Oldenhuis, F.T. (1977) Wv,

|7|

Woord vooraf

 

De opzet van deze studie is, een onderzoek te doen naar de houding van de burgerlijke rechter, die geconfronteerd wordt met kerkelijke twisten. Het onderzoek zal worden beperkt tot de Gereformeerde Kerken in Nederland. Voor een verantwoorde oordeelsvorming is in de eerste plaats nodig, door te dringen tot het wezen van het gereformeerde kerkrecht. Dit gebeurt in het eerste hoofdstuk. De eigenaardigheid van het kerkrecht wordt daar behandeld. Vanuit de Heilige Schrift worden de aard en de functie van het kerkrecht belijnd en belichaamd. Aan het begin van het tweede hoofdstuk wordt ‘afscheid’ genomen van het Rooms-katholieke kerkrecht. Schrijver dezes betuigt z’n instemming met het op p. 17 vermelde citaat: „Met betrekking tot die alle (nl. de hiërarchische en collegiale stelsels — F.T.O.) blijft gelden, dat zij voor de kerk van Christus in het geheel niet passen”.

In het tweede hoofdstuk wordt het gereformeerde kerkrecht, zoals dit zich na de Reformatie heeft ontwikkeld, beschreven. Enkele artikelen uit de kerkenordening, die in deze periode ontstaat (Emden 1571-Dordrecht 1618/19) zullen worden besproken met de bedoeling het gereformeerde kerkrecht begrijpelijk te maken. In het tweede hoofdstuk zal blijken, dat de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk een hoeksteen is van het gereformeerde kerkrecht.

In het derde hoofdstuk wordt onderzocht wat de houding van de burgerlijke rechter is, als hij geconfronteerd wordt met kerkelijke twisten op het gereformeerde erf, die uitmonden in een kerkbreuk en een strijd om de kerkelijke goederen. De juridische problematiek wordt aan de hand van de drie bekende gereformeerde kerkbreuken — de Afscheiding van 1834, de Doleantie van 1886 en de Vrijmaking van 1944 — besproken. In enkele voetnoten zal de recente rechtspraak (1966-1970) worden vermeld en besproken en zal tevens worden ingegaan op enkele bepalingen van Boek 2 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek.

Bij de bespreking van de jurisprudentie zullen de volgende vragen aan de orde komen:
— wordt de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk door de rechter onder­kend?
— is de rechter bevoegd een oordeel uit te spreken over vragen van geloof en overtuiging?
— als de rechter zich van een oordeel onthoudt, welke gevolgen heeft dit dan voor de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk?
— in hoeverre beïnvloeden deze vragen de rechtspositie van de kerkelijke goederen?

|8|

De lezer heeft er recht op te weten welk vooroordeel de schrijver aan zijn onderzoek ten grondslag legt. Schrijver dezes erkent de Heilige Schrift als hoogste norm en richtsnoer voor het leven en poogt dit uitgangspunt bij al zijn beoordelingen te betrekken1.

Nadat het onderzoek eind 1976 was afgerond, werd door de Hoge Raad inzake het conflict in de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) te Katwijk voor de tweede maal een arrest gewezen. Het arrest (HR 5-11-1976) wordt in Naschrift I besproken.

Tijdens het corrigeren van de drukproeven (mei 1977) werden de arresten inzake Katwijk in de Nederlandse Jurisprudentie gepubliceerd en door prof. mr. G. J. Scholten geannoteerd (N.J. 1977, 219-221 m.o. G.J.S.). Naschrift II vormt een reactie op de annotatie van Scholten.

Ten slotte wil ik in de eerste plaats een woord van dank richten tot prof. J. Kamphuis, hoogleraar in de Algemene en Nederlandse Kerkgeschiedenis en het Kerkrecht aan de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Kampen en tot mr. O.K. Brahn, lector in het Burgerlijk Recht aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Rijksuniversiteit te Groningen.

Beiden hebben vanuit hun vakgebied mij steeds met waardevolle adviezen omringd.

In de tweede plaats wil ik mej. mr. W.R. Meijer, wetenschappelijk hoofdmedewerker in het Burgerlijk Recht aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen en de heer J. Leguijt, leraar Nederlands aan de Gereformeerde M.A.V.O. te Drachten danken voor hun bereidwilligheid de drukproeven te corrigeren en van kritische kanttekeningen te voorzien.

 

Drachten, juni 1977

F.T. Oldenhuis


1 Over het unieke element in het christelijke uitgangspunt: H.J. van Eikema Hommes, De elementaire grondbegrippen der rechtswetenschap, Deventer 1972, 84 e.v. Van Eikema Hommes onderschreef daarin dat uitgangspunt. Het wekte de weerzin op van Kisch, die dat standpunt bij zijn boekbespreking bestreed, althans een poging daartoe deed (Rechtsgeleerd Magazijn Themis 1974, p. 509). Het christelijk uitgangspunt wordt uitvoerig besproken door A.G. Honig jr., Meru en Golgotha; de veelheid der verlossingswegen en de belijdenis aangaande Jezus Christus als de enige Verlosser, Franeker 1969; in dit verband met name p. 57-64, waar Honig het exclusieve karakter van het christelijk geloof bespreekt.