Nauta, D. (1971) Art. 31

Artikel 31
1. De besluiten van de vergaderingen zullen steeds na gemeenschappelijk overleg en zoveel mogelijk met eenparige stemmen worden genomen. Blijkt eenparigheid niet bereikbaar, dan zal de minderheid zich voegen naar het gevoelen van de meerderheid. De besluiten van de vergaderingen dragen een bindend karakter.
2. Degenen, die enige uitspraak of handeling van een vergadering in strijd achten met de bepalingen van de kerkorde, of op andere wijze door zulk een uitspraak of handeling het welzijn der kerk geschaad achten, of

|136|

menen dat hun daardoor onrecht aangedaan is, kunnen in appèl gaan bij de naastvolgende meerdere vergadering. Indien zij zulk een uitspraak of handeling in strijd achten met duidelijke uitspraken van Gods Woord, zijn zij gehouden in appèl te gaan; in welk geval de vergadering, hangende dit appèl, hen niet zal verplichten tot het verrichten van of tot het medewerken aan enige handeling, die naar hun gevoelen tegen de bedoelde uitspraken zou ingaan, met dien verstande dat zij zich voor het overige te gedragen hebben naar de door de desbetreffende vergadering gegeven aanwijzingen.
3. Ten aanzien van grensgeschillen tussen kerken reikt, voorzover niet meer dan één particuliere synode erbij betrokken is, het recht van appèl niet verder dan tot de particuliere synode.
4. Degenen, die bij een meerdere vergadering in appèl gaan, zijn verplicht daarbij de door de generale synode vastgestelde bepalingen aangaande vorm en termijn van dat appèl in acht te nemen.
5. Een vergadering kan in geval van appèl de uitvoering van een door haar genomen besluit opschorten.

 

Besluitvorming in de vergaderingen

Dit is een van de uitvoerigste artikelen, die de kerkorde telt. Bovendien krijgen wij hier met een uiterst gewichtige aangelegenheid te maken. Want dit artikel handelt over dezelfde stof, die in het welbekende artikel 31 van de Dordtse kerkorde staat geregeld.

Het is niet het eerste lid van dit artikel, dat bij de bespreking de grootste moeilijkheden oplevert. Daarin wordt de kern van de aangelegenheid, die hier regeling vereist, omschreven. Zij raakt de kracht van de door de kerkelijke vergadering genomen besluiten. Men moet dan denken aan alle kerkelijke vergaderingen, aan de kerkeraad zowel als aan de respectieve meerdere vergaderingen.

Wat ten aanzien van dit punt wordt bepaald, verschilt zakelijk niet van het bepaalde in de oude kerkorde. Het is alleen wat uitvoeriger en duidelijker omschreven. Het oude artikel volstaat met het geven van de volgende algemene bepaling: ’t gene door de meeste stemmen goedgevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden. Het vast en bondig karakter van de besluiten treffen wij eveneens aan in de herziene kerkorde. Hier wordt daarvan gezegd, dat de besluiten van de vergaderingen een bindend karakter dragen. Met de term „vast en bondig” wordt precies hetzelfde bedoeld als wanneer hier sprake is van het bindend karakter der besluiten. Wanneer van iets wordt gezegd, dat het voor vast en bondig behoort te worden gehouden, betekent zulks dat men niet langer behoeft te praten of te beraadslagen, maar dat de beslissing gevallen is. Men mag er niet meer aan wrikken of haar in twijfel stellen, alsof er nog geen afspraak zou zijn tot stand gebracht en men nog alle kanten uit kan. Men is integendeel gebonden aan wat met

|137|

elkander werd overeengekomen. Het beslotene bindt allen, die van de desbetreffende vergadering deel uitmaken of op enige manier geacht moeten worden achter haar te staan.

Over de wijze waarop men tot het nemen van een bindend besluit geraakt, wordt hier in uitvoeriger termen gesproken dan in de oude kerkorde. Wellicht is iemand geneigd op te merken, dat wat daarvan wordt gezegd, eigenlijk iets vanzelfsprekends is, althans ten aanzien van kerkelijke vergaderingen. Ik zal dit niet tegenspreken. Het is in alle geval zo, dat men ook vroeger gewoon was naar de hier gegeven omschrijving bij het nemen van besluiten te werk te gaan. Uit andere bepalingen van oude Gereformeerde synoden is dat bekend. Tegenwoordig kan het geen kwaad, dat wat misschien voor velen vanzelf spreekt en wat inderdaad ook als een voortreffelijke regel veelal in praktijk werd gebracht, met zovele woorden wordt vastgelegd. De bedoelde regel is, dat de besluiten der vergaderingen moeten genomen worden na gemeenschappelijk overleg en zoveel mogelijk met eenparige stemmen.

