Biesterveld, P./Kuyper, H.H. (1905)

(uitg.)
Kerkelijk handboekje
bevattende de Bepalingen der Nederlandsche Synoden en andere stukken van beteekenis voor de Regeering der Kerken
Kampen
J.H. Bos
1905

Biesterveld, P./Kuyper, H.H. (1905) Wv

[Woord vooraf]

 

L. S.

Een ieder, die meeleeft in de kerkelijke wereld, weet, hoe dikwerf het noodig is om de besluiten te raadplegen van de beroemde Synoden der 16e en 17 eeuw. Allereerst is er dan behoefte aan eenen betrouwbaren tekst, en aan een eenigszins uitgebreid register, waardoor het naslaan der bepalingen wordt vergemakkelijkt.

De gewone in omloop zijnde uitgaven van het Kerkelijk Handboekje, zoowel van den ouderen als van den nieuweren tijd, konden aan dezen eisch niet voldoen.
Pas door den zorgvuldigen arbeid van Prof. Dr. F.L. Rutgers in zijne uitgave van de Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw (Utrecht, Kemink en Zoon, 1889), is het mogelijk geworden van de besluiten der Synoden van 1571, 1574, 1578 en 1581 eenen zuiveren tekst te geven. Voor deze uitgave toch zijn de handschriften zelve vergeleken, waardoor de tekst veel verschilt van den gangbaren gedrukten tekst.

Wij hebben voor onze uitgave van de bepalingen dezer genoemde Synoden gevolgd den tekst gelijk die door Prof. Rutgers is afgedrukt. Voor de bepalingen van de Synode van 1574 hebben wij nog vergeleken den tekst, gelijk die is afgedrukt door Dr. J. Reitsma en Dr. S.D. van Veen in hunne „Acta der Provinciale en Particuliere Synoden” (Groningen J.B. Wolters, 1893, deel II).

In de uitgave van Dr. Rutgers konden de Acta van de Synode van 1586 nog niet naar een authentieke copie worden afgedrukt, omdat men meende dat dergelijke copieën niet meer te vinden waren. Door Dr. L.A. van Langeraad zijn echter twee gewaarmerkte

|—|

handschriften gevonden waarvan het eene nu in zijn bezit is, en het andere berust in het archief van de classis Dordrecht der Ned. Herv. Kerk. Beide manuscripten zijn door Dr. v. Langeraad afgedrukt in „de Navorscher”.

Op ons verzoek stond Dr. v. Langeraad ons zijn manuscript ten gebruike af, zoodat wij in onze uitgave den tekst der bepalingen van de beteekenisvolle Synode van 1586 geheel nauwkeurig konden weergeven. Voor de Particuliere vragen dezer Synode hebben wij het handschrift van de classis Dordrecht ten grondslag gelegd.

De Wezelsche Artikelen zijn opnieuw vertaald uit den latijnschen tekst, gelijk die gegeven is in de uitgave van Prof. Rutgers.

Ook kon pas in onze uitgave de hollandsche tekst der Post-acta zuiver worden weergegeven. Deze is toch voor het eerst afgedrukt naar betrouwbaar handschrift door Dr. H.H. Kuyper in zijne studie „de Post-Acta” (Amsterdam, Höveker en Wormser.)

Wat nu de overige stukken betreft hadden wij slechts te kiezen tusschen de bestaande uitgaven. Voor de Kerkenordening van Dordrecht 1618 en 1619 kozen wij de Geldersche uitgave (Arnhem, J. Jansz, 1620.) Deze toch is de meest officieele te achten.

Het Geldersche Visitatie-regelement werd afgedrukt naar de uitgave van J. Smetius, en het Delftsche Visitatie-reglement naar het Classicaal Handboekje van ’s-Gravenhage, 1771.

Eindelijk meenden wij nog te moeten opnemen de beantwoording van enkele vragen op last van de Middelburgsche Synode van 1581 beantwoord door Danaeus, gelijk die ook voorkomt in de uitgave van Prof. Rutgers.

Ook gaven we een plaats aan de Walchersche Artikelen. Deze belangrijke dogmatische beslissing is over het algemeen weinig bekend. Wij hebben den officieelen tekst kunnen afdrukken. In het Onderteekeningsboek n.l. van de Classis Walcheren, dat in het Archief van

|—|

die classis berust, zijn deze Artikelen voor de onderteekening der Predikanten volledig uitgeschreven. De in omloop zijnde teksten zijn niet nauwkeurig.

Andere stukken, die gewoonlijk in de uitgaven van het Kerkelijk Handboekje voorkomende lieten we weg, omdat ze voor ons kerkelijk leven niet van groot belang zijn te rekenen.

Ook is de Voorrede, gelijk die in de vroegere uitgaven voorkomt, door eene andere vervangen. Wij meenden dat zij minder belangrijk was voor dezen tijd, en hebben daarom als Inleiding gegeven eene korte uiteenzetting van de verschillende stelsels van Kerkreegering, en van de beteekenis en de geschiedenis onzer vigeerende Kerkenordening.

Zij deze onze uitgave tot bevordering van den bloei van ons kerkelijk leven.

 

P. BIESTERVELD.
H.H. KUYPER.

Biesterveld, P./Kuyper, H.H. (1905) Inl.

Inleiding

 

I. De verschillende stelsels van kerkregeering

De verschillende christelijke kerken gaan niet alleen uiteen in het stuk der Belijdenis, maar ook in dat van de Regeering der kerk. Van zelf wordt in de meeste Belijdenis-schriften reeds het uitgangspunt aangegeven hetwelk de practische regeling van het kerkelijk leven beheerscht, en kan in de meeste gevallen gezegd, dat het kerkelijk regiment in het nauwste verband staat met heel het beginsel waaruit het kerkelijk belijden opkomt. Toch is het geval niet ondenkbaar dat men het in de overige stukken der Belijdenis eens zou zijn, en in de regeling van het kerkelijk regiment verschillen. Zoo bv. toch de Engelsche Staatskerk. Ook vele Congregationalistische gemeenten zijn in de andere stukken der Confessie van één gevoelen met de Gereformeerde Kerken, maar gaan in het stuk der Kerkregeering met ons niet accoord. Ook dan is kerkelijk samenleven niet mogelijk.

Achtereenvolgens willen wij hier bespreken: het stelsel der Roomsche kerk of het Papale stelsel; voorts dat der Luthersche kerk of het Territoriale stelsel; dan het Collegiale stelsel; daarna het Congregationalistische stelsel of dat der Independenten en eindelijk het Presbyteriale stelsel, gelijk het door de Gereformeerden toegepast wordt.

***

|ii|

De Roomsche kerk huldigt een stelsel dat men het best het papale of pauselijke noemen kan. Rome kent alleen de zichtbare kerk. Zoo alleen is te handhaven de volstrekte autoriteit van de kerk, die naarbuiten optreedt in het gezag van den Paus. Daarom zijn de kenteekenen der kerk behalve de belijdenis van het ware geloof en de gemeenschap der sacramenten, ook nog de onderwerping aan het wettige hoofd der kerk, den Paus. Zij is voorts een burgerschap Gods, een rijk, zoodat in haar midden het onderscheid bestaat tusschen regeerders en geregeerden. Zij die regeeren vormen de clerus, de hierarchie. Alleen de clerus kan de genade voortplanten, want hij alleen bezit de kerkelijken functies, zoodat in eigenlijken zin de clerus de kerk constitueert. De Paus staat in den clerus bovenaan. Trente’s concilie vroeg om de pauselijke bekrachtiging van zijne besluiten, en schreef in zijne Confessie voor, dat elke priester gehoorzaamheid heeft te zweren aan den Paus, den opvolger van Petrus en Stedehouder van Christus. Vóór het Vaticaanse concilie was er echter nog steeds kerkrechtelijk en dogmatisch grond voor de meening, dat de kerkelijke macht ter laatster instantie ligt bij het oecumenisch concilie. Daar had de Paus dan als primus inter pares wel de opperste leiding, maar meer niet. Met de onfeilbaarheidsverklaring is echter de macht van het concilie (gelijk reeds feitelijk geschied was) ook principieel op zijde gezet, en elke macht in de kerk aan den Paus opgedragen. Dit punt in de ontwikkeling moest bereikt, zou werkelijk de grondslag van heel het Roomsche systeem vast genoeg staan: de eenheid der wereldkerk, en de onmiddelijke band van de kerkelijke macht aan den Christus. De autoriteit en de eenheid der kerk eischen het absoluute pauselijk gezag. 

Het feudale systeem moest het in Rome’s kerk wel winnen, zelfs van het aristocratische epicscopale stelsel, dat lang, vooral buiten Italië, zoo warme voorstanders vond.

Naar dit stelsel heeft de Paus het primatus jurisdictionis

|iii|

et honoris d.i. de hoogste regeering der kerk en alle eere daaraan verbonden. Hij representeert krachtens dit primaat de kerk altijd en overal. Bij hem berust de hoogste kerkelijke wetgeving zoowel wat de leer als de inrichting betreft. Hij heeft het absoluute toezicht over heel de kerk, verleent het bisschoppelijk pallium, kan geestelijke orden inrichten en opheffen, spreekt zalig en heilig, enz.

Hij heeft ook het primaat der eere, wat in adoratie en voetkus van de zijde der geloovigen wordt erkend, en in zijn apostolischen troon en tiara is gesymboliseerd. Heel dit stelsel van kerkregiment vloeit voort en staat in verband met de opvatting van het wezen en de taak der kerk, gelijk Rome dit leert.

Van de kerk als vergadering der geloovigen weet Rome niet.

Plaatselijke kerken, gelijk ze bij de Gereformeerden zijn, passen niet in het systeem. Zelfs niet eenmaal landskerken.

Eén groot heilinstituut voor heel de wereld — met ééne kerkelijke belijdenis, niet gelijk bij de Gereformeerden uit het eigen leven van iedere kerkengroep geboren, maar van boven af aan heel de wereldkerk opgelegd — met éénzelfde kerkelijke taal, voor overal gelijke ceremonie voorgeschreven. Het wezen van dit heilsinstituut ligt in het zichtbare, juist andersom dan bij de Gereformeerden. Welnu, als het wezen der kerk in het zichtbare ligt, dan moet ook de eenheid der kerk uitwendig gezien worden, en daarom een regeerder, de vicarius, de stedehouder Christi, die over heel die wereldkerk het bewind voert.

Regelrecht daalt de regeermacht van Christus op den Paus en zijn clerus af. Zoo vormt de stand van de geestelijken een afzonderlijken stand van dien der leeken onderscheiden. Wij Gereformeerden kennen in de gemeente Christi éénen stand, dien der geloovigen. Bij Rome is van geestelijke mondigheid der leeken geen sprake; het ambt der

|iv|

geloovigen kent Rome’s kerk niet. En toen nu de naam „geestelijke” geboren werd voor den priesterstand, was het met de dubbele bedoeling om aan te geven, dat de drager van dien naam op geheel bijzondere wijze in het bezit was van charismata, den leek ontzegd, èn dat deze „geestelijken” niet zouden onderworpen zijn aan de wereldlijke jurisdictie, maar aan die van den Paus. Zoo werd de clerus onttrokken aan het nationale leven, om in dienst der wereldkerk te kunnen staan, en in eigen persoon telkens weer heel die kerk te kunnen vertegenwoordigen, zoodat ook zonder meewerking of zelfs zonder tegenwoordigheid der gemeente, de kerkelijke ceremonie even goed kan plaats vinden. Als de priester er is, dan is er de kerk.

Dit stelsel brengt ook mee om de kerk te maken tot het alles beheerschend element in het leven. Rome kent in den grond niet het recht van elke levensterrein om zich naar eigen regel en wet te ontwikkelen. Daarom kerkelijke scholen, kerkelijke kunst, kerkelijke wetenschap en ook overheersching van den staat door de kerk. Er is geen onderscheid tusschen kerk en Godsrijk, de kerk is ook het koninkrijk Gods, en in dat rijk is de Paus de stedehouder. Naar ons beginsel heeft de kerk alleen de zorge voor het geestelijke, voor het terrein der particuliere genade. Zij is de vergadering der ware Christ-geloovigen. Het Godsrijk omvat zooveel meer. Het heeft voor zijn terrein het leven van de familie, van den staat, van de school, van de kunst — op elk van welke terreinen Gods wil moet gedaan en Zijne eere gezocht naar de eigen wetten en regelen, die Hij daarvoor heeft gesteld.

Rome kan naast de kerk geen enkel zelfstandig terrein dulden. Dat zou breken de idee zoowel van de autoriteit als van de eenheid der wereldkerk. Daarom het laatste woord aan den Paus ook in den staat, de wetenschap, de kunst het maatschappelijk leven, opdat de idee van de ééne zichtbare kerk gehandhaafd blijve.

|v|

Het Roomsche stelsel dus gaat uit van de eenheid der zichtbare wereldkerk; roept de tegenstelling tusschen regeerders en geregeerden in het leven, schept alzoo twee standen in de gemeente des Heeren, de geloovigen beroovend van hun voorrecht een koninklijk priesterdom te zijn; legt de macht die Christus aan zijne kerk gaf in de handen van den Paus, en doet de kerk optreden als heerschende macht, ook op het terrein dat haar niet naar goddelijke ordinantie is toebetrouwd.

***

De Luthersche Reformatie brak met het Pauselijke stelsel van kerkregeering, dat uitging van de ééne wereldkerk, en koos voor het Nationale territoriale stelsel, ook wel het Consistoriaalstelsel genoemd. Tot op zekere hoogte werd de Luthersche Reformatie tot verandering van het stelsel van kerkregeering meer genoopt door de omstandigheden, dan dat van meet af principieel partij gekozen werd tegen de oude organisatie. Het beweren is niet onjuist te achten, dat indien, gelijk men eens hoopte, de roomsche bisschoppen de nieuwe leer hadden omhelsd, naar het Luthersche standpunt, uiterlijk de oude organisatie had kunnen blijven, zij het ook, dat enkele rechten in de jurisdictie waren gewijzigd.1)

De Luthersche Reformatie drong voorts sterk op den voorgrond de leer, dat de Overheid het recht heeft ook in te grijpen in de zaken der kerk, omdat zij is het praecipium membrum ecclesiae, d.i. het voornaamste lid der kerk. Als zoodanig heeft zij de custodia utriusque tabulae, d.w.z. de zorg zoowel voor de handhaving der goddelijke geboden, die de verhouding van den mensch tot God regelen, als van de geboden, die de verhouding regelen van de menschen onderling. Zij


1) Zoo b.v. E. Friedberg, Lehrbuch des Katholischen und evangelischen Kirchenrechts, Fünfter Auflage, Leipzig, 1903. pag. 83.

|vi|

heeft de roeping het christelijk geloof zuiver te houden, en de rechtsorde der kerk te handhaven.

Krachtens zijn regeeringshoogheid heeft nu ook de vorst des lands het gezag over de kerk in zijn land. Als de Duitsche keizer zich bij de Reformatie had aangesloten, zou men ééne evangelische Rijkskerk gekregen hebben. Nu dit niet geschiedde, kreeg men landskerken, zooveel als er evangelische vorsten waren. In deze landskerken, of zij territoriën, een geheel gebied, omvatten, of ook alleen tot eene enkele stad zich beperkten, voert de Overheid het kerkelijk regiment, en wel op grond van hare religieuze verplichting.

Sommigen meenden eerst nog wel, dat de vroegere bisschoppelijke macht op de Overheid was overgegaan en dus de vorst als bisschop de kerk regeerde — feitelijk kwam het echter ook bij hen er op neer dat de macht in de kerk berust bij den landsvorst, of in de steden, die een eigen gebied hadden, bij de stedelijke Overheid. Cuius regio, eius religio d.i. de godsdienst van den vorst is de godsdienst ook van het land, is bij beiden het practisch uitgangspunt.

Onder den landsvorst werd het regiment uitgeoefend door de Consistoriën, die eerst ontstaan zijn uit de visitatie-commissiën, en uit Theologen en Rechtsgeleerden bestonden. Zij worden niet als kerkelijke, maar als staatsrechterlijke lichamen beschouwd. Verder werden Superintendenten aangesteld, onder wie de Predikanten staan, die in hunne parochie alle macht oefenen. De gemeente is geheel als onmondig beschouwd, en alleen in die Kerkenordeningen, die opgesteld zijn onder „gereformeerden” invloed, is nog sprake van eenig medewerken in zake de kerkelijke tucht.1)

Op deze wijze trad in de plaats van de eene wereldkerk, de nationale kerk, terwijl tevens gebroken werd met het Roomsche beginsel, dat aan


1) Zie Friedberg, t.a.p., pag. 89.

|vii|

de kerk toekomt de suprematie over den staat, en juist het tegenovergestelde geleerd werd, dat de kerk geheel en al aan den staat dient onderworpen te zijn. Het kenmerkende van dit gezag van den staat over de kerk (wat op zichzelf bij het episcopale en bij het collegiale stelsel ook mogelijk is) ligt dan hierin, dat aan den landsvorst het kerkelijk regiment toekomt als deel van zijn souverein gezag, en dus de kerk als onderdeel van de staatsmacht wordt geadministreerd. Zoo heeft zich de reeds aangegeven fout van het begin der Reformatie in de Luthersche landen gewroken, dat de verkeerde verhouding tusschen den staat en de kerk, (waarom nu eens deze dan weer gene den overwegenden invloed op het andere gebied zocht te oefenen), niet principieel werd bestreden, maar voor de Reformatie der Kerk alle heil gezocht in den invloed der landsregeering. De Overheid en de standen werden opgeroepen om reformatorisch in te grijpen. Zij veranderden krachtens hunne bestuurshoogheid den religieuzen toestand, daar zij zich bevoegd achtten om hunne onderdanen te kunnen noodzaken tot de Reformatie over te gaan naar den vermelden regel: cuius regio, eius religio. Van zelf volgde dat, wanneer in een tot dusver evangelisch land een roomsche vorst aan de regeering kwam, het land weer roomsch werd of wanneer een gereformeerde vorst door een lutheraan werd opgevolgd, de luthersche Confessie overheerschend werd. De Westfaalsche vrede erkende het jus reformandi, het recht van reformatie, een uitvloeisel van de bestuursmacht der Overheid te zijn.

Vooral Christiaan Thomasius heeft dit territoriale systeem wetenschappelijk uiteengezet. Hij sloot zich (onder invloed van het toen heerschende natuurrecht) aan bij Puffendorf — maar gaat verder doordien hij de kerk zoozeer aan den staat onderwerpt, dat zij in den staat opgaat. Puffendorf had den staat al gegrond in het verdrag, maar nog de goddelijke institutie van de kerk vastgehouden.

Men kreeg in de kerk aldus drie standen: den regeerstand,

|viii|

den leerstand en den leekenstand. De eerste, de Overheid, heeft alle gezag — de tweede, de predikanten, onderwijst over de werking van dat gezag — de derde, de gemeente, heeft alleen te gehoorzamen.

Hoe dit stelsel de terreinen van staat en kerk dooreenmengt, het recht der gemeente verkort en ontwikkeling der ambten onmogelijk maakt, behoeft geen verder betoog.

De andere naam van dit stelsel: Consistoriaalsysteem, is van ondergeschikte beteekenis. Hiermee wordt aangeduid de manier waarop het gezag wordt uitgeoefend n.l. door landsheerlijke Consistoriën en Superintendenten, gelijk dat reeds vroeger is aangegeven. De naam Consistoriën wordt in de roomsche kerk gegeven aan de vergaderingen der kardinalen die op last van den Paus gehouden worden, en ook aan de colleges die den vicaris-generaal in de uitoefening der regeermacht bijstaan.

Van den beginne af aan zijn de Consistoriën geweest overheidsinstellingen. De vorst des lands benoemde en gaf de instructiën. In sommige steden en landen had men „Mediatkonsistoriën”, die door de lagere overheden werden aangesteld.

Aan het territoriale stelsel verwant is dat van Thomas Erastus, welk stelsel ook gevolgd is door de Remonstranten ten onzent. Erastus (in 1524 geboren) was hoogleeraar in de medicijnen aan de universiteit van Heidelberg. Hij was ook lid van den kerkeraad en woonde de religiegesprekken van Heidelberg 1560, en Maulbronn 1564 bij. Blijkens zijne geschriften over het avondmaal deelde hij in dit stuk de opvatting van Zwingli. Evenzoo in het stuk van de verhouding van kerk en staat en in de kerkregeering. Zeer ernstig verzette hij zich dan ook tegen de invoering van het presbyteriale stelsel in de Paltz, echter zonder gevolg. Na zijn dood is door zijne weduwe een tractaat uitgegeven, waarin zijn stelsel nader wordt uiteengezet. Hij bestrijdt de zelfstandigheid van de kerk, decreteert

|ix|

hare geheele onderworpenheid aan den staat, verklaart den kerkelijken ban voor onbijbelsch en tyranniek. Vooral in Engeland vond hij aanhangers, terwijl hier de Remonstranten hem volgden. En al is nu in het Ned. Herv. Kerkgenootschap het collegialistische stelsel toegepast — gelijk wij zullen zien, kan onder dat systeem weer elk ander stelsel gevolgd. Zoo is feitelijk dit genootschap ontstaan naar de beginselen van het Erastianisme. In 1816 werd door den Koning het Reglement uitgevaardigd. En al heeft men hier geen Consistoriën of Superintendenten — de Synodale commissie gelijkt als eene tweelingzuster op de eersten, terwijl de kerkbesturen het werk der Luthersch Superintendenten vervullen. Hoe voorts alle discipline in den grond is geweerd, leervrijheid feitelijk wordt gehuldigd en het ouderlingenambt niet dan in naam bestaat, is bekend.

Dit Erastiaansche stelsel is daarom nog meer vicieus dan het territoriale, omdat het alle gezag in de kerk ontkent. De Overheid regeert de kerk, maar ook dan zelfs draagt dit regiment niet eenmaal een kerkelijk karakter. Geen optreden van de Dienaren met autoriteit in des Heeren Naam, als zij de sleutelen des hemelrijks bedienen — hoogstens zijn zij vermaners, tot tucht niet gerechtigd. Geen wacht houden voor de zuiverheid der leer — voor alle nuance in belijden zij plaats. Ook dit stelsel doet geweld aan het karakter van ’s Heeren kerk als vergadering der geloovigen, en vergrijpt zich aan het gezag van den eenigen Koning en Wetgever der gemeente.

