele de juridische faculteit, en daarom moeten de theoloog en de jurist beiden in studie nemen, welke de positie van de kerk in den staat moet zijn. Maar wijl de kerk haar recht ontleent aan Christus, haar Koning, en zij


1) Grotius, Pufendorf, J.H. Böhmer en andere voorstanders van het territoriale stelsel.
2) Pfaff en de leeraren van het Collegialisme. Zoo ook Hinschius in Holtzendorffs Enzycl. d. Rechtswiss, 15 Aufl. 1859: „Kirchenrecht ist die Gesammtheit derjenigen Normen, welche die durch das Leben der Menschen in der äusseren kirchlichen Gemeinschaft hervorgerufenen Rechtsverhältnisse und Beziehungen regeln”.

|14|

naar het Woord van Christus een eigen leven bezit, dat zich uit­spreekt in hare belijdenis en in hare kerkinrichting, volgt hieruit, dat het kerkrecht is een theologische wetenschap.

Het kerkrecht rust op dogmatischen grondslag. Mag het Schrif­tuurlijke beginsel nimmer worden prijsgegeven, ook het dogmatische uitgangspunt mag nimmer verwaarloosd. De beoefenaar van het kerkrecht zou, indien hij de dogmatische ontwikkeling der kerk voorbijzag, de historie des heils en de leiding des Heiligen Geestes in de historie niet achten. Uitgaande van het dogma der kerk, trekt de canonicus het gebouw van het kerkrecht op. Hiermede wordt niet bedoeld, dat bij de uitwerking van de details en van de beginselen niet steeds op de H. Schrift moet worden teruggegrepen. Integendeel, dit moet bij elk punt geschieden. Maar dit neemt niet weg, dat het kerkrecht steeds zich moet aansluiten aan de historische ontwik­keling der leer, en op de basis van het dogma der kerk de rechts­beginselen, die in de kerk gelden en moeten gelden, behoort te ont­wikkelen en te systematiseren1).

Maar tot welk deel van de theologie behoort het kerkrecht? Veelal rekende men het kerkrecht tot de praktische theologie. Maar het wordt al meer ingezien, dat het begrip van de praktische vakken veel te ruim was. Wanneer men toch tot de praktische vakken rekent die vakken, die de christelijke praktijk regelen, dan omvat deze theologie veel meer dan men gewoon was er onder te doen vallen. Ook de exegese, de kennis van de H. Schrift, de ethiek, enz. raken zeer nauw de christelijke praktijk. De onderscheiding van theoretische en praktische vakken gaat ook niet op, wijl ook vele andere theolo­gische vakken hun bestemming hebben in de praktijk, en wijl ook de praktische theologie is een theoretische wetenschap2). Juist daarom heeft men gezien, dat, zal het vierde deel der theologische wetenschap een zelfstandige plaats innemen in het geheel der theologie, dit een eigen object moet hebben. Dit object vindt men in het ambt, door den koning der kerk ingesteld, en de vakken, die zich groepeeren om het ambt, noemt men de ambtelijke vakken of de diaconologische groep der theologische vakken.

De ambten zelve hebben hun oorsprong aan Christus te danken, en werken als organen, waarvan Christus zich bedient om zijne kerk in stand te houden en uit te breiden. Het instituut der kerk heeft een zichtbare en tastbare organisatie. Nu moet allereerst onderzocht worden naar de bestaanswijze van de kerk als instituut naar de H.


1) Dr A. Kuyper, Encyclopaedie der H. Godgeleerdheid III, 235.
2) Dr A. Kuyper, Encyclopaedie III, 183 v., 468 v.; Hagenbach, Encyclopaedie 1880, Leipzig, S. 376 v.

|15|

Schrift. Dat is het uitgangspunt van de ecclesiologische groep. Eerst moet de bestaanswijze van de kerk, haar bestaan zelf en hare in­richting vastgesteld zijn, en dan gaat men over tot de historie der kerk. Tot de bestaanswijze der kerk behoort het ambt, en de con­stitutie en de institutie van het ambt behooren thuis in het kerkrecht. Wanneer nu naar de Schrift vaststaat, dat en hoe de kerk bestaat, dat Christus ambten en ambtsdragers gewild heeft, en het doel, waartoe zij zijn ingesteld, kan de kunsttheorie der ambtelijke functiën en de beste wijze van de regeering der kerk door de ambtsdragers worden behandeld. Deze theorie der regeerkunst noemt men de Kybernetiek, en behoort tot de ambtelijke vakken. Het kerkrecht evenwel behoort tot de tweede groep der theologische vakken, de ecclesiologische groep, en heeft tot object de institutie, de inrichting en het recht, dat in de kerk geldt en gelden moet.

Bouwman, H. (1928) § 3

§ 3. De bronnen van het kerkrecht.

Het kerkrecht is het recht, dat in de kerken gelden moet. Daar­uit volgt, dat de bron van het kerkrecht is de wil van den Koning der kerk. Hij heeft zijne kerk op aarde gesticht en voor haar levensregelen gegeven. Dit erkennen al de kerken. Maar omdat de beschouwing over de openbaring verschillend is, en onder­scheidene invloeden van buiten op de ontwikkeling en formuleering van het kerkrecht gewerkt hebben, is het oordeel over de bronnen van het kerkrecht niet gelijk.

A. De Grieksche kerk neemt een drietal rechtsbronnen aan: a. fundamenteele of canonische, b. historische en c. praktische.

Tot de eerste kategorie behooren de H. Schrift en de traditie, de voor de geheele kerk aangenomene canones en de kerkelijke statuten, die betrekking hebben op de geheele kerk of op hare bijzondere inrichtingen. Tot de historische bronnen rekent de Grieksche kerk de wettelijke voorschriften der kerk, die niet in de fundamenteele verzameling der canones zijn opgenomen, de staatswetten, die de kerk raken, enz.; terwijl tot de praktische bronnen behooren de verordeningen, die in de afzonderlijke kerken gelden.

a. Fundamenteele of canonische bronnen. Christus heeft aan de kerk op aarde geen verzameling van wetten nagelaten, maar heeft beginselen gesteld, op welker grondslag de kerk zich heeft georganiseerd en haar leven ontwikkeld, en op deze beginselen berust het kerkrecht. Deze geboden, in het N. Testament opgeteekend, zijn bindend voor

|16|

de geheele kerk. Tot deze geboden behooren de voorschriften, door Christus zelf bevolen, over het ambt, de sacramenten, enz., en de verordeningen, die de apostelen op grond van de autoriteit, door Christus hun verleend, hebben gegeven. Ook het O. Testament is een bron voor het kerkrecht, behalve de Mozaïsche wetgeving, inzoover deze slechts voor Israël gold, en geen algemeen geldende moreele bepalingen bevatte.

Naast de H. Schrift geldt ook de traditie als rechtsbron voor de Grieksche kerk.1) De Stichter der kerk zelf heeft de beginselen van de leer en het recht der kerk gegeven, welke door de georganiseerde kerk onder leiding van het ambt zijn bekend gemaakt, en de apostelen hebben omtrent de organisatie mondelinge bepalingen verordend (2 Tim. 1: 13; 2: 2; 1 Cor. 11: 2, 34; 2 Thess. 2: 15; 3: 6; 1 Tim. 3: 14, 15; Tit. 1: 5), welke in de kerken, door de apostelen gesticht, in gebruik kwamen en door de onafgebrokene traditie van de ambtsdragers werden overgeleverd. De 21ste kanon van Gangra (340) bepaalt, dat „in de kerk al datgene moet worden onderhouden, wat haar door de H. Schrift en door de apostolische traditie werd overgeleverd”.2) Als testes traditionis worden vooral de oecumenische concilies beschouwd, waarvan de Grieksche kerk er zeven aanneemt, en de rechtzinnige kerkvaders.

Daarom behoort in de derde plaats tot de fundamenteele bronnen de kerkelijke wetgeving. De Grieksche kerk gelooft εἰς τὴν ἐκκλησίαν, of zooals de Conf. Orth. K. I 169 zegt: in traditas divinitus sacras illius scripturae et inspirata a Deo dogmata. De macht der kerk concentreert zich in de vergadering van de voorgangers der kerk. De hoogste wetgevende macht is in handen van de algemeene concilies, die voor de geheele kerk, en van de provinciale concilies, die voor de provinciën bindende canones vaststellen. In de fundamenteele verzamelingen van de canones zijn, behalve de besluiten der kerk­vergaderingen, ook de zendbrieven van de rechtzinnige kerkvaders opgenomen, welke laatste genoemd worden κανονικαὶ ἐπιστολαί terwijl de door de kerkvaders op vragen gegeven antwoorden κανονικαὶ ἀποκρίσεις ook bindende kracht bezitten.3)


1) In den Russischen Catechismus wordt gevraagd (Inl. 3): „Op welke wijze wordt de goddelijke openbaring verbreid onder de menschen en in de ware kerk zuiver be­waard? Op tweeërlei wijze: Door middel van de heilige overlevering en de H. Schrift.”
2) Hefele, Conc. Gesch. I, 789.
3) De eerste systematische verzameling van canones in de Oostersche kerk is in de eerste jaren der zesde eeuw vervaardigd. De tweede verzameling werd vervaardigd door Johannes Scholasticus (priester en apokrisarius van Antiochië’s kerk in Constantinopel en later aldaar patriarch, 566-577) ongeveer 550. Dit boek bevat in 50 titels de cano­nes, die in de eerste verzameling 60 titels innamen, terwijl hij nog 68 canones van Basilius hieraan toevoegde. Spoedig na Justinianus verscheen eene andere verzame­ling, de Nomokanon in L titels, die het vorige werk ten grondslag legde, en daaraan ➝

|17|

b. De historische bronnen. Hiertoe worden gerekend allereerst het gewoonterecht. Vele gebruiken en regelen in het kerkelijk leven hebben in den loop des tijds naast de kerkelijke wetten beteekenis en gezag gekregen. Meermalen is door de algemeene concilies uitgesproken, dat in bepaalde gevallen de gewoonte moet worden gevolgd.1) Men beroept zich hiervoor o.a. op Tertullianus, die zegt:2) „Wanneer iets, wat niet opgeteekend is, overal onderhouden wordt, wijst dit op eene vaste gewoonte, welke berust op eene traditie.” „Hier geldt de traditie als grondslag, de gewoonte als bevestiging en het geloof als wachter.” De door de gewoonte bevestigde en door het geloof gewaarborgde traditie gold in de oude kerk, naast de geschreven bepalingen, als wet, en diende als bron en grondslag van het kerkrecht. In het geval van twijfel over de geldigheid van een door de wet niet bekrachtigde gewoonte beslist de kerkelijke autoriteit zelfstandig, of zoo eene zaak mede het staatsleven raakt in verband met de staatsmacht.

In de tweede plaats behooren tot de historische bronnen de wereldlijke wetten. Toen de Romeinsche keizer de kerk als staatskerk erkende, heeft de kerk van haar zijde alle staatswetten, ook die van de heidensche romeinsche keizers, welke niet met het geloof der kerk in strijd waren, aangenomen. Later heeft de kerk aan de overheid toe­gestaan ook voor het kerkelijk leven wetten uit te vaardigen. Door het opnemen van deze wetten in de verzameling der canones, werden ze gecanoniseerd en golden zij als bronnen voor het kerkrecht. Indien er echter conflict ontstaat tusschen de kerkelijke canones en de staatswetten, dan bezitten de canones meerdere kracht dan de staats­wetten, want de canones hebben, door de heilige vaders en de keizers vastgesteld, dezelfde kracht als de H. Schrift, terwijl de staatswetten slechts door de keizers zijn uitgevaardigd.3) Dit beginsel is ook thans nog in de Grieksch-Oostersche kerk van kracht. De kerk erkent nog de staatsmacht als orgaan voor de kerkelijke wetgeving, terwijl hierbij wordt verondersteld, dat de overheid principiëel alle kerkelijke wetten als geldig erkent.

Naast de genoemde bronnen moet nog eene hulpbron van beteekenis genoemd worden: de werken van de in vragen van het kerkrecht ervarene en als autoriteit geldende canonici, als Theodorus Balsamon,


➝ wereldlijke wetten toevoegde. Als vervaardiger wordt ten onrechte genoemd Johannes Scholasticus; de eigenlijke bewerker is onbekend. Nog is er een verzameling: de Nomokanon in 14 titels, vroeger aan Photius toegeschreven, maar werkelijk in de 7e eeuw ontstaan en in 883 omgewerkt. Al de bronnen en verzamelingen van het Canonieke recht der orthodox-Oostersche kerk zijn vereenigd in het Syntagma van Rhallis, in de jaren 1852-1859 in zes deelen te Athene uitgegeven. Dit Atheensche Syntagma is de officiëel algemeen kerkelijke verzameling van Canones. cf. N. Milasch, Das Kirchenrecht der Morgenländischen Kirchen, Mostar, 1905, S. 200.
1) Milasch, Das Kirchenrecht, S. 48.
2) De Canone militis, c. 3.
3) Balsamon in Nomokanon, Titel I, c. 3.

|18|

die in de twaalfde eeuw een commentaar schreef op Nomokanon; Petrus Chartophylax, die in de elfde eeuw leeraar was; Elias van Creta, die in de achtste eeuw geleefd heeft; Nicolaus Chartophylax, die in de twaalfde eeuw bisschop der Maronieten en later van Thessalonica was; Nicephorus, die in de 13de eeuw bloeide; Johannes van Citrus, die in de 12de eeuw bisschop van Citrus was, en Demetrius Chomatenus, die in het begin van de 13de eeuw bisschop van Bulgarije was.

c. De praktische bronnen. Naast genoemde bronnen, die voor de geheele kerk gelden, zijn de bijzondere bronnen, welke voor een bepaalde kerk, in hare verhouding tot den staat of met betrekking tot haar inrichting en bestuur, den regel aangeven. Deze kerken zijn die van Constantinopel, Alexandrië, Antiochië, Jeruzalem, Cyprus, Rusland, Karlowitz, van den berg Sinai, Montenegro en Griekenland, Hermannstadt, Bulgarije, Bukowina en Dalmatië, Servië en Roemenië.

B. De Roomsch Katholieke kerk onderscheidt tusschen tweeërlei bronnen van het kerkrecht: materieele en formeele bronnen.1) Onder de formeele bronnen worden gerekend de rechtsverzamelingen, terwijl onder de materieele rechtsbronnen in aanmerking komt God zelf, zooals Hij zijnen wil aan den mensch bekend gemaakt heeft, onmiddellijk door de openbaring of de natuur, of middellijk door de kerk.

1. De materieele bronnen kunnen verdeeld worden in twee deelen: de goddelijke en de kerkelijke. a. De goddelijke wetgeving grondt zich in de natuur en de open­baring, en wordt onderscheiden in het natuurrecht en in het positief goddelijke recht.

Het natuurrecht is een bron van het kerkrecht, grondslag en richt­snoer van het positieve recht. De onveranderlijke wet, dat de mensch van nature de dingen doet, die der wet zijn, is hem bij de schepping in het hart gelegd.2) Dat recht wordt door de rede van den mensch, in zoover deze niet door de zonde verduisterd is, gekend, en daarom bezit het natuurrecht in en uit zich zelf reeds verbindende kracht, en het behoeft niet door eene positieve wet te worden bekrachtigd. Volgens Rome is de toestand, waarin de mensch na den zondeval geboren wordt, volkomen gelijk aan dien van Adam vóór den zonde­val, zonder het donum superadditum. De menschelijke natuur is door de zonde niet volkomen verdorven, maar alleen verzwakt, en de mensch bezit ook nu nog zonder de bovennatuurlijke genade niet


1) Ph. Schneider, Die Lehre von den Kirchenrechtsquellen, 1892; v. Moy, Natur­recht und Gewohnheitsrecht als Quelle des Kirchenrechts, im Arch. f. Kirchenrecht, I, 65; Phillips, Kirchenrecht, 3 Bd., S. 593-612; Cathrein Recht, Naturrecht und positives Recht, 1909; Dr Franz Heiner, Katholisches Kirchenrecht, Pad. I, 3, 12.
2) Thomas van Aquino zegt (de duob. praecept. charit. c. l): Lex naturae nihil aliud est nisi lumen intellectus insitum nobis a Deo, per quod cognoscimus, quid agendum et quid vitandum.

|19|

alleen het physische, maar ook het zedelijke vermogen door de krachten der natuur alleen, zooals zij door de concursus universalis bewogen en door de algemeene providentie geleid wordt, natuurlijke religieuse en zedelijke waarheden te erkennen en natuurlijke goede werken te verrichten.1) Het natuurrecht is dus volgens Rome een bron voor het kerkrecht, niet omdat het eigenlijk geformuleerde rechtsbepalingen bevat, maar omdat het is een ingeschapen rechtsbesef, dat door de rede onmiddellijk gekend wordt, en altijd en overal moet dienen tot fundament van het handelen, uit welk beginsel de mensch zin heeft voor orde en tucht, en gedrongen wordt tot het opstellen van de rechtsbeginselen. Hiertegen merken wij echter op dat, al steunt elk recht op het ingescha­pen Godsbesef, het onjuist is dat het natuurrecht is een zelfstandige bron voor het kerkrecht, wijl wij de kerk en het recht van Christus, den Koning der kerk, niet kennen uit de natuur, maar uit de H. Schrift.

De tweede bron van de goddelijke wetgeving is de openbaring Gods in de H. Schrift en in de traditie. Uit de H. Schrift en uit de traditie ontleent de kerk, in welke de Godmensch zijne leer heeft neergelegd, door het onfeilbaar ambt de rechtsbeginselen, die, omdat zij hunnen oorsprong hebben in den onveranderlijken wil van God, de onom­stootelijke grondwet vormen van de kerk. Daarom zijn de H. Schriften en de traditie de fundamenteele bronnen van het kerkrecht.

Om dit recht te verstaan, moet men wel in acht nemen, dat er bij Rome een tegenstelling is tusschen de natuur en de openbaring. De natuurlijke religie is essentiëel verschillend van de bovennatuurlijke religie. De mensch in zijn natuurstaat, zonder de bovennatuurlijke genade, is wel zondeloos en kan wel de waarheid en het recht kennen, maar heeft slechts een natuurlijke religie en deugd en heeft zijne bestemming alleen voor deze aarde, maar de genade Gods verheft den mensch boven de gewone natuurorde. In de kerk leeft de God­mensch voort, en werkt door het ambt de genade in de afzonderlijke menschen. En wijl het christelijke en het kerkelijke samenvallen, moet de kerk heerschen over het natuurlijke, en het verheffen tot den staat der genade, het wijden en tot de bestemming brengen. Met dit beginsel hangt samen, dat de H. Schrift niet noodzakelijk is tot zaligheid. De kerk gaat temporeel en logisch aan de Schrift vooraf. In haar woont en werkt Christus, de Godmensch, en uit haar is de H. Schrift geboren. De kerk stelt de authentie, de integriteit, de canoniciteit en het gezag van de Schrift vast. De Schrift is niet absoluut noodig, maar tot bevestiging en steun van de traditie goed. Feitelijk wordt bij Rome de Schrift afhankelijk van de kerk.


1) Dr J.B. Heinrich, Lehrb. d. Kathol. Dogmatik II, 511; Thomas, Summa Theol., 2, 2, 9, 10 a, 4 c.

|20|

„De H. Schrift”, zoo zegt Heinrich1), „is een bij de levende traditie bijgekomen overleveringsmiddel van de geopenbaarde waarheden, dat onafhankelijk van de traditie niet kan bestaan, Maar veelmeer tot bevestiging, tot de zuivere uitlegging en voltooiïng haar steeds noodig heeft”. Evenwel erkent de Roomsche kerk de H. Schrift naast de traditie als een bron der leer en des rechts, omdat God, hoewel de traditie voor de kerk absoluut voldoende is tot het behoud van de waarheid, bij de overlevering nog de H. Schrift gevoegd heeft als een schat der waarheid, die de kerk moet bewaren. In de Schrift leert de kerk den onveranderlijken wil Gods, ook voor de constitutie en de institutie der kerk.

b. De kerkelijke wetgeving. Christus heeft, volgens de Roomsche kerk, een onfeilbaar kerkelijk leerambt ingesteld, en de paus als hoofd der kerk bezit de hoogste wetgevende, rechterlijke en besturende macht, die zich uitstrekt over geheel de kerk, en waarin hij van geen enkele macht op aarde afhankelijk is. Met hare publicatie ontvangen de wetten van den paus rechts-kracht voor alle geloovigen. Slechts in het goddelijke recht heeft de pauselijke wetgeving een grens, en de bestaande wetgeving heeft zoolang rechtsgeldigheid, als zij niet door een tegenovergestelde wet uitdrukkelijk opgeheven is. Derhalve is de paus de eerste en de eigenlijke, zij het dan ook niet de eenige, bron, zoowel van het gemeene, als van het bijzondere recht in de kerk.2)

Voor de rechtsgeldigheid van eene pauselijke wet is noodig, a. dat zij uitdrukking is van den pauselijken wil, wijl alleen hij, die in het bezit is van de hoogste leiding en regeering in de kerk, wetten mag geven; b. dat zij tot object heeft de kerk en kerkelijke zaken. Een wet, die deze grens overschrijdt en zuiver wereldlijke aangelegen­heden bedoelt, is in zich nietig en mag niet worden gehoorzaamd; c. dat de wet geen terugwerkende kracht bezit, maar bedoelt een norm voor een toekomstige handeling te zijn, volgens den regel: lex non respicit retro; d. dat zij wettig is afgekondigd. Leges instituuntur, cum promulgantur. De paus geeft als het hoofd der christenheid bindende wetten voor alle christenen. Alle gedoopten zijn, volgens Rome’s leer, aan de macht van den paus onderworpen, ook de ketters en de haeretici, wijl zij door den doop leden der kerk geworden zijn en aan de kerkelijke macht onderworpen, inzoover de paus niet uit­drukkelijk daarvan heeft vrijgesteld, zooals b.v. paus Pius X in het decreet „Ne temere” van Aug. 1907, met betrekking tot de huwelijken van de protestanten onder elkander, heeft gedaan. Niet verplicht zijn de pauselijke wet op te volgen: allen, die de beschikking over het


1) Lehrbuch der Katholischen Dogmatik, Mainz 1898, I, 52.
2) Heiner, Kath. Kirchenrecht, Paderborn 1912, I, 18.

|21|

ver­stand missen, kinderen beneden den leeftijd van zeven jaren en krankzinnigen.

De uitlegging van eene kerkelijke wet berust bij den wetgever zelf. De wetten verliezen haar kracht, in het algemeen, wanneer de grond of het doel van de uitvaardiging eener wet geheel verdwenen is, volgens den regel: cessat causa, cessat effectus, of wanneer eene wet herroepen is of een nieuwe wet daarvoor in de plaats is ge­komen, of wanneer in bepaalde gevallen dispensatie gegeven wordt, of door irritatie, d.i. door de uitdrukkelijke verklaring van een hoogere overheid, dat eene wet, door een lagere overheid gegeven, niet meer bindt.

Naast de genoemde algemeene pauselijke wetten of constitutiones; die als leges generales het jus commune vormen, heeft de Roomsche kerk pauselijke rescripten, namelijk pauselijke besluiten, die in een bepaald geval gegeven worden. Een rescript is een pauselijk ant­woord in een bepaald rechtsgeval, hem ter beslissing voorgelegd.

De pauselijke besluiten dragen in verband met het voorwerp, waarover de beslissing loopt, een bepaalden vorm, en verschijnen, in verband met de beteekenis van het object, in den vorm van bullen, breves of litterae apostolicae.

Een bul is eene pauselijke verordening, in zaken van groote be­teekenis uitgevaardigd, welke vorm van kerkelijke wetgeving thans nog alleen gebruikt wordt bij het verleenen, het oprichten en het verdeelen van hoogere beneficiën, en voor andere plechtige acten en besluiten van den pauselijken stoel. De bullen beginnen met den naam van den paus, met bijvoeging van het praedicaat: Servus servorum Dei; dan volgt de begroetingsformule: Dilecto filio salu­tem et Apostolicam Benedictionem. Vervolgens wordt de aanlei­ding of reden voor de uitvaardiging van de bul aangegeven. Naar de beginwoorden van deze formule wordt de bul geciteerd, b.v. „In Coena Domini” (de avondmaalsbul van Urbanus V), „Unam Sanctam” (van Bonifacius VIII). De bul eindigt met een drievoudig Amen. De bullen worden in de pauselijke kanselarij, op donker­kleurig perkament, met witte voorzijde, vroeger in Gothisch, thans in Latijnsch schrift, uitgevaardigd, voorzien van een zegel (bulla) van lood, soms ook van zilver en goud, dat met een zijden of touwen koord aan de oorkonde is bevestigd, en waarop sedert Gregorius VII de hoofden van de apostelen Petrus en Paulus zijn afgebeeld, met de inscriptie S.P.E. (sanctus Petrus episcopus) en S.P.A. (sanctus Paulus apostolus), terwijl de naam en soms ook het wapen van den regeerenden paus op de andere zijde is ingedrukt. Oorspronkelijk beteekende bulla een houten of metalen omhulsel, dat het zegel, uit

|22|

was bestaande, omsloot. Later, toen in plaats van was lood gebruikt werd, ging de naam „bul” van het zegel op de oorkonde over. De paus onderteekent de bul midden onder den tekst met de woorden Ego, en den titel: Cath. ecclesiae Episcopus, S.S. (subscripsit). Ge­wichtige bullen, welke in het consistorie van kardinalen zijn opge­steld, en daarom bullae consistoriales genoemd worden, worden door den paus en de kardinalen onderteekend. Indien de bullen niet in den raad der kardinalen besproken worden, heeten zij bullae non consistoriales. Bullae dimidiae zijn de zoodanige, welke een nieuw­gekozen paus vóór zijn kroning uitvaardigt, en bij welke die zijde van het zegel, waar gewoonlijk de naam van den paus staat, ledig blijft. De bul krijgt rechtskracht niet door de onderteekening, maar door de afkondiging, welke te Rome geschiedt door ze aan te plakken aan de deuren van de St. Pieterskerk, van de Lateraankerk en op andere plaatsen.

Een verzameling van bullen wordt bullarium genoemd.

Een breve (litterae breves, brevia) is eene pauselijke verordening, op minder plechtige wijze uitgevaardigd dan een bul. Zij wordt ge­schreven op wit perkament of papier, en door den paus, zonder het college van kardinalen te raadplegen, aan aartsbisschoppen en bis­schoppen gezonden. Zij draagt de onderteekening van den kardinaal­kanselier (secretarius brevium), benevens het pauselijke zegel, dat het beeld van Petrus in de visschersboot, het net optrekkend, bevat, en daarboven den naam van den paus. Na den dood van een paus wordt dit zegel vernietigd, terwijl zijn opvolger een nieuw zegel laat vervaardigen.

Van de voorgaande besluiten zijn naar den vorm onderscheiden de zoogenoemde Motus proprii, directe pauselijke bekendmakingen, welke door den paus onderteekend en niet gezegeld worden.

Litterae apostolicae of apostolische brieven zijn stukken, op last van den paus uitgevaardigd en door zijn secretaris onderteekend. In onderscheiding hiervan worden de apostolische brieven, door den paus zelf onderteekend, genoemd: Chirographa. Encyclieken (Ency­clicae litterae) noemt men de gedrukte pauselijke brieven aan de bisschoppen in alle landen.

Tot de kerkelijke wetgeving behooren ook de besluiten der alge­meene conciliën, die rechtskracht verkrijgen door de sanctie van den paus. Gewoonlijk rekent men tot de oecumenische synoden de volgende twee en twintig: Nicaea (325); 1e Constantinopel (381); Efeze (431); Chalcedon (451); 2e Constantinopel (553); 3e Constantinopel (680); Nicaea (787); 4e Constantinopel (869); Het eerste Lateraansche Con­cilie (1123); Het 2e Lat. Conc. (1139); Het 3e Lat. Conc. (1179); Het

|23|

4e Lat. Conc. (1215); De eerste Syn. van Lyon (1245); De 2e Syn. van Lyon (1274); Vienne (1311); Pisa (1404); Constanz (1414-1418); Bazel (1431-33); Florence (1439); Het 5e Lat. Concilie (1512); Trente (1545-1563); Het Vaticaansche Concilie (1869-70). De Synoden van Pisa, Constanz, Bazel, Florence en het vijfde Lateraansche worden door velen niet als algemeene conciliën erkend, doch de Roomsche kerk heeft alleen de synode van Pisa (1404) nimmer onder de alge­meene synoden opgenomen.1) De eerste 8 oecumenische synoden werden allen bekrachtigd door den keizer, maar de bekrachtiging dezer synoden door den Roomschen bisschop is niet zoo duidelijk aan te tonen.2) Bij de latere algemeene synoden was de invloed van den paus zeer groot. Niet zelden presideerden de pausen persoon­lijk, en gaven, zooals bij de 9e, 10e en 11e, mondeling hun approbatie, terwijl ook al de volgende de pauselijke goedkeuring ontvingen. De superioriteit van den paus boven de algemeene concilies is meer­malen bestreden. Doch evenals de investituurstrijd in de 11e tot de 14e eeuw eindigde met de vrijheid en zelfstandigheid van de pause­lijke macht in de kerk boven de wereldlijke, zoo ook is het zoo­genoemde bisschoppelijke systeem, dat in de 14e en 15e eeuw de macht der concilies verhief boven die van den paus, door het vijfde Lateraansche concilie veroordeeld, en paus Leo X heeft zonder tegenspraak te vinden, onomwonden de verhevenheid van het paus­dom boven alle concilies uitgesproken. Sedert het Vaticanum (1870) is het beslist, dat het concilie niet boven den paus staat. Het wordt wel door den paus samengeroepen, en ontvangt voor zijn besluiten de pauselijke bevestiging en rechtskracht, maar toch heeft het als representatie van de ecclesia universalis een eigen onfeilbaarheid. Het doet dienst om eene kathedrale beslissing van den paus met een bijzonderen nimbus te omgeven, opdat deze te spoediger en te gemakkelijker algemeene erkenning erlangt.3)

De besluiten der algemeene synoden, zoowel de dogmatische als disciplinaire bepalingen binden de geheele kerk. Evenwel kunnen de disciplinaire bepalingen steeds worden herzien, zijn onderworpen aan de latere kerkelijke wetgeving en het gewoonterecht, en kunnen door het concilie tot bepaalde deelen van de kerk worden beperkt.

De meest volledige verzameling van de besluiten der conciliën is die van Mansi, Sacrorum conciliorum nova et amplissima collectio, Flor et Veneti 1759-98, 31 vol. De nieuwste is het meesterwerk van


1) Hefele, Conciliengeschichte, I, 68; Bellarminus, de Concil. lib. I, c. 8.
2) Hefele, Conc. Gesch. I, 46; Hinschius, Kirchenrecht, 3e Bd., 603.
3) K.K.L.2, III, 799 f. Art. Concil; Kattenbusch, R.E.3, 17, Art. Römische Kirche; Friedrich, Gesch. d. Vatic. Conc. 3, 17.

|24|

Hefele, Conciliengeschichte, Freiburg, in eersten druk begonnen 1855, na zijn dood voortgezet door Kard. v. Hergenröther, 9 dln.

Het gewoonterecht (jus consuetudinis) heeft in de Roomsche kerk dezelfde beteekenis als het geschreven recht. De gewoonte of het gebruik stelt op zichzelf nog niet het recht, maar eerst dan, wanneer de bevoegde kerkelijke autoriteit daarvoor uitdrukkelijk of stilzwijgend toestemming geeft.

Het canonieke recht stelt voor het gewoonterecht dezelfde eischen als het Romeinsche recht1). De gewoonte moet:
α. rationabilis zijn, d.i. zij mag niet zijn tegen de waarheid en het goddelijke recht, niet tegen het katholieke geloof, en tegen het recht der kerk.
β. leven in een bepaalde uitgestrekte gemeenschap, in de kerk van een bepaalde streek, of provincie of land, of in de geheele kerk.
γ. opinione juris sive necessitatis servata zijn, gegrond in de overtuiging, dat men zoo en niet anders mag handelen.
δ. tenaciter servata zijn. De gewoonte moet een geruimen tijd achtereen onafgebroken geleefd hebben en een rechtsbewustzijn hebben gecreëerd. Hoe lang zulk een beginsel moet toegepast zijn, om in een bepaald geval tot een gewoonterecht te besluiten, hangt af van de overtuiging van den rechter, evenals in het Romeinsche recht. Hoe vaker de handelingen plaats grepen, en hoe uitnemender van be­teekenis en positie de personen waren, des te eer zal een rechter tot het gewoonterecht besluiten.

Het gewoonterecht wordt opgeheven door eene bepaalde wet, die een zekere gewoonte bestrijdt, door een uitdrukkelijke opheffing der gewoonte, en door een tegenover een bestaande gewoonte opgekomen nieuw gewoonterecht.

Tot de bijzondere kerkelijke rechtsbronnen behoorden vroeger de besluiten der nationale synoden, die onder de leiding der bisschoppen en onder voorzitting van den primus gehouden werden, en worden thans gerekend de besluiten van de Provinciale Synode2), nl. van de synode van eene kerkprovincie. Deze besluiten moeten met meerderheid van stemmen genomen zijn, en niet in strijd zijn met het jus com­mune, de algemeene kerkelijke wetgeving. Om die reden moeten de besluiten der Provinciale Synode, vóór ze door den metropoliet ge­publiceerd worden, eerst naar Rome ter goedkeuring worden gezonden.

De Bisschoppelijke Synoden geven verordeningen voor een bisdom.


1) Puchta, Das Gewohnheitsrecht, Erlangen 1827/38, II, 234; Heiner, Kath. Kirchen­recht, I, S. 39; Phillips, Kirchenrecht III, 681; Brie, Die Lehre vom Gewohnheits­recht I, 1899.
2) Feszler, Ueber Provinzialkonziliën und Diözesansynoden, 1849; Hering, Kirchen­recht, § 59.

|25|

De bisschop kan alleen of met hulp van het domkapittel of van den clerus in het bisdom herderlijke brieven of ordinariaats- of consisto­riaalmandaten en currenden uitvaardigen. Deze verordeningen mogen niet ingaan tegen de algemeen kerkelijke wet. Is het capittel niet gehoord, dan is de bisschoppelijke verordening niet krachteloos, doch de capittels kunnen zich beroepen op den paus. Opgeheven wordt eene bisschoppelijke verordening, behalve door den paus, slechts door den bisschop of door de vorming van een tegenovergesteld gewoonterecht.

De staatswetgeving kan in sommige gevallen als bron voor het kerkrecht worden beschouwd. Beiden, kerk en staat, zijn in oorsprong en doel en in de wijze van werkzaamheid onderscheiden. Een grond­stelling in de Roomsche kerk luidt: Non licuit laicos statuendi in ecclesia habere aliquam potestatem, quos obsequendi manet ecclesia, non autoritas imperandi.1) De wereldlijke wetgeving kan dus op zich zelve nimmer een formeele bron voor het kerkrecht zijn. Maar als de kerk uit het wereldlijke recht rechtsnormen of rechtsinstellingen overneemt, wordt het eene materiëele bron voor het kerkrecht. De Roomsche kerk heeft dit gedaan voor het geval dit voor de rechts­persoonlijkheid in de staatssfeer, voor het verkrijgen en bezitten van goederen, voor de uitoefening van burgerlijke rechten, noodig was. Zij approbeerde wel uitdrukkelijk die wetten, die de verhouding van kerk en staat regelden, privilegiën gaven aan de kerk, en aan de kerkelijke wetten burgerlijke rechtskracht verleenden, maar zij beschouwde deze toch nooit als eigenlijke kerkelijke wetten. Ook onderwerpt de kerk zich herhaaldelijk, om botsing met de overheid of om schade te ver­hoeden, aan de overheidswetten, die ook kerkelijke aangelegenheden regelen, maar steeds onder voorbehoud, dat zij niet in strijd zijn met de goddelijke en de kerkelijke regelen.2)

Ook de concordaten zijn als bronnen van het bijzondere kerkrecht van groote beteekenis. Een concordaat noemt men eene schriftelijk vastgestelde overeenkomst tusschen eene regeering en den paus over de rechten en de belangen der Roomsch katholieke kerk in den staat, waardoor de verhouding van de kerk tot den staat geregeld wordt.

Over het karakter van een concordaat is er verschil. Onderscheidene theorieën zijn opgesteld. De verdedigers van de privilegiëntheorie verklaren, dat de concordaten zijn privilegiën, die de paus aan den staat toekent, waaraan de wereldlijke regeering wel gebonden is, maar die door den paus steeds kunnen worden veranderd of opgeheven.


1) C. 1. D 96.
2) Dollinger, Kirche und Staat, Frankfurt a.M. 1848; Phil. Hergenröther, Der Ge­horsam gegen die weltliche Gewalt, und die Grenzen nach der Lehre der Kathol. Kirche, 1877; Vering, Kirchenrecht, Freiburg, 1880, § 61.

|26|

Deze meening is door paus Calixtus III in eenen brief aan Frederik III uitgesproken, met betrekking tot het Weener Concordaat van 14481) en door latere ultramontaansche schrijvers verdedigd.2) Een tegenovergesteld standpunt wordt ingenomen door de voor­standers van de legaattheorie3), die oordeelen, dat de staat alleen bevoegd is met de kerk een verdrag te sluiten, wijl de kerk aan den staat onderworpen is. Al worden de wederzijdsche gevoelens in een concordaat uitgedrukt, een concordaat verkrijgt eerst door de staats­wet verbindende kracht, en wel zoolang als het belang van den staat dit eischt. In het midden staat de verdragstheorie, die de concordaten als wezenlijke verdragen beschouwt, aan welke beide partijen gebonden zijn. De meeste canonici zijn dat laatste gevoelen toegedaan. Onge­twijfeld is dit laatste gevoelen juist. Hinschius merkt daartegen op,4) dat de kerk tegenover den staat zich niet verhoudt als een civitas, dat de kerk niet is rechtssubject, gelijkwaardig met den staat, en dat dus de staat de kerk niet kan erkennen als een volkenrechtelijk subject, maar dan ziet hij voorbij, dat de eeuwenoude praktijk steeds geweest is, dat de landsregeering den paus erkende als het hoofd der Roomsche kerk. Bij het sluiten van een concordaat wordt het verdrag niet gemaakt door de regeering van een land met den souverein van den kerkelijken staat, maar met den paus als hoofd van de Roomsch­-katholieke kerk. En wijl deze kerk georganiseerd is als een civitas, met een paus als zichtbaar hoofd, wordt door de regeering des lands, naar analogie van volkenrechtelijke verdragen, de overeenkomst ge­sloten met een vertegenwoordiger van het hoofd der kerk.5)

2. De formeele bronnen van het kerkrecht zijn de rechtsoorkonden of de verzamelingen der kerkelijke wetten. Hierover zal later bij de geschiedenis van het kerkrecht worden gehandeld.

C. De Luthersche kerk. Voor de kerken der Reformatie is de H. Schrift de eenige regel van geloof en leven. Luthers grondbeginsel is uitgedrukt in de stelling van de Articuli Schmalcaldici II, 2, 15 „Gottes Wort soll Artikel des Glaubens stellen, und sonst niemand, auch kein Engel”. De H. Schrift, als het Woord Gods, is de eenige zekere, maar ook volkomen genoegzame bron des geloofs, waaruit alle Christelijke heilswaarheden geput moeten worden. Zoo spreekt


1) Friedberg, Lehrb. d. Kirchenrechts, 1903, S. 54, 146.
2) O.a. Tarquini, Liberatore, Schmalzgrueber, Brühl.
3) O.a. Hinschius, Aegidé, Thudichum, Sohm, Hübler.
4) Bij Marquardsen I, 271.
5) C. Mirbt, R.E.3, 10, Art.Konkordate; Ph. Hergenröther, Wetzer und Weltes Kirchenlexicon 2, 3, Art. Konkordate; Vering, Lehrbuch des Kirchenrechts, § 62; E. Friedberg, Lehrb. d. Kirchenrechts, § 48; E. Friedberg, Die Grenzen zwischen Staat und Kirche, 3e Bd., Tüb. 1892; F.E. Schneider, Die rechtliche Natur der Verein­barungen zwischen Staat und Kirche, Diss. München, 1908; Duynstee, Kerk en Staat I, 156.

|27|

ook de Formula Concordiae: „Credimus, confitemur et docemus unicam regulam et normam, secundum quam omnia dogmata omnesque doctores aestimari et judicari oporteat, nullam omnino aliam esse, quam prophetica et apostolica scripta cum veteris tum novi testamenti, sicut scriptum est”, Ps. 119: 105, Gal. 1: 8, Epit. § 1. Daaruit volgt, dat Luther elke andere bindende autoriteit dan het Woord Gods verwerpt. Paus, concilie en kerkrecht moeten vallen, inzoover deze op een bindend goddelijke autoriteit aanspraak maken. Het Woord Gods was voor Luther inzonderheid de prediking van de openbaring Gods in Christus, die brengt tot het geloof en de rechtvaardiging. Wel moet de christen zijn geloof toonen uit de werken, en moet liefde grond zijn voor zijn handelen, maar hoezeer Luther de in het Woord gegeven voorschriften van beteekenis acht, hij ziet daarin niet het beslissend motief voor de wetgeving. De zedeleer der Luthersche kerk draagt meer een anthropologisch, subjectief karakter, die der Gereformeerde kerk meer een objectief karakter. Luther vreest voor werkheiligheid, Calvijn voor wetteloosheid. Beiden stellen een goede zijde op den voorgrond. Luther zegt: Al wat in Gods Woord niet verboden is, is geoorloofd. Menschengeboden zijn slechts in zoover verboden, als zij met Gods Woord niet bestaanbaar zijn. Luther heeft wel de wet Gods als regel voor het leven gewaardeerd, maar behield altoos een sterke neiging, het geloof een natuurlijken wasdom te laten, veronderstellend, dat door innerlijke drijfkracht des geloofs een leven zou openbaar worden, dat overeenstemde met de wet. De evangelische vrijheid paarde zich bij Luther niet genoegzaam aan den objectieven regel der wet. Hij ontkende het normatieve der wet niet, maar legde alleen tegen de antinomianen nadruk op dat normatieve. Calvijn legde sterker nadruk op de wet als norm des levens, Inst. IV, 10, Catech. vr. 91, Conf. Helvet. post. 12, 487. De religieuse gedachten der Schrift zijn normatief, maar de apostolische verorde­ningen rekent Luther niet voor normatief voor ’t kerkelijke leven, wijl zij voor een geheel anderen tijd gegeven zijn. Trouwens Luther had slechts in zoover belang bij de zichtbare kerk, als deze hem bood de zaligheid, door de bediening van Woord en sacrament. Bij deze kenteekenen der ware kerk blijft hij staan en het sociologisch element, dat de geloovigen in zich een drang kennen, om zich te vereenigen, en naar den wil van Christus zich te organiseeren, komt bij Luther niet tot zijn recht. Luther erkent niet, dat in het N. Testament een bepaalde kerk­vorm gegeven is. Evenwel houdt hij vast, dat de aan de kerk overgelaten inrichting moet gebouwd worden op den grondslag van het Woord.1)


1) Luther, Auslegung des 5, 6 u. 7 kap. Matth v. 1532, cf. Vogt in Stud. u. Krit. (55), 736; Karl Müller, Symbolik, S. 327.

|28|

Hiermede hangt samen wat Luther leerde van de regeering van Christus in de kerk. Karl Rieker heeft er terecht op gewezen,1) dat de gedachte, dat Christus het hoofd zijner kerk is, niet vreemd is aan het Luthersch Protestantisme, en dit ook niet kan zijn, omdat Christus herhaaldelijk in de H. Schrift zoo genoemd wordt. Maar in de Luthersche belijdenissen komt deze uitdrukking meermalen voor met het oog op de onzichtbare kerk, en tevens om aan te duiden, dat, omdat Christus het hoofd der kerk is, de paus niet jure divino zulk een plaats en waardigheid inneemt.2) Evenwel zou het princi­piëel niet ongeoorloofd zijn, dat de paus jure humano een superieure plaats had in de kerk, indien daardoor de vrede en de eenheid der kerk zou kunnen worden bevorderd, indien hij maar het Evangelie zijn vrijen loop liet.3) De Luthersche kerk is er volstrekt niet afkeerig van aan een mensch een hooge plaats in de kerk te geven, als maar deze positie niet op het jus divinum gegrond wordt, en niet tot onderdrukking van het Evangelie wordt gebruikt. Zelfs worden de vorsten in de Schmalkaldische Artikelen genoemd praecipua membra ecclesiae. Want wel regeert Christus de zichtbare kerk, maar zooals de dogmaticus Johann Gerhard zegt: Christus ecclesiam suam non regit immediate.4)

De bijzondere rechtsbronnen voor de Luthersche kerk zijn: 1º de belijdenisschriften der Luthersche kerk: de Augsburgsche Confessie van 1530 (in Hessen de Latijnsche uitgave van 1540), de Apologie van 1531, de Schmalkaldische Artikelen van 1537, de groote en kleine Catechismus van 1528 en 1529, en in sommige landskerken de Formula Concordiae van 1580. Zij bevatten echter geen bijzondere voorschriften voor het kerkrecht.

De Conclusa Corporis Evangelicorum.5) In 1555 was de hand­having van den vrede opgedragen aan de R. Katholieke en de Evan­gelische rijksstanden (Corpus Catholicorum et Evangelicorum). De besluiten door de Evangelische rijksstanden genomen en de wetten voor hunne territoriën hebben tot het krachteloos worden van het Corpus (1806) kracht van wet gehad, en zijn sedert vervangen door de nieuwe wetgeving. Zij hebben nog in zoover kracht als zij door de landswetgeving zijn overgenomen.

De landsheerlijke wetten. Van beteekenis zijn de Evangelische Kirchenordnungen van de 16e eeuw, die bij staatswet zijn


1) Rieker, Grundsätze der reformierten Kirchenverfassung, Leipzig 1899, S. 108.
2) Müller, Die symbol. Bücher, S. 152, 306, 457.
3) Onderschrift van Melanchton onder de Artic. Schmalcaldici, Müller, Die Symbol. Bücher, S. 326.
4) Loci theologici XIII, 272.
5) Rieker, Grundsätze, S. 67, 68; Schauroth, Volständige Sammlung aller Conclu­sorum des Corpus Evangelicorum, 3 Bde, 1751, 1752, fortgesetzt von Herrich, 1786.

|29|

afgekon­digd,1) terwijl ook de tegenwoordige Kirchenverfassungen ten deele berusten op eene staatswet, of bij staatswet zijn bekrachtigd.2)

D. De Gereformeerde kerken hebben steeds nadruk gelegd op de heerschappij van het Woord Gods in de kerk. Alleen die kerk­inrichting is de ware, die uit Gods Woord geput is en met de orde van de apostolische kerk in overeenstemming is. De Heilige Schrift is niet alleen normatief voor het persoonlijk religieuse leven in betrekking tot de zaligheid, maar voor heel het leven in al zijne deelen. Acht de Luthersche alles geoorloofd, wat God in zijn Woord niet verboden heeft, de Gereformeerde beperkt den kring van wat Gode welgevallig is, tot hetgeen God in de Schrift geboden of veroorloofd heeft. Goede werken zijn „die uit een waar geloof, naar de wet Gods, alleen Hem ter eere geschieden, en niet die op ons goeddunken of op menschen-inzettingen gegrond zijn”.3) Om die reden is beslissend bij de regeering der kerk niet, wat doelmatig is of historisch overgeleverd, maar wat de Heere in zijn Woord heeft geboden. Gods Woord is de eenige en genoegzame regel voor de regeering der kerk. In het vierde boek zijner Institutie van de christelijke religie zegt Calvijn bij het begin van het derde boek: Jam de ordine dicen­dum est, quo ecclesiam suam gubernari voluit Dominus4), en aan het begin van het vierde boek spreekt hij van eene ordo guber­nandae ecclesiae, ut nobis ex puro Dei verbo traditus est.5) In de Nederlandsche Geloofsbelijdenis heet het (Art. 30): „Wij gelooven, dat deze ware kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie, die ons onze Heere heeft geleerd in zijn Woord”, waarmede Art. 29 van de Fransche geloofsbelijdenis van 1559 overeenstemt. Vooral de oude Gereformeerde kerken van Schotland hebben de noodzakelijk­heid van het Schriftmatige der kerkregeering sterk doen uitkomen. Het Second Book of Discipline van de kerk van Schotland, er op wijzend, dat de kerkelijke macht komt van God en dat Christus is eenig Hoofd en Koning zijner kerk, zegt Chapt. I, 7: Therefore this power and policie of the Kirk sould leane upon the word immedi­atlie, as the onlie ground thereof, and sould be tane from the pure fountaines of the Scriptures, the kirk hearing the voyce of Christ


1) Richter, Die evangelischen Kirchenordnung in den 16 Jahrhundert, 2 Bde, 1846. E. Sehling, Die ev. Kirchenordnungen.
2) E. Friedberg, Lehrbuch d. kath. u. ev. Kirchenrechts, 1903, S. 198; E. Friedberg, Die geltenden Verfassunggesetze, Freiburg, 1885, dazu Ergänzungs-Bände, 1888, 1890, 1892. Fortsetzung in Deutsche Zeitschrift für Kirchenrecht, 3, 4.
3) Cat. Pal. vr. 91.
4) Nu moeten wij spreken van de orde naar en door welke de Heere gewild heeft, dat zijn kerk zou worden geregeerd.
5) Een wijze om de kerk te regeeren, gelijk deze ons door het zuivere woord van God is overgeleverd.

|30|

the onlie spirituall king, and being rewlit be his lawes.1) En de Form of Presbyterial Church Government van de Synode van Westminster wendt alle zorg en moeite aan, om het bewijs te leveren, dat de ge­heele presbyteriaansch-synodale orde in alle deelen schriftmatig is.2)

De Gereformeerden konden niet anders leeren, omdat zij overtuigd zijn, dat Christus is de Koning zijner kerk, die zijn Koningschap betoont door zijn volk te vergaderen, te beschermen, te regeeren en te leiden tot de eeuwige zaligheid. Christus is op grond van zijn werk als borg en middelaar geworden de Koning der gemeente (Matth. 28: 18; Fil. 2: 6-11), die zelf zijne gemeente regeert, en die, als het Hem behaagt daarvoor dienaren te gebruiken, nimmer iets van zijn gezag afstaat. Want Christus is een eeuwig Koning, die op aarde zijne koninklijke hoogheid uitoefent door zijn Geest en Woord. En alleen dan, wanneer de dienaren der kerk hem dienen, en handelen naar zijn Woord, kan hun woord gezag oefenen. Alleen de presentie van Christus maakt de heilige dingen reëel. Zonder de tegenwoordigheid van Christus in de kerk wordt elke handeling schijnvertoon. Daarom moet het ambt Christus dienen, in alles steunen op het Woord, zal het de goedkeuring van Christus verwerven en aanspraak kunnen maken op de gehoorzaamheid van het volk.

Om die reden hebben de Gereformeerden het corpus juris en al de wetboeken der Roomsche kerk ter zijde gesteld. Niet, omdat er niet veel goeds in was, maar omdat al die wetboeken daartoe mede­werkten, dat de geloovigen werden dienaars van menschen en afge­houden werden van den eenigen Koning der gemeente. En de Gere­formeerden hebben niet weder nieuwe wetboeken willen opstellen, maar als noodzakelijk uitgesproken, dat er zoo weinig mogelijk be­palingen in de kerk werden gesteld, opdat het Woord Gods niet werd verdonkerd, en de geloovigen zich in hunne conscientie niet door een anderen band zouden gebonden weten, dan door het woord Gods. Niet, dat het ongeoorloofd zou zijn, dat er practische regelingen getroffen werden voor het kerkelijke leven, maar deze mogen nooit een hindernis worden voor de doorwerking van het Koningsrecht van Christus. Bij elke actie der kerk moet de gemeente onder den indruk komen, dat gesproken en gehandeld wordt in den naam van Christus. Waar het Woord heerschappij heeft, daar komt de Christus­regeering, daar heerscht de vrijheid der kinderen Gods. Maar waar menschen in de kerk heerschappij uitoefenen, daar wordt de eer en de macht van Christus, als van den eenigen Heer der gemeente, geroofd. Want Christus is niet alleen hoofd van de onzichtbare, maar ook van


1) A Compendium of the laws of the Church of Scotland, Edinburgh, 1837, I, 124.
2) Neal History of the Puritans, II, 468, in Nederlandsche vertaling, Rott. 1753, II, 378.

|31|

de zichtbare kerk. En daarom, zoo belijdt de Nederlandsche Confessie (Art. 32), gelooven wij, „hoewel het nuttig en goed is, dat, die Regeerders der kerk zijn, onder zich zekere ordinantie instellen en bevestigen tot onderhouding van het lichaam der kerk, dat zij nochtans zich wel moeten wachten af te wijken van hetgeen ons Christus, onze eenige Meester, geordineerd heeft”.

Het gebouw van het kerkrecht rust dus op den grondslag van het Woord Gods. Het natuurrecht kan niet een bron voor het kerkrecht zijn. Want wel is „na den val in den mensch eenig licht der natuur nog overgebleven, waardoor hij behoudt eenige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tusschen hetgeen be­tamelijk en onbetamelijk is, en ook betoont eenige betrachting tot de deugd en tot uiterlijke tucht”, maar de kennis Gods is door den val en de boosheid der natuur zoo verdonkerd, en de wil is zoo be­dorven, dat de mensch uit zich zelve niet komen kan tot de rechte kennis en vreeze Gods. Eerst bij het licht van de bijzondere open­baring Gods leert hij God en goddelijke dingen recht verstaan.

Het recht der kerk is dus uitsluitend gebonden aan en gegrond in Gods Woord. Daarin ligt de bron van alle gezag en recht. Rome erkent ook het Woord Gods. Maar bij de vraag, of iets al of niet met Gods Woord in strijd is, wordt de beslissing gesteld in de handen van de geestelijkheid. De Gereformeerde kerken kennen geen onfeil­bare uitleggers van het Woord Gods. De bedienaren des Woords zijn ook leden der gemeente, die evenals al de leden der gemeente onderworpen zijn aan de kritiek van Gods Woord. Heel de kerk en al hare leden moeten zich richten naar Gods Woord. Geen gehoor­zaamheid aan eenige ordening kan worden gevraagd, dan wanneer die ordening rust op het Woord van God.

Om die reden is het Woord Gods de eenige bron van het kerkrecht. Er zijn wel hulpbronnen voor de kennis van het kerkrecht: de ker­kelijke belijdenis en liturgische geschriften, de bestaande kerken­ordeningen, de geschriften der canonici, maar deze zijn slechts bronnen voor het kerkrecht, omdat zij gegrond zijn in het Woord van God.

Bouwman, H. (1928) § 4

§ 4. Geschiedenis der behandeling van het kerkrecht.

De geschiedenis van de behandeling van het kerkrecht begint eerst in het midden van de twaalfde eeuw. De oudere wetenschap bestond slechts in eene verzameling van rechtsbronnen

|32|

en hare geschiedenis valt samen met die der rechtsbronnen.

In de eerste dagen der jeugdige kerk rustte het kerkelijke leven op de regelen, door Christus en de apostelen gegeven in de H. Schriften des N. Testaments. Doch reeds in de tweede eeuw stelde de kerk afzonderlijke regelingen op voor den cultus, de belijdenis en de kerk­inrichting. De oudste dezer regelingen, ons bekend, is de Διδαχὴ τῶν δώδεκα ἀποστόλων, door den metropoliet van Nicomedië, Bryennius, hervonden en in 1883 gepubliceerd. De Didache is een kerkelijk hand­boekje, dat naast moreele voorschriften ook bepalingen bevat over den cultus en de ambten in de gemeente. De tweede regeling is de Apostolische kerkorde (κάνονες ἐκκλησιαστικοὶ τῶν ἁγίων ἀποστόλων), eene verzameling van kerkelijke bepalingen, waarschijnlijk in de derde eeuw in Egypte ontstaan. De Didache was de grondslag van de Διδασκαλία τῶν ἀποστόλων, eene verzameling van kerkelijke bepalingen in den vorm van doorloopende leeringen der apostelen, over onder­werpen van leer, orde en tucht. Dit werk werd tegen het einde der vierde eeuw omgewerkt en aangevuld met liturgische formules tot de Constitutiones apostolorum, welke door de Westersche kerk als apocryph werden beschouwd en door de Synode van Trullos, 692, c. 2 als onecht werden verworpen. Aan dit werk werden als aan­hangsel van het achtste boek nog toegevoegd de in het begin der vijfde eeuw ontstane canones apostolorum, die den vorm dragen van de gewone canones der oude concilies. Deze canones werden door Dionysius Exiguus in het latijn vertaald, en aan het begin van zijne verzameling van canones geplaatst. De Oostersche kerk erkent ze voor echt, de Westersche niet.

In de Oostersche kerk golden als rechtsbronnen voor het kerkelijke recht de besluiten of canones der algemeene en particuliere syno­den van de eerste vijf eeuwen, die in de acta van de synode van Chalcedon (451) vermeld worden. Deze besluiten werden in latere verzamelingen opgenomen en met nieuwe aangevuld.1)

In het Westen waren alleen de canones van Nicaea in Latijnsche vertaling geldig, waaraan later de besluiten der andere synoden, in Latijnsche vertaling, werden toegevoegd. Zij zijn bekend in twee vertalingen, namelijk de versio Prisca of Itala en de versio Hispana of Isidoriana. De eerste planmatige verzameling werd ver­vaardigd door den Scythischen monnik Dionysius Exiguus † 536, welke verzameling in Italië, Gallië, Spanje en Griekenland als corpus canonum werd erkend en gebruikt. Later werd deze bundel, omge­werkt en vermeerderd, door paus Hadrianus in 774 aan Karel den


1) Zie bl. 15 van dit werk: De bronnen van het kerkrecht.

|33|

Groote ten geschenke gegeven, en vandaar collectio Dionysio-Ha­driana genoemd, en sedert 802 door de synode van Aken voor de Frankische kerk formeel als kerkelijk wetboek (codex canonum) erkend.

In de Spaansche kerk ontstond in het begin der zevende eeuw eene verzameling van rechtsbepalingen, die men de Spaansche of Isidorische noemt, welke andere verzamelingen tot grondslag heeft, en die ten onrechte toegeschreven wordt aan den aartsbisschop Isidorus van Sevilla † 536. Deze Spaansche verzameling was reeds vroeg in Frankrijk bekend, en werd, geheel omgewerkt en met talrijke valsche stukken vermeerderd, in de negende eeuw in West-Frankrijk verbreid. Als vervaardiger wordt genoemd in de voorrede: Isidorus, met den bijnaam Mercator, en vandaar wordt deze verzameling toe­geschreven aan den H. Isidorus van Sevilla.

Met de Pseudo-Isidorische verzameling sluit de rij van de Collectiones, die de voorhanden rechtsbepalingen grootendeels in Chronologische orde samenstellen. Een zelfstandige bearbeiding van enkele stukken, van het huwelijksrecht en van het tiendenrecht, werd door sommige schrijvers ondernomen. De wetgeving der kerk werd door zendbrieven van de bisschoppen, door de canones der synoden, door de behandeling van allerlei vragen door de kerkvaders en de latere geestelijken ge­regeld; ook op de kerkelijke scholen werd het kerkrecht als deel van de theologie geleerd, maar het kwam voor de twaalfde eeuw niet tot eene wetenschappelijke behandeling van het kerkrecht. Tot aan de dagen van Gratianus was het kerkrecht in handen van theologen.

De schepper van eene zelfstandige wetenschap van het kerkrecht is de Camaldolenser monnik en leeraar in het recht te Bologna, Gratianus,1) die voor het eerst aan de universiteit aldaar voorlezingen hield over het canonieke recht als eene zelfstandige juridische, van de theologie onderscheidene, wetenschap. Hij ging bij de behandeling van de stof niet tot de oorspronkelijke bronnen terug, maar bediende zich van de meest bekende verzamelingen van zijn tijd, doch bewerkte deze naar een bepaalde methode. Hij stelde eerst de algemeene tekst vast (distinctiones, causae, quaestiones), deelde deze in deelen in (rubricae), beantwoordde dan de stellingen met bewijzen (canones) uit de autoriteiten, en verbond en verklaarde deze door tusschengevoegde opmerkingen (dicta Gratiani). Gratianus noemde zelf zijn boek, dat tusschen 1140 en 1150 verscheen, concordia discordantium canonum, omdat zijn doel was aan de tegenstrijdige beschouwingen over de canones een einde te maken, en een harmonische eenheid te geven,


1) Fournier, Deux controverses sur les origines du décret de Gratian, 1898; R. Sohm, Das altkatholische Kirchenrecht und das Decret Gratians, München-Leipzig, 1918.

|34|

doch het is later bekend geworden als Decretum Gratiani. Het werk zelf wordt ingedeeld in drie deelen (partes). Het eerste deel is inge­deeld in 101 distincties, van welke dist. 1-20 bevat eene inleiding over de rechtsbronnen en dist. 21-101 handelt over de kerkelijke personen, en wel dist. 21-59 over de clerus en hun ordening (tractatus ordinandorum); dist. 60-90 over de keuze, de consecratie en de rechtspositie van de clerus; dist. 91-101 over de kerkelijke macht van de pauselijke legaten en primaten. Het tweede deel handelt over de kerkelijke macht der ambtsdragers, en bevat 36 rechtsgevallen of causae. Uit elke causa worden rechtsvragen of quaestiones afgeleid, welke in canones beantwoord worden, en door eigen beschouwingen van den schrijver verbonden worden. Causa 33, qu. 3 bevat eene zelfstandige verhandeling over de boete (tractatus de poenitentia). Het derde deel handelt over de liturgie (de consecratione), over de sacra­menten en de sacramentaliën. Dit Decretum Gratiani verdrong weldra alle andere verzamelingen, en werd de grondslag van de ras opbloeiende wetenschap van het canonieke recht, dat als een zelfstandige tak van de juridische wetenschap naast het Romeinsche recht werd beoefend.

Het rechtsboek van Gratianus werd het voorwerp van weten­schappelijke behandeling. De magistri decretorum hielden voorlezingen over dit boek, de inhoud werd medegedeeld, de tekst voorgelezen, bepaalde gevallen daarbij behandeld, parallele plaatsen aangehaald, rechtsregelen vastgesteld, rechtsvragen opgeworpen en uit de stof van het boek beantwoord. Ook werden schriftelijke verhandelingen gegeven. Onder de leeraars der rechtswetenschap of de decretisten zijn vooral bekend: Paucapalea, in het midden der 12de eeuw, Omnibonus † 1185, Stephanus Tornacensis † 1203, Joh. Faventius † 1171, den plagiator van Stephanus en Rufinus, Rolandus Bandinellus, later paus Alexander III † 1181, Joh. Teutonicus (13de eeuw). De meest primitieve vorm van dezen wetenschappelijken arbeid was de glosse, d.i. een in het handschrift tusschen de regels (interliniares) of aan den rand (marginales) aangebrachte woordverklaring, of eene bij­voeging van parallele plaatsen tot verduidelijking van den tekst. Van deze glossen kregen bijzonder aanzien die van Joh. Teutonicus (vóór 1215), welke door Bartholomeus van Brescia werden bewerkt en vermeerderd. Een reeds vrijer ontwikkelde, maar toch nog aan de bronnen gebonden vorm, deze commentarieerend of een enkel punt zelfstandig behande­lend, waren de summae, die enkele hoofdstukken verklaarden, of den inhoud in enkele distincties voorstelden. Een derde vorm van littera­rische werkzaamheid zijn monographieën, die onder den naam van quaestiones praktische rechtsgevallen beantwoordden, en als tractatus de theoretische voorstelling van afzonderlijke rechtsinstituten gaven.

|35|

De tweede periode van de litteratuurgeschiedenis van het kerkrecht is die van Gregorius IX tot de Reformatie. De kring van de bronnen van het kerkrecht werd in dezen tijd zeer uitgebreid, doordat het corpus juris canonici in deze periode werd voltooid. Paus Gregorius IX (1227-1245) vervaardigde uit het groote materiaal, dat door Gratianus niet was opgenomen, of dat later ontstaan was, en waarvan afzonder­lijke verzamelingen waren gemaakt, en daarom genoemd werden Decretales extra Decretum (Gratiani) vagantes (extravagantes sc. litterae; Extravagantia, sc. capita) met behulp van zijn kapelaan en poenitentiarius Raymundus van Pennaforte, eene nieuwe verzameling van wetten. Om dit wetboek voor de praktijk bruikbaar te maken, behield Raymundus de in deze verzamelingen gebezigde volgorde naar vijf boeken, aangeduid door den hexameter, Judex, Judicium, Clerus, Connubia, Crimen,1) welke 5 boeken worden ingedeeld in tituli en capita. Om de leemten in deze wetgeving aan te vullen, liet Gregorius nog onderscheidene decretalen onder zijn naam vervaardigen. Deze geheele verzameling, waardoor de na Gratianus ontstane ver­zamelingen terzijde werden geschoven, werd door de bul Rex Pacificus, 5 Sept. 1234, als het eenige boek der decretaliën naast het Decretum Gratiani gepubliceerd, en werd daarom ook wel liber extra (sc. decretum) genaamd. De decretalen, welke na 1234 verschenen en aan­vankelijk zelfstandig, los naast de wetboeken, voortleefden, werden door Bonifacius VIII verzameld, ingedeeld in vijf deelen, en door de bul Sacrosanctae Romanae Ecclesiae van 9 Maart 1298 gepubliceerd. Dit boek kreeg den naam van Liber sextus en is juridisch het beste stuk van het Corpus Juris Canonici.

Reeds spoedig daarna werd het kerkelijk wetboek weder uitgebreid. Clemens V (1304-1314) liet de besluiten van het Concilie van Vienne en een deel van zijn eigen constituties, eveneens in vijf deelen inge­deeld, ieder liber in tituli, en elke titulus in capita gedeeld, in een officiëele collectie vereenigen en publiceeren, 1314. De verzending aan de universiteiten bleef door den dood der pausen achterwege. Om alle bezwaren tegen de rechtskracht weg te nemen, liet Johannes XXII (1316-1334) haar door de bul Quoniam nulla opnieuw publiceeren. Zij draagt den naam Clementinae (sc. constitutiones).

Deze drie verzamelingen ontvingen samen met het Decretum


1) Bernhard van Pavia is in zijn privaatwerk quinque compilationes (1191) de vader dezer indeeling, welke later in alle decretalenverzamelingen is overgenomen. Hij nam ongetwijfeld den codex Justinianus tot voorbeeld. In het boek Judex behandelt hij de kerkelijke personen, ambtsdragers en rechters; in Judicium het kerkelijk recht en de wijze van rechtspraak; in Clerus het persoonlijk leven, gedrag, plichten der geeste­lijken en het vermogensrecht; in Connubia (sponsalia) het huwelijksrecht; in Crimen het strafrecht en het strafproces. cf. V. Schulte, R.E.3, Art. Kanones und Decretalen­sammlungen.

|36|

Gratiani op het concilie van Bazel den naam van Corpus juris canonici.

De decretalen der volgende pausen werden slechts willekeurig aan de Clementinae toegevoegd, tot Jean Chappuis ze, in 2 deelen gedeeld, aan zijne uitgave van de Sextus en de Clementinen toe­voegde. Het eerste deel bevat twintig decretalen van paus Johannes XXII in 14 titels, het andere 71 decretalen in 14 titels. Sedert werden deze decretalen, Extravagantes genoemd, bestanddeelen van het Corpus Juris geacht, ofschoon zij niet de autoriteit van een wetboek hebben.

De decretalen van Gregorius IX, de Liber Sextus en de Clementi­nae zijn de eigenlijke wetboeken, zoodat de in deze bundels opge­nomen wetten onvoorwaardelijke rechtskracht bezitten. Ook thans is het Corpus juris nog het wetboek voor de Roomsch Katholieke kerk. In hoever de enkele wetten, daarin opgenomen, nog rechts­kracht bezitten, hangt er van af, of eene latere wet van pausen of concilies ze krachteloos hebben gemaakt. Ook voor het wereldlijke recht was het Corpus juris in de middeleeuwen door de gewoonte rechtens aanvaard, en was het naast het Corpus juris civilis een bron van het gemeene recht. Kwamen beide met elkander in tegen­spraak, dan had het Corpus juris canonici, als het jongere recht, de voorkeur. In de moderne staten heeft het canonieke recht tegelijk met het Romeinsche recht zijn kracht verloren, ofschoon het nog als subsidiair recht bij de rechtspraak erkend wordt.

Een officieele uitgave van het Corpus Juris is die van 1582, welke door eene commissie van kardinalen en vakgeleerden op last van den paus werd bezorgd. De nieuwste uitgave is die van E. Friedberg (1879, 1881), die den oorspronkelijken tekst van Gratianus poogde te herstellen.

De wetenschap bemoeide zich in deze periode niet met andere ver­zamelingen van wetten, omdat het gebruik van niet-ambtelijke verzamelingen in de school en in het gericht verboden was. Evenwel werd de behandeling in dezen tijd breeder. Uit de eenvoudige glosse ontwikkelden zich de apparatus, de lezingen, die, geheel afgezonderd van den tekst, hoewel deze volgend in de orde van titels en capita, formeele commentaren waren geworden. Er kwamen over de decretalen van Gregorius IX de summae titulorum, d.i. leer- en handboeken van het canonieke recht, naar de orde der wetten ingericht. Daarnaast werden opgesteld compendia, los van den wettelijken vorm, en werden de oude tractatus breeder uitgewerkt. Ten behoeve van de praktijk werden opgesteld: repertoria (lijsten of opgave van stukken), lexica juris (rechtswoordenboeken), tabulae juris civilis et canonici (registers van het burgerlijk en canoniek recht of verzamelingen van besluiten), decisiones (beslissingen), responsa (antwoorden), consilia (adviezen en besluiten), die betrekking hadden op bepaalde rechtsgevallen.

|37|

Wij kunnen met het oog op den inhoud en het doel der litteratuur onderscheiden tusschen vier soorten van schrijvers: a. De vertegen­woordigers van de zuiver juridische litteratuur, die tot onderwerp namen de dogmatiek van het canonieke recht, zooals Raymundus de Pennaforte, vervaardiger van de verzameling der decretalen van Gregorius IX, † 1241, die o.a. leerde dat de ordo (ambt) geldig was, indien maar de wezenlijke vorm was onderhouden; Johannes Andreae, een der beroemdste leeraren in het canonieke recht te Bologna, die glossen maakte op den Liber Sextus (1302-1348), en die door zijne tijdgenooten als de fons et tuba juris (bron en verkondiger van het recht) geprezen werd. b. De schrijvers van het forum internum (het inwendig gericht), die de gewetensgevallen uitwerkten, o.a. Willem Durandus, bisschop van Meude, † 1296, een beroemd schrijver en practicus, die in zijn hoofdwerk: „Speculum judiciale”, het geheele geestelijke recht als in een spiegel te aanschouwen geeft. c. De ge­leerden, die reageerden tegen het papale systeem, zooals Willem van Occam, † 1349, Marsilius van Padua, † 1342, in zijn boek „Defensor Pacis”, en Johannes a Turrecremata, van wiens geschriften inzonder­heid het na de twaalfde zitting van het concilie van Bazel ver­vaardigde: „de potestate papae et concilii generalist auctoritate” daarom van belang is, dat het beslist de pauselijke onfeilbaarheid bestrijdt; of die het pauselijke stelsel verdedigden, zooals Augustinus Triumfus, † 1313, de Augustijner generaal uit Ancona; de Domini­caan Petrus de Palude, † 1342. En terwijl Philippus Decius, de ge­leerde canonist van Milaan, een apologie gaf van het concilie van Pisa (1511) en de waardigheid van het concilie verhief boven die van den paus, schreef Cajetanus verhandelingen, waarin hij trachtte aan te toonen, dat de paus zijne autoriteit niet van de kerk, maar van Christus had ontvangen.1) d. De populaire litteratuur van het Roomsch­-canonieke recht, die door rechtsspiegels (specula juris) en allerlei wonderlijk materiaal de kennis van het kerkrecht zocht te brengen tot het volk.

De scholastieke philosophie leverde aan deze schrijvers de methode. De schrijvers bezaten geen historischen zin, en namen het materiaal van andere schrijvers over. De schrijvers waren juristen, die tevens theologen waren, en voor de theologie en de philosophie het be­slissende woord gaven. Een plaats uit den Bijbel en uit het Corpus juris had dezelfde kracht. Aristoteles en de kerkvaders bezaten dezelfde autoriteit. Het canonieke recht werd voornamelijk beoefend aan de universiteiten, aan welke sedert de 13e eeuw ook leeken als


1) Hefele, Conciliengeschichte, VIII, 470-76.

|38|

leeraren werden toegelaten, terwijl ook de geestelijke orden, deels in verbinding met de universiteiten, deels zonder verband hiermede, het kerkrecht beoefenden.

De derde periode van de geschiedenis der litteratuur van het kerk­recht begint bij de Reformatie. De breuk met Rome aan de eene zijde en de hervormingspogingen van het Trentsche Concilie aan den anderen kant leidden tot eene andere behandeling van het kerkrecht. Het geschil in de eeuw der Reformatie liep hoofdzakelijk over de bronnen, of Gods Woord de hoofdbron was van het kerkrecht, dan wel de traditie; of de hiërarchie steunde op de H. Schrift dan wel of de kerk, vrij van de macht der geestelijkheid, zich als gemeente van geloovigen onder Christus als Koning, als een verloste gemeente moest openbaren; of de overheid de leiding der kerkelijke zaken had, dan wel of de ge­meente zich zelf naar het Woord Gods onder leiding der ambtsdragers moest regeeren. Met betrekking tot de verschillende kerkrechtelijke systemen onderscheiden wij tusschen het Roomsche, het Luthersche, het Gereformeerde en het Independentistische systeem.

Binnen de Roomsche kerk werd zeer veel aan het kerkrecht ge­daan, zoowel door den dogmatischen grondslag te verdiepen, alsook door voort te bouwen op de Middeleeuwsche casuistiek. Vooral de Italianen hebben grooten invloed geoefend op de ontwikkeling van de canonistische wetenschap. In de werken der Italiaansche geleer­den weerspiegelt zich de tegenstelling van het curialisme en het anti-curialisme. Van beteekenis is het leerboek van Giovanni Paolo Lancelotti, professor in het canonieke recht te Perugia, † 1590, „Insti­tutiones juris canonici”, naar het model van Justinianus’ „Institutiones” geschreven. Ofschoon het niet de pauselijke goedkeuring ontving wegens bedenkingen tegen sommige punten, werd het boek toch her­haaldelijk uitgegeven en gecommentariëerd, en in breeden kring gebruikt. Uit dit werk kan het canonieke recht, zooals het vóór het Trentsche concilie gold, gekend worden. Als polemicus tegen de Protestanten is bekend: Roberto Bellarmino, 4 Oct. 1542 in Toskane geboren uit een adellijke familie. Hij sloot zich reeds in 1560 bij de Jezuieten aan, en studeerde theologie te Padua, Venetië en Leuven. In de Nederlanden kreeg hij kennis van de groote controvers met de Protestanten. In 1576 ging hij voor zijne gezondheid naar Rome, waar hij in het pas opgerichte Collegium Romanum voordrachten hield over de controversen, waarvan de vrucht was zijn beroemd werk: „Disputationes de controversis christianae fidei adversus hujus temporis haereticos”. Vooral van beteekenis zijn de vijf boeken „over den Romeinschen Pontifex”, waarin hij op gematigde wijze zich uit­spreekt over de onfeilbaarheid van den paus, doch zeer sterk de

|39|

macht van den paus in wereldlijke dingen verdedigt. Dit werk was het bewijs van de krachtige wetenschappelijke verheffing der Roomsche kerk sedert de Reformatie. Geweldig was de indruk, dien Bellarminus’ werk maakte. De groote woordvoerders der Protestanten Gerhard, Chemnitz, Barclay e.a. beantwoordden hem met belangrijke geschriften. In Frankrijk werd zijn werk over den paus en diens macht ver­oordeeld. Bellarminus bleef tot 1689 professor in de theologie, en werd daarna tot hooge waardigheden bevorderd, in 1599 kardinaal, in 1602 aartsbisschop van Capua. Hij stierf 17 Sept. 1621. Als tegen­standers van de Jezuieten traden op: Paolo Sarpi, † 1623, met zijne „Geschiedenis van het Concilie van Trente” en Marco Antonio de Dominis, † 1624, met zijn „De Republica Ecclesiastica”, 1617-1620, waarin hij tegenover het pauselijke kerkbegrip het echte katholieke kerkbegrip tracht aan te toonen. Dit werk werd door onderscheidene curialistische schrijvers o.a. door Sforza Pallavicini, † 1667, bestreden.1)

In Spanje traden op Antonio Agostino, † 1586; de eigenlijke stichter van eene wetenschappelijke geschiedenis en kritiek der bronnen; Frances Suarez, 1548-1617, een Jezuiet, wiens litterarische werk­zaamheid zich hoofdzakelijk uitstrekte tot de behandeling van de aristotelische philosophie en de scholastieke theologie ; voorts Frances Tolet, † 1596; Thomas Sanchez, † 1610; Manuel Gonzalez Tellez, † 1649; en in Portugal Augustino Barbosa, † 1649.

In Frankrijk waren beoefenaars van het kerkrecht: Jean Chappuis, die in het laatst van de 16e eeuw een nieuwe bewerking van het Corpus juris canonici gaf; De Moachi † 1574; Charles du Moulin † 1566; e.a. De episcopaalsche richting in Frankrijk, die de vrijheden van de Gallicaansche kerk verdedigde, had hare vertegenwoordigers in Etienne du Pasquier, † 1615; Louis Thomassin, † 1697; Bossuet, † 1704; Pasquier Quesnel, † 1719 en Claude Fleury, † 1723. Naast deze geleerde beoefenaars van het kerkrecht moet worden genoemd: David Blondel2) (geb. 1590 te Chalons s. Marne, studeerde te Genève, werd op 27-jarigen leeftijd predikant te Roucy, tot hij 1650 benoemd werd tot hoogleeraar van het Atheneum Illustre te Amsterdam, waar hij in 1655 stierf), de calvinistische bestrijder van het pausdom, beroemd door zijn kerk ­en dogmenhistorische en polemische geschriften: „Pseudo-Isidorus et Turrianus vapulentes”, Genève 1628; „De la primauté en l’Eglise”, Genève, 1641 fol.

De Fransche school heeft grooten invloed geoefend op de Neder­landsche school, van welke als vertegenwoordiger optrad: Zeger


1) V. Ranke, Die Römische Päpste, Bd I-III; Tschakert, in Herzog R.E.3, XVII, Art. Sarpi en R.E.3, IV, Art de Dominis door Benrath.
2) Bayle, Dictionnaire historique et critique; Herzog, R.E.3, Art. D. Blondel.

|40|

Bernhard van Espen (1641-1728), hoogleeraar aan de universiteit van Leuven, en voorstander van het Jansenisme. In zijn geschriften, o.a. Jus ecclesiasticum universum, Mainz 1791, bestreed hij het primaat van den paus, en leerde hij de absolute souvereiniteit van het staats­gezag. Ook de Duitsche school stond in de 17de en 18e eeuw onder den invloed van Frankrijk, vooral door de wetenschappelijke methode, den historischen zin en het kritische karakter der Fransche auteurs. De Scholastieke methode is in beginsel overwonnen. Men wilde de dingen historisch verstaan.

Voor Duitschland en Oostenrijk hadden sedert de 16de eeuw de universiteiten van Italië en Frankrijk hare aantrekkingskracht verloren. De universiteiten in Duitschland groeiden in aanzien en weten­schappelijke kracht, de Duitsche taal werd bij de wetenschap meer algemeen gebruikt en de letterkunde begon te bloeien. Een geheel nieuwe litteratuur ontstond, waarin het Luthersche kerkrecht en zijne bestrijding tot uiting kwam. Overigens gingen de Roomsche en Luthersche schrijvers hun eigen weg. Wanneer zij elkanders kerkrecht behandelden, geschiedde dit slechts met een polemisch doel. Het Roomsche kerkrecht werd beschouwd als het domein der theologie en werd beoefend door theologen: den bekenden hoogleeraar van Ingol­stadt Johann Eck, † 1543; Heinrich Canisius, † 1610; Ehrenreich Pirhing, Jezuiet te Dillingen, † 1699; Franz Schmalzgrueber, † 1674, e.a. De taak dezer geleerden was de vereeniging van het voor- en na-Trentsche kerkrecht, een moeilijk en gevaarlijk werk, omdat Pius IV de inter­pretatie van de besluiten van het Concilie van Trente verboden had. In de achttiende eeuw verlieten vele Roomsche beoefenaars van het kerkrecht de traditioneele banen van de scholastiek en kwamen onder den invloed van het natuurrecht. Zoo o.a. Zallwein, † 1766, Amort, † 1775, Reller, Ph.A. Schmidt, † 1805.

Een meer kritische en vrije richting volgden de voorstanders van de episcopaalsche richting, die onder den naam van Febronianisme bedoelde de herstelling van de Duitsch-nationale kerk, en die dus het curialisme bestreed. De vader dezer richting was Nicolaas Hontheim.1) Deze, een leerling van Van Espen, van 1748-1799 wijbisschop van Trier, gaf in 1763, onder het pseudoniem Justus Febronius, een werk uit, getiteld: „De l’Etat, de l’Eglise et de la légitime puissance du pontife romain”. In dit boek bestreed hij het primaat en de onfeilbaarheid van den paus. De regeering der kerk is niet monarchaal noch democratisch, maar aristocratisch; de paus staat wel als persoon boven den bisschop, doch niet boven het college der bisschoppen, dat de kerk bestuurt. De


1) Albers, Kerkgeschiedenis, II, 296, 480; Duynstee, Kerk en Staat, I, 137; Ad. Rösch Das Kirchenrecht der Aufklärung in Arch. f. Kath. Kirchenrecht, Bd 83.

|41|

paus is onder de bisschoppen „primus inter pares” (de eerste onder de gelijken). De bisschoppen ontvangen hun macht onmiddellijk van God en oefenen deze, als opvolgers van de apostelen, zoowel in geloofs­zaken als in het uitdeelen der sacramenten en der jurisdictie onaf­hankelijk uit. Zij zijn noodwendig leden van de synode. Om zijn doel te bereiken geeft hij de volgende middelen aan: 1e. doelmatige ontwikkeling des volks, 2e. eene vrije algemeene synode, 3e. eene nationale synode, welke, zoo noodig, de gehoorzaamheid aan den paus kan onttrekken, 4e. het vereenigd optreden der vorsten tegen Rome onder leiding van de bisschoppen, zonder vrees voor censuur of scheuring, 5e. het koninklijk „placet”, 6e. het appelleeren op eene algemeene synode. Dit boek, dat instemming vond bij sommige vorst­bisschoppen in Duitschland, van Mainz, Keulen, Trier en Salzburg, is van invloed geweest op de kerkpolitiek van Jozef II, keizer van Oostenrijk. Onderscheidene schrijvers steunden dit Febronianisme, o.a. Pehem, † 1799, in zijn „Vorlesungen über das Kirchenrecht”, Dannenmayer, Gmeiner, Rautenstrauch, † 1785, doch het werd bestreden door de Ligorio, den Jezuiet Zaccaria, e.a.

Van Roomsch-Katholieke zijde hebben zich in de laatste eeuw verdienstelijk gemaakt: Permaneder, „Handb. des Kirchenrechts”, bes. v. Silbernagl, 1864; Hergenröther, „Lehrbuch des Kath. Kirchenrechts”, 1888; F. Schulte, „Das Kathol. Kirchenrecht”, 2 Th.1856 en 1860; F. Walter, „Lehrbuch des Kirchenrechts”, in 14. Aufl. besorgt von Gerlach, 1871; J. Silbernagl, „Lehrb. des Kath. Kirchenrechts”, 1880; F. H. Vering, „Lehrb. d. Kathol., oriental., und protestantischen Kirchenrechts”, 3e Aufl. 1893; Fr. Heiner, „Kathol. Kirchenrecht”, 6e Aufl. Paderborn, 1912.

De Oud-Katholieke richting (Döllinger, Reuss, Friedrich) heeft een eigen litteratuur opgesteld. Tegenover haar heeft de Vaticaansche richting een orgaan in: „Archiv für Katholisches Kirchenrecht”, onder redactie van Vering. Ook worden van Roomsche zijde uitgegeven: „Kirchenrechtliche Abhandlungen” onder redactie van Dr. Ulrich Stutz, Stuttgart, Verlag Ferd. Enke.

Een uitnemende bron voor de kennis van de Oostersche kerken is: „Das Kirchenrecht der morgenländischer Kirche” von Dr. Nikodemus Milasch, bisschop in Zara, übersetzt von Dr. Alexander R. v. Pessic, zweite Auflage, Mostar, 1905.

Het Luthersche kerkrecht was in zijne ontwikkeling afhankelijk van twee problemen, de verhouding van het canonieke recht en de wetenschappelijke motiveering van het landsheerlijke kerkrecht. Luther bestreed aanvankelijk met heftige woorden het canonieke recht, en ging van paus en traditie terug tot de H. Schrift. Maar weldra kwam de vraag op, of het canonieke recht ook voor het vervolg kon worden

|42|

gebruikt. Luther beantwoordde deze vraag bevestigend en sedert beschouwde men in Duitschland het canonieke recht wel niet meer als formeele rechtsbron, maar toch krachtens het natuurrecht en uit practisch oogpunt van veel waarde. In deze richting heeft J.H. Böhmer in zijn groot werk over het Protestantsch kerkrecht (Jus Ecclesiasticum Protestantium), waarin hij zich aansloot aan het canoniek recht, nieuwe banen geopend. Bij de oplossing van het tweede probleem, de wetenschappelijke motiveering van het landsheerlijk kerkrecht moest men nieuwe wegen inslaan, en in verband met de plaats, die de schrijvers aan den landsheer, den leerstand of aan de gemeente toe­schreven, kwam men tot zeer verschillende resultaten. Op voetspoor van Daniël Nettelbladt, † 1791, werden deze richtingen aangeduid met de namen: het episcopale, het territoriale en het collegialistische systeem. De vertegenwoordigers van het episcopale systeem waren Joachim Stephani, Matth. Stephani, † 1646, Theodor Reinkingk, † 1664, Benedict Carpzov, † 1666, welke laatste als systematicus van het geheele kerkrecht door zijn werk „Jurisprudentia ecclesiastica seu consistorialis” grooten invloed kreeg op de theorie en de praktijk van het kerkrecht. Het territoriale systeem heeft als voorloopers: Thomas Erastus, † 1583, Hugo de Groot, † 1645 en Thomas Hobbes, † 1679, en als vertegenwoordigers: Sam. Pufendorf, † 1694, Heinrich Link, † 1696, Christian Thomasius, † 1728, en J.H. Böhmer, † 1749. Vertegenwoordi­gers van het collegialistische systeem zijn: Christoph Matthäus Pfaff, † 1760, Mosheim, Schleiermacher, e.a.

Met Karl Friedrich Eichhorn, † 1854, treedt een nieuwe methode van behandeling van het kerkrecht op. Hij paste in: „Grundsätze des Kirchenrechts der in Deutschland”, voor het eerst de historische methode op het kerkrecht toe, en heeft daardoor, en mede door zijn groote kennis der bronnen en door scherpe ontleding der begrippen, aan de ontwikkeling van het kerkrecht groote diensten bewezen. Ofschoon hij de oppervlakkigheid van het collegialistische systeem aantoonde, en aandrong op aansluiting aan de leer der kerk, is hij niet geheel vrij geworden van de collegialistische beginselen, omdat hij innerlijk niet leefde uit de beginselen van het christendom en de kerk. Aemilius Ludwig Richter sloot zich bij de historische school van Eichhorn aan, maar stond persoonlijk in een nauwere verhouding tot de belijdenis der kerk. Hij was van oordeel, dat de kerkregeering van de dagen der Reformatie af, tot groote schade voor het kerkelijk leven, van de goede richting is afgegleden. Hij keerde zich voornamelijk tegen het territoriale systeem, doch oefende, in aansluiting aan Von Höfling en Scheurl, in: „Über die Grundlagen der Kirchenverfassung nach den Ansichten der Sächsischen

|43|

Reformatoren” (1840) ook scherpe kritiek op de theorie van Stahl. Hij zag in het bestuur der overheid over de kerk wel eene loffelijke, doch slechts menschelijke orde. In latere jaren bepleitte hij een geleidelijke overgang tot een zelfbestuur der kerk door eigene organen. Hij was echter tegenstander van zelfstandigheid der kerk in den zin van eene collegialistische kerkregeering zooals Von Raumer deze voorstond. Richter schreef in 1842 zijn: „Lehrbuch des Kathol. u. Evang. Kirchen­rechts”, dat in 1874 den 7den druk beleefde, in 1886 opnieuw door Prof. W. Kahl is uitgegeven, en dat ook in het Nederlandsch is vertaald. Van groote beteekenis is zijn werk: „Die evangelischen Kirchenordnungen des 16en Jahrhunderts”, dat in 1846 in twee deelen te Weimar werd uitgegeven.

Onder de schrijvers over kerkrecht is vooral bekend: Friedrich Julius Stahl (1802-1860), van geboorte een jood, die, op 17-jarigen leeftijd het christendom aangenomen hebbende, in 1826 doctor in de rechten werd, in 1832 buitengewoon hoogleeraar te Erlangen, in het­zelfde jaar hoogleeraar in het canonieke recht te Würzburg en in 1834 hoogleeraar te Erlangen in het staats- en kerkrecht werd. Later werd hij lid van den landdag, van de synode en van den Ober­Kirchenrath. Stahl was een man, die op het gebied der wetenschap, van de kerk en van de staatkunde een leidende positie innam. Hij was een geloovig Luthersch man, die in de dagen der revolutie van 1848 zich schrap zette tegen de doorwerking der revolutionaire be­ginselen. In 1840 schreef hij: „Die Kirchenverfassung nach Lehre und Recht der Protestanten”, waarin hij de territoriale gedachte bestreed, maar het tevens onkerkelijk en onprotestantsch noemde, om den band met den staat los te maken. Het ambt is, volgens hem, niet ontstaan in de gemeente uit oorzaak van doelmatigheid, zooals Puchta had geleerd, noch terwille van de orde, gelijk von Höfling meende, maar het ambt is door God verordend en gesticht. Christus zelf heeft het apostelambt gesticht, en de dienst des Woords is de voortzetting van het apostelambt, dat nooit is opgehouden en nooit kan ophouden. „Het goddelijke of bovennatuurlijke van het ambt bestaat zelfs niet daarin, dat God de gave (het charisma) voor het ambt geeft, en zoo voortdurend voor de kerk zorgt, maar ook daarin, dat hij positief bevel voor de instelling van het ambt en de eerste stichting daarvan gaf en dat hij aan dat naar zijn bevel ingestelde ambt zijn volmacht en zijne beloften gaf”.1) De gemeente is niet waarlijk kerk zonder het ambt. Op dit standpunt staande, behoeft het niet te bevreemden, dat Stahl de episcopale inrichting aanbeval. Opdat de kerk niet in enkele


1) Stahl, Die Kirchenverfassung, Erlangen, 1862, S. 114.

|44|

locale gemeenten zou uiteenvallen, is hoogere concentratie noodig, die òf door steeds nieuwe verkiezing òf door een blijvenden leerstand wordt overgedragen. Dit autocratisch beginsel vindt Stahl in het Episcopale stelsel, waarbij in de handen van blijvende personen de regeermacht en de herderlijke zorg over de gemeente is. Een Duitsch­-evangelisch episcopaat zou een dam opwerpen tegen verdrukking van buiten, en afval en verwording van binnen. In de tweede uitgave van dit werk acht hij ook het opnemen van eene Calvinistische synode voor de kerkregeering niet afkeurenswaardig.

Onder de groote mannen van het kerkrecht in Duitschland moeten genoemd worden: Otto Mejer (1813-1893), die als hoogleeraar te Rostock schreef zijn: „Institutionen des gemeinen deutschen Kirchen­rechts” (1845) en zijn „Lehrbuch des deutschen Kirchenrechts” (1869). Hij heeft veel gedaan, om de verhouding van de overheid tot de Roomsche kerk nader te bepalen. De leerlingen van de school van Richter: Hinschius, Friedberg, Schulte en anderen hebben de studie van het kerkrecht zeer bevorderd. Paul Hinschius (1835-1898), eerst hoogleeraar te Halle en Kiel, en sedert 1872 te Berlijn, waar hij tevens in den Kulturkampf raadsman der Pruisische regeering was, was een veelzijdig geleerde, die met bijzondere nauwkeurigheid werkte. In 1863 heeft hij grooten naam gemaakt door zijne kritische uitgave van Pseudo-Isidorus. Zijn hoofdwerk is: „Kirchenrecht der Katholiken und Protestanten”, waarvan het eerste deel in 1869 verscheen, het zesde deel in 1897, dat bij zijn dood nog onvoltooid was. Voor Hinschius’ systematischen arbeid is van beteekenis dat hij eene scherpe scheiding trok tusschen het Roomsch-katholieke en het Evangelische kerkrecht.1) Emil Friedberg, geb. 1834, is een van de uitnemendste kenners van het kerkrecht, die van juridisch standpunt uit schreef een voortreffelijk handboek: „Lehrbuch des kathol. u. evang. Kirchenrechts”, dat reeds in zesden druk verscheen. Goede boeken schreven ook Ad. Frantz „Lehrbuch des Kirchenrechts”, 2 Aufl. 1891; Ph. Zorn, „Lehrbuch des Kirchenrechts”, 1888; W. Kahl, „Lehrsystem des Kirchenrechts und Kirchenpolitik”, I 1894, en Rud. Sohm, „Kirchenrecht”, I 1892, II 1923 en Emil Sehling, „Kirchenrecht”, Leipzig, Sammlung Göschen, 1908.

Voor de geschiedenis van het kerkrecht leverden kostelijke bij­dragen: J.W. Bickell, „Geschichte des Kirchenrechts” (1843); E. Loening, „Gesch. d. deutschen Kirchenrechts”; E. Sehling, „Die evangelischen Kirchenordnungen des 16. Jahrhunderts”, 1908 en A. Harnack, „Ent­stehung und Entwickelung der Kirchenverfassung und des Kirchen­rechts”, 1910. Voor de behandeling van speciale gevallen zijn van beteekenis,


1) „Mir scheint”, zoo zegt hij Bd. I, S. VIII „durch das Wesen beider Kirchen eine verschiedene Systematik im einzelnen geboten”. Stutz is hem hierin gevolgd.

|45|

o.a.: Friedberg, „Das geltende Verfassungsrecht der ev. Landeskirchen in Deutschland und Oesterreich”, 1888; K. Rieker, „Die rechtliche Stellung der evang. Kirche Deutschlands in ihrer geschichtl. Entwickelung bis zur Gegenwart”, 1893.

Het „Zeitschrift für Kirchenrecht”, opgericht door A. Dove, voortgezet door E. Friedberg, was in 1889 in 22 deelen voltooid, en werd in 1892 voortgezet door E. Friedberg en E. Sehling als: „Deutsche Zeitschrift für Kirchenrecht”.

Voor de speciale litteratuur verwijzen wij naar de handboeken van Friedberg en Kahl.

De Gereformeerde kerken. Van Gereformeerde zijde is er een zeer breede litteratuur over het kerkrecht. Calvijn, de vader van het Gereformeerde kerkrecht, trok in zijne Institutie de lijnen, en zijne leerlingen: Beza, à Lasco, John Knox, Andreas Melville, Olevianus en anderen zetten zijn werk in de onderscheidene landen voort, en trachtten de beginselen in geschriften en kerkenordeningen uit te werken. Het Erastianisme, dat in onderscheidene landen bijval vond, werd door de Gereformeerde theologen, in Engeland door Hooper en Cartwright, in Schotland door Melville, in Nederland door Acronius, Walaeus, Trigland en anderen bestreden.

Tot de oudste boeken over het Gereformeerde kerkrecht behooren de geschriften van Thomas Cartwright (1535-1603). Hij was een groot kanselredenaar, gevreesd disputator en een krachtig verdediger van de Puriteinsche richting tegenover het streven van koningin Elisabeth, die in de regeering en de cultus der kerk romaniseerende en Erasti­aansche gedachten zocht in te werken. Tegenover den aartsbisschop Whitgift, die van oordeel was, dat de kerk het recht had zulke wetten te maken, die tot den welstand der kerk noodig zijn, mits deze niet in strijd zijn met de Schrift, en dat de bisschoppelijke inrichting wel niet noodig was tot zaligheid, maar toch wel goed en geheel in over­eenstemming met den apostolischen tijd, zette hij het beginsel der Presbyterianen in onderscheidene geschriften uiteen, en toonde hij aan, dat de kerk in leer, regeering en cultus haar grond en maatstaf vindt in de H. Schrift. Daarom wil hij elke hiërarchie, het ambt van bisschop en aartsbisschop verwijderd zien uit de kerk. Het ambt van bisschop is niet anders dan dat van den bedienaar des Woords en het ambt van diaken is de verzorging der armen. Een predikant is niet in meerdere gemeenten of in de geheele kerk, maar in ééne plaatselijke gemeente drager van het ambt. Tijdens zijne verbanning heeft Cartwright het door de Puriteinen hooggeachte werk van Travers, een geleerd predikant te Cambridge: „Disciplina Ecclesiae sacra ex Dei Verbo descripta” (de heilige discipline der kerk in Gods Woord

|46|

beschreven), in 1574 te Genève uitgegeven, in het Engelsch vertaald en van eene voorrede voorzien. Gedurende den druk werd het boek ontdekt en verbrand, maar in 1644 werd het onder Cartwright's nalatenschap gevonden, en onder den titel: „Directory of Government” uitgegeven.1) Zijn groote tegenstander was Richard Hooker (1544-1600), die in zijn beroemd werk: „Of the laws of ecclesiastical Polity”, in 1592 en volgende jaren uitgegeven, de Gereformeerde kerkregeering zocht te bestrijden. Hij leerde, dat ofschoon de H. Schrift de volmaakte richtsnoer is van de leer, deze nochtans geen regel van de discipline of kerkregeering is, en dat daarom de kerk evenals elke, andere maatschappij de macht en het recht heeft zulke wetten te maken die tot haar welstand noodig zijn, mits deze niet in strijd zijn met de H. Schrift. Wijl de kerk is de moeder der leden, zijn allen, die binnen de kerk geboren zijn, verplicht zich aan de kerkelijke wetten te onderwerpen. Hiertegen merkte Cartwright op, dat deze redeneering daarom niet opgaat, om­dat Christus en de apostelen de grondregelen der kerkregeering hebben gegeven, en het nergens in het N. Testament blijkt, dat de kerk de macht heeft ontvangen, de instelling van Christus te veranderen of te verbeteren.

Tot de oudste schrijvers over Gereformeerd kerkrecht behooren W. Zepperus, wiens „Politica ecclesiastica” herhaaldelijk door Voetius wordt geciteerd, en het werk van een anoniemen schrijver: De Politia et Disciplina Civili et Ecclesiastica, Libri II, 1585, waarin hij handelt over de verhouding van kerk en staat en van de kerkinrichting, vooral over de kerkelijke tucht.2) Het schijnt, dat de schrijver tot den kring van die mannen behoort, die in Nederland den kamp moesten voeren met de overheid, die aan het recht der kerk wilde te kort doen. Tot deze mannen behoort ook Ruardus Acronius, † 1611, die in onder­scheidene geschriften, o.a. „Nootwendig Vertooch”, hoe Gods gemeente „in hare regieringhe van de Politike Regieringhe onderscheyden is geweest", Delft, 1610, waarin hij het recht der gemeente, op grond van Gods Woord, bepleit om zelve hare regeerders en predikers te benoemen. Na zijn dood zag nog het licht: „Christelijke en Wette­lijcke Beroepinge der Dienaren Jesu Christi” enz.

De groote canonicus van de Gereformeerde kerken in Nederland is geweest Gysbertus Voetius. Na 23 jaren predikant geweest te zijn, werd hij in 1634 hoogleeraar te Utrecht. Op verzoek gaf hij in de jaren 1663-1676 uit, wat hij op de colleges van het kerkrecht behandelde. Hij geeft


1) Neal, Hist. der Puriteinen, I, 409-422.
2) De auteur onderteekent de aan den Paltzgraaf Johann Casimir gerichte voorrede met de letters J.B.A.C., waaruit H.E. von Hoffmann afleidt dat de schrijver was Hendrik van de Corput. Omdat de initialen daarmede niet overeenstemmen, hebben anderen gedacht aan Joh. Bacharius, een uit de Rijnlanden gevlucht theoloog.

|47|

hierin niet zoozeer de practijk of de bestaande inrichting van het kerkelijke leven, maar vooral, hoe dat recht behoort te zijn volgens de Heilige Schrift. Bij elke kwestie gaat hij de Schriftuurlijke en de dogmatische gronden na, benevens de wederlegging der dwalingen; dan geeft hij een uiteenzetting van de problemen, en tenslotte eene serie vragen, die beantwoord worden. Tegenover hen, die opmerkten, dat zoo het boek te groot werd, voerde hij aan, dat al zulke kwesties voorgekomen zijn en nog kunnen voorkomen en dat zulke vragen en antwoorden de beste illustraties zijn van de theses. Vooral achtte hij het noodig, omdat de thetische uiteenzetting vaak ingewikkeld is, en door het gebruik der scholastische termen dikwijls duister. Voetius is de groote leidsman op kerkrechtelijk gebied, die krachtig en zuiver de grondbeginselen uitwerkt en verdedigt. Het gevoelen van Dr Kleyn, dat Voetius bij de uiteenzetting van het kerkverband „uit tegenstand tegen het Roomsche kerkbegrip en door zijne poli­tieke beginselen op de klippen van een gematigd independentisme verzeild” is, is alleen te verklaren uit het eenzijdig synodaal stand­punt van den schrijver.1) De noodzakelijkheid van een bindend kerkverband is door Voetius boven allen twijfel verheven. Vermeldens­waard zijn ook de practische geschriften van leerlingen van Voetius Jacobus Koelman, „Het ambt en de plichten der ouderlingen en diakenen”, dat in 1694 voor het eerst uitgegeven, herhaaldelijk her­drukt is; en van Lodewijk van Renesse: „Verhandeling over het Regeer-ouderlingschap in de Gereformeerde kerk” (Amsterdam 1765).

Met de inzinking van het Gereformeerd kerkelijk leven in Nederland in de achttiende eeuw, nam ook de liefde tot de beoefening van het kerkrecht af. Na de invoering van het Algemeen Reglement der Ned. Hervormde kerk in 1816, verschenen er echter onderscheidene bijdragen van Broes, Heringa, Kist, Ypey, Van Hall, Den Tex en Van der Tuuk. Maar het was eerst Prof. H.J. Royaards, die een wetenschappelijk Handboek trachtte te leveren in zijn : „Heden­daagsch kerkrecht bij de Hervormden in Nederland”, 1834, dat, hoeveel wetenswaardigs ook leverend, toch alleen was een handleiding, om in het vigeerend recht der Ned. Hervormde kerk thuis te geraken, en niet voldeed aan de eischen, die aan een principieel handboek voor kerkrecht behooren te worden gesteld. Sedert verschenen van moderne zijde: Dr J.J. Prius, „Het kerkrecht der Ned. Hervormde kerk”, Leiden, 1870; en van orthodoxe zijde: Dr G.J. Vos, „De tegenwoor­dige inrichting der Vaderlandsche kerk”, Dordrecht, 1884, en „Hoe men zich in de Ned. Hervormde kerk moet gedragen”, Utrecht, 1896.


1) Algemeene kerk en plaatselijke gemeente door Dr H.G. Kleyn, Dordrecht 1888, bl. 323.

|48|

In 1924 verscheen een beknopte handleiding tot het „Nederlandsch Hervormd kerkrecht” van Dr J.R. Slotemaker de Bruine.

Van Gereformeerde zijde is in de negentiende eeuw, in verband met de aan de orde zijnde kerkelijke vraagstukken en de begeerte om de kerk naar eisch der Gereformeerde beginselen te reformeeren, de belangstelling voor en de studie van het Gereformeerde kerkrecht herleefd. Ter voorbereiding van de reformatie der kerken gaf Dr A. Kuyper op Luthers vierde eeuwfeest, 1883, een „Tractaat van de Reformatie der kerken”, terwijl hij ook in andere geschriften de be­ginselen van het Gereformeerde kerkrecht propageerde. Maar het is bovenal Prof. Dr F.L. Rutgers geweest, die als grootmeester in het Gereformeerd kerkrecht geschitterd heeft. Jaren lang, van 1880-1910, heeft hij op zijne colleges zijne leerlingen liefde voor dit studievak ingeprent. Door onderscheidene geschriften: „Het kerkverband”, 1882, „De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken”, 1886 (met Jhr Mr A.F. de Savornin Lohman), „Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw”, 1889, „De geldigheid van de oude kerkenordeningen der Nederlandsche Gereformeerde kerken”, 1890, „Het kerkrecht in zoover het de kerk met het recht in verband brengt”, 1894, „De beteekenis van de gemeenteleden als zoodanig, volgens de beginselen, die Calvijn heeft ontwikkeld en toegepast”, 1906, en door zijne vele adviezen, waarvan een deel in 1921 zijn uitgegeven onder den titel „Kerkelijke adviezen”, heeft hij een school gevormd, en op den vasten gang van het leven der Gereformeerde kerken een blijvenden invloed uitgeoefend.

Onder de beoefenaars van het Gereformeerde kerkrecht in Nederland in lateren tijd kunnen genoemd worden: Prof. Dr H.H. Kuyper, die, naast vele belangrijke artikelen in De Heraut, schreef: „De opleiding tot den dienst des Woords bij de Gereformeerden”, 1891; „De ver­kiezing tot het ambt”, 1900; Dr H. Schokking, „De leertucht in de Gereformeerde kerk van Nederland tusschen 1540 en 1620”, 1902; Biesterveld, Lonkhuijzen en Rudolph, „Het Diaconaat”, 1907; Dr H. Bouwman, „Het ambt der diakenen”, 1907; „De kerkelijke tucht naar het Gereformeerd kerkrecht”, 1912; Dr P.A.E. Sillevis Smitt, „De organisatie van de christelijke kerk in den Apostolischen tijd”, 1910; Joh. Jansen: „De kerkenordening van de Gereformeerde kerken in Nederland”, 1917; „De kerkelijke tucht”, 1913; „Korte verklaring van de Kerkenordening”, 1923. Voor de kerkregeering is ook van beteekenis het maandblad: „Het Ouderlingenblad" onder redactie van Prof. Dr G.Ch. Aalders, Prof. Dr H. Bouwman, Prof. Dr T. Hoekstra en Prof. Dr H.H. Kuyper, dat sedert 1922 bij J.B. v.d. Brink & Co. te Zutphen verschijnt.

Ook in Duitschland is de belangstelling voor het Gereformeerd kerkrecht ontwaakt.

|49|

Hadden reeds in 1847 Dr H. Heppe in zijne „Geschichte der Hes­sischen Generalsynoden 1568-1582”, G. v. Lechler in „Geschichte der Presbyterial und Synodalverfassung seit der Reformation”, Leiden, 1854, en andere schrijvers de aandacht gevestigd op de beteekenis van de oude synoden, in den laatsten tijd worden ook de beginselen een voorwerp van onderzoek. Dr Karl Rieker schreef een veelszins uitnemend boek: „Grundsätze reformierter Kirchenverfassung”, Leipzig, 1899, en Dr H.E. von Hoffmann: „Das Kirchenverfassungsrecht der niederländischen Reformierten bis zum Beginn der Dordrechter Nationalsynode von 1618/19”, Leipzig, 1902. Ook de geschriften van Prof. Ed. Simons: „Synodalbuch, Urkundenbuch zur Rheinischen Kir­chengeschichten”, Bd. 1 „Die Akten der Synoden und Quartier-konsisto­riën in Jülich, Cleve und Berg, 1570-1610”, Neuwied 1909; „General­synodalbuch”, 1910; „Kölnische Konsistorialbeschlüsse, 1572-1596”, 1905, hebben de kennis van het oude Gereformeerde kerkrecht zeer bevorderd. Ter voorbereiding van de nieuwe kerkenordening na de revolutiedagen van 1918 schreef Prof. Dr Joh. Victor Bredt: „Neues evangelisches Kirchenrecht für Preuszen”, waarin hij met warmte de Gereformeerde principiën aanbeveelt.

Het is niet wel mogelijk, de litteratuur over het kerkrecht in andere landen eenigszins volledig aan te geven. Voor Engeland en Schotland verwijzen wij naar de volgende geschriften: „The official Year Book of the Church of England” (jaarlijks verschijnend); „A Compendium of the Laws of the Church of Scotland”, Edin­burgh, Printing and Publishing co. Robert Philimore, „The ecclesias­tical Laws of the Church of England”, 1873; Felix Makower, „Die Ver­fassung der Kirche von England”, Berlin, 1894; E. Hermitage Day, „The ministry of the Church”, in the St. Paul’s Handbooks, London, Pitman; F.J.A. Hort, „The Christian Ecclesia, a course of lectures of the early history”, London, Macmillan, 1914; Thomas Lindsay, „The church and the ministry”, London, 1907.

Voor Frankrijk: Voor de oude Fransche Gereformeerde kerken: Aymon, „Tous les Synodes Nationaux des Eglises Reformées de France”, Haag, 1710; Armand Lods, „La legislation des cultes Protestants” (1787-1887), Paris 1887, en „Traité de l’administration des cultes Pro­testants”, Paris 1896.

Voor Amerika verwijzen wij, behalve naar de officieele kerkelijke handboekjes, naar: „The Church and its Polity” by Charles Hodge, London, 1879; „Church Government, A treatise compiled from his lectures in theological seminaries” by Alexander F. MgGill, Philadel­phia, 1888, en de in deze boeken aangegeven litteratuur.

Bouwman, H. (1928) § 5

§ 5. De indeeling.

De wetenschappelijke behandeling van het kerkrecht eischt eene indeeling, welke ten nauwste samenhangt met het beginsel, waarvan men uitgaat. Het kerkrecht is eene theologische wetenschap, welke beschrijft het recht, dat in de kerk geldt en gelden moet. De wil van Christus is grondslag van het kerkelijke leven. Hij zelf heeft het instituut der kerk verordend, heeft haar ambten en bedieningen gegeven, haar den regel des levens voorgeschreven en nog moet de kerk naar de beginselen des rechts, door haar Koning verordend, de kerk inrichten en besturen. Daarom moet ook de wetenschappelijke beoefening van het kerkrecht steeds vragen naar den eisch van Gods Woord. Evenwel moet nimmer uit het oog verloren worden, dat de H. Schrift niet is een handboek voor de wetenschap, en dus ook niet een volledig afgerond stelsel van kerk­regeering geeft, maar alleen de hoofdbeginselen dezer wetenschap, welke onder de leiding des H. Geestes, in verband met de tijden en de omstandigheden, tot nadere ontplooiïng moeten worden gebracht. Om die reden is het eisch, dat het recht der kerk zich grondt in de belijdenis der kerk. Het geloofsleven, het belijden, de wandel, het bestuur en de inrichting der kerk moeten met elkander in harmonie zijn.

Juist wijl men bij de behandeling van het kerkrecht niet steeds van een zuiver theologisch beginsel uitging, kwam ook de indeeling van dit vak niet tot haar recht. De gebondenheid aan de structuur van de bronnen bracht mede, dat de systematische behandeling van het canonieke recht eenvoudig het schema van de verzameling der pauselijke wetten overnam, zooals het in dit hexameter is uitgedrukt: „Judex, judicium, clerus, sponsalia, crimen” (judex = drager van de macht in de kerk; judicium = het ambt van rechter; crimen = de kerkelijke straffen). Deze verdeeling werd het eerst gebruikt door Bernhard van Pavia, tegen het einde der 12de eeuw, en later door zeer velen gevolgd, zelfs door de eerste bewerkers van het Protestantsche kerkrecht, zooals Melchior, Kling, en nog door J.H. Böhmer in zijn groot werk „Jus ecclesiasticum Protestantium”, 1734. Deze indeeling had voor, dat zij zich terstond aansloot bij de voorhandene stof, maar had dit bezwaar, dat zij, streng genomen, geen systeem gaf, wijl de deelen los naast elkander stonden. Niet veel beter was de verdeeling, ontleend aan Justinianus, „Institutiones” II, 12, waarbij het kerkrecht in drie deelen wordt ingedeeld, namelijk: personen, zaken en hande­lingen, volgens den regel: „Omne autem jus, quo utimur, vel ad personas pertinet, vel ad res, vel ad actiones”. Door Paolo Lancelotti

|51|

werd in zijne „Institutiones”, welk werk in het Westen bijzonder gezag had, deze indeeling overgenomen. Ook Voetius heeft zich in zijne „Politica Ecclesiastica” hierbij aangesloten.1) Onder de personen behan­delde men gewoonlijk: de ambtsdragers en de inrichting der kerk, onder de zaken: de cultus en het vermogen der kerk, en onder de handelingen: de uitoefening van de macht der kerk, de tucht, enz. Het bezwaar tegen deze indeeling is, dat heel het kerkrecht daardoor beschouwd wordt van uit het oogpunt van het privaatrecht.

Onder den invloed van het natuurrecht beproefden in het laatst van de 18de eeuw beoefenaars van het kerkrecht (Schnaubert, 1789, Schmalz, 1795, e.a.) eene systematische indeeling van de stof, maar hunne systemen waren te abstract en rekenden niet genoeg met de bronnen. Dit werd anders met het opkomen van de historische school, met den vertegenwoordiger Karl Friedrich Eichhorn (1781-1854), die als taak van de systematiek noemde: „die obersten Prinzipien des Kirchenrechts aus den Quellen historisch zu begrunden und die einzelnen geltenden Bestimmungen in einem inneren wissenschaft­lichen Zusammenhang aus jener abgeleitet zusammenzustellen”, („Kirchenrecht” I, 1831, S. 437). Daar Eichhorn nog te zeer onder den ban van het rationalisme lag en het wezen van het christendom en de kerk niet voldoende kende, kon hij ook geen bevredigend systeem geven. Evenmin gaven dit die geleerden als Walter e.a., die indeelden in het openbaar- en privaatrecht, wijl niet alleen vele kerkelijke verhoudingen onder beide gezichtspunten kunnen worden bezien, maar ook, omdat het theologisch karakter door deze schrijvers wordt voorbijgezien. Daarom kan ook de indeeling in uitwendig en inwendig kerkrecht niet voldoen, omdat zij de stof verscheurt en het juridisch karakter van het kerkrecht ten koste van het theologische naar voren schuift. Richter heeft duidelijk gezien, dat het kerkrecht een eigen indeeling, in verband met het object dezer wetenschap, moet bezitten. Zijne stelling: „Das Kirchenrecht tragt sein System in sich; denn nach dem Begriff der Kirche gliedert sick der ganze Stoff naturgemäsz in die Lehre von der Verfassung und Verwaltung der Kirche, als einer geordneten Anstalt, in der Lehre von dem Kirchlichen Leben, in welchem dieselbe ihre Aufgabe löst, und in die Lehre von den Kirchengütern, als den Mitteln ihrer zeitlichen Bestehens” is door de meeste beoefenaars van het kerkrecht in Duitschland (Mejer, Friedberg, Frantz, Sehling, Heiner, Vering, e.a.) in hoofdzaak overgenomen. Deze schrijvers deelen dan het kerkrecht in den regel in drie deelen in: de inrichting, het bestuur der kerk en de verhouding van de kerk tot


1) Pol. Eccl. I. 7, Prol. 4.

|52|

den staat, terwijl veelal vooraf gaat eene bespreking van de bronnen en de geschiedenis van het kerkrecht. Ofschoon bij deze indeeling de materie wel naar goeden gang kan worden verwerkt, kleeft aan haar dit bezwaar, dat het koningschap van Christus en het eigenlijke karakter van de kerk in hare ambten en bedieningen niet genoeg naar voren komt.

Om die reden deelen wij het kerkrecht in twee hoofddeelen in, in een historisch deel, omdat in het N. Testament ons wel de beginselen van het kerkrecht, maar niet een afgerond systeem gegeven is, en wij moeten nagaan, hoe in de verschillende deelen der christelijke kerk over het recht der kerk gedacht is, en waarom wij Gereformeerden het zoogenaamde presbyteriale stelsel volgen, en in een thetisch deel. Dit thetisch deel moet worden ingedeeld in verband met de ambten, door Christus aan zijne kerk gegeven, in verband met de regeering, door Hem gewild, de orde, die naar zijn wil moet worden gehandhaafd, in verband met de bijzondere instellingen, sacramenten en ceremoniën, door de kerk naar de verordening van Christus gebruikt, en in verband met de tucht die moet worden geoefend. En wijl de kerk leeft temidden van de wereld, van maatschappij en staat, moet als slothoofdstuk worden behandeld: de verhouding van de kerk tot de overheid.

Wij deelen dus het kerkrecht in twee deelen in:
A. Het recht der kerk in zijn historische ontwikkeling.
B. Het recht der kerk, zooals het naar Gods Woord moet zijn en in de praktijk wordt geoefend; welk thetisch deel wordt uiteen­gezet in vijf afdeelingen:
I. De kerk en het ambt.
II. De kerk en hare regeering.
III. De kerk en de bediening van de sacramenten en ceremoniën.
IV. De kerk en de handhaving van haar belijdenis en de oefening der tucht.
V. De kerk en hare verhouding tot de overheid.

Bouwman, H. (1928) § 6

|53|

 

 

Eerste Boek.

 

Het recht der kerk in zijne historische ontwikkeling.

 

§ 6. De organisatie der kerk van goddelijken oorsprong.

De kerk is, volgens de uitspraken des Nieuwen Testaments, eene vergadering van geloovigen, die, krachtens den drang, door den Heiligen Geest in hen gelegd, zich vereenigen tot de bediening van het Woord, de sacramenten en de gebeden, en die zich organiseeren onder de leiding van het ambt.

Zij is eene samengeroepene gemeente. In het Oude Testament worden twee woorden gebruikt voor eene vergadering des volks, namelijk eedah en qahāl. Beide woorden hebben in hoofdzaak dezelfde be­teekenis. Onder Israël waren kerk en staat wel niet één en hetzelfde, er was onderscheid tusschen burgerlijke en godsdienstige wetten, tusschen priester en koning, maar beide waren nauw met elkander vereenigd, wijl de godsdienstige gemeente en het volk samenvielen, en een en dezelfde wet Gods het leven van Israël beheerschte. Maar na de ballingschap hield het nationaal zelfstandig volksbestaan van Israël onder eene eigen regeering op. Het Joodsche volk werd eene godsdienstige gemeente. Op alle plaatsen, waar joden woonden, organiseerden deze zich tot een gemeente, en kwamen samen op den sabbat, om de H. Schriften te lezen en onderricht te worden in de wet. Hierdoor werd de Christelijke gemeente voorbereid. In de Griek­sche samenleving werd het woord ecclesia gebruikt voor eene door een heraut bijeengeroepene vergadering van vrije burgers.1) Geen enkele andere vergadering heet ecclesia. In lateren tijd wordt de


1) R. Sohm, Kirchenrecht, S. 16.

|54|

naam overgedragen op elke volksvergadering, zooals ook in het Nieuwe Testament het woord ecclesia wordt gebezigd voor de ver­gadering van het Israëlitische volk in de woestijn (Hand. 7: 38), en van eene rumoerige volksvergadering in Efeze (Hand. 19: 32). Aan dit spraakgebruik sluit zich de uitdrukkingswijze van de Septuagint en van het latere Hellenistische jodendom aan. Werd in het Oude Testament geen wezenlijk onderscheid gemaakt tusschen συναγωγή (synagoge) en ἐκκλησία (ecclesia), de Septuagint vertaalt in den regel het woord eedah door συναγωγή en het woord qahāl door ἐκκλησία en het latere jodendom maakte dit onderscheid in het gebruik der ­begrippen, dat συναγωγή meer de gemeente naar hare empirische zijde, zooals zij ergens is geconstitueerd, en ἐκκλησία de gemeente naar hare ideëele beteekenis aanduidde, gelijk zij door God tot het heil ge­roepen is.1) Uit dit onderscheid is te verklaren, dat de Christelijke gemeente het woord συναγωγή ging bezigen voor de godsdienstige vergaderingen en de vergaderplaatsen der Joden,2) maar voor eigen gemeente en samenkomsten het woord ἐκκλησία koos. De Ebio­nieten hebben de uitdrukking συναγωγή voor de Christelijke gemeente behouden, en ook enkele Christelijke schrijvers van Joodsche geboorte gebruikten nog wel het woord synagoge voor de Christelijke kerk3), maar in de kerk is naar het voorbeeld van den apostel Paulus het woord ecclesia de aanduiding voor de kerk gebleven.

Het woord ecclesia is dus niet een nieuw woord, maar was bekend bij de joden en de Grieken, om daarmede eene volksvergadering aan te duiden, doch het nieuwe is, dat het wordt gebruikt voor de gemeente, die in Christus gelooft. Christus zelf bezigt dat woord in zijn antwoord aan Petrus (Matth. 16: 18): „En ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze Petra zal ik mijne gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen”. Het verleden en het heden worden verbonden in het woord mijne. Het behoeft niet te verwonderen, dat Christus spreekt van het huis, dat hij zal bouwen, als van eene ecclesia. Reeds Johannes de Dooper had gepredikt den doop der bekeering, en zij, die zich door hem lieten doopen, scheidden zich metterdaad af van het jodendom tot de gemeente des hemelrijks. En van het oogenblik, dat Jezus zelf optrad, predikende het Evangelie des koninkrijks (Marc. 1: 14), had hij gewezen op een afgezonderd volk, dat den Heere toebehoort, dat gaarne den wil des Vaders doet, dat erfgenaam is van het koninkrijk Gods (Matth. 5: 10; 10: 16-39), en hij had gesproken van een klein kuddeke, dat naar het welbehagen


1) Schürer, Gesch. d. Jüd. Volkes3, II, 433.
2) Schmidii Concordantia, s.v.; Cremer, Bibl. theol, Wörterbuch, s.v.
3) Schürer, Gesch. der Jüd. Volkes3, II, 432; Zahn, Einleitung I, 66; Forschungen II, 165.

|55|

des Vaders het koninkrijk zou ontvangen (Luc. 12: 32). Feitelijk bestond de gemeente van Christus van het oogenblik af, dat volge­lingen zich bij hem aansloten. Doch in Matth. 16: 18 wijst Christus duidelijk op een huis, dat hij zal bouwen op een rots, op eene gemeente, die hij verzamelt door zijn verzoenend lijden en sterven. De meening van sommige moderne critici, dat dit woord niet kon komen van de lippen van Jezus, omdat Christus wel een koninkrijk van liefde, vrede en gerechtigheid predikte, maar geen kerkvorm heeft geleerd,1) is geheel subjectief willekeurig en berust op een misverstand van het begrip „koninkrijk Gods”.

In Matth. 16: 19 spreekt Jezus tot Petrus: „En ik zal u geven de sleutelen van het koninkrijk der hemelen, en zoo wat gij zult binden op aarde, zal in de hemelen gebonden zijn, en zoo wat gij ontbinden zult op aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn”. Petrus ontvangt hier de macht, om naar den regel van Christus te bepalen, wie al of wie niet mag toegelaten worden in het koninkrijk der hemelen. Kerk en koninkrijk Gods worden hier in nauw verband tot elkander ge­bracht. Dit nauwe verband tusschen beide is door sommigen zoo opgevat, dat zij kerk en Godsrijk vereenzelvigden, en zelfs het woord kerk door Godsrijk gingen vervangen. Ritschl en vele theologen in navolging van hem, verstonden onder het koninkrijk Gods het door Christus aan zijne gemeente geschonken hoogste goed, in religieusen en ethischen zin, als eene zaligmakende gave Gods en als de gemeenschappelijke taak van de leden der gemeente.2) Doch daartegen is terecht opgemerkt, dat volgens Oostersche voorstelling een koninkrijk niet bestaat in een georganiseerd volk, maar in eene heerschappij, en dat dus bij het koninkrijk Gods allereerst moet gedacht worden aan de heerschappij Gods, die een eeuwig Koning is, en die in weerwil van alle tegenwerking Koning zal zijn (Jes. 52: 7; Obadja: 21). Het koninkrijk Gods is dus het rijk, waarvan God Koning is. God is absoluut Koning, omdat Hij is de Schepper, de Bestuurder van al wat bestaat, omdat alle macht is van Hem en alle schepsel van Hem afhankelijk is. Daarom wil Hij door het schepsel erkend en gediend worden, en wil Hij, dat menschentong en engelenstem zouden samen­stemmen in den roem van zijne majesteit. Dit koninkrijk Gods is voor deze aarde verstoord.

De zonde kwam, en sloeg eene breuk tusschen God en mensch.


1) cf. Schmiedel in Enc. Bibl. p. 3105.
2) Gottschick, Reich Gottes in P.R.E.3, 16, 783-806; Wegener, A. Ritschls Idee des Reiches Gottes im Licht der Gesch., Leipzig, 1908; Fréd. Krop, La pensée de Jésus sur le royaume de Dieu, Paris, Fischbacher, 1897; William Temple, The Kingdom of God, Londen, Macmillan 1914; J. Weiss, Die Idee des Reiches Gottes in der Theo­logie, Giessen, 1901.

|56|

Maar wijl Gods raadsplan door de zonde niet vernietigd wordt en zijn koninkrijk zal komen, openbaarde God zich in zijne verlossende genade, gaf reeds terstond bij den val uitzicht op een koninkrijk Gods, en liet onder het O. Testament verkondigen een rijk van recht en gerechtigheid, geluk en vrede en heerlijkheid, waarin God de Heere Koning is, en de onderdanen eeuwigen vrede zullen hebben. Ook Christus trad op met de prediking des koninkrijks. Dat koninkrijk is niet alleen een toekomstig goed, zooals Schmoller en anderen hebben geleerd,1) maar het is een tegenwoordig (Matth. 11: 12; 12: 28; Marc. 1: 14, 15; 10: 15) en een toekomstig goed (Matth. 7: 21; 9: 27; 26: 19). Het koninkrijk is er, zoodra de koning er is. In Christus is het koninkrijk Gods reeds op aarde gekomen (Matth. 12: 28). Maar wijl zijne koninklijke heerlijkheid nog wacht op zijne verheerlijking, en het koninkrijk des Vaders niet anders zijne voltooiing ontvangen kan dan door de barensweeën van het gericht over de zonde heen, verbindt Jezus de komst van het Godsrijk met het jongste gericht en met de zaligheid in het huis des Vaders (Luc. 9: 27; Matth. 26: 29). Het koninkrijk Gods komt met Jezus’ komst in het vleesch (Marc. 1: 15), het komt door zijn lijden en sterven, door zijne overwinning over satan en zonde, maar het is eerst voltooid, wanneer Jezus weder­komt om te oordeelen, en alle macht en kracht aan Christus onderworpen is. In dat koninkrijk, zooals het hier op aarde openbaar wordt, worden heerlijke weldaden, door Christus verworven, ge­schonken en genoten: vergeving van zonden, gerechtigheid, leven, wedergeboorte, gemeenschap met God, blijdschap en troost temidden van strijd en ellende, de troost, dat Gods volk het eigendom des Heeren is en dat alle dingen medewerken ten goede (Matth. 18: 3; Marc. 1: 15; Joh. 3: 3). De onderdanen van dat koninkrijk zijn zij, die gaarne den wil des Vaders doen, die afhankelijk van God wenschen te leven, de armen van geest, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid (Matth. 5: 3-6; 9: 11, 13; 11: 5, 28-30; 21: 31; Luk. 18: 14; 19: 10). En aan deze onderdanen wordt beloofd volkomene verlossing, eeuwige vrede en vreugde onder Jezus’ hoede in de zalige weelde van het toekomstig hemelrijk (Matth. 5: 12; 20: 1-7; 24: 45, 46).