De bedoeling is duidelijk. De praktijk mag niet zo zijn, dat sommigen proberen een voorstel, tegen alle ingebrachte bezwaren in, in de vergadering er door te drijven. Men moet integendeel aan dergelijke bezwaren, ook al zou men zelf menen dat die allerminst zwaarwegend zijn of misschien zelfs van bijkomstige aard of zelfs min of meer uit de lucht gegrepen, de nodige aandacht schenken. Men moet de moeite nemen die bezwaren te ontleden en serieus te weerleggen. Alles moet worden gedaan om de leden die bezwaren inbrengen, van hun ongelijk te overtuigen en tot de in het voorstel belichaamde gedachten over te halen. En dat niet alleen. Zelf behoren voorstellers van hun kant zich ook bereid te tonen eventueel eigen opvattingen te herzien en voor de argumentatie van bestrijders vatbaar te zijn, door daarop werkelijk in te gaan. Van weerszijden moet men er op bedacht zijn, niet aan elkander voorbij te redeneren.

Natuurlijk kost een dergelijke methode van behandeling tijd en vraagt zij soms grote inspanning. Het zal ook wel eens noodzakelijk blijken, dat een beslissing verschoven wordt tot nader order en tot betere gelegenheid. Een kerkelijke vergadering mag voor zo iets niet terugschrikken. Het moet haar wat waard zijn om door overleg tot een eenparige beslissing te geraken. Natuurlijk moet zulks in redelijke zin worden genomen. Want er zijn altijd, ook in kerkelijke vergaderingen, betweters, personen die het altijd voor het zeggen willen hebben en die zelf niet naar anderen willen of kunnen luisteren. Het gaat natuurlijk niet aan dat een kerkelijke vergadering voor zulke mensen uit de weg zou gaan en nodeloos in het vervullen van haar taak zich zou laten belemmeren door hun gedragingen. Maar overigens is het een goede zaak, wanneer men met bezwaren zo ernstig mogelijk rekening houdt en die tracht te overwinnen.

Het is echter niet zo, dat een kerkelijke vergadering haar beslissingen uitsluitend met eenparigheid zou mogen nemen. De ervaring heeft geleerd,

|138|

dat dit ideaal onbereikbaar is. Gewoonlijk blijkt het niet wel mogelijk, in geval van verschil van mening, een zaak op haar beloop te laten of maar steeds uit te stellen. In een of andere richting moet er iets gebeuren. Dan blijft er niets anders over dan dat met meerderheid van stemmen een besluit wordt genomen of een uitspraak gedaan. In een dergelijk geval behoort de minderheid zich te voegen naar het gevoelen van de meerderheid. Zij kan dit doen met behoud van haar eigen mening, maar toch tegelijk zonder morren en goedschiks. Zo is althans in het algemeen de juiste gedraging van een minderheid. Er zijn bepaalde gevallen, waarin deze aanleiding vindt tot een andere gedraging. Op die uitzondering kom ik nog terug. Want ook daarvoor bestaan er en moeten er bestaan bepaalde regelen.

In het algemeen komen op de aangegeven wijze de besluiten der kerkelijke vergaderingen tot stand. Alleen op die wijze zijn deze in staat de haar toevertrouwde taak te volbrengen. Ik wijs er nog even uitdrukkelijk op, dat dit van toepassing is op alle vergaderingen van de kerk, op de meerdere vergaderingen niet minder dan op de kerkeraad. Want het gebeurt nog wel eens, dat iemand er geen bezwaar tegen heeft in de kerkeraad op de aangegeven wijze mede te werken tot het nemen van beslissingen, maar dat hij opponeert tegen het volgen van diezelfde methode door een synode en er de voorkeur aan geeft bepaalde kwesties onbeslist te laten. Ik zal niet ontkennen, dat het soms aanbeveling verdient een kwestie onbeslist te laten. En wanneer dit besef in brede kring mocht leven, zal een kerkelijke vergadering zich ook wel in die geest uitspreken. Maar wanneer zij in meerderheid oordeelt dat het onbeslist laten van een kwestie niet juist zou zijn of bepaalde moeilijkheden oplevert, dan zal men zich bij dat oordeel hebben neer te leggen.