***

Het Collegiale stelsel van kerkregeering wortelt in de leerstellingen van het natuurrecht. Naar de beginselen die aan dit stelsel ten grondslag liggen, zijn staat noch kerk van goddelijken oorsprong. De staat is geboren door een verdrag van vrije menschen. Alle gezag, dat in den kring van den staat wordt

|x|

geoefend, ontleent zijn recht van regiment alleen aan een tweede verdrag van hen, die samen den staat hebben gevormd, en nu weer vrijwillig dit recht aan de Overheid opdragen. Evenzoo staat het ook met de kerk. Ook zij toch is niet van goddelijke instelling, maar ontstaat door dat menschen zich met het doel vereenigen om samen eene kerk te vormen, die dan niet anders is dan een door verdrag geboren collegium (vandaar de naam van het stelsel) in den staat. Er kan geen sprake meer zijn van ééne kerk, want naast elkander kunnen er vele vereenigingen in den staat bestaan van zulke godsdienstige strekking, alle voor den staat volkomen gelijk. De kerk valt geheel onder de rechtsbepalingen, die voor allerlei vereenigingen gelden. De naam Collegium doet geheel denken aan de voorschriften der Romeinsche wetgeving, die de kerken een tijdlang heeft erkend als collegia licita, d.i. geoorloofde vereenigingen. Dit stelsel is het eerst geleerd door Christoffel Mattheus Pfaff, die leefde van 1686-1760, en verder ontwikkeld door Mosheim, G.L. Böhmer, Schleiermacher en anderen. Na de revolutie is het op breeder schaal toegepast, terwijl o.a. ook het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap naar zijne beginselen is ingericht.

Hoe dit stelsel lijnrecht met het wezen der kerk naar Gods Woord in strijd is, behoeft geen betoog. Van zelf tast het ook het leven der kerk in den hartader aan. Allereerst is het eene algeheele miskenning van het gezag, dat aan Christus, den eenigen regeerder van zijne kerk toekomt.

Niet hij vergadert zijn gemeente. Zij ontstaat door den vrijen wil der menschen. Niet zijn autoriteit is bindend, zoodat naar den lastbrief door hem verstrekt de ambtsdragers hebben te regeeren — de meerderheid der lidmaten beslist voor hetgeen als regel zal hebben te gelden. Niet als Christ-geloovigen treden de lidmaten op, maar als enkel vrije menschen, die bij vrije

|xi|

keuze het karakter der kerk bepalen. Zoo is dan niet te streng geoordeeld als van dit systeem is gezegd:

„Is de helft plus één vóór Jezus, welnu dan behoudt de kerk haar christelijk karakter; maar ook valt het anders uit, dan is diezelfde kerk allicht morgen ’t zij Joodsch of Mohammedaansch.”1)

Voorts vergrijpt zich dit stelsel aan heel het karakter der kerk als zoodanig. Zij is geen organisch geheel — geen vergadering van hen die gekocht zijn door het bloed van Jezus Christus, geen openbaring van het lichaam van hem die in haar zijne vervulling vindt. Zij is slechts een toevallige vereeniging van individuen, die naar vrije keuze deze vereeniging vormen, zich bij haar voegen of hun lidmaatschap weer opzeggen. Van een ambt der geloovigen kan evenmin gesproken als van een dienst die in Jezus naam aan de geloovigen geschiedt. Van een plicht om zich bij de kerk te voegen is evenmin te handelen, als van de zonde der scheuring van het lichaam des Heeren; immers de kerk wil dat niet meer zijn!

Eindelijk is dit stelsel ten eenenmale revolutionair, omdat het in allerlei vorm van regeeren zich vinden kan, mits deze altijd den grond van zijn gezag aan de meerderheid der vrije lidmaten ontleent. Zoo kan men presbyteriaal zijn, en het gezag opdragen aan de presbyters, maar ook papaal, het opdragend aan de Paus, of Synodaal, het overdragend aan de synode. Maar altijd moet de grondslag zijn: het gezag rust in den vrijen wil der meerderheid. Juist dus gelijk men op staatkundig terrein redeneert. Elke regeeringsvorm kan, mits rustend in de souvereiniteit van het volk.

Dat de teekening van dit stelsel juist is, blijkt duidelijk uit hetgeen Pfaff leert (en wat met de


3) Dr. A. Kuyper, Tractaat van de Reformatie der Kerken, Amsterdam 1903. pag. 51.

|xii|

natuurrechterlijke beginselen volkomen overeenstemt) dat het „collegium” wanneer het te groot wordt om zich zelf „collegialiter” te regeeren, zijn rechten kan overdragen aan de Overheid door een stilzwijgend of uitgesproken verdrag. Wanneer naar dit beginsel de Overheid over de kerk regeert, dan is feitelijk wel dezelfde toestand geschapen als bij het territoriaal systeem, maar terwijl daar de Overheid uit eigen recht bewind voert, is het hier naar een recht uit een vrij verdrag geboren.

Van alle afwijkende stelsels is het collegiale wel het meest vicieuse, omdat het de kerk in eene vereeniging, uit vrijen wil geboren, oplost.

***

De Congregationalisten of Independenten zoeken het uitgangspunt voor hun systeem in de groepen der geloovigen die zich dan kerkelijk organiseeren. Zij gaan dus in geheel anderen zin uit van de plaatselijke kerk dan de Gereformeerden. Op een zelfde plaats kunnen verschillende vergaderingen (congregaties) zijn, elk met een eigen kerkeraad, zonder dat daarom de eenheid van het lichaam van Christus wordt gebroken. Zulk eene vergadering nu moet in eigen kring absoluut onafhankelijk zijn. Vandaar de naam Independenten of Onafhankelijken. Die onafhankelijkheid geldt niet alleen de beroeping van Dienaren, maar ook de cultus, de confessie en tucht. Niet alleen moet men weerstaan elk zeggenschap van den staat over de kerk, maar ook elk kerkverband, dat ook maar in iets zou kunnen gerekend worden voor de tot dat verband behoorende kerken beslissend gezag te hebben. Dat is evengoed hierarchie als het pauselijke stelsel. 

Zoo streng mogelijk moet dit beginsel toegepast. Het is wel geoorloofd dat de kerken samenkomen in conferentiën, maar die conferentiën kunnen geen besluiten nemen die bindend zijn, doch hoogstens advies uitbrengen. Gelijk reeds gezegd is gaat dit zelfs door op het gebied der Confessie. De Congregationalisten kunnen

|xiii|

dan ook geen belijdenisschriften hebben van algemeen gezag. Eigenlijk moeten er evenveel Confessies als Congregaties zijn. Eene Conferentie kan hoogstens eene gemeenschappelijke verklaring geven van hetgeen men gelooft op zekeren tijd, maar geen bindende formule. Vele congregationalistische Confessies hebben dan ook alleen locale autoriteit. De meer algemeen bekende belijdenisschriften heeten op dit standpunt zeer juist declaraties. Zoo bv. the Savoy Declaration van 1658, en die van 1833: Declaration of the Congregational Union of England and Wales. De eerste zegt van het grondbeginsel der Congregationalisten in zake de institueering van kerken: dat de geroepenen Gods moeten „walk together in particular Societies or Churches”, d.i. moeten samenleven in bijzondere vereenigingen of kerken. Naar dit beginsel is de Schrift alleen de belijdenis. Geheel in strijd met het gereformeerde beginsel dat God de Heilige Geest alle eeuwen door de kerk Christi heeft geleid, en steeds dieper doen kennen de waarheid die in de schrift gegeven, en door de worsteling met de dwaling heen het haar heeft bereid die waarheid steeds zuiverder en helderder te belijden. Dat gemeenschappelijk belijden is noodig om de kerk voor doling te behoeden, om de zuiverheid en eenheid te bewaren. Het Congregationalisme breekt den organischen band met het verleden, en is voor het heden geheel individualistisch. Met zulk een standpunt moest de leer wel hoe langer zoo meer verslappen. Terwijl de oude Congregationalisten dan ook in alle andere stukken de streng gereformeerde Westminster Confessie beaamden, verliep de latere beweging voor een goed deel in het Modernisme. De Declaratie van 1833 wil de schrift onderzoeken met de hulpmiddelen van gezonde critiek. Volgens haar is de erfzonde eene neiging tot zedelijk kwaad, terwijl zeer vaag en zwak over de leer der verkiezing wordt gehandeld.

Uit dit independente standpunt vloeiden van zelf nog andere afwijkingen voort. De volstrekte autonomie

|xiv|

der congregaties leidt weer tot een soort van volkssouvereiniteit in de Congregaties zelve. Er is in de gemeente geen besturend gezag. Dat berust bij haar zelf. Daarom moet zij over alles haar oordeel laten gaan, en moet zij over alle zaken bij stemming beslissen. De kerkeraad voert den wil der gemeente uit, maar regeert haar niet. Wel is dit nog het onderscheid met het collegiale stelsel, dat het laatste de souvereiniteit der gemeente afleidt uit het natuurrecht en de Congregationalisten spreken van goddelijk gezag der gemeente. 

Ook is er geen onderscheiding der ambten mogelijk. Elke ouderling moet ook leeraar zijn. Weer eene miskenning van de historische leiding Gods met Zijne kerk. Immers wel was in de beginne het presbyterambt één — maar naar mate de charismata minder waren, de dwaling meer dreigde, het apostolisch toezicht door de uitbreiding der kerk zwakker werkte in de afzonderlijken gemeenten, werd het meer noodig dat bepaalde presbyters hun leven wijden gingen aan „de leer”, opdat zij zuiver wierde ontwikkeld en de tegensprekers weerstaan. Zoo was het reeds ten tijde der Apostelen.

De tegenwoordige Congregationalistische gemeenten hebben geen ouderlingen meer. Alleen den dienaar (ook wel Elder geheeten) en diakenen. De gemeente bestaat uit Members d.i. de eigenlijke leden, die als „bekeerden” door stemming tot het lidmaatschap zijn toegelaten, en de Society dergenen die aan de godsdienstoefening deelnemen zonder tot den engeren kring der Members te behooren. Zij dragen echter mee bij in de lasten der gemeente en hebben bv. de keuze van den Dienaar te bevestigen.

Vergrijpt Rome zich aan het onzichtbaar karakter der kerk — het Independentisme doet aan het zichtbare karakter der kerk te kort, en weet niet van een recht in de kerk, dat in ’s Heeren Naam wordt geoefend en haar alleen houden kan op het goede pad.

|xv|

Dit Congregationalisme wortelt niet in de puriteinsche beweging in Engeland als zoodanig. Het independente karakter van hunne eerste gemeenten was alleen een gevolg van den druk, waaronder zij leefden, en die een nader kerkverband voor het oogenblik onmogelijk maakte. Het Congregationalisme wortelt in het principieele separatisme van Robert Brown, waarom men vroeger in ons land dan ook van Brownisten sprak.

Behalve de eigenlijke Congregationalisten zijn ook de Baptisten, Adventisten, Unitariers en Kwakers aanhangers van het Independentisch stelsel. 

***

Het Gereformeerde stelsel wordt meestal gekarakteriseerd als het Presbyteriale. In dit woord worden dan ook de hoofdkenmerken van dit stelsel samengevat.

De Gereformeerden braken zoo absoluut mogelijk en principieel mogelijk met de Roomsche idee van de wereldkerk. De Lutherschen deden dit nog maar zeer ten deele, toen zij het beginsel van nationale of landskerken aanvaardden. De Gereformeerden gaan uit van de plaatselijke kerk. En dit vloeit voort uit hun leer van het wezen der kerk. De kerk is niet in de eerste plaats een heilsinstituut, maar het lichaam van Christus. Het wezen van de kerk is dus onzichtbaar en geestelijk. Nu wordt echter die kerk openbaar overal waar oprechte Christ-geloovigen worden gevonden. En die geloovigen moeten dan weer optreden in het zichtbare instituut van de kerk. De onzichtbare kerk van Christus komt dus niet tot openbaring doordien van buiten af de eene of andere priesterlijke dienst wordt ingesteld. Bij Rome en ook ten deele bij de Lutherschen geldt het beginsel: als er een priester op een plaats is, dan is daar de kerk die het offer brengt, of naar Luthersch beginsel, Woord en sacrament bedient, afgedacht van de vraag of er geloovigen zijn of niet. Naar ons beginsel moeten er eerst geloovigen zijn, anders kunnen de ambten niet ingesteld en de kerk niet tot openbaring

|xvi|

gebracht worden. Maar hiermee hangt van zelf samen de blijvende positie van de leden der gemeente. Zij zijn naar des Heeren Woord het heilige priesterdom om geestelijk offeranden te offeren. Zij hebben rechten en plichten naar den aard van het eigen ambt der geloovigen. Het recht en de plicht van saamvergadering, van belijdenis, van roeping tot het bijzonder ambt, hetzij dit rechtstreeks geschiedt of door den kerkeraad als vertegenwoordigende de gemeente. Zij hebben de roeping den arbeid der ambtsdragers te toetsen aan ’s Heeren Woord en gehoorzaamheid te weigeren, wanneer van dat Woord afgeweken wordt.

Die plaatselijke kerk wordt bestuurd door den kerkeraad. Deze is de eenige besturende macht in de kerk. Classicaal en provinciaal of ook synodaal kerkbestuur kennen de Gereformeerden niet. De bevoegdheid van de meerdere vergaderingen is altijd zelfs geringer dan die van den kerkeraad, want zij mogen alleen de zaken behandelen die in de mindere vergaderingen niet konden worden afgedaan, terwijl zij vele dingen niet kunnen doen, die alleen door de kerkeraad mogen geschieden zooals censureeren der lidmaten, het beroepen van dienaren des Woords enz.

Toch eischt het gereformeerde beginsel, dat in tegenstelling met het stelsel der Independenten de verschillende plaatselijke kerken met elkander in verband treden. Niet gelijk bij het pauselijke en bij het collegialistische stelsel in een zoodanig verband, waarbij de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk geheel te loor gaat. Voetius definieert het als een vaste samenvoeging van meerdere kerken onder een zeker regiment en correspondentie, tot wederzijdsche opbouwing en bewaring. De eenheid van het lichaam van Christus komt uit in dit verband, terwijl het noodzakelijk is om de enkele kerken te bewaren voor afdwaling, en om haar in staat te stellen hare roeping te vervullen. Voetius noemt dan ook als doel: bewaring, bevestiging en bevordering der kerken in de belijdenis 

|xvii|

en practijk van het gemeenschappelijk geloof en van de godzaligheid en zoo het genot van den vrede en de eendracht.

Dit kerkverband werkt voornamelijk door de vergaderingen van classes en synoden, en de visitatie der kerken.

Voorts eischt het presbyteriale stelsel, dat alle drie de ambten in de gemeenten moeten ingesteld worden. Het staat dus lijnrecht tegenover alle hierarchie. Geen kerk kan volstaan met slechts te hebben een dienaar des Woords. Naast hem de ouderlingen, die met hem vormen de kerkeraad, en de diakenen, geroepen tot den Dienst der barmhartigheid. Geen overheerschen van de dienaren, en onder die Dienaren zelf ook algeheele gelijkheid. Op allerlei wijze wordt gezorgd, dat er van clericalisme geen sprake kan zijn. Op de meerder vergaderingen evenveel ouderlingen als predikanten (als er vacante kerken in een classis zijn, dan zelfs meer ouderlingen). Allen gelijke rechten in het uitbrengen der keurstemmen, enz. Deze ontwikkeling der ambten wordt nergens gezien gelijk bij de Gereformeerden. Alle andere stelsels (behalve het Congregationalistisch) zijn meer of min clericaal.

Ook is er nog een kenmerk te rekenen van het presbyteriale stelsel, dat het de scheiding voorstaat tusschen het Overheidsgezag en het kerkelijk gezag, aan de Overheid geen recht in de heilige dingen toekennend.

Het Prebyteriale stelsel erkent dan ook voor het kerkregiment de absolute autoriteit van Gods Woord en ontleent aan dat Woord heel zijn inrichting, de Kerk als vergadering der uitverkorenen belijdend, de diensten door Christus verordend instellende, de valsche hierarchie bestrijdend en het eigen gezag van Christus over zijn kerk eerend, gemeenschap zoekend met alle kerken, die een zelfde geloof belijden.

|xviii|

Naar de beginselen van dat stelsel van Kerkregeering zijn de verschillende kerkenordeningen ingericht, die in dit „Handboek” een plaats vinden, en uitloopen op de Kerkenordening van Dordrecht van 1618 en 1619, onder welke vigeur de Gereformeerde Kerken in Nederland leven.

 

II. Het ontstaan der Kerkenordeningen en hare beteekenis voor het kerkelijk leven

Een kort overzicht van het ontstaan der Kerken-ordeningen en haar beteekenis voor ons kerkelijk leven moge dit inleidend woord besluiten.

Zoodra door de genade Gods de reformatie ook in ons land tot stand kwam en steeds meerdere kerken tot een breuke kwamen met de Roomsche hierarchie, werd de noodzakelijkheid gevoeld om voor het kerkelijke leven een zekere orde vast te stellen. Al moest het vroeger geldende kerkrecht, het zoogenaamde jus canonicum ter zijde worden gesteld, omdat het strijdig was met Gods Woord, onze Kerken wilden daarom geenszins, dat willekeur en bandeloosheid in de kerk heerschen zou. Zij wisten dat „God geen God van verwarring maar van vrede is, gelijk in de gemeente der heiligen”, en dat daarom naar het woord der Apostels „alle dingen betamelijk en met orde geschieden moesten”. (1 Kor. 14: 33, 40). Vandaar dat ze zich gehaast hebben zulk een ordening aan de kerken te geven, die overeenkomstig Gods Woord en het voorbeeld der Apostolische Kerk was.

|xix|

Aanvankelijk is dit reeds geschied in 1550 onder leiding van à Lasco voor de vluchtelingen uit Nederland, die te Londen een schuilplaats vonden, en de later door hem uitgegeven Forma ac Ratio, door Maarten Micron in zijn Christelijke Ordonnancien in het Nederlandsch vertaald, mag wel als de oudste Nederlansche Kerkordening gelden. En toen de kerken in het vaderland zelf, trots vervolging en kruis, in aantal toenamen en wiessen, hebben zij op hare kerkelijke vergaderingen, die meest in de zuidelijke Nederlanden gehouden werden, terstond zich bezig gehouden, gelijk uit de acta dezer vergaderingen van 1563-1566 blijkt, met het vast stellen van bepalingen, die de kerkelijke orde betroffen, waarbij zij in hoofdzaak zich hebben aangesloten bij de Kerkenorde, die door de Fransche Synode te Parijs in 1559 was aangenomen.

Toch dragen deze eerste kerkenordeningen nog te veel een plaatselijk of gewestelijk karakter, dan dat zij als algemeene kerkenordeningen konden gelden, waarom zij dan ook gemeenlijk in de kerkelijke handboekjes niet werden opgenomen en ook hier zijn weggelaten. Een generale Kerkenordening behoort met gemeen overleg van alle kerken tot stand te komen en kan derhalve alleen door een generale of nationale Synode worden vastgesteld.

De eerste stappen daarvoor zijn genomen op het zoogenaamde Convent te Wezel in 1568. Deze samenkomst zelf was nog wel geen Synode, omdat de hier vergaderde broederen niet door de kerken waren afgevaardigd en derhalve geen last of volmacht hadden om besluiten te nemen, gelijk dan ook de door hen goedgekeurde artikelen volstrekt niet met eenige kerkelijke autoriteit zijn bekleed, maar alleen, zooals deze broederen zelf uitdrukkelijk verklaarden, bij wijze van advies aan de Kerken werden voorgesteld, totdat een Generale Synode over deze zaken nader zou hebben beslist. Maar al mogen deze artikelen volstrekt niet als een Kerkenordening beschouwd worden,

|xx|

ze hebben toch voorlopig dienst gedaan om richting en stuur aan het kerkelijk leven te geven en kunnen daarom in een kerkelijk handboekje wel worden opgenomen, mits men daarbij maar wel in het oog houde, dat zij elk kerkelijk gezag missen en het dus nooit geoorloofd is zich op deze artikelen als waren zij besluiten onzer kerken te beroepen.

Geheel anders daarentegen staat het met de daarop gevolgde samenkomst te Emden in 1571, waar geen private personen maar kerkelijke afgevaardigden saamkwamen, die de Gereformeerde Kerken onder het kruis en in de ballingschap vertegenwoordigden, en waar de grondslag voor het kerkverband is gelegd. Op deze Synode zijn de eerste regelingen voor de kerkelijke orde vastgesteld, die op de volgende Synodes te Dordrecht in 1574 en 1578, te Middelburg in 1581, te ’s-Gravenhage in 1586 en te Dordrecht in 1618/1619 opnieuw zijn bekrachtigd, uitgebreid of zoo noodig herzien. Volkomen terecht worden deze Synodes als de nationale of generale synodes beschouwd, wier besluiten voor alle kerken bindend waren. Die geldt met name ook voor de Synode van 1574 te Dordrecht gehouden. Want al wordt deze Synode gemeenlijk een provinciale synode genoemd, omdat alleen de kerken uit Zeeland en een deel van Zuid-Holland hier vertegenwoordigd waren, toch mag men niet vergeten, dat destijds alleen Holland en Zeeland van het Spaansche juk waren bevrijd en (aangezien ook de kerken in Noord-Holland de besluiten dezer synode achteraf hebben goedgekeurd) de erkenning van het gezag dezer Synode bij de toen tot reformatie gekomen kerken dus algemeen was. Men heeft daarom ook nooit geaarzeld zich op de besluiten dezer Synode als gezaghebbend voor al onze kerken te beroepen, gelijk dan ook haar „kerkenordening” steeds in de kerkelijke handboekjes is opgenomen als volkomen op één lijn staande met die der andere nationale Synodes.

