Nauta, D. (1971) Art. 76

Artikel 76
1. Het heilig avondmaal zal, met gebruikmaking van één der daarvoor vastgestelde formulieren, in alle geval eens in de twee of drie maanden in een kerkdienst worden bediend. Bij de wijze van bediening zal de kerkeraad, met inachtneming van hetgeen in Gods Woord is voorgeschreven, handelen naar wat hij oordeelt het meest stichtelijk te zijn.
2. Het zal in de vrijheid van de kerken staan in ziekenhuizen, huizen voor bejaarden en dergelijke inrichtingen het heilig avondmaal in een afzonderlijke kerkdienst te doen bedienen voor hen, die tot die avondmaalsviering

|273|

gerechtigd zijn of daartoe naar het oordeel van de kerkeraad als gasten kunnen worden toegelaten.

 

De bediening van het avondmaal

Dit artikel handelt over het Avondmaal zelf. Het is het enige artikel dat zich over dit onderwerp uitlaat, terwijl in de oude kerkorde niet minder dan drie artikelen — de artikelen 62 tot 64 — er aan zijn gewijd. De stof wordt in de herziene kerkorde wat meer geconcentreerd.

Het eerste punt dat bespreking vraagt, betreft de frequentie van de avondmaalsviering. Dit is een actuele kwestie. Ook in onze kerken heeft men de vraag naar voren gebracht, of er geen goede gronden zijn om te geraken tot een veelvuldiger viering dan lange tijd gebruikelijk is geweest. Het besef moet worden gewekt dat wij met een zeer beperkt aantal avondmaalsvieringen niet meer beantwoorden aan het beeld, dat de oude kerk in dat opzicht te zien geeft. Wij zijn zelfs veraf van de gedachte, die Calvijn voorstond, van een maandelijkse viering. De weg om te geraken tot een grotere frequentie is in de laatste tijd gebaand door de totstandkoming van een nieuwe orde van dienst voor de zondagmorgen, waarin de avondmaalsviering als een wezenlijk onderdeel naast de dienst des Woords staat opgenomen.

De bepaling van dit artikel houdt in, dat het Avondmaal in alle geval eens in de twee of drie maanden in een kerkdienst zal worden bediend. Deze bepaling sluit geheel aan bij de bepaling, welke in de oude kerkorde wordt aangetroffen. Daar luidt artikel 63 als volgt: Het avondmaal des Heren zal ten minste alle twee of drie maanden gehouden worden. De bepaling laat ruimte. In de praktijk is het zo, dat in het merendeel der kerken het Avondmaal niet vaker dan eens in de drie maanden wordt bediend. De bepaling had dus ook kunnen luiden, dat het Avondmaal in alle geval eens in de drie maanden moet worden bediend. Dat er in werkelijkheid gesproken wordt van eens in de twee of drie maanden, is niet slechts gebeurd om de traditie aan te houden, doch ook om zodoende de prikkel te handhaven tot het streven naar een avondmaalsviering althans eens in de twee maanden.

Het ware goed, dat de kerken wat meer begrip toonden voor de ruimte welke zij in dit opzicht hebben. De synode van Dordrecht (1893) heeft al uitgesproken, dat elke kerk vrijheid heeft om, zo zij dit oorbaar en nuttig acht, van de in het artikel genoemde tijdsbepaling af te wijken. Uit de aard der zaak wordt daarmede bedoeld een afwijking niet door de avondmaalsviering te verminderen, maar door het aantal malen juist op te voeren. Diezelfde gedachte wordt beklemtoond door de hier opgenomen uitdrukking „in alle geval”. Het „eens in de twee of drie maanden” moet worden aangemerkt als het minste dat te verwachten is; liefst moeten de kerken er naar streven vaker het Avondmaal te doen bedienen. De bestaande bepaling is niet vrij van willekeur. Een goede grond valt er moeilijk voor te geven,

|274|

waarom de avondmaalsviering juist om de twee of drie maanden moet plaats vinden. Men zou alleen kunnen opmerken, dat het altijd zo is geweest, wanneer men dan maar bedenkt dat dit „altijd” een zeer betrekkelijk begrip is en het met de feiten niet kan worden bewezen.