Het koninkrijk Gods is dus niet een politieke, maar eene geeste­lijke heerschappij. De wijze van ingang in dat koninkrijk is geestelijk; daarvoor is noodig: wedergeboorte, bekeering, honger en dorst naar de gerechtigheid, terwijl ook de weldaden, daarin genoten, geestelijk


1) Schmoller, Die Lehre vom Reiche Gottes in der Schriften des N.T., Leiden, 1891; Joh. Weiss, Die Predigt Jesu vom Reich Gottes, 1892; Dr H. Bavinck, Geref. Dogmatiek2, III, 256 v.; 561 v.; IV, 322.

|57|

zijn. Ook bij Paulus komt het koninkrijk Gods voor als eene heer­schappij, die reeds thans bestaat, en in de toekomst heerlijk open­baar wordt. God heeft de geloovigen „getrokken uit de macht der duisternis en overgezet in het koninkrijk van den Zoon zijner liefde” (Coll. 1: 13; Gal. 1: 14). De goederen des koninkrijks, rechtvaardigheid, vrede en de volheid van de beloften Gods worden thans reeds den geloovigen geschonken (Rom. 14: 17; 1 Cor. 4: 20; 6: 9; Gal. 5: 21, 22; Ef. 5: 5); Christus maakt de zijnen reeds thans priesters en koningen (Op. 1: 6), zij hebben hun vaderland boven, zijn met Christus gestorven, begraven, opgestaan en medegezet in den hemel (Rom. 6: 30; 8: 24, 25; 2 Cor. 1: 22; 5: 5; Ef. 2: 6) en zullen eenmaal met Abraham, Izaäk en Jakob aanzitten aan den maaltijd des Lams.

Er is verband tusschen het koninkrijk Gods en de kerk. Want de kerk is eene vergadering van geloovigen, een geestelijk huis, ge­bouwd op het fundament der apostelen en profeten (Ef. 2: 19-22; 4: 16). Zij is eene vergadering van geloovigen, eene gemeenschap van heiligen, aan wie het koninkrijks Gods en al zijne weldaden beloofd wordt (Luk. 22: 29; Ef. 1: 5, 11). De kerk is het strijdend leger, waardoor de Heere zijn koninkrijk laat komen (Op. 12: 10). De doop wordt met beide in verband gebracht. Johannes en Jezus traden beiden op met de prediking van het Evangelie des koninkrijks, en bedienden beiden den doop als het teeken en zegel van de predi­king van het koninkrijk der hemelen (Marc. 1: 15; Matth. 3: 11 v.; Luk. 3: 3 v.; Joh. 1: 26v.). Er is dus verband tusschen kerk en godsrijk, beide hebben één Heer en één Koning, beide hebben dezelfde onderdanen, maar zij mogen toch niet worden vereenzelvigd, zooals de Roomsche kerk doet, die de georganiseerde kerk opvat als het rijk Gods, en alle zaken van het natuurlijke leven, kennis, wetenschap, kunst, tronen, machten en krachten, aan de kerk onderwerpt.1) Het Gods­rijk is naar de H. Schrift een rijk, waarvan God Koning is. Als schepper, onderhouder en bestuurder is God Koning over al wat bestaat. Alle gezag daalt van Hem af. Gods heerschappij beperkt zich niet tot den mensch en het menschelijk hart, maar omvat alle ding, het heden en de toekomst. Doch door de zonde kwam storing in de harmonie. Het schepsel moet wel buigen onder God, wijl God is de almachtige, maar de mensch doet dit niet gewillig, en de har­monische gang, de normale samenstemming wordt niet gevonden. Doch met Christus’ komst begint het groote proces, om Satan zijn macht te ontrooven en zijne werken te verbreken (1 Joh. 3: 8), en de verstoorde harmonie te herstellen. Door zijn lijden en sterven


1) Schanz, Apologie III, 65.

|58|

gaat Christus het koningsrecht en het koningschap verwerven. En tot Koning aangesteld, bereidt Hij alles toe, opdat eenmaal het konink­rijk Hem zal toevallen. Hij vergadert zijn volk door de werking van Woord en Geest, en maakt het bereid, om Hem als Koning te erkennen en onder Hem als Koning te strijden tegen de macht van satan. Zijne koninklijke regeering loopt uit op de volkomene overwinning der zonde. Voor dat werk bedient Hij zich van alle gaven en krachten, in het bijzonder van zijne kerk, die als zijn strijdend leger op aarde voor Hem het koninkrijk moet veroveren.

Hieruit blijkt, dat het Godsrijk eenerzijds breeder is dan de kerk en anderzijds enger. Het koninkrijk Gods omvat het werk Gods in den mensch (Luk. 17: 21), vrede en blijdschap door den H. Geest (Rom. 14: 17), maar het is breeder, het omvat hemel en aarde, de zichtbare en de onzichtbare schepping, het is overal, waar God wordt gediend en geprezen. Alle krachten en gaven, kunsten en wetenschap­pen, schoonheid en harmonie, vertoonen thans reeds de heerlijkheid Gods en moeten God dienen, en zullen eenmaal volkomen Gods groot­heid prijzen. Dat koninkrijk Gods heeft tot orgaan de kerk met hare ambten en bedieningen, waardoor de Heere zijn koninkrijk wil doen komen. De kerk is als instituut voor deze bedeeling, en mondt eenmaal uit in het volmaakte Godsrijk aan het einde der dagen. De kerk is eene vergadering van geloovigen, maar neemt in haar loop allerlei van de aarde en van de zonde in zich op. De geloovigen zijn zondaren. De kerk wordt op aarde nimmer vrij van de hypocrieten, die veinzen onderdanen des Konings te zijn. De kinderen Gods zijn evenwel het goede zaad, de rechtvaardigen, die erfgenamen zijn van het koninkrijk Gods. De kerk heeft nu tot taak, te arbeiden aan den opbouw van het Godsrijk, zij is draagster van het Woord Gods, zij koestert de weldaden der genade, en dringt aan op den dienst Gods, op een leven van reinheid en heiligheid, op alles wat goed en schoon is en wat wel luidt. Zij zal blijven bestaan en moet blijven werken onder Christus, den Koning, tot Christus zelf bij zijne wederkomst het pleit tusschen zijne kerk en de zondemacht beslist, en bet rijk der heerlijk­heid aanbreekt, in hetwelk geen disharmonie meer is, maar alles jubelt van volkomene schoonheid, en alle gaven en krachten samenstemmen tot één groot lofaccoord tot eer van God.

De kring van discipelen, welke Christus rondom zich vereenigde, is reeds het beginsel der N. Testamentische gemeente. Zoolang echter Jezus leefde, was Hij het levend en bezielend middelpunt, en trad de gemeenschap der jongeren terug. Eerst toen Christus als het Hoofd zijner gemeente was verheerlijkt, en Hij den H. Geest had uitgestort, om de schare zijner volgelingen te vormen tot een levend lichaam,

|59|

om daarin te wonen en haar te bezielen met zijne hemelsche krachten en gaven, toen was de kerk als georganiseerd lichaam van Christus aanwezig.

De kerk is eene vergadering van geloovigen. Jezus zegt, dat hij zijne gemeente zal bouwen „op deze petra” (Matth. 16: 18). De rots, waarop de kerk zou worden gebouwd, was een belijdend mensch, niet een mensch, afgedacht van zijne belijdenis, zooals de Roomschen leeren, ook niet eene belijdenis zonder een mensch, zooals vele Protestanten hebben gemeend, maar een mensch, die uit kracht van de geloofsgemeenschap met Jezus, in verbinding met de apostelen, werd verwaardigd een levende rots te zijn, op welke de kerk van Christus zou worden opgetrokken als een gebouw van levende steenen, lang­zaam groeiend, steen voor steen, tot heel het Godsgebouw is voltooid (Ef. 2: 19-22).1) In de Handelingen der Apostelen zien wij de kerk, zooals zij in het zichtbare optreedt, geleidelijk zich uitbreidt en organiseert. De gemeente draagt het karakter van eene schare van geloovigen. De uitdrukking: „die in Christus geloofden” wordt afge­wisseld met het woord: „gemeente” (Hand. 2: 44, 47). De vervolging der geloovigen wordt genoemd eene vervolging der gemeente (Hand. 8: 1, 3). Zij, die in Christus gelooven, worden gedoopt en treden toe tot de gemeente (Hand. 2: 47; 4: 32; 10: 45-48; 11: 21, 23; 14: 1; 15: 9; 16: 34). De jeugdige gemeente, in Christus gerekend (Hand. 2: 39) openbaart zich als eene gemeenschap van heiligen (2: 42) en voelt in zich den drang, door den H. Geest in haar gelegd, tot de bediening van het Woord, de sacramenten en de gebeden, en zich te organiseeren onder de leiding van het ambt. Maar wijl zij zich grondt op het werk van Christus, die haar verkregen heeft door zijn bloed (20: 28) en leeft door de genade des H. Geestes (2: 23; 11: 23; 14: 27), heeft zij haar bestand in het onzichtbare. In de brieven der apostelen wordt de gemeente ook voorgesteld als eene vergadering van geloovigen, eene gemeenschap van heiligen, geheiligden en ge­roepenen in Christus Jezus, geliefden Gods, broeders, heilige en ge­loovige broeders (1 Cor. 1: 2; 2 Cor. 1: 1; Rom. 1: 7; Col. 1: 2). Elke plaatselijke kerk afzonderlijk, en ook heel de kerk als het lichaam van Christus, is eene gemeente van heiligen, die in gemeenschap staan met God, in het bezit zijn van het heil in Christus, en geroepen zijn tot den dienst des Heeren door de werking van Woord en Geest. Deze heiligheid wordt niet in uitwendigen, maar in wezenlijken zin bedoeld. Al weten de apostelen, dat er temidden der gemeente veel onheiligs is, al zijn er, die onheilig wandelen, al worden ook de


1) Hort, The Christian Ecclesia, p. 17; Lindsay, The Church and the Ministry in the early centuries, p. 6; Gore, The Church and the Ministry, p. 38.

|60|

ge­meente en hare leden aangemaand tot zelfbeproeving, of zij in het geloof zijn, zij wordt niet aangesproken als eene gemengde schare,1) maar als eene gemeente van ware geloovigen. Overal worden de samenkomsten der gemeente verondersteld. De gemeente komt samen in een bepaald huis (Rom. 16: 5; 1 Cor. 16: 19; Col. 4: 5; Philemon 2), maar deze vergadering is meer dan eene gewone samenkomst van menschen, zij is het huis Gods, de gemeente des levenden Gods, eene woonstede des H. Geestes (Gal. 1: 13; Ef. 2: 20-22; 1 Tim. 3: 15).

De Heere vergadert zijne gemeente, maar deze toevergadering ge­schiedt niet willekeurig, zij grondt zich niet in de bijzondere ge­schiktheid, deugd en waardigheid der personen, maar in de eeuwige, souvereine en vrije beschikking van den Drieëenigen God, „die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus in zichzelven naar het welbehagen van zijnen wil” Ef. 1: 4, 5. Om die reden is de roeping door het Evangelie niet maar eene men­schelijke, maar eene roeping, die gepaard gaat met de krachtige herscheppende en bekeerende genade des H. Geestes. Niet allen, die uitwendig geroepen zijn, worden echter toegebracht tot de gemeente des Heeren. Zonder de werking des H. Geestes zal de prediking des Woords het hart niet veroveren, maar de Heere heeft voor de trek­king van zijn volk Woord en Geest samengevoegd als eene kracht Gods tot zaligheid (Rom. 1: 16; 10: 13-15; 1 Cor. 1: 21; Ef. 2: 8; Fil. 1: 29).

Is de kerk naar de doorgaande leer des N. Testaments eene ver­gadering der geloovigen, ook de eenheid der kerk wordt duidelijk uitgesproken. Zij is de bruid van Christus, het lichaam van Christus (1 Cor. 10: 16; Ef. 1: 23; 4: 4; Op. 21: 2, 9), de woning des Heeren, het huis Gods (1 Tim. 3: 15; Hebr. 10: 21; 1 Petr. 4: 17). Deze eenheid is eene organische, wijl het lichaam gegroeid is uit het hoofd en alle leden der kerk leden zijn van het lichaam van Christus (Ef. 1: 22; 4: 15; 5: 23; Col. 1: 18). De geloovigen zijn ééne kudde en één herder (Joh. 10: 16); „Één lichaam is het, en één Geest, ge­lijkerwijs gij ook geroepen zijt tot ééne hoop uwer roeping; één Heere, één geloof, één doop” (Ef. 4: 4, 5). Merkwaardig is, dat het woord „ecclesia” zelden in het N. Testament gebruikt wordt voor de alge­meene kerk en hare eenheid. Van de 110 malen, waarin dit woord voorkomt, duidt het niet minder dan honderd malen niet de eenheid der algemeene kerk aan, maar een lokale kerk of eene huiskerk of eene som van gemeenten in eene provincie. Wanneer wij Matth. 16: 18 uitzonderen, wordt het woord „ecclesia” alleen door Paulus in de brieven


1) A.M. Diermanse, De beschouwing der kerkleden, ’s Grav., R. Balt, 1913.

|61|

van Efeze en van Colosse gebezigd in den zin van de eene alge­meene kerk.

Het woord ecclesia1) wordt gebruikt in het enkelvoud, en met het lidwoord, om aan te duiden: de kerk van Jeruzalem en Juda, toen er nog geen andere kerk was (Hand. 5: 11; 8: 1, 3; Gal. 1: 13; 1 Cor. 15: 9; Phil. 3: 6); de plaatselijke kerk van Jeruzalem (Hand. 11: 22; 12: 1, 5; 15: 4); van Thessalonica, (1 Thess. 1: 1; 2 Thess. 1: 1); van Corinthe (1 Cor. 1: 2; 6: 4; 14: 12, 23; 2 Cor. 1: 1; Rom. 16: 23); van Cenchrea (Rom. 16: 1); van Laodicea (Col. 4: 16); van Antiochië (Hand. 13: 1; 15: 2); van elk van de 7 kerken van Klein­Azië (Op. 2, 3); van Efeze (Hand. 11: 26; 14: 27; 20: 17; 1 Tim. 5: 16); van Cesarea (Hand. 18: 22; Jac. 5: 14; 3 Joh. 9, 10); de vergadering eener plaatselijke kerk (Hand. 15: 22; 1 Cor. 14: 23); eene huis­kerk: te Rome (16 : 5); te Efeze (1 Cor. 16: 19); te Colosse (Col. 4: 15; Philemon 2); de kerk in een landstreek (Hand. 9: 31).

Het woord ecclesia in het enkelvoud, zonder het lidwoord, wordt gebruikt om aan te duiden: elke kerk in eene bepaalde streek (Hand 14: 23); eene plaatselijke kerk (1 Cor. 14: 4; 4: 17; Phil. 4: 15); de vergadering van de plaatselijke kerk (1 Cor. 14: 19, 35; 11: 18. 3 Joh. 6).

Het woord ecclesia in het meervoud wordt gebezigd, om aan te duiden: de som van de plaatselijke kerken in Judea (1 Thess. 2: 14; Gal. 1: 22); in Galatië (1 Cor. 16: 1; Gal. 1: 2); in Syrië en Cilicië (Hand. 15: 41); in Derbe en Lystre (Hand. 16: 5); in Macedonië (2 Cor. 8: 1, 13); in Azië (1 Cor. 16: 19; Op. 1: 4, 11, 20; 2: 7, 11, 17, 29; 3: 6, 13, 22; 22: 16); een onbepaald aantal kerken (Rom 16: 4, 16; 2 Cor. 11: 8, 28; 8: 23, 24); een geheel van plaatselijke kerken (2 Thess. 1: 4; 1 Cor. 7: 17; 11: 16; 14: 33; 2 Cor. 12: 13); de vergaderingen van alle plaatselijke kerken (1 Cor. 14: 34).

Het woord ecclesia wordt gebruikt in het enkelvoud om aan te duiden: de eene algemeene kerk vertegenwoordigd in de plaatselijke kerken (1 Cor. 10: 32; 11: 22; 12: 28; Hand. 20: 28; 1 Tim. 3: 5, 15); de eene algemeene christelijke kerk (Ef. 1: 22; 3: 10, 21; 5: 23, 24, 25, 27, 29, 32; Col. 1: 18, 24).

Wordt dus het woord ecclesia doorgaans gebruikt van de plaatselijke kerk, de eenheid wordt toch ook door het woord ecclesia aangeduid. Deze eenheid wordt ook op andere wijze uitgesproken. De Christenen zijn allen broeders, in welke plaats zij ook wonen. Zij vinden hun


1) Deze classificatie steunt op die van Hort, The Christian Ecclesia, p. 116-118; Bannermann, The Scripture Doctrine of the Church, p. 571 v.; van Lindsay, The Church and the Ministry in the Early Centuries, p. 10 v. en de Concordantiën van Trommius en Schmid.

|62|

eenheid in Christus (1 Thess. 2: 14; Gal. 1: 22). De brieven aan de Corinthische gemeente zijn vol vermaningen, om de eenheid plaatselijk te bewaren, en deze vermaningen gronden zich op de eenheid in Christus, en de saamhoorigheid van al de gemeenten (1 Cor. 1: 12, 13; 6: 9; 11: 16; 14: 33, 36; 16: 1). Paulus verkondigt hetzelfde evangelie, en geeft dezelfde verordeningen aan alle gemeenten (1 Cor. 4: 17; 7: 17; 11: 2, 23; 16: 1). Krachtig spreekt Paulus uit, dat in Christus is geen Jood noch Griek, enz. „Want gij zijt allen één in Christus Jezus” (Gal. 3: 28). De geloovigen staan niet op zich zelven, maar zij vormen samen een levend organisme, waarvan de geloovigen leden zijn, evenals de leden van één lichaam (1 Cor. 12:12). De Geest van Christus woont in allen. Die eenheid is met beperkt door bepaalde grenzen van landen of plaatsen. De christelijke kerk is tegenwoordig op vele plaatsen ter zelfder tijd, zooals Ignatius zegt: „Waar Jezus Christus is, daar is de geheele kerk”.1) De gemeente van Corinthe was niet „het lichaam van Christus”, maar „lichaam van Christus” (1 Cor. 12: 27) en de afzonderlijke leden zijn leden van het lichaam. Elke plaatselijke kerk is een complete kerk. Zij oefent tucht, excom­municeert onwaardigen (1 Cor. 5: 1-8), neemt den berouwvolle weer op (2 Cor. 2: 6-9, 1 Thess. 5: 14), neemt beslissingen (2 Cor. 2: 6), oefent gemeenschap met andere kerken (2 Cor. 3: 1, 2; 8: 9), geeft brieven van aanbeveling, verzamelt gelden voor eigen behoeften en voor de kerk van Jeruzalem (1 Cor. 16: 2). In dat lichaam der plaatselijke kerk, waarin de algemeene christelijke kerk vertegenwoordigd is, heeft God gaven en krachten gegeven, en worden het Woord en de sacramenten bediend. De eenheid der kerk is allereerst geestelijk van aard. Zij is niet allereerst, zooals Rome leert,2) in de eenheid der bisschoppen, in de eenheid van liturgie en regeering, maar in de mystieke eenheid met Christus, het hoofd en het leven der gemeente (Ef. 1: 10; 5: 22), in de eenheid des geloofs en der liefde (Ef. 4: 3-6). „Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar ben ik in het midden van hen” (Matth. 18: 20).

Deze ééne kerk is allereerst zichtbare kerk. Historisch valt de geboorte van de algemeene en plaatselijke kerk samen in de wording van de kerk te Jeruzalem door de uitstorting des H. Geestes. De eenheid der kerk is eene familie-eenheid. Evenals de leden eener familie door banden des bloeds aan elkander verbonden ziin, zoo ook heeft de kerk haar leven in Christus (Col. 3: 4), in het bloed der verzoening en in de geboorte uit den Geest (Rom. 8: 9). Doch de geestelijke levenseenheid dringt tot de openbaring van het leven des


1) Brief aan Smyrna, 8.
2) Schanz, Apologie III, 182.

|63|

Geestes, en zoo wordt de kerk, die haar wezen heeft in het onzichtbare, vanzelf zichtbaar, in de werken des geloofs en der liefde, in belijdenis en wandel, in de gemeenschap der heiligen, in de samenvergadering der gemeente tot gebed en dankzegging, tot de bediening van Woord en sacrament en tot handhaving van orde en tucht. De apostel Petrus draagt de eeretitels van het oude bondsvolk Israël over op de gemeente des Nieuwen Testaments, met deze woorden: „Maar gij zijt een uit­verkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, opdat gij zoudt verkondigen de deugden desgenen, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht” (1 Petr. 2: 9). De kerk werd als zichtbare gemeenschap openbaar, toen Israëls volk den Messias had verworpen. De jeugdige gemeente was een gemeenschap van heiligen, die volhardden „in de leer der apostelen, en in de gemeenschap en in de breking des broods” (Hand. 2: 42). De kerk trad terstond op als zichtbare kerk met eene roeping in deze bedeeling. Bij de beschrijving der gemeente in de Handelingen en in de Brieven lezen wij van de samenkomsten der gemeente, waar de geloovigen, krachtens den drang des Geestes in hen gelegd, naar den wil van Christus hun God dienen en elkander sterken door woord, gebed en daden der liefde.

Zij wordt gevormd door menschen, die den naam van Christus belij­den, die hunne kinderen door den doop inlijven in de gemeenschap der heiligen en opvoeden in de vreeze des Heeren, die samenkomen tot de liefdemaaltijden, barmhartigheid oefenen, en samen aanzitten aan den disch des avondmaals. Zij treedt actief en agressief op temidden van de wereld, getuigt voor haar Koning, die in de hemelen is, en roept al de menschen op tot geloof en bekeering. Zij is een georganiseerd lichaam, onder de leiding van apostelen, profeten, herders en leeraars tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbou­wing des lichaams van Christus (Ef. 4: 12). En hoe meer zichtbaar en tastbaar en werkzaam zij optreedt, des te meer bereikt zij hare bestem­ming om op te wassen „in Hem, die het Hoofd is, namelijk Christus” (Ef. 4: 15), en als het strijdend leger van Christus de wereld te veroveren.

Ofschoon de gemeente naar haar uitwendige openbaring zwak en zondig is, spreekt Paulus toch vrijmoedig tot haar: „gij zijt het lichaam van Christus” (1 Cor. 12: 27). Naar de menschelijke zijde is de gemeente onvolmaakt en zondig, maar in Christus is zij volmaakt (Col. 2: 20). Zij is in beginsel, wat zij eenmaal moet zijn. De geloovigen zijn kinderen Gods, en verwachten nog de aanneming tot kinderen; zij zijn verlost en verbeiden den dag der verlossing (1 Joh. 3: 2; Rom. 8). En daarom heeft de gemeente de roeping, om naar buiten te openbaren, wat zij naar haar wezen is.

|64|

De kerk is een zichtbaar georganiseerd lichaam, doch niet een organisatie, zooals deze den Roomschen bisschoppen voor den geest stond, een kerkstaat onder eene bisschoppelijke regeering. Neen, de apostel Paulus heeft er nooit aan gedacht, zulk een hiërarchie voor te schrijven. Hij noemde de geloovigen verlosten van Christus, vrij van de wet, en wilde dat alle kinderen Gods als vrijgemaakten zouden leven, en dat zij zich niet onder het juk van een mensch mochten buigen, maar dat Christus alleen Koning der gemeente is, en heer van alle dingen. Hij leerde, dat alle plaatselijke gemeenten zelfstandige openbaringen van het lichaam van Christus waren, die zelf eigen zaken regelden, met eigen bediening van Woord en sacrament. Evenwel wilde hij, dat de eenheid der kerken zou uitkomen in de gemeenschap des Geestes, in de eenheid van geloof en van liefde.

Uit de eenheid in Christus, uit de verlossing door Hem, moet de liefde openbaar worden. Alle gemeenten worden opgeroepen om de gemeente van Jeruzalem te helpen (Hand. 10: 30; 1 Cor. 16: 1; 2 Cor. 8). Paulus gaf verordeningen voor de inrichting der gemeente en voor bijzondere toestanden (1 Cor. 5: 9-13; 7: 17; 11: 34), voor de groepeering der naburige kerken tot eene eenheid. Corinthe was het centrum van de kerken in Achaje, Efeze van die van Azië, Thessalonica van die van Macedonië, terwijl die van Galatië weder eene andere eenheid vormden. Ja, nog meer, voor Paulus geest stond de eenheid van de geheele wereldkerk in samenwerkende broederlijke actie. Hij zelf bezoekt de geordende kerken, vermaande de opzieners de gemeente te verzorgen, en beval aan Titus, zorg te dragen, dat hij in Creta orde op zaken zou stellen en van stad tot stad ouderlingen zou aanstellen. Hij voerde voorts het beginsel van de representatie der kerken in. Elke groep van kerken zond deputaten, die Paulus op zijn reis naar Jeruzalem vergezelden, om het verzamelde geld te brengen (1 Cor. 16; Hand. 20: 5). Door de behartiging van al deze belangen, de versterking van de eenheid der liefde en des geloofs, zou de ge­meente opwassen tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus.

In overeenstemming hiermede verhalen de Handelingen, dat de Apostelen, als zij hoorden, dat Samaria het Woord Gods had aange­nomen, Petrus en Johannes zonden, om te onderzoeken het groote werk der bekeering, in Samaria geschied op de prediking van Filippus (Hand. 8). Barnabas werd gezonden naar Antiochië, om daar de genade Gods te zien. De gemeente in Antiochië zond afgevaardigden naar Jeruzalem, om daar met de apostelen en ouderlingen te spreken over de vraag der besnijdenis.

De kerk is dus eene zichtbare gemeenschap van menschen, die

|65|

Christus als hun verlosser en heer erkennen, en die de eenheid in hem betoonen in hun gemeenschappelijk geloof, en die den drang kennen om elkander te dienen en lief te hebben. De kerk is niet een agglomeraat van menschen, maar naar de beteekenis van het woord ecclesia is zij een georganiseerd lichaam, dat zich openbaart in de vereenigde actie van al de leden, van wie elk een eigen zelfstandige roeping heeft, terwijl de roeping van elk afzonderlijk lid en van alle gezamenlijke leden geregeld wordt door den wil van Christus, die is het Hoofd der kerk.

Deze zichtbare kerk treedt op in eene bepaalde gestalte, met ambten en bedieningen, die de gemeente verzorgen, leeren en regeeren. De gemeenschapsidee is den geloovigen ingeschapen. Zij zijn het leven van Christus deelachtig, en het leven trekt naar het Hoofd, waaruit het leven is, en naar allen, die hetzelfde leven deelachtig zijn.

De kerkvorm is dan ook niet eene liefhebberij, die afhangt van de willekeur der leden. Zij sluiten zich niet aaneen evenals de leden eener vereeniging, die samenkomen tot een bepaald doel. Neen, de autoriteit, die in de kerk zeggenschap heeft, komt van boven, van Christus, die het Hoofd zijner kerk is (Ef. 5: 23; Col. 1: 18). Jezus is en wordt genoemd het Hoofd der gemeente, 1º. in eigenlijken zin ter aanduiding van den organischen samenhang, zoo b.v. in Ef. 4: 15, 16: „dat gij zoudt opwassen in Hem, die het Hoofd is, namelijk Christus, uit welken heel het lichaam, naar de werking van een iegelijk deel in zijne mate, den wasdom des lichaams bekomt”. Maar 2º. ook in oneigenlijken en overdrachtelijker zin, om aan te duiden de regeermacht over dat lichaam (Ef. 5: 23; Col. 1: 18). Christus is de regeerder der gemeente, die over de gemeente met macht bekleed is. Hij is de groote aanvoerder der gemeente, die zijn strijdend leger is, om hem te dienen in de groote worsteling tegen satan en zijn rijk (Ef. 6: 11-19; 1 Tim. 6: 12; Openb. 2: 7; 6: 2; 19: 11). En de ge­meente kan eerst dan kracht uitoefenen en aan haar bestemming beantwoorden, wanneer ze zich als het georganiseerde lichaam van Christus openbaart. Er moet orde, leiding en regeering zijn, zal de kerk getrouw hare roeping kunnen uitvoeren. Evenals een leger niet zonder aanvoerder, een rijk niet zonder regeering, een school niet zonder leiding, een akker niet zonder verzorging, een huis niet zonder bouwmeester en bestuurder kan, zoo kan ook de kerk van Christus niet zonder vaste orde en leiding. Daarom heeft God Christus gezalfd als Koning van Sion, en Christus bedient zich voor de leiding der kerk van den dienst van menschen, die in zijnen naam moeten zorgen, dat naar zijn wil wordt gehandeld.

De kerkvorm is een onafscheidelijk deel van de aardsche

|66|

verschijning der kerk. De kerk is naar de bedoeling Gods niet alleen een vergadering van geloovigen, maar ook een moeder der geloovigen. Christus wil menschen gebruiken om andere menschen te vergaderen. Uit de werking des Woords worden de kinderen Gods gebaard. Paulus was gezonden tot de heidenen „om hunne oogen te openen en hen te bekeeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God” (Hand. 26: 18). Paulus verklaarde aan de Corinthiërs, dat hij hen in Christus Jezus door het Evangelie had geteeld (1 Cor. 4: 14, 15). Vooral bij de planting der kerk komt dit karakter der kerk als moeder der geloovigen duidelijk uit. Wanneer de kerk een­maal is gevestigd en de Christelijke literatuur alom is verspreid, ontkomt de oorsprong des levens meermalen aan onzen blik, en kan men niet altoos nagaan, in hoever de kerk ambtelijk medegearbeid heeft aan de toebrenging der verlosten. Maar ook dan nog blijft de actie des levens in den diepsten grond uitgaan van de kerk. Zij is draagster des Woords, die het beginsel des lichts heeft ontstoken, en die bij den voortduur het Christelijke leven voedt, bezielt en verzorgt.

Als zelfstandig lichaam met eene eigene organisatie nam de kerk haar aanvang met den Pinksterdag. Al waren er van het Paradijs af geloovigen, er was nog niet eene geestelijke gemeenschap, waarvan het lidmaatschap aan geestelijke kenmerken was te onderkennen. De kerk vóór Israël was toevertrouwd aan enkele familiën en geslachten en leefde het leven dier geslachten mede. Ook onder Israël bezat de kerk geen eigen zelfstandig leven met eene eigen geestelijke organisatie. De godsdienst was eene nationale zaak, en heel de inrichting van den cultus was bij de nationale wet geregeld. De Heere, zelf was Israëls Koning, die zelf voor alle deelen van het leven zijne wet had gegeven. Aan die wet waren alle Israëlieten onderworpen. De koning moest volgens die wet regeeren, de rechters naar die wet recht spreken, de priesters naar die wet hunne roeping in het heiligdom vervullen. De wet bepaalde den dienst Gods naar alle zijden, naar de maatschappelijke, burgerlijke, cultische en zedelijke zijde; zelfs was de vereischte gezindheid des harten in de wet voorgeschreven. Op de onderhouding van die wet was beloofd het leven, de overtreding der wet was be­dreigd met straf. Israël kende geen scheiding van kerk en staat, noch scheiding van godsdienst en staatsleven. De godsdienst stond niet naast het maatschappelijk en staatkundig leven, maar het leven in zijn geheel moest den Heere gewijd zijn. Maar evenmin was er eene vermenging van de levensterreinen. De priesterstand was geen hiërarchie, zoodat de wereldlijke macht aan de priesters onderworpen was; ook waren zij niet beambten van den staat, zooals bij de Grieken en de Romeinen, maar in de wet was aan de priesters een eigen

|67|

arbeid opgedragen, zoodat zij als stand weinig invloed hadden op het openbare en staatkundige leven, maar ook op hun terrein vrij waren van de willekeur der vorsten. De priesters moesten het volk onderwijzen, zij moesten dienen in het heiligdom, door offers en gebeden intreden voor het volk, maar zij waren ook voor zich zelf gebonden aan de wet en moesten ook voor eigen zonden offeren. De koning moest volgens de wet regeeren. De overheid was verplicht de wet Gods op het publieke terrein te handhaven, en niet alleen de zonde tegen de tweede tafel der wet straffen, maar ook die tegen de eerste tafel der wet, namelijk afgoderij, beeldendienst, godslastering, sabbats­schennis, enz. De godsdienst was nationale zaak, zonde was majesteits­schennis, aanranding van het verbond. Alle burgers, alle leden des volks behoorden tot het volk des Heeren (Ex. 19: 6; Deut. 7: 6). Alle mannelijke leden des volks moesten het sacrament der besnijdenis ontvangen, al wat mannelijk was moest driemaal in het jaar verschijnen voor het aangezicht des Heeren te Jeruzalem, om deel te nemen aan de hooge feesten. Die het waagde de sacramenten te versmaden, moest worden gedood. Heel het volk was dus Gods volk, maar niet in den zin van de gemeente des N. Verbonds, van een geestelijke gemeenschap, van een vergadering van geloovigen. De gemeente der geloovigen was wel in Israël, maar de N. Testamentische bepaling van de kerk als vergadering van geloovigen kan niet op Israël worden toegepast. De geloovigen waren wel in Israël, maar zij waren nog niet als gemeente georganiseerd. Het behooren bij de Israëlitische gemeente berustte niet op een geestelijke, maar op een vleeschelijke basis. Dit hangt ten nauwste samen met de bijzondere plaats, die Israël bezat in de geschiedenis des heils. Het had zijne bestemming niet in zichzelf, maar in Christus, en in de gemeente des N. Testaments, waarvan het een voorbeeld was (Gal. 3; Hebr. 11: 40). Daarom was ook de verlossingsweg onder Israël symbolisch voorgesteld in de offers en de plechtigheden van tabernakel en tempel. Daarom was de bedeeling des heils onder Israël gebonden aan bepaalde vormen en instellingen, gebonden aan het nationaal karakter van een volk. Eerst met Christus' komst, door zijne voldoening en verzoening, werd het mogelijk, dat de kerk als het geestelijke lichaam van Christus een eigen zelfstandige openbaring ontving.

Voor deze kerk heeft Christus zelf een organisatie verordend, ambten en bedieningen gesteld. Deze wil van Christus blijkt vooral uit drie bekende plaatsen: Matth. 16: 13-19, Matth. 18: 15-20 en Joh. 20: 21-23.

De eerste dezer drie plaatsen spreekt zoo sterk, dat de kerk aller eeuwen hierop het kerkelijk gezag heeft gegrond. De bezwaren tegen

|68|

de echtheid van Matth. 16: 18 vloeien voort uit de verkeerde voorstelling, dat eerst in de tweede eeuw van eene georganiseerde kerk sprake is. Juist daarom hebben de bezwaren ook zoo weinig beteekenis. Er is werkelijk geen enkele gezonde reden te vinden, waarom vss. 17-20 door een lateren schrijver zouden zijn ingeschoven. Bovendien worden deze verzen in het verband geëischt. Jezus is gekomen in de deelen van Caesarea Philippi en vraagt daar naar het oordeel der menschen over hem. De discipelen geven in hun antwoord de verschillende meeningen der menschen weder. Dan vraagt Jezus rechtstreeks aan de discipelen, wien zij in hun meester hebben leeren zien. En Petrus geeft uit aller naam dit antwoord: „Gij zijt de Christus, de zoon des levenden Gods”. Op deze belijdenis wordt Petrus door Jezus zalig gesproken. Jezus zegt: „Zalig zijt gij, Simon, Bar Jona, want vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is”. Niet een mensch had Petrus deze schoone belijdenis geleerd, maar God zelf had Petrus bekend gemaakt, dat Jezus was de Christus, en in het persoonlijk verkeer met Jezus was Petrus dit licht opgegaan. Op die belijdenis nu van Petrus verklaart Jezus: „En ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus en op deze Petra zal ik mijne gemeente bouwen en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen”. Eenmaal had Jezus aan Simon den naam Cephas of Petrus gegeven (Joh. 1: 42), en hij spreekt hem aan met dezen naam, om daarmee aan te duiden de gewichtige plaats, die hij straks in de kerk zal innemen. De naam Petrus (rots) wil niet zeggen, dat Petrus van nature zulk een vast karakter bezat, want het blijkt duidelijk uit de ver­schillende plaatsen des N.T., waar wij van Petrus lezen, dat deze een man was van een licht bewogen en opbruisend temperament, en de naam Simon duidt meer aan, wie hij van nature was, dan de nieuwe naam Petrus. De vastheid, waarmede Petrus later kon op­treden, ligt dan ook in het geloof, waarmede God hem begenadigd had. Petrus wordt door den naam Petra aangeduid, niet als de rots­bodem, welke de vastheid van het huis, dat daarop gegrond is, waar­borgt, maar als de rotssteen, die als eerste bouwsteen dienst doen moet, want het huis zijner gemeente, dat Jezus bouwen wil, bestaat uit menschen, zooals ook Petrus is, en Petrus zelf, die de eerste is, die het geloof in Christus en zijn volheid heeft gevat en beleden, behoort ook tot de gemeente, en hij wordt genoemd de eerste bouw­steen, waaraan straks de anderen worden toegevoegd. Deze gemeente begon zich te vormen van het oogenblik, dat Jezus een kring van discipelen rondom zich vereenigde. Hij zelf is de bouwheer. De uit­drukking: „Ik zal bouwen”, toegepast op een kring van menschen, klinkt ons vreemd in de ooren, wijl wij gewoonlijk de idee van

|69|

bouwen toepassen op een stoffelijk gebouw, maar in het O. Testament werd deze uitdrukking herhaaldelijk gebruikt van het herstel van Gods volk (Jer. 24: 6; 33: 7). Hier bezigt Jezus het woord „bouwen” om aan te duiden, dat hij de schare van hen, die in hem gelooven, als een hecht gebouw, als eene eenheid zal gronden op het fundament des geloofs. In tegenstelling nu met het huis, dat Jezus gaat op­richten, wordt verder gesproken van de macht der vijandschap tegen God, van het rijk des doods, voorgesteld als eene geweldige vesting, van waar uit doodelijke aanvallen gedaan worden op de stad Gods, maar het zal den booze niet gelukken de gemeente, van Christus te verstoren. Jezus ziet de godstad rijzen op den grondslag van wat Petrus heeft beleden, hij ziet de voltooiing van dat gebouw, en daar­tegenover de vernietiging van de macht des boozen. In het huis van Christus zal Petrus zijn de oeconomos, de huisverzorger. Christus zelf is de huisheer, die te beschikken heeft over zijn huis, en die regelen geeft, waarnaar men zich in huis moet gedragen. Jezus zegt tot Petrus: „Ik zal u geven de sleutelen van het koninkrijk der hemelen, en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn”. Door dit woord is Petrus niet benoemd tot deurwachter des hemels, want het koninkrijk Gods is niet de hemel, noch de eeuwige zaligheid, maar het rijk Gods, dat door Christus op aarde is opgericht en eenmaal voltooid zal zijn in den hemel.1) Trouwens Jezus heeft zich zelven den toegang in het hemelrijk voorbehouden (Matth. 7: 21-24; 16: 27; 24: 42-25: 46; Luk. 23: 43). Christus zelf is „de Heilige, de Waarachtige, die den sleutel Davids heeft, die opent en niemand sluit, en hij sluit en niemand opent” (Op. 3: 7). Doch Petrus ontvangt als de huisverzorger de opdracht, om de goederen des heils ten behoeve van de huisgenooten uit de voorraadkamers van het koninkrijk Gods te halen en deze uit te deelen. Tevens ontvangt Petrus van Jezus de bevoegdheid regelen en inzettingen van den Koning bekend te maken, de huisorde vast te stellen, waarnaar de onderdanen des Konings zich moeten gedragen. En Jezus voegt er bij, dat de beschikking, welke Petrus op aarde treft, in den hemel voor bindend geacht zal worden. Het voorwerp van het binden en het losmaken zijn niet personen, maar zaken. „Zoo wat gij binden zult op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn”, enz. Binden en losmaken zijn in de latere Joodsche geschriften de gewone termen voor verbieden of voor geoorloofd verklaren. Wat Petrus naar den wil van Christus zal verordenen in het koninkrijk Gods op aarde, zal door den Heer der


1) Th. Zahn, Das Ev. d. Matthäus in loco.

|70|

gemeente worden bevestigd. In deze woorden wordt volstrekt niet het primaat van Petrus, naar de voorstelling der Roomsche kerk, geleerd, want al zou Petrus hier een eerste plaats zijn aangewezen onder de apostelen, nergens wordt geleerd, dat dit primaat op de opvolgers van Petrus, op de bisschoppen, is overgegaan. Bovendien, al wordt aan Petrus hier, evenals op andere plaatsen (Matth. 10: 2; Hand. 1: 15), een eerste plaats onder de apostelen toegekend, hier wordt hij in het bijzonder aangesproken, omdat hij de eerste geweest is, die de belijdenis van Christus zoo krachtig heeft uitgesproken. En deze uitdrukking is niet in strijd met de waarheid, dat Christus is het leven der gemeente, het Hoofd zijner kerk, en dat de gemeente gebouwd is op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Christus is de uiterste hoeksteen (Ef. 2: 20). In Matth. 16: 18, 19 worden dus kerk en koninkrijk Gods met elkander in innig verband gebracht. De kerk is de zichtbare representatie van het koninkrijk Gods, waarin naar de wetten van Christus moet worden geleefd. Een bepaalde autoriteit is er dus gegeven in de kerk, „maar evenals Petrus’ belijdenis afhing van de ingeving des Vaders, zoo hangt ook de bekrachtiging van de uitoefening der macht af van het gebruiken daarvan, zooals Christus dit zou doen”.1)

In Matth. 18: 18-20 geeft Jezus aan de gemeente en aan de apostelen, als de vertegenwoordigers der gemeente, de macht om op grond van de belijdenis van Christus te binden en te ontbinden, de zonden te vergeven en te houden. Hier wordt gehandeld over het geval, dat de geloovigen alle moeite moeten aanwenden om een broeder, die afg­dwaald is of gezondigd heeft, te winnen. Indien iemand door zijn broeder verkeerd is bejegend, mag hij niet zinnen op wraak, of ook het onrecht lijdelijk dragen, maar hij moet trachten de verkeerde verhouding uit den weg te ruimen. Allereerst moet hij zelf heengaan om den broeder van onrecht te overtuigen. Indien dit niet baat, moet hij opnieuw met twee of drie getuigen heengaan om hem te winnen. Helpt ook deze bestraffing niet, dan moet de beleedigde zijne zaak voor de gemeente brengen, en indien de zondaar ook niet luistert naar de gemeente, dan moet de gemeente hem beschouwen als een heiden en tollenaar, met wien men geen broederlijk verkeer heeft. De gemeente is dus de hoogste rechterlijke macht op aarde. Wel zijn hier de twaalf aan­gesproken, maar niet als apostelen, doch als leden van Christus’ gemeente, als de kern en het begin van zijne gemeente, en misschien als de vertegenwoordigers der gemeente. Christus zelf geeft de regelen aan, naar welke de gemeente kan bepalen, of iemand mag gerekend


1) Lindsay, The Church and the Ministry, p. 27.

|71|

worden tot het koninkrijk der hemelen, en het oordeel, dat de gemeente in een bepaald geval velt over iemands zondevergeving of zijne uitsluiting uit het koninkrijk der hemelen, wordt door den Koning der gemeente voor bondig gehouden. Evenwel deze bevestiging is conditioneel. De voorwaarde, waarop Christus de uitspraak der gemeente bevestigt, is de wezenlijke en levende gemeenschap tusschen de gemeente en haar hoofd Jezus Christus, zoodat de gemeente beslist naar den wil van Christus. Uitwendige machtsmiddelen staan den discipelen niet ten dienste, maar in het gemeenschappelijke gebed hebben zij een schier onbegrensde macht, want Jezus zelf komt in hun midden, en geeft hun den wensch des harten (vss. 19, 20).

In Joh. 20: 19-23 wordt slechts in het algemeen van de sleutel­macht gesproken. Jezus stelt zijne discipelen plechtig aan tot apostelen. Gelijk hij zelf door den Vader gezonden was, maakt hij op zijn beurt gebruik van het recht, hem gegeven, om apostelen te zenden. Door de bijzondere mededeeling des Geestes zouden zij voor hun ambt bekwaamd worden, en zouden zij de macht ontvangen iemand de zonden te vergeven en te houden.

De apostelen ontvangen dus een bijzondere plaats in de gemeente en eene bijzondere macht. Zij zijn verwaardigd door het licht des Geestes om de deur van het koninkrijk Gods voor de geloovigen te openen en voor de ongeloovigen te sluiten. Als openbaringsorganen ontvingen zij bijzonder licht over den weg des heils, niet alleen in het onfeilbaar prediken en te boek stellen van het Woord Gods (Joh. 14: 16; 16: 13; 17: 20; 1 Cor. 2: 10; 11: 23; 15: 3; Gal. 1: 16; Ef. 3: 3-5; 1 Petr. 1: 12; 1 Joh. 1: 1-3; Op. 1: 11), maar ook om in bijzondere gevallen het oordeel Gods over menschen uit te spreken (Hand. 5: 1-10; 8: 20-23; 13: 10, 11; 1 Cor. 5: 4). Zij kunnen de macht in de gemeente niet onafhankelijk van Christus uitoefenen, maar zijn gebonden aan hem en aan zijn wil. Zij stellen zich nimmer op den rechterstoel van Christus. Maar in het leggen van den grond der gemeente, als gezanten van Christus en organen des H. Geestes, hebben zij een eenige plaats in de gemeente. De gemeente is gebouwd op het fundament, door de apostelen gelegd (Ef. 2: 20), de gemeente heeft gemeenschap met Christus door het Woord, dat de apostelen hebben gesproken (1 Joh. 1: 1-4). Doch al stonden zij als grond­leggers der gemeente en als openbaringsorganen boven de gemeente, die verordeningen uit hun hand aanvaardt en het Woord des Heeren uit hun mond gelooft, zij waren tevens leden der gemeente en handelden als leidslieden niet los van de gemeente. De eerste gemeente te Jeruzalem had zelfbestuur. De gemeente koos hare ambtsdragers en afgevaardigden. Matthias werd door de gemeente tot apostel gekozen

|72|

en de zeven werden door de gemeente tot armverzorgers aangewezen. De apostelen stelden de voorwaarden, waaraan een te verkiezen persoon moest beantwoorden, maar de gemeente koos de personen (Hand. 1 en 6). De zelfstandigheid der gemeente wordt van den beginne verondersteld.

Ook later vinden wij hiervoor menig bewijs. Wanneer de apostel Paulus aan Corinthe’s gemeente voorschrijft, hoe zij moet handelen met een gevallene, dan zegt hij, dat de gemeente tucht moet oefenen, dat zij den booze uit haar midden moet wegdoen (1 Cor. 5). De ge­meente van Rome wordt vermaand, toe te zien op de dwaalleeraren, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, en wanneer valsche leeraren tot de gemeente komen, moet zij alle aanraking met hen vermijden, zich aan hen onttrekken (Rom. 16: 17). De gemeente heeft van Christuswege de opdracht, te waken voor de zuivere leer, voor orde en tucht (1 Cor. 5: 5; 11: 34; 2 Joh. 10; Openb. 2: 14, 20, 24). De gemeente moet beproeven de geesten, of zij uit God zijn (1 Joh. 4: 1; Op. 2: 3; Fil. 1: 10). De regeering der gemeente is eene christocratie. Christus woont in de gemeente, regeert haar door zijn Woord en Geest, en wil dat naar zijnen wil wordt gehandeld. Alle macht in de kerk berust oorspronkelijk bij Christus, die door God gezalfd is tot Koning van Sion, en draagt daarom een geestelijk karakter, en de macht, door hem aan de gemeente gegeven, draagt een afhankelijk karakter, is gebonden aan zijn Woord (1 Cor. 15: 25; Hebr. 1: 13; Ef. 4: 11).

Hieruit mag echter niet afgeleid worden, zooals de Independenten doen, dat de gemeente is een som van individuën, en dat de macht uitgeoefend wordt door de geloovigen gezamenlijk, krachtens den wil des volks. Immers de gemeente is een organisme, en zij oefent de macht uit onder de leiding van het ambt. Wel zijn er vele gaven in de gemeente, die, door den H. Geest geschonken, als diensten van Christus en werkingen Gods zich openbaren en der gemeente onderling tot stichting dienen (1 Cor. 12). Maar desniettemin verbond Christus aan de bijzondere machten, door hem ingesteld, een speciale macht, bestaande in het prediken van het Evangelie, in de bediening van het sacrament en de tucht, en deze macht strekt tot leiding en verzorging der gemeente, tot volmaking der heiligen en opbouwing des lichaams van Christus (Ef. 4: 11-13; 6: 11-18). Dat ambt is noodig, omdat de gemeente in deze bedeeling nog onvolmaakt is, en het valt niet eer weg, voor heel de gemeente vergaderd is en al de geloovigen gekomen zijn tot de eenigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, en vervuld zijn met het licht en de genade van Christus.

|73|

Doch door het bijzondere ambt is de macht der gemeente niet weggenomen. De geloovigen zijn leden van het lichaam van Christus, door hem vrijgemaakt van de tirannie van satan en zonde, door den Geest wedergeboren en geheiligd tot den dienst en den lof des Heeren. Één leven met Christus deelachtig, zoekt ook hun leven de gemeen­schap met Christus, en begeert hun hart zijn wil te volbrengen en in de gemeenschap der heiligen hunne schatten en gaven tot nut en zaligheid van de andere leden des lichaams, tot den opbouw van Gods koninkrijk aan te wenden. Deze roeping is profetisch, priesterlijk en koninklijk (1 Petr. 2: 9; Op. 5: 10). Gods Sion is een profetisch volk, bestemd om door woord en daad God te loven, om den naam Gods te belijden en de kennis Gods te verbreiden op elk levensterrein (Matth. 5: 13, 14; 10: 32; 1 Joh. 2: 20, 27). Priesters moeten de ge­loovigen zijn, niet alleen door het reukoffer des gebeds bestendig Gode op te dragen en lof en aanbidding neer te leggen voor ’s Heeren troon, maar ook door zichzelven den Heere te wijden en als een levend dankoffer zich te wijden aan den Vader, van Hem alles te verwachten, en in geloof en lijdzaamheid hem te volgen (Rom. 12: 1; 1 Petr. 2: 5, 9; Hebr. 12: 1, 2; 13: 16; Openb. 1: 6; 5: 10). Voorts moet Gods volk zich koninklijk openbaren, om zich niet te laten beheerschen door de zonde, om trouw te staan te midden van de wereld, fier te getuigen van ’s Heeren naam, krachtig te strijden voor zijn eer, en op aarde bij den aanvang en eenmaal volmaakt zonde, wereld en dood te overwinnen (Rom. 6: 12, 13; 1 Tim. 1: 18, 19; 2 Tim. 2: 12; 4: 7; 1 Joh. 2: 13, 14; Openb. 1: 6; 2: 26; 3: 21; 20: 6). Deze roeping staat in het nauwste verband met de roeping, die de mensch had in het paradijs als geschapen naar het beeld Gods. Door de zonde onmachtig en onwillig geworden tot het volbrengen van deze taak, is de geloovige door Christus herschapen naar Gods evenbeeld, bekwaamd en bereid en gewillig gemaakt om het ambt van Christen te vervullen. Dit ambt, onderscheiden van het speciale ambt, wordt door de bijzondere bedieningen niet vernietigd. Wel moeten de geloovigen de leiding van het ambt dankbaar en gewillig aanvaarden, maar zij mogen tevens niet hun eigen roeping verwaar­loozen. Deze taak is niet alleen correctief, om kritiek te oefenen over de ambtsdragers, maar functionneert ook zelfstandig naast het bij­zondere ambt. De geloovigen moeten medearbeiden aan de komst van Gods koninkrijk, mede oordeelen over leer en regeering, over orde en tucht in de gemeente, en zoo noodig moeten zij zich onttrekken aan de valsche herders. Dat recht der geloovigen is onvervreemdbaar, ook na de instelling der bijzondere ambtsdragers.

De verhouding van het algemeene priesterschap der geloovigen tot

|74|

het ambt zullen wij later in het hoofdstuk over het ambt uiteenzetten. Thans zij het genoeg, vast te stellen, dat naar de doorgaande leer des N. Testaments Christus aan de gemeente macht heeft gegeven tot het belijden van zijn naam, tot de verbreiding des Evangelies, tot de handhaving van orde en tucht, en dat deze macht organisch zich moet openbaren, onder de leiding van het bijzondere ambt.

Bouwman, H. (1928) § 7

§ 7. Het leven en de organisatie der kerk in de apostolische eeuw.

a. De apostelen.

De kerk is „gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen” (Ef. 2: 20). Het woord ἀπόστολος (apostel) komt van ἀποστελλω = wegzenden, afzenden met een bepaald doel. Vandaar beteekent ἀπόστολος een afge­zondene, een gezant (Joh. 13: 16; 2 Cor. 8: 23; Phil. 2: 25). In het profane Grieksch wordt dit woord zelden gebruikt.1) In het latere jodendom wordt het woord gebruikt ter aanduiding van gezanten, van Jeruzalem uitgezonden, om in de diaspora geld te verzamelen voor den tempeldienst. Het is echter zeer twijfelachtig, of het woord bij het jodendom in den tijd vóór Jezus in gebruik was, zoodat het zeer waarschijnlijk is, dat Jezus zelf dit woord gekozen heeft in de genoemde beteekenis, om daarmede de 12 discipelen aan te duiden. Christus wordt zelf genoemd de ἀπόστολος (Joh. 3: 34; Hebr. 3: 1), de gezondene des Vaders, en hij zelf zendt, als de gezant Gods, de apostelen (Joh. 20: 21). Uit de Evangeliën blijkt, dat Jezus uit het getal zijner discipelen een twaalftal afzonderde, die hij ook apostelen noemde (Matth. 10: 1, Marc. 3: 13-16, Luk. 6: 13). Bij hunne eerste roeping werd hun als taak aangewezen, om met Jezus te zijn en het evangelie des konink­rijks te verkondigen, maar in de afscheidsrede (Joh. 13: 31-17: 26) wordt de roeping, met het oog op de toekomst, wanneer Jezus is heengegaan, uitgebreid. Zij moeten optreden als Jezus’ getuigen, en ontvangen met het oog hierop de zekerheid, dat de Geest van God


1) Bibl. theol. Wörterbuch der Neutestl. Gräcität von H. Cremer, s.v. ἀπόστολος; H. Bruders, Die Verfassung der Kirche von den ersten Jahrzehnten d. Apost. Wirksamkeit an bis zum Jahre 175 n.C., Mainz, 1904, S. 18; Lightfoot, The name and office of an Apostle, p. 93.

|75|

met hen getuigen zal, zoodat zij niet alleen in staat worden gesteld het evangelie te prediken, maar ook bekwaamd, om door het lichten de leiding des H. Geestes mondeling en schriftelijk de gedachten Gods voor de toekomst te vertolken.

De opdracht voor dien arbeid wordt hun rechtstreeks gegeven in Matth. 28: 16-20 en in Joh. 20: 19-23. Als de Middelaar-Koning, wiep alle macht gegeven is in den hemel en op de aarde, geeft Jezus zijnen discipelen eene vernieuwde zending en stelt hij hun hunne roeping in vollen omvang voor. Zij moeten uitgaan om de volken tot leerlingen van Christus te maken, en het evangelie des koninkrijks te bevestigen met den doop in den naam des Vaders, en des Zoons en des H. Geestes. Voor dien arbeid bekwaamt Jezus zijne apostelen door de bijzondere mededeeling des Geestes (Joh. 20: 19-22).

Wij weten niet, of Jezus den apostelen nog eene bijzondere onder­richting gegeven heeft in verband met hunne roeping. Doch wel wordt ons medegedeeld, dat Jezus nog vele teekenen heeft gedaan en vele woorden heeft gesproken, die niet beschreven zijn in de Evangeliën (Joh. 20: 30). Maar dat geeft volstrekt geen recht om, zooals de Roomsche kerk doet, mede hierop de traditie te laten rusten. Alleen de H. Schrift is vertrouwbaar en genoegzaam voor de kennis van het heil en den dienst Gods. Doch het is opmerkelijk, dat de apostelen, terstond na de hemelvaart, optreden met de macht en de autoriteit van het ambt, waarin zij door Christus gesteld zijn. Zij zijn er op bedacht, dat het getal „twaalf” van den apostelkring moet gehandhaafd blijven tot Jezus’ wederkomst door den Geest. Gedekt door de profetie, dat Judas’ ambt aan een ander zou overgaan (Ps. 69), stelt Petrus voor, een plaatsvervanger te kiezen. Het was niet toevallig, dat er twaalf apos­telen gekozen zijn. Jakob had twaalf zonen, en uit deze twaalf werd het heilige volk geboren, en het twaalftal stammen Israëls bekleedt eene bijzondere plaats in de voorbereiding van het koninkrijk Gods. Jezus koos twaalf uit zijne discipelen, om steeds bij hem te zijn, en om zijne aposte­len te zijn, en hij beloofde hun, dat zij in de wedergeboorte aller dingen, als Jezus wederkomt als rechter op de wolken, zullen zitten op twaalf tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israëls (Matth. 19: 28). En wanneer de apostel Johannes het nieuwe Jeruzalem en hare heerlijkheid beschrijft (Openb. 21), verhaalt hij, dat op de twaalf fundamenten der godsstad zijn ingegrift de namen der twaalf apostelen, om daardoor te vertolken, dat Gods kerk gegrond is op het apostolisch getuigenis.

De apostelen hebben dan ook in de keuze van Matthias tot apostel niet voorbarig en lichtvaardig gehandeld.1) Deze onjuiste gedachte


1) Dr A. Kuyper, Het werk van den H. Geest, 1888, I, 215.

|76|

grondt zich op eene verkeerde uitlegging van Hand. 1, en op eene onjuiste voorstelling, alsof Paulus als opvolger van Judas tot het twaalftal werd gekozen. Immers Paulus rekent zich zelven niet tot de twaalven, en onderscheidt zich van hen (1 Cor. 15: 5, 7). Wel echter is hij overtuigd een apostel te zijn, geroepen niet door een mensch, maar door Christus Jezus zelf (Gal. 1: 1; 2 Cor. 1: 1; 1 Cor. 1: 10-4: 21). Al moet hij belijden, dat hij is de minste der apostelen, niet waardig een apostel genaamd te worden, omdat hij de gemeente Gods vervolgd heeft (1 Cor. 15: 9; 1 Tim. 1: 15; Ef. 3: 8), hij handhaaft toch met kracht tegenover zijne belagers in Corinthe, dat hij in geen ding minder geweest is dan de uitnemendste der apostelen, en dat de merkteekenen van hem als apostel onder de Corinthiërs bekend zijn (2 Cor. 12: 11, 12). Paulus was wel een apostel, maar behoorde niet tot de twaalven.1) Welke de verhouding van Paulus tot de twaalven was, is moeilijk te zeggen. Hij maakt zelf wel het onderscheid, dat de apostelen te Jeruzalem onder Israël en hij zelf onder de Heidenen het Evangelie zou verkondigen (Gal. 1: 16; 2: 7-9; Rom. 11: 13; 15: 20; Ef.3: 8), maar dit onderscheid is toch zeer relatief. Want niet alleen ving Paulus zijne prediking aan bij de synagoge, en verzuimde hij nimmer om ook den heidenen den Christus te verkondigen, maar ook aan de twaalven was het opgedragen het Evangelie uit te dragen naar de volken (Matth. 28: 19; Hand. 10: 42). Wanneer Paulus de apostel der heidenen genoemd wordt, wil dit niet zeggen, dat de andere apostelen niet onder de heidenen gepredikt hebben, maar dat Paulus in het bijzonder verwaardigd werd om de Grieksch-Romeinsche wereld te brengen aan den voet van het kruis. De twaalven legden den grondslag der kerk, Paulus bouwde op hetzelfde fondament voort.

De twaalven waren in het bijzonder bestemd om den grondslag der Christelijke kerk te leggen. Op den Pinksterdag treden zij als één geheel op, en verkondigen wat God in de uitstorting des Geestes heeft willen schenken aan zijn gemeente, wat Christus gedaan heeft en zal doen, en welken weg des heils in Christus is ontsloten. Zij zijn de leidslieden der jonge kerk, en geven verordeningen voor de inrichting der gemeente (Hand. 2-9). Maar nadat de eerste dagen van de jeugd der kerk zijn voorbijgegaan, treden de apostelen meer op den achter­grond. In Jeruzalem komen naast de apostelen de ouderlingen, die mede de leiding der gemeente hebben (Hand. 11: 1, 30; 14: 23). Op het convent te Jeruzalem (Hand. 15) worden de afgevaardigden van Antiochië gezonden namens de apostelen, de ouderlingen en de gemeente. Zij schrijven: „De apostelen en de ouderlingen en de broeders wenschen


1) Dr H. Bavinck, Ger. Dogmatiek, 1911, IV, 64.

|77|

den broeders uit de heidenen, die in Antiochië en Syrië en Cicilië zijn, zaligheid”. Ook de leden der gemeente gaven hun goedkeuring aan het besluit. Wel laten een vijftal oude handschriften het woordje en tusschen ouderlingen en broeders weg, en willen vele uitleggers op grond hiervan lezen: „De apostelen en de ouderlingen-broeders”, maar al zou dit, zoals Hort1) zegt, de rechte lezing zijn, of al zou het woordeken en, zooals Meyer en Wendt2) meenen, later om hiër­archische reden zijn uitgelaten, dit verandert niets aan het feit, dat, volgens vs 22, geheel de gemeente mede het besluit, dat naar Antiochië gezonden werd, goedkeurde.

Het schijnt, dat de apostelen al spoedig de moeder-gemeente hebben verlaten, en evenals Paulus hun leven gewijd hebben aan den zendings­arbeid. Van een gemeenschappelijk optreden der apostelen lezen wij niet meer. Hoe meer de gemeenten zich uitbreidden en hoe breeder de arbeid der apostelen werd, hoe meer de apostelen uit den gezichts­kring van de Jeruzalemsche gemeente en uit de geschiedenis zelve verdwijnen. De schrijver van de Handelingen laat den sluier over het leven der twaalven liggen, wijl het zijn oogmerk was, na den eersten tijd der kerk te hebben beschreven, duidelijk te maken, hoe het Christendom als vrucht van Paulus’ prediking zich over de Grieksch­Romeinsche wereld verbreidde tot Rome toe.

De geschiedenis van de apostolische kerk bevestigt dus, dat de be­teekenis van de twaalven is geweest het leggen van den grondslag voor de kerk van Christus. Als zoodanig is het apostolaat een eenig ambt, dat alle ambten in zich bevatte. De apostelen werden door Christus zelf geroepen tot hun ambt, ze werden als autoriteiten in de gemeente erkend.3) Dit neemt niet weg, dat zij Charismatici waren, want charisma en ambt sluiten elkander niet uit. Het ambt veronder­stelt de gave. De naam „apostel” is van den beginne een ambtsnaam geweest, hetgeen bevestigd wordt door het optreden van Pseudo­apostelen (2 Cor. 11: 13), die zich alleen konden handhaven door eene roeping voor te wenden, die de ware apostelen hadden ons­vangen.4) De naam „apostelen” wordt soms ook wel gegeven aan


1) Hort, The Christian Ecclesia, p. 71.
2) Meyer-Wendt, Apostelgeschichte, s.v.
3) Ook Harnack, die van oordeel is, dat Jezus geen nieuwe Religionsgemeinde ge­sticht heeft, maar wel een kring van discipelen rondom zich heeft verzameld ende verkondiging van het evangelie aan uitverkoren apostelen heeft aanbevolen, moet dit erkennen. Hij zegt, Lehrb. d. Dogmengeschichte 1888, I. 86: „Dazu standen die von Jesu erwählten Zwölf in einen besonderen Ansehen, und Paulus vindicirte sich die gleiche Autorität.” En op bl. 133 zegt hij: „Der aprioristische Charakter dieser Annahme (namelijk, dat Christus hun had opgedragen het Evangelie te verkondigen) zeigt sich eben darin, dass es in der Regel die Zwölfe als Collegium sind, auf die man die Mission und die Ueberlieferung zurückführte.” cf. Entstehung und Ent­wickelung der Kirchenverfassung, Leipzig, 1910, S. 5.
4) Sillevis Smitt, De organisatie der Chr. kerk in den Ap. tijd, bl. 47.

|78|

personen buiten den kring der twaalven, aan mannen als Barnabas, Markus, Lukas, Apollos, Timotheüs en anderen (Rom. 16: 7; 1 Cor. 4: 6-9: 5, 6; 2 Cor. 8: 23; Gal. 1: 19; 1 Thess. 2: 6), die mede­arbeiders der apostelen waren, maar apostelen in engeren zin zijn alleen de twaalven, die den grondslag legden voor de gemeente, en Paulus, die op dit fundament heeft voortgebouwd.1) De kenmerken van een apostel waren: 1º. zij waren oor- en oog­getuigen van het leven, de leer en de opstanding van Christus (Hand. 1: 22; 10: 41; 1 Cor. 15: 14); 2º. zij waren onmiddellijk door Christus geroepen en gezonden voor de verkondiging van het evan­gelie (Hand. 1: 8, 22, 25); 3º. zij waren begiftigd met den Geest des Heeren om het Woord Gods te spreken, om de woorden Gods te verklaren en voorschriften te geven voor het geloof, het leven en de ordening der gemeente (1 Cor. 9: 2; 1 Cor. 11: 2, 34; 14: 37; 1 Thess. 2: 6; 2 Thess. 3: 6-10). Daarom eischen zij ook gehoor­zaamheid aan het woord, door hen gesproken (1 Cor. 4: 14-21; 7-10; 11: 1, 34; 14: 37; 2 Cor. 2: 9; 13: 2, 3; Gal. 4: 13-19; Phil. 3: 17). 4º. Zij vormen den band tusschen Christus en de gemeente, opdat de gemeente door hun woord in Christus zou gelooven, en met Christus gemeenschap zou hebben (1 Joh. 1: 1-4). 5º. Hun ambt droeg een generaal karakter, voor héél de kerk (Matth. 28: 19; Marc. 16: 15; Joh. 17: 20). Alle ambtelijke bevoegdheid is in het apostolaat begrepen. Weizsacker ziet in de twaalven slechts persoonlijkheden, geen col­lege.2) Maar terecht zegt Lechler3): „Offenbar haben wir sie nur als einen geschlossenen Kreis, als ein mit Autorität begabtes Collegium zu denken” (Hand. 15: 2, 5; Gal. 1: 17). De eerste gemeente was „volhardende in de leer der apostelen” (Hand. 2: 42).

Petrus bekleedde onder de Apostelen eene bijzondere plaats. Hij is de eerste in de rij der apostelen. De oude Protestanten gingen te ver, door het woord πέτρα in Matth. 16: 18 niet te laten slaan op Petrus, maar alleen op zijne belijdenis, want hij wordt als belijder als de rots van de gemeente gesteld.4) De leer van de Roomsche kerk, dat Petrus was het hoofd van de apostelen, dat de macht van de apostelen door de zijne was beperkt, en dat de opvolgers van de apostelen, de bisschoppen, eene macht in de kerk bezitten, onder­geschikt aan den opvolger van Petrus, den Roomschen bisschop, die


1) Dr P.A. Leder, Die Diakonen der Bischöfe und Presbyter und ihre urchrist­lichen Vorläufer, Stuttgardt, 1905, S. 24; H. Monniers, La notion de l’apostolat, Paris, 1903.
2) Weizsäcker, Das apostol. Zeitalter, Tüb. u. Leipzig, 1902, S. 584.
3) Lechler, Das ap. u. das nach-ap. Zeitalter, Karlsruhe und Leipzig, 1885, S. 15: cf. Voetius, Pol. Eccl. II, Lib. II. p. 351 v.v.
4) cf. bl. 59 van dit werk; Bavinck, Dogm. IV. 71.

|79|

het primaat of het hoogste herdersambt in de kerk bekleedt,1) is niet gegrond op de H. Schrift, maar op de kerkleer.2)

Ten slotte moet nog opgemerkt worden; dat de apostelen in hun personen en in hun werk zelf reeds den overgang maakten tot den gewonen toestand der kerk onder de leiding der gewone ambtsdragers. In den kring, waarin zij optraden als leidslieden, bleven zij wel apostelen, maar verrichtten zij ook het gewone werk als missionair en episcopus. Petrus noemt zich συμπρεσβὐτερος (1 Petr. 5: 1). Johannes leefde langen tijd als de presbyter van Efeze, welke gemeente het centrum was van de gemeenten in de omgeving. De reizende apostel wordt herder. Na den dood der apostelen treden geen nieuwe in hun plaats, en treden de presbyters en episcopen op als leidslieden der gemeente.

De leer van de Irvingianen, dat God in 1832 en de daarop volgende jaren nieuwe apostelen, profeten, herders en leeraars aan zijne kerk heeft gegeven, steunt niet op de H. Schrift. Het woord van Jezus „Gij zult mijne getuigen zijn, zoo te Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria en tot aan het uiterste der aarde” ziet op de uitgebreide werkzaamheid van de twaalven. Ook al de andere plaatsen, waarop de Irvingianen zich beroepen: Luc. 11: 49; Matth. 13: 39; 24: 31; Joh. 4: 35-38 bewijzen voor hun stelling niets. Niet ten onrechte zegt Karl Handtmann in: „Die Neu-Irvingianer oder die Apostolische Gemeinde”, 1905, S. 32: „Het einde van hunne geheele wijsheid is: Wij apostelen legitimeeren ons zelf.”

 

b. De Jeruzalemsche gemeente.

De Nieuwtestamentische gemeente, die reeds in beginsel aanwezig was in den kring der discipelen, die Christus rondom zich vereenigde, is niet ontstaan uit enthousiasme,3) maar uit het leven des Geestes, die uit Christus in haar nederdaalde, die de geloovigen vormde tot een levend lichaam en bezielde met goddelijke gaven en krachten. Zoodra de bijzondere werkingen, waarmede de Geest zijne intrede


1) Wetzer und Welte, Kirchenlexicon I, Art. Apostolat en Episkopat; Gobet, De l’origine divine de l’épiscopat; Heiner, Kathol. Kirchenrecht I, S. 119.
2) Calvijn, Comm. op Matth. 16: 18; Zahn, Ev. d. Matth. i.l.
3) P. Wernle, Die Anfänge unser Religion, 1904, schreef: „Die christliche Kirche ist aus Begeisterung entstanden. Ihr Ursprung ist eine Heldenverehrung Mittelpunkt der neuen Gemeinschaft war ganz ausschliesslich die Person Jesu, gegenwärtig in der Verehrung, Liebe, Begeisterung, Treue seiner Jünger”, bl. 90. De belijdenis, dat Jezus de Messias was, was de uitdrukking der onrustige zielestemming, en zij ge­loofden, dat Jezus in weerwil van zijn dood leefde en in glorie zou wederkomen, en dit geloof heeft de kerk geschapen. Het karakter der jonge kerk was meer enthou­siastisch dan juridisch. De christelijke voorvaders waren revolutionairen, die door „constante Auflehnung gegen die Staatskirche ihre Existenz retteten”. Zoo leert ook J. Réville, Les origines de l’Episcopat, Paris, 1894, bl. 45.

|80|

deed, voorbij waren, vertoonden zich reeds de vormen van het or­ganische leven der jonge kerk.

Zij, die op de prediking der apostelen geloofden, ontvingen den doop als teeken en zegel van de aanhoorigheid aan Christus en van de vergeving der zonden. In dien weg ontvingen de geloovigen deel aan „de gave des H. Geestes”, d.i. aan den Pinksterzegen. Uit de woorden: „Want u komt de belofte toe en uwen kinderen, en allen, die daar verre zijn, zoovelen als er de Heere onze God toe roepen zal” (Hand. 2: 39), blijkt, dat de vergadering der geloovigen met hun zaad tot eene afgeslotene eenheid gerekend wordt, en dat de gemeente ook eene uitbreiding zal ontvangen. Zij, die gedoopt werden, deden belijdenis van hunne zonden en van hun geloof in Christus. Het ge­loof in Christus was dus het vereenigingspunt. Geen spiritualistische ongebondenheid was het begin der gemeente, maar de heilige be­zieling des Geestes, die een nieuw bewust leven wekte, en in de ge­loovigen de behoefte deed onstaan naar een georganiseerd samenleven.

Deze zelfstandige organisatie werd reeds openbaar in het gemeente­leven der nieuw-bekeerden. „En zij waren volhardende in de leer der apostelen en in de gemeenschap, en in de breking des broods en in de gebeden. En eene vreeze kwam over alle ziel, en vele wonderen en teekenen geschiedden door de apostelen. En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen; en zij ver­kochten hunne goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van noode had; en dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te-zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten, en prezen God en hadden genade bij het gansche volk. En de Heere deed dagelijks tot de gemeente, die zalig werden” (Hand. 2: 42-47). Van een stichtelijk gezelschap zonder leiding was er geen sprake, maar het werk des Geestes bond de jonge gemeente aan de leiding der apostelen.

Naar het gebod van Christus (Matth. 28: 20) traden de apostelen leerend en leidend op. De gemeente volhardde in de leer der apostelen. Deze leer was de prediking van het geloof in Christus (Hand. 5: 42), die als de Middelaar had geleden, was gestorven en opgewekt (Hand. 2: 23, 33; 3: 13-15). Kenmerkend voor de organisatie der gemeente is, dat de leer in den cultus vooropgaat. Niet het sacra­ment, maar het woord ontvangt in den dienst der gemeente de eerste plaats.1) Aan deze leer van Christus is de gemeente aller eeuwen gebonden. Zij ontving deze leer van de apostelen, die


1) Sillevis Smitt, De organisatie van de Chr. kerk i.d. Ap. tijd, bl. 61.

|81|

ge­tuigen waren van Christus’ opstanding (Hand. 3: 15), en door de apostelen heeft zij gemeenschap met Christus (1 Joh. 1: 3). Aan de leer (διδαχή) sluit zich aan de gemeenschap (κοινωνία), waarmede niet wordt bedoeld de gemeenschap der goederen, waarover eerst in vss. 44 en 45 gesproken wordt, noch de liefdesmaaltijden, die door het volgende woord worden aangeduid, maar de broederlijke gemeen­schap der Christenen, die uitkomt in het gemeenschappelijke geloof.1) In de derde plaats wordt genoemd: de breking des broods (κλάσις τοῦ ἄρτου), waarbij wij waarschijnlijk te denken hebben aan den ge­meenschappelijken maaltijd (ἀγάπαι) die eindigde met de viering van het avondmaal. Het vierde deel van het gemeentelijke samenleven was: de gebeden (προσευχαί), waarmede worden aangeduid de gedurige gemeenschappelijke samenkomsten tot het gebed.

Hoe de gemeenschap in de Jeruzalemsche gemeente geoefend werd, wordt in Hand. 2: 44-47 en 4: 36, 37 gezegd. De duizenden geloovigen, waarvan misschien kort na het Pinksterfeest een deel naar huis was teruggekeerd, kwamen gedurig samen in bepaalde vergaderplaatsen, om den Heere bij hunne liefdesmaaltijden te prijzen.2) Zij braken niet radicaal met den schaduwdienst van Israël, maar bleven geregeld den tempel bezoeken, totdat de joden zich tegenover de kerk stelden en de geloovigen uit den tempel wierpen. Maar daarnaast hadden de geloovigen hunne huisgemeenten.

Voorts wordt gezegd, dat de geloovigen een gemeenschap van goederen hadden. Daardoor werd echter het persoonlijk bezit niet opgeheven. Blijkens Hand. 5: 4 had men het recht, de goederen te verkoopen of niet te verkoopen, en over het verkochte goed hield de verkooper beschikking, om daarvan al of niet te geven. Er was geen wet, die iemand verplichtte het goed te verkoopen en te geven, maar men gebruikte zijn goed ten bate der gemeenschap. Ook werden niet alle private bezittingen verkocht, zooals Barnabas deed, die al wat hij bezat, gaf aan de apostelen (Hand. 4: 36), immers de moeder van Johannes Marcus had een eigen huis in Jeruzalem. De gemeenschap van goederen bestond dus in een vrijwillig hulpbetoon, tot wering van de ellende. In den geest der broederlijke liefde had men de begeerte, om alles voor Christus en voor elkander te zijn, en, het aardsche achter stellende bij het hemelsche, gebruikten de geloovigen hunne aardsche goederen om de armen te helpen. Het was dus geene


1) Weiszäcker merkt terecht op (Das apost. Zeitalter, S. 47), dat dit woord verklaard wordt door Gal. 2: 8, waar de apostelen onder de Joden aan Paulus en Barnabas de hand der gemeenschap (κοινωνία) gaven, ten bewijze, dat zij erkenden, dat zij allen het gemeenschappelijke geloof in Christus deelachtig waren.
2) Het woord κατ᾽ οἶκον (vs. 46) bevat een tegenstelling met ἐν τῷ ἱερῷ, en beteekent „te huis”, in de samenkomsten in het huis der gemeentevergadering.

|82|

gemeenschap in den zin, zooals de latere communisten haar hebben opgevat, maar een communisme der liefde, wortelend in de levens- ­en liefdesgemeenschap met Christus. Het communisme der liefde wil met het eigen bezit den ander dienen, en zegt praktisch: „al het mijne is het uwe”, het communisme, zooals het zich thans openbaart, zegt: „al het uwe is het mijne”. Het beginsel dezer liefdesgemeenschap moet blijven, de vorm, waarin zij zich in de Jeruzalemsche gemeente openbaarde, was voorbijgaand van aard.1)

In de afzonderlijke broederlijke samenkomsten wordt duidelijk, dat in beginsel de scheiding tusschen de kerk en de Joodsche gemeente was ingetreden. In den eersten tijd gingen zij, evenals vroeger, op de ure des gebeds, op naar den tempel, bezochten de synagogen, en grepen de gelegenheid aan, om getuigenis te geven van de vervulling der beloften Gods in Christus, doch later werd door de vijandschap der joden en door de verwoesting van den tempel de band met het Joodsche volk gebroken.

De leiding der gemeente berustte in den eersten tijd uitsluitend bij de apostelen. Zij traden op als predikers in en buiten de gemeente (Hand. 2: 42; 3: 12; 5: 20), handhaafden het bestuur en de orde (5: 1-11), en verzorgden de armen (4: 34,35). Zij werden in sommige diensten ondersteund door de jongeren (νεώτεροι, νεανίσκοι), die geen ambtelijke bevoegdheden bezaten en geen bepaalden stand vormden, maar die zich vrijwillig als helpers aanboden. Toen de gemeente groeide en de behoeften grooter werden, bleek het, dat de apostelen zelf niet meer al deze zaken konden behartigen, zonder dat de bediening des Woords schade leed. Het ambt der barmhartigheid bleek noodig. De aanleiding tot de instelling van dit ambt was eene spanning, die ontstond tusschen de Palestijnsche en Hellenistische Christenen, omdat de laatsten reden tot klacht hadden, dat hunne weduwen in de dagelijksche bediening achtergesteld werden bij die uit de Palestijnsche Christenen (Hand. 6: 1). Daarom riepen de apostelen de vergadering der discipelen bijeen, om hun dezen noodstand voor te leggen, en hun voor te stellen, zeven mannen te kiezen „die goed getuigenis hebben vol des Heiligen Geestes en der wijsheid”, opdat dezen belast zouden worden met de verzorging der armen. Dit voorstel vond bijval in den kring der discipelen, en zij kozen zeven mannen, naar hunne namen te oordeelen allen Hellenisten, welke door de apostelen, met oplegging der handen, in hunne bediening gesteld werden.

Het werk der zeven is de bediening der tafelen (διακονεῖν τραπέζαις) d.i. de verzorging van de armen der gemeente. De geloovigen brachten


1) Zoo ook Wendt in Meyer’s Kommentar ü.d. N.T.

|83|

hunne liefdegaven mede naar de vergadering der gemeente, zij gaven ze daardoor mede aan den Heere der gemeente, en de zeven deelden in naam des Heeren van die gaven mede aan hen, die behoefte hadden. De zeven mannen worden niet met den naam „diakenen” genoemd, maar hun arbeid is in het wezen dezelfde, als later door de kerk aan de diakenen is toebetrouwd, zoodat de kerk terecht van oude tijden af in Hand. 6 de instelling van het diakenambt zag.

Tegen de voorstelling, dat wij in Hand. 6 de instelling van het diakenambt lezen, worden allerlei bezwaren ingebracht, en wel:

1. De zeven bezitten in het geheel geen ambt. Leder zegt1): „Die Sieben sind als solche weder Kirchen- noch Gemeindebeambte, sie sind nichts anders als Bevollmächtigte der Zwölf, non diesen zur zeitlichen Führung eines Teiles der Gemeindeverwaltungsauf­gaben bestellt, welche die Urapostel vorübergehend führten”. De armenzorg in de eerste eeuwen was van het begin der kerk de taak van de voorgangers der kerk, van de bisschoppen en de priesters. Van den beginne leefde de beschouwing: kerkegoed is Gods goed; Gods goed is armengoed. Het beheer van het kerkegoed was een synonieme uitdrukking voor gemeente-armenzorg. De kerk kon slechts voor de armen goederen bezitten. Daarom bezaten ook de zeven geen ambt. Eerst later, toen de charismatische gaven ophielden en vaste ambten door de apostelen ingevoerd werden, zegt Ratzinger in zijne „Gesch. d. Kirchl. Armenpflege”, werd ook de armenzorg naar het voorbeeld der Jeruzalemsche gemeente georganiseerd. De voorgangers der kerk, de bisschoppen of plaatsvervangende priesters werden met de armenzorg belast, de aalmoezen werden bij het heilige offer ont­vangen en uitgedeeld. Deze meening is niet in overeenstemming met Hand. 6 en met andere uitspraken des N. Testaments. Het is waar, dat de zeven een deel van het werk der apostelen verrichtten, maar zij werden toch door de gemeente, die instemde met het voorstel der apostelen, als zelfstandige armenverzorgers gekozen, en door de apostelen in de bediening bevestigd. Ook is het niet juist, dat de instelling van de verzorgers der armen tijdelijk bedoeld is. Al lezen wij in den tijd na den dood van Stefanus, toen de gemeente door de vervolging verstrooid werd, niet meer van diakenen in de Jeruza­lemsche gemeente, daaruit kan nog niet met zekerheid afgeleid worden, dat zij er niet waren. En al zouden er, uit oorzaak van den druk van buiten, in Jeruzalem na deze vervolging geen diakenen ge­weest zijn, daarmede is nog niet bewezen, dat de instelling in Hand. 6 niet als een blijvend ambt bedoeld is. Hatch heeft dan ook


1) Leder, Die Diakonen der Bischöfe und Presbyter, Stuttgart 1905, S. 73; zoo ook Sohm, Kirchenrecht, S. 73.

|84|

erkend1): „Sie dienten als Vorbild für eine Klasse von Beambten, welche bald nothwendig wurden, und die seitdem in den christlichen Kirchen ständig blieben”. Het is zeer wel mogelijk, dat niet terstond, in navolging van Jeruzalem, in alle gemeenten diakenen zijn aan­gesteld, maar wel is zeker, dat in de jaren 60 tot 66 n. Chr. de gemeente van Philippi diakenen waren en dat Paulus aan Timotheus en Titus’ de vereischten voor een diaken, die armverzorger is, mededeelde.

2. Rome erkent de goddelijke instelling van het diakenambt, maar is van oordeel, dat de diakenen helpende plaatsvervangers waren van den presbyter of den bisschop der gemeente. De armenzorg is altijd het werk van den voorganger of bisschop der gemeente geweest, en wijl het geven van de aalmoezen zeer nauw met de eucharistie verbonden was, en de armen hun onderhoud ontvingen van het altaar, waren de diakenen van huis uit helpers bij den cultus.2) Doch al is het waar, dat in de eerste jaren van de kerk de armenzorg nauw verbonden was met de liefdesmaaltijden en de eucharistie, en het daarom ook zeer waarschijnlijk is, dat de diakenen hielpen bij de eucharistie, was toch het eigen werk der diakenen: de dienst der tafelen, d.i. de verzorging van de armen der gemeente (Hand. 6: 2, 3). En eenige tientallen jaren later was in onderscheidene gemeenten het ambt van diaken een zelfstandig ambt, naast dat der presbyters en der episcopen (Rom. 15: 25, 31; 2 Cor. 8: 4; 9: 11; Phil. 1: 1), terwijl in de herderlijke brieven als hun eigenlijk ambt genoemd wordt: de verzorging der armen (1 Tim. 3). Sohm trekt zijn conclusie voor den arbeid der diakenen in den vroegsten tijd uit wat hun taak was in de tweede eeuw („Kirchenrecht”, S. 121), terwijl Rome haar bewijs grondt op uitspraken van latere kerkmannen.

3. Ook is de meening, dat de zeven mannen in Hand. 6 identisch zijn met de presbyters, niet in het N. Testament gegrond. Men voert voor deze meening aan,3) dat het geld voor de armen in Judea door Barnabas en Saulus gebracht wordt naar de ouderlingen te Jeruzalem, en niet naar de diakenen (Hand. 11 : 30). Maar men vergete niet, dat de gemeente in Jeruzalem door de vervolging na Stefanus’ dood ver­strooid was, en het is mogelijk, dat na hare herstelling wel ouder­lingen en geen diakenen gekozen waren. Opmerkelijk is het, dat ook niet van apostelen gesproken wordt. Waren er toen geen apostelen in Jeruzalem? Wij weten het niet. Wel weten wij, dat er vlak na den


1) E. Hatch, Die Gesellschaftsverfassung d. christ. Kirche, Giessen, 1888, S. 43.
2) Ratzinger, Gesch. d. Kirchl. Armenpflege, Freiburg in B. (1884), S. 29. Wetzer und Welte, Kirchenlexicon2, III, art. Diakon (Seidl).
3) A. Ritschl, Die Entstehung der altkatholischen Kirche, 1857, S. 373; Lechler, Das ap. u. nachapost. Zeitalter, S. 75.

|85|

dood van Stefanus nog apostelen in Jeruzalem waren (8: 1), maar over den eerstvolgenden tijd zijn wij niet ingelicht. Maar evenmin als het zwijgen over de apostelen bewijst, dat er geen apostelen waren, zoo min is het bewezen, dat de diakenen hetzelfde ambt be­kleedden als de presbyters. De πρεσβύτεροι, voor het eerst hier genoemd, waren waarschijnlijk de geëerde oude leden der gemeente,1) die de aangewezen leidslieden waren, en onder dezen naam kunnen ook de apostelen en de diakenen begrepen zijn.

Ook kan men niet zeggen, dat het ambt der „zeven” het midden hield tusschen dat van presbyter en van diaken.2) Wel traden Phi­lippus en Stefanus als predikers op (Hand. 6: 10; 8: 5), maar de prediking was niet het karakteristieke van hun ambt als diaken. Zij waren immers charismatici, en daarom konden zij als evangelisten en profeten het Woord Gods verkondigen.

Het gevoelen van Harnack,3) dat het karakter van het ambt der ouderlingen en diakenen wezenlijk identisch geweest is, maar dat het alleen onderscheiden is daarin, dat de presbyters oudere en de diakenen jongere mannen waren, mist elken grond. De oorzaak, dat Hatch-Harnack de oorspronkelijke ambten niet genoegzaam onder­scheiden, is hierin gelegen, dat naar hun voorstelling de episcopen niet een geestelijk ambt bekleedden, maar een administratief ambt. Men be­roept zich hiervoor wel op 1 Tim. 3: 2-7 en 8-12, waar de vereischten voor het opziener- en diakenambt eigenlijk dezelfde zouden zijn, doch deze meening is onjuist, want ofschoon de moreele eischen in hoofd­zaak dezelfde zijn, wordt van den presbyter in het bijzonder geëischt, dat hij διδακτικός, d.i. bekwaam om te leeren, moet zijn (1 Tim. 3: 2), welk vereischte, niet gesteld voor de diakenen, in Titus 1: 9 nog breeder wordt uitgewerkt.

Men vergete ook niet bij de beoordeeling van den oorsprong van het ambt, dat de apostelen niet bedoelden een vast uitgewerkte schets van kerkregeering te geven. Dit zou in strijd zijn met het organische karakter der Godsopenbaring en de ontwikkeling van de Godsgedachte in de historie. God leidde de apostelen door zijnen Geest zóó, dat zij naar de behoeften der gemeente eene organisatie voorstelden en ambten instelden, welke overeenkwamen met het karakter en het doel der kerk. Daarom gaven de apostelen slechts algemeene lijnen voor de instituëering der kerk, beginselen, die later naar de behoeften der kerk door haar konden worden uitgewerkt.


1) Dr H.W. Wendt in Meyer’s Kommentar.
2) Döllinger, Christentum und Kirche in der Zeit der Grundlegung, S. 303; G.A. Jacob, The ecclesiastical Polity of the N. Testament, 1878, p. 54.
3) Verfassung und Recht, S. 51; Analecten, S. 242; Hatch, Die Gesellschafts­verfassung, S. 45.

|86|

Het optreden van Stefanus, die, in zijnen ijver voor Christus, de joden, wegens hunnen vormendienst en Christusmoord, veroordeelde, bevorderde de breuk tusschen de kerk en de joden. Een groote ver­volging ontstond tegen de gemeente van Jeruzalem, waarschijnlijk vooral tegen het Hellenistische deel. De apostelen bleven, natuurlijk niet zonder een deel der gemeente, te Jeruzalem (Hand. 8: 1). Toen deze vervolging had uitgewoed, kreeg de gemeente een rustigen tijd. Daartoe werkte mede, dat het Joodsche volk verbitterd was tegen Pilatus, die de troepen met het vaandel Jeruzalem liet binnentrekken en zelfs in den tempel een beeld des keizers wilde plaatsen, terwijl hij later de tempelschatten gebruikte voor den bouw eener water­leiding. Nadat door bemiddeling van Herodes Agrippa keizer Caligula van dit dwaze plan was teruggebracht, en onder Claudius het nationaliteitsgevoel der joden was herleefd, keerde zich de haat der joden tegen de Christenen. Om toe te geven aan de stemming des volks, liet Herodes Agrippa sommige leden der gemeente mishandelen, en Jacobus, den zoon van Zebedeus, dooden (anno 44).

De beteekenis van deze crisis wordt door sommigen zeer overdreven. Harnack1) zegt, dat er waarschijnlijk „eine totale Veränderung der Verfassung” plaats greep. Doch hij voegt er bij: „wir wissen nichts Näheres”. Dit is evenwel zeker, dat van dien tijd af de apostelen niet meer geregeld in Judea waren,2) en dat Jacobus, de broeder des Heeren, voorganger bleef van de moedergemeente (Hand. 11: 19; 15: 13; 21: 18). Jacobus genoot hooge achting, zoowel bij de Joden als bij de gemeente (Hand. 15; 21: 13; Gal. 2: 9). Hij sprak op het apostelconvent het beslissende woord, doch was slechts een presbyter. Naar waarheid zegt Hort,3) dat er in Lukas’ woorden niets gevonden wordt, hetwelk aanwijst, wat zoo dikwijls gezegd is, dat Jacobus de conferentie van Jeruzalem presideerde. Daarom mag ook het gevoelen van Harnack4) niet worden aanvaard, dat Jacobus en zijne opvolgers in Jeruzalem een monarchische macht uitoefenden, of dat er eene spanning was ontstaan tusschen Jacobus en Petrus, en dat Petrus zich door zijne heidenmissie bij de jodenchristenen had verdacht gemaakt. Zeker, de legende heeft een stralenkrans om Jacobus’ hoofd geweven, hem genoemd monarchisch bisschop van Jeruzalem, den bisschop der bisschoppen. Hij is de paus der ebionitische gnosis, aan wien Petrus, het hoofd der apostelen, verplicht is jaarlijksche berichten


1) Entst. und Entwick., S. 24.
2) Volgens eene goed gedocumenteerde traditie zouden de apostelen 12 jaren na de opstanding te Jeruzalem gebleven zijn. Clemens, Stromata VI, 5, 43 (Petri Kerugma), Acta Petri cum Simone, c. 5; Euseb. Hist. Eccl. V, 18, 14; Harnack, Die Mission u. Ausb. d. Chr., S. 31.
3) The Christian Ecclesia, p. 79.
4) Entst. u. Entw., S. 26.

|87|

over zijne werkzaamheden te zenden, en zich aan zijn oppertoezicht te onderwerpen.1) Men heeft zelfs uitgesproken, dat Jacobus door de apostelen en door Christus tot bisschop was aangesteld. Maar al deze verhalen berusten slechts op verdichting. Het is wel mogelijk, dat het bericht van Hegesippus, dat Simeon opvolger van Jacobus is geweest als tweede bisschop van Jeruzalem, in zooverre waarheid bevat, dat de voorstelling leefde in die dagen, dat een bloedverwant van Jezus de leiding der Jeruzalemsche gemeente moest hebben, en dat mede daardoor een hiërarchisch element insloop in de regeering der kerk, maar het N. Testament weet hiervan niets, en keurt elken vorm van hiërarchie beslist af.

Merkwaardig is het, dat de oorsprong van het presbyterambt niet wordt medegedeeld. Wij lezen voor het eerst van presbyters in de Jeruzalemsche gemeente in Hand. 11: 30, waar zij gaven van de gemeente te Antiochië in ontvangst nemen, terwijl daarna nog in Hand. 15 en in Hand. 21: 18 van Jeruzalemsche ouderlingen sprake is. Hun werk was de leiding der gemeente. Evenwel nam ook de gemeente zelve deel aan de regeering (Hand. 15: 23). Het leeren echter was van huis uit niet het werk der ouderlingen, maar der apostelen en der profeten (de charismatici).

Wanneer de presbyters voor het eerst zijn opgetreden, wordt niet verhaald. Waarschijnlijk waren er van den beginne mannen, die door hun leeftijd en hunne geestelijke gaven als vanzelf de leiding hadden in de huisgemeenten. Deze mannen kregen, toen de apostelen en de profeten op den achtergrond traden, de leiding der gemeente alleen in handen.

De apostelen en hunne helpers stelden overal presbyters aan. Maar hieruit mag men niet de gevolgtrekking maken, zoals Schanz2) doet, dat ieder, die niet vooringenomen is, hierin de bisschoppen en de presbyters als leden der hiërarchie moet zien. Van een hiërarchische macht der presbyters weet het N. Testament niets.

De Jeruzalemsche gemeente bleef steeds den band met de Joodsche natie vasthouden, maar in den geweldigen Joodschen oorlog en in het strafgericht, dat door Jeruzalem’s verwoesting aan de heilige stad werd voltrokken, gevoelden de Christenen de groote klove, die hen van de Joden scheidde. De Christenen in Judea hadden geen vaderland meer.

 

c. De Christelijke gemeenten uit de Joden en de Heidenen.

Zooals ons gebleken is, werden de geloovigen plaatselijk vergaderd tot eene kerk. Het geestelijke leven sluit zich aan bij het natuurlijke


1) Euseb. Hist. Eccl. II, 1, 2; Harnack, Entst. u. Entw., S. 27.
2) Apologie des Christentums, 1906, III, 132.

|88|

leven. De kerkelijke gemeenschap rekent met de burgerlijke gemeen­schap. Wanneer naar Gods bestel een zeker aantal menschen samen­woont, dan behoort ook die burgerlijke gemeenschap den grondslag te vormen voor de samenleving der geloovigen als kerk van Christus. Het ligt in den aard van het natuurlijke leven, dat de geloovigen in een bepaalde plaats samen vergaderen tot de bediening van Woord en sacrament. Indien op eene plaats te weinig menschen wonen, ligt het voor de hand, dat twee of meer plaatsen zich vereenigen voor het kerkelijke leven. En eveneens, wanneer een plaats zoo groot is, dat hare bewoners zich niet kunnen aaneensluiten tot ééne plaatselijke kerk, dan eischt de goede verzorging van de gemeente, dat de gemeente in een bepaalde plaats zich zóó splitst, dat goede bearbeiding mogelijk is. Met deze eischen van het natuurlijke leven zal ook de kerk in den tijd der apostelen wel gerekend hebben. Als regel en uitgangspunt gold bij de formatie der kerk de eenheid der plaatselijke kerk. In vier brieven: 1 en 2 Corinthe, 1 en 2 Thessalonicensen, richt de apostel Paulus zich tot de gemeente (τῇ ἐκκλησίᾳ) terwijl in 20 andere plaatsen van het N. Testament ook nog het woord ecclesia gebruikt wordt van de plaatselijke kerk.1) De brief aan de Galaten is gericht aan de gemeenten van Galatië, hetwelk wijst op onderscheidene zelfstandige gemeenten in die landstreek. De brieven aan de Romeinen, de Efeziërs, de Filippensen en de Colossensen, worden geadresseerd aan „de heiligen en de geloovigen”, de brief aan Filemon is aan een persoon, in wiens huis de gemeente vergadert, geschreven, terwijl de brief aan de Hebreën geheel zonder aanspraak is, misschien bedoeld voor een kring van geloovigen in eene stad of eene landstreek. Ook Jacobus, Petrus en Judas richtten hunne brieven niet aan plaatselijke kerken, maar aan geloovigen. De brieven in de Openbaringen van Johannes werden op Christus’ bevel geschreven aan den engel of voorganger der gemeente. Doch dat de geloovigen plaatselijk een geheel vormen, is niet te ontkennen (Hand. 5: 11; 8: 1; 15: 22; 1 Cor. 1: 2; 2 Cor. 1: 1; 1 Thess. 1: 1; 2 Thess. 1: 1). De apostelen stelden in elke plaatselijke gemeente ouderlingen aan (Hand. 14: 23; Tit. 1: 5). In elke gemeente kwamen de geloovigen samen tot de bediening des Woords en der sacramenten (Hand. 20: 7; 1 Cor. 10: 16; 11: 20, 33; 14: 26). Elke gemeente heeft haar herders en leeraars (Phil. 1: 1; Openb. 2 en 3; 1 Thess. 5: 12, 13; Ef. 4: 11; 1 Cor. 12: 28; Tit. 1: 7), die door de gemeente moeten verzorgd worden (1 Cor. 9: 9; 1 Tim. 5: 18; 2 Cor. 11: 8, 9). De leidslieden of de presbyters van een plaatselijke kerk vormden samen een eenheid, een raad van de kerk, gelijk blijkt uit


1) Zie bl. 61.

|89|

1 Tim. 4: 14: „Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profeten, met oplegging der handen des ouderlingschaps” (ὃ ἐδόθη σοι διὰ προφητείας μετὰ ἐπιθέσεως τῶν χειρῶν τοῦ πρεσβυτερίου). De gave voor het ambt had Timotheus ontvangen van den Heiligen Geest, en deze gave was hem verzekerd door het woord der profeten, want de Geest deelt ook mede, wat hij belooft. Met die aanwijzing door de stem der profetie ging gepaard de oplegging der handen door de gemeentelijke presbyters, die hem ook bekwaam achtten voor de uitoefening van het ambt. Gedacht is hier natuurlijk het presbyterium der gemeente, in welke Timotheus de ordening ontving, waarschijnlijk van de gemeente, uit welke Paulus hem als zijn helper medenam,1) en niet van een centrale of provinciale kerk.2)

In onderscheidene plaatsen: Rom. 16: 5; 1 Cor. 16: 19; Col. 4: 15 en Filemon vs. 2, wordt gesproken van eene gemeente, die ten huize is van iemand, die met name genoemd wordt. De meening van sommige kerkvaders, Chrysostomus, Theophylactus en anderen3), ook door Calvijn overgenomen, dat alleen de huisgezinnen van de be­trokkene personen bedoeld zouden zijn door Paulus, of, zooals Calvijn het uitdrukt, eene ecclesiola in ecclesia (een vergadering van een groep gemeenteleden), is niet wel vol te houden. Want er staat niet een ἐκκλησία ἐν οἲκῳ, maar κατ᾽ οἴκον, hetwelk aanduidt, dat een bepaald deel der gemeente of de gemeente zelve te zijnen huize vergaderde. Beza, Aretius, Voetius en bijna alle nieuweren verklaren deze uit­drukking als de gemeente of de geloovigen, die in zulk een huis samenkwamen voor de godsdienstoefening. In Romeinen 16 worden drie zulke gemeenten onderscheiden: 1. de huisgemeente van Aquila en Priscilla, tot welke waarschijnlijk al de in de verzen 3-13 ge­noemde personen behooren; 2. in de verzen 14 en 15 wordt weder een aantal namen genoemd „en de broeders, die met hen zijn”, terwijl in vs. 15 een derde kring genoemd wordt, namelijk vijf personen en alle de heiligen, die met hen zijn.4) Kerkgebouwen bezaten de geloovigen nog niet, en zoo kwamen zij samen in groote huizen voor de bediening van Woord en sacramenten. Te Rome vergaderden zij ten huize van Aquila en waarschijnlijk elders, te Colosse ten huize van Filemon, te Jeruzalem ten huize van Maria (Hand. 12: 12) en elders (Hand. 2: 46).5)


1) Zoo met Dr B. Weiss in Meyer’s Kommentar, op Tim. 4: 14.
2) Van Roomsch katholieke zijde heeft men hier ten onrechte gezien het beginsel van de metropolitaansche inrichting. Lübeck, Reichseinteilung und Kirchliche Hiër­archie des Orients bis zum Ausgange des 4en Jahrh., Munster, 1901, S. 12.
3) Suiceri, Thes. in voce.
4) Theod. Zahn, Der Brief des Paulus an die Römer, Leipzig, 1910, S.17; Th. Zahn, Einleitung, 1897, 320.
5) De voorstelling van Kist, Archief voor Kerkel. Gesch. 183, dat de apostelen en missionarissen overal conventikelen stichtten, en dat de zucht om die gemeenten, ➝

|90|

Zeer waarschijnlijk waren er in sommige plaatsen verschillende huizen, waar de geloovigen samenkwamen. In een groote stad als Rome was het aantal geloovigen voor een vergaderplaats veel te groot, en de afstanden te ver, dan dat de geloovigen zich naar eene vergaderplaats konden begeven. Zahn meent, dat de Brief aan de Hebreën gericht is aan de geloovigen in Rome, en dat de geloovigen op verschillende plaatsen samenkwamen (10: 25; 13: 17, 24). Men heeft daarvoor bewijzen meenen te vinden in het beroemde boek van Rossi: „Roma Sotteriana” I, 209, die eene dergelijke uitdrukking ge­bruikt: „Collegium quod est in domo Sergiae Paulinae”. Het is op­merkelijk, dat Paulus voor zulk eene huisgemeente ook het woord ecclesia gebruikt. Dit schijnt er op te wijzen, dat deze huisgemeente een eigen zelfstandig bestaan had. Maar er zijn te weinig gegevens, dan dat wij iets zekers kunnen zeggen. Maar al wordt er niet gezegd, dat de huisgemeenten zelfstandig afgeronde en georganiseerde ge­meenten waren, er wordt toch ook nergens gezegd, dat er op ééne plaats of in ééne burgerlijke gemeente, terwille van de noodzakelijk­heid der practijk en de goede bewerking der gemeente, niet meerdere zelfstandige kerken zouden mogen zijn.

Van de gemeenten in Palestina weten wij al heel weinig. Doch uit de gegevens in het N. Testament blijkt duidelijk, dat deze gemeenten georganiseerd waren. De discipelen, die na den dood van Stefanus uit Jeruzalem verdreven werden, trokken het land door en verkon­digden het evangelie van Christus in Samaria en Galilea, tot over de grenzen des lands, in Fenicië, Cyprus en Antiochië (Hand. 8: 1, 11: 19) en legden daar de grondslagen voor de gemeenten der ge­loovigen uit de Joden. In Damascus waren geloovigen (Hand. 9: 10,25). Paulus spreekt van de ἐκκλησίαι τῆς ᾽Ιουδαίας (Gal. 1: 22; 1 Thess. 2: 14) en stelt ze tot voorbeeld voor de gemeente in Thessalonica.

Deze kerken waren georganiseerd.1) Jacobus schreef aan de christen­joden, die in de verstrooiing, in Palestina en omgeving, woonden „Indien iemand krank is, dat hij roepe τοὺς πρεσβυτέρους” En indien de brief van de Hebreën gericht is aan de Christenen in Palestina,2) dan is hiervoor ook de vermaning: „Gedenkt uwe voorgangeren” (13: 7) een bewijs. Er was een band tusschen deze gemeenten onderling.


➝ die soms zeer groot verschil onder elkander hadden, tot een geheel te vereenigen, bestond, en dat één van de presbyters met bisschoppelijk gezag werd bekleed, stemt niet overeen met het feit, dat de apostelen zich richtten tot eene gemeente, en dat zij bevelen om in alle plaatsen (plaatselijke gemeenten) ouderlingen aan te stellen.
1) Loening meent „Die Gemeindeverfassung des Urchristentums”, Halle 1889, dat de gemeenten in Palestina zonder eenige organisatie waren, doch A. Hilgenfeld be­strijdt in „Die Verfassung der Chr. Urgemeinden”, Z. f. Wiss. Theologie, terecht dit gevoelen.
2) Zoo velen, doch Harnack, Zahn en Grosheide zijn van oordeel, dat hij gericht is aan een joodsch-christelijke gemeente te Rome.

|91|

Petrus en Johannes bezochten Samaria, om het evangelie te prediken en de broeders te vertroosten (Hand. 8: 14-24), Petrus kwam tot de heiligen te Lydda (9: 32), Barnabas werd gezonden naar Antiochië (11: 22), Agabus en andere profeten bezochten Antiochië, terwijl in Hand. 9: 31 gezegd wordt: „De ἐκκλησίαι dan door geheel Judea en Galilea en Samaria hadden vrede en werden gesticht”. Duidelijk blijkt, vooral uit Jac. 5: 14, dat in deze gemeenten een organisatie was, dat er presbyters waren, die als organen der gemeente dienst deden.

Het ligt in den aard der zaak, dat de Christelijke gemeenten uit de heidenen zich vormden naar het voorbeeld der gemeenten in Judea en jeruzalem, en het behoeft niet te bevreemden, dat ook de inrichting der Joodsche gemeenten in de Diaspora mede invloed geoefend hebben.

De gemeente van Antiochië was de dochter van Jeruzalem en werd de moedergemeente van de heiden-Christenen. Daar werden de disci­pelen het eerst „Christenen” genoemd (Hand. 11: 26).1) De Christenen noemden zich zelf: discipelen, broeders, heiligen, maar door hunne vijanden werden zij geheeten: „de secte der Nazareërs” en „Christenen”. In Antiochië was een eenigszins geordend kerkelijk leven. Gods­dienstige samenkomsten werden gehouden, en de gemeente zond Barnabas en Saulus, volgens de aanwijzing des Geestes, uit tot den missionairen dienst, met vasten, bidden en handoplegging (Hand. 13: 1-3).

Bij de planting der kerk gingen missie en organisatie hand aan hand. De apostelen legden er nadruk op, dat de gemeente was eene familie-eenheid, haar leven hebbende in Christus, die ook de orde­ningen voor haar leven heeft gegeven. Uit de, der gemeente ingeschapen, levenswet ontwikkelde zich hare organisatie. De gemeente is „gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen, op welken het geheele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heiligen tempel in den Heere” (Ef. 2: 20-22). In deze woorden ligt het instituut en het organisme in elkander ineengeweven, waaruit blijkt, dat het instituut behoort bij de kerk. In dat lichaam van Christus zijn vele leden, die elkander moeten dienen en hunne gaven en krachten tot elkanders welzijn en de eere Gods moeten aanwenden (1 Cor. 12). De apostel Paulus heeft als organisator der kerk veel gedaan.2) Hij gaf de ordeningen van de gemeente te Jeruzalem aan de kerken over, stelde, waar hij kwam, met medewerking der gemeente, presbyters aan (Hand. 14: 23; 16: 4),


1) Th. Zahn, Forschungen IX, 276, Kommentar z. N.T. Die Apostelgeschichte, 1919, S. 370.
2) H. Weinel, Paulus als kirchliche Organisator, Freiburg i.B. 1899; Paulus, Der Mensch und sein Werk, Heidelberg 1904, S. 165 f.; G.A. Jacob, The ecclesiastical Polity of the N.T., London 1879, 39; Lindsay, The Church and the Ministry, 1907, p. 121; Tacitus, Ann. 15, 44: „quos vulgus chrestianos appellabat”.

|92|

en gaf zelf ook verordeningen voor het welzijn der gemeente (1 Cor. 11 : 23, 34).

De meening1), dat de Christelijke gemeente in de apostolische eeuw geen normale organisatie bezat, berust niet op de feiten, door het N. Testament medegedeeld. Zij gaat uit van de verkeerde gedachte, dat tot de organisatie behoort een ambt, dat boven de gemeente staat, zooals dit bij de Roomsche en Luthersche kerk het geval is. De eerste Christengemeente was eene gemeente van heiligen, die in Christus hunne vrijheid bezaten en die hunne eigen zaken regelden. De apostelen richtten zich in hunne brieven tot de gemeenten zelve, die plaatselijk zelfstandig waren. Maar dit wil niet zeggen, dat er geen leiding in de gemeente was. Voor de bediening des Woords en der sacramenten en voor de oefening der tucht waren leidende per­sonen noodig.

Het argument, dat Paulus in zijne brieven niet spreekt van presbyters, en dat daarom alle organisatie in de gemeente alleen charismatisch geweest is, is van geen beteekenis, omdat het is een argumentum e silentio. Men zou ook wel kunnen zeggen, dat in die gemeenten geen charisma's waren, omdat deze, behalve in de brieven aan Corinthe, niet worden genoemd. Wanneer wij de brieven van Paulus lezen, merken wij, dat deze gemeenten wel geordend waren en dat zij onder de leiding stonden van bepaalde, daartoe aangewezen, mannen.

In de gemeente van Corinthe worden volgens den eersten brief, in het jaar 57 geschreven, samenkomsten gehouden voor de bediening des Woords en der sacramenten, waarin charismatici optraden en bepaalde personen de leiding hadden. Toen door de glossolalie en bij de bediening des avondmaals ongeregeldheden inslopen, trachtte Paulus deze weg te nemen en orde te scheppen (1 Cor. 11, 12). Of­schoon wij niet lezen van ouderlingen en diakenen, volgt daaruit niet, dat deze er niet waren. In elk geval waren er leidslieden, Sosthenes (1: 1), Apollos (3: 5; 16: 12), Timotheus (4: 17; 16: 10). Stefanus, Fortunatus en Achaïcus (16: 17) treden op als helpers der apostelen. Aan Stefanus moet de gemeente zich onderwerpen (16: 15). „God heeft er sommigen in de gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leeraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeeringen, menigerlei talen” (12: 28). Terecht wordt door Calvijn, Voetius, Godet, Lindsay e.a. het woord κυβερνήσεις (regeeringen) verklaard als de werkzaamheid van hen, die voor de regeering en de tuchtoefening in de gemeente


1) Zoo Weiszäcker, Das Ap. Zeitalter, S. 600; E. Loening, Die Gemeindeverfassung des Urchristentums, 1889; A. Harnack, Verfassung und Recht, S. 32 en Maronier, De inrichting der Christelijke gemeenten, 1874, bl. 37.

|93|

zijn aangewezen, terwijl met het woord ἀντιλήψεις (behulpsels) diaconale diensten zijn bedoeld.

In den eersten brief aan de Thessalonicensen, in het jaar 53 geschre­ven, wordt gesproken van voorgangers, die belast zijn met de onder­wijzing, de leiding en de tucht in de gemeente. De apostel schrijft: „En wij bidden u, broeders, erkent degenen, die onder u arbeiden (κοπιώντας) en uwe voorstanders (προισταμένους) zijn in den Heere, en u vermanen (νουθετοῦντας)” (5: 12, 13). Omdat het lidwoord niet voor elk woord herhaald wordt, is duidelijk, dat de apostel bij deze drie woorden aan dezelfde personen denkt. „Degenen, die onder u arbeiden” is het algemeene begrip, terwijl met „uwe voorstanders” en „die u vermanen” dezelfde mannen worden bedoeld naar hunne verschillende functiën van regeering en onderwijzing. Terecht merkt Wohlenberg in Zahn’s Kommentar op: „Man sieht an unserer Stelle, wie bald nach der Gründung einer Gemeinde es zu einer ordentlicher Gemeindeverwaltung kam, oder vielmehr, wie beides zusammenfiel”.

In Galaten 6: 6: „En die onderwezen wordt in het Woord, deele mede van alle goederen dengene, die hem onderwijst” is het niet duidelijk, of Paulus het oog heeft op plaatselijke leeraars, ambts­dragers of reizende evangelisten.

In den brief aan de Romeinen, geschreven 58 vanuit Corinthe, spreekt Paulus (12: 6-8) over de onderscheidene genadegaven, door God aan de gemeente gegeven: de profetie, de diakonia, de didascalia (onderwijzing), de vermaning. Er was dus in de gemeente een reeks van mannen, die tot taak hadden, de gemeente te onderwijzen en de nooddruftigen te ondersteunen.1) Er heerschte in Rome niet eene pneumatische anarchie, maar er was een geregelde dienst door onderscheidene personen naar hunne onderscheidene gaven.

De brief aan de Efeziërs, geschreven in het jaar 61 of 62, spreekt nog duidelijker. God heeft niet alleen gaven geschonken, maar Christus „heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leeraars” (4: 11). Uit deze woorden blijkt, dat naast de buitengewone gaven en ambten ook zulke mannen in de gemeente zijn, die bekwaam zijn om te weiden en te leeren. Dezelfde personen worden door de woorden „herders” en „leeraars” aangeduid, evenals Paulus in Hand. 20: 28 de presbyters der gemeente van Efeze vermaant: „Zoo hebt dan acht op uzelve en op de geheele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners (ἐπισκόπους) gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden”, waarbij in het bijzonder gedacht is aan het afweren van de


1) Zahn, Komm. Rom. 12: 6-8.

|94|

dwaal­leeraars.1) De scheiding tusschen leer- en regeerambt, gelijk deze in 1 Tim. 5: 17 wordt genoemd, wordt hier niet met zoovele woorden aangeduid, maar kan daarom wel reeds bestaan hebben.2)

Spreekt Paulus dus in Ef. 4: 11, evenals ook in Col. 4: 17, van bedieningen in eene plaatselijke kerk, in den brief aan de gemeente van Philippi (1: 1), noemt hij de episcopen en de diakenen. A. Harnack neemt op grond van Phil. 4: 10, 18 aan3), dat deze beide ambten materieele aangelegenheden moesten behartigen, dat de episcopen de führende Administratiebeambte zijn naast de diakenen, als die­naren in het bestuur der finantiëele aangelegenheden. Harnack wil teveel bewijzen. Het is wel waarschijnlijk, dat de opzieners en de diakenen het bestuur van de financiën der gemeente in handen hadden, dat zij ook zorgden voor de inzameling der gelden, die Paulus voor Jeruzalem vroeg, maar dit sluit niet uit, dat de episcopen de geestelijke leidslieden der gemeente waren en dat de diakenen de zorg voor de armen hadden.4)

In de Klein-Aziatische gemeenten vinden wij in het jaar 58 pres­byters, die met gezag in naam van de gemeente handelden. Paulus ontbood op zijn reis naar Jeruzalem (Hand. 20: 28) de presbyters van Efeze, die door den H. Geest tot opzieners (ἐπισκόπους) zijn aan­gesteld. Petrus vermaande de presbyters, wier taak het is de gemeente te weiden, trouw opzicht te houden over de kudde, geen heerschappij te voeren over het erfdeel des Heeren, maar voorbeelden der kudde te zijn (1 Petr. 5: 1-4) 5). Ook wordt in de Apocalypse (4: 4, 10; 5: 6, 8) gesproken van presbyters en van den engel der gemeente (2: 1, 8, 12, enz.), onder wien wij moeten verstaan de representant der gemeente, de opziener of voorganger der gemeente.

De Herderlijke brieven van Paulus bevatten zoo duidelijke aan­wijzingen van eene ver gevorderde organisatie der gemeente, wegens


1) Calvijn grondt op dezen tekst de onderscheiding van leeraars of doctores, wier taak het is niet de bediening der sacramenten en der tucht, noch het geven van ver­maningen, maar alleen de uitlegging der Schrift, terwijl het ambt der herders of pastores beide bevat. De herders hebben hetzelfde werk als de apostelen en evange­listen, maar met dit verschil, dat hun ambt niet is voor de geheele wereld, maar voor de plaatselijke kerk. De doctores zijn de oude profeten. De ambten van pastores en doctores hebben dit gemeen, dat zij beide betrekking hebben op het Woord Gods (in verbi ministerio consistunt) Inst. IV. 3.
2) Sillevis Smitt, De organisatie v. d. Christel. kerk, bl. 103; P. Ewald in Zahn’s Kommentar op Ef. 4: 11.
3) A. Harnack, Entstehung und Entwickelung der Kirchenverfassung, 1910, S. 44.
4) Het is, in verband met 1 Tim. 3 en andere plaatsen, niets dan verwringing van de woorden van Phil. 1: 1, en dan het leggen van eigen of latere gedachten in den tekst, wanneer men met Hatch-Harnack episcopen en diakenen identificeert, of met Sohm hen wel onderscheidt, doch het diakenambt ondergeschikt maakt aan dat van den episcopus.
5) Petrus bedoelt hier niet alleen oude mannen, maar mannen, die eene ambtelijke bediening hadden, aan wie de leiding der gemeente is toevertrouwd. Zoo ook Kühl in Meyer’s Kommentar.

|95|

het gebruik van de namen voor de ambten: episcopus, presbyter, diakenen, en de vereischten, waaraan zij moeten voldoen, dat zij, die van meening zijn, dat de organisatie der kerk eerst in de tweede eeuw tot stand kwam, hieruit argumenten voor de onechtheid dezer brieven, of in elk geval eene invoeging van deze stukken ontleenen. Doch het stellen der brieven in het begin der tweede eeuw of het aannemen, dat de brieven wel Paulinisch zijn, maar dat in de dagen van Ignatius er stukken ingevoegd zijn,1) is geheel willekeurig. Al spreken de Herderlijke brieven duidelijker over de organisatie der kerk dan de andere brieven van Paulus, zij bevatten niets, wat niet met deze in overeenstemming is. Terecht zegt Wohlenberg2): „Man schafft sich durch Leugnung ihrer Echtheit überall gröszere Verlegenheiten als durch Anerkennung der ein­mutigen Ueberlieferung, welche sie zu den Homologumena rechnet.” Indien, zooals het fragment van Muratori zegt, de drie herderlijke brieven algemeen in de kerk gebruikt werden voor de regeling van de kerkelijke orde en tucht, is het moeilijk aan te nemen, dat deze brieven, die als kanonisch golden, vervalscht zijn.

Deze brieven deelen ons mede de ordeningen, welke Paulus in­stelde in de gemeenten. Paulus heeft Titus in Creta achtergelaten, opdat hij zou voltooien het werk van den apostel, en van stad tot stad ouderlingen zou aanstellen (1: 5). Timotheus was te Efeze achter­gebleven in het jaar 63 en ontving daar van den apostel twee brieven, hoe men in de gemeente moet verkeeren (1 Tim. 1: 3, 3: 15). De vereischten voor het opzieners- en het diakenambt worden door den apostel gesteld, en Timotheus en Titus moeten nauwkeurig toezien, of de personen aan die eischen beantwoorden. Hij maakt onderscheid tusschen vierderlei presbyters: a. zij die door hun hoogen leeftijd presbyters zijn (5: 1), b. zij die een ambtelijke plaats in de gemeente hebben (προεστῶτες πρεσβύτεροι, 5: 17, 19), c. de ouderlingen (προεστῶτες), die uitmunten door voortreffelijke ambtsbediening (5: 17) en d. de presbyters, die arbeiden in de leer. Hieruit volgt, dat er in den kring der presbyters waren, aan wie, behalve de regeering, ook nog het leerambt toevertrouwd was. Tevens vermaant Paulus, dat Timo­theus moet zorgen, dat er mannen zijn, die de overgeleverde leer zuiver moeten bewaren, getrouwe menschen, die bekwaam zijn ook anderen te leeren. De kerk moet dus zorgen voor een goede opleiding tot de heilige bediening (2 Tim. 2: 2).


1) Holtzmann, Die Pastoralbriefe (1880); Harnack, Geschichte der altchristlichen Litteratur bis Eusebius II, Chronologie I, 480-85; Lindsay, The Church and the Ministry, p. 139.
2) Die Pastoralbriefe in Zahn’s Kommentar, 1911, S. 67.

|96|

De gemeenten waren dus in den apostolischen tijd georganiseerd. Die plaatselijke kerk had naast de charismatici ook dragers van het ambt, wiep de leiding en de verzorging der gemeente was opgedragen. Zij, die de ambtelijke organisatie in den Apostolischen tijd ontkennen, gaan uit van een verkeerde hiërarchische beschouwing van het ambt als heerschappij1). Het ambt mag niet heerschen, maar moet dienen. De opzieners en de leeraren zijn dienaars van Christus ten behoeve van de gemeente (Rom. 1: 1, Gal. 1: 10; 2 Cor. 4: 5; Ef. 4: 11). Ook de geloovigen zijn profeten, priesters en koningen en zijn door Christus tot de vrijheid geroepen, maar deze vrijheid is geen ongebondenheid, doch is gebonden aan Christus, die ambten en bedieningen aan de gemeente gegeven heeft.

Hier vinden wij de harmonie tusschen charisma en ambt. Het charisma is een genadegave Gods, vloeit voort uit het souvereine welbehagen des Heeren, die de gever is van alle gaven en krachten en die door Zijnen Geest ook op het gebied der kerk bijzondere gaven mededeelt. In den apostolischen tijd werden in verband met de stichting der gemeente bijzondere gaven verleend (1 Cor. 12). Het was de tijd van het buitengewone, waarin de levensstroom geweldig bruiste, ende geloovigen, aangegrepen door den Geest, op bijzondere soms zonderlinge wijze uiting gaven aan wat het hart bewoog. Maar anders staat het met het ambt. Het ambt staat niet tegenover de gave, maar veronderstelt haar. Het ambt is door Christus inge­steld met het doel om de gemeente te weiden. Doch de roeping tot het ambt gaat niet buiten de gemeente om, maar Christus roept de bedienaars van het ambt middellijk door de gemeente.

Het ambt staat echter niet boven de gemeente. De gemeente is een gemeente van heiligen, van profeten, priesters en koningen, die, door Christus vrijgemaakt, geroepen zijn hun God in vrijheid te dienen en zijne deugden te verkondigen. De gemeente is zelfstandig. Zij bestuurt haar eigen zaken. De apostelen richten zich altijd tot de geheele gemeente, en beschouwen de gemeente als verantwoordelijk voor hetgeen in haar geschiedt (Gal. 6: 1; 1 Cor. 5: 1-5; 2 Cor. 1: 23-2: 12; 7: 12). De vertegenwoordigers en afgevaardigden der gemeente worden


1) Het is dus niet geheel juist, wanneer R. Knopf in Das Nachapostolische Zeitalter, 1905, S. 149 zegt: „Die Einzelgemeinde ist autonom, sie verwaltet ihre Angelegen­heiten selber, sie selber übt auch als ganze Sittenzucht und Rechtssprechung aus, sie werd nicht durch eingesetzte Autoritäten, durch berufsmässige Amtsträger regiert”. Trouwens hij stemt zelf toe, dat naast de charismatici, die buiten de organisatie stonden, ook prohistamenoi waren, en dat de kiemen van het ambt en de organisatie bij andere personen dan bij de charismatici te zoeken is. Waarom dan niet het ambt zelf erkend? Zijn fout is, dat hij het ambt opvat als de verhouding van de overheid tot het volk. Doch deze tegenstelling bestaat er wel tussen Christus als Koning en zijn volk, maar niet tusschen Christus’ dienaren en zijn volk, die ook dienaren der gemeente zijn, Dr A. Kuyper, Encycl.2 III, bl. 545.

|97|

door de geheele gemeente verkozen (2 Cor. 8: 19). Doch de gemeente heeft hare door God aangewezene leidslieden, die opzicht houden en waken voor de zielen (Phil. 1: 1; 1 Cor. 16: 15; 1 Thess. 5: 12, 13; Hebr. 13: 17). Het beeld, dat de apostelen geven van de gemeente en hare opzieners, is dat van een organisme, een lichaam, dat zich door haar organen openbaart.

 

d. Presbyters en Episcopen.

Nadat wij de verschillende gegevens over de inrichting der eerste Christelijke gemeenten hebben nagegaan, komen wij tot de vraag: Waar hebben wij den oorsprong van de functiën der presbyters en episcopen te zoeken?

Het woord „Presbyteros” komt voor op vele plaatsen in de Evangeliën, in de Handelingen der Apostelen, in de Herderlijke Brieven, in ééne plaats in den brief aan de Hebreën, van Jacobus, van 2 en 3 Johannes, in twee plaatsen in 1 Petrus en 12 malen in de Openbaringen van Johannes. De gewone beteekenis van het woord is: oude, een oud man, terwijl het woord ook herhaaldelijk gebruikt wordt voor iemand, die een bijzonder ambt bekleedt in de gemeente. Zij verrichtten dezelfde werkzaamheden, die in de brieven van Paulus genoemd worden: Prohistamenoi (Rom. 12: 8; 1 Thess. 5: 12, 13), of medearbeiders, die een zeker opzicht over de gemeente oefenden en de zaken der gemeente behartigden.

De naam „Presbyteros” was in de Grieksche wereld in de bijzondere beteekenis van bestuurder of leidsman algemeen in gebruik. In de Grieksche steden van het Oosten, met name in Klein-Azië, stonden de beide groepen van ouderen en jongeren als gerousia en neoteroi naast of tegenover elkander. Beide groepen hadden hun eigen organi­satie, eigen vereenigingen, eigen huizen en vierden hunne eigen feesten. Ook was deze onderscheiding tusschen presbyteroi (ouderen) en neoteroi (jongeren) in de Joodsche gemeente in de Diaspora, evenals in het Grieksche vereenigingsleven, algemeen in gebruik.

Het ligt in den aard van het natuurlijke leven, dat de ouderen eene belangrijke plaats in het leven der gemeente innamen. De invloed van oude mannen, die de apostelen gekend hadden, en jaren lang vertrouwbare getuigen van Christus geweest waren, was onwillekeurig groot. Want zij waren de dragers van de overlevering, van geloof en wandel, terwijl een Neophyth, iemand, die pas bij de gemeente gekomen was, ook al was hij een oud man, tot de neoi of neoteroi gerekend werd.1)


1) Clemens 63, 3; Iren, Haer. II, 22; IV, 27; Eusebius, Kerkgesch. III, 39; R. Knopf, Das Nachap. Zeitalter, 187-89; Suiceri, Thesaurus eclesiasticus, in voce; Cremer, Bibl. theol. Wörterbuch, in voce.

|98|

Reeds in de vroegste geschiedenis van Israël lezen wij van „de oudsten der stad”, als de lokale overheid (Deut. 19: 4; Jos. 20: 4; Richt. 8: 14; 1 Sam. 11: 3). Ook in den Perzischen en Griekschen tijd worden „de oudsten” als bestuurders der stad vermeld (Ezra 10: 14), terwijl ook in de dagen van Jezus de naam „presbyter” als man van invloed voorkomt. Eerst in lateren tijd wordt de naam „presbyter” als ambtelijke titel in de Joodsche Diaspora-gemeenten gebruikt. Op niet Joodschen bodem vinden wij den titel van presbyter voor de leidslieden op burgerlijk en sacraal gebied.1)

Er was dus voor de Christelijke kerk een analogie voor het gebruik van het woord „presbyter” als bekleeder van een ambt, en er is volstrekt geen bezwaar tegen, om aan te nemen dat de Christelijke kerk zich bij het kiezen van presbyters bij een bestaand gebruik heeft aangesloten. Evenwel mag men gerust aannemen, dat de stand en het ambt der presbyters zich geheel zelfstandig, in verband met de behoeften en het leven der Christelijke gemeente, heeft ontwikkeld. Er waren van den aanvang af leidslieden in de gemeente. De apostelen waren de door God aangewezen bestuurders. In Hand. 11: 30 wordt mede­gedeeld, dat er in de Jeruzalemsche gemeente πρεσβύτεροι waren, die de collecte in ontvangst namen, en die dus ook een besturende plaats hadden in de gemeente. De schrijver van de Handelingen was de instelling van de eerste ouderlingen voorbijgegaan, maar wanneer wij letten op de steeds toenemende uitbreiding der Jeruzalemsche gemeente en de al zwaarder wordende lasten, op de schouders der apostelen gelegd, zal het vermoeden wel niet onjuist zijn, dat van den aanvang af de ouderen mede invloed op de leiding en de verzorging der gemeente hadden, en dat zij al meer op den voorgrond traden, toen de apostelen niet meer bestendig hun verblijf in Jeruzalem hadden. De instelling van presbyters als ambtsdragers moet in elk geval reeds zeer vroeg hebben plaats gehad, wijl Paulus reeds op zijn eerste zendingsreis (Hand. 14: 23), dus vóór het jaar 50, in elke gemeente presbyters aanstelde.