Wat nu de Kerkenordeningen betreft, die door deze nationale Synodes zijn vastgesteld, zoo is de voorstelling zeker niet juist en wordt dan ook door den inhoud dier Kerkenordeningen zelf genoegzaam weersproken, alsof elke volgende Synode een nieuwe kerkenorde heeft ontworpen

|xxi|

en vastgesteld, waardoor de voorgaande dan van kracht zou zijn beroofd. Wie de acta dezer Synodes nagaat in de uitgave door Prof. Rutgers bezorgd, ziet dat de toedracht een geheel andere is geweest. Op de eerste Synode te Emden heeft men nog niet een bepaalde kerkenorde ontworpen, maar een reeks bepalingen vastgesteld, waardoor in grote trekken het kerkverband werd geregeld en enkele gravamina, door de kerken ingebracht, werden afgedaan. Feitelijk heeft men hier dus te doen met een reeks besluiten dezer Synode, die nog in vrij bonte wanorde door elkander staan. Ook de Synode te Dordrecht in 1574 handelde nog op dezelfde wijze, verbeterde enkele te Emden genomen besluiten en voegde een reeks nieuwe bepalingen aan de reeds bestaande toe, wederom naar aanleiding van ingediende gravamina door de kerken. Lag de materie voor de Kerkenordening in deze synodale besluiten reeds grootendeels gereed, de vorm ontbrak nog en het is eerst de Synode van Dordrecht in 1578 geweest, die deze besluiten in de vorm eener kerkenordening heeft gegoten. De aanleiding hiertoe lag, in het feit, dat de kerken, die als publieke kerk in Nederland waren erkend, er hoogen prijs op stelden, dat de overheid de kerkenordening approbeerde, om haar aldus kracht van landswet te schenken. Niet alle besluiten der Synodes waren daartoe van gelang; alleen die bepalingen, die een generaal en een blijvend karakter droegen, behoefden de approbatie der Overheid.

Vandaar dat de Synode van 1578 deze generale bepalingen uit de acta van de Synode van Emden en van Dordrecht in 1574 nu saamvoegde, ze onder vaste rubrieken ordende en daarmede de eerste Kerkenorde in eigenlijken zin ontwierp. Het is daarom niet geheel juist van de Kerkenordeningen van Emden en van Dordt 1574 te spreken, want feitelijk zijn deze „Kerkenordeningen” nog niet anders dan de Acta dezer Synoden, waarin al hare besluiten worden meegedeeld. Eerst de Synode te Dordrecht in 1578

|xxii|

heeft aan onze Kerken eene Kerkenordening geschonken in den formeelen zin des woords. De daarop volgende Synodes te Middelburg, ’s-Gravenhage en Dordrecht hebben deze Kerkenordening van 1578, voozoover dit noodig was, herzien en gewijzigd. Deels geschiedde dit naar aanleiding van gravamina, uit den boezem der Kerken voorgekomen, deels met het oog op de Overheid, wier approbatie men hoopte te verkrijgen door telkens nieuwe concessies te doen. Bij deze Synodes moet dus wel onderscheid gemaakt worden tusschen de eigenlijke Acta of handelingen der Synode en de Kerkenordening, die nu voortaan een zelfstandig bestaan gekregen had.1) Slechts in zooverre de besluiten dezer Synodes van generaal belang waren en op de kerkelijke orde betrekking hadden, werden ze voortaan in de Kerkenorde opgenomen. Terwijl voorts aan deze verschillende redacties van de Kerkenorde gemeenlijk toegevoegd werden de besluiten, die de Synode over gravamina van minder algemeen belang genomen had, in de vorm van een aanhangsel onder het opschrift: particuliere questien. Alleen de Dordtsche Synode van1619 heeft dit laatste niet gedaan, zoodat de besluiten dezer Synode uit de Kerkenorde slechts onvolledig kunnen gekend worden. Het is daarom, dat in dit kerkelijk handboekje mede zijn opgenomen de zoogenaamde Post-Acta of Nabehandelingen der Dordtsche Synode, omdat men hier de behandeling dezer particuliere questien vinden kan. Ook daarmede zijn de besluiten der Dordtsche Synode zeker nog niet volledig meegedeeld, want de Synode heeft behalve hare gewichtige beslissingen op leerstellig gebied, in hare zittingen vóór de komst der Remonstranten nog verschillende gravamina afgehandeld, zooals met name aangaande de Bijbelvertaling, den doop der


1) De acta van de meeste Synodes zijn helaas te loor gegaan. We bezitten ze alleen van de Synodes van 1574, 1581 en 1618/19.

|xxiii|

heidenkinderen, de wijze van catechiseeren, de opleiding der studenten, de rechten der candidaten in de theologie, enz. Maar de opname dezer besluiten zou te veel plaats hebben gevergd en zij kunnen in de gedrukte Handelingen der Synode gemakkelijk genoeg worden nagezien.

Wat voorts de stukken aangaat, die aan de Kerkenordeningen zijn toegevoegd, kan een kort woord van toelichting volstaan.

Vooreerst vindt men hier het advies door Prof. Danaeus uitgebracht op de Synode te Middelburg in 1581 over de vraag, of het wenschelijk is, dat ouderlingen en diakenen, die eenmaal gekozen zijn, voortdurend in hun ambt blijven. Deze vraag was door de Kerken uit Oost-Vlaanderen ter sprake gebracht en de Synode heeft blijkbaar aan Prof. Danaeus opgedragen haar daarover te dienen van advies. Al bezit dit advies geen kerkelijk gezag, toch kan het dienen om de redenen te doen zien, waarom de Synode art. 19 der Kerkenordening niet heeft gewijzigd, zooals sommige kerken wilden, maar bleef bij de bepaling, dat „het halve deel jaarlijks zal veranderd en anderen in hun plaats zullen gesteld worden, ten ware de gelegenheid en het profijt eeniger kerke anders vereischte”.

Ten tweede zijn hier opgenomen twee visitatie reglementen. De Haagsche Synode in 1586 heeft het eerst de nuttigheid van de visitatie erkend (Art. 40) en zelfs een forma van inspectie ofte visitatie ontworpen, waarin reeds enkele regelen voor de visitatie werden gegeven. De Synode van Dordt ging nog een schrede verder, door in de kerkenordening Art. 44 de visitatie verplichtend te stellen en sinds dien tijd is ze dan ook in de kerken algemeen gebruikelijk geworden. De korte „forme” van de Haagsche Synode is in de practijk niet voldoende gebleken en vandaar dat men in de verschillende provinciën en classen nieuwe visitatie-reglementen ontwierp. Het Geldersche en het Delfsche visitatie-reglement, hier medegedeeld, kunnen als voorbeeld gelden, hoe onze vaderen de visitatie geregeld hebben.

|xxiv|

Ten derde vindt men hier de Schoolorde, die evenzeer aan de Haagsche Synode is ontleend; ze werd door deze Synode aan graaf Leycester aangeboden en is door hem 20 September 1586 bekrachtigd. Onze Vaderen stelden hoogen prijs op een goede inrichting der scholen, die „kweekscholen waren voor de Kerken van het Gemenebest”, en drongen vooral aan op het geven van onderwijs in Gereformeerden geest. Deze Schoolordening kan de wenschen onzer Kerken op dit punt doen kennen.

En ten vierde worden hier afgedrukt de zoogenaamde „Walchersche artikelen”, die hun ontstaan te danken hebben aan de leergeschillen in de 18e eeuw. De theologie van Saumur, die op belangrijke punten, de praedestinatie, de toerekening van de erfschuld, de toerekening van Christus gerechtigheid enz. afweek van de Gereformeerde belijdenis, deed ook in ons land haar invloed gevoelen, waarbij nog kwam het rationalisme, dat door de philosophie van Cartesius in onze kerken was binnengedrongen. De hoogleraar J. Alting te Groningen heeft reeds in min of meer bedekten vorm deze afwijkende meeningen op zijne colleges geleerd en zijne leerlingen zijn in dat opzicht nog verder gegaan. Met name geldt dit van een drietal zijner leerlingen, Herman Roëll, hoogleeraar te Franeker, Baltasar Bekker, predikant te Amsterdam, en Johannes Vlak, predikant te Zutfen. De eerste kende aan de menschelijke rede te veel gezag toe in geloofszaken en loochende de eeuwige generatie des Zoons. De tweede bestreed in zijn bekende werk de „Betooverde Wereld” het heksengeloof zijner dagen, maar ging daarbij zoover van alle inwerking der geesten (zoowel van de engelen als van de duivelen) op de stof te ontkennen. Terwijl de derde zeker wel de gevaarlijkste was, omdat hij niet alleen het werkverbond en de onmiddellijke toerekening van Adam’s schuld verwierp, maar ook leerde, dat Christus wel de eeuwige maar niet de tijdelijke straf voor ons gedragen had en dat onze eigen goede werken en het geloof mede een verdienende oorzaak waren van onze gerehtigheid voor

|xxv|

God. Deze stellingen hebben veel opschudding in de Kerken veroorzaakt en verschillende Classes en Synodes hebben maatregelen genomen om het voortwoekeren dezer dwalingen te voorkomen. Vooral de classis Walcheren heeft zich op dit punt zeer verdienstelijk gemaakt, door niet alleen deze leerstellingen in het algemeen te veroordeelen, maar een onderteekeningsforumulier voor de predikanten vast te stellen, waarin deze dwalingen uitvoerig bestreden en weerlegd worden. Ofschoon deze Artikelen door Prof. S. van Velzen in 1857 opnieuw werden uitgegeven, zijn ze toch bij slechts weinigen bekend en daarom werd het wenschelijk geacht ze hier op te nemen.

***

De beteekenis van deze stukken, inzonderheid van de oude Kerkenordeningen voor ons kerkelijk leven behoeft wel niet uitvoerig te worden aangetoond. Ze zijn bijna alle afkomstig uit den bloeitijd onzer kerken, toen de Gereformeerde beginselen nog diep werden gevoeld, en kunnen reeds daarom uitnemenden dienst doen om ons te leeren, hoe die beginselen ook door ons moeten worden toegepast. Gelijk wel van zelf spreekt kan dit niet geschieden door slaafsche navolging. Zonder keur elk dezer bepalingen voor onze dagen over te nemen, zou reeds om de veranderde omstandigheden niet gaan en bovendien een miskennen zijn van de leiding des H. Geestes, die de kerk steeds verder in de waarheid leidt. Onze vaderen zelf zouden dit ook niet gewenscht hebben, omdat zij in hun kerkelijk leven niet vrij waren en aan de Overheid menige concessie hebben moeten doen, die zeker niet uit hun beginselen voortvloeide, maar veeleer lijnrecht daartegen streed. Maar ook al moet daarom gescheiden worden tusschen het echte goud, dat blijvende waarde heeft, en hetgeen aan storende invloeden te wijten is, toch zijn de kerkenordeningen en bepalingen, die door onze Nationale Synodes zijn vastgesteld

|xxvi|

een uitnemende schat voor ieder, die het Gereformeerde kerkrecht kennen en beoefenen wil.

Het is daarom, dat hier niet alleen de laatste redactie van de Kerkordening is meegedeeld, gelijk die op de Dordtsche Synode in 1619 is vastgesteld, maar ook de vroegere. Want wel hebben onze Gereformeerde Kerken, toen zij met de organisatie der Hervormde Kerk braken, officieel de Dordtsche Kerkenorde weder aangenomen en moesten zij dit doen, om de historische lijn op te vatten, waar deze afbrak, maar ze hebben daarmede evenmin als de Dordtsche Synode zelve bedoeld, de besluiten der daaraan voorafgaande Synodes voor ongeldig te verklaren. Integendeel onze vaderen zelf hebben steeds door de onderscheidene redacties dezer Kerkenordeningen bij elkander af te drukken in hun kerkelijke handboekjes en zich op de bepalingen ook der voorafgaande Kerkenordeningen te beroepen, wanneer dit noodig was, duidelijk genoeg getoond, dat zij in deze verschillende redacties slechts de toepassing en de uitwerking zagen van dezelfde beginselen, die door al onze Synodes werden beleden. In dien zin behooren deze kerkenordeningen dan ook door ons te worden beschouwd. Op het gebied van den Staat moge het juist zijn, dat een nieuwe wet, die door de Overheid vastgesteld wordt, daarmede van zelf de vroegere wetten doet vervallen en van kracht berooft. Maar op kerkelijk gebied is dit niet zoo. De besluiten der voorafgaande Synodes worden niet te niet gedaan, doordat een nieuwe Synode optreedt en nieuwe besluiten neemt. Dan zou alle continuïteit van het kerkelijk leven te loor gaan. Zelfs kan men nog verder gaan en met Voetius terecht volhouden, dat de besluiten der oudste Synodes, die gehouden zijn onder het kruis en in den tijd, van vervolging, dikwijls veel zuiverder de Gereformeerde beginselen hebben uitgedrukt dan in later tijd toen onze kerken door de Overheid wel begunstigd, maar tegelijk aan banden werden gelegd.

En wat eindelijk de vraag betreft, hoe de band aan de Kerkenordening is op te vatten, meenen wij niet

|xxvii|

beter te kunnen doen dan hier over te nemen het uitnemende woord, dat Prof. Dr. F.L. Rutgers desaangaande schreef in zijn De Geldigheid van de oude kerkenordening der Nederlandsche Gereformeerde Kerken:

„In het algemeen leert de geschiedenis, dat er in de Nederlandsche kerken altijd zekere ruimte was met betrekking tot de opvolging van de Kerkenordening. Toezicht was er, zeer stipt en zeer streng, dat de grondslag van het kerkelijk samenleven, d.i. de belijdenis, werd gehandhaafd. Maar betrekkelijk slap was daartegenover de handhaving van de Kerkenordening: formalisme of reglementaire preciesheid was er eer te weinig dan te veel. Eigenzinnigheid of willekeur mocht natuurlijk niet heerschen; bandeloosheid of wanorde werd natuurlijk niet beschermd. Maar wanneer de orde, de rust en de welstand der Kerken geen gevaar liepen; wanneer die integendeel nog bevorderd werden door eene kleine afwijking van de ordinantiën; dan werd zulke afwijking niet verkeerd geacht, en dus niet slechts geduld, maar ook goedgekeurd. En vooral werd er zoo geoordeeld bij eigenaardige toestanden, waarin Kerken of personen soms verkeerden; gelijk met name het geval was in de onderscheidene provinciën, telkens wanneer één van tweeën onvermijdelijk was: óf aan de Overheid iets toegeven óf alles in de waagschaal stellen; en wanneer dan wat het zwaarste was, ook het zwaarste wegen moest. In het algemeen was wel de beschouwing, gelijk die is uitgedrukt in de laatste woorden van de Kerkenordening zelve: woorden, die in bijna alle redactiën voorkomen, maar die zeker aan het einde eener wet niet gepast zouden zijn, en die aan eene wet ook wel nooit zijn toegevoegd: de Kerken zullen „arbeyden” of „neersticheijt” doen, om deze artikelen te onderhouden.”

Dat daarmede geenszins bandeloosheid wordt bedoeld, spreekt van zelf:

„Uit dit alles kan nu echter geenszins worden afgeleid,

|xxviii|

dat men in de Nederlandsche Kerken tot op zekere hoogte ook wel ongeregeldheid toeliet. Dat zou in volkomen strijd zijn geweest met haar eigen geest; want ten allen tijde was het juist bij Gereformeerden een diepgaand beginsel en een overheerschende karaktertrek, om de ordinantiën Gods te erkennen, en om dienovereenkomstig gesteld te zijn op een vasten regel en op zuivere lijnen. En daarom, ook bij alle ruimte in de handhaving der Kerkenordening, aan een kerkbedervend individualisme, werd nooit ruimte gegeven. Ook de afwijking zelve was als het ware geregeld. Natuurlijk niet door opzettelijke bepalingen. Maar dan toch door beginselen, die onmiskenbaar waren, uit Gods Woord, uit den aard der zaak, en uit de Kerkenordening zelve. Vooreerst moest er altijd eene afdoende reden zijn, en wel eene reden, die gegrond was in het belang van de Kerk, om daarin, naar het in art. 1 gestelde doel, des te beter „goede orde te onderhouden”; en dus, wanneer stipte naleving moeilijk geschieden kon, zonder dat de vrijheid der Kerk, of haar uiterlijke vrede, of hare innerlijke rust, of haar welstand, wezenlijk gevaar liepen, en wanneer terzelfder tijd aan de afwijking mindere bezwaren verbonden waren. Voorts mocht, naar den in art. 86 gestelden regel, dan toch niets veranderd worden in de Kerkenordening zelve, zoodat de afwijking als het ware ook aan anderen zou worden opgelegd, evenmin als zij in gelijke omstandigheden aan anderen mocht worden euvel geduld. En eindelijk bleef altijd, naar het in art. 31 uitgesproken beginsel, dat, wanneer verschil kwam over de noodzakelijkheid of de nuttigheid van de afwijking, waaruit dan natuurlijk weer een grooter kwaad zou voortkomen, alsdan de enkele Kerkendienaar zich naar den Kerkenraad zou te schikken hebben, en de enkele Kerk naar de Classe, en de enkele Classe naar de Synode. Op die wijze was er ruimte, maar binnen zekere grenzen, en regelmaat zonder formalisme. Er kon vrijheid zijn, zonder dat

|xxix|

die vrijheid op losbandigheid en willekeur uitliep. En bevorderd werd juist daardoor het doel van de gansche Kerkenordening: ook nog bij de afwijking zelve werd dan daaraan voldaan.

Altijd echter onder ééne voorwaarde, nl. dat de Kerken één bleven in belijdenis en tezamen onderworpen aan Gods Woord. Dat wordt altijd ondersteld; daarop rust de bruikbaarheid van de gansche ordening; en zóó geheel is zij daarop ingericht, dat zij bij een anderen toestand wel niet anders dan ontbindend kan werken. Maar wel verre van een bezwaar te zijn, is dit juist in haar voordeel. Zij bevordert die eenigheid, juist doordat zij haar onderstelt en vereischt.

En wanneer nu ten slotte gevraagd wordt, of bij zulke ordening dan toch niet onzekerheid overblijft; of ze niet voor een aantal gevallen min of meer onbepaald is; of zij in het kerkelijke leven niet gedurig velerlei onderzoek noodig maakt; dan moet op die vragen zonder twijfel bevestigend geantwoord worden. Maar aan dat antwoord moet ook aanstonds worden toegevoegd dat zulks waarlijk geen schade is, maar juist winst. Het zou zonder twijfel gemakkelijker zijn, wanneer voor iederen toestand een gebiedend voorschrift aanwezig was. Maar de gemakkelijkste weg is juist niet altijd de beste. In de 16e eeuw had men nog den vollen indruk van het einde, waar die weg toe moet leiden; hoe het, bij de velerlei schakeeringen van het leven, dan noodzakelijk worden moet: gebod op gebod en regel op regel; en dit stond bij de vaderen vast: nooit weer een boekdeel met reglementen, gelijk het Corpus iuris canonici in de Roomsche Kerk allengs geworden is. Voor den welstand der Kerk is oneindig veel beter, dat bij algemeene regeling slechts weinig bepaald en omschreven wordt, en dat al het andere aan de Classen en aan de enkele Kerken wordt overgelaten, om dan naar gewoonte of tijdelijk schikking of naar plaatselijke behoefte geregeld te worden. Als dit goed zal gescheiden, is natuurlijk

|xxx|

noodig, dat allen, die tot kerkregeering geroepen zijn, van die zaak eenige studie maken; dat zij de beginselen, die in de Kerkenordening uitgesproken zijn, zooveel mogelijk verstaan en als het ware in zich opnemen, om dan bij de verdere toepassing dienovereenkomstig te handelen. Maar juist daardoor worden die beginselen als het ware het eigendom van iedere Kerk in het bijzonder, zóó vast geworteld, dat geen storm ze kan uitroeien. Gods Woord blijft dan op de plaats, die in iedere Kerk daaraan toekomt; Christus blijft dan erkend als de Koning der Kerk; menscheninzettingen kunnen daar dan niet tot heerschappij komen; en de Kerk kan dan blijven bij de vrijheid en zelfstandigheid, die haar in de wereld toekomen. Ja ook buiten de Kerk werkt dat dan ten goede. De Gereformeerde kerkinrichting, juist omdat zij niet bestaanbaar is zonder onderzoek van hare grondslagen, en eerbied voor Gods ordinantiën, en toepassing van beginselen, en zelfstandigheid bij die toepassing, ondersteld niet slechts, maar kweekt ook ontwikkeling, vrijheid en orde op ieder gebied. In den Staat, in de maatschappij, in de school, in het huisgezin, overal oefent zij dien invloed. En dan is zij om die vormende kracht nog zooveel te meer te waardeeren. Het is ook door haar, dat het Calvinisme oorsprong en waarborg is van veel goeds.

Biesterveld, P./Kuyper, H.H. (1905) Wezel

|1|

De Wezelsche Artikelen van 1568

 

Eenige bepaalde punten of artikelen, welke de Dienaren der Nederlandsche Kerk voor den dienst dezer kerk deels noodzakelijk, deels nuttig hebben geoordeeld. 

 

De Apostel Paulus schrijft voor, dat in de kerke Gods alle dingen betamelijk en met orde moeten geschieden, opdat niet alleen in de leer maar ook in de orde zelve en de kerkelijke regeering van het ambt een eenparige overeenstemming van de kerk vaststa en onderhouden worde. Opdat nu in alle Nederlandsche Kerken een volkomen gelijke regeling van deze zaken in acht kunne genomen worden, heeft het [ons] goedgedacht deze navolgende punten, waaromtrent [wij] bij de best gereformeerde kerken zijn te rade gegaan, naar orde voor te stellen, opdat zij tot eene voor de kerk heilzame vrucht door de Nederlandsche dienaren met eenparige overeenstemming bezegeld en onderhouden mogen worden.