Het zich voegen naar het gevoelen van de meerderheid is een goede kerkelijke houding. Het is hetzelfde als wat men met een vreemde term aanduidt als het zich conformeren. Die houding mag ook niet ontbreken. Want anders zou er in het kerkelijk leven ontstaan een bron van verdeeldheid, onenigheid en twist en zou de broederlijke gemeenschap, die voor de kerk kenmerkend is, worden aangetast en bedreigd. Hier is, met andere woorden, niet slechts een formele kwestie van orde in geding. Dit is trouwens nergens het geval bij bepalingen, die voor het kerkelijk leven worden gemaakt. Steeds gaat het daarbij om het in acht nemen van een hogere orde. Alles is er op gericht, dat de God des vredes zal woning hebben niet alleen in de harten, maar ook in het onderling samenleven van de kerk en van de kerken. Voor de bewaring der goede gemeenschap kan daarom het zich conformeren niet ontbreken en moet ieder op zijn beurt en op zijn tijd zich daartoe bereidvaardig tonen.

Thans kom ik tot het punt, waarop in het voorbijgaan reeds werd gezinspeeld, dat er toch bepaalde gevallen zijn, waarin een minderheid zich naar het gevoelen der meerderheid niet meent te kunnen of te mogen voegen. In een dergelijk geval staat de weg open voor wat men pleegt te noemen

|139|

het in appèl gaan. In de vier leden, die nog volgen na het eerste lid, wordt anders niet dan over die mogelijkheid gehandeld en worden voor de daarbij te volgen gedragslijn de regelen aangegeven.

In het oude artikel 31 gebeurt iets dergelijks, zij het op wat beknoptere wijze. Dat artikel vangt namelijk aan met de volgende zinsnede: Zo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, dezelve zal zich op een meerdere kerkelijke vergadering beroepen mogen. Het is diezelfde gedachte, welke terugkeert in het begin van het tweede lid van het artikel der herziene kerkorde: Degenen, die enige uitspraak of handeling van een vergadering in strijd achten met de bepalingen van de kerkorde, of op andere wijze door zulk een uitspraak of handeling het welzijn der kerk geschaad achten, of menen dat hun daardoor onrecht aangedaan is, kunnen in appèl gaan bij de naastvolgende meerdere vergadering.

Het is niet zonder zin, dat deze omschrijving heel wat breder is uitgevallen dan de oorspronkelijke. Want deze was, wanneer men haar althans naar de letter neemt, te eng gesteld. Alleen indien iemand zich door de uitspraak ener mindere vergadering verongelijkt achtte, zou hij zich mogen beroepen op de meerdere vergadering. Men behoeft lang niet altijd persoonlijk zich verongelijkt te gevoelen, om toch tegen uitspraken of handelingen van een kerkelijke vergadering bezwaar te hebben. En het spreekt haast vanzelf, dat men een dergelijk bezwaar dan niet voor zich behoeft te houden, maar dat men volle recht heeft om met zijn bezwaar zich te wenden tot de meerdere kerkelijke vergadering. Van clericalisme zijn wij niet gediend. Ook in een vroegere periode, onder het bestel van de oude kerkorde, heeft men het dan ook verstaan de bedoelde zinsnede ruimer op te vatten dan de letterlijke woorden zouden kunnen doen vermoeden. Bij vroegere synoden zijn heel wat personen en ook mindere kerkelijke vergaderingen in beroep gekomen, zonder dat zij zelf zich verongelijkt achtten, en toch is hun appèl om die reden nooit afgewezen. Maar het is uit de aard der zaak juister, dat de bepaling in de kerkorde zelf ook geheel beantwoordt aan de werkelijke en de bedoelde situatie.

Er worden hier drie mogelijkheden gesteld. Er is het geval van verongelijking. En wel aldus aangeduid dat iemand meent dat hem door de uitspraak of de handeling van een kerkelijke vergadering onrecht is aangedaan. Daarnaast wordt nog een heel andere mogelijkheid gesteld, dat men namelijk zulk een uitspraak of handeling in strijd acht met de bepalingen van de kerkorde. En als derde mogelijkheid volgt nog het geval, dat men op andere wijze dan door strijdigheid met de kerkorde het welzijn der kerk door zulk een uitspraak of handeling geschaad acht. Het is duidelijk, dat door dit laatstgenoemde geval een heel breed terrein wordt bestreken. Men kan gerust beweren, dat op deze wijze alle mogelijkheden, die zich kunnen voordoen bij het gaan in appèl, zijn opgesomd. Op één punt kom ik in ander verband terug.

|140|

Dat hier als factor herhaaldelijk het welzijn der kerk is ingevoerd, wil ik nog even uitdrukkelijk naar voren brengen. Mijns inziens is juist deze factor van veel groter gewicht dan de factor van het zichzelf verongelijkt gevoelen. Steeds weer is het zo, dat bij alles het welzijn der kerk in acht genomen moet worden. En wanneer een kerkelijke vergadering in dat opzicht tekort schiet of zelfs aan dat welzijn schade toebrengt, is er bij uitstek aanleiding om tegen haar uitspraak of handeling op te komen.