Het woord episcopos beteekent „opziener”. Reeds bij Homerus komt het voor in deze beteekenis. In lateren tijd wordt het woord gebruikt als de titel van bepaalde beambten in de Grieksche steden, die een bestuursfunctie of eene zending hadden te vervullen.2) Ook in de Septuagint komt het woord voor in de beteekenis van bestuurder en


1) Schürer, Gesch. des jüd. Volkes (1898) II. 176, 111. 51; Deissmann, Bibelstudiën, S. 153. Blijkens de inscripties waren er ook presbyters bij de, onder Joodschen invloed staande, monotheistische cultusvereenigingen te Tanais aan het meer Moeotis; Schürer, Sitzungsberichten der Berliner Academie 1897, S. 207.
2) Suiceri, Thesaurus ecclesiasticus, in voce; Rom. Inscr. ined. III, No. 275; Knopf, Das Nachap. Zeitalter 1905, S. 192; Cremer, Bibl. theol. Wörterbuch, s.v.

|99|

verzorger (Richt. 9: 28; 2 Chron. 34: 12; Jes. 60: 17). Het woord was dus bij de Christelijke gemeente bekend. De brief van Clemens (1 Clem. 42: 4, 5) bevestigt dit: „In dorp en stad predikten de apostelen, doopten hen, die den wil Gods gehoorzaam waren, en stelden de eerstelingen daarvan, na beproeving door den Geest, aan tot bisschoppen en diakenen der latere geloovigen. En dat was niet iets nieuws, want sedert lange tijden stond van bisschoppen en diakenen geschreven: „Ik zal instellen hunne bisschoppen in gerechtigheid en hunne diakenen in geloof” (Jes. 60: 17).

Werd nu de naam presbyter en episcopus in de Christelijke kerk van den beginne aan gebruikt voor dezelfde groep van mannen, die dienden als leidslieden der gemeente? Rome leert: Het oorspronkelijke ambt was dat van bisschop, en het ambt van presbyter en diaken is een toevoegsel en uitbreiding van het bisschoppelijk ambt. Om die reden verklaarde ook het concilie van Trente1) dat de bisschoppen, die de apostelen zijn opgevolgd, „de kerk Gods regeeren, en dat zij de meerderen zijn van de presbyters”. Ook volgens Hatch en Harnack waren de opzieners en de presbyters niet dezelfden. Zij meenen, dat de presbyters waren de oudere leden der gemeente, die door hun leer en leven het Christendom hebben beleden. Later zijn uit deze ouderen mannen gekozen, die de leiding der gemeente hadden en dezen werden de opzieners of de episcopen der gemeente. De presbyters hadden dus geen ambt, maar vormden een stand van eerbiedwaardige oude mannen, die invloed hadden in de gemeente, en aan wie de jongere leden der gemeente (Hand. 5: 6) ten dienste stonden. De episcopen evenwel, uit de presbyters gekozen, hadden een ambt, en waren in ’t bijzonder belast met de zorg voor de financiën der gemeente. Zij werden in hun werk bijgestaan door de diakenen, of de jongeren, die de armen moesten verzorgen. Uit de verbinding van de presbyters en de episcopen is de latere inrichting der gemeente ontstaan. De episcopen werden in het college van presbyters opgenomen, en één uit de episcopen werd permanent voorzitter, en zoo is in de tweede eeuw het eenhoofdig episcopaat ontstaan.

Door deze hypothese Hatch-Harnack2) scheen de oud-Protestantsche voorstelling, dat de ouderlingen en de opzieners dezelfden waren, om ver­geworpen. Maar weldra werd duidelijk, dat deze theorie meer scherp­zinnig gevonden dan waar was, en dat zij niet alleen in strijd was met de traditie der oude kerk, maar ook met de stellige uitspraken der H. Schrift.


1) Sess. XXIII, c. IV, can. VII de Sacramento ordinis.
2) Dr E. Hatch, The Organization of the Early Christian Churches, London 1882, vertaald door Prof. Dr A. Harnack, Die Gesellschaftsverfassung der Christlichen Kirchen, Giessen 1882.

|100|

Zooals wij reeds gezien hebben, waren de presbyters en de episcopen dezelfde als de prohistamenoi in de gemeenten, aan wie Paulus schreef. De functies van de episcopen en van de presbyters zijn overal dezelfde. De episcopen hebben niet alleen een leidende plaats in den cultus en het beheer der gemeentefinanciën, maar hun werk is ook de zorg voor de zielen, het vermanen en het leiden van de gemeente en het bezoeken van de kranken aan de huizen (Jac. 5: 14; 1 Petr. 5: 2; Hand. 20: 23). De leiding van den cultus, het beheer der financiën en de zorg voor de leer en het leven der gemeente, wordt nu eens het werk van de presbyters en dan dat der episcopen genoemd (1 Petr. 5: 1-4; Hand. 20: 23; Jac. 5: 14; 1 Clem. 44: 3; 54 : 2; Ignatius, Philad. 2: 1; Rom. 9: 1).

Een ander bewijs voor de identiteit van presbyters en episcopen is, dat dezelfde menschen nu eens als presbyters en dan weer als episcopen worden aangeduid. Toen Paulus de presbyters van Efeze tot zich te Miléte ontboden had, sprak hij tot hen: „Zoo hebt dan acht op u zelven en op de geheele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners (episcopous) gesteld heeft” (Hand. 20: 28). Beide woorden wisselen hier elkander af en worden in dezelfde beteekenis gebruikt. Zoo ook in de brieven aan Titus en Timotheüs. Titus was door Paulus in Creta achtergelaten, om de kerkelijke orde te voltooien, en om van stad tot stad ouderlingen (presbyters) aan te stellen. De apostel geeft aan Titus de opdracht, te zorgen, dat alleen geschikte menschen worden aangesteld: „Want een opziener (episcopus) moet onberispelijk zijn” (1: 7). De beide namen, presbyter en episcopus, duiden dus dezelfde personen aan, die hetzelfde ambt bekleeden. Dezelfde personen, die in vs. 5 presbyters heeten, worden in vs. 7 episcopi genoemd, de eerste maal waarschijnlijk naar hun ambtelijke waardigheid en de tweede maal naar hun ambtelijk werk.1) In den eersten brief aan Timotheus wordt voor dezelfde personen nu eens het woord „presbyter” en dan het woord „episcopus” gebruikt (3: 1, 2; 4: 14; 5: 17-19). Eveneens is dit het geval in den eersten brief van Clemens aan de Corinthiërs (geschreven in het jaar 96 n. Chr.), volgens welken er in de gemeente presbyters waren, die ook ἡγουμενοι (leids­lieden) genoemd werden, aan wie het opzienersambt (ἐπισκοπη) niet mocht worden ontnomen (1: 3; 21: 6; 44: 4, 5), terwijl in dezen brief (42: 4, 5), evenals in de Didache (15: 1) gesproken wordt van episcopen en diakenen, die de leiding van den godsdienst hebben. Dat her­haaldelijk de episcopen naast de diakenen gesteld worden, in Phil. 1: 1;


1) Theod. van Mopsuestia zegt: illos, qui nunc nominantur presbyteri, non presbyteros solum, sed et episcopos tunc dicebant, waarbij hij verwijst naar Hand. 20: 28; Th. Zahn, Kommentar z. N.T., Die Apostelgeschichte bij Hand. 14: 23.

|101|

Did. 15 : 1; 1 Clem. 42: 5 en elders, terwijl in deze brieven niet de namen presbyters en diakenen naast elkander genoemd worden, is geen bewijs, dat de presbyters anderen zijn dan de episcopen, evenmin als het feit, dat Polycarpus de woorden presbyters en diakenen (Phil. 5 en 6) gebruikt. Veeleer geven zij een bewijs voor de identiteit van presbyters en episcopen.

Ook Petrus spreekt in het jaar 63 van presbyters in de klein-Aziatische gemeenten, die tot taak hebben de kudde, des Heeren te weiden en te verzorgen. Petrus bedoelt hier niet oude mannen, die door de gemeente geacht werden, maar opzieners, die eene verant­woordelijke ambtelijke positie bekleedden. Hiermede in overeenstemming zijn ook de plaatsen in de Apocalypse van Johannes, waarin (4: 4, 10; 5: 6, 8) gesproken wordt van presbyters, en (2: 1, 8, 12, 18, enz.) van den engel der gemeente, waarmede zeer waarschijnlijk bedoeld wordt de representant der gemeente, de opziener, die tot taak heeft, de gemeente te leiden en te verzorgen.

De duidelijkste aanwijzingen hebben wij in de herderlijke brieven. Paulus draagt aan Timotheüs en Titus op, in alle plaatsen ouderlingen aan te stellen. De vereischten voor het opzienersambt worden gesteld, en als hun werk wordt genoemd: het leeren, het vermanen, de leiding en de verzorging der gemeente. De namen presbyter en episcopus voor deze mannen wisselen elkander af. In 1 Tim. 4: 14 wordt het woord „presbyterion” gebruikt voor eene vergadering of college van ambtsdragers, die het opzicht hebben over de gemeente. In het presbyterium wordt men opgenomen, of tot dienaar der gemeente aangesteld, door keuze en door handoplegging (1 Tim. 5: 22). In 1 Tim. 5 maakt Paulus onderscheid tusschen vierderlei presbyters: 1º. die door hunnen leeftijd presbyters zijn, oude mannen, die in achting staan bij de gemeente (5: 1); 2º. de presbyters, die een ambtelijke plaats in de gemeente hebben (προεστῶτες); 3º. die uit­munten door eene voortreffelijke ambtsbediening (5: 17) en 4º. de presbyters, die arbeiden in het Woord en in de leer (5: 17). Het eigenlijke werk van den presbyter is de leiding der gemeente, zoowel het bestuur der gemeente, de leiding van den cultus en de verzorging der zielen. Hun werk is dus hetzelfde als dat van de prohistamenoi in Thessalonica.

Op grond van genoemde gegevens kunnen wij vasthouden aan de identiteit van presbyters en episcopen. Presbyter is de naam van het ambt, en episcopus is de titel, waardoor wordt uitgedrukt wat een presbyter heeft te doen. Er is volstrekt geen reden, om aan te nemen, dat de oud-Protestantsche theorie, omtrent de gelijkheid van presbyters en episcopen, onjuist is. Integendeel, de Roomsch-Katholieke leer, dat

|102|

de presbyters helpers zijn van de bisschoppen, is niet in overeen­stemming met het Christendom der eerste eeuw1).

 

Van beteekenis is de vraag omtrent den oorsprong van het episcopaat.

Het mag wel als zeker worden aangenomen, dat de organisatie van de synagoge invloed geoefend heeft op de vorming van het ambt der ouderlingen. Doch niet juist is, wat C. Vitringa in zijn „De Synagoga Vetere”2) leert, dat de organisatie der kerk tot in de kleinste bijzonder­heden uit de synagoge moet afgeleid worden.

Het hoofddoel van de synagoge was niet het samenkomen tot het gebed, maar de onderwijzing in de wet. De plaatsen des gebeds waren oorspronkelijk onderscheiden van de synagoge, en waren veelal onder den blooten hemel, in de nabijheid van stroomen, waar de Joden zich pleegden te wasschen. Doch wijl op zulke plaatsen des gebeds dikwijls bedehuizen gebouwd werden, is de naam „plaats des gebeds” op de synagoge overgedragen3).

De synagoge veronderstelt dus eene gemeente. Deze gemeente had in plaatsen met eene gemengde bevolking, waar de Joden ver in de minderheid waren, zooals dit meestal in de verstrooiing het geval was, een eigen zelfstandige organisatie, met een eigen raad van oudsten. Doch in plaatsen van bijna geheel of van uitsluitend Joodsche bevolking, zooals in Judea, waren de niet-Joden van het plaatselijke bestuur uitgesloten. Dit plaatselijke bestuur in Joodsche dorpen en steden bemoeide zich ook met de godsdienstige aangelegenheden der bevolking, en daarom viel ook de synagoge onder zijn beheer. De synagoge had in dit geval geen eigen raad van oudsten, doch het was voldoende, dat van overheidswege de noodige beambten: de archi-synagogus, de uitdeeler der aalmoezen en de dienaren, benoemd werden. Immers de godsdienstige en de burgerlijke gemeente viel samen. Wel waren er in Jeruzalem een tijdlang onderscheidene zelf­standige Joodsche gemeenten naast elkander: die der Libertijnen, der Cyrenaeërs, der Alexandrijnen, der Ciliciërs, enz., doch dit had zijn bijzondere oorzaak daarin, dat deze groepen Joden herkomstig


1) Loofs zegt: „Mir scheint in der vorschnellen Annahme, ἐπίσκοπον sei früher Amtsname, Titel gewesen, ein πρῶτον ψεῦδος vieler neuerer Konstructionen zu liegen; die altere Anschauung halte ich durchaus nicht für veraltet. ἐπίσκοπος ist eine Funktionsbezeichnung und bis ins endende zweite Jahrhundert hinein gehen die Spuren davon, dass man ein Bewusstsein davon hat, dass ἐπίσκοπος weniger Amtsname als Amtsbeschreibung ist”, Studiën und Kritiken, 1890, S. 628.
2) Campegius Vitringa, die van 1681-1722 in Franeker bloeide, schreef naast vele geleerde werken ook: De Synagoga vetere libri tres, Fran. 1696, waardoor hij een eervollen naam verkreeg naast geleerden als Buxtorf, Seldenus en Lightfoot.
3) Josephus, Vita § 54.

|103|

waren uit verschillende landen. Van een zelfstandige synagoge, los van de burgerlijke overheid, lezen wij niet1). In zuiver Joodsche plaatsen waren de oudsten van de burgerlijke gemeente tevens synagoge-oudsten. Deze hadden de leiding van de godsdienstige aan­gelegenheden geheel in handen (Joh. 9: 22). Voor de godsdienstige handelingen in engeren zin was er iemand, die het toezicht had op de synagoge, namelijk de overste der synagoge, ook wel presbyteros genoemd. Deze richtte, wanneer een gedeelte der wet en der profeten gelezen was, de noodiging tot de gemeente, of er iemand was, die het woord wilde richten tot de schare (Luk. 4: 17). In den regel had elke synagoge maar één overste, doch in Hand. 13: 15 wordt van meerdere oversten der synagoge gesproken. Behalve den overste der synagoge waren er ook nog ontvangers der aalmoezen, bestaande in geld en naturaliën. Volgens de Mishna moest de inzameling door twee of drie personen geschieden. In de derde plaats waren er ook dienaren der synagoge (Luk. 4: 20), die tot taak hadden, de H. Schriften bij den dienst aan te reiken, deze te bewaren, op de veroordeelden de geeselstraf toe te passen, en de kinderen het lezen te leeren.

Hieruit blijkt, dat de inrichting der Christelijke kerk niet maar is eene copie van de synagoge. Immers de synagoge was niet alleen ingeweven in het godsdienstige, maar ook in het burgerlijke leven. De beambten der synagoge zijn niet dezelfde als de ambtsdragers in de kerk. Wel is er eene overeenkomst tusschen de inrichting der synagoge en die der kerk. De lezing van de H. Schriften, het gebed, de preek, enz. waren elementen, die de Christenen voor hunne samenkomsten konden gebruiken. Bovendien vormden de Joden in de verstrooiing door hunne synagogen eene godsdienstige gemeenschap. Voorts stonden de Christenen in den eersten tijd in nauw verband met de synagoge (Hand. 9: 2). Het ligt dan ook voor de hand, dat de Christenen zich voor hunnen dienst aansloten aan de inrichting der Joodsche gemeenten, maar tevens zich naar de behoeften van den Christelijken dienst, in aansluiting aan het leven der gemeente en het karakter der kerk, volgens de aanwijzing der apostelen en het bevel des Heeren, op zelfstandige wijze hebben georganiseerd. De Heere neemt het bestaande, en vervormt en heiligt het voor den dienst in zijn koninkrijk.

Waren Vitringa, en in navolging van hem, Prof. Moll2), Hilgenfeld3) en anderen van oordeel, dat de organisatie der kerk aan de synagoge


1) E. Schürer, Geschichte des jüdischen Volkes im Zeitalter Jesu Christi, 3e Aufl. II. 427-459; H.L. Strack, R.E.3, Art. Synagogen.
2) W. Moll, Gesch. v.h. kerkelijke leven der Christenen ged. de zes eerste eeuwen, Leiden 1855, bl. 94.
3) A. Hilgenfeld, Zeitschr. f. Wiss. Theologie 1888, S. 22-26.

|104|

was ontleend, E. Renan1) was van oordeel, dat de inrichting der eerste Christelijke gemeenten eene navolging was van die der haeteriën of collegia. Renan’s voetspoor drukte G. Heinrici2). Hij meende in de vereenigingen te midden der Grieksch-Romeinsche wereld parallelen te vinden van de Christelijke gemeenten. Maar deze ge­dachte sloeg eerst in, toen de Engelsche geleerde Hatch in zijne Bampton-lezingen (1880) uitsprak, dat de presbyteriën in de Joodsch-Christelijke gemeenten uit het Jodendom waren overgenomen, terwijl de organisatie van de Heiden-Christelijke gemeenten meer spontaan was ontstaan, en het vereenigingsleven in de Grieksch-Romeinsche wereld hierop invloed uitoefende. In het Romeinsche rijk waren er in de eerste eeuw na Christus vele genootschappen voor godsdienstige doeleinden, ἒρανοι of θίασοι geheeten. De leden dezer vereenigingen kwamen samen tot gemeenschappelijke maaltijden, zij hadden, evenals de Christenen in de huisgemeenten, beslotene en openbare vergade­ringen in het vereenigingsgebouw, dat naar den stichter of patroon genoemd werd. In hunne vergaderingen hadden zij inwijdingsplechtigheden, en bezaten zij een gemeenschappelijke kas. Degenen, bij wie de administratie berustte, heetten ἐπιμεληταί of ἐπίσκοποι. In aansluiting hieraan werden de presbyters der kerk genoemd episcopen, welke aangewezen waren voor het in ontvangst nemen en besteden der liefdegaven. Toen in den loop der tweede eeuw de uitgebreide armen­zorg en wat daarmede samenhing aan de presbyteriën een vasten president had gegeven, ontving deze meer constant den titel episcopus, en wel als de opperste beheerder der financiën.

A. Harnack vertaalde dit boek, verrijkt met aanteekeningen, in het Duitsch, en verbreidde dat gevoelen op het vasteland. De Chris­telijke gemeenten hadden, zoo leerde hij, eene dubbele organisatie, eene patriarchale en eene administratieve. Dadelijk bij het ontstaan der gemeente hadden de ouderen een leidende plaats, doch toen het getal ouderen te groot was geworden, om aan het bestuur te kunnen deelnemen, vormden eenigen uit hen een besturende commissie, οἱ πρεσβύτεροι of οἱ προϊστάμενοι genoemd. Met de administratie waren be­last de ἐπίσκοποι en διάκονοι. De episcopale organisatie werd in de tweede eeuw gecombineerd met de presbyteriale, doordat de besturende commissie in haar midden opnam de episcopen als „primos inter pares”.

Deze theorie, waardoor de oud-Protestantsche stelling van de oor­spronkelijke eenheid van presbyters en episcopen weerlegd scheen,


1) Les apôtres, 1866, p. 351.
2) Zeitschr. f. Wiss. Theologie, 1876, IV, S. 465-526; Theol. Stud. u. Kritiken, 1881, III. 505; R. Ruibing, De jongste hypothesen over het ontstaan van het episcopaat, Gron. 1900.

|105|

bleek weldra onhoudbaar. De oudste getuigenissen pleiten er voor, zooals wij vroeger zagen, dat met de woorden „presbyters” en „episcopen” dezelfde personen aangeduid worden. En al moge er eenige overeenkomst zijn tusschen het Grieksche vereenigingsleven en de inrichting der Christelijke kerk, daarmede is de bewering van afhankelijkheid nog niet gerechtvaardigd. Het onderscheid is van dien aard, dat op elkander gelijkende vormen met een geheel anderen inhoud gevuld zijn, zoodat van navolging geen sprake kan zijn1). De Chris­telijke episcopus heeft wel bestuursmacht, maar ook een cultus-functie. Hij oefent tucht en brengt de offers der gemeente in de gebeden en dankzeggingen, waarvan bij de collegia en de θίασοι geen sprake was. Het staat dan ook wel vast, dat de titel ἐπίσκοπος, die men hier en daar in het Grieksche vereenigingsleven vindt, en de in­richting dier vereenigingen, niet als bewijs voor het ontleenen van het ambt in de kerk uit de heidensche cultusvereenigingen kan aan­gevoerd worden.2)

Het moge waar zijn, dat invloeden van buiten gewerkt hebben, de oorsprong van het ambt in de gemeente is alleen te verklaren uit de instelling des Heeren, die in den weg der historie, onder de leiding der apostelen, in verband met het karakter der kerk voor de ver­schillende functiën bepaalde personen aanwees, en deze functiën ontwikkelden zich geleidelijk tot vaste ambten en bedieningen.

Welke was de taak der opzieners?

De woorden van den apostel Petrus: „Een iegelijk, gelijk hij gave ontvangen heeft, bediene dezelve aan een ander, als goede uitdeelers der menigerlei genade Gods. Indien iemand spreekt, die spreke als de woorden Gods; indien iemand dient, die diene als uit de kracht, die God verleent” (4: 10, 11) hebben betrekking op de gezindheid, waarin zoowel de geloovigen in het algemeen als ook de voorgangers der gemeente behooren te handelen. In 1 Petr. 5: 2, 3 wordt als het werk der presbyters genoemd: het weiden der gemeente, hetwelk bestaat in het oefenen van opzicht en tucht. Dit werk is hun door Christus zelf opgedragen. Uit de vermaning : „weidt de kudde Gods .... niet om vuil gewin, maar uit een volvaardig gemoed” blijkt, dat zij ook met het beheer der financiën waren belast. Volgens Hand. 11: 30 ontvingen de presbyters de collecten voor de armen der Jeruzalemsche gemeente. Andere gegevens, dat het financieel beheer onder de leiding van de opzieners der gemeente stond, bevat het Nieuwe Testament niet, maar het ligt in den aard der zaak, dat hun, die de geestelijke


1) Moeller-Von Schubert, Lehrb. d. Kirchengeschichte, 1902, I. 93.
2) Ziebarth, Das griechische Vereinswesen, Leipzig 1896, S. 131; H. Achelis, Art. Presbyter, R.E.3.

|106|

leiding der gemeente hebben, ook de verzorging der stoffelijke goederen is toevertrouwd.

Het eigenlijke werk der presbyters was de regeering en de oefening van opzicht en tucht over de gemeente. Dit blijkt reeds uit de namen κυβερνήσεις (regeeringen 1 Cor. 12: 28); προϊστάμενοι (die vooraan staan Rom. 12: 8, 1 Thess. 5: 12); ἡγούμενοι (voorgangers Hebr. 13: 7); προεστῶτες (die vooraan staan, de leiding hebben 1 Tim. 1: 17); ποιμαίνειν (weiden, Hand. 20: 28; 1 Petr. 5: 2); ἐπισκοπεῖν (toezicht houden Hand. 20: 28); κοπιᾶν (moeite doen, 1 Thess. 5: 12). Doch het werk der presbyters wordt in onderscheidene plaatsen duidelijk aangewezen. Volgens Hand. 20: 28 zijn de presbyters over de kudde gesteld, om de gemeente Gods te weiden, welke Christus verworven heeft door zijn bloed. Dit weiden zal wel, evenals in 1 Petr. 5: 2; 2: 25, beteekenen: leiden en leeren naar het Woord Gods. Wanneer wij dit in verband brengen met de waarschuwing tegen de dwaalleeraren (20: 29), blijkt daaruit duidelijk, dat de opzieners ook moeten toezien op de leer, die in de gemeente verkondigd wordt, en dat zij zelf de gemeente moeten voorgaan in de rechte leer.

De gemeente der Hebreen was (13: 24) georganiseerd, en in het bezit van ambtsdragers. Deze worden genoemd ἡγούμενοι (voorgangers 13: 7, 24). Van hen wordt gezegd: „Gedenkt uwe leidslieden, die tot u het Woord Gods gesproken hebben” (7). „Zijt uwen voorgangers gehoorzaam en zijt hun onderdanig, want zij waken voor uwe zielen als die rekenschap geven zullen, opdat zij dat doen mogen met vreugde, en niet al zuchtende” (17). De voorgangers hebben dat recht op de achting en de gehoorzaamheid der gemeenten, omdat zij ver­kondigers van het Woord Gods zijn, zielezorg oefenen, en waken voor de belangen der gemeente.

Ofschoon wij niet weten, of aan de presbyters van den beginne het leeren was toevertrouwd, is het wel zeker, dat reeds zeer vroeg zoowel het leeren als het regeeren de taak der presbyters en episcopen was. Oorspronkelijk was in de door den Geest krachtig bewogen gemeente het leeren vrij, zoodat een ieder, die een openbaring of eene leering had, deze vrij tot stichting der gemeente mocht uitspreken (1 Cor. 14: 26, 31; 1 Petr. 4: 10). Uit dezen kring der charismatici zullen ongetwijfeld ook de presbyters genomen zijn. Om die reden zullen dan ook in Ef. 4: 11 de herders en leeraars zoo bijzonder nauw zijn verbonden. Als bijzondere leeraars der gemeente worden genoemd de apostelen, de profeten en de evangelisten. Maar zeer waarschijnlijk zullen al spoedig de presbyters mede opgetreden zijn als de aangewezen leeraars. In elk geval hadden zij van de oudste tijden af mede toezicht op en oordeel over de leer (Hand. 15: 6, 22—29). In 1 Thess. 5: 12

|107|

wordt het προϊσταναι (het leiden) verbonden met het νουθετεῖν (vermanen), en dit νουθετεῖν is nauw verwant met het διδάσκειν (leeren, Col. 1: 28; 3:16). Het object van het ποιμαίνειν (weiden) zijn de zielen (Hand. 20: 28; 1 Petr. 5: 2; 2: 25) en weiden is naar de Schrift: leiden, verzorgen en leeren naar het Woord Gods.

Al mogen wij dus veilig aannemen, dat de presbyters of episcopen van zeer vroege tijden af geroepen waren om te leeren, dit blijkt nog duidelijker uit de Herderlijke Brieven. In deze brieven, geschreven door Paulus in zijn laatste levensjaren, tusschen 63 en 67, wordt in breede trekken over het ambt, en de vereischten daartoe, geschreven. Een ἐπίσκοπος moet διδακτικός zijn (1 Tim. 3: 2), welk woord geen zedelijke eigenschap aanduidt, heenduidend op zijne gewilligheid om te leeren, maar uitdrukt de bekwaamheid om te leeren. Toen de buitengewone apostelen en profeten verminderden en er dwaalleeraren optraden, werd het noodig, dat zij, die plaatselijk leidslieden der gemeente waren, διδακτικοι d.w.z. bekwaam om te leeren waren. Dit wordt nader uitgewerkt in Titus 1:9: „die vasthoudt aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij beide om te vermanen door de gezonde leer en om de tegensprekers te weerleggen”. Nog krachtiger wordt dat geaccentueerd in 1 Tim. 5: 17, 18: „Dat de ouderlingen, die wel regeeren, dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer”. De eigenlijke taak der presbyters is het regeeren. Doch bij deze werkzaamheid is gekomen eene andere functie, namelijk het leeren. Alle presbyters, die trouw staan in hunne roeping, moeten door de gemeente geëerd worden, doch voornamelijk zij, die in het Woord en in deleer arbeiden. Juist door de bijzondere positie, die de presbyter temidden van de gemeente bekleedt, is eisch, dat men hem niet lichtvaardig veroordeelt. Maar indien een opziener zondigt, wanneer hij eene grove overtreding begaat, mag men tegenover hem ook niet al te toegeeflijk en slap zijn, doch moet men hem in het openbaar bestraffen, om anderen vrees voor de zonden in te boezemen.

In den eersten brief aan Timotheüs zien wij dus, dat langzamerhand, naar de behoefte der gemeente, de onderscheiding tusschen leer- en regeerouderlingen al sterker geaccentueerd werd. Hier is eene onder­scheiding tusschen personen van dezelfde klasse, die aanvankelijk bestond, niet in verschil van rechten, maar van gaven, doch die later aanleiding werd tot een sterkere onderscheiding, met verschil van rechten.1)


1) Sam. Davidson, The ecclesiastical Polity of the New Testament, London 1848, een Independentist, zegt (vgl. 182 v.), dat het woord μαλιστα in 1 Tim. 5: 17 slechts is een distinctie tusschen personen van dezelfde klasse, die rust niet in verschil van ➝

|108|

Merkwaardig is de Bisschopsspiegel in 1 Tim. 3: 2-7: „Een episcopus dan moet onberispelijk zijn, ééner vrouwe man, wakker, matig, eerbaar, gaarne herbergende, bekwaam om te leeren, niet geneigd tot den wijl of strijdlustig, geen vuil-gewin-zoeker, maar bescheiden, vreedzaan, niet geldgierig, die zijn eigen huis wel regeert, zijne kinderen in onderdanigheid houdende met alle eerbaarheid (want zoo iemand zij eigen huis niet weet te regeeren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorg dragen?), geen nieuweling, opdat hij niet opgeblazen worde en in het oordeel des duivels valle. En hij moet ook een goede getuigenis hebben van degenen, die buiten zijn, opdat hij niet valle in smaadheid en in den strik des duivels”. Van denzelfden inhoud zijn de vereischten voor een episcopus in Titus 1: 7-9: „Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger Gods, niet eigenzinnig of driftig, geen drinker noch vechter, geen vuil-gewin-zoeker, maar die gaarne herbergt, die het goede liefheeft, matig, rechtvaardig heilig, kuisch, die vasthoudt aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij, beide om te vermanen door de gezonde leer en om de tegensprekers te weerleggen”. Wanneer wij in deze reeks van vereischten voor een presbyter-episcopus de ethische kwaliteiten die een opziener moet bezitten, afzonderen van de eischen, voor de ambtelijke bediening zelve noodig, dan zien wij, dat het werk van de opziener is: de regeering en de geestelijke verzorging der gemeente en harer leden, benevens het onderwijzen der gemeente. Baur en velen na hem waren van meening dat, omdat in dezen bisschopsspiegel het woord ἐπίσκοπος in het enkelvoud staat, nl.: „een opziener moet onberispelijk zijn” enz., elke stad slechts één episcopus had en dat hier het begin van het monarchisch episcopaat moet wordei gezien, en dat deze brief in de tweede eeuw was geschreven. Doch later heeft Baur zelf1) de identiteit van presbyters en episcopen toegegeven. Voorts wordt in vs. 5 gezegd, dat Titus in elke stad presbyters moest aanstellen, waaruit blijkt, dat er in elke stad meerdere presbyters waren. En als dan de apostel in vs. 7 het enkelvoud ἐπίσκοπον gebruikt, dan wil hij daarmede te kennen geven, dat elke opziener beantwoorden moet aan de vereischten, door hem gesteld. Dezelfde personen, in vs. 5


➝ rechten, maar van talenten. Dit is juist. Maar hieruit mag niet worden afgeleid, dat de Geref. kerk verkeerd deed, door de onderscheiding van leer- en regeerouderling zoover te doen gaan, dat zij twee onderscheidene ambten in de gemeente vertegenwoordigden. De Schrift leert duidelijk, dat er mannen in de gemeente moeten zijn, die haar leeren en regeeren. En het is in den loop der historie praktisch noodzakelijk geworden, dat zij, die in de leer arbeiden, gestudeerde personen zijn, die zich voor geheel hun leven geven aan de heilige bediening. Daarom is Davidson’s beschuldiging, dat Calvijn’s onderscheiding tusschen leer- en regeerouderlingen, als twee afzonderlijke ambten, onschriftmatig is, ongegrond.
1) F.Chr. Baur, Christenthum der drei ersten Jahrhunderte, S. 261.

|109|

presbyters genoemd, worden in vs. 7 episcopi genoemd, om hun amb­telijke waardigheid daarmede aan te duiden.

Hoezeer het de bedoeling was, dat de kerk ook voor de toekomst door het ambt zou worden geleid, blijkt wel uit het bevel van Paulus aan Timotheüs (1 Tim. 2: 2), dat deze de leer der apostelen zou toevertrouwen aan getrouwe menschen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderwijzen. Hieruit blijkt, dat de kerk altoos zorg dragen moet voor eene goede opleiding tot den dienst des Woords.

 

Over de verkiezing tot het ambt wordt herhaaldelijk in het Nieuwe Testament gesproken. De twaalven zijn evenals de 70 discipelen rechtstreeks door Jezus geroepen. De apostel Paulus verzekert (Gal. 1:1), dat hij is „geroepen, niet van menschen, noch door een mensch, maar door Jezus Christus en God den Vader”. Dezelfde apostel wordt met Barnabas door den mond der profeten, in tegenwoordigheid van de gemeente van Antiochië, afgezonderd tot den dienst der zending onder de heidenen, en met medewerking van de gemeente, na vasten en bidden en handoplegging, uitgezonden tot hunnen arbeid (Hand. 13: 2, 3).

Bij de keuze van Matthias tot apostel gaven de apostelen de leiding. Zij stelden de eischen, waaraan de te kiezen persoon moest beantwoorden; daarna stelde de vergadering een tweetal, en zij lieten aan den Heere de beslissing door het lot over, en de gekozene werd door de apostelen in het ambt bevestigd1).

Bij de instelling van het ambt der diakenen is de keuze bij de gemeente. De apostelen stelden vast, aan welke vereischten deze mannen moesten voldoen. Het moesten mannen zijn, „die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid” (Hand. 6: 3). Vervolgens werden de zeven mannen door de gemeente gekozen, en eindelijk werden de gekozenen door de apostelen in tegenwoordigheid der gemeente met handoplegging in den dienst gesteld.

In de bekende plaats Hand. 14: 23 is het niet duidelijk, hoe de gemeente medewerkte bij de verkiezing. Van de apostelen Barnabas en Paulus wordt gezegd: „En als zij hun in elke gemeente met opsteken der handen ouderlingen verkoren hadden” (χειροτονήσαντες δὲ αὐτοῖς κατ᾽ ἐκκλησίαν πρεσβυτέρους). Cheirotonein beteekent eigenlijk een kiezen door stemming of de opheffing der handen, maar dan altoos zoo, dat zij, die stemmen, zelf de subjecten der handeling zijn, en niet zij, die de stemming hebben verordend. Volgens Calvijn zou dan ook hier de gemeente, onder leiding der apostelen, door het opsteken der


1) Van Matthias wordt gezegd (Hand. 1: 26): συγκατεψηφίσθη μετὰ τῶν ἕνδεκα ἀποστόλων, d.w.z. hij werd bijgeteld bij de 11 apostelen, zoodat hij, tengevolge van de beslissing door het lot, door de vergadering voor den twaalfden apostel gerekend werd.

|110|

handen, de ouderlingen verkozen hebben1). Onder de nieuwere uitleggers zijn er, die van oordeel zijn, dat het woord cheirotonèzanti zijne oorspronkelijke beteekenis zou hebben verloren, dat het beteekent „verkiezen” en meenen, dat Barnabas en Paulus alleen de ouderlingen verkoren2). Anderen evenwel merken op, dat het Grieksche werkwoord cheirotonein gebruikt wordt, om de verkiezing aan te duiden, en dat het, in overeenstemming met de staatkundige gebruiken van dien tijd de gedachte van eene volksstemming inhoudt. Th. Zahn zegt, dat „hier het woord in zoover onnauwkeurig gebruikt is, als de verordening der keuze door Paulus en Barnabas met het volbrengen der keuze door de gemeente samengevat en naast de, eveneens door de apostelen voltrokken, wijding der gekozenen gesteld is”. Met zekerheid is de beteekenis van dezen tekst niet vast te stellen. Doch omdat de apostele nergens voor zich de absolute macht over de gemeente bij eene verkiezing opeischen, maar wel leiding geven, mag men wel als zeker aannemen, dat de apostelen hier het recht van keuze aan de gemeente gaven, en zelf leidend optraden.

In 2 Cor. 8: 19 is sprake van een broeder, die door de keuze de gemeenten (χειροτονηθεὶς ὑπὸ τῶν ἐκκλησιῶν) is aangewezen, om reisgenoot van Paulus te zijn. Hoe dit stemmen toeging, weten wij niet3).

Tegen de medewerking van de gemeente bij de verkiezing van de ouderlingen is wel eens aangevoerd, wat Paulus schrijft (Tit. 1: 5 „Om deze oorzaak heb ik u in Creta achtergelaten, opdat gij hetgeen nog ontbrak, voorts zoudt terechtbrengen, en dat gij van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen” (καταστήσῃς κατὰ πόλιν πρεσβυτέρους). Rome heeft hieruit afgeleid, dat Titus buiten de gemeente om de ouderlingen moest aanstellen. Maar dit wordt hier volstrekt niet gezegd, καθίστημι beteekent hier: „in dienst stellen”, „aanstellen”, hetgeen volstrekt niet de medewerking der gemeente uitsluit. „Paulus geeft hier aan Titus niet de macht, om naar eigen goedvinden opzieners aan de gemeene op te dringen, maar beveelt hem alleen, als leider bij de verkiezing voor te gaan, zooals noodzakelijk is”. In verband hiermede zij sommige uitspraken van schrijvers in het laatst van de eerste en in het begin der tweede eeuw van beteekenis (1 Clem. 44: 3; Didache 15: 1), dat de opzieners toen door de gemeente gekozen werden4).

Wij mogen dan wel als zeker aannemen, dat de gemeente de ambtsdragers koos en dat de apostelen en later de opzieners der gemeente


1) Calvijn, Opera ed. Baum c.s. LXX, 409.
2) De Wette, H. Wendt in Meyer’s Kommentar.
3) Zeitseh. f. Wiss. Theologie, 1876, S. 514.
4) B. Weiss zegt in Komm. ü. d. N.T. in de „Einleitung” in die Pastoralbriefe (1886) § 4, 1 terecht: „So ist ja irgend eine Betheiligung der Gemeinde bei der Wahl de betreffenden Personen nicht nur nicht ausgeschlossen, sondern gradezu vorausgesetzt”.

|111|

hierbij de leiding hadden. Steeds zat de gedachte bij deze handeling voor, dat wel de gemeente koos, maar dat de eigenlijke verkiezing en in dienst stelling door Christus geschiedde (1 Cor. 12: 28; Ef. 4: 11). Daarom zegt Paulus ook tot de presbyters van Efeze (Hand. 20: 28): „over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft”1).

Na de verkiezing volgde het in dienst stellen met de handoplegging. De handoplegging beoogde niet een mechanische mededeeling van den H. Geest en de gaven des Geestes, zooals de latere Roomsche leer deze huldigt. Want Hand. 6: 3 leert, dat de diakenen, die ver­kozen werden, reeds begiftigd waren met den H. Geest en de gaven des Geestes deelachtig waren. Barnabas en Saulus bezaten de gave des H. Geestes en stonden reeds in het ambt, toen zij met hand­oplegging in Antiochië uitgezonden werden tot den zendingsarbeid (Hand. 13: 1-3). De handoplegging was niet oorzaak van het charisma, maar veronderstelt het. Daaruit volgt, dat de handoplegging voor den tot een ambt gekozen persoon slechts een bekrachtigende werking kan hebben2). De aanstelling van Timotheüs tot evangelist geschiedde door (δια) de getuigenis der profetie en werd bekrachtigd met (μετα) de handoplegging van het presbyterium. De handoplegging volgde op de roeping van Godswege, en was voor den gekozene en voor de gemeente een bezegeling van de waarheid en de echtheid der roeping, dat namelijk de gekozene waarlijk door God tot zijne bediening ge­roepen werd. De gekozene bezat de gaven vóór de roeping en werd in dienst der gemeente overgeleid door de keuze en de hand­oplegging3).

 

Van een tijdelijk dienen lezen wij in het Nieuwe Testament niet. Wij krijgen den indruk, dat de ouderlingen en de diakenen voor het leven dienden. Om die reden hebben dan ook later de meeste kerken deze ambten voor het leven gesteld. Slechts een deel van de Gereformeerde kerken, die zich vormden naar de beginselen van Calvijn, hebben om praktische redenen, om hiërarchie te voor­komen en den invloed der gemeente op de regeering der kerk te sterken, bepaald, dat de ouderlingen en diakenen voor een bepaalden tijd zouden dienen4). Bovendien mag men niet vergeten, dat de


1) Deze gedachte leefde nog lang voort in de gemeente. Zoo schreef Cyprianus ep. 48: 4: „dominus, qui sacerdotes sibi in ecclesia sua eligere et constituere dignetur”; ep. 59: 5: „post divinum judicium, post populi suffragium, post coepiscoporum consensum judicem se non jam episcopis sed deo faseert”.
2) Sohm, Kirchenrecht I, S. 63; Bavinck, Geref. Dogmatiek, 1911, IV. 418.
3) Dat de handoplegging een exorcistisch karakter droeg, zooals Sohm, Kirchen­recht I. 63 schijnt te meenen, en zooals de kerk later leerde, is in het N. Testament onbekend.
4) Calvijn, Inst. IV, 3, 8; Voetius, Pol. Eccl. II. 466. „The Presbyterian Church, its worship, functions and ministerial orders” by Alex. Wright, p. 190.

|112|

onderscheiding tusschen leer- en regeerouderling zich in de eerste eeuw nog slechts begint te vormen.

 

Bij de beoordeeling van de gegevens voor de organisatie der kerk kan men drieërlei standpunt innemen: 1°. dat de kerk zich dus geheel vrij kan inrichten; monarchaal, episcopaal, presbyteriaal, independentisch, zich schikkend naar eene landsregeering of anderszins naar het haar goeddunkt; 2°. dat heel het systeem van kerkregeering kant en klaar in de H. Schrift gegeven is, zoodat wij het maar hebben af te lezen, en de kerk geen vrijheid bezit en aan haar niets overge­laten is; en 3°. dat de H. Schrift alleen de hoofdbeginselen geeft en dat de kerk, met in acht neming dier beginselen, onder de leiding des H. Geestes, zich verder naar de eischen der tijden en der omstandig­heden kan inrichten.

De Gereformeerden nemen het derde standpunt in. Zij mogen in navolging van Calvijn wel den indruk geven, dat hun vroomheid een wettelijk karakter draagt, omdat zij in het Woord Gods vinden den regel voor hun geloof en leven, en zij van oordeel zijn, dat het leven in al zijne deelen, in handel en wandel, in kerk en maatschappij, in wetenschap en staat, naar de wet Gods moet worden ingericht, zij worden toch ten onrechte beschuldigd, dat zij in de H. Schrift een codex van wetten zien. Gods Woord is voor hen geen handboek voor wetenschap, geen boek vol bepalingen, dogma's en reglementen, maar het is het openbaringswoord Gods, waarin God zichzelven bekend maakt aan zondaren, wie Hij is in Christus voor een gevallen schepsel rechtvaardig en heilig, barmhartig en genadig, waarin Hij den weg der verlossing klaar en duidelijk aan zondaren voorstelt, en waarin God ook zijne ordinantiën voor heel het schepsel ontplooit, opdat het schepsel hem zou dienen en eeren. Zoo kunnen wij ook de ordeningen Gods voor het leven zijner kerk op aarde vinden in de H. Schrift doch niet zoo, dat eene formeele kerkinrichting uit de Schrift zon kunnen worden afgelezen, maar in dien zin, dat de Heere den weg aanwees, dien zijn kerk heeft te volgen, de hoofdbeginselen aangaf die de kerk, in verband met bepaalde tijden, toestanden en omstandig heden, in toepassing moet brengen. Zoo is in het N. Testament aangewezen, dat er ambten en bedieningen moeten zijn, om de kerk te leeren en te verzorgen, in het bijzonder, dat drie ambten noodig zijn voor den welstand der gemeente: het leerambt, het regeerambt er de dienst der barmhartigheid. Aangewezen is in de Schrift, dat er ouderlingen moeten zijn voor de regeering der kerk, dat deze onder medewerking van de gemeente in den dienst moeten gesteld worden doch hoeveel ouderlingen in elke gemeente moeten zijn, welke de

|113|

wijze van de verkiezing en de tijd hunner bediening zal zijn, moet aan de behoeften der tijden en der omstandigheden worden over­gelaten.

De Gereformeerden hebben steeds positie genomen tusschen twee uitersten, tusschen de hiërarchisch-Roomsche leer, die heel de hiërarchie in de H. Schrift meent te vinden, en het valsch Spiritualisme, dat van oordeel is, dat de eerste tijd der kerk zich kenmerkt door een ongebonden pneumatische anarchie. Zij gelooven, dat Christus zelf de organisatie der kerk heeft bepaald, en dat de verordeningen, in naam van Christus door de kerk gegeven, bindend zijn voor alle tijden. De beginselen van de inrichting der kerk, in het N. Testament gegeven, toonen duidelijk, dat Christus is het hoofd zijner kerk, die zijn lichaam is, en dat de geloovigen leden zijn van dat lichaam, dat Christus is de eenige Koning, dat de ambten en de bedieningen hebben mede te werken, dat Christus’ koningsrecht praktisch wordt erkend, dat de geloovigen als vrije Christenen zich schikken naar de regelen, door den Koning der gemeente gesteld, en dat alle ambten en bedieningen behooren mede te werken tot de komst van ’s Heeren Koninkrijk en den opbouw der gemeente, opdat de gemeente, levende uit Christus, strijdende voor Hem, kome tot hare bestemming en de glorie van ’s Heeren naam.

Hoe de verdere ontwikkeling liep, hoe het door de formatie en reformatie kwam tot den toestand, zooals wij dien kennen, leert de historie der Christelijke kerk.

Bouwman, H. (1928) § 8

§ 8. De tweede eeuw.

Bij het onderzoeken van de organisatie en de inrichting der kerk in de tweede eeuw betreden wij een donker terrein. De ge­schriften geven geen duidelijk beeld. Omdat de berichten slechts betrekking hebben op enkele en wel op de grootste gemeenten, moeten wij zeer voorzichtig zijn in het trekken van de conclusiën. Wat wij weten van de gemeenten te Rome, Corinthe, Antiochië en Filippi, behoeft nog niet in andere gemeenten zoo geweest te zijn. Dit kunnen wij wel als zeker vaststellen, dat de plaatselijke kerk in de eerste helft der tweede eeuw nog autonoom is, dat de gemeente zelve oordeelt over de leer, de orde en de tucht, al is het, dat zij zich

|114|

daarvoor bedient van hare organen, de ambtsdragers. De buitenge­wone ambten treden op den achtergrond of zijn weggevallen. De charismata worden gebonden aan het ambt. De leiding der gemeente is in handen van de opzieners, die, door de gemeente gekozen, voor hun leven dienen, en geleidelijk, zonder dat er van eenig verzet sprake is, ont­vangt een uit den kring der opzieners de leiding van het presbyterium.

Het eerste geschrift, dat de aandacht trekt, is de Didache of de Leer van de 12 Apostelen, een korte handleiding voor het leven en den cultus der gemeente uit de eerste helft van de tweede eeuw. De Didache kent nog apostelen en profeten, die missioneerend rond­reizen, en die slechts twee dagen op eene plaats mogen vertoeven (11: 4—6). De profeten, die de waarheid verkondigen, moeten geëerd worden en hebben recht op onderhoud; hun woord en hun wandel moet door de gemeente worden beproefd. (11: 7—12). De gemeente moet episcopen en diakenen kiezen, mannen, die zachtmoedig zijn en vrij van geldgierigheid, waarachtig en beproefd, „want zij verrichten den dienst der profeten” (15: 1). Duidelijk wordt hier uitgesproken, dat eene verandering is ingetreden en dat de ambtsdragers van de plaatselijke kerk de plaats innemen van de profeten in een vroegere periode1). Zij treden niet op als de charismatici uit kracht van hunne gaven en innerlijke drijving, maar zij worden door de gemeente voor hun leven gekozen. Zij verrichten het werk van de profeten en leeraars, en hebben dus naast de zorg voor de zielen ook tot taak de bediening des Woords en der sacramenten (14: 1; 15: 1). Merk­waardig is, hoe groot de zelfstandigheid der gemeente is. Zij oefent tucht, kiest ambtsdragers, beproeft de geesten (12: 1-5; 15: 1-4), is verantwoordelijk voor wat in de gemeente geschiedt en moet zich wachten voor valsche profeten (16: 1-8).

De eerste brief van Clemens aan de Corinthiërs, namens de ge­meente te Rome geschreven aan de Corinthische gemeente, in het jaar 95, om de geschonden eenheid aldaar te herstellen, is gericht aan de geheele gemeente. Clemens spreekt van episcopen en diakenen, die door de apostelen in het ambt zijn gesteld. „In dorp en stad predikten zij nu, doopten hen, die den wil Gods gehoorzaam waren, en stelden de eerstelingen daarvan, na beproeving door den H. Geest, tot bisschoppen en diakenen der toekomende geloovigen aan” (42: 4). Omdat de apostelen den strijd om het episcopaat reeds vooruit zagen, wilden zij, dat na hun dood andere beproefde mannen hun ambt zouden overnemen, maar dan — zoo voegt hij er bij — „onder toe­stemming der gemeente” (44: 1-4). Het hoogste gezag is bij de


1) Lindsay, The Church and the Ministry, p. 176.

|115|

gemeente. Bij meerderheid van stemmen worden de ambtsdragers ge­kozen voor hun leven (44: 3), ofschoon de gemeente ook het recht heeft, onwaardigen te ontslaan (54: 2). Evenwel moet de gemeente de ouderlingen eeren, wijl Christus hun ambt heeft gewild. Zij worden genoemd de ἡγουμενοι (21: 6, 1: 3), de πρεσβυτεροι καὶ ἐπισκοποι, met welke namen dezelfde personen worden genoemd (44: 5, 47: 6, 54: 2, 57: 1). De vermaning komt tot de gemeente: „Onderwerpt u aan de presbyters.” Het werk der opzieners is de leiding van den cultus en het beheer der gemeentefinanciën.

De zeven brieven van Ignatius, bisschop van Antiochië in Syrië, zijn geschreven ongeveer 115, temidden van den storm der vervolging onder Trajanus. De gemeente moet hare eenheid in Christus naar buiten openbaren. De gemeenschap der heiligen moet worden beoefend. De gemeente moet de eenheid bewaren, door zich te scharen om de ambten in de gemeente, vooral om den bisschop. Met het oog op die eenheid riep hij de gemeente toe: „Houdt u aan den bisschop, en aan het presbyterium en de diakenen; heb de eenheid lief, vliedt de scheuringen, wordt navolgers van Jezus Christus, gelijk hij was van van den Vader” (Philad. 7: 1). Het gevaar voor scheuring bestond, omdat Judaistische en Docetische dwaalleeraren waren opgetreden (Ef. 9, 15; Magn. 10, 11; Trall. 6-11; Philad. 6), en daarom zegt hij aan de gemeente van Smyrna (8: 1): „Vliedt de scheuringen als het begin van het kwaad! Volgt allen den bisschop, als Jezus Christus den Vader, en het presbyterium als de apostelen, hebt ook achting voor de diakenen, zijnde een gebod Gods” (Ef. 4: 1; Pol. 6). Elke Christelijke kerk moet hebben een bisschop, een presbyterium of vergadering van ouderlingen, en een vergadering van diakenen. „Wie binnen den kring des altaars is, is rein, doch wie er buiten staat, is niet rein, d.i. wie zonder bisschop en presbyters en diakenen iets verricht, heeft geen zuiver geweten” (Trall. 7: 2). Daarom moet de gemeente de ambtsdragers, in het bijzonder den bisschop, gehoor­zamen. De bisschop is de ziel, de leidsman van het presbyterium, de representant Gods, de vertegenwoordiger der gemeente (Ef. 1, Magn. 2), de zichtbare plaatsvervanger van den onzichtbaren God (Ef. 6; Magn. 3: 6). Hij moet geacht worden als Christus (Trall. 3) en zijn jeugdige leeftijd mag geen belemmernis zijn voor de hoogachting. Hij leidt den cultus (Magn. 4: 7, Pol. 4: 5), oefent de tucht, bedient de sacramenten (Phil. 3). Zonder hem mag men niets doen. Als men Ignatius vluchtig leest, schijnt Rome gelijk te hebben, wanneer zij zich op hem beroept voor hare leer van de hiërarchie1), maar bij


1) Schanz, Apologie des Christenthums III. 300; Seitz, Die Heilsnotwendigkeit der Kirche nach der altchristlichen Litteratur, 1903, 14, 350.

|116|

nauwkeurige lezing wordt het duidelijk, dat er geen spoor van hiërarchie te vinden is1). De bisschop is geen autocraat, er is een raad van bisschoppen, waarvan ook de bisschop lid is (Phil. 8). Maar de bisschop is de leidsman, de mond van het presbyterium, de primus inter pares. En de uitdrukkingen, die Ignatius gebruikt om de hooge positie van den bisschop aan te duiden, vinden naast de goddelijke insteiling van het ambt mede daaruit de verklaring, dat hij uitging van de gedachte, dat de bisschop eo ipso een uitnemend en vroom man was. Ignatius schrijft zelf als een belijder van den naam van Christus aan zijn broeders, die ook spoedig kunnen geroepen worden tot het martelaarschap.

De brief van Polycarpus aan de gemeente van Philippi, waarschijnlijk vóór 120 geschreven, geeft eenig licht over de organisatie van Philippi en Smyrna. Hij vermaant achtereenvolgens de mannen, de vrouwen (4: 1, 2), de weduwen (4: 3), de diakenen (5: 2), de maagden (5: 3) en eindelijk de presbyters (6: 1). Het werk der presbyters is het toezicht houden op de gemeente en de oefening der barmhartigheid. De diakenen, wier werk mede begrepen is in dat der presbyters, moeten onberispelijk en barmhartig zijn. De bisschop heeft de leiding, maar hij kan niets doen zonder de medewerking van de presbyters. Dit blijkt ook uit den aanhef van den brief: „Polycarpus en zijne medepresbyters”. De gemeente is nog in het volle bezit van hare rechten. Bij de verkiezing en de afzetting der ambtsdragers en de uitoefening der tucht ligt de beslissing in handen van de gemeente.

De brief van Barnabas, geschreven tusschen 80 en 130, vermeldt geen presbyters, episcopen en diakenen. De gemeente heeft mede aandeel in het bestuur.

De Herder van Hermas, een apocalyptisch geschrift, dat ± 140 is ontstaan, vermeldt eene rij van voorgangers der gemeente: apostelen episcopen, leeraren en diakenen. De presbyters zijn de voorstanders de leidslieden, die samen een raad, presbyterium, vormden (Vis. 2, 3, 9) Hun was het onderwijs en de opbouwing der gemeente opgedragen (Sim. 9, 22). De episcopus heeft de leiding van het presbyterium. Var een monarchisch episcopaat is geen sprake.

De bronnen van de canones apostolici, die volgens Harnack2) ontstaan zijn omstreeks 140-180, beschrijven eene kerk met eene complete organisatie. De leden der kerk wonen temidden van de heidenen. De eischen voor het ambt zijn nauwkeurig aangegeven. Naast den herder


1) Zahn, Ignatii Epistulae p. 59; Ignatius van Antiochië, S. 308; Révilie, Les Origines de l’Episcopat, 1894, p. 420; Knopf, Das Nachap. Zeitalter, 1905, S. 217; Ruibing, p. 95; Lindsay, The Church and the Ministry, p. 194.
2) Texte und Untersuchungen II, 2, S. 193—241; II, v.; Sanday betuigt in Exposito: 1887, Jan.-Juni, zijne instemming met het gevoelen van Harnack, terwijl ook Lindsay The Ancient Church, p. 177, zich hierbij aansluit.

|117|

der gemeente moet de gemeente kiezen tenminste twee ouderlingen of presbyters, die den herder moeten helpen bij den dienst, bij de oefening der tucht en het bezoeken der gemeente. Ook moet elke gemeente minstens drie diakenen hebben, die mede moeten achtgeven op de gemeente, moeten waarschuwen en vermanen. Elke kerk behoort ook een dienst der vrouwen te hebben, weduwen genoemd, wier werk het is, de vrouwen der gemeente bij te staan. De lezer heeft tot taak, de H. Schrift in de vergadering der gemeente te lezen. Hij moet bekwaam zijn om de Schrift te verklaren. De herder of de opziener (bisschop) representeert de gemeente naar buiten. Hij is de leidsman van den publieken dienst, en de ouderlingen ondersteunen hem, gezeten aan zijn rechter- en linkerhand. Hij moet bij voorkeur een ontwikkeld man zijn, in staat, de Schriften te verklaren. Hij heeft mede tot taak het bestuur van de goederen der gemeente, in het bijzonder van de gaven, die voor de avondmaalstafel gebracht worden, een en ander onder toezicht van de presbyters. Het is het meest gewenscht, dat hij ongehuwd is, maar indien hij eene vrouw heeft, dan moet zij eene geloovige zijn.

Ook Justinus Martyr geeft in zijne Apologie, ± 150, eene beschrijving van den dienst in de oude kerk. „En op den dag, dien men Zondag noemt, komt men allerwege van stad en land bij elkander, terwijl dan de gedenkschriften der Apostelen of de geschriften der Profeten worden gelezen, voorzoover dat in het verband der godsdienstoefening past. Als de voorlezer klaar is, spreekt de voorganger (προεστώς) een woord van vermaning en opwekking, om het goede in toepassing te brengen, waarvan men zoo juist gehoord heeft. Dan staan wij allen gezamenlijk op en bidden. Zijn wij daarmede gereed, dan wordt er, gelijk wij reeds boven mededeelden, brood gebracht en wijn en water, terwijl de voorganger gebeden zoowel als dankzeggingen, zoo goed hij dat vermag, omhoog zendt. De gemeente geeft daarop plechtig hare instemming door het uitspreken van „Amen!”, waarop dan de uitdeeling en het nuttigen van ieder voor zich zelf plaats vindt van hetgeen door dankzegging is gewijd, terwijl de diakenen het brengen aan hen, die niet tegenwoordig zijn. De rijken, die gaarne wat willen afstaan, geven, ieder, wat hij wil, naar vermogen, hetgeen dan alles gezamenlijk aan den voorganger wordt gebracht, die daarmede dan de weezen helpt en de weduwen en hen, die door ziekte of uit andere oorzaak in moeilijke omstandigheden zijn, alsmede de gevangenen en de van buiten tot ons gekomen vreemdelingen, in één woord, hij is voor ieder, die zich in eenigen nood bevindt, een uithelper”.1)


1) Justini Apologia, c. 67. De vertaling is van Dr H.U. Meyboom: Oud Christel. Geschriften in Ned. vertaling, V. 181.

|118|

Uit deze gegevens blijkt, dat de plaatselijke gemeenten in de tweede eeuw in het bezit waren van eene organisatie, zooals voor haar wel­zijn noodig was. Aan den raad van presbyters en diakenen, gekozen door de gemeente, was de leiding der gemeente opgedragen, terwijl in vele kerken een voorganger of episcopus was, die, in onderscheiding van de presbyters, de leiding van den cultus had, de gemeente naar buiten vertegenwoordigde en dus een bijzondere en invloedrijke plaats bekleedde. Zoo noodig ontvingen de voorgangers wat zij voor hun levensonderhoud noodig hadden. Naar het bevel van Jezus en de apostelen (Matth. 10: 10; Luk. 19: 7; 1 Cor. 9: 7-14; 2 Cor. 11: 7-12; 12: 13; Gal. 6: 6-8), dat de dienaren van het Evangelie moeten worden onderhouden door degenen, onder wie zij arbeiden, heeft ook de gemeente hare dienaars in hun nooddruft verzorgd. Wij bezitten zeer weinig aanwijzingen, hoe de gaven voor de ambtsdragers werden bijeengebracht, maar wij mogen als zeker aannemen, dat wat noodig was voor hun levensonderhoud, door vrij willige bijdragen werd verzameld. Zij ontvingen niet een vast salaris, maar zij ontvingen van de eerstelingen en uit de liefdegaven, wat zij noodig hadden. De voorgangers bleven over het algemeen hun bedrijf uitoefenen. Wij lezen van bisschoppen, die schaapherders, wevers, scheepsbouwers, juristen, enz. waren, terwijl de ouderlingen en de diakenen gekozen werden uit mannen, die een bedrijf in het maatschappelijke leven uitoefenden, en geen ondersteuning noodig hadden. Zij verkeerden dagelijks met de leden der gemeente in de werkplaatsen, op het veld, op de markt, en vormden niet, zooals later in de Roomsche kerk, een afzonderlijken stand buiten en boven de gemeente. Hoewel zij dragers van het ambt en dus dienaren van Christus waren, waren zij broeders onder de broederen. In alle dingen, behalve in de bediening van het ambt, waren de leden der gemeente gelijk aan de ouderlingen en de ouderlingen gelijk aan de leden1).

Het schijnt, dat in elke gemeente een presbyter was, die de leiding in den kring der presbyters had, die voorganger was bij den cultus, bij de prediking en bij de bediening van het Avondmaal, en die de kerk naar buiten vertegenwoordigde. De verheerlijkte Christus richtte zijn vermaning en beloften aan den voorganger of den engel der


1) Een belangrijke reeks van inscripties is gevonden op de grafsteenen van het kerkhof van de kleine stad Corycus in Cilicia Tracheia, waarin getuigenis gegeven wordt van het Christelijke leven in de vijfde eeuw. Een der inscripties wijst aan het graf van een pottenbakker, een ander van een goudsmid. Beiden waren presbyters van de kerk aldaar. Buil. de Corr. Heil, VII. 230; cf. Socrates, Hist. I. 12; Sozomenus, Hist. Eccl. VII. 28; Greg. Magni, Epistolae XIII, 26; Cyprianus, De Lapsis, 6; Hatch, The organization of the Early Churches, 1881, p. 147; Lindsay, The Church and the Ministry, p. 203; Gwatkin, Early Church History, 1912, I, p. 229; Riedel, Die Kirchenrechts-quellen des Patriarchats Alexandrien, 1900, p. 270.

|119|

gemeenten in Klein-Azië (Op. 2, 3). In de Klein-Aziatische gemeenten tijdens Ignatius was er één episcopus, die de leiding der gemeente had. Zelfs in Magnesia was een jonge man episcopus (Magn. 3). Evenwel is deze voorganger geen monarchisch episcopus, want hij heeft geen onafhankelijke positie, en staat onder het toezicht van de opzieners. Hij is de primus inter pares.

Evenwel hebben de woorden van Clemens, Ignatius en anderen, eenzijdig opgevat, invloed gehad op de ontwikkeling van het monar­chisch episcopaat. De praktijk heeft dit gevoelen in de hand gewerkt. De voorganger, die de leiding bij het Avondmaal en in de gemeente had, en die de gemeente naar buiten representeerde, werd al meer als een man van beteekenis beschouwd en werd de episcopus bij uitnemendheid1). En als wij hierbij in aanmerking nemen, dat de presbyter, die gekozen weid voor zulk een hooge plaats, veelvuldig was een man, die goede geestelijke gaven bezat en die imponeerde door zijne persoonlijkheid, en hoe in moeilijke tijden de gemeente zich gaarne schaarde rondom een krachtig man, dan kan men ge­makkelijk verstaan, hoe het monarchisch episcopaat langzamerhand ingang vond2).


1) Ramsay, The Church in the Roman empire, 1893, p. 367.
2) Over het algemeen is men van gevoelen, dat het eenhoofdig episcopaat het eerst in Klein-Azië is uitgewerkt. Zoo oordeelde reeds Lipsius, Chron. der Röm. Bischöfe S. 263 en Zeitsch. f. Wiss. Theol. 1866, S. 80 en Zahn, Der Hirt des Hermas, S. 98, terwijl ook later Lightfoot, Comm. to the Philippians 1881, p. 206, Harnack, Dogmengeschichte, 1888, I, S. 402, Anm. 3, met beroep op Ignatius en den Herder van Hermas en Loening, Gemeindeverfassung, S. 116, dit gevoelen verdedigden. Daartegenover stelt Sohm, Kirchenrecht I, S. 167, in navolging van Manchot, Die Heiligen, Leipzig 1887, S. 90, dat juist omgekeerd Ignatius reeds bij Rome de orde der Katholieke kerk veronderstelde, en dat, als gevolg van den brief van Clemens, het episcopaat in Rome is ingevoerd. Ook Hermas zou in die richting gewerkt hebben. Eveneens is Friedberg (Kirchenrecht) van oordeel, dat de invloed van Rome toonaangevend geweest is. Het komt ons voor, dat beide gevoelens elkander niet uitsluiten, en dat er niet genoeg gegevens zijn, om daaruit te besluiten, waar de ontwikkeling tot het monarchisch episcopaat is begonnen. In elk geval is de meening van Sohm, dat bij Clemens het kerkrecht begint, af te wijzen, daar zij uitgaat van de verkeerde voorstelling, dat een veelheid van gelijkgerechtigde opzieners een tegen­stelling met de rechtsorganisatie aanduidt. Zie § 1 van dit boek.

Bouwman, H. (1928) § 9

§ 9. De overgang tot het monarchisch episcopaat.

Wanneer en hoe de overgang tot het monarchisch episcopaat tot stand kwam, is niet met zekerheid te zeggen. In de Apostolische eeuw waren er in de verschillende gemeenten

|120|

onderscheidene presbyters, maar weldra kwam er in elke gemeente één van de presbyters, die de leiding van den cultus had, die in het bijzonder aangewezen was als de leeraar en die de gemeente naar buiten vertegenwoordigde. Zooals wij gezien hebben1), bekleedden de presbyters en de episcopen dezelfde functiën (Hand. 20: 28). Maar daaruit mag niet afgeleid, wat de Roomsche kerk, in navolging van Theodorus van Mopsuesta, doet2), dat er van den beginne af een monarchisch episcopaat heeft bestaan, die de macht der ordening bezat, en dat na den dood van de apostelen de episcopen als hunne plaatsvervangers en opvolgers werden geëerd. Deze Roomsche theorie kan historisch niet worden bewezen. In de tweede eeuw was de episcopus een medepresbyter, en al genoot hij in sommige plaatsen een bijzondere macht en een groot aanzien, hij bleef toch de primus inter pares. Maar eene eenzijdige opvatting van de apostolische voor­schriften leidde, onder den drang der omstandigheden, gemakkelijk tot het eenhoofdig episcopaat. Naar waarheid zegt Harnack3), dat de opstelling van de bisschopslijsten in Rome, Antiochië, Corinthe, enz. een brutale vervalsching moet geweest zijn, die ook in ’t geheel niet ingang had kunnen vinden, indien niet in vele gemeenten in het college van presbyters een hunner als primus inter pares was erkend. De verhouding van den episcopus tot de presbyters was echter volstrekt geen onafhankelijke.

De bisschop stond onder de controle der presbyters, en het college van presbyters oefende zelfstandig orde en tucht uit. Marcion moest voor de „presbyters” in Rome verschijnen4) en Noëtus werd geoordeeld door de presbyters in Smyrna.5) De episcopen droegen nog langen tijd den naam presbyters, en noemden hunne presbyters als mede-presbyters en collega’s.6) Maar toch is het zeker, dat in vele gemeenten één persoon de leiding had, en dat de gemeente in den bisschop het orgaan had, om haar naar buiten te vertegenwoordigen. Hegesippus verhaalt, dat hij bisschoppen bezoekt; Dionysius van Corinthe, † 170, Melito van Sardes, † 190, en Irenaeus, na 177 bisschop van Lyon, waren


1) bl. 64, 70, 99.
2) Comm. 1 Tim.; Heiner, Kathol. Kirchenrecht, S. 117.
3) Herzog-Hauck, R.E.3, Art. Verfassung, 20, S. 53. Volgens Lipsius, Chronologie der Römischen Bischöfe, begint de vertrouwbare lijst der bisschoppen bij Alexander I, 103-114, of met diens opvolger Xystus (Sixtus) I, die van 114-126 bisschop was. Canon Muratorianum zegt, dat Pius I, 139-154, bisschop was, en Hegesippus verhaalt (Eusebius, Hist. IV, 22): „Toen ik in Rome kwam, maakte ik een lijst op tot Anicetus, wiens diaken Eleutherus was, en op Anicetus volgde Soter, en op hem Eleutherus.” Dionysius van Corinthe verhaalt volgens Euseb. IV, 23 van bisschoppen in onder­scheidene gemeenten, en zegt, dat Dionysius de Areopagiet „als de eerste het episco­paat der parochie te Athene ter hand nam”.
4) Epiphanius, c. haer. 42, 2.
5) Hippol. c. Noët. 1.
6) Harnack, Entstehung und Entwickeling, S. 72; Friedberg. Lehrbuch, 1903, S. 21.

|121|

bisschoppen. In den Paschastrijd en in den Montanistischen strijd kwamen de bisschoppen samen, en werden de eerste synoden gehouden.

Vooral de strijd met het Gnosticisme en het Montanisme heeft invloed geoefend op de ontwikkeling tot het monarchisch episcopaat. De strijd met de Gnosis liep over het bestaansrecht der kerk, over de kerkelijke traditie, het fundament van de kerk. Zij beriepen zich naast de geheime traditie op allerlei geschriften, die zij stelden naast en boven de canonieke schriften.1) Marcion stelde een eigen canon op, en organiseerde naast de kerk eigen georganiseerde gemeenten. Daardoor liep de organische eenheid der kerk gevaar, het vertrouwen, of men werkelijk op de rechte basis der kerkelijke overlevering stond werd geschokt, en de behoefte werd geboren, om den inhoud en den historischen gang der Apostolische overlevering overtuigend aan te toonen. Noodig werd het vaststellen van den canon van de ker­kelijke belijdenis en van de autoriteit van het ambt.

Reeds 1 Clemens c. 44 had een lijn getrokken van de apostelen tot zijn tijd, om aan te wijzen, dat de overdracht van het ambt door handoplegging geschiedde. De lijsten van de successio apostolorum werden opgespoord. Dit kon het best nagegaan worden in de voor­naamste apostolische zetels, vooral van Rome, waar de graven van Petrus en Paulus waren. Hegesippus construeerde bisschopslijsten, en Irenaeus zag, dat in Rome, het compendium van de geheele wereld, de apostolische traditie zich concentreerde. De onafgebrokene rij van bisschoppen, zoo zegt Irenaeus, is waarborg van de zuiverheid der overlevering tegenover alle secten en pseudo-autoriteiten. Irenaeus beriep zich voor de waarheid der leer op de traditie, die van de apostelen op de leerlingen der apostelen is over­gegaan. „Ik heb zelf het gehoord van een oud man, die het heeft gehoord van hen, die de apostelen hebben gezien en van hen, die zijne discipelen geweest zijn” (c. haer. IV, 27, 1). Het monarchisch episcopaat werd dus erfgenaam van de vrije charismatische werk­zaamheden, de bisschop kreeg het charisma veritatis certum2).

Zoo verdween langzamerhand de profetie van haar vroegere hooge plaats, en nam de ambtsdrager de plaats in van den profeet. Vele ernstige en vrome mannen konden zich met dezen gang van zaken niet vereenigen. Tegenover de inburgering van de kerk in de wereld,


1) Tertull. de praescr. 25; Clemens, Strom. 7, 17; Irenaeus, c. haer.; Hipp. 7,20 ; 10, 9.
2) Iren. c. haer. IV. 26, 1; III. 1; Traditionem itaque apostolorum in toto mundo manifestatam, in omni ecclesia respicere omnibus, qui vera velint videre, et habemus annumerare eos, qui ab Apostolis instituti sunt episcopi in ecclesiis et successores eorum usque ad nos, qui nihil tale docuerunt, Iren. adv. haer. III. 3, 1; Cum episcopatus successione charisma veritatis acceperunt, IV. 26, 2.

|122|

en de verbinding van de profetie aan het ambt, trad het Montanisme op als eene reactie, met het doel de oude gemeente-idealen van een gemeente van broeders en zusters, en de vrijheid der profetie te redden. Maar wijl de Montanisten in het streven naar dit doel een nieuw element voegden bij de H. Schrift, als enthousiasten den Geest stelden boven de H. Schrift, en de inspraak van het gemoed boven de openbaring, en leerden, dat een nieuwe en hoogere openbaring gekomen was in Montanus en zijne profeten, moest de kerk wel tegen hen optreden, en hun leer veroordeelen als in strijd met het Woord des Heeren. De vrije profetie kwam in discrediet. De profetie werd gebonden aan het ambt. Het episcopaat is, zoo leerde Irenaeus, in het bezit van de locus magisterii apostolorum, de voortzetting van het apostolaat en van zijn autoriteit in de kerk (c. haer. III : 1)1).

Zoo kwam er eene gewijzigde beschouwing over de kerk, de be­lijdenis en het ambt in de kerk. Tegenover de Gnostieken en de Marcionieten, die zich afzonderlijk hadden georganiseerd of die in afgezonderde kringen hadden vergaderd, werd ernst gemaakt om alle Christenen op eene plaats tot eene gemeente te vereenigen. De gesepareerde gemeenten konden niet langer worden geduld. De huisgemeenten hielden op te bestaan. In plaats van eene gemeenschap der heiligen werd de plaatselijke kerk al meer een gemeenschap van geloovigen, die verplicht waren den bisschop te gehoorzamen en uit zijn hand de genademiddelen te ontvangen.2)

Hoe de verhouding van de scholen tot de plaatselijke kerk was, is niet duidelijk. Men richtte op alle plaatsen scholen op, om zich krachtig tegen het heidendom te kunnen verdedigen, om de heidenen voor het Evangelie te winnen en mede om de jeugd te onderwijzen. Misschien hadden de scholen, zooals die van Justinus in Rome, een zekere zelfstandigheid, maar het gevaar, dat de scholen de eenheid en het gezag der kerk aantastten, werd in het begin der derde eeuw bezworen. Wat naast de bisschopsgemeente zelfstandig stond, gold als een haeresis3). In elke stad moest slechts eene streng geordende


1) Lindsay, The Church and the Ministry, p. 213—261; Bonwetsch, Geschichte des Montanismus, 1881.
2) In sommige plaatsen was er meer dan een bisschop, o.a. te Jeruzalem, waar Alexander, de bisschop van Cappadocië, tijdens zijn verblijf in Jeruzalem door de gemeente, op grond van eene openbaring, tot bisschop benoemd werd. Alexander aanvaardde het bisschopsambt te Jeruzalem, ofschoon Narcissus, de bisschop van Jeruzalem, nog leefde, Euseb. Hist. Eccl. VI. 11, 2. Maar dit was eene uitzondering. Achelis, Das Christentum in den ersten drei Jahrhunderten, II. 9.
3) Sanday ziet in de Catechetenschool van Alexandrië, die onder den bisschop stond, een kerkelijk geijkt profetisme. Hij zegt: „The class of teachers survived still longer into the third century; indeed, it would hardly be wrong to regard the catechetical school of Alexandria as a systematizing of the office, with learning and philosophy substituted for the primitive enthusiasm. Expositor, 1887, Jan, June, p. 17. Harnack, Missionsgesch. I2, S. 300 ff., 372 ff.

|123|

bisschopsgemeente zijn, en de plaatselijke gemeenten moesten samen als de kerk van Christus georganiseerd worden1). In de Ap. Kerkorde heet het (c. 16): „wanneer er weinig mannen zijn, en op een plaats zich geen 12 personen bevinden, die stemgerechtigd zijn voor een eigen bisschop, zoo moet men aan de naburige kerken, waar een beves­tigde is, schrijven, opdat vandaar drie uitgelezene mannen komen, en zorgvuldig hem, die waardig is, onderzoeken” enz. In deze Kerk­orde wordt van een bisschop geëischt, dat hij een goeden naam heeft bij de heidenen, ongehuwd is, ééner vrouwe man, en dat hij zulk eene vorming genoten heeft, dat hij de H. Schrift kan uitleggen. Er moeten minstens twee presbyters zijn, bejaarde menschen, mede-ingewijden (συμμυσται) des bisschops. Er moeten minstens drie diakenen zijn2).

De geïnstitueerde kerk steeg in aanzien door de vaststelling van den kanon en van den geloofsregel, en door de verheffing van het ambt. De kerk heeft de volle waarheid, zoo roemen de apostolische en de antignostische vaders. Wie de kerk niet heeft tot moeder, heeft God niet tot Vader. De kerk is de reine bruid van Christus, die haren hemelschen bruidegom nooit ontrouw worden kan. „Extra ecclesiam nulla salus” leerde reeds Irenaeus3).

Evenwel was de ééne bisschop nog volstrekt geen souverein over de gemeente. De oorspronkelijke idee van het priesterschap der geloovigen was nog niet uitgebluscht. Het recht van de plaatselijke kerk werd nog gehandhaafd. De kerk was de broederband van de rechtgeloovige gemeenten. De eenheid der kerk wordt, zegt Tertullianus4), slechts bewezen door de gemeenschap des vredes, den broedernaam en de gastvrijheid.

In de jaren tusschen 200 en 250 is onder den invloed vanden strijd over de pistis en de gnosis, en onder inwerking van Joodsche en heidensche analogieën, de omvorming van de kerk tot hiërarchie voltrokken. Bevorderd werd dit door den strijd over boete en biecht. In de tweede eeuw was men zeer streng tegen Christenen, die eene zware zonde hadden begaan. Zij werden van het deelnemen van de kerkelijke gemeenschap uitgesloten. Toen de kerk zich uitbreidde, en de vervolging aanleiding werd, dat velen afvielen, liet men de afgevallenen weder toe onder voorwaarde van berouw. Ten tijde van Tertullianus onderscheidde men de zware zonden in vergeeflijke en onvergeeflijke zonden. Het aantal van de onvergeeflijke zonden werd beperkt tot deze drie: moord, echtbreuk en afval. Maar ook in deze


1) A. Harnack, Missionsgeschichte I2, 373 ff.
2) Dat men het getal der diakenen in de groote steden beperkte tot 7, dateert eerst uit de derde eeuw.
3) Adv. haer. IV. 26, 2; 33, 7.
4) de praescr. 20.

|124|

drie gevallen konden de berouwvolle zondaars weder in het voorhof toegelaten worden. Zoo kreeg men een schaal van boete en straf, een volledig boetesysteem. Onder boete verstond men vooral de handeling, die leidt tot de wederopneming, welke voor de tweede maal doet wat de doop voor de eerste maal had gedaan. Om vergiffenis te verkrijgen, en daardoor van de straf, zelfs van de eeuwige straf, kwijtschelding te ontvangen, moest men bijzondere ascetische en voortdurende boete­doeningen verrichten. Dit leidde tot het begrip satisfactio. Dienden de boetedoeningen oorspronkelijk, om den ernst en de oprechtheid van het berouw te toonen, weldra werden zij beschouwd als genoegdoening, waardoor men van een beleedigd God genade ontving. Ook achtte men dat de boete eene genoegdoening aan de gemeente was. Oordeelde men oorspronkelijk, dat de vergeving door God voorwaarde werd voor de vergeving van de zijde der gemeente, weldra werd deze verhouding omgekeerd gedacht. De gemeente is de middelares der zaligheid, de bezitster der sleutelmacht, ofschoon nog het laatste woord aan God blijft.

De gemeente oefende oorspronkelijk onder de leiding van de presbyters de sleutelmacht uit. Doch langzamerhand kreeg de bisschop zelfstandig, zonder medewerking van de gemeente, de macht om de zonden te vergeven. Voor Tertullianus gold nog de gemeente als bezitster van de sleutelmacht,1) maar de bisschoppen zijn, volgens hem, toch de opvolgers van de apostelen en kunnen de zonden vergeven of houden. Doch hoe meer de gemeente haar karakter van heiligheid inboette, des te meer moest het prtedicaat van heiligheid zich terugtrekken op het ambt. Het Montanisme was nog voor de rechten der gemeente opgetreden, maar tevergeefs. En toen in de eerste jaren der derde eeuw een Montanistische strooming in Rome en in Carthago werkte, vaardigde Kallistus, bisschop van Rome (217-222), een edict uit, waarbij hij niet alleen de geringere zonden vergaf, maar ook in zijne bisschop­pelijke hoogheid uitsprak: ego et moechiae et fornicationis delicta poenitentia functis dimitto. Hij rekende dus ook de zware ontucht tot de vergeeflijke zonden. En deze beschouwing kreeg, in weerwil van het verzet van theologen als Hippolytus, Tertullianus en Origenes, de overhand. Kallistus zette zijne meening door, verklaarde, dat een bisschop niet afzetbaar was, zelfs als hij eene doodzonde begaan had. Daarmee was uitgesproken, dat de kerk was een heilsinstituut. Ecclesia est numerus episcoporum. Kallistus beriep zich daarbij op Matth. 16: 18, en schijnt zich te hebben voorgesteld als opvolger van Petrus. De objectieve rechtspositie van den bisschop was hiermede verzekerd.2)


1) de pudic. 14, 22.
2) Seeberg, Dogmengeschichte I2 498. Harnack, Dogmengeschich. I. 367. Döllinger, Calixt und Hippolytus, S. 136. Langen, Geschichte der röm. Kirche I. 217.

|125|

Niet alle kerken volgden Rome’s bisschop terstond. Vele kerken hielden zich aan de oude boetepraktijk, zooals de kerk in N. Africa tot op Cyprianus, de Spaansche kerk, en andere. Maar toch zeer vele kerken volgden Rome, en daarmede werd er een kloof gemaakt tusschen clerus en leeken, en de beschouwing vond steeds meer ingang, dat de eenige plicht van de leden der gemeente in hunne verhouding tot de geestelijken was die van gehoorzaamheid. De canones Hippolyti, die, indien Achelis1) recht heeft, ongeveer 220 vervaardigd zijn, en die beoogen in den strijd tusschen Kallistus en zijne tegenstanders den praktischen toestand der kerk vast te leggen, zeggen weinig van de rechten, en veel van de plichten der leeken. Zij moeten in huis bidden, geregeld ter kerk komen, de eerstelingen brengen. Zij mogen niet deelnemen aan de leiding der gemeentevergaderingen. Hun wordt geen ander recht gelaten, dan om een voorganger te kiezen. Wij weten evenwel, dat nog langen tijd daarna weinig dingen in de kerk gebeurden, zonder dat ze door eene vergadering van de geestelijkheid en het volk werden goedgekeurd. Tot den tijd, dat de kerk bevoor­rechte en heerschende kerk werd, was de praktijk, dat de bisschoppen en presbyters meer afhankelijk waren van het volk, dan dat zij als monarchale en onverantwoordelijke leidslieden konden optreden. Doch de theorie was in beginsel gereed — dat is de groote beteekenis van de verandering, die in het laatst van de tweede en in het begin van de derde eeuw was ingetreden.

De theorie van de apostolische successie, opgekomen in het brein van de leidslieden in de kerk van Rome, aanvaard en verdedigd door Cyprianus, werd door de Roomsche kerkvorsten steeds gepropageerd en gebruikt. De groote mannen, die de Westersche kerk hebben op­gebouwd en geleid, waren allen, ook Tertullianus, Cyprianus en Augustinus, van huis uit Romeinsche rechtsgeleerden, en hebben met ideeën, aan het Romeinsche recht ontleend, het kerkrecht opge­bouwd. De apostolische successie, in den dogmatischen zin van het woord, is de wettelijke fictie, geëischt door juridisch aangelegde geesten, om de opkomende beschouwing van het gezag der geeste­lijkheid met de eerste dagen van het Christendom te verbinden. En Irenaeus, die voor de belijdenis der kerk steun zocht in de traditie, die van de dagen der apostelen af door vertrouwbare getuigen was overgeleverd, stelde nog eene dubbele zekerheid, door te leeren, dat de ambtsdragers in hunne apostolische successie bezaten het cha­risma veritatis. De bisschoppen waren niet alleen waarborgen voor den geloofsregel, maar ook de rechte leeraars der kerk. Zij beslisten


1) H. Achelis, Die Canones Hippolyti in „Texte und Untersuchungen” VI, 4, 1891.

|126|

over de rechtzinnigheid. Door bisschoppelijke synoden en edicten was het Montanisme en het Monarchianisme uitgezuiverd. De bis­schoppen waren de profeten en de Schriftgeleerden geworden.

Nu was bij Justinus en bij Irenaeus de zuivere kerk, waar de bisschop was, maar het bezit van het ware geloof was volgens hen nog de eenige waarborg van het rechte Christendom. Dit werd anders in den strijd over de boete en de biecht. Deze verandering hangt ten nauwste samen met Cyprianus, bisschop van Carthago1).

De beteekenis van Cyprianus is vooral hierin gelegen: 1°. dat hij de gedachte van de eenheid der kerk heeft uitgewerkt, dat buiten de kerk, de moeder der geloovigen, die zoowel de reinen als de onreinen in zich opneemt, geen zaligheid is (extra ecclesiam nulla salus). Er is ééne kerk, welke zich openbaart in eene menigte van kerken, evenals de zon vele stralen heeft, maar slechts één licht, en de boom wel vele takken heeft, maar slechts één stam en wortel (de unit. eccl. 5). 2°. Deze eenheid rust op de eenheid der bisschoppen. De bisschop, al wordt hij door de gemeente gekozen, ontvangt zijne macht rechtstreeks van God. De bisschoppen zijn uitdeelers der ge­nade Gods (dispensatores Dei et Christi), zij staan in de plaats van God, en zijn alleen van God afhankelijk2). De bisschop is de poort tot het ambt. De presbyters en de diakenen staan geheel onder den bisschop. Hij heeft de macht om te binden en te ontbinden. Eerst als de bisschop het teeken van berouw heeft goedgekeurd, kunnen de gevallenen tot de ge­meente toegelaten worden. De sleutel der tucht is in zijn hand. In zijn hand rust het finantieel beheer en de verzorging der armen. Door den invloed van Cyprianus, welke als raadgever in de Westersche kerk algemeen geëerd werd, is het ambt souverein geworden.

In den strijd over de boete, welke na de vervolging onder Decius in Carthago gevoerd werd, maakten de martelaren en de confessoren van hun oud recht, om hen, die in zonde gevallen waren, weder aan de genade der kerk aan te bevelen, gebruik, om ook bemiddelend op te treden voor hen, die afgevallen waren van het geloof. Cyprianus ontkende dat recht niet, maar wilde dat de vergadering der bisschoppen beslissen moest over de aanwezigheid van berouw en over de wederopname. Stelden de confessoren vast, dat de Geest door hen sprak, Cyprianus oordeelde, dat de Geest niet werkt zonder de goddelijke wet en de kerkelijke orde. „De kerk”, zoo leerde hij, „is gebouwd op


1) A. Ritschl, Die Entstehung der altkatholischen Kirche, 1857, S. 555-573. Otto Ritschl, Cyprian von Karthago und die Verfassung der Kirche, 1885. Benson, Cyprian, his Life, his Times, his Work, 1897. Lindsay, The Church and the Ministry, p. 283-319.
2) ep. 3, 48, 55, 59, 66. „Ecce jam sex annis nec fraternitas habuerit episcopum, nec plebs praepositum, nec grex pastorem, nec ecclesia gubernatorem, nec Christus antistitem, nec Deus sacerdotem”, ep. 66, 5.

|127|

de bisschoppen, en heel de handeling der kerk geschiedt door hen.” 1) Zoo ontstond eene scheuring. Tijdens Cyprianus’ afwezigheid van Carthago, gedurende de vervolging, had de presbyter Novatus een zekeren Felicissimus tot diaken gewijd. Fortunatus werd door deze partij tot bisschop gekozen. Deze groep, waarvan deze mannen de leiding hadden, wilde eene milde boetepraktijk, zonder bisschoppelijke beslissing. Doch Cyprianus riep, toen hij in 251 was teruggekeerd, eene synode te Carthago bijeen, en deze besliste, dat de libellatici eerst na oprecht berouw, en zij, die geofferd hadden, eerst in doodsnood mochten worden opgenomen en dat de afgevallene presbyters moesten worden afgezet. Felicissimus werd geëxcommuniceerd. In den Novatiaanschen strijd te Rome, waarin Novatianus de strengere boetepraktijk verdedigde, en wel hen, die eene doodzonde hadden begaan, maar niet de afgevallenen van het geloof, wilde toelaten, wijl God alleen den zoodanigen vergeeft, en die de haeretici alleen door herdoop in de kerk wilde toelaten, koos Cyprianus de zijde van Cornelius, Rome’s bisschop, die evenals Cyprianus het recht der bisschoppen over de wederopneming der gevallenen wilde handhaven, en die bewerkte dat Novatianus door eene synode werd uitgesloten uit de kerkgemeenschap.

In den strijd over den ketterdoop verschilde Cyprianus van den bisschop van Rome, Stephanus. Stephanus verklaarde den doop, in kettersche gemeenschappen bediend, voor geldig, indien hij maar overeenkomstig de instelling, in den naam van Christus, of in den naam der Drieëenheid was bediend. Alleen legde hij de zoodanigen, bij overkomst tot de kerk, de handen op. Cyprianus evenwel ont­kende de wettigheid van den ketterdoop. De bisschop, zoo leerde hij, is de vertegenwoordiger van Christus, omdat hij ontvangt degenen, die door den doop ontvangen worden in de kerk. De bisschop geeft den Geest in den doop, hij brengt de leden van de kerk in voort­durend verband met hun meester in de eucharistie, en op deze wijze is de kerk gebouwd op den bisschop. De priester wijdt de elementen van de eucharistie. Brood en wijn worden daardoor wel niet ver­anderd in het lichaam en bloed van Christus, maar Christus stelt brood en wijn als zijn lichaam en bloed voor, brood en wijn zijn symbolen van lichaam en bloed, en de geloovigen worden in het gebruiken van de teekenen in de gemeenschap van Christus gesterkt. Hieraan verbindt Cyprianus de offergedachte. De priester volgt de offerhandelingen van Christus na (sacerdos vice Christi fungitur, qui id, quod Christus fecit, imitatur et sacrificium verum et plenum


1) ep. 26 en 32.

|128|

tunc offert in ecclesia deo patri, ep. 63) en brengt het lijden of het bloed van Christus den Vader als offer. Dat offer is slechts een commemoratio of het van kracht doen zijn van het offer van Christus voor God, maar duidelijk is het, dat de latere offergedachte wordt voorbereid. De priester is in Cyprianus’ oog geworden een middelaar, met de macht, om het offer van Christus voor het volk te offeren. „De bisschop is in de kerk, en de kerk is in den bisschop” 1). Omdat de ketters het kenmerk van de kerk missen, daarom is ook de H. Geest, die in den doop wordt medegedeeld, bij hen niet aanwezig. De kerk is dus volgens hem niet de gemeenschap der geloovigen, maar een heilsinrichting, een rechtsinstituut. De bisschop is werkelijk de priester der gemeente. Hij heeft uitsluitend het recht, om de eucharistie te bedienen. Hij is de rechter der gemeente. Ecclesia super episcopos constituitur et omnis actus ecclesiae per eosdem praepositos gubernatur” (ep. 33, 1). De civitas Dei was dus op aarde gebouwd, en de priester is vicarius Christi. Die tegen hem is, is tegen God (ep. 66, de unit. eccl. 17).

Deze beschouwing van Cyprianus zegevierde na zijn dood in het Westen. De Roomsche bisschoppen hebben deze gedachte aangegrepen, zich daarvoor beroepen op Matth. 16: 18, en zij hebben daartoe het ge­schrift van Cyprianus „de unitate ecclesia” geinterpoleerd ten behoeve van Rome’s eer en hoogheid2). Had Cyprianus altoos vastgehouden, dat alle bisschoppen gelijke rechten hadden, Rome’s bisschoppen stelden den stoel van Petrus boven alle andere bisschoppelijke zetels.

Zoo was het ambt souverein geworden. De sleutel van de leer, van bestuur en tucht, was in handen van den bisschop. De Didascalia, een geschrift uit het midden van de derde eeuw, laat God zeggen: „De bisschop, de middelaar tusschen God en u, uw leeraar en na God uw vader, die u door het water heeft wedergeboren, dezelve is uw heerscher en vorst, de machtige koning, die beslist in de plaats van den Almachtige, en die daarom dezelfde eer moet genieten als God”.3) „De aardsche koning kan slechts het lichaam binden, maar de bisschop is koning over ziel en lichaam” 4). Die dit ambt ontvangt verkrijgt met de ordening een character indelebilis en den H. Geest hij is plaatsvervanger van Christus.

De onderscheiding, welke gemaakt werd tusschen de geestelijkheid en de leeken, staat hiermee in het nauwste verband. In de eerste jaren van de kerk was er geen ander onderscheid in de gemeente


1) ep. 66, 72, 73. Unde scire debes: episcopum in ecclesia esse et ecclesiam in episcopo, et si quis cum episcopo non fuerit, in ecclesia non esse, ep. 69, 8.
2) Dr Benson, Cyprian, his Life, his Times, his Work, p. 200-221.
3) II, 16.
4) II, 24. Leder, Die Diakonen c.q.

|129|

dan dat tusschen leidslieden, en degenen, die geleid werden. De gemeente was eene vergadering van geloovigen, die als verlosten deelen in Gods gunst, en die de roeping hebben als profeten, priesters en koningen hun God in vrijheid en met liefde te dienen (1 Petr. 2: 9). De gemeente werkte in alle handelingen mede en oefende onder de leiding van de presbyters de sleutelmacht. Maar langzamerhand verkreeg de bisschop de macht en het gezag, welke gegeven was aan de organische gemeente. Evenwel had de bisschop steeds de goed­keuring van zijn handelingen door de gemeente noodig. In de loopende zaken werd de gemeente door het presbyterium vertegenwoordigd, maar in bepaalde, meer gewichtige zaken, moest de gemeentevergadering zelve geraadpleegd worden. Cyprianus zegt (ep. 38, 1): „In ordinationibus clericis, fratres carissimi, solemus vos ante consulere et mores ac merita singulorum communi consilio ponderare. Sed expectanda non sunt testimonia humana, cum praecedunt divina suffragia”. De toestemming der gemeente was vooral noodig bij de keuze van een bisschop. Hij werd in eene gemeentevergadering, met medewerking van de gemeente, gekozen. Evenals in de Romeinsche staatsinrichting de verkiezing der regeeringspersonen oorspronkelijk geschiedde door het volk onder de leiding van den beambte, en later met toestemming van het volk door den senaat1), zoo ging het ook in de kerk. Bij Clemens Romanus2) geschiedde de instelling in het ambt „onder toestemming van de geheele gemeente” door de apostelen en later door de episcopen. Volgens Tertullianus3) werkt de ge­meente mede bij de excommunicatie en bij de absolutie. Cyprianus verklaart4), dat hij van het begin van zijn episcopaat af „niets zonder den raad der presbyters en de toestemming van de gemeente heeft ondernomen”. Echter mag men niet voorbijzien, dat vóór een zaak voor de gemeentevergadering kwam, deze voorbereid was in eene vergadering van presbyters5). Hoe grooter nu eene gemeente werd, hoe meer de behandeling in het presbyterium beslissend, en die in de gemeentevergadering formeel van aard werd. Al had de gemeente­vergadering formeel het recht van beslissing, praktisch werd haar besluit tot een blooten vorm. De medewerking van de gemeente ver­dwijnt langzamerhand, vooral sedert de vierde eeuw. Het presby­terium, met den bisschop aan het hoofd, heeft de regeering in handen. De clerus kwam boven de gemeente te staan.

Het Oudtestamentische begrip van het priesterschap wordt met het woord ordo of ordo sacerdotalis op de ambtsdragers overgedragen.


1) Marquardt, Röm. Staatsverwaltung I. 474.
2) Clemens ad Cor. 44.
3) Apologie c. 39. Didascalia II c. 8.
4) ep. 14, 4.
5) Cypr. ep. 49, 2. O.Ritschl, Cyprian S. 143.

|130|

Het woord „clerus” (in het latijn Sors) beteekent in de H. Schrift het eigendomsvolk Gods. Over het ontstaan van het spraak­gebruik zijn twee meeningen. Met Augustinus meenen velen, dat de oorsprong ligt in de omstandigheid, dat Matthias de eerste was, die, door het lot gekozen, door de apostelen in hun kring werd opgenomen, terwijl Hieronymus de uitdrukking afleidt van de Israëlietische priesters, van wie het heet: „Jehova is zijn erfdeel” (Deut. 18: 2), hetgeen in veel hoogeren zin van de Christelijke priesterschap geldt. Wordt in het O. Testament het volk Israël (Deut. 9: 29; 4: 24) κλῆρος θεοῦ, λαὸς ἔγκληρος, erve of eigendomsvolk Gods genoemd, deze naam wordt in het N. Testament overgedragen op de gemeente van Christus (1 Petr. 5: 2). Ook bij de patres apostolici wordt de gemeente genoemd1) κλῆρος θεοῦ. Doch weldra werd het woord beperkt, en werden door dat woord aangewezen de N. Testamentische opvolgers van de O. Testamentische priesters en levieten, wier lot en erfdeel volgens Num. 18, Deut. 10: 9, 18: 2 in het bijzonder God is. De geeste­lijkheid wordt clerus genoemd. Zij zijn uitgenomen uit het volk, en gewijd tot ’s Heeren dienst (λειτουργία) in zijn heiligdom, den taber­nakel, thans de heilige katholieke kerk2). Men achtte het in den tijd, toen de kerk al grooter werden eene vaste organisatie al meer noodig, toen de massa dergenen, die als kind gedoopt waren, steeds toenam, toen het sacrament der eucharistie eenigszins het offerkarakter ver­kreeg, van gewicht dat al hoogere eisenen gesteld werden aan de kerkelijke ambtsdragers. Zij mochten, opdat zij recht aan hun heilige opdracht konden beantwoorden, zich niet inlaten met aardsche bezig­heden, moesten zich geheel wijden aan hun ambtelijk werk, en daarom ook aan hooge zedelijke eischen beantwoorden.

De term „clerus” is sedert 180 langzamerhand in de kerk ingebur­gerd3). In de Latijnsche kerktaal gebruikte men het woord „ordo” (ge­ordende stand, wijdingstrap), welke gegrond is op de ordening (ordinatio). Tertullianus gebruikt het eerst dit woord „ordo” in den engeren zin van het woord4). Hij weet nog, dat het onderscheid van clerus en leeken teruggaat niet op Christus en de apostelen, maar


1) Ignatius ad Ef. 11, 2; ad. Trall. 12, 3; ad Philad. 5, 1.
2) Cypr. Ep. 1. Didasc. c.q. Tertull. de monog. c. 12.
3) Clemens, Quis dives 42: κλήρῳ ἕνα γε τινα κληρώσων τῶν ὑπὸ τοῦ πνεύματος σημαινομένων. Iren. I, 27, 1: ἐπὶ ῾Υγίνου ἔνατον κλῆρον τῆς ἐπισκοπῆς διαδοχῆς ἀπὸ τῶν ἀποστόλων ἔχοντος. Iren. III, 3, 2: τὴν ἐπισκοπὴν κληροῦται Κλήμης. Hippol. bij Euseb. V, 28, 12. οἱ ἐν κλήρῳ ... οἱ λαϊκοι. Tertull. de monog. 12: Unde enim episcopi et clerus? defuga: cum ipsi, autores, id est, ipsi diaconi et presbyteri et episcopi fugiunt, quomodo laïcus intelligere poterit. Tertullianus gebruikt het woord clerus in de algemeene beteekenis van ordo ecclesiae, de monog. 11, en van clerus, de exhort. 13.
4) Tert. de praescr. 41: ordinationes haereticorum temeriariae.

|131|

dat zij een latere kerkelijke inrichting is1). Tot deze „ordo” behoorden niet alleen bisschoppen, presbyters en diakenen, maar allen, die eene ordinatio ontvingen, ook de zangers, deurwachters, diaconessen, lec­toren, weduwen, maagden2).

Konden oorspronkelijk menschen van allerlei stand, tegelijk met hun aardsch beroep, de ambten in de gemeente bekleeden, dit werd anders, toen bij de uitbreiding der kerk de eisch gesteld werd, dat zij zich van het uitoefenen van een wereldlijk ambt moesten ont­houden. En omdat zij de gemeente met de geestelijke gaven dienden, moett de gemeente hare voorgangers van aardsche nooddruft voor­zien. Evenals onder het O. Testament zij, die het altaar bedienden, ook van het altaar moesten leven (Num. 18) en naar de verordening van Paulus zij, die het Evangelie verkondigden, ook van het Evan­gelie behoorden te leven, zoo werd ook thans voor alle geeste­lijken deze eisch gesteld. Het erfdeel van de dienaren aan het heilig­dom was, wat de gemeente tot den eeredienst bracht, de eerstelingen en de tienden3), de naturalia, die bij de oblationes in de eucharistie in sportulae (manden) gebracht werden, benevens de bijdragen in de ge­meentekas, die maandelijks werden ingezameld. Deze geregelde bij­dragen vorderden een gemeentekas, evenals de synagoge en de heidensche cultusgemeenschappen (collegia,éranoi) er een hadden. In het kerkgebouw stond een offerkist, waarin de liefdegaven gestort werden (deposita pietatis), welke dienden voor het salaris van den clerus, voor het onderhoud der gebouwen, en voor de verzorging van armen, kranken en gevangenen4). Deze kist heette bij de Joden „Corbona” bij de collegiën „arca”. De Oostersche kerken gebruikten den eersten, de Westersche den tweeden naam, terwijl later ook in het Westen de naam „arca” al meer vervangen werd door „corbona”. Ieder gaf vrijwillig en bepaalde zelf, hoeveel hij meende te moeten geven. Tertullianus zegt (Apol. 39): „Ieder geeft een matige gave op een bepaalden dag van de maand, of wanneer hij wil, en indien hij maar wil en kan, want niemand wordt gedwongen, maar brengt vrijwillig zijne bijdrage. Dit zijn als het ware de spaarpenningen der godzalig­heid”. Naast deze regelmatige bronnen van inkomst werden vrijwillige


1) Tert. de exhort. 7: Differentiam inter ordinem et plebem constituit ecclesiae auctoritas et honor per ordinis concessum (het op bijzondere plaatsen zittend priester­college) sanctificatus. A. Harnack, Entstehung und Entwickelung S. 83.
2) In de verschillende kerken heerschte met betrekking tot de onderscheidene trappen van den clerus een verschillende praktijk. Merkwaardig is, dat sedert de 4de eeuw de bisschop niet tot den clerus gerekend wordt. In Can. 3 van het Concilie van Chalcedon (451) heet het: Μὴ ἐπίσκοπον, μὴ κληρικόν. In Can. 6 Conc. van Efeze (431): Εἰ μὲν ἐπίσκοπον εἴεν ἤ κληρικοί.
3) Cypr. ep. 1; de unit. eccl. 26; Iren. IV, 17, 5; 18. 1.
4) Cypr. de op. et el. 15; Didasc. c.q. Just. ap. I, 67.

|132|

geschenken gegeven. Cyprianus schonk bij zijn overgang tot het Christendom bijna heel zijn rijke bezitting in land en in geld aan de kerk, en ook later hielp hij in tijden van nood1). Dit geval stond natuurlijk niet alleen. Later gaven Basilius, Chrysostomus, Ambrosius en vele anderen koninklijke geschenken, en gedachten velen de kerk in hunne testamenten. Een vierde bron van inkomsten waren de collecten, zooals Cyprianus mededeelt, dat er een collecte gehouden is voor de gevangene broeders in de bergwerken2).

De gedachte van de apostolische successie bracht mee, dat de bisschop de hoogste leiding der gemeente ontving en dat het episcopaat bron en uitgangspunt van alle ambten werd. De bisschop vertegen­woordigt nu eens den clerus, en dan weer is hij de hoogere, om wien de clerus zich schaart. Cyprianus zegt, dat een berouwhebbend zondaar niet anders tot de gemeenschap der kerk wordt toegelaten, dan nadat hem eerst door den bisschop en den clerus de handen opgelegd zijn3). Tegenover eene coalitie van presbyters en martelaren zegt Cyprianus, dat de bisschoppen zijn de priesters bij uitnemendheid, „aangesteld om een deel van de kudde zelfstandig te weiden, en alleen aan God rekenschap verschuldigd”, terwijl de presbyters daarentegen slechts door de priesterlijke waardigheid met den bisschop zijn verbonden (episcopo sacerdotali honore conjuncti, ep. 59, 14; 61, 3).

De bisschop is echter in de uitoefening zijner regeermacht afhankelijk van de toestemming der gemeentevergadering. De gemeente kan echter niet altoos zelfstandig optreden, maar wordt in den regel vertegenwoordigd door het presbyterium. Bij de ordening der ambts­dragers, bij de excommunicatie en bij de absolutie treedt evenwel de gemeente zelve op. Vandaar dat Cyprianus verzekert, dat hij van het begin van zijn episcopaat aan „niets zonder den raad van zijn presbyterium en zonder de toestemming zijner gemeente verricht heeft”. Evenals in Carthago was het ook in Rome de gewoonte, de gemeente van alle gewichtige gebeurtenissen kennis te geven4).

Bij de keuze van den bisschop handhaafde men de oude gewoonte der kerk, dat de presbyters en episcopen door de gemeente gekozen en door de bedienaren van het ambt in hun dienst werden bevestigd. Men ging uit van de gedachte, dat de verkiezing door de gemeente was eene roeping van Godswege5). Wanneer nu een bisschopszetel vacant was geworden, nam het presbyterium de leiding der gemeente in handen, en zorgde, dat de verkiezing van een nieuwen bisschop plaats greep. De keuze van den bisschop geschiedde door het


1) Vita Cypr. 2; Euseb. III, 37.
2) ep. 62.
3) ep. 17, Tertull. de mon. 12.
4) Cypr. ep. 14, 4; 59, 19; 49, 2. Euseb. Hist. VI, 46, 2, 5.
5) Hand. 11: 24, 20: 28; 1 Clem. 44,3; Pseudo-Clemens de virgin. I, II; Cypr. ep. 48, 4.

|133|

volk1). Welk aandeel de presbyters hadden bij de keuze, is niet zeker. Wel blijkt uit de brieven van Cyprianus2), dat de naburige bisschoppen hunne goedkeuring aan de keuze moesten hechten. Volgens de canones Hippolyti verrichtte, wanneer de geheele vergadering der gemeente bijeen was in de kerk, een van de bisschoppen of een der presbyters de ordening, die bestond in de handoplegging op het hoofd van den gekozen bisschop en in de voorbede voor den gekozene3). De vereischten, waaraan een candidaat moet beantwoorden, staan niet altijd vast. Uitgesloten werden zij geacht, die pas waren gedoopt (neophyten, 1 Tim. 3: 6), zij, die geëxcommuniceerd waren, die zich verminkt hadden (Origenes). Toch waren er ook later nog uitzonderingen, zooals Ambrosius, die, toen hij tot bisschop verkozen werd, nog catechumeen was.

In de kerkregeering was de bisschop gebonden aan den raad der presbyters, die door den bisschop, wanneer hij dit noodig keurde, werden samengeroepen4). Over de verkiezing van de presbyters weten wij weinig. Of hij gekozen werd door het volk, of door het presbyterium of den bisschop, is niet zeker. Wel wordt in de canones Hippolyti gezegd, dat hij in zijn ambt werd bevestigd door den bisschop, die daarvoor hetzelfde formulier gebruikte als bij de ordening van den bisschop, die daartoe alleen het woord „presbyteraat” gebruikte in plaats van „episcopaat”. De presbyters assisteerden den bisschop in de leiding van den openbaren eeredienst, stonden aan weerszijden van den bisschop, als deze de catechumenen doopte, en leidden hem


1) Canon Hippol. II, § 7-9: Episcopus eligatur ab omni populo — dicat populus: Nos eligimus eum. Deinde silentio facto — omnes pro eo orent; Cypr. zegt ep. 67, 4: Quod et ipsum videmus de divina auctoritate descendere, ut sacerdos plebe praesente sub omnium oculis deligatur et dignus atque idoneus publico judicio ac testimonio comprobetur.
2) Cypr. ep. 67, 5: Propter quod diligenter de traditione divina et apostolica observatione servandum est et tenendum, quod apud nos quoque et fere per provincias universas tenetur, ut ad ordinationes rite celebrandas ad eam plebem, cui praepositus ordinatur, episcopi ejusdem provinciae proximi quique conveniant, et episeopus deligatur plebe praesente, quae singulorum vitam plenissime novit et uniuscujusque actum de eius conversatione perspexit cf. ep. 44, 45, 59, 67.
3) Het gebed luidt, can. III: O Deus, Pater domini nostri Jesus Christi, Pater misericordiarum et Deus totius consolationis .... Respice super N., servum tuum, tribuens virtutem tuam et spiritum efficacem, quem tribuisti sanctis apostolis per dominum Jesum Christum, filium tuum unicum; .... Quia tu cognovisti cor uniuscujusque, concede illi, ut ipse sine peccato videat populum tuum, ut mereatur pascere gregem tuum magnum sacrum. Effice etiam, ut mores ejus sint superiores omni populo sine ulla declinatione. Effice etiam, ut propter praestantiam illi ab omnibus invideatur et accipe orationes et oblationes ejus, quas tibi offeret die noctuque, et sint tibi odor suavis. Tribue etiam illi, o Domini, episcopatum et spiritum clementem et potestatem ad remittenda peccata; et tribue illi facultatem ad dissolvenda omnia vincula iniquitatis daemonum, et ad sanandos omnes morbos, et contere satanam sub pedibus ejus velociter, per Dominum nostrum Jesum Christum, per quem tibi gloria cum ipso et Spiritu Sancto in saecula saeculorum. Amen.
4) Cyprianus noemt de presbyters: compresbyteri nostri, qui nobis assistebant, ep. 1. Hij verklaart ep. 14, 4 aan het presbyterium van Carthago: quando primordio episcopatus mei statuerim, nihil sine consilio vestro et sine consensu plebis mea privatim sententia gerere. cf. ep. 29.

|134|

binnen in de vergadering der gemeente. Zij traden, onder goedkeuring van den bisschop, op in de prediking, bezochten de leden der gemeente in hunne woningen, bezochten de zieken, en onderwezen de jeugd. De oude gewoonte, dat ook de leden der gemeente in de samenkomsten mochten optreden, week al meer en meer. Origenes preekte, voor hij tot priester gewijd was, in Jeruzalem en Caesarea, op verzoek van den bisschop, maar wijl hiertegen bezwaren rezen, werd hij door Theoktistus van Caesarea tot presbyter gewijd.

Het besluit van den raad der presbyters, onder voorzitterschap van den bisschop, gold in de derde eeuw nog als een raad, terwijl de eindbeslissing lag bij de gemeente doch al meer werd het besluit van den presbyterraad beslissend, en beperkte de medewerking der gemeente zich tot de keuze van den bisschop1).

De diakenen in de Jeruzalemsche gemeente, ingesteld voor de verzorging van de armen der gemeente, waren in de apostolische eeuw werkzaam in den dienst der barmhartigheid. Ignatius van Antiochië leert ons in zijne brieven, dat in zijne gemeente de diakenen waren dienaren van den bisschop, maar in het bijzonder was hun taak op het gebied van de armenzorg2). Ook Polycarpus schetst hun arbeid als verzorgers der armen3). Eveneens wordt in de Canones apostolorum of de Apostolische kerkorde4) de armenzorg aan de diakenen aanbevolen. In de Canones Hippolyti wordt van den diaken gezegd5): „Hij zal namelijk den bisschop en de presbyters moeten dienen in alle dingen, niet slechts ten tijde van de eucharistie, maar ook zal hij de zieken uit het volk dienen, die niemand tot hulp hebben. Hij zal den bisschop verwittigen, dat deze voor hen bidde, en dat deze hun geve, wat zij noodig hebben, evenals ook aan menschen, die door verborgen armoede gedrukt worden. Voorts zullen zij ook de overigen dienen, aan welken de bisschoppen (opzieners) barmhartig­heid oefenen, opdat zij kunnen geven aan weduwen, weezen en armen”. Zij zijn, zooals Achelis6) en Leder7) bevestigen, verzorgers der armen. Ook is de taak der diakenen de onderwijzing der catechumenen, en de mededeeling van hun werk aan den bisschop, wanneer zij rijp zijn voor den doop8). Bij Cyprianus worden de diakenen al meer dienaren


1) Sohm, Kirchenrecht S. 234.
2) Ign. ad Ef. 1, 3; ad Magn. 6, 1; ad Trall. 2; ad Smyrna 12, 1; Loening, Gemeindeverfassung S. 136; Leder, Die Diakonen S. 147.
3) Pol. ad Phil. c. 11, 12.
4) Texte und Untersuchungen II, S. 193.
5) Canones V, §§ 34—36, bij Achelis.
6) Achelis zegt (Gebhardt und Harnack, Texte und Unters. S. 169): „In ihren Handen ist ganzlich die Armenpflege der Gemeinde gelegen”.
7) Leder verklaart (Die Diakonen der Bischöfe S. 206): „Wir gewinnen unser altes Bild: den Bischofsdiakon als Gemeindearmenpfleger an der Spitze der Diakonen in selbständiger Rolle gegenüber dem Bischof”.
8) Can. V, XVII.

|135|

van den bisschop. Hij zegt (ep. 3): „De diakenen moeten zich herinneren, dat, ofschoon de Heere de apostelen, dat zijn de bisschoppen en de voorgangers, gekozen heeft, de apostelen zelf echter na de hemelvaart des Heeren de diakenen aangesteld hebben voor zich als dienaren van hun opzienersambt en van de kerk”. De diakenen hielpen den bisschop bij den godsdienst, bij de uitdeeling van de eucharistie, bij de tucht, bij de armenzorg en bij het beheer der financiën1). In den tijd van Cyprianus begon zich ook het archidiaconaat te ontwikkelen. Cyprianus schrijft (ep. 52) aan bisschop Cornelius van Rome, dat Felicissimus door Novatus tot zijn diaken gemaakt was, en uit de berichten van de Carthaagsche presbyters aan Cyprianus blijkt, dat Felicissimus de leiding van de armenzorg had en van de diakenen, terwijl niemand er aanmerking op maakt, dat het bestuur van den lageren clerus en van de armengoederen in zijne hand waren. Bij de ont­wikkeling van het monarchisch bisschopsambt zijn de presbyters en de diakenen van hun zelfstandige positie beroofd, de bisschop werd de heer der gemeente, de plaatsbekleeder Gods, de presbyters en de diakenen werden de hoogere dienaren van den bisschop. In de Syrische Didascalia, of de katholieke leer der 12 apostelen, een kerkorde uit de eerste helft van de derde eeuw, heet het: „De diaken moet den bisschop over alle te verrichten werkzaamheden bericht geven, evenals Christus den Vader. Van deze werkzaamheden moet hij echter dezulke zelf beëindigen, waarvan hij bevindt, dat de beëindiging op zijn weg ligt; de andere moet hij ter beslissing aan den bisschop voorleggen. Afgezien van dit werk moet de diaken des bisschops oor en mond en hart en ziel zijn” 2).

Bij Tertullianus en Hippolytus beperkt zich het getal van de kerke­lijke diensten tot deze drie munera, die sedert het begin der kerk met bijzondere waardigheid en eer waren begiftigd. Maar het streven naar den uitbouw van de hiërarchie moest er toe leiden, dat er eene rangorde in de geestelijkheid gemaakt werd, en een onderscheiding tusschen hoogere en lagere geestelijkheid.

Met woord „lagere geestelijkheid” (clerus minor) wordt het eerst vermeld in een geschrift uit de eerste helft van de derde eeuw, Pseudo Cypr. de baptismate, c. 10. Ook Cyprianus schrijft (ep. 39) van het lagere ambt van den lector, wiens taak het is, het Woord Gods voor de gemeente te lezen. In Rome was deze ontwikkeling reeds ver gevorderd, blijkens een brief van Cornelius aan Fabianus van Antiochië (Euseb. VI. 43), waarin hij zegt, dat er naast den eenen


1) Cypr. ep. 20; 82.
2) P.A. de Lagarde in Bunsen’s Analecta Ante-Nicaena vol. 2, S. 271; Leder, Die Diakonen der Bischöfe S. 212.

|136|

bisschop 46 presbyters zijn, 7 diakenen, 7 subdiakenen, 42 acolouthen, 52 exorcisten, en daarenboven voorlezers en deurwachters.

Wat het getal der diakenen aangaat, oordeelde men, naar Hand. 6, zich gebonden aan het getal zeven. Maar omdat er in grootere steden behoefte was aan meerdere personen, stelde men helpers (ὑπηρέται) aan als subdiakenen, die tot den clerus gerekend werden. Ook in kleinere gemeenten, waar het getal 7 voldoende was, stelde men al vroeg subdiakenen aan. Zij komen in het Oosten eerst in de vierde eeuw voor.

De acolouthen, in het Oosten nog onbekend in de derde eeuw, komen reeds in 250 in Rome voor. Zij waren de bestendige bege­leiders van den bisschop, en helpers voor lagere diensten. De ostiarii (πυλωροί, θυρωροί) moesten de deuren openen en sluiten. Hun functie wordt door de Didascalia c. 12 nog aan den subdiaken toegewezen. De lectoren waren de voorlezers van het Woord Gods in de samen­komsten der gemeente. Verder waren er in de oude kerk nog zangers (cantores), exorcisten, een orde, die voor het eerst vermeld wordt in een brief van bisschop Cornelius van Rome aan bisschop Fabianus van Antiochië, en wier taak was: het bezweren der booze geesten (Abiicere daemones et dicere populo, ut qui non communicat, det locum et aquam in ministerio fundere)1). Zij kregen, toen de doop verbonden werd met de duivelbezwering, vooral in het Westen beteekenis.

Tot het kerkpersoneel, dat op de grens stond tusschen den clerus en de leeken, behoorden: de fossores, of (laboranten, kopiaten) dood­gravers, en de parabolani of krankendragers. Zij vormden het ge­willige leger van den bisschop.


1) Ponteficale Romanum I de ordinibus; Milasch, Das Kirchenrecht der Morgenland. Kirche, S. 242, 428.

Bouwman, H. (1928) § 10

§ 10. Synoden en metropolen.

In den apostolischen tijd vormde de Christelijke kerk eene eenheid door het geloof in Christus, het Hoofd der kerk, maar tevens was elke plaatselijke kerk eene zelfstandige grootheid, eene complete kerk, en had zij haar eigen presbyterium. De bewustheid van saamhoorigheid en de behoefte om elkander te helpen leefde van den beginne in de kerken. Naar den aard van het natuurlijke leven

|137|

gevoelden de gemeenten in Judea, Samaria, Syrië, Cilicië, Macedonië, Azië, enz. zich op elkander aangewezen. De gemeenten in een be­paalde streek waren van den stichter eenigszins afhankelijk, en achtten zich verplicht de voorschriften van den Missionaris, die hun het evangelie bracht, op te volgen. De gemeenten in Judea, van uit Jeruzalem gesticht, werden door de apostelen van uit Jeruzalem be­zocht (Hand. 9). De gemeenten in Syrië en Fenicië werden door Barnabas vermaand, om te blijven bij het geloof, dat hun was ver­kondigd (Hand. 11: 23). Paulus ging bij herhaling de gemeenten in Klein-Azië en in Griekenland bezoeken, om haar te leeren en den band der organisatie te versterken. Tevens drong de apostel Paulus er bij de gemeenten op aan, de gemeenschap der heiligen te be­oefenen en de arme gemeente te Jeruzalem te gedenken. Paulus vat de gemeenten in Achaje, Creta, Azië, enz. soms samen. Al waren de kerken in een bepaald deel van het rijk ook geen eenheid in den zin van provinciale kerk of landskerk, al schrijft Johannes aan de gemeenten van Azië, van Smyrna, van Eleze, enz. als zelfstandige plaatselijke kerken, wij mogen niet vergeten, dat krachtens de eenheid der kerken in Christus, en krachtens de natuurlijke saamhoorigheid der kerken in eene bepaalde streek, het kerkverband, als door God gewild, gegeven was, zonder dat aan de vrijheid en de zelfstandigheid der plaatselijke kerken werd te kort gedaan. Hierin ligt geen anti­nomie. Terecht zegt Harnack1): „Paulus hat Beides gewollt, die Abhangigkeit der Gemeinde und ihre Selbstandigkeit zugleich”.

Reeds in de dagen der apostelen werd het openbaar, dat de gemeenten in bijzondere en moeilijke gevallen met elkander wenschten te spreken (Hand. 15). Diezelfde behoefte sprak, toen de gemeente van Rome in 96 een gezantschap van drie personen zond naar Corinthe, om daar een twist bij te leggen; toen Ignatius zich gedrongen gevoelde aan de Syrische gemeenten een zendbrief te richten; toen Dionysius van Corinthe schreef aan de gemeenten op Creta en in Pontus. De eerste synoden zijn evenwel gehouden in het midden der tweede eeuw, ter behandeling van de Montanistische kwestie en ter bespreking van de geschillen over de viering van het Paaschfeest. De geloovigen in Azië, zoo verhaalt een anonymus bij Eusebius2), zijn dikwijls en op vele plaatsen in Azië samengekomen, om de leeringen van Montanus te onderzoeken en te veroordeelen. Sohm herinnert er terecht aan3), dat onder de uitdrukking „geloovigen” niet alleen bisschoppen moeten worden verstaan. De eerste vergaderingen der Christenen waren niet vergaderingen van de leidslieden der gemeente alleen, maar zij waren


1) Entst. u. Entw. S. 111.
2) Euseb. Hist. Eccl. V. 16, 10; 19, 2, 23, 2.
3) Kirchenrecht S. 279.

|138|

vergaderingen der geloovigen. Misschien dat in sommige gevallen alleen de bisschop als vertegenwoordiger der gemeente ter vergadering kwam, en dat andere gemeenten met den bisschop eenige presbyters en leden der gemeente zonden, terwijl in enkele gevallen zelfs de gemeente alleen door leden, die niet in het ambt waren, vertegen­woordigd werd1). De voorstelling van den anonymus bij Eusebius, die zegt: „Synoden en vergaderingen van bisschoppen hadden derwege plaats”, bevestigd door de berichten van Eusebius zelf over de synoden in den Paschastrijd, schijnen wel een ander beeld te geven, maar waarschijnlijk is de wijze, waarop Eusebius het bericht mede­deelt, gekleurd naar de gewoonte van zijn eigen tijd, het begin van de vierde eeuw. In elk geval was in het jaar 195 eene Synode nog niet uitsluitend eene vergadering van bisschoppen, want volgens Eusebius was eene vergadering „van de gemeenten (παροικιῶν)2) in Gallië, waar­over Irenaeus bisschop was”, eene synode.

Hoe is het ontstaan der Synoden historisch te verklaren? Zeer velen, o.a. Hefele3), leiden ze af van het Apostelconvent te Jeruzalem. Anderen o.a. Hinschius4), Hatch5), Friedberg6), zijn van oordeel, dat de Synoden voortgekomen zijn uit de natuurlijke behoeften van de gemeenten en hare ambtsdragers, om over moeilijke vragen met elkander samen te spreken, en dat het voorbeeld van de rijksindeeling en van de rijksregeering hierop invloed heeft uitgeoefend7). Sohm meent8), op grond van de zoogenoemde Apost. Kerkorde, dat de


1) 1 Clemens 63, 3. Can. Hippol. c. 16.
2) παροικία beteekent in de Grieksche inscripties: het wonen van een vreemde in een plaats zonder burgerrecht. De Joodsche gemeenten, die in heidensche steden een afgesloten kring vormden, werden zoo genoemd, en eveneens de Christelijke gemeenten, zooals Clemens ep. 1 zegt: Ἡ ἐκκλησία τοῦ Θεοῦ ἡ παροικοῦσα Ῥώμην. Daarnaast kreeg παροικία de beteekenis van voorstad, of de tot de stad behoorende woning, en daaraan knoopt zich de latere beteekenis van het woord „parochie”, „pastoorskerk” (sedert de veertiende eeuw) vast.
3) Conciliengeschichte I. 1.
4) Kirchenrecht III. 325.
5) Hatch, Die Gesellschaftsverf. S. 172.
6) Kirchenrecht S. 28.
7) Marquardt, Röm. Stuatsverwaltung I. 365. Duchesne, pag. 16.
8) De theorie van Sohm wordt op scherpzinnige wijze, en met groote kennis van de litteratuur der eerste eeuwen, uitgewerkt. Volgens de canones Hippolyti moet elke zwakke kerk voor de keuze van een bisschop gesteund worden door drie mannen van een naburige gemeente. Deze gemeentevergadering is de meest primitieve vorm der Synode. Dit komt overeen met Hand. 15. Van Antiochië werden sommigen afge­vaardigd naar Jeruzalem om te raadplegen over de zaak der besnijdenis, en het Jeruzalemsche convent zond mannen naar Antiochië, om daar met de gemeente de zaak tot eene oplossing te brengen. Die vergadering te Antiochië was eene Synode. Zoo werd ook eene vergadering gehouden te Corinthe in 95 met de drie afgevaar­digden van Rome (1 Clem. 63, 65). In den Montanistischen strijd kwamen afgevaardigden van onderscheidene kerken, bisschoppen, presbyters en gemeenteleden tot eene kerk om daar met de gemeentevergadering te overleggen. Het hoofdelement van deze eerste Synoden is de gemeentevergadering. In de derde eeuw werd als regel gesteld dat in al de kerken de naburige kerken, vertegenwoordigd door hun bisschop, moesten medewerken bij de keuze van een bisschop. Cyprianus raadpleegde over de lapsi met de naburige bisschoppen, en hij won ook het gevoelen van Rome in, maar voor ➝

|139|

Synode haar primitiefsten vorm heeft in eene gemeentevergadering, die voor de verkiezing van den bisschop de steun van naburige gemeenten noodig heeft.

Wil men eene duidelijke voorstelling van den oorsprong der synoden bekomen, dan moet men bedenken, dat in de eerste eeuwen der kerk er een levendig verkeer tusschen de onderscheidene gemeenten bestond. Men gevoelde behoefte in moeilijke dagen en in bijzondere toestanden elkander te raadplegen. Rome gevoelde zich gedrongen, toen in Corinthe een twist was ontstaan, door het zenden van drie afgevaardigden mede te werken tot herstel der orde (1 Clemens 63, 3). Werd na eene vervolging de vrede hersteld, dan werden boden ge­zonden om in de gemeentevergadering de blijdschap der zuster­gemeenten hierover uit te spreken (Ignat. ad Philad. 10, ad Smyrna, 11). Wanneer in een kleine gemeente een bisschop moest worden gekozen, dan namen de afgevaardigden van een naburige gemeente daaraan deel. Deze afgevaardigden werden in de gemeentevergadering gekozen1), en konden bisschoppen of presbyters, of ook leden der gemeente zijn2). De boden brachten hun boodschap in de gemeente­vergadering over.

Verwant aan deze vergaderingen waren de Synodes, die ter be­slissing in den Montanistischen strijd samenkwamen. Maar zij verschilden hierin van elkander, dat, terwijl in de bovengenoemde gemeentevergaderingen de afgevaardigden de gemeente met raad en steun dienden en een boodschap van de zendende gemeenten over­brachten, zij, in de Synoden tijdens den Montanistischen strijd,samen eene beslissing namen. In het eerste geval handelde de enkele gemeente, in het laatste geval handelden de afgevaardigden van vele gemeenten met de gemeente, temidden van welke zij vergaderden, samen. De Synoden zijn dus niet ontstaan uit de gemeentevergaderingen, maar beide zijn opgegroeid uit de bewustheid van de eenheid der kerk en uit de behoefte, om in moeilijke tijden elkander met raad en steun te dienen3).