 

[Hoofdstuk I]
Van de colleges en de classen der provinciën

[1] Aangezien het, vooreerst, om de kerken op de rechte wijze te ordenen, inzonderheid noodig zal zijn boven en vóór alle dingen zorg te dragen, dat vrome, geleerde en in de kennis der Schriften uitmuntende

|2|

mannen, die het woord Gods recht weten te snijden, als dienaars en herders over de kerken gesteld worden [en] niemand betwijfelt, dat de kennis der talen en wetenschappen en de voordurende oefeningen in het uitleggen der Schriften (welke men propositiën of profetieën noemt) daartoe het meest kunnen baten; en aangezien het voorts, wanneer de [kerken] zijn geordend, alleszins dienstig zal zijn tot verkrijging en bewaring van eenparige overeenstemming zoowel in de leer als in de regeling van de ceremoniën en de tucht, voor zoover dit mogelijk is, dat er dikwijls saamkomende vergaderingen van genabuurde kerken worden ingesteld, opdat iedere voorkomende zaak daar ter behandeling worde voorgebracht; [2] zoo meenen wij dat voor alles moet gearbeid worden, opdat er vooreerst Colleges van wetenschappen worden ingesteld, waarin de drie talen worden onderwezen en inzonderheid de zuivere voorstelling en de nauwkeurige beoefening der godgeleerdheid bloeie, en [opdat] tevens de onderscheidene Nederlandsche provinciën in de bepaalde en vaste classen of parochiën worden afgedeeld, ten einde een iedere kerk weten kunne met wie zij heeft te handelen en te raadplegen over alle meer gewichtige zaken, die haars inziens het algemeene belang betreffen.

[3] Maar omdat thans over zulke zaken nog niets kan worden vastgesteld, voordat de ondervinding zelve en het bevind van zaken zal geleerd hebben, welke plaatsen voor de onderscheidene zaken het meest geschikt zijn zullen, daarom oordeelen wij dat, nadat de Heere de deur voor de prediking des Evangelies in Nederland zal geopend hebben, dan zoo spoedig mogelijk alle kerken en alle dienaren der kerken met allen ijver er naar zullen streven, dat er gemeenschappelijk gelden bijeengebracht worden tot het saamroepen eener provinciale Synode van geheel Nederland, ten einde door een wettige Synode kunne vastgesteld worden wat in deze en alle andere zaken dient

|3|

nagekomen te worden ten bate van de gemeenschappelijke inrichting der kerken en de onderhouding van een zoo voortreffelijk mogelijke orde.

[4] Aan haar, oordeelen wij, zal ter beslissing moeten worden voorgesteld [alles] aangaande de instelling der Colleges, de bezoldigingen, ambt, gezag der Leeraars, de oefeningen in de Scholen, de godgeleerde studiën, de onderhouding van de propositiën en profetieën en al het overige, wat op deze zaak betrekking heeft; [5] en desgelijks de vaste en billijke afdeeling der provinciën in classen of parochiën, de vaste bijeenkomsten zoowel van iedere classis afzonderlijk als van alle classen in het gemeen, haar orde, regeling, gezag en censuur; [6] vervolgens ook de huwelijks-gevallen, de gronden der echtscheidingen, kortom alle mogelijke zaken, die in het algemeen op alle kerken en den gemeenen dienst zien. Want het komt noch met het gezag der Schrift noch met de billijkheid der wetten overeen, dat die dingen, welke gelijkelijk allen aangaan, door de eene of andere kerk alleen zouden worden vastgesteld zonder dat de andere kerken gehoord zijn, op welke zij evenzeer betrekking hebben.

[7] Indien echter zulk eene Synode om de zwarigheid der zaken of tijden geenszins kan verkregen worden, dan oordeelen wij, dat uit al het voornaamste kerken der provinciën eenige zeer uitmuntende mannen zullen gekozen worden, die wel eerst elk op zich zelf of indien [hun] dit goeddunkt, met zijn tweeën of drieën de best mogelijke regeling op schrift brengen zoowel ter verdeeling der classen als ter instelling van het college, voorts ter oplossing van de overige moeilijke zaken, kortom ter ordening van de geheele kerk; daarna echter zullen zij gemeenschappelijk beraadslagen en uit al deze [concepten] een zeker formulier ontwerpen, hetwelk òf door de stem van iedere kerk afzonderlijk en van alle kerken saam zal worden goedgekeurd, òf zoo iets verbetering behoefde, met eenparige toestemming verbeterd en in een juisteren vorm gebracht zal worden.

|4|

[8] In dien tusschentijd evenwel, aangezien er geen gelegenheid zal zijn om te talmen, wanneer de deur des Evangelies door Gods weldaad geopend is, en [aangezien] toch eenige orde en betamelijkheid in het gemeen moet onderhouden worden, waardoor als door een band de eenparige overeenstemming der kerken kan bewaard worden, zoo moet onzes inziens een aanvang worden gemaakt met eenige regeling en deze op bepaalde punten worden vastgesteld, welke ieder voor zich in de kerk, waarover hij gesteld is, zoolang heeft te volgen totdat na saamroepen der Synode iets beters en volkomeners zal zijn verordend.

[9] Nu komt het onzes inziens zoo na mogelijk overeen zoowel met de leer en de verordening der Apostelen als met het onberispelijke voorbeeld der oudere en zuiverder kerk, dat vooreerst in al die omstandigheden der dingen, die, daar zij van nature middelmatig zijn, noch in de leer of het voorbeeld der Apostelen een vasten grondslag hebben, noch ten slotte eenige noodzakelijke en onvermijdelijke reden hebben, door geen voorgeschreven formulier de vrijheid der kerken aan banden worde gelegd, zoowel om tyrannie over de conscientiën te vermijden als om alle aanleiding tot twist af te snijden, maar dat het aan ieder vrijsta daarin te volgen wat de omstandigheid en de ondervinding hem zal geleerd hebben dat het beste past. En dat wel zoolang totdat door de provinciale Synode over zulke zaken iets zekers zal vastgesteld zijn.

[10] Van zoodanigen aard schijnen ons te zijn vooreerst bij de bediening des doops: het onderscheid of men den doopeling één of twee of driemaal besprengt; voorts of [de doop] geschieden moet vóór of na de predikatie; of de zorg voor de gedoopten aan bepaalde daarbij geroepen getuigen dan wel aan de ouders en de geheele kerk moet worden toevertrouwd. Vervolgens bij de bediening des Avondmaals: of men aan tafel zal aanliggen dan wel onder het staan of gaan brood en beker zullen worden uitgereikt; of men

|5|

onder de Avondmaals-bediening de Schriften zal lezen of psalmen zal zingen, en wat meer van zoodanige dingen voorkomen (van wier vrij gebruik men het minder ervaren volk, indien de zaak zulks vereischt, zal onderrichten), welke allerminst aan de vrije beslissing van iedere kerk mogen onttrokken worden, tenzij om bepaalde en zeer zwaarwichtige oorzaken en nadat deze door de overeenstemming van de geheele provincie zijn goedgekeurd.

[11] Die dingen echter, welke van een anderen aard zijn, omdat zij òf in Gods Woord òf in het gebruik en het voorbeeld der Apostelen of in de voortdurende en op ernstige en noodzakelijke redenen steunende gewoonte der kerken gegrond zijn, daarin zal men niet lichtvaardig van de gemeene overeenstemming der kerken en de ingewortelde gewoonte afwijken.

Deze dingen nu hebben wij ongeveer alle in de navolgende punten zoo volkomen en beknopt mogelijk saamgevat.

Daar er namelijk hoofdzakelijk vier orden van bediening in de kerk op het gezag der Apostelen worden voorgesteld, te weten de Dienaren, Leeraren, Ouderlingen en Diakenen, aan wie de zorg toekomt èn voor de zuivere bediening des Woords èn voor de eerbaarheid en de goede zeden èn voor de armen; [terwijl] vervolgens hieraan nog toegevoegd wordt de beschouwing van de Sacramenten en de kerkelijke tucht; welke te samen met het Woord Gods de wettige kenteekenen zijn der kerk; zoo oordeelen wij voorzeker, dat als deze dingen op de rechte wijze zijn geordend, er dan niets meer is wat aan de ordening der kerk nog grootelijks zou kunnen ontbreken.

 

[Hoofdstuk II]
Van de Dienaren en Leeraren

[1] In de eerste plaats is het gansch noodig, dat tot den Dienst van het Woord Gods evenals tot

|6|

welke kerkelijke bediening ook niemand worde toegelaten zonder wettige roeping, verkiezing, goedkeuring, behoorlijke onderzoeking en wettige orde.

[2] Nu kan een beroeping en verkiezing met geen enkel recht voor wettig gehouden worden tenzij daarbij zooveel mogelijk èn de kuiperij van den beroepene èn de teugellooze en onbezonnen genegenheden van het volk èn de eerzuchtige heerschappij van de Ouderlingen en voorgangers buiten gesloten worden.

[3] Opdat dit op de rechte wijze geschieden kunne, zou het zeker te wenschen zijn geweest, dat een vrome overheid harerzijds haar hulpe wilde verleenen bij het rijp beraad en de voorzichtige keuze der Ouderlingen. Want op deze wijze zou elke beslissing van het volk veilig kunnen berusten in hun [beider] saamgevoegd gezag. Daar dit echter nauwelijks schijnt te kunnen worden verwacht, zoo meenen wij, dat geen betere regeling kan ingesteld worden dan dat de gemeene bewilliging der kerk gevoegd worde bij het gezag der Ouderlingen. En dit zal in iedere kerk zoolang onderhouden worden, totdat de Synode na de verdeeling der classen zal geoordeeld hebben, dat de Dienaren en Ouderlingen van meerdere kerken moeten saamkomen bij de verkiezing en onderzoeking van een enkele [kerk]. Want indien dit geschiedt, dan schijnt de toestemming van het volk niet zoo zeer van noode te moeten zijn, daar het gezag van meerdere kerken voldoende is om den overmoed der Ouderlingen (indien deze wellicht, wat God verhoede, mocht ingeslopen zijn) te beteugelen.

[4] Intusschen echter, zoolang dit nog niet te weeg gebracht kan worden, oordeelen wij, opdat aan de Ouderlingen niet meer macht en vrijheid dan billijk is tegenover het volk toegestaan worde, dat een dubbel getal van personen, die na rijp beraad door de [Ouderlingen] goedgekeurd en beproefd zijn (indien deze althans te verkrijgen zijn) aan het volk met name zullen bekend gemaakt worden, waarvan vervolgens

|7|

het halve deel door de stemming der afzonderlijk [gemeenteleden] gekozen zijnde tot de uitoefening van hun dienst zal toegelaten worden.

[5] Op die plaatsen echter, waar het volk minder geschikt zal wezen om te kiezen, hetzij wegens het klein getal der geloovigen, hetzij wegens het gebrek aan geleerde en vrome mannen, hetzij wegens onderlinge partijstrijd, hetzij eindelijk omdat op die plaatsen nooit te voren eenig Dienaar of eenige ordening der kerk geweest is, achten wij, dat niemand tot den dienst gevorderd kan worden tenzij het gezag eener andere, liefst aanzienlijke en zoo mogelijk naburige kerk daarbij kome.

[6] Inmiddels oordeelen wij, dat men naar het voorbeeld der Apostelen een dag zal vaststellen voor vasten en plechtige gebeden, opdat de hulp des Heiligen Geestes het oordeel en de stemming van het volk, gelijk ook de keuze en de onderzoeking door de ouderlingen moge bijstaan. 

[7] Een behoorlijk onderzoek gaat deels over de leer deels over den levenswandel. 

[8] Ten opzichte van de leer zal het nuttig zijn vier dingen in acht te nemen: vooreerst dat een getuigenis worde gevraagd hetzij van de kerk, hetzij van de school, hetzij van de stad waar de [beroepene] te voren geleefd heeft, opdat het zeker moge blijken, of hij eenige ketterij is toegedaan geweest; of hij meer dan billijk is zich vermaakt heeft met vreemdsoortige en nieuwsgierige vragen en ijdele bespiegelingen; of hij ijveriger dan betaamt de boeken der ketters heeft gelezen en of hij veel omgang heeft gehad met dweepzieke en aan hunne droomerijen zich overgevende menschen. Vervolgens zal gevraagd worden of hij in alles overeenstemt met die leer, welke openlijk in de kerk onderhouden wordt volgens hetgeen in de Belijdenis des geloofs, die eerst aan den Koning van Frankrijk door de Dienaren der kerken van dat rijk is aangeboden en daarna in onze landstaal overgezet zijnde aan den

|8|

Koning van Spanje en de overige Overheidspersonen van Neder-duitschland is opgedragen en overhandigd, en eindelijk ook in den Catechismus vervat is. Ten derde zal hij ondervraagd worden over al de voornaamste stukken der religie. En eindelijk zal men hem ten minste twee- of driemaal eenige plaatsen uit de Schrift voorstellen, om deze voor de Dienaren, indien zij aanwezig zullen zijn, en de Profeten of Leeraren, of, indien zij niet aanwezig zullen zijn, voor de Ouderlingen op de wijze der profetie uit te leggen.

[9] Bij de onderzoeking naar den levenswandel zal men berusten in het getuigenis van hen, bij wie hij geleefd heeft.

[10] Dit alles nu zal later (wanneer het aldus door een Synode zal vastgesteld zijn) na de verdeeling der Classen in de samenkomst der Classe of parochie afgehandeld worden. Voor dien tijd echter kunnen deze dingen niet anders dan in den Kerkeraad van iedere kerk geschieden. Nochtans zullen allen, wien dit schikken zal, degenen die zij tot hunne Dienaren begeeren aan te nemen, eerst naar buitenlandsche gereformeerde kerken zenden, opdat zij te veiliger kunnen afgaan op het onpartijdig oordeel en onverdacht onderzoek dezer [kerken].

[11] Als dan de Dienaren aldus onderzocht en door de stemming van het volk mede goedgekeurd zijn, oordeelen wij, dat zij òf alleen met plechtige gebeden òf ook met oplegging der handen (wat wij vrij laten) in de tegenwoordigheid der geheele kerk naar de gewoonte der Apostelen zullen bevestigd worden. Deze bevestiging zal òf geschieden door den Dienaar dierzelfde kerk (zoo er een is) of anders (indien daar niemand is overgebleven) door den Dienaar der naburige kerk, wier gezag bij de verkiezing en onderzoeking mede gegolden zal hebben.

[12] Dit zal echter niet geschieden dan nadat hij in tegenwoordigheid der geheele kerk tegenover dengene, wiens handen hem zullen worden opgelegd, zich heilig

|9|

verbonden heeft, dat hij zich alleen zal toeleggen op de verbreiding van Gods eer, de zuivere bediening van [Gods] Woord en de opbouwing der kerk; dat hij ook niet de uitspraken van den Heiligen Geest naar zijn bijzondere genegenheden zal verdraaien en van de waarheid hetzij uit gunst, hetzij om geld, hetzij uit vrees geen haarbreed zal afwijken; desgelijks dat hij nauwgezet zal onderhouden de aangenomen verordeningen der kerk, die op de orde en rust der kerken doelen; en eindelijk dat hij met al zijn kracht zijn ambt zal waarnemen in het vermanen, bestraffen, vertroosten en onderwijzen, overal waar dit noodig zal zijn, [daarbij] verre van zich doende alle gunst of aanzien van personen.

[13] Want het is buiten kijf, dat het ambt der Dienaren, welke de Schrift Herders en Opzieners [en] somtijds ook Oudsten of Ouderlingen noemt, voornamelijk bestaat in het Woords Gods te verkondigen, recht te snijden en toe te passen zoowel in het openbaar als aan de huizen tot leering, vermaning en vertroosting naar de omstandigheden dit medebrengen, en in de bediening der Sacramenten en de onderhouding der tucht.

[14] Aan de Dienaren zijn toegevoegd de Leeraren en Profeten, die wel één en hetzelfde ambt van te onderwijzen hebben maar de wijze, waarop dit geschiedt, is verschillend.

[15] Aangaande de Leeraren kan te dezer tijd nog niets worden vastgesteld totdat de omstandigheden en de tijd hen, die ter Synode zullen zijn, volkomener zullen geleerd hebben wat in het belang der kerken is.

[16] Onder Profeten verstaan wij hier hen, die in de vergadering der kerk een vooraf opgegeven plaats der Schrift naar volgorde uitleggen, gelijk dit door Paulus is ingesteld; en wij onderscheiden hen van de Dienaren hierdoor, dat hun eigenlijk en voornamelijk het ambt om de Schriften te verklaren en te onderwijzen is toebetrouwd, [terwijl] aan genen bovendien nog vele

|10|

andere dingen, gelijk wij vroeger verklaard hebben, is opgelegd.

[17] Daarom oordeelen wij dat in alle kerken, zoowel die pas ontstaan zijn als die tot krachtige ontwikkeling gekomen zijn, de orde der profetie, waar dit maar eenigszins zal kunnen geschieden, naar Paulus voorschrift zal in acht genomen worden en daarom het College der Profeten zal ingesteld worden; hun taak zal daarin bestaan, dat zij op eenigen vastgestelden dag elke week of althans elke twee weken, hetzij na de predikatie of op eenigen anderen daarvoor zeer geschikten tijd saamkomen in tegenwoordigheid der kerk [en] daar tot aller stichting eenig boek der Schriften elk op zijn beurt naar vaste volgorde uitleggen. Wanneer hij nu, wiens beurt het is, zijn taak zal volbracht hebben, dan zal het ook aan degenen, die naar de zitplaatsen gerekend op hem volgen, vrijstaan al wat huns inziens tot stichting dient daarbij te voegen. En dan zal men eindelijk de samenkomst mogen sluiten, nadat er een gebed is gedaan door hem, die de leiding heeft gehad.

[18] Maar die vorm van Profetie, die onlangs is opgekomen en bestaat in vragen en antwoorden, oordeelen wij, dat in alle geval te vermijden is, daar hij afwijkt van het voorschrift van Paulus en dikwijls aanleiding geeft tot twisten en oneenigheden.

[19] In dit College van Profeten zullen niet alleen de Dienaren worden opgenomen, maar ook de Leeraren en degenen uit de Ouderlingen en Diakenen, ja zelfs uit het volk, zoo daar eenigen zijn, die begeerig zullen zijn, de gave der profetie, hun door God verleend, in het algemeen belang der kerk aan te wenden; onder deze voorwaarde echter dat zij vooraf door herhaaldelijk gehouden propositiën, zichzelf voor de vierschaar der Dienaren en overige Profeten bekwaam hebben bewezen te zijn en tegelijk beloofd hebben voor het aangezicht der geheele kerk, of althans aan hen, bij wie het staat hen te onderzoeken, dat zij de Schrift

|11|

allerminst zullen verdraaien, maar haar zoo zuiver mogelijk zullen verklaren tot Gods eere en de stichting der Kerk en dat zij zich zonder tegenspraak zullen onderwerpen aan de censuur der kerk, welke in de toekomst in de vergadering der Classen zal geschieden.

[20] De Profeten nu en de Leeraren zullen in de Kerkeraad of kerkelijken Senaat zitting hebben zoo dikwijls er eenig geschil zal voorvallen over de leer of de ceremoniën, daar hun de beproeving der geesten en der leerstellingen zelfs in de eerste plaats toekomt.

[21] Ook oordeelen wij, dat de bedenkingen van de afzonderlijke geloovigen in de kerk, indien er eenige voorkomen, tot hen of waar zij niet te bekomen zijn, althans tot den Dienaar of tot de Ouderlingen moeten overgebracht worden. En indien zij hen niet kunnen voldoen, zullen [deze bedenkingen] te schrift gesteld worden en tot den Dienaar gebracht worden, of indien zelfs hij hen niet zal kunnen tevreden stellen, tot de samenkomst der Classis. De ooren van het volk echter moeten, naar wij oordeelen, noch in het openbaar noch in bijzondere [gesprekken] door allerlei vragen worden ontsteld en in beroering gebracht.

[22] Wat voorts zoowel de wijze van prediken als van profeteeren aangaat, kan niemand iets bijzonders worden voorgeschreven dan dat ieder naar de mate van de ontvangene gave des Heiligen Geestes zal trachten de Schrift zoo duidelijk mogelijk uit te leggen en [dat] met een wijze van spreken, die zoo gepast mogelijk is voor de bevatting der hoorders. Daarentegen zal hij vermijden alle hatelijke en stinkende hoogdravendheid, waarin velen niet zelden vervallen, doordat zij over vele dingen ijdele bespiegelingen houden buiten het oogmerk, dat de Schrift voorsteld, omdwalen, een spel drijven met allerlei spitsvondige allegoriën, heidensche getuigen, ja zeer dikwijls zelfs profane en fabelachtige geschiedenissen tot een pralende vertooning te voorschijn brengen, getuigenissen van de vaderen

|12|

ijveriger dan te pas komt bijeenzoeken en aanhalen, jacht maken op duisterheid hetzij in de zinnen hetzij in de woorden, of kortom door welke andere dergelijke gekunsteldheid ook, die meer tot ijdele vertooning dan tot stichting dient.

[23] Maar hij zal alles terugbrengen tot deze twee voornaamste stukken van het Evangelie nl. het geloof en de bekeering; bij het eene stelle hij zich als eenigst doel de kennisse van Christus voor oogen, bij het andere de ware dooding des levens en de levendmaking. En hij zal trachten, zooveel dit in zijn vermogen zal staan, alle schuilhoeken en verborgen omhulsels van het menschelijk hart bloot te leggen, zoowel door de verkeerde meeningen en ketterijen als door de slechte zeden te bestraffen. Ook zal hij niet alleen de grove schelmstukken en openbare schanddaden vervolgen, maar evenzoo trachten de verborgen geveinsdheid der zielen uit te kleeden en het broeinest van goddeloosheid, hoovaardigheid en ondankbaarheid, dat zelfs bij de allerbesten schuilt, in het licht te stellen en op de geschikst mogelijke wijze uit te roeien.

[24] Hij zal zich er ook voor wachten, dat hij niet door al te wijdloopige predikatiën èn het geheugen van den hoorder bezware èn diens ijver verstompe en [als ’t ware] zijn maag tot walging verwekke; en dat vooral niet op die dagen, waarop aan het volk vrijheid moet gegund worden tot handenarbeid en die waarop gelegenheid moet gegeven worden voor de profetie. Daarom zal hij zich beijveren, zijne rede tot den duur van één uur te beperken.

[25] Dit alles echter laten wij over aan het goeddunken van een iegelijk en de mate des Heiligen Geestes met dien verstande, dat zoowel de Herders als de Profeten zullen bedenken, dat zij zich gaarne en gewillig te onderwerpen hebben aan de zachte en bescheiden censuur in de samenkomst der classe.

