Nauta, D. (1971) Art. 5

II. De dienaren des Woords

Artikel 5
1. Voor de toelating tot het ambt van dienaar des Woords is een deugdelijke theologische opleiding vereist.

|58|

2. Hij die een zodanige opleiding ontvangen heeft, hetzij aan de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland, hetzij aan de faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit, kan zich, onder overlegging van de benodigde getuigschriften, aanmelden bij de classis waaronder de kerk van zijn woonplaats ressorteert, om zich te onderwerpen aan het praeparatoir examen. Wanneer hij dit examen met goed gevolg heeft afgelegd, zal de classis hem als proponent beroepbaar stellen. Een en ander zal geschieden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
3. Ten aanzien van hem, die elders een theologische opleiding ontvangen heeft, zal de classis, bij welke hij zich aanmeldt, handelen overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
4. Voor de uitzending als missionair dienaar des Woords is, naast de in lid 1 bedoelde opleiding, nog een bijzondere opleiding vereist aan het zendingsseminarie.

 

Noodzakelijkheid van theologische opleiding voor predikanten

Met dit artikel begint een reeks bepalingen, die betrekking hebben op de dienaren des Woords. Het aantal van deze bepalingen, waarbij nog gerekend moeten worden de terstond er op aansluitende bepalingen over de opleiding tot de dienst des Woords, is aanmerkelijk groter dan die, welke handelen over de ouderlingen en diakenen. Maar dit verschijnsel treft men eveneens aan in de oude kerkorde. Het hangt samen met de bijzondere plaats, welke de dienaren des Woords, in onderscheiding van de andere ambtsdragers, in het kerkelijk leven innemen. Er valt dan vooral te denken aan de omstandigheid, dat zij in het voor hen bestemde dienstwerk een volledige dagtaak vinden, terwijl ouderlingen en diakenen hun dienstwerk kunnen verrichten naast de arbeid, verbonden aan hun maatschappelijke en burgerlijke taak; en voorts aan de omstandigheid, dat zij in het algemeen voor heel hun leven worden beroepen, terwijl de andere ambtsdragers gewoonlijk slechts voor een beperkt aantal jaren hun dienstwerk zich zien toevertrouwd. Het mag dan zo zijn, dat de respectieve ambten, principieel beschouwd, één zijn, het niet te miskennen onderscheid in opdracht en werk vergt voor elk van de ambten een afzonderlijke voorziening en regeling. De regeling met betrekking tot de dienaren des Woords is verwerkt in de artikelen vijf tot negentien.

Het eerste punt dat aan de orde komt, raakt de vraag, of en in hoeverre er naast de algemene vereisten die voor alle ambtsdragers gelden en welke in artikel drie zijn bedoeld, nog bijzondere eisen zijn om voor het ambt van dienaar des Woords in aanmerking te kunnen komen. Deze vraag is door de Gereformeerden altijd in bevestigende zin beantwoord, al hebben zij tegelijk de mogelijkheid van een enkele uitzondering op deze regel niet willen

|59|

uitsluiten. Naar hun oordeel was het niet voldoende, dat iemand een overtuigd christen is en goed onderlegd in de Schriften, om als dienaar des Woords in de gemeente te kunnen optreden. In de kringen van Dopersen en Independenten dacht men er gewoonlijk anders over. Zij hadden er geen bezwaar tegen, zodanige personen tot het ambt van dienaar des Woords toe te laten en in deze bediening te doen werkzaam zijn. Welbewust hebben de Gereformeerden dat standpunt verworpen. Een wetenschappelijke opleiding werd door hen voor de aanstaande dienaar des Woords in het algemeen onmisbaar geacht.

Het is geheel in overeenstemming met deze opvatting, dat dit artikel voor de toelating tot het ambt van dienaar des Woords een deugdelijke theologische opleiding vereist noemt. Wanneer iemand zou opmerken, dat een dergelijke eis in de Bijbel niet wordt aangetroffen, moet dit onmiddellijk en zonder reserve worden toegestemd. Wie zich dan ook op een streng-biblicistisch standpunt wil stellen, in deze zin dat hij in de kerkorde uitsluitend plaats wenst te geven aan wat met zovele woorden in de Bijbel staat genoemd, en al het andere als contrabande meent te moeten verwerpen, zal zich moeilijk met de Gereformeerde opvatting kunnen verenigen. De Gereformeerden houden namelijk rekening met een legitieme ontwikkeling in de geschiedenis der kerk, die zich dank zij de leiding van de Heilige Geest voltrekt.

Voor het stellen van de bedoelde eis van een deugdelijke theologische opleiding laten zich inderdaad goede gronden aanvoeren. De taak van een dienaar des Woords bestaat voor een voornaam gedeelte in het uitleggen en toepassen van de Heilige Schrift. Nu mag het waar zijn, dat wij over goede vertalingen van de Bijbel kunnen beschikken en dat de gemeenteleden voor het kennen van de weg des heils aan een dergelijke vertaling genoeg hebben, een dienaar des Woords mag hiermede zich niet tevreden stellen. Hij moet in staat zijn de oorspronkelijke tekst te lezen en te raadplegen, en voorts ook kennis te nemen van wat bekwame uitleggers uit vroegere eeuwen en in allerlei talen in hun geschriften ten beste hebben gegeven. Een dienaar des Woords behoort ook thuis te zijn in de geschiedenis van de kerk en in de strijd der geesten, die gedurende eeuwen over allerlei leerstukken is gevoerd, om op deze manier in het heden de geesten te kunnen beproeven en onderscheiden. Een dienaar des Woords moet voorts allerlei technische bekwaamheden bezitten om zijn werk in de prediking, de catechisatie en anderszins onder de mensen te kunnen verrichten. En dit alles wordt nu eenmaal niet verkregen zonder een behoorlijke opleiding en oefening. Een ingespannen studie van jaren is daartoe noodzakelijk. Zonder een dergelijke grondige voorbereiding zou het werk van een dienaar des Woords op grote en soms onoverkomelijke bezwaren stuiten.