➝ Carthago gaf de gemeentevergadering de beslissing (ep. 30, 43, 55,4-6). Deze gewoonte heerschte overal, zegt Cyprianus (ep. 19, 2). Deze vergadering was niet een samenkomen van bisschoppen, zooals O. Ritschl (Cyprian S. 153-55) zegt, maar een vergadering van bisschoppen, presbyters en leden der gemeente, zooals de beginwoorden van den protocol luiden: „Toen in Carthago den 1 September zeer vele bisschoppen (87 namen worden vervolgens genoemd) uit de provincie Afrika, Numidië, Mauretanië waren samengekomen met presbyters en diakenen, in tegenwoordigheid van het grootste deel van het volk”. De oorspronkelijke Synode was dus een met bisschoppen versterkte gemeentevergadering (Sohm, Kirchenrecht S. 247-296).
1) Ignatius schrijft aan Polycarpus (7): „Het is betamelijk eene Gode welbehagelijke vergadering samen te roepen, en iemand af te vaardigen .... dat hij naar Syrië reize en uwe voor Gods eer onverdrotene liefde prijze”.
2) Ign. ad Smyrn. 11: „iemand van de uwen met eenen brief te zenden”, cf. Euseb. Hist. Eccl. V, 4, 2.
3) Zoo ook Hauck, Herzog-Hauck R.E.3 Art. Synoden.

|140|

De synode veranderde van karakter, toen in de derde eeuw het monarchisch episcopaat tot heerschappij kwam. De gedachte, door Cyprianus uitgesproken: Ecclesia super episcopos constituitur et omnis actus ecclesiae per praepositos guhernatur (Cypr. ep. 33, 1), de leer, dat de kerk rust op de bisschoppen en dat elke handeling der kerk door de leidslieden der kerk wordt verricht, vatte de geesten, en onmiddellijk gevolg hiervan was, dat de bisschoppen als zoodanig leden der synode waren. Voor het uitwendige bleef de gedaante der synode dezelfde. Zoowel in het Oosten als in het Westen waren met de bisschoppen ook de presbyters en de diakenen, en soms ook de gemeente, tegenwoordig. De eerste, door bisschop Demetrius van Alexandrië tegen Origenes gehouden, synode was eene synode met presbyters (σύνοδος ἐπισκόπων καὶ τινων πρεσβυτέρων). Op de synode van Antiochië, in 264 tegen Paulus van Samosata gehouden,1) kwamen bisschoppen, presbyters en diakenen. De synodale brief van de derde Antiocheensche synode (269) werd namens de bisschoppen, presbyters, diakenen en de gemeenten Gods geschreven aan de verschillende kerken1). Dit was ook het geval in het Westen. Aan eene Romeinsche synode van 254 namen 60 bisschoppen en een nog grooter aantal presbyters en diakenen deel2). Op eene synode te Carthago, waar over den ketterdoop gehandeld werd, waren met Cyprianus zeer vele bisschoppen en presbyters tegenwoordig3). Zelfs nog op het concilie van Elvira, in 305, waren behalve bisschoppen ook presbyters, diakenen en gemeenteleden aanwezig4). Evenwel nam weldra de bisschop een vooraanstaande en beslissende plaats in, waarmede in overeenstemming is, dat de synodale brieven van de Africaansche synoden alleen van de bisschoppen uitgingen5). In vele kerken ging evenwel de ont­wikkeling langzaam. In Rome achtte men nog in 250 noodig, dat een synodebesluit door de geestelijkheid en de leden der gemeente werd goedgekeurd6), en eveneens was men dit gewoon in Cappadocië7). Maar het streven was algemeen, dat de bisschoppen alleen leden van de synode zouden zijn. Zoo was de tweede synode van Alexandrië een bisschopssynode, en ook werd een paar jaren later te Iconium (235) een bisschopssynode gehouden8). Geen wonder, dat door het concilie van Nicaea (325) werd uitgesproken, dat alleen de bisschoppen de handelende leden der synode moesten zijn9). De synode van Arles (314) was overtuigd, door den H. Geest geleid te zijn, en bediende zich van


1) Euseb. Hist. Eccl. VII, 28, 1; Hefele, Conciliengeseh. I. 136.
2) Euseb. H. Eccl. VII, 30, 2.
3) Euseb. H. Eccl. VI, 43, 2; Cypr. ep. 71, 1.
4) Cum consedissent sancti et religiosi episcopi.... item presbyteri.... adstantibus diaconibus et omni plebe.
5) Cypr. ep. 57, 64, 67, 70.
6) Cypr, ep. 30, 5.
7) Cypr. ep. 75,4.
8) Euseb. H. Eccl. VII, 7, 5.
9) „Wat de uitgeslotenen van de gemeenschap aangaat, moet het door de bisschoppen van elke provincie uitgesproken oordeel van kracht blijven”, Can. 5.

|141|

de formule: placuit ergo, praesente spiritu sancto et angelis ejus1).

Zoo werd de synode een bisschopssynode. De medewerking van den clerus en van het volk was in het midden van de derde eeuw in de meeste gevallen een bloote vorm geworden. Het ging er mede evenals met den gemeentegodsdienst, de gemeentevergadering verdween lang­zamerhand, en een vergadering van den clerus bleef over. In den loop van de vierde eeuw was de gemeente bijna nergens meer tegenwoordig op eene synode, en werd het recht van goedkeuring der synodale besluiten alleen aan den clerus toegekend. Lang bleef nog in het Westen de bisschopskeuze bij het volk2), maar van de synoden werd het volk weldra geheel uitgesloten, en de stem der bisschoppen besliste. Deze ontwikkeling was in den loop der 15e eeuw voltooid.

De opbouw van de organisatie der kerk sloot zich nauw aan bij de organisatie, die de kerk in den staat vond. De godsdienst, die sedert Augustus in het Romeinsche keizerrijk algemeen geworden was, de cultus van de dea Roma en de keizercultus, had eene organisatie over heel het rijk3). Aan de priesters waren groote rechten verzekerd. De priester was uit kracht van zijn ambt lid van den municipalen raad. E. Desjardins, de geleerde schrijver van de „Geographie Historique et administrative de la Gaule Romaine”, heeft voor Frankrijk aan­getoond, dat de paganistische hiërarchische organisatie de voorlooper was van de Christelijke. Elke plaats, waar een heidensch priester resideerde, werd de zetel van een Christenbisschop. De abt Beurlier betoogde in zijn monographie: „Le culte Impérial”, dat de organisatie van den Romeinschen staatsgodsdienst niet precies de rijksorganisatie volgde, maar dat zij hare geestelijkheid deed zetelen op plaatsen, waar de aangewezen behoefte dit meebracht, en dat de Christelijke kerk zich hierbij aansloot. Dat dit in het algemeen juist is, kan moeilijk worden betwijfeld. De Christelijke kerk ontleende, zooals Momsen zegt4), hare hiërarchische wapenen aan het tuighuis van den vijand. In het Grieksch-Romeinsche leven had men stadstaten. De missie had in den eersten tijd hoofdzakelijk in de steden gewerkt, in de steden waren centra van gemeenten gekomen, en het lag voor de hand, dat de centra der bevolking voornamelijk zetels van de bisschoppen werden. Toen


1) Hefele, Conc. Gesch. I. 204.
2) De synode van Laodicea (tusschen 343 en 381) verbood, dat het volk deelnam aan de bisschopskeuze. De bisschop moest door de synode benoemd worden. Evenwel nam ook sedert het volk herhaaldelijk nog deel aan de bisschopskeuze. Chrysostomus wordt door het volk en den clerus begeerd, Socr. VI, 52, en ook na Nestorius’ afzetting treedt het volk handelend op, Socr. VII, C. 35.
3) E. Desjardins, Le culte des Divi et le culte de Rome et d’ Auguste, Revue de Philologie, 1879. E. Beurlier, Le culte Impérial, son histoire et son organisation, 1891. Ramsay, The Church in the Roman empire, 1893. Lindsay, The Church and the Ministry, p. 341. Harnack, Entst. u. Entw. S. 115.
4) Roemisches Staatsrecht II. 952 ff.

|142|

het noodig werd voor de verpleging van de armen en voor de uitoefening van de tucht, de stad Rome, waar de gemeente zoo groot was, in wijken te verdeelen, sloot men zich aan bij de burgerlijke indeeling in politiedistricten. Toen meerdere kerkgebouwen in Rome noodig waren, in de tweede helft van de derde eeuw, ging men daar aan elk deel van de stad eene zekere zelfstandigheid geven, met bepaalde presbyters voor elke afzonderlijke kerk, doch men behield de eenheid onder het oppertoezicht van den eenen bisschop, die alleen voor de geheele stad de eucharistische elementen consacreerde.

De Christenen ten platten lande hadden kerkelijk hunne vergader­plaats in de stad. Doch toen zij talrijker werden en ten platten lande kerkgebouwen noodig werden, ontstonden daar filiaalgemeenten, die van den bisschoppelijken stadsclerus hunne presbyters en diakenen ontvingen. In de buurt van Alexandrië hadden sommige presbyters een tiental dorpen onder hun toezicht, die echter allen weder stonden onder de leiding van den bisschop. Langen tijd was Alexandrië’s bisschop de eenige in Egypte1). Er waren echter ook landsdistricten, die politiek zelfstandig georganiseerd waren, o.a. in Syrië en in N. Afrika, en daar had men ook zelfstandig georganiseerde landsgemeenten2). De landsbisschoppen (ἐπίσκοποι των ἀγρων of χωρεπίσκοποι) hadden, naar het schijnt, van den aanvang af geringer aanzien dan de stadsbisschoppen.

De provinciale hoofdsteden, de centra van het leven, waar de provinciale landdagen samenkwamen, en waar het altaar des keizers stond, waren de aangewezen plaatsen voor de provinciale synoden. Het lag in den aard der zaak, dat de bisschop van de hoofdstad, van de moedergemeente in eene provincie, met de samenroeping en de leiding der vergadering belast was. Daaruit ontstonden nieuwe rechten en voorrechten. Uit de bestendige leiding der synode volgde, dat de president de synode samenriep, de besluiten formuleerde en ze mede­deelde aan de betrokken kerken en personen. Hij onderhandelde met andere landskerken, en gold als de vertegenwoordiger zijner kerk. Deze rechten erfden over op zijn opvolger, en krachtige persoonlijk­heden onder de bisschoppen werkten deze rechten verder uit. Op deze wijze ontstond de rang en de positie van den metropoliet, het hoofd van de bisschoppen der provincie. Egyptische bisschoppen spraken tijdens de vervolging onder Diocletianus van hun Alexandrijnschen collega als van den „grooten bisschop en onzen vader”, en van den „major pater” 3). Zij gaven hem dus de eer, die zij van de leden hunner gemeente verwachtten.

De naam „metropoliet” komt het eerst voor in Can. 4 van de Synode


1) Harnack, Entst. u. Entw. S. 114.
2) Eus. Hist. Eccl. VII, 30, 10.
3) Phileas en zijn collega’s aan Petrus van Alexandrië, Routh, Reliquiae sacrae 4, 91.

|143|

van Nicaea. Deze metropolieten, bisschoppen van de groote gemeenten in de centra, behoorden reeds in de derde eeuw tot de aanzienlijkste persoonlijkheden in de stad. In de kleinere plaatsen was de toestand vaak geheel anders, waren de bisschoppen in den regel eenvoudige mannen, en daarom vertrouwde men de belangen en de leiding der kerkelijke zaken gaarne toe aan de aanzienlijke metropolieten. Of­schoon de rechten niet omschreven waren, bestonden er toch voor­rechten. Zoo had Rome de leiding van delandskerk van Italië. Victor van Rome was voorzitter der synode bij de beslissing in den Pascha-strijd1), terwijl Cornelius zich de uitdrukking veroorloofde, dat hij drie Italiaansche bisschoppen heeft afgezet en twee heeft aangesteld2). Alexandrië was de eenige aanzienlijke gemeente in Egypte, Lybië en Pentapolis, in West-Afrika Carthago, in Gallië Lyon. In het Grieksche Oosten3) was het getal der aanzienlijke gemeenten grooter: Corinthe, Filippi, Thessalonica, Efeze, Tarsus in Cilicië, Caesarea in Cappadocië, Caesarea in Palestina, Jeruzalem en vooral Antiochië. In Palestina was het een eigenaardige toestand. Caesarea was de hoofd­stad der provincie, maar het kon aan Jeruzalem, om zijn oude heerlijkheid en herinneringen, den rang niet betwisten, en daarom kwam men op de gedachte, dat Caesarea en Jeruzalem gemeenschappelijk de voorzitting der provincie zouden hebben4). De invloed van de metro­polis was ook groot, doordat zij zorgdroeg voor het welzijn der landskerken5). Het concilie van Nicaea (325) regelde de verhouding van de Prov. Synode en de metropolieten. Tweemaal in het jaar, in het voor- en in het najaar, moesten de Prov. Synoden samenkomen. Stem­gerechtigd waren slechts de bisschoppen, die verplicht waren de Synode bij te wonen, en die, als zij verhinderd waren, konden ver­vangen worden door een presbyter of diaken, (can. 11 Syn. v. Cartha­go, 411). De wetgevende macht dezer Synode trad al meer terug, maar de disciplinaire arbeid was van beteekenis, en ook was zij hof van appel (Hinschius, Kirchenrecht IV, 764, A.3). Maar de macht van den metropoliet werd in het bijzonder groot door den invloed, dien hij op de bisschopskeuze ontving.


1) Euseb. H. Eccl. V, 23, 2.
2) Euseb. H. Eccl. VI, 43, 10.
3) Euseb. H. Eccl. V, 24; VI, 43. 10; 46, 3.
4) De synode van Nicea drukte hierop het zegel als op een reeds lang bekende zaak en bepaalde, can. 7: „Omdat het eenmaal gewoonte en een oude overlevering is, dat de bisschop van Aelia bijzonder geëerd wordt, zoo moet hij ook de opvolging der eer genieten, terwijl de metropool de haar toekomende waardigheid blijft be­houden. Hefele, Conc. gesch. I. 403; Euseb. H. Eccl. V. 23, 3.
5) Cyprianus b.v. zond aan eenige Numidische bisschoppen 100.000 sestertiën voor het loskoopen van gevangenen. Toen een Chiliastische beweging in Arsinoë (Cyrenaea) ontstond, reisde Dionysius van Alexandrië daarheen, om in een driedaagsche onder­handeling de Chiliastische drijving te bezweren (Eus. H. Eccl. VII, 24, 7). Cornelius van Rome zette onwaardige bisschoppen af, en stelde anderen voor hen in de plaats (Eus. H. Eccl. VI, 43, 8).

|144|

De keuze van den episcopus was oorspronkelijk bij de gemeente die onder de leiding van de ambtsdragers den persoon aanwees Daarop volgde de handoplegging door de presbyters, en de inthronisatie. Zeer spoedig kwam het gebruik op, dat minstens drie bisschoppen van buiten de wijding moesten voltrekken. De Synode van Nicaea bepaalde evenwel, dat het wenschelijk was, dat een nieuwe bisschop eigenlijk door alle bisschoppen in de provincie in zijn ambt moet gezet worden, maar indien allen niet konden tegenwoordig zijn, „zoo moeten tenminste drie aanwezig zijn, die met schriftelijke toe­stemming van de afwezigen aan de handoplegging deelnemen”. De Metropoliet moet evenwel de ordening bevestigen1). Wanneer iemand zonder toestemming van den metropoliet bisschop geworden is, kan hij niet gehandhaafd worden als bisschop2).

Gelijktijdig werd de invloed van de gemeente op de bisschopskeuze ingeperkt of vernietigd. Kon tot nog toe de gemeente een bisschop weigeren, de Synode van Laodicea (circa 360) bepaalde, dat een bisschop door den metropoliet en door de omwonende bisschoppen in het ambt moest worden gezet, en dat aan het volk niet meer de keuze mocht worden overgelaten3). Van nu aan werd het in de Oostersche kerk de praktijk, dat slechts aanzienlijke personen uit het volk aan de keuze deelnamen, welke praktijk door Justinianus kracht van wet ontving, zoodat voor de keuze van een nieuwen bisschop de aanzienlijksten uit het volk samenkwamen, een getal formeerden, uit welk drietal de metropoliet met de bisschoppen den meest geschikte koos en in het ambt bevestigde. Deze wet van Justinianus werd in de verzameling der canones opgenomen4). Dit besluit is door de achtste oecumenische Synode bevestigd5). Zoo is het in de Grieksche kerk gebleven. Het patronaatsrecht der wereldlijke heeren is niet opgeheven, maar meestal geschiedt de bisschopskeuze door de bisschoppelijke synoden, zonder medewerking van het volk6). In de Westersche kerk ging de ontwikkeling eenigszins anders. De invloed van het volk op de bisschopskeuze bleef lang nawerken, maar deze werd al meer besnoeid, en sedert de elfde eeuw werden het volk en zelfs de medebisschoppen van de bisschopskeuze geheel uitgesloten, en werd het verkiezingsrecht alleen gelaten aan den clerus van de Cathedraalkerk7).

Op deze wijze werden twee zaken bereikt: 1°. werd tegengegaan dat een ongeschikt persoon door zijn geld of door zijn persoonlijken


1) Nicaea 325, c. 4.
2) Nicaea 325 c. 6.
3) Can. 12, 13.
4) Ath. Synt, 492.
5) Nicaea 787, c. 3.
6) Milasch, Das Kirchenrecht der morgenländischen Kirche, Mostar 1905, S. 360.
7) Van Espen, Jus eccles. P. 1, tit. 13, c. 1, n. 5. Hefele, Conciliengesch. I. 386.

|145|

invloed zich opdrong aan de gemeente1); en 2°. werd de centralisatie in het kerkelijk leven sterker, en het hiërarchisch gebouw steviger2). Maar deze ontwikkeling in hiërarchische richting bewees tegelijk, dat de gemeente was afgeweken van den oorspronkelijken regel. De rechten der gemeente gingen teloor, de macht van den bisschop werd al grooter. De kerk lette meer op de kracht der organisatie dan op den eisch, door de apostelen gesteld.

Tevens trachtte men de grenzen van de diocesen af te bakenen. Het gebeurde dat, geestelijken of leden der gemeente, om de tucht te ontgaan, of om eene wijding te verkrijgen, naar een naburige plaats verhuisden, en daar absolutie ontvingen of in het ambt kwamen. Maar het provinciale kerkverband stelde, tot beteugeling van willekeur, als regel, dat de boetelingen slechts daar absolutie konden ontvangen, waar zij geëxcommuniceerd waren, en dat clerici, die zonder verlof van den bisschop vertrokken waren, hun geestelijken rang verloren, óf zelfs geëxcommuniceerd werden, indien zij weigerden terug te keeren.

De synodale beslissingen werden van groot gewicht geacht voor het kerkelijke leven. Zij werden ook aan andere kerken medegedeeld, en door deze aanvaard. Zoo kreeg men kerkrechtelijke stof voor een algemeene kerkelijke wetgeving. Algemeen heerschte het geloof, dat de H. Geest woonde in de kerk en door de stem van de bisschoppen op de kerkelijke vergaderingen sprak. Niet alleen de oecumenische, maar ook de provinciale synode bezat den H. Geest, en elke synode sprak, alsof zij de gansche kerk was. Tertullianus3) noemde de synode de representatio totius nominis christiani, en Augustinus gaf het concilie van Arles, waar alleen bisschoppen van het Westen aanwezig waren, den naam van „een algemeen concilie der gansche kerk”. Daarom kon elke vraag op elke sy­node worden behandeld. De synode van Toledo evenwel4) maakte onder­scheid tusschen geloofszaken, en zaken, die in een bepaalde provincie konden worden afgehandeld. Maar al was eene synode niet onfeilbaar, hare besluiten golden toch als goddelijk recht. Sedert Thomas wordt echter onderscheiden tusschen het jus divinum en het jus naturale5).


1) Dit geschiedde bij de keuze van den lector Majorinus tot bisschop van Carthago, voor welke keuze de weduwe Lucilla aan de bisschoppen, bij wie de keuze was, eene som van 400 folies (een geldstuk van ¼ ons), ongeveer f 27000, aanbood. Dit had het Donatistische schisma tengevolge. Ook kwam het voor, dat de gemeenten een hoog­staand heidensch persoon als bisschop begeerden.
2) Enkele afwijkende gevallen kwamen voor. Sommige bisschoppen, die hun einde voelden naderen, benoemden zelf hunne opvolgers, zooals Theoktistus van Caesarea in Palestina, en Petrus van Alexandrie, doch dit werd door de synode van Antiochië verboden, can. 23. Achelis, Das Christentum in den ersten drei Jahrhunderten, II. 203.
3) de jejun. c. 13.
4) Toledo, 633, can. 3.
5) Hinschius, Kirchenrecht III. S. 325 f., vooral III. 770 Anm. waar hij een duidelijke uiteenzetting geeft van de onderscheiding van Thomas tusschen het jus naturale en het jus divinum.

Bouwman, H. (1928) § 11

|146|

§ 11. De eenheid der kerk en Rome.

Van den aanvang af was elke plaatselijke kerk eene complete zelfstandige kerk, met een eigen raad, een eigen zelfstandig beheer, later met een eigen bisschop. De geloovigen beleden de eenheid der kerk op de gansche aarde, en brachten dit in praktijk, doordat zij de leden van andere kerken als medegeloovigen erkenden en behoefte gevoelden, om in bijzondere gevallen het oordeel der broederen in te winnen. Doch van een institutaire eenheid wist men in den eersten tijd niets. Het begrip katholiciteit werd meer geestelijk dan institutair gedacht. Maar in de tweede helft van de tweede eeuw werd de katholiciteit belichaamd in eene zichtbare grootheid, in eene eenheid van de priesters, die, met goddelijk gezag bekleed, de kerk represen­teerden. Cyprianus schreef: „De eenheid der kerk rust op de eenheid van het episcopaat, terwijl de eenheid van het episcopaat haar bron vindt in de macht van Petrus” 1).

Het ideaal der eenheid kon in de praktijk bezwaarlijk gerealiseerd worden. In de derde eeuw waren hier en daar nog overblijfselen van de Valentinianen, Marcionieten en Bardesanieten. Montanistische kringen waren er nog in Phrygië en in N. Afrika. De Novatianen vormden eene kleine schismatieke gemeenschap. De aanhangers van Paulus van Samosata, wegens trinitarische ketterij afgezet in 260, waren nog in het begin der vierde eeuw talrijk2). In alle land­schappen en waarschijnlijk in alle groote steden waren er, naast de groote kerk, kleinere of grootere kringen van hen, die door de kerk voor ketters aangezien werden. Het Oosten dacht in menig opzicht niet eenstemmig met het Westen. Maar toch was de kerk zich nog wel bewust een eenheid te zijn als het lichaam van Christus, ge­roepen tot den dienst des Verlossers, en tot liefde voor en onder elkander. De vijandschap der wereld en de druk der vervolging had de Christenen zeer nauw aan elkander verbonden, en verscherpte het gevoel, dat zij allen één groot organisme toebehoorden. En deze eenheid zochten zij al krachtiger te verwezenlijken in de kerkelijke organisatie, aan het hoofd waarvan de metropolieten stonden.

Onder de Christelijke metropolen traden reeds in de derde eeuw vooral Alexandrië, Antiochië en Rome op den voorgrond. Zij waren de eerste steden der Christenheid. Hare bisschoppen gaven in de kerkelijke aangelegenheden leiding voor de geheele kerk. Ook Carthago had als de moederstad der drie Afrikaansche provinciën


1) De Unitate c. 5; ep. 70, 3; 73, 7.
2) Euseb. Vit. Const. 3, 64. Syn. v. Nicea, can. 19.

|147|

eene gewichtige stem, vooral in de dagen van Tertullianus en Cyprianus, maar de drie wereldsteden werden met name als metro­polen genoemd. Hare gemeenten dateerden uit den Apostolischen tijd, en waren in staat door hare bisschopslijsten haar apostolische overlevering te bewijzen, die voor alle drie teruggingen op den apostel Petrus of diens leerling Marcus. Antiochië was van beteekenis voor het ontstaan van het heiden-christendom, het centrum der Syrische kerk; Alexandrië was door hare geographische ligging de poort van Egypte, en als centrum der Oostersche cultuur en ook der Christelijke wetenschap, algemeen hooggeacht, terwijl Rome als de hoofdstad des rijks, waar, volgens de overlevering, de apostelen Petrus en Paulus waren begraven, met hare bekwame bisschoppen, die in vele strijd vragen een goede beslissing hadden gegeven, als vanzelf een leidende plaats in het kerkelijke leven innam.

Rome achtte, van de eerste eeuw af, het als hare roeping, leiding te geven in het kerkelijke leven. In het jaar 95 riep Rome’s gemeente de twistende gemeente van Corinthe met krachtige stem tot de orde. Ignatius sprak in zijn brief haar aan als „begiftigd met een eereplaats in het gebied der Romeinen, Gode waardig, eere-, lof-, geluk- en heilwaardig, die bovenaan staat in de liefde, de wet van Christus houdend, den naam des Vaders dragend”. Zij was in het midden van de derde eeuw de grootste en de best geordende onder de Christelijke kerken. Er was geen gemeente, die zoovele martelaren onder hare bisschoppen telde1).

Maar het primaat van Rome steunde niet alleen op zulke gronden. Immers de Roomsche bisschop was gezeten op den stoel van Petrus, en was de rechtmatige opvolger van Petrus. De overtuiging leefde reeds vroeg, dat Petrus, als de stichter van de Roomsche kerk, de sleutelmacht van Christus had ontvangen. De geheele hiërarchische theorie rustte op de Roomsche uitlegging van Matth. 16: 18. Petrus was de rots der kerk. Reeds Kallistus had in den strijd over boete en tucht, in het jaar 217, zich bij de verandering der boete-praktijk op dit woord beroepen; Irenaeus had geleerd, dat alle Christenen Rome als hun centrum moesten beschouwen2) en Cyprianus verklaarde duidelijk, op grond van Matth. 16: 18, dat de sleutelmacht van Petrus door de opvolging der bisschoppen op eiken bisschop is overgegaan. „Wel is waar waren ook de andere apostelen datgene wat Petrus was, met gelijk aandeel aan eer en macht, maar het begin gaat van de eenheid, van Petrus, uit, zoodat de kerk van Christus zich als een eenheid ver­toont. Daarom is ook de cathedra Petri, of de locusPetri, de Roomsche kerk, de ecclesia principalis, unde unitas sacerdotalis exorta est” 3).


1) Telesphorus † 137, Kallistus † 220, Pontianus † 235, Fabianus † 250, Sixtus † 258.
2) Irenaeus 3, 3, 12.
3) Cypr. ep. 59, 4.

|148|

Ook de Roomsche presbyters en bisschoppen leefden uit deze gedachte.

Maar bovendien was men in Rome overtuigd, dat aan de kerk van Rome de leiding der geheele Christenheid toekwam. Rome’s aanzienlijke gemeente had door haar woonplaats en door haar optreden eene positie verworven die in overeenstemming was met de plaats van Rome als middelpunt des rijks. Van Paulus af tot de dagen der Gnostieken, van Polycarpus tot Origenes was Rome het hart, waarheen al wat Christelijk was samenstroomde. Rome had de groote Gnostische crisis bezworen. Rome had in den Paschastrijd de lijnen uitgestippeld. Daarom kon Irenaeus1) Rome prijzen als „de grootste oudste, allen bekende, door Paulus en Petrus gestichte, Romeinsche gemeente”, als de bewaarderes van de apostolische overlevering, die in het bezit der waarheid was. Krachtige bisschoppen als Victor en Kallistus stelden Rome aan het hoofd van alle kerken der wereld. Bisschop Stephanus (253-67) verklaarde, dat hem krachtens het primaat het recht toekwam, dat hij door zijne medebisschoppen moest worden gehoorzaamd. En dat was geen ledige uitspraak. De bisschop van Rome oefende gezag in Gallië, Spanje en Italië2). De Aegyptischische bisschoppen klaagden te Rome hun Alexandrijnschen metropoliet aan wegens ketterij, en de schismatici in Carthago zochten bij Rome beslissing3). Wel gingen er stemmen op tegen de aanmatiging van Rome. Bisschop Firmilianus4) klaagt over de trotschheid van Rome en Tertullianus5) keurt het in Rome’s bisschop af, dat hij zich den bisschop der bisschoppen noemt, maar de leer van Rome werd zoo vaak herhaald, en werd door verdichte verhalen (Acta Petri et Pauli Constitutiones apostolicae) zoo zeer verbreid, dat zij langzamerhand in de gedachten beklijfde en algemeen aanvaard werd.


1) Iren. adv. haer. 3, 3, 2.
2) Cypr. ep. 67, 68; Euseb. Hist. Eccl. VI, 43, 10.
3) Cypr. ep. 59.
4) Corpus S.S. eccl. 3, 1, 821.
5) De pudic, c. 1.

Bouwman, H. (1928) § 12

§ 12. Kerk en staat.

De verhouding van de kerk tot den staat was in de eerste eeuwen, toen de kerk nog leefde onder het kruis, niet steeds gelijk. In den eersten tijd gold de kerk nog als eene Joodsche secte en werd ze, enkele plaatselijke vervolgingen uitgezonderd, geduld.

|149|

De Romeinsche staat bekommerde er zich weinig om, of iemand een afwijkend godsdienstig gevoelen huldigde. Maar toen het Christendom zich al duidelijker van het Jodendom onderscheidde, en er aanspraak op maakte, de absolute, de universeele en de eenig ware godsdienst te zijn, en de Christenen weigerden mee te doen aan den keizercultus, werden zij beschuldigd van atheisme en vervolgd wegens majesteits­schennis. Zij geloofden in een anderen koning dan den Romeinschen keizer, en verkondigden, dat Christus was de hoogste Koning, aan wien alle de rijken der aarde moesten onderworpen worden, en daarom werden zij als vijanden van het menschelijke geslacht gehaat en vervolgd. Hun hoop was niet gevestigd op het aardsche, maar op het hemelsche en eeuwige leven, en daarom scheen het den Romeinen toe, dat zij den staat en de regeering minachtten. De vervolging werd algemeen in het midden der derde eeuw, toen keizer Decius (249-251) vreesde, dat de kerk door hare krachtige organisatie, door het groote aantal harer leden en door haar toenemenden invloed, ook in de toonaangevende kringen, staatsgevaarlijk werd. Doch hoe meer de kerk verdrukt werd, hoe meer zij wies. Zij kon zich handhaven tegenover het geweld der wereld en de macht der heidensche wetenschap door haar wereldoverwinnend geloof en door haar kinderlijk vasthouden aan de H. Schrift.

In de vierde eeuw veranderde de verhouding van kerk en staat. Door Constantijn den Groote werd de kerk uit den staat van vernedering opgeheven en tot eer en aanzien gebracht. De kerk werd met het heidendom gelijkgesteld, straks als staatskerk erkend. Nadat Constantijn in 312 het leger van Maxentius had verslagen, werd in het voorjaar van 313 het edict van Milaan1) gesloten, waarbij het Christendom van het standpunt der tolerantie tot dat van gelijkheid met den door den staat erkenden en geprivilegieerden godsdienst werd verheven. Maar nauwelijks was een begin gemaakt met de bevrijding der kerk, of Licinius begon reeds in 316 het Christendom te vervolgen. Hierdoor ontbrandde een godsdienstoorlog tusschen beide keizers met het gevolg dat Licinius in 323 werd overwonnen en spoedig daarna werd gedood. Constantijn was nu alleenheerscher.

Zeer voorzichtig en geleidelijk ontnam Constantijn aan het heiden­dom allerlei voorrechten. In zijne kwaliteit van opperpriester had hij het oppertoezicht op de uitoefening van alle cultushandelingen, en


1) De poging van Seeck (Zeitschr. f. Kirchengesch. XII, 381 f. en Gesch. der Untergang d. Antiken Welt 1897 S. 139) om aan te toonen, dat het edict van Milaan niets anders is dan het rescript van Licinius uit Nicomedië (311), dat ten doel had de de rechtskrenkende pogingen van Maximinus te keeren, is niet gelukt, en stuit af op het groote verschil van beide edicten (F. Görres, Licin. Christenverfolg. Jena 1876. Zeitsch. f. wiss. Theol 1890 S. 211 f., 314 f).

|150|

daar in dien tijd, zoowel in het burgerlijke als in het staatkundige leven, geen enkele daad geschieden mocht zonder eene godsdienstige ceremonie, strekte zijne macht zich letterlijk over alles uit. Hij bleef, ook toen hij Christen geworden was, pontifex maximus, en had het in zijn hand, in te grijpen in den heidenschen cultus. In 319 verbood hij de geheime haruspiciën (voorspellingen uit de ingewanden der dieren), de waarzeggerij mocht alleen in het openbaar plaats hebben. In 321 werd het huisoffer verboden, en tegen het einde van zijn leven alle offers. In 326 verbood hij bouwvallige tempels weder op te richten. Tempels, die aanstoot gaven, werden gesloten. Omgekeerd werden aan de kerk al meer voorrechten toegekend. Zij ontving in 321 het recht legaten te verwerven, en daarmede de rechtspersoonlijkheid. In het­zelfde jaar werd de geestelijkheid vrijgesteld van alle muneracivilia, van alle burgerlijke diensten, opdat zij zich ongestoord aan hun ambt kon wijden. Hierdoor was de weg gebaand, dat de heidensche godsdienst als staatsgodsdienst plaats moest maken voor het Christen­dom. Christelijke beginselen werden opgenomen in het staatsrecht. De Zondag werd rustdag, waarop de arbeid en het houden van processen verboden werd; het brandmerken werd verboden, opgrond dat de mensch naar Gods beeld is geschapen; het houden van eene concubine verboden (326); de echtscheiding bemoeilijkt (331); de stelling der Schrift, dat in den mond van twee getuigen alle woord bestaat, werd in het wereldlijke recht opgenomen. Constantijn zag in de kerk een middel om de eenheid des rijks te verhoogen, en de kracht des rijks te versterken. Daartoe liet hij trotsche tempels bouwen in de residenties, en deed hij de inwijding der kerkgebouwen met groote pracht vieren. Eéne Christelijke kerk in den éénen Romeinschen staat was zijn ideaal. Om die reden moesten ook de Donatisten zich onderwerpen en worden teruggebracht tot den schoot der kerk.

De zonen van Constantijn zetten het werk huns vaders voort. In de jaren 341, 346 en 353 werden de heidensche offers verboden, en bevelen gegeven, dat de afgodentempels zouden worden afgebroken. De stelling van Lactantius, dat „de godsdienst niet mag worden opgedrongen”, geraakte in vergetelheid. De keizers traden zelf op in zaken van het kerkelijke leven. Hun wil werd aan de kerk opgedrongen. Zij beslisten in de godsdienstgeschillen. Het gevaar van de staatskerk trad in den Ariaanschen strijd duidelijk aan het licht. Onder keizer Julianus (361-363) kwam eene sterke reactie van de zijde des heidendoms, doch zijne opvolgers herstelden het werk van Constantijn, en vaardigden nieuwe decreten uit tegen het uitstervend heidendom. Gratianus (375-383) ontnam aan de heidensche priesters en aan de Vestaalsche maagden alle ondersteuning en voorrechten van den staat,

|151|

hij schrapte den oud-heidenschen eeretitel pontifex maximus (hooge­priester) en verwijderde uit de curie van den Romeinschen senaat het altaar der zegegodin. Onder Theodosius (379-395) werd de Christelijke kerk staatskerk. Reeds in 380 vaardigde hij een edict uit, dat het volk het orthodoxe geloof moest aannemen, waarvan Damascus in Rome en Petrus in Alexandrië waarborg en regel bezaten. De ketters mogen hunne vergaderplaatsen geen kerken noemen. Dit edict, waarmede de codex Justinianus1) aanvangt, is het program van Theodosius. In 381 ontnam hij aan hen, die tot het heidendom waren afgevallen, het testamentrecht, vernieuwde het verbod der offers en liet de tempels sluiten. In 392 werd de uitoefening van den heidenschen godsdienst als majesteitsschennis verboden. Op sommige plaatsen sloegen nu de Christenen de hand aan de heidensche tempels. Te Apamea werd met behulp van bisschop Marcellus de prachtige Zeustempel verbrand; in 389 werd de beroemde Serapistempel vernield; soldaten werkten op verschillende plaatsen mede aan de verwoesting van de tempels; in 394 werden de Olympische spelen voor het laatst gehouden. Toen Theodosius in 395 stierf, kon Ambrosius in zijne lijkrede zeggen, dat het Christendom niet alleen de politiek, maar ook de harten van de machtigsten op aarde gewonnen had.

Zoo was dan de kerk der martelaren staatskerk geworden. De kerk trad in de plaats van de oude sacra, de Christelijke godsdienst ver­ving den ouden staatscultus, de Christelijke priesters namen de plaats in van de heidensche priestercolleges. Maar nu eenmaal het huwelijk van de kerk met den staat voltrokken was, gaf de keizer wel be­scherming en verzorging, maar eischte ook voor zich op het bestuur over en het recht in de kerk. Constantijn was reeds hiermede be­gonnen. Hij noemde zich ἐπισκοπος κοινος, in het bijzonder των ἑκτὸς, waarmede wordt aangeduid, dat hij de regeering der kerk naar het uitwendige in zijne handen hield. De waarheid hiervan blijkt daaruit, dat hij de synode van Nicaea (325) samenriep2) en zelf de leiding der synode had3). Hij schreef aan Athanasius: „Wijl gij mijn wil kent, verleen allen, die in de kerk willen intreden, ongehinderd toegang. Maar wijl ik vernomen heb, dat gij sommigen verhinderd hebt tot de kerk te komen, of hun den toegang geweigerd hebt, zoo zal ik terstond een beambte zenden, die u op mijn bevel afzetten en naar een andere plaats brengen zal” 4). Overeenkomstig dit beginsel


1) Cunctos populos, quos clementiae nostrae regit temperamentum, in tali volumus religione versari, quam divinum Petrum apostolum tradidisse Romanis religio usque ad nunc ab ipso insinuata declarat. Cod. Theod. XV1, 1. Sozomenes VlI, 4. L. von Ranke, Welt­geschichte III, 1. S. 525 (1583). E. Loening, Gesch. d. deutschen Kirchenrechts I (1878), S.64f.
2) Euseb. Vita Constantini III, 6. Rutini, hist. eccl. I, 2.
3) Euseb. Vita Constantini III, 13. Hefele Conc. Gesch. I, 200.
4) Sozomenes, Hist. Eccl. II, 25. Die Kultur der Gegenwart I, IV, 1906, S. 157.

|152|

stelde de keizer naar zijnen wil bisschoppen aan en zette hen af, riep hij de synoden samen, verdaagde ze, of sloot en verhinderde ze. De oude Romeinsche staatsbeschouwing, dat het jus sacrum een deel is van het jus publicum, werd eenvoudig op de kerk toegepast. De monarch was immers verplicht voor het welzijn der onderdanen te zorgen, zou hij dan niet aan hun geestelijk welzijn denken? Daarom nam hij zelf deel aan de handelingen der synode, verleende aan hare besluiten rechtskracht, en nam allerlei beslissingen, die het leven der kerk raakten. „Wat de keizer wil, moet als regel gelden” zoo decreteerde Constantinus II in het jaar 355 1). De staatswetten regelden, wie al of niet tot de kerk mocht behooren, bepaalden den ouderdom en den stand der diaconessen, geboden den monniken het wonen in de woestijn, verboden den handel in reliquieën, verklaarden een bis­schop, die herdoopte, voor onwaardig2), ja, bij staatswet werd over het rechte geloof en over ketterij beslist3). Bij het bezetten van bis­dommen genoot de keizer het recht van medewerking, ’t zij dan in den vorm van voordracht of van bevestiging. Eveneens matigde de keizer zich aan het recht van toezicht op de kerkelijke gerechtshoven, of hij riep zelf eene vergadering bijeen voor zaken van appèl 4).

Volgens de wetten van Valentinianus III (425-455) werden de heidenen van de burgerlijke en militaire ambten uitgesloten, en konden alleen orthodoxe Christenen burgers des rijks in volle rechten zijn. De heerscher is verplicht, zoo sprak Augustinus, te zorgen, dat niemand zich tegen de kerk en de goddelijke geboden verzet, en de wereldlijke regeering moet gehoorzaam haar macht ter be­schikking stellen van de hiërarchische heilsinrichting, die de bezitster der waarheid is. De Christelijke staat kon niet anders dan intolerant zijn. Wel kwam er tegen deze beschouwing protest, maar slechts van de zijde van hen, die onderdrukt werden. Toen het hoofd van de Donatistische bisschoppen uitriep: „Wat heeft de keizer met de kerk te maken?” en toen Hilarius en Lucifer van Cagliari tegen de keizerlijke machtsoefening in de zaken der kerk protesteerden, en zelfs Constantijn als den Antichrist scholden, moesten zij van de andere bisschoppen hooren, dat de keizer niet anders deed dan wat zijn recht was, dat hij navolger was van David en Salomo, en dat de kerk was in den staat, en niet de staat in de kerk5). Doch


1) Dr Alb. Werminhoff, Gesch. der Kirchenverfassung Deutschlands im Mittelalter, Hannover I, 3,17. Constantius zeide op de synode van Milaan (355): Ὁπως ἐγὼ βούλομαι, τοῦτο κανὼν .... νομιζέθω.
2) Cod. Theod. XVI, 2, 2; IX, 17; XVI, 6.
3) Moeller-von Schubert, Lehrb. d. Kirchengeschichte 1902, I, 548.
4) Cod. Theod. XVI, 2. Loening, Gesch. d. deutschen Kirchenrechts I, 403.
5) C. Mirbt, Quellen zur Geschichte des Papsttums und des Röm. Kathol., 2e Aufl. 1901, S. 62.

|153|

merk­waardig is, dat de kerkelijke mannen dit slechts zoolang hebben erkend als de keizerlijke politiek hun beviel.

Groot was het offer, dat de kerk moest brengen. De ware katho­liciteit, haar geestelijk karakter en hare vrijheid ging teloor. Als deel van den staat werd de kerk eene politieke instelling. De Caesaro­papie heeft zich vooral in het Oosten ontwikkeld. De Synode van Constantinopel (448) begroette Theodosius II als koninklijk hooge­priester, en de Synode van Chalcedon (451) juichte Marcianus toe als den priesterkeizer, het licht van het orthodoxe geloof, de over­winnaar in de leeraar des den krijg en geloofs1). Deze gedachte is in de Oostersche kerk al meer ontwikkeld, zoodat de kerk ten volle onderworpen is aan de staatsmacht, en de heerscher in den staat zonder meer als heerscher in de kerk erkend wordt.

Tegen dit stelsel is weinig theoretisch bezwaar ingebracht. Augustinus evenwel heeft, in den tijd, toen het Romeinsche rijk verviel, en de Westersche Kerk toenam in aanzien en in kracht, in zijn boek „de civitate Dei”, de heerlijkheid der kerk hoog bezongen boven den staat. De kerk, zooals deze optreedt in het zichtbare, is het rijk Gods, en omdat er maar ééne kerk is, geldt alles wat in de H. Schrift van de kerk gezegd wordt, tenslotte van de empirische kerk. Al is bij Augustinus primair de civitas terrena, de gemeenschap der godde­loozen en verworpenen, de daemonen inbegrepen, en de civitas Dei de hemelsche gemeenschap van alle heiligen, toch stond voor hem vast, dat deze in de empirische kerk, en gene in den staat haren verschijningsvorm bezat. De periode na Christus, de geschiedenis der kerk, is het duizendjarig rijk (de civ. XX). Christus regeert slechts door zijne kerk, en hoewel Augustinus de consequentie van deze leer niet doorzag, noch deze gevolgtrekking maakte, heeft hij toch hierdoor de hiërarchie der kerk uitgestippeld. De voorgangers der kerk hebben de sleutelmacht, zij zijn de heiligen, die in het rijk zijn, en met Christus mogen heersen2). Het aardsche rijk heeft zijn oorsprong in de zonde, en moet daarom te gronde gaan en eindigen in de hel. De Romeinsche staat heeft nooit vrede gehad. Toch is er vrede op aarde noodig, en dezen vrede kan de kerk brengen. Daarom moeten de heerschers in den staat de kerk dienen, haar helpen tegen de ketters en de scheurmakers, opdat de goeden niet worden verleid, de wankelenden en de onwetenden worden bekeerd en de boozen worden bestraft. Door deze leer van de zichtbare heerschappij der


1) Hefele, Conc. Gesch. II. S. 476.
2) Aug. zeide in de Civ. Dei, 1. XV, 1: quas etiam mystice appellamus civitates duas, hoc est duas societates hominum, quarum est una, quae praedestinata est in aeternum regnare cum Deo; altera aeternum supplicium subire cum diabolo.

|154|

kerk over de wereld, kwam voor de eschatologische stemming, die vroeger de geesten bezielde, eene nieuwe beschouwing in de plaats, namelijk dat allen tot de kerk moesten behooren, en dat in de wereld­heerschappij der kerk Christus regeerde op aarde.

Bouwman, H. (1928) § 13

§ 13. De verdere ontwikkeling van het Roomsche primaat.

De rechtspositie, welke de kerk sedert Constantijn verkregen had, kwam tot uitdrukking in de verheffing van den geeste­lijken stand. De geestelijken ontvingen de immuniteit, d.i. vrij­stelling van lasten op de goederen, zooals vroeger de heidensche priesters en enkele bevoorrechte kringen genoten (munera sordida), en vrijstelling van munera civilia, diensten aan de gemeenschap. Voorts verkregen zij voorrechten in het strafproces, de erkenning van een eigen rechtbank voor de geestelijkheid (privilegium fori). Bleven de crimineele zaken aan het wereldlijke gericht, naast de kerkelijke tucht in engeren zin werden ook de burgerlijke geschillen van de geestelijken onder elkander aan de bisschoppelijke vier­schaar onderworpen. Ook werd aan de kerk het asylrecht toege­staan, dat den geestelijke in de gelegenheid stelde het voor den aange­klaagde, die in de kerk gevlucht was, op te nemen en vermindering of vrijstelling van straf te bewerken1). De vluchteling was door het ingaan in de kerk niet vrij van straf; in dien zin is het asylrecht nooit door kerkelijke of wereldlijke wetgeving erkend. Zelfs is, uit oorzaak van misbruik, deze gunst door keizer Theodosius in 398 opgeheven2).


1) Cod. Theod. 9, 45: Pateant summi Dei templa timentibus; nec sola altaria et oratorium templi circumjectum, quod ecclesias quadripartito intrinsecus parietum septo concludit, ad tuitionem confugientium sancimus esse proposita, sed usque ad extremas fores ecclesiae, quas oratum gestiens populus primas ingreditur, confu­gientibus aram salutis esse praecipimus, ut inter templum, quod parietum descripsi­mus cinctu, et post loca publica jannas primas ecclesiae quidquid fuerit interjacens sive in cellulis sive in domibus, hortulis, balneis, areis atque porticibus. confugas interioris templi vice tueatur. Nec in extrahendos eos conetur quisquam sacrilegas manus immittere, ne qui hoc ausus sit, cum discrimen suum videat, ad expectendam opem ipse quoque confugiat. Hanc autem spatii latitudinem ideo indulgemus, ne in ipso Dei templo et sacrosanctis altaribus confugientium quemquam manere vel vescere cubare vel pernoctare liceat: ipsis hoc clericis religionis causa vetantibus, ipsis, qui confugiant, pietatis ratione servantibus.
2) Hinschius, Das Kirchenrecht IV. 380.

|155|

De kerk werd een macht ook in het maatschappelijke leven. Vroeger, vóór Constantijn, had de kerk ook reeds vermogen bezeten. Sedert het einde van de tweede eeuw had zij als begrafenis- en armen­vereeniging, als corporatie, grondbezit, had zij middelen bezeten voor het onderhoud van de kerkgebouwen, voor de verzorging van de ambtsdragers en van de armen, voor het aanleggen en onderhouden van kerkelijke begraafplaatsen1). Maar na de overwinning vloeiden de inkomsten ruimer, en schonk de overheid voorrechten en bezittingen. De kerk ontving het recht legaten aan te nemen. Hadden Valentinianus I en Theodosius I ter oorzake van misbruiken, deze rechten beperkt, keizer Marcianus hief deze beperkingen weder op (455), terwijl Theodosius II aan de geestelijkheid het volle beschik­kingsrecht over hare nalatenschap ontnam, en aan de kerk het recht gaf als erfgename op te treden, wanneer geestelijken zonder naaste verwanten stierven. Ook gaf hij in 434 aan kerken en kloosters het erfrecht van de goederen der clerici en der monniken, wanneer deze zonder verwanten en zonder testament gestorven waren, voorts ver­meerderde de rijkdom der kerk nog, doordat zij de goederen van de heidensche tempels, toen deze werden opgeheven, in eigendom ont­ving. De rijkdom der kerk werd zoo groot, dat de regeering in het West-Romeinsche rijk zich verplicht zag de vrijheid van de grond­lasten weder op te heffen (423), doch zij gaf daarvoor uit de staats­kas gelden voor den bouw der kerken in de plaats.

Als eigenares werd beschouwd de gemeente, en speciaal de bisschops­gemeente, met hare kerspelen in de stad en op het land2). De bisschop beheerde de goederen. De clerus ontving, naar den regel, dat zij, die het altaar dienen, ook van het altaar leven, hunne verzorging uit de kerkelijke goederen3). Evenwel, omdat sommige bisschoppen de goederen niet naar behooren beheerden, en op ongeoorloofde wijze met het kerkegoed handel dreven of door woeker zich zochten te verrijken4), werd vanuit Rome door bisschop Simplicius (468-483) in 475 bepaald, en als recht in de kerk ingevoerd, dat uit de kerkelijke inkomsten de bisschop en de geestelijkheid elk ¼ deel ontving, dat de armen ¼ deel moesten ontvangen en dat voor het onderhoud van de gebouwen en voor den cultus (fabrica ecclesiae) ook ¼ deel moest worden afgezonderd.

Slechts mannen, vrijen en vrijgelatene slaven, konden in den geestelijken stand opgenomen worden. Om gewijd te kunnen worden,


1) Moeller-von Schubert, Lehrbuch d. Kirchengeschichte I 235, 374, 694; J.B. Braun, Ueber d. Kirchl. Vermögen, Giessen 1860; Grashof, Archiv f. Kath. Kirchenrecht, 1876, 53.
2) W.H. de Savornin Lohman, De kerkgebouwen van de Ger. kerk in Nederland, bl. 99.
3) Can. ap. 41.
4) Loening, Gesch. d. deutsch. Kirchenrechts I, S. 248. Moeller-v. Schubert, Lehrb. d. Kirchengesch. I, 697.

|156|

werd vereischt, dat iemand zonder lichaamsgebreken was1) den leeftijd van 30 jaren had bereikt en onberispelijk was van levenswandel. Vrouwen werden uitdrukkelijk uitgesloten2). Ook moest hij gedoopt zijn, en een beproefd Christen3). De eisch van het ascetische ideaal werd al meer gesteld. Het ambt eischte een hooge zedelijkheid. De ongehuwde staat werd in het Westen voor de hoogere geestelijkheid als de regel verkondigd, en aan de lagere geestelijkheid aanbevolen. Niemand werd in den geestelijken stand opgenomen, die voor de tweede maal was gehuwd of die met eene weduwe was getrouwd. Het klooster gold als de beste voorbereiding voor het priesterambt. Bijzondere wetenschappelijke opleiding werd niet vereischt, maar de niet-ontwikkelden (inscii litterarum) werden door Rome van den clerus uitgesloten. De opneming in den geestelijken stand geschiedde, na de onderzoeking, door de ordening, die door Augustinus met den doop op ééne lijn gesteld werd. Zij draagt een onvernietigbaar karakter. Maar daardoor werd de geestelijke stand hoog boven de leken verheven4). De verheffing van de kerk in rijkdom, in aanzien en in macht kwam vooral ten goede aan de bisschoppelijke monarchie. De bisschop beheerde het vermogen der kerk en was rechter. Niet alleen de leeken, maar ook de clerici waren van hem afhankelijk. Hij wordt in de Constitutiones apostolicae (VI, 20, 26 en elders) genoemd: δεσπότης (heer), ἀρχιερεύς (hoogepriester), διδάσκαλος εὐσεβείας (leeraar der godsvrucht), ἀρχὼν τοῦ λαοῦ (leidsman des volks), onze „aardsche God”.

Door het streven naar eenheid werden de landbisschoppen (chore­piscopi) geheel aan den stadsbisschop onderworpen. In het Oosten en in N. Afrika bleven de landbisschoppen langen tijd zelfstandig bestaan, doch in de vierde eeuw werden talrijke synodale besluiten genomen, waardoor zij tot bisschoppen van den tweeden rang werden verlaagd5). Zij zijn navolgers der 70 discipelen, zoo heet het, niet der 12 apostelen. De synode van Sardicae6) wil in een dorp of een kleine stad geen bisschop aanstellen, opdat de naam en het aanzien van een bisschop niet vermindere, en de synode van Laodicea (363) wil ze vervangen door visitatores, die zonder den wil van den bisschop niets doen7). Dit


1) Can. ap. 77; syn. v. Rome 465, can. 3; c. 49, syn. v. Carthago (397). Werminghoff, Gesch. der Kirchenverf. Deutschlands I, 19.
2) Can. 2, syn. Nimes 394; can. 44, syn. Laodicea.
3) Can. 2, syn. v. Nic, can. ap. 80. Enkele uitzonderingen, o.a. in het geval van Ambrosius van Milaan en Nectarius van Constantinopel, kwamen voor.
4) Reeds Kallistus had (217) het character indelebilis der ordening geleerd. En Augustinus schreef: Utrumque sacramentum est et quadam consecratione utrumque, homini datur, illud cum baptizatur, istud cum ordinatur, Contra Parm. II 28.
5) Hinschius, Das Kirchenrecht II 162 f. Hefele, Conc. Gesch. I, 502 f.
6) Can 6.
7) Can. 57 syn. Laodicea (363): „Dat in de dorpen en op het land geen bisschoppen aangesteld moeten worden, maar visitatores (περιοδευταί); zij die reeds aangesteld zijn moeten niets doen zonder toestemming van den bisschop in de stad, evenals ook de presbyters niets mogen doen zonder toestemming van den bisschop”.

|157|

beantwoordde aan de politieke administratie, die zelfstandige land­districten niet kende1). Dit was tevens een noodzakelijk gevolg van het beginsel van Cyprianus, dat de kerk gegrond is op den bisschop, en dat de kerk in den bisschop begrepen is. Door den bisschop plant zich, sedert de apostelen, het charisma veritatis, de H. Geest in de kerk voort, en vervult de wereld. Door zijne wijding alleen kan iemand in den clerus worden opgenomen. De clerici waren de beambten van den bisschop, altijd en overal aan het opzicht en het recht van den bisschop onderworpen. Hoe grooter het getal was, hoe meer de macht en het aanzien van den bisschop uitkwam.

Het presbyterium, samengesteld uit presbyters en diakenen, vormden den raad van den bisschop. Onder leiding van den bisschop hadden zij het recht over heel de gemeente en de goederen der gemeente2). De presbyters waren priesters, die de sacramenten mochten bedienen, en met den bisschop samenkwamen in de rechtszittingen. De bisschop was echter de priester bij uitnemendheid. Zonder hem mochten de presbyters niets doen3). De diakenen stonden den bisschop onmiddellijk ter zijde. Hun aantal werd in den regel gesteld op zeven, zooals de synode van Neo-Caesarea (314)4) nog uitdrukkelijk uitspreekt. Evenwel werd later met het oog op de uitbreiding van de werkzaamheden des bisschops hun aantal vermeerderd.

In de vierde eeuw kwam op het ambt van archidiaken, die door den bisschop uit het getal der diakenen gekozen werd, en die aan het hoofd stond van al de ambtsdragers beneden den rang van diaken. Dit ambt wortelt, zooals Leder zegt5), in dat van den oeconoom der gemeente. De synode van Chalcedon, can. 26, had uitgesproken, dat voor het beheer der goederen in elke gemeente een oeconomus noodig was, die onder den bisschop het beheer der goederen in zijn hand had, en die gewoonlijk uit de presbyters gekozen werd. De archidiaken werd langzamerhand de naaste van den bisschop (ecclesiasticis negotiis praepositus), plaatsvervanger van den bisschop, als deze ziek was, of als de zetel vacant was. Hij stond in zijne waardigheid beneden de presbyters, maar rees langzamerhand in beteekenis hooger. Iets later ontstond het ambt van archipresbyter of protopresbyter, die den bisschop verving als deze afwezig was6).

De lagere clerus nam, bij de uitbreiding van de kerk en den kerke­dienst, toe in aantal. Het subdiaconaat en het lectoraat werd, en zoowel


1) Moeller-von Schubert. Lehrb. d. Kirchengeschichte I, 700.
2) Can. 24 syn. Antiochië (341), cf. can. ap. 40b.
3) Loening, Gesch. d. deutschen Kirchenrechts I, 157 f. can. 9 syn. Carthago (390).
4) Can. 15. De diakenen stonden in eer en rang achter bij de presbyters, can. 18, syn. Nicea (325).
5) Leder, Die Diakone der Bischöfe und Presbyter, S. 300.
6) Die Religion in Geschichte und Gegenwart, Tübingen, 1909, Art. Beamte.

|158|

in het Oosten als in het Westen, beschouwd als noodzakelijke typen van de lagere ambten, en als trappen tot hoogere wijding. De sub­diaken of hypodiaken (ὑπηρέτης) stond den priester bij in de uitdee­ling van het avondmaal, doordat hij de tafel bereidde, zorgde voor de gereedschappen van het altaar, en het water, noodig voor het wasschen der handen, voor het altaar aanreikte. In de 4e eeuw was hij reeds overal in het Oosten, en tot de twaalfde eeuw werd hij tot de lagere ambten gerekend1).

Van beteekenis was ook de vrouwelijke diaconie. Reeds in den apostolischen tijd waren er helpsters. In den brief van Plinius aan Trajanus wordt gesproken van duae ancillae, quae ministrae dice­bantur. De Didascalia c. 19, 12, 16 noemt een diacones, die van de weduwe onderscheiden wordt. Haar werk was de dienst bij de krankenverzorging en bij den doop, terwijl tevens haar was opge­dragen het toezicht over de vrouwen bij de godsdienstoefening. In het Oosten bestond een vrouwelijke dienst, die van de weduwe, die ook presbyterialen arbeid verrichtte2). In de Oostersche kerk is het ambt van diacones lang gebleven als hulpdienst bij den doop der vrouwen, maar in den loop van den tijd is het ook daar verdwenen, zoodat deze dienst in de twaalfde eeuw slechts als een vroeger bestaan hebbend instituut wordt vermeld3).

De bisschop zetelde als een vorst op zijnen troon, omgeven door eene breede schare van beambten, die als een lijfwacht hem om­stuwde en zijnen wil volbracht. Allerlei werkzaamheden leidden tot nieuwe ambten: schatmeesters, notarissen, archivarissen, secretarissen, juridische raadslieden, enz. Tot bisschop werden gekozen mannen, die al de geestelijke rangen hadden doorloopen, doch in enkele ge­vallen, zooals Ambrosius, Nectarius en Synesius, werden ook leeken gekozen. Met voorliefde koos men mannen, die door geboorte of door hun persoon en ambt reeds aanzien bezaten. Zoodra een bisschop gestorven was, trad weder iets van den oorspronkelijken toestand in, namelijk het recht van de leden der gemeente, om bij de keuze samen te werken met het ambt.

In de periode tusschen 381-451 ontwikkelden zich vooral de drie groote patriarchaten. Door de verplaatsing van het hof naar Con­stantinopel kreeg deze stad tegenover Rome en Alexandrië grooten invloed. Naast de metropolen kwamen de bovenmetropolen; in het


1) Zie verder bl. 30.
2) Moeller-von Schubert, Lehrbuch d. Kirchengeschichte I, 372. Uhlhorn, Die christl. Liebesthätigkeit I 168, 403.
3) Comm. van Balsamon op can. 15 van het 4e algemeene Concilie (Ath. syn. II, 255). Milasch, Kirchenrecht d. morg. Kirche S. 259.

|159|

Westen: Rome voor Italië, Carthago voor N. Africa; in het Oosten Alexandrië voor de drie Egyptische provinciën, Antiochië voor Syrië, Efeze voor Klein-Azië, Neo-Caesarea voor Pontus, Heraclea voor Thracië. De nieuwe indeeling des rijks door Diocletianus in vier praefecturen Oriens met de diocesen1): Oriens, Aegypte, Syrië, Arabië, en Syrië met Antiochië, Pontus met Neo-Caesarea, Azië met Efeze, Thracië met Heraclea als hoofdstad; de praefectuur Illyrië met de diocesen Moesië, de Grieksche provincie Zuid-Westen van den Donau, en West-Thracië met Macedonië en Griekenland met Sirmium als hoofd­stad; de praefectuur Italië met Pannonië, Italië en N. Africa, en de praefectuur Gallië met de diocesen Gallië, Brittanje en Spanje. Nu hadden Efeze, Neo-Caesarea en Heraclea geen groote beteekenis voor het kerkelijke leven, maar de invloed van Alexandrië, van Antiochië en van Rome was van oude tijden groot. Constantinopel evenwel kreeg als residentie des keizers al meer beteekenis. Antiochië kwam al meer in ongunstige positie, en Alexandrië moest na den val van bisschop Dioscuros (451) het afleggen tegen Constantinopel, wiens bisschop den titel van oecumenisch patriarch scheen te kunnen voeren en het primaat der kerk meende te zullen ontvangen. Doch Rome stond altoos Constantinopel in den weg, zoodat Constantinopel zich moest vergenoegen met den eererang onmiddellijk na Rome2). In het Westen ontwikkelde Carthago steeds grooter macht, maar sedert zijn verovering door de Vandalen (427), breidde Rome haar macht ook uit over Noord-Africa. Ook verwierf Rome de leiding in Gallië, en straks ook in Spanje en Illyrië.

In de vierde eeuw waren de bisschoppen van Rome tegenover de keizerlijke macht op den achtergrond getreden, doch de afhankelijk­heid der kerk van den staat prikkelde de zucht naar de bevrijding van de wereldlijke oppermacht. Daarbij kwam de toestand van het rijk. De verplaatsing van den zetel der regeering van Rome naar Byzantium bewerkte allereerst, dat de Oostersche kerk steeds meer onder de macht der overheid kwam, maar tevens, dat Rome, ver van het hof, zijn vrijheid beter kon handhaven, en in de tweede plaats, dat het volk, in de stormen der volksverhuizing, die het rijk deden schudden, vol bewondering over den glans van het Roomsche hof, steun zocht bij den opperbisschop van het Westen, en hem gaarne als zijn beschermer en leidsman erkende. En Rome, steunend


1) Diocese van διοικέω = besturen, inrichten. διοικήσις = bestuursinrichting, staatshuishouding van eene provincie.
2) Can. 28 Conc. Chaldecon bepaalde, dat de bisschop van Nieuw-Rome denzelfden rang had als die van Oud-Rome, slechts ééne schrede achter hem (δευτέραν μετ᾽ ἐκεὶνην ὑπαρχοῦσαν).

|160|

op de oude traditie, dat het was de zetel van Petrus, bewaarderes der apostolische overlevering en verdedigster van de zuivere waarheid, gebruik makend van de eereplaats als de hoofdstad des rijks maakte er aanspraak op, dat in haar zichtbaar de macht van de kerk moest culmineeren en dat alle machthebbers der wereld zich voor de cathedra Petri moesten buigen.

De bisschoppen van Rome: Damasus (366-384), Siricius (384-399 Anastasius (399-401), Innocentius I (401-417), Zosimus (417-418 Bonifacius I (418-432), Sixtus III (432-440) en Leo I (440-461) lieten geen gelegenheid ongebruikt, om hun oppermacht tot uitdrukking te brengen. Vooral Leo had grooten invloed. Hij heeft voor het eerst een afgeronde theorie van Rome’s primaat gegeven. Hij grondde zijn theorie op Matth. 16: 18 1). De rots Petrus is als loon op zijn geloof onmiddellijk verbonden met den hoeksteen Christus. Wie zich van hem verwijdert of zijne vastigheid of waardigheid bestrijdt, heeft geen deel aan de goddelijke mysteriën, en stoot zich zelf in de diepte. In Matth. 16 is Petrus’ hooge gerichtsambt ingesteld, als de portier des hemels, in Joh. 20: 15 ontvangt hij het opzicht en het bestuurder kerk, en in Luc. 22: 31, met de verzekering van het onwankelbare geloof, het hoogste leerambt. De andere apostelen hebben slechts door Petrus aandeel aan Christus. Hij is de vorst der apostelen, de middelaar des heils, evenals Christus het was voor hem2). De verloochening van Petrus had slechts ten doel, dat aan hem het remedium humilitatis kon bevestigd worden. Zoo is hij het hoofd der geheele kerk (princeps totius ecclesiae), die Christus principaliter, Petrus propri regeert. Versterkt werd deze gedachte door de fictie, dat Petrus in de stad, die het hoofd van de volken, van de duisternis en de dwaling geweest is, en daarna de burcht van het licht der waarheid is geworden, 25 jaren bisschop geweest is. Daardoor bezit Rome’s bisschop de volkomene regeermacht over de kerk, in dien zin als Petrus haar bezat, het primatum ordinis3).

In Gregorius den Groote (590-604), den laatsten kerkvader, den eersten paus, een achtbaar geleerde en een streng asceet, werd deze gedachte: Rome, de erfgenaam van het Romeinsche rijk, Rome de heilige stad, Rome’s paus de machtige en onfeilbare vader der kerk belichaamd. De pauselijke macht en invloed breidde zich door hem


1) ep. 10. Rede 2-4.
2) serm. 4, 1-3.
3) Leo zegt, dat dit reeds door de synode van Nicaea (325) erkend was. Zeker is het dat in sommige Latijnsche vertalingen can. 6 van Nicaea begint met de woorden Ecclesia Romana semper habuit Primatum, welke vertaling reeds vóór 445 bestond en welke de Roomsche legaat Paschasius in de 16e zitting aan de synode van Chalcedon voorlas. Maar Hefele zegt: Conc. Gesch. I 402), dat Paschasius volstrekt niet het primaat van Rome bewijzen wilde, en de Jezuiet Ballerini maakt in de uitgave van Leo’s werken waarschijnlijk, dat hier in de acten van Chalcedon een interpolatie is.

|161|

uit naar Brittanje en Duitschland, waar men nu, evenals in bijna heel het Westen, den paus als plaatsvervanger van Christus erkende.

Bouwman, H. (1928) § 14

§ 14. De organisatie in het Frankische rijk.

De Christelijke kerk werd reeds vroeg in Gallië en Germanië geplant. In Gallië ontmoeten wij voor het eerst een kerkelijk leven onder Marcus Aurelius, toen in 177 een bloedige ver­volging te Lyon en te Vienne plaats greep. Van uit Zuid-Gallië heeft zich, mede door den invloed van Romeinsche soldaten en beambten, van Syrische, Grieksche en Romeinsche handelaren en van Oostersche slaven, het Christendom over de geheele provincie tot aan de grenzen des rijks uitgebreid. In de dagen van Irenaeus (plm. 180) waren er ook reeds Christelijke gemeenten in Germanië. De invloeden van de Romeinsche en de Grieksche cultuur waren hier merkbaar. Het waren slechts weinige en kleine gemeenten. Het taalverschil was niet bevorderlijk voor de uitbreiding der kerk. De kleine Christenge­meenten bedienden zich eerst veelal van de Latijnsche taal, en dit was een beletsel voor den overgang der inlandsche bevolking, die taai vasthield aan haren nationalen godsdienst en hare gewoonten.

Met Constantijn’s overgang tot het Christendom kwam er in Gallië en in de Rijnstreken een ommekeer. Het Christendom werd de be­gunstigde, straks de staatsgodsdienst. De Christelijke staatscultus kwam in de plaats van den heidenschen, en daardoor werd de massale overgang bevorderd. De elite der bevolking bleef nog lang vast­houden aan het heidendom, doch in het begin van de 5de eeuw kreeg de kerk de leiding. De wisselende toestanden, tengevolge van de volksverhuizing, en de strijd tegen het Arianisme en het Priscillia­nisme waren voor de kerk niet gunstig, en dat de kerk door den inwendigen strijd en het geestelijk-zedelijk verval niet ten gronde ging, dankt zij, onder het bestel des Heeren, voor een groot deel aan hare organisatie.

De Bourgondiërs waren de eersten van de Germaansche stammen, die zich aansloten bij de Katholieke kerk. Zij vestigden zich sedert 443 in Zuid-Frankrijk aan weerszijden van de Rhône, en namen de beschaving en den godsdienst der Gothen aan. De Franken maakten

|162|

spoedig daarop een einde aan de Romeinsche heerschappij. Chlodowech veroverde Gallië tot aan de Loire. Hij liet de sociale toestanden onveranderd, alleen kregen de Franken, die gingen wonen temidden van de oude bevolking, de leiding. De doop van Chlodowech in 496 had gewichtige gevolgen. Waren de Germanen over het algemeen Ariaansch of Heidensch, met den overgang van Chlodowech ging ook zijn volk over tot de kerk, en was de heerschappij van de Katholieke kerk verzekerd. In den zomer van zijn doodsjaar (511) riep de koning de bisschoppen van zijn land samen tot de eerste Frankische rijkssynode te Orléans, om orde en tucht in de kerk te bevorderen.

Met de verovering van Gallië ging de Romeinsche cultuur over in het bezit van het Frankische rijk. De clerus werd draagster van de oude cultuur, de band tusschen het verleden en het heden. Verhoogd werd de invloed der bisschoppen, doordat zij van de overheid en ook van de leden der kerk rijke schenkingen voor de kerk ontvingen. De eigenares van de goederen der diocese was de bisschoppelijke kerk. De bisschop was de beheerder der goederen en was aan niemand verantwoording van zijn beheer schuldig1). Door het ontstaan der parochiale kerken werd zijn macht beperkt, doordat het als recht gold, dat, wat aan de parochie gegeven werd, ook het eigen bezit der parochie bleef. Evenwel had de bisschop het opzicht over het bestuur van de goederen der parochiekerken en een aandeel in hare inkomsten2). De macht van den bisschop over den clerus was bijna onbeperkt. De keuze van den bisschop behoorde bij den clerus en de gemeente, in tegenwoordigheid van den metropoliet, die de leiding der verkiezing had en den gekozene moest wijden.

De overheid nam eene vriendelijke houding aan jegens de kerk maar ging uit van het beginsel, dat de kerk aan den staat ondergeschikt was. De synode van Orléans, door den koning bijeengeroepen, hoopte op de goedkeuring van hare besluiten door den koning3). De intrede in den clerus was gebonden aan de goedkeuring des konings. De synode oordeelde wel over de zonden der wereldlijke grooten, maar de koninklijke rechtbank hield de straf aan zich De Romeinsche beschouwing, dat de kerk onderworpen was aan de overheid, leefde in het Frankische rijk voort. Gregorius van Tours en Remigius van Rheims oordeelden, dat David en Salomo voorbeelden der Frankische koningen waren4). Wel moest de koning het welzijn der kerk zoeken, maar hij handelde toch in de zaken der kerk en de


1) Syn. v. Orleans 511, c. 15, cf. Hauck, Kirchengeschichte Deutschlands I. 141.
2) Syn. v. Orleans 538, c. 26; 541, c. 11.
3) Hefele, Concil. Gesch. II. 661, Mansi T. VIII. 350.
4) Hauck, Kirchengesch. Deutschlands I. 150.

|163|

benoeming der bisschoppen naar zijn welgevallen. Toen de synode van Orléans in 533 opkwam voor de rechten der kerk, zich verzette tegen de simonie2), en bepaalde, dat de bisschop door de gemeente en den clerus moest worden gekozen, dacht de koning er niet aan zich te voegen naar de besluiten der kerk, en de vijfde synode van Orléans (549) was genoodzaakt eene schikking van den koning te verkrijgen, door uit te spreken, dat de keuze van den bisschop is bij de gemeente, maar dat de koninklijke goedkeuring noodig is.

Nadat het Bourgondische rijk aan de Franken onderworpen was (534), kwam er eene betrekking tusschen Rome en de Frankische koningen tot stand, en gaf de paus aan Caesarius van Arles de op­dracht als pauselijk vicarius op te treden, maar de invloed van Rome op de Frankische kerk was meer in naam dan in de daad, en na paus Gregorius den Groote hield het verkeer tusschen Rome en de Frankische kerk geheel op. Na den dood van Dagobert (639) was het Frankische rijk ten prooi aan innerlijke verdeeldheid en kwam het kerkelijke leven in diep verval. De koningen, ook Karel Martel, deden niets voor het herstel der kerk, en beschouwden de zaken der kerk van uit het standpunt der politiek. Verbetering van den toestand der kerk kwam onder Karloman en Pepijn, mede door de bemoeiing van Bonifacius. Pepijn trachtte de Frankische kerk naar het voorbeeld van Rome om te vormen, maar de paus nam niet een werkzaam aandeel aan de regeering der kerk, de koning beschikte zelfstandig over kerkelijke zaken2).

Onder Karel den Groote werd de Frankische landskerk de rijks­kerk. Karel zwaaide den schepter over bijna geheel de Westersche Christenheid, en hij zelf beschouwde zich, evenals Constantijn vroeger, als de regeerder zoowel van de kerk als van den staat. De oud-­Germaansche verbinding van cultus en staat, de nauwe band tusschen het geestelijke en het wereldlijke bij de Angelsaksen, die door Boni­facius invloed hadden geoefend in het Frankische rijk, en de goddelijke legitimeering van zijn koningschap en zijne dynastie door de kerk, en speciaal door den paus, werkten samen tot de theocratische be­schouwing, welke Karel had over zijn ambt3).

De kroning van Karel tot keizer was de sluitsteen der langdurige ontwikkeling van het proces, dat met Chlodowech begonnen was. De


1) Si quis sacerdotium per pecuniae nundinum exaecrabile ambitione quesierit, ana­thema sit, c. 4.
2) De zoogenoemde Donatio Constantini, waarin gezegd wordt, dat Constantijn de Groote aan den paus de heerschappij over Midden-Italië heeft gegeven, is een valsche oorkonde. Hauck, Kirchengeschichte Deutschlands, II, 10-47.
3) A. Werminghoff, Verfassungsgeschichte der Deutschen Kirche im Mittelalter, 1913, S. 29. A. Hauck, Kirchengeschichte Deutschlands 1912, II, S. 71 f. H. v. Schubert, Gesch. d. christl. Kirche im Frühmittelalter, 1917, I, S. 346 f.

|164|

paus zette den koning de keizerskroon op het hoofd, het volk jubelde hem tegemoet als „den door God gekroonden keizer Karel Augustus”, en paus Leo zelf bracht, naar Byzantisch ceremoniëel, knielend adora­tie. Hiermee had de paus zich verklaard een onderdaan van den keizer te zijn. Het is dan ook niet waar, zooals Duynstee zegt1), dat de paus een onafhankelijke positie ontving in het geestelijke, want er was, zooals Hauck terecht opmerkt2), voor een souvereinen paus geen plaats. Zelfs dateerde de paus zijne oorkonden naar de jaren van den keizer, „onzen Heer, den vromen Karel” 3). Evenwel had Karel eerbied voor den paus. De paus was vertegenwoordiger van de Apostolische traditie. Het pause­lijk woord was in menig opzicht voor hem beslissend. De ordo Romanus moest overal in het rijk gevolgd worden. Maar Karel zelf regeerde de kerk. De pauselijke decretalen achtte hij wel hoog, maar niet beslis­send. Hij regeerde de kerk, zooals hij den staat regeerde. Zelfs de syno­den legden hem hare besluiten voor4). Alcuin noemt5) hem: Dilectis­sime ecclesiarum Christi defensor et rector, terwijl de paus, volgens Alcuin, heerscht door leer en vermaning, en als zoodanig drager der sleutelmacht is, en representant der goddelijke genade op aarde. De rijkssynoden waren niet vrije organen van de kerk, maar op de synoden kwamen de bisschoppen samen in tegenwoordigheid van den koning, en de besluiten kwamen tot stand met toestemming des konings. De synoden droegen het karakter van concilia mixta. Eerst door de keizerlijke goedkeuring ontvingen de synodale besluiten kracht6). Over de kerkelijke goederen, die onder Karel’s regeering zeer vermeerderden beschikte Karel bijna zoo, alsof het koninklijke goederen waren. Hij nam het geheele bezit van het bisdom Rheims in eigen beheer7), ontnam aan den bisschop van Trier het grootste deel van diens inkomsten en gaf deze aan den graaf. Zoo handelde hij op vele plaatsen vrij met de kerkelijke goederen, om deze ten nutte van den staat aan te wenden.

De kerkelijke wetgeving van Karel sloot zich bij den bestaanden toestand aan. Hij erkende het canonieke recht, inzoover het niet in conflict kwam met de macht des konings en de wetten des volks. Geheel het kerkelijke leven werd nu georganiseerd. De aartsbisschoppelijke


1) Kerk en Staat, Leiden, bl. 69.
2) Kirchengesch. Deutschlands II. 113.
3) Imperante domino nostro Carolo piissimo perpetuo Augusto a Deo coronato.
4) De verhouding van de koninklijke tot de pauselijke macht bepaalde hij in het volgende schrijven aan Leo III: „Onze taak is het, met Gods hulp de heilige kerk van Christus naar buiten tegen de aanvallen der heidenen en de verwoesting door de ongeloovigen met wapenen te verdedigen, en naar binnen door de erkenning van het katholieke geloof te bevestigen. Uw taak is het, als Mozes met opgeheven handen onzen krijgsdienst te ondersteunen, opdat het christelijke volk, dank zij uwe voorbede door God geleid en toegerust, steeds en overal de zege over de vijanden zijns naams hebbe”; Alcuin ep. 93, S. 137. Hauck, K.G. II. 116.
5) ep. 136, 209.
6) Hinschius, Kirchenrecht III. 519 f. Werminghoff, Verfassungsgeschichte S. 54.
7) Flodoard, hist. Rem. eccl. II. 19, M.G. scr. XIII, 469 ss. Hauck, K.G. II. 229.

|165|

inrichting door Pepijn, voor het westen des rijks begonnen, werd hernieuwd en voltooid. Behalve 6 Italiaansche werden er 12 West­Frankische aartsbisdommen ingesteld: Sens, Rouen, Rheims, Bourges, Tours, Lyon, Vienne, Arles, Besançon, Bordeaux, Tarantaise en Embrun, en 5 Duitsche: Keulen met de bisdommen Utrecht, Luik, Minden en Münster; Mainz met de bisdommen van N.O. Saksen: Paderborn, Verden, Halberstadt; van Oost-Franken: Worms, Spiers, Würzburg, Eichstädt, en van Alamanië: Augsburg, Constanz, Bazel; Trier met de austrasische bisdommen: Metz, Toul en Verdun; Salzburg met de bisdommen in Beieren: Passau, Regensburg, Salzburg, Freising en Seben. Ook werden provinciale synoden ingevoerd, welke onder de leiding van den metropoliet tweemaal in het jaar zouden vergaderen. Voorts werd geregeld de verhouding van de pastoors tot de bisdommen, terwijl voor het toezicht op het kerkelijke leven geregeld visitaties werden gehouden. Een duidelijk beeld van zulk een visitatie is nog over van de hand van een bisschop uit Beieren in dien tijd. Priesters, monniken en leeken zijn in de kerk vergaderd. De bisschop richt zich eerst tot de priesters, ondervraagt hen naar het geloof, onderzoekt of zij het symbool, het Onze Vader, de kerkelijke wetten en het poenitentiale recht verstaan en hoe zij de godsdienstige handelingen, de mis, de doop en de prediking verrichten. Dan wordt een onderzoek ingesteld naar de regelen der kanunniken en der monniken. Tenslotte worden de leeken ondervraagd, of zij de wetten recht verstaan, en worden zij vermaand hunne kinderen te onderwijzen1). Karel achtte deze visitaties van zulk een gewicht, dat hij den visitator de hulp van den graaf toezegde. Hier is de oorsprong van het sendgericht.

Karel beoogde de geestelijke verheffing van zijn volk en trachtte daarom ook het innerlijke leven der kerk, de prediking, de opleiding der geestelijken, en het schoolonderwijs te bevorderen. De Frankische rijkskerk was voor hem de vernieuwing of de voortzetting van de katholieke kerk in het Romeinsche rijk. Hij zelf had de opperste leiding in alle zaken van kerk en staat, van leer en leven.

Met den dood van Karel den Groote nam de eenheid van de Frankische rijkskerk en de krachtige houding van den keizer tegen den paus, een einde. Onder Lodewijk den Vrome begon de paus zich terstond te emancipeeren en begonnen de oude kerkelijke idealen van de heerschappij der pausen over de geheele kerk te herleven. Een deel der geestelijkheid ging terstond met deze beschouwingen mede. Toen de eenheid des rijks bij het verdrag van Verdun (843) viel, won de eenheid der kerk. De autoriteit van den paus werd


1) Hauck, Kirchengeschichte Deutschlands II. 248. Königer, Arch. f. Kathol. Kirchen­recht, 1907, S. 394.

|166|

grooter, nu zij aan geen landgrenzen gebonden was. Als getuigen voor het bestaan der kerkelijke partij, die den invloed van de staats­macht op de kerk wilde terzijde stellen, zijn er drie rechtsbronnen de zoogenaamde capita Angilrami, de capitula van Benedictus Levita, en de Pseudo-Isidorische decretalen. De vervaardigers van deze ge­schriften zijn onbekend, maar de kring, waarin zij ontstonden, is de streng kerkelijke partij, die onder de regeering van Lodewijk den Vrome zich vormde, en die bedoelde de onafhankelijkheid der kerk van den staat.

De capita Angilrami worden genoemd naar Angilram, bisschop van Metz sedert 768, en abt van het klooster te Sens. Op zijn naam is gesteld een kleine verzameling van decretaliën, die in de meeste handschriften van Pseudo-Isidorus nu eens in 71, dan in 72, dan weer in 80 capita gevonden wordt. Het doel dezer capita is de aanklachten tegen de bisschoppen zoo moeilijk mogelijk te maken, en het oordeel over hen uitsluitend in handen te stellen van de geestelijke rechtbank. Dit was in overeenstemming met het streven van het Frankische episcopaat, dat op de synode van Aken, 836, van den keizer vroeg, dat aanklachten tegen bisschoppen voor de synode moesten gebracht en door haar beslist worden. Ongetwijfeld zijn deze capita ver­valschingen, die overeenkomen met de capitula van Levita en met Pseudo-Isidorus, en waarschijnlijk door denzelfden schrijver of ten­minste in denzelfden kring zijn vervaardigd1), tegen het midden van de negende eeuw.

De capitula van Benedictus Levita worden genoemd naar een Frankisch geestelijke, die zich Benedictus den diaken, of Levita noemt. Hij verhaalt, dat hij op last van bisschop Otgar van Mainz de capitulariën van Ansegius van Fontanella, die in 827 het van den staat uitgaande capitulariënrecht systematisch geordend en verzameld had, had aan­gevuld met het materiaal, dat hij in het archief van Mainz had gevonden, en dat hij daaraan niets had veranderd. Hij deelde zijne stof in drie deelen in, als vervolg op Angesius’ werk, en noemt zijne boeken liber quintus, liber sextus en liber septimus. Volgens Hinschius, wiens gevoelen instemming vond bij de meeste geleerden, is de terminus post quem dit geschrift vervaardigd is 21 April 847, daar het den dood van den bisschop van Mainz op dien dag noemt, en de terminus ante quem in de jaren 848-850, vóór de openbaarmaking der Pseudo-Isidorische decretalen2). De gedachte, die het werk van den vervalscher


1) Hinschius, Pseudo-Isidor S. CLXIII, en Herzog-Hauck R.E.3 I Art. Angilram Friedberg, Kirchenrecht, 5 Aufl. S. 121. Hauck, Kirchengesch. Deutschlands II3, S. 538-541. Brunner, Deutsche R. Gesch. 1887 I. 385.
2) Herzog-Hauck R.E.3 Art. Pseudo-Isidor.

|167|

beheerscht, is deze: De kerk is vrij en de staat is gelukkig, wanneer het episcopaat onafhankelijk, geëerd en invloedrijk is. De keizer zelf spreekt in deze decreten over zijne gehoorzaamheid aan de bisschop­pelijke vermaningen, doch hij verwacht van de zijde der bisschoppen de inachtneming van den eerbied, aan den koning om Gods wil verschuldigd 1).

De grondslag van de Pseudo-Isidorische verzameling vormt de collectio canonum Hispana. Deze berust op eene oudere verzameling van conciliënbesluiten, die deels zelfstandig bestonden, deels in ver­binding gebracht waren met Spaansche canones door bisschop Martinus van Braga, † 580. Deze capitula Martini Bracarensis werden door de tweede synode van Braga, 572, formeel aangenomen. Het verzamelde materiaal werd in eene vaste orde gebracht na het jaar 589, in welk jaar koning Reccared van het Arianisme tot de Katholieke kerk overging, en deze, valschelijk aan bisschop Isidorus van Sevilla († 636) toegeschreven, en naar dezen collectio S. Isidoris sive Hispana Isidoriana genaamd, kreeg eenen systematischen vorm in de 7de en hare voltooiing in de 8ste eeuw. Deze Isodorische verzameling was in het Frankische rijk in een eigen redactie, met andere stukken ­vermeerderd, verbreid2). In het midden van de 9de eeuw treedt zij, vermeerderd door de opneming van andere en nieuwere vervalschingen, tevoorschijn. De schrijver noemt zichzelven in de voorrede: Isidorus Mercator. Deze naam is gefingeerd. Door den naam Isidorus moest de indruk gevestigd worden, dat de heilige Isidorus de vervaardiger is. De vervaardiger zelf is echter onbekend. Zeer waarschijnlijk is de verzameling vervaardigd door een der clerici in het West-­Frankische rijk3).

De inhoud valt uiteen in drie deelen: het eerste deel bevat, na eene voorrede en eenige vervalschte documenten, die elken twijfel aan de onechtheid van de volgende stukken moeten uitsluiten, de 50 apostolische canones van Dionysius, ingeleid door een vervalsch­ten brief van Hieronymus, en vervolgens 60 valsche brieven van


1) Volumus vos scire voluntatem nostram, quod nos parati sumus vos adjuvare ubicunque necesse est, ut ministerium vestrum adimplere valeatis. Simulque vos admonemus, ut propter humilitatem nostram et obedientiam, quam monitis vestris propter Dei timorem exhibemus, honorem nobis a Deo concessum conservetis. Monu­menta Germaniae historica I. 375.
2) Döllinger, Pabst-Fabeln, Münch. 1890 S. 75. Langen, Gesch. d. Röm. Kirche von Leo I etc. S. 727. Friedberg, Kirchenrecht, S. 122. Hübler, Kirchenrechtsquellen, Berlin 1902, S. 40. Hinschius, Zeitsch. f. Kirchenrecht VI. 48.
3) Als vervaardigers worden genoemd: Benedictus Levita, Rothad van Soissons, Ebo van Rheims, Riculf van Mainz, Wenilo van Sens, Servatus Lupus, de diaken Leodald van Le Mans, e.a., maar tot nog toe is er geen zekerheid. Wel is men algemeen eenstemmig, dat de verzameling in de kerkprovincie Rheims, ong. 850, ver­vaardigd is. Zoo o.a. Dove, Friedberg, Ranke, Scherer, Hinschius. Hinschius, Art. Pseudo-Isidor, R.E.3.

|168|

pausen, in chronologische volgorde, van Clemens I, † 101, tot Melchi­ades, † 314, bijna alles door Pseudo-Dionysius gemaakt. Het tweede deel bevat na 3 inleidende stukken: de canones van de Gallische redactie der Isidoriania, maar dan in omgewerkten vorm. Het derde deel bevat de decretalen van dezelfde redactie, vermeerderd met eenige echte, voor een groot deel uit een oude in Gallië verbreide verzameling van stukken, en 35 onechte stukken van de bisschoppen Sylvester, † 335, tot Gregorius II, † 735. De onechtheid van de door Pseudo-Dionysius vervaardigde stukken behoeft thans, na het nauw­keurig onderzoek van vroegeren en lateren, geen nader betoog1).

De beginselen, waarvan Pseudo-Dionysius uitging, en het doel waarnaar hij streefde, was allereerst de emancipatie van het episco­paat, zoowel van de wereldlijke macht als van den overwegenden invloed der metropolieten en der synoden. De bisschop mag, volgens Ps.-Dion., voor geen andere dan voor een geestelijke rechtbank worden gedaagd. Met dit doel hing samen de verheffing van de pauselijke macht. Om de bisschoppen tegen de wereldlijke regeering te sterken, werd aan den paus de hoogste rechterlijke macht toe­geschreven. Niet de metropolieten of de synoden mogen rechtspraak oefenen over de bisschoppen. Een niet door den paus afgezetten bisschop kan restitutie in zijn ambt eischen, en behoeft zich niet met een aanklacht tegen hem bemoeien (actio et exceptio spolii). Synoden mogen slechts met goedkeuring van den paus gehouden worden. Algemeene conciliën mogen slechts door den paus worden bijeen­geroepen. Het hoofddoel van dit procesrecht was niet de verheffing van het pauselijke primaat, zooals Blondel, Febronius, Van Espen e.a. leerden, maar het primaat van Rome’s stoel moest dienen tot verheffing en bescherming der bisschoppen. Om de kerk en het episcopaat te bevrijden, werden allerlei stukken vervalscht2). Maar toch kwam deze actie der Frankische bisschoppen het pauselijke primaat ten goede. Dat het ontstaan van eene streng kerkelijke partij aan deze zijde van de Alpen samenviel met het wederopnemen van de oude pauselijke politiek, bewijst de kracht van deze strooming. Er was slechts een man noodig, die deze beginselen in de praktijk zou brengen.


1) De decretalen van de oudste pausen verraden terstond vervalschingen te zijn door de anachronismen, b.v. het gebruik maken van de Vulgata, van het in 506 samengestelde Breviarium Alaricianum, enz. Voorts kent niemand vóór 852 een van de Pseudo-Isidorische brieven. cf. H. Böhmer, Die Fälschungen Erzb. Lanfranks von Canterbury, Studiën z. Gesch.d. Theol. v. Bonnwetsch u. Seeberg VIII, Heft. 1. E. Sechel, Pseudo-Isidor. Herzog-Hauck R.E.3 en de daar aangehaalde litteratuur.
2) Wasserschleben. Die Pseudo-Isidorisch Frage. Zeitschr. Kirchenrecht 1864 S. 273-30. E. Sechel, Herzog-Hauck. R.E.3. Art. Pseudo-Isodor.

Bouwman, H. (1928) § 15

|169|

§ 15. De voltooiing der pauselijke macht.

Nicolaas I (858-867) greep voor het eerst de Pseudo-Isidorische geschriften aan ter bevordering van de pauselijke macht1). Hij trachtte de oud-Roomsche gedachte, dat de paus is de door God gekozen regent der kerk, onafhankelijk van den keizer, in wereldlijke zaken onderdaan van den keizer, gelijk deze in geestelijke zaken van den paus, te verwezenlijken. De korte inhoud zijner leer is2): De paus is onbeperkt heerscher over de geheele kerk, de bis­schoppen zijn door hem ingesteld en dus van hem afhankelijk, de synoden zijn organen voor de verkondiging en uitvoering van den pauselijken wil. De eindbeslissing in alle vragen in het kerkelijke leven komt toe aan den pauselijken stoel; een leer, door den paus verworpen, is reeds daarom haeresie. Wat de paus zegt, is Gods woord, wat de paus doet, is Gods daad. De paus is de levende wet, bezitter van de hoogste rechtspraak, als plaatsvervanger van Christus, orgaan van den H. Geest, aan geen menschelijke wet onderworpen. De wereldlijke vorst mag niet ingrijpen in het kerkelijk leven, geen synoden bijeenroepen, niet deelnemen aan synodale be­raadslagingen. Hij wilde scheiding van kerk en staat, opdat de pause­lijke macht over de overheid kon heerschen. In zijne brieven ver­klaart hij, dat de vorsten moeten zijn dienaren van den paus, dat zij ook in zuiver wereldlijke dingen de pauselijke bevelen moeten opvolgen. In het geval van Lotharius II beschikte de paus zelfs over het erfelijke koningschap.

De opvolgers van Nicolaas I konden wegens het diep zedelijk verval zijne politiek niet voortzetten. Maar het zaad was gezaaid, en de gedachte van de pauselijke onfeilbaarheid zou ter gelegener tijd ontkiemen en vruchten dragen. De Duitsche heerschers namen van het begin der tiende eeuw de politiek van Karel den Groote weder op. Sedert de afzetting van Karel den Dikke (887) werd het Frankische rijk ten prooi aan allerlei verwarring. Het Westelijke deel viel uiteen in een aantal zelfstandige, met het koningschap verbondene, hertog­dommen, terwijl in het Oost-Frankische rijk het koningschap over­ging op den hertog van Saksen, Hendrik I (919-936). Zijn opvolgers uit het Saksische huis, vooral Otto de Groote (936-973) en Otto III (995-1012) en eveneens de koningen uit het Frankische huis brachten


1) Ruffini, L’Actio spolii, Tosino 1889, p. 219 heeft aangetoond, dat Nicolaas I de Pseudo-Isid. geschriften kende in het jaar 864 of 865.
2) A. Greinacher, Die Anschauungen des P. Nikolaus I über das Verhältnis von Staat und Kirche, Berlin 1909. H. Böhmer, Herz.-Hauck R.E.3 14, Art. Nikolaus I. Hauck, Kirchengesch. Deutschlands II, 549-572.

|170|

de kerk geheel onder de macht van den staat. Doch juist door den druk, op de kerk uitgeoefend, werd het pauselijke ideaal al meer be­geerlijk, en kwam het streven op, dit ideaal te realiseren.

De pausen in den tijd van het einde der negende tot het midden van de elfde eeuw waren over het algemeen weinig hoogstaande of onbeduidende mannen, die al te gemakkelijk willooze werktuigen der politieke partijen waren. En wanneer soms ook een paus zich boven het middelmatige verhief, was hij toch niet in staat, aan de algemeene verwording en de rondom zich grijpende goddeloosheid paal en perk te stellen. Eerst onder Leo IX (1048-1054) trad eene aanvankelijke verbetering in. Hij verzamelde om zich bekwame en eerbare mannen, benoemde den monnik uit Clugny, Hildebrand, tot subdiaken en schatmeester der Roomsche kerk, en zocht overal in de kerk orde te scheppen. Met Leo IX kwam iemand van de Lotha­ringsche hervormingspartij op den pauselijken zetel, en traden de eischen der Cluniacensers op den voorgrond.

Het ideaal van Clugny was de Christelijke vrijheid, om, vrij van de wereld, zich onbelemmerd te kunnen toewijden aan den dienst van God in de wereld, en zich voor te bereiden voor het leven hier­namaals. Daaruit moest volgen, dat de onmondigen, de leeken, zich moesten buigen voor de geestelijken, om voor het toekomend gericht te bestaan. Zelfs de staat moest zich buigen voor de heiligen, die in het coelibaat, door de ordening en door het sacrament de middelaars waren tusschen hemel en aarde. Alle verhoudingen op aarde moesten zich voegen naar de bovenzinnelijke idee van den Godsstaat. Het Godsrijk heeft zijn uitwendige gestalte in de kerk, welke is een hemelsch rijk, en daarom moeten de machthebbers der wereld opgaan in het hemelsch rijk, en regeeren bij de gratie van de plaatsvervangers van Christus. De reformatie van het kloosterleven, benevens de aan­kweeking van de monnikenvroomheid, gepaard gaande met de innigheid der mystiek, alles in dienst van de kerk, alles dienend tot verheffing en verheerlijking van de kerk en het pausdom, ziedaar het ideaal van Clugny.

Met Leo IX werden de wenschen van Clugny in het pauselijke program opgenomen. Krachtig greep hij de zonden der kerk, in het bijzonder de gebreken van den toenmaligen clerus: de simonie en het concubinaat, aan. Ook nam hij het Pseudo-Isidorische recht voor heel de kerk in zijn program op. Hildebrand, kardinaal Humbert en kardinaal Damiani werkten het program uit, en het is vooral Hildebrand geweest, die als paus Gregorius VII(1073-1085) den strijd met de wereldlijke machten tot het bittere einde heeft gewaagd. In 1074 vernieuwde en verscherpte Gregorius de reeds bestaande

|171|

coelibaatswetten. Tot nog toe waren alleen de hoogere ambten gebonden aan het coelibaat, maar Gregorius breidde het huwelijksverbod uit tot alle geestelijken. In de tweede vastensynode (24-28 Febr. 1075) vaardigde hij het bekende edict uit tegen de investituur, d.i. het verleenen van kerkelijke ambten door leeken, met het geven van ring en staf, en nam strenge maatregelen tegen de ontuchtige priesters en tegen de simonie, d.i. het verkoopen van geestelijke ambten, en bedreigde met den ban allen, die zich daaraan schuldig maakten. Van de grootste beteekenis was het edict tegen de investituur. Wie een kerkelijk ambt uit de handen van een wereldlijk persoon ont­ving, moest afgezet worden, en indien een wereldlijk persoon het waagde de investituur te doen plaats hebben, moest hij afgezet worden1). Gregorius bedoelde met dezen maatregel de bisschoppen aan den pauselijken stoel te onderwerpen, de zelfstandigheid der metro­polieten te breken en de macht der vorsten over de kerk te ver­nietigen. Hij wilde de kerk vrij maken van de wereldlijke macht. De paus moest zijn regent van heel de kerk, heer van al de bis­schoppen, de opperste wetgever en rechter in alle geestelijke zaken, die door geen positief recht gebonden is. De paus is heer en rechter van allen en wordt door niemand geoordeeld, en wie hem niet ge­hoorzaamt, kan niet tot de katholieke Christenen gerekend worden. Alle rechten der leeken, alle beschikking over het kerkelijke goed is tenslotte in de handen van den paus. De kerk is het godsrijk op aarde, en de paus is, als opvolger van Petrus, de vorst van dat rijk, de bezitter van de hoogste macht op aarde, de leenheer van den keizer, de gebieder van alle vorsten, die ten dienste van de kerk en den paus hunne regeeringsmacht moeten aanwenden en van hem hunne legitimatie en zalving moeten ontvangen, wijl hunne macht ontsproten is uit de zonde en uit geweld. Gregorius gebruikte daar­voor het beeld van de zon en de maan. Gelijk de maan het licht en de warmte van de zon ontvangt, alzoo ontvangt het koningschap alles van het pausdom2). Gregorius was een krachtige persoonlijkheid,


1) Door een tijdgenoot, abt Hugo van Flavigny wordt dit decreet aldus medegedeeld: Si quis deinceps episcopatum vel abbatiam de manu alicujus laicae personae susceperit nullatenus inter episcopos vel abbates habeatur, nec ulla ei ut episcopo vel abbati audientia concedatur. Insuper ei gratiam beati Petri et introitum ecclesiae interdicimus, quoadusque locum, quem sub crimine tam ambitionis quam inobedientiae, quod est scelus idololatriae, cepit, non deserit. Similiter de inierioribus ecclesiasticis dignitatimus constituimus. Item, si quis imperatorum, ducum, maechionum, comitum, vel quilibet saecularium potestatum aut personarum mvestiituram episcopatus vel alicujus ecclesiasticae dignitatis dare praesumpserit, ejusdem sententiae vinculo se astrictum schat.
2) J. Langen, Gesch. d. Röm. Kirche von Nikolaus I bis Gregor VII, Bonn, 1892. A. Hauck, Kirchengesch. Deutschlands III 665-923. Th. Lindner, Weltgeschichte II 320 f. Ernst Bernheim, Quellen zur Gesch. d. Investiturstreit, Leipzig, 1907. Carl Mirbt, Herzog-Hauck R.E.3 7, Art. Gregor VII en de daar genoemde literatuur.

|172|

vast en onverzettelijk. Hij ontzag geen enkel middel, om zijn doel te bereiken. Hij zette de leeken en de volksmassa's op tegen de ge­huwde priesters, gebruikte het sociale streven van den derden en vierden stand tegen de bisschoppen en den adel, prikkelde de onder­danen in hun verzet tegen de overheid, en dreigde hen, die zijne plannen tegenwerkten, met ban en interdict. Voor de kerk heeft hij geleefd, deze had zijn geheele hart en in den dienst der kerk werd hij verteerd.

Gregorius heeft zijne gedachten niet in vollen omvang kunnen verwezenlijken. Evenmin zijne eerste opvolgers, die vurige aanhangers zijner denkbeelden waren. Calixtus II (1119-1124), die op een con­cilie te Rheims het verbod der investituur met kracht had gehand­haafd, werd tot eene minnelijke schikking genoodzaakt. Ziende, dat de bisschoppen en de vorsten in Duitschland zich al meer eendrachtig om den keizer schaarden, en dat de macht der pauselijke legaten een gevaar voor den paus kon worden, kwam hij met den keizer tot een vergelijk en sloot op de vlakte van Worms een concordaat (23 Sept. 1122). De inhoud van dit concordaat was: De keizer deed afstand van de investituur, van het recht van beleening met ring en staf. De verkiezing der geestelijken zou weder op kerkelijke wijze plaats hebben. De verkiezing van de Duitsche bisschoppen zou ge­schieden in tegenwoordigheid van den keizer of diens plaatsvervanger, en de beleening met den scepter, d.i. de begiftiging met de wereld­lijke macht, zou door den keizer geschieden. De paus evenwel zou begiftigen met ring en staf, d.i. den gekozenen de geestelijke waar­digheid opdragen. De beleening met den scepter zou in Duitschland geschieden vóór, en in Bourgondië en in Italië ná de consecratie. Dit concordaat werd op de Lateraansynode van 1123 bekrachtigd, terwijl er onderscheidene canones aan werden toegevoegd, vooral tegen de simonie en het huwelijk der geestelijken, tegen het ingrijpen van leeken in het kerkelijk leven, tegen verboden huwelijken, enz.1)

Deze investituurstrijd had gevolgen voor de kerk in alle landen. In Engeland, waar oorspronkelijk de kerk geheel zelfstandig was, vrij van den staat, maar waar later, toen de overheid voor het Christendom gewonnen was, de kerk ging steunen op de overheid, en waar, na de verovering van Engeland door de Normandiërs (1066), de overheid zich geheel vrije beschikking over de kerk had aangematigd, ontstond onder de regeering van Hendrik I (1100-1135) eene strijd over de verhouding van kerk en staat, die voornamelijk zich bewoog om de verhouding van de bisschoppen tot den koning, en


1) Hefele, Conciliëngeschichte V. 371-384.

|173|

waarbij bisschop Anselmus van Canterbury de rechten der kerk, naar de gedachte van Gregorius, voorstond. Deze strijd werd bijgelegd op de landsvergadering te Londen (1107), waar de koning losliet de investituur met ring en staf, maar vasthield aan zijn benoemingsrecht, terwijl de bisschoppen, met betrekking tot hunne wereldlijke bezit­tingen, aan het leenrecht waren onderworpen1).

In Frankrijk was na Karel den Groote de koninklijke macht bijna geheel afhankelijk geworden van de machtige kroonvazallen. Dit had tengevolge herhaalde twisten en oorlogen tusschen de verschillende vorsten, welke toestand nadeelig werkte op het recht en den geestelijken toestand der kerk. Maar toen het ideaal van Clugny doorwerkte, werd ook de invloed van den paus in Frankrijk grooter. Hij zocht de bezetting van de kerkelijke ambten onder zich te brengen, eerst voor­zichtig, door aanbevelingsbrieven (preces), daarna door voorschriften en bevelen. Dit geschiedde door een uitgebreid systeem van pauselijke provisiones (begeving van kerkelijke ambten), in het bijzonder door reservationes (het recht, dat de paus voor zichzelf reserveert, om kerkelijke ambten te doen bezetten) of expectativa (als de paus een mandaat geeft voor het bezetten van nog niet vervulde beneficiën). Sedert Bonifacius VIII ontwikkelde zich het zoogenaamde jus prae­ventionis, volgens hetwelk aan den paus, na het vrijworden van een kerkelijk beneficium, tegenover hem, die het recht van begeving van het ambt bezit, een concurreerend recht toekwam; wie van beide het eerst kwam en het eerst de vacante plaats bezette, verrichtte een wettelijke daad. Tenslotte werden zelfs geheele maanden, 6 tot 8 in het jaar, eenvoudig aan de pauselijke provisiones voorbehouden (menses papales) 2).

Hierdoor werd eene geweldige centralisatie der kerk in de hand gewerkt, en eene sterke verhooging der pauselijke inkomsten, want voor elke plaats moest betaald worden, en deze betaling richtte zich naar de waarde van de gave, waarmede de paus den bisschop beleende. In verband hiermede ontwikkelden zich de servitiën en de annata. Benoemde de paus een bisschop of een abt, dan moest deze hem het servitium of een geschenk betalen, terwijl ook elke lagere geestelijke, door den paus benoemd, dezen voor eenmaal een bepaald deel, ongeveer de helft, van zijn inkomen betaalde, het zoogenaamd jus deportuum of de annata3). Daarbij kwamen nog andere gelden: de palliëngelden,


1) Eadmer, Historia Novorum (Rerum Brittannicarum Scriptores vetustiores No. 81, Heidelberg 1587) p. 186, Willem van Malmesbury, Gesta Regum (Rer. Brit. Scr. No. 90) II 493. Makower, Die Verfassung der Kirche von England, Berlin, 1894, S. 19.
2) Dr R. Holtzmann, Französische Verfassungsgeschichte, Münch. u. Berl. 1910, S. 299. Hinschius, Kirchenrecht, III, § 144.
3) De annata waren oorspronkelijk de opbrengst van het door den paus verleende kerkelijke ambt, berekend naar de bate van het eerste jaar, thans een bepaalde som.

|174|

een eeregeschenk aan den paus voor de verleening van het pallium (het priestergewaad, een navolging van het schouderkleed van den O.T. hoogepriester), de absentgelden, die vrijstelden van het wonen op de plaats van de ambtelijke bediening, het spoliënrecht, d.i. het recht om de beweeglijke goederen van een gestorven praelaat in bezit te nemen1).

Een gevolg van den investituurstrijd was mede, dat de pauselijke synoden sedert het midden der elfde eeuw zeer in beteekenis en in aanzien wonnen. De groote oecumenische synoden of de Lateraan­synoden van 1123, 1139, 1179, 1215, de beide synoden van Lyon, 1245 en 1274, en de synode van Vienne, 1311, waren niets anders dan voortzettingen van de groote hervormingssynoden der elfde eeuw, met dit verschil, dat het pausdom thans kon beschikken niet alleen over een deel der geestelijkheid, maar over alle bisschoppen. Deze synoden, die eerst later oecumenisch genoemd werden, waren synoden alleen van de Westersche kerk Zij werden niet, zooals de eerste zeven oecumenische synoden, bijeengeroepen door de wereldlijke overheid, maar door den paus. Voorzitter dezer synoden, op welke niet meer de Oostersche kerk vertegenwoordigd was, was de paus. Leden dezer synoden, die hoofdelijk stemden, waren de kardinalen en de bisschoppen, terwijl de abten, de wereldlijke vorsten, de geestelijken en de leeken geen decisieve stem bezaten. Deze gedachte van het pauselijke primaat is door Hugo van St. Victor geformuleerd in dezen zin: „De algemeene synode is de door den paus bijeengeroepene vergadering van de leidslieden der beide standen (geestelijken en leeken) met het doel om den paus met raad te dienen, in zaken die op het welzijn der algemeene kerk betrekking hebben”.

Ondersteund werd de gedachte van het pauselijke primaat door de verzamelingen van het kerkelijke recht2). Tijdens Gregorius VII en zijne naaste opvolgers vervaardigden Anselmus, bisschop van Lucca († 1086), neef van Alexander III, de kardinaal Deusdedit (1087), Ido van Chartres († 1117) e.a. verzamelingen van rechtsbronnen uit Pseudo-Isidorus en de pauselijke decretalen, en maakten deze dienst­baar aan de verheffing van de pauselijke macht. Zij volgden daarbij de grondstelling, door Deusdedit opgesteld, dat de mindere autoriteit steeds voor de meerdere moet wijken, dat dus het gezag van een


1) Bewust en opzettelijk is dit gedaan door Innocentius III (1198-1216), die zich bij het uitschrijven van het vierde Lateraansche Concilie (1215) beroepen heeft op de gewoonte der oude heilige vaders. Werminghoff, Gesch. d. Kirchenverfassung Deutsch­lands im M.A. 1905, S. 186.
2) Wasserschleben, Beitrage z. Gesch. d. Vorgrat. Kirchenrechtsquellen, Leipz. 1839. V. Schulte, Die Gesch. d. Quellen u. Litteratur des Kanon. Rechts von Gratian bis auf die Gegenwart, Stuttgardt 1875 I, 46. R. Sohm, Das altkath. Kirchenrecht und das Decret Gratians. Münch.-Leipz. 1918.

|175|

concilie of van een kerkleeraar achterstaat bij dat van den paus. Gratianus, een rechtsleeraar en monnik in het Camaldulenser klooster St Felix te Bologne, trachtte de tegenstellingen en tegenstrijdigheden uit de bestaande rechtsuitspraken weg te nemen, en een totaal een­stemmig beeld van het geldend recht te ontwerpen, en noemde daarom zijn boek: Decretum of Concordia discordantium canonum (1145). De pauselijke decretalen worden hierin gelijkgesteld met de besluiten der conciliën, en boven beide gesteld de goddelijke rechten, die uit het natuurrecht voortvloeien. Alleen in het goddelijke recht vindt het pauselijke recht zijn grens. Maar tenslotte wordt de pauselijke wil ook gelijk gesteld met de goddelijke wet, want niemand anders kan bepalen wat het natuurrecht is dan de paus. Dit werk van Gratianus was wel een persoonlijk werk, maar omdat het weldra inburgerde in de scholen en in de kerkelijke gerechtshoven, werd het de grondslag voor de verdere ontwikkeling van het canonieke recht. De canonici, in het Gratiaansche recht opgevoed, gebruikten de pauselijke decretalen van lateren tijd ook als kerkelijke beslissingen en vatten ze samen tot verzamelingen. Deze decretalen, de zoogenaamde quinque compi­lationes antiquae (de besluiten van het 3e en 4e Lateraansche concilie, de talrijke pauselijke brieven van Alexander III, Honorius III en Innocentius III), die in losse verzamelingen verspreid waren en na de voltooiing van het Decretum Gratiani het recht regelden, werden door Gregorius IX tot één geheel vereenigd. Het in deze 5 compilationes zich bevindende materiaal leed deels aan tegenstrijdig­heden, was deels onvolledig, terwijl de authenticiteit niet altoos ge­waarborgd was. Om deze gebreken weg te nemen droeg Gregorius IX aan zijn poenitentiarius Raymundus de Pennaforte op, eene nieuwe verzameling van alle extravaganten te vormen. Dit rechtsboek bevat 196 constitutiones van Gregorius IX, en werd in 1234 aan de rechtsgeleerde hoogescholen te Bologna en te Parijs toegezonden en gepubliceerd. Alle niet in deze verzameling opgenomen decretalen werden daar­door voor het gemeene recht van kracht beroofd. Verboden werd elke vervaardiging van nieuwe verzamelingen zonder pauselijke goedkeuring1).

Een verder gevolg van den investituurstrijd was de uitbreiding van het pauselijke hof. Uit alle deelen van de kerk, waar de hervormings­gedachte had gezegevierd, werden bekwame mannen genomen om het pauselijke recht te bestudeeren, mede de kerk te besturen en de appèlzaken te behandelen. Gevolg hiervan was, dat er al meer geld noodig was te Rome, dat bij wijze van belastingen uit kerken en


1) Zie bl. 33 van dit werk.

|176|

kloosters voor allerlei zaken massa’s geld stroomde naar de pauselijke schatkist. Voor al deze zaken waren mannen noodig, die doorkneed waren in het kerkelijke recht en in het beheer der finantiën.

Het geheel van al de beambten, waarvan de paus zich bij de uit­oefening van zijne regeeringswerkzaamheden bedient, wordt sedert de elfde eeuw aangeduid met den naam Curia Romana. Tot deze Roomsche Curie behooren de kardinalen, de praelaten, de advocaten, de procuratoren, de notarissen, de expeditores, de agentes, enz.

Het college van kardinalen is voortgekomen uit het presbyterium, dat den Roomschen bisschop ter zijde stond. Het presbyterium der Roomsche hoofdkerken was samengesteld uit de presbyters van de hoofdkerken te Rome, (of de tituli, d.i. de kerken, in welke alleen alle sacramenten, in het bijzonder de doop en de boete werden be­diend), en uit de zeven diakenen. Sedert het midden van de derde eeuw was Rome in zeven kerkelijke regiones ingedeeld. In elke regio was een diaconia, d.i. een kerkelijk gebouw, met armen- en ziekenverpleging. De hoofden van deze kerken waren de diaconi regionarii, die tot taak hadden de armenzorg, en die voorts den paus hielpen bij den cultus en bij het beheer van de gelden. Sedert de zesde eeuw werden deze aanzienlijke geestelijken in Rome, de diaconi palatini of regionarii en de presbyters aan de tituli, genoemd diaconi of presbyteri cardinales, omdat zij waren geestelijken aan de cardo (d.i. de deurher of hoek, waarop de deur draait) of de hoofdkerk van den eersten bisschop van het Westen.

Onder de kardinaaldiakenen of presbyters trad de oudste in dienst­jaren bijzonder op den voorgrond. Deze kardinaalarchidiaken was de bestuurder van den apostolischen stoel bij afwezigheid van den paus of wanneer de apostolische stoel vacant was, zoodat zijn ambt veel­vuldig een doorgang voor de pauselijke waardigheid was. De kardinaal-presbyter was, naast den kardinaalarchidiaken en den eersten notaris, medebeheerder van den apostolischen stoel, bij afwezigheid van den paus, of bij een vacature1).

De derde groep in het kardinaalcollege vormden de episcopi cardinales. De beide eerste groepen werden door den paus zelf ge­kozen, terwijl de episcopi cardinales volgens de geldende orde in hun eigen bisdom gekozen werden en door den paus in hun ambt werden bevestigd en gewijd. In lateren tijd ontwikkelde zich de orde der kardinaal-bisschoppen tot de eerste klasse der kardinalen. Tot aan het laatst van de negende eeuw werd de raad dezer


1) Hinschius, Das Kirchenrecht I. 309-379. Phillips, Kirchenrecht VI, S. 65 f. Sägmuller, Lehrb. d. kath. Kirchenrechts S. 365 f. A. Werminghoff, Verfassungs­geschichte d. deutschen Kirche im M.A., S. 56 f., 212 f.

|177|

voor­naamste geestelijken niet regelmatig samengeroepen, wijl de paus onbeperkt vrij was in bet kiezen zijner mannen, maar weldra werden zij het vaste college van raadslieden. Sedert de elfde eeuw verkregen zij ook het uitsluitende recht van de verkiezing van den paus.

De organisatie van het college van kardinalen is in de tweede helft der middeleeuwen voltooid. Ofschoon voor het ambt van kardi­naal geen zelfstandige wijding noodig was, namen zij als kiezers van den paus, als zijne broeders, raadgevers, helpers en legaten, den eersten rang na den paus in, en genoten sedert Nicolaas IV (1288­-1292) de helft van de voornaamste inkomsten van den paus.

Het college van kardinalen nam deel aan de regeering der kerk en zette meermalen zijn wil tegenover dien van den paus door. Tevens waakte het voor de rechten van den paus. Het aantal der kardinalen, dat in den loop der tijden zeer verschillend was, werd op de concilies te Constanz en Bazel gesteld op 24, en mag sedert het besluit van Sixtus V (1567) niet grooter zijn dan 70. De benoeming der kardinalen geschiedde door den paus, na ingewonnen advies der kardinalen. De benoemde kardinaal deed den eed van gehoorzaamheid aan den paus. Tot de insigniën van de kardinalen, die den hoogsten rang naast den paus bekleeden en den titel eminentissimus voeren, behoorde de roode hoed, terwijl zij mede het recht hebben, purperen kleederen te dragen. Het bedanken voor een toegedachte benoeming tot kardinaal was mogelijk. Ook kon een kardinaal door den paus worden afgezet of vrij­willig uit het college treden. Voorts hebben de kardinalen zitting en stem op de algemeene concilies, genieten een bijzondere onschendbaarheid en zijn uitsluitend aan de jurisdictie van den paus onderworpen.

Sedert de 14de eeuw vinden wij aan de spits der hiërarchie onder den paus vermeld een bijzondere klasse van geestelijken, die den naam praelati (curiae, domus) dragen. Praelaten zijn die geestelijken, aan wie een bijzondére werkzaamheid wordt opgedragen. Tot hen behooren sedert de 13de eeuw talrijke episcopi in partibus en pause­lijke kapellanen.

De Sacra Romana rota, die reeds in de 14de eeuw bestond, was samengesteld uit rechtsgeleerde geestelijken, en besliste in laatste instantie over alle wereldlijke zaken in den kerkelijken staat en in alle kerkelijke geschillen uit de gansche Christenheid13).

Sacra poenitentiaria, aan welker hoofd sedert de 13de eeuw een kardinaal als major poenitentiarius stond, had tot taak het uitreiken


1) Sedert het ophouden van den kerkelijken staat had de rota bijna haar geheele beteekenis verloren, doch door de constitutie van Pius X, 29 juli 1908, worden alle geschillen, welke bij de Roomsche congregatie inkomen, aan het gerechtshof der Roomsche rota opgedragen. Heiner, Kath. Kirchenrecht I. 277.

|178|

van het sacrament der boete in bijzondere gevallen, dispensatie te verleenen van geheime huwelijken, enz.

Signatura justitiae. Hun naam ontleenden deze beambten aan het feit, dat hun was opgedragen in zake een schrijven of een verzoek aan den paus gericht, advies te geven, en het door hen ontworpen antwoord den paus ter onderteekening voor te leggen1).

Camera apostolica, aan welker hoofd de camerarius, sedert de 15de eeuw een kardinaal, staat, heeft het beheer der kerkelijke financiën.

Dataria apostolica. Dit college, in de 14de eeuw ontstaan, had tot taak de verzoeken om dispensatie en om bevestiging van rechtshandelingen in een rechten vorm te brengen en aan den paus ter beslissing voor te leggen, en het antwoord te redigeeren. Aan het hoofd staat de datarius, een kardinaal, die met zijn personeel een afzonderlijk paleis bewoont2).

Cancellaria apostolica. Reeds in de 4de eeuw was er een pauselijk archief, onder leiding van den beambte, die tot taak had het opstellen van de pauselijke oorkonden (Scrinarius, notarius). Van deze functie werd later de dateering en de daarmede verbonden revisie der oorkonden gescheiden (bibliothecarius). De werkzaamheid van de apostolische kanselarij bestond in het uitvaardigen, de verzegeling en verzending der bullen, waarvoor de abbreviatoren of minutanten de ontwerpen (minutae) moesten opstellen. Ook besliste de kanselarij alle controversen met betrekking tot de uitvaardiging en verzending der pauselijke bullen, waarvoor vroeger een afzonderlijk college, het auditorium contradictarum, bestond. Sedert 1712 staat de vice-cancellarius aan het hoofd der kanselarij.

Secretaria brevium. Dit lichaam werd van de kanselarij afgezonderd tot het uitvaardigen van breven, die haar door de verschillende congregaties toevertrouwd werden.

Secretaria Status. In de Middeleeuwen werden de politieke of diplomatieke werkzaamheden verricht door den zoogenaamden kardinaal Nepos of Cardinalis Superintendens, waarvoor later een afzonderlijk college, onder leiding van den kardinaal-staatssecretaris den president van den ministerraad van den kerkelijken staat en tevens minister van buitenlandsche zaken, in de plaats kwam.

De advocaten, procuratoren, notarissen, expeditores en agenten vormen deels het ondergeschikt beambtenpersoneel en deels verrichten zij zelfstandig de hun opgedragen werkzaamheden. De advocaten


1) In 1908 is dit instituut opnieuw georganiseerd. Het beslist hoofdzakelijk over de afwijzing eens rechters (auditor) der Roomsche rota. Het is samengesteld uit 6 kardinalen met de noodige beambten.
2) L. Celier, Les dataires du XVe siècle et les origines de la daterie apostolique Paris, 1910.

|179|

houden zich bezig met rechtsvragen en geven adviezen. De procura­toren leiden als plaatsvervangers der partijen de processen voor de kardinalen. De notarissen vervaardigen de stukken bij rechtszaken. De expeditores staan de advocaten en procuratoren met hunne mechanische diensten bij. De agenten worden door partijen in bijzon­dere gevallen of door bisschoppen en gezantschappen voor een be­paalden kring van werkzaamheden aangenomen.

Zoo was dan het hof van Rome een wereldlijk hof gelijk geworden.1) Van Rome ging een schittering en machtsbetoon uit, welke indruk moest maken op de machthebbers der wereld. Alles wat groot en heerlijk is, moest zich buigen voor den stedehouder van Christus. Reeds Gregorius VII had verklaard, dat alle vorsten de voeten van den paus moesten kussen. En Innocentius III legde er nadruk op, dat de paus niet slechts was vicarius Christi, maar ook stedehouder Gods op aarde, en dat hij niet in de eerste plaats priester was, maar heer van de wereld en onbeperkt leider van de wereldpolitiek. Hij riep in 1215 het 4e Lateraansche concilie bijeen te Rome, waar 412 bisschoppen, 800 abten, en zeer vele praelaten en gezanten van vorsten tegenwoordig waren en waar geheel de Christenheid vol bewondering en aanbidding neerlag aan de voeten van den pauselijken stoel. God had, zoo decreteerde hij, alle macht in kerkelijke dingen hem ge­schonken. „In tantum apostolicae sedis extenditur auctoritas, ut nihil praeter ejus auctoritatem in cunctis ecclesiarum negotiis rationabi­liter disponatur”. En wat vroeger door vele pausen was uitgesproken, werd door paus Bonifacius VIII samengevat in de bul Unam Sanc­tum (1302), welke de curialistische gedachte aldus vertolkte2): „De ééne kerk heeft maar één hoofd. Eéne kudde en één herder. In de macht van dezen herder zijn twee zwaarden, het geestelijke en het wereld­lijke zwaard (Luk. 22: 38). Het wereldlijke moet voor de kerk, het geestelijke door de kerk gehandhaafd worden; het geestelijke door de priesterschap, het wereldlijke door de koningen en de krijgs­lieden, doch naar den wil des priesters en zoolang deze het duldt. De wereldlijke autoriteit is aan de geestelijke onderworpen. De goddelijke waarheid leert namelijk, dat de geestelijke macht de wereldlijke moet instellen (institueeren) en het gericht over haar moet vellen, als zij niet goed is, gelijk de Heere door Jeremia (1: 10) zegt: „Ik stel u heden over volken en koninkrijken” (cf. ook 1 Cor. 2: 15, Matth. 16: 19). Wie deze macht wederstreeft, verzet zich tegen de


1) J.H. Bangen, Die römische Kurie, Münster, 1854. R. von Scherer, Handb. d. Kirchenrechts I. 485 ff. Hinschius, Kirchenrecht I. 373-496. A. Werminghoff, Ver­fassungsgeschichte, 1913, S. 215. Friedberg, Lehrb. d. Kirchenrechts, 1903, S. 173. Heiner, Kathol. Kirchenrecht, 1912, I. 276 ff.
2) Reg. II, 278, 845. Hefele, Conciliëngesch. VI. 346.

|180|

ordeningen Gods, of neemt als Manichaeus twee beginselen aan, en is een ketter.” „Porro subesse Romano Pontifici omni humanae crea­turae declaramus, dicimus, definimus et pronunciamus omnino esse de necessitate salutis.”

De kerk was dus pauselijke kerk geworden. De paus is de bron van het kerkelijke dogma en van het kerkelijke recht, de eigenaar van het kerkegoed, het hoofd van den geheelen clerus. Als de epis­copus universalis bezit hij eene volheid van macht, terwijl de andere bisschoppen tot zijn bijstand zijn gegeven en door hem met macht bekleed worden. Voorts is de paus onfeilbaar, zooals ook Thomas van Aquino leert1).

Tot het pauselijke recht behooren:

1. Het recht van wetgeving. Hij acht zich bevoegd op het openbare en private recht in te grijpen. Privilegiën, eenmaal gegeven, kan hij weer terug nemen, en daarvoor werd sedert Gregorius VII gebruikt de formule: Salva sedis apostolicae auctoritate. Ook kan de paus krachtens de formule: non obstante, wanneer het hem belieft, elke pauselijke wet voorbijgaan of werkeloos maken. Eveneens kan hij dispensatie geven van het gewone recht, omdat hij zelf het kerkelijk recht vaststelt. Hij bedient zich voor de wetgeving sedert de 11de eeuw van de pauselijke conciliën, en vaardigt de besluiten dezer conciliën uit als pauselijke decreten.

2. De hoogste rechterlijke macht. Papa a nemine judicatur. Dat recht hield in, dat de paus onafzetbaar was, dat hij de hoogste rechter was over de geestelijken en de leeken, zelfs over den keizer.

3. Het hoogste bestuursrecht. Hij had de beschikking over de kerkelijke liturgie, de canonisatie, enz.; het hoogheidsrecht over de orden, de bevestiging en goedkeuring van de orderegelen, soms tegen de besluiten. der concilies in, en voorts had hij het recht, iemand in het ambt in te stellen. Was in de 10de en in de 11de eeuw o.a. in Duitschland de indeeling van de kerkprovincies, de stichting en de indeeling der bisdommen uitgegaan van de wereldlijke macht, later trok de paus het recht aan zich, om een aartsbisdom in het leven te roepen en bisdommen te bevestigen. De aartsbisschoppen moesten aan den paus den eed van gehoorzaamheid afleggen en om het pallium vragen,


1) „Nova editio symboli necessaria est ad vitandum insurgentes errores. Ad illius ergo auctoritatem pertinet editio symboli, ad cujus auctoritatem pertinet finaliter determinare ea, quae sunt fidei ut ab omnibus inconcussa fide teneantur. Hoc autem pertinet ad auctoritatem Summi Pontificis, ad quem majores et difficiliores Ecclesiae quaestiones referentur ut dicitur in Decretalibus. Unde et Dominus Petro dicit, quem summum pontificem constituit: „Ego pro te rogavi, Petre, ut non deficiat fides tua, et tu aliquando conversus confirma fratres tuos”. Et hujus ratio est, quia una fides debet esse totius Ecclesiae .... quod servari non posset, nisi quaestio fidei exorta determinetur per eum, qui toti Ecclesiae praeest, ut sic ejus sententia a tota Ecclesia firmiter teneatur”. Thomas, Summa Th. 2, 2 quaest. 1, art. 10, 5.

|181|

en de bisschoppen moesten op bepaalde tijden naar Rome of naar Avignon komen, om door de visitatie liminum1) het recht van het pauselijk gezag te erkennen. Ook de keuze der dom- en stiftskapittels werd, sedert de 13de eeuw, evenals die van de kloosterconventen, al meer van de goedkeuring der pausen afhankelijk gemaakt.

4. Het belastingrecht. Toen sedert de 12de eeuw de behoeften van het pauselijke hof al grooter werden, wegens de uitbreiding van het aantal beambten en het deelnemen aan de politiek, en de opbrengst van den kerkelijken staat, van den Pieterspenning, enz. niet voldoende waren, trachtte de paus in de behoefte te voorzien door de volgende kerke­lijke belastingen: a. De belasting van vrijgestelde bisdommen, van beschermde en van cijns vrijgestelde abdijen (abbatiae sub libertate Romana), die jaarlijks voor de bescherming van den Roomschen stoel een vergoeding opbrachten. b. Commendengeld, jaarlijksche bijdrage voor de vernieuwing van een tijdelijke schenking van een beneficium, en absentengeld voor dispensatie van den plicht, ergens te wonen. c. Het palliëngeld, dat de bisschoppen stortten bij de ontvangst van het pallium. d. Servitia communia, oorspronkelijk vrijwillige geschenken aan den paus, later vaste bijdragen bij de bevestiging in of de toe­lating tot het ambt. e. Annatae of annalia. Deze waren oorspronkelijk hoofdzakelijk de opbrengst over het eerste jaar van het ambt, door den paus verleend, later een vast bedrag, dat door den ontvanger van het ambt aan den paus gegeven werd. Dit is het jus deportuum, het recht op de vrucht van het eerste jaar (annatae) van vacante beneficiën 2).