[26] Overal echter in de grootere steden en talrijker kerken, waar dit geschikt zal kunnen geschieden, raden

|13|

wij ten zeerste aan, dat men bijzondere propositiën zal houden, waarin degenen, aangaande wie goede hope is, dat zij eens de kerke Gods kunnen dienen en naar openbare ambten staan, binnenshuis zich oefenen en dat onder het bestuur en de leiding van één van de Dienaren of althans van de Profeten en Leeraren.

[26] Eén dag ten minste in de week zal men, naar de gelegenheid van iedere kerk, afzonderen voor plechtige gebeden, waarop men vóor of na de predikatie eene openbare en plechtige schuldbelijdenis en ootmoedige bede om vergiffenis voor het volk doen zal; welk [gebed] een ieder Dienaar zal uitspreken òf naar de ingeving des Geestes òf indien hij wil, door het formulier van de kerk van Genève of van eenige andere [kerk] zich voor te stellen.

[28] De gewone gebeden echter, welke tegen het einde van de predikatie en de profetie geschieden zullen, zullen òf door den Dienaar òf door den Profeet zoo geschikt mogelijk in verband worden gebracht met het onderwerp, dat in de predikatie is voorgesteld en zoo mogelijk zullen alle voornaamste stukken, die in de predikatie verklaard zijn, daarbij aangeroerd worden, opdat langs dezen weg de zaak zelve te dieper in de gemoederen der hoorders beklijven moge en tegelijk door de minder ervarenen verstaan worde, welk gebruik bij het bidden van de Schriften te maken is.

[29] Opdat niet in den tusschentijd, terwijl men tot de predikatie saâmkomt, door ijdele gesprekken zoowel de gemoederen worden afgeleid als de bediening van Gods Woord smaadheid worde aangeaaan, zoo zal het niet ondienstig zijn, dat vooreerst door éen van de Ouderlingen of Diakenen of kortom door eenig ander persoon tot dat werk aangewezen, het een of andere hoofdstuk uit de Schrift voor het volk gelezen worde en vervolgens als naar gewoonte psalmen worden gezongen.

[30] De voorlezers zullen echter indachtig zijn, dat het niet hun ambt is de Schrift te verklaren; zij zullen

|14|

daarom van alle verklaring zich te onthouden hebben, opdat zij vooreerst niet den sikkel slaan in eens anders oogst en voorts door ontijdige verklaringen het gewone gebruik der kerk niet verstoren.

[31] Bij het kerkelijk gezang zal men in alle Nederlandsche kerken de Psalmen, door Petrus Datheen overgezet, behouden; opdat niet door de verscheidenheid der overzettingen iets dat minder passend is en minder tot stichting dient, tusschen beide kome.

[32] In die kerken, waar scholen zullen zijn, die den een of anderen Schoolmeester hebben ervaren in de muziek, zal deze bij het psalmgezang de kinderen voorgaan en de overige menigte zal daarna de kinderen [bij het zingen] volgen. Daar echter waar òf geen scholen zijn, òf de Schoolmeesters wegens hun onervarenheid in de muziek niet in staat zijn voor te gaan, zal het dienstig zijn, dat ten minste één Voorzanger gebruikt worde, die het gezang van het volk leiden en bij het psalmgezang voorgaan zal en dat vooral, indien de Dienaar des Woords in de muziek onkundig is.

[33] Ook zal het niet onpassend zijn in de kerken borden te hebben opgehangen, waarop kort en duidelijk de wijze, waarop de psalmen moeten gezongen worden, wordt beschreven en de gewone wijze van zingen in beknopten vorm wordt uitgelegd; opdat niet door de wanklanken van het zingende volk den ongeloovigen òf ergernis òf stof tot lachen geboden worde.

[34] Bij deze borden kunnen nog andere gevoegd worden, waarop zal worden aangewezen welke psalmen op iederen dag gezongen worden, opdat degenen, die dat willen, vooraf kunnen overdenken wat er zal gezongen worden; tenzij het wellicht passender zal schijnen alle psalmen van den aanvang af en vervolgens onafgebroken de rij langs te zingen. Wij houden het er nl. voor, dat de volgorde, waarin de psalmen gezongen moeten worden, in de vrije beslissing van iedere kerk moet staan.

|15|

 

[Hoofdstuk III]
Van den Catechismus

[1] Met het ambt van den Dienst [des Woords] en der profetie verbinden wij niet zonder reden de gewoonte van te catechiseeren, welke van de Apostelen en hunne leerlingen [ons] is overgeleverd [en daarom] naar ons oordeel door alle kerken stellig te onderhouden is.

[2] Wat het formulier van den Catechismus aangaat houden wij het daarvoor, dat men in de Waalsche Kerken het Geneefsche, maar in de Nederlandsche het Heidelbergsche het liefste volgen moet. Doch wij laten het tot de volgende Synode vrij. 

[3] De tijd van te catechiseeren zij aan iedere kerk naar de gelegenheid van de plaats en van de omstandigheden vrij gelaten. De dusver gevolgde regeling worde onderhouden; en alle ijver worde aangewend, opdat de kinderen wier leeftijd dit veroorlooft, niet alleen leeren de woorden van de Catechismus letterlijk op te zeggen, maar ook den inhoud zelf leeren verstaan en dezen niet alleen in hun geheugen, maar ook in het diepst van het hart op te nemen. Daarom zullen zij niet alleen ondervraagd worden naar de woorden, die hun voorgezegd zijn, maar ook naar het wezen der zaak zelf, nadat hun dit door den Catecheet klaar en duidelijk is uitgelegd. Voorts zal het vóor alle dingen noodig zijn zich bij het uitleggen van den Catechismus te bedienen van de gemeenzaamste wijze van spreken, die zelfs bij het begrip der kinderen past; ook dat men de ouders der catechisanten en de Schoolmeesters vermane, dat zij hen tehuis en op school vlijtig onderrichten en hen er aan gewennen wat in de kerk hun voorgesteld is, uit eigen beweging te herkauwen en met daarbij gevoegde getuigenissen uit de Schriften te bewijzen. [4] Inzonderheid echter,

|16|

dat zij hen gewennen zich zedig te gedragen in de kerken en samenkomsten.

Een iegelijk, die voor een lidmaat der kerk wil gehouden worden, zal zekerlijk zijn kinderen, zoo spoedig hun leeftijd dit toelaten zal, aanbieden om gecatechiseerd te worden, opdat zij van de jeugd af in de ware religie en godzaligheid onderwezen kunnen worden. Die zulks weigeren zullen, zullen zonder twijfel onder de censuur der kerk vallen.

 

[Hoofdstuk IV]
Van de Ouderlingen

[1] Thans volgt de orde van de Ouderlingen of oudsten, die door Paulus onder den naam van κυβερνήσεων, d.i. van regeerders, of van τών προΐσταμένων d.i. van voorgangers worden aangeduid en daarom te samen met de Dienaren den kerkelijken Senaat of Kerkeraad vormen. [2] Het is daarom buiten allen kijf, dat hun ambt hierin bestaat, dat zij, een iegelijk over zijn eigen parochie [of wijk], naarstig de wacht houden en de hun toevertrouwde [gemeenteleden] van huis tot huis minstens eenmaal per week en [voorts] zoo dikwijls het de gewoonte zal zijn naar de regeling van elke kerk bezoeken, vooral echter tegen den tijd der Avondmaalsviering; dat zij naar de zuiverheid van hun levenswandel en zeden, naar hun getrouwe onderwijzing van hun huisgenooten, naar de gebeden, die zij in den morgen en avond voor hun huisgenooten doen en naar soortgelijke dingen nauwkeurig onderzoek doen; dat zij hen kalm en toch ernstig vermanen en naar gelegenheid en bevind der zaken hetzij tot standvastigheid hen vermanen, hetzij tot lijdzaamheid hen versterken, hetzij tot de ernstige vreeze Gods hen opwekken; een iegelijk, die hetzij troost hetzij bestraffing van noode heeft, vertroosten of bestraffen en overal waar dit noodzakelijk zal wezen, de zaak ter behandeling zullen brengen bij hen, die met

|17|

hen gesteld zijn over de broederlijke vermaningen, om gezamenlijk met dezen de terechtwijzing naar gelang van de overtreding vast te stellen. Zij zullen er ook aan denken allen en een iegelijk in hun wijk te vermanen, opdat zij hun kinderen ter catechisatie zenden.

[3] Om dit in het werk te stellen zal het noodig zijn zoo spoedig mogelijk elke kerk in vaste wijken te verdeelen naar gelang van de menigte en het gemak der geloovigen, die dezen plaatsen bewonen; aan het hoofd van elke wijk enkele Ouderlingen te stellen, die elke week op een vastgestelden dag in de gemeenschappelijke Kerkeraads [vergadering] zullen meedeelen, of alles in hun wijk recht en naar wensch toegaat. En zij zelf moeten zich aldus gedragen, dat zij indachtig zijn, dat zij niet alleen voor de Kerk, maar ook voor God zelf rekenschap zullen moeten geven van de zielen, die hun toevertrouwd zijn.

[4] Het is zoowel voor de Ouderlingen [zelf] geriefelijk als voor hunne bediening gepast, dat men bij de verdeeling der wijken niet zoozeer rekening houde met hunne bloedverwantschap, zwagerschap of onderlingen omgang dan wel met hunne woonplaats en nabuurschap.

[5] De wijze, waarop de Ouderlingen moeten gekozen en bevestigd worden, is dezelfde als bij de Dienaren, behalve dat men bij hun onderzoeking niet zoozeer letten zal op datgene wat eigenlijk tot den Dienst des Woords behoort, evenmin als bij hunne bevestiging de tegenwoordigheid van vreemde Dienaren noodig zal zijn. [6] Met alle kracht zal men zich echter daarop toeleggen, dat die dingen aanwezig zijn, die Paulus vereischt, nl. een onbestraffelijk leven, zuivere religie, uitstekende godzaligheid en geestelijke wijsheid, waarbij het bovenal nuttig zal wezen, dat eenige kennis ook van burgerlijke zaken gevoegd worde. Vóor alle dingen echter zullen zij zoover mogelijk verwijderd zijn van alle eerzucht en

|18|

begeerte naar roem, ja ook van alle vermoeden van eerbejag.

[7] Zij die gekozen zijn, zullen beloven in de handen van den Dienaar in tegenwoordigheid der overige Ouderlingen of ook, indien dit geschikt zal kunnen geschieden van heel de kerk, dat zij, gelijk hun ambt dit eischt, alle afgoderij, godslastering, ketterijen, overdadige weelde en alle overige dingen, die met Gods eer en de reformatie der kerk openbaar in strijd zijn zullen bekampen en stipt en getrouw hen, die aan hunne zorg zijn toebetrouwd, naar ieders omstandigheid en de gelegenheid der zaken zullen vermanen. Voorts dat zij, indien hun iets van belang toeschijnt, dit tot den Kerkeraad zullen overbrengen en hun ambt zoo getrouw mogelijk zullen vervullen; dat zij zich ook geenszins zullen laten verleiden hetzij door gunst, hetzij door geld, maar alleen rekening zullen houden met de kerk en den naam Gods. Dat zij voorts geen het minste gezag of vrijheid om te heerschen zich zullen aanmatigen hetzij over de Dienaren [des Woords], hetzij over de kerk, en dat zij geen nieuwe wetten naar eigen willekeur zullen invoeren, maar zich houden zullen aan de verordeningen der kerken en Synodes. En indien er iets nieuws mocht voorgekomen zijn, wat een nauwkeuriger onderzoek vereischt, dat zij dit dan tot de vergadering der Classis of van de provinciale parochie zullen brengen, opdat daar met gemeene stemmen worde vastgesteld, wat in het belang der kerken zal zijn. En dan eindelijk zullen zij na voorafgaande plechtige gebeden (want de oplegging der handen laten wij ook hier vrij) tot de bediening van hun ambt toegelaten worden.

[8] De Ouderlingen behooren voorts te weten, dat het ook tot hun ambt behoort de zieken te bezoeken en te troosten. Hoewel deze zorg ook den Diakenen volgens hunne roeping is opgelegd, nl. dat zij de kranken niet alleen verkwikken met de dingen noodig tot levensonderhoud, maar hen ook opbeuren door vertroosting. Het zal daarom noodig zijn, dat door de

|19|

Ouderlingen de namen der kranken en voornl. van hen, die behoeftig zijn, aan de Diakenen schriftelijk worden meegedeeld, opdat genen hun ambt te beter kunnen vervullen.

[9] Het maken van wetten echter of het oefenen van gezag, hetzij over de Dienaren [Des Woords] en hunne ambtgenooten, hetzij over de kerk, behooren zij te bedenken, dat allerminst tot hun ambt behoort, evenmin als het houden van kerkeraadsvergadering naar eigen welgevallen zonder dat de Dienaren dit weten of er bij tegenwoordig zijn.

[10] Indien echter in afwezigheid van de Dienaren een kerkeraadsvergadering zal moeten gehouden worden, dan zullen de Ouderlingen zeker verplicht zijn aan [de Dienaren] getrouwelijk opening te doen zoowel van de reden, waarom de kerkeraad belegd is, als van hetgeen daarin behandeld is.

[11] Ook indien de Dienaar ergens heen zal moeten afgevaardigd worden, zoo zal het niet betamen, dat de Ouderlingen daarover een besluit nemen dan na den anderen Dienaar des Woords of althans de Leeraren en Profeten er bij geroepen te hebben; en dat aangezien het niet behoorlijk is, dat gedurende zijn afwezigheid de zorg voor de kerk buiten hun weten of tegen hun wil op hen kome te vallen.

[12] Zoo dikwijls echter met gemeene toestemming hetzij een Dienaar des Woords of iemand anders, die een openbaar ambt bekleedt, ergens heen gezonden of met eenig ander ambt ten bate der kerk belast zal geworden zijn, zoo behoort hij dit gewillig en zonder bezwaar te maken op zich te nemen en met de grootste bereidwilligheid uit te voeren, [daarbij] bedenkende, dat hij in den dienst van onzen Heere Jezus Christus zijnde allerminst zijn eigen meester is. Anderszins indien hij geweigerd zal hebben zich te onderwerpen aan het oordeel der broederen, hetzij van de Classis, hetzij van den Kerkeraad, zoo zal men met hem te handelen hebben naar het formulier van de kerklijke tucht.

|20|

[13] Evenals wij voorts om vele oorzaken het niet alleen nuttig, maar volstrekt noodzakelijk oordeelen, dat alle handelingen van den Kerkeraad in een afzonderlijk boek nauwkeurig worden aangeteekend door één persoon, uit het getal der Ouderlingen hiertoe afgevaardigd, zoo komt het ook allerzins met Gods Woord overeen, dat de Diakenen alle ontvangsten en uitgaven naarstig aanteekenen en aan den Kerkeraad iedere maand, of zoo dikwijls dat overigens nodig zal schijnen, rekening en verantwoording doen.

 

[Hoofdstuk V]
Van de Diakenen

[1] Het is vervolgens het getuigenis der Schrift volkomen zeker, dat het ambt der Diakenen hierin bestaat, dat zij de tafelen bedienen, dat is, dat zij den armen in hunne behoeften te hulpe komen en door aalmoezen te verzamelen hun het noodige verstrekken.

[2] Het is behoorlijk, dat hunne verkeizeing en bevestiging op geen andere wijze zal geschieden dan hierboven bij de Ouderlingen verklaard is; behalve dat men bij de onderzoeking vooral letten zal op de getrouwheid en ijver, en zich voornamelijk zal wachten voor [hen, die] het schandmerk der gierigheid [dragen]. In alles echter zal men de regel volgen door Paulus voorgeschreven I Tim. 3. [3] Zij behooren ook naarstig hen te vermanen, wier vermogen dit toelaat, dat zij aan de behoefte der kerk en het gebrek der armen te hulpe komen.

[4] Wij zijn van oordeel, dat hun getal te dezen tijde voor elke kerk niet kan worden voorgeschreven, daar [hierbij] vooral met de omstandigheden gerekend moet worden.

[5] Het zal echter niet ondienstig zijn, dat vooral in de grootere plaatsten twee soorten van Diakenen worden ingesteld, waarvan het éene deel zich zal toeleggen

|21|

op het verzamelen en uitreiken der aalmoezen en tegelijk zorg zal dragen, dat, zoo daar eenige goederen aan de armen vermaakt zijn, deze op wettige wijze van de erfgenamen afgevorderd en getrouw aan de gelegateerden worden uitgedeeld. [6] Het andere deel zal voornamelijk zorg dragen voor de zieken, gewonden en gevangenen; deze [Diakenen] behooren begaafd te zijn behalve met trouw en ijver ook met de gave der vertroosting en eene niet gemeene kenisse des Woords; en zij zullen naarstig bij de Ouderlingen navragen, of er in hunne wijken soms ook zieken en zwakken zijn, die vertroosting en opbeuring behoeven.

[7] Al wie door krankheid bedlegerig zal zijn, zal door de Diakenen of Ouderlingen aan den Dienaar des Woords zijn ziekte melden, opdat zoo noodig deze òf zelf kome en den kranke met Gods Woord vertrooste, òf deze taak overdrage aan de Ouderlingen en Diakenen, wanneer dit hem minder gelegen komt, wegens andere bezigheden, die het gemeene belang raken en van grooter gewicht zijn.

[8] De plicht der liefde gebiedt, dat men ook acht zal geven op degenen die van buiten komen en de vreemdelingen. [9] Daarom zal het de roeping der Diakenen zijn nauwkeurig onderzoek te doen bij de Ouderlingen en andere leden der kerk, of er wellicht ook reizigers of vreemdelingen, die geloovigen zijn, in die plaats gekomen zijn, opdat men hun de weldaad der gastvrijheid en verdere trouwe en christelijke hulpe bewijzen kunne. En indien zij behoeftig zijn, zal ook het noodige hun verstrekt worden. Voorts is het buiten twijfel, dat hunne verzorging behoort tot de eerste soort van Diakenen.

[10] Op die plaatsen, waar dit gelegen zal komen, oordeelen wij, dat ook vrouwen van beproefd geloof en eerbaren levenswandel en die van gevorderden leeftijd zijn, naar het voorbeeld der Apostelen terecht tot die ambt kunnen aangenomen worden.

[11] De Diakenen zullen ook toezien, of aan de

|22|

weduwen of weezen der kerk, door iemand geweld of onrecht wordt aangedaan, en indien zij iets [van dien aard] zullen vernomen hebben, zullen zij het overbrengen aan den kerkeraad, opdat terstond eenige bepaalde personen gekozen worden, die naar gelang van de hoedanigheid der zaak zorgen zullen, dat door de Overheid recht gedaan worde.

[12] Voorts zal het ook noodig zijn, behalve deze Diakenen nog andere goede mannen, die van een beproefd geloof en levenswandel zijn, met voorzichtige keuze bij een te zoeken, die de bezoldigingen der Dienaren en wat voorts tot het gebruik van den Dienst (des Woords) noodig zal zijn, verzamelen zullen.

[13] Hieronder rekenen wij ook datgene wat betrekking zal hebben op de bijeenroeping der Synodes, de afvaardiging hetzij van de Dienaren, hetzij van eenig ander persoon, waar dit noodig zal zijn, tot noodzakelijke kerkelijke bezigheden, evenals alles wat behooren zal tot den bouw der tempels of kerken.

[14] Hoewel wij het voor dienstiger houden, dat in de grootere plaatsen, waar dit maar eenigszins mogelijk zal zijn, ook deze ambten onderscheiden worden en de zorg voor de Dienaren afgescheiden worde van de zorg voor de overige dingen. Deze dingen zullen echter het geschikst in de Synode kunnen besloten worden, aan welke wij ook de zorg voor de Scholen en haar inrichting overlaten.

[15] Wat voorts de aanstellling van eenigen penningmeester of quaestor aangaat, het doen van rekening van ontvangst en uitgaaf aan den Kerkeraad en datgene wat [verder] op deze zaak betrekking zal hebben, zoo behoort iedere Kerk naar ieders gelegenheid en wijze daarover voortaan te beslissen, of althans de Synode in het algemeen iets vast te stellen.

[16] Wij houden het er echter voor, dat het in het geheel niet overeenkomt met het ambt der Ouderlingen, dat hun de uitdeeling en bezorging der kerkelijke goederen van welken aard zij dan ook mogen zijn,

|23|

of waar vandaan zij mogen komen, [worde toebetrouwd].

[17] Afgedacht nog van de moeilijkheden, die elken dag voorvallen, volgt het uit den aard der zaak, dat de Ouderlingen en Diakenen, die in hunne roeping een tijdlang zich getrouw hebben getoond, dit niet hebben gedaan zonder groot nadeel van hun huiselijke zaken; daarom achten wij het nuttig, dat jaarlijks nieuwe [Ouderlingen] worden gekozen, op deze wijze, dat na verloop van éen jaar of van zes maanden, (naarmate de zaak en de omstandigheden dit zullen eischen) het halve deel van zijn dienst worde ontslagen en anderen in hunne plaats worden gekozen, die met de overige nog blijvende [Ouderlingen] over de kerk zullen gesteld worden. Met dien verstande echter, dat het den Kerkeraad vrij sta de meest geschikte Ouderlingen en Diakenen, die daartoe bereidwillig zijn, te verzoeken en te bidden, dat zij het halve of geheele volgende jaar (naar dit den Kerkeraad zal goeddunken) de kerk in hunne roeping willen dienen.

[18] Hij die een openbaar ambt bekleedt zooals de Dienaar of Herder, de Leeraar, de Ouderling, de Schoolmeester of de Diaken enz. mag de Kerk, die hij dient, geenszins verlaten zonder dat van zijne zaak wettig kennis is genomen en het oordeel van de geheele Classis of parochie, (nadat de provinciën in classen zullen verdeeld zijn) daarover is ingewonnen. En anderzijds zal het ook de Kerken niet vrij staan, hetzij haar Dienaar, hetzij haar Leeraar, hetzij haar Ouderling enz., los te maken zonder de toestemming van de parochie of provinciale classis verkregen te hebben.