Hoe het zijn moge, de bestaande bepaling behoort nagekomen te worden. Soms is het wel gebeurd, dat het Avondmaal in een bepaalde gemeente geen voortgang kon vinden, omdat er in haar midden spanningen waren en de onderlinge verhoudingen zulks niet toelieten. Ik stem toe, dat in feite voor zo iets aanleiding kan bestaan. Maar wanneer het gebeurt, wijst zulks toch op een kwalijke zaak. Men zal wel alles op alles moeten zetten om een dergelijke situatie te helpen voorkomen en, indien zij zich mocht voordoen, ten spoedigste op te heffen. Het moet een gemeente zeer veel waard zijn, de regel van de avondmaalsviering op gezette tijden in stand te houden.

Wat de wijze van viering betreft, moet er worden onderscheiden tussen elementen die voorgeschreven zijn, en andere ten aanzien waarvan de kerken vrijheid van handelen hebben. In de herziene kerkorde is het niet anders dan in de oude. Artikel 62 in deze luidt als volgt: Een iedere kerk zal zulke manier van bediening des avondmaals houden, als zij oordeelt tot de meeste stichting te dienen. Welverstaande nochtans, dat de uitwendige ceremoniën, in Gods Woord voorgeschreven, niet veranderd en alle superstitie vermeden worde, en dat na de voleinding der predikatie en der gemene gebeden het formulier des avondmaals, mitsgaders het gebed daartoe dienende, zal worden gelezen. Voorgeschreven wordt dus een in de kerkdienst aan de avondmaalsviering voorafgaande predikatie. Het kan misschien even de indruk maken, dat de herziene kerkorde in dat opzicht een wijziging heeft aangebracht, omdat een opzettelijke vermelding van dat element hier ontbreekt. Maar men behoeft slechts artikel 71 te raadplegen, om op te merken dat elke kerkdienst mede wordt gekenmerkt door de bediening des Woords welke er in plaats grijpt. Een kerkdienst waarin de avondmaalsviering wordt gehouden, maakt op die regel geen uitzondering. Na afloop van de preek en het daarop aansluitende gebed volgt, overeenkomstig goede liturgische orde, de viering van het Avondmaal.

In de praktijk houdt men zich niet algemeen aan die regel. Reeds onder de oude kerkorde liet zich hetzelfde verschijnsel constateren, vooral in grotere gemeenten. De gedienstigheden der praktijk en overwegingen, die geen enkel verband houden met het liturgisch inzicht, hebben er toe geleid dat kerkdiensten belegd worden waarin uitsluitend het Avondmaal wordt bediend. De goede regel is dat de bediening van het Avondmaal geschiedt in een kerkdienst. Voorschrift is verder het gebruik van het voor dit doel vastgestelde formulier. Of eigenlijk is er — zulks in onderscheiding van de bepaling in de oude kerkorde — sprake van één der formulieren. Wij beschikken tegenwoordig over meer dan één formulier. Het oude formulier is taalkundig herzien, maar omdat dit nogal lang is, werd het wenselijk geacht daarnaast een aanmerkelijk verkort formulier op te stellen.

|275|

Het is duidelijk, dat in het Nieuwe Testament geen aanwijzing voorkomt over het gebruiken van een formulier. Op zichzelf zou het dan ook heel goed denkbaar zijn een avondmaalsviering te hebben zonder enig formulier. Maar aan de andere kant zal het bij een avondmaalsviering onvermijdelijk zijn enkele ceremonieën in acht te nemen. De omschrijving ervan zal altijd in een of ander formulier ondergebracht moeten worden. De vraag is echter, of het aanbeveling verdient er een min of meer uitvoerige uiteenzetting aan te verbinden, welke handelt over de inzetting van het Avondmaal en de betekenis ervan.