1) De visitatio liminum sc. apostolorum is de gewoonte in de Roomsche kerk, per­soonlijk in Rome te komen en de graven der apostelen te vereeren; welke gewoonte slechts voor de aan het gezag van den paus onderworpene bisschoppen tot een ver­plichting gesteld is. Werd onder Gregorius VII de eisch gesteld, dat alle aartsbisschoppen persoonlijk in Rome het pallium moeten vragen, eerst in het Decretalenrecht werd de plicht der bisschoppen tot de visitatio liminum een algemeen geldend recht en uitgebreid tot allen, die een jurisdictio quasi episcopalis bezitten. De tijdruimte, binnen welke dit bezoek moet plaats vinden, hangt af van de meerdere of mindere moeilijk­heid der reis. Een plicht der bisschoppen, om geregeld bericht omtrent den toestand hunner kerken in te zenden, bestond in de middeleeuwen niet, daar de paus zich door vicarii, later door nuntii, liet inlichten. Eerst Sixtus V heeft in 1585 de visitatio liminum wettelijk geregeld, en aan de bisschoppen de verplichting opgelegd, zoowel schriftelijk als mondeling verslag (relatio status) uit te brengen omtrent den toestand van hun bisdom. Benedictus XIV heelt (1725) hiervoor een instructie vastgesteld. Door de consistoriale-congregatie van 31 Dec. 1909 is het oude voorschrift der visitatio gewijzigd, en werd bepaald, dat alle niet met de propaganda belaste bisschoppen van jan. 1911 af alle vijf uren den paus omtrent den toestand hunner diocese moeten inlichten, waarvoor een ordo servandus in relatione de statu Ecclesiarum is opgesteld. Het bezoeken van de graven der apostelen geschiedt ook thans nog, maar is niet meer het hoofddoel van de reis naar Rome. Heiner, Kath. Kirchenrecht I. 247. Lucidi, de visit. sacr. liminum.
2) De annaten worden thans als een deel der inkomsten van het eerste jaar, onder den naam Servitia, deels aan de apostolische kamer en de kardinalen (Servitia communia), deels aan het lagere personeel van de curie (Servitia minuta) geschonken. J.P. Kirsch, Die päpstlichen Annaten in Deutschland während des 14. Jahrh. Paderborn 1904. A. Werminghoff, Verfassungsgesch. S. 203. Heiner, Kirchenrecht I. 246.

|182|

5. Het gezantschapsrecht. Voor den dienst van gezanten (legati, missi apostolicae sedis) gebruikte de paus oorspronkelijk bisschoppen en abten, doch Gregorius VII bediende zich hoofdzakelijk van kardi­nalen, of droeg ook zijne pauselijke machtsvolheid op aan afzonderlijke legaten, om zijne plannen door te zetten. Sedert de 13de eeuw onder­scheidde men tusschen legati a latere (pontificis), die bij bijzondere gelegenheden gebruikt werden en legati missi (apostolici) of nuntii apostolici, die een vast verblijf hadden. De machtspositie van den paus stelde de legaten in staat, in te grijpen in politieke aangelegen­heden, b.v. in de keuze van een koning in Duitschland. Zij namen deel aan de Duitsche rijksdagen b.v. in 1356 te Metz, bij de afkondi­ging van het tweede deel van de gouden bul.

Het pausdom had in de dertiende eeuw het hoogtepunt zijner ont­wikkeling bereikt. Als de plaatsvervanger Gods op aarde liet de paus zijn macht gevoelen aan vorsten en volken. Evenals vroeger de Romeinsche keizer als alleenheerscher zijne bevelen deed uitgaan naar alle landen en volken, zoo ook liet de paus zijne heerschappij gelden over de gansche Westersche Christenheid. De wetgeving en het bestuur der kerk geschiedde naar zijnen wil. Hij was de eenige uitlegger van de kerkelijke wetten, de eenige, die tenslotte in een of ander geschil de beslissing gaf. „De paus heeft de pontificale almacht als een koning in zijn rijk, maar de bisschoppen zijn tot zijne helpers en uitvoerders aangenomen, als de afzonderlijke rechters in de steden”, schreef Thomas Aquinas. De paus had de macht om te binden en te ontbinden, om te beschikken over het wel of het wee van al de leden der kerk. De mensch is naar lichaam en ziel, voor de aarde en voor den hemel, gebonden aan de kerk, en kan zonder de kerk niet hopen op de gelukzaligheid. De pauselijke kerk heeft zich als middelares gesteld tusschen God en den mensch, en de mensch kon niet zonder bemid­deling van den priester tot God gaan. De op het concilie van 1215 tot dogma verheven leer der transsubstantiatie, de verandering van de substantie van brood en wijn bij het avondmaal in het lichaam en bloed van Christus, deed voor de groote menigte de glorie van de kerk en de macht van den priester nog rijzen. De priesters zijn goden, zoo verklaarde Innocentius III, want de geestelijke, die het wonder volbrengt om het goddelijke lichaam te scheppen, is de drager van het goddelijke mysterie, dat hem boven alle schepselen verheft.

Heel het menschelijke leven in al zijne uitingen, het persoonlijke, huiselijke en maatschappelijke leven, het natuurlijke en het geeste­lijke, de wetenschap en de kunst, de staatkunde en het recht, alle dingen werden onder het toezicht en het gezag der kerk geplaatst.

|183|

De kerk leidde de vroomheid in de bedding, door haar gegraven. Van het oogenblik, dat iemand geboren werd, tot zijn laatsten snik, stond de mensch onder de zorg en de leiding van de kerk. Ja, ook dan nog liet de kerk den mensch niet los, want zij geleidde hem door haar sacrament achter den dood door het vagevuur heen naar de plaats der eeuwige gelukzaligheid, of zij liet den onboetvaardige over aan de kwelling van de machten der duisternis. Maar door dit alles werd het natuurlijke leven geknecht en ging de vrijheid van den Christenmensch verloren. Doch tevens was de kerk afgevallen van hare bestemming. Zij was niet meer eene vergadering van geloovigen, maar een aardsch rijk onder eene hiërarchische regeering. Zij had haar hemelsch geestelijk wezen uit het oog verloren, en was in het wezen wereldsch geworden. Christus was onttroond door zijn stede­houder op aarde. Het heiligdom des hemels, waar Christus als koning, profeet en priester zijn volk op aarde regeert, en toebereidt voor zijn hemelsche heerlijkheid, was naar beneden op aarde getrokken, een priesterlijke hiërarchie had zich voor de bediening van het altaar gevormd, en op dat altaar werd het onbloedige misoffer gebracht, waarvan geleerd werd, dat de levenden en de dooden niet door het lijden van Christus vergeving der zonden hebben, tenzij dat Christus nog dagelijks voor hen door de mispriesters geofferd worde, en dat Christus lichamelijk onder de gestalte des broods en wijns is, en daarom ook daarin moet aangebeden worden.

Het papale systeem wil zijn de realiseering van het koninkrijk Gods op aarde, wil door bemiddeling van den priester hemelsche krachten en gaven mededeelen aan den mensch en Gods werk op aarde werken. Maar door de scheiding van clerus en leeken en de verheffing van de geestelijkheid boven het volk onderwerpt zij het natuurlijke aan het geestelijke, maakt heel het leven in al zijne verhoudingen af­hankelijk van kerk en priester, en miskent daardoor het recht en de vrijheid van een Christenmensch. En hoe bewonderenswaardig gedacht en schijnbaar harmonisch uitgewerkt dit systeem is, hoe aangepast aan de praktijk van het leven, het rust niet op den vasten bodem van Gods Woord en leidt tot de onttroning van Christus, den eenigen Koning der kerk.

Bouwman, H. (1928) § 16

|184|

§ 16. De reactie.

Het papale systeem was ideëel gedacht, maar kon in de wereld der realiteit niet worden verwezenlijkt. De paus, tot God ge­stempeld, kon zijne menschelijke natuur niet afleggen en hij, die God genaamd werd, had menschelijke zwakheden. De tijd van de Babylonische ballingschap (1307-1377) en van het groote schisma (1378-1429) getuigde hiervan, en het werd duidelijk, dat sommige pausen, die zich stedehouders van Christus en vaders der kerk noemden, vervielen in schandelijke zonden. Daarom moest er wel reactie komen, van de zijde van den staat, van de zijde der ketters en van de zijde der kerk.

Met Clemens V (1305-1314) begint een nieuwe tijd in de geschiedenis van het pausdom. De pauselijke stoel had langzamerhand de heerschappij verworven over de kerk in alle landen en, beschikte over het bezetten van de geestelijke ambten, over al de prebenden der kerk en over haar onmetelijken rijkdom. Hij ging uit van de grondstelling, dat hem van rechtswege alle macht om de ambten te begeven in de kerk toekwam en dat hij het recht had vrij ­gebruik te maken van de rijke inkomsten der bisdommen en der domheeren. De wereldlijke macht zag hierin het groote gevaar, dat hun land werd geëxploiteerd ten gunste van de staatkundige macht der pausen, en tevens in het belang van vreemdelingen, die land en gemeente nooit gezien hadden, en niet konden werken naar de behoeften des volks. Het nationale belang kwam in botsing met het vermeende recht der pausen. Daarom besloot men in Engeland de inkomsten der kerk voor zich zelf te behouden, en ook de Fransche regeering verbood de uitvoer van goud en zilver en behield zich het recht voor, in te grijpen in de kerkelijke goederen en in het bezetten van de kerkelijke ambten. Het baatte niet, of paus Bonifacius den Franschen koning trof met den ban, de koning beantwoordde de pauselijke vervloeking met eene aanklacht tegen den paus wegens machtsoverschrijding en ketterij. Bonifacius werd gevangen genomen en zijn opvolger Benedictus XI moest alle voor Frankrijk nadeelige besluiten opheffen. De drager van de pauselijke macht werd nu afhankelijk van Frankrijk, dat door de ontwikkeling van de scholastiek en de mystiek en door de kruistochten een toonaangevende plaats in Europa had verkregen. De Franschgezinde partij zegevierde in 1305 bij de keuze van een nieuwen paus, en Philips de Schoone wist door te zetten, dat Clemens V den pauselijken zetel verplaatste van Rome naar Avignon, in de onmiddellijke nabijheid van het Fransche gebied.

|185|

De Babylonische ballingschap werd overal in de kerk beschouwd als een onttroning en gevangenschap van den paus. De opvolger van Clemens evenwel, Johannes XXII (1316-1334), trachtte de pause­lijke rechten over Duitschland en de keizerskroon te handhaven. Volgens de bul „Venerabilem” van Innocentius III had de paus het keizerschap van de Grieken op de Duitschers en het recht der koningskeuze op de keurvorsten overgedragen. Daarom moest volgens het canonieke recht de koningskeuze door den paus worden goed­gekeurd. De koning ontving wel het ambt door de keuze, maar moest het recht, zijn ambt uit te oefenen, van den paus ontvangen. Toen nu Lodewijk van Beieren zijn tegenkeizer, Frederik van Oostenrijk, had verslagen bij Mühldorf, 28 Sept. 1322, en hij ook zijn koningschap in Italië wilde doen erkennen, eischte de paus, dat Lodewijk zich van de uitoefening zijner rechten zou onthouden, tot de paus de legitimi­teit zijner keuze had erkend. Lodewijk was hiertoe niet te bewegen, en werd daarom door den paus in den ban gedaan, terwijl Lodevvijk met behulp van de minorieten den paus voor afgezet verklaarde. Paus Clemens VI (1342-1352) wist voor een deel zijn wil door te zetten. De keurvorsten verklaarden Lodewijk voor afgezet, en kozen den Luxem­burger Karel IV 11 Juli 1346 tot Roomsch koning. Karel onderwierp zich aan de pauselijke goedkeuring. Maar als keizer (1347-1378) liet hij in de gouden bul vaststellen, dat niet de paus kon beschikken over de keizerskroon en dat de koning door de keuze alle regeerings­macht ontvangt. Bij de keuze en de kroning van zijnen zoon Wenzel (1376) heeft hij dan ook de curie geheel gepasseerd, en eerst later een deel der aanspraken van den paus theoretisch erkend. Sedert ver­loor de strijd tusschen het Duitsche koningschap en het pausdom alle beteekenis, omdat het koning- en het keizerschap een schaduw geworden was1).

In dezen strijd tusschen de wereldlijke en de pauselijke macht mengden zich ook de geleerden. Augustinus Triumphus (1243-1328) verdedigde de pauselijke almacht in de Summa de potestate ecclesi­astica (1322), terwijl de Minoritische geleerden: Marsilius van Padua en Johannes van Jundano de aanspraken der wereldlijke macht ver­dedigden. Reeds had Dante in: De Monarchia uitgesproken, dat het beeld van zon en maan niet op de verhouding van paus en keizer mocht worden toegepast, omdat deze lichten op den vierden en de mensch op den zesden dag was geschapen, en omdat Jezus de wereld­lijke macht van den keizer heeft erkend. De mensch heeft noodig een dubbele leiding, volgens het tweevoudige doel, nl. van den paus,


1) K. Müller, Der Kampf Ludwigs des B. mit der R. Kurie, 1879. K. Müller, Kirchengeschichte II. 24 f. Hefele Conciliengeschichte VI. 663.

|186|

die volgens de openbaring het menschengeslacht moet leiden naar het eeuwige leven, en van den keizer, die volgens de philosophische leer het menschengeslacht moet voeren tot het aardsche geluk. Wel is echter de keizer, hoewel hij een eigen macht heeft, eerbied verschuldigd aan den paus, want het sterfelijke geluk is altoos onder­worpen aan het onsterfelijke1). Marsilius van Padua, magister aan het studium van Parijs, had met zijn ambtgenoot Johannes van Jundano een groot wetenschappelijk werk opgesteld, Defensor pacis, dat op den bodem van de Aristotelische philosophie van den staat stond, en anti-hierarchisch was uitgewerkt. De staat is een gemeenschap, die alle levensfunctiën der menschheid omvat en zonder welke het geluk der menschheid niet bereikbaar is. Daaruit vloeit voort: 1˚. de volkssouvereiniteit en 2˚. de overheerschende macht van den staat over de kerk. Uitgaande van de beginselen van het natuurrecht2), zegt hij, dat God alle macht gegeven heeft aan het volk, of aan den heerscher, door het volk aangewezen, en dat daarom het volk aan den vorst de macht weder kan ontnemen, wanneer deze misbruik maakt van zijne macht. De staatswet heeft alleen dwingend gezag. Evenals de staat de dragers van de wereldlijke macht benoemt, zoo benoemt hij ook de priesters en de bisschoppen en heeft hij de juris­dictie en het opzicht over den geheelen clerus. Hij roept de synoden samen, en heeft wetgevende macht ook in kerkelijke zaken. De ker­kelijke macht is zuiver geestelijk. Daaruit volgt, dat er geen wezenlijk onderscheid bestaat in de verschillende ambten. Geen bisschop mag heerschen over de priesters, geen paus over de bisschoppen. In de oude kerk waren priester en bisschop identisch. Het pauselijke recht bindt de gewetens niet. Rechtens kan er slechts een pausdom zijn door den wil des volks en der conciliën, en zijn macht gaat niet verder dan om opzicht te houden over het kerkelijke leven, de regeling der concilies, het beslechten van geschillen, enz. Moeten de ketters gestraft worden, dan treedt de overheid op. Niet de priesters zijn de kerk, want de kerk is eene vergadering van geloovigen. Alleen God vergeeft de schuld, en spreekt het oordeel der verdoemenis uit. Het geloof hangt niet af van de priesters, maar de regel des geloofs is de H. Schrift. De pauselijke macht is de grootste hindernis voor het geluk en den vrede der wereld. De geestelijkheid is tot armoede geroepen.


1) Sander R.E.3 Art. Dante. Schirmer, Dante Allighieris Stellung zur Kirche und Staat, Dusseldorf, 1891. E. Friedberg, Kirchenrecht S. 56.
2) Gieseler, Lehrb. d. Kirchengesch. II, 3, S. 30. Friedberg, Die mittelalterischen Lehren über das Verhältnis von Staat und Kirche Z.K.R. VIII, 121 f. Seeberg, Dogmengesch. III 411. F. Wagner, Das natürliche Sittengesetz nach der Lehre des Thomas von Aquin, 1911.

|187|

Nauw was dit boek in Avignon bekend, of de paus verzocht ­geleerden als Willem de Amedanis, den Augustijner generaal, den jurist Herman van Schildesche en anderen, om het boek te bestrijden. Maar er waren, vooral onder de Minorieten, warme verdedigers van Mar­silius o.a. Michael van Cesena en Willem van Occam. Vooral Occam bestreed, met een in gal gedoopte pen, den paus.

Evenals Marsilius stelde ook Willem van Occam, † 1349, dat de macht van den paus zich beperkte tot de geestelijke dingen, in wereldlijke dingen moest hij alleen zorgen voor het onderhoud en de handhaving van de orde in de kerk. De apostelen hadden geen wereldlijke macht, en waren aan de overheid gehoorzaam. Al moge de monarchie de beste staatsvorm zijn, in de kerk is geen monarchische regeeringsvorm dan die van Christus, het hoofd der kerk. In normale omstandigheden zijn kerk en overheid van elkander onafhankelijk en zelfstandig. Maar als de een door den andere schade lijdt, dan moet volgens den regel van Aristoteles het recht, naar den maatstaf van de billijkheid en naar het algemeene welzijn, worden aangevuld. In noodgevallen kan dus de paus gerechtigd zijn, een vorst af te zetten en het rijk aan een anderen vorst over te dragen, maar ook kan het noodig zijn, dat de overheid in de kerk de leiding neemt. Het kan noodig worden dat de ééne kerk in onderscheidene landskerken uiteenvalt, en dat een leek, mits hij maar een geloovige is, rechten in de kerk uitoefent. Want Christus heeft niet beloofd, dat de gansche Christenheid of de meerderheid der Christenen, of de hiërarchie, of het pausdom bij het rechte geloof zal blijven, maar dat dit geloof in de kerk zal blijven, al was het dan ook slechts bij de kleine kinderen. Daarom is ook een algemeen concilie niet onfeilbaar, al is het ook in de eerste plaats geroepen, te oordeelen over den paus. Ook de leeken, bovenal de vorsten, als vertegenwoordigers van de Christelijke onderdanen, zijn geroepen, het rechte geloof te beschermen, als de hiërarchie haar plicht niet doet. Want over het recht, in de zaken der kerk mee te spreken, beslist ten slotte het geloof. Terwijl dus Marsilius de verhouding van kerk en staat grondt op de volks­souvereiniteit, wordt door Occam slechts een klein deel van deze gedachte, en dat voor noodgevallen, op het kerkelijk gebied overgedragen. Maar toch heeft deze gedachte grooten invloed geoefend, ook op het latere territoriale stelsel1).

De kerk had langzamerhand heel het leven weten te beheerschen,


1) K. Müller, Kirchengeschichte II, 1902, S. 29-31. F. v. Bezold, Die Lehre von der Volkssouveränität während des M.A. in Hist. Zeitschr. herausg. v. Sybel, 36, 313, 1876. A. Dorner, Staat und Kirche nach Occam, in Theol. Stud. u. Krit. 1886, 672 ff. R. Seeberg, W. von Ockam, R.E.3 XIV, Hauck, Kirchengesch. Deutschlands V. 535, 558.

|188|

zij had de leiding in de cultuur, de scholen stonden voor een groot deel onder hare leiding, de ambten waren in vele staten in handen van kerkelijke waardigheidsbekleeders, bijna alle inrichtingen van barmhartigheid stonden onder invloed of onder het beheer van de kerk. Zij stond in hoog aanzien als van goddelijken oorsprong, zij had macht door haar rijkdom en door hare vele geschoolde mannen. De wereldlijke machthebbers hadden zeer aan macht en invloed verloren, de band tusschen de regeering en de prelaten was losgemaakt, de algemeene kerk had de grenzen van de rijken, evenals die van de bisdommen, uitgewischt, de vorsten hadden over het algemeen veel minder met de bisschoppen als met den paus te doen. Maar sedert het einde der dertiende eeuw trachtten de vorsten hun verloren invloed te herwinnen, door hunne rechten te reserveeren op de bezetting van de plaatsen als op de kerkelijke inkomsten.

Hierbij kwam het patronaat of het jus advocatiae. Advocatus ecclesae of kerkvoogd was een persoon, die met de uiterlijke bescherming van kerkelijke stichtingen belast was. Reeds in het Romeinsche rijk had de kerk het recht een verdediger te nemen uit het college van advocaten, met de bevoegdheid, door hem onmiddellijk te komen tot de hoogste beambten1).

Ook in het Merovingische rijk waren er zaakwaarnemers der kerk, die den naam droegen van: agentes, advocati, defensores. In den Karolingischen tijd was, in overeenstemming met het streven om de geestelijken buiten de wereldlijke zaken te houden, bepaald, dat de bisschoppen, abten en abdissen zulke voogden moesten hebben. Dit ambt van kerkvoogd was nog niet voor heel het leven en ook niet overerfelijk, maar reeds aan het einde der negende eeuw komt het voor, dat een stichter der kerk de vertegenwoordiging der kerk voor zich zelven of voor zijne erven voorbehoudt. Bij de ontwikkeling der immuniteitsrechten (vrijstelling van belasting, van krijgsdiensten enz.) voor kerken, kloosters en stichtingen, hadden deze stichtingen ook zulke beambten of advocaten noodig, die hare rechten tegenover den staat behartigden. De koning was de opperste kerkvoogd, en be­noemde de kerkvoogden. Maakte de koning van dit recht geen gebruik, dan kon men vrij kiezen, mits de voogd door den graaf, die het veto had, in het ambt werd gesteld. Ook moest de voogd in het graafschap, waarin hij zijne voogdij waarnam, grondbezit hebben. In den na-Frankischen tijd werd deze voogdij een drukkende last


1) Can. 3 No. 97 van het Conc. van Carthago, 407, luidt: „De tot den keizer reizende gezanten van de synode, Vincentius en Fortunatius, moeten ook verzoeken, dat voor de kerk bijzondere advocaten mogen worden aangesteld. De aan het hof gezondene legaten moeten een vrije legatio, d.i. een onbeperkte volmacht hebben.” Hefele, Conc. Geschichte II. 100, cf. Cod. Theod. XVI, 2.

|189|

voor de kerk. De voogden maakten misbruik van hunne rechten, roofden soms de goederen en wilden den invloed of het recht van de bisschoppen op de goederen tegengaan. De kerken trachtten zich tegenover deze voogdij te beschermen door keizerlijke privilegiën, lieten de oorspronkelijke wetten opsporen en vaststellen, maar het werd eerst beter, toen de pausen zich mengden in de innerlijke aan­gelegenheden der Christelijke staten, en zich tegen de wereldlijke macht en hare misbruiken verzetten. Toen Urbanus III het voogdij­recht wilde beperken, verklaarden de bisschoppen op den rijksdag van Gelnhausen (1186) zich hiertegen met het argument, dat het voogdijrecht door den tijd geheiligd was. Eerst Innocentius III heeft Otto IV en Frederik II verplicht, de kerken tegen de voogden te beschermen.

Naast het voogdijrecht had zich het patronaatsrecht ontwikkeld. Reeds volgens de wetten van Justinianus bezat ieder, die eene kerk bouwde, of voor de geestelijken eener kerk het onderhoud verzekerde, het recht, de geestelijken aan den bisschop voor te stellen. Achtte de bisschop hen volgens de canones geschikt, dan moest hij ze aanstellen. Hieraan werd spoedig verbonden de zorg voor en het toezicht op het vermogen der kerk en het recht, administrateurs te benoemen. Al deze rechten gingen over op de erfgenamen. In ’t westen vinden wij het eerste spoor van het patronaat op de synode van Oranges (441), waar aan den bisschop het recht toegekend wordt, wanneer hij in eene andere diocese eene kerk opricht, de geestelijken te presenteeren. Later werd aan stichters van kapittels, oratoriën en kloosters dat recht toegekend. Deze voorrechten grondden zich in het streven, om stichters van kerken en kloosters te beloonen voor den dienst, door hen aan de Christenheid bewezen. De eigenlijke oorsprong van het patronaat­recht is gelegen in de Germaansche rechtsbeschouwing omtrent den eigendom en het leenwezen. De Germaan was als eigenaar van een stuk grond ook heer van al de roerende goederen, die daarop waren, ook van al de gebouwen, die zich daarop bevonden. Hij kon deze behouden of verkoopen, begiftigen met geschenken enz. Hij kon voor de kerken geestelijken benoemen, maar mocht volgens eene bepaling van Karel den Groote (794) de kerkgebouwen niet van hare be­stemming vervreemden. De geestelijken, aan zulke kerken verbonden, waren afhankelijk van den grondbezitter, zijne hoorigen. De be­palingen van het leenwezen droeg men over op deze verhoudingen, en de heer werd de patroon, advocatus, senior of voogd van de kerk, hare goederen en hare geestelijken. De kerk erkende dit recht niet, wilde, dat de gebouwen kerkelijk werden gewijd, maar stond den stichters rechten toe, het beheer van het vermogen en het benoemingsrecht,

|190|

maar na de benoeming was de bisschoppelijke bevestiging noodig. Koningen en vorsten handelden ook zoo met de bisdommen en beschouwden de kerkelijke goederen als hun leenbezit. De kerk protesteerde tegen dat recht, en sedert het edict van Worms 1122)en vooral door Innocentius III, werd het patronaatsrecht een kerkelijk rechtsinstituut. In het canonieke recht wordt het patronaatsrecht aldus omschreven: „Patronum faciunt dos, aedificatio, fundus”. Het word ipso jure verkregen door fundatio, waarvoor toestemming der kerkelijke overheid noodig was. De fundus is de schenking van den grond en van de goederen, noodig voor het onderhoud. De aedificatio is de stichting der kerk, terwijl de dotatio is het verleenen van goederen waartoe de bouwer verplicht is, wanneer de wijding van het gebouw geschied is.

Door de voogden en patronen werd veelvuldig van dit recht misbruik gemaakt. Alle middelen, om tegen te gaan, dat zij de goederen ten eigen bate gebruikten, hielpen weinig. Dit gevaar werd te grooter sedert de voogdijen, vooral van de kloosters in de Duitsche landen in de handen van de landsheeren waren overgegaan. Daardoor kregen deze, in den tijd, dat de kerk in macht en aanzien daalde, een rechtsmiddel in hunne handen, om in de innerlijke aangelegenheden der kerk in te grijpen.

De landsheeren beproefden in dezen tijd de macht van eigen land te versterken, alle krachten in eigen land in dienst der regeering te stellen, geschikte ambtenaren te verkrijgen en te zorgen, dat de invloed der kerk van buiten werd geneutraliseerd. Frankrijk was het eerste land, dat dezen weg insloeg en de andere landen volgden weldra. Een middel, om invloed te verkrijgen op de bezetting der plaatsen en op de belastingen, was vooral het placet, waarbij verboden en verhinderd werd, dat pauselijke bullen zonder verlof van de regeering in het land kwamen en uitgevoerd werden. Daarvoor kreeg de regeering een middel in de handen, in eigen land het recht te behouden over de bezetting van plaatsen, over de belasting en de rechtspraak. In de tweede plaats zocht men de bevoegdheid van de geestelijke rechtbanken in te perken, te verhinderen, dat een buiten­landsche geestelijke macht in de zaken des lands of der burgerij kon ingrijpen en dat een burgerlijke partij een andere voor een geestelijke rechtbank kon dagen. Bij de pragmatieke sanctie van Bourges, 7 Juni 1438, werd het beginsel uitgesproken, dat het algemeene concilie staat boven den paus, werd aan de aanmatigingen van den paus een einde gemaakt door de herstelling van de kiesvrijheid der kapittels, door de afschaffing van de reservationes (de door den paus voor de absolutie gereserveerde zonden en censuren), van de expectativa (de aanspraken

|191|

op de beneficiën) en van de annata (de opbrengst van het ambt in het eerste jaar, thans nog een vaste geldsom). Bij het concordaat van 1516 werd wel aan de stelling, dat de conciliën boven den paus stonden, een einde gemaakt en kreeg de paus de hoogste kerkelijke rechtspraak en het genot van de vroegere inkomsten terug, maar aan den koning bleef een beperkt benoemingsrecht en een groot deel van de inkomsten der kerk. Tevens behield de koning door de appellatio tanquam ab abuso het recht, dat van elke kerkelijke uitspraak geappelleerd kon worden op de koninklijke rechtbank. Ook in Spanje wist de kroon de kerk aan zich te onderwerpen, en krachtens pauselijke volmacht door de inquisitie heel de kerk te beheerschen. Alle pauselijke bullen werden aan een bewilliging (placet) onderworpen. Ook in de Scandinavische rijken, in Polen en Hongarije, kreeg de regeering het zeggenschap over de kerk. Eveneens kregen de Duitsche landsheeren het recht hunne macht over de kerk uit te oefenen, en zich te mengen in kerkelijke aangelegenheden1).

Tijdens het pauselijk schisma (1378-1429) werd de droeve toestand der kerk al duidelijker. Twee pausen, elk omringd door een college van kardinalen, zochten de macht in de kerk te verkrijgen. De kerk werd verwaarloosd en gescheurd. De noodzakelijkheid van reformatie werd algemeen gevoeld. Een groot deel der bisschoppen, gesteund door de vorsten, waagde een ernstige poging, de kerk in hoofd en leden te reformeeren. Zij wilden een orgaan, dat stond boven den paus. Zij wilden de kerkelijke monarchie van Gregorius VII opheffen en de aristocratische inrichting der kerk herstellen. Maar omdat zij geen reformatie zochten van den geest der kerk, was hunne poging reeds van te voren met onvruchtbaarheid geslagen.

Deze zoogenoemde episcopaalsche richting beheerschte de synode van Pisa (1409), waar kostelijke gedachten werden uitgesproken, o.a. dat de kerk is eene vergadering van geloovigen, dat de kerk zelve is de bezitster van de macht in de kerk, en dat, hoewel geen algemeene synode zonder den paus kon handelen, zij dit wel kon in tijden van nood. Gerson sprak zelfs uit, dat in zulke gevallen de algemeene synode door den vorst kon bijeengeroepen worden2). Willem van Occam


1) O. Mejer, Die Grundlagen des lutherischen Kirchenregiments, 1864. H. Stutz, Pa­tronat R.E.3 15. A. Hauck, Kirchengeschichte Deutschlands V. Wilh. Wintruf, Landes­herrl. Kirchenpolitik in Thüringen am Ausgang des Mittelalters, 1914. Hashagcn, Spät­mittelalterl. landesherrl. Kirchenregiment, Zeitschr. f. Kirchengeschichte, 1922, IV, 63 ff.
2) Joh. Gerson zegt de unitate ecclesiae (1409 Hagae 2, 2, 114): Unitas ecclesiae essentialis semper manet ad Christum sponsum suum, nam caput ecclesiae Christus .... Et si non habet vicarium, dum scilicet mortuus est corporaliter vel civiliter; vel quia non est cxpectandum, quod unquam sibi vel successoribus suis obedientia praestetur a Christianis; tunc ecclesia tam divino quam naturali iure cui nullum obviat jus positivum rite intellectum, potest ad procurandum sibi vicarium unum et certum semet con­gregare ad consilium generale, representans eam, et hoc non solum auctoritate dd. Cardinalium, sed etiam adjutorio et auxilio cuiuscumque principis vel alterius christiani. Langen, Gesch. d. röm. Kirche 3, 315 ff.

|192|

verlangde zelfs, dat de leden der synode door de keuze van de kerk konden worden benoemd, en wel zoo, dat men trapsgewijze opklom van de kleinste gemeente tot de nationale synode, waarop ook leeken, met name de vorsten, konden verschijnen.

Toen het concilie van Pisa zonder het gewenschte resultaat bleef, werd een nieuw concilie te Constanz (1414-1418) samengeroepen. Op deze synode kwamen niet alleen de bisschoppen en de geestelijken, maar ook vorsten, als vertegenwoordigers der leeken, en de represen­tanten van andere kringen in de kerk, zooals de universiteiten, de doctoren en de magisters, die met beslissende stem zitting namen. De natiën, als de hoofdgroepen der Christenheid, waren vertegenwoordigd. Er werd uitgesproken, dat de synode niet alleen in den noodstand, waarin de kerk verkeerde, maar in het algemeen zeggenschap had over den paus1). Maar de ingrijpende maatregel stuitte terug op den tegenstand van den paus en de pauselijke partij. De annaten werden opgeheven, het beroep op Rome werd beperkt, tegen het reserveeren van kerkelijke ambten door den paus, en tegen de gewoonte der geestelijken, om bijzitten te houden, werden besluiten genomen. Doch hierbij bleef het ook. De gewenschte reformatie kwam niet. Men verschoof naar de toekomst, wat in het heden nodig was2).

Het concilie van Bazel (1441-1443) bevestigde het werk van de synode van Constanz. Paus Eugenius IV maakte met betrekking tot de verhouding van paus en concilie zijne reserves (22 Juli 1446), om­trent de rechten van de pauselijke stoel, welke van de zijde van het Duitsche rijk in het Weener concordaat, 17 Febr. 1448, uitdrukkelijk zijn erkend. Zoo werd, nadat de machtigste rijksvorsten door beloften waren gewonnen, elke doorwerking van de hervormingsconcilies geneutraliseerd3). Het pausdom greep zelf weer naar de teugels van het gezag. Ofschoon zij door het streven der landen naar uitbreiding van eigen macht, en door het diepe bederf van de pausen, niet hun doel konden bereiken, hielden zij toch vast aan het beginsel, door Gregorius uitgesproken.


1) Hefele, Conciliengeschichte VII, 249 f.
2) Hefele, Conciliengeschichte VII 375 f. Besz, Zur Geschichte des Konst. Konzils, 1891.
3) Hoe weinig de paus zich door een concordaat gebonden achtte, bewijst de brief van Calixtus III aan keizer Frederik III (1457): Non est intentionis nostrae.... con­cordatis ipsis contravenire: Quinimo quamvis liberrima sit Apostolicae sedis auctoritas, nullisque debeat pactionum vinculis coherceri ex mera tamen liberalitate nostra, ex zelo quem gerimus ad pacem, ex charitate qua te tuamque nationem prosequimur, concordatis ipsis locum esse volumus. Friedberg, Lehrbuch des Kirchenrechts, 1903, S. 54. Hefele, Conciliengeschichte VIII, 92 f.

Bouwman, H. (1928) § 17

|193|

§ 17. De Roomsch-katholieke kerk.

Het streven van de concilies der 15de eeuw heeft niet de ver­wachte vruchten opgeleverd, en hun grondbeginsel is op het vijfde Lateraansche concilie (1512) verworpen. In de elfde zitting dezer synode werd verklaard, dat de paus het volle recht en de bevoegdheid bezit, conciliën uit te schrijven, te verleggen en te doen eindigen. De paus staat boven de conciliën1) De Reformatie, die terugkeerde tot de oorspronkelijke Christelijke apostolische kerk, de leer der genade in bijbelschen zin verkondigde, de religie los­maakte uit de handen der onfeilbare kerk, alle middelaarschap der kerk bij den wortel afsneed en de verhouding van kerk en zedelijkheid radicaal omkeerde, werd aanleiding, dat de Roomsch-katholieke kerk moest nadenken over zichzelve en moest streven naar zelfbehoud. En het resultaat van de Roomsche zelfbezinning was, dat zij op het concilie van Trente2) wel allerlei misbruiken terzijde stelde, maar dat zij wezenlijk in niets verandering aanbracht, dat zij de Schrift en de traditie als gelijkwaardige bronnen van goddelijke autoriteit naast elkander stelde, de uitlegging der Schrift bond aan de over­levering der vaderen en de kerk als goddelijke heilsinrichting, ge­regeerd door de hiërarchie, met den paus aan het hoofd, stelde als de middelares der zaligheid. Wel sprak het concilie van Trente zich niet direct uit over het papale systeem, maar omdat het voor zijne besluiten de pauselijke sanctie vroeg of toeliet, schreef het feitelijk aan den paus eene hoogere macht toe dan aan het concilie. Ook werden alle hervormingsbesluiten van het concilie regelrecht van­uit Rome ingevoerd. Zoo kreeg het pauselijke stelsel nieuwen steun. Vooral door den machtigen steun der Jezuieten zette de paus zijne politiek ook tegenover de regeeringen door en ondervond hij ook in Duitschland geen tegenspraak van de zijde der bisschoppen. Even­eens trachtten de pausen door hunne legaten en nuntiussen de bisschoppelijke rechten aan banden te leggen. Het concilie van Trente had bepaald in de 14e zitting, dat de pauselijke legaten, in de uitoefening van hunne jurisdictie, niet met de bisschoppen mochten concurreeren. Maar desniettemin richtten de pausen sedert de 16de eeuw vaste nuntiaturen op met groote volmacht, en de oppositie, die daartegen ontstond, was niet bij machte het goddelijk gezag, waarop het pau­selijke primaat aanspraak maakte, te breken.


1) Hefele, Conciliengeschichte VIII. 497-735.
2) L. von Ranke, Die römischen Päpste, I. Chemnitz, Exam. conc. Trid. 1565. Grisar, Die Frage des päpstlichen Primats, Ztschr. f. Kath. Theol. 1884. Müller, Symbolik, S. 64 ff. Karl Müller, Kirchengeschichte III, 1919, S. 158.

|194|

In Frankrijk, waar de besluiten van Trente niet werden aange­nomen, kwam de pauselijke hiërarchie met de onbeperkte monarchie van Lodewijk XIV in botsing. Volgens de beginselen, steeds door de Fransche koningen gehuldigd, liet Lodewijk door zijne theologen in 1682 eene verklaring geven, in welke de beginselen, door Pierre Pithou in zijn „Libertés de l’Eglise gallicane” (1594) neergelegd, waren uitgewerkt: 1. Petrus en zijne opvolgers hebben van God slechts macht in geestelijke, niet in wereldlijke zaken ontvangen; 2. deze macht is beperkt door de besluiten van Constanz over de autoriteit der conciliën; 3. deze macht is beperkt door de voorschriften en gebruiken der Gallicaansche kerk; 4. „Zelfs in de vragen van het geloof is de beslissing van den paus niet onverbeterlijk, zoolang hij de toestemming der kerk niet heeft” 1). Tegen deze aanranding van het pauselijk primaat verzetten zich op tamme wijze de Sorbonne en over het algemeen de kloosterlingen. Doch tegen de geschriften, die van pauselijke zijde verschenen, schreef Bossuet op last des konings zijne „Defensio declarationis”. Uit Spanje, Hongarije, Italië en Vlaanderen gingen stemmen op tegen de 4 stellingen, maar de koning handhaafde zijn houding met zijn koninklijk gezag.

In Duitschland kwam in de 17de en 18de eeuw al sterker de richting naar voren, die de kerk wilde knechten onder den staat, en een Duitsch-nationale kerk beoogde. De voorlooper van deze episcopaalsche richting was de professor van Leuven, Van Espen, die zelf onder den invloed der Jansenistische en Gallicaansche beginselen stond. Zijn leerling Nicolaas von Hontheim, wijbisschop van Trier, gaf in 1763, (toen Clemens XIII (1758-1768) in strijd met het huis Bourbon gewikkeld was), onder den naam van Justus Febronius een werk: „De l’ Etat, de l’ Eglise et de la légitime puissance du pontife romain” uit, waarin hij het primaat en de onfeilbaarheid van den paus bestreed en de hoogste autoriteit van de algemeene concilies en de onafhankelijkheid der bisschoppen tegenover de pausen krachtig verdedigde Dit Febroniaansch streven2) vond instemming bij sommige vorst bisschoppen in Duitschland, en kreeg steun in de praktische politiek van Jozef II. Jozef trachtte de kerk vrij te maken van invloeden van buiten, haar te brengen onder contrôle van de regeering, haar te maken tot een instituut voor volksopvoeding, alle kloosters, die niet de opvoeding, de wetenschap of de ziekenzorg dienden, op te heffen en de vrijgeworden goederen ten algemeenen nutte of ten behoeve van de kerk zelve aan te wenden. Maar de stichting van Jozef kon den tijd niet verduren. Door onpraktische toepassing stuitte zijne


1) L. von Ranke, Die röm. Päpste III. 114. Französische Geschichte III. 360-372. Duynstee, Kerk en staat I. 128-133.
2) Zie boven, blz. 40.

|195|

hervorming op verzet en met zijnen dood (1790) was zijn schepping reeds weder te niet gegaan. Een tijdlang hadden de vorst-bisschoppen van Salzburg, Mainz, Keulen en Trier geijverd tegen den paus. Toen de paus in 1785 te München een nuntiatuur oprichtte, verzetten deze 4 bisschoppen zich tegen het pauselijk streven en stelden op de Emser punctuatio, die, in aansluiting aan de hervormingsbeweging der conciliën in de 15de eeuw, beoogde de zelfstandigheid van de Duitsche kerk tegenover de curie, afwijzing van de pauselijke aan­matigingen en afschaffing van de nuntiaturen1). Doch deze zelfstandigheidsbeweging was meer gegrond in hunne aartsbisschoppelijke en landsheerlijke belangen, dan in godsdienstig-reformatorische begin­selen, en was daarom in zich zelve krachteloos.

De Fransche revolutie bracht den strijd tusschen het episcopalisme en het pauselijke systeem op den achtergrond, omdat de revolutie zich keerde tegen de kerk en den godsdienst en omdat de kerk, innerlijk vervallen en machteloos, haar invloed op het volksleven had verloren. En toen de revolutie voorbij was, trachtten de bisschoppen wel het verloren terrein te herwinnen, maar tevergeefs. In Duitschland stierven, na het Weener Congres, de laatste aanhangers van Jozef II langzamerhand uit en in Frankrijk waren, toen Napoleon in 1801 een concordaat sloot met den paus, de bisschoppen reeds lang in het pauselijke kamp overgegaan. Zoowel in Frankrijk als in Duitschland sloten de regeeringen een concordaat met den paus. Napoleon, die met zijn scherpen blik doorzag, dat hij een volk zonder kerk en godsdienst niet kon regeeren, wendde zich al spoedig tot den paus, en sloot in 1801 met Pius VII een concordaat2). Willekeurig handelde Napoleon met de kerk, en met den paus, en toen de paus zijne rechten tegenover den keizer wilde handhaven, werd de paus gevangen genomen, en werden de Gallicaansche artikelen van 1682 tot rijkswet verklaard (1810). Nadat het Weener Congres de orde in Europa had hersteld, en de kerkelijke staat bijna geheel weer aan den paus was gegeven, trachtte deze ook zijn oude macht te herkrijgen. De propa­ganda begon met nieuwen ijver, en de nieuwe bouw van de hiër­archische organisatie nam een aanvang. Vooral onder Pius IX (1846-1875) werd de ultramontaansche beweging, die beoogde absolute concentratie van de macht der kerk in den paus en volkomen onaf­hankelijkheid van den paus tegenover de bisschoppen, krachtig. In de Encycliek „Quanta cura” en in de aan haar toegevoegde Syllabus


1) Carl Mirbt, Emser Kongresz R.E.3 5. H. Brück, Die rationalistischen Bestrebungen in Kathol. Deutschland in der 2 Hälfte des 18 Jahrhunderts, Mainz 1865; Hergenröther, Handbuch d. alg. Kirchengeschichte, 1909, III. 625.
2) Over de beteekenis van een concordaat, zie boven, bl. 25.

|196|

(1864) veroordeelde hij de geheele moderne cultuur en poneerde hij de ultramontaansche gedachte van de absolute pauselijke macht. Het papale systeem kwam door de besluiten van het Vaticaansche concilie tot voltooiing. Het Concilie werd 8 Dec. 1869 geopend, het veroordeelde alle uit het rationalisme voortkomende dwalingen en verklaarde de onfeilbaarheid van den paus als een dogma der kerk1).

In de Roomsch-Katholieke kerk zijn met betrekking tot de wetgeving nog dezelfde beschouwingen geldig, als die in de 13e eeuw zijn vast­gesteld. Door het Vaticaansch Concilie zijn ze echter eenigszins nader ontwikkeld. De bevoegdheid, bindende wetten voor de geheele kerk te geven, komt naar het geldend recht zoowel den paus als het concilie toe. Het concilie bezit dit recht als het representatief orgaan der kerk en de paus krachtens zijn primaat. Evenwel kan een besluit van het concilie slechts als een wet van den paus beschouwd worden, omdat het de bindende kracht eerst ontvangt door een pauselijk decreet, en omdat een concilie slechts als senaat kan medewerken tot de voor­bereiding van een wet. De kerk is met al zijne priesters en zijne leden een georganiseerde, geheel onafhankelijke heilsinrichting. In haar oefent de paus, uit kracht van zijn primaat, een souvereine macht uit, welke beantwoordt aan de souvereine staatsmacht op haar terrein. De wetgevende macht des pausen is onafhankelijk van alle andere kerkelijke of wereldlijke organen, en zijne verorde­ningen binden alleen daarom, omdat hij ze heeft uitgevaardigd. Voorts heeft naar het pauselijke recht de paus zelf de bevoegdheid, de grenzen zijner werkzaamheid vast te stellen. Al kan volgens het moderne recht de paus zijne werkzaamheid slechts uitstrekken binnen de grenzen van het kerkelijk terrein, de paus blijft desniettemin vasthouden aan de beginselen, door Gregorius VII ontwik­keld, dat ook de wereldlijke regeering leeft bij de gratie van den


1) Het concilie decreteerde 18 Juli 1870 in Constitutio de ecclesia c. 3: Si quis itaque dixerit, Romanum Pontificem habere tantummodo officium inspectionis vel directi­onis, non autem plenam et supremam potestatem jurisdictionis, in universam Ecclesiam, non solum in rebus, quae ad fidem et mores, sed etiam in iis, quae ad disciplinam et regimen Ecclesiae per totum orbem diffusae pertinent: aut eum habere tantum po­tiores partes, non vero totam plenitudinem huius supremae potestatis; aut hanc eius potestatem non esse ordinariam et immediatam sive in omnes ac singulas ecclesias, sive in omnes et singulos pastores et fideles, anathema sit. c. 4: Itaque Nos traditioni a fidei Christianae exordio praeceptae fideliter inhaerendo, ad Dei salvatoris nostri gloriam, religionis catholicae exaltationem et Christianorum populorum salutem, sacro approbante Concilio, docemus et divinitus revelatum dogma esse declaramus Romanum Pontificem, cum ex cathedra loquitur, id est, cum omnium Christianorum Pastoris et Doctoris munere fungens, pro suprema sua Apostolica auctoritate doc­trinam de fide, vel moribus ab universa Ecclesia tenendam definit, per assistentiam divinam, ipsi in beato Petro promissam, ea infallibilitate pollere, qua divinus Red­emptor Ecclesiam suam in definienda doctrina de fide vel moribus instructam esse voluit; ideoque eiusmodi Romani Pontificis definitiones ex sese, non autum ex con­sensu Ecclesiae irreformabiles esse. Si quis autum huic Nostrae definitioni contra­dicere, quod Deus avertat, praesumpserit, anathema sit.

|197|

paus1), en deze heeft het recht het bij de kerk behoorende gebied af te bakenen.

Maar dit niet alleen, uit deze Middeleeuwsche leer volgt ook, dat de kerk, als de ware staat, heel de wereldlijke machtsbevoegdheid in haar hand vereenigt en dat de paus de opperste wetgever in alle wereldlijke dingen is. Wel is naar de Middeleeuwsche beschouwing de wereldlijke macht van de kerkelijke gescheiden, maar het beginsel dezer scheiding hangt af van de wijze waarop de wereldlijke overheid hare macht binnen het terrein, haar door de kerk aangewezen, uit­oefent. Omdat de staat de kerkelijke orde moet dienen, heeft de kerk het recht, toezicht te houden op de wetgeving en de daden der wereld­lijke overheid, en desnoods in de wereldlijke regeering in te grijpen. Daarom is ook de paus bevoegd, om wereldlijke wetten, die in strijd zijn met de moraal en de billijkheid en met de rechten der kerk, te casseeren en andere regelen daarvoor in de plaats te stellen.

Omdat de kerk van deze rechten niet meer gebruik kon maken, heeft men van de zijde der Duitsche centrumpartij de coördinatie­theorie opgesteld, volgens welke staat en kerk, elk voor zijn eigen rechtssfeer, onafhankelijk naast elkander staan. Maar afgedacht daarvan, dat deze theorie de vraag, wat tot het gebied van de kerk en wat tot het terrein van den staat behoort, niet oplost, is deze gedachte door officiëele Roomsche schrijvers, als Liberatore („La chiesa e lo Stato”, Napels, 1871), als een gematigd liberalisme verworpen. Een andere theorie, die van de indirecte macht van de kerk over het wereldlijke, is geleerd door Bellarminus, Suarez, en anderen. Bellarminus leert in zijn: „De potestate summi pontificis in rebus temporalibus” (1604) tegenover de Gallicanen2), dat de paus indirecte macht heeft over de tijdelijke en wereldlijke dingen. Al is de paus niet rechtstreeks heer van de landen, zoo heeft hij toch uit een geestelijk oogpunt het beschikkingsrecht over de tijdelijke goederen der Christenheid. Is hij niet ordinarius judex der vorsten, zoo kan hij toch, wanneer het voor het heil der zielen noodig is, regna mutare; kan hij niet op gewone wijze burgerlijke wetten geven, hij kan toch terwille van het zielen­heil wetten krachteloos maken of sanctionneeren. Deze theorie heeft echter meer betrekking op den vorm dan op den inhoud en den omvang den kerkelijke hoogheidsrechten. Voorts is deze theorie, ofschoon zij den staat geheel aan de kerk onderwerpt, niet die van


1) Syllabus n. 34 „Doctrina comparantium Romanum pontificem principi libero et agenti in universa ecclesia, doctrina est quae medio aevo praevoluit”. Syllabus n. 20 veroordeelt den zin: Ecclesiastica potestas suam auctoritatem excercere non debet absque civili gubernii venia et consensu.
2) Hergenröther, Kath. Kirche und christl. Staat, 421 ff; Döllinger und Reusch, Die Selbstbiographie des Card. Bellarmin, Bonn, 1887, 105. Hinschius. Kirchenrecht III. 767.

|198|

het Middeleeuwsche papale systeem. Een derde theorie1), die van de potestas directiva, verklaart, dat de kerk behalve zijne kerkelijke roeping, slechts het recht en den plicht heeft, door leerbeslissingen, verklaringen en geboden op de vorsten en de volken in te werken, en wanneer staatswetten in strijd zijn met de kerkelijke bepalingen, te verklaren, wat voor God en voor het geweten moet geschieden. De kerk heeft volgens deze theorie geen macht over het staatkundig gebied, de veroordeeling der staatswetten heft hare geldigheid niet op, maar wel heeft de kerk het recht, de onderdanen vrij te maken voor hun geweten van den plicht, de staatswetten op te volgen. Ook deze theorie is niet in overeenstemming met het pauselijke recht. Volgens de Syllabus van 1864 heeft de kerk een directe of eene indirecte macht, en als zij niet een directe macht heeft, dan heeft zij toch een indirecte macht over het tijdelijke. In een brief van kardi­naal Antonelli, d.d. 19 Maart 1870, aan den nuntius te Parijs lezen wij: „De onderworpenheid van de burgerlijke macht aan de kerke­lijke vloeit voort uit den voorrang van de priesterschap over den staat” en: „Zoo hangt dan de autoriteit van den staat van die van de priesterschap af, evenals de menschelijke zaken van de goddelijke, de wereldlijke van de geestelijke dingen afhangen” 2).

Al de aanspraken van de Middeleeuwsche kerk inzake het papale systeem zijn duurzaam geïncorporeerd in het kerkelijke geloof en in het kerkelijke recht. Ook Leo XIII heeft in de encycliek van 1 Nov. 1885 „De Civitatum constitutione christiana” beslist, hoewel in conciliante vormen, de oude aanspraken gehandhaafd. In schoone bewoordingen wordt het geluk beschreven van den staat, die in de kerk bezit de maat voor zijne burgerlijke wetten. De kerk is de volkomene maatschappij, en de macht, die in haar woont, overtreft verre alle andere macht. De kerk toont in de verdragen tusschen paus en staatsmacht hare moederlijke liefde, wanneer zij toegeeft, zooveel zij kan. Het kwaad van de geloofs- en gewetensvrijheid heeft zijn wortel in de reformatie. Uitdrukkelijk wijst hij op den syllabus errorum, waarin de Katholieken een vasten grond hebben tegen de dwalingen des tijds. Met bijzondere voorliefde beroept zich de paus op Augustinus’ „de Civitate”, en verbindt hij de huidige beschouwing der Katholieke kerk onmiddellijk met haar historisch uitgangspunt.

De paus bepaalt dus, wat de leer van de Schrift en van de traditie is. Ubi papa, ibi ecclesia. Onderwerping aan den paus is voor alle menschen noodig tot zaligheid. De paus is de middelaar der zaligheid


1) Hergenröther, Kath. Kirche und christl. Staat, 448. Hinschius, Kirchenrecht III, 767; Martens, Beziehungen zwischen Kirche und Staat, 48.
2) Geciteerd bij Hinschius, Kirchenrecht III. 769.

|199|

de weg, de waarheid en het leven. Er ontbreekt nog maar aan, zegt Harnack, dat hij aangebeden wordt, maar dit is slechts een kwestie van tijd1).


1) Dogmengeschichte III (1890), 652.

Bouwman, H. (1928) § 18

§ 18. De Luthersche kerk.

De hoofdgedachten van Luther’s kerkbegrip vinden wij bij hem niet eerst ná zijne breuk met Rome, maar reeds in zijne ver­klaring van de Psalmen en in den brief aan de Romeinen2). In aansluiting aan de leer der scholastieken van de kerk als het mystieke lichaam van Christus, leerde Luther reeds in 1513, dat de kerk geestelijk en onzichtbaar was, eene gemeente der geloovigen, die slechts door het geloof gekend wordt3). Maar terwijl volgens de Middeleeuwsche scholastieken het sacrament is het genademiddel der kerk, in verband met de hiërarchie, heeft Luther van den beginne aan bijzonderen nadruk gelegd op het Woord. Het evangelie is de koningsschepter, waarmede Christus de kerk regeert4); door het Woord is de kerk gesticht en wordt zij nog altoos bewaard5); het Woord is de spijze, waarmede Christus de zijnen voedt6); het is de hemel, die boven de kerk gespannen is7). In de prediking des Woords werkt Christus zelf, en door het Woord, dat als Gods Woord onweder­standelijk is, worden de vijanden der kerk overwonnen8). Niet allen, die binnen de grenzen der zichtbare kerk zijn, behooren tot de ware kerk. Want in de kerk zijn velen, die zich voor het Woord sluiten9). Deze behooren in waarheid niet bij de kerk. Alleen de ware geloovigen, die door het geloof Christus ingelijfd zijn, vormen de ware kerk10).

Deze voorstelling vloeide bij Luther voort uit zijne leer van de rechtvaardiging uit het geloof. De gerechtigheid is niet een zedelijke volkomenheid, maar eene gave Gods, de gebondenheid aan God en Christus. Eerst door de gemeenschap met God ontstaat in den mensch een wezenlijk goede wil en de gehoorzaamheid aan God. En alleen


2) Terecht heeft Karl Holl, Gesammelte Aufsätze zur Kirchengeschichte I, 1923, S. 288, tegenover Grisar, die in zijn Luther IV, 775 schrijft, dat Luther’s neue Kirchenidee zuerst vorkommt in seinem Sermon über die Kraft des päpstlichen Bannes, den er im Sommer 1518 erscheinen liesz, dit betoogd.
3) Seeberg, Lehrb. d. Dogmengeschichte IV, 1917, S.279 Holl. Ges. Aufsätze S. 296.
4) Luther’s Werke, Weimarer Ausgabe III 32, 2.
5) W.A. III, 454, 25; 259, 18.
6) W.A. III, 139, 9.
7) W.A. IV, 173, 34.
8) W.A. IV, 208, 22; 229, 36; III 381, 25.
9) W.A. IV, 10, 22; 187, 6.
10) W.A. III, 89, 5; IV, 130, 36.

|200|

zij, die in Christus gerekend en door het Woord toegebracht zijn vormen de ware kerk. Geen uitwendige dwang houdt het lichaam van Christus bij elkander, maar de gehoorzaamheid des geloofs.

Daaruit volgde voor Luther de noodzakelijkheid van de uitwendige orde. Het evangelie moet worden verkondigd, er moet een plaats zijn, waar het evangelie wordt gepredikt, en een volk, dat zich daarom schaart, en waaruit de kerk van Christus uitgroeit. Hiermede was eene brug tusschen de onzichtbare en zichtbare kerk gelegd.

Deze gedachten hield hij de kerk, die hij zoo diep bedorven zag in leer en in leven, voor. Hij dacht toen nog niet aan eene breuk met Rome. Zelfs staat in 1516 voor hem het geloof in het pauselijk primaat nog vast. De werken en de verdiensten van Christus zijn in de handen van den paus1). De paus en de bisschoppen zijn door Christus gegeven terwille van de orde en de eenheid der kerk. De praelaten der katholieke kerk zijn de mond van Christus, en de predikers van het evangelie, die deel hebben aan den Geest, kunnen goede werktuigen zijn in de hand Gods. Zelfs toen Luther in 1517 de 95 stellingen tegen den aflaat aansloeg, had hij nog geen uitgewerkt plan tot reformatie der kerk. Hij wilde angstvallig elken schijn vermijden, om de zichtbare kerk te scheuren. Hij spreekt uit, dat „God niemand de schuld vergeeft, zonder hem in alle deelen den priester te onderwerpen” (thes. 7). Maar hij beperkt toch de bevoegdheid van het ambt door te verklaren: „De paus kan geen zondeschuld vergeven, anders dan dat hij verklaart en bevestigt, dat zij door God vergeven is” (thes. 6). Ook schoof hij de pauselijke decretalen, die bevestigden, dat de hiërarchie te beschikken had over de schat van de verdiensten der kerk, geheel ter zijde. Wel onderwierp hij zich nog aan de kerkelijke overheid, omdat dit is naar de ordening Gods, volgens Rom. 13, evenals men zich moet onderwerpen aan de wereldlijke overheden, maar niet meer volgens Matth. 16, als de bezitster van een eigensoortige goddelijke autoriteit2). En toen zijne tegenstanders hem steeds weer voor de vraag stelden, of hij de goddelijke autoriteit van het pausdom wilde erkennen, en zich ook in zijne leer aan den paus wilde onderwerpen, weigerde hij.

Sedert het verhoor voor Cajetanus (12-14 October 1518) was zijn beschouwing over de Roomsche kerk en het pausdom helderder en zijn toon vrijer geworden. Het pausdom is voor hem een heerschappij des gewelds over de Christenheid. Het heeft zich aangematigd, de kerk slechts daar te erkennen, waar de paus heerscht. Daarmede heeft hij de kerk van haar universeel en geestelijk karakter beroofd. Het heeft


1) W.A. I. 67.
2) W.A. I. 618, 32; 643, 2.

|201|

in zijn decretalen het evangelie gemaakt tot een drukkende wet; het heeft aan de kerk Christus ontnomen, en het mag daarom, evenmin als de Turken, aanspraak maken op de gehoorzaamheid. Daardoor geeft het aanleiding tot de vrees, dat in Rome de waarachtige antichrist regeert1).

Meer beslist nog sprak Luther zich uit op de Leipziger disputatie (Juli 1519) tegenover Eck. Eck’s stelling, die slechts op historische gronden rustte, dat Rome’s kerk reeds vóór Silvester’s tijd het hoofd van alle andere kerken geweest was, weerlegde Luther met een beroep op de Schrift, op het concilie van Nicea en de oude vaders, die den Roomschen paus niet het primaat toekenden. De Schrift alleen beslist en zij alleen is goddelijk recht2), en de Christenen hebben het recht, alles aan de duidelijke woorden der Schrift te toetsen.

Al spoedig na de Leipziger disputatie kwam Luther tot de volle klaarheid, dat vele conciliën hebben gedwaald en dat de geheele kerkelijke orde en ook het pausdom berust op het menschelijke recht. Papa solum humano jure est vicaris Christi3). Maar daaruit volgde terstond, dat men menschelijke ordeningen en vormen in de kerk kan dulden, inzoover deze zich niet aandienen als goddelijk recht en daar­om noodzakelijk voor de zaligheid. Men mag deze regelen volgen zoo­lang zij niet in strijd zijn met het goddelijke recht4). Het kanonieke recht rust op het pauselijke recht, en daardoor is het een vijand Gods, de katho­lieke leer is haeresie en de paus is de antichrist. De paus is niet de opvol­ger van Christus, maar van den Romeinschen keizer5). De Satan regeert in de pauselijke kerk6). De overlevering heeft slechts relatieve waarde. Geen Christen is verplicht te gelooven, wat boven de Schrift uitgaat7).

In 1520 verkondigde Luther tegenover den Franciscaner Alveld, die leerde, dat de kerk niet zonder aardsch hoofd kon bestaan, in zijn geschrift: „Von dem Papsttum zu Rom” de grondbeginselen van zijne leer der kerk. De kerk is niet een juridisch georganiseerd organisme, met het canonieke recht en de praelaten, maar „eine Versammlung aller Christgläubigen auf Erden”, en wel “eine Versammlung der Herzen in einem Glauben”, of „ein Gemein der Heiligen”, die door het geloof vergeving van zonden hebben8). Als het hoofd der gemeente stort Christus zijn „Sinn, Mut und Willen” der gemeente in. Woord en sacrament zijn de kenmerken dezer kerk. „Dan wo die tauff und Evangelium ist, da sol niemant zweyffeln, es sein heyligen da, und sollens gleich eytel kind in der wigen sein” 9).

De kerk is dus naar haar wezen onzichtbaar en voorwerp des geloofs. Zij bestaat uit heiligen, in den zin als waarvan Paulus spreekt, die


1) Karl Müller, Kirchengeschichte II. 1902, S. 232.
2) W.A. II. 279, 288, 355.
3) W.A. 433.
4) W.A. VI. 322.
5) W.A. XXX. 2, 490.
6) W.A. VII. 713.
7) W.A. II, 279.
8) W.A. VI. 292, 293.
9) W.A. VI, 301.

|202|

door God zijn gerechtvaardigd uit het geloof, en leden van Christus en erfgenamen des eeuwigen levens. Of en waar eene gemeente is, wordt uit zichtbare teekenen: evangelie en sacrament, openbaar. Waar de prediking des Woords en de bediening der sacramenten is, daar is ook een volk van heiligen en zijn de vruchten des geloofs. Wie echter waarlijk heiligen zijn, en welk werk vrucht des H. Geestes is, is met het uiterlijke oog niet waar te nemen. De geloovigen zijn alleen leden der kerk. Maar daarom wilde Luther nog niet op Donatis­tische wijze eene gemeente van louter heiligen. Want in de kerk zijn altoos de boozen met de goeden vermengd en „die ungläubigen Christen entheiligen nicht das volk Gottes”, terwijl ook den heiligen nog altoos het booze aankleeft. Evenwel wie gelooft, al is hij zwak en zondig, is lid van het volk Gods, en wie niet gelooft, is geen wezenlijk bestanddeel van het lichaam van Christus, ook al behoort hij uiterlijk daartoe. Zoo is de kerk gemeente van geloovigen en moeder der geloovigen.

Luther leerde dus, dat de kerk zichtbaar en onzichtbaar was1). Naar haar wezen is de kerk onzichtbaar. Zij is „eene vergadering van heiligen en ware geloovigen, in welke het evangelie recht wordt gepredikt en de sacramenten recht worden bediend”2). In den uiterlijken kring, in welken de genademiddelen worden uitgereikt, staan ook zij, die van de geloovigen niet te onderscheiden zijn en die toch onheilig zijn en blijven, en tot wie de naam „kerk” ook per synecdochen wordt uitgebreid. De Augustana en de Apologie onderscheiden met het oog hierop tusschen ecclesia propie et late dicta. Luther stelt dus niet een zichtbare en een onzichtbare kerk los naast elkander, zooals latere theologen deze wel gescheiden hebben, maar hij spreekt van eene heilige kerk of gemeente, wier wezen niet zichtbaar is, maar die zichtbaar wordt in de uiterlijke door God gegevene levensnormen, in de bediening van Woord en sacrament en in de vruchten des geloofs.

Hiermede was de uitwendig zichtbare kerkgemeenschap gegeven. Maar Luther ijvert zóózeer tegen de Roomsche kerk als inrichting3) en hij legt zóózeer nadruk op de kerk als vergadering van geloovigen, dat de institutair zichtbare kerk wel wat uit het oog verloren wordt. De heilswerking van het Woord Gods in de historisch door den Geest gevormde gemeenschap staat steeds voorop4). De kerk is volgens


1) Volgens Seeberg, Der Begriff der Christlichen Kirche S. 91 is deze onderscheiding voor het eerst gemaakt door Luther in de Responsio ad librum Ambrosii, Op. Erl. V.295, en niet door Zwingli, zooals Ritschl, Stud. u. Krit. 1859 „Ueber die Begriffe d. sichtb. u. unsichtb. Kirche” en Krauss, „Das Prot. Dogma v.d. unsichtb. Kirche” 1876 S. 17, beweerden. Maar Holl merkt, Ges. Aufsätze I. 3, 295, terecht op, dat deze strijd ijdel was, wijl Luther reeds in zijne „Psalmenvorlesung” en vooral in 1519 in zijn „Sermon von der Bereitung zum Sterben” heerlijke woorden schreef over de wezenlijke kracht van de onzichtbare gemeenschap en den zegen, die de Christen uit haar ontvangt.
2) Conf. Aug. VII. R, 11.
3) Apol. R. 146, 148.
4) Catech. Major. R. 499, 451.

|203|

Luther de moeder der geloovigen, inzoover zij de geloovigen in haar schoot ontvangt, voedt en leidt, maar de kerk als zedelijke gemeenschap, waarvan de leden tegenover elkander rechten en plichten hebben, treedt weinig naar voren. De persoonlijke zekerheid van de zaligheid was voor Luther hoofdzaak, en het moreele en de organisatie is voor hem bijzaak. Luthersche schrijvers verheerlijken Luther daarin, dat hij de eenheid der kerk vasthoudt, en de zichtbare en de onzichtbare kerk niet uiteenrukt. Maar Karl Müller zegt naar waarheid, dat deze eenheid wordt verkregen ten koste van de geheele verwaarlozing van de zichtbare kerk1). Luther heeft feitelijk slechts in zoover belang bij de zichtbare kerk als deze hem biedt de zaligheid door de bediening van Woord en sacrament. Bij deze kenteekenen der ware kerk blijft hij staan, en het sociologisch element, dat de geloovigen in zich den drang kennen om zich te vereenigen en naar den wil van Christus, den Koning der kerk, te organiseeren, komt bij Luther niet tot zijn recht. Karl Rieker zegt: “Für die lutherischen Christen is die sichtbare Kirche in Hauptsache nur eine gottesdienstliche Gemeinschaft, im Uebrigen aber sind ihm die weltlichen und natürlichen Formen der menschlichen Gesellschaft, wie Familie, Gemeinde; Staat, freie Genossen­schaften und Vereine der Ort, wo die Einzelnen ihren Christenberuf ausüben. Wohl ist auch für ihn die Kirche die Mutter, die jeden Christen gebiert und aufzieht, aber sie ist das nicht sowohl als Gemeinschaft (communio), denn als Anstalt, als Inhaberin und Verwalterin von Wort und Sacrament. Dem Reformierten ist sie vielmehr, nicht bloss eine gottesdienstliche Gemeinschaft, sondern überhaupt eine Gemein­schaft des Christlichen Lebens und Handelns, ein sozialer Organismus” 2).

Hieruit volgt, dat Luther wel iets van beteekenis deed voor den eeredienst, maar niet voor de organisatie. Zijne Deutsche Messe had vooral een paedagogisch doel, om het eenvoudige volk naar de kerk te lokken3), maar een eigen organisatie achtte Luther niet noodig. Eigenlijk is, zegt Luther4), het ambt van Woord en Sacrament te bedienen, aan allen gegeven, maar uit praktische oogmerken, omdat niet allen kunnen prediken en doopen, is een afzonderlijk predik­ambt ingesteld. Het eigenlijke geestelijke ambt in de gemeente is het predikambt, terwijl de grondstelling van het priesterschap der ge­loovigen niet zoozeer betrekking heeft op de rechtsorganisatie in de kerk, dan wel op de verhouding tot God. De organisatie der kerk was voor Luther een bijkomstige zaak. Desnoods was de pauselijke of bisschoppelijke regeering hem goed, als maar het Evangelie zuiver


1) Symbolik, S. 327.
2) Rieker, Grundsätze ref. Kirchenverfassung S. 67, 68.
3) Deutsche Messe, Einleitung, Luther’s Werke, Braunschweig 1892 VII, 162.
4) Auslegung des 110 Psalms.

|204|

gepredikt werd. Hadden de Roomsche bisschoppen, zooals men van Evangelische zijde hoopte, maar de pauselijke leer afgezworen en zich bij de Reformatie gevoegd, dan had de geheele kerkelijke organisatie in Duitschland kunnen blijven bestaan.

Ook voor de keuze van de predikers schiep Luther niet een eigen orgaan. In 1520 had Luther in: „An den Christlichen Adel deutscher Nation” gezegd, dat het predikambt niet staat boven de gemeente, en dat de geloovigen zoo noodig zelf iemand tot prediker konden kiezen en in het ambt zetten. In 1523 had hij aan de gemeente Leisnig geschreven; „dasz eine christliche Versammlung oder Gemeinde Recht und Macht habe, alle Lehre zu urtheilen und Lehrer zu berufen, ein ­und abzusetzen” 1). Maar toen een geestdriftig leerling van Luther het ideaal van een Christelijke Evangelische gemeente wilde realiseeren op de Homberger synode, 1526, raadde Luther, in weerwil van zijne principiëele goedkeuring, af, dit in te voeren. Oorspronkelijk stond Luther, in 1521 en nog later, het ideaal van eene Christelijke ge­meente, afgezonderd van de volksgemeente en van de massa die uiterlijk alleen behoort bij de kerk, voor oogen. Deze geloovigen nemen ook wel deel aan den godsdienst der groote gemeente, maar zij houden ook eigen vergaderingen met gebed, lezen van de Schrift, doop en avondmaal, oefening van barmhartigheid en tucht. „Aber” zegt Luther, „ich kann und mag noch nicht eine solche Gemeinde oder Versammlung ordnen oder ausrichten. Denn ich habe noch nicht Leute und Personen dazu; so sehe ich auch nicht viele, die dazu dringen. Kommt’s aber, dasz ich es thun muss und dazu gedrungen werde, dass ich’s aus gutem Gewissen nicht lassen kann, so wil ich das Meine gern dazu thun und auf das Beste, so ich vermag, helfen” 2).

Omtrent de verhouding van kerk en overheid had Luther niet een afgeronde voorstelling. Hij ging uit van de grondstelling: alle over­heid is van God. Men moet echter niet scheiden tusschen kerkelijke en wereldlijke macht. De kerk heeft het geestelijk regiment, hetwelk zij uitoefent door woord en sacrament. Daarom mag zij het burgerlijke leven niet aan zich onderwerpen, zooals het pauselijke stelsel doet. En omgekeerd heeft de overheid niets te zeggen inzake het evangelie. Het gebied van geloof en geweten is haar onttrokken. „Das Reich Christi geht dem Römischen Kaiser gar nicht an”.

De plaatselijke kerk en de bewoners van eene plaats onder de leiding van eene overheid moeten zoo mogelijk samenvallen. Elke plaatselijke gemeente is een verschijningsvorm, een compendium van de geheele Christelijke kerk. Doch deze plaatselijke gemeente heeft


1) Luther’s Werke Braunschw. VII, 139.
2) Luther’s Werke, Br. VII, 168.

|205|

twee zijden, de uiterlijk lichamelijke en de innerlijk geestelijke zijde. De overheid moet de gemeente helpen. Men moet het ambt der overheid beschouwen „als ein Amt, das da gehöre und nützlich sei der christlichen Gemeinde” 1). In „An den Adel” zegt Luther, dat het de roeping der overheid is, het verkeerde tegen te gaan, de gemeente tegen den roof en de verkeerde praktijken der curie te beschermen, en zorg te dragen voor de reformatie der scholen, enz. Zij moet niet treden in het recht der gemeente, maar zorgen, dat het evangelie zijn loop hebben2).

Op grond van het algemeene priesterschap der geloovigen hebben de geloovigen het recht hun eigen predikers te kiezen. Zij hebben het recht op het zuivere evangelie, en het behoort tot het priesterschap der geloovigen, goddelooze leeraars te verjagen en vrome predikers te beroepen3). De Christelijke overheid is, wijl zij lid der Christelijke kerk is, verplicht de gemeente te helpen. Omdat de Christenen — ook temidden van de zogenaamde Christenheid — altijd de zwakkeren zijn in aantal en macht, zoo zouden zij in den strijd om het bestaan moeten bezwijken, indien God niet tot hunne bescherming, tot hand­having van recht en vrede, de wereldlijke macht had besteld4). De Christenen doen niemand onrecht en vervullen vrijwillig hunnen plicht tegenover God en de naasten. Zij bewijzen den staat een dienst, inzoover zij gehoorzame en goedgezinde burgers zijn. En de overheid bewijst hun hulp, opdat hun het verblijf in deze wereld mogelijk zou zijn. Sohm is van oordeel, dat de wereldlijke overheid volgens Luther van huis uit binnen de Christenheid gerekend wordt, en dat daarom altijd met haar rekening moet worden gehouden. Niet alleen als persoon, maar als drager van het gezag, is de vorst een „unaus­scheidbarer Bestandteil der Christenheit” 5). Doch Karl Holl heeft duidelijk aangetoond6), dat Luther het recht, dat hij aan de Christelijke overheid toeschrijft, uitdrukkelijk een noodrecht noemt. „Wo die Kirche selbst ihre Pflicht tut, ist der christlichen Fürst in ihr nichts anderes als eben auch ein Christ. Sein Amt als solches steht aus­zerhalb der „Christenheit”. Maar de Christelijke overheid is lid der kerk, evenals de andere leden. Doch terwijl de Christenen een wapen hebben in het gebed en in het gebruik van de H. Schrift, is aan de overheid het zwaard toebetrouwd. En omdat de overheidspersonen gedoopt zijn, het evangelie hebben en verstaan, en kunnen verstaan,


1) Luther’s Werke W. A. VI 408, 10.
2) Müller, „Kirche, Gemeinde und Obrigkeit” S. 25. K. Holl, Ges. Aufsätze, I, S. 325.
3) Luther’s Werke, Braunschw. VII, 139. De instituendis ministris, „Dass eine christ­liche Versammlung oder Gemeinde Recht und Macht habe”, Müller, Kirche S. 49.
4) Luther’s Werke W. A. XI 251, 35. Enders, Luther’s Briefwechsel III, 190, 320,347; Karl Holl, Ges. Aufsätze I, 252, 345.
5) Sohm, Kirchenrecht I, 559.
6) Karl Holl, Ges. Aufsätze, I, 349.

|206|

zijn zij in staat niet alleen het woord, maar ook hun macht te ge­bruiken ten bate der kerk. Luther maakt onderscheid tusschen de roeping der overheid als zoodanig en den plicht, die zij als lid der kerk bezit; van de overheid als zoodanig eischt hij het stoffelijke welzijn der onderdanen te be­vorderen. Daartoe moet zij ook de mis, omdat zij godslastering is, en het lichamelijke welzijn der onderdanen bedreigt, verbieden. In de tweede plaats moet de overheid medewerken tot de aanstelling der evangelische predikers. Zij doet dit echter niet krachtens haar ambt, maar uit broederlijke liefde. In de ordening der kerkelijke dingen heeft de overheid niet het beslissende woord, maar de ge­meente. De predikers bepalen den vorm van den godsdienst. Zij zijn de bisschoppen1). Ook is de toestemming der gemeente noodig. Luther wil eene volkskerk, doch waar hij den wensch uitspreekt, dat er voor het avondmaal een Prüfung gehouden moet worden en dat er een bijzondere plaats voor de avondmaalsgasten bepaald worde, opdat de gemeente kan toezien en keuren, nadert hij de ge­dachte van eene belijdeniskerk. Maar tot de uitwerking dezer ge­dachte kwam hij niet. Hij hoopte, dat de tijd zou komen, „dat allen evangelisch zouden worden” 2) en dat men dan tot „eene Christelijke vergadering” zou komen. Maar dit laatste moest hij aan God overlaten.

Na den boerenoorlog, toen het schrikkelijke verval van kerken, scholen en bevolking dreigde, kwam de overheid mee op den voor­grond. De zorg voor de kerkelijke goederen en het onderhoud der Pfarrer vervulde Luther met bekommernis. De ongelijkheid en de toe­nemende willekeur in de liturgie, de noodtoestanden in de gemeente en de onkunde van het opgroeiend geslacht drongen Luther er toe, den keurvorst van Saksen te verzoeken, een visitatie in te stellen.

Op grond hiervan is de „Kurfürstliche Visitation” ingesteld en een „Kurfürstliche Instruktion” ontworpen3). In deze instructie treedt de keurvorst op, om krachtens zijne bevoegdheid als landsheer de visitatie te verordenen en door te voeren. De visitatoren ontvangen „Gewalt und Befehl” van hem. Zij zijn dus zijne beambten. De keurvorst gaat uit van de veronderstelling, dat hij voor het geestelijke welzijn zijner onderdanen evenzeer verantwoordelijk is als voor hunne stoffelijke belangen. En daarmede was het landsheerlijke kerkbestuur gegeven.

Dr Karl Müller4) heeft onderscheid gemaakt tusschen tweeërlei


1) Luther’s Werke W. A. XII, 209-214.
2) Enders, Briefwechsel III 321 (26 Maart 1522); Luther’s Werke W. A. II 39; VIII 677; X. 2, 39. Karl Holl, Ges. Aufsätze I 360.
3) Richter, Kirchenordnungen I. 77; Sehling, I. 142.
4) Müller, Kirche, Gemeinde und Obrigkeit, S. 74; Sohm, Kirchenrecht I. 617. Holl, Ges. Aufsätze, I, 373.

|207|

visitatie, die van den landsheer, die de wereldlijke dingen, de finan­ciën voor kerk en school behartigt, en de huwelijkszaken regelt, en die van geestelijke visitatie, welke de gemeente met raad, vermaning en onderwijzing dient. Maar deze onderscheiding is bezwaarlijk vol te houden. De instructie weet slechts van eene opdracht, die de keur­vorst aan de visitatoren geeft. Feitelijk is dan ook de instructie zelve in strijd met de voorrede van Luther, die de zelfstandigheid van de kerk tegenover den staat verdedigt, en wel dat de overheid alleen in geval van nood als hulp van de kerk optreedt. Luther beschouwde de visitatoren als de plaatsvervangers der bisschoppen, als de aan­gewezen leidslieden der kerk, en wenschte, dat zij zich ook zelf als zoodanig zouden voelen. De keurvorst is unser einiger Nothbischoff, weil sonst kein Bischoff uns helfen will. Maar de macht der feiten was sterker dan Luther’s theorie. Melanchton had steeds het ideaal van eene bisschoppelijke organisatie behouden, zooals dit in de Noorsche landen bewaard bleef, doch de macht der overheid ver­lamde later de opkomst van eene gezonde kerkregeering. De vorsten stelden zich, mede onder den invloed van Middeleeuwsche theorieën, aan, alsof hun de macht in de kerk toekwam, en stelden consistoriën als hunne bestuursorganen aan1).

Het besluit van den rijksdag van Spiers, 1526, bevorderde het op­komen van landskerken. Wijl de Roomsche leidslieden niet tegen­woordig waren en de anderen, vooral de steden Neurenberg, Straats­burg en Ulm verklaarden, dat het Wormser edict onuitvoerbaar was, kwam men tot de slotsom, die werkelijk een verlegenheidsformule was, dat elke stand zich „so halten und vernehmen lassen, wie er das gegen Gott, auch kaiserliche Majestät und das Reich getraue zu verantworten”. Dit provisorische besluit kreeg een verder strekkende beteekenis, zoodat de landsstenden vrij baan kregen, de kerkelijke aan­gelegenheden in eigen land zoo te regelen als zij dit goed oordeelden2).

Door de visitatie was de reformatie tot de overwinning gekomen. De landsheer had de eindbeslissing in handen gekregen en was feitelijk in de positie der Roomsche bisschoppen gekomen. Maar weldra bleek, dat de landsheer persoonlijk tegen de groote taak niet was opgewassen. Vooral in huwelijkszaken en in zaken van orde en


1) K. Müller, Ueber die Anfänge der Konsistorialverfassung, Hist. Zeitschr. B. 102, S. 1 ff. Zur Geschichte und zum Verständnis des Episcopalsystems, Zeitsch. d. Savigny Stiftung B. 39, Kan. Abt. 8.
2) Op de Homberger Synode, 20 Oct. 1526, belegd door Philip van Hessen, wordt gezegd: „Conscripsimus hic, quae ipsis ecclesiis utilia fore videmus, de quibus parati sumus Deo et Caesari ex Dei verbo reddere rationem, prout in novissimis Imperialibus Comitiis Spirae celebratis fuit definitum”, Richter, Kirchenordn. I 56 v. Schubert, Die Entstehung der Schlesw. Holst. Landeskirche, Kiel, 1895; Rieker, Die rechtl. Stellung der Ev. Kiche Deutschlands, Leipzig, 1893.

|208|

tucht rezen moeilijkheden. Daarom was een hulporgaan noodig, en deze vond men in de consistoriën. Zij werden voor het eerst ingericht in de Ernestinische landen, in 1539 te Wittenberg, doch zij kwamen eerst onder Maurits en Augustus II tot voltooiing en werking. Dit voorbeeld van Saksen werd door andere landskerken nagevolgd1). Luther was over de oprichting der consistoriën eerst niet geraad­pleegd, maar later keurde hij dit goed, indien het alleen een geestelijk gericht zou zijn, tot handhaving en doorwerking van het Woord. Daarom kwam hij ook met het consistorie van Wittenberg in botsing, toen dit in huwelijkszaken handelde naar het canonieke recht2).

De consistoriën waren samengesteld uit theologen en juristen. Zij waren geen kerkelijke maar landsheerlijke lichamen, ten behoeve van de kerk. De landsheer regeert absoluut. Hij vaardigt kerkorden uit evenals de landswetten. De visitaties worden in zijn naam ge­houden. Hij beslist in moeilijkheden, soms geheel buiten de consis­toriën om. De finantiën der kerk bestuurt hij. De tucht over de geestelijkheid ligt in zijne handen. Zelfs grepen de vorsten soms in de leer der kerk in, en gaven zelfs allerlei regelen voor de indeeling, de methode, den duur en den tekst van de prediking, maar ook de preek zelve werd aan de keur der visitatoren onderworpen3).

Deze houding der overheid vond steun in de Schmalkaldische artikelen, die als roeping der overheid stellen, de kerk te verzorgen en de dwalingen en de ketterijen te weren. En omdat de Articuli Schmalkaldici den grooten ban houden „Für eine lauter weltliche strafe und gehet uns kirchendiener nichts an” 4), en omdat de kerk ver­langde van de overheid, dat deze aan de geestelijke straffen van de kerk wereldlijke gevolgen moest geven, moest de overheid wel her­haaldelijk ingrijpen in de rechten van de kerk.

De bevoegdheden van de consistoriën waren van den beginne niet overal dezelfde. In sommige landen traden ze in de rechten van den bisschop in andere landen werd hun macht beperkt. Het recht der gemeente werd echter bij deze organisatie geheel op den achtergrond


1) Karl Müller, Hist. Zeitschr. 1909, S. 1.
2) Sohm, Kirchenrecht, S. 624.
3) Dit wordt als een recht van den vorst uitgedrukt in de General Artikel van 1557 in Saksen (Richter, Kirchenordn. II. 178) waar in het hoofdstuk: „Von der Lahr und was dem Volck vorzutragen” gezegd wordt: „Da auch einer oder mehr anders lehren, oder aber die hochwirdige sacramenta anders reichen odder gebrauchen würden, der odder dieselben, sollen in seiner curfürstlichen gnaden landen lenger nicht geduldet, sondern noch gelegenheit des irtumbs, verfürung und verwirkung in gebürliche straf genommen werden.”
4) Imprimis autem oportet praecipua membra ecclesiae, reges et principes, consu­lere ecclesiae et curare, ut errores tollantur et conscientiae sanentur, sicut Deus no­minatim reges hortatur, Ps. 2: 10. Et nunc reges intelligite, erudimini, qui judicatis terram. Prima enim cura regum esse debet, ut ornent gloriam Dei. Quare indignis­simum fuerit eos conferre auctoritatem et potentiam suam ad confirmandam, idolo­latriam et cetera infinita flagitia et ad faciendas caedes sanctorum. (Art. Schmalcaldici, Art. 54) J.T. Müller, Symbolische Bücher, 339.

|209|

geschoven, omdat men de consistoriën als de vertegenwoordiging der gemeente beschouwde1). De gemeente is der Pöfel, die staat onder de tucht des Woords, en de leiding van het kerkbestuur. De boeren moeten trouw Gods Woord hooren, de overheid gehoorzaam zijn, zorgen, dat de Pfarrer goede inkomsten krijgen enz. Bij de aanstelling van een Pfarrer wordt aan het volk hoogstens toegestaan een recht, om niet-gewilde predikers te weren, maar dat recht wordt aan het volk gegeven niet uit beginsel, maar omdat het volk ook voor de geldelijke zaken der kerk heeft te zorgen.

Onder de consistoriën fungeerden als opzieners van den landsheer de superintendenten, wien opgedragen werd het toezicht op de leer en den wandel van de geestelijken in de omgeving. Indien vermanin­gen en herderlijke zorg niet baatten, konden zij de hulp van de over­heid inroepen2). Thans zijn nog in bijna alle landskerken superinten­denten of decanen, die de geestelijke leiding hebben in hun kring, en die als zoodanig vele werkzaamheden als inwijding van kerken, ordening en in dienst stelling van geestelijken hebben te verrichten, en die voorts de schakel vormen tusschen het hoogste kerkbestuur, den Pfarrer en de gemeente. Hun arbeid heeft betrekking op de uitwendige zijde der gemeente.

De Luthersche Synode is niet als bij de Gereformeerden eene ver­tegenwoordiging der kerken, maar eene vergadering van visitator­en3). De synoden worden onderscheiden in generale en particuliere synoden. De generale synoden zijn samenkomsten van de centrale kerkbesturen (bisschop of consistorie) met de superintendenten of de gezamenlijke predikanten of van den generaal-superintendent met zijne superintendenten. De particuliere synoden zijn vergaderingen van den superintendent met zijne „Pfarrern”. Op de synode wordt over de gehouden visitatie gehandeld, en worden daarover besluiten genomen. Deze synoden dienen dus tot controle over de geestelijken en worden slechts door deze bezocht. De gemeente zelve is op deze synoden niet vertegenwoordigd.

Toch is dit een inconsequentie in de Luthersche kerk, omdat de gemeente krachtens het priesterschap der geloovigen geroepen is, toe te zien op de zuiverheid der leer en der sacramenten, en om mede te werken tot de bezetting der vacante plaatsen en tot oefening der tucht. Het instellen van ouderlingen in de gemeente is aan de refor­matoren in de Luthersche kerk niet onbekend, maar is slechts in


1) Kursächs. Visitations Abschied 1529, Sehling I. 1, 176.
2) Sehling, Kirchenordnungen I. 34.
3) Sehling zegt, Gesch. d. Prot. Kirchenverfassung S. 28: „Bei den Visitationen be­gab sich der Visitator zum Visitandus, bei den Synoden reisten die Visitandi zum Visitator, oder die Visitierenden wurden in Versammlungen vereinigt und examiniert.”

|210|

enkele plaatsen, Hall, Reutlingen, Ulm, Straatsburg tot stand gekomen1). De burgerlijke overheid kreeg de leiding der kerk in handen. Wel werd de oude organisatie van vóór de reformatie, waarbij het ver­mogen der kerk, dat niet tot den leeftocht van de geestelijken diende, en dat door wereldlijke personen bestuurd werd, overgenomen en uitgebreid. Vandaar de woorden Kirchenvater, Kirchenvorsteher, Gotteskasten, Kastenvorsteher, Kastenordnung2).

Luther zelf wilde aanvankelijk ook ouderlingen voor de kerk, voor de uitoefening van de tucht en in sommlge plaatsen: Hall2), Reutlingen, Stralsund, Straatsburg e.a. werden ouderlingen gevonden, die met de pastoren een raad der kerk vormden tot oefening der tucht en het beheer der goederen. Maar al had Luther aanvankelijk, evenals Melanchton, Bugenhagen en Jonas wel goede gedachten omtrent het recht der gemeente in de medewerking tot de regeering der kerk3), het kwam niet tot eene zuivere uitwerking, en weldra was het voor goed te laat, toen de landsheer als de summus episcopus ambtelijk in de kerk optrad, en geheel de leiding der kerk in handen kreeg.

Luther’s gedachte van de regeering der kerk werd in lateren tijd vastgehouden en verder ontwikkeld. De Christelijke overheid, zoo was de algemeene overtuiging, was geroepen, het ware geloof tot heerschappij te brengen en eene uitwendige orde aan de kerk te geven4). De juridische uitdrukking vond deze beschouwing in de leer van de custodia utriusque tabulae. Volgens deze leer moet de over­heid waken voor de handhaving van de beide tafelen der wet. Luther was van oordeel, dat de landsheer als een noodhulp zijn macht in dienst der kerk stelde. Zij had een ambt in de kerk. De vorst is slechts een defensor fidei en de advocatus ecclesiae en zijn bemoeiing met de kerk is veel minder een recht dan een plicht. Daaruit volgt, dat de overheid het regiment in de kerk voert als het membrum praecipuum ecclesiae. Evenwel eischte Luther, dat de kerkelijke over­heid regeert overeenkomstig de kerkelijke leer. Het eigenlijke


1) Een bekend voorbeeld is de met Luther’s medewerking tot stand gekomen Kastenordnung van Leisnig, 1523.
2) Johann Brenz stelde voor Hall op een „Kirchenordnung für die Stadt Hall und das Hallische Land”, waarin is uitgesproken, dat de overheid naast de predikers eenige burgers stelt tot het handhaven van orde en tucht. R.E.3 Art. Brenz. Lechler, Gesch. d. Presbyt. Verf. S. 9.
3) De Hessische Kerkorde in 1526 door Franz Lambert opgesteld is meer in presby­teriaanschen geest; Carl. Mirbt R.E.3 Art. „Homberger Synode” en Art. „Franz Lambert”.
4) Zeer duidelijk wordt dit uitgesproken in het visitatiereglement van Mecklenburg (1557): „Da der barmherzige Gott von einer jeglichen Obrigkeit mit groszem Ernst Erforderung tut, dasz sie seine göttliche und rechte Lehre den Untertanen treulich predigen und vortragen, auch christliche Ceremoniën aufrichten, und dagegen un­rechte Lehre, so dem göttlichen Worte zuwider und ungemäsz, und alle unchristlichen Ceremoniën abschaffen sollen....”

|211|

kerkbestuur was het gedeeltelijke leerambt, en de vorsten, die het uit­wendige bestuur bezaten, moesten luisteren naar de stem der theologen. De landsheer bezat in de dagen der Reformatie de rechten, die thans door de staatsmacht worden uitgeoefend. Deze werden ge­naamd, zooals Otto Mayer1) het uitdrukt, „Hoheitsrechte, und ihre Gesammtheit bildet die Landeshoheit”. Tot deze hoogheidsrechten behoorde ook het landsheerlijke kerkbestuur. Men noemde dat in die dagen „jus episcopale”. Vandaar de naam: Episcopaal systeem. Onder de Hohenstaufen waren vele gewichtige rechten van den keizer overgegaan op de vorsten. En nu had Maximiliaan I wel getracht de verlorene rechten weder te herkrijgen, doch tijdens deze keizerlijke poging kwam de Reformatie. Had de keizer zich aan de zijde van Luther gesteld, dan ware er misschien eene nationale eenheid en een nationale kerk gekomen, maar omdat de keizer zich tegen de Reformatie verklaarde, kwam deze tot stand met behulp van de vorsten. Zoo kwam het, dat het bisschoppelijke recht als het recht der vorsten erkend werd. Ook al was er geen uitdrukke­lijke bepaling gemaakt, dat de rechten van den bisschop op den landsheer waren overgedragen, de landsheeren oefenden toch feitelijk de rechten der vroegere bisschoppen uit. Daaruit is het te verstaan, dat de kerkorde van Baden (1556), van Pommeren (1563), van Hessen (1572) en andere, tot bevestiging, dat de evangelische kerkregeering een landsheerlijk recht is, zich op den Augsburgschen godsdienst­vrede, waarbij het kerkbestuur der bisschoppen van vóór den tijd der Reformatie voor de Protestantsche gebieden was opgeheven, beroepen2).

Tot eene wetenschappelijke theorie kwam het echter eerst in het begin der 17de eeuw door de gebroeders Stephani3). Zij beschouwden de door den vrede van Augsburg gegeven rechten echter als eene uitbrei­ding van het middeleeuwsche jus advocatiae4). Het bisschoppelijke kerkbestuur was door den vrede, bij rijkswet (concessione imperatoria, ad interim), totdat men in de zaak van den godsdienst tot een minne­lijke schikking gekomen was, bij wijze van in bewaring gegeven goed (instar depositi), op den landsheer afgewenteld (Devolutie­theorie). Theodorus Reinkingk herhaalde deze theorie met deze wijzi­ging, dat het kerkbestuur niet tijdelijk in handen van den landsheer was, maar dat het hem volgens goddelijk recht toekwam, en dat het wel een tijdlang wederrechtelijk in het bezit der bisschoppen geweest


1) Deutsches Verwaltungsrecht, Leipzig 1895, S. 25. Bredt, Kirchenrecht I. 147.
2) Gesch. d. ev. Kirchenverfassung in Deutschland, S. 103; Kirchenordnungen II. 178, 255, 349; Sehling, Gesch. d. Prot. Kirchenverfassung, 34; Art. Episcopalsystem R.E.3 V. 426.
3) Joachim Stephani, Institutiones juris canonici, 1604, 60; Matth. Stephani, Tractatus de jurisdictione, 1609.
4) Zie boven, bl. 188. Hefele, Concil. Gesch. II, 100.

|212|

was, maar nu hersteld was in de handen van den vorst (Restitutie­theorie). Dit gezag omvatte evenwel alleen de uitwendige regeering, terwijl het oordeel over de leer alleen toekwam aan den leerstand. Daarom mag het kerkbestuur niet zonder advies van den leerstand uitgeoefend worden. Het episcopale systeem bestaat dus daarin, dat men den landsheer beschouwt als rechtens de opvolger van den Roomschen bisschop, en dat men daarom moet onderscheiden tusschen een dubbel bestuur van den landsheer, een wereldlijk en een geestelijk.

Bij de uitwerking dezer leer bedienden Gerhard, Carpzov en Stryck zich van de oude leer der drie standen, die reeds bij Wicklif en Husz gevonden wordt, en welke door Johannes Gerhard aldus voorgesteld wordt: God heeft drie zedelijke ordeningen gesteld: den stand der huisvaders (status oeconomicus, Nährstand), die den plicht hebben voor hunne familie te zorgen; den regeerstand (status politicus, Wehr­stand) met het recht en den plicht, als wachter van de beide tafelen, voor de zuivere leer en godsvereering en voor het bestuur der kerk zorg te dragen, en den leerstand (status ecclesiasticus) met den plicht voor de zorg van de zielen der geloovigen. De staats- en rechtsorde heeft haar reden van bestaan in de heilsorde, en daarom is de over­heid in zooverre ondergeschikt aan het leerambt. Toen in de 17e eeuw de overheid naliet de zuivere leer te beschermen, werd hier­tegen gereageerd op grond van art. 28 der Augsburgsche confessie en geleerd, dat het oordeel over de leer uitsluitend toekwam aan den leerstand, dat de regeerstand er was om den leerstand te dienen, en dat de huisstand zich alleen door bemiddeling van den leerstand kon uitspreken.

De reden, dat het episcopale systeem werd verdrongen, is gelegen in de veranderde levensbeschouwing. Volgens de leer van het natuur­recht zijn de staat, de overheid en het recht niet goddelijke instel­lingen, maar zij danken hun ontstaan aan den vrijen wil des menschen.

De staat heeft niet tot taak te zorgen dat het evangelie kan worden verkondigd (ut evangelium propagari possit), maar het nut en het welzijn van het algemeen. De zorg voor de zuivere leer kan nog in zooverre door den staat behartigd worden, als zij beantwoordt aan het welzijn van den staat. De staatssouvereiniteit treedt op den voor­grond. De staatsmacht strekt zich uit tot alle levensterreinen, en ook de godsdienst is een deel van het staatsleven.

Deze gedachte is ontleend aan de antieke wereldbeschouwing, die door het Humanisme in het Westen haar intrede deed. Het jus sacrum is een deel van het jus publicum. Geen wonder, dat vele regeeringen, toen zij niet meer leefden uit het reformatorische beginsel, deze gedachte aangrepen voor de regeering der kerk.

|213|

Belangrijk voor deze leer zijn de geschriften van Hugo de Groot „de imperio summarum potestatum circa sacra” (1617) en „Jus belli et pacis” (1625), waarin hij, in navolging van Bodinus en Suarez, het staatsbegrip aldus verdedigt, dat hij een oorspronkelijk verdrag aan­neemt (pactum unionis), waarbij zij, die den staat van ongebondenheid of den natuurstaat tot op zekere hoogte opgeven, door middel van een tweede verdrag (pactum subjectionis) een hoofd van staat erkennen, dien men zich onderwerpt, om de noodige ontplooiing en bescherming te ontvangen. De leden van den staat hebben onderscheidene zaken o.a. de inwendige godsdienstige vrijheid voorbehouden, maar al wat naar buiten openbaar wordt; ook het kerkelijke, hebben zij aan de zorg van den staat overgedragen.

Volgens het territoriale systeem is de kerk evenals de staat een vereeniging, maar in tegenstelling met den staat, in welken alle staatsburgers aan de overheid onderworpen zijn, met volkomen gelijke rechten van alle leden (collegium aequale) 1). Ook de landsheer staat met alle leden der kerk op één lijn, en heeft geen bisschoppe­lijke macht. De geestelijken staan tot de leden der gemeente als de leermeesters en de toehoorders. Maar de kerken zijn vereenigingen in den staat en daarom aan diens hoogheid onderworpen. De macht van den landsheer over de kerk, welke geheel onafhankelijk is van zijne belijdenis, is staatsmacht. De overheid behoeft zich niet met het eigen­lijke gebied des geloofs te bemoeien. Haar taak is niet, de Christe­lijke leer te verbreiden, maar den vrede tusschen de onderscheidene religieuze vereenigingen te handhaven. Dit is de voorstelling van de leeraren van het territoriale stelsel: Samuel von Pufendorf (1632-1694), Christian Thomasius (1655-1728) en J.H. Böhmer (1674-1749).

Het recht van de overheid inzake de kerk wordt door hen genoemd het jus circa sacra. Dit recht heeft geen betrekking op het geweten en de innerlijke gezindheid, maar op het uitwendige van den gods­dienst. Het bestaat, volgens Böhmer in het recht kerkelijke verorde­ningen voor te schrijven, den eeredienst te hervormen, het bijleggen van geschillen over de leer en het leven, het bijeenroepen der synodes, enz. Hiermede is dus aan den landsheer het recht toegekend, over alle deelen van het kerkelijke leven, leer, dienst en tucht te beschikken.

Toch willen de territorialisten hiermede niet zeggen, dat de kerk geheel in den staat moet opgaan. Böhmer zegt, dat niet alleen alles, wat tot de innerlijke geloofsovertuiging behoort, aan de leden der kerk moet worden overgelaten, maar de kerk heeft ook het recht van collecteeren voor het onderhoud der predikanten en der armen, en


1) E. Friedberg, Lehrbuch des Kath. und ev. Kirchenrechts, 1903, 90; Sehling, Territorialismus, R.E.3 19, 527; Rieker, Rechtl. Stellung d. ev. Kirche Deutschlands, 1893, 291.

|214|

hij wil het recht uitbreiden tot de benoeming van de kerkelijke personen. Maar ook van dit recht blijft weinig over, omdat de staat de grenzen tusschen de uitwendige en de inwendige dingen naar believen kan vaststellen, en ingrijpen in het vereenigingsrecht, als het belang van den staat dit vordert.

Deze staatsmacht over en in de kerk, welke in het territoriaal stelsel zijn hoogtepunt bereikte, bevatte de kiem der ontbinding in zich, sedert de geest van tolerantie onder de verlichte despoten zijn intrede deed. De kerk kreeg daardoor een eigen vereenigingsrecht en de overheid kon haar niet meer als eene staatsinrichting regeeren.

Zoo kwam het collegiale systeem op. Het Piëtisme had op de ver­andering der gedachte invloed. De beschouwing van de conventikelen werkte het vereenigingsrecht der kerk in de hand. En omdat de religieuze opwekking na de vrijheidsoorlogen in nauwe verbinding stond met het Piëtisme, kon het niet anders, of de territoriale kerkregeering werd terzijde gesteld en moest plaats maken voor het collegialistische systeem1).

In Pruisen werd dit systeem ingeleid door het religie-edict van 1788, waardoor de gelijkheid van den Evangelischen en den Roomschen gods­dienst in rechten werd bepaald. Het territoriaal kerkrecht was niet meer houdbaar, omdat de Roomsche kerk de inmenging van den koning in de regeering der kerk niet erkende, en men de Evangelische en de Roomsche kerk niet verschillend kon behandelen. Om die reden kende de regeering aan de kerk een ruimer vereenigingsrecht toe. Zij werd als een corporatie in juridischen zin erkend. En sedert het Weener Congres van 1815 de territoriën in Duitschland opnieuw in­deelde, en onderscheidene staten, die tot hiertoe gelijkgezinde onder­danen hadden, daardoor verschillende gezindten kregen, kon men de medewerking van de landsstenden en van de volksvertegenwoordiging in de regeering der kerk niet meer toestaan. Het jus circa sacra bleef als het recht van toezicht op de kerk bestaan, doch het jus in sacra werd voor de kerk verruimd. In Roomsche staten verkreeg de evan­gelische of gereformeerde religie wel niet de volle erkenning, maar toch meerdere vrijheid. In Saksen, waar de vorst overging tot den Roomschen godsdienst en het land evangelisch bleef, werd de moei­lijkheid zóó opgelost, dat de koning wel het hoofd (Summus episcopus) der Evangelische kerk bleef, maar de uitoefening der bisschoppelijke rechten overdroeg aan den „in evangelicis beauftragten Geheimräten”.


1) Foerster, Die Entstehung der Preuszischen Landeskirche, S. 38 ff; Hubrick, Staat und Kirche in der Preuszischen Monarchie am Ausgange des 18 Jahrhunderts; Ver­waltungsarchiv, S. 311; Bredt, Ev. Kirchenrecht für Preuszen I. 184; Friedberg, Kirchenrecht, 1905, 69.

|215|

Deze regeling werd in andere Roomsche staten nagevolgd. In Pruisen werd aan de Evangelische en de Roomsche kerk toegestaan, hare eigen aangelegenheden zelfstandig te behartigen, maar de staat hield in rechten het oppergezag.

De vader van het collegiale systeem was Christoph Matthaeus Pfaff (1686-1760). In zijn boek: „Origines juris eccles.”, Tüb. 1719, leerde hij: De kerk is eene vrije vereeniging met twee standen, leeraren en toehoorders. Als eene vrije vereeniging regelt zij haar eigen zaken (jus in sacra), de overheid heeft alleen het recht van toezicht, de cura sacrorum majestatica. Tot de jura majestatica (historisch gegrond in de rechten, die de regeeringen sedert Constantijn den Groote uit­oefenden) behooren: het recht van de reformatie der kerk, het opper toezicht en de bescherming der kerk. De landsheer bezit deze rechten als landsheer. Tot de collegiale rechten behooren: de verdragsmatige vaststelling van het dogma, de liturgische verordeningen, de instelling van het leerambt, de handhaving der verordeningen door tucht, excommunicatie enz. Het collegialisme beperkt het recht van den staat dus tot het hoogheidsrecht, en indien het ook aan de overheid rechten in de kerk geeft, dan geschiedt dit, omdat de kerk dit recht stil­zwijgend of bij verdrag overgedragen heeft aan de overheid. Volgens het territoriale stelsel mag de staat zelf uit eigen bevoegdheid de grenzen trekken tusschen de staatsmacht en de vereenigingsmacht; het collegialistische systeem leert, dat de vereenigingsrechten oorspronkelijk zijn, onafhankelijk van den staat. Beide miskennen het Schriftmatig karakter van de kerk.

Het collegialistische stelsel is niets anders dan de toepassing van de denkbeelden der revolutie op de kerk van Christus. De bron voor het gezag is de leer der volkssouvereiniteit. De kerk wordt gelijk­gesteld met eene vereeniging van gelijkgezinden. Van een souverein gezag van Christus is er geen sprake. De zelfstandigheid van de plaatselijke kerken valt weg, de kerken zijn onderdeelen van het groote geheel. Ook wordt het recht der geloovigen, als leden van het lichaam van Christus, aangetast, en daarvoor wordt in de plaats gesteld het recht van de massa, van het geheel van de leden der kerk­vereeniging.

 

De inrichting der Luthersche kerk is in den loop der jaren als volgt geregeld.

De landsheer is de drager van de kerkelijke macht1). Zonder dat daarvoor bepaalde rechten zijn vastgesteld, wordt hij beschouwd als


1) E. Friedberg, Lehrbuch des kath. und ev. Kirchenrechts, 1903, S. 206; Mejer, Das Rechtsleben der deutschen ev. Landeskirchen, 1889.

|216|

de opperste bisschop (summus episcopus). De episcopaalsche en de territoriale beschouwing is in de meeste Duitsche landen verdrongen door de collegialistische gedachte.

Het episcopaat van den landsheer, zooals deze dat tot 1918 uitoefende, had wel geen kerkelijk orgaan boven zich, maar werd in bijna alle landen uitgeoefend door organen der kerk, die een eigen bestuursmacht be­zaten. De instituten der consistoriën, superintendenten, enz. waren bij de kerkelijke- en de staatswetten zoo bepaald, dat de landsheer hun niet naar believen de toegekende rechten kon ontnemen. De lands­heer reserveerde daarbij bepaalde rechten (jura reservata), die in de ver­schillende landen onderscheiden waren. Tot deze gereserveerde rechten behoorden: 1. de uitoefening van de wetgevende macht, welke in alle landskerken met eene synodale inrichting aan de toestemming der synode gebonden was. Daarbij bezat de landsheer het recht, niet alleen om de wetten der kerk te sanctionneeren, uit te vaardigen en te publiceeren en de goedkeuring der kerkelijke wetsvoorstellen en de verordeningen tot uitvoering der wetten1); maar ook 2. de benoeming der bestuursbeambten, in kleine landen ook de benoeming der Pfarrer2), en 3. de samenroeping, verdaging, sluiting en opheffing der landssynode. 4. De landsheer vormde het hof van appèl, waarbij bezwaren tegen de besluiten van de kerkelijke besturen konden worden ingebracht. Veelal liet de landsheer zich bij de uitoefening dezer rechten bijstaan door wereldlijke personen, en werd een minister van eeredienst benoemd, bij wien de eigenlijke beslissing in vele zaken berustte. Sedert 1848, toen meerdere zelfstandigheid aan de kerken gegeven werd, zijn kerkelijke organen benoemd, die in zeer nauw contact met den landsheer stonden, en aan wier toestemming de landsheer in bepaalde gevallen gebonden was. In hoofdzaak gold deze regel in de oude provinciën van Pruisen3).


1) Uitgezonderd in Pruisen, Würtemberg, Baden, Hamburg en Lübeck.
2) Uitgezonderd in Frankfort a.M. en Hamburg.
3) Het oude territoriale standpunt bleef heerschen in Lübeck, Saksen-Altenburg, Saksen-Coburg-Gotha, Saksen-Meiningen, Saksen-Weimar-Eisenach, Schwarzburg-­Rudolstadt en Schwarzburg-Sondershausen. In Saksen-Weimar-Eisenach en Schwarz­burg-Sondershausen is een kerkeraad ingesteld, die als staatscommissie onder leiding van het ministerie het bestuur heeft van de zaken van kerk en school.
In Würtemberg, Anhalt en in de nieuwe provinciën van Pruisen heeft het kerkelijke bestuur wel de leiding der kerkelijke zaken, maar is tenslotte onderworpen aan de regeering van den staat.
In de oude provinciën van Pruisen, in Baden, Mecklenburg, Hessen, Oldenburg en Waldeck bestaat er een eigen kerkelijk bestuur, hoofdzakelijk onafhankelijk van de regeering van den staat, maar direct onderworpen aan de landsregering.
Ook de Roomsch-katholieke landsheer van Beieren had het bestuur der evangelische kerk in handen. Hij oefende zijne rechten uit door het Oberkonsistorium van München en het Konsistorium van Spiers. Evenwel waren deze niet bevoegd, verordeningen voor de evangelische kerk uit te vaardigen, iemand te bekleeden met een ambt of iemand te ontslaan, het kerkelijk leven anders in te richten en besluiten van een algemeene synode te bekrachtigen, zonder bericht te zenden aan den staatsminister, die de eind­beslissing van den koning vroeg.
In Saksen was bij de wet van 4 Sept. 1831 de uitoefening van de landsheerlijke kerkelijke ➝

|217|

De Consistoriën zijn landsheerlijke, uit geestelijke en wereldlijke personen bestaande, lichamen, wier taak is het toezicht op de leer en den wandel der geestelijken, de ordening en het onderzoek van de candidaten, het opperbestuur van de financiën der kerk, het toezicht op het huwelijksrecht en de kerkelijke tucht1). Hare leden worden door den landsheer voor hun leven benoemd. Zij dragen het karakter van publieke ambtenaren.

Superintendenten. Als organen van het kerkbestuur fungeeren in bijna alle landskerken2) superintendenten (proosten, dekens, ephoren,


➝ macht, zoolang de koning behoorde tot een andere confessie, opgedragen aan een evangelischen Vorstand van het ministerie van eeredienst, die met twee evangelische leden van het ministerie het bestuur uitoefende. In 1873 is een Landeskonsistorium ingesteld, dat onder het toezicht van den staatsminister voor de zaken der evangelische kerk het jus in sacra uitoefent.
In Würtemberg werd het landsheerlijk kerkbestuur waargenomen door een lichaam, dat samengesteld is uit 2 leden van den geheimen raad, den president van het Landes­konsistorium en van de landssynode en een generaal-superintendent.
De keizer van Oostenrijk matigde zich wel de landsheerlijke rechten aan. Voor de Duitsch-Slavische kroonlanden, met name voor de kerken van de Luthersche en Helvetische belijdenis, trad de Ober-Kirchenrath van Weenen op als bestuursmacht, wier leden benoemd werden door den keizer, die ook de kerkelijke wetten en bepalingen moest bekrachtigen. Voor de uitvoering van zijn hoogheidsrechten bediende hij zich van een evangelische afdeeling van het ministerie van eredienst.
1) Onder de heerschappij van het episcopale systeem vermeerderden zich de consistoriale bevoegdheden. Onder het regime van het territoriale systeem evenwel werd aan de consistoriën niet alleen ontnomen, wat rechtstreeks tot het gebied van den staat behoort, maar ook wat als kerkelijk beschouwd moet worden. Er werd de onduidelijke onderscheiding gemaakt tusschen externa en interna, en alleen de interne zaken werden aan de consistoriën gelaten. In sommige landen werden de consistoriën geheel opgeheven en hare werkzaamheden aan de wereldlijke macht opgedragen. In de 19de eeuw hebben de meeste staten de willekeurige scheiding van externa en interna laten vallen, en bezaten de consistoriën de volle kerkelijke macht, welke alleen door het jus circa sacra van de overheid beperkt werd. In latere jaren is de bevoegdheid der consistoriën ingekrompen door de invoering van de synoden.
De rechtspositie der consistoriën is zeer verschillend. Soms is zij een centraalbestuur der kerk, dan weer is zij aan eene andere macht onderworpen.
Het geval, dat de consistoriën een andere macht onderworpen zijn, doet zich voor a. in oud-Pruisen, waar voor elke provincie een consistorie het bestuur der kerk heeft, terwijl voor de regeering der geheele landskerk bij besluit van 29 juni 1850 de Evang. Oberkirchenrath is ingesteld, welke, onafhankelijk van den minister van eeredienst, onmiddellijk onder den koning stond. De Oberkirchenrath is voor alle 9 provinciale consistoriën het „Aufsichts- und Rekurzinstandz”. b. In Hannover is de zelfstandigheid van de provinciale consistoriën nog weer beperkt en zijn zij onderworpen onder het Landeskonsistorium. c. In Beieren staan de consistoriën van Amsbach en Bayreuth met een slechts uitvoerende macht onder het Oberkonsistorium van München. d. In Mecklen­burg stonden de Oberkirchenrath van Schwerin en het Konsistorium van Strelitz onmiddellijk onder den landsheer. Hetzelfde was het geval van den Oberkirchenrath te Karlsruhe en van Oldenburg, van het Oberkonsistorium van Darmstadt, van het Konsistorium te Birkenfeld, voor Waldeck en voor Reuss te Greiz; terwijl de Kirchen­rath te Hamburg staat onder den senaat. e. Het landsconsistorie van Saksen staat onder het oppertoezicht van den evangelischen minister van eeredienst als vertegenwoordiger van de landsheerlijke macht.
Friedberg, Lehrb. d. Kirchenrechts, 1903, S. 212; A. Frantz, Lehrb. d. Kirchenrechts, 1892, S. 145; K. Köhler, Lehrb. d. deutsch-ev. Kirchenrechts, 1895, S. 113-119; Hinschius, Preus. Kirchenrecht.
Een overzicht van de verhouding der kerk tot den staat geven Friedberg, Lehrb. d. ev. Kirchenrechts, 1903, S. 212 ff en Köhler, Lehrb. d. ev. Kirchenrechts, S. 113-119.
2) Zij ontbreken in Oldenburg, het graafschap Bentheim, de Saksische Oberlausitz en Bremen.

|218|

senioren). Zij zijn altijd geestelijken en gewoonlijk Pfarrer, terwijl in den regel hun ambt met een Pfarramt verbonden is. Zij werden door den landsheer benoemd of ook in landen, waar kerkelijk zelfbestuur is, door de daar fungeerende bestuurslichamen, en in dit geval moest de landsheer de benoeming bevestigen. Zij nemen eene plaats in tusschen de kerkelijke besturen en de predikanten en de gemeenten. Hunne werkzaamheid is het houden van toezicht op de leer en den wandel der geestelijken, op het kerkelijk leven der gemeente en op het beheer der kerkelijke goederen. Bovendlen behoort tot hun werk de leiding van de predikantsverkiezing, de ordening en de bevestiging der geestelijken, de regeling der zaken bij eene vacature, de visitatie der gemeenten, de bemiddeling van geschillen tusschen een predikant en eene gemeente, enz. Hun positie en taak is in de verschillende landen onderscheiden in verband met de daar heerschende regeling. In sommige landen zijn zij leden van de kerkelijke besturen, in andere daaraan onderworpen. In den regel zijn zij ook voorzitter van de Kreissynode. In onderscheidene Duitsche landen zijn ook Generaal­-Superintendenten1) die aan het hoofd staan van een bepaald aantal superintendenten. Zij zijn echter geen tusschenpersonen tusschen de consistoriën en de gemeenten, maar leden en organen van het consistorium, en hebben tot taak, persoonlijk toezicht te houden op de kerkelijke zaken in hun gebied2). In andere landen zijn zij wel leden der kerkelijke besturen, en alleen als zoodanig boven andere bestuurs­organen staande3), terwijl in sommige gevallen de superintendenten geen leden zijn van een kerkbestuur, en toch andere superintendenten onder zich hebben4).

De Pfarrer en zijne helpers. De Luthersche kerk kent slechts één geestelijk ambt, dat van Pfarrer, die gerechtigd is tot het verrichten van alle geestelijke functies. Wanneer er meerdere geestelijken aan dezelfde kerk aangesteld zijn, worden zij naar hun verschillenden


1) Zoo in Pruisen en Würtemberg, Hannover, de Ger. kerken van Sleeswijk-Holstein, Nassau en Keur-Hessen.
2) Hinschius, Preus. Kirchenrecht, S. 161 ff.; E. Friedberg, Lehrb. d. kath. u. ev. Kirchenrechts, 1903, 215.
3) Zoo in Anhalt, Altenburg, Brunswijk en Reuss.
4) In Keur-Hessen, Mecklenburg de Metropolitanen, in Saksisch-Thüringen de Ephoren en de Adjuncten; in Beieren de kapittelsenioren, in Oostenrijk de senioren.
In Pruisen sloten de bisschoppen zich aan bij de Luthersche kerk, evenals de bisschop van Naumburg, en bekleedden onder de landsheeren de plaats van de consistoriën. In de 16e eeuw werden zij echter door de consistoriën vervangen. In 1816 ontvingen sommige generaal-superintendenten den titel van bisschop, maar dit was slechts een eeretitel zonder ambtsbevoegdheid. Zoo ook waren de Luthersche bisschoppen in Zevenbergen slechts superintendenten.
De Deensche en de Scandinavische bisschoppen beschouwen zich evenals de Anglicaansche bisschoppen als de opvolgers der Roomsch-katholieke waardigheidsbekleders.
De domkapittels in Duitschland zijn geen kerkelijke organen.

|219|

rang genoemd: pastor, pastor primarius, Oberpfarrer, diaconus, archidiaconus, subdiaconus, maar dit onderscheid in rang en titel tast het beginsel, dat zij in hun geestelijk werk gelijk in rechten zijn, niet aan1). Alle geestelijken in eene kerk zijn Pfarrer.

Het ambtelijk werk van den Pfarrer is de leiding van den gods­dienst, de verkondiging van het Woord Gods, de bediening der sacramenten en van de tucht, de herderlijke zorg, de onderwijzing der jeugd, het onderhouden van de boeken der kerk, de armen- en ziekenzorg en het bestuur der kerkelijke goederen met de gemeente­organen. Zijne werkzaamheid strekt zich uit tot alle binnen de be­paalde parochie wonende personen, voorzoover zij tot de religie van den Pfarrer behooren, en de leden zijner parochie zijn verplicht de ambtelijke bediening van hem te ontvangen (Pfarrzwang). Hij mag echter het verzoek der parochianen, die door een anderen geestelijke willen worden bediend, niet weigeren (dimissoriale).

Wordt de Pfarrer in de uitoefening van zijn ambt verhinderd, dan wordt in de noodzakelijke diensten door een naburigen Pfarrer, vol­gens aanwijzing van den superintendent, voorzien. Bij langdurige verhindering wordt hij door een vicaris vervangen, die onder eigen verantwoordelijkheid zijn ambt verricht. Kan hij niet alle werkzaam­heden verrichten, dan wordt hij met toestemming van het hoogere kerkbestuur door een helper (Kollaborator, Assistenzprediger, Vikar, Adjunkt, Hulfsprediger, Amtsgehülfe) geholpen.

Het recht om de geestelijken te benoemen, volgens het canonisch recht den bisschop toekomend, berustte tot 1918 in de evangelische kerk bij den landsheer, die of persoonlijk of door bepaalde lichamen dit recht uitoefende. In Pruisen is dit recht bij de consistoriën, in het koninkrijk Saksen bij het „Landeskonsistorium”. Het beginsel der Reformatoren, dat de keuze van den Pfarrer aan de gemeente toekomt, is nooit verwezenlijkt. Wel bezitten in vele landskerken de gemeenten een voturm negativum, het recht om bezwaren omtrent leer, leven en gaven in te brengen. In lateren tijd is het recht van medewerking bij de beroeping aan de gemeenten gegeven2).


1) Art. Smalcaldici tract. de pot. et Papae 65 (Müller9 341): Sed quum jure divino non sint diversi gradus episcopi et pastoris, manifestum est ordinationem a pastore in sua ecclesia factam jure divino ratam esse.
2) In sommige landen is aan de gemeente of aan de gemeentevertegenwoordiging het recht gegeven, bezwaren in te brengen; in andere landen (Hannover en Brunswijk) heeft de gemeente het recht van beroeping, waarbij de gemeente verklaart, dat zij geen bezwaren heeft en bereid is den beroepene als haar prediker en herder te ontvangen; in Würtemberg, Anhalt, Hessen en De Paltz moet de gemeente of de raad der gemeente eerst gehoord worden; in Hannover wordt bij afwisseling door de gemeente en het kerkbestuur de predikant gekozen, terwijl in Oost-­Pruisen het kerkbestuur nu eens met en dan weer zonder medewerking van de gemeente een predikant beroept. In de Rhein. Westf. K.O. §4 is bepaald: “Bei Kirchen, ➝

|220|

De gemeente. Het ontbrak de Luthersche gemeenten aan organen, om zich te uiten. Daardoor bleef het recht der gemeente beperkt tot het bekendmaken van hare bezwaren. Van de dagen der Reformatie af tot in de 19de eeuw werden de rechten der gemeente geabsorbeerd door eene onbeperkte regeering der consistoriën. Eerst in de negen­tiende eeuw is in de Luthersche kerk een zekere vorm van pres­byteriale inrichting ingevoerd en zijn gemeenteorganen gevormd.

Als organen van dit zelfbestuur der gemeente fungeeren: 1. Een presbyterium (Gemeindekirchenrath, Kirchenvorstand) dat bestaat uit den Pfarrer als voorzitter (en zoo er meer predikanten zijn, ook de overige Pfarrer) en een aantal ouderlingen, door de gemeente gekozen.Het werk van dezen gemeentekerkeraad bestaat in de hulp aan den Pfarrer bij zijne werkzaamheden en de vertegenwoordiging der gemeente naar binnen en naar buiten. Voorts is aan dezen kerke­raad toevertrouwd de zorg voor den eeredienst, de armen- en zieken­zorg, benoeming van de lagere dienaren der kerk, de vertegenwoordiging der gemeente in rechten en het bestuur van de kerkelijke goederen. Voor de wettigheid en de uitvoering hunner besluiten is echter noodig het recht van toezicht en de toestemming van de kerkelijke besturen, en van den patroon. 2. Eene gemeentevertegen­woordiging (Gemeindevertretung, Kirchenausschusz), wier leden, ook gekozen door de gemeente, driemaal zooveel in aantal zijn als het getal der ouderlingen. De kerkeraad is gehouden deze vertegen­woordiging der gemeente bij gewichtige zaken, van koop en verkoop of verhuring der goederen voor langer dan 10 jaren en bij de keuze van den Pfarrer, te raadplegen. Beide genoemde organisaties zijn publieke lichamen, al zijn zij geen staatsorganen. Hun ambt is een publicum officium en mag alleen op wettelijke gronden worden af­gewezen. 3. Eene gemeentevergadering, welke in landen, waar geen gemeentevertegenwoordiging is, de functies dezer vergadering ver­richt, en die in andere streken de keuze der gemeentevertegenwoor­diging verricht.

Deze gemeentevertegenwoordiging is bedoeld, om de gemeente meer aandeel te geven aan de regeering der kerk. Zij is in navolging van het Gereformeerde kerkrecht ingevoerd, maar beantwoordt niet aan de Gereformeerde beginselen, door Calvijn uitgestippeld. Zij is meer in overeenstemming met het democratische beginsel, dat op politiek gebied langzamerhand doordrong.


➝ welche keinen Patron haben, hat die Gemeinde das Recht, ihre Geistlichen zu wählen”. Zoo ook in Oldenburg, Lübeck en Birkenfeld, Baden, K. Saksen, Lippe en ten deele in Brunswijk en S. Weimar. Het Patronaatsrecht bestaat nog in vele deelen des lands, doch is in de laatste jaren beperkt.

|221|

De Synodale organisatie. Het deelnemen van de gemeenteleden aan het bestuur der kerk werd weldra gevolgd door den invloed van vertegenwoordigers der gemeente in de hoogere trappen van de regeering der kerk. Zonder het bestaande consistoriale organisme te deren, voerde men uit geestelijke en wereldlijke personen bestaande synoden in, en verbond zoo de consistoriale inrichting der kerk met de gedachte van de presbyteriale synodale inrichting. Sedert de af­kondiging van de „Rheinisch-Westfälische Kirchenordnung”, in 1835, waarbij de Luthersche gedachte zegevierde over de Gereformeerde, en slechts de schijn van het Gereformeerde kerkrecht werd gehand­haafd, werd bijna overal in Duitschland de synodale organisatie inge­voerd. Het collegialistische beginsel is overal zichtbaar, en is in de inrichting belichaamd.

Deze synodale organisatie is in hoofdzaak als volgt geregeld: 1. Een groep gemeenten vormt samen een Kreis (diocese, Propstei, Inspection, Dekanat, Senoriat) en organiseert zich in eene Kreissynode. ­Deze Kreissynode, welke jaarlijks door den superintendent bijeen­geroepen wordt, bestaat uit den superintendent als voorzitter, alle in den Kreis wonende Pfarrer, benevens een dubbel zoo groot getal gekozene leden, waarvan de ééne helft bestaat uit ouderlingen der ver­schillende gemeenten en de andere helft uit geachte, ervarene en ver­dienstelijke mannen uit den synodalen Kreis. Het Moderamen bestaat uit den vasten praeses-superintendent en vier assessoren, door de Synode uit haar midden gekozen, van welke minstens één Pfarrer zijn moet. Het werk der Kreis- of Diözesansynode is de behandeling van de stukken, door het Konsistorium en de Provinciale synode haar voorgelegd, of stukken uit de gemeenten ingezonden, het mede­toezicht op alle ambtelijke personen, en op de inrichtingen van barm­hartigheid, en tevens de oefening der kerkelijke discipline in tweede instantie, en het onderzoek van de verordeningen binnen den kring der synode1).

2. De Kreissynoden van elke provincie vormen samen eene Provinciale synode. De leden dezer synode zijn de afgevaardigden van de Kreissynoden, één lid gekozen door de theol. faculteit der Prov. Universiteit en de door den landsheer benoemde personen. De koninklijke commissaris en de Generaal-Superintendent der provincie wonen de vergadering der synode bij. De Prov. Synode wordt om de 3 jaren bijeengeroepen door het consistorie, dat met toestemming van den Ober-Kirchenrath en den voorzitter buitengewone vergaderingen kan samenroepen. Het werk der Prov. synode is: de handhaving van de


1) Karl Köhler, Lehrbuch des deutsch-ev. Kirchenrechts, 1895, S. 119-151.

|222|

kerkelijke orde in leer, cultus en regeering, de medewerking aan de kerkelijke wetgeving, het toezicht op de synodale weduwen- en weezenkassen, en de Kreis-synodale kassen, de toestemming voor nieuw in te voeren collecten en de afvaardiging van 2 of 3 personen met volle stemrecht voor de examens der theologische candidaten. Het Moderamen der Prov. Synode bestaat uit den voorzitter met zes assessoren, en is, behalve met de leiding der vergadering, ook belast met de uitvoering der besluiten en de voorbereiding der volgende synode. Het moderamen (Ausschusz) der Oostenrijksche synode bezit echter in bepaalde gevallen regeermacht.

3. Het hoogste Synodale orgaan is de Generale (de Lands-, de Algemeene) Synode. Zij bestaat voor Pruisen uit 150 leden, welke door de Prov. Synoden van Oost- en West-Pruisen, Brandenburg, Pommeren, Posen, Silezië, Saksen, Westfalen en de Rijnprovincie gekozen worden, uit 6 vertegenwoordigers van de ev. theologische faculteiten van Koningsbergen, Berlijn, Greifswald, Breslau, Halle en Bonn, uit de Generaal-Superintendenten dier provinciën en 30 door den koning benoemde leden. Zij wordt alle zes jaren door den koning saamgeroepen. Als koninklijke commissaris fungeert de president van de Ev. Ober-Kirchenrath.

De taak van de Generale Synode is, alles te doen, wat voor het welzijn der landskerk, opdat deze aan hare roeping kan beantwoorden, noodig is. Zij moet daartoe toezicht houden op geheel het leven en de leer der kerk, op het werk van de geestelijken, enz.; zij geeft regelen voor de liturgie, voert nieuwe feestdagen in of schaft ze af, brengt wijziging in de kerkinrichting, en waakt over de tucht, de bezetting der ambten, het huwelijksrecht, controleert de kerkelijke inkomsten en fondsen, die onder het beheer van den Ober-Kirchenrath staan, de besluiten van de Prov. Synoden, en kan het initiatief nemen voor die maatregelen, die zij voor het welzijn der kerk noodig acht.

Tenslotte kiest de Generale Synode de synodale commissiën: den Synodal-Vorstand en den synodalen raad voor een tijd van zes jaren. De Synodal-Vorstand bestaat uit een voorzitter en plaatsvervangers en vijf, door de synode benoemde, leden, terwijl deze Vorstand met nog 18, door de synode gekozen, leden den Synodalrat vormt. De Synodal-Vorstand vormt in den tijd, dat de synode niet vergadert, een zelfstandig college met het recht de besluiten der Synode uit te voeren en nieuwe wetsontwerpen voor te bereiden. Hij neemt in bij­zondere gevallen voorloopige maatregelen en werkt samen met den Ober-Kirchenrath. De Synodalrat wordt eenmaal in het jaar door den Ober-Kirchenrath samengeroepen, om met dezen raad over kerke­lijke zaken te beraadslagen.

|223|

In de nieuwere kerkinrichting der Luthersche kerk, waarbij elementen van het presbyteriale kerkrecht gemengd zijn in het consistoriale systeem, is duidelijk op te merken eene analogie met de constitutioneele vormen van de moderne staatsinrichting. De landsheerlijke en de consistoriale gedachten zijn overheerschend.