[19] Nochthans meenen wij niet, dat aan de vergaderingen der Classis eenig recht in deze zaak over eenige kerk of hare Dienaren toe te kennen zij, tenzij deze [kerk] hierin uit eigen beweging toestemme; opdat de kerk niet tegen haar wil beroofd worde van haar recht en gezag.

|24|

 

[Hoofdstuk VI]
Van de Sacramenten

En wel eerst van den Doop

[1] Daar de Sacramenten met de bediening des Woords door een onlosmakelijken band zijn verbonden, zoo betwijfelt niemand, dat zij tot het ambt der Dienaren behooren. Wij oordeelen daarom, dat de Doop door niemand anders dan door den Dienaar des Woords op de rechte wijze kan meegedeeld worden.

[2] De Doop nu zal bediend worden met het gebruikelijke formulier, dat in de kerkelijke verordeningen voorgeschreven is. En dat wel nergens anders noch op eenige andere wijze dan in de samenkomsten der kerk bij de prediking en den catechismus.Tenzij het wellicht noodzakelijk zal zijn in den aanvang bij een kerk, die pas ontstaan is, rekening te houden met enkele zwakken en hun ter wille [en] om ergernis te vermijden de kinderen, die met krankheid bezocht zijn, aan huis te doopen. Maar zelfs dit wordt niet toegestaan dan in tegenwoordigheid van ten minste vier of vijf geloovigen en slechts zoolang totdat door een besluit der Synode hierin op andere wijze zal voorzien geworden zijn.

[3] Wij laten echter, gelijk wij vroeger gezegd hebben, het gebruik van bijzondere getuigen (welke men gewoonlijk peters noemt) en de wijze van doopen vrij.

[4] De ouders echter en de getuigen, die de kinderen ten doop zullen aanbieden, zullen met die woorden worden ondervraagd welke in het fomulier van den Doop staan uitgedrukt.

[5] Het is buiten kijf, dat het ten hoogste dienstig is, zoowel voor de kerk als voor het Gemeentebest, dat de namen der kinderen, ouders en getuigen in de publieke registers worden opgeteekend. Ook zullen daarbij afzonderlijk kunnen worden opgeschreven de namen van 

|25|

hen, die na in de kerk belijdenis des geloofs afgelegd te hebben in Christus sterven.

 

Van het Avondmaal des Heeren

[6] Wij achten het zeer nuttig, veertien dagen van te voren den tijd, waarop het Avondmaal gevierd zal worden, aan het volk bekend te maken, zoowel opdat de afzonderlijke leden der kerk zich bijtijds voorbereiden kunnen, als opdat de Ouderlingen hun ambt in het bezoeken der wijken op de rechte wijze kunnen volbrengen.

[7] Niemand zal echter tot het Avondmaal des Heeren toegelaten worden, tenzij hij vooraf belijdenis des geloofs afgelegd en aan de kerkelijke tucht zich onderworpen zal hebben.

[8] Zij, die begeeren zullen tot het Avondmaal toegelaten te worden, zullen acht dagen vóór den voor het Avondmaal bepaalden dag hunne namen bij den Dienaar inleveren en de Kerkeraad zal dan terstond aan éen of meer Ouderlingen naar gelang van de wijk en het getal der personen de opdracht geven om ijverig en nauwkeurig onderzoek te doen naar hun vroeger leven en wat zij vernomen hebben ter kennisse van den Kerkeraad te brengen, opdat zoo iets in den weg staat, waarom zij liever niet behooren toegelaten te worden, men bijtijds kunne tusschenbeide komen, of zoo niet, kunne voortschrijden tot de onderzoeking des geloofs.

[9] Wij oordeelen echter, dat het om vele oorzaken niet noodig, ja zelfs niet nuttig is, dat dit in het openbaar moet geschieden, maar [het onderzoek] worde ingesteld privaat in tegenwoordigheid van den Dienaar en de Leeraren en Profeten, of indien met deze niet zal kunnen bekomen, van eenige Ouderlingen en den Dienaar volgens hetgeen in de kerkelijke verordeningen wordt voorgesteld. 

[10] Het zal echter niet ongepast zijn de kinderen, die de catechisatie afgeloopen hebben, in tegenwoordigheid

|26|

der geheele kerk te onderzoeken, volgens het formulier van den korteren Catechismus, waaraan nog toegevoegd zullen worden de voornaamste stukken van den grooteren Catechismus; en dit [zal geschieden] acht dagen vóór den vastgestelden dag van het Avondmaal.

[11] Zij nu, die behoorlijk onderzocht zijn, hetzij dat zij kinderen, hetzij dat volwassenen zijn, zullen zich des daags vóór den dag, waarop het Avondmaal zal gevierd worden, voor de kerk stellen en hun zal, nadat de voornaamste stukken van het geloof en de religie hun voorgesteld zijn, naar hunne instemming daarmede gevraagd worden; tegelijk zullen zij zich ook onderwerpen aan de kerkelijke tucht en hunne namen laten opschrijven in de kerkelijke registers; en dan eindelijk zullen zij aan het volk worden voorgesteld, opdat zij, indien geen wettige verhindering voorkomt, den volgenden dag tot de tafel des Heeren toegelaten kunnen worden.

[12] Wij zijn van oordeel, dat de breking des broods alleszins noodzakelijk is, omdat die door Christus klaarlijk is ingesteld en door de Apostelen en de geheele oudere kerk niet zonder de gewichtigste oorzaken is onderhouden geworden.

[13] De woorden bij het Avondmaal, die in de kerkelijke verordeningen worden voorgesteld, achten wij dat zekerlijk moeten behouden worden, omdat zij het meest overeenkomen èn met de instelling èn met het duidelijke voorschrift van Christus èn eindelijk met de verklaring van Paulus.

[14] Wij oordeelen voorts dat in alle kerken gewoon brood en niet een bijzonder soort of ongezuurd brood of iets anders zal gebruikt worden, dat naar bijgeloovigheid smaakt.

[15] Wij meenen, dat men evengoed het Avondmaal zittende als staande kan vieren en terwijl het gevierd wordt, de Schrift kan lezen of psalmen zingen.

[16] Voorloopig kan nog niet één bepaalde tijd om het Avondmaal te vieren voor alle kerken voorgeschreven worden, totdat in de Synode zal overwogen

|27|

zijn wat in het algemeen belang der kerken is.

[17] Men moet er echter voor zorgen, dat de predikatiën ten tijde der Avondmaalsviering niet worden uitgerekt tot die uren, die aan de bediening van het Avondmaal moeten gegeven worden, opdat er rekening worde gehouden met het volk en inzonderheid met de zwangere vrouwen en de overigen, die zwak van gezondheid zijn.

 

[Hoofdstuk VII]
Van het huwelijk

[1] Zoowel de gewoonte als de dagelijksche ondervinding getuigt, dat het noodig is de namen van hen, die door het huwelijk zullen verbonden worden, op drie Zondagen van den kansel voor het volk af te kondigen.

[2] Voordat echter deze afkondiging der namen geschiedt, zullen zij te samen met hunne Ouders of Voogden zich stellen voor den Dienaar en twee Ouderlingen hunner wijk, opdat men hen kunne ondervagen, naar wat noodig zal schijnen. Na afloop hiervan zullen hunne namen in de kerkelijke registers worden opgeteekend.

[3] De huwelijken kunnen op elken dag zonder onderscheid gesloten worden, mits op dienzelfden dag een predikatie voor het volk gehouden worde. Uitgezonderd zullen slechts die dagen zijn, die aan het vasten gewijd zijn, omdat met op deze dagen zich voornamelijk heeft toe te leggen op gebed en treurigheid.

[4] Het overige, wat betrekking kan hebben op de regeling der huwelijken en de behandeling der echtscheidingen, oordeelen wij dat in de Synode punt voor punt te behandelen zij.

|28|

 

[Hoofdstuk VIII]
Van de tucht

[1] Men moet ganschelijk daarvoor waken, dat bij de inrichting van een pas ontstaande kerk nergens de kerkelijke tucht verzuimd worde. Want hoe heilzaam en noodzakelijk deze is, leert ons overvloedig zoowel de instelling als de leer zelf van de Heere Christus en de Apostelen, en ook het gebruik van de Apostolische en de geheele oudere kerk en eindelijk ook de dagelijksche ondervinding der zaken zelve.

[2] Daarom is het ook billijk, dat niemand tot den dienst des Woords behoort toegelaten te worden dan die bereid is dezen regel der tucht te handhaven en te bewaren.

[3] Wij zijn van oordeel, dat de tucht bestaat deels in de censuur over de leer of religie en den levenswandel, deels in de wettige bestraffing, deels ook in den ban, waarin voornamelijk de sleutelmacht gelegen is, die door den Heere aan de kerk gegeven is.

[4] Dat nu de censuur over de religie en den levenswandel wat de afzonderlijke leden der kerk aangaat behoort tot de roeping van den kerkelijken Senaat, dat wil zeggen van de samenkomst der Ouderlingen ten overstaan van de Dienaren, Leeraren en Profeten, zoo daar eenige zullen zijn, is buiten kijf.

[5] Want ieder ziet, dat het tegen alle recht en billijkheid zou zijn hen, aan wie het toekomt van alle zaken kennis te nemen, uit te sluiten van het oordeel en de censuur. Daarom schijnt de censuur over de leer eigenlijk aan de Dienaren en Leeraren, maar die over den levenswandel aan de Ouderlingen toe te komen. Doch zonder twijfel behooren zij over en weer hierbij elkaar de helpende hand te bieden.

[6] Nu stemt het ongetwijfeld met de rede en de billijkheid overeen, dat degenen, aan wie de censuur

|29|

wordt overgelaten, ook de macht hebben om te bestraffen. Wij oordeelen daarom, dat het meer dan behoorlijk is, dat deze zaak tot het oordeel van den Kerkeraad behoort.

[7] Indien iemand derhalve heimelijk of openbaar vreemde leerstellingen en ketterijen rondgestrooid zal hebben, zoo zal zijn naam door de Ouderlingen aan den Kerkeraad worden aangebracht; na daar geroepen te zijn, zal hij vermaand worden en indien hij aan dit oordeel der kerk zicht onderworpen zal hebben, zal hij in genade weder worden aangenomen; zoo hij echter na twee- of driemaal vermaand te zijn, hardnekkig zijn gemoed verhard zal heben, zal hij van de gemeenschap der geloovigen geweerd worden.

[8] Op dezelfde wijze zal, ook indien iemand de orde en samenkomst der kerk hoovaardig veracht en na menigvuldig vermaning in het minste geen berouw getoond zal hebben, hem de gemeenschap der kerk ontzegd worden.

[9] Wat nu de censuur en de bestraffing over den levenswandel aangaat, zal men in alles de instelling van Christus volgen, opdat bij geheime zonden, die met geen openbare ergernis vergezeld zijn, niemand voor de vierschaar van den Kerkeraad getrokken worde, tenzij hij met hardnekkig gemoed de zeer dikwijls herhaalde vermaningen verachtelijk verworpen heeft. Aangeklaagd zijnde bij den Kerkeraad zal hij echter ernstig vermaand worden, en, indien hij geen berouw zal hebben, als een verrot lid worden afgesneden.

[10] Maar bij openbare zonden en die met openlijke ergernis vergezeld zijn, zal het gezag van den Kerkeraad of kerkelijken Senaat zich terstond doen gelden; vooreerst door hem te vermanen en indien hij gehoorzaamd zal hebben, door hem zachtmoedig in genade weder aan te nemen; in het tegenovergestelde geval door hem met den ban te slaan.
Wat voorts de schrikkelijke schanddaden en schelmstukken aangaat, zullen [de schuldigen], zelfs indien zij

|30|

aan de vermaning gehoor zullen gegeven hebben, nochthans voor eenigen bepaalden tijd van de gemeenschap worden geschorst, totdat zij een duidelijke proeve en bewijs van boetvaardigheid zullen geleverd hebben.

[11] Indien iemand echter meent, dat hem op deze wijze of op eenige andere manier onrecht is aangedaan, zal het hem vrijstaan van de uitspraak van den Kerkeraad zich te beroepen op het oordeel van de Classen (nadat deze ingesteld zullen zijn) en wederom van de beslissing van de Classen zal hij hulpe mogen verzoeken bij de Synode; hoewel zulk een tegensparteling en weigering om zijn schuld te erkennen het schandmerk der hardnekkigheid niet zal kunnen ontgaan.

[12] Maar ten opzichte van de Dienaren en Ouderlingen behoort een eenigszins andere handelwijze gevolgd te worden, opdat zij niet lichtvaardiglijk aan lasteringen bloot staan; ten ware zij wellicht (wat God verhoede) met eenig openbare schanddaad en schelmstuk zich bevlekt hadden. Want dat zij in dat geval zoo spoedig mogelijk, zonder het oordeel der Classis af te wachten, met schande en oneer van hun ambt moeten verwijderd worden, wordt door niemand betwijfeld.

[13] Zoo zij echter met eenige heimelijke zonde bevangen zullen zijn, zal de censuur overgelaten worden aan de vergadering der Classis. Daarin zal, nadat zij bevolen zijn buiten te staan en van de overigen een eed afgenomen is, dat niemand zal verklappen wat of door wien iets gezegd is, nauwkeurig onderzoek worden gedaan naar ieder van de Dienaren en Ouderlingen afzonderlijk, en nauwkeurig navraag worden gedaan, hoe ieder zich in zijn ambt gedragen heeft. En indien iemand een vermaning zal schijnen noodig te hebben, zoo zal hij, na in de vergadering teruggeroepen te zijn, vermaand worden, of zoo een bestraffing en kastijding [noodig is], zal hij worden bestraft en naar de grootte of lichtheid van zijn misdaad worden gekastijd.

[14] Voorts zijn de misdaden, die in de Dienaren geenszins te dulden zijn, ongeveer van dezen aard:

|31|

ketterij, scheuring, openlijke verachting der kerkelijke orde; openbare godslastering, die zelfs de straf der burgerlijke Overheid verdient; simonie; onbetamelijke kuiperij om zich in eens anders plaats in te dringen; verlating van zijn dienst en zijne kerk zonder wettige toestemming en beroeping; de misdaad van vervalsching; meineeed; hoererij; diefstal; dronkenschap; wapengeweld en alle geweld, dat burgerlijke straf verdient; ongeoorloofde woeker; dobbelspel en de overige onbetamelijke en door de wetten verboden spelen; het klaarblijkelijk jacht maken op heerschappij over de kerk en zijne ambtgenooten en alle overige dergelijke [misdaden], die hetzij het brandmerk der schande op iemand drukken of in anderen de afsnijding van de kerk zouden verdienen.

[15] Van een anderen aard zijn echter die zonden, die wel geduld worden, maar toch onderhevig zijn aan bestraffing en censuur. Van dien aard zijn: ijdele nieuwsgierigheid naar onnutte vragen; een vreemde en gezochte manier om de Schriften te behandelen, welke den hoorders ergernis baart; zooals door hen geschiedt die òf meer dan betamelijk is aan hunne bespiegelingen toegeven òf een spel drijven met onpassende allegoriën, of kortom dingen er bij halen om vertooning te maken, die niet overeenkomen hetzij met het doel, hetzij met de waardigheid der Schriften; het invoeren naar eigen welgevallen in de kerk van iets, dat nieuw en gansch ongewoon is; klaarblijkelijke nalatigheid in hunne studiën en de lezing der Schriften; het al te toegevend zich betoonen bij het kastijden der zonden en het al te genegen zijn tot vleierij; eindelijk het al te traag en nalatig zijn in de overige dingen, die tot hun ambt behooren. Onkuische aardigheden of onbetamelijke scherts; leugentaal; het rooven van iemands eer of kwaadsprekerij; vuile gesprekken; beleedigende woorden; vermetelheid; opzettelijk bedrog; klaarblijkelijke gierigheid; eerzucht en begeerte naar ijdelen roem; plotseling opkomende en bandelooze toorn; huiselijke

|32|

oneenigheid; haat en twist; al te scherpe en onmatige bestraffingen; alle onmatige weelde in kleeding, bij tafel en in de overige dingen, welke niet betaamt voor een Dienaar des Goddelijken Woords; heimelijk streven om te gebieden en heerschappij te oefenen over de kerk of hunne ambtgenooten.

[16] Wie van de eerste soort van misdaden overtuigd zal zijn, zal in de vergadering der Classis van zijn ambt worden afgezet.

[17] Bij de overige [zonden] zullen zij, die ter classisvergadering geroepen zijn, een broederlijke vermaning en zachte kastijding aanwenden. Indien hij deze, nadat ze twee of driemaal herhaald is, veracht zal hebben, zoo zal de zaak voor de vergadering der Classen of de vierschaar der Synode gebracht worden en daar zal besloten worden wat tot voordeel en nut der kerk wezen zal.

[18] Wat voorts de lichtere fouten aangaat, die zelfs het oordeel der vergadering niet waardig zullen schijnen, daarin zal men die orde volgen, die Christus voor alle overige [gevallen] heeft voorgeschreven.

[19] Opdat deze orde der censuur nu te gemakkelijker gevolgd moge worden, meenen wij, dat het nuttig zal zijn telkens om de twee of ten minste drie maanden vergadering van iedere Classis te houden, waar naar dusdanige zaken nauwkeurig onderzoek geschieden zal. Ook zou het niet ondienstig zijn, dat de Classen van een geheele provincie met tusschenpoozen van een half jaar bijeen kwamen, en eindelijk dat elk jaar een provinciale Synode van geheel Nederland gehouden werde. Maar aangezien over deze dingen niets vastgesteld kan worden, meenen wij, dat zij aan het oordeel der Synode moeten overgelaten worden.

[20] Het schijnt ook nuttig te zullen zijn, dat deze samenkomsten der verschillende Classen, die ter wille van de censuur ingesteld zijn, niet steeds op ééne plaats gehouden worden, maar liever zoo dikwijls mogelijk op verschillende plaatsen, vooreerst opdat de heerschappij

|33|

van de eene kerk over de andere verhinderd worde en voorts — en dit wel voornamelijk — opdat degenen, die te saam komen, des te nauwkeuriger zich kunnen toeleggen op de onderzoeking van iedere afzonderlijke kerk en navraag kunnen doen, stuk voor stuk, welke orde gevolgd wordt zoowel bij de onderwijzing des Woords als bij de regeling der Sacramenten en Tucht en eindelijk of de Ouderlingen en Dienaren hun ambt goed en ijverig waarnemen.

[21] Indien er ten slotte in eenige kerk iets bijzonders is met betrekking tot de orde en de rechte inrichting der kerk, zal het aan iedere kerk vrijstaan daarbij te volgen wat het meest tot stichting zal geschikt wezen; mits men daarbij steeds nauwkeurig acht geve op de omstandigheden, opdat het lichaam zelf der kerk bij voortduring en onafgebroken in eenigheid des geestes en den band des vredes gehouden worde.

[22] De Dienaren die zich de moeite hebben gegeven deze [bepalingen] bijeen te brengen, willen hiermede openlijk voor God en menschen betuigd hebben, dat zij bij het vaststellen dezer punten, welke dusver opgeteekend zijn ten bate van de welstand der Nederlandsche Kerken, en hare eenparige en overeenstemmende ordening dit geenszins gedaan hebben tot nadeel van de andere kerken, maar dat zij alleen rekening gehouden hebben met tijd, plaatsen, personen en de overige omstandigheden [en] met de grootste zorg en nauwkeurigheid onderzocht hebben (na vooraf de goddelijke hulpe te hebben ingeroepen,) wat naar gelang van dit alles voor de Nederlandsche kerken dienstig of ondienstig zou zijn. En zij hebben de zaken alzoo geleid, dat wanneer het gebeuren mocht, dat onze Heere Jezus Christus hierna eenmaal een overvloediger vrucht zijner genade aan Nederland verleende, zoowel ten aanzien van eene godvruchtige reformatie der overheid als wat betreft den wasdom der kerk, het vrij zal staan deze punten breeder uit te werken en naar gelegenheid der zaken en tijden, hetzij te vermeerderen

|34|

hetzij te verminderen, hetzij zoo dit noodig zal schijnen, te veranderen.

 

Aldus gedaan te Wezel 3 November 1568.

Biesterveld, P./Kuyper, H.H. (1905) Emden 1571

|35|

De Acta der Emdensche Synode van 1571

 

Acta ofte Handelinghen der versamelinghe der Nederlandtsche Kercken die onder ’t Cruys sitten, ende in Duytschlandt, ende Oost-Vrieslandt verstroyt zijn, gehouden tot Embden den 4 Octobris Anno 1571.

1. Gheen Kercke sal over een ander Kercke, gheen Dienaer des Woorts, gheen Ouderlinck, noch Diaken sal d’een over d’ander heerschappie voeren, maar een yeghelijck sal hen voor alle suspicien, ende aenlockinge om te heeschappen wachten.

2. Om die eendrachtigheydt in de Leere tusschen de Nederlandtsche Kercken te bewijsen, heeft het den Broederen goet ghedocht de belijdinghe des Gheloofs der Nederlandtsche Kercken te onderschrijven, insgelijcx oock de belijdinghe der Kercken in Vranckrijck te onderteeckenen, om daer mede hare verbindinghe ende eenigheyt met der selver Françoischer Kercken te betuygen, seeckerlijk vertrouwende, dat de Dienaren der selver Françoischer Kercken oock op hare zijde de belijdenisse des Gheloofs der Nederlandtscher Kercken, tot ghetuyghnisse der onderlingher eendrachtigheyt, onderschrijven sullen.

3. Men heeft vercooren Petrum Dathenum en Iohannem Taffinum, die dit den Kercken-Dienaeren ter naest-comende versamelinghe in Vranckrijck aensegghen, ende ter naester t’samencoomste der Broederen der Nederlantsche Kercken, antwoort weder inbrengen sullen.

4. Men sal oock de Nederlantsche Kercken-Dienaers die in dese versamelinghe niet en zijn, vermanen, dat sy in die selve onderschrijvinghe bewillighen: T’selve salmen oock allen anderen doen, die van nu voortaen,

|36|

tot den dienst des Woorts beroepen sullen worden, eer sy in haren dienst treden.

5. De Broeders hebben gheacht, datmen in den Ghemeenten der Françoischer spraecke die forme des Geneefschen Catechismi, ende in de Ghemeenten der Nederduytscher spraecke, de forme des Heydelbergschen behoort te ghebruycken; doch alsoo, dat, of daer eenighe Kercken, eene andere forme van Catechismus den woorde Gods gelijckformigh zijnde gebruyckten, die sullen te veranderen niet ghedwonghen worden.