Het spreekt eigenlijk vanzelf dat het formulier moet worden gelezen in de kerkdienst, waarin het Avondmaal zelf wordt bediend. Het gebruik om een gedeelte op de voorafgaande zondag te lezen, een gebruik dat hier en daar is ingeslopen, is in strijd met de opzet en de oorspronkelijke bedoeling. Het is te hopen, dat kerken, die door welke motieven dan ook bewogen zijn om dat gebruik in te voeren, van die onjuiste gewoonte zullen terugkeren. Het formulier is er in elk geval niet voor, om naar willekeur verknipt te worden. Het behoort als een zelfstandig geheel te worden beschouwd en gebruikt.

In dit verband rijst de vraag, of er op de voorafgaande zondag een voorbereidingspredikatie moet worden gehouden. De kerkorde, noch de oude noch de herziene, bevat dienomtrent een bepaling. Een verplichting bestaat er derhalve in dat opzicht niet. Er kan alleen worden gesproken van een gewoonte, die allengs is ingeburgerd. Zij gaat stellig niet terug tot de begintijd der Reformatie. Het is wel zo geweest, dat men op een van de aan de avondmaalszondag voorafgaande dagen, ter voorbereiding van de viering, een predikatie hield. Maar de hier bedoelde gewoonte kan met een beroep daarop niet zonder meer als lofwaardig worden voorgesteld. Er is eerder reden om te bedenken dat de voorbereiding door ieder persoonlijk en in de gezinnen behoort te geschieden.

Hetzelfde geldt evenzeer ten opzichte van de nabetrachtingspreek, die na de viering van het avondmaal volgt in de tweede kerkdienst. Welbeschouwd is er, wanneer men het laatste gedeelte van het formulier op de rechte wijze gebruikt en laat functioneren, weinig plaats voor een dergelijke afzonderlijke nabetrachting, waaraan de stof van de preek in die kerkdienst wordt gewijd.

Het instellen van een opzettelijke voorbereiding en nabetrachting heeft er al te zeer toe bijgedragen om bij velen het besef te wekken, dat voor het deelnemen aan de viering van het Avondmaal zeer bijzondere vereisten worden gesteld; om de gedachte aan iets verhevens te bevorderen, weggelegd alleen voor een aantal bevoorrechten. Als het goed is, moeten evenwel juist allen die hun zaligheid zoeken in de Here Jezus Christus, gemakkelijk de weg vinden naar Zijn tafel om er te delen in Zijn gemeenschap.

Bij de wijze, waarop het Avondmaal wordt bediend, zijn er elementen die voorgeschreven zijn, en elementen ten aanzien waarvan de kerken vrijheid

|276|

van handelen bezitten. Een nauwkeurige opgave van de bedoelde elementen biedt de kerkorde echter niet. Er wordt alleen gewezen op de omstandigheid, dat Gods Woord ter zake strikte aanwijzingen bevat, en dat alleen voorzover dergelijke aanwijzingen ontbreken, de kerk vrijheid van handelen heeft. En in dat laatste opzicht zal men nog aandacht moeten schenken aan de vraag, wat als het meest stichtelijk valt te beschouwen.

De inkleding van deze aangelegenheid is in de herziene kerkorde over het geheel niet anders dan in de oude. Het gebeurt alleen met nog grotere beknoptheid. Van het vermijden van superstitie of bijgelovige praktijken wordt niet opzettelijk gerept. Volstaan wordt met de positieve uitspraak: met inachtneming van hetgeen in Gods Woord is voorgeschreven. Wat hieronder precies moet worden verstaan, behoeft geen uitdrukkelijke opsomming, omdat de uitlatingen in de Bijbel duidelijk genoeg zijn. Ik verwijs daartoe naar de instellingswoorden, die in de Evangeliebeschrijvingen voorkomen en ook door de apostel Paulus in de brief aan de Corinthiërs ons zijn overgeleverd. In de formulieren zijn de bedoelde aanwijzingen trouwens alle opgenomen.