De beweegreden voor het invoeren van presbyteriën en ouder­lingen in de Evangelische kerk in Duitschland is geweest, zooals Stahl op de Synode van Berlijn in 1846 zeide: „das Verlangen nach Beteiligung der Gemeinde am Kirchenwesen zu befriedigen”. Het was niet, omdat men, zooals de Calvinisten van overtuiging zijn, de H. Schrift en het Apostolisch voorbeeld als normatief wenschte te volgen, maar uit praktische overwegingen. Of de kerk ouderlingen moet hebben of niet, was voor de Luthersche kerk niet een zaak, die door de H. Schrift geleerd wordt, maar een vraag van doelmatigheid1). Het instituut der ouderlingen is volgens de moderne opvatting, die ook in de Gereformeerde kerkenordeningen van Duitschland is belichaamd, een vertegenwoordiging der gemeente. Maar al heeft ook Calvijn zich wel eens zoo uitgedrukt2), men heeft geen recht om zich voor deze moderne beschouwing op Calvijn te beroepen, omdat volgens Calvijn de predikanten en de ouderlingen, ook al zijn zij door middel van de gemeente geroepen, dragers zijn van een door Christus ingesteld ambt, dienaren van Christus, den Koning der kerk, naar wiens wil zij de gemeente hebben te regeeren en aan wien zij verantwoording schuldig zijn. Zij vertegenwoordigen dan ook in den diepsten zin des woords niet de gemeente, maar Christus, die als de Koning zijner kerk „alleen in zijne kerk heerschen en regeeren moet” 3).

Voorts moet opgemerkt worden, dat het instituut der ouderlingen in de Evangelische kerk geen zelfstandige plaats heeft in de regeering der kerk naast den Pfarrer. De Pfarrer is in de eigenlijke uitoefening van zijn ambt, in de leer, in de herderlijke zorg en de bediening der sacramenten, geheel onafhankelijk van het presbyterium. In de herder­lijke zorg voor de gemeente en bij de oefening der kerkelijke tucht is het werk der ouderlingen van zeer geringe beteekenis. Zij zijn feitelijk niet meer dan organen der gemeente tot de behartiging van hare belangen, vooral van de economische.


1) Karl Rieker, Grundsätze reformierter Kirchenverfassung, S. 130-173.
Richard Rothe, Ueber Kirchenverfassung, 1863, S. 17 zegt: „Was die göttliche Institution des kirchlichen Amtes betrifft, so glaubt die unermessliche Mehrheit unserer Kirchengenossen, sofern sie sich nur überhaupt die Frage wegen ihr aufwirft, nicht mehr an sie”.
2) Inst. IV, 1, 22; Opera Calvini XIV, p. 681.
3) Calvijn Inst. IV, 3, 1.

|224|

Het ambt der diakenen is in de Duitsche, behalve in enkele Gerefor­meerde, kerken niet tot ontwikkeling gekomen. De armenzorg werd op Lutherschen bodem bij de wet van 6 Juni 1872 aan de burger­lijke overheid opgedragen1).

De synoden zijn geen zuiver kerkelijke vergaderingen. Kunnen de Kreis- en Provinciale synoden eenigszins eene vertegenwoordiging van de kerken genoemd worden, waarin echter de Pfarrer en de ouderlingen met de vertegenwoordigers van de overheid tot één lichaam vereenigd zijn, de landssynode en de algemeene synode zijn geen kerkelijke bestuurslichamen, maar eene vertegenwoordiging der kerk tegenover het kerkbestuur der overheid. De collegialistische gedachte en die van het landsheerlijk kerkbestuur geven in heel de kerkregeering den toon aan. Terecht zegt Karl Rieker2): „Die sog. reformierten Einrichtungen sind vielfach nur die Maske gewesen, welche die modernen, zunächst auf dem politischen Gebiete wirk­samen. Ideeën wie Volksvertretung, Anteil des Volkes an der Regierung, Selbstverwaltung, Volkswahl der Beamten u.s.w. vorgesetzt haben, um unerkannt in das Gebiet der Kirche Eingang zu finden und es sich zu erobern”.

Met de revolutie van 1918 is het landsheerlijke kerkbestuur weg­gevallen. Aan een buitengewone kerkvergadering, waarvan de leden volgens het algemeen kiesrecht door de leden der kerk werden gekozen, werd opgedragen, een nieuwe kerkorde op te stellen. Deze kerkorden waren in 1922 en 1923 gereed, namelijk die der evangelische kerk der altpreuszischen Union, der ev. Luthersche landskerk van Hannover, der ev. Luth. landskerk van Sleeswijk-Holstein, der ev. landskerk in Hessen-Cassel, der ev. landskerk in Nassau, der ev. gereformeerde landskerk der provincie Hannover en der ev. landskerk van Frankfort a. Main. Zij werden bij staatswet van 8 April 1924 goedgekeurd. De oude staatswetten, die betrekking hadden op de kerk, werden opgeheven, en de rechtsgeldigheid van de, door de kerkelijke vergaderingen zelve vastgestelde en uitgevaardigde, verordeningen werd „soweit diese Ver­fassungen die Vertretung und die Verwaltung des Vermogens und das Steuer- und Umlagerecht regeln, staatlicherseits anerkannt” 3). Volgens deze wet moeten de kerkenordeningen, vóór zij worden afgekondigd, aan den voor de kerkelijke zaken aangewezen staatsminister worden medegedeeld. Het vormen van nieuwe gemeenten, of het veranderen van de gemeenten, moet door den staatsminister worden goedgekeurd.


1) Karl Köhler, Lehrbuch des deutsch-ev. Kirchenrechts, 1895, S. 252.
2) Karl Rieker, Grundsätze, S. 170.
3) Verfassungsgesetze der ev.-ref. Landeskirche der Provinz Hannover, Aurich, 1924, S. 20-24.

|225|

Aan de goedkeuring der regeering moet worden onderworpen: de ver­koop van bijzondere eigendommen, die wetenschappelijke, historische of kunst-waarde bezitten; het aangaan van leeningen, die niet slechts tot tijdelijke hulp dienen; het aanleggen of het van bestemming veranderen van begraafplaatsen; het inzamelen van gelden, die niet betrekking hebben op kerkelijke doeleinden en het aanwenden van het vermogen der kerk voor andere doeleinden dan waarvoor het bestemd is. De kerk heeft het recht, van hare leden belasting te heffen, maar het bedrag en de verdeelingsmaatstaf van den omslag is aan de goedkeuring van den staat onderworpen. De staat bezit het recht van toezicht op de bezittingen en het beheer daarvan door de kerk, en kan zelfs tijdelijk in het beheer ingrijpen, als het kerkelijk orgaan voor het beheer ontbreekt, of geen goed beheer gehouden wordt.

In de verhouding van kerk en staat is wezenlijk weinig veranderd. Wel is de vrijheid en de zelfstandigheid der kerk, om voor het ker­kelijke leven in engeren zin eigen zaken te regelen, duidelijk uitgesproken, maar het jus circa sacra bleef als recht van toezicht op de kerk bestaan. Het collegialistische kerkrecht bleef gehandhaafd. Zeer velen zijn met den huidigen toestand niet bevredigd, wenschen meerdere zelfstandigheid der kerk en achten de episcopaalsche kerk­inrichting noodig voor de kerk.

Bouwman, H. (1928) § 19

§ 19. Zwingli.

De weg, waarlangs Zwingli geleid werd, om als reformator op te treden; was eene andere als die van Luther. Luther werd door het wonderbare licht van Gods vertroostende genade temidden van zijn zwaren innerlijken zielestrijd voorbereid, om als reformator op te treden; in Zwingli rees de bewustheid van de noodzakelijkheid der reformatie door rustigen arbeid en ernstig onderzoek. Luther trad uit de eenzaamheid van de innerlijke worste­lingen in het klooster in den grooten strijd, Zwingli had reeds het volle leven leeren kennen, toen hij in de eenzaamheid zich wijdde aan de studie. Het uitgangspunt van Luther’s arbeid was de Middel­eeuwsche mystiek, tengevolge waarvan er bij hem zijn geheele leven door een formeele tegenstelling bleef tusschen Christendom en wereld; Zwingli werd van zijne jeugd af ingeleid in het Zwitsersch patriottisme

|226|

en het Humanisme, waardoor deze tegenstelling bij hem niet bestond. Onder den invloed van de humanistische opvoeding werd Zwingli krachtig aangegrepen door de gedachte, de kerk zijner vaderstad te zuiveren van de misbruiken van Rome, en om, teruggaande tot de bronnen, de zuivere philosophie te stellen tegenover de scholastieke wetenschap. Het Humanisme was het uitgangspunt van zijn werk, en al leerde hij later door Luther de kern des Evangelies verstaan, en door voortdurend onderzoek de Schrift al beter kennen, de humanistische trek bleef steeds aan Zwingli’s theologie verbonden, en gaf daaraan een eigenaardige kleur. Onder den invloed van Erasmus was hij tot de Schrift gekomen, doch hij ontleende niet zooals de Humanisten alleen de levensphilosophie, de verhelderde moraal, aan de Schrift, maar de Schrift was voor hem de openbaring van het goddelijke heil. Hij onderwerpt heel zijn geloofsleven aan de Schrift als de objectieve macht der waarheid.

Als reformator sloot Zwingli zich aan bij de verhoudingen, die hij in Zürich vond. Sedert het midden van de 14e eeuw was de overheid in Zürich met kracht opgetreden tegen het zedelijke verval. Telkens greep zij in in de kerkelijke toestanden, in de bevoegdheden, die het kanonieke recht gaf aan de kerk. De wenschen der overheid, door haar reeds jaren lang in praktijk gebracht, werden geregeld in 1510 bij het concordaat van Waldmann1), den burgemeester der stad, waarbij werd vastgesteld, dat de geestelijken, door de overheid ge­presenteerd, dezelfde rechten bezaten als die door de kerk waren voorgesteld; dat de staat het toezicht had op de nalatenschap der geestelijken; dat de overheid recht moest spreken over geestelijken in strafzaken, toezicht kon houden op de huishouding der kloosters en op de vergaderingen der geestelijken; dat de gebouwen der kerk en der geestelijken aan de stedelijke verordeningen waren onderworpen en dat de overheid de financieele verhoudingen der partijen bij echtscheiding kon regelen. Uit de Acten-verzamelingen van Egli blijkt, dat Zwingli de verhouding van kerk en staat vond en daarvan gebruik maakte.

De kerk is volgens Zwingli een gemeenschap van heiligen en ware geloovigen, die hun vertrouwen op Christus stellen en niet menschen­inzettingen, maar de autoriteit van het goddelijke Woord volgen. Dit is de ware kerk, die niet dwaalt, die hangt aan Gods Woord, en slechts die herders volgt, die Gods Woord brengen2). De kerk als


1) Rohrer, Das Waldmannsche Konkordat,Zürich, 1846, Jahrb. f. Schweizer Geschichte, Bd. 4. E. Egli, Aktensammlung zur Geschichte der Zürcher Reformation, Zürich, 1879. Die Zürcherische Kirchenpolitik von Waldmann bis Zwingli in Jahrbücher f. Schweizer­gesch., 1896.
2) Schuler und Schulthess, Huldreich Zwinglis Werke, Zürich, 1828 f. I. 202, 197, 337; III 129.

|227|

gemeenschap van heiligen en van alle geloovigen is onzichtbaar, in zoover hare leden over de geheele wereld verspreid zijn1) Later, in zijn strijd tegen de Wederdoopers, noemde Zwingli de kerk bij voor­keur niet meer de vergadering van geloovigen, maar van uitver­korens2). Deze algemeene kerk is niet georganiseerd, maar wel is georganiseerd de plaatselijke kerk, of de Kilchhöre3). Zwingli noemde de verzamelingen van de plaatselijke kerken de algemeen zichtbare kerk, in welke de onzichtbare of geestelijke en uitverkorene kerk was begrepen4). Zoo kon hij de kinderen als volgerechtigde leden der kerk rekenen. God heeft een verbond met de menschen gesloten, en dit door bepaalde teekenen kenbaar gemaakt. Daardoor komt eene samen­hangende gemeenschap tot stand, een volk of eene kerk5). Daarom moesten de Joden besneden, daarom moeten thans de kinderen in het geloof der ouders gedoopt worden, „der macht, dasz man sie unter die Christen verzeichnet” 6). Echter is het niet noodig, tot de zichtbare kerk te behooren, want er is heil ook buiten de genademiddelen. De onzichtbare kerk bevat allen, die gered worden, ook de vele heide­nen, die wij eenmaal in den hemel zullen aantreffen, als Hercules, Theseus, Socrates, Aristides, e.a. De historische gemeenschap der geloovigen en de leden der onzichtbare kerk, of de uitverkorenen van alle tijden en plaatsen, vallen dus in twee deelen buiten elkan­der. De afzonderlijke kerken (die einzelnen „Kilchhören”) zijn ge­organiseerd, en zijn organen der kerk van Christus voor het handelen. Zij bezitten de macht over de leer en het ambt en oefenen de tucht uit7).

Niet elke vergadering van geloovigen, maar alleen de georgani­seerde gemeentevergadering is de vergadering van de kerk van Christus. De Wederdoopers beriepen zich op Matth. 18: 20: „Waar twee of drie in mijnen naam vergaderd zijn, daar ben ik in het midden van hen”, maar zegt Zwingli: „Christus spreekt hier niet over de kerk, maar over de enkele leden”. Eene vergadering van afzonderlijke geloovigen is volgens Zwingli een bijzondere ver­gadering, die nooit een kerkmacht kan bezitten, maar alleen de open­lijk


1) Schul. u. Schulth. I. 201.
2) Schul. u. Schulth. Werke VI, 1, 337, 447; Gottschick in Brieger’s Zeitschrift für Kirchengeschichte, 1886, S. 557 f. 600 f.
3) Schul. u. Schulth. I, 197, 656; III, 125.
4) Qui deum habet, membrum est ecclesiae illius invisibilis et generalis, sed in exteriori ecclesia quae nobis patet, potest aliquis esse membrum, qui tamen in universali membrum non est.
5) III. 420 f.
6) II, 1, 362.
7) Ista (Ecclesia particularis), quae usus exigit secundum regulam verbi divini discernit, abjicit impudentem, revocat poenitentem, simul verbo Dei pascitur III. 92. Gottschick, S. 590.

|228|

geordende gemeentevergadering kan eene met gezag bekleede kerkvergadering zijn1) Elke plaatselijke kerk heeft macht, maar slechts over hare bijzondere kerk. De Roomsche kerk heeft even weinig macht over de geheele kerk als die van Corinthe of van Appenzell. De paus en de kardinalen en de bisschoppen kunnen wel samen­komen in concilies, maar zij kunnen niet de algemeene kerk voor­stellen „denn sie sind nicht alle gläubige menschen” en ook niet „eine Kilchhöre”. Op de vraag: Zijn zij de vertegenwoordiging der kerk? antwoordt Zwingli: „Ven dero weisst die Heilige Schrift nüts”. Daarom heeft de paus of een concilie niet overal kerkelijke macht. Zij zijn leden der kerk evenals de anderen2).

De kerkelijke macht is, volgens Zwingli, de regeering der kerk op grond van het goddelijke woord. De uitoefening van die macht is echter niet gelijk met de sleutelmacht. De sleutelmacht is identisch met de prediking des evangelies. Wie het Woord gelooft, die is verlost; wie het woord niet gelooft, die is gebonden. De drager van het leerambt heeft zelf geen macht, in den naam Gods te binden of te ontbinden, maar slechts de opdracht, aan een iegelijk het woord aan te bieden, opdat God ontbinde (den geloovige) of binde (den ongeloovige) 3). Calvijn heeft volgens de H. Schrift de sleutelmacht uitgebreid, en tot haar gerekend de verkondiging van het woord des evangelies en de handhaving der Christelijke tucht. Doch Zwingli, ofschoon hij leerde, dat de georganiseerde plaatselijke kerk de draagster van de kerkelijke macht is, heeft niet de consequentie getrokken van deze stelling, dat nu de gemeente ook zelve de regeering en de tucht oefende, vrij van de burgerlijke overheid. Zwingli waagde het niet, de macht in de kerk te geven in handen van de kerk. In 1523 had de raad van 200 voor Zwingli partij gekozen, en reeds in 1525 droeg Zwingli het bestuur der kerk over aan den raad der 200. Zwingli zegt: „Zu disser Zeit da unsere Kirche noch in ihren Anfängen, ist aller Anlass zum Streit zu vermeiden. Darum haben wir der Gemeinde geraten, dass sie die äusserlichen Dinge an das Urteil der Zwei­hundert lasse". „Damit ist die Kirche bis auf den heutigen Tag ein­verstanden, wiewohl sie kein öffentliches Mandat darum hat ausgehen


1) „Ein jede Kilch soll in den offnen Dingen handeln und urteilen, nit einer oder glych hundert besonder, als wir wol ermessen mögend Matth. 18: 17 en 1 Cor. 14: 29 en Phil. 3: 16”, II, 234; VI, 341; R. Stähelin, Huldreich Zwingli, Basel 1905, 456.
2) I. 198.
3) Zwingli zegt adv. Emserum (Op. III, 133, 134): Si tunc Petro claves sunt traditae, ergo pascere est clavium officium. Cum ergo nemo tam stupidus sit, qui non per pascere verbo, docere intelligat, fit, ut cum illi maxime contendunt, soli Petro ac primum claves esse creditas, nihil aliud efficiant quam quod Petro ante omnes sit verbi ministerium commissum. Nam si claves habere pascere est (ut certe est): negare non possunt, Petro illic uliud nihil quam diligens ac fidele verbi ministerium imperatum.

|229|

lassen” 1). De raad van tweehonderd handelt niet in zijn eigen naam als wereldlijke overheid, maar „im Namen der Kirche”, niet jure suo, maar als mandataris van de kerk, en zij kan niet verder gaan en „anstatt der Kirche” regeeren, tenzij de stilzwijgende goedkeuring de handeling der overheid bevestigt. Deze goedkeuring der gemeente was feitelijk gefingeerd. Zwingli arbeidde persoonlijk op kerkelijk en wereldlijk terrein. Hij droeg aan de overheid op alle economische en administratieve dingen van het kerkelijke leven, terwijl hij en zijne collega’s de vriendelijke raadgevers der overheid waren. De overheid was beslist op de hand van de reformatie. Zij had van den beginne voor het welzijn der kerk gezorgd, en had feitelijk alle macht over de kerk in handen. Nu leerde Zwingli aan de overheid, wat zij doen moest. Zij moest zijn eene Christelijke overheid, die naar den wil Gods, ook in wereldlijke zaken moest regeergen, en „so sie untreulich und ausser der Schnur Christi fahren würden, mogen sie mit Gott entsetzt werden” 2). Doch feitelijk was de macht in de kerk in handen van de overheid, en deze behield de macht, ook in de oefening der tucht. Op eene synode te St. Gallen verklaarde Zwingli in het jaar 1530, dat de apostelen onder de heidensche overheid hadden geleefd, die de zonden niet zoo strafte als het Christenen betaamt, en daarom had de kerk zelve den ban ter hand genomen, om tenminste kerkelijke straffen toe te passen; thans evenwel leven wij onder eene Christelijke overheid, en „so wird der Bann nicht mehr von nöten sein” 3). Maar juist zoo ontving de overheid een rechtsgrond, om de kerk te besturen. Zij voerde dan ook in 1527, op voorstel van Zwingli, het instituut eener synode in, om de klachten tegen de leer en het leven der predikanten te onderzoeken. De „Stillstände”, die in 1530 door de overheid tot handhaving van de kerkelijke tucht werden bijeengeroepen, waren eene burgerlijke instelling. De overheid voerde het kerkbestuur „im Namen Jesu Christi unseres Seligmachers”. De kerk is niet een afzon­derlijke gemeenschap naast den staat, zij moet veelmeer den staat met de krachten van Gods Woord doordringen. Zóó werd dan de kerk zonder eenige zelfstandige organisatie overgeleverd aan den staat, terwijl zij alleen vertegenwoordigd werd door het ambt van den geestelijke, die als een oud-testamentisch profeet onder zijn volk moest werken4).


1) Subsidium de eucharistia, Schul. u. Schulth. III, 339. Hundeshagen, Beiträge zur Kirchenverfassungsgeschichte I, 1864, 191-215. Sohm, Kirchenrecht, I. 646.
2) Hundeshagen, Beitrage I, 196.
3) Calvijn heeft deze voorstelling van Zwingli bestreden (Inst. IV, II, 3-5), en daartegenover de zelfstandige regeering en tuchtoefening der kerk volgens het N. Testament uiteengezet.
4) Hundeshagen, Beitrage, 214; A. Lang, Zwingli und Calvin, 1913, 63. Schulthess-­Rechberg, Luther, Zwingli und Calvin in ihren Ansichten über das Verhältnis von Staat und Kirche, 1909, 154, 173.

|230|

Bullinger (1504-1575) sloot zich in kerkrechtelijke vragen nauw bij Zwingli aan. In de Tweede Helvetische confessie, de rijpe vrucht van zijne theologische studie, in 1562 door hem opgesteld, beschrijft Bullinger de kerk, evenals in zijn Summa, als eene uit de wereld geroepene of verzamelde vergadering der geloovigen, of eene gemeen­schap van alle geloovigen. Christus is de Koning der kerk. Hij bezit alle macht in hemel en op aarde, opent en sluit het hemelrijk, en geeft aan niemand deze macht over. De dienaren hebben een bedienende macht. Zij moeten naar het Woord Gods de gemeente regeeren. Zij worden door kerkelijke en wettige verkiezing gekozen, en naar de orde der kerk, met publieke gebeden en oplegging der handen, in den dienst gezet. Het werk der evangeliedienaren is de bediening des Woords en der sacramenten. Ook de tucht moet worden uitgeoefend door de dienaren der kerk, tot opbouw en niet tot verwoesting van de kerk. De kerkelijke tucht moet allereerst bestaan in de prediking des Woords, waarbij de dienaren als profeten Gods den rechtvaardigen aankondigen, dat het hun zal welgaan, en den ongeloovigen en zondaren aanzeggen, dat het hun kwalijk zal gaan. De tucht als straf zou ook wel door de vergadering van dienaren en ouderlingen kunnen ge­schieden, maar Bullinger achtte het in Zürich meer doelmatig, de kerkelijke straffen in de handen van de overheid te laten. Dit hing samen met zijne beschouwing over de verhouding van kerk en staat. In den Christelijken staat vormt het geheel der burgers zoowel den staat als de kerk. De Christelijke staatslieden zijn ook dienaren Gods, en daarom had hij geen bezwaar, om de tucht in de kerk ook aan de overheid toe te vertrouwen. De kerk moet hare vrijheid en zelf­standigheid behouden in de verkondiging des Woords. De overheid mag hier niet ingrijpen, maar ook de kerk mag niet ingrijpen in het recht van de overheid, en dus ook niet door de inwendige tucht­middelen de leden der kerk straffen. De kerk moet wel de leden der kerk vóór de viering des avondmaals vermanen, om zichzelf te onderzoeken, opdat niemand zichzelf een oordeel zou eten en drinken, maar het straffen der zondaren behoort tot het werk der overheid, wier taak het is te zorgen voor den vrede en het welzijn des volks, te bevorderen de prediking des evangelies en den waren godsdienst, en den valschen godsdienst te weren. De overheid moet ook in dit opzicht gehoorzaam zijn aan het Woord van God. Ook het beheer der kerkelijke goederen liet Bullinger in de handen van de overheid1). Ofschoon Bullinger in dogmaticis zeer dicht bij Calvijn stond, sloot hij zich in kerkrechtelijk opzicht nauw bij Zwingli aan.


1) Summa fol. 154; Huysboek fol. 60; Conf. Helv. II, Art. 17, 18, 30.

|231|

Ook Rudolf Gualther (Walter) (1519-1586), de trouwe medewerker en de opvolger van Bullinger, bepleitte het gevoelen van Zwingli, dat de kerkelijke tucht door de overheid nevens den dienaar des Woords moet worden uitgeoefend. Het betaamt den kerkedienaren niet, iemand van het gebruik der sacramenten uit te sluiten, aangezien de tucht niet is ingesteld, om de kerk te verstrooien, maar in liefde te vergaderen.

In 1570 verdedigde hij tegenover de strenge kerkelijke tucht naar de opvatting van Calvijn de zachtere meening van Zwingli, en vandaar­uit kwam hij geleidelijk tot de voorstelling, dat men elke kerk vrij moet laten, de gebruiken te volgen, die zij wenschelijk oordeelde, en dat men geen enkele stad of land om der wille van de religie geweld mag aandoen. Zijne geschriften werden ook in andere landen gelezen, en oefenden invloed op de Libertijnen in Nederland, die zich herhaal­delijk op hem beriepen.

Afhankelijk van Zwingli was ook Thomas Erastus (1524-1583). Geboren in te 1524, waarschijnlijk te Baden (Zwitserland), studeerde hij theologie te Bazel, philosophie en medicijnen te Bologna en Padua, en werd in 1558 lijfarts van Keurvorst Otto Heinrich van de Paltz en tevens professor in de medicijnen te Heidelberg. Frederik III (1559-­1576) benoemde hem tot lid van den Kirchenrath, en als zoodanig nam Erastus deel aan de godsdienstgesprekken tusschen de Luther­schen en de Gereformeerden te Heidelberg (1560) en in het klooster Maulbron (1564). In den Avondmaalsstrijd verdedigde hij het gevoelen van Zwingli, terwijl hij ook in de kerkregeering de richting van Zwingli toegedaan was.

Erastus hield de kerkelijke tucht voor onrechtmatig en tiranniek, en vreesde, dat de kerkeraden, begiftigd met de macht der kerkelijke tucht, zich tot eene hiërarchie als de Roomsche zouden ontwikkelen, en dat dit leiden zou tot gewetensdwang in den zin van de Spaansche in­quisitie. Hij achtte het meest wenschelijk, dat, evenals in de Züricher kerkorde. de overheid ( in naam der gemeente ook het kerkbestuur in handen had. Zijn boek „Explicatio gravissimae quaestionis, utrum excommunicatio mandato nitatur divino, an excogitata sit ab homi­nibus”, door zijne weduwe na zijn dood uitgegeven, werd door Beza in zijne verhandelingen „De presbyteris” en „De excommunicatione” bestreden, en werd daardoor bekend in Engeland en Schotland, en daar gehuldigd door de richting, die de Gereformeerde beginselen in het kerkrecht bestrijdt1).


1) A. Bonnard, Thomas Eraste et la Discipline ecclésiastique.

Bouwman, H. (1928) § 20

|232|

§ 20. Calvijn.

Het is Calvijn geweest, die het beginsel van de Christusregeering in de kerk consequent heeft ontwikkeld en getracht in de praktijk te brengen. Hij heeft een eigen en zelfstandig type van theologie en kerkregeering ingedacht en tot uitdrukking gebracht. Daarbij heeft hij in zijn levenswerk den arbeid zijner voorgangers niet ongebruikt laten liggen. Hij stond midden in de geweldige beweging der zestiende eeuw, toen de geheele Christenheid opgeschrikt was door het machtige woord van Luther en allen in de zaak der religie positie moesten kiezen. Calvijn was de laatste der reformatoren, die al wat Luther, Erasmus, Melanchton, Zwingli, Bucer en Farel hadden gesproken, in zich had opgenomen. Doch al is het waar, dat hij meer een organiseerende dan een scheppende geest was, van hem kan niet gezegd worden, dat hij de gedachte van andere theologen eenvoudig heeft overgenomen. Hij heeft de ideeën zijner voorgangers in zich opgenomen, doorgedacht, aangevuld, en al wat hij als godde­lijke waarheid had leeren verstaan, heeft hij tot een volledig afgerond stelsel verwerkt, en hij heeft getracht zijne beginselen in praktijk te brengen.

Bij Luther sloot hij zich van den beginne zeer nauw aan. In de ervaring van de zekerheid des heils, in de leer van de erfzonde, van het diepe bederf des menschen, van de gerechtigheid door het geloof in Christus, is er geen onderscheid tusschen Luther en Calvijn. Maar hoeveel verwantschap Calvijn ook met Luther moge vertoonen, hij is toch naast Luther zijn eigen weg gegaan, hij heeft zijne beginselen onder een bepaald gezichtspunt streng logisch doorgedacht en uitge­werkt tot een eigen systeem en naar die beginselen als reformator gearbeid.

Luther leerde reeds van 1519 af, dat de kerk zichtbaar en onzicht­baar was. Naar haar wezen is zij onzichtbaar. Zij is een vergadering van heilige en ware geloovigen, in welke het evangelie recht wordt gepredikt en de sacramenten worden bediend, doch in den uiterlijken kring, waarin de sacramenten worden bediend, staan ook zij, die van de geloovigen niet te onderscheiden zijn en die toch wezenlijk on­heilig zijn. Hiermede was de uitwendig zichtbare kerkgemeenschap gegeven, maar Luther ijverde zoozeer tegen de Roomsche kerk als inrichting, en de zekerheid der persoonlijke zaligheid was voor hem zoozeer hoofdzaak, dat de institutair zichtbare georganiseerde kerk bijna geheel op den achtergrond geschoven werd. Voor de Luther­schen is de zichtbare kerk hoofdzakelijk slechts een godsdienstige

|233|

gemeenschap voor de bediening van Woord en sacrament, doch voor Calvijn was zij ook eene Christelijke levensgemeenschap, een sociaal organisme.

In dezen stond Calvijn onder den invloed van den Straatsburger theoloog Bucer. Hij had de commentaren van Bucer, de vier Evangeliën en den Brief aan de Romeinen voor het bewerken der eerste en tweede uitgave zijner „Institutie” gebruikt, maar had daarbij tevens, wat bij Bucer nog zwevend en onhelder was, met groote duidelijkheid consequent uitgewerkt. In den strijd tegen de Anabaptisten, die van oordeel waren, dat alleen actieve heiligen, die reeds tot de belijdenis en de daad des geloofs gekomen waren, en die zij als geloovigen rekenden, leden der kerk waren, had Bucer gebruik gemaakt van de leer der praedestinatie en geleerd, dat er twee soorten van menschen waren: uitverkorenen en verworpenen, menschen, die Gods genade ontvangen, en menschen, voor wie het koninkrijk der hemelen is toegesloten. Wij kunnen niet met zekerheid weten, wie uitverkorenen zijn, en daardoor ook behooren tot de gemeenschap der geloovigen. Daardoor kon hij het objectieve element, dat de kerk is eene ver­gadering van geloovigen, in welke het Woord en de sacramenten bediend worden, en het subjectieve element, dat de kerk is het getal der uitverkorenen en heiligen, handhaven. Doch hij liet ook duidelijk uitkomen, dat wij niet onfeilbaar weten, wie uitverkorenen zijn, maar dat wij ons bij de beoordeeling daarvan moeten houden aan de kenmerken van geloof en wandel, zooals de H. Schrift ons leert1).

Door deze afhankelijkheid van Luther en Bucer heeft de oor­spronkelijkheid van Calvijn volstrekt niet geleden, maar hij heeft de ideeën, die vóór hem waren uitgesproken, in zich opgenomen, uit­gewerkt, gecombineerd en een eigen levens- en wereldbeschouwing gegeven2).

Calvijn’s leer van de kerk hangt ten nauwste samen met de centrale gedachte zijner theologie. Het grondbeginsel van heel zijne levens­- en wereldbeschouwing is die van de absolute soevereiniteit Gods3). Als de absolute souverein van hemel en aarde heeft Hij voor elk schepsel eene orde en wet gesteld, en vraagt Hij, dat het creatuur Zijn grootheid eerbiedige en buige voor Zijn hooge majesteit. God is God,


1) Dr A. Lang, Das Evangeliën-Kommentar Martin Butzers, 1900, S. 176, 177; Die Reformation, 5 Oct. 1902, S. 47.
2) Terecht zegt Doumergue, Jean Calvin V, 24: „L’influence de Luther et celle de Bucer sur Calvin sont indéniables, comme est indéniable l’originalité de Calvin, qui a classifié, élagué, combine, et produit cet organisme original, vivant d’une vie propre, qui ’s appelle le calvinisme, l’originalité de Calvin qui en particulier a fait de lui le créateur et l’organisateur non pas d’une Eglise calviniste, mais de l’Eglise protestante”.
3) H. Bavinck, The future of Calvinism, in The Presbyterian and Reformed Review, 1894, 3-6. Doumergue, Jean Calvin IV, p. 26.

|234|

de eeuwige, de volkomene in macht, in wijsheid en in trouw. De historie is de ontplooiing van den goddelijken raad. Het schepsel is in alles afhankelijk van God, en kan, zij het ook tegen zijne be­doeling in, niet anders dan medewerken tot de glorie van den heiligen en almachtigen God. Het einde van de geschiedenis is een lofzang op de grootheid en onnaspeurlijke wijsheid Gods. Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.

De leer van den goddelijken raad is voor Calvijn niet het resultaat eener philosophische speculatie, maar hij werkt haar uit, zooals hij door de H. Schrift was onderwezen en door eigen zielservaring was geleid. De H. Schrift leert, dat de zaligheid des zondaars enkel uit genade is, dat God het is, die den weg der verlossing baant in Christus en die in Christus door den H. Geest de verzekerdheid van het heil schenkt, en in dit alles wordt openbaar de almachtige en barmhartige wil Gods. „De genade en de uitverkiezing, het evangelie en de volstrekte souvereiniteit Gods staan bij Calvijn niet tegenover elkander en sluiten elkander niet uit; maar de genade in vollen, waarachtigen zin, is verkiezend van aard, en het Evangelie is niet alleen de bekendmaking, maar ook de realiseering van den Goddelijken heilswil; bron der Godskennis en middel der genade tegelijk” 1).

De praedestinatie heeft niet slechts betrekking op den eeuwigen staat der redelijke schepselen, maar ook op de middelen en de wegen, die tot de einduitkomst leiden. Calvijn handhaaft met kracht, hetgeen hij las in de H. Schrift, dat geen ding geschiedt buiten den wil Gods, dat God alle dingen bepaalt naar den raad zijns willens, en dat de redelijke mensch in alles geleid wordt, maar hij laat ook niet los, wat de H. Schrift leert omtrent de verantwoordelijkheid en de zelf­werkzaamheid der redelijke schepselen. Op deze wijze blijft de schuld der zonde voor rekening van den mensch, blijft de eer en het recht Gods gehandhaafd, maar er is ook de persoonlijke zekerheid des geloofs, de vaste overtuiging, door den H. Geest gewerkt, dat de geloovige is een orgaan Gods, om zijn raad uit te voeren, zijn wil te volbrengen, voor Hem te leven en te strijden. De liefde Gods is in zijn hart gegrift. Gods wil staat ten allen tijde voor hem, en door de herscheppende genade is het zijne begeerte, om den wil des Vaders te volgen. Calvijn zelf wandelde als in de tegenwoordigheid Gods, sub specie aeternitatis. Het was, zooals zijn regel aanduidt, zijn levensbegeerte geworden, zijn brandend hart den Heere ten offer te brengen.


1) H. Bavinck, Johannes Calvijn, bl. 15; H. Bauke, Die Probleme der Theologie Calvins, Leipzig, Hinrichsche Buchh.1922, S. 81-86.

|235|

Met deze beschouwing hangt ten nauwste samen Calvijn’s leer over de kerk en hare inrichting. Het moge waar zijn, dat de algemeene cultuurverhoudingen in het Westen, onder welke Calvijn opgroeide, invloed hebben uitgeoefend op de vorming van de pres­byteriaansche kerkregeering, dat met name de vrije stedelijke republieken met haar fiere en ontwikkelde burgerij daartoe hebben medegewerkt1), dit neemt niet weg, dat de eigenaardige kerk- en gemeenteordeningen samengegroeid zijn met zijne religieuze persoon­lijkheid en met zijn inzicht in de H. Schrift.

Zooals wij reeds opmerkten, had Bucer’s leer van de kerk een grooten invloed op Calvijn uitgeoefend. Bucer had niet als Luther de objectieve gaven Gods, het Woord en de sacramenten, op den voorgrond geplaatst, maar hij had evenals de Anabaptisten een diepen indruk bekomen, dat de kerk is een vergadering van ge­loovigen, van heiligen en daarom ook het subjectieve element in het kerkbegrip naar voren geschoven. Doch spraken de Anabaptisten van een kerk van heiligen, Bucer en Calvijn definieeren de kerk als de numerus electorum. Zoo kon de verkeerde gedachte der Weder­doopers, als zouden alleen heiligen in engeren zin tot de kerk mogen worden toegelaten, afgewezen worden, wijl God alleen weet, wie de zijnen zijn en wie werkelijk tot de schare der geloovigen behooren. Hiervan uitgaande nam Calvijn ook de gedachte van Luther over, dat waar het Woord recht gepredikt en de sacramenten bediend worden naar de instelling van Christus, ook eene kerk van ware geloovigen te vinden was, en stelde dit beginsel als grondslag zijner kerkorde. Doch terwijl Luther bij deze kenteekenen der ware kerk bleef staan, en het sociologisch element, dat de geloovigen in zich den drang kennen, om zich te vereenigen en zich te organiseeren als lichaam van Christus, verwaarloosde, heeft Calvijn deze verschillende elementen in zijne kerkbeschouwing tot uitdrukking en aanvankelijk in practijk gebracht. Volgens hem is de kerk de georganiseerde gemeenschap der geloovigen, die zich overal en ten allen tijde door hun belijdenis en heiligen wandel als Gods volk doen kennen.

In de eerste uitgaven van de „Institutie” beschreef hij de kerk als eene vergadering van uitverkorenen, en hij verbond daaraan de kenmerken, dat daar, waar het Woord Gods en de sacramenten naar de instelling des Heeren bediend worden, een gemeente van ware geloovigen te vinden is. Allen, die door belijdenis des geloofs, door een heiligen wandel en het deel nemen aan de sacramenten toonen, God in Christus toe te behooren, mogen niettegenstaande


1) E. Marcks, Gaspard von Coligny I. 221; A. Lang, Joh. Calvin S. 83.

|236|

hunne zwakheden tot de ware leden der kerk gerekend worden1). Hij handelt in de eerste uitgave slechts kort over de inrichting en de tucht der kerk. Maar in volgende uitgaven heeft hij in verband met de omstandigheden, waarin hij zich bevond, en met den strijd tegen de Libertijnen, de Anabaptisten, de Roomschen enz., waarin hij was gewikkeld, zijne beginselen herhaaldelijk nader uitgewerkt en gepreciseerd.

Calvijn was bekend met de kerkvaders der eerste eeuwen, zooals weinigen in zijn tijd. Hij was overtuigd, dat het avondmaal des Heeren het centrum was van het godsdienstig en kerkelijk leven, de kroon en het hoogtepunt van den cultus, en dat voor het heilig houden van het sacrament, en dus ook van de gemeente, de kerkelijke tucht noodig was. De tucht was de zenuw van het kerkelijke leven. Hij hoopte, dat de kerk der Reformatie zich opnieuw zou openbaren als een levende kerk, en dat de tucht ongehinderd door de dienaren der kerk zou kunnen worden uitgeoefend. Maar zijn wens werd niet geheel vervuld. Hij kon den invloed van de overheid in de kerk niet weren. Het volk had te veel geleden onder de overheersching der Roomsche geestelijkheid, en het was te weinig doordrongen van de beginselen van Gods Woord, dan dat het zich gewillig boog onder de tucht der kerk. En zijne beschouwing van de roeping der kerk stemde niet overeen met de gedachte van de magistraten der Zwitsersche republieken omtrent hun eigen waardigheid.

Toen Calvijn in 1536 in Genève kwam, trad hij eerst bescheiden op en school achter Farel terug. maar weldra kwam hij door de uit­nemendheid zijner persoonlijkheid vanzelf op den voorgrond. Hij gaf eene confessie in 21 artikelen, die, door de regeering der stad goed­gekeurd, door alle burgers van Genève bezworen moest worden. Hij stelde een Catechismus op ter onderwijzing der jeugd, en regelde het kerkelijke leven.

Maar hij stuitte weldra op ernstigen tegenstand. In 1538 koos het volk besliste tegenstanders van de predikanten in de regeering, waar­door de pas ingevoerde strenge verordeningen weder krachteloos werden, en de tuchteloosheid weder toenam. Hierbij kwamen moeilijk­heden van den kant van Bern. De Berner overheid drong er bij de regeering van Genève op aan, dat de predikanten in Genève zich zouden schikken naar de gebruiken van Bern. En toen Calvijn en Farel zich hiertegen verzetten, werden zij uit hun ambt ontzet en spoedig daarna uit de stad verbannen. Calvijn ging nu op aandrang van Bucer naar Straatsburg, en werd daar leeraar van de Fransche gemeente.


1) Institutie van 1536, p. 137, 147, 435; Inst. van 1559 IV, 1, 1.

|237|

Het verblijf van Calvijn in Straatsburg is voor hem zeer gezegend en van rijke beteekenis geweest. Hier stond hij in intiem verkeer met Bucer, die van enthousiast een man van een georganiseerde kerk geworden was, en bij wien in zijn strijd met de Anabaptisten zoovele heerlijke ideeën gerijpt waren. Hier in de vrije rijksstad kwam hij met vele reformatoren in aanraking. Van hier uit nam hij deel aan de bekende godsdienstgesprekken en werd hij bekend met de Duitsche toestanden. Hier had hij gelegenheid, de studie der historie van de oude patres en van de schrijvers over het kerkrecht te ver­diepen en werd hij bekwaamd voor het werk der reformatie, dat hem na zijn terugkeer in Genève in 1541 wachtte.

Nadat de reformatie in Genève hem aanvankelijk was gelukt, heeft hij ook in de uitgave zijner „Institutie” van 1543 eene meer uit­voerige en preciese uitwerking zijner gedachten omtrent de inrichting en de tucht der kerk gegeven.

De kerk is volgens Calvijn niet alleen een schare van geloovigen, die in Christus hun zaligheid bezitten, maar zij is ook een zichtbare georganiseerde gemeenschap. Christus heeft, om onze zwakheid en onervarenheid te hulp te komen, ook hulpmiddelen verordend, „herders en leeraars gegeven, om de zijnen door hun mond te laten onder­wijzen”, en hen „voorzien met autoriteit, macht en aanzien” en „bovendien heeft Hij sacramenten ingesteld als behulpsels, om het geloof te voeden en te versterken.”

Calvijn bedient zich, om het instituut der kerk uit te drukken, van het woord „moeder”. De kerk is onze moeder. „Maar naardien wij nu voorgenomen hebben te handelen van de zienlijke kerk, zoo laat onszelf uit den eenigen naam „moeder” leeren, hoe bevorderlijk, ja ooit hoe noodzakelijk ons is de kennis daarvan, dewijl daar geen andere ingang is tot het leven, tenzij dat ze ons in haar schoot ontvange, tenzij dat ze ons bare, tenzij dat ze ons voede door hare borsten en eindelijk onder hare bewaring en opzicht bescherme totdat wij, het sterfelijk vleesch afgelegd hebbende, den Engelen zullen gelijk zijn. Want onze zwakheid gedoogt niet, dat wij de school verlaten voor en eer wij den ganschen tijd onzes vleesches discipelen zullen geweest zijn. Doet hier nog bij, dat buiten haren schoot geen vergeving der zonden staat te verwachten noch eenige zaligheid.” „Allen die de geestelijke spijze der zielen, welke hun van God dóór de handen der kerk toegereikt wordt, verwerpen, zijn waardig van honger en gebrek te vergaan. God geeft ons het geloof inwendig in onze harten, doch door het middel en het instrument van zijn Evangelie”. God zelf heeft ordeningen voor zijne kerk beschikt. „Hij stelt ook leeraars over ons, opdat wij door hunnen dienst zouden

|238|

geholpen worden”. „Want ofschoon Gods kracht aan de uiterlijke middelen niet is gebonden, zoo heeft Hij nochtans ons gebonden aan de gewone wijze van leeren. Het is niet geoorloofd deze twee dingen, die God vereenigd heeft, te scheiden, namelijk dat de kerk is moeder van allen, van wie God Vader is” 1). Ook mag men „de kerk, waar Gods Woord gepredikt wordt en de sacramenten bediend worden”, niet verlaten. Ook mogen de zwakheid en de gebreken van menschen „ons niet verhinderen, ons geloof te belijden en te beleven door het oefenen van de ceremoniën, die door God ingesteld zijn”. De kerk is dus onze moeder, die ons onderwijst door het Woord, en ons opvoedt door de tucht.

De kerk is echter niet alleen moeder, maar ook de gemeenschap der geloovigen, corpus ac societas fidelium. Alle kinderen Gods hebben dan ook broederlijke gemeenschap met elkander te houden, en aan de kerk de autoriteit en de achting te geven, die haar toekomt2). Deze kerk openbaart zich plaatselijk, en mag wel, zooals de Ordonnances ecclésiastiques van 1541 aantoonen, terwille van de goede bearbeiding in verschillende parochies worden ingedeeld, maar is overigens eene ondeelbare gemeenschap. Voor de Lutherschen is de kerk eene cultus­gemeenschap, doch voor Calvijn is zij vooral eene levensgemeenschap voor de Christelijke actie, een sociaal organisme3). Daarom zijn ambten en bedieningen, welke Christus heeft ingesteld, noodig, daarom is ook de verzorging der armen een noodzakelijke functie, die de kerk nimmer mag verwaarlozen.

De kerk is het mystieke lichaam van Christus, een vergadering van uitverkorenen. Maar wij weten in deze bedeeling niet, wie wezenlijk uitverkoren is. Wij kunnen iemand, die niet uitverkoren is, door ons gebrekkig inzicht houden voor een kind Gods, en omgekeerd is het mogelijk, dat iemand, dien wij niet rekenen tot Gods volk, werkelijk tot de schare der uitverkorenen behoort. Daarom moeten wij oordeelen naar de kenmerken des geloofs, die God ons geeft, belijdenis en wandel, en naar het oordeel der liefde de zoodanigen, die recht belijden en onberispelijk wandelen, houden voor kinderen Gods. Lang zegt naar waarheid: „Voor Calvijn sluiten de beide ideeën, instituut en gemeenschap, elkander niet uit, beide zijn in beginsel begrepen in de verkiezing en beide doordringen elkander wederkeerig in het begrip kerk” 4).


1) Inst. IV, 1, 4, 5; IV, 1, 19.
2) Inst. IV, 1, 3; Cat. Gen. 1545 over de gemeenschap der heiligen; Müller, Die Bekenntnisschrifte der Ref. Kirche, p. 126.
3) Hundeshagen, Beiträge zur Kirchenverfassungsgeschichte und Kirchenpolitik, 1864, I, 165. Doumergue, Jean Calvin, V, 61.
4) A. Lang, Die Reformation, 1902, S. 445, 446.

|239|

Dit kon Calvijn leeren, omdat hij een recht inzicht had in het verbond, dat God met zijn volk in Christus had opgericht. De ver­kiezing zegt, wie verkoren zijn en onfeilbaar tot de zaligheid zullen geraken; het genadeverbond beschrijft den weg, waarlangs deze verkorenen tot hunne bestemming zullen komen. Het genade­verbond is met Christus gesloten, maar met hem als het hoofd zijns lichaams. Dat verbond openbaart God in de geloovige geslachten, en daarom moet ook den kinderen der geloovigen het teeken en zegel des doops, waardoor zij in de kerk Gods ontvangen en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, toegediend worden1). Op deze wijze werden de onzichtbare en de zichtbare kerk niet van elkander losgemaakt. Onder de uitdrukking „de onzichtbare kerk”, die hij voor het eerst in de „Institutie” van 1543 opneemt, verstaat hij de gezamenlijke uitverkorenen, die alleen Gode bekend zijn, maar deze worden zichtbaar in hun belijdenis en wandel, en in de ambten en de bedieningen, welke God aan de kerk gegeven heeft. Onzichtbaar is de kerk, omdat wij niet weten kunnen, wie in de zichtbare verschijning de ware geloovigen zijn, en omdat bij haar ook de hypocrieten zich voegen. Onzichtbaar, omdat de kerk verspreid is over de geheele wereld, omdat de schare der uitverkorenen eerst bij de wederkomst van Christus voltooid zal zijn, omdat een groot deel van hen in den hemel is. Doch zichtbaar is de kerk, omdat zij een zichtbare zijde heeft, zooals wij de kerk zien, en wij de kerk, waar de zuivere bediening van Woord en sacrament is, en waar het Koningschap van Christus gehandhaafd wordt, mogen houden voor eene ware kerk, en naar „het oordeel der liefde voor leden der kerk zouden houden diegenen, die door belijdenis des geloofs en door zuiverheid des levens en door mededeelachtigheid der sacramenten God en Christus met ons belijden” 2). Wel mag het instituut der kerk nooit vereenzelvigd worden met hare geestelijk onzichtbare zijde als een Gemeente van uitverkorenen. maar door het vasthouden aan het Woord des Heeren in belijdenis en wandel, in de handelingen der kerk, in leer, regeering en tucht, moet het karakter der kerk als gemeente van geloovigen duidelijk uitkomen. De kerk moet — zal zij den moed kunnen hebben namens Christus te spreken en te handelen — zich zoo dicht mogelijk houden aan het Woord des Heeren. Doch al ziet iemand eenig gebrek in de kerk, of in personen, die gebreken hebben, hij mag van zulk eene kerk niet scheiden, tenzij hij gedwongen wordt, tegen Gods wil te doen.


1) Calvijn, Institutie II, 10, 2; IV, 15, 17, 16, 19, 20; Comm. op Gen. 15: 6; 17: 4; Matth. 3: 7, 9; W. v.d. Bergh, Calvijn over het Genadeverbond, bl. 7.
2) Institutie IV, 1, 1-9.

|240|

De juistheid der kerkinrichting acht Calvijn gewaarborgd eenerzijds door hare Schriftmatigheid, en anderzijds door het grondbeginsel van de alleenheerschappij van Christus in de kerk.

De regeering der kerk moet naar het Woord Gods worden ingericht. Calvijn was er van overtuigd, dat de wijze van kerkregeering, door hem voorgesteld, was naar het Woord Gods. Hij zegt in zijne „Institutie” IV, 4, 1: „Tot nog toe hebben wij gehandeld van de orde, om de kerk te regeeren, gelijk die ons door het zuivere Woord Gods is over­geleverd, en van de diensten en ambten, gelijk die door Christus zijn ingesteld”. Volgens de Ordonnances ecclésiastiques van Genève, van 1541, is de kerkelijke orde „ontleend aan het Evangelie van Jezus Christus”. Dit wil niet zeggen, dat de kerkorde is een geloofsartikel, want ook al is de inrichting niet volkomen, daardoor houdt de kerk nog niet op, de kerk te zijn, zoolang zij nog heeft de bediening van Woord en sacrament. Ook bedoelt Calvijn niet, dat er geen enkele regeling in de kerk mag zijn, of het moet met zooveel woorden in de H. Schrift staan opgeteekend. Calvijn wil wel terdege rekenen met de les der historie en met de eischen van het praktische leven1). Doch evenals hij van oordeel was, dat al wat een Christen noodig was te gelooven, duidelijk in Gods Woord is geleerd, zoo ook was hij overtuigd, dat de algemeene lijnen, de hoofdbeginselen van eene kerkelijke organisatie in de H. Schrift zijn gegeven en dat deze een normatief gezag hebben, wijl zij door Christus voor zijne kerk zijn verordend. Om die reden kon hij zeggen, „dat zij ontleend is aan het Evangelie van Jezus Christus”.

Van zeer groote beteekenis is dan ook het grondbeginsel van de alleenheerschappij van Christus in zijne kerk. De regeering der kerk is eene Christocratie, gelijk hij als positief beginsel aan het begin van de kerkorde van 1541 zegt2): Christus zelf is de Koning zijner kerk, die haar leidt en regeert door zijn Woord en Geest. Hij is de eenige Meester der geloovigen, de eenige en eeuwige Koning der kerk3). Dit wil negatief zeggen, dat geen mensch, geen priester, geen koning, geen staatsambtenaar eenige zeggenschap heeft tegenover of naast Christus, en positief, dat alleen de ware geloovigen als leden van het lichaam van Christus tot de kerk behooren, en dat zij alleen zich in alle deelen des levens, in alle omstandigheden aan den hemelschen Koning hebben te onderwerpen4). Daardoor wordt de vrijheid en het recht der geloovigen en tevens de vastigheid der kerkelijke organisatie gehandhaafd. Zoo wordt het leerstuk der kerk ook religieus geheiligd


1) Inst. IV, c. 4 enz. Doumergue, Jean Calvin V, 49 etc.
2) Opera ed. Baum, I, 205 v.v., 210 v., 561 v., II. 776 v.
3) Inst. IV. 3, 3; 8, 7, 8.
4) A. Lang, Joh. Calvin, S. 88.

|241|

en komt de organisatie der kerk niet los naast of boven de kerk als gemeenschap van geloovigen te staan. De kerk, ook naar haar zichtbare en institutaire zijde, is niet het gebouw, niet de instelling, niet een geestelijke stand, maar de geloovigen zelf, die evenwel niet op zich zelf mogen blijven staan, maar zich moeten vereenigen krachtens den hun ingeschapen levensdrang, en dat niet naar eigen goedvinden, maar naar de ordinantiën van Christus. „De wezenlijke, de hemelsche, onzichtbare kerk moet in de aardsche doorschemeren en uitkomen”. „En daarom kan die kerk op aarde niet anders bestaan dan uit de in Christus ingelijfden, die onder Hem buigen, bij zijn Woord leven en zich houden aan zijne ordinantiën, en daarom een kerk, het Woord predikende, het sacrament bedienende, de tucht oefenende; in alles staande voor het aangezichte Gods” 1).

Dit bepaalt de regeering der kerk op aarde. Christus regeert zelf van uit den hemel zijne kerk, maar hij wil mede gebruik maken van den dienst van menschen, waardoor „de geloovigen met elkander tot een lichaam verbonden worden” en zonder welke de kerk niet „gaaf en ongeschonden kan bewaard worden”. Daarom zoo wie dezen vorm van regeering wegneemt, verkleint of tegenstaat, „die zoekt niet anders dan de verstrooiing, of veeleer den val of het verderf van de kerk” 2). Christus heeft zelf de ambten verordend. Doch de dragers van het ambt zijn geen hoogheden, die zelf kunnen en mogen heerschen. Zij zijn en blijven altoos dienaren van Christus, die de gemeente naar Gods Woord leiden, verzorgen en regeeren. Deze diensten komen uit de gemeente op, omdat Christus aan de gemeente de macht gegeven heeft, en de gemeente kiest de personen voor het ambt, opdat deze Christus zouden dienen in de leiding en de verzorging der gemeente3).

Er zijn vier ambten: het ambt van herder, van leeraar, van ouderling en diaken. Het ambt van herder, dien de Schrift ook wel noemt bisschop of opziener, oudste en dienaar, is, het Evangelie te verkondigen en de sacramenten te bedienen en met de ouderlingen tuchr te oefenen. Zij zijn zelf lid der gemeente, staan niet boven de gemeente, en zijn ook aan de kerkelijke tucht onderworpen. Het ambt der doctoren is gekomen in de plaats van de Bijbelsche profeten en heeft betrekking op de handhaving van de zuiverheid der leer. Zij moeten de H. Schrift uitleggen en onderwijs geven in de leer en het recht der kerk. Tusschen de herders en leeraars is dit onderscheid, „dat den leeraar of doctor de bediening van de tucht en de regeering en van de sacramenten niet is bevolen, maar alleen de uitlegging van de H. Schrift, opdat de oprechte en gezonde leer mocht behouden


1) Dr A. Kuyper, Het Calvinisme1, bl. 55.
2) Inst. IV, 3, 2.
3) Inst. IV, 3, 15; 4, 10-12; 5,2.

|242|

worden”. „Maar in het ambt der herders zijn al deze stukken begrepen” 1) Het ambt der presbyters of ouderlingen is, om acht te geven op den wandel der gemeente. Zij moeten uit het volk, onder leiding der dienaren, „door de eenstemmigheid en goedkeuring des volks verkozen worden” 2). Calvijn kon zijn beginsel in Genève niet doorvoeren. De ouderlingen werden toen na overleg met de dienaren des Woords door den kleinen raad aan den grooten raad ter approbatie voor­gedragen, en door dezen, indien zij het waardig waren, in hun ambt bevestigd. Zij hadden één jaar zitting en werden door den kleinen raad òf ontslagen, terwijl anderen in hunne plaats gesteld werden, òf zij werden in hun ambt bestendigd. Het vierde ambt, dat der diake­nen, was op grond van Hand. 6 ingesteld voor de verzorging der armen. Hun was mede de verpleging der zieken toebetrouwd.

Van zeer groote beteekenis is het ambt der ouderlingen, aan wie in den kerkeraad, in vereeniging met de dienaren des Woords, het opzicht en de tucht over de gemeente is opgedragen. In deze ambten komt het leven der kerk tot uiting. Eerst wanneer de ambtelijke functiën recht werken, kan de kerk beantwoorden aan het ideaal.

De tucht is noodzakelijk in de kerk. In elke vereeniging, in elk huisgezin moet tucht zijn, hoeveel te meer in de kerk, waar alles wel geordend behoort te zijn. De zaligmakende leer is als de ziel der kerk, de tucht als de zenuwen, waardoor de leden van het lichaam elk op zijne plaats onderling samenhangen. „De discipline is gelijk een toom, om door dezelve te weerhouden en te temmen degenen, die tegen de leer van Christus woeden en razen; of gelijk een spoor en prikkel, om daardoor wakker te maken degenen, die niet zeer gewillig zijn; soms ook gelijk een vaderlijke geesel, om daarmede goedertieren, en volgens de zachtmoedigheid van Christus, te kastijden degenen, die zwaar gezondigd hebben” 3).

Het uitgangspunt van de discipline is de broederlijke vermaning. Het is de roeping der dienaren des Woords in het openbaar te leeren, te vermanen en te bestraffen, maar ook aan de huizen te vermanen en op te wekken hen, die voor de openbare prediking niet genoeg gevorderd zijn. Helpt de aanhoudende vermaning niet, dan moet de hardnekkige in de tegenwoordigheid van twee of drie getuigen vermaand worden en zoo ook dit niet baat, moet hij voor de vergadering der ouderlin­gen geroepen, en gehoord en vermaand worden. Indien hij zich ook dan niet verootmoedigt, dan moet hij als een onboetvaardige van het avondmaal geweerd worden. En komt hij ook dan nog niet tot be­keering, dan moet hij als een verachter van het Woord Gods en van de gemeente worden uitgesloten uit de gemeente4).


1) Inst. IV, 3, 4.
2) Inst. IV, 3, 15.
3) Inst. IV, 12, 1.
4) Inst. IV, 12, 2.

|243|

Het doel van de tucht is drieërlei: de eer Gods, het heil der ge­meente en de behoudenis van den zondaar. De tucht gaat over alle leden zonder onderscheid, niet alleen over de gewone leden der ge­meente, maar ook over de dienaren des Woords, over koningen en vorsten. De tuchtoefening moet geschieden „met medeweten en goed­keuring van de gemeente, te weten, in zulker voege, dat de menigte des volks niet beslisse, maar alleen als toeziener en getuige sta, dat er niet iets door de ouderlingen door booze passie en genegenheid worde gehandeld” 1). De geheele tuchthandeling moet zóó geschieden, dat men merken kan, „dat Christus tegenwoordig is, zoodat ieder ver­zekerd kan zijn, dat hij met zijn oordeel het opperste gezag heeft”. Strengheid en zachtmoedigheid moeten bij de tuchtoefening hand aan hand gaan. Als de zondaar bewijs geeft van zijne boetvaardigheid, en daardoor de ergernis, voorzooveel in hem is, uitwischt, moet hij volstrekt niet verder gedwongen worden. Degenen, die uitgeworpen zijn, moeten wij niet uit het getal der uitverkorenen uitschrappen, noch aan hen wanhopen, alsof zij alreede verloren waren, maar wij moeten hen aan het oordeel Gods overlaten, en God bidden, dat zij tot be­keering komen mogen. Indien zij wederkeeren, zoo staat de verzoening met de kerk en zijne wederopneming tot de gemeenschap open. Voorts moet de tucht met bedachtzaamheid geschieden. De liefde tot de eere Gods, het welzijn der gemeente en de behoudenis des zondaars moet bij de geheele tuchthandeling op den voorgrond staan.

De tucht dient in verband met de sacramenten gezet te worden. Zij, die ten avondmaal gaan, moeten ook hunne kinderen in de zuivere kerk laten doopen. Men mag niet scheiden, wat God samengevoegd heeft. Niemand mag tot het avondmaal des Heeren toegelaten worden dan die het lichaam des Heeren kan onderscheiden. Daarom is het noodig, dat de kerk eerst iemand „onderzoekt, of hij een Christen is” 2[?]).

Calvijn was van oordeel, dat de tucht in de kerk moest berusten in de handen van het consistorie en niet in die van den raad der stad Genève. Het consistorie zou bestaan uit een raad van predikanten en ouderlingen. Over de bevoegdheid van het consistorie inzake de tucht ontstond echter moeilijkheid. De raad der stad wilde oorspronkelijk aan den kerkeraad slechts vermaning en terechtwijzing toestaan, en zichzelven voorbehouden het recht van beslissing of de excommunicatie. Op dit punt wilde echter Calvijn niets toegeven. De tucht behoorde tot en met de excommunicatie te blijven bij den kerkeraad. En toen hij de tegenspraak van den raad beantwoordde met de verklaring, dat de kerkelijke tucht slechts het geestelijke zwaard van het Woord Gods


1) IV, 12, 7.
2) Inst. IV, 12, 9, 10.

|244|

mocht handhaven en de rechtspraak van de wereldlijke overheid niet aantastte, gaf de overheid toe1).

Calvijn kon na zijn terugkeer in Genève in 1541 in hoofdzaak zijne gedachte over de inrichting, regeering en tucht in de kerk zien ver­wezenlijkt. De liturgie werd in aansluiting met de Straatsburgsche orde geregeld. Voor de onderwijzing der gemeente werd een catechismus opgesteld, welke geruimen tijd ook in andere landen is gebruikt, en op de samenstelling van andere catechismi van grooten invloed is geweest. Maar het zwaarste werk was het opstellen van een nieuwe kerkorde. Terstond op 13 September 1541, toen hij zich voorstelde aan den raad der stad, vroeg hij de instelling van een commissie uit den raad, die met hem een nieuwe kerkorde naar eisch des evangelies zou opstellen. Het ontwerp der commissie werd na eenige verande­ringen den 20en November 1541 goedgekeurd en in naam van den almachtigen God afgekondigd, „opdat het geestelijk regiment, zooals de Heere in zijn Woord ingesteld heeft, in een goeden vorm gebracht, onder ons ingevoerd en gehandhaafd worde”.

In deze Ordonnances ecclésiastiques de l’Eglise de Genève werd het kerkelijk leven in Genève geregeld. Er zouden zijn vier ambten: 1˚ herders, die met de ouderlingen het woord Gods zouden verkon­digen en de sacramenten bedienen en de tucht oefenen. Zij zouden uit een voordracht opgemaakt door de predikanten, door den kleinen raad worden beroepen, en daarna voorgesteld aan de gemeente; 2˚ leeraars of doctoren, wier taak was de onderwijzing der gemeente en in het bij­zonder de zorg voor de opleiding der aanstaande predikanten; 3˚ de ouderlingen voor de leiding en de regeering der gemeente. Zij werden na overleg met de dienaren des Woords door den raad der stad uit de leden van den raad gekozen, hadden één jaar zitting, en werden na de vernieuwing van den raad telken jare gecontinueerd of er werden nieuwen gekozen; 4˚ de diakenen voor de verzorging der armen en der zieken. De doop werd alleen bij de prediking bediend. De doopgetuigen moesten communicanten zijn. Het avondmaal moest vier maal in het jaar bediend. Hij had liever een maandelijksche viering des avond­maals gewenscht, maar hij moest zich schikken. Het gemeentegezang voor en na de prediking werd ingevoerd „pour mieux inciter le peuple à louer et prier Dieu”. Het orgelspel was contrabande. Telken dage bij het begin van de preek was er gelegenheid voor de bevestiging des huwelijks. Bij de begrafenissen moest elke Roomsche superstitie worden vermeden. De zieken moesten trouw worden bezocht. Alle kinderen moesten Zondagsmiddags ter catechisatie komen. Wie den


1) Calvijn schreef aan een vriend: Volui sicut aequum est, spiritualem postestatem a civili judicia distingui, ep. 263a.

|245|

catechismus en de verklaring daarvan kende, moest ’s Zondags voor het avondmaal openlijk in de kerk daarvan blijk geven. De geloofs­belijdenis werd afgelegd door de kinderen, die den leeftijd van 12 à 14 jaren hadden bereikt. De tucht werd streng toegepast en wel op hen, die tegen de zuivere leer optraden, die niet trouw ter kerk kwamen en die in openbare en ergerlijke zonde leefden. De ordonnances gaven den schijn van de autonomie der kerk te handhaven, maar de auto­riteit berustte toch voor een groot deel in de handen der burgerlijke overheid.

De overheid, gewend aan een patriarchale zorg over het volk en aan allerlei diep ingrijpende maatregelen van tucht, wilde van haar gezag geen afstand doen. De tucht werd uitgeoefend door het consi­storie of den raad der ouderlingen, maar dit consistorie werd ge­kozen door den kleinen raad der stad, op advies van de predikanten, en wel zoo, dat twee leden gekozen werden uit den kleinen raad, vier uit den raad van zestig en zes uit den raad van twee honderd, terwijl daarna de gekozenen aan den raad van twee honderd ter nadere goedkeuring werden voorgesteld. Wanneer de raad der kerk vergaderde, fungeerde een van de vier syndici der stad als president, met den staf als het teeken van zijne magistrale waardigheid in zijne hand, welke zooals de Ordonnances van 1561 naar waarheid verklaren „meer het aanzien had van burgerlijke autoriteit dan van geestelijke regeering” 1). De herziene Ordonnances verboden den Syndicus den staf te dragen, wanneer hij den kerkeraad presideerde, opdat het onderscheid tusschen hetgeen de H. Schrift zegt van het wereldlijke zwaard en de macht, die in de kerk moet heerschen, te duidelijker uitkome. Dit neemt niet weg, dat de raad der kerk wel kon vermanen en een lid der kerk kon behandelen met de kerkelijke tucht, maar dat voor de toepassing der excommunicatie de goedkeuring der overheid noodig was. Wel werden in de herziene kerkorde van 1561 meerdere rechten aan de kerk toegestaan, maar de raad der kerk bleef afhankelijk van de magistraat.

Calvijn kon dus zijne beginselen, in de „Institutie” uitgewerkt, niet in alle deelen zien verwezenlijkt. Zijn leven was, althans tot het jaar 1555 toe, een voortdurende strijd. Dit kwam mede, omdat Calvijn een andere beschouwing had van de verhouding van kerk en overheid dan die in Genève gangbaar was. De kerk, zoo leerde hij, is bekleed met eigen geestelijk gezag, geheel onderscheiden van het gezag der overheid. Hiermede was een verhouding van de kerk en den staat gesteld, die vóór hem door niemand was uitgesproken. Gregorius VII 2)


1) „Ce qui a plustot apparence de jurisdiction civile que de régime spirituel” (Richter, Kirchenordnungen I, 352.
2) Epistolae Lib. VIII, ep. 21.

|246|

en de pausen na hem hadden verklaard, dat de wereldlijke macht niet zooals de priesterlijke macht een goddelijk instituut was, maar louter een vinding van de menschen, die ontbloot was van de kennis Gods. Doch tegenover deze Middeleeuwsche Roomsche opvatting, onder inwerking van Augustinus ontstaan, alsof de overheid een werk des duivels is, en de staat een heidensche macht, die eerst door de onderwerping aan de kerk moet geheiligd worden stelde Calvijn, dat niet Satan, maar God de auteur der politieke macht is, dat de overheid het gezag niet ontleent aan de kerk gelijk de maan het licht ontvangt van de zon, maar dat zij haar macht rechtstreeks van God ontvangt en daarom een heilig ambt bekleedt. Luther erkende ook onomwonden, dat de overheid door God is ingesteld, doch omdat hij de roeping der kerk te zeer beperkte en tevreden was, als het Woord Gods maar zuiver verkondigd werd en de sacramenten naar de instelling van Christus werden bediend, liet hij de zorg voor de orde en de tucht in de kerk over aan de wereldlijke overheid, en zoo kwam, mede onder den invloed der omstandigheden, de macht in de kerk in handen van den landsheer. Ook Zwingli heeft, ofschoon hij leerde, dat de georganiseerde plaatselijke kerk de draagster van de kerkelijke macht was, niet de consequentie getrokken uit deze stelling, en waagde het niet de zorg voor en de macht in de kerk aan de kerk zelve te geven, doch liet het kerkbestuur over aan de wereld­lijke regeering. Calvijn evenwel heeft het Roomsche beginsel afge­wezen, en de leer van Luther en Zwingli omtrent de verhouding van kerk en staat gecorrigeerd. „Het komt niet door de boosheid en de verkeerdheid der menschen, dat het gezag over alle dingen is bij koningen en andere oversten, maar door Gods voorzienigheid en heilige ordinantie, welke goedgevonden heeft, dat de zaken der menschen alzoo zouden belegd en geregeerd worden” 1). Niet de kerk draagt het zwaard, om de zondaars te straffen, zij heeft geen macht om te dwingen, maar de overheid is ingesteld, om de macht der zonde te beteugelen en te waken, dat een ordelijk leven op aarde mogelijk is, en de kerk moet door de bediening des Woords de over­heid te hulp komen2).

Het gezag der overheid is gegrond in de souvereiniteit Gods. Hij is de Schepper, de Wetgever en de Rechter der wereld. Omdat Hij God is, heeft Hij van nature de autoriteit, om te regeeren3). De menschen hebben geen eigen gezag, maar God is de eeuwige Koning, die het hoogste gezag over alle dingen bezit. Naar de scheppings­ordinantie zou de mensch vrij en geen dienstknecht geweest zijn,


1) Inst. IV, 20, 5.
2) Inst. IV, 11, 3.
3) Opera XXXV, p. 150; XLI, p. 446: XL, p. 686.

|247|

maar door de zonde ontzonk de mensch aan zijn hooge bestemming en werd erger dan een dier. De dieren helpen elkander nog, maar de menschen zouden als uitgehongerde wolven elkander verscheurd hebben, als God ze niet weerhield1). Daarom is de overheid eene uitnemende gave Gods, waarin de tegenwoordigheid en de glorie Gods op aarde uitkomt2), zij is een medicijn tegen de krankheid, zonder welke geen samenleven mogelijk is. Tegenover de Anabaptisten, die meenen, dat onder de Christenen geen overheid noodig is, zegt Calvijn, dat hun meening is een utopie. Wij hebben te doen met zondige menschen. Wie de overheid weg wil hebben, is een vijand van het menschelijk geslacht. Wel behoort de overheid wijs op te treden, en te luisteren naar Gods Woord, zoodat de mensch als een vrije kan gehoorzamen en niet als een slaaf, die kruipt, maar tenslotte is een tirannie nog veel beter dan anarchie3).

Alle gezag onder de menschen is afgeleid. Ook na de inzetting van de overheid is God niet beroofd van zijn recht, maar Hij blijft de hoogste souverein4). De hoogsten op aarde zijn niet anders dan „handen Gods”, „organen, niet onafhankelijk van Zijn wil”, maar zij hebben te handelen overeenkomstig hun roeping, „zonder eigen gezag, zonder eigen recht” 5). De overheid is een plaatsvervangster Gods, die naar Gods wil heeft te regeeren. Zij zijn „envoyés comme légats aux peuples: ministres, officiers, lieutenans de Dieu” 6), en daarom zijn ook de onderdanen aan haar gehoorzaamheid verschuldigd.

Calvijn heeft in den woeligen tijd, waarin hij leefde, een dam opgeworpen tegen de revolutionaire stroomingen. De bangste en de wreedste vervolging woedde in de zestiende eeuw. Vele vorsten maakten misbruik van hunne macht, waren willooze werktuigen van de Roomsche priesters of verdrukten tiranniek een deel van hunne onderdanen. Geen wonder, dat op vele plaatsen het volk, door ver­keerde theorieën opstandig geworden en door den druk benauwd, in verzet kwam tegen de machthebbers. Tegenover de revolutionairen hield Calvijn vol, dat het volk gehoorzamen moest, ook aan een tiran, en zich niet mag verzetten. Als wij door een wreeden vorst gekweld worden, zoo zegt hij in het slothoofdstuk van zijn „Institutie” 7), „laat ons in zulk een geval allereerst gedenken aan onze zonden, welke zonder twijfel door zoodanige geeselen des Heeren gekastijd worden”. „Ons komt het niet toe, zulk een kwaad te genezen, maar wij hebben


1) Sermon sur Daniel Op. XLI, p. 350.
2) Inst. IV, 20, 4; Op. XXXIX, p. 658.
3) Op. L, p. 111, Preek over 1 Tim., p. 133; Op. XLI, p. 252.
4) Op. XXV, p. 597.
5) Beyerhaus, Studien zur Staatsanschauung Calvins, 1910, S. 89.
6) Opera XXXIII, p. 162; Inst. IV. 20, 6-22; Doumergue, Jean Calvin V, 416-428.
7) Inst. IV, 20, 22-32.

|248|

den Heere te smeeken, dat Hij verandering brenge”. Aan de lagere magistraten evenwel kent Calvijn het recht toe, zich tegen het despotisme van een vorst te verzetten. Zij hebben hun macht niet van den vorst, maar ook van God ontvangen. Zoo heeft Calvijn het verzet van de Hugenoten wel afgekeurd, als het alleen van het volk uitging, maar hij kent het recht van verzet wel toe aan de lagere magistraten, daar, volgens 1 Petr. 2: 13, ook de stadhouders van God gesteld waren1). Maar overigens handhaafde hij den regel, dat het volk zich niet mag verzetten tegen de overheid, gedachtig aan het Apostolische woord: „Alle ziel zij den machten over haar gesteld onderworpen, want daar is geen macht dan van God”, Rom. 13. Er is slechts ééne uitzondering op dezen regel, „te weten, dat de gemelde gehoorzaamheid ons niet afleidt van de gehoorzaamheid Gods”, gelijk hij met het voorbeeld van Daniël bewijst2). Dat is het beginsel van de resistentia passiva, van het lijdelijke verzet. Wel weet Calvijn, dat dit de toorn en de vervolging der overheid zal opwekken, maar wij moeten liever „alles willen lijden, dan dat wij van de god­vruchtigheid zouden afwijken”. Zoo is Calvijn geworden de principiëele bestrijder van de staatsalmacht, de vader van de constitutioneele vrijheden des volks3).

Het is eene groote verdienste geweest van Calvijn, dat hij scherp onderscheiden heeft tusschen de beide sferen van kerk en staat en aan elk een eigen en zelfstandig bestaansrecht heeft verleend. „De kerk heeft het recht des zwaards niet, waarmede zij mag straffen en breidelen, zij heeft geen macht om te dwingen, zij heeft geen gevangenis, noch andere straffen, die van de magistraat plegen op­gelegd te worden. Daarbenevens is zij daar niet op uit, dat degene, die gezondigd heeft, tegen zijn wil gestraft wordt, maar dat hij door eene gewillige kastijding zijn leedwezen en betering betoone”. De regeering der kerk raakt den inwendigen mensch of de ziel, de regeering der overheid raakt de burgerlijke en openbare gerechtigheid en het zedelijke leven. Om die reden mag de kerk niet wereldsche machtsmiddelen gebruiken en niet heerschen over den staat, gelijk het ook ongeoorloofd is, dat de overheid zeggenschap heeft in de kerk. Calvijn heeft zelf ook het gebruik van wereldsche machts­middelen beslist afgewezen. De beschuldiging, dat Calvijn in Genève een dominocratie zou hebben ingevoerd, is duidelijk genoeg weerlegd4). En eveneens is duidelijk, dat Calvijn beslist tegenstander was van


1) Doumergue, Jean Calvin V, Le droit de résistance, p. 486-512.
2) Inst. IV, 20, 32.
3) Dr A. Kuyper, Het Calvinisme, Oorsprong en waarborg onzer constitutioneele vrijheden, 1874, bl. 48.
4) Eugène Choisy, Le Théocratie à Genève au temps de Calvin; Doumergue, Jean Calvin V, p. 410.

|249|

de zeggenschap van de overheid in de kerk. Het is waar, dat hij aan de overheid in Genève veel moest toestaan, wat hem ongewenscht voorkwam, maar hij kon dit, wijl hij rekende met de zwakheid des tijds. Doch in zijne Institutie en in zijne verklaring der H. Schrift keurt hij het beslist af, dat de wereldlijke overheid zich mengt in de zaken der kerk en in de kerk zeggenschap uitoefent. Het heeft mij altoos diep gegriefd, zoo zegt hij1), en het is ergerlijk, dat men Hendrik VIII van Engeland het hoofd der kerk onder Christus heeft genoemd. Eveneens keurt hij in de Duitsche vorsten af, dat zij zich een recht in de kerk aanmatigden, hetwelk hun niet toekwam.

Maar heeft Calvijn onderscheiden tusschen de taak van de kerk en van den staat, het begrip van een zelfstandigen staat naast een vrije kerk is hem nog niet duidelijk geworden. Naar zijne overtuiging had de overheid eene roeping ook met betrekking tot de kerk, terwijl omgekeerd de kerk moet medewerken, dat het volk zich buige onder het recht van de overheid. De overheid is als dienares Gods geroepen niet alleen om de tweede tafel, maar ook om de eerste tafel der wet te handhaven, en diensvolgens de afgoderij, de openbare gods­lastering en ketterij te weren2). Doch de overheid heeft niet alleen een negatieve taak, maar ook een positieve. Met een beroep op Jesaja 49, waar de koningen voedsterheeren der kerk worden ge­noemd, dient de burgerlijke regeering niet alleen daartoe, „opdat de menschen mochten leven, eten, drinken en onderhouden worden”, „maar ook opdat er geen afgoderij of lastering tegen Gods naam en tegen zijne waarheid, of andere dergelijke schandalen en ergernissen tegen de religie openbaar zouden ontstaan, opdat de gemeene rust niet worde verstoord”, „opdat eerbaarheid en zedigheid onder hen betracht worde”. „Kortelijk, opdat er onder de Christenen zij een openbare vorm en gestalte der religie”, opdat de religie onder het volk mag bloeien3). In de verhouding tusschen Saul en Samuël vindt Calvijn het ideaal. Hij zegt4): „Wij weten, dat God de regeeringen dezer wereld bestuurt, en wel zoo, dat hij wil, dat er zijn koningen, vorsten, magistraten en mannen, die uitmunten door hunne waardig­heid, die anderen leiden, het zwaard dragen en zich daarvan bedienen, gelijk God het hun heeft bevolen. En eveneens moeten wij bedenken, dat God in de kerk eene geestelijke regeering heeft gegeven, die van de prediking des Woords, waaraan allen moeten gehoorzamen, en waartegen geen verzet mag worden geduld. Alle menschen, van welken staat zij ook zijn, moeten zich laten regeeren, gelijk schapen door den herder, luisterend alleen naar zijne stem en hem volgend overal, waar


1) Amos 7: 13.
2) Opera LIII, 140-141.
3) Inst. IV, 20, 3.
4) Preek over 1 Samuël, Op. XXIX, p. 659.

|250|

hij ze roept. Deze twee ordeningen, door God gesteld, strijden niet tegen elkander, als water en vuur, die strijdig zijn, maar zijn verwant en vereenigd, zoodat, wanneer de een weggenomen wordt, de ander veel lijdt; evenals wanneer de een den ander een oog uitsteekt, ook het andere oog hierdoor zeer getroffen wordt, en zelfs de andere leden des lichaams; evenals ook, wanneer één arm is afgesneden, de andere veel lijdt, en alleen niet het werk van beide kan doen”. Er moet dus een samenwerking van overheid en kerk zijn. De overheid moet luisteren naar het Woord Gods, dat aan de kerk gegeven is. En evenals het Saul wèl ging, wanneer hij luisterde naar den profeet Samuël, maar het hem kwalijk ging, wanneer hij zich scheidde van den profeet, zoo ook zal het der overheid alleen goed gaan, wanneer zij zich richt naar het Woord Gods. Wanneer de overheid deze hare roeping volbrengt en openbare belijdenis doet van de Gereformeerde religie, laat Calvijn een nauw verband van kerk en overheid toe. Calvijn ging bij deze beschouwing uit van een Christelijken staat, van een Christenvolk, dat staat onder tweeërlei regiment, een burgerlijke regeering voor het uitwendige, en een kerkelijke regeering voor het inwendige leven. God moet door de overheid evenals door de kerk worden erkend. Gods Woord moet richtsnoer zijn op elk gebied des levens.

Deze absolute souvereiniteit van God en Zijn Woord op ’t gebied van het staatsleven is wel eens theocratie genoemd. Maar ten onrechte. Want het woord theocratie duidt aan, dat God zelf onmiddellijk regeert als Koning over een volk, evenals Hij zelf aan Israël zijne wetten gaf, en onder zijn volk als Koning de heerschappij voerde. En dit heeft Calvijn volstrekt niet geleerd. Hij bestreed het gevoelen van hen, die den Bijbel als wetboek voor alle staten zouden willen invoeren, en was van oordeel1), dat ook de wetten van niet-Christelijke volken, die steunden op het aangeboren rechtsbesef, moesten worden opgevolgd en dat ook de overheden, rekenend met de omstandigheden, met wijsheid en voorzichtigheid zouden regeeren.

Heeft Calvijn dus een scherpe onderscheiding tusschen de beide sferen van kerk en staat geleerd, hij kon in Genève niet altijd een sterken invloed van de overheid in de kerk tegengaan. Hij kon de macht der overheid in kerkelijke zaken dulden, omdat de overheid in Genève rekende met het advies der predikanten, en zich boog voor het Woord van God. Op één punt wilde hij het ingrijpen der overheid niet dulden, namelijk waar het gold de handhaving van de tucht in de kerk. En het is door het helder inzicht van Calvijn in de beginselen


1) Inst. IV, 20; Doumergue, Jean Calvin V, 410; Choisy, La théocratie à Genève, p. 51, 52.

|251|

van Gods Woord, door de groote organisatorische kracht, door de staatsmanswijsheid, door de kracht des geloofs en den moed der volharding, dat in Genève voor het eerst in de kerken der Reformatie een kerkinrichting is tot stand gekomen, waarbij de zelfstandigheid en de zelfregeering der kerk in praktijk werd gebracht.

Calvijn heeft een eigen levens- en wereldbeschouwing geschapen. Hij heeft heel het leven gezet in het licht van Gods Woord, en over alle deelen des levens, over het religieuse en kerkelijke leven, over het leven van staat en maatschappij, van de wetenschap en van de bedrijven, over de aarde en al wat op en in haar is, uitgegoten den glans der goddelijke heerlijkheid. God de Heere is de bron van alle zijn. Hij heeft alles geschapen om zijns zelfs wil, al het schepsel is er om Hem, en daarom moet alles eindigen in den roem van ’s Heeren heerlijkheid. Het schepsel is op zich zelf goed. Geen enkel levensterrein is op zich zelf zondig. Om die reden moeten wij wel de zonde in de wereld, maar niet de wereld mijden en worden wij geroepen midden in de wereld den Heere te dienen. Daarom mag het natuurlijke leven niet geknecht worden onder het kerkelijke leven, doch evenmin mag de kerk gebracht worden onder het juk van den staat, maar moeten kerk en staat naar eigen levenswetten samenwerken ter eere Gods. Alle krachten en gaven, kunsten en wetenschappen, het persoonlijke en het huiselijke en het maatschappelijke leven, de actie in elken levenskring, moeten den Heere gewijd worden. En wijl de ordinantiën Gods regel en richtsnoer aangeven voor denken en handelen, kan op deze wijze de orde in de samenleving, het recht en de vrijheid in elken levenskring, de persoonlijke en de religieuse vrijheid, de zelf­standigheid van kerk en staat, gehandhaafd worden.

De kerk is, ook in hare zichtbare verschijning, eene vergadering van geloovigen. De geloovigen, die samen vergaderen, snijden den natuurlijken band met hun kroost niet af, maar heiligen dien. Ook de kinderen der geloovigen worden mede tot de kerk gerekend, en eerst zoo zij toonen niet meer te gelooven, worden zij als volwassenen buiten de gemeenschap der heiligen gezet. „Dat is”, zoo zegt Dr A. Kuyper1), „het Calvinistisch dogma van het verbond. Een gewichtig stuk der belijdenis, dat uitspreekt, hoe de kerk niet buiten het men­schelijk geslacht staat, maar de wedergeboren kern van dat geslacht in zich draagt, en daarom met de natuurlijke organische voortteling van dat geslacht hand aan hand gaat. Verbond en kerk zijn niet hetzelfde. Het verbond bindt kerk en geslacht saam, en het is God zelf, die in zijn verbondstrouw den samenhang tusschen de kerk en


1) Het Calvinisme, 1898, bl. 57.

|252|

ons menschelijk geslacht bezegelt. De tucht houdt dan dit verbond heilig, waar de geslachts-samenhang de kerk verbasteren zou. Van een volkskerk kan daarom op Calvinistisch standpunt nooit sprake zijn. Een nationale kerk, die één enkel volk omvat, is een heidensche, hoogstens een Joodsche gedachte. De kerk van Christus is oecumenisch. Niet een enkel land, heel de wereld is haar territoir. En toen de Luthersche reformatie, naar de instigatie der vorsten, de kerk nationali­seerde, en ook de Gereformeerde kerken zich hierdoor verlokken lieten, nam men niet een hooger standpunt in, dan waarop Rome met haar wereldkerk stond, maar daalde tot lager standpunt af. En de synode van Dordrecht, en de synode van Westminster hebben dan ook tegen­over deze hinderlijke zelfverlaging het oecumenisch karakter der Gereformeerde kerken geëerd”. Calvijn heeft de gedachte van de wereldkerk in hoogeren zin dan Rome uitgestippeld. Monarchaal is het karakter van de regeering der kerk en tegelijk gezond democratisch. Christus is de Koning zijner kerk die haar regeert door zijn Woord en Geest. Geen heerschappij van menschen in de kerk. Geen hiërarchisch priesterdom, die den schat der genade uitdeelt. Er zijn alleen dienaren, die naar het Woord van Christus de gemeente leiden. En elk ambt in de gemeente komt uit de vergadering der geloovigen op en geeft in naam van Christus in verband met de geloovigen leiding aan de gemeente.

Deze beginselen van Calvijn zijn min of meer zuiver in praktijk gebracht in de Gereformeerde kerken van Frankrijk, Engeland, Schotland, Duitschland, Hongarije, Nederland en in de kerken, uit haar geboren.

Bouwman, H. (1928) § 21

§ 21. De Gereformeerde kerken in Frankrijk.

De reformatie in Frankrijk kwam na 1541 sterk onder den invloed van Calvijn. Door zijne leerlingen, zijne geschriften en brieven oefende hij krachtigen invloed. Genève werd het middelpunt der propaganda. Maar ter oorzake van de vervolging konden de ge­loovigen slechts in kleine vergaderingen samenkomen, en zich niet als kerk organiseeren. Eerst in het jaar 1555 werd te Parijs, naar het voorbeeld van Genève, een Gereformeerde gemeente geformeerd. Den 26sten Mei 1559 kwamen de afgevaardigden der geconstitueerde

|253|

Gereformeerde kerken samen te Parijs. Op deze vergadering werd eene belijdenis aangenomen. Calvijn had een ontwerp-belijdenis ge­zonden en deze werd door de synode met eenige weinige redactioneele wijzigingen aangenomen1).

Ook een kerkorde, de Discipline Ecclésiastique2), werd naar de beginselen van Genève gemaakt. De presbyteriale gedachte kon in Frankrijk echter meer consequent worden uitgevoerd, omdat de regeering vijandig stond tegenover de reformatie en de kerk zich om die reden onafhankelijk van den staat kon ontwikkelen.

De zelfstandigheid der plaatselijke kerk wordt in deze kerkorde vooropgesteld. Art. 2-5 handelen over de synodale vergaderingen. Zij zullen minstens tweemaal in het jaar samenkomen, en de dienaren van elke kerk, met een ouderling of diaken, zullen als afgevaardigden daar zitting nemen. Deze bepalingen zijn nieuw bij de Gereformeerden. Tot nog toe kende men in de Gereformeerde kerken geen synodes, wel eene vergadering van predikanten, met of zonder overheids­deputaten te Genève. Maar in Frankrijk kwam voor het eerst eene Gereformeerde synode (colloque ou synode), waar afgevaardigden van de plaatselijke kerken samenkwamen. Langs dezen weg werd het Independentisme voorkomen, en de eenheid in het kerkverband ge­handhaafd, zonder in hiërarchie te vervallen. Merkwaardig is, dat de Provinciale en Generale synoden tegelijk werden ingevoerd. De Provinciale zouden geregeld tweemaal in het jaar gehouden worden, en de Generale synoden „selon la nécessité des Eglises”. De Provin­ciale synode besliste in gevallen van de kerkelijke tucht en in hooger beroep, wanneer er bezwaren tegen den kerkeraad inzake de ver­kiezing, of de afzetting van een predikant enz., waren ingebracht. De taak der Generale synode wordt in de Discipline ecclésiastique niet omschreven. Van eene classisregeling was nog geen sprake. Deze is eerst op de synode van Nîmes (1572) ingevoerd, nadat de classisregeling reeds door de Nederlandsche Gereformeerde kerken te Emden was vastgesteld. De Gereformeerden konden zich in Frankrijk vrij en onafhankelijk van de overheid ontwikkelen, en daarom konden zij hare volle autonomie handhaven. Evenwel wachtten zij zich, blijkens art. 36 der kerkorde, in te grijpen in het recht van de overheid.

In Art. 6-25 wordt gehandeld over de ambten en diensten in de plaatselijke kerk. De dienaar des Woords wordt gekozen in den kerke­raad


1) Calv. Op IX, 72; K. Müller, Die Bekenntnisschriften der Ref. Kirchen, S. XXXIII, 221.
2) Text bij De Bèze, Histoire Ecclésiastique des Eglises Reformées, 1580, I; Carl Clemen, Quellenbuch zur practischen Theologie, 1910, 3, S. 45 en bij Aymon, Tous les Synodes nationaux des Eglises Reformées.

|254|

door de ouderlingen en diakenen, en wordt daarna aan de gemeente gepresenteerd ter approbatie. Eveneens worden de ouderlingen en de diakenen in den kerkeraad gekozen. De dienaren des Woords vormen met de ouderlingen den kerkeraad. De macht in de kerk berust bij de gemeente, maar dan organisch gedacht. Wat allen aangaat, moet ook van allen zijn uitgegaan. Het beginsel van de hiërarchie werd zoodoende niet alleen vermeden, maar ook de heerschappij van de massa. Bij de eerste instelling der ambten konden al de leden der gemeente zich vrij uitspreken en vrij kiezen, maar wanneer eenmaal een kerkeraad gekozen was, vulde de kerkeraad zich zelf aan en stelde de nieuwgekozenen ter goedkeuring voor aan de gemeente. Mochten er bezwaren rijzen, dan oordeelt de kerkeraad hierover. Blijven de bezwaren, dan zal dit aan de synode voorgesteld worden, die beslist, niet om het volk te dwingen, maar om de verkiezing te rechtvaardigen. Het ambt der predikanten is voor hun leven. Zij mogen de gemeente voor welke Christus gestorven is niet verlaten, tenzij in bijzondere gevallen, vervolging, enz., waarover de Provinciale synode zal oordeelen. Het ambt van een ouderling en diaken is echter tijdelijk. Het ambt der ouderlingen is „de faire assembler le peuple, rapporter les scandales au consistoire et autres choses semblables, selon qu’en chacune Eglise il y aura une forme couchée par escrit, selon la circonstance des lieux et des temps” (Art. 21). Het ambt der diakenen is niet, om het Woord te prediken en de sacramenten te bedienen, ofschoon zij echter hierbij wel mogen behulpzaam zijn, maar hun taak „sera de visiter les pauvres, les prisonniers et les malades et d' aller par les maisons pour catechiser". Wanneer de dienaar afwezig of ziek is, of wegens andere noodzakelijke reden verhinderd zal zijn, „le Diacre pourra faire les prières et lire quelque passage de l’Escriture sans forme de prédication” (Art. 23, 24). Over het huisbezoek, dat in Genève de ouderlingen met de predikanten deden, wordt in deze kerkorde niet gesproken.

De kerkelijke tucht was een zeer gewichtig deel, ja de ziel van de Gereformeerde kerkinrichting in Frankrijk1). Daarom werd de kerkorde en de organisatie der kerk, omdat zij zonder tucht niet kon gedacht worden, genoemd discipline ecclésiastique. De tucht ging over de predikanten, de ouderlingen en diakenen en over de leden der gemeente. Streng werd zij geoefend. Zij doorliep drie stadiën: die van de broederlijke vermaning, de tijdelijke afhouding van het avondmaal en de excommunicatie, of de geheele uitsluiting uit de gemeente, welke laatste slechts hen trof, die hardnekkig alle vermaningen


1) Dr H. Bouwman, De kerkelijke tucht, bl. 92.

|255|

weder­streefden en volhardden in hunne onboetvaardigheid. De kerkeraad moet slechts voorloopige tucht oefenen over de predikanten, maar de beslissende tucht staat bij de synode. Over de leden der gemeente kan de kerkeraad alleen tucht oefenen, maar deze hebben het recht van beroep op de synode. Ook kan de kerkeraad ouderlingen en diakenen wegens valsche leer, ergernis, ongehoorzaamheid of ontuchtigheid afzetten, waarover ook beroep is op de synode. Bovendien moet de kerkeraad oordeelen over huwelijkszaken, voorzoover deze niet van burgerlijken aard zijn (33-38). Geen enkele plaatselijke kerk mag iets doen van ingrijpende beteekenis voor het kerkelijke leven, rakende het belang of de schade van het geheel der kerken, zonder advies der Prov. Synode. De souvereiniteit in eigen kring werd dus evenals het kerkverband gehandhaafd.

Deze discipline ecclésiastique werd op de latere Fransche synoden herhaaldelijk gewijzigd en uitgebreid. Al sterker wordt er nadruk op gelegd, dat elke gemeente een kerkeraad moet hebben, bestaande uit predikanten, ouderlingen en diakenen. Ook de prinsen en groote heeren, die eigen hofpredikers hadden, moesten uit de vroomsten en be­kwaamsten van hunne familie in hun hofhouding consistoriën op­richten. De synoden van Parijs (1565) en van Nîmes (1572) spraken eenstemmig uit, dat de ouderlingen zoo lang mogelijk in het ambt moesten blijven. Tegenover de independentistische leeringen van Morelli besliste de synode van 1562, met veroordeeling van eene vrije verkiezing door de gemeenteleden, dat de verkiezing van een Dienaar des Woords, van Ouderlingen en Diakenen uitsluitend door den kerkeraad zou geschieden, en dat de gekozenen daarna aan de gemeente zouden worden voorgesteld. In 1560 werd te Poitiers bepaald, dat van elke gemeente naast den dienaar niet meer dan 1 of 2 ouderlingen als afgevaardigden naar de synode mochten worden gezonden. Al de afgevaardigden hadden een stem in zaken van regeering, maar in zaken van leer zouden, indien er verschil was, de gezamenlijke ouderlingen en diakenen een even groot aantal stemmen uitbrengen als de predikanten, opdat zij de predikanten niet zouden overstemmen. Tot 1565 was de Nationale Synode een directe vertegenwoordiging van de enkele kerken, doch in 1565, op de 2de synode van Parijs, werd besloten, dat voortaan elke Provinciale Synode 1 of 2 predikanten en evenveel ouderlingen of diakenen zou afvaardigen, die in naam en op kosten van de provincie, met verstrekten lastbrief, zouden vergaderen. Eindelijk werd ook in 1572, op de synode van Nîmes, een tusschenschakel tusschen de Provinciale Synode en de plaatselijke kerken ingevoegd, namelijk het colloquium (colloque) of de classis, die vier malen in het jaar zou samenkomen.

|256|

Ofschoon de presbyteriale kerkinrichting in Frankrijk aristocratisch gekleurd was, vreesde men toch voor elken vorm van hiërarchie. Toen onderscheidene provinciale synodes visitatores benoemd hadden, verwierp de synode dit nieuwe creatuur met de verklaring, dat de huidige orde genoegzaam waarborg opleverde voor de orde, en om kennis te nemen van de ergernissen in de gemeente.

Nauwgezet trachtten de Fransche kerken er voor te waken, dat de terreinen van kerk en overheid gescheiden bleven. De synode van La Rochelle (1581, Art. 29) verklaarde, dat de leering van Erastus, dat de magistraat het hoofd der kerk was, te veroordeelen viel, en ver­wierp de dwaling van hen, die door de vermenging van de burgerlijke en de kerkelijke regeering de Gereformeerde kerkinrichting wilden vernietigen.

De Gereformeerden doorworstelden, nadat zij zich hadden georgani­seerd, zeer moeilijke tijden. De streng-Roomsche partij, gesteund door de regeering, wendde al het mogelijke aan, om de Hugenoten uit te roeien. In een achttal godsdienstoorlogen werden zij genoodzaakt, voor hun levensbehoud te strijden. Na jaren van worsteling verkregen zij bij het édict van Nantes (1598) vrijheid van de uitoefening van hunne religie, het recht om kerken en scholen te bouwen, om burgerlijke ambten te bekleeden, en om hunne consistoriën, en met verlof van den koning ook provinciale en nationale synoden te houden. Alleen in Parijs en omgeving en in sommige andere steden werden zij niet toegelaten. Hun aantal was door de vervolging wel zeer gedund. Van de 2150 gemeenten, die in 1561 geteld werden, waren er slechts 760 gemeenten met 274.000 familiën en 1.250.000 zielen overgebleven, maar hunne beteekenis was toch betrekkelijk groot, omdat een groot deel der hoogere standen en der ontwikkelden en aanzienlijken tot hen behoorde. Zij bezaten hoogescholen te Nîmes, Montpellier, Montauban, Saumur en Die in Dauphiné. De synodale inrichting bestond nog ongedeerd en er konden in den loop der 17de eeuw nog 14 Nationale Synoden gehouden worden.

Na den dood van Hendrik IV werden echter de rechten der Gerefor­meerde kerken al spoedig verkort. Lodewijk XIII verklaarde zijne Protestantsche onderdanen den oorlog, ontnam hun vele rechten en bezittingen, en legde hun bij de vrede van Montpellier (18 Oct. 1622) op, een koninklijken beambte te ontvangen op hunne synoden, opdat hij waarborg zou hebben, dat zij zich alleen met kerkelijke zaken zouden bemoeien. Kardinaal Richelieu vernietigde door een nieuwen religiekrijg van 1624-1629 de politieke zelfstandigheid der Huge­noten, doch liet hun nog wel de geloofsvrijheid en de burgerlijke rechten en bevestigde bij het genade-edict van Nîmes het edict van

|257|

Nantes. In de eerste jaren daarna kwamen de Gereformeerde kerken tot vernieuwden bloei. Uitnemende mannen stonden in hun midden op. De Nationale Synoden verrichtten vruchtbaren arbeid. Doch weldra volgde weder nieuwe verdrukking. Sedert 1660 mocht geen Nationale Synode gehouden worden.

De Synoden hadden tot hiertoe trouw vastgehouden aan de belijdenis en streng gewaakt over de tucht in de kerk. Op alle synoden werd de Discipline ecclésiastique gelezen, waarbij alle afgevaardigden moesten verklaren, dat deze in de verschillende gemeenten trouw werd nageleefd1). Op de synode van Vitré (1617) werden de kerken ernstig vermaand, wijl goddeloosheid en onverschilligheid hand over hand toenam, om te waken voor de handhaving der kerkelijke tucht2). En toen in onderscheidene gemeenten de verkeerde gewoonte was ingeslopen, dat de ouderlingen hun eigen opvolgers benoemden, ver­klaarde de Synode van La Rochelle (1607) deze handelwijze voor ongeoorloofd, en sprak uit, dat de volle kerkeraad de ambtsdragers had te kiezen3). De Synode van Gap (1603) keurde af, dat de ouder­lingen met oplegging der handen in hun ambt zouden worden bevestigd, terwijl de Synode van Privas eveneens de macht der ouderlingen binnen een zeker perk wilde houden, door te bepalen, dat de ouderlingen wel in afwezigheid van den pastor over de voor­loopige afhouding van het avondmaal konden oordeelen, maar over zaken van de leer en de excommunicatie niet zonder medewerking van den pastor mochten handelen4). De Synoden legden er nadruk op, dat kerkelijke zaken op kerkelijke wijze moesten worden behandeld. De Synoden van Vitré (1617) en van Alais (1620) scherpten de predikanten in, dat zij in de predikatiën geen politieke zaken zouden behandelen5). De Synode van La Rochelle weigerde aan de afgevaardigden der stadsregeering zitting en stem op hare vergadering, wijl de Synode eene zuiver kerkelijke vergadering was6).

De laatste Nat. Synode was die van Loudun (1659-60). Vóór deze vergadering uiteenging, besloot zij, dat de volgende synode over drie jaren te Nîmes gehouden zou worden. Maar er kon geen synode meer gehouden worden, omdat Lodewijk XIV daarvoor geen verlof wilde geven. Hij beproefde met list en geweld de Gereformeerden in den schoot der kerk terug te voeren, sedert 1681 vooral met de bekende dragonnades. Toen de Gereformeerden merkten, dat voor hen geen genade noch recht meer was, poogden zij te Toulouse een geheime vergadering hunner kerken te houden. In Juni 1683 kwamen 16


1) Aymon, Les Synodes Nat. I, 263.
2) Aymon, II, 85.
3) Aymon, I, 305.
4) Aymon, I, 401.
5) Aymon, II, 152.
6) Aymon, I, 299.

|258|

af­gevaardigden samen en besloten op een bepaalden dag alle hunne gesloten kerken open te breken en met opene deuren, op sommige plaatsen op de puinhoopen hunner kerken, godsdienstoefening te houden, om als kerken weder in classen samen te komen, en zoo het kerkelijk leven weder naar den regel der kerkenordening in te richten. De uitvoering dezer besluiten werd beantwoord met het zenden van troepen, weldra gevolgd door de opheffing van het edict van Nantes, waardoor de Gereformeerden in den ban werden gedaan en Frankrijk binnen weinige weken beroofd werd van een half millioen van zijne beste burgers. Alle Gereformeerde kerken moesten worden afgebroken. Geen openbare godsdienstoefening mocht door hen worden gehouden. Alle Protestantsche scholen moesten worden gesloten. Het Protestantisme in Frankrijk scheen vernietigd, maar een groot aantal bleef den Gereformeerden godsdienst getrouw en leefde in afzondering voort. Verdrukking kon wel de uitwendige aanhangers van de Gereformeerde religie terugbrengen tot de Roomsche kerk, maar de echte Gereformeerden niet van overtuiging veranderen, niet de kerk der Reformatie dooden.

Na den dood van Lodewijk XIV begon, onder leiding van Antoine Court, een krachtig geloofsheld, de herleving van de Gereformeerde kerk en van de presbyteriale kerkinrichting. De geloovigen werden verzameld en krachtige pogingen aangewend, om de organisatie der kerk te doen herleven en predikers op te leiden. In het jaar 1718 was het reeds mogelijk, eene synode uit de provinciën Languedoc en Cevennes te houden, weldra gevolgd door andere synoden in de woestijn, terwijl in 1744 een belangrijke Nationale Synode van predi­kanten en ouderlingen uit Poitou, Angoumois, Saintonge, Languedoc, Guyenne, Vivarais en Dauphiné op een afgelegen plaats in Neder­Languedoc werd samengeroepen, waar gewichtige besluiten over de orde, tucht en dienst werden genomen, en de noodzakelijkheid werd uit­gesproken, om de organisatie der kerken overal weder op te richten1).

Ondertusschen werden allerlei pogingen aangewend, om aan de Protestanten hunne burgerlijke vrijheid te verzekeren. In Nov. 1787 werd het edict van verdraagzaamheid door koning Lodewijk XVI geteekend. In dit edict werd alleen aan den Roomschen godsdienst vrije uitoefening toegestaan, doch aan niet-Roomschen werd ge­schonken het recht, om in Frankrijk te wonen, en daar een beroep uit te oefenen zonder om godsdienstige reden bemoeilijkt te worden,


1) G. de Felice, Geschiedenis der Protestanten in Frankrijk, Schiedam, 1853, bl. 298-397; Ch. Coquerel, Histoire des Eglises du désert, 1841, I, 29-599; Lechler, Gesch. d. Presbyt. Verfassung, 165-173; R. Holtzmann, Französische Verfassungsgeschichte, 1910. S. 460-481.

|259|

toestemming om wettig te huwen voor de rechterlijke ambtenaren, en de geboorten voor de plaatselijke regeering te doen bekrachtigen en de regeling der begrafenissen. Van 1660-1787 waren zij beroofd geweest van alle rechten en gunsten, uitgesloten van ambten en be­drijven, verjaagd uit de gilden van kunsten en handwerken. Zij waren verdrukt door boeten en schattingen, in bosschen en geberg­ten omsingeld, zonder scholen, zonder wettige familie, zonder burger­lijke rechten, uitgeworpen door hen, die in het land den toon aangaven. Maar hoevelen ook ontrouw waren geworden, er bleef een kern van Gereformeerde Christenen, die sterk in de kracht des geloofs de verdrukking trotseerden en al weer opnieuw pogingen aanwendden, om het kerkelijke leven op te richten en te sterken, en hunne mede-geloovigen te bekrachtigen in den strijd.

Na het édict van verdraagzaamheid volgde spoedig de revolutie, en reeds den 23 Aug. 1789 werd de vrijheid des gewetens geprocla­meerd, weldra bevestigd in de Constitutie van 1791 door de belofte van algemeene vrijheid van godsdienst. Doch spoedig daarna kwam de schrikkelijke tijd, waarin alle kerken werden gesloten en in naam van rede en deugd een gruwelijke religievervolging begon. Eerst na den val van Robespierre (1795) werd de vrije uitoefening van gods­dienst hersteld en ook aan de Protestanten verzekerd. In het jaar 1802 ontving de Gereformeerde kerk hare nieuwe organisatie door de wet van 8 April (18 Germinal X), waarbij de indiening van de geloofs­belijdenis en de kerkenorde geëischt werd. Daar deze wet langen tijd de grondwet van de Protestantsche kerk is gebleven, moeten wij deze meer van nabij beschouwen. De wet gaat uit van de gedachte, dat er geene verandering in de inrichting mag plaats vinden zonder goedkeuring der regeering (Art. 5, 6). De Gereformeerde kerken zullen predikanten, plaatselijke kerkeraden en synoden hebben, in dien zin, dat elke 5000 zielen eene kerk en elke 5 kerken een synodalen kring zullen vormen (Art. 15-17). De kerkeraad, die tot taak heeft te waken voor de tucht en het bestuur der kerke- en armengoederen (Art. 20), zal behalve uit de(n) predikant(en) bestaan uit 6-12 ouderlingen of notabelen, die gekozen moeten worden uit de hoogstaangeslagen burgers. De ouder­lingen worden voor twee jaren gekozen door de in het ambt blijvende ouderlingen, in verbinding met een gelijk aantal Protestantsche huis­vaders, uit de hoogstaangeslagene burgers der gemeente. Waar geen kerkeraad is, wordt deze gekozen door 25 hoogstaangeslagene huisvaders, die echter zonder goedkeuring van den prefect niet mogen vergaderen. Gewone vergaderingen des kerkeraads worden op een bepaalden dag gehouden, buitengewone alleen met toestemming van den onderprefect of den burgemeester (maire) (Art. 21, 22). De

|260|

synoden, die bestaan uit een predikant en een ouderling uit elke ge­meente (Art. 29), hebben tot taak, te waken voor de leer, den gods­dienst en het bestuur der gemeente. Zij mogen niet vergaderen zonder toestemming der regeering, aan wie men de te behandelen zaken vooraf moet voorstellen. De besluiten der synode moeten eveneens aan de regeering ter goedkeuring worden voorgelegd1).

Deze kerkinrichting geleek wel iets op de oude Gereformeerde kerkenordening, maar week toch in menig opzicht principieel hiervan af. De ouderlingen zouden, in plaats van uit de waardigsten en meest godvruchtige leden, gekozen worden uit de hoogstaangeslagenen. Het actieve kiesrecht werd afhankelijk gemaakt van den belasting­grondslag. De kerkeraad hield op, het bestuur eener plaatselijke ge­meente te zijn, en werd het bestuur van een district van 5000 zielen. De nationale synode is afgeschaft. Ging de oude kerkorde uit van de zelfregeering der kerk, thans werd de kerk geheel afhankelijk van den staat. Toch was dit goede in deze wet, dat de kerk kon herademen. Het hing nu af van haar geloofskracht, wat van de or­ganisatie zou worden. In het jaar 1807 telde het Fransche keizerrijk 127 Gereformeerde districtskerken met 651 predikanten, waarvan echter slechts 78 districtskerken met 222 predikanten tot het eigenlijke Frankrijk behoorden.

Met de Restauratie bleef de godsdienstvrijheid gehandhaafd, maar van eene verbetering der organisatie was geen sprake. De pogingen, in 1830 aangewend, hadden geen goed gevolg. Eerst na de Februari­revolutie in 1848 werd de behoefte aan reorganisatie uitgesproken en werden pogingen daartoe aangewend. Den 11en September 1848 kwam de synode, na een tusschenruimte van 85 jaren (in 1763 was de laatste synode gehouden) samen; 52 predikanten en 38 leeken onder leiding van Buisson stelden eene kerkorde vast, die geheel overeenstemde met de beginselen der oude Gereformeerde kerkenordening van Frankrijk. Deze kerkorde bleef echter, omdat de gemeenten niet een­stemmig waren, een ontwerp. Bovendien had deze synode ten ge­volge, dat er eene scheuring in de kerk ontstond.

Deze scheuring ontstond uit oorzaken van verschil van gevoelen omtrent de leer der kerk. De liberalen hadden alle positief geloof over boord geworpen, en spraken onverholen hun afwijkend ge­voelen uit. Wijl men niet tot overeenstemming kon komen, kwam de synode tot het besluit, geen gemeenschappelijke geloofsbelijdenis op


1) G. de Felice, Histoire des synodes nationaux des Eglises reformées de France, Gesch. d. Protestanten in Frankrijk, 413-418; Lechler, Gesch. der Presbyt. u. Synodal­verfassung, S. 238-241; Histoire du synode Général de l’église reformée de France (1872) par E. Bersier, Introduction.

|261|

te stellen, maar de bestaande leervrijheid te handhaven. Maar omdat de onderscheidene partijen toch een woord richtten tot de gemeenten, waarin eene soort van belijdenis was uitgesproken, traden Graaf Agenor de Gasparin en de predikant Fred. Monod, overtuigd, dat eene Christelijke kerk als kerk openlijk haar geloof moet belijden, uit de kerk. Zij verzamelden de verstrooide Gereformeerde gemeenten, die tengevolge van het Reveil zich losgemaakt hadden van de kerk of zich opnieuw hadden geconstitueerd, en vormden eene Union des Eglises évangéliques libres, die 20 Aug. — 1 Sept. 1849 in synode samenkwamen. Het wezenlijke kenmerk dezer nieuwe organisatie was de volledige scheiding der kerk van den staat en eene gemeen­schappelijke geloofsbelijdenis. De oude belijdenis van La Rochelle werd niet aanvaard, omdat zij te lang, te uitgebreid en te absoluut was, maar eene nieuwe belijdenis werd opgesteld, waarin de leer van de inspiratie der Schrift voorop werd geplaatst met deze woorden: „Nous croyons, que toute l’Ecriture de l’Ancien et du Nouveau Testament est inspirée de Dieu et constitue ainsi l’unique et infaillible règle de la foi et de la vie.” De Union des Eglises évangéliques vierde 25 Oct. 1899 haar 50-jarig jubileum. Zij heeft veel voor de evangelisatie gedaan. Maar zij kwam niet tot krachtige ont­plooiing. Allereerst omdat de Generale synode van de Gereformeerde kerken in 1872 zich weder constitueerde op den grondslag der oude belijdenis, en daarom de oorzaak van de separatie was vervallen en velen tot de Gereformeerde kerken teruggingen, en in de tweede plaats, omdat het relativisme en het ongeloof ook in de vrije kerk hare intrede deed. Wel heeft de synode van Orthez zich voor de fundamenteele geloofswaarheden uitgesproken, maar met de beperking: „tout en réservant à chacun la liberté de ses opinions theologiques”. Het geloof aan de inspiratie der H. Schrift heeft onder de theologen dier kerk geen aanhangers meer1).

In de Gereformeerde kerk van Frankrijk was eene crisis ingetreden. De liberalen en de orthodoxen streden om de heerschappij in de kerk. Op de synode van Parijs, 6 Juni 1872 en volgende dagen, zegevierde de orthodoxe partij. Met beslistheid sprak zij uit, dat zij trouw wilde blijven aan de belijdenis der vaderen, en dat zij openlijk de souvereine autoriteit der H. Schrift in geloofszaken en de zaligheid door het geloof in Jezus Christus, den eeniggeboren Zoon, overgeleverd om onze zonden en opgewekt ter onzer rechtvaardigmaking, beleed, en dat zij als grondslag voor de leer, den cultus en de tucht aanvaardde de groote heilsfeiten, in de kerkelijke feesten en in de liturgie


1) E. Lachenmann, Friedrich Monod, R.E.3, 13; C. Pfender, Frankreich, Die reformierte Kirche, R.E.3 6.

|262|

uit­gesproken. Zij nam dus een verzwakt historisch standpunt in. Voorts werd op deze synode de kerkinrichting herzien. De Prov. Synoden komen eenmaal in het jaar bijeen en waken over de leer. De Generale Synode vergadert om de 3 jaren. Om op de kiezerslijsten ingeschreven te worden, moet iemand verklaren, dat hij de Gereformeerde kerk in Frankrijk en de geopenbaarde waarheid trouw wil blijven. 41 liberale consistoriën protesteerden tegen de besluiten der Synode, maar de regeering keurde deze besluiten goed. De liberalen wilden zich niet onderwerpen, totdat de regeering toestond in 1877, dat de predikanten en de kiezers verklaarden, dat zij de Synodale verordeningen „naar hun geweten” zouden opvolgen. Zoo kwam in de kerk een partij­groepeering. De orthodoxen groepeerden de consistoriën, die de geloofsverklaring aangenomen hadden, in 21 provinciale Synoden, die regelmatig eenmaal in het jaar samenkomen. Boven hen is de offici­eele Generale Synode, die door een permanente commissie vertegen­woordigd is, en die de leiding der geheele kerk in handen heeft. Het liberale deel der kerk heeft ook zijn eigen leidende commissie, de Délégation liberale. Sedert 1896 zijn pogingen aangewend, om tot overeenstemming te komen, die tot hiertoe niet gelukt is. Het Gere­formeerde belijden is in Frankrijk zeer verzwakt, zoodat er bijna geen predikers meer zijn, die onvoorwaarlijk de oude Gereformeerde belijdenis onderschrijven. De Gereformeerde kerken in Frankrijk tellen thans samen ongeveer 400.000 leden, terwijl het aantal Protestanten in het geheel niet meer dan 900.000 leden telt. De Gereformeerde kerken zijn gedeeld in twee deelen: de Nationale Unie van Gerefor­meerd-Evangelische kerken met 446 gemeenten en 380 predikanten, en de Nationale Unie van de Gereformeerde kerken met 200 gemeenten en 180 predikanten1).


1) J.N. Ogilvie, The Presbyterian Churches of Christendom, 1925, p. 63, 64.

Bouwman, H. (1928) § 22

§ 22. De Gereformeerde kerken in Engeland en Schotland.

In Engeland, waar de kerk zich niet gelijk in Nederland, Frankrijk en Schotland als eene „kerk onder het kruis” op presbyteriaansche wijze heeft ontwikkeld, is een Gereformeerde staatskerk ontstaan, aan welker hoofd de koning stond. Aan den paus werd alle jurisdictie

|263|

in Engeland ontnomen, en de koning werd het aardsch hoofd der Engelsche kerk. De kerk behield den episcopalen vorm, maar ontving uit de hand van koningin Elisabeth eene belijdenis, die in hoofd­inhoud Gereformeerd is, maar in het stuk van de verhouding van kerk en staat erastiaansch. Elisabeth verlangde eenvormigheid in de gebruiken der kerk, in cultus en ambtsgewaad, en schiep met behulp van bisschop Parker een kerkinrichting, die het midden houdt tusschen Rome en het Calvinisme1). Toen deze uniformiteit met geweld werd doorgedreven, ontstond verzet van de zijde der strenge Gereformeerden, die aanstoot namen aan den cultus met zijn Roomsche liturgie, orgels, crucifixen, miskleeding, ambtsgewaad, doopritus, enz., aan den hiërarchischen bouw der kerkinrichting en de ineenvlechting van het episcopaat met het wereldlijk bezit en rechten.

De Puriteinen, die op zuivering van den eeredienst aandrongen, protesteerden en toen het eindelijk verboden werd, zonder ambtsgewaad te prediken en de ceremoniën hun werden opgedrongen kwam het tot eene afscheiding. Den 20en November 1572 werd te Wandsworth bij Londen de eerste Presbyteriaansche kerk in Engeland geïnstitueerd2). Thomas Cartwright (1535-1603) is de vader van het Engelsch Pres­byterianisme. In zijne geschriften tegen het streven van Dr. Whitgift zette hij het Presbyteriaansche beginsel uiteen, dat de kerk in leer, tucht en kerkregeering haar grond en maatstaf heeft in de H. Schrift. Hij leerde: 1˚. de naam en het ambt van de bisschoppen en aarts­bisschoppen moet worden verwijderd uit de kerk; 2˚. volgens het Woord Gods is het ambt van den bisschop de bediening des Woords en van de diakenen de verzorging der armen; 3˚. de regeering der kerk is niet in handen van bisschoppelijke kanseliers en raden, maar van de predikanten en de ouderlingen der gemeente; 4˚. elke predikant is verbonden aan eene bepaalde gemeente, en niet aan meerdere; 5˚. de diaken wordt niet door den bisschop benoemd, maar door de gemeente gekozen.Het door de Puriteinen hooggeschatte werk van Travers, predikant te Cambridge: „Disciplina Ecclesiae sacra ex Dei verbo descripta”, in 1574 te Genève uitgegeven, is door hem in het Engelsch vertaald en na zijnen dood in 1644 onder den titel: „Directory of Government” uitgegeven. De Presbyteriaansche gemeenten namen niettegenstaande den druk der regeering geleidelijk toe in aantal en


1) Burnet, The history of the Reformation of the Church in England, Oxford, 1865; J. Gairdner, The English Church in the 16 centurv, 1912; W.H. Frere, A history of the English Church in the reigns of Elisabeth and James I, London 1911; F. Makower, Die Verfassung der Kirche von England, Berlin 1894.
2) Neal, Historie der Regtzinnige Puriteinen, Rotterdam 1753,I, 207; L. von Ranke, Englische Geschichte, I, 273 f.; Thomas Lindsay, A. history of the Reformation, Edinburgh, 1908, II, 385.

|264|

in kracht, en vooral onder de regeering van Jacobus I werkte het Puriteinsche beginsel in Engeland door.

De Reformatie in Schotland kreeg in het midden der 16e eeuw een Calvinistisch karakter. Vooral John Knox is het geweest, die het Gereformeerde stempel op Schotland drukte. In 1560 schafte het parlement den Roomsch-Katholieken godsdienst, benevens de pause­lijke jurisdictie af, en nam een door Knox ontworpen belijdenis, welke beslist Calvinistisch is, aan. De eerste Generale Synode van 1560 aanvaardde eene kerkorde, waarin het kerkelijk leven aanvankelijk werd geregeld in Gereformeerden zin, maar die nimmer wette­lijke sanctie ontving1). De presbyteriale kerkinrichting werd hierin duidelijk omschreven. Een vreemd element was het instituut der superintendenten. Men had in 1560 slechts 12 predikanten, van wie 7 aangewezen waren voor de hoofdplaatsen, terwijl de vijf overige aan­gewezen werden om rond te reizen, om voor de organisatie van nieuwe gemeenten te zorgen en toezicht te houden op het leven en den arbeid der predikanten en daarvan rapport uit te brengen op de Generale Synode. Deze instelling was tijdelijk bedoeld. De Synode achtte haar niet in strijd met het beginsel, dat de dienaren gelijk zijn, en bepaalde, dat de superintendenten geheel aan het toezicht der Synode onderworpen waren. Maar toch bleek naderhand, dat deze tijdelijke instelling verkeerde gevolgen had. Immers later wilden de superintendenten hunne macht uitbreiden, en in het begin van de 17de eeuw beriepen de voorstanders der episcopale inrichting zich op deze instelling2). De predikanten, de ouderlingen en de diakenen vormden plaatselijk den kerkeraad (Kirksession). Later ontwikkelden zich de classes (presbyteries), de Provinciale en de Generale Synoden. De kerkelijke tucht werd zeer streng uitgeoefend. Ook de Liturgie werd geregeld in het „Boek of Common Order”, hetwelk is een herziening en uitwerking van „The Book of Geneva”, de kerkorde van de Engelsche kerk in Genève. Deze orde bleef in gebruik tot 1645 toen zij vervangen werd door de liturgie van Westminster.

Bij parlementsbesluit van December 1567 werden aan de Gerefor­meerde kerk van Schotland de rechten van een staatskerk toegekend. De Staat waarborgde aan de kerk de handhaving harer rechten. Deze band met den Staat bevatte echter in zich de kiem van een geweldigen strijd over de vraag, of de overheid zou ingrijpen in de


1) De text is te vinden in: A collection of Confessions of Faith, Catechisms, Directories, Books of Discipline etc. Edinburgh, Watson, 1722; Knox, The history of the Reformation, p. 487-525; Mitchell, The Scottish Reformation, p. 144 ff.; Calderwood, History of the Kirk of Scotland, Edinburgh 1843, II, p. 51; Lorimer, The Scottish Reformation, 1860, p. 252.
2) Mc.Crie’s Life of John Knox; Brandes, John Knox, S 243, 433.

|265|

rechten der kerk of wel zich zou onderwerpen aan de besluiten der kerkelijke vergaderingen. Reeds in 1572 werd besloten, dat de vrij­gewordene plaatsen van aartsbisschoppen en bisschoppen bezet zouden worden door protestantsche geestelijken. Knox heeft de in­stelling der bisschoppen nooit goedgekeurd, maar uit vrees, dat de goederen aan de kerk zouden worden ontnomen, stemde hij er in toe, dat de Roomsche bisschoppen door Gereformeerde titularissen zouden worden opgevolgd, onder voorwaarde, dat deze bisschoppen of superintendenten niet hooger zouden staan dan de predikanten. De Synode van 1572 keurde ook de titels van bisschop, aarts­bisschop, decanus enz., niet goed. Maar het baatte niet. Spoedig kreeg men eene rij van bisschoppen in de Gereformeerde kerk van Schotland. De Gereformeerden bleven na den dood van Knox (1572) onder de leiding van Andrew Melville met kracht zich tegen het streven der regeering verzetten. In het Second Book of Discipline (1581) werden de grondbeginselen van Calvijn scherp uitgewerkt en werd de bisschoppelijke titel verworpen, doch de regeering weigerde deze kerkorde goed te keuren. Tevergeefs trachtten de Synoden de souvereiniteit der kerk te handhaven. Eindelijk bezweek de Synode onder den voortdurenden druk der regeering. Zij stemde toe in 1598, dat vertegenwoordigers der kerk in het parlement, zonder den titel van bisschop, zitting zouden nemen, en dat deze verantwoordelijk zouden blijven aan de Algemeene synode, maar de koning en het parlement stoorden zich niet aan deze voorwaarden en benoemden in 1603 drie, en in 1608 acht predikanten tot bisschoppen en leden van het parlement. Toen Jacobus in 1603 koning van Engeland geworden was, streefde hij er naar, om aan de Schotsche staatskerk denzelfden vorm te geven als aan de Engelsche. De bevoegdheid van de bisschoppen werd al meer uitgebreid. Zij werden belast met de visitatie hunner bisdommen (1602), met het voorzitterschap op de synoden (1606), met het gericht over alle geestelijke zaken (1606), met de bevestiging van de geestelijken, die door de patronen benoemd werden (1610) en voorts werden zij door de wijding der Engelsche bisschoppen begiftigd met de apostolische successie (1610). Vervolgens werden de kathedraalkapittels met de keuze der bisschoppen belast (1617). Zoo werd de nieuwe bisschoppelijke inrichting voltooid, de predikanten aan de bisschoppen en de synodes aan den koning onder­worpen1). Op de algemeene vergadering te Perth (1618) werden vijf artikelen doorgedreven, waarbij het knielen bij het avondmaal, waar­neming van de kerkelijke feestdagen, confirmatie door de bisschoppen,


1) Macpherson, History of the Church in Scotland, p. 172; Cunningham, Episcopacy, Presbytery and Puritanisme in Scotland, 1572-1660.

|266|

private doop en private communie aan de Gereformeerde kerk werd opgelegd. Hierdoor werd de kerkelijke strijd al meer dreigend.

De grondstellingen van Koning Jacobus I omtrent de uitbreiding van de koninklijke macht en de doorvoering van de bisschoppelijke organisatie in Engeland en in Schotland werden door zijnen zoon Karel I nader uitgewerkt. Dewijl deze niet rekende met de rechten des volks, en het parlement onwillekeurig ontbond, werd de ontevreden­heid onder het volk al grooter. En omdat hij de Puriteinen tegen­werkte, een ijverig Arminiaan was en den Roomschen genegen was rees bij het volk de gedachte, dat hij den waren godsdienst tegen­werkte. Alle standen des lands in Schotland vereenigden zich door een heilig verbond tot bescherming van godsdienst en kerk. Als een eenig man stond het Schotsche volk tegenover de dwalingen van het Romanisme en het Episcopalisme1). Op de Synode van Glasgow, Nov. 1638, werden alle besluiten der vorige Synodes sedert 1603 met heel de bisschoppelijke kerkinrichting voor ongeldig verklaard, werd de presbyteriaansche kerkinrichting hersteld en omtrent het recht der plaatselijke kerk bepaald, dat „geen persoon in eenige kerk tegen den wil der gemeente mag opgedrongen worden”.

Deze gebeurtenissen werkten in op den toestand in Engeland. Omdat het parlement zich verzette tegen ’s konings willekeur, en deze bij herhaling ingreep in de rechten van het parlement en de vrijheid der conscientie, ontstond een burgeroorlog. De koning vluchtte. Het parlement kreeg de leiding. Het schafte alle bisschoppelijke ambten af en besloot eene kerkvergadering samen te roepen, die de Engelsche kerk op streng Gereformeerde of Puriteinsche wijze zou organiseeren. De synode van Westminster kwam 1 Juli 1643 samen. Hare besluiten zijn zeer gewichtig, zoowel voor de leer als voor de kerkregeering en den cultus. Zij stelde op: a. een geloofsbelijdenis, die in dogma­tische stukken scherp belijnd Gereformeerd, in zaken van het kerk­recht, onder den invloed der Schotsche afgevaardigden, positief presbyteriaansch is. Tegenover de leer van Rome en van de Angli­caansche kerk wordt het Gereformeerde beginsel van het koningschap van Christus in de kerk sterk geaccentuëerd. „Er is geen ander hoofd van de kerk dan de Heere Jezus Christus” (Art. 25, 6). „De Heere Jezus als Koning en Hoofd van zijne kerk heeft daarin gesteld eene regeering, welke berust in de hand van de opzieners der kerk, onderscheiden van de burgerlijke overheid” (Art. 30, 1); b. twee catechismi; c. eene handleiding voor den openbaren godsdienst en


1) Tekst van het Covenant bij Peterkin, Records of the Kirk of Scotland, Edinb. 1838, 1-192; Row, History of the Kirk of Scotland from 1558-1639; Macpherson, History of the Church in Scotland, 175-190; Herzog R.E.3 Art. Covenant.

|267|

d. eene kerkorde7). Onder den invloed en met behulp van Schotland zegevierde de Presbyteriaansche partij in Engeland, maar wijl de Presbyterianen, eenmaal aan de regeering gekomen, overeenkomstig Art. 20 der confessie, niet duldden, dat de leer en de orde der kerk werd aangerand en dat leeringen, die ingingen tegen de grond­stellingen van het Christendom en verderfelijk waren voor de leer en de orde der kerk, publiek werden geleerd en zij de afwijkende gevoelens onderdrukten, kwam er verzet in het leger, dat niet wilde dulden, dat het vrijgeboren Engelsche volk werd geknecht of dat ergens eene partij inzake de regeering of het geweten wetten voorschreef. Het geheele leger was doortrokken met den Independentistischen geest.