In de aangehaalde bepaling is nog een element, dat terloops vermelding verdient. Ik bedoel de toevoeging bij „meerdere vergadering” van het woord „naastvolgende”. Het appèl kan maar niet gericht worden aan elke meerdere vergadering. Daarbij dient de gewone orde in acht genomen te worden. Van de kerkeraad gaat het appèl naar de classis; van de classis naar de particuliere synode; en van de particuliere synode naar de generale synode.

Bij het in appèl gaan behoren enkele formele regelen in acht te worden genomen. Die formele regelen hebben altijd gegolden. Zij worden in de kerkorde niet nauwkeurig aangegeven. Ieder werd verondersteld daarvan weet te hebben en er naar te zullen handelen in voorkomende gevallen. Gevolg was, dat in de praktijk meermalen daarop geen acht werd geslagen en men verzuimde aan die formele regelen de hand te houden. Daarom is het nuttig, dat in het vierde lid op het bestaan van dergelijke regelen wordt geattendeerd. Ieder mag in dit opzicht derhalve gelden als een gewaarschuwd man. Ieder die in appèl gaat, is verplicht de door de generale synode vastgestelde bepalingen aangaande vorm en termijn van het in appèl gaan in acht te nemen. Hij moet daarvan kennis geven aan de mindere vergadering, tegen welke zijn appèl is gericht. Hij behoort het te doen bij de eerste samenkomst van de meerdere vergadering, die wordt gehouden na de door de mindere vergadering gedane uitspraak. Ook dient hij de kwestie aan de meerdere vergadering in behoorlijke orde voor te stellen, opdat deze in staat is zich uit de stukken een juiste indruk te vormen van de in geding gebrachte kwestie.

In onze kerken geldt de regel van een onbeperkt appèl-recht. Dit wil zeggen, dat wanneer iemand bij zijn eerste appèl geen instemming ontmoet, hij het recht en de gelegenheid heeft tot een andere, de naastvolgende meerdere vergadering zich te wenden. Eventueel kan hij doorgaan tot de generale synode. Men heeft er meermalen voor gepleit, in deze toestand wijziging aan te brengen en het appèl-recht, althans voor sommige zaken, te beperken. Slechts ten aanzien van één aangelegenheid is er inderdaad een zodanige beperking, die wel niet in de oude kerkorde wordt aangetroffen, maar die indertijd door de synode van Amsterdam (1936) werd aanvaard. Die beperking is thans opgenomen in het derde lid. Zij heeft betrekking op grensgeschillen tussen kerken. De eindbeslissing ten aanzien daarvan valt bij de particuliere synode. Alleen wanneer bij een grensgeschil meer dan één particuliere synode is betrokken, is het uit de aard der zaak onvermijdelijk ook aan de generale synode eventueel een taak te geven.

|141|

In het algemeen heeft men het echter niet geraden geacht, aan het appèl-recht nog meer beperkingen te verbinden. Het verdient aanbeveling zoveel mogelijk ruimte te geven voor het uiten van eventuele bezwaren en klachten. Elke schijn dat men er op uit zou zijn dergelijke bezwaren op enigerlei wijze de kop in te drukken, dient te worden vermeden. Deze grote ruimte voor het in appèl gaan mag evenwel niet worden misbruikt. Tegen dat euvel kan men beter op andere wijze optreden dan door beperking van het bedoelde recht. Wanneer inderdaad misbruik blijkt te worden gemaakt van dat recht, kunnen de kerkelijke vergaderingen de desbetreffende personen daarover vermanen. De synode van Sneek (1939) heeft dan ook uitgesproken, dat wanneer van het recht van appèl kennelijk misbruik is gemaakt, een ernstige vermaning en bestraffing vanwege dat misbruik niet mag uitblijven.