6. In een yegelijcke Kercke salmen t’ samen-coomsten ofte Consistorien der Dienaren des Woorts, Ouderlinghen ende Diaconen hebben, die ten weynighsten alle weecken eenmael ghehouden sullen worden, ter plaetse ende tijt die een yegelijcke Ghemeente sal achten bequaemste ende gheleghenste te wesen.

7. Beneven desen Consistorien, sullen oock alle drie ofte ses maenden Classische versamelinghen ghehouden werden van sommighe Kercken die by een gheleghen zijn, nae hare gheleghentheyt ende nootdruft.

8. Daer beneven sullen jaerlijcxsche versamelinghen, aller verstroyde Kercken in Duytslandt ende Oost-Vrieslandt besonder, aller Engelscher Kercken besonder, ende aller Kercken onder’t Cruys besonder, ghehouden werden.

9. Voorder salmen alle twee jaren eens, een alghemeyne versamelinghe aller Nederlantsche Kercken houden.

10. Beyde de Franckfortsche Ghemeenten, die Schoenausche, die Françoische tot Heydelbergh, die Franckendaelsche, ende die van S. Lambert sullen eene Classem maecken. Een ander Classem sullen maecken beyde de Ceulsche Kercken, beyde die Aecksche, die van Maestricht, die van Limburgh, die van Nuys, ende die int Landt van Guylick zijn. Een ander Classem sullen maecken die van Wesel, van Embrick, van Gogh, van Rees, van Gennep, ende anderen die daer meer int Landt van Cleef souden mogen zijn. Een ander Classem sullen maecken die Kercke van Embden met den

|37|

vreemden Dienaren des Woorts ende Ouderlinghen van Brabandt, Hollandt, ende West-Vrieslandt.

11. Beyde die Ghemeenten tot Antwerpen, die Ghemeente van ’s Hertogen-Bosch, van Breda, van Brussel, ende andere die in Brabant zijn mochten, sullen oock een Classem maecken. Een andere Classem sullen maecken die van Gent, van Ronsen, van Oudenaerden, van Comen, ende die andere die in Oost- ende West Vlaenderen zijn. Een ander Classem sullen maecken die Doornicksche, Rijsselsche, Atrechtsche, Armentiersche, Valencijnsche, ende die andere Walsche Kercken. Een ander Classem sullen maecken die Ghemeente van Amsterdam, van Delft, ende andere Hollandtsche, Overijsselsche, ende West-vriessche Kercken.

12. Men sal die in Enghelandt vermanen, datse hare Kercken in Classen afdeylen.

13. De Dienaren des Woorts sullen van den Consistorie met het oordeel ende goet duncken der Classischer versamelinghe, ofte twee ofte drie Ministers uyt de genabuerde Kercken vercooren worden. Vercoren zijnde, sullen sy der Ghemeente voorghestelt worden, op dat sy, ofte door stilswijghen der Ghemeente aenghenomen worden, ofte soo daer yet ware daerom die Ghemeente in de Verkiezinghe niet verwilligen en wilde, dat binnen 15. dagen onghevaerlijck voortghebracht werde. Nochtans of eenighe Kercken, daer de Verkiesinghe by ’t Ghemeene volck staet achteden, dat hare ghewoonheyt niet te veranderen en ware, die sullen ghedragen worden ter tijt toe, dat het door die alghemeene Synodale versamelinghe anders sal verordent zijn.

14. Die selve wijse salmen oock in die Verkiesinghe der Ouderlinghen ende Diaconen houden, behalven dat men niet behoeven en sal t’ ghevoelen des Classis ofte der omlegghende Kercken-Dienaren te verwachten.

15. Alle jaren sal ’t halve deel, soo wel der Ouderlinghen, als der Diaconen, verandert werden, andere in haer plaetse ghestelt zijnde, die oock twee jaren lanck dienen sullen, doch dat de Kercken (voornamelijck die

|38|

onder ’t Cruys sitten) hare vrijheyt van langher ofte corter tijt te nemen, nae hare gelegentheyt ende nootdruftigheyt behouden.

16. De Dienaren des Woorts sullen gheëxamineert, dat is, ondersocht worden van den ghenen daer van sy vercooren worden. Ist dat haer Leer ende leven voor goet bekent wort, soo sullen sy met Ghebeden daer toe dienende, ende oplegginghe der handen (doch sonder superstitie ende nootsaeckelijckheyt) bevestight worden.

17. Het en sal gheen Kerkcken-Dienaer gheoorloft zijn in een andere Ghemeente te Predicken sonder bewillinghe des Dienaers der selver Ghemeente ende der Consistorie, ofte int afwesen des Dienaers, sonder consent der Consistorie.

18. Die sich in den Kercken-Dienst indringhen in die plaetsen daer den Kercken-Dienst nu inghestelt is, die selve sullen van den Consistorien vermaent worden, datse afstaen, maer ist datse evenwel hartneckelijck voortvaren, soo salmen terstont drye ofte vyer, ofte oock meer, ist moghelijck, van den omlegghende Kerckendienaren dier Classe onder welcke dese Kercke is, beroepen, ende hem die het is verclaeren een Scheurmaecker te zijn. Ende aengaende die toehoorders, ist dat se alle vermaninghen ende waerschouwingen hartneckelijk verachtende, den Scheur-maecker (welcke hem nu verclaert is, sulck een te zijn) voortvaeren aen te hooren, soo sal de Consistorie nae uytwijsen der Kercken tucht ofte Christelijcke straffe handelen.

19. Eens, ofte drye mael in den Doop met water te besprenghen wort voor een middelmatigh ende vry dinck ghehouden: daerom laten wy den Kercken hare ghewoonheyt, diese hier in hebben, behouden, ter tijt toe dat anders in de naest-comende alghemeyne Synodale vergaderinghe verordent worde.

20. Ghetuyghen in den Doop te nemen, ofte niet te nemen, achten wy voor een middelmatigh dinck: derhalven salmen den Kercken haer oude ghewoonheyt

|39|

laten, een yegelijck nae hare vrijheyt, ter tijt toe dat daer van anders in de alghemeyne Synodale vergaderinghe besloten werde.

21. In den Ghemeenten, daer ons vrijheyt ghegheven wort te mogen reformeren, achten wy datmen ghemeyn spijsbroot ghebruycken, ende ’t selve in de uytdeylinge des Nachtmaels breecken moet. Maar staende ofte sittende ’t Nachtmael te ontfanghen, oordeelen wy middelmatigh te zijn. Derhalven sullen die Ghemeenten sulck eene wijse ghebruycken, die hen de alder-gheleghenste dunckt te zijn. Psalmen te singen, ofte yet wat uyt de heylighe Schrift te lesen ter wijle ’t heylighe Avontmael uytghedeelt wort, wort den Kercken vry ghelaten. Insghelijcx oock staet in de vrijheyt der Kercken die woorden Christi ofte Pauli te ghebruycken, in ’t uitreycken des Broodts ende des Wijns, waer in men toesien sal, dat het uyt-spreken der woorden, met der tijt niet tot een schijn ofte waen van Consecratie ghetrocken en werde.

22. Niemandt die noch onder de macht zijner Ouderen staet, ofte der ghener die in plaets der Ouderen zijn, en behoort hem selven sonder hare verwillinghe in den Houwelijcken staet te begheven, ende die houwelijcksche belofte sonder haer consent ghedaen, is van gheener waarde. Soo daer nochtans eenighe van de Ouders hier in sick soo onbescheyden ende hart bewesen te zijn, datse in gheenerley wijse wilden verwillighen (’t welck somtijts uyt haet der Religie, ende uyt andere oorsaecken geschiet) alsdan sal het int oordeel der Consistorie staen, of daer eenighe billicke oorsaecke zy, sulck eene heylighe ordeninghe te verhinderen ofte te breken.

23. De ondertrouwe Wettelijck ghedaen zijnde en sal gheensins moghen ghebroocken worden, al waert dat beyde partien daer in verwillighden. Daerom salt raetsaem zijn, als d’ Ondertrouwe gheschiet, dat de Kercken-Dienaer ofte een Ouderlinck daer by zy, opdat, eer der onderlinghe beloftenisse geschiede, vernomen

|40|

werde: of sy beyde die reyne Religie bekennen: of haer Ouders in haer Houwelijck verwillighen; Ende ist dat beyde partien ofte een van beyden, te vooren in den Houwelijcken staat gheleeft hebben: of men door gheloofwaerdighe ende seeckere ghetuyghenissen van de aflijvighe der eerster partie verseeckert is.

24. Die namen der persoonen die in den Houwelijcken staat te bevestighen zijn, salmen drye Sondaghen, ofte anders drye maal, mits datter een tamelijcken tijt tusschen zy, voor de Ghemeynte uytroepen.

25. Wy gevoelen dat de Kerckelijcke discipline ofte Christelijcke straffe in een yegelijcke Ghemeente behoort onderhouden te werden; derhalven salt der Dienaren des Woorts ampt zijn, niet alleen opentlijcken te leeren, vermanen ende straffen, maar oock int bysonder eenen yeghelijcken tot zijn plicht te vermanen, ‘t welk oock den Ouderlinghen toestaet te doene.

26. Daerom indien yemant in der reynigheyt der leer ghedwaelt, ofte in de oprechticheyt des levens ghesondicht sal hebben: soo verre alst verborghen ende sonder opentlijcke Erghernisse toeghegaen is, soo salmen den reghel onderhouden, welcken Christus uytdruckelijck voorschrijft. Matth. 18.

27. Ende die verborghen sonden, daer de sondaer (int heymelijck, ofte van eenen, ofte met twee ofte drye ghetuyghen vermaent zijnde) leetschap van bewijst, en salmen der Consistorie niet aendraghen: maer die verborghen sonden, die der alghemeyne welvaert, ofte der Kercken, eenige merckelijcke schade ende verderffenisse toebrengen moghten, als daer zijn verraderije, oft verleydinghe der zielen, die salmen den Kercken-Dienaer aensegghen, op datmen nae zijnen raet toe sie, wat hier in te doen staet.

28. Indien yemant heymelijck ghesondight hebbende, de vermaninghe van twee ofte drye persoonen niet en hoort, ofte die eene openbare sonde begaen heeft, die salmen voor de Consistorie brenghen.

29. Die sonden welcke van haer naetuere openbaer

|41|

zijn, ofte die der Ghemeente (om der verwerpinghe der vermaninghen wille) gheopenbaert werden, die salmen opentlijck versoenen, niet nae het ghevoelen der gantscher Consistorie, ende dat op sulcker wijse ende forme, welcke men achten sal tot opbouwinghe eener yegelijcker Ghemeente die alderbequaemste wesen.

30. Soo wie hartneckelijck die vermaeninghen der Consistorie verwerpen sal, dien salmen vander ghemeynschap des Nachtmaels afhouden, ende afghehouden zijnde, ist dat hy nae vele vermaninghen geen teecken van berou en bewijst, soo sal dit den voortgangh zijn der uytsluytinghe.

31. De Kercken-Dienaer sal den hartneckighen sondaer opentlijcken van den Predickstoel vermanen, hy sal zijn sonde duydelijck verclaren, ende wat naersticheyt men ghedaen heeft hem bestraffende ende vant Nachtmael afhoudende, hy sal de Ghemeente vermanen datse vyerighlijck voor desen onboetvaerdighen Sondaer bidde, eer dat die Ghemeente tot de laetste remedie der uytsluytinghe te comen ghedwonghen werde. Sulcke drie vermaningen salmen doen: In d’ eerste en sal de Sondaer niet ghenoemt worden, op datmen hem eenighsins verschoone: In de tweede salmen hem noemen: In de derde salmen der Ghemeente aensegghen, datmen excommuniceren ofte uytsluyten sal, ten zy dat hy sick bekeerde, opdat hy, ist dat hy hartneckigh blijft, door stilswijghende verwillinghe der Ghemeente, afgesneden werde. Maer aengaende den tijt hoe langhe d’een een vermaeninge nae d’ander geschieden sal, dat sal int oordeel ende goetduncken der Consistorie staen. Indien hy oock door dese naersticheyt der Dienaren tot bekeeringhe niet en can gebracht worden, soo sal eenes sulcken hartneckighen mensches verbanninghe ende afsnijdinge van den lichame Christi voor de Ghemeente vercondight worden. De Kercken-Dienaer sal ‘t ghebruyck ende ‘t eynde des Bans in ‘t breede verclaren, ende sal den ghelooviighen vermanen,

|42|

dat sy gheene alte ghemeensame ende onnoodighe conversatie ende gheselschap met den verbanneden hebben, maer zijn gheselschap schouwen tot dien eynde voornemelijck, op dat die verbande ofte uytgheslotene beschaemt zijnde, ernstelijck bedencke sick te bekeeren.

32. Die daer sware ende der Ghemeente Gods lasterlijcke sonden begaen hebben, ofte sulcke stucken die door die authoriteyt ende ‘t ghewelt der Overheydt behooren ghestraft te werden, hoe wel sy met woorden boetvaerdicheyt betuyghen, soo sullen sy nochtans vanden Nachtmale afghehouden werden. Doch, hoe dickwils dat geschieden sal, sulcx sal int oordeel der Consistorie staen.

33. Ist dat die Dienaers des Woorts, die Ouderlinghen, ofte Diaconen eenige openbare sonde die tot schande ende lasteringhe der Ghemeente streckt, ofte door de macht der Overheydt behoort ghestraft te werden: Soo sullen die Ouderlingen ende Diaconen door de authoriteyt der Consistorie terstont van haren dienst afgeset werden: Maer den Dienaren des Woorts salmen haren dienst voor een tijt lanck opsegghen, doch of mense ‘t eenmael van haeren dienst afsetten sal, daer van sal de vergaderinge des Classis oordeelen, met welckers oordeel, ist dat sy niet te vreden zijn, soo sullen sy haer beroepen opdien Provinciale ofte Lants-Synode.

34. Maer of die Dienaren des Woorts, ende die Ouderlinghen, ende Diaconen afgheset zijnde, nae dat sy de Kercke door hare boete voldaen hebben, wederom tot den dienst behooren toeghelaten te werden, waert datse wederom vercoren wierden: Soo veel d’Ouderlingen ende Diaconen aengaet, sal het in der Consistorie discretie ofte oordeel staen: maer soo veel als de Dienaren des Woorts belanght, sal die Classicale vergaderinghe oordeelen.

35. Die Kercken-Dienaren geboren uyt Nederlant, die sick in vreemder Kercken dienst begheven hebben, soo sy wederom van de Nederlantsche Kercken gheroepen

|43|

werden, sullen naerstigheyt doen datse die beroepinghe volghen, haren Kercken eenen seeckeren tijt bestemmende, in welcken sy haer met anderen Kercken-Dienaren voorsien moghen. Maer soo de uytlantsche Ghemeenten haer niet willen laten gaen, soo salmen die saeck betrecken tot andere Kercken, die niet suspect en zijn. Ende die sick noch aen niemant verbonden hebben, salmen vermanen datse hare vrijheyt behouden, op datse connen volghen, soose beroepen werden.

36. Men sal oock de Lidmaten der Kercke vermanen, die eenighes Kercken-Dienaers dienst in den tijt der vrijheyt ghebruyckt hebben, dat sy den selven met onderhout, soo hy ghebreck heeft, versorghen.

37. Die uyt deser verstroyinghe in eenigher Stadt ofte plaetse vergadert zijn, sullen etlijcke Studenten onderhouden, die aan hen verbonden sullen zijn, der welcker dienst, soo die ghenen diese onderhouden hebben, ontbeeren moghen, ende toelaten dat een andere Kercke de selve gantschelijck tot haer met verbindighe overneme, soo sullen sy die ghedaene oncosten wederom mogen eyschen, maer dat en sullen sy niet moghen doen, ist dat zijse alleen voor eenen tijt uyt lenen.

38. Daer is een Register beschreven der Kercken-Dienaren die nu geen dienst en hebben, item der ghener die tot den Kerckendienst bequaem zijn. Ende is uyt elcke Classe der ghener die hier zijn, eenen Kercken-Dienaer vercooren, die de Kercken-Dienaers zijnes Classis in den naem deser Synodale vergaderinghe vermanen sal, dat sy naerstelijck vernemen, of eenighe Kercken in haren Classe sonder Kercken-Dienaers zijn, ende soodanighe Kercken vermanen eenen Dienaer te beroepen, dat sy oock sommigen uit den register voorstellen, op dat met ghemeynen rade yemant beroepen werde.

39. Tot Emden zijn vercoren Dominicus Iulius, Cornelius Rhetius, Iohannes Arnoldi. Te Wesel, Iohannes

|44|

Lippius, Petrus Rijckius, Michaël Iordaens, op dat de Nederduytsche Kercken die gheen Dienaren hebben, weten datse aen dese Mannen schrijven sullen, ende op dat dese den Kercken eenige Dienaren in hare, ofte in de naest-gheleghene plaetsen woonende, aengheven.

40. Soo daer eenighe Kercke soo arm ende behoeftigh ware, dat sy den Dienaer welcken sy beroept niet onderhouden en conde, soo sal de Classe sulcx versorghen: ende sullen voor eerst sommighe naeburighe Kercken t’ samen gevoeght moghen werden; Daer beneven sullen de Dienaren der verstroyder Ghemeenten vermaent worden, dat sy de Litmaeten der Kercken tot bystant te doen aenporren: doch insonderheyt sullen sy die aenporren die uyt die selve Provincie oft Lantschap zijn, daer indie Kercke leyt, en de de Kercken-Dienaren sullen anderen in desen deele met haer exempel voorgaen.

41. Die Dienaren des Classis sullen in die plaetsen, daermen den dienst des Woorts niet sal connen oprechten, Lesers, Ouderlinghen ende Diaconen verordenen op dat alsoo de Kercken versaemelt moghen werden.

42. Die Dienaren ende Ouderlinghen der Classen die onder ‘t Cruys zijn, sullen in allen Steden ende Dorpen onder haren Classe, ofte daer omtrent gheleghen, naerstelijck ondersoecken ende vernemen nae den ghenen, die tot de reyne Religie gheneghen zijn, om de selve tot haren schuldighen plicht te vermanen: Derhalven sullen sy pooghen, Kercken, ofte ten minsten beginselen der Kercken te vergaederen; Ende om sulcx te beter na te comen, soo sullen de Classes, alle die naest-gheleghen Steden ende Dorpen onder haer verdeylen, op dat niet versuymt en werde. Die selve sorghe sullen die verstroyde Ghemeenten over die Steden ende ander by-legghende plaetsen draeghen, voornamelijck die wijt van den Classe ghelegen zijn. Die verstroyde gheloovighen sullen die Kercken-Dienaeren der Classen onder ‘t Cruys hier in helpen, hen

|45|

voorsichtelijck aenghevende die namen der ghener die sy weten dat tot de Religie gheneghen zijn gheweest in die plaetsen, daer sy uytgeworgen, ofte uyt gheweken zijn.

43. T’ is seer oorbaerlijck datter sulcke eene vereeninghe der Kercken zy, datse dickwils met onderlinghe Brieven malcanderen te kennen gheven, wat daer dienstelijck sal zijn tot de onderhoudinghe ende wasdom der Kercken int ghemeen, ofte oock sommigher int bysonder, ende dat sy voornamelyck van die Ketters, scheurmaeckers, huerlinghen, landt-loopers, ende andere soodanighe schaedelijcke menschen malcanderen verwittighen, op dat de Kercken sick voor soodanighen wachten connen.

44. Op datmen de sware belastingen der Kercken voorcome ende verlichte, welcke dagelijcx toenemen door de lichtvaerdicheyt der ghener die al te lichtelijck hare woonplaetsen veranderen, ende der ghener die onder ‘t dexel datse geloovigh ende behoeftigh zijn, d’ Aelmoessen, den huysghenoten des Gheloofs toecomende ende van nooden zijnde, onttrecken: Soo hebben wy voor raetsaem aenghesien, dat in allen ende yegelijcke Kercke vercondight werde, dat de ghenen die van daer vertrecken, voortaen niet en sullen als huysghenooten des Geloofs gheholpen werden in andere Ghemeenten, ten zy datse attestatie ofte ghetuyghenisse hebben, hoe sy sick te vooren in leere ende leven by de Ghemeynte van daer sy ghecomen zijn, ghedraeghen hebben.

45. De Dienaren sullen daer op letten, datse allen den ghenen die attestatie ofte ghetuyghenisse begheeren, vraghen uyt wat oorsaeck sy begheeren te vertrecken, ende bevindende d’oorsaeck des vertrecx niet genoeghsaem te zijn, den soodanighen attestatie weygheren. Die Dienaren ende Diaconen sullen oock toesien, datse niet te seer ghenegen zijn hare Kercken van de armen te ontlasten, met welcken sy andere Ghemeynten sonder eenighen noot beswaren. Ende soo wien sy attestatie geven, sullen haer naem, toe-naem, Vader-landt,

|46|

ende hant-werck in den Brief uyt-drucken, mitsgaders de oorsaeck hares vertrecx, ende hoe langhe sy in de Ghemeente verkeert hebben, hoese sick ghedragen hebben, wanneer sy van daer ghescheyden zijn, waerse henen gaen willen, ende andere dierghelijcke dinghen.

46. Den genen die vertrecken salmen soo veel geven, als men achten sal ghenoegh te wesen om tot de naeste Ghemeente, daer sy door passeeren sullen, te comen, doch hoe veel het zy, salmen op de attestatie teyckenen. T’ selve sullen oock andere Ghemeenten daer sy door-trekken, doen, yder nae zijne macht: sy sullen de attestatie besien, ende soo sy oprecht is, soo veel mede deelen, als noodigh is om tot de naest-legghende Gehmeente te comen, hoeveel sy geven, ende wanneer sy van haer vertrecken, sullen sy op de attestatie teyckenen. Alsoo sullen oock andere Ghemeynten haer draeghen, tot datse in die plaetse comen daer sy wesen willen, alwaer de overgheleverde attestatie sal ghescheurt werden.