 

Het Independentisme wortelt niet in de Puriteinsche beweging, maar in het separatisme van Robert Browne (1550-1636) 2), die zelf onder invloed stond van Nederlandsche Anabaptisten, die, door de vervolging uitgeweken, in Norfolk, waar Browne huiskapelaan van den hertog was, een toevluchtsoord gevonden hadden. Omdat Browne hartstochtelijk tegen de staatskerk predikte, moest hij vluchten en week in 1581 met een deel zijner gemeente naar Middelburg, waar hij vertoefde tot 1584. Hier schreef hij onderscheiden tractaten, waarin hij leerde, dat de bisschoppelijke kerk innerlijk bedorven en dat van haar evenmin als van eene presbyteriaansche kerk heil te verwachten was. Elk kerkbestuur, dat in eene wereldlijke overheid zijn oorsprong had, moest als antichristelijk verworpen worden. Elke gemeente van ware geloovigen, die zich scheidt van de staatskerk, en die door een vrijwillig verdrag met God zich in gehoorzaamheid aan Christus onderwerpt, is eene ware kerk. Christus is de eenige Koning. Alle geloovigen zijn koningen, profeten en priesters. Evenwel heeft elke gemeente een herder, een leeraar, een of meer oudsten, een of meer helpers en een of meer weduwen, menschen, die gaven hebben voor het ambt en daarvoor door het volk zijn beproefd en worden aan­genomen. De leden der gemeente moeten op elkander acht nemen en de afzonderlijke gemeenten moeten in liefde met elkander samen­werken. In gewijzigden vorm is deze leer door Henry Barrow, Henry Ainsworth en John Robinson overgenomen.


1) Neal, Historie der Puriteinen, Rotterdam 1752, II, 1, 387; W.M. Hetherington, History of the Westminster Assembly of Divines, Edinburgh, 1878, p. 129; A.F. Mitchell, The Westminster Assembly, London 1883, p. 246-324; A. Wright, The Presbyterian Church, its worship, function and ministerial orders 1895, p. 132; E.F.K. Müller, Die Bekenntnisschriften der Ref. Kirche, 1903, S. 542.
2) H.M. Dexter, The congregationalism of the last three hunderd years, Newyork 1880; W. Walker, The Creeds and Platforms of Congregationalism, Newyork 1893; D. Calderwood, True history of the church of Scotland, Edinburgh, 1842-49; H. Weingarten. Die Revolutionskirchen Englands, Leipzig, 1868.

|268|

Het Congregationalisme of het Independentisme gaat uit van de autonomie der congregaties of groepen van geloovigen, geheel vrij en onafhankelijk van kerkverband en staatsgezag. De gedachte der autonomie wordt zeer scherp uitgedrukt in eene petitie in 1616 aan Jakobus I, namelijk hun recht „of spiritual administration and govern­ment in itself and over itself by the common and free consent of the people independently and immediately under Christ”. De kerk­gemeenten vallen niet samen met de burgerlijke grenzen, maar op een en dezelfde plaats kunnen verschillende gemeenten zijn, en elke vergadering is in eigen kring volkomen onafhankelijk. Vandaar de naam Independenten. Deze onafhankelijkheid geldt niet alleen van de beroeping der dienaren, maar ook van den eeredienst, de belijdenis en de tucht. Het bindend gezag der meerdere vergaderingen mag niet bestaan. De congregaties kunnen wel samenkomen in conferenties, doch deze kunnen hoogstens advies uitbrengen1). Er is maar één autoriteit en deze is Christus en de H. Schrift. Christus heeft het ­gezag gegeven aan de gemeente, en wel aan de leden der gemeente, individuëel opgevat. Van een geestelijk voorrecht van de ambtsdragers en van een autoriteit der wereldlijke macht in de kerk mag geen sprake zijn. Het onderscheid tusschen de regeerders en de leden der gemeente is hiermede opgeheven. De kerkeraad regeert niet, maar voert den wil der gemeente uit. Alle leden der gemeente zijn profeten. Wel zijn er dienaren, ouderlingen, diakenen en helpers in de gemeente, die naar goddelijke ordinantie door de gemeente geroepen worden, om het volk Gods te weiden, maar zij mogen geen heeren, maar zij moeten dienaren der gemeente zijn. De geldigheid van de besluiten des kerkeraads is afhankelijk van de toestemming der gemeente. Eveneens wordt de bindende kracht van de uitwendige vormen in het godsdienstig en kerkelijk leven verworpen. Een voorgeschreven en vast formuliergebed geldt als vernietiging van den Geest. Zelfs het gebed des Heeren is hiervan niet uitgesloten. Vaststaande kerkelijke feestdagen moeten worden afgeschaft. God openbaart zich bij den voortduur door den Geest in de geloovigen. Als leden der gemeente mogen alleen geloovigen, d.i. uitverkorenen en wedergeborenen erkend worden. Slechts wie het kenmerk van een wedergeborene draagt, mag tot de gemeente worden toegelaten. De doop mag alleen bediend worden aan de kinderen der geloovigen. De kerk is dus eene ver­gadering van uitverkorenen, maar dan in Dooperschen zin omgevormd.


1) In de petitie van 1616 wordt gezegd: „We acknowledge, that, on occasion, there ought to be, on earth, a consociation of Congregations or Churches, but not a subor­dination, or surely not a subjection of the Congregations under any higher Spiritual Authority absolute, save only Christ’s and the Holy Scriptures”.

|269|

Voor het verbond Gods hebben de Independenten geen oog. Zij belijden zeer juist het koningschap van Christus in de kerk en de vrijheid der geloovigen, maar hun fout is, dat zij geen oog hebben voor het organisch karakter der gemeente, en deze beschouwen als een aggregaat van geloovigen, een som van individuëele Christenen. De organische eenheid der kerk wordt dus verscheurd, met het verleden wordt gebroken, de leiding des H. Geestes in de historie wordt miskend. Het is dan ook niet juist, wanneer H. Weingarten zegt, dat “diese Verfassungsideeën sind die Conzequenz der Calvinischen Prädestinationslehre”, want het Calvinisme wil de goddelijke praedesti­natie en het verbond, d.i. den weg, waarlangs God zijn volk tot de eeuwige zaligheid leidt, niet scheiden. De Independenten wilden wel Gereformeerd zijn, maar konden niet los worden van de beginselen der Dooperschen, waarmee zij van huis uit verwant waren, en vertoonden daarom in hunne kerkrechtelijke beschouwingen een enthousiastisch­-revolutionaire kleur.

Van de gemeente der Independenten scheidden in 1633 zich eenige leden af en constituëerden eene zelfstandige gemeente. Een deel van hen kwam tot de overtuiging, dat niet alleen de kinderdoop, maar ook de doop der volwassenen door besprenging of begieting niet geoorloofd was, maar de doop door onderdompeling voor de zaligheid noodig was. Om die reden werd de dompeldoop ingevoerd. Zoo ont­stond de eerste Baptistengemeente. De groote meerderheid der Bap­tisten behoort tot de „Regular” of „Particular Baptists”. Zij zijn, be­halve in het stuk van verbond en doop, Calvinistisch in de leer en Independentistisch in de kerkregeering. Zij gelooven in de zaligheid van allen, die sterven voor zij tot de jaren des onderscheids gekomen zijn, en houden den doop voor een uitwendig teeken en belijdenis van het geloof, dat alreede ontvangen is1).

Het Congregationalisme is tot op dezen tijd in hoofdzaak gelijk ge­bleven2). De afzonderlijke gemeenten zijn autonoom. De kern der gemeente zijn de leden, die op belijdenis des geloofs zijn toegelaten. Slechts wezenlijke „bekeerden” worden op voorstel van eene com­missie door stemming der leden aangenomen. Kinderen van de leden der gemeente kunnen ook gedoopt worden, maar zijn eerst dan leden, als zij formeel daartoe worden aangenomen. Rondom de kern der gemeente schaart zich de kring van hen, die aan de godsdienst­oefeningen deelnemen. Ook al zijn zij niet gedoopt en hebben zij nog


1) Schaff, The Creeds of Christendom III, 738-741; Newman, A history of the Baptists of the United States, Newyork, 1895; Dr H. Bouwman, Het Baptisme, Zutphen, Van den Brink.
2) Loofs, R.E.3 Art. Kongregationalisten; W. Walker, A history of the congregational churches in the United States.

|270|

geen belijdenis des geloofs afgelegd, behooren zij toch eenigszins tot de plaatselijke gemeente. Zij dragen mede bij tot de kosten voor de instandhouding der gemeente, en werken mede tot de keuze der leeraars. Ambtsdragers der gemeente zijn: de pastor (ook ouderling of bisschop genoemd) en leeken-diakenen, die bij de bediening der sacramenten en bij de oefening der barmhartigheid helpen. Afzonderlijke ouderlingen naast de predikers zijn er niet meer. De predi­kanten worden bij vrije stemming door de leden der gemeente ge­kozen, en door de naburige predikanten geordend. Een vast kerkverband of eene bindende belijdenis van al de kerken is er niet, zoodat de onderscheidene gemeenten soms nog al verschillen in richting.

 

Met de zege der Independenten werd aan de Westminster-synode en aan de heerschappij der Presbyterianen in Engeland een einde gemaakt. In 1660 kwam de restauratie onder Karel II en daarmede het herstel der Episcopaalsche kerk als staatskerk. Een bangen tijd doorleefden de Presbyterianen onder de regeering der laatste Stuarts. De langdurige oorlog nam gelukkig een einde met de komst van Willem III, die bij de tolerantie-acte de volle vrijheid van godsdienst­oefening toestond1). Het Schotsche parlement verklaarde bij de wet van 22 juli 1689, dat het bisschoppelijke kerkregiment was opgeheven en dat de Gereformeerde religie en kerkregeering de religie en de kerkregeering der natie was. Bij het tot stand komen der Unie tusschen Engeland en Schotland (1707) werd bij de Act of Security verklaard, dat de rechten der Presbyteriaansche staatskerk nimmer zouden worden gekrenkt2). Doch niettegenstaande het verzet der Presbyterianen werd door het Engelsche parlement de wet van 1690 over het pa­tronaat herroepen, en daarmede het patronaatsrecht hersteld. De misbruiken der patroons bij de bezetting van de predikantsplaatsen werden aanleiding tot eene herhaalde scheuring in de Schotsche kerk.

De eerste secessie had plaats in 1733, onder leiding van Ebenezer Erskine, predikant van Stirling, die als moderator aan de Prov. Synode van Perth en Stirling publiek tegen de verkorting der rechten van de kerk had geprotesteerd. Toen de Synode van 1733 Erskine hierover berispte en besloot hem te suspendeeren in de bediening, indien hij bleef weigeren zich te onderwerpen, con­stitueerde hij met nog drie predikanten de eerste Associate Pres­bytery3). De tweede secessie kwam twintig jaren later tot stand. De


1) Macauly, Gesch. v.h. Engelsche volk, III, bl. 48-53.
2) Köstlin, Die schottische Kirche, 1852, S. 265-267; Macpherson, History of the Church of Scotland, p. 302.
3) Macpherson, History of the Church of Scotland, p. 317; Köstlin, Die schottische Kirche, S. 292-299.

|271|

patroons zetten met kracht hun wettelijke rechten door, dreven herhaaldelijk tegen den wensch der kerken de benoeming van de door hen voorgestelde predikanten door, en toen de synode van Schotland bepaalde, dat te Dunferline de benoemde predikant moest worden bevestigd, bleef Thomas Gillespie, de predikant van Carnock, zich verzetten, en werd deswege om zijne hardnekkigheid afgezet. Thomas Boston, zoon van den bekenden predikant Thomas Boston van Ettrick, die door de gemeente van Iedburgh was beroepen, maar door den patroon werd geweerd, en Collier, predikant van Colingsburgh, sloten zich bij Gillespie aan, en vereenigden zich met elkander tot een presbytery of relief (1752). Onder den invloed van het Mode­ratisme, dat indifferent en veelal sceptisch stond tegenover de leer der kerk, en door de antidogmatische- en moraalprediking de Gere­formeerden van de kerk vervreemdde, namen velen de toevlucht tot de gesepareerde kerken, zoodat deze aan het einde der 18de eeuw een groote macht in Schotland geworden waren en meer dan 200 gemeenten met bijna evenveel predikanten telden.

De doorwerking van het Moderatisme bevorderde ook de gedeeld­heid der kerk. Er kwam groot verschil van gevoelen niet alleen over de macht van de overheid inzake de religie, over de wettigheid van den burgereed en over de kracht van het covenant van 1638, maar eveneens over de handhaving van de belijdenis in de kerk. In 1747 kwam het onder de Seceeders van 1733 tot eene scheuring in Glasgow, Perth en Edinburgh, waar men gedwongen werd, een eed af te leggen, die aldus luidde: „Ik beken met geheel mijn hart de ware religie, die tegenwoordig in dit rijk beleden wordt en door de wet geauto­riseerd is”, omdat velen daarin zagen een erkenning en goedkeuring van de wettelijke regeling der kerkelijke aangelegenheden in Schotland, een billijking dus van de Staatskerk met al haar afwijking, waarom zij juist met de Staatskerk hadden gebroken. Een ander deel oor­deelde, dat er geen bezwaar was tegen het afleggen van den eed, omdat zij er slechts in zagen eene erkenning van de belijdenis der zuivere religie. De strijd eindigde in 1747 met eene scheuring, waarbij de minderheidsgroep den naam General Associate Synod aanvaardde, en de meerderheid den naam Associate Synod behield. In den volks­mond werden beide groepen naar de kwestie, die tot verdeeldheid aanleiding gegeven had, onderscheiden als „Burghers” en „Anti-­Burghers”.

In elk van deze beide groepen ontstond weldra een nieuwe scheuring, veroorzaakt door verschil van gevoelen over de handhaving der confessie en over de macht der overheid in zaken van de religie. De minderheid der Burghers, die geen de minste verandering gedoogde,

|272|

constitueerde zich onder den naam van „Associate Presbytery”, de minderheid der Anti-Burghers onder den naam van „Constituonal Associate Presbytery”. De populaire naam, waarmede deze groepen werden aangeduid, was: „Auld Lichts” voor de palstaande minderheid, en „New-Lichts” voor de meerderheid. Men had dus 4 groepen: de „Auld Licht Burghers” en de „Auld Licht Anti-Burghers” en de „New Licht-Burghers” en de „New Licht Anti-Burghers”. Daarna kwam er reactie, die leidde tot eene hereeniging. In 1820 vereenigden zich de beide groepen van het „Nieuwe Licht” tot de United Secession Church, waarbij in 1847 zich voegde de oude Relief Church van Gillespie en welke vereenigde kerk den naam ontving van United Presbyterian Church. Deze kerkengroep telde op het moment der vereeniging niet minder dan 500 kerken. De oude Seceeders van 1733 waren na allerlei splitsingen en hereenigingen tenslotte in 1842 in twee vrije kerkengroepen belichaamd: de United Secession Church en de United Original Secession Church.

Kort na de vereeniging van 1842 had in de Schotsche kerk een tweede kerkelijke actie plaats, waaruit de Free Church is voortge­komen. De aanleiding tot haar ontstaan was een conflict, veroorzaakt door het optreden der patronen in de kerk. In de periode van geestelijke inzinking in de achttiende eeuw werden de bezwaren tegen het patronaatsrecht niet sterk meer gevoeld, maar met de geestelijke opleving in Schotland in het begin der 19e eeuw werd dit anders, en zag men weer, dat het in lijnrechten strijd was met het Gereformeerde kerkrecht. Daarom besloot dan ook de Generale Synode der Staats­kerk in 1834, met 184 tegen 138 stemmen, dat wanneer de meerder­heid der mannelijke gezinshoofden, die ten avondmaal waren toe­gelaten, zich tegen den, door den patroon aangewezen, predikant verklaarden, deze niet in het ambt kon worden bevestigd. De patronen, zich verongelijkt achtende, brachten deze geschillen voor de burgerlijke rechtbanken, die in tal van gevallen ten hunnen gunste beslisten, zoodat de „Evangelicals” herhaaldelijk tot geldboeten werden veroordeeld. Een poging van de Gereformeerden, om het Hoogerhuis te bewegen, het vetorecht der gemeente te erkennen, mislukte, en nu moest het wel komen tot eene breuk. Door den langen duur van den strijd tegen het patronaatsrecht hadden de Gereformeerden de gelegenheid gehad, zich grondig voor te bereiden, en fondsen bijeengebracht om, in het geval van eene breuk met den staat, te kunnen handelen. En bij de opening der synode van 1843 verklaarde de moderator van de vorige synode, Dr Welsh, dat tengevolge van de herhaalde inbreuk op de vrijheid der kerk het voor de synode onmogelijk was hare zittingen aan te vangen onder voorzitterschap van den

|273|

regeeringscommissaris, en dat daarom hij en de zijnen zich in hunne conscientie gedrongen gevoelden, St Andrews te verlaten en op eene andere plaats te vergaderen, en elken band met den staat te verbreken. Meer dan 200 predikanten, met Dr Welsh en Dr Chalmers aan de spits, verlieten de vergadering, begaven zich naar eene andere vergaderplaats en constitueerden zich daar als de Generale synode der Vrije Gereformeerde kerk van Schotland (the Free Church of Scotland). De kerkegoederen bleven in handen van de Staatskerk, maar overal verrezen nieuwe kerken, voor de zending werden fondsen bijeengebracht, en in Edingburgh en later ook te Glasgow en te Aberdeen werden „colleges” voor de opleiding van dienaren des Woords opgericht. Braken in 1843 470 predikanten met de Staatskerk, tegen het einde der 19de eeuw was het aantal predikanten geklommen tot 1200 en bedroeg het getal harer leden ongeveer 2/5 der bevolking.

Na de breuk werd in 1846 een wet aangenomen door het parlement, waarbii het vetorecht tegen de aanwiizing der predikanten aan de kerken werd toegekend, maar het was te laat om de Evangelicals te bewegen, tot de Staatskerk terug te keeren. Zelfs de algeheele afschaffing van het patronaatsrecht in 1874 vermocht dit niet.

Het optreden van de Free Church vond groote sympathie bij de Original Seceeders, en het grootste deel van hen vereenigde zich met de Free Church. De minderheid was van oordeel, dat het standpunt der Nationale Covenants van de 19de eeuw ook nu nog de natie bond, en wilde de aanvaarding van dit standpunt als fundamenteel beding voor de vereeniging stellen. En wijl de meerderheid der synode van 1852 dit beding niet wenschte te aanvaarden, ging zij over tot de Free Church en bleef de minderheid als United Original Secession Church voortbestaan. Deze kleine kerkengroep telt thans nog 3500 leden met 20 predikanten. Omdat zij niet genoeg predikanten bezit, wordt van den hulpdienst van predikanten van andere kerken wel gebruik gemaakt1). Een soort Theologische School met twee professoren, die tegelijk dienaren des Woords zijn, en de volle zorg voor eene gemeente hebben, wordt door hen onderhouden. De colleges kunnen alleen in de 3 of 4 zomermaanden worden gegeven. Deze lessen worden thans slechts gevolgd door 4 studenten. Deze kleine groep heeft een eigen zending en geeft een eigen kerkelijke peri­odiek uit.

Een zeer kleine groep is de Reformed Presbyterian Church. Deze kerk telt de laatste vertegenwoordigers van de oude Cameroniërs, die van oordeel waren, dat het covenant van 1638 een verbond was,


1) Dr. G.Ch. Aalders, Geref. kerkelijk leven in Schotland, Ger. Theol. Tijdschrift, 25e jaargang, bl. 199, 241, 289.

|274|

dat, met God gesloten, nooit mocht worden losgelaten, en dat het dus afval van God was, wanneer men iets aan de regeering toegaf inzake de invoering van het episcopaat en de Anglicaansche ceremoniën, en die, toen Karel II gepoogd had, de Schotsche kerk van haar karakter te berooven, den koning voor afgezet verklaard hadden. De kleine groep, die met Cameron instemde, weigerde dan ook de Staatskerk te erkennen, en beschouwde zichzelve als de ware kerk van Schotland. Voorloopig kwamen zij nog niet tot eene kerkelijke organisatie. Eerst tien jaren na de eerste secessie, in 1743, organiseerden zij zich als Reformed Presbyterian Church, welke kerk nog tot heden voortbestaat. In 1876 vereenigde zich het grootste deel van de leden dezer kerk met de Free Church, maar een klein deel blijft nog haar gesepareerd bestaan voortzetten. Zij telt nog 10 gemeenten met 930 leden.

De United Presbyterian Church, in 1847 gevormd door de vereeni­ging van de Reliefchurch met de United Secession Church, hield evenals alle loten van de nationale kerk vast aan de oude standaards des geloofs en kerkregeering, maar bij de verdere ontwikkeling kwam er een verzwakking in de beginselen. Men trachtte al meer aan de bezwaren der mannen van het „nieuwe licht” tegemoet te komen, en de band aan de belijdenis meer los te maken. Zij, die zich niet geheel konden vinden in de scherpe strakke lijnen der belijdenis, oefenden sterken drang uit in de richting van meerdere verruiming der onderteekeningsformule. In deze onderteekeningsformule moesten de Dienaren des Woords verklaren, dat zij erkenden en geloofden „the whole doctrine, contained in the Confession of Faith” als „founded on the Word of God”. Hierin werd deze wijziging gebracht, dat zij voor het vervolg hadden te verklaren, gebonden te zijn aan „the doctrine of this Church set fort in the Confession of Faith”. Hierbij werd uitgesproken, dat het er niet zoozeer op aankwam, wat in de oude belijdenis stond, maar wat de kerk in een bepaalden tijd nog van die belijdenis daadwerkelijk aanvaardde. Men kon bij insluipende dwaling­ allerlei stukken, die men niet meer geloofde, laten liggen als behoorden zij niet meer tot de belijdenis. Deze wijziging kwam voor het eerst tot stand in de United Presbyterian Church, door de aanneming van de Declaratory Act, waarin de bedoeling van de onderteekening der Confessie werd omschreven (1879).

Eenige jaren daarna, in 1892, werd een soortgelijke Declaratory Act in de Free Church aangenomen. Gevolg hiervan was, dat een kleine groep zich afscheidde van de Free Church, en zich constitu­eerde als de Free Presbyterian Church, die nog bestaat als eene kerk van 20 gemeenten met 15 predikanten. Maar tevens was hiermee de weg gebaand voor de vereeniging van de Free Church met de United

|275|

Presbyterian Church, welke vereeniging in 1900 tot stand kwam onder den naam van United Free Church. De United Presbyterian Church nam de Unie aan met algemeene stemmen, maar in de Synode van de Free Church waren 643 stemmen voor en 27 stemmen tegen de vereeniging. Door deze vereeniging was een groote kerk tot stand gekomen met 500.000 leden naast de Staatskerk, die ongeveer 700.000 leden telde.

De minderheid van de leden der Synode van de Free Church diende bij monde van Rev. J. Kennedy Cameron een protest in, en verklaarde, dat het haar voornemen was, ais de wettige voortzetting der synode het werk voort te zetten. Toen de leden der minderheid den volgenden dag de synode wilden voortzetten, vonden zij de vergaderzaal der synode gesloten. En daarom gingen deze stoere mannen onder den blooten hemel, in den stroomenden regen, onderwijl de meerderheid met de U.P.’s de plechtige vereeniging voltrok, de vergadering der synode voortzetten, en na de noodzakelijke werkzaamheden te hebben verricht haar verleggen naar een andere vergaderplaats.

Het optreden der minderheid leidde, wijl de meerderheid van eene schikking niet wilde weten, tot een proces over de kerkegoederen. De lagere rechtscolleges beslisten ten gunste van de meerderheid en veroordeelden de minderheid in de kosten van het proces. De minder­heid, overtuigd, dat eene verandering in de Constitutie alleen kon tot stand komen met goedvinden van de geheele kerk, besloot het proces tot in de hoogste instantie door te zetten, met dit gevolg, dat 1 Aug. 1904 door de Commissie uit het Hoogerhuis uitspraak werd gedaan, welke zonder eenig voorbehoud ten gunste van de minder­heid was. Uitgaande van de letterlijke bewoordingen van de Consti­tutie der Free Church, waarbij de trouw aan de oude geloofsbelijde­nissen werd verklaard als een fundamenteel stuk van de Constitutie van de kerk van Schotland, werd door de Lords verklaard, dat de meerderheid het oude standpunt had verlaten, en dat dus de minder­heid, die zich hield aan de oude belijdenis en kerkeregeering, was de Free Church of Scotland, en dat dus haar de kerkegoederen toekwamen. Geen synode had het recht, deze Constitutie te wijzigen en alzoo de kerkegoederen te bestemmen en aan te wenden voor een ander doel dan waarvoor ze oorspronkelijk waren gegeven.

Door deze beslissing werd een moeielijke toestand geschapen. De meerderheid wilde de kerkegoederen niet goedwillig afgegeven. Een aantal procedures volgden. Eindelijk werd op aandrang van de meer­derheid eene wet uitgevaardigd door het Parlement. De minderheid werd bevestigd in haar recht op den ouden naam de Free Church of Scotland; aan haar werd gegeven zulk een deel van de eigendommen,

|276|

beide in gebouwen en in bezittingen en fondsen, als zij metterdaad kon gebruiken, al het overige werd gegeven aan de United Free Church of Scotland.

Er bestaan dus thans in Schotland naast de Staatskerk met on­geveer 690.000 avondmaalgangers nog 5 Vrije Gereformeerde kerken: a. de Vereenigde Vrije Kerk met ruim 500.000 avondmaalgangers, b. de Vrije Kerk met 140 gemeenten, waarvan 5/6 deel in de Hooglanden, en 10.000 avondmaalgangers; c. de Vereenigde Oorspronkelijke Kerk der scheiding met 20 gemeenten en 3500 avondmaalgangers; d. de Reformed Presbyterian Church met 10 gemeenten en 930 avondmaal­gangers en e. de Free Presbyterian Church1).

 

Het Methodisme. Het Methodisme, in Engeland ontstaan en tegen­woordig over de geheele wereld verbreid, is van huis uit eene reactie tegen de kerkontbindende en antireligieuse werking van het Deisme, hetwelk weer voorbereid was door het religieus individualisme der 17de eeuw. De Presbyterianen waren na de Synode van Westminster (1643-1649) in aantal en invloed achteruitgegaan. Allerlei richtingen: Arminiaansche, Chiliastische, Antinomiaansche, zelfs Libertijnsche gevoelens drongen naar voren. Toen de verwarring der geesten hopeloos was, ontwaakte de gedachte, dat in alles, wat bij de vele secten gemeenschappelijk was, het wezen der religie kon wezen, en zoo werden de geloofsmysteriën terzijde gesteld, en al, wat duidelijk was voor het nuchtere verstand en wat nuttig was, werd als het voorwerp der religie beschouwd. Indifferentisme en scepticisme heerschten bij de ontwikkelden, en bij het volk onkunde en wereldzin.

Deze ideeën tastten ook de kerk aan. De prediking werd dorre moraalprediking. Plichtmatig verrichtte de geestelijkheid de voor­geschreven ceremoniën, maar bekommerde zich niet om het heil der gemeente. Alle hoogere bezieling was verdwenen. De gemeente was en werd verwaarloosd. De Zondagsheiliging werd vervangen door allerlei volksvermaken. En voorzoover men nog naar de kerk ging, deed men dit uit gewoonte om te slapen en te lachen. Montes­quieu zeide in krachtige overdrijving, dat in Engeland geen godsdienst meer was.

Op dezen bodem is geboren de religieuse beweging, die bekend is onder den naam van Methodisme. Niet alsof er vóór het optreden van het Methodisme geen leven was, en dat deze opwekkings­beweging alleen de herleving heeft te voorschijn geroepen. Er waren zoowel in Schotland als in Engeland nog enkele ware bezielde


1) J.N. Ogilvie, The Presbyterian Churches of Christendom, p. 130-139.

|277|

predikers, die bij de vromen geliefd waren. Er waren hier en daar ook kringetjes van geloovigen, die in vereenigingen samenkwamen, om elkander te stichten. Maar het is de eere van de vaders van het Methodisme, John Wesley en George Whitefield, dat zij in Gods hand het middel werden tot eene opwekking in de breedere kringen van het volk.

John Wesley (1703-1791), de bezielende leidsman en organisator van het Methodisme, werd onder den invloed van de Hernhutters voor zijn roeping voorbereid. In een godsdienstige vereeniging tot bekeering gekomen (24 Mei 1735), was de gedachte van eene vereeniging (society) onlosmakelijk aan zijn geestelijk leven verbonden. Hij wilde terug naar den oud-apostolischen tijd, en de gedachte van een eccle­siola in ecclesia, die hij bij de Moravische broeders vond, bekoorde hem geheel. En in stede van de plaatselijke kerk stelde hij een samen­werking van de kringen, die, krachtig georganiseerd, met rigoristische ascetische discipline aan elkander verbonden, een missionaire wereld­kerk zouden vormen.

Whitefield (1714-1770) was de groote prediker, die in zijn 34-jarigen arbeid 18000 preeken heeft gehouden, en geregeld voor een groote schare, eenmaal zelfs voor 50.000 toehoorders, preekte. Hij stond eigenlijk onverschillig voor kerkrechtelijke vragen. Zijn groote kracht bestond daarin, dat hij, evenals de andere Methodistische preekers, de eenvoudige grondgedachte van het Evangelie, die van de kansels der staatskerk slechts zelden gehoord werd, met sterke fantasie, met zijn krachtige en schoone stem en met levendige mimiek uitbeeldde, en met hel en dood krachtig aandrong. Hij werkte minder op het verstand dan op het gevoel, en bezielde en inspireerde zijn gehoor zoo sterk, dat soms een luid snikken werd vernomen. Heeft Wesley van den aanvang af georganiseerd, de aanhangers van Whitefield, die in het stuk der leer in hoofdzaak Calvinistisch waren, kwamen wel in conferenties samen; maar eerst in 1811 is uit den kring van de Calvinistische Methodisten de Calvinistic Methodist Church ont­staan, als eene zelfstandige kerk gesticht door Thomas Charles, een anglicaansch geestelijke in Noord-Wales.

In Wales was als vrucht van het optreden van een jong prediker, Howell Harris van Trevecca, een godsdienstige opwekking ontstaan, welke door de predikanten Rowlands en Davies en ook door Whitefield werd aangevuurd. Men wilde niet met de staatskerk breken, maar richtte vereenigingen op binnen de kerk, om het geestelijke leven aan te kweeken. De kerk stond evenwel vijandig tegenover deze beweging en dientengevolge ging de predikant Thomas Charles van Bala er toe over, om eenige presbyters de handen op te leggen en

|278|

eene zelfstandige kerk te stichten, de Welsh Calvinistic Methodist Church. In den eersten tijd was zij weinig meer dan een vereeniging van evangelische Christenen zonder eene vaste organisatie, maar in 1823 werd eene belijdenis aangenomen, die wel eenige methodistische trekken vertoont, maar overigens steunt op en zeer veel overeenkomt met de Confessie van Westminster1). De kerkinrichting is presbyteri­aansch. De vereenigingen zijn gegroepeerd in presbyteries of classes, en deze weer samengevoegd in twee synoden, die van Noord- en Zuid-Wales. In het ¾ deel der gemeenten wordt de taal van het land gebruikt, terwijl in 372 congregaties gebruik gemaakt wordt van de Engelsche taal. In 1921 waren er in deze kerkgemeenschap 1481 gemeenten met 961 predikanten en 187.000 avondmaalgangers. Met de „hoorders” telt deze kerk ongeveer 500.000 leden.

De Calvinistische Methodisten, die Whitefield volgden, zijn voor een overwegend deel Independenten geworden. Ook de gemeenschap van Lady Huntingdon ongeveer 1770 ontstaan heeft Independentistische trekken. Voor een deel zijn hare aanhangers in de bisschoppelijke kerk van Engeland, en werden de grondleggers van de Low-Church partij; voor een deel organiseerden zij zich zelfstandig. Zij bezit een seminarium te Cheshunt voor de opleiding van Independentistische predikanten, doch deze school is ook voor andere Calvinisten toe­gankelijk. Zij telde in 1821 slechts 101 kapellen met 19.159 leden.

John Wesley heeft de menschen, aan wie hij het evangelie heeft verkondigd, vereenigd in vereenigingen (societies). Hij haatte het Calvinisme en keerde zich al meer af van de Puriteinsche kerk­beschouwing. Hij wilde terug naar den Apostolischen tijd, en negeerde de historische ontwikkeling. Zielen winnen voor Jezus, dat is het hoogste. Om die reden staat ook de zending en de evangelisatie op den voorgrond. Hij vergat echter, dat de kerk is eene schepping Gods, door Christus ingesteld om hem te dienen in den strijd tegen satan en in de verovering van de wereld.

Wesley vond eene kerk, die koud en onaandoenlijk was voor de heiligheid Gods en de redding van het verlorene, en toen hij zelf tot bekeering was gekomen, bracht hij het zoeken van zondaren en het gevoel van de verlossing sterk naar voren. Niet zoozeer het geloof in Christus, maar wel het levendige gevoel geeft deel aan de genade, en daarom moet dit gevoel altijd weer opnieuw worden opgewekt. Niet de daad van Christus, maar de eigen ervaring van Christus’ werk en leven in ons is grond van het vertrouwen. Op die ervaring en niet op de belofte Gods in Zijn Woord moet de steun


1) Loofs, Art. Methodismus, R.E.3 12; E.F.K.Müller, Bekenntnisschriften der ref. Kirche, 1902, S. 871-899; Ogilvie, The Presbyt. Churches, 1925, p. 165.

|279|

ge­vestigd1). De praedestinatie werd verworpen, de mensch en zijn werk in de leer des heils op den voorgrond geplaatst, de mystieke gevoels­ervaring als beslissende factor van de zekerheid des geloofs. Geen wonder, dat er ook een hiërarchische inslag kwam in de inrichting van de Methodistische vereenigingen.

Wesley gaf aan hen, die hij rijp genoeg achtte, society tickets (vereenigingskaarten), waarop een pakkende bijbeltekst, soms met een anker der hoop, een beschermengel of een andere symbolische figuur, gedrukt was. Deze tickets, welke ieder kwartaal moesten worden vernieuwd, dienden als bewijzen van lidmaatschap. De anderen, die nog niet rijp genoeg waren, nam Wesley aan op proef.

Sedert 15 Febr. 1742 onstond het klassesysteem. De „Vereeniging” van Bristol had schuld. Om geld te bekomen, splitste men het aantal leden in groepjes van 12. Een persoon nam op zich, in verbinding met zijn elf medeleden, een penny per persoon wekelijks op te brengen, en dat hij, als er in gebreke bleven, zelf uit eigen beurs het bedrag zou aanvullen. De societies werden dus ingedeeld in classes, en aan het hoofd der classes stond een leider (classleaders). Deze class-meeting is het hart van de methodistische organisatie, van de financiën, van het vereenigingsleven en van de tucht. Er zijn twee soorten van classes: de wekeiijksche gemengde klasse voor mannen en vrouwen, en de classe der kinderen. In de gewone class-meeting moeten de leiders een stuk uit den Bijbel lezen en bidden, terwijl het hun ook vergund is, aan de Schriftlezing eene korte vermaning toe te voegen. Het hoofddoel is het zich oefenen in het vrijmoedige getuigen. Op deze wijze wordt zulk een class-meeting een geestelijke bakermat voor toekomstige predikanten.

De plaatselijke vereenigingen (societies) hebben haar middelpunt in de kapel, die een eigen bestuur (trustees) heeft, en een beheerder der gelden (steward), voor wiens benoeming de toestemming van den superintendent noodig is. In de kapel wordt gepreekt, worden de ­society-meetings gehouden, de liefdesfeesten, die door gemeenschap­pelijk genieten van brood en water, onder gezang en toespraken, gevierd worden, en de covenant-service, de vernieuwing des verbonds, op den eersten Zondagnamiddag in het nieuwe jaar. Uit Richard Alleine worden de verbondswoorden voorgelezen, en door plechtig opstaan verbindt zich de gansche gemeente aan den Heere.

De locale vereenigingen zijn verbonden tot kringen (circuits) en deze weder tot districten. Elke circuit heeft onderscheidene predikers.


1) Dr. M. Schneckenburger, Vorlesungen über die Lehrbegriffe der kleineren protestantischen Kirchenparteien, 1863, S. 103-151; Loofs, Methodismus, R.E.3, 12; J. du Toit, Het Methodisme, bl. 153.

|280|

Aan het hoofd van de predikers in elke circuit staat een door de conference aangewezen superintendent, die naar een vast plan de ambtsbezigheden der predikers in de verschillende societies zoo regelt, dat zij allen gemeenschappelijk het pastorale werk in den geheelen circuit verrichten kunnen. Om de drie jaren moeten zij op last van de conference van den eenen kring in den anderen over­gaan, alleen de lokale of leekenpreekers blijven steeds dezelfde plaats of ook wel de naburige plaatsen bedienen. Zij, die de noodige gaven bezitten, kunnen reeds op 20-jarigen leeftijd als locale predikers oefeningen houden. Wanneer zij, door den superintendent onderwezen in de Bijbelsche geschiedenis en de Engelsche gramma­tica, voldoende bekwaamheid bezitten, kunnen zij in den circuit op­treden. En eerst na een-jarigen proeftijd, en een examen in de 53 standaard-preeken van Wesley en zijne Aanteekeningen op het N. Testament, ontvangen zij door nominatie van den superintendent en de toestemming van de vergadering der plaatselijke predikers (local praechers-meeting) volledige bevoegdheid. Zij mogen echter eerst de sacramenten bedienen, wanneer zij drie jaren aan een van de theologische scholen hebben gestudeerd, een vierjarigen proeftijd hebben doorgemaakt, en zijn geëxamineerd en geordend.

De inrichting van de Methodistische kerk is dus hiërarchisch. Er zijn vier bestuursmachten: 1. de vergadering van de leiders (leaders­meeting), die alle weken, op zijn minst eenmaal in de drie maanden, moet worden gehouden, en waarvan alle predikanten van denzelfden circuit, benevens alle leiders en stewards van de betrokkene societies leden zijn. Op deze vergaderingen worden de finantiëele aange­legenheden en de tuchtkwesties behandeld, en de nominaties van de plaatselijke leiders, die uitsluitend bij den superintendent behooren, goedgekeurd. 2. De driemaandelijksche vergadering van alle predikers, leiders, penningmeesters (stewards) en trustees van den circuit (quarterly meeting). Deze vergadering bezit niet alleen de bestuurs­macht in alle uiterlijke aangelegenheden, maar ook het recht van veto met betrekking tot de door de algemeene conferentie voorge­stelde bepalingen. 3. De district-meeting of de districts-synode, be­staande uit alle predikanten, en een geringer aantal van leekenafge­vaardigden, met de beheerders der verschillende fondsen. Zij is een voorbereidende vergadering, die telken jare in Mei voor de algemeene conferentie gehouden wordt, die afgevaardigden voor deze conferentie kiest, en in laatste instantie voor alle finantieele en bestuursaange­legenheden beslist. 4. De jaarlijksche algemeene conferentie, bestaande uit 300 predikanten en 300 leeken, die de beslissing geeft inzake alle finantieele en bestuursaangelegenheden. Aan de zitting der

|281|

predikanten, waarin beslissingen worden genomen omtrent de plaatsing der predikanten en tuchtzaken, nemen de leekenafgevaardigden geen deel. In heel deze organisatie wordt het recht der gemeenten niet erkend. De leiders staan boven de gemeente. De predikanten en superintendenten krijgen hunne aanstelling van de hoogere vergadering. Er zijn hoogere en lagere ambten.

In Amerika heeft het Methodisme een vruchtbaren bodem gevonden. Den 30sten October 1784 is de eerste Methodistenkapel te New-York gesticht, en vandaar heeft het zich over de andere staten verbreid. Wesley verleende bij de organisatie zijne hulp, maar de eigenlijke organisatoren zijn Francis Asbury en Thomas Rankin. De onafhan­kelijkheidsverklaring van N.-Amerika maakte het Methodisme los van de Engelsche Methodisten, hoewel de geestelijke invloed bleef bestaan. Wesley zond in 1784 onderscheidene mannen naar Amerika, onder leiding van Dr Thomas Coke, dien hij als superintendent voor de Amerikaansche kudde wijdde. Coke nam tegen den wensch van Wesley den titel van bisschop aan, en organiseerde de bisschoppelijke Amerikaansche kerk1).

Deze bisschoppelijke kerk is naast de Roomsch-Katholieke kerk de grootste in N. Amerika. Zij telde in 1901 19 bisschoppen, 4 zendings­bisschoppen, 124 jaarlijksche conferences, 17.792 reizende predikers, 14.232 plaatselijke predikers, 2.907.877 leden, 32.119 Zondagsscholen met 2.700.543 leerlingen en 27.382 kerkgebouwen. Naast deze episco­pale kerk zijn er nog 16 andere Methodistenkerken. Het totale aantal der Methodisten in Amerika met inbegrip van de buitenlandsche Zendingskerken, bedraagt 6.437.361 leden. Ook in Canada, Duitschland en elders zijn Methodistenkerken.

In de leer stemt het Amerikaansche Methodisme in hoofdzaak overeen met het Engelsche. De 25 geloofsartikelen, die Wesley op den grondslag van de 39 artikelen der Engelsche kerk had geformu­leerd met de 53 preeken van Wesley en diens Notes op het N. Testament (eene verkorting van Bengel’s Gnomon) vormen de basis der Methodistische leer. In de kerkregeering volgen de Amerikaansche Methodisten de beginselen van Wesley, maar hebben in deze de bisschoppelijke gedachte ingelascht en ze voor het Amerikaansche leven naar de behoefte van de praktijk omgevormd.


1) A New History of Methodism by W.J. Towsend, London, 1909; W.A. Curtiss, A. History of Creeds, Edinburg, 1911, p. 328; Ruelsen, Art. Methodismus in Amerika, R.E.3 13.

Bouwman, H. (1928) § 23

|282|

§ 23. De Gereformeerde kerken in Duitschland.

Het Calvinisme vond ook ingang in Duitschland. Vooral na den dood van Melanchton werd de invloed van Calvijn al meer merkbaar. Reeds in 1561 schreef de scherpzinnige Canisius aan Hosius: „Het schijnt, dat Calvijn Luther zal tenonder brengen, niet alleen in Gallië, maar ook in Germanië”. De universiteit van Genève trok velen machtig aan. De ernst en de beslistheid van het Gereformeerde leven, de consequentie in de voorstelling der leer, trok in het meest ontwikkelde deel van Duitschland, vooral in de Rijn­streken, de geesten tot zich. Maar omdat in de Duitsche landen de invloed van de overheid, in de Luthersche kerk algemeen, ook op de regeering der kerk nawerkte, kon de Calvinistische kerkinrichting bijna nergens zuiver worden toegepast.

 

De Paltz. In de Paltz heeft een tijdlang de Gereformeerde kerk gebloeid. De keurvorst Frederik II (1543-’56) was na den godsdienstvrede van Augsburg (1555) de Reformatie al meer genaderd, doch zijn opvolger Otto Hendrik verklaarde zich in 1556 beslist voor de Luthersche reformatie, en voerde eene kerkorde in, die een Luthersch karakter vertoonde. Het was echter de voortreffelijke, bijbelvaste Keurvorst Frederik III (1559-1576), die beslist voor de Gereformeerde religie koos. Aanleiding daartoe was de strijd tusschen de Luthersche en de Gereformeerde theologen in Heidelberg. De fanatieke Luthersche predikant Heshusius achtte het zijne roeping, aan de kerk in de Paltz in leer en in cultus een streng Luthersch karakter te geven. De keurvorst, die, om de geschillen te kunnen beoordeelen, zich met kracht had toegelegd op de studie der H. Schrift en van de theologie, en daardoor een diepen indruk had bekomen van de heerlijkheid der Gereformeerde theologie, liet in 1560 een godsdienstgesprek houden tusschen Luthersche en Gereformeerde godgeleerden, en kende aan de Gereformeerden de overwinning toe. En toen hij op den Naumburger vorstendag tot de overtuiging kwam, dat Art. 10 van de Augsburgsche Confessie in haar oorspronkelijken vorm Roomsche gedachten bevatte, koos hij beslist voor de Gereformeerde belijdenis. Terstond ging hij over tot de reformatie van de hooge­school, riep naast Boquinus de Gereformeerde geleerden Olevianus, Tremellius en Ursinus naar Heidelberg, liet voor het onderwijs der jeugd den bekenden Heidelberger Catechismus opstellen, en voerde eene Gereformeerde kerkinrichting in.

|283|

Den 15en November 1563 werd de nieuwe kerkorde1) gepubliceerd. Zij was gemaakt naar het model van de kerkorde van Genève, van à Lasco, van Frankrijk en van de Züricher Agende. De Calvinistische gedachten zijn evenwel niet consequent doorgevoerd. Aan de leeraren wordt opgedragen, de stof voor de prediking uit Gods Woord alleen te nemen. Ook de Catechismus moet telken Zondag voor de gemeente verklaard worden. De doop moet door de bedienaren des Woords bediend worden aan de kinderen des verbonds. Het avondmaal moet na een voorbereidingspredikatie in de steden eenmaal in de maand en in de dorpen eenmaal in de twee maanden gehouden worden. Opdat het avondmaal heilig kan worden gehouden, moet de Christelijke tucht geoefend worden, niet alleen met woorden, maar ook met de daad. Uit de gemeente moeten eerbare en godvruchtige mannen gekozen worden, die in naam der gemeente met de kerkedienaren handelen, vermanen en tenslotte, zoo er geen bekeering intreedt, excommuniceeren. Voor den kerkedienst werd een liturgie opgesteld.

In 1564 volgde eene nadere regeling van de kerkregeering. De keurvorst verklaarde in eene Voorrede, dat het het ambt der overheid is, niet alleen te zorgen, dat de onderdanen een stil en gerust leven leiden, maar ook orn naast de zorg voor de uitwendige tucht en politie ook den waren godsdienst te planten en te handhaven. Daartoe stelde hij een kerkeraad in, bestaande uit 6 personen, drie theologen en drie politieke mannen, die, gevestigd te Heidelberg, driemaal per week zou samenkomen. Een politiek persoon roept deze vergadering samen. Het werk van dezen kerkeraad is, om de predikantsplaatsen en de scholen met bekwame personen te bezetten en toezicht te houden op leer en leven. Een superintendent, door den kerkeraad aangesteld, houdt toezicht op de predikanten en de schoolmeesters. De kerkeraad examineert de candidaten en heeft het recht, predikanten en school­meesters af te zetten, als deze zich te buiten gaan. Elk jaar wordt een synode gehouden, waartoe de kerkeraad al de predikanten, schoolmeesters en politieke personen oproept, om met hen te handelen over den toestand der kerken, en om tuchtzaken te behandelen. Deze vergadering is dus geen synode naar Gereformeerd beginsel, maar een soort visitatie door het centraal kerkelijk bestuur. Ouderlingen kent deze kerkorde niet. De regeeringspersonen helpen de predikanten bij de oefening der tucht. De hardnekkige zondaren worden door de politieke regeering gestraft. Ook de diakenen kent deze kerkorde


1) Richter, Evangel. Kirchenordnungen II, 257 ff.; Max Goebel, Gesch. d. Christl. Lebens in der Rhein. Westph. ev. Kirche, I, § 26; K. Südhoff, C. Olevianus und Z. Ursinus, 1857; Heuser, Gesch. d. rheinischen Pfaltz, 1845.

|284|

niet. De predikant kiest twee leden der gemeente, die de gaven voor de armen verzamelen en uitdeelen. De landsheer heeft tenslotte het gezag in de kerk.

Geen wonder, dat de Gereformeerde voorgangers niet bevredigd waren. Een poging, om het Gereformeerde beginsel in de kerkinrichting meer consequent door te voeren, stuitte op verzet. Erastus, een hoog­leeraar in de medicijnen, die tot lid van den kerkeraad gekozen was, en de Zwingliaansche richting toegedaan, was van oordeel, dat de kerkelijke ban onschriftmatig was, en vreesde, dat de kerkeraden, voorzien met de macht der kerkelijke tucht, tot eene hiërarchie als in de Roomsche kerk zouden ontwikkelen en tot eene gewetensdwang, evenals de Spaansche inquisitie, zouden voeren. Hij achtte het wensche­lijk, dat, evenals in de Züricher kerkorde, de overheid in naam van de gemeente het kerkbestuur in handen had2). De keurvorst beëin­digde den strijd tusschen Erastus en de Gereformeerden door een edict van 13 Juli 1570, waarbij hij naar den wensch van Olevianus, in elke gemeente een kerkelijk college instelde, welks leden, censoren geheeten, echter niet door de gemeente werden gekozen, maar door het kerkbestuur voor hun leven werden benoemd. Dit presbyterium, onder het voorzitterschap van den predikant, zorgde voor het uiterlijke en het geestelijke welzijn der gemeente, en oefende de kerkelijke tucht tot aan den ban. Voor het geheel der kerken zorgde de kerkeraad van Heidelberg, waarvan de leden, 3 geestelijke en 3 wereldlijke, door den landsheer werden benoemd. Deze kerkinrichting, eene vermenging van het presbyteriale en het consistoriale stelsel, was geenszins Calvinistisch, doch heeft in de praktijk gezegend gewerkt. Na den dood van Frederik werd deze kerkinrichting door zijnen zoon Lodewijk VI in Lutherschen geest omgewerkt, maar door Johannes Casimir hersteld. In lateren tijd bleek het noodig tegenover de Roomsche restauratiepolitiek, dat de Gereformeerden en Lutherschen in ver­zoende betrekking met elkander leefden, en kon de Gereformeerde inrichting der kerk niet steeds gehandhaafd blijven.

 

Nassau. In Nassau (Siegen, Dillenburg, Hadamar) was door Graaf Willem den Rijke de reformatie ingevoerd en met behulp van den theo­loog Erasmus Sarcerius geregeld. Melanchton’s loci golden als regel voor de theologie. Wetenschappelijke scholen ontstonden te Dillenburg, Her­born, Siegen en Hadamar. Onder Johan VI, den oudere, evenwel werd met behulp van den hofprediker Noviomagus, de Gereformeerde leer, dienst en kerkinrichting ingevoerd. De belijdenis van de Dillenburger Synode


1) A. Bonnard, Thomas Eraste et la Discipline ecclésiastique, Thèse, Lausanne 1894.

|285|

van 1578 werd in het geheele land aangenomen1). In 1581 werd het gebruik van den Heidelberger Catechismus toegestaan. C. Olevianus werd in 1582 naar Herborn beroepen, waar in 1584 een universiteit werd gesticht, die onder Olevianus, Ursinus en Piscator tot grooten bloei kwam. De naburige graafschappen Wittgenstein, Solms-Braunfels, Sayn, Isenburg en Wied sloten zich hierbij aan, en de Gereformeerde reformatie werd voltooid op de Generale Synode van Herborn (1586)2) waar de besluiten van de Middelburgsche Synode van 1581 werden aanvaard. Nassau-Weillburg evenwel bleef Luthersch.

 

Tecklenburg. Ook in een deel van Westfalen, o.a. in het graafschap Tecklenburg werd in 1588 de Gereformeerde belijdenis ingevoerd, en door eene kerkorde bevestigd. In alle plaatsen werden uit de gemeente ouderlingen aangesteld, die met de predikers het opzicht hadden over de gemeente. De kerkelijke tucht werd door de geheele gemeente geoefend en wel door middel der ouderlingen.

 

Anhalt. In Anhalt werd na langdurige voorbereiding besloten in 1606 zich naar het model van de Paltzer kerk in te richten, en in 1616 werd de kerkorde en de Catechismus van de Paltz ingevoerd. Het land bleef Gereformeerd. Slechts Anhalt-Zerbst ging in 1644 weer over tot de Luthersche belijdenis.

 

Bremen. In Bremen kwam de Gereformeerde belijdenis in 1580 tot de overwinning. Een Catechismus van Pezel3) werd naast dien van Heidel­berg in gebruik genomen, de kerken werden van de beelden gezuiverd en het broodbreken in plaats van de hostie ingevoerd. In 1595 werd de Consensus Bremensis, een soort belijdenis of kerkorde, die Calvinistisch van inhoud was, door alle geestelijken onderteekend, en deze belijdenis werd in 1644, om alle geschillen over de praedestinatie te bezweren, door den raad van Bremen als belijdenis voor Bremen verplicht verklaard. Tot 1784 moesten de predikanten haar ondertekenen4).

 

Hessen. De Reformatie in Hessen is nooit beslist Gereformeerd ge­worden. Evenwel werden wel Gereformeerde gedachten opgenomen. Karl Müller zegt van de Bekenntnis der Kasseler Generalsynode van 1607: „Man verlässt nicht den Boden der Augsb. Konfession, beruft zich


1) Heppe, Bekenntnisschriften der ref. Kirchen, S. 68; Moeller-Kawerau, Lehrbuch der Kirchengeschichte III, 1899, S. 281; Lechler, Gesch. d. Presb. u. Syn. Verfassung, S. 125.
2) Richter, Die ev. Kirchenordnungen II, 473.
3) E.F. Karl Müller, Die Bekenntnisschriften der ref. Kirche, S. LIV, 739.
4) E.F. Karl Müller, Die Bekenntnisschriften, S. LVI; H. Heppe, Gesch. der Hessischen Generalsynoden 1568-1582. Kassel, 1847.

|286|

gern auf Luther, vollzieht aber doch in Lehre und Kultus den Anschlusz an reformierte Art”.

 

Lippe-Detmold. In Lippe-Detmold verdrong onder den invloed van Graaf Simon VI de Gereformeerde religie na het opstellen van de For­mula Concordiae langzamerhand de Luthersche. Alleen de vrije rijksstad Lemgo verzette zich en verkreeg onder Simon VII de vrije uitoefening van de Luthersche religie. In de overige steden verkreeg de Gerefor­meerde religie de heerschappij, de Heidelberger Catechismus werd ge­bruikt in de plaats van den Lutherschen Catechismus, tot in het jaar 1684 graaf Simon Heinrich een nieuwe kerkorde invoerde, welke beslist Gereformeerd was. De Heidelberger Catechismus werd nu het offici­eele leerboek en de belijdenis der kerk. Nog altoos is de Gereformeerde kerk van Lippe de meest invloedrijke in dit land.

 

Schaumburg-Lippe, dat in zijn huidigen omvang eerst sedert 1640 bestaat, ging in de jaren tusschen 1560 en ’70 tot de Reformatie over, en nam de kerkorde van Mecklenburg aan. Sedert 1636 werd te Bückeburg een Gereformeerde kerk georganiseerd, waarbij in 1733 een tweede kwam te Stadthagen. Toen na de opheffing van het edict van Nantes Graaf Friedrich Christian de Hugenoten in zijn land opnam en hun volle vrijheid van godsdienst gaf, kwam er wrijving tusschen de Lutherschen, die van oordeel waren, dat hun godsdienst de heerschende was, en de Gereformeerden, welke echter later werd weggenomen en tot gevolg had, dat beide kerken in vrede naast elkander leefden1). De Gereformeerde kerken in dit land sloten zich aan bij de Nieder­sächsische Konföderation. Deze kleine confoederatie van Gerefor­meerde kerken is in onderscheiding van de andere Gereformeerde kerken in Duitschland een zelfstandige kerk, zonder een landsheerlijk kerkbestuur2). Na de opheffing van het edict van Nantes, toen de gevluchte Hugenoten in Brandenburg, Hannover. Brunswijk en Bückeburg gastvrij werden opgenomen, ontstonden er Fransch-Gerefor­meerde koloniën in Hannover, Lüneburg, Celle, Hameln, Brunswijk, en Bückeburg, terwijl er Duitsch-Gereformeerde gemeenten kwamen te Hannover, Celle en Bückeburg. De regeeringen der onderscheidene landen vergunden deze gemeenten, zich te vereenigen tot een kerken­bond op grond van de uit Frankrijk meegebrachte discipline ecclé­siastique, en gaven aan deze gemeenten het recht van zelfbestuur. De overheid behield zich alleen voor de jura circa sacra, „soweit


1) D. Brandes, Lippe-Detmold en Schaumburg-Lippe, Herzog-Hauck, R.E.3 11.
2) J.V. Bredt, Neues Evangelisches kirchenrecht I, 532; Brandes, Herzog-Hauck, R.E.3, 14, S 46.

|287|

es die reformierte Glaubenslehre und Kirchendisziplin nicht konzer­niert.” Zoo werd in l703 te Hameln eene synode gehouden, waar de Fransche en Duitsche gemeenten van Celle, Hannover, Hameln, Lünenburg en Bückeburg besloten, zich tot eene confoederatie te vereenigen, en waar de belijdenis en de kerkorde der Hugenoten werden aanvaard. Bij deze 8 gemeenten, 5 Fransche en 3 Duitsche, kwamen in 1708 de beide in Brunswijk ontstane gemeenten en fili­alen van de Duitsch-Gereformeerde vluchtelingengemeente uit de Paltz te Veltenhof bij Brunswijk. In 1711 volgde de Duitsch-Gereformeerde gemeente te Münden (Hann.) door Bremer kooplieden gesticht, en in 1753 de „für französische und deutsche Universitätsverwandte” geprivelegeerde gemeente te Göttingen. Door de betrokkene regee­ringen werd aan deze gemeenten een eigen regeering met betrekking tot de jura in sacra toegestaan. De besluiten der Synode zouden, zonder te letten op de staatsgrenzen, in alle gemeenten rechtskracht bezitten, en een publiekrechtelijk karakter dragen. De staat beperkte zijn invloed tot het jus circa sacra.

In 1918 bestond de confoederatie uit de gemeenten: Münden, Göt­tingen, Celle, Bückeburg, Brunswijk met Veltenhof en Altona1). De inrichting der gemeenten is presbyteriaansch. De plaatselijke ge­meenten hebben een kerkeraad, bestaande uit predikanten, ouder­lingen en diakenen, gekozen door de mannelijke leden der gemeente, die een eigen huishouding hebben en geen bedeeling ontvangen. De predikanten worden gekozen door den kerkeraad. De keuze moet aan de landsregeering en aan de vereenigde kerken worden mede­gedeeld. Alle kerken zijn in rechten gelijk, doch zijn onderworpen aan de synode, van wier besluiten in zaken van belijdenis en tucht geen appèl is. De synoden kunnen echter slechts gehouden worden met toestemming der landsregeering. Een commissaris van den lands­heer, die tot taak heeft, toe te zien, dat geen besluit der synode in strijd is met de wetten des lands, doch die zich niet mag mengen in de zaken van kerkregeering, is op de synode tegenwoordig.

 

Mark Brandenburg. In Mark Brandenburg2) trachtte Johann Sigis­mund (1572-1619), die zelf uit overtuiging Gereformeerd geworden was, de Gereformeerde religie in zijn land in te voeren, maar wijl zijne poging op tegenstand van de zijde der Lutherschen stuitte, stelde hij er zich mede tevreden, dat aan de Gereformeerden naast de Lutherschen vrijheid van religie werd toegestaan. De gedachte der gelijkheid


1) De gemeenten Münden, Celle en Altona zijn thans in de Ev. Ref. Landeskirche van Hannover opgenomen.
2) G. Kawerau, Johann Sigismund und die Einführung des reform. Bekenntnisses in der Mark Brandenhurg, Herzog-Hauck R.E.3 18.

|288|

beider kerken wist hij door te zetten, en legde daarmede den grondslag voor de „Unionspolitik” der Hohenzollerns.

 

Hannover. In de landen van het latere koninkrijk Hannover had de Gereformeerde belijdenis al spoedig ingang gevonden. Graaf Edzard I was de leer van Luther genegen, maar na zijnen dood, in 1525, liet zijn opvolger Enno ook de Gereformeerde leer naar de op­vatting van Zwingli vrij verkondigen, zoodat beide naast elkander ingang vonden. Na den dood van Enno, onder de regeering van regentes Anna, kreeg de Gereformeerde religie vasten voet. Zij riep in 1542 Johannes à Lasco uit Polen, om de leiding der kerk in Oost­-Friesland op zich te nemen.

à Lasco begon met allen ernst de Gereformeerde beginselen te be­studeeren en schiep voor Oost-Friesland eene kerkinrichting, aan de hand van Bucer, Calvijn en andere theologen, zoo voortreffelijk, dat Calvijn op de meest waardeerende wijze er van sprak en dat velen Oost-Friesland het Genève van het Noorden noemden. De grondslag van de organisatie vormde de Gereformeerde inrichting met ouder­lingen en diakenen, terwijl voor de handhaving der Gereformeerde belijdenis de kerkelijke tucht werd ingevoerd. Tot versterking van de orde en de tucht in de gemeenten hield hij geregeld een visitatie. Tevens organiseerde hij een coetus of predikantenvergadering, die elken Maandag bijeenkwam, waarin censura morum werd gehouden en candidaten voor het predikambt werden onderzocht, terwijl daar ook verhandelingen over de strijdvragen van den dag werden ge­houden. à Lasco kon evenwel niet den invloed van de regeering in de kerk vermijden. De regeering benoemde hem tot superintendent, om namens haar opzicht te houden op het leven en de leer. Omdat hij door de overheid gehinderd werd, om de eischen der H. Schrift getrouw uit te voeren, legde hij in 1546 de waardigheid van super­intendent neer, en nam eerst den herdersstaf weder op, toen de regeering ­hem verzekerde, dat naar de kerkenordening zou gehandeld worden, en zij beloofde mede te werken, dat alle leeraren zich aan den coetus zouden onderwerpen. Ter oorzake van het Interim moest à Lasco in 1548 het land verlaten, en keerde nog wel voor eenigen tijd in Emden terug, maar kon wegens den tegenstand der Lutherschen zijn werk niet voortzetten en vertrok naar Londen, waar hij in 1550 door de Engelsche regeering werd aangesteld tot superintendent van de Nederlandsche vluchtelingengemeente. De tegenwerking werd echter weldra door de Gereformeerden overwonnen, en na 1560 werd door den grooten toevloed van vreemdelingen, vooral uit de Nederlanden, Emden de burcht van de Gereformeerde belijdenis, de vluchthaven

|289|

voor de vervolgde Nederlanders, niet alleen de „herberg” der verdrukten, maar ook de „moederkerk der kerke Gods”. In 1571 werd hier de groote Gereformeerde Synode gehouden1).

Van uit Emden werd veel gedaan voor de verbreiding en ver­sterking der Gereformeerde belijdenis. Hierop heeft de „Emdener Katechismus van 1554” veel invloed geoefend. Hij is, zooals Dr Kuyper heeft aangetoond, een werk van à Lasco2).

Om aan de moeilijkheden tusschen de Lutherschen en de Gerefor­meerden een einde te maken, stelde graaf Enno III een concordaat op, waarbij beide belijdenissen erkend werden volgens den Augsburgschen godsdienstvrede en naast elkander geduld werden. De Gereformeerden genoten de vrijheid, maar moesten zich voegen naar de Luthersche wijze van kerkregeering. Ook later onder de Hannoveraansche regeering genoot de Gereformeerde kerk vrijheid, maar kon zich niet naar eigen beginselen in de regeering openbaren. Onder de Pruisische regeering verkreeg zij een Synodalordnung in 1882, waarbij de Gereformeerde gemeenten van Oost-Friesland, Bentheim, Bremen en het graafschap Plesse tot eene kerk, de „evangelisch­reformierte Landeskirche der Provinz Hannover” werden verbonden. Bij de verordening van 20 Febr. 1884 werd het consistorium van Aurich als Kirchenbehörde aangesteld.

 

In het Graafschap Bentheim had de Gereformeerde belijdenis reeds spoedig ingang gevonden en steun gevonden in de naburige kerken van Oost-Friesland. In het jaar 1613 werd daar een Gereformeerd consistorie opgericht, welke onder den naam Oberkirchenrath, na een korte onderbreking in den Franschen tijd, te Nordhorn bleef voort­bestaan. De eerste kerkorde van 1613 werd in 1708 vervangen door eene andere, die zich tot den nieuweren tijd handhaafde. Hetzelfde geldt van het graafschap Lingen, waarbij zich later Osnabrück voegde.

 

Van Bremen uit ontstonden eenige gemeenten in het gebied van den Beneden-Weser, welke thans nog behooren tot de Gereformeerde landskerk van Hannover.

 

De kerken aan den Benedenrijn. Aan den Benedenrijn3) werden


1) Wiarda, Ost-Friesische Geschichte (10 Bde, Aurich und Leer 1791-1817); Bartels, Zur Geschichte des Ostfriesischen Konsistoriums (Aurich 1885); Uhlhorn, Art. Friesen, Herzog-Hauck R.E.3 6; J.V. Bredt, N. Ev. Kirchenrecht für Preuszen, 1921, I, 462; Kochs, Kirchenzucht in Alt-Emdem (Ref. Kirchenzeitung, 1920).
2) Kuyper, Lasc. opp. I, p. XCV f.; Karl Müller, Die Bekenntnisschrifte der ref. Kirche L.
3) J.A. v. Recklinghausen, Reformationsgeschichte der Länder Jülich, Berg u.s.w. 3 Thle 1818, 1837; Jacobson, Gesch. d. Quellen des evang. Kirchenrechts der Provinzen Rheinland und Westfalen, Königsberg, 1844; M. Goebel, Gesch. des Christlichen Lebens in der rheinisch-westfälischen Kirche I, § 26, 27; Heppe, Zur Geschichte der ev. Kirche ➝

|290|

reeds vroeg pogingen aangewend tot de reformatie der kerk. Hertog Johan III, de vorst van de vereenigde landen Cleve, Gulik, Berg, Mark en Ravensberg, was een vriend der Humanisten en niet af­keerig van de Reformatie. Onder den invloed van Conrad van Heres­bach werden vele verbeteringen in het kerkelijk leven aangebracht1). Het waren Augustijner monniken: Adolf Clarenbach, conrector der Wezelsche School, Klopreis, Mattheus, Myconius en anderen, die het evangelie verkondigden. Wezel, dat in 1540 tot de Reformatie over­ging, kreeg de leiding der godsdienstige beweging.

Sedert 1545, toen tengevolge van de plakkaten van Karel V de eerste Nederlandsche en Waalsche vluchtelingen naar Wezel kwamen, en daar door de magistraat werden opgenomen, kreeg de Gereformeerde belijdenis weldra de overhand boven de Luthersche. Ook in Keulen waren reeds in 1544 Nederlandsche vluchtelingen gekomen, maar hun aantal overschreed niet de grenzen van eene huisgemeente. Eveneens kwamen in Aken en Duisburg kleine Nederlandsche vluchtelingengemeenten. De vervolging ging deze gemeenten wel zwaar beproeven, maar zij bleven onder het kruis bestaan. Versterkt werden deze gemeenten door steeds vernieuwde toestroomingen van vluch­telingen uit Nederland en Engeland, en omdat deze door handel en fabricage welvaart brachten, werden zij zelfs in vele Roomsche steden gaarne opgenomen. In vele plaatsen rezen moeilijkheden, omdat door het drijven van de Lutherschen de regeeringen hun wel vrije uit­oefening van hun godsdienst wilden toestaan, maar niet wilden toe­laten, dat zij een eigen gemeente formeerden met eigen ritus. Dien­tengevolge ontstonden er allerlei wrijvingen en twisten, die ten gevolge hadden, dat de Gereformeerde vreemdelingen uit Frankfort, Aken, Keulen en Neuss werden verdreven. In Cleve, Emmerik en Emden werden zij evenwel geduld, en in Wezel, in de Cleefsche steden: Duisburg, Goch, Büderich, Orsoy, Dinslaken, Rees en Gennep, en in de Paltz, Bremen Bentheim en Steinfurt kreeg de Gereformeerde religie de overhand over de Luthersche. Al de gemeenten organiseerden zich naar de kerkinrichting, die à Lasco in Emden en in de Londensche vluchtelingengemeente had gegeven. Deze bestaat in het wezen daarin, dat de gemeente geregeerd wordt door de ouderlingen, door haar


➝ Rheinlands und Westfalens 2 Bde, 1867, 70; Kist en Royaards, Archief voor kerk­geschiedenis V, 54-77; A. Wolters, Reformationsgeschichte der Stadt Wesel, 1868; F. L. Rutgers, Acta der Nederl. synoden, Marnix vereen. II. 2, 3, 1869; Ed. Simons, Joh. Monheim, Herzog-Hauck K. E.3 13; Ed. Simons, Niederrheinisches Synodal-und Gemeindeleben unter dem Kreuz; E. Simons, Synodalbuch-Urkundenbuch zur Rhein. Kirchengeschichte; Simons, General Synodalbuch 1910; Lüttgert, Ev. Kirchenrecht in Rheinland und Westfalen, Gütersloh, 1905.
1) Richter, Kirchenordnungen I. 160, 212; Schönneshöfer, Gesch. d. bergischen Landes 1895, S. 169.

|291|

zelve gekozen. De ouderlingen worden onderscheiden in de zoodanigen, die in de leer en in het Woord arbeiden (herders en leeraars) en in de regeerouderlingen, die met de dienaren des Woords samen den kerkeraad vormen, aan wien de leiding, de regeering, de zorg voor de gemeente, benevens de handhaving van orde en tucht is toebetrouwd. Juist omdat de kerken hier gedurig leden onder de vervolging, konden zij een eigen vrije kerkinrichting tot stand brengen.

De eerste groote vergadering der Gereformeerden, om tot aaneen­sluiting en regeling van het kerkelijke leven te komen, was het Con­vent van Wezel1). De Gereformeerden leefden in het geloof, dat God weldra de verlossing en de vrijmaking van Nederland geven zou. Daarom gaven zij te Wezel de regelen aan. die tegelijk met het aan­breken der vrijheid zouden kunnen gevolgd worden. Zeer waarschijn­lijk is het plan en de voorbereiding tot deze vergadering uitgegaan van Marnix, die in 1567 Nederland had moeten verlaten. Wezel werd als plaats der vergadering gekozen om zijn gunstige ligging en tevens omdat men het niet raadzaam oordeelde in Emden te vergaderen, uit vrees voor de bedreiging van Alva tegenover Emden en omdat toen daar de pest heerschte.

Deze Wezelsche vergadering was geen Synode, maar een Convent, omdat de personen, die tegenwoordig waren, niet met een lastbrief afgevaardigd waren. De deelnemers aan dit Convent waren bijna allen herkomstig buiten Duitschland, het waren predikers, kooplieden, juristen, artsen, edelen en handwerkslieden. Duitsche gemeenten waren niet vertegenwoordigd. Aan de besluiten werden ten grondslag gelegd de kerkenordening van Calvijn, De Paltz, Frankrijk en à Lasco2), en tevens werd er gerekend met de besluiten der Waalsche


1) Werken der Marnixvereeniging, Serie II, Deel III; J. de Jong, De voorbereiding en constitueering van het kerkverband der Nederl. Gereformeerden in de zestiende eeuw, Eerste gedeelte, 1911.
2) Prof. Dr Haitjema heeft in zijn artikel in Christendom en Historie, Uitgeversmij Holland 1925, bl. 133-212: „Calvijn en de oorsprongen van het Nederl. Geref. kerk­recht” aannemelijk gemaakt, dat bovenal de Ordonnances ecclésiastiques van Genève en de Londensche kerkregeling volgens à Lasco’s Forma ac Ratio en Micron’s Ordinantiën te Wezel als leiddraad hebben gediend. Herman Moded, die waarschijnlijk als scriba van het convent van Wezel fungeerde, en misschien de opsteller is van de Wezelsche artikelen, werd in Maart 1568 naar Genève gezonden, om daar advies in te winnen over de twisten, in de Londensche gemeente ontstaan. In Genève heeft hij natuurlijk kennis gemaakt met de regelingen der Geneefsche kerk, die in 1561 in druk verschenen waren, mede met het doel „quilz puissent servir a linstruction dautres peuples et pour tesmoignage de nostre reformatíon quon les doibge imprimer” (Calv. Op. X, p. I, 93). Dat de Ordonnances werkelijk gebruikt zijn, blijkt dat de predikanten­zonden in Hoofdst. VIII van de Wezelsche Artikelen bijna letterlijk uit de Ordonnances van 1561 overgeschreven zijn en dat in de beschrijving van de ambten duidelijk de invloed van de Geneefsche Ordonnances merkbaar is. Op andere punten, b.v. bij de behandeling van het ambt der Doctoren en Profeten, zijn de trekken van de Londensche regelen te bespeuren. Ook hier blijkt dus de directe invloed van Calvijn op de Nederlandsche Reformatie.

|292|

Synoden onder het kruis, die van 1563-1566 in de Zuidelijke Neder­landen waren gehouden. Zij ging uit van de gedachte, om in de adiaphora, d.i. in de dingen, die niet in Gods Woord en in het voorbeeld der Apostelen een zekeren grondslag hebben, de gemeenten vrij te laten, maar dat in datgene, wat op Gods Woord, op het gebruik en het voorbeeld der Apostelen of op de gewoonte der kerk steunt, niet willekeurig mag worden afgeweken.

De Wezelsche artikelen hebben den grond gelegd tot de Presbyte­riale-Synodale kerkinrichting der Nederlandsche Gereformeerde kerken. Zonder het Wezelsche Convent is de Emdensche Synode niet te verstaan. Doch zij zijn niet alleen van groote beteekenis geweest voor de Nederlandsche kerken, maar ook voor de Duitsch-Gerefor­meerde kerken, omdat zij den stoot gaven voor de organisatie dezer gemeenten. Volgens Simons verdienen de Wezelsche artikelen „die Magna Charta des niederrheinischen Protestantismus genannt zu werden” 1) En Hillmann schrijft2): „So war den eigentlich die Weseler Synode das Werk eines fremden Volkes und lediglich für ein fremdes Volk bestimmt. Dasz aber Rheinland und Westfalen, und dann auch die übrige preuszische Landeskirche Anteil gewann an den Früchten der Synode, ist Wesels Werk und Ruhm”.

De mannen van Wezel geloofden, dat God de verlossing zou geven en werkten reeds met het oog op de toekomst. Met geduld en in stilte werd voortgewerkt. Drie jaren later werd eene Synode uitgeschreven te Emden. Vooral door de bemoeienis van Marnix werd deze Synode bijeengeroepen. Hij woonde toen in De Paltz, sprak over de noodzakelijkheid eener Synode met de broederen te Heidelberg, stelde namens de gemeente te Heidelberg en Frankenthal een brief op, die gezonden werd aan de onderscheidene gemeenten van Nederlandsche herkomst, onderteekend door Marnix en Gaspar van der Heyden, om afgevaardigden te zenden naar de Frankforter mis, en over het plan eener Synode te beraadslagen. Deze vergadering is in September 1570 te Frankfort gehouden. Daarna sprak hij over het houden eener Synode in het sticht Keulen en op de Prov. Synode van Bedbur (3 en 4 Juli 1571) in het land van Gulik, waar, behalve de deputaten van de kerken van Gulik, ook anderen uit Duitschland en Brabant aanwezig waren. Op grond van de afspraken, op deze Synode gemaakt, werd de Synode te Emden bijeengeroepen.

De Generale Synode van Emden3) werd 4 October 1571 geopend,


1) Synodalbuch, Die Akten der Synoden und Quartierkonsistorien in Jülich, Cleve und Berg, 1570-1610, S. 31.
2) Die Evangelische Gemeinde Wesel und ihre Willebrordkirche, Düsseldorf, 1896, S.99.
3) Dr. B. van Meer, De Synode te Emden, 1571, ’s-Gravenhage, 1892; Dr F.L. Rutgers, Acta van de Nederl. Synoden der zestiende eeuw, Werken der Marnixvereeniging, II, dl. III.

|293|

en den 13 October daarna gesloten. Praeses der Synode was Gaspar van der Heyden. De Kerkorde, hier opgesteld, begint met voorop­stelling van het beginsel, dat er in de kerk geen hiërarchie mag zijn. „Gheen kercke zal over eene andere kercke, gheen dienaer des woorts, gheen ouderlinck, noch diaken zal d’ een over d’ ander heer­schappij voeren, maar een iegelijk zal hen voor alle suspiciën ende aenlockinge, om te heerschappen, wachten”. Hiermede werd de aan­stelling van een superintendent zooals in Emden en te Londen, en voorts elke vorm van hiërarchie, permanente besturen in de kerk, afgekeurd. De ambten hebben een dienend karakter. De gemeente is feitelijk de bezitster van de kerkelijke macht, zij kan die echter zelve niet uitoefenen, maar heeft daartoe organen noodig en deze organen zijn de kerkelijke ambten. Intusschen moet de gemeente in alle zaken van gewicht worden gekend, terwijl haar bovendien het recht toekomt, hetzij door „stilzwijgen” hare goedkeuring te kennen te geven, hetzij door het indienen van bezwaren hare afkeuring te doen blijken. Beroepen predikanten en gekozen ouderlingen en diakenen kunnen niet in hun ambt worden bevestigd, dan nadat hunne namen der gemeente zijn bekend gemaakt en deze „door stilswijghen der Ghemeente” (tacitis suffragiis) heeft toegestemd1). Evenmin kan tot excommunicatie worden overgegaan, voordat driemalen publice en suggestu (openlijk van den kansel) eene vermaning heeft plaats gehad, terwijl bovendien aan de gemeente het recht gewaarborgd blijft, kritiek te oefenen op de handelingen van het Consistorie en het oordeel der classis in te roepen2).

Het consistorie is de raad der gemeente, die minstens éénmaal per week moet samenkomen voor de behartiging van het welzijn der gemeente. De predikanten behooren met de ouderlingen en diakenen in den kerkeraad samen te werken, terwijl bij de afvaardiging naar de meerdere vergaderingen eenzelfde getal ouderlingen of diakenen als predikanten als stemhebbende leden moeten worden gekozen. De ambten blijven evenwel onderscheiden. Bij de censuur der predikanten moet gerekend met het oordeel der classis, hetgeen niet het geval is met de censuur over de ouderlingen of diakenen, wijl deze laatsten alleen plaatselijk ambtsdragers zijn3). Groote nadruk werd gelegd op de kerkelijke discipline.

Ook op het kerkverband werd gelet. Behalve de consistoriën zouden er zijn classicale en synodale vergaderingen, welke laatste provin­ciaal of generaal zouden zijn. Elke drie of zes maanden zouden enkele plaatselijke kerken samenkomen in de vergadering der classis, ieder


1) Art. 13 en 14.
2) Part. Vr. 22.
3) Art. 13, 33, 43.

|294|

jaar de gemeenten van eene provincie tot eene provinciale synode en elke twee jaar alle Nederlandsche kerken tot eene algemeene synode. Met het oog hierop werden de kerken in grootere en kleinere kringen samengevoegd1). De gemeenten, die over Duitschland en Oost-Friesland verspreid waren, zouden eene provincie vormen, die van Engeland een tweede en die onder het kruis zaten een derde. De provinciën werden verder in classes verdeeld. De eerste en derde provincie kregen ieder vier, terwijl omtrent Engeland werd bepaald, dat deze kerken zoo spoedig mogelijk tot eene classisindeeling zouden overgaan. Het kerkverband behoort organisch te werken. In eene meerdere vergadering mag slechts behandeld worden, wat in eene mindere niet kon worden afgehandeld. De meerdere vergade­ringen ontleenen haar macht aan de mindere, en tenslotte aan de plaatselijke kerken, omdat de plaatselijke kerken door hare afge­vaardigden hare oorspronkelijke macht naar de bepalingen van het kerkverband samenbrengen op de meerdere vergaderingen. Wel is er beroep van de mindere op de meerdere vergaderingen, maar niet omdat deze uit zich zelve regeermacht bezitten, maar omdat zij haar macht ontleenen aan de wettige afvaardiging der kerken, om naar Gods Woord en de kerkorde samen de gemeenschappelijke belangen te behandelen, en om het recht van de leden der gemeente of ook het recht der plaatselijke kerk te handhaven, en te waken, dat het in het kerkelijke leven alles toegaat naar het Woord Gods en het koningschap van Christus worde geëerbiedigd2).


1) Art. 10, 11.
2) De Emdensche kerkenordening draagt een calvinistisch karakter. Dat er een zekere rivaliteit zou bestaan hebben tusschen den geest van het Wezelsche convent en de stemming van de synode van Emden, en dat er te Wezel een veel „rekkelijker” strooming bovengedreven zou hebben (zooals Hooyer, „Oude kerkenordeningen”, bl. 59, en Fruin, „Archief voor Ned. kerkgeschiedenis” V, 1-46 en VI, 391-394, verdedigd hebben) dan te Emden, waar „de Calvijnsch-Fransche gestrengheid” den boventoon voerde, is moeilijk te aanvaarden. Terecht zegt Dr Haitjema, Christendom en Historie, bl. 210: „Er is geen grond voor de gelijkstelling van Fransch-Gereformeerd met zuiver-Calvinistisch, tegen­over een rekkelijk-Bullingeriaansch Convent van Wezel, dat niet-Calvinistisch zou geweest zijn”. Zoowel te Wezel als te Emden volgde men de beginselen van Calvijn. Ook is het niet waar, wat Dr Haitjema aanneemt (Calvijn en de oorsprongen v.h. Ned. Ger. kerkrecht in Christendom en Historie, bl. 211), dat te Emden de specifiek ­Nederlandsche factoren zijn teruggedrongen. Hij toont trouwens niet aan, welke die specifiek-Nederlandsche factoren zijn. Wel waren er in Noord-Nederland tegen het houden eener synode bezwaren geopperd, omdat men vreesde voor menscheninzettingen, zooals blijkt uit een brief van de kerken te Keulen aan den Prins (Werken der Marnix­vereeniging, Ser. III, Dl. V, 1e stuk, bl. 4; Dr F.L. Rutgers, De geldigheid van de oude kerkenordeningen, 1890, bl. 15, 64, maar het is te ver gezocht, om dit toe te schrijven aan een groeiende kloof tusschen de Nederlandsche en Waalsche nationaliteit in het Gereformeerd Protestantisme hier te lande. De Wezelsche artikelen waren in overeen­stemming met het doel van het convent, het resultaat van eene samenspreking, om leiddraad te zijn voor een komende kerkvergadering, om eenige regels aan te geven, die in rustiger tijden door eene synode zoo gewijzigd, vermeerderd of verminderd zouden kunnen worden, als naar de omstandigheden en de tijden noodig geoordeeld werd. Te Emden evenwel werd eene kerkorde opgesteld, waarbij die van de Fransche kerk als model diende.

|295|

De synode van Emden kan een generale synode genoemd worden, al was het ook zoo, dat de Engelsche kerken, door de overheid ver­hinderd, niet tegenwoordig waren. De kerkelijke bepalingen van Emden kunnen eene kerkorde genoemd worden, al is het zoo, dat het formeele karakter der kerkorde eerst toegekend kan worden aan „de kerkenordening van 1578” 1).

De besluiten van Emden hadden beteekenis niet alleen voor de Nederlandsche kerken, maar werkten ook na in de Duitsche kerken. Ter oorzake van de moeilijke tijden konden de kerken aan den Benedenrijn niet aan den wensch van Emden, om in nauw kerkverband te leven, voldoen. De samenhang met Oost-Friesland en de Paltz kon om politieke redenen niet gehandhaafd worden. Maar zelfs tusschen de gemeenten onder het kruis kwam het tot eene scheiding, wijl de nauwe band tusschen de kerken van Gulik en Cleve en de Neder­landsche kerken tengevolge van den oorlog werd verbroken en de classes van Gulik en Cleve zich tot eene Duitsche kerk ontwikkelden. Reeds in 1589 werd op de eerste Duitsch-Gereformeerde Synode te Neviges, waar zes predikanten en twee ouderlingen uit vijf kerken aanwezig waren, en waar de Emdensche artikelen als kerkorde werden aangenomen, eene zelfstandige classis van Berg gevormd, en uit deze 3 classes de Duitsch-Gereformeerde kerk georganiseerd werd. In 1610 werd eene Generale synode te Duisburg gehouden, waar de 3 classes tot provinciën werden omgevormd, en deze weder in classes werden ingedeeld. Als vierde provincie werd in 1611 op eene tweede Generale Synode te Duisburg het graafschap Mark toe­gelaten26). Zoo waren de Duitsche kerken in Rijnland van de Neder­landsche kerken sedert 1610 gescheiden, al leefden zij sedert wel met elkander in correspondentie.

De organisatie van de Duitsch-Gereformeerde kerk viel samen met gewichtige politieke gebeurtenissen. In 1609 was hertog Johann Wilhelm, de laatste van het vorstenhuis van Cleve-Berg, gestorven. Er waren 2 erfgenamen van vrouwelijke zijde: de keurvorst Johann Sigismund van Brandenburg en de Paltzgraaf Wolfgang Wilhelm von Neuburg. Beiden waren Luthersch, maar Wolfgang Wilhelm ging na zijn huwelijk met Magdalena van Beieren in 1613 over tot de Roomsche kerk, terwijl de keurvorst van Brandenburg de Gerefor­meerde belijdenis aannam. Deze overgang maakte het voor de beide


1) Dr F.L. Rutgers, De geldigheid der oude kerkenordening, bl. 13; Lohman en Rutgers, De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken, bl. 55, noot 1; Dr B. van Meer, De Synode te Emden, 1571, bl. 176; Dr J. de Jong, De voorbereiding en constitueering van het kerkverband, 1911, I, 22, noot.
2) Heppe, Zur Geschichte der evang. Kirche Rheinlands und Westfalens I, 123,179; E. Simons, Synodalbuch, S. 5, 21; E. Dresbach, Reformationsgeschichte der Grafschaft Mark, 1909, 387, J.V. Bredt, Neues evangeiisches Kirchenrecht für Preuszen, I 265.

|296|

erfgenamen bezwaarlijk, om samen over de erflanden te regeeren. Bovendien waren de Luthersche en de Gereformeerde religie in de erflanden zoo machtig geworden naast de Roomsche, dat het niet mogelijk was, eene dier religies op grond van den Augsburgschen godsdienstvrede als de alleen heerschende te verklaren. Daarom hadden de erfgenamen reeds bij de aanvaarding van hun heerschappij verklaard, dat zij de bestaande godsdiensten volle vrijheid van gods­dienstoefening zouden laten. Daarom oordeelden zij het in 1614 gewenscht, de regeering dezer landen te verdeelen. De keurvorst ontving Cleve, Mark en Ravensberg, en de Paltzgraaf Gulik en Berg. Daardoor waren de Gereformeerden in de Brandenburgsche landen bevrijd van de vervolging en verkregen zij ook in de Neuburgsche landen, omdat de erfenis feitelijk nog ongedeeld was, krachtens het Brandenburgsche protectoraat bescherming en vrijheid. Keurvorst Friedrich Wilhelm bewerkte bij den Westfaalschen vrede, dat de Gereformeerde belijdenis, als tot de Augsburgsche confessie behoorend, erkend werd, en gaf aan het protectoraat een rechtsgrond. In 1666 kwam eene feitelijke verdeeling der erfenis tot stand, en in 1672 werden de religieuze vragen geregeld. Langzamerhand werd de vrij­heid van de Gereformeerden in beide landen verzekerd. In 1701 werd de stichting van eene nieuwe Gereformeerde gemeente met eene eigen kerk toegelaten in Barmen-Gemarke.

In Cleve en Mark was de regeering zelve gereformeerd, doch maakte geen aanspraak op het landsheerlijk kerkbestuur in Lutherschen zin. Zij erkende de synoden en behield zich slechts het toezicht, als uit­vloeisel der burgerlijke regeering, voor. De Generale synode stelde in 1654 eene kerkorde op, die 20 Mei 1662 de goedkeuring der regeering verkreeg, waarbij de keurvorst één voorbehoud maakte, de kerkorde „zu jeder Zeit vermindern, vermehren, und nach Gelegenheit ändern und aufheben zu wollen”. De kerken zagen het gevaarvolle van deze bepaling zoo weinig, dat zij later zelfs herhaaldelijk de hulp der regeering inriepen in zaken, die het innerlijke leven der kerk raakten. De beginselen van het territoriale systeem lieten hun invloed ook hier gelden. Evenwel bleef in een groot deel dezer kerken de synodale inrichting in stand. Alleen in Ravensberg kon de synodale inrichting geen vasten voet bekomen, en werden de Gereformeerden aan het Pruisische Gereformeerde Kirchendirectorium van het landsheerlijk kerkbestuur onderworpen1). In Gulik en Berg evenwel stonden de Gereformeerde kerken onder een Roomsche regeering, en waren wel niet onderworpen aan een landsheerlijk kerkbestuur, maar moesten


1) Het waren de gemeenten Bielefeld, Herford en Vlotho.

|297|

gedoogen, dat de regeering de jura circa sacra uitoefende. En de Branden­burgsche regeering, die een eigen resident had in Dusseldorf, waakte, dat de vrijheden en rechten der Gereformeerden niet werden aangetast.

De vier provinciale synoden (Cleve, met de classes: Cleve, Wezel en Duisburg; Mark, met de classes: Hamm, Unna, Camen, Roer en Süderland; Berg, met de classes: Elberfeld, Solingen, Dusseldorf en Mühlheim; en Gulik, met de classes: Duren, Heinsberg en M.-Gladbach, waarbij Aken een zelfstandige positie innam), bleven bestaan en kwamen ongehinderd samen in Generale synode. De landsgrenzen scheidden de kerk niet. De laatste Generale synode kwam samen in 1793. Sedert werd het door de veranderingen tengevolge van de revolutie onmogelijk om als synode te vergaderen, en in het begin. der negentiende eeuw traden geheel nieuwe toestanden in.

 

De Gereformeerde kerk aan den Benedenrijn was eene vrije kerk. Zij was zonder medewerking van den staat tot organisatie gekomen, en onderhield het kerkelijk leven met eigen middelen. Niemand werd gedwongen, lid der kerk te zijn, en het stond aan iemands vrije overtuiging, haar te verlaten. Alleen mannen hadden het actieve en het passieve kiesrecht. De kerkeraad werd gekozen door de huisvaders uit een voordracht van den kerkeraad, onder leiding van een predikant, of bij een nieuw ingerichte gemeente door den inspector der classis. De leden des kerkeraads hadden twee jaren zitting. Alle jaren trad de helft af. De predikanten werden door de gemeente gekozen, bij pas geordende gemeenten door de classis aangesteld, op verzoek der gemeente. De plaatselijke kerken vaardigden hun predikant(en) met een ouderling af naar de classis, de classes benoemden de afgevaar­digden naar de jaarlijksche Prov. synode, terwijl de Prov. synoden 4 predikanten en 2 ouderlingen afvaardigden naar de Generale synode, waarvan de helft der leden moest bestaan uit gedeputeerden der vorige Generale Synode. In hoofdzaak volgden de kerken aan den Benedenrijn de beginselen van de kerkorde van Emden, maar invloed van de Luthersche beginselen en later van het territoriale systeem is veelvuldig merkbaar. In de achttiende eeuw trad met de inzinking van het geloof ook eene verslapping in het kerkelijke leven in, en met uitzondering van Gulik en Berg was een toestand gekomen, die niet ver af stond van de landsheerlijke kerkregeering. Zelfs in Gulik­-Berg was de kerk niet meer, wat zij geweest was. Het leven en de kracht des geloofs was geweken. En de storm der revolutie met de ellende der Fransche overheersching verergerde nog den toestand. Daardoor was het mogelijk, dat, toen Pruisen in 1815 de nieuw ver­worvene provinciën in bezit nam en overging tot een geheel andere

|298|

indeeling der Rijnlanden, en in 1824 Cleve, Berg en Gulik vereenigde met andere landen tot de tegenwoordige Rijnprovincie, de regeering van Pruisen pogingen aanwendde, om de landsheerlijke kerkregeering van het Oosten op het Westen des lands over te brengen, zonder te rekenen met de oude vrije kerk. Reeds in 1814 werden alle rechten en werkzaamheden van de oude synodale en classicale vergaderingen overgedragen aan het Oberkonsistorium te Dusseldorf en bij be­schikking van 1 Juli 1814 werden de synodale vergaderingen als over­tollig verboden. Deze gewelddaad werd nog ernstiger, omdat de predikanten, die als leden van het Oberkonsistorium tot inspectores benoemd werden, dit ambt met dankbaarheid aanvaardden, inplaats dat zij hun oude rechten verdedigden.

Eenigen tijd daarna (1815) werd het Oberkonsistorium opgeheven en vervangen door twee Konsistoriën onder de leiding van den Ober­praesident te Keulen en te Coblenz. De regeering trachtte in zoover nog de oude kerkinrichting te doen herleven door in 1817 synodale vergaderingen in het leven te roepen, welker gebied zich aansloot aan de politieke Kreis- en Bezirksgrenzen, waarvan alleen de predi­kanten leden waren. In verband met de in 1817 uitgevaardigde Union werden de Luthersche en de Gereformeerde predikers tot een con­fessioneele vereeniging samengevoegd.

 

De mogelijkheid van de unie tusschen de Luthersche en de Gere­formeerde kerken in Duitschland vindt hare verklaring daarin, dat de confessioneele verschillen langzamerhand uitgesleten waren. Hadden de Lutherschen vroeger de gemeenschap met de Gereformeerden met het oog op dogmatische bezwaren geweigerd, sedert het Piëtisme de heerschappij van de orthodoxie had geschokt en de Aufklärung deze had gebroken, vond de vereenigingsgedachte al meer ingang. In 1803 gaf Planck als zijn oordeel te kennen, dat het verschil in godsdienstige overtuiging al zóó gering was. dat met voorzichtigheid de unie wel kon bewerkt worden. En Schleiermacher verkondigde het gevoelen, dat de herstelling van de kerkelijke gemeenschap gemakkelijk te verkrijgen was, zonder dat er behoefde gesproken te worden van eene verandering in geloofsovertuiging. Indien de staat, die het eenige orgaan der kerkelijke gemeenschap was, slechts verklaarde, dat er volstrekt geen verandering in kerkelijk en religieus opzicht zou in­treden, dan zouden de onderscheidene kerken volgens dezelfde liturgie met elkander kunnen samenleven. De hofprediker Sack, die evenals Planck en Schleiermacher niet rekende met het geloof der gemeente en meende, dat de predikanten de eigenlijke kerk vormden, wilde niet de vereeniging tot stand doen komen door de eenvoudige verklaring

|299|

der regeering, maar eerst dan, wanneer de groote meerderheid der geestelijken zich er voor verklaarde.

Actueel werd de kwestie der unie eerst in 1815, toen de vraag naar de inrichting der kerk ter sprake kwam. En toen bij de viering van het 300-jarig jubileum der Reformatie de regeering van Nassau het voorstel deed, dat voortaan de beide kerken tot ééne Evangelische kerk zouden worden vereenigd, zonder dat het bestaande verschil in belijdenis zou worden opgeheven, rees er geen de minste tegenspraak. De koning van Pruisen richtte 27 Sept. 1817 eene verklaring tot zijn volk, dat naar zijne overtuiging de Luthersche en Gereformeerde godsdienst in hoofdzaak één waren, en dat de unie tusschen beide een godgevallig werk was. Bij deze unie behoefden de Gereformeerde kerken niet over te gaan tot de Luthersche, noch de Luthersche tot de Gereformeerde, maar beide zouden worden eene opnieuw ver­levendigde, evangelisch-christelijke kerk in den geest van haren heiligen stichter. Deze oproep van den Pruisischen koning vond in geheel Duitschland bijval, en met uitzondering van enkele theologen: Ammon, Claus Harms en Tittmann, rees bijna nergens verzet. In de verschillende landen van Duitschland werd de unie geleidelijk door­gevoerd1).

De koning van Pruisen wilde de kerken niet tot de unie dwingen, en daartoe zocht hij de eenheid hoofdzakelijk door de invoering van een nieuwe en verbeterde Agende of Liturgie tot stand te brengen. Een derde deel der kerken verzette zich tegen de invoering der nieuwe liturgie, maar de koning zette de invoering met geweld door, en langzamerhand verminderde het bezwaar. Wijl de nieuwe Agende in beslist Lutherschen geest was, ware het te verstaan geweest, dat de Gereformeerden meer bezwaar hadden getoond dan de Lutherschen. Doch het verzet van de zijde der Lutherschen bleek sterker dan dat der Gereformeerden. Een kleine groep der „Altlutheraner” scheidde zich af en vormde een eigen kerkgemeenschap; die in 1841 voor het eerst in Generale synode samenkwam, en van koning Friedrich Wilhelm IV de „Korporationsrechte” ontving. Ook in de andere Duitsche landen ontstonden kleine evangelisch-Luthersche vrije kerken2).

 

Aan de synodale vergaderingen, in 1817 gehouden, werd het: „Entwurf einer Synodalordnung für die Kirchenvereinigung beider evangelischen Konfessionen im Preuszischen Staate”, dat voor de geheele Pruisische


1) G. Rietschel, Lehrbuch der Liturgik, 1900, I, 447; Herzberg, Zur Einfiührung der erneuerten Agende, 1895; Hauck, Art. Kirchliche Union R.E.3 20; H. Appel, Kurzgef. Kirchengeschichte, 1915, 504; Bredt, N. Ev. Kirchenrecht I, 145.
2) Frobösz Art. Separierte Lutheraner, R.E.3 12; Rocholl, Gesch. d.ev. Kirche, 1897.

|300|

monarchie zou gelden, voorgelegd. Dit plan stuitte vooral in het Oosten, maar ook in het Westen op tegenstand. In het Westen had men het bezwaar, dat het ontwerp tegenover de historische rechten der provinciën de landsheerlijke kerkregeering wilde invoeren. Na vele onderhandelingen werd op de Prov. synode van Elberfeld een ontwerp­kerkorde opgesteld, waarin de jura in sacra aan de kerk werden voorbehouden, en de jura circa sacra aan de regeering werden toe­vertrouwd. Op alle synoden moesten ook ouderlingen vertegenwoordigd zijn. De superintendent moest door de Kreissynode voor een bepaalden tijd, niet voor het leven verkozen worden. Het ambt van generaal-superintendent in den zin, als de regeering wilde, werd af­gekeurd, en als eisch gesteld, dat de praeses der provinciale Synode de functie van generaal-superintendent zou bekleeden. De Unie zelve ontmoette in het Westen geen sterken tegenstand, maar de Gereformeerde kerken konden zich minder goed met de Agende vereenigen.

Na lange onderhandelingen evenwel stemden de Gereformeerde kerken toe in een, door den Minister van eeredienst omgewerkt, ontwerp­kerkorde van 1817 van Elberfeld, en een ontwerp van 1829, en bij kabinetsorde van 5 Maart 1835 werd de „Rheinisch-Westfälische Kirchenordnung” afgekondigd, die daardoor de kracht van landswet verkreeg. Ook de nieuwe Agende van Rijnland en Westfalen werd daarmede ingevoerd. De koning zelf benoemde, geheel onafhankelijk van de kerk, den generaal-superintendent als een koninklijk beambte.

Deze nieuwe kerkorde werd algemeen beschouwd als eene wijziging van de oude kerkenordening. Men nam aan, dat de strijd tusschen de synodale inrichting der kerk en de landsheerlijke inrichting ten gunste der eerste beslist was, doch in werkelijkheid hebben de Gere­formeerde kerken niets anders dan een gewijzigde landsheerlijke kerkinrichting bekomen. Zelfs hebben zij niet, gelijk Heppe toegeeft1), verkregen eene vereeniging van het Luthersch-consistoriaal en het Gereformeerd-presbyteriaal kerkrecht. Naar waarheid zegt Rieker: „In Deutschland haben die Grundgedanken der lutherischen Kirchen­verfassung über die reformierten Verfassungsgrundsätze den Sieg davon getragen. In Deutschland hat sich das lutherische Verfassungs­system als das stärkere erwiesen und das reformierte hat sich ihm anpassen müssen” 2). „So ist”, zegt Bredt, „allmählich vergessen worden, wieviel eigentlich die niederrheinische Kirche damals ver­loren hat” 3).


1) Heppe, Zur Geschichte der evangelischen Kirche Rheinlands und Westfalens I. 359.
2) Rieker, Grundsätze reform. Kirchenverfassung, S. 168.
3) J.V. Bredt, Neues evang. Kirchenrecht für Preuszen I, 301.

|301|

In navolging van de nieuwe politieke organisatie der monarchie, waarbij de zelfstandigheid van de regeering der afzonderlijke steden en gebieden zeer werd gekortwiekt, kwam ook het regiment in de kerk feite­lijk in handen van den koning. Naast dit centraal kerkbestuur ontston­den nieuwe synoden, die evenals de stenden in het politieke leven eene vertegenwoordiging der kerk genoemd werden, maar die slechts ge­roepen werden, om mede te werken bij het landsheerlijk kerkbestuur.

De regeering der plaatselijke kerk is in handen van het presbyte­rium, dat zelfstandig de gemeente bestuurt, doch gecontroleerd wordt door de hoogere besturen. De taak van het presbyterium bestaat in de inwendige en uitwendige leiding der gemeente, het jaarlijksche huisbezoek en de oefening der kerkelijke tucht. De kerkelijke ban wordt niet meer toegepast, maar de tucht beperkt zich tot het ont­nemen der kerkelijke rechten, in verband met de zorg, de zondaren weder te winnen. Naast den kerkeraad staat een vertegenwoordiging uit de gemeente, die de handelingen van den kerkeraad controleert. De taak dezer vertegenwoordiging beperkt zich tot de besluiten om­trent het beheer en het vermogen der gemeente, en heeft met het kerkelijke leven in engeren zin niets te maken1). Leden van het presbyterium moeten minstens 30 jaren oud zijn, en leden van de gemeentevertegenwoordiging minstens 25 jaren. Stemgerechtigde leden zijn de zelfstandige leden der gemeente. Ook de vrouwen hebben het actieve en het passieve kiesrecht2). De presbyters worden voor 4 jaren gekozen. Zij moeten „einen ehrbaren Lebenswandel führen und an dem öffentlichen Gottesdienste und dem heiligen Abend­mahle fleiszig teil nemen”.

De gemeenten zenden afgevaardigden naar de Kreissynode, die zelve haar moderamen kiest. De Superintendent en de Assessor hebben de goedkeuring van den Oberkirchenrat noodig. De Provinciale synoden worden samengesteld uit alle superintendenten, uit een geestelijken en wereldlijken afgevaardigde van de Kreissynoden en een vertegenwoordiger van de evangelische theologische faculteit der provinciale universiteit. Deze synoden zijn hoogere besturen, die toezicht houden op de handhaving van de kerkorde, op de predi­kanten, kerkeraden, candidaten enz., op het beheer van de goederen der kerk, der weduwenkassen. De Kreissynode heeft de leiding van de verkiezing, ordening en bevestiging der predikanten, en kiest afgevaardigden naar de Provinciale Synode. De hoogste leiding der kerk berust bij den Oberkirchenrath, die onmiddellijk onder den landsheer, thans de regeering, staat.


1) Bredt, N. Ev. Kirchenrecht II. 395.
2) Bredt, N.E. Kirchenrecht II. 467.

|302|

De inrichting der Gereformeerde kerk in Duitschland, zooals zij tot 1915 was, beantwoordde niet aan den eisch van het Gerefor­meerde kerkrecht. De organische vertegenwoordiging der kerk in hare meerdere vergaderingen wordt niet gevonden. De lands­heerlijke macht, door de besturen uitgeoefend, was een Luthersch inkruipsel. De gedachte, dat de kerkelijke afgevaardigden vertegen­woordigers zijn der gemeente, mandatarissen van den volkswil, is niet in overeenstemming met het Gereformeerde beginsel. De hooge gedachte, die de Gereformeerde kerkinrichting bezielt, dat Christus Koning is der kerk, en dat de ambtsdragers hunne functie vervullen namens Christus, op zijn last, naar zijn wil en alleen aan Hem ver­antwoordelijk, heeft de Duitsch-Gereformeerde kerk in hare kerk­inrichting niet belichaamd1). Alleen de Altreformierte Kirche in Ost-Friesland en Bentheim, en ten deele de Niedersächsische Konfoede­ration maken hierop eene uitzondering.

De gewijzigde toestand in het kerkelijke leven heeft ook invloed geoefend op de Gereformeerde kerken. De Gereformeerde kerken in De Paltz en in Hessen zijn geheel opgelost in de Evangelische kerk, en bestaan niet meer als Gereformeerde kerken. Thans bestaan er buiten de kleine Altreformierte Kirche in Oost-Friesland en Bentheim slechts vier groepen van Gereformeerde kerken: in de Provincie Hannover, in Westfalen en de Rijnprovincie, in Lippe en omgeving en in Zuid-Duitschland.

De Evangelisch-Gereformeerde landskerk van de Provincie Han­nover, die voornamelijk in Oost-Friesland en in het graafschap Bentheim hare leden telt, ontving bij besluit van de buitengewone kerkvergadering van 24 September 1924 een nieuwe kerkorde. Volgens deze kerkorde berust de regeering der plaatselijke kerk, die in zaken van leer en leven tamelijk zelfstandig is, bij den kerkeraad, die samengesteld is uit predikanten en ouderlingen der plaatselijke gemeente. Kleine kringen van kerken zijn vereenigd tot Bezirks­kirchenverbände. Leden dezer vergadering zijn: de predikanten en de leden der gemeente, welke daarvoor door de gemeenschappelijke vergadering van kerkeraad en gemeentevertegenwoordiging in een plaatselijke kerk worden afgevaardigd. Het hoogste kerkbestuur is in handen van den Landeskirchentag, welks leden door de Bezirks­kirchenverbände volgens den regel der evenredige vertegenwoordi­ging gekozen worden. Wanneer de Landeskirchenrath niet vergaderd is, kan de Landeskirchenvorstand voorloopige regelingen treffen. Een vast college van toezicht op het kerkelijke leven, dat mede de


1) Rieker, Grundsätze Ref. Kirchenverfassung, S. 141; E.F. Karl Müller, Art. Presbyter seit der Reformation, R.E.3 16.

|303|

besluiten der vergaderingen van den Kirchentag voorbereidt en toezicht houdt op de financiën, is de Landeskirchenausschusz. Bovendien kiest de Landeskirchentag nog een permanente com­missie van vier personen, van welke twee als beambten voor minstens 12 jaren gekozen worden, in wier handen gelegd is „die gesamte laufende Verwaltung der Kirche, soweit sie nicht anderen Organen übertragen ist, insbesondere auch die Vermögensverwaltung”. Door dit college van toezicht wordt vooral in vermogenszaken de vrijheid der plaatselijke kerken zeer aan banden gelegd. Van betee­kenis is ook de oprichting van een kerkelijk gerechtshof, bestaande uit 7, door den Landeskirchentag te kiezen, leden der landskerk, van welke minstens 3 een predikambt in de landskerk bekleeden en 2 bekwaam moeten zijn voor het rechterlijke ambt of voor de hoogere bestuursdiensten. Aan dit gerechtshof is opgedragen de beslissing in geschillen, in zaken van appel en in eene procedure bij afwijking van de belijdenis. De Generaal-superintendent der Gereformeerde kerk zetelt te Aurich.

De Kirchenordnung voor de evangelische gemeenten in Westfalen en Rijnland van 5 Maart 1835 werd eenigszins gewijzigd vastgesteld bij besluit der kerk van 6 November 1923, waarbij het tot hiertoe vigeerend bestuurskarakter gehandhaafd werd.

 

Het is niet gemakkelijk, een volledige en juiste statistiek te geven van de Gereformeerde kerken in Duitschland. Want vele kerken zijn volgens de belijdenis en liturgie gereformeerd, zonder den naam te dragen. Zij noemen zichzelve Evangelisch. Andere weer hebben de belijdenis prijsgegeven, doch stellen nog prijs op den ouden naam. Bovendien moet opgemerkt worden, dat een nauwkeurige statistiek nog ontbreekt.

Er zijn Gereformeerde kerken:

a. in Pruisen1). Geheel zelfstandig zijn de Oud-Gereformeerde kerken in Bentheim-Oost-Friesland, die evenals de Gereformeerde kerken in Nederland, bij wie zij tijdelijk aangesloten zijn, de Ned. Geref. Belijdenis, den Catechismus en de Leerregels van Dordrecht als formulieren van eenigheid hebben en leven naar de Ned. Geref. Kerkenordening. Deze kerken telden 1 Jan. 1928 14 gemeenten, met ruim 3000 zielen, en 11 predikanten. Eveneens zijn zelfstandig de kerken van de Niedersächsische Konföderation, bestaande uit de kerken Göttingen, Braunschweig en Bückeburg-Stadthagen, met tezamen ongeveer 8000 zielen.

In organisch verband met de Evangelische Kerk leven: 1. de


1) Deze inlichtingen werden mij verstrekt door Dr W. Kolfhaus.

|304|

Ge­reformeerde synode van de provincie Saksen, met 10 kerken en plm. 22000 zielen; 2. de Gereformeerde synode der provincie Oost-­Pruisen met 13 kerken en ongeveer 16000 zielen; 3. de synode der Hugenoten-kerken in de provincie Brandenburg en Berlijn, met 10 kerken die de Confessie van La Rochelle bezitten en ongeveer 10.000 zielen tellen. 4. In Pommeren zijn 4 Gereformeerde kerken met onge­veer 2000 zielen. Deze kerken leven nog niet in ambtelijk kerkelijk ver­band. Zij hopen echter tot een synodaal verband te komen. 5. In Silezië zijn 5 kerken met 6000 zielen, die bij de landskerk zijn aan­gesloten, en 2 kleine kerken met 200 zielen, die buiten eenig ver­band met de Pruisische landskerk leven. 6. In Brandenburg zijn on­geveer 20 Gereformeerde kerken (behalve de bovengenoemde Fransche kerken) die allen klein zijn, zonder een zelfstandig leven, en die meerendeels door Luthersche predikanten bediend worden. 7. In de provincie Hannover leven ongeveer 120.000 Gereformeerden, die eigen classicale en synodale vergaderingen hebben. De grootste kerken zijn: Emden met 5 predikanten; Osnabrück met 3 predikanten ; Hannover met 2 predikanten en Nordhorn met 3 predikanten. 8. In Westfalen (vooral in Siegerland, Wittgenstein en Tecklenburg) zijn 70 Gereformeerde gemeenten met ongeveer 80.000 zielen. 9. In de Rijnprovincie leven vele Gereformeerde kerken, waarvan de grootste zijn: Elberfeld met 38.000 zielen; Barmen met 20.000 zielen. Het zielenaantal kan voor de geheele provincie niet worden opgegeven. Men zegt, dat er ongeveer 200.000 leden zijn, die den Heidelbergschen Catechismus als hunne belijdenis erkennen. 10. In de provincie Hessen-Kassel zijn nog vele zich noemende Gereformeerde kerken, die echter niet een Gereformeerde belijdenis hebben.

b. Buiten Pruisen1). Gereformeerde gemeenten in kerkrechtelijken zin zijn er 1°. in Zuid-Duitschland slechts 8 in Beieren en 1 in Wurtemburg. De Evangelische kerk in de Beiersche Rijnpaltz heeft wel eene Gereformeerde kleur, maar is rechtens uniert, zoodat niet, evenals bij de meer federatieve unie van de oud-pruisische kerk, thans nog een Luthersch of een Gereformeerd karakter binnen de unie kan geconstateerd worden. Eveneens is het in Baden, waar echter de Gereformeerde inslag geringer is dan in de Paltz. Immers bij de voltrekking van de unie was in de Paltz het drie vierde deel der Protestanten Gereformeerd, terwijl dat getal in Baden nauwelijks het ⅓ deel bedroeg. Evenwel kan men ook in Baden nog spreken van een Gereformeerde kleur, voornamelijk in het Noorden des lands, hetgeen nog duidelijk uitkomt in den cultus. Zelfs hebben


1) Deze mededeeling dank ik aan Prof. Dr. Karl Müller van Erlangen.

|305|

de Lutheranen in Zuid-west Duitschland, ook in Wurtemburg, cultische invloeden ondergaan van uit Zwitserland.

2°. In Hamburg zijn 2 kerken: de kleine Fransch-Gereformeerde en de Duitsch-Gereformeerde kerk, welke laatste geen Gereformeerde belijdenis heeft. 3°. In Lippe-Detmold zijn 50 kerken met 60.000 zielen. Deze hebben den Heid. Catechismus als belijdenis. 4°. In den vrijstaat Hessen zijn ongeveer 30 kleine kerken, waarvan een deel nog den Heid. Catechismus erkent. 5°. In den vrijstaat Saksen zijn twee kerken Leipzig en Dresden met 10.000 zielen. Deze zijn zonder belijdenis. 6°. In Mecklenburg-Schwerin is ééne kerk, Bützow, met ongeveer 300 zielen. 7°. In Oldenburg ééne kerk (Accum) met ongeveer 200 zielen. 8°. Bremen. In Bremen worden onder de Evangelische kerk, die in 1897 184.000 leden telde, gerekend 56000 Gereformeerden. Alleen de Stefanie-gemeente heeft nog de Gereformeerde belijdenis.

Bouwman, H. (1928) § 24

§ 24. De Gereformeerde kerken in Hongarije.

In Hongarije brak reeds vroeg de Reformatie door. Op de synode van Erdös in 1545 namen de Protestanten de Augsburgsche Confessie aan, maar reeds vijf jaren daarna werden de geschriften van Calvijn bekend, en zoo hartelijk was de ontvangst, dat reeds in 1567 op de synode van Debreczin de Tweede Helvetische Confessie en de Heidelbergsche Catechismus werden aangenomen als belijde­nissen der kerken en deze belijdenissen zijn nog de officiëele stan­daards der Hongaarsch-Gereformeerde kerk.

Rustig verliep de ontwikkeling der kerk in de 16e eeuw. Debreczin werd een centrum der Hongaarsche Gereformeerde kerk, waar de polsslag van de religie en de cultuur klopte. Maar in 1602 begon Rudolf II den zegevierenden loop der Reformatie te stuiten, en de Protestanten te vervolgen. Zijn harde maatregelen werden beantwoord met een opstand der Hongaren, onder de leiding van den dapperen Bocskay, welke voor de Protestanten gunstig verliep, en eindigde met het verdrag van Weenen (1606), waarbij zoowel de beperking van de koningsmacht als de godsdienstvrijheid uitdrukkelijk uitgesproken en verzekerd werd. Niet alleen de adel en de stedelijke bevolking, maar ook de plattelandsbevolking en de lijfeigenaars ontvingen de volle godsdienstvrijheid. Het verdrag van Weenen werd door de

|306|

Habsburgers niet trouw nageleefd, en daarom gevoelde Gabriël Bethlen, de uitnemende staatsman en veldheer, die van 1613-1629 op den troon van Zevenburgen zetelde, zich gedrongen de erfenis van Bocskay en den Weener vrede te beschermen, en hij wist met wapengeweld te bewerken, dat in de verdragen van 1621, 1624 en 1626 de godsdienst­vrijheid werd verzekerd. Zijn strijd werd voortgezet door den krachtigen vorst van Zevenburgen Rákóczy I (1630-1648), die in het vredesverdrag van Lincz (1645) koning Ferdinand III opnieuw dwong, om de reeds vroeger verzekerde rechten der Protestanten te erkennen. Na den dood van Rákóczy had de Hongaarsche kerk geen sterke verdedigers meer, en konden de Habsburgers hunne vervolgingszucht ontketenen. De predikanten werden veroordeeld de Roomsche leer te omhelzen, en werden, wanneer zij weigerden, gestraft met boete, gevangenisstraf, verbanning naar de galeien of ’s buitenslands of met den dood. Aan dien schrikkelijken tijd van verdrukking, in welke de Hongaarsche kerken zeer leden, van een groot deel harer goederen werden beroofd, en waarin ook velen afvielen, kwam een einde door het Tolerantie­-edict van koning Jozef II (1781). De Protestanten konden nu hunnen geestelijken en cultureelen arbeid hervatten, en hoewel de Roomsche en de Grieksche kerken zich in den steun van den staat mochten verheugen en de Gereformeerden voor eigen kerken en scholen moesten zorgen, kwamen hunne kerken uitwendig spoedig tot grooten bloei. Aan het einde van de 19de eeuw telde Hongarije 9.919.913 Roomsch-Katholieken; 1.854.143 Grieksch-Katholieken; 1.288.942 Luther­schen; 2.441.122 Gereformeerden; 68.568 Unitariërs; 851.378 Joden, en eenige duizenden, die tot een andere religie behooren1).

Na den grooten wereldoorlog, die rampspoedig voor Hongarije eindigde, werd Hongarije en daarmede ook de Gereformeerde kerk uiteengerukt. Groote stukken van land en volk in het Noorden en het Zuiden, in het Oosten en het Westen, werden afgesneden en geïncorporeerd in Tsjecho-Slowakije, in Rumenië en Joego-Slavië, terwijl aan Hongarije nauwelijks een derde deel van zijn vroeger gebied gelaten werd. Zuiver Hongaarsche streken werden van het moederland afgerukt, en ofschoon de vrede van Trianon uitdrukkelijk de rechten der minderheden handhaafde, worden de Magyaren ernstig in hunne rechten gekrenkt. De Gereformeerde kerken aldaar moeten, om zich te handhaven, zich op een ernstige worsteling voorbereiden.

Het verkleinde Hongarije telde in het jaar 1920 7.980.131 inwoners,


1) Kol. Révész, Art. Ungarn R.E.3 20; Rudolf Briebrecker, Lehrbuch der unga­rischen Geschichte, Hermannstadt, 1908; Ogilvie, The Presbyt. Churches, p. 95-101. Dr Sebestyén Jenö, Artikelen over Hongarije en de Ger. kerk in De Hong. Heraut, Jaarg. 1924-1927; Révész-Kovats-Ravasz, Hungarian Protestantism, Bud. 1927.

|307|

waarvan 5.096.729 Roomsch-Katholieken; 175.247 Grieksch-Katholieken; 1.670.144 Gereformeerden; 497.000 Lutherschen ; 50.990 Grieksch-­Orthodoxen; 6.224 Unitariërs; 473.310 Joden; kleinere groepen (Bap­tisten, Methodisten enz.) 10.487 1).

De Hongaarsche Gereformeerde kerk is volgens art. 2 der kerken­ordening naar het synodaal-presbyteriaansche stelsel ingericht. Evenwel is de presbyteriale inrichting onder den invloed der politieke toestanden eenigszins omgebouwd. Het was in de 16e en 17e eeuw niet wel mogelijk, dat de Hongaarsche Gereformeerde kerken in eene Generale Synode bijeenkwamen, en mede daarom hebben de Gereformeerde kerken in vele streken van het land bisschoppen en oppercuratoren gekozen, terwijl vele kerken in Noord-Hongarije onder puriteinschen invloed niets van bisschoppen wilden weten, en met een zekere independentistische neiging alleen de classicale organisatie duldden, welk independentistisch streven toch langzamerhand door het stelsel van superintendenten is verdrongen.

Zoo ontstond de volgende organisatie der Gereformeerde kerken: De geheele kerk is in 4 superintendenties ingedeeld, die zich groepeeren om de twee groote rivieren van Hongarije: Donau en Theiss, nl. de districten: Rechter Donauoever, Linker Donauoever, Rechter Theiss­oever en Linker Theissoever. Deze districten zijn ingedeeld in classes, welke bestaan in eene vergadering van kerken.

De regeering der kerken gaat uit van de plaatselijke kerk. Deze is geheel zelfstandig, heeft een eigen kerkeraad, en is alleen naar den eisch van het kerkverband met het geheel der kerken verbonden. De classes komen jaarlijks een- of tweemaal samen. De districtsvergadering of particuliere synode vergadert ook een- of tweemaal ’s jaars. De Generale synode komt slechts om de tien jaren bijeen, terwijl eene permanente commissie of het generaal convent, dat een tusschen­plaats inneemt tusschen de Generale en de Particuliere synode, jaarlijks tweemaal vergadert. Dit generaal convent is echter geen wetgevend, maar alleen een uitvoerend lichaam.

Het ambt van bisschop of superintendent is niet een hiërarchisch ambt. De superintendenten handelen volgens opdracht van de par­ticuliere synode, waarvan zij wettelijk voorzitter zijn. Zij leiden met hun ambtgenooten, de oppercuratoren, de administratie van elk kerk­district. Er zijn dus overal twee voorzitters, een van de zijde der predikanten, en een van de zijde der ouderlingen. Dit is het zooge­naamde pariteitssysteem in de administratie der Hongaarsche Gerefor­meerde kerken, dat de gelijkheid van predikanten en ouderlingen wil


1) Dr Sebestyén Jenö, Christel. Encyclopaedie, Art. Hongarije, Kampen, J. H. Kok.

|308|

handhaven. Hoewel dit systeem in den loop der historie in vele gevallen voor de Hongaarsche kerken ten zegen is geweest, en daardoor de eenheid en goede leiding in moeilijke tijden is bewaard, heeft het principiëele bezwaren, is het eene afwijking van de calvinistische be­ginselen, en roept het onwillekeurig de hiërarchische gedachte wakker. De bisschop of superintendent is predikant van eene kerk en als zoodanig de gelijke met de andere predikanten, maar als bisschop is hij „de eerste onder de gelijken”. De ambten van ouderling en diaken zijn in de Hongaarsche kerken niet tot volle ontplooiing gekomen, doch er is de laatste jaren een streven, om deze ambten tot meerdere ont­wikkeling te brengen.

De inrichting der Hongaarsche Gereformeerde kerken in Zeven­bergen en in Tsjecho-Slowakije is dezelfde als die in Hongarije. In Zevenburgen is een kerkprovincie onder de leiding van een bisschop, die te Cluj (Kolozsvár) woont, en in Tsjecho-Slowakije is de kerk in drie deelen ingedeeld onder de leiding van de bisschoppen van Bratislava (Pressburg), van Rimaszombat en van Munkacs.

Bouwman, H. (1928) § 25

§ 25. De Gereformeerde kerken in Nederland.

De organisatie der Gereformeerde kerken in Nederland heeft veel te danken aan à Lasco1). Deze heeft in Londen de Neder­landsche vluchtelingengemeente helpen organiseeren en in zijn „Forma ac Ratio” voor zijne gemeente de lijnen voor het kerkrecht en de liturgie uitgestippeld, waarbij hij zich aansloot aan Calvijn. Zijn arbeid is mede een bron voor het kerkrecht en de liturgie der Gereformeerde kerken in Nederland geweest.

Tegen het midden van de 16de eeuw was het Calvinisme in Neder­land ingekomen2), eenige jaren daarna begon reeds de aanvankelijke organisatie der kerken. De Gereformeerde gemeenten onder het kruis in de Zuidelijke Nederlanden kwamen van 1563 af herhaaldelijk samen in kerkelijke vergadering. Een tiental vergaderingen zijn in de jaren


1) A. Kuyper, Joannis a Lasco opera, Amst. 1866: H. Dalton, Johannes a Lasco, Utr. 1885; M. Woudstra, De Hollandsche vreemdelingengemeente te Londen, Gron. 1908.
2) Dr F.L. Rutgers, Calvijns invloed op de reformatie in de Nederlanden, 1889; Ypey en Dermout, Gesch. der N.H. kerk I, Aanm. 104-113.

|309|

1563 tot 1566 gehouden, namelijk de Synoden te Teurs, te Tournay (La Palme), te Armentières (Le Bouton), alle drie op één dag 26 April 1563, te Antwerpen (La Vigne) op Johannesdag 1563, 2 Oct. 1563, 1 Mei 1564, 21 Nov. 1564, Pinksteren 1565, 3 Dec. 1565, 16 April 1566. De leidende gedachte in deze verschillende synoden is aan de kerkenordeningen van Genève en Frankrijk ontleend. Er spreekt in de Acta dezer synoden1) een krachtig geloof, dat God zijne kerken in deze landen zou uitbreiden en bewaren. Op de Synode van Ant­werpen, Mei 1566, had men den moed en de kracht, om de belijdenis van Guido de Brès aan een revisie te onderwerpen.

Nadere uitbreiding kreeg de organisatie der kerken, toen niet alleen in de Nederlanden, maar ook in de vluchtelingenkerken in de ver­strooiing behoefte aan een kerkelijk samenleven ontwaakte. Door de wreede vervolging waren vele Gereformeerden uitgeweken naar Engeland en naar Duitschland, en waren te Londen, in De Paltz, in de Rijnlanden, te Emden en elders Nederlandsche Gereformeerde kerken ontstaan. Deze Nederlandsche kerken gevoelden zich wel een, maar het ontbrak hun aan eenheid in belijdenis en kerkorde. Geen wonder, dat de begeerte opkwam naar een nationaal kerk­verband, hetwelk alle Nederlandsche Gereformeerde kerken, zoowel die in ons land onder den druk leefden, als die in de verstrooiing waren, omvatte.

Het was in de donkere dagen der vervolging, in het late najaar van 1568, dat er een aantal ballingen, waaronder mannen als Datheen, Marnix, Willem van Zuylen van Nyevelt en Moded, samenkwamen te Wezel, om de belangen der Nederlandsche kerken samen te bespreken. Deze vergadering was geen synode, omdat de broeders op eigen aandrang zonder lastgeving van de kerken waren samengekomen, maar een convent, eene particuliere samenkomst, om eene algemeene regeling voor het kerkelijke leven te ontwerpen, die later, in meer rustige tijden, door eene wettige synode met gezag bekleed, dienst kon doen als kerkorde in de Nederlandsche Gereformeerde kerken. De mannen van Wezel leefden in het geloof, dat God zijne kerken in Nederland zou vrijmaken, en dat weldra „eene Provinciale synode van geheel Nederland” zou worden gehouden2).

Die hoop ging aanvankelijk in vervulling, toen in 1571 werkelijk te Emden eene synode samenkwam, die van 4-13 October in deze „Herberg der Gemeente Gods” vergaderd was. De vaderen van


1) Hooyer, Oude kerkenordeningen, 1865, bl. 1-23; N. C. Kist, Ned. Archief voor kerkel. Geschiedenis, IX, bl. 115 v.
2) Dr J. de Jong, Voorbereiding en constitueering van het kerkverband der Ned. Ger. kerken in de 16e eeuw.

|310|

Emden gingen uit van dat beginsel, dat er in de kerk geen sprake mag zijn van hiërarchie. „Geen kerk mag over eene andere kerk, geen dienaar over een anderen dienaar heerschappij hebben”. Aan elken kerkeraad komt het recht toe, binnen de grenzen van Gods Woord regelingen voor de orde in de plaatselijke kerk op te stellen. Doch indien de Nederlandsche Gereformeerde kerken zich vereenigd hebben op den grondslag van Gods Woord en de gemeenschappe­lijke belijdenis, dan volgt daaruit, dat de kerkorde, die steunt op Gods Woord en de belijdenis, kracht en geldigheid heeft voor die kerken, die haar voor zichzelve gemaakt hebben. Daarom spraken zij in Art. 53 uit, „dat alle kerken zullen arbeiden deze te onder­houden, totdat in eene Synodale vergadering anders besloten wordt”.

Deze kerkenordening van Emden vormt den grondslag van de latere Nederlandsche kerkenordeningen, van Dordrecht (1574 en 1578), van Middelburg (1581), van Den Haag (1586) en van Dordrecht (1618/19). Wel hebben de latere synoden allerlei gewichtige besluiten genomen, en met het oog op de veranderde omstandigheden wijzigingen in de kerkenordeningen aangebracht, maar de oude kerkenordening van Emden bleef, zij ’t dan ook in gewijzigden vorm, van kracht. „Niet slechts de beginselen, maar bijna alle toepassingen, niet slechts de hoofdlijnen, maar ook verre de meeste formuleeringen werden telkens overgenomen en gehandhaafd” 1).