Natuurlijk wil dit niet zeggen, dat een deugdelijke theologische opleiding zonder meer waarborg biedt voor het welslagen van dat werk. Ik bedoel hiermede niet alleen dat wij altijd van de zegen des Heren afhankelijk en

|60|

op deze zegen aangewezen blijven. Maar ik wil er uitdrukkelijk op wijzen, dat de theologische opleiding niet overbodig maakt en niet in de plaats mag komen van de geestelijke gaven, welke voor elke ambtsdrager zonder uitzondering door de Heilige Schrift tot eis worden gesteld. Ik ontken niet, dat hier in de praktijk een grote moeilijkheid ligt. Het zijn immers gewoonlijk nog jeugdige personen, die aan de theologische opleiding deelnemen en zich op deze wijze voorbereiden voor het predikambt. Of zij allen in werkelijkheid in het bezit zijn van de bedoelde geestelijke gaven, laat zich op hun leeftijd lang niet altijd met stelligheid uitmaken. In dit opzicht blijven, gelijk de ervaring leert, twijfeling en teleurstelling niet uit. Maar op deze kwestie behoef ik in dit verband niet verder in te gaan. Want vanwege de aangeduide moeilijkheden, die in de praktijk kunnen ontstaan en waarvoor dan naar een verantwoorde oplossing moet worden gezocht, mag van de eis van een deugdelijke theologische opleiding niets worden afgedaan.

De kerkorde gaat er van uit, dat een zodanige opleiding gegeven wordt aan de Theologische Hogeschool te Kampen en aan de Faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Een willekeurige veronderstelling is dit niet. Onze kerken nemen haar aan op grond van de door haarzelf getroffen regeling ten aanzien van de genoemde Hogeschool en van de ter zake met de Vrije Universiteit getroffen overeenkomst.

De mogelijkheid dat ook anderen, die deze opleiding te Kampen of te Amsterdam niet genoten hebben, naar het ambt van dienaar des Woords zouden willen staan, wordt in het derde lid aan de orde gesteld. In ieder zich voordoend geval zal de classis dan moeten uitmaken, of er van een deugdelijke theologische opleiding mag worden gesproken. De regeling van de daarbij te volgen procedure staat in de kerkorde zelf niet opgenomen. Hiervoor wordt verwezen naar de afzonderlijke door de generale synode indertijd vastgestelde bepalingen. Uit de aard der zaak zijn deze bepalingen voor wijziging vatbaar, en de omstandigheden kunnen tot een dergelijke wijziging heel gemakkelijk aanleiding geven. Het is daarom ook juister, dat deze bepalingen zelf hier niet zijn opgenomen; te meer omdat een geval als bedoeld, zich niet zo vaak voordoet.

Wordt dus een deugdelijke theologische opleiding noodzakelijk geacht, zij opent toch niet zonder meer de toegang tot het ambt van dienaar des Woords in onze kerken. Dit gebeurt alleen, gelijk in het tweede lid wordt bepaald, nadat met gunstig gevolg het zogenaamde praeparatoir examen voor één van de classes is afgelegd. Men kan vragen, waarvoor na de voormelde opleiding, in overeenstemming met de begeerte der kerken genoten, dit examen nog moet dienen. Het zou ook weinig zin hebben, wanneer gedacht moest worden aan een examen met een bepaald wetenschappelijk karakter. Dit is echter volstrekt niet de bedoeling. Het praeparatoir examen draagt en moet ook dragen een kerkelijk karakter en een kerkelijke teneur. Dit blijkt reeds hieruit, dat alle leden van de classis geacht worden over dit examen zich een oordeel te kunnen vormen; en tot deze leden behoren eveneens ouderlingen

|61|

en diakenen, die veelal geen wetenschappelijke opleiding hebben genoten. Bij dit examen moet het uitkomen, of de persoon in kwestie eventueel als dienaar des Woords op vruchtbare wijze voor de gemeente zijn arbeid zal kunnen verrichten. Over deze zaak moet niet de Hogeschool of de Universiteit, moeten evenmin de theologische hoogleraren, maar moet de kerk zelf zich een oordeel vormen, al zal zij hierbij gebruik maken van getuigschriften en verklaringen, die door de persoon in kwestie ter zake van zijn leer en leven, zijn belijdenis en wandel moeten overgelegd worden.

De bijzonderheden van dit praeparatoir examen en de voorwaarden waaraan de candidaten moeten voldoen om er zich aan te kunnen onderwerpen, staan alweer in bepalingen van de generale synode opgenomen. De kerkorde volstaat met verwijzing daarheen.

In het vierde lid staat nog een afzonderlijke bepaling met betrekking tot degenen die het voornemen hebben te worden uitgezonden in dienst van het zendingswerk der kerk. Dezulken kunnen niet volstaan met het volgen van de gewone opleiding voor aanstaande predikanten. Zij hebben daarnaast nog een bijzondere opleiding nodig in verband met het werk dat hun zal worden opgedragen in andere delen der wereld. Voor dit doel hebben de kerken zorg gedragen dat er een instelling bestaat, waaraan die bijzondere opleiding kan worden ontvangen, te weten het zendingsseminarie. Over deze instelling wordt bij artikel 98 nader gehandeld.