47. Alle die nae de naest-comende maent Novembris, sonder eenighe ghetuyghenisse, ofte met gheen ghetuyghenisse nae dese forme beschreven, uyt de Ghemeynte vertrecken sullen, die sullen voor geen huysghenooten des Gheloofs, den welcke men, nae de leere Pauli, aldermeest behoort goet te doen, ghehouden worden. Soo daer nochtans eenighe comen uyt de Ghemeynten onder ‘t Cruys sittende, ofte uyt sulcke plaetsen daer gheen Kercken-dienst inghestelt en is, soo salmen die ondersoecken, ofse bidden ende reeckenschap hares Gheloofs gheven connen: item uyt wat oorsaeck sy vertrocken zijn, ende van dierghelijcke dingen meer, doch sal in de discretie der Diaconen staen, hoe veel men soodanighen tot onderstant sal gheven.

48. Men sal den Heer van S. Aldegonde bidden in den naem van deser Synodale verghaderinghe, dat hy een Historie der dinghen die in sommighe jaeren herwaerts gheschiet zijn, beschrijve: ende voornamelijck

|47|

van die dinghen, die de oprechtinghe der Kercken, de vervolginghe der selver, die afworpinghe ende wederoprechtinge der Beelden, de volstandicheyt der Martelaren, die grouwelijcke oordeelen Gods teghen de vervolghers, de veranderinghen der Politien, etc. betreffen.

49. Alle Kercken-Dienaren, mitsgaders alle andere die met haer hulp dit voornemen connen vorderen, sullen naerstelijck ondervraghen ende ondersoecken alles wat tot soodaenighen Historie dient, ende in gheschrifte oversenden aan yemandt der ghener die hier toe vercoren zijn, welcke dese dingen daer nae aen den Heer van S. Aldegonde ghetrouwelijck sullen overschrijven.

50. Ende zijn hier toe vercooren: tot Emden, Christophorus Becanus, ende Cornelius Rhetius: te Wesel, Pieter de Rijcke, ende Carolus Nielius: te Coelen, Adriaen van Conincksloo, ende Iohannes Regius: tot Aecken, Iohannes Christiani, ende Iohannes Heuckelom: tot Franckfort, den Heer van Bailleul, ende Sebastiaen Matte: tot Heydelbergh, Petrus Dathenus, ende Iohannes Taffinus: te Franckendael, Caspar van der Heyden, ende Petrus Anthonii: te Schonau, Fransciscus Iunius: te Sint Lamberts, Nicolaus Schoubrouck.

51. Niemant sla eenigh Boeck van hem selven, ofte van een ander ghemaeckt, waer in van de Religie ghehandelt wordt, doen ofte laeten drucken, ofte andersins int light brenghen, ten zy dat ‘t selve Boeck van den Kercken-Dienaren des Classis, ofte van de openbare Professoren der Theologie, die van onsen gheloove ofte confessie zijn, geëxamineert ende gheapprobeert zy.

52. In groote Ghemeenten salt oorbaerlijck zijn, datmen sommighen die hope geven, datse de Kercke Gods t’ eeniger tijdt sullen connen dienen, int besonder oeffene, int proponeren: ende op dat het ordentelijck gheschiede, sal een Kercken-Dienaer over die Actie presideren.

53. Deze Articulen de Wettelijcke ende behoorlijcke

|48|

ordre der Kercken betreffende, zijn alsoo met ghemeyn accoort ghestelt, datse, soo de nutticheydt der Kercken vereyschet, verandert, vermeerdert, ende vermindert moghen ende behooren te worden. Nochtans sal t’ gheen besondere Kercke vry staen sulcx te doen: maer alle Kercken sullen arbeyden deze te onderhouden, tot dat in een Synodale verghaderinghe anders besloten wort.

 

Tot EMBDEN den 13 Octobris
Anno onses Heeren 1571.

 

CASPAR VAN DER HEYDEN, Praeses Synodi.
IOHANNES POLYANDER, Scriba.

 

Aanhangsel op de voorige Synode, behelzende eenige particuliere Vraagen, mitsgaders eenige particuliere Statuten in dezelve beantwoord.1)

[1] Gehoord hebbende de klagten en het verzoek van beide de Kerken van Embden, hebben de Broeders des Synodi belooft, dat zy zoo haast als zij t’ huis gekoomen zullen zyn, bezorgen zullen, dat de Kerken van haare Classis aangedient en de weete gedaan werden, dat de Diakenen der Kerke van Embden, die geenen, die wettelyke getuigenisse haares voorgaanden vroomen en Godzaligen levens van de Kerke, uit welke zy gereist zyn, overgeeven zullen, als Geloofsgenooten bystaan zullen, den anderen Kerken door welke zy reizen zullen tot een exempel; maar die veel dagen of sommige maanden (gelyk het somtyds geschied) moeten stil op den Wind leggen wagtende, om naar Engeland te varen, nood hebbende, dat zy die voortaan


1) Van deze vragen volgen hier de voornaamsten. Die niet zijn opgenomen, zijn van geen algemeen belang te rekenen.

|49|

niet konnen bystaan, op dat niemand op eene ydele hoope vertrouwende, niet lichtelyk van de eene Plaatse, in de anderen vertrekke.

2. Op de eerst vrage van die van Keulen, of alle dingen met de H. Schrift bevestigt moeten worden? Zoo hebben de Broederen geantwoort, dat die dingen, welke de conscientie aangaan, met Gods Woort moeten bevestigt worden, maar die geene die de ordeninge der Kerken aangaan of middelmatig zyn, moeten tot zulk een noodzakelykheid niet gedreeven worden.

3. Op de tweede vrage van eene goede Nederlandsche overzetting des Bibels hebben de Broeders geagt dat men dit zal uitstellen tot den Generalem Synodum.

4. Op de derde en vierde vrage is geantwoort in den 51 en 52 Articul.

5. Op de vyfde vrage aangaande de handelingen des laatsten Synodi van Rochelle in Vrankryk, hebben de Broederen Datheno en Taffino opgelegt dat zy daar in voldoen.

6. Op de zesde vrage antwoort het 38. Articul van de beroepinge der Dienaren.

7. Op de zeevende vrage is aldus geantwoord, dat het geoorlooft is, in de Consistorien Getuigen voor te brengen en te hooren, en daar die niet en zyn, zal men in gewigtige zaaken den Eed afvorderen, doch niet gebiedender wyze, het welk alleen den Overheeden toekomt, maar vermanenderwyze, en door opwekkinge. En hoewel dat het geoorlooft zou zyn de openbaare forme te gebruiken die de Magistraat gemein is, zoo is het nogtans beeter, zig daarvan te onthouden en voor te stellen die ernstige wraake van God tegen de Meinëedige, en te begeeren dat elk de waarheid bekenne; dog is het allerraadzaamste dat men zelden Getuigen voorbrenge en den Eed afvrage.

8. Op de vrage van die van Keulen, van dien Man, diens Huisvrouw hem niet volgen wil? is geantwoort, dat de uitroeping door authoriteit der Overheid daar toe van nooden zy, daarom mag die Man in zulk eene

|50|

stad vertrekken, daar die Overheid haare hulpe en authoriteit daar tusschen stellen wil.

9. Op de tiende vrage der Broederen van Keulen of het toegelaaten is eens Papisten Kind te doopen, welke betuigt dat die forme des Doops, die in de Gereformeerde Kerken is, hun reiner dunkt te weezen, dan die welke in het Pausdom is gebruikt? is geantwoort, dat die hier in voldaan begeert te wezen, die neeme eene Copie van het geene de broeders van Geneve hier van geschreeven hebben.1)


1) Dit is die Copie des Artijckels van Geneuen dienende tot een andtwoorde op de voorss. 10 vraege der Broederen van Coelen.
Het beste ende alderseeckerste is geen kinderen tot den doop toe te laten oft t’ ontfangen, dan van welcken die Vaederen lidtmaeten des lichaems der Kercken sijn, ende voorwaer het is den Ordinaris Regule diemen in deser saecken behoort te gebruicken; nochtans om die te seer strengicheit te maetigen in deser saecken, soo moet men altijt hierop acht nemen, dat Godts verbondt sich strecket tot in het duijsenste geslachte, niet om alzoo ouerhoop allerleij kinderen diemen te doopen anbiedt t’ ontfangen, onder het decxel dat die voorouderen daer van, van ouer duijsent jaeren geleden Christenen geweest sijn, maer well om door goeden en behoorlicken middel, tot der Kercken wederom aen te nemen ende te voegen, t’ gene dat daervan vervrembt is geweest; maer nu sijn die middelen verscheiden ende menigerleij, nae dat die omstandicheden verscheiden ende menigerleij zijn: Want waert saecken dat Godt sijnen vervallen Kercken wederom belieffde op te richten, ende dat die Ordinaris bedieninge des doops (welcke heden s’ daeghs de vijanden der waerheijt misbruicken) wederom gestelt waere in handen vanden oprechten herderen, all waere het schoon dat veele lyeden noch soo haest niet gereformiert offt bekeert ende herboeren waeren, soo en soude men nochtans sulcker leyden kinderen (dien der Kercken toe koemen) vanden |51| doop niet moegen affsluijten: Want men en soude den seluigen niet alleene te kort doen, maar oock die gemeenschap der geloeuigen ende der beloften Godts. Dergelijcke Andtwoorde hebben wij aen die vanden Rijcke van Schotlandt gedaen, als sij ons advijs oeuer dese saecke begeert hebben. Item ter plaetzen daer die Kercke onder den Cruijce schuijlt oft affgesondert ende verborgen is: Indien daer die ouderen der kinderen noch soo swack ende bevreest zijn, als dat sij hun tot der gemeente niet en derren begeuen, Offt, noch rouw, ende ongeschickt zijnde hun niet buijgen en willen onder het jock Jesu Christi, ende daer en tusschen nochtans eenige van haere vrienden last ende macht geuen van haer lyeden kinderkens aen te bieden, om in aller behoorlicheit ende suijverheit gedoopt te worden, soo en is daer geen oorsaecke noch redene die verhinderen mach die selve kijnderkens angenoemen te wordene, behaluen dat die Peters ende Meters, oft die getuijgen des doops haer verbinden in desen haeren Ampte ende plicht hun seluen getrouwelicken te quijten, oock verseeckeren ende betoegen, dat sij van den ouderen voorss. volle last ende bewillinge hebben. van alsulcx te doene. Want dat is effen soo veele, als oft die Vaeders der vorseider kinderen, haer vaederlich Recht ende Actie te buijten gegaen ende ouergegeuen hadden in handen van den voorss. Peteren ende Meteren etc. Maer soo daer eenich persoen is, dien vanden Evangelio gansch niet en weet, ende daarin geheell onverstandich sij , soo en wilden wij alsulckes kindt eene niet raeden tot den doop aengenoemen te worden, sonder den seluen persoen te doen belouen eerst ende voor all, dat hij gedoegen sall, dat sijn kindt vanden Peters ende Meters t’ zijner tijt sall |52| onderweesen ende geleert worden inde suijvere leeringhe des Evangeliums, ende dat hij door sijne vaderlick auctoriteit oft vermoegen t’ zelve kindt nu noch nummermeer en sall dwingen oft daer toe brengen, dattet wederomme sall koemen ofte gebracht worden totte superstitia ofte auergeloeuicheden des Paussdoms, maer dat hij den seluen kinde veel meer sall vrijheit geuen tho leuen nae die leeringe des Evangeliums, daer het inne onderwesen is. Indien men in deser saecken den toom langer gaeue ende meer toe liete, soo soude d’ ambitio oft die vermeetenheit te seere regneren, ende daer soude veele verwoestinghe ende groote ongeschicktheit uijt volgen.

|51|

11. Op de elfde vrage van die van Keulen of men Gevaders zal moeten toelaten, dewelke, hoewel dat zy de reine Leere toestaan, zig nogtans niet tot de Gemeente begeeven? is aldus geantwoort, dewyl het den Broederen goedgedagt heeft het gebruik der Ghevaders vry te laaten in den Doop, dewelke in de

|52|

Kerken genoomen worden, op dat zy Getuigen zyn, dat het Kind gedoopt is, zoo zullen die geene, daar van gevraagt word, mogen toegelaaten worden; maar daar zy genoomen worden, op dat zy ook zorgen voor de onderwyzinge des Kinds, de zoodanige behooren Lidmaaten der Kerke te zyn.

11a. De Broeders van Aken en Keulen hebben gevraagt, of een Broeder die ongoddelyk leeft, na veele vermaaningen te vergeefse aan hem gedaan, moet afgesneeden worden, als hy de Kerke dreigt te verscheuren? is geantwoort, dat men dien uitsluiten zal, die anders naar Gods woort behoort uitgeslooten te worden, al is ‘t dat de Kerke te verstooren bedreigt word. Maar overmits dat de tyden der vermaaningen die opentlyk geschieden en de verkondiging der uitsluitinge in het oordeel der Kerke gelaaten zyn, zoo zullen de tyden der vermaaning ende uitsluiting mogen uitgesteld worden, alzoo dat men agt hebbe op de behoudenisse der Kerke, en dat ook de noodzakelyke uitsluitinge niet verzuimt worde.1)

12. Op de voorstelling van de broederen van Antwerpen


1) De nummering der artikels is in de war, waarom we dit art. noemen: 11a.

|53|

van den Kerken-Dienaren, die leedig zynde, en elders beroepen wordende, weigeren zulks aan te neemen, is aldus geantwoort, dat de Ministers die zonder dienst zyn, zoo zy van eenige Kerken geroepen zynde, weigeren te volgen, dat de Classische verzameling oordeelen zal, of men ze daar toe dringen of dryven zal.

13. Op der zelver vrage, of een geloovige Vrouw die met eenen ongeloovigen Man verbonden is, zou mogen zyn Kind, tegen zyn dank in de Gemeente ten Doop præsenteren? is geantwoort; dat het wel geoorlooft is, en behoort te geschieden, maar dewyl het mooglyk niet altyd profytig zoude weezen om de gestalte der Kerken, zoo zal het van nooden weezen, dat zy in deeze zwarigheid den raad der Consistorie begeeren zal, dewelkers bescheidentheid het zal toestaan hier in alzoo te handelen, dat men noch den vreesagtigen den toom niet te lang geeve, noch de conscientie door al te groote hardigheid niet en bezwaare.

14. Op de vrage von sommige Kerken, of het den Broederen toegelaaten is Koopmanschap te bedryven met andere Heeren Munte, dezelve te smelten, of te maaken dat zy gesmolten of erger gemaakt worden, of oorzaak daar toe gegeeven worde? is geantwoord, dat het wel is geoorlooft Koopmanschap te dryven, maar geld te verzamelen op dat het tot erger geld gesmolten worde, of anderzins geld te slaan of te doen slaan waar door den gemeene welvaart agterdeel en schade ontstaat, onaangezien dat dit door de oogluikinge der Magistraat dier Plaatse geschiede, dat het nogtans meer ongeregtigheid en der liefden vijand is, en daarom dien welke de reine Religie belyden, onbetaamelyk.

15. Op de voorstellinge der Broederen van Gent en Antwerpen is geantwoort, dat de Consistorie naar gevoegtheid der zonde, naar de grootheid der ergernisse, naar de feilen dikwils geschieden en vernieuwt worden, en naar de gestalte der Plaatze en andere omstandigheeden overleggen en met rypen raade oordeelen zal, of

|54|

iemand niet alleen van de Nagtmaale maar ook van de verzamelinge der Kerken onder het Cruis, zal gehouden worden, en zo daar iet meer of voorder vereischt word, zulks zal tot de Classiche verzameling uitgesteld worden.

16. De Broeders van Gent, vraagden of deeze zonde voor openbaar of heimelyk zou te houden zyn naamlyk in ‘t heimelyk parden of aflaat te haalen, by de Papisten te trouwen, de Kinderen daar te laaten doopen, in byzondere huizen voor den Burgemeester of iemant van de Overheid Jezum Christum te verloochenen, bij den Heiligen te zweeren, of iet anders? Deeze vrage, om dat er verscheidentlyk van gedisputeert en gesproken wierd, is uitgesteld tot eene andere Vergadering.

17. De vrage van die van Aken, van een Jongeling en Dienstmeid, stellen de Broederen uit tot vlytige onderzoekinge van alle de omstandigheeden deszelven handels, dewelke de Consistorie doen zal, en daar na der Classische Vergadering aanbrengen.

18. Op die vrage van de Walsche kerke van Antwerpen, wat dat men met eene Vrouwe doen zal dewelke zegt dat haar Man voor vyf of zes jaaren in den Kryg gestorven is, en kan nogtans zynen dood met geen gewisse kondschap bewyzen? is hier op geantwoort, dat hier in moet gebruikt worden het middel van uitroeping door de authoriteit van de Overigheid, dewelke zoo zy niet en kan verkrygen, zoo zal zy van de Overigheid begeeren, dat zy ordonneeren, hoe langedat zy nog zal moeten wagten. Indien zy geen van beiden verwerven kan, zoo zal zy haar in zulk een staat begeeven tot de hooge Overigheid, om haare hulpe en authoriteit daar tusschen te stellen.

19. Op die andere vreage van dezelve kerke van eene Weduwe, die een maand of twee maanden na haar Mans door begeerde te trouwen? is geantwoort dat de Consistorie niet vermag noch behoord zeekeren tyd te beschryven, dewyle den Apostel Paulus toelaat de Weduwen

|55|

te hertrouwen zonder zeekeren tijd te bestemmen, nochtans zo eischt de eerbaarheid dat zy haar tot den tweeden Huwelyke niet en begeeve voor vier of vyf maarden, en zoo zy bevrugt gebleeven ware niet voor omtrent twee maanden na het Kinderbaren.

20. Op de derde vrage van dezelve Kerke van der geene die om eene groote zonde van den Nachtmaale afgehouden zynde, eene Huisvrouwe in der Gemeente trouwen wilde, eer dat hy zyn schuld van de zonde opentlyk bekend heeft? is geantwoort dat men die Kerkelijke vermaaning tegens hem gebruiken zal; zoo hy hem bekeert, zoo zal men hem toelaaten; zoo niet, zoo zal men de Vrouwe vermaanen, dat zy niet trouwe met eenen Man, die met groote en openbaare zonde besmet is, en die een Veragter der Gemeente is, hem die van dezelve afgehouden en uitgeslooten word.

21. Daar is gevraagd in hoe veelsten graad der Maagschap en Bloedvriendschap het Huwelyk verbooden is? en is geantwoort, dat het allerbeste is, voornamelyk daar de Overigheid ongeloovig is, de Wetten en Ordonnentien van die Plaatze na te volgen, aangezien zulkis zonder God te vertoornen geschieden kan, op dat het Huwelijk tegen zoodanige gedaan, van der Overigheid niet voor nietig verklaart en worde, en de Kinderen voor onwettig, en het goed en have niet op een ander vervreemde, en dierlyke dingen daar uit niet ontstaan.

22. Op de vrage van dien Minister, die eene kettersche huisvrouwe heeft, van die van Aken voorgesteld, is geantwoort, dewyle dat hy in den Kerkedienst ingesteld is, zoo zal er naarstige onderzoekinge geschieden van den Consistorie, wat vlyt en moeyte hy gedaan heeft, zoo wel met een heiligen wandel als met geduurige vermaaninge uit Gods woord, op dat hy zyne Huisvrouwe Jezu Christo wonne; maar zoo hy onagtzaam bevonden word in zyn plicht, zoo zal hy met het oordeel en authoriteit der Consistorie opgeschort of opgehouden worden van zynen Dienst; en zoo de Consistorie al te

|56|

zagt en te slap hier inne handele, zoo zal door het oordeel eeniger Broederen der Kerke de zaake van de onagtzaamheid en het oordeel der Consistorie tot de Classis beroepen en betrokken moge worden.

23. De Synodus Generalis zal te samen geroepen worden ter naaster Lente zoo verre de Kerken van Engeland verklaaren, dat zy daar eenige zenden willen en konnen, alwaar 't ook dat zy niet alle daar in verwilligden, maar indien niet, zoo zal de Synodus uitgestelt worden tot den andere toekoomende Lente des jaars 1573.

24. De Classis van de Paltz is bestemt om den Synodum Generalem te beroepen.

 

Cap. II. Eenige Statuten van de Classische Verzamelingen.

1. In de Classische Verzamelingen zal een van de Ministers een predicatie doen, van dewelke die andere Meede-Dienaars, by een verzamelt, zullen oordeelen, en zoo daar iets is te verbeeteren, dan zullen zy te kennen geeven, het zelve zullen ook alle andere, elk in zyne ordening, doen, in de naastvolgende Classische Verzamelingen.

2. Daar na zal de Præsident met de gemeene keurstemmen der Dienaren verkoren worden; na dat dezelve het gebed zal gedaan hebben, zal hy elk in 't byzonder vragen, of zy Consistoriale samenkomsten in haare Kerken houden? of die Kerkelyke straffe in haaren zwang gaat? of zy eenigen stryd hebben met eenige Ketters? of zy eenigen twyffel hebben in eenig hoofdstuk der Leere? of men zorge draagt voor de Armen, en over de Schoolen? of zy tot regeering der Kerken der andere Dienaren raad en hulpe behoeven, en diergelyke dingen meer.

3. Zoo daar iet in eenige Kerke des Classis geschiede, dat daar niet in de consistorie konde ter neder gelegt worden, dat zal in de Classische samenkomsten

|57|

verhandelt en geoordeelt worden, van den welke men zig tot den Provincialen Synodum zal mogen beroepen.

4. Voorts in de Classische Verzamelingen zullen verhandelt worden die dingen, die den Kerken van de Classis betreffen.

5. Dit gedaan zynde zal de Præsident een ofte meer quaestiën van de hoofdstukken, daar in dat tusschen ons en de Papisten verschil is voordraagen, om alzoo ondertusschen malkanderen te scherpen, en tot studeeren op te wekken.

6. In de Classische Verzamelinge dewelke den Provincialen Synodum allernaast voorgaat, zullen verkooren worden, die men tot den Provincialen Synodum, uit de naam van de Classis afveerdigen wil.

7. Uit elke Classis zullen gezonden worden twee Dienaars, met zoo veel Ouderlingen of Diakenen, of immers een Dienaar met een Ouderling of Diaken.

8. Eer dat men de poincten, die men in den Provincialen Synodo wil voorstellen, beschryft, zoo is het raadzaam dat die Acta of Handelingen en