Het vijfde lid bevat een bepaling voor de kerkelijke vergaderingen, die appèlzaken te behandelen krijgen alsook voor die vergaderingen, tegen welke een appèl is gericht. De vraag rijst namelijk, of het besluit in een dergelijk geval al dan niet moet worden opgeschort. Het is uiterst moeilijk daarvoor een uniforme regeling te treffen. De gevallen lopen zeer uiteen. En wanneer men zou bepalen, dat de uitvoering van een besluit in geval van appèl steeds behoort te worden opgeschort, dan zou een kwaadwillende van die bepaling misbruik kunnen maken door altijd maar en zo lang mogelijk in appèl te gaan. Vandaar dat de beslissing ter zake gelegd is in handen van de kerkelijke vergadering zelf. In elk afzonderlijk geval zal zij moeten nagaan, of er soms genoegzame reden bestaat het genomen besluit voor een kortere of langere periode op te schorten. Geheel bevredigen kan deze regeling misschien niet. Maar mijns inziens is zij toch de meest aangewezene, wil men op efficiënte wijze misbruik kunnen tegengaan; en onredelijk kan men haar niet noemen.

Ik moet nu weer teruggrijpen naar een bepaald punt in mijn uiteenzetting. Er zijn gevallen, zo merkte ik op, waarin een minderheid zich naar het gevoelen der meerderheid niet meent te kunnen of te mogen voegen. Dan staat de weg open voor het in appèl gaan bij een meerdere vergadering. Nu voeg ik daaraan de opmerking toe, dat in dergelijke gevallen in het algemeen niemand verplicht is van die weg gebruik te maken. Ook al heeft men bezwaren tegen de uitspraak of handeling van een kerkelijke vergadering, zo behoeft men er nog niet tegen in verzet te komen en er appèl tegen aan te tekenen. Ieder heeft de vrijheid er zich bij neer te leggen.

Meermalen is het zelfs aanbevelenswaardig van deze vrijheid gebruik te maken. Want wij leven in een wereld vol gebreken en tekortkomingen. En de liefde heeft het kenmerk om veel van die gebreken en tekortkomingen te bedekken. Juist op kerkelijk gebied mag verwacht worden, dat deze liefde werkzaam zal zijn.

Terecht staat er dan ook in het tweede lid dat degenen, die bezwaard zijn, in appèl kunnen gaan. Maar er is één geval denkbaar, dat men daartoe niet

|142|

slechts het recht en de vrijheid heeft, maar bepaaldelijk zich verplicht moet gevoelen. Dit punt komt ter sprake in die clausule van het tweede lid, die tenslotte nog moet worden toegelicht. Het is het geval, dat een uitspraak of handeling van een kerkelijke vergadering in strijd wordt geacht met duidelijke uitspraken van Gods Woord. Het is duidelijk, dat, indien zo iets zich voordoet, dit niet anders dan als een heel ernstig en ingrijpend geval kan en mag worden beschouwd. Als iemand in die overtuiging verkeert, is dit in de grond der zaak niet iets dat hem alleen regardeert. Niet hij particulier alleen, maar heel de kerkelijke gemeenschap behoort zich zo iets aan te trekken. Het is onduldbaar, dat in de kerk iemand en vooral ook een vergadering, die immers een officiële plaats inneemt in de kerkelijke gemeenschap, een uitspraak of handeling zou handhaven, strijdig met duidelijke uitspraken van Gods Woord. Daarom rust op iemand, die een dergelijke vaste overtuiging zou hebben, de dure verplichting de kerkelijke gemeenschap tot de orde te roepen.

Natuurlijk kan zo iemand zich vergissen. Het kan blijken, dat anderen in diezelfde kerkelijke gemeenschap en dat ook de desbetreffende kerkelijke vergaderingen dezelfde overtuiging volstrekt niet delen, en dat zij van strijd met duidelijke uitspraken van Gods Woord niets vermogen te ontdekken. Maar degenen die bezwaard zijn, hebben het recht te verlangen dat er eerst een opzettelijk onderzoek naar wordt ingesteld. Wederzijds zullen de meningen ook dienen getoetst te worden. Men zal volle gelegenheid moeten hebben om de argumenten van weerszijden tegen elkander af te wegen. Men zal bereid moeten zijn naar elkander aandachtig en scherp te luisteren. Hoe het resultaat van een dergelijk onderzoek zal zijn, valt van te voren niet uit te maken. Het kan meer of minder bevredigend zijn. En al naardat het resultaat is, zullen ook de gevolgtrekkingen uiteenlopen voor wat er met de in geding gebrachte uitspraak of handeling der kerkelijke vergadering moet gebeuren. Het bezwaar kan blijken te vervallen, doordat er overeenstemming wordt bereikt. Maar ook is het mogelijk, dat de meningen tegenover elkander blijken te staan en dat er een conflict ontstaat. Het is echter in dit verband niet nodig deze kwestie verder uit te werken. Ik mag volstaan met het schetsen van de te volgen procedure, zoals dit hierboven reeds werd gedaan.