De vrijheid die de kerken hebben ten aanzien van de wijze van bediening, betreft vooral de vraag, of de deelnemers in het kerkgebouw blijven zitten dan wel zich zullen scharen aan een tafel dan wel de wandelende communie in praktijk zullen brengen. Wat deze kwestie betreft hebben de Gereformeerde kerken nooit een doctrinair standpunt gehuldigd. Men kan verschillen over de vraag, wat als de meest ideale praktijk moet worden aangemerkt. De ervaring leert, dat het van belang is ook rekening te houden met praktische overwegingen, vooral wanneer het aantal communicanten zeer groot blijkt te zijn. Als men genoodzaakt wordt een groot aantal tafels na elkander te arrangeren, blijkt zo iets allerminst bij te dragen tot de stichtelijkheid van het geheel. Terecht wordt hier de maatstaf genoemd van wat het meest stichtelijk is. Deze laatste term is tegenwoordig niet veel meer in gebruik en wordt ook niet altijd goed verstaan.

Wat de wijze van bediening betreft zij er verder alleen nog op gewezen dat men lange tijd bezwaar heeft gemaakt tegen het gebruiken van meer dan één of twee bekers voor de wijn. Tegenwoordig worden voor dit doel soms kleine bekertjes gebruikt die uitgereikt kunnen worden aan ieder van de deelnemers. Er pleit veel ten gunste van een dergelijke methode. In elk geval doet men goed bij het bepalen van de te volgen methode ook sanitaire overwegingen er in te betrekken.

Over de deelnemers aan de avondmaalsviering behoeft niet uitvoerig meer te worden gehandeld. Dit punt is afgedaan door de behandeling in het vorige artikel van de vraag, op welke wijze de toegang tot dit sacrament wordt verkregen. Toch is het nodig in een bepaald opzicht er nog iets aan toe te voegen. Naast degenen die in een gemeente gerechtigd zijn toe te treden tot het Avondmaal, kunnen incidenteel ook anderen worden toegelaten. In dat geval spreken wij van gasten. In het tweede lid wordt dit begrip

|277|

even genoemd. Naar het oordeel van de kerkeraad kunnen anderen dan leden van de gemeente als gasten worden toegelaten tot de avondmaalsviering. Wie zijn in dit verband onder gasten te verstaan? De kerkorde bevat zelf geen nadere omschrijving. In het spraakgebruik heeft het begrip ook geen vaste, welomlijnde betekenis. Alleen moeten wij er in lezen de gedachte, dat dergelijke personen niet voorgoed aanwezig zijn, maar slechts voor korte tijd of voor een enkele maal in het midden zijn en nu als gasten de viering van het Avondmaal medemaken. Dat het laatste alleen kan gebeuren met medewerking en goedvinden van de kerkeraad, die de verantwoordelijkheid draagt voor het arrangeren van de kerkdiensten en van alle verrichtingen hierin, spreekt vanzelf.

Met deze nadere ontleding van het begrip is reeds veel gezegd. Wij kunnen dan denken aan gelovigen, die uit andere plaatsen of landen tijdelijk ergens vertoeven en dan de wens kenbaar maken te mogen deelnemen aan de viering van het Avondmaal. Daarbij blijft in het midden de vraag, of de desbetreffende personen elders lid zijn van een Gereformeerde kerk. Dit is nooit als een volstrekt noodzakelijke voorwaarde naar voren gebracht. Ook als iemand elders tot een geheel andere kerkgemeenschap behoort, kan hij niettemin worden toegelaten, mits hij blijkt te voldoen aan de eisen, welke de Bijbel aan de rechte avondmaalganger stelt.

De bedoeling is stellig niet, dat zonder enige restrictie als gasten worden toegelaten personen, die op dezelfde plaats als leden zijn aangesloten bij een andere dan de Gereformeerde kerk en die dus vrijwillig zich hebben gesteld onder het opzicht van een andere kerkeraad. Voor dezulken staat de gewone weg open om tot de gemeenschap van de Gereformeerde kerk toe te treden en daarmede tegelijk toegang te erlangen tot de viering van het Avondmaal. Het zou een tegenstrijdige zaak zijn, dezulken die zelf bezwaar blijken te hebben zich te stellen onder het opzicht van de kerkeraad, toch als gasten, zij het misschien alleen incidenteel, toe te laten tot de viering van het Avondmaal, In dit verband wordt tegenwoordig nog wel eens de opmerking gemaakt, dat het Avondmaal is van de Heer en dat het dus aan een kerkeraad niet zou vrijstaan aan een gelovige de deelname aan het Avondmaal te weigeren. Maar bij die redenering verliest men uit het oog, dat al is het Avondmaal ook inderdaad geheel van de Heer, Hij zelf toch ambtsdragers heeft beschikt om daarbij toezicht te oefenen. Wie bezwaar toont te hebben de ambtsdragers als zodanig te erkennen door zich aan hun opzicht te onderwerpen, mag niet verlangen dat hij door die ambtsdragers zal worden toegelaten tot de viering van het sacrament, waarvoor zij van 's Heren wege een bepaalde verantwoordelijkheid dragen.

In bijzondere omstandigheden heeft de synode evenwel een uitzondering op de regel open gelaten, zij het onder bepaalde voorwaarden met betrekking tot hun leer en leven, waarbij essentieel is de verplichting om, zich ter zake te onderwerpen aan het toezicht van de kerkeraad.

Het is iets anders, wanneer twee kerken besluiten elkanders leden wederkerig

|278|

toe te laten tot de viering van het Avondmaal. In dat geval verdient het de voorkeur te spreken van intercommunie. Dit vreemde woord duidt eenvoudigweg aan, dat de desbetreffende kerken elkanders leden zonder meer aanvaarden als deelnemers aan het Avondmaal. Een dergelijke verhouding tussen kerken in hetzelfde land kan dienstbaar zijn aan de bevordering van de eenheid der kerk. Maar te dien aanzien bevat de kerkorde geen nadere bepalingen

De avondmaalsviering behoort altijd te geschieden in een kerkdienst. Bij deze bepaling moet nog opzettelijk worden stilgestaan. In de oude kerkorde wordt aan dit punt een afzonderlijk artikel gewijd. Het is artikel 64, luidende als volgt: De bediening des avondmaals zal alleen geschieden, waar toezicht is van ouderlingen, volgens kerkelijke orde, en in een openlijke samenkomst der gemeente. Een bepaling van soortgelijke aard kan in de herziene kerkorde wegblijven, gelijk reeds werd opgemerkt. Wel vinden wij in het tweede lid van dit artikel een andere voorziening, waardoor de mogelijkheid wordt geopend bijzondere kerkdiensten in het leven te roepen. In dat opzicht hebben vroegere synoden enkele bepalingen gemaakt, vooral om voor leden van de kerk, die wegens ziekte of om andere redenen verpleegd worden in inrichtingen en die verhinderd zijn de gewone kerkdiensten bij te wonen, een gelegenheid te bieden aan de viering van het Avondmaal deel te nemen. De quintessens van die bepalingen is nu in de herziene kerkorde verwerkt. De strekking is, dat de kerkeraad voor het genoemde doel in dergelijke inrichtingen als ziekenhuizen en huizen voor bejaarden — ook wanneer daar gewoonlijk geen kerkdiensten worden gehouden — bijzondere kerkdiensten kan instellen alleen met het oog op de bediening van het Avondmaal.

Er zij nog op gewezen, dat de kerkorde nergens spreekt over de afzonderlijke communie voor zieken. Het is bekend, dat onder Gereformeerde theologen daarover altijd verschil van mening heeft bestaan. In het algemeen is er een neiging geweest een dergelijke communie niet te bevorderen. Wel zijn er in de laatste tijd soms andere klanken beluisterd. En voorstellen terzake zijn ook wel aan synoden voorgelegd. Maar een duidelijk positief antwoord is daarop niet gegeven. De synoden hebben volstaan met de aanwijzing dat van invoering van de krankencommunie als algemeen kerkelijk gebruik geen sprake kan zijn.