Uitnemend hebben de Gereformeerden van den aanvang af de vrij­heid en de zelfstandigheid der kerk verdedigd. Zij waren overtuigd, dat Christus is de Koning der kerk en dat het in de kerk alles naar den Woorde Gods moet toegaan, dat niet de overheid had te bevelen in de kerk, maar Christus, die de macht om het Woord te prediken, de sacramenten te bedienen en de tucht te oefenen, niet had op­gedragen aan de overheid, maar aan de dienaren met de ouderlingen. Maar bij de bepaling van de verhouding van de overheid tot de kerk kwamen zij in moeilijkheden. De middeleeuwsche gedachte omtrent de eenheid van kerkelijke en burgerlijke gemeenschap werkte na. De overheid had de reformatie ter hand genomen en had doorgezet, dat de Gereformeerde kerk de publieke kerk in de Nederlanden werd. En omdat de handelingen van de kerk invloed hadden op het gebied van het leven van maatschappij en staat, bracht het belang van de overheid mede, dat zij zorg droeg, dat het kerkelijke leven niet heel het leven beheerschte. Daartoe greep de magistraat steeds in de rechten van de kerk in, en trachtte de kerk onder haar macht te brengen. Zoo kwam het op vele plaatsen tot eene ernstige botsing tusschen


1) Dr F.L. Rutgers, De geldigheid van de oude kerkenordeningen, 1890, bl. 11.

|311|

de kerk en de overheid. De overheid had in den strijd tegen Spanje de hulp noodig van het Gereformeerde volk, en trachtte wel een conflict te vermijden, maar beproefde toch op allerlei wijze de zelf­standigheid der kerk te breken. En de kerk gaf in dien strijd wel wat al te veel toe. De overheid zorgde voor een groot deel voor het onderhoud der predikanten, diende de kerk met geldelijken steun en nu gaf de kerk reeds in 1578 aan de overheid invloed op de be­noeming, schorsing en afzetting der predikanten, ouderlingen en diakenen en tevens op andere zaken in het kerkelijke leven, in de verwachting, dat de overheid approbatie zou geven op de synodale besluiten en de kerk zou helpen in de uitvoering daarvan, en de onwilligen zou dwingen, naar den wensch der kerken te handelen. Op de synode van 1586 gaf de kerk nog iets meer toe. Maar het ge­volg van het accoord tusschen de overheid en de kerk was, dat de vrijheid der kerk door de overheid belemmerd werd. Ook de Dordtsche synode van 1618/19 gaf al te veel toe aan de overheid. Inzake de beroeping der predikanten en bij het vertrek van den predikant naar eene andere gemeente had men de approbatie van de overheid noodig. De overheid had het recht om door hare deputaten de vergaderingen van den kerkeraad, van de classis en van de synode bij te wonen. Al deze bepalingen zijn voor de kerk een bron van veel ellende ge­worden. De kerk hoopte op den steun van de overheid, maar de ervaring leerde, dat de kerk niet verkreeg, wat zij verwachtte.

Allereerst bleef de formeele erkenning der kerkorde uit. In Over­ijsel werd de Dordtsche kerkorde (30 Juli 1619) zonder voorbehoud aanvaard, doch in Utrecht en in Gelderland werd zij met enkele reserves, die overigens niet bezwaarlijk zijn, goedgekeurd. De Staten­-Generaal en de Staten van Holland namen haar echter niet aan. In Friesland bleef men bij de kerkorde van 1586, behoudens het in Friesland geldende recht van predikantsberoeping. In Zeeland hand­haafden de Staten de kerkorde van 1591, vooral ook omdat zij be­zwaar hadden tegen Art. 4 en 5 van de Dordtsche orde. In Groningen wilden de Staten geen verandering brengen in de kerkorde, in 1595 aangenomen, terwijl Drenthe in 1633 zelfs een nieuwe kerkorde ont­wierp. Ofschoon er dus geen eenheid was in de verschillende provin­ciën en de overheid de kerk niet in alles terwille was, hebben de kerken in substantie wel naar de Dordtsche kerkorde geleefd, omdat de verschillende provinciale kerkorden in hoofdzaak met die van Dordrecht overeenstemden.

Maar in de tweede plaats is de concessie aan de overheid een bron van veel moeite en strijd geworden. Op allerlei wijze trachtte de overheid in te grijpen in het leven der kerk, en belemmerde

|312|

herhaaldelijk de handhaving der tucht. En wel hielden de kerken vast aan haar recht en vrijheid, maar konden deze niet steeds naar wensch handhaven. Deze strijd tusschen de kerkelijken en de politieken is niet principiëel uitgestreden. Beide partijen bleven hun standpunt be­houden, totdat andere kwestiën meer de aandacht bezig hielden en de kerk eindigde met hare eere in te boeten1).

De Dordtsche kerkorde is dus feitelijk de regel geweest, waarnaar de Gereformeerde kerken in ons land hebben geleefd, totdat zij in 1816 op eene onwettige wijze plaats gemaakt heeft voor het „Alge­meene Reglement voor het bestuur der Ned. Hervormde kerk” 2).

Met de revolutie brak een moeilijke tijd voor de kerk aan. Hare rechten werden miskend, haar eer aangetast. Zij zelve was onver­mogend om zich te handhaven en een kracht temidden van het volksleven te zijn, niet zoozeer omdat zij gescheiden was van den staat, maar omdat zij afgevallen was van het geloof en in dezen afval berustte. Weldra werd zij ondergeschikt aan den staat, gebonden evenals een wachthond aan een ketting. Bij staatswet werd eerst in 1806 en daarna in 1812 bepaald, dat de overheid kon vaststellen al wat noodzakelijk was inzake de organisatie, de bescherming en de uitoefening van den eeredienst, en in 1816 werd op onwettige wijze de oude Gereformeerde kerkenordening officiëel afgeschaft en ver­vangen door eene collegialistische kerkorde.

Koning Willem I wilde de Gereformeerde kerken liberaliseeren. Daartoe liet hij een „Algemeen Reglement voor het bestuur der Ned. Herv. kerk” ontwerpen, hetwelk, zonder dat de kerk in hare wettige vergaderingen er zelfs in was erkend, aan de kerk werd opge­drongen. Deze nieuwe kerkorde was echter niet alleen onwettig in haar oorsprong, maar ook ongereformeerd naar haar inhoud. De Ge­reformeerde kerken, die plaatselijk zelfstandig hare eenheid bezaten in de eenheid van belijdenis en kerkverband, werden omgezet in een genootschap, dat van boven naar beneden bestuurd werd door syno­dale en mindere besturen, die zelf bevelen gaven in de kerk, maar die weder in alles afhankelijk waren van de Regeering. Onder het opperbestuur der Regeering werd over de gemeente een bestuur van predikanten ingesteld. De predikanten oefenden een macht uit geheel buiten verband met den kerkeraad. De gemeente had slechts te gehoorzamen, de besturen regeerden. De kerkeraad verloor zijne eenige positie, die hij naar Gereformeerd kerkrecht bezat, en behield


1) Dr J.Th. de Visser, Kerk en Staat, Leiden, 1926, Tweede Deel; Mr J.C. Naber, Calvinist of Libertijnsch, Utr. 1884.
2) Hooyer, Oude kerkenordeningen, bl. 489 v.; Ypey en Dermout, Gesch. d. Ned. Herv. kerk, IV, bl. 285 v.

|313|

eene in algemeene termen ingekleed opzicht over de gemeente, in ’t bijzonder over den openbaren godsdienst en het onderwijs. Aan de classicale vergaderingen werden de zaken van leer en tucht ont­nomen, terwijl aan de classicale besturen werd opgedragen te zorgen voor de belangen der kerken in hun ressort en toezicht te houden op de gemeenten, kerkeraden en predikanten in hun ressort. De leden der Prov. kerkbesturen, die weer boven de classis stonden, werden door den koning benoemd, uit elke classis één predikant en uit ééne der classen bij jaarlijksche beurtwisseling één ouderling of oud-ouderling. De leden der Algemeene Synode, voor de eerste keer door den koning benoemd, waren veertien in aantal. Voor het ver­volg werden van de 14 leden 10 gekozen door de provinciale kerk­besturen. Elk kerkbestuur koos een predikant, terwijl om de beurt door een der kerkbesturen een ouderling of oud-ouderling als elfde lid gekozen werd. Dan was er nog een lid voor de Waalsche kerken, terwijl de secretaris en de quaestor als 13de en 14de lid door den koning werden benoemd. Dit bestuurscollege was dus slechts in naam een vertegenwoordiging van de kerken, maar was feitelijk eene permanente commissie, ingesteld bij koninklijk besluit. Uit dit alles blijkt, dat de Gereformeerd-presbyteriale kerkinrichting werd afgeschaft en ver­vangen door eene collegialistische kerkinrichting.

Achttien jaren bleef de onwettig terzijdegestelde kerkorde krachte­loos, tot Ulrum’s kerk brak met de bestuursinrichting der N. Her­vormde kerk, en terugkeerde tot de leer en den dienst der Gerefor­meerde vaderen. De kerkorde van Dordrecht werd door de eerste synode der van het Hervormd kerkbestuur afgescheidene kerken, namelijk de synode van Amsterdam, 1826, aanvaard als regel voor het kerkelijk leven. De volgende synode stelde eene nieuwe kerken­ordening op, waarbij zij die van Dordrecht hoofdzakelijk volgde, maar omdat dit verlaten van den historischen weg zeer bedenkelijk was en tot groote moeilijkheden aanleiding had gegeven, besloot de synode van 1840 alle sedert de Afscheiding aangenomen kerkenordeningen ter zijde te stellen, en tot de Dordtsche kerkenordening weder te keeren, met terzijdestelling van de bepalingen over het patronaat en de macht der overheid in de kerk1).

De mannen der Afscheiding beoogden niet, zich te scheiden van de Gereformeerde kerken. Zoolang mogelijk heeft Ds. de Cock te Ulrum zich verzet tegen de gedachte van scheiding. Hij wilde refor­matie van heel het land en van heel de kerk. Daarom riep hij de kerk en hare leidslieden toe in geschrifte en op de kerkelijke


1) Dr H. Bouwman, De crisis der jeugd 1914; De Afscheiding te Ulrum, 1909.

|314|

ver­gaderingen, om de aloude Gereformeerde belijdenis te handhaven en naar de beginselen, in de belijdenis en in de kerkenordening van Dordrecht uitgedrukt, het kerkelijk leven in te richten. En toen de kerkelijke besturen zich afkeerig toonden van de reformatie, en van hem eischten, blindelings zich aan het kerkbestuur te onderwerpen, was hij genoodzaakt zich met den kerkeraad en de gemeente van Ulrum af te scheiden van de kerkelijke besturen der Ned. Hervormde kerk en straks met andere predikanten en gemeenten het Gerefor­meerde leven der uitgetreden kerken opnieuw te organiseeren. Al ging de kerk van Ulrum zich afscheiden, zij waren volstrekt geen separatisten. Zij verklaarden in de „Acte van Afscheiding of Weder­keering” (13 en 14 Oct. 1834), „dat zij overeenkomstig het ambt aller geloovigen, art. 28 der confessie, zich afscheiden van degenen, die niet van de kerk zijn, en dus geen gemeenschap meer willen hebben met de Hervormde kerk, totdat deze terugkeert tot den waarachtigen dienst des Heeren; en verklaren tevens gemeenschap te willen uit­oefenen met alle ware Gereformeerde ledematen, en zich te willen vereenigen met elke op Gods onfeilbaar woord gegronde ver­gadering, aan wat plaats God dezelve vereenigd heeft, betuigende met deze, dat wij ons in alles houden aan Gods heilig Woord en onze aloude Formulieren van Eenigheid, in alles op dat Woord ge­grond, namelijk de Belijdenis des Geloofs, den Heidelbergschen Catechismus en de canones van de synode van Dordrecht, gehouden in den jare 1618 en 1619; onze openbare godsdienstoefeningen in te richten naar de aloude kerkelijke Liturgie, en ten opzichte van kerk­dienst en bestuur ons voor het tegenwoordige te houden aan de kerkenordening, opgesteld door de voornoemde Dordtsche Synode.” De bedoeling dezer Acte van Afscheiding wordt nog verduidelijkt in de „Toespraak en uitnoodiging aan de geloovigen en ware Gere­formeerden in Nederland.” „Wij hebben ons afgescheiden van de synodale Hervormde kerk, om weder te keeren tot de gronden onzer vaderen.” En wederom: „Wij scheiden ons slechts van onze synodale kerk of, gelijk zij zich zelven noemen, Liberale kerk, totdat deze terug­keere tot den weg der vaderen, dien zij verlaten, en tot het aller­heiligst geloof, dat zij verloochend hebben.”

Een klein gedeelte van de Afgescheidenen onttrok zich aan de gemeenschap der uitgeleide kerken, die als de Gereformeerde kerk in Nederland zich opnieuw hadden georganiseerd, omdat zij zich bezwaard gevoelde over de verandering van de kerkenordening in 1837 op de synode te Utrecht, en omdat vele gemeenten, door de vervolging genoodzaakt, voldeden aan den eisch der Regeering, om vrijheid van godsdienstoefening aan te vragen. Het is echter niet

|315|

juist, dat de kerken der Scheiding door het aanvragen der vrijheid in de sfeer van den staat de Gereformeerde kerkenordening hebben losgelaten1), wijl zij erkenning vroegen en verkregen „volgens hunne Formulieren van Eenigheid, met hunne kerkelijke inrigting.” De ge­meenten onder het kruis, die zich in 1837 en daarna hadden afge­scheiden, verklaarden te willen blijven bij de oude kerkenordening van Dordrecht, en wilden geen vrijheid aanvragen, omdat zij overtuigd waren de voortzetting der oude Gereformeerde kerk te zijn, en dus als zoodanig moesten erkend worden. De breuk tusschen de Chr. Afgescheidene kerk en de Kruisgemeenten werd weggenomen in 1869 door de hereeniging op de synode te Middelburg. Over en weer erkenden de vereenigde kerken elkanders ambten, namen den naam aan van „Christelijke Gereformeerde kerk”, en verklaarden, dat zij zich als kerk wilden houden aan de drie Formulieren van Eenigheid en aan de Dordtsche kerkenordening.

Deze saamgevloeide kerken, die vereenigd den naam kozen van de Christelijke Gereformeerde kerk, wenschten ook in de rechtssfeer door de overheid erkend te worden. Volgens de wet van 1853 op de kerkgenootschappen behoefden zij, bij de aanvrage om de erkenning in de staatssfeer, geen enkel beginsel prijs te geven, wijl zij aan de overheid alleen kennis moesten geven van haar bestaan, inrichting en bestuur2). Maar wijl de Regeering in 1869 nog weigerde, de kerken naar haar eigenaardig karakter te erkennen, was het niet mogelijk, dat de saamgevloeide kerken aan de Regeering kennis gaven van haar bestaan met overlegging van de kerkenordening, en daarmede in de rechtssfeer werden erkend, maar waren zij gehouden een Reglement in te zenden en daarin haar inrichting en bestuur en plaats van vestiging bekend te maken. De synode van 1869 wilde zelf zich be­perken tot een kennisgeving aan de regeering, maar de Regee­ring eischte, dat zij zich formeel moest schikken naar de wet op de kerkgenootschappen, en zich dus als een nieuw kerkgenootschap moest laten erkennen. Het Reglement, dat nu uit naam van de synode door een commissie werd ingediend, draagt een eenigszins hybridisch karakter. Het gaat uit in Art. 1 van de Gereformeerde beginselen, en spreekt onbewimpeld uit, dat de Chr. Gereformeerde kerk uitgaat van en vasthoudt aan de Geref. Belijdenis en kerkenordening, maar in Art. 2 is het uitgangspunt van het kerkverband niet de plaatselijke kerk, maar de individueele leden. Hierdoor wordt de schijn gewekt, alsof dit Reglement de collegialistische gedachte huldigt. Voorts is Art. 3, waar wordt uitgesproken, dat het bestuur van de bijzondere gemeenten


1) Joh. Jansen, De kerkenordening, Bosch, Baarn, bl. 29.
2) Mr D.P.D. Fabius, Het Reglement van 1852.

|316|

geschiedt door de kerkeraden van de kerken, van een deel der pro­vincie door de classicale vergaderingen enz. en voor de geheele kerk door de Algemeene synode, collegialistisch getint. Evenwel mag de beschuldiging, tegen de Chr. Gereformeerde kerk ingebracht, dat zij door het indienen van het Reglement van 1869 een collegialistisch karakter heeft gekregen, onjuist genoemd worden. Zij is daardoor volstrekt niet in een soort collegialistisch genootschap omgezet. Het Reglement is haar door de Regeering opgedwongen. Zij zelve heeft nooit naar het Reglement, maar naar haar Belijdenis en Kerkenordening ge­leefd. En het confessioneel beginsel is in dezen beslissend1). Toch is het goed, dat het Reglement van 1869, mede op aandrang van de Ned. Gereformeerden (Doleerenden), door de synode van 1891 vrij­willig is losgelaten. En toen al de plaatselijke kerken (alleen die van Waddinxveen uitgezonderd) hare instemming met de intrekking van het Reglement van 1869 hadden betuigd, werd hiervan kennis ge­geven aan de Regeering met de mededeeling, „dat de Synode voor­noemd het reglement van 1869-70 alzoo heeft gewijzigd, dat alle artikelen daarvan vervallen en voortaan alleen van kracht blijft de in Art. 1 en 3 van het reglement genoemde kerkenordening van Dordrecht, 1618-1619, met uitzondering van die artikelen, welke be­trekking hebben op de vroegere verhouding van kerk en staat”. De Regeering antwoordde hierop, dat zij deze mededeeling voor kennis­geving aannam, hetgeen naar de bedoeling van Mr Smidt, den Minister van Justitie, beteekende, dat de Chr. Gereformeerde kerk in de rechtssfeer bekend en erkend is2).

De Nederlandsche Hervormde kerk bleef, niettegenstaande de vele bezwaren, die tegen de organisatie rezen, haar collegialistisch ge­nootschappelijk karakter dragen. En ofschoon de Gereformeerde Be­lijdenis formeel nooit is afgeschaft, heeft zij materieel als regel en maatstaf, waarnaar geleefd en gehandeld wordt, de beteekenis ver­loren, omdat het bestuur en de handhaving van de orde en de tucht geschiedt naar de Reglementen3). Evenwel heeft de Hervormde kerk meerdere zelfstandigheid verkregen tegenover de regeering, niet alleen


1) Dr H. Bouwman, Scheiding en Hereeniging, De Bazuin, 1920, No. 6-10; D.K. Wielenga, Stemmen der Historie en het Reglement van 1869, Kampen, J.H. Bos, 1888; Dr A. Kuyper, De Heraut, No. 546-548.
2) Handelingen van de synode der Chr. Geref. kerk, 7-17 Juni 1892 te Amsterdam, Bijlage B bl. 12-31; Dr H. Bouwman, Onder veilige hoede, Kampen, J. H. Kok, bl.74.
3) „De opzet van den Reglementenbundel is naar den aard van de hiërarchische Besturen-Organisatie, en daarom zijn we principiëele tegenstanders van dien Regle­mentenbundel, die alles natuurlijk zet in het teeken van Besturen, die regeeren en bevelen, waarbij niets kerkelijks door de kerken in kerkelijke vergaderingen kan en mag geschieden. De spil draait niet om de kerk en de ambten, maar om de besturen — en dat is natuurlijk overal in den Reglementenbundel te bemerken, maar wordt dan ook principiëel door ons veroordeeld” (De Waarheidsvriend, 20 Jan. 1928).

|317|

tengevolge van den aandrang der synode, maar ook omdat de ge­zindheid der Regeering veranderd was. De Regeering trok bij dispo­sitie van 1 Juli 1842 het recht van reglementswijziging, het jubeo- ­of vetorecht, dat naar het Reglement van 1816 haar alleen toekwam, in, verklaarde, dat de Regeering zich geen jus in sacra zou aan­matigen, noch eenig jus circa sacra zou uitoefenen buiten de be­staande verordeningen en dat alle verandering der bestaande regle­menten alleen aan de kerk, en dus derzelver hoogste vergadering uitsluitend toekwam. Het Koninklijk Besluit van 1816, waarmede de synodale organisatie is ingesteld, werd niet ingetrokken, maar zij decreteerde, dat er geen Hervormde kerk bestond buiten de synodale organisatie, en dat dus de kerken aan deze organisatie onderworpen waren. En de synode, aldus aangesteld, heeft geen poging aangewend om het recht der gemeente te herstellen en weder te keeren tot de leer en de orde der Gereformeerde kerken. In 1848 werd de regle­mentswijziging ter hand genomen. De groote strijd ging om Art. 9 van het oude Reglement, dat handhaving van de leer der Hervormde kerk voorschrijft. Velen wilden dit vervangen door de woorden „handhaving en aanbeveling van de evangelische geloofsbelijdenis”. Maar door het verzet van de „zeven Haagsche heeren”, onder leiding van Groen van Prinsterer, werd dit gevaar afgewend, zoodat in het nieuwe Reglement, in Art. 11, de woorden: „de handhaving harer leer” behouden werden1). De pogingen tot reorganisatie der Ned. Her­vormde kerk hadden tot heden geen succes.

In 1892 waren er, die niet konden meegaan, toen de Chr. Gerefor­meerde kerk en de Nederd. Gereformeerde kerken zich vereenigden op grond van haar gemeenschappelijke belijdenis en kerkenor­deningen. Zij organiseerden zich opnieuw als de Christelijke Gerefor­meerde kerk. Zij bleven de Gereformeerde Belijdenis en kerken­ordening, als regel voor het kerkelijke leven, handhaven.

De Gereformeerde kerken staan na de vereeniging van 1892 in de rechtssfeer van den staat bekend naar de kerkenordening van Dordrecht, behoudens de bepalingen, die in 1619 met het oog op de overheid gemaakt zijn. De Generale Synode van de Gereformeerde kerken in Nederland, gehouden 17 Juni 1892, maakte aan de Regeering bekend, „dat wat aangaat de regelen voor inrichting, deze kerken thans samenleven onder de vigeur van de Gereformeerde kerken­ordening, gelijk die laatstelijk op de synode van Dordrecht in 1619 bevestigd is; altoos met die noodzakelijke excepties, waarvan aan de regeering te zijner tijd door onderscheidene kerken en met name


1) Douwes en Feith, Kerkelijk wetboek, 1909, bl. 14, 15; Prins, Kerkrecht, bl.72-77; Mr D.P.D. Fabius, Het Reglement van 1852, bl. 116 v.

|318|

door de synode der Christelijke Gereformeerde kerk, bij missive van 15 Dec. 1891, mededeeling is gedaan.” Zoo staan dan de Gerefor­meerde kerken sinds 1892 in de rechtssfeer bekend als een bond van kerken, die plaatselijk zelfstandig toch ook naar de kerkenordening (Art. 36) niet independent los naast elkander staan, maar door belijdenis en kerkenordening ten nauwste verbonden zijn. Zij is, zooals de synode der Chr. Geref. kerk te Leeuwarden verklaarde, niet „een universitas personarum, maar eene universitas ecclesiarum” 1). De Gen. synode van Utrecht (1905) bracht nog eenige wijzigingen aan, die geen wezenlijke veranderingen waren, maar meer in verduidelijking en redactiewijzi­ging bestonden. Aan de Regeering werd hiervan mededeeling gedaan.


1) Handelingen van de syn. der Chr. Ger. kerk, 1891, Bijl. bl. 25.

Bouwman, H. (1928) § 26

§ 26. De Gereformeerde kerken in Noord-Amerika en Zuid-Afrika.

Nauw verwant met de Gereformeerde kerken in Nederland, levend in belijdenis en kerkinrichting uit dezelfde beginselen, is de Reformed Church in Amerika, de Christelijke Gerefor­meerde kerk in Amerika en de Gereformeerde kerk in Zuid-Afrika.

 

Noord-Amerika. De Reformed Church dateert van den tijd, toen New-York een bloeiende Nederlandsche kolonie was. In 1628 werd van­wege de classis Amsterdam Ds. Jonas Michaëlis gezonden, die op het eiland Manhattan eene Nederduitsche Gereformeerde kerk instituëerde, weldra gevolgd door de instituëering van andere gemeenten te Fort Oranje, Midwout, Breukelen, Bergen en op andere plaatsen. Een nieuw Nederlandsch volk in de nieuwe wereld met een eigen Nederlandsche taal en eene Nederlandsche Gereformeerde kerk zou daar opbloeien, en eene macht van beteekenis worden. Maar het heeft den Heere anders behaagd. In 1664 ging de regeering van Nieuw-Nederland over in de handen der Engelschen, onder voorwaarde van vrije uitoefening van de religie en kerkregeering. Nieuw-Amsterdam werd omgedoopt in New-York, en Fort Oranje in Albany. In den eersten tijd was de druk der Engelschen zwaar, en werden de Gereformeerde kerken in hare rechten en vrijheid beperkt, maar in 1696 verleende Koning

|319|

Willem III aan de Hollandsch-Gereformeerde kerk „de vrijheid, om God te dienen overeenkomstig de wetten en voorschriften der Gere­formeerde kerken in Holland, goedgekeurd en vastgesteld door de Nationale Synode van Dordt”. Hij stelde voorts ook alle bezittingen der kerk in haar eigen beheer. De Gereformeerde kerk kon evenwel niet tot bloei komen, omdat de Nederlandsche taal in de prediking een hindernis was voor de Puriteinen, die uit Engeland en Schotland kwamen, om zich bij de Gereformeerde kerk aan te sluiten, en omdat de kerk afhankelijk was van en bestuurd werd van uit Amsterdam. Sedert 1764 werd echter de Engelsche taal bij toeneming al meer voor den dienst gebruikt, en in 1785 na de onafhankelijkheidsver­klaring van Amerika verkreeg de kerk een eigen organisatie onder den naam van The Synod of the Dutch Reformed Church. Van dien tijd af begon de groei der kerk.

Maar de Hollandsch-Gereformeerde kerk bleef niet geheel vrij van dwalingen. Niet alleen deed het Hopkinsianisme zijn intrede in de kerk, maar er werd ook geklaagd over de verwaarloozing van de tucht tegenover hen, die van de waarheid afweken. Dat werd aan­leiding tot scheuring. In 1822 scheidden zich een vijftal predikanten af en stichtten de „Ware Gereformeerde kerk”, welke kerk echter een Labadistische kleur vertoonde, eenzijdig nadruk legde op de praedestinatie en de algeheele verdorvenheid des menschen, en daar­om niet tot bloei kon komen. Hare leden sloten zich later in meer­derheid aan bij de Christelijke Gereformeerde kerk.

Omtrent het midden der negentiende eeuw werd de Gereformeerde kerk door kolonisten uit Nederland versterkt. In 1846 kwam Dr A. van Raalte met een aantal emigranten, die zich te Holland (Mich.) en omgeving vestigden, en in 1847 trok Ds. H.P. Scholte met 350 personen naar Amerika, en stichtte in Pella (Iowa) een nieuwe kolonie. Weldra werden zij door andere landverhuizers uit Nederland gevolgd. Aanvankelijk sloten de kolonisten zich aan bij de Dutch Reformed Church. Maar omdat een deel der kolonisten van oordeel was, dat in deze kerk dwalingen waren ingeslopen en omdat er gezangen waren ingevoerd, besloot een deel der immigranten zich af te scheiden van de Dutch Reformed Church en zich te organiseeren als de Christelijke Gereformeerde kerk op de grondslagen van de kerken der scheiding in Nederland. In 1882 werd de Chr. Geref. kerk ver­sterkt door een nieuwen uitgang uit de Holl. Geref. kerk. Onder leiding van Ds. L.J. Hulst traden een aantal gemeenten uit de ge­meenschap der Holl. Geref. kerk, omdat de kerken in het westen van Amerika vrijmetselaars toelieten als leden der kerk. De uitgeleide kerken namen den naam aan van De Christelijke Gereformeerde kerk.

|320|

De Reformed Church, met ongeveer 160.000 avondmaalgangers, heeft als belijdenisschriften: 1. de Nederlandsche Geloofsbelijdenis; 2. de Heidelbergsche Catechismus en 3. de Dordtsche leerregels. Zij verklaart, dat hare regeering en tucht zijn vervat in de regels, voor kerkregeering vastgesteld, in de Nat. Synode van Dordrecht (1618/19), maar dat zij met het oog op de omstandigheden en locale toestanden der kerk deze verduidelijkt heeft in eenige „verklarende artikelen”. Hare Constitutie bevat 15 artikelen, die in het algemeen een Ge­reformeerd karakter dragen, doch in enkele punten, o.a. dat de pre­dikanten geen leden zijn van de gemeente, die zij dienen (Art. VII, 1), van den rechten weg afbuigen1).

De Christelijke Gereformeerde kerk houdt trouw vast aan de be­lijdenis en de kerkenordening van de Gereformeerde kerken in Nederland2). Zij telt ruim 100.000 leden.

Naast deze twee kerken van Nederlandschen oorsprong zijn er in Amerika ook nog Gereformeerde kerken, die verwant zijn aan de Engelsche, Schotsche en Duitsche Gereformeerde kerken. 1. The Presbyterian Church in the United States of America, die haar oorsprong dankt aan de emigratie uit Engeland ter oorzake van de vervolging onder de Stuarts in 1660 en daarna. Zij telt 1.772.000 leden, 9979 predi­kanten en 9842 gemeenten. In deze kerk is voortdurend strijd tusschen hen, die beslist de Presbyteriaansche belijdenis willen vasthouden, en hen, die een breeder standpunt innemen. 2. The Presbyterian Church in the United States (South), geïnstitueerd in 1861 door de vereeniging van die Presbyteriaansche groepen, die zich van de Noordelijke Presbyterianen ter oorzake van de slavernij-kwestie hadden gescheiden. Deze kerk telt 400.000 leden, 2000 predikanten en 1500 gemeenten. Zij is in onderscheiding met die van het Noorden van Amerika een beminnares van de oude paden. 3. De Cumberland Presbyterian Church, die ongeveer een eeuw geleden zich van de moederkerk heeft afgescheiden. Zij had haar oorsprong in een reveil tegen het eind van de 18de eeuw, en toen de Synode der Presby­teriaansche kerk zich tegen de afwijkingen stelde, constitueerden zij, die geen wetenschappelijk gevormde predikanten wilden en die uit de belijdenis sommige strenge leerstukken wilden schrappen, een eigen kerk. In 1906 evenwel vereenigde de meerderheid zich weder met the Presbyterian Church, doch de minderheid zette het leven en het werk der kerk voort onder den ouden naam en in den ouden


1) The Constitution of the Reformed Church in America New Edition Revised, New-York 1905; Dr H. Dosker, Levensschets van Dr A.C. van Raalte.
2) De Chr. Geref. kerk in N.-A. door Dr Henry Beets, Grand Rapids, 1918; Dr H. Bouwman, Amerika, Schetsen en Herinneringen, Kampen, 1912.

|321|

stijl. In 1921 telde de Cumberland Presbyterian Church 1388 ge­meenten met 64.452 leden en 752 predikanten. 4. De United Presby­terian Church of North-America. Deze kerk is eene dochter van de Gereformeerde kerk van Schotland. Zoolang zij nog in direct verband stond met de moederkerk, doorleefde zij ook de moeilijkheden in het oude moederland en werd ook zij door allerlei scheuringen verdeeld. Maar na de onafhankelijkheidsverklaring van Amerika zagen de gedeelde kerkjes de dwaasheid der scheuring in, en in 1782 ver­eenigden zich de beide kerken: de Associate en de Reformed Pres­bytery onder den naam van Associate Reformed Church. Een minderheid van de Associate Presbytery hield zich staande tot 1858, toen ook zij haar geisoleerde positie prijsgaf, en zich met de anderen vereenigde tot de United Presbyterian Church. In deze kerk, die voor­namelijk haar zetel heeft in Pennsylvanië, New-York en Ohio, en ongeveer 160.000 leden telt, leeft de oude Schotsche traditie voort. Na den wereldoorlog werd ook in haar midden het streven, om nieuwe banen in te slaan, openbaar. In 1923 stelde de synode aan de classen voor een herziene belijdenis (Revised Statement of Faith), waarin, zonder dat bedoeld werd het oude beginsel te verlaten, een nieuwe wijze van uitdrukking en formuleering gebezigd werd. De classen namen deze herziene belijdenis aan. Het zingen van gezangen gaf echter op de Synode van 1924 aanleiding tot verdeeldheid. Doch het schijnt wel, dat het verbod van het zingen van gezangen in de kerk weldra zal worden afgeschaft.

The German Reformed Church, met ongeveer 330.000 avondmaal­gangers, is ontstaan door de kolonisatie van landverhuizers, die in het begin van de achttiende eeuw uit de Rijnpaltz zich in het Oosten der Vereenigde Staten vestigden. In 1747 vormde Michaël Schlatter met vier andere predikanten de eerste synode, en plaatste deze or­ganisatie onder het toezicht van de classis Amsterdam. In 1773 werd deze kerk zelfstandig. Zij bezit den Heidelbergschen Catechismus als haar belijdenis, volgt de gebruiken van de Gereformeerde kerk in het moederland, en bedient zich in den kerkedienst nog, naast de En­gelsche, van de Hoogduitsche taal. De Amerikanisatie gaat echter in de laatste jaren snel voort, en dientengevolge wordt overwogen, om zich met de Presbyteriaansche kerk te verenigen.

Naast de genoemde kerken vermelden wij nog de Presbyteriaansche kerken in Canada, die nauw met elkander en met de Congregationa­listen en de Methodisten aldaar zijn verbonden. Het is voor ons be­stek niet noodig, eene breedere beschrijving van deze kerken te geven, en evenmin van de kerken in Australië. Iets breeder handelen wij over de Gereformeerde kerken in Zuid-Afrika.

|322|

 

Zuid-Afrika. De historie van deze kerken begint in 1652, toen de eerste Nederlanders aan de Tafelbaai landden, en de Kaap voor de O.-Indische Compagnie in bezit namen. Deze nederzetting, na de her­roeping van het edict van Nantes (1695) versterkt door de komst van uit Frankrijk gevluchte Hugenoten en door de voortdurende immigratie van Nederlandsche kolonisten, had in het jaar 1800 ruim 20.000 blanke bewoners. Het geestelijke leven was in dezen tijd niet krachtig. Vandaar dat de gemeenten stilzwijgend de nieuwe kerkorde, die in 1804 door den Commissaris-generaal voorgesteld was, en die een colle­gialistisch karakter droeg, aanvaardden. Nadat Zuid-Afrika in 1806 onder Britsche overheersching gekomen was, werd de toestand der kerk niet beter. In 1824 werd de eerste synode gehouden, in welke de oude naam Gereformeerd vervangen werd door Hervormd en de kerk al duidelijker een genootschap werd. Bovendien werd er gezorgd, dat de Engelsche invloed al sterker werd. Van uit Schotland werden onderscheidene predikanten gezonden. De invloed van het Methodisme werd daardoor krachtiger, terwijl door onderscheidene predikanten in modernen geest gepredikt werd. Wijl vele boeren zich met deze nieuwe richting niet konden vereenigen, besloten zij Kaapland te verlaten. In 1834 begon de groote trek. Tien duizend Boeren trokken met al hun bezittingen naar Oranje Vrijstaat. In 1837 had een soortgelijke „trek” plaats naar Natal en in 1842 ging een derde „trek” over de Vaal-rivier en stichtte de Transvaalsche Republiek. Tengevolge van deze verhuizing werd de Gereformeerde kerk gedeeld in 4 deelen. De Nederlandsche belijdenisschriften waren de regelen des geloofs, de Nederlandsche liturgie werd gebruikt, de Nederlandsche Gereformeerde schrijvers werden gelezen, de prediking werd in het Nederlandsch gehouden Evenwel waren er in de Gereformeerde kerk sommige predikanten vooral van Schotsche afkomst, die prijsstelden op methodistische opwekkingsvergaderingen en die de leer der uitverkiezing loochenden1).

Geen wonder, dat velen ontevreden waren over den toestand der kerk. Een aantal leden onder leiding van Ds. van der Hoff, met enige onderwijzers uit Nederland gezonden, hadden bezwaar zich van de moederkerk los te maken en zich bij de Gereformeerde kerk aan te sluiten, en stichtten daarom in 1853 een nieuwe kerk, die in 1858 als Nederduitsch Hervormde kerk bij de Regeering bekend werd. In 1882 werd een poging aangewend, om deze kerk met de Ned. Gereformeerde kerk te vereenigen. Een deel der Ned. Hervormden sloot zich aan, maar enkele Hervormde gemeenten, onder leiding van Ds Godefroy, gingen met de vereeniging niet mede.


1) The Presbyterian Churches, by J.N. Ogilvie, 1925, p. 214-236.

|323|

In 1858 kwam Ds. D. Postma, predikant bij de Chr. Afgesch. Ge­reformeerde gemeente te Zwolle, in Zuid-Afrika. Hij was door de Chr. Afgesch. Gereformeerde kerk gezonden, „ten einde naar den godsdienstigen toestand van hare stamverwanten in Zuid-Afrika onderzoek te doen”. Ds. Postma zag weldra, dat een deel van de leden der Gereformeerde kerk zich niet meer met de Synode hunner kerk kon verenigen.

Vooral het zingen der gezangen in de kerk gaf aanstoot. Postma en de commandant Paul Krüger trachtten eene afscheiding te voorkomen, maar wijl een aantal leden zich reeds had afgescheiden, en de synode aan de ingebrachte bezwaren niet wilde tegemoetkomen, kwam het 10 Februari 1859 tot eene breuk, en werd eene Gerefor­meerde gemeente gesticht „op den grondslag van de drie Formulieren van Eenigheid en de Dordtsche kerkenordening”. De vaderen dezer kerk verklaarden deze daad als eene „herstichting” der oude Gere­formeerde kerk. Deze kerk, die zich zeer heeft uitgebreid, is in leer en kerkregeering Gereformeerd1).

De vraag naar de Gereformeerde waarheid is in latere jaren in Zuid-Afrika toegenomen. De strijd voor vrijheid en recht heeft het Calvinistische volk gestaald, en de hoop leeft, dat de Gereformeerden zich sterker aaneen zullen sluiten, en dat de Gereformeerde kerk, heerlijk herleefd, zich als een levende kerk frisch en krachtig zal openbaren.


1) J. Lion Cachet, De Geschiedenis der Geref. kerk (in Gedenkboek 50-jarig bestaan). De Geschiedenis van de Chr. kerk door Ds Hamersma, Dr S.O. Los en Dr J.D. du Toit, Potchefstroom, 1911.

Bouwman, H. (1928) § 27

|324|

Tweede Boek.

Het recht der kerk, zooals het naar Gods Woord moet zijn en in de praktijk wordt geoefend.

 

Eerste Afdeeling: De Kerk en het Ambt.

Hoofdstuk I. De Ambten in de kerk.

 

§ 27. Het karakter der kerkenordening.

De regeering der kerk wordt bepaald door het Woord Gods. Christus zou zijne gemeente ook wel hebben kunnen regeeren zonder den dienst van menschen, maar dit heeft hem niet behaagd. Het heeft hem goedgedacht, zijn koninklijke macht in zijn Woord bekend te maken, en hij heeft gegeven ambten en bedieningen, om dat Woord in de wereld in te dragen, dat Woord te bedienen, en te zorgen, dat in de gemeente geleefd wordt naar den regel van Gods Woord1).

Daarmede wordt niet uitgesproken, dat Gods Woord een wetboek is, waaruit de kerk alles, wat voor de regeering der kerk noodig is, kan aflezen, maar dat de hoofdbeginselen der kerkregeering duide­lijk in het N. Testament worden geleerd. Deze algemeene regelen welke voor alle tijden gelden, zijn door Christus in zijn Woord gegeven en hij liet aan zijne kerk de vrijheid, om die beginselen toe te passen naar de behoefte der tijden en der omstandigheden. Deze gedachte kan met enkele voorbeelden verduidelijkt worden. Het is volgens het


1) Calvijn, Inst. IV, 3, 1; 6, 9; Conf. Gallicana 1559, art. 29; Tweede Schotsche kerkorde, 1581, c. 1.

|325|

Woord Gods noodig, dat er zijn bedienaren des Woords, die het evangelie in de wereld indragen en het Woord bedienen temidden der gemeente; het is noodig, dat er herders en regeerders zijn, die de kudde weiden en regeeren; het is noodig, dat er diakenen zijn, die de armen verzorgen, maar hoevele ambtsdragers er moeten zijn, op welke wijze en voor hoe langen duur zij worden gekozen, wordt aan de behoeften van een bepaalden tijd overgelaten, mits deze praktijk in overeenstemming is met de beginselen, door Gods Woord aan­gegeven. De bediening des Woords is noodzakelijk, maar hoe deze moet worden ingericht, hoe vaak de gemeente per rustdag moet samenkomen, voor hoe langen duur, hangt samen met de tijden en de omstandigheden en moet aan de vrijheid der gemeente worden overgelaten. Zoo zijn er ook zeer vele zaken b.v. hoe de correspondentie tusschen de kerken moet worden ingericht, hoe vaak de vergaderingen van den kerkeraad, van de classis en van de Synode moeten worden gehouden, hoe de attestaties, de lastbrieven enz. moeten zijn — die geheel moeten worden geschikt naar de behoeften van een bepaalden tijd en naar het welzijn der kerk. Zulke bepalingen worden dus alleen gemaakt met het oog op de goede orde en het welzijn der kerk. Evenwel moeten deze ook worden opgevolgd, tenzij bewezen wordt, dat zij iets bevatten, wat in strijd is met het Woord Gods.

De orde der kerk vindt dus haar grondslag in Gods Woord. Hier komen wij op het verband van de confessie en de kerkorde. In de belijdenis spreekt de kerk uit, wat zij als waarheid Gods uit de H. Schrift heeft gegrepen. De kerk is de pilaar en vastigheid der waarheid en daarom moet zij het woord der waarheid ongeschonden bewaren, zuiver belijden en prediken. In het vervullen van het zendings­gebod (Matth. 28: 19) ligt reeds het belijden opgesloten. Maar de gemeente is ook een levende gemeente, begiftigd met den H. Geest, die haar leidt in de waarheid, haar verlicht, reinigt, heiligt en toebereidt voor de taak, waartoe zij op aarde geroepen wordt. Tot die taak behoort ook het indenken der waarheid, die door de Gods­openbaring haar ter kennis gekomen is, het verstaan en het uitspreken der waarheid (Ef. 3: 9, 18; 2 Tim. 1: 10). De gemeente Gods moet die waarheid in eigen kring belijden en onderwijzen ter onderrichting van jeugdigen, onkundigen en dwalenden, en zij moet zich wapenen tegenover de tegenstanders en dwaalleeraars. De belijdenis is dus eene korte samenvatting van wat de H. Schrift omtrent de hoofdwaarheden leert. Om die reden moet de belijdenis in alle deelen gegrond zijn op Gods Woord en mag zij niets anders bevatten dan wat de kerk als gedachte Gods in zijn Woord heeft gevonden. Hoe­wel de belijdenisschriften menschenwerk zijn, en nimmer boven de

|326|

H. Schrift of zelfs met haar gelijk gesteld mogen worden, zoodat elk artikel moet vallen, indien het in strijd blijkt met den geopenbaarden wil des Heeren, toch ligt het voor de hand, welke groote beteekenis de belijdende kerk heeft voor de eenheid van het geloof en het leven der kerk. Uit hare belijdenis blijkt, of de kerk eene ware kerk is of niet, of zij Christus als den eenigen koning erkent of dat zij ontrouw is. In de belijdenis vinden de plaatselijke kerken en de geloovigen de eenheid. De eenheid der kerk wordt niet in de allereerste plaats bepaald door de uitwendige organisatie en hare instellingen, maar zij rust in het geestelijk welzijn der kerk, in de eenigheid des geloofs.

Omdat nu de kerk haar recht ontleent aan het woord van Christus, en zij naar Gods Woord een eigen leven bezit, dat zich uitspreekt in hare belijdenis en kerkinrichting, volgt hieruit, dat het kerkrecht baseert op dogmatischen grondslag. Zoomin het schriftuurlijk beginsel als de dogmatische grondslag mag worden prijsgegeven. Indien de beoefenaar van het kerkrecht de dogmatische ontwikkeling der kerk voorbijzag, zou hij de historie der kerk en de leiding des Geestes niet achten. Daarom moet het gebouw van de orde en het recht der kerk opgetrokken worden op den bodem der confessie. Dat wil niet zeggen, dat bij de uitwerking van het kerkrecht niet steeds op de H. Schrift moet worden teruggegrepen. Integendeel, dit moet bij elk punt geschieden. Maar dit neemt volstrekt niet weg, dat het kerkrecht zich steeds moet aansluiten aan de historische ontwikkeling der leer, en dat op de basis van het dogma der kerk de rechtsbeginselen, die in de kerk gelden en gelden moeten, worden ontwikkeld.

Het vaststellen van de kerkelijke orde berust bij de kerk zelve. Elke kerkeraad heeft het recht en de macht van Christus ontvangen, verordeningen te maken en regelingen te treffen voor de kerk, waar­over hij gesteld is, en binnen de grenzen, door Gods Woord hem voor­geschreven. De meerdere vergaderingen kunnen en mogen regelingen maken, geldend voor haar eigen gebied. Doch de kerken in haar algemeene vergaderingen of in de generale synode hebben het recht en de roeping, een kerkenordening voor al de kerken te ontwerpen en vast te stellen, welke krachtens het kerkverband alle kerken, die in synode samenkomen, bindt.

Een kerkenordening is dan ook geen onveranderlijke regel. Dezelfde kerken, die haar hebben vastgesteld, kunnen haar ook wijzigen, indien de noodzakelijkheid hiervan mocht blijken. De kerkenordening is eene menschelijke en geen Goddelijke wet. Wel bevat zij bepalingen, die rechtstreeks uit Gods Woord genomen zijn en dus ook de gewetens binden, maar er zijn ook vele bepalingen in haar, die alleen voor de

|327|

goede orde der kerken gesteld zijn, in verband met de beginselen, door God in zijn Woord gegeven. Het is dan ook volkomen geoorloofd, dat de kerk, wanneer dit voor haar welzijn noodig mocht blijken, de kerkenordening wijzigt.

Opdat de kerkenordening niet het leven der kerken binde en eene plaats ontvange, die haar niet toekomt, is het ten zeerste aan te bevelen, dat het getal der bepalingen in die kerkorde zoo klein mogelijk gehouden worde. Het voorbeeld der Roomsche kerk en van sommige kerken der Reformatie heeft duidelijk aangetoond, hoe eene kerk door eene veelheid van bepalingen haar geestelijk karakter kan verliezen. Juist doordat de Roomsche kerk alle mogelijke gevallen wilde regelen en tot wet stempelde, is een groot corpus juris canonici ontstaan, dat gebod op gebod en regel op regel stapelde en verder oorzaak werd, dat het geestelijk leven versteende en in formalisme onderging. Om die reden moeten de kerken, in synode vergaderd, zich wel uitspreken over bepaalde gevallen, die haar voorgelegd worden, maar niet in dien vorm, dat deze besluiten over alle gevallen van dien aard gelden. Elk synodaal besluit in een bepaald voorkomend geval is eigenlijk niets anders dan een uitspraak, hoe de algemeene regel van het kerkelijk recht in zulk een geval moet worden toegepast. De kerk en hare leden kunnen en moeten later in bijzondere zaken rekening houden met vroeger genomen beslissingen, maar deze afzonderlijke besluiten kunnen niet zonder meer op alle soortgelijke gevallen worden toegepast. Voor den welstand der kerk is het dan ook noodig, dat in de algemeene kerken­ordening slechts weinig bepaald en omschreven worde, opdat het leven niet door formalisme worde gehinderd en Gods Woord zijn beslag op de harten niet verlieze. De kerkenordening moet daartoe medewerken, dat de kerken en hare leden het verstaan, dat Christus Koning is zijner kerk en dat het in de kerk in alles naar het Woord des Heeren toegaat.

Het karakter van de kerkenordening is dus, dat zij de regelen aangeeft, welke op grond van het Woord Gods, in overeenstem­ming met de belijdenis der kerk, voor de goede orde in de kerk noodig zijn.

Bouwman, H. (1928) § 28

|328|

§ 28. Het ambt.

Het ambt in de kerk is niet eene instelling van menschen, maar eene instelling van Christus, die, om zijne gemeente te ver­gaderen, te regeeren en te verzorgen, van den beginne den dienst van menschen wilde gebruiken.

Het is niet zonder beteekenis, dat het N. Testament, om het ambt aan te duiden, gebruikt het woord „dienst” διακονία (1 Cor. 3: 6-9, 2 Cor. 5: 18). Hiermede stemt de beteekenis van het woord „ambt” overeen. Het Woordenboek der Nederlandsche taal geeft deze be­paling van het woord „ambt”: „Het bedienen van eene betrekking, van een ambt, het verrichten van de werkzaamheden, die aan dat ambt zijn verbonden.” Het woord ambt is oorspronkelijk hetzelfde woord als ambacht. Door toonverzwakking der laatste syllabe en het wegvallen van de ch voor t werd ambacht allengs tot ambacht, ambet, ammet, ampt, ambt, dat vervolgens tot amt inkromp, welke vorm in het Hoogduitsch de gewone is 1). De oorspronkelijke beteekenis van ambacht is die van dienst, bediening in het algemeen, en vandaar die van eene kerkelijke of wereldlijke bediening in het bijzonder, zooals „die ambachten der heilige kerken” of „het heilich ambacht van het sacrament”. Later heeft het gebruik de beide vormen gescheiden en het oudere ambacht op lagere bedrijven en het jongere ambt op hoogere betrekkingen toegepast. Naar de oude opvatting beteekent ambt: de dienst of de bediening, die iemand te vervullen, het werk, dat hij te verrichten heeft, de taak, de plicht die op hem rust, zooals in 1 Chron. 6: 31 gesproken wordt van personen, „die David gesteld heeft tot het ambt des gezangs in het huis des Heeren”; zoo wordt ook gesproken van het ambt van Christus als profeet, priester en koning. Naar de hedendaagsche opvatting beteekent ambt: de maat­schappelijke betrekking, die iemand bekleedt, de openbare werkkring, waarin men geplaatst is tengevolge van eene benoeming door het openbare gezag van de overheid, of eene bediening in de kerk van Christus, waartoe men van Christus wege, op gezag van den Koning der kerk, geroepen is. Het woord „ambt” heeft dus dezelfde beteekenis als het woord dienst of bediening, en stelt voor de werkzaamheid van iemand, die dienst doet in gehoorzaamheid aan de boven hem ge­stelde macht.

Hiermede stemt overeen, dat het woord „diakonia” in het N. Testa­ment ook de beteekenis heeft van dienst. Paulus noemt zichzelven


1) Jak. Grimm, Gesch. d. deutschen Sprache3, S. 93.

|329|

en zijne medearbeiders dienaren (διακόνους) des N. Testaments. Zij zijn dienaren van een nieuw verbond, waarvan de grondslag is de ge­nade Gods en de verzoening van Christus. Om die reden is de be­diening des N. Testaments niet eene bediening der letter, maar des Geestes (2 Cor. 3: 8, 9), niet eene bediening des doods en der ver­doemenis, maar de bediening der verzoening (2 Cor. 5: 18).

In dat dienend werk is Christus de apostelen voorgegaan. Hij is niet „gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen” (Marc. 10: 45). Dit werk is hem opgedragen van den Vader (Joh. 4: 34). Maar die genadewil des Vaders heeft tot doel de verlossing en de zaligheid des menschen, zoodat Jezus is een dienaar Gods ten behoeve der gemeente. Hij is de eenige gezalfde. Zijns alleen is bet ambt in het midden der gemeente. Op grond van zijn volmaakt werk is Hem gegeven alle macht, en de ambtsdragers in de kerk zijn niet anders dan organen, waardoor Christus zijn dienst op aarde in de kerk uitricht. Hij zelf is Koning, Profeet en Priester. Hij is Apostel, Herder en Leeraar, de eenige Wetgever zijner gemeente. Daarom beleden ook de Protestant­sche kerken, dat het ambt, voor zoover en zoolang het in gehoor­zaamheid aan Christus en naar den regel des Woords bediend wordt, werkt als orgaan van Christus, maar dat het zijn karakter en tevens alle gezag verliest, wanneer het ophoudt orgaan van Christus te zijn en zich van het Woord des Heeren losmaakt.

De voorstelling, alsof Jezus aan zijne gemeente alleen zekere denk­beelden heeft verkondigd van het koninkrijk Gods en zijne gerechtig­heid als een rijk van liefde en vrede, en dat eerst ná zijnen dood zijne discipelen eene kerk met ambten en instellingen hebben inge­richt, moet als in strijd met de historische waarheid worden afge­wezen. Immers Christus heeft zelf eene organisatie gegeven, eene kring van discipelen rondom zich vereenigd, dezen discipelen een volmacht gegeven om het evangelie te prediken en de sacramenten te bedienen (Matth. 28: 19), hen bekleed met macht om door de sleutelen des hemelrijks het koninkrijk Gods te openen en te sluiten (Joh. 20: 21). En na zijne verhooging heeft Christus zijne apostelen be­giftigd met den H. Geest, en hen bekwaamd, opdat zij zijn werk konden verrichten, en in de bewustheid, door Christus geroepen te zijn, met gezag konden optreden. De apostelen beschouwen dan ook hun roeping als een dienst van God en van Christus (1 Cor. 4: 1; 11: 23; 2 Cor. 6: 4). Paulus leidt zijne apostolische bevoegdheid af niet van een mensch, maar van de roeping en de aanstelling door Christus (Gal. 1: 1; 15-20; 1 Cor. 9: 1), die hem in de bediening gesteld heeft (1 Tim. 1: 12). Als gezant van Christus is hij geheel

|330|

afhankelijk van zijnen Zender, hij is knecht (δοῦλος), Rom. 1: 1; Gal. 1: 10; Phil. 1: 1), maar tevens is hij diakonos der gemeente, voor welke zijn arbeid ten nutte is. Doch in dezen dienst der gemeente is hij niet dienaar (δοῦλος) der menschen, alsof deze hem te bevelen hebben (1 Cor. 7: 23), maar dienaar van Christus ten behoeve der gemeente (2 Cor. 4: 5). Christus heeft de ambten gegeven (Ef. 4: 11), en als het Hoofd der kerk bedient Hij zich daarvan als van zijne organen, om zijne kerk te vergaderen, in stand te houden en uit te breiden.

Nu is het opmerkelijk, dat ook de geloovigen herhaaldelijk ge­noemd worden dienaars van God en Christus (1 Thess. 1: 9; Rom. 12: 11; 14: 18; Col. 3: 24; 1 Petr. 2: 16). In alle dingen, in elken arbeid, bij elke taak, moeten de geloovigen niet zich zelf of de menschen, maar den Heere dienen. Des Heeren wil is de regel, waar­naar zij zich moeten gedragen, zijne eer is het hoogste, dat zij hebben te zoeken. Zij moeten ook elkander dienen met de gaven, die zij van God hebben ontvangen (1 Cor. 12: 7; Gal. 5: 13), en dus de gemeen­schap der heiligen oefenen. Zij hebben een profetische, priesterlijke en koninklijke roeping, opdat zij ’s Heeren naam belijden (Rom. 10: 10), zichzelven tot een levend dankoffer den Heere offeren (Rom. 12: 1; 1 Petr. 2: 5, 9), en met eene vrije en goede conscientie in dit leven tegen de zonde en den duivel strijden en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regeeren (Rom. 6: 12, 13; 1 Petr. 2: 11; Ef. 6: 11; 2 Tim. 2: 12). Daarom dragen de geloovigen ook den naam gezalfden, Christenen. Deze profetische, priesterlijke en koninklijke roeping mag de uitoefening van een ambt heeten. Immers de geloovigen ontvangen in beginsel terug, wat zij naar de scheppingsidee bezaten. God heeft den mensch geschapen, opdat deze Hem zou kennen, liefhebben en verheerlijken. En omdat de mensch door de zonde geheel verdorven was en hij zijn werk ter eere Gods niet meer kon volbrengen, is Christus gekomen om te herstellen, wat verdorven was en om als ons Hoofd voor ons aan God te geven, wat wij Hem onthielden.

Op grond nu van Christus’ werk worden de geloovigen geroepen en bekwaamd om als profeten, priesters en koningen den Heere te dienen en te verheerlijken. Zij zijn tot vrijheid geroepen en moeten als vrijgemaakten den Heere dienen. Zij hebben ook een diakonia, eene bediening des geloofs en der liefde, eene bediening, die zij ter eere Gods en tot het welzijn hunner medechristenen hebben aan te wenden. Van het ogenblik hunner roeping af zjjn de geloovigen hunzelfs niet meer, maar behooren zij Christus toe. En daarom is het hun ambt, om niet op zichzelf te blijven staan, maar de gemeenschap der

|331|

heiligen te zoeken en te onderhouden. Zij moeten hunne gaven ten­ nutte van anderen aanwenden, met elkander samenwerken tot een getrouw kerkelijk leven, tot de bediening van Woord en sacrament, tot het opzicht op elkander, tot het dienen van elkander en het be­wijzen van barmhartigheid aan lijdenden, verdrukten en ellendigen. Zij zijn geroepen, mede te werken tot de formatie en reformatie der kerk, en hen, die door Christus met bijzondere gaven versierd zijn, te roepen en te verkiezen tot het ambt 1) (Hand. 1: 21; 6: 2, 3).

Dit ambt der geloovigen staat met het bijzondere ambt in het allernauwste verband. Het bijzondere ambt vormt niet op zichzelf eene vertegenwoordiging der kerk, en mag niet zijn eene hiërarchie, die staat boven de kerk, maar het komt op uit de gemeente zelve, d.i. uit de geloovigen, die haar samenstellen. De gemeente is toch het mystieke lichaam van Christus, dat, naar 's Heeren ordinantiën geconstitueerd, in haar verschijning is de zichtbare openbaring van dat mystieke lichaam. In haar woont de H. Geest. Zij is draagster van het Woord, pilaar en vastigheid der waarheid. Zij moet den Heere dienen in het uitdragen van het Woord onder de menschen, in het heilig houden van ’s Heeren naam, in het strijden voor ’s Heeren eer en voor de komst van Zijn koninkrijk. Christus’ Woord moet in de kerk heerschappij voeren. Wie niet buigt onder het gezag van het Woord, tast het recht en de eer van den Koning der kerk aan. De macht in de gemeente berust uitsluitend bij Christus en vloeit uit Christus in de gemeente af. Maar evenals een lichaam functioneert door de organen, zoo ook kan het lichaam van Christus eerst dan recht werken, wanneer het de organen bezit, die zich naar de instelling van Christus openbaren.

En nu hebben niet de geloovigen de bijzondere ambten uitgedacht, maar Christus heeft deze organen voor zijne kerk verordend (Ef. 4: 11, 1 Cor. 12: 28), opdat deze hare roeping zou kunnen volbrengen en Christus zou dienen in de voorbereiding van de komst van Zijn Koninkrijk.

Hieruit wordt duidelijk, dat het ambt der geloovigen niet met de instelling der bijzondere ambten is afgeschaft. Wanneer de bijzondere ambten zijn ingesteld, vervalt de roeping der geloovigen niet. Integen­deel, hunne roeping als geloovigen blijft, en zij hebben ook als leden der kerk een bepaalde taak te verrichten. Deze taak is niet alleen correctief, om kritiek uit te oefenen op de ambtsdragers, om te oor­deelen over het ambt, maar hun ambt functioneert tevens ook naast het bijzondere ambt. Wanneer men dit niet recht ziet, of wanneer men dit beginsel prijs geeft, loopt men gevaar in allerlei dwalingen


1) Dr H. Bavinck, Geref. Dogmatiek2 IV, 412.

|332|

te vervallen. Rome miskent het recht der geloovigen, door de leden der gemeente geheel afhankelijk te maken van de geestelijkheid, en alle terreinen des levens te knechten onder de kerk. Ook de Luther­schen, de Erastianen en de Caesaropapisten tasten het recht der geloovigen aan, doordat zij òf den leerstand zetten tusschen God en den mensch, òf ook de kerk in hare regeering afhankelijk maken van de wereldlijke regeering. Aan den anderen kant moet men ook op de hoede zijn tegen de dwaling der Independenten, die het gezag eenzijdig leggen in de congregatie, in de vergadering der gemeente en dus het bijzondere ambt miskennen. Hoewel de Independenten de koninklijke heerschappij van Christus in de kerk erkennen, werd de eenzijdige toepassing van deze leer openbaar in het collegialisme, dat in beginsel de leer van de volkssouvereiniteit huldigt. Volgens de H. Schrift is Christus de Koning zijner kerk, en zoowel de ambts­dragers als de leden der gemeente moeten zich gedragen naar het Woord van Christus. Van deze grondgedachte uit kan zoowel de vrijheid en het recht der geloovigen als het gezag van het bijzondere ambt in de kerk worden gehandhaafd.

De leden der gemeente mogen nimmer worden beroofd van de vrijheid, die zij in Christus hebben. De band, dien zij van Christus hebben, werkt rechtstreeks en mag niet door het bijzondere ambt worden gehinderd, zoodat zij naar de begeerte des nieuwen levens als kinderen Gods en vrijgemaakten voor Gods aangezicht kunnen leven. Het is toch de roeping der geloovigen, niet alleen in het ver­borgene den Heere te dienen, en in het gezins- en het bedrijfsleven hun God te vreezen, maar ook om op elk levensterrein zich als christen te openbaren, en om mede te werken voor de komst van Gods koninkrijk. Naast het werk der bijzondere ambtsdragers hebben ook de leden der gemeente tot roeping, hunne gaven en krachten tot nut en zaligheid van andere geloovigen aan te wenden. Als geloovigen mogen zij zich aaneensluiten en vereenigingen voor onderwijs, van onderlinge oefening en steun, van liefdadigheid en van den arbeid op het breede terrein van Gods koninkrijk oprichten, zonder den raad der kerk te vragen. De schoone resultaten, die vereenigingen voor onderwijs, voor tractaatverspreiding, voor Zondagschoolarbeid, voor de oefening der barmhartigheid hebben opgeleverd, leggen een heerlijk bewijs af, hoe uitnemend en onmisbaar het is, dat de geloovigen zich aaneensluiten en elkander steunen in den arbeid van Gods koninkrijk.

Maar nog verder gaat het ambt der geloovigen 1). Voetius aarzelt


1) Dr A. Kuyper, Encyclopaedie der H. Godgeleerdheid, 1894, III, 476, 481, 548; Dr L. Wagenaar, Het ambt aller geloovigen, Leeuwarden, Jongbloed; G. Wielenga, Het ambt aller geloovigen, zijn rechten en plichten tegenover het speciale ambt, Tijdschr. ➝

|333|

niet 1) om aan de leden der kerk toe te kennen een macht om te leeren (potestas dogmatica), te regeeren (potestas ordinis et regiminis) en recht te spreken (potestas jurisdictionis). De potestas dogmatica stelt hij daarin, dat alle geloovigen als profeten en priesters, bidden, profeteeren, leeren, vermanen, enz. naar de mate der gave, die zij hebben ontvangen (1 Cor. 11: 4, 5; Rom. 15: 14; 1 Thess. 5: 11, 14). Zij kunnen de geschillen beoordeelen met een oordeel des onder­scheids, maar niet met een beslissend oordeel; zij kunnen, als een zaak beslecht is, daarop hun goedkeuring en approbatie verleenen, maar de leiding en beslissing moeten zij aan de bijzondere ambts­dragers overlaten. Omtrent de regeermacht der geloovigen merkt hij op, dat waar een gemeente wordt geïnstitueerd of gereformeerd en er dus geen ambtsdragers zijn, zij met geheel vrij en onbeperkt stem­recht de ambtsdragers kiezen, en dat deze daardoor wettig ge­kozen zijn. En als eene kerk wettig is geïnstitueerd, werken zij mede bij de verkiezing der ambtsdragers, door hun stem uit te brengen, of door stilzwijgend of uitgesproken hunne approbatie te geven. (Hand. 1: 15-26; 6: 3-6; 14: 23). Ook bij de openbare belijdenis en bij het inkomen of vertrekken der leden treedt de gemeente op (Hand. 9: 26, 27). Eveneens wat door de meerdere vergaderingen besloten wordt, wordt aan de gemeente medegedeeld (Hand. 14: 27; 15: 3; Col. 4: 7). En wat de rechts- of tuchtmacht aangaat, hebben de leden der gemeente het recht om niet alleen afzonderlijk, maar ook gemeenschappelijk met den raad der gemeente in gevallen, wanneer openlijke ergernis gegeven is, te oordeelen (Matth. 18: 17; 1 Cor. 5: 4, 5, 22; 6: 3-5; 2 Thess. 3: 14). Deze macht strekt zich uit ook tot de dienaren des Woords (Hand. 11: 2-18). Ook hebben zij het recht en de roeping, de gevallenen en de boetvaardigen te brengen tot de verzoening (2 Cor. 2: 7, 8). Tenslotte zijn zij geroepen, mede te waken voor de heiligheid en de zuiverheid der kerk, en zich te onttrekken aan de ontrouwe ambtsdragers en eene vervalschte kerk, zoo deze niet willen luisteren naar het Woord des Heeren.

Onderscheiden van het ambt der geloovigen is het bijzondere ambt daarin, dat het door Christus is ingesteld, om de gemeente te leiden en te verzorgen, en te waken, dat alle dingen eerlijk en met orde geschieden. Christus is de Koning der gemeente, die zelf zijne ge­meente regeert door zijn Woord en Geest. Hij zou, zooals Calvijn zegt 2), zijne kerk ook wel rechtstreeks hebben kunnen regeeren,


➝ v. Geref. Theologie, 1905; Doumergue, Jean Calvin, Tom. V, p. 69, 161; Dr F.L. Rutgers, De beteekenis der gemeenteleden als zoodanig, Amsterdam, 1906.
1 Voetii Pol. Eccl. I, 117, III, 22.
2 Institutie IV.3,1.

|334|

zonder eenig hulpmiddel, maar er zijn vele oorzaken, waarom Hij het liever doet door menschen. Hij wilde uit het verdorven menschen­geslacht zijn volk roepen tot het eeuwige leven, en toebereiden tot zijn dienst en lof, als een vrijwillig volk, dat gaarne Hem dient. Daartoe gaf Christus zijn Woord, dat in menschelijke taal vertolkt de wonderheden Gods, in schepping en herschepping geopenbaard, de diepe mysteriën des heils in Christus tot redding van een ver­loren menschengeslacht en de heiligheid zijner ordinantiën. Hij wilde zich neerbuigen tot ons, opdat wij Hem zouden kennen, dienen en genieten. Maar Hij wilde ons ook ootmoed leeren, wanneer Hij ons door menschen, die ons gelijk zijn, wil onderwijzen, opdat wij in allen ootmoed en eenvoud des geloofs uit hunnen mond het woord van Christus zouden hooren en het gehoorzaam zouden opvolgen, (Ef. 4: 4-16). De ambtsdragers in de kerk zijn dus dienaren van Christus, en hebben afhankelijk van Hem hun werk te verrichten. Want Christus heeft, toen hij herders en leeraars aan zijne gemeente gaf, de regeering over de kerk niet opgegeven, maar zooals de Tweede Helvetische confessie zegt: „wij leeren, dat Christus de Heere is en de eenige algemeene herder blijft, benevens de hoogste priester voor God den Vader, en dat Hij in de kerk alle functiën van bisschop en herder waarneemt tot aan het einde der wereld, en dat hij daarom geen behoefte heeft aan een plaatsvervanger, die de plaats van den afwezige inneemt, maar Christus is tegenwoordig in de kerk en het levende en bezielende hoofd.” „Want Hij werpt niet aan anderen de regeering op hunne schouders, maar Hij bewaart en gebruikt tot nog toe zijne macht, terwijl Hij alle dingen regeert” 1). Om die reden komt aan de kerkelijke ambtsdragers niet toe heerschappij over anderen, maar hebben zij een bedienende macht. Er is geen enkele idee, die de leer van de kerk en hare regeering zoo zeer beheerscht als die van het koningschap van Christus. Wij vinden haar in bijna alle Gereformeerde Belijdenisschriften en kerkenorden 2).

De Gereformeerden hebben daarom bij voorkeur aan de dragers van het ambt den naam „dienaren” gegeven. Het woord geestelijke wordt in de H. Schrift niet gebruikt als naam voor de dienaren des N. Verbonds en heeft onder de Gereformeerden geen bijval gevonden. Het woord geestelijke of pneumatikos beteekent in het N. Testament (behalve in tegenstelling met sarkikos of sarkinos, vleeschelijk) iemand


1 Conf. Helv. II, 17, 8; 18, 4.
2 Zoo leerde Zwingli, Schlussreden van 1523, 7, 9, 10, 11; Theses Bernenses van 1528; Conf. Helvetica I, 18; Conf. Helvetica II, 17; Conf. Scotica cap. 16; Conf. Belgica 28, 32. Zeer krachtig herhaalt de Westminster geloofsbelijdenis deze leer: there is no other head of the Church but the Lord Jesus Christ (25, 6); The Lord Jesus, as king and head of his Church, has therein appointed a government etc. (30, 1).

|335|

die door den Geest van God wordt bezield en geleid. De geloovigen, die aan de leiding des geestes gehoor gaven, of die met bijzondere genadegaven begiftigd waren, worden pneumatici of geestelijken genoemd. Zij, die in eenig ambt in de gemeente konden optreden, moesten wel de charismata, de geestelijke gaven bezitten, maar het woord „geestelijke” werd toch nimmer voor een dienaar der gemeente gebruikt 1). De verbinding van den naam „geestelijke” met de dragers van een kerkelijk ambt komt eerst, maar dan slechts voorbijgaand, op bij de Montanisten, die eene kerk van geestelijke menschen wilden. Na de overwinning van het Montanisme aanvaardde de kerk voor hare bisschoppen wel de macht, om de zonden te vergeven en te houden, maar niet den naam van geestelijken. Tot aan het einde der twaalfde eeuw was de gewone naam voor de dienaren der kerk: clerici (klerken), canonici, regulares (regulieren, die naar een bepaalden regel leefden), ecclesiastici of kerkelijken, in tegenstelling met de wereldlijken of leeken. Hierin kwam verandering met Gregorius VII tegen het einde der elfde eeuw. Om de kerkelijke rechtspraak niet alleen van toepassing te doen zijn op de geestelijke goederen, maar ook op alle personen, die als beambten en kloosterlingen in verband met de kerk stonden, voerde paus Gregorius VII den naam „geestelijke” in voor kerkelijke personen en kloosterlingen, om daarmede aan te duiden, dat zij aan het wereldlijk gezag onttrokken en aan de kerkelijke macht onderworpen waren. Dit spraakgebruik werd sedert algemeen in de Grieksche, Latijnsche en Germaansche landen. Luther keurde den naam geestelijke voor dienaren der kerk af, en herstelde het Paulinische spraakgebruik, dat alle geloovigen, die door Christus verlost zijn en heilig leven, geestelijken zijn. Evenwel gebruikte Luther kortheidshalve wel den naam geestelijke voor uitnemende predikanten 2). Tengevolge van de inrichting der consistoriën met hunne onderscheiding van geestelijke (kerkelijke) en wereldlijke (politieke) leden, sloop het oude gebruik, de predikanten geestelijken te noemen, weder in, en mede door dezen naam is de verheffing van de geestelijken boven de leden der gemeente bevorderd.

De Gereformeerden stelden steeds prijs op den naam „dienaren”, om daarmede het dienend karakter van het ambt aan te duiden. De ambten in de kerk dragen niet een heerschappij-voerend, maar een dienend karakter. Er is slechts één heer in de gemeente en deze is Christus. Christus heeft ten behoeve van zijne gemeente het ambt


1 E.Chr. Achelis, Studiën über das geistliche Amt, in Studiën und Kritiken 1889, S. 1-79; Lehrbuch d. Pract. Theologie, Leipzig 1898, I. 61.
2 Luther, Kurze Auslegung über die 25 ersten Psalmen (1530), Erl. 38, 178; Predigten über das erste Buch Mose (1527) 33, 291.

|336|

ingesteld, en daarom mogen de ambtsdragers zich niet aanstellen alsof zij het te zeggen hebben, zij zijn geen heeren, zooals dit in de Roomsche en in de Anglicaansche kerk het geval is, maar zij zijn dienaars van Christus terwille van de gemeente (1 Cor. 3: 22; 2 Cor. 4: 5; Ef. 4: 12).

Omtrent den oorsprong van het ambt zijn er onderscheidene voorstellingen.

Rome leert 1), dat de kerk is „de door Christus op de rots Petrus en het fundament der apostelen en profeten gegronde zichtbare gemeenschap der geloovigen, welke, met het hoofd Christus tot één lichaam verbonden, hetzelfde geloof belijden, dezelfde genademiddelen gebruiken, dezelfde wetten en verordeningen opvolgen, om het rijk Gods op aarde te vormen en het eeuwige leven te bereiken”. Christus heeft aan Petrus de sleutelmacht gegeven. Petrus is het hoofd van de apostelen. En de apostelen en hunne onmiddellijke opvolgers hebben, met toestemming der gemeente, bisschoppen aangesteld, hen gewijd en hen begiftigd met de genadegaven, die zij zelf van de apostelen hebben ontvangen. In zooverre zijn de bisschoppen dus de opvolgers van de apostelen. Zij zijn uitgenomen uit het volk, verre boven hen verheven, en door de overdracht van de apostolische volmacht uitdeelers van de gaven van Christus en rechters over het volk. Aan Petrus was opgedragen de hoogste wetgevende en rechterlijke macht. Deze macht is op zijne opvolgers overgegaan, zoodat de paus als plaatsvervanger van Christus het hoofd der geheele kerk en de vader der Christenen is. Zijn macht is wezenlijk bisschoppelijke macht, zoodat een ieder in alle dingen, in geloof en wandel, in regeering en tucht aan den paus moet gehoorzaam zijn. Door den bisschop dalen de krachten der genade, door Christus verworven, neder op de priesters en het volk, zoodat het volk met betrekking tot de zaligheid geheel afhankelijk is van de priesters. De leden der gemeente hebben geen ander recht dan te gehoorzamen en zonder eenig tegenspreken te vertrouwen op wat de priester leert en voor hen doet.

De gronden, welke de Roomsche kerk voor deze hiërarchische voorstelling van het ambt en de kerkregeering aanvoert, zijn meer geput uit de historie, uit de patres en uit de noodzakelijkheid van de eenheid en orde, dan uit de H. Schrift. De Roomsche kerk beroept zich allereerst op het voorbeeld des O. Testaments, waar onderscheid gemaakt wordt tusschen de priesters en het volk, en de priesters alleen de heilige dingen mochten bedienen. Doch al was er onder Israël een afzonderlijke priesterstand, deze was niet gebonden aan de


1) Schanz, Apologie des Christentums III. 88.

|337|

keuze van den opperpriester, doch aan het geslacht van Aäron, dat door God tot dezen dienst geroepen was (Lev. 10: 11). Van een scheiding tusschen clerus en volk was geen sprake. Israël zelf was een priesterlijk koninkrijk, een heilig volk (Ex. 19: 5, 6), en de profeten hadden het recht, de priesters te bestraffen, wanneer zij afweken van de wet (Jes. 28: 7; Jerem. 5: 31). Bovendien behoorde de priesterschap en het offer tot het gebied der schaduwen, en was slechts tijdelijk tot op de komst van Christus (Hebr. 8-10). In de tweede plaats beroept de Roomsche kerk zich op plaatsen, welke spreken van de grond­legging der kerk en van de eerste plaats, die Petrus onder de apostelen inneemt (Matth. 16: 18; Luc. 22: 32 en Joh. 21: 15-17). Doch het primaat van Petrus is volstrekt niet op deze teksten gegrond, zooals wij vroeger gezien hebben 1). De kerk is niet gegrond op Petrus, maar op Christus (Hand. 4: 12; Rom. 9: 33; 1 Cor. 3: 10; Ef. 2: 20; 1 Petr. 5: 4; Openb. 21: 14). Bovendien wordt in Matth. 16: 18 de sleutelmacht niet aan Petrus alleen gegeven, maar aan al de apostelen, gelijk blijkt uit Matth. 18: 18, en daarom zijn al de apostelen door hunne belijdenis en leer het fundament, of — om bij het beeld te blijven — de rots, waarop Christus zijne gemeente bouwt (Ef. 2: 20). Wel bezat Petrus eene eereplaats onder de twaalven, maar hij ontving niet een ander of hooger ambt, waardoor de anderen van hem afhankelijk waren. Maar al zou Petrus ook een hoogere plaats gehad hebben, hetgeen de Schrift niet leert, dan zou dit nog niets beteekenen voor den paus van Rome. Rome voert hiervoor wel aan, dat Petrus 25 jaren in Rome bisschop geweest is, en dat hij het ambt van bisschop en van primus aan Linus heeft overgegeven, maar deze leering mist voldoenden grond 2). Immers de Christelijke oudheid getuigt wel met eenige zekerheid, dat Petrus in Rome als martelaar is gestorven, maar dat hij bisschop van Rome geweest is, daarvan wordt niets met zekerheid vermeld, en nog veel minder kan worden bewezen, dat Petrus zijn ambt aan den bisschop van Rome heeft overgedragen. Heel de Roomsche voorstelling van het primaat van den paus valt met de leer der H. Schrift, dat oorspronkelijk een presbyter en een episcopus dezelfde functie uitoefenden (Hand. 20: 28). Wel kan gezegd worden, dat de ambten in de kerk eene voortzetting waren van het apostolaat, maar van eene apostolische successie in Roomschen zin weet het N. Testament niets.


1) cf. bl. 67-70.
2) Ewald, Gesch. des ap. Zeitalters, 1858, 616 f.; Harnack, Abhand. d. Berliner Academie I. 240-243, 703-710, Chronologie I. 240, Mission und Ausbreitung, 43; Lipsius d. röm. Bischöfe, 1869, 162 f.; Janvier, Histoire de S. Pierre, prince des apôtres et premier pape, 1888; Livius, St. Peter, Bishop of Rome; or the Roman episcopate of the Prince of the Apostles, 1888; Mirbt, Quellen zur Geschichte des Papstthums 1901; Grisar, Geschichte Roms und der Päpste im Mittelalter, 1902; F. Sieffers, R.E.3 Art. Petrus der Apostel; Dr P. Schanz, Apologie des Christentums, 1906, III, 519-533.

|338|

Eigenlijk steunt ook de Roomsche leer van het ambt en de hiërarchie op de getuigenissen der traditie. De geschiedenis leert, hoe de traditie ontstond, hoe de bisschoppen van de verschillende hoofdsteden voor zichzelf het primaat opeischten en hoe eindelijk Rome’s bisschop, begunstigd door allerlei omstandigheden, door zijn positie in ’s rijks hoofdstad, door listige vervalsching van geschriften enz., den voor­rang in de kerk wist te verkrijgen. En gelijk er getuigenissen uit de patres vóór het Roomsche primaat zijn aan te halen, zoo zijn er ook getuigenissen van geëerde vaders der kerk aan te halen, die den voorrang aan Rome en aan Rome’s bisschop betwisten. Heel de leer van Rome omtrent het primaat en de hiërarchie hangt in de lucht. Heel de leer der zaligheid is hiermee door de Roomsche kerk opge­hangen aan het spinrag van het menschelijk vernuft.

Ook wordt de Roomsche leer van de wettige successie der bis­schoppen nergens in het N. Testament gevonden, maar is daarmede in strijd. Immers 1˚. weet het N.T. niets van een ambtelijk onderscheid tusschen episcopen en presbyters. Ofschoon het woord „episcopus” meer ziet op het werk en „presbyter” op de waardigheid, als ambtsnaam was de naam presbyter met dien van episcopus identisch (Hand. 20: 17, 28). Er waren in de gemeenten meerdere opzieners of episcopen, en dit opzicht houden over de gemeente was aan de pres­byters opgedragen (Hand. 20: 17, 28; 1 Tim. 3: 1-7; 5: 7; 1 Petr. 5: 1-3). Petrus zelf noemt zich medepresbyter; van eene bijzondere instelling van het episcopaat naast de presbyters wordt in het N. Testament niets gesproken. Het N. Testament leert, dat in den Apostolischen tijd in elke gemeente was een college van oudsten, wier namen wel wisselen, maar wier bevoegdheden dezelfde zijn. Eerst in de tweede eeuw begint het hiërarchisch onderscheid op te komen. 2˚. In verband hiermee wordt het duidelijk, dat de zoogenaamde apostolische successie een fictie is, verzonnen om de autoriteit der kerkvorsten te steunen. Terecht hebben de Reformatoren deze Roomsche leer bestreden als in strijd met de autoriteit, die alleen Christus, het Hoofd en den Koning zijner kerk, toekomt. Christus heeft voor zijne hemelvaart beloofd, dat Hij met zijne kerk zal zijn tot aan het einde der wereld. Het werk van den Verheerlijkte zet zich voort, breidt zich uit over de volken, en wordt voltooid bij de eindoverwinning (Matth. 28: 18-20). De apostelen hebben te werken, te prediken, de sacramenten te verkondigen, de verordeningen van Christus te handhaven, maar hij zelf zal in en met hen werken. De boodschapper van het evangelie moge een groot werk hebben te verrichten, maar niet de gezant kan den zegen schenken, maar de Heere, die hem zendt. Het is dus het evangelie zelf, dat in de hand

|339|

van Christus de wereld verovert, en het is niet de drager der goede tijding, die licht en leven verspreidt. Christus zwijgt over de wijze, waarop zijne gezanten elkander hebben op te volgen. Nergens in het N.T. wordt geleerd, dat hij daarvoor ordeningen heeft gegeven. Johannes 20: 19-21, dat gewoonlijk wordt aangevoerd als bewijs voor de waarheid der apostolische successie en de noodzakelijkheid der wijding, geeft hiervoor geen grond. Jezus zendt zijne discipelen uit als zijne gezanten en bekwaamt hen voor het ambt. „Gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook ulieden.” De uitlegging dezer woorden in dien zin, dat de verhouding van de apostelen tot Christus gelijk is aan die van Christus tot den Vader, stuit af op het woord: „Gelijk”. De apostelen hebben alleen de bekwaamheid, om de zonden te vergeven en te houden in verband met de zending, door Christus hun opgedragen, met het Woord van Christus, dat zij prediken. Zij zijn gebonden aan Jezus’ autoriteit en kunnen alleen handelen in zijn naam. Alleen als hun uitspraak is naar Gods Woord, heeft zij in den hemel kracht. Hieruit blijkt, dat Christus is de eenige doctor of leeraar van zijne kerk, en dat hij tot in eeuwigheid de eenige leeraar blijft. Er is dus wel eene successie in de kerk, maar alleen omdat Christus dezelfde blijft en zijn Woord altoos waar blijft en Christus voor de bediening van dat Woord altijd menschen wil gebruiken.

Merkwaardig is het ook, dat nergens in het N. Testament wordt verhaald, dat een apostel eene ordening mededeelde. De vermaning van Paulus (2 Tim. 1: 6): „dat gij opwekt de gave Gods, die in u is door de oplegging mijner handen” heeft evenals zijn herinnering aan Timotheus aangaande de hem geschonken gave (1 Tim. 4: 14) geen betrekking op de ordening, maar op de mededeeling van de gaven. Evenals in 1 Cor. 12: 8 wordt ook hier verondersteld, dat de H. Geest de gaven verleent, maar de Geest bedient zich van de plechtigheid der handoplegging en van het woord, dat daarbij gesproken wordt, om iemand te verzekeren, dat de H. Geest ook geeft, wat Hij belooft. De handoplegging is dan ook niet absoluut, maar relatief noodzakelijk. Paulus spreekt 1 Tim. 2: 2 tot Timotheus: „en hetgeen gij van mij gehoord hebt, onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan getrouwe menschen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leeren”. Er is hier geen sprake van een geheime leer, die slechts aan enkele ingewijden wordt medegedeeld, maar van het Woord des evangelies, dat openbaar is verkondigd. De leer, die Paulus verkondigd heeft, waarvan velen getuige waren, moest Timotheus ook aan anderen mededeelen, en toevertrouwen aan mannen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderwijzen. Zoo wordt het evangelie van geslacht tot geslacht voortgeplant. Hier wordt dus niet gesproken van een

|340|

wijdingsacte of van eene ordening, maar van een overleveren van de leer, die Paulus verkondigd heeft. Op den voorgrond staat bij den apostel niet de functie, maar de leer; niet de bestuurder der kerk, maar de leeraar; niet de aanwijzing of de ordening, maar de geschikt­heid voor het ambt. Nergens wordt ook van de geloovigen geëischt, onderzoek te doen naar de juiste apostolische opvolging, maar om de Schrift te onderzoeken, en te blijven in de leer (Joh. 5: 39; 2 Tim. 1: 13, 14; 3: 14-17). Waarborg voor de zuiverheid der leer is niet de wettige opvolging, maar de trouw aan den Koning der gemeente. Waar het Woord recht verkondigd wordt, wil de Heere zijn kerk bouwen en bewaren.

Luther wees in zijn strijdschrift „von der Winkelmesse und Pfaffen­weihe” (1533) 1) het priesterschap, dat in de kerk was gaan heerschen en zich aanstelde als middelaar tusschen God en den mensch, af op grond van het algemeene priesterschap der geloovigen. Daarmede ontkende hij niet de groote beteekenis van het ambt. Integendeel, omdat het Woord Gods en de sacramenten ordelijk moesten worden bediend (potestas ordinis), omdat de kerk van haar Stichter heeft ontvangen de macht om de zonden te vergeven en te houden (potestas jurisdictionis), moet daarvoor ook eenen dienst worden ingesteld. En omdat er leiding en orde noodig is, is ook een kerkbestuur noodig 2). Om deze macht uit te oefenen, hebben de bezitters van de sleutel­macht van de kerk volmacht ontvangen, welke principiëel allen Christenen toekomt, maar uit kracht van de orde alleen door de ambtsdragers wordt uitgeoefend 3). Alleen hij mag prediken en de sacramenten bedienen, die daartoe wettiglijk is geroepen 4). Het ambt wortelt in de gemeente, uit kracht van de gaven, die God aan de gemeente gegeven heeft. De gemeente moet die gaven leeren kennen en erkennen, en roept de personen tot de bestendige uitoefening van de gave der profetie en leer. Luther zegt in de uitlegging van den


1) Erl. Ausg. 31, 307 ff.
2) „Habet igitur episcopus potestatem ordinis, h.e. ministerium verbi et sacramentorum, habet et potestatem jurisdictionis, h.e. auctoritatem excommunicandi obnoxios publicis criminibus, et rursus absolvendi eos, si conversi petant absolutionem”, Apol. Conf. Aug. Art. 28, § 13. En in de Schmalkald. Art. Fr. de pot. et prim. Papae § 31 wordt gezegd: „Chris­tus heeft zijnen jongeren alleen geestelijke macht gegeven, d.i. hij heeft hun bevolen het evangelie te prediken, vergeving van zonden te verkondigen, de sacramenten uit te reiken en de goddeloozen te bouwen zonder lichamelijk geweld, door het Woord”. „De sleutels zijn niet anders als het ambt, waardoor zulke belofte (van Gods genade in Christus) wordt medegedeeld”. § 24. „Het deelnemen van het kerkbestuur ligt niet in de opdracht van het predikambt.”
3) Porro secundum evangelium seu, ut loquuntur, de jure divino, nulla jurisdictio competit episcopis ut episcopis, h.e. his, quibus est commissum ministerium verbi et sacramentorum, nisi remittere peccata, item cognoscere doctrinam, et doctrinam ab evangelio dissentientem rejicere, et impios, quorum nota est impietas, excludere a com­munione ecclesiae sine vi humana sed verbo. Conf. Aug. art. 28 abus VII.
4) Conf. Aug. art. 14.

|341|

110den Psalm: „Siehe, also und übet ein iglicher Christen solche Priesterwerk. Aber über das ist nu das gemeine Ampt, so die Lehre öffentlich führet und treibt; dazu gehören Pfarrherren und Prediger. Denn in der Gemeinde können sie nich alle des Ampts gewarten; so schickets sich auch nicht, in einem iglichen Hause zu täufen und das Sacrament zu reichen. Darum muss man etliche darzu auswählen und ordnen, so zu predigen geschikt, und darzu in der Schrift sich üben, die das Lehrambt führen, und dieselbe vertheidigen können; item, also die Sacrament von wegen der Gemeinde handeln, damit man wisse, wer da getauft worden sei, und alles ordentlich zugehe. Sonst würde langsam eine Kirche werden, oder bestellet werden, wo ein iglicher Nachbar dem andern predigte, oder untereinander ohn Ordnung Alles thäten. Solches ist aber nicht der Priesterstand an ihm selbst, sondern ein gemein öffentlich Ampt für die, so da alle Priester d.i. Christen sind” 1). Luther ontkende niet, dat Christus het ambt heeft gewild, maar hij ontkende, dat het ambt is eene instelling Gods. Dat is bij Luther daaruit te verklaren, omdat hij niet genoeg oog had voor het sociologisch element in de kerk, dat namelijk de geloovigen den drang in zich voelen om zich te vereenigen en zich naar den wil van Christus, den Koning der kerk, te organiseeren. Hij had slechts in zoover belang bij de zichtbare kerk als deze hem bood de zaligheid door de bediening van Woord en sacrament. De overheid heeft den plicht en het ambt, het Christelijke geloof rein te bewaren en de rechtsorde der kerk te handhaven. Luther handhaafde terecht tegenover Rome het algemeene priesterschap der geloovigen, maar hij vertolkt niet de volle gedachte der Schrift, wanneer hij zegt, dat het ambt handelt namens de kerk, en dat het zijn mandaat heeft van de kerk 2). Want ook al berust de uitoefening van het ambt op de gaven, en op de roeping der gemeente, het is toch Christus, die de gave schenkt, en die zelf door de roeping der gemeente stelt in het ambt.

Deze voorstelling van Luther werd eenzijdig uitgewerkt door de collegialistische theorie, dat het ambt door de gemeente aan de ambtsdragers terwille van de uiterlijke orde werd overgedragen. Later is dit geleerd door Schleiermacher, Höfling 3), Harlesz, C.J. Nitzsch, Richter 4) e.a. Höfling zegt, dat de gemeente oorspronkelijk de bezitster is van de opdracht, om te leeren en de sacramenten te bedienen, en


1) Harlesz, Kirche und Amt, Stuttgart, 1853, 16; Thomas, Die Anschauungen der Refor­matoren vom geistl. Amte, Leipzig, 1901; P. Tschakert, Die Entstehung der lutherischen und der reformierten Kirchenlehre, Göttingen, 1910, 360; K. Köhler, Lehrbuch des Deutsch-Evang. Kirchenrechts 1905, 159.
2) Luther, Erl. Ausg. 21, 281; 27, 235; 17, 250; E. Chr. Achelis, Lehrb. d. Prakt. Theologie, Leipzig, 1898, I. 71 f.
3) Höfling, Grundsätze lutherisch evangelischer Kirchenverfassung, Erlangen, 1853.
4) Richter, Geschichte der Prot. Kirchenverfassung S. 54.

|342|

dat krachtens overdracht door de gemeente een zelfstandig orgaan of een geestelijke stand is gekomen. Wel zijn de functiën, het prediken enz. van God, maar het ambt niet. Tegenover dit collegialistisch begrip van het ambt hebben Th. Kliefoth, W. Löhe, A. Villmar en F.J. Stahl de goddelijke instelling van het ambt gehandhaafd 1).

De Gereformeerden hebben gemeen met de Lutherschen, dat zij geen afzonderlijken stand van geestelijken kennen in onderscheiding met de leeken, maar zij onderscheiden zich van hen, door op de goddelijke instelling van het ambt sterken nadruk te leggen. Het ambt is van den beginne aan in de kerk geweest, is met haar geboren, wijl het voor haar noodig is (Ef. 4: 11). Gelijk Christus door den Vader gezalfd is als de hoogste Profeet en Leeraar, om zijne gemeente te leeren, als de eenige Hoogepriester om haar te verlossen en als de eeuwige Koning om haar te regeeren en te verzorgen, zoo wil Christus zijne gemeente onderwijzen door het leeraarsambt, haar leiden door het diakenambt. Oorspronkelijk waren deze diensten vereenigd in het ambt der apostelen, maar weldra bleek het noodig, dat voor de verschillende diensten afzonderlijke personen in de gemeente werden aangewezen. En toen de buitengewone gaven terugtraden, bleef naar goddelijke ordinantie de leiding der plaatselijke kerk bij de herders en leeraars, die het Woord en de sacramenten bedienden en met de opzieners de gemeente leidden en verzorgden, terwijl het werk der barmhartigheid werd opgedragen aan de diakenen 2).

Het ambt in de kerk is noodzakelijk: a. Omdat Christus het noodig gekeurd en ingesteld heeft 3). Christus zou zijne kerk ook wel hebben kunnen regeeren zonder den dienst van menschen, maar het heeft hem niet behaagd. Hij heeft, om de geloovigen te vergaderen en zijn koninkrijk te doen komen, het instituut der kerk in het leven ge­roepen en aan dat instituut zijne dienaren gegeven tot de volmaking der heiligen en den opbouw van het lichaam van Christus (Ef. 4: 10, 11; 2 Cor. 5: 19; Rom. 10: 15). b. Omdat het werk der bediening, de prediking des Woords, de bediening der sacramenten en de handhaving van de orde en de tucht, noodig is. Er moeten predikers zijn om het evangelie der genade uit te dragen onder de menschen (Rom. 10: 14, 15); er moeten opzieners zijn, opdat de gemeente geleid en verzorgd worde, en orde en tucht in de gemeente worde gehand­haafd; er moeten ook diakenen zijn, opdat voorkomen worde, dat


1) F.J. Stahl, Die Kirchenverfassung nach Lehre und Recht der Protestanten, Erlangen, 1862, S. 424.
2) A.T. Mc Gill, Church Government, Philadelphia 1888, p. 226. Zie verder over den oorsprong van de ambten § 7 van dit werk: Het leven en de organisatie der kerk in de Apostolische eeuw.
3) Voetii, P.E. II, 213.

|343|

in de gemeente gebrek geleden wordt, en opdat den nooddruftigen bijstand en steun worde verleend, en den hulpbehoevenden liefde en troost worde geboden. c. Omdat de kerk op aarde is een strijdende kerk, en zij bestendig onderwijzing en leiding noodig heeft. In haar woont de zonde, de geloovigen zelf zijn zondaren, en daarom kan zij de leiding, de vermaning en de vertroosting niet ontberen. Wanneer de lippen der trouwe getuigen zouden verstommen, zou het volk worden ontbloot van de rechte kennis van den zegen en het waarachtig welzijn der gemeente zou worden geschaad (Spr. 29: 18; Matth. 9: 36-38). d. Opdat de gemeente kan beantwoorden aan hare roeping. Het evangelie moet verkondigd worden, het recht en de ontferming van Christus moet in en door de gemeente worden geopenbaard, opdat het evangelie werke als een zuurdeeg, dat heel het volksleven doorzuurt. En voorts wil Christus door de ambtelijke bediening zijne gemeente toebereiden tot den dag der overwinning van Satan en zijn rijk, opdat Gods koninkrijk kome, en eenmaal alle macht en kracht aan Christus zal zijn onderworpen en Hij als Koning zal heerschen tot in eeuwigheid.

De noodzakelijkheid van het ambt is en wordt door velen miskend. Reeds in de oude Christelijke kerk wilden de Montanisten en de Donatisten de vrijheid der profetie handhaven en verzetten zij zich tegen het streven, om de leer en het bestuur te binden aan het ambt. Op grond van het inwendige licht verwierpen zij ambt en gezag in de gemeente. Deze gedachten en idealen bleven leven als een verborgen onderstrooming in de kerk en kwamen tot openbaring bij de Geest­drijvers in de Middeleeuwen, bij de Anabaptisten, bij Sebastian Franck, Schwenckfeld en anderen. Zeer sterk kwam dit gevoelen uit bij de Kwakers. Zij leerden een onzichtbare kerk, bestaande uit de ware leden van het lichaam van Christus, allen verlichten en geheiligden, die in en buiten alle kerken worden gevonden. De inwendige ver­lichting stellen zij boven de H. Schrift. Daarmede is ook de beteekenis van de historisch geïnstituëerde kerk en van de uitwendige vormen vervallen. Deze zijn in tegenspraak met de aanbidding Gods in geest en waarheid, en moeten evenals alle uitwendige ceremoniën en vormen worden verworpen. Het ambt is niet gebonden aan bepaalde personen, en ieder, die door den Geest Gods wordt gedreven, hetzij man of vrouw, kan het ambt uitoefenen. Theologische vorming of geleerdheid is niet noodig en alle prediking moet om niet geschieden. Een eigenaardige uitwas der Kwakers zijn de Woodbrookers, die, af­keerig van het ambt, van oordeel zijn, dat elk lid der Vereeniging leerend en stichtend kan optreden. Ook de Darbisten verwerpen een organisatie der kerk, en daarmede ook het ambt. Alle geloovigen zijn

|344|

priesters en mogen daarom ook prediken en de sacramenten bedienen.

De miskenning der noodzakelijkheid van het ambt vloeit voort uit misverstand van de H. Schrift. Men beroept zich op het woord van Jezus: „Ik ben met ulieden tot aan de voleinding der wereld” (Matth. 28: 20), en op het woord van Ezechiël 34, waar de Heere de ontrouwe herders bestraft en zegt, dat Hij zelf zijne kudde zal zoeken en weiden met oordeel. Maar dit beroep faalt, omdat de Heere zelf (Ezech. 34: 23) een herder belooft, die het volk zal weiden, en omdat Jezus zelf zijne apostelen zendt en dezen opdraagt, opzieners aan te stellen over de gemeente (Matth. 28: 19; Ef. 4: 11; 1 Petr. 5: 3). Het feit, dat het evangelie overal, aan alle volken, moet verkondigd worden, eischt dat er ook altijd predikers des Woords moeten zijn. Ook beroept men er zich op, dat de Geest het moet doen, dat de Geest in alle waarheid leidt (Joh. 16: 13) en dat er daarom geen dienaars behoeven te zijn. Maar men vergeet, dat de Heere in Joh. 16 spreekt tot de apostelen, die hij als organen der Godsopenbaring in alle waarheid zal leiden, zoodat zij het Woord Gods recht zullen kennen en te boek kunnen stellen. En hieruit volgt voor de kerk, dat de Geest in de tegen­woordige bedeeling geen nieuwe openbaring naast de H. Schrift zal geven, maar dat de Geest de eenmaal gegeven openbaring bij den voortduur zal verduidelijken en toepassen. Wij zijn voor deze bedeeling gebonden aan het Woord Gods, en hebben door de apostelen gemeen­schap met Christus (1 Joh. 1: 1-4). Hiermede is de geestdrijverij veroordeeld. Evenwel is in dat woord van Christus de belofte opgesloten, dat de Geest de gemeente zal inleiden in de H. Schrift, zoodat zij de waarheid recht zal kennen.

Als argument tegen de noodzakelijkheid van het ambt voerden Schwenckfeld en anderen aan hetgeen Paulus schrijft 2 Cor. 3: 6: „die ons ook bekwaam gemaakt heeft om te zijn dienaren des nieuwen testaments, niet der letter, maar des Geestes, want de letter doodt, maar de Geest maakt levend”. Doch de apostel heeft hier niet het oog op de letter der Schrift, achter welke een diepere of geestelijke zin verborgen is, alsof hij wilde zeggen, dat de uitwendige letter of de prediking geen waarde had, maar hij heeft het oog op het oude verbond in tegenstelling met het nieuwe. Het oude verbond was dat der letter, wijl het als de geschrevene wet was afgekondigd, om de bondgenooten den plicht voor te houden. Het was wel goddelijk van afkomst en inhoud, maar het lag niet in het karakter der wet, om tot het binnenste door te dringen als een levendmakend beginsel, omdat de wet niet anders doet dan eischen en den overtreder veroordeelen. Doch de Geest gaat verder, schrijft de wet in het binnenste, beweegt tot gehoorzaamheid en liefde, maakt den zondaar vrij, en heiligt hem

|345|

in ’s Heeren dienst. Ook staat niet in 2 Cor. 3: 6, dat de letter dood is, maar de letter, d.i. de Oudtestamentische wet, doodt, veroordeelt den overtreder, werpt den zondaar neer, overtuigt hem, dat hij des doods waardig is, doch de Geest maakt levend, en schenkt den troost van de vergeving der zonden. Doch hieruit kan niet afgeleid worden, dat de prediking des evangelies en het ambt niet noodig is. Want Paulus zelf verklaart, dat zijn werk niet ijdel is geweest, dat God krachtig door hem en zijn medeapostelen wrocht (1 Cor. 15: 10; Gal. 2: 8; Rom. 15: 15-21), dat het evangelie is een kracht Gods tot zaligheid (Rom. 1: 16; 1 Petr. 1: 25). Het is wel waar, dat het de Geest van God is, die levend maakt, die het Woord moet toepassen en heiligen, zal het goede vrucht voortbrengen, maar de eerste oorzaak heft het gebruik der middelen niet op. De Dordtsche Leerregels (III, 17) belijden zoo schoon: „Gelijk ook die almachtige werking Gods, waardoor Hij dit ons natuurlijk leven voortbrengt en onderhoudt, niet uitsluit, maar vereischt het gebruik der middelen, door welke God naar zijn oneindige wijsheid en goedheid deze zijne kracht heeft willen uitoefenen; alzoo is het ook, dat de voormelde bovennatuurlijke werking Gods, waar­door Hij ons wederbaart, geenszins uitsluit noch omstoot het gebruik des Evangelies, hetwelk de wijze God tot een zaad der wedergeboorte en spijze der ziel verordineerd heeft”. Men mag niet scheiden die dingen, „die God naar zijn welbehagen heeft gewild, dat te zamen gevoegd zouden blijven. Want door de vermaningen wordt de genade medegedeeld; en hoe vaardiger wij ons ambt doen, des te heerlijker vertoont zich ook de weldaad Gods, die in ons werkt, en zijn werk gaat dan allerbest voort”. Evenals God een regel gesteld heeft in het natuurlijke leven, dat de hand des vlijtigen rijk maakt (Spr. 10: 4) en dat, die niet werkt, ook niet zal eten (2 Thess. 3: 10), zoo is het ook in Gods koninkrijk. De gemeente verarmt en verkwijnt, wanneer er geen trouwe herders zijn. Ook wordt de gemeente vermaand, hare voorgangers gehoorzaam te zijn, en naar hun woord te luisteren, (1 Thess. 5: 12; Hebr. 13: 17), zoodat wie de dienaren van Christus verwerpt, Christus zelf verwerpt. Al moge dan het minachten van het ambt veelvuldig voorkomen uit een verkeerd verstaan van de Schrift, het verraadt ook gebrek aan nederigheid, en geeft blijk van het hoogmoedig bestaan van den mensch, dat zich niet onderwerpt aan de ordeningen des Heeren.

De H. Schrift leert ons duidelijk, dat de Heere het ambt heeft in­gesteld, om zijne gemeente te vergaderen, te regeeren en te verzorgen. De apostelen beroepen zich op hunne zending van Godswege, en ontleenen aan hun roeping macht en autoriteit. Zij zijn dienaren van Christus (Rom. 1: 1; Gal. 1: 10; Col. 1: 7), gezanten van Christus

|346|

(2 Cor. 5: 20), die het evangelie, dat hun is toebetrouwd, verkondigen (1 Cor. 4: 1). Ook de gewone ambten zijn door Christus gegeven (Ef. 4: 11; 1 Cor. 12: 5, 28). Van de ouderlingen in Efeze wordt gezegd, dat zij door den Geest tot opzieners der kudde zijn aangesteld (Hand. 20: 28). Al is het dan ook zoo, dat al de geloovigen zijn ge­roepen, om als profeten, priesters en koningen den Heere te dienen, de Heere heeft voor de leiding en verzorging der gemeente, voor de prediking des evangelies en voor het betoon der barmhartigheid bij­zondere diensten gegeven, met een bijzondere zending en opdracht.

Het goddelijk karakter van het ambt is niet alleen beperkt tot de apostelen en profeten, maar ook de wettig door de kerk geroepene dienaren zijn dienaren van Christus. Want het woord, door Christus gesproken bij de uitzending der apostelen: „Ziet, Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld” (Matth. 28: 19), ziet niet alleen op hunne personen, maar ook op alle bedienaren des evangelies, die geroepen zijn om te onderwijzen en te doopen. En de apostel Paulus vermaant Timotheus: „En hetgeen gij van mij gehoord hebt, betrouw dat aan getrouwe menschen, welke bekwaam zijn om ook anderen te leeren” (2 Tim. 2: 2), gelijk hij ook Titus beveelt, dat hij van stad tot stad ouderlingen zou aanstellen (Tit. 1: 5). Voorts zegt Paulus tot de opzieners van Efeze, dat na zijn vertrek zware wolven zouden inkomen tot de gemeente en dat daarom de opzieners moeten waken, hetgeen er op wijst, dat de opzieners na de apostelen de wacht moeten houden over de gemeente.

De Gereformeerden hebben er altoos nadruk op gelegd, dat de kerke­lijke roeping is eene roeping Gods. Naar de voorstelling van Calvijn berust de kerkelijke macht bij de gemeente. Doch die macht wordt niet uitgeoefend door alle geloovigen gezamenlijk, maar door de organen der gemeente. Maar al is het ook de gemeente, die de ambts­dragers kiest, de roeping en de aanstelling komt van Christus. In overeenstemming hiermede wordt in het „Formulier om te bevestigen de Dienaren des Woords” gevraagd aan den te bevestigen leeraar „Of gij gevoelt in uw hart, dat gij wettiglijk van Gods gemeente, en mitsdien van God zelven, tot dezen heiligen dienst geroepen zijt?” En de Gereformeerde confessies spreken eenstemmig in denzelfden geest. Het meest uitvoerig wordt over het ambt gehandeld door de Tweede Helvetische Confessie. Deze belijdenis verklaart, dat de dienaren des Woords niet historisch, maar virtueel opvolgers zijn van de apostelen, en dat hun gezag alleen afhangt van het Woord Gods, dat zij verkondigen. Als dienaren deugen alleen dezulken, die homines idonei, eruditione justa et sacra, eloquentia pia, prudentiaque simplici, denique moderatione et honestate vitae insignis zijn, en die

|347|

vocentur et eligantur electione ecclesiastica et legitima i.e. eligantur religiose ab ecclesia, vel ad hoc deputatis ab ecclesia, ordine justo et absque turba, seditionibus et contentione. En van de macht der dienaren wordt gezegd: Proinde potestas ecclesiastica ministrorum ecclesiae est functio illa, qua ministri ecclesiam Dei gubernant quidem verum omnia in ecclesia sic faciunt, quemadmodum verbo suo prae­scripsit dominus; quae cum facta sunt fideles tamquam ab ipso domino facta reputant (art. 18). God roept zijne dienaren door middel van zijne gemeente tot het ambt. Het is Christus zelf, die het ambt verordend heeft, die roept tot het ambt en tot het vervullen der ambtelijke bediening bekwaamt. Wanneer de dienaren der kerk naar het Woord van Christus de gemeente leeren, verzorgen en leiden, dan moet de gemeente hun om Christus’ wil gehoorzamen en volgen. Aan het Woord Gods zijn de dienaar en de gemeente onderworpen. Waar naar het Woord wordt geleerd en geleefd, daar komt de heerschappij van Christus in zijne kerk tot haar recht.

Hierdoor wordt ook het gezag van het ambt bepaald. De dienaren der gemeente worden genoemd gezanten Gods (2 Cor. 5 :20), engelen (Openb. 2, 3), uitdeelers der genade Gods (1 Cor. 4: 1), mannen Gods (2 Tim. 3: 17), leidslieden en voorgangers der gemeente (1 Thess. 5: 12, 17). Hun is gegeven de opdracht, om in ’s Heeren naam het Woord Gods te verkondigen, om het „wel” en het „wee” den menschen op het hart te binden, met de nadrukkelijke verzekering, dat God naar dat Woord beide in dit en in het toekomende leven oordeelen zal, zooals Christus sprak: „Wie u hoort, die hoort mij, en wie u ver­werpt, verwerpt mij, en wie mij verwerpt, die verwerpt dengene, die mij gezonden heeft” (Luk. 10: 16).

Maar dit gezag van het ambt is niet een onafhankelijk gezag, doch het is gebonden aan Christus, wien alle macht gegeven is in den hemel en op de aarde (Matth. 28: 18), die het hoofd is zijner ge­meente (Ef. 1: 22) en die zelf ambten en bedieningen heeft ingesteld (Ef. 4: 11). Er is in de kerk slechts één gezag, en dat is het gezag van Christus. De regeering der kerk is monarchaal, omdat Christus is het leven der gemeente, omdat hij door den Vader is aangesteld tot Koning. Recht, om te bevelen, komt in de kerk aan geen enkelen mensch toe. Er is in de kerk geen ander souverein dan Christus. De gemeente heeft maar één Koning en Wetgever, en naar het woord des Konings moet worden gepredikt en gehandeld, voor dat Woord moet heel de gemeente buigen. Souvereine hoogheid in de kerk onder menschen te zoeken is ontkennen, dat Jezus Koning is, of dat hij nog inderdaad macht op aarde rechtstreeks uitoefent. Om die reden is het ambt altoos dienend, en moet het uitvoeren, wat Christus heeft

|348|

verordend in zijn Woord. Christus is het, „die den sleutel Davids heeft, die opent en niemand sluit, en hij sluit en niemand opent” (Openb. 3: 7). „Deze macht”, zoo belijdt de Tweede Helvetische confessie, „behoudt de Heere voor zichzelven, en draagt Hij aan niemand anders over, zoodat Hij vervolgens een ledig toeschouwer is, terwijl zijne dienaars werken.” „Want de regeering legt Hij niet aan anderen op de schouders, maar Hij behoudt en gebruikt tot nu toe zijne macht, doordat Hij alles regeert. Een andere macht is daarentegen die van het ambt, of de dienende macht, bepaald door Hem, die het volle gezag uitoefent.” „Want een heer geeft aan zijnen huisverzorger macht in zijn huis, en geeft de sleutels, waarmede hij toelaat in het huis of uitsluit uit het huis, welke de heer wil, dat toegelaten of buiten­gesloten worden. Volgens deze macht handelt de dienaar volgens de opdracht, die hij naar het bevel van den Heere heeft te volbrengen, en de Heere keurt goed, wat hij doet, en hij wil dat de handeling van zijn dienstknecht ook als de zijne worde geacht en erkend.” (Art. 18.)

De macht van de kerk is geestelijk en zedelijk van aard. Zij beoogt het evangelie te laten werken als een zuurdeeg, opdat de mensch als mensch Gods worde toebereid voor den dienst en de verheerlijking Gods, opdat Gods koninkrijk kome, en in de verschillende levens­kringen naar het recht Gods worde geleefd. Daarom mag de kerke­lijke macht niet op één lijn gesteld worden met de wereldlijke macht. De overheid is door God ingesteld uit oorzaak der verdorvenheid des menschelijken geslachts, opdat de ongebondenheid des menschen bedwongen worde en het alles met goede orde onder de menschen toega. Met het oog hierop is aan de overheid het zwaard in handen gegeven tot straf der boozen en bescherming der vromen. De over­heid heeft dus dwingend gezag en bedient zich desnoods van geweld, om den onwillige onder het recht te buigen. De kerkelijke macht evenwel oefent invloed uit door het evangelie. Zij wil ook den mensch onderwerpen aan het recht Gods, maar niet door geweld, doch door liefde. Zij beoogt den innerlijken mensch te bewerken, opdat de mensch uit vrije overtuiging zich buige onder het juk van Christus. Ook de kerkelijke macht spreekt een oordeel uit, zij verkondigt de vrijspraak van schuld en de vergeving der zonden aan den boet­vaardigen zondaar, en veroordeelt den onboetvaardige en sluit hem buiten het koninkrijk der hemelen, maar zij dwingt nooit met uiter­lijke straf. Zij spreekt het oordeel uit in Jezus’ naam en geeft het eindoordeel in Jezus’ handen.

Ook wil de kerkelijke macht niet heerschen over het natuurlijke. Zij wil de orde der natuurlijke dingen niet omkeeren. De natuurlijke dingen zijn op zichzelf goed, maar zij zijn onder de overheersching

|349|

van het kwade gekomen, en nu is Christus gekomen, niet om het natuurlijke te vernietigen of te onderdrukken, maar om de werken des duivels te verbreken (1 Joh. 3: 8) en het schepsel te reinigen en te heiligen. Aan elk schepsel is een eigen levenswet ingeschapen, en daarom mag in de onderscheidene levenskringen van maatschappij en van staat, van huisgezin en school, van kennis en kunst het recht en de orde, door God gesteld, niet worden gekrenkt. De Heere Jezus heeft deze orde geëerbiedigd, heeft de overheid erkend (Matth. 17: 24; 22: 21), en gepredikt, dat zijn koninkrijk niet komt met uiterlijk ge­laat, dat zijne discipelen niet met het zwaard mogen optreden in hunnen ijver voor het koninkrijk Gods (Joh. 18: 10; Matth. 26: 52). Het evangelie verbreekt de natuurlijke orde niet, laat een iegelijk blijven in de roeping, in welke hij geroepen werd (1 Cor. 7: 12-24; 1 Thess. 4: 11) en vraagt van den Christen om gehoorzaam, matig, kuisch, heilig en godzalig te wandelen in dit aardsche leven. Het wil niet omkeering, niet mijding, niet ontvluchting van de wereld, maar heiliging des levens en overwinning der wereld (Matth. 13: 33; 1 Joh. 5: 4). Hieruit vloeit voort, dat de kerkelijke macht niet alleen beoogt de verzorging der zielen, maar eveneens de handhaving van orde en tucht in de kerk en tevens de doorwerking van het evan­gelie voor geheel het leven. De kerk is niet heilsinrichting, maar eene gemeenschap der heiligen, in welke de H. Geest woont en door welke Christus mede zijne koningsmacht op aarde openbaart.

Dit laatste heeft de Roomsch-katholieke kerk recht verstaan, maar zij heeft de grenzen van het der kerk toegewezen gebied overschreden, en het natuurlijke leven geknecht onder de macht van de kerk. In de middeleeuwen werd de gedachte uitgewerkt, die reeds lang de leidende geesten in de kerk had aangegrepen, dat het Godsrijk zijn uitwendige gestalte heeft in de kerk, welke is een hemelsch rijk, en dat daarom de machthebbers der wereld moeten opgaan in het hemelsche rijk, en regeeren bij de gratie van de plaatsvervangers van Christus. De paus is niet alleen heer der kerk, wetgever en rechter in geestelijke zaken, maar naar de idee is hij ook de vorst van het aardsche godsrijk, de bezitter van de hoogste macht op aarde, de leenheer van den keizer, de gebieder van alle vorsten, die ten dienste van de kerk en den paus hun regeeringsmacht moeten aanwenden. Zoo overschreed de macht in de Roomsche kerk de grenzen van het geestelijk en zedelijk terrein, kreeg weldra een juridisch karakter, en wilde haar recht doen gelden op elk levensgebied. Daartoe onderscheidt de Roomsche kerk tusschen twee zijden van de kerkelijke macht, waarvan de eene werkt op het gebied van het inwendige (potes­tas ordinis of sacramentalis) en de andere (potestas jurisdictionis)

|350|

op het gebied van het uitwendige leven. De potestas ordinis of de wij­dingsmacht wordt aan een priester door de kerkelijke wijding of de orde­ning, waardoor iemand priester wordt, overgedragen en stelt hem in staat bepaalde kerkelijke handelingen te verrichten, de sacramenten te bedienen, te leeren, enz. De potestas jurisdictionis of de juridische macht is de bevoegdheid, om bepaalde kerkelijke diensten uit te oefenen. Zulk een macht ontvangt iemand door de kerkelijke zending, en wordt iemand geschonken door de beslissing van den paus of van den bisschop. De Catechismus Romanus zegt hiervan (P. II): „De kerkelijke macht is tweeërlei, de wijdingsmacht en de juridische macht. De wijdingsmacht heeft betrekking op het ware lichaam van Christus den Heere in de hoogheilige eucharistie. De juridische macht evenwel bepaalt zich geheel tot het mystieke lichaam van Christus. Want zij beoogt het Christelijke volk te regeeren en te besturen, en tot de eeuwige hemelsche zaligheid te richten” c. 11. „De potestas ordinis (de wijdingsmacht) behelst niet alleen de kracht en de macht om de eucharistie te wijden, maar zij bereidt ook de zielen der menschen voor, om haar te ontvangen, en maakt hen geschikt en bevat ook alle overige zaken, die op een of andere wijze tot de eucharistie kunnen gerekend worden” c. 12. De juridische macht is de grondslag van de kerkelijke machtsoefening. Ofschoon de ordening of de wijding van een geestelijke tot het ambt beslist noodig is en zelfs als een sacrament wordt gerekend, is de uitoefening van de macht geheel afhankelijk van de zending. Om die reden is ook door het Vaticaansch concilie, in de constitutie van den Roomschen paus, c. 4, het kerkelijke leerambt gerekend tot de juridische macht. Elk leerambt, dat beoogt godsdienst of theologie te onderwijzen, vereischt een bisschoppelijke zending, en dit recht kan ten allen tijde den leeraar ontnomen worden. En ook wanneer de paus uitspraak doet in een leerstuk, dan is deze beslissing een handeling van de juridische macht. En niet alleen deze onfeilbare pauselijke afkondiging van dogmata, maar ook de prediking, de bediening des Woords, is bij Rome geen prediking in Gereformeerden zin, maar een openlijke verklaring der leer, welke het geweten bindt, en tot geloof verplicht. Om deze juridische macht in het lichaam der kerk te kunnen uitoefenen, heeft de kerk, zoo zegt Rome, ook noodig macht over de uitwendige middelen, bezit zij een wetgevende, oordeelende en dwingende macht. Christus heeft aan zijne kerk de hoogste wetgevende macht gegeven. Wanneer de paus spreekt, dan is het evengoed als wanneer Christus spreekt, en daarom bezit hij het hoogste leerambt, is hij de hoogste onfeilbare rechter, en moeten allen hem gehoorzaam zijn, gelijk als men Christus moet volgen (Vatic. L. c. c 4). Ook heeft de kerk een

|351|

dwingende macht, en kan niet alleen geestelijke straffen opleggen, maar ook tijdelijke en lichamelijke, en dat niet op gezag van den staat, maar rechtstreeks en op eigen autoriteit.

Rome grondt deze macht voornamelijk in de woorden van Jezus (Matth. 16: 18; 18: 18; Joh. 21: 15 v. en Luk. 22: 31 v.). Alle geeste­lijke en wereldlijke macht zetelt in Christus, zeggen de Roomschen, en hij heeft haar uitgeoefend (Joh. 2: 25; Matth. 22: 12; 28: 19) en haar overgedragen aan de apostelen en hunne opvolgers. Krachtens de leer van de twee zwaarden is alle macht in het wereldlijke in de handen van den paus gelegd, en is de paus de stedehouder van Christus op aarde. Doch wij hebben reeds vroeger gezien, dat Rome deze woorden verkeerd gebruikt en geen recht heeft, haar leer op genoemde woorden te gronden. Ook beroept Rome zich voor de macht der Kerk op Rom. 13: 1: „Alle ziel zij den machten over haar gesteld onderworpen,” enz., maar het is duidelijk, dat de apostel hier het oog heeft op de wereldlijke overheid. Verder wordt door Rome aan­gevoerd het woord van Jezus: „De Schriftgeleerden en de Farizeërs zijn gezeten op den stoel van Mozes, daarom al wat zij zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het” (Matth. 23: 2), om daarmede te betoogen de absolute gehoorzaamheid, aan de geestelijkheid ver­schuldigd. Maar dat met dit woord niet bedoeld wordt, dat de Joden onvoorwaardelijk de Schriftgeleerden moesten volgen, betoogt Jezus elders, waar hij zegt (Matth. 16: 6): „Ziet toe en wacht u van den zuurdeesem der Farizeërs en Schriftgeleerden”, en (Matth. 15: 14) „Laat ze varen, zij zijn blinde leidslieden der blinden”, en Matth. 23: 13-36, waar het wee over de verkeerde leidslieden des volks wordt uitgesproken. Het Woord des Heeren wijst altijd naar den Zender terug. Indien de gezanten Gods spreken naar ’s Heeren Woord, dan zal hun woord bestaan, dan moet hun woord worden aanvaard als Gods Woord (Deut. 17: 10, 11; 18: 22; 1 Petr. 4: 11). God is de bron van alle gezag, en alleen dan heeft het woord en de macht der kerk klem op het geweten, wanneer ze zich gronden in het Woord van God.

Terecht heeft dan ook de Reformatie der zestiende eeuw de leer van het Roomsch-pauselijke kerkrecht verworpen, en de autoriteit van Gods Woord daarvoor in de plaats gesteld. De kerk is een geestelijk rijk, in hetwelk geen ander hoofd kan zijn dan Christus, geen ander bestuur dan dat van Christus. Om die reden kunnen de dienaren alleen macht uitoefenen in opdracht van Christus, naar zijn Woord en in verband met de gemeente. Zij zijn bij de uitoefening van hun werk geheel gebonden aan het Woord van Christus. Christus is een heerlijk Koning, die wil, dat de geloovigen Hem uit liefde

|352|

dienen. Hij dwingt niemand Hem te dienen, maar Hij beweegt zijn volk door zijn Geest en Woord, en maakt, dat zijn volk uit vrije en geheel bewuste liefde zijn Koning dient. Daarom moeten de ambts­dragers in naam van Christus zijn recht voorstellen, zijn evangelie verkondigen en overeenkomstig het evangelie de overtuiging des volks bewerken, opdat Christus worde gediend. Het ambt moet het volk altoos plaatsen voor de majesteit van Christus, opdat zijne liefde de harten bewege, om hem alleen te dienen. Waagt een dienaar buiten Gods Woord om eene wet op te leggen aan de gemeente, dan wordt daarmede het recht van den Koning der kerk aangetast, dan kan en mag het woord van den ambtsdrager de gemeente niet binden. Maar onttrekt zich de gemeente aan het gezag des Woords en wil zij heerschen, dan komt er revolutie, en mag de dienaar niet toegeven, maar moet hij het gezag van Christus handhaven, en de ongehoorzamen op geestelijke wijze straffen, naar den regel van de Christelijke tucht. Alleen dan, wanneer de dienaren en de geloovigen blijven bij het Woord des Heeren, wordt de koningsmacht van Christus recht uitgeoefend, en wordt de Christelijke vrijheid gehandhaafd.

Ter oorzake van de zonde kan de gemeente, zoolang zij op de aarde leeft, niet zonder het ambt en zonder het gezag, dat organisch van uit Christus door de ambtsdragers werkt. In den staat der heerlijkheid valt ambt en bediening weg, en is Christus onmiddellijk Koning. Maar thans zijn ambten en bedieningen in de gemeente noodig. Wij kunnen de wijsheid en de goedheid van onzen Koning, die Hij hierin openbaart, niet genoeg danken. Maar tevens moet het ons tot ootmoed stemmen, omdat het ambt ons herinnert aan onze kleinheid en ons gebrek, en ons voor oogen houdt, dat wij hier niet tot de volmaakt­heid komen, en dat de kerk op aarde zich niet anders dan gebrekkig kan openbaren. Laten ook zij, die door God met vele gaven begiftigd zijn, en die hoog geplaatst zijn onder de menschen, dit erkennen, opdat zij zich gewillig aan de leiding van het ambt onderwerpen. Het moge zijn, dat er in de gemeente zijn, die in kennis en godzalig­heid een ambtsdrager overtreffen, maar niemand mag in de kerk leeren, regeeren en de tucht oefenen dan die daartoe geroepen is (Hebr. 5: 14; Rom. 10: 15; 2 Tim. 4: 14).

In verband hiermede wordt terstond duidelijk, hoe heerlijk en veel­omvattend het werk van den gezant van Christus is, maar ook hoe moeilijk het is, de bediening van het ambt naar behooren te vervullen. Wij willen echter later, bij de behandeling van de afzonderlijke ambten, hierover spreken.

Bouwman, H. (1928) § 29

|353|

§ 29. Buitengewone en gewone ambten.

Na de behandeling van het ambt als zoodanig komen wij tot de onderscheidene diensten in de kerk. Wij kunnen onderscheid maken tusschen de buitengewone en de gewone ambten.

Tot de buitengewone kunnen worden gerekend: de apostelen, de profeten en evangelisten, tot de gewone: de dienaren des Woords, de ouderlingen en de diakenen.

a. Buitengewone ambten. De apostelen zijn buitengewone dienaren der kerk, door Christus uitverkoren en geroepen, om zijn getuigen te zijn en het fundament der gemeente te leggen (Matth. 28: 19; Marc. 16: 15; Ef. 2: 20; 1 Joh. 1: 1-4) 1). Zij waren dan ook op eene bijzondere wijze begiftigd met den H. Geest, die hen in alle waarheid leidde en hen bekwaamde, om het Woord Gods te boek te stellen en zoodanige verordeningen te geven, die gezaghebbend waren voor de geheele Christenheid. Alle kerken zijn eenstemmig in deze leer. Wel heeft de Roomsche kerk tot op zekere hoogte een apostolisch gezag toegekend aan de pausen, en is door de enthousiasten de grenslijn uitgewischt tusschen de apostelen en de geloovigen, maar overigens wordt toch door de kerken de afzonderlijke en buitengewone plaats van de apostelen niet betwist. Een uitzondering hierop maken de Irvingianen, die in het begin der 19e eeuw zijn opgetreden met de bewering, dat de Heere niet alleen in den aanvang der kerk een aantal apostelen heeft gegeven, maar dat Hij ook in dezen tijd apostelen verordende om de gemeente voor te bereiden voor de komst van Christus. Zij beroepen zich hiervoor op eene verborgene profetische roeping, en hebben voor hunne bewering geen grond in de H. Schrift. Indien het apostolaat eene blijvende bediening geweest ware, dan zou de H. Schrift hiervoor ook aanwijzingen hebben gegeven.

De evangelisten waren in de apostolische eeuw helpers van de apostelen in het prediken van het evangelie en de stichting van de gemeente (Hand. 8: 5, 12, 40; 11: 19-22; 12: 2, 3; 2 Cor. 8: 18; Phil. 2: 25; 1 Tim. 4: 14). Uit 2 Tim. 4: 2-4 wordt duidelijk, wat het werk van een evangelist is. Timotheüs moet het werk doen van een evangelist, hij moet het Woord prediken, de dwalingen weerleggen en in alle lankmoedigheid vermanen. Het werk van een evangelist is hier dus het prediken van het evangelie in het openbaar temidden van de wordende gemeente en ook buiten haar kring. Filippus, één


1) Zie boven bl. 74 v.

|354|

der zeven, die in Jeruzalem verkozen werden voor den dienst der armen (Hand. 6: 3) en die, evenals andere leden der Jeruzalemsche gemeente, het land doorgingen en het Woord verkondigden (Hand. 8: 4; 11: 20), en die ook doopte (Hand. 8: 38), wordt (Hand. 21: 8) evangelist genoemd. Het is evenwel merkwaardig, dat overigens geen van de helpers van den apostel Paulus, namelijk Silas, Titus, Epafro­ditus, Aristarchus, Tychicus, Apollos, Epafras e.a., die in de Grieksch­Romeinsche wereld het evangelie van den Gekruisigde verkondigden, en dus het werk van een evangelist verrichtten, met den naam evangelist genoemd worden. Evangelisten zijn dus evangelieboden, die òf geheel vrijwillig, zonder bepaalde opdracht, omdat de liefde van Christus drong, òf volgens opdracht van een apostel het Woord verkondigden, om de kerk te planten of te bouwen. Zij hadden dus iets van den lateren missionaris in den zendingsarbeid.

Over de vraag, of het ambt van evangelist tijdelijk is of blijvend, zegt Calvijn1): Het is een tijdelijk, een extraordinair ambt, dat in welgestelde kerken geen plaats vindt, maar in de dagen van de planting en de reformatie der kerk noodig is. Zoo is ook het oordeel van Voetius2). Met het gevoelen dezer mannen stemmen wij in. Doch zij hielden niet genoeg in het oog, dat de zoogenoemde evangelisten in den apostolischen tijd niet zoozeer ambtsdragers waren, maar charis­matici, die òf vrijwillig òf volgens opdracht het evangelie verkondigden. Nu zou men den missionairen dienaar ook wel kunnen noemen met den naam evangelist, maar men kweekt dan zoo licht misverstand, wijl deze naam ook wel gebruikt is voor opwekkingspredikers, en allerlei predikers, die geen ambt in de gemeente bezitten, dienst