Wel moet ik nog even stilstaan bij de gedragslijn die moet worden gevolgd gedurende de periode, waarin het ingestelde appèl in behandeling is. Dit kan, juist omdat het zulk een ingrijpende kwestie raakt, meermalen een langdurige periode zijn, zodat het niet overbodig is ter zake een voorziening te treffen. De kwestie is ook te ernstig dan dat men de regeling geheel aan het beleid van de toevallig optredende kerkelijke vergadering kan overlaten. Wij vinden hier dan ook een bepaald voorschrift opgenomen. Het luidt, dat de kerkelijke vergadering, hangende een zodanig appèl, de bezwaarden niet zal verplichten tot het verrichten van het medewerken aan enige handeling, die naar hun gevoelen tegen de bedoelde

|143|

uitspraken van Gods Woord zou ingaan. Zij moet met andere woorden tegenover dezulken tolerantie gebruiken.

Natuurlijk zijn er aan die tolerantie grenzen. Bezwaarden zullen in een dergelijk geval niet alles mogen doen, wat zij zouden willen. Zij mogen het kerkelijk leven niet in opschudding brengen of revolutie plegen. Ook van hun kant moeten zij bereid zijn een afwachtende houding in te nemen. Vandaar dat aan de aangehaalde bepaling een restrictie is toegevoegd: „met dien verstande dat zij zich voor het overige te gedragen hebben naar de door de desbetreffende vergadering gegeven aanwijzingen.”

In het vorenstaande was sprake van een voorschrift, dat voor de desbetreffende kerkelijke vergaderingen geldt. Het spreekt evenwel vanzelf, dat zij daarnaast, indien zulks gewenst en verantwoord geacht wordt, ook het recht hebben een besluit, dat op die wijze wordt aangevochten, tijdelijk buiten werking te stellen. Maar men kan zo iets bezwaarlijk voor alle voorkomende gevallen als een verplichting voorschrijven. In dit opzicht moet de kerkelijke vergadering handelen naar omstandigheden. Dit zal als een kwestie van beleid dienen beschouwd te worden.

De hier weergegeven regeling is in de plaats getreden van de oude bepaling in artikel 31, waarover in de jongste tijd zoveel strijd is geweest. Het is de bekende clausule: tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods, of tegen de artikelen in deze generale synode besloten, zolang als dezelve door geen andere generale synode veranderd zijn. Ik zal over de preciese bedoeling van deze woorden thans niet uitweiden. Er bestond indertijd verschil van opvatting over die betekenis, en dit verschil van opvatting is nog steeds niet verdwenen. Maar juist omdat dit verschil bestaat, was het verstandig de oude woorden niet opnieuw in de kerkorde op te nemen. Daarmede zou de onduidelijkheid bestendigd blijven. Niemand is met een dergelijke situatie gediend. Ook kunnen wij in het midden laten, of de regeling, die thans in het tweede lid van het onderhavige artikel voorkomt, wel overeenstemt met de oude bepaling van artikel 31. Want omdat er verschil van opvatting bestaat over artikel 31, heeft het geen enkele zin ook over die kwestie te gaan discussiëren. Men zal de regeling geheel op haar eigen waarde hebben te beoordelen. De bewoordingen, die hier gebruikt zijn, geven geen aanleiding tot misverstand.

Naar mijn mening kan niemand tegen deze regeling bezwaar hebben, welk standpunt hij ook moge hebben ten aanzien van het oude artikel 31. Er wordt hier geen inbreuk gemaakt op de eisen van Gods Woord. Ieders consciëntie wordt, zoveel dit mogelijk is, gerespecteerd. En ieder krijgt de gelegenheid eventuele bezwaren open tot uiting te brengen, zonder dat hij in zijn positie wordt aangetast. Laat men dan de kwestie der uitlegging van het oude artikel 31 overlaten aan de theologen. Laat men er zich over verheugen, dat die twistappel uit het kerkelijk leven is weggenomen. De vrede en het welzijn der kerk zijn daarmede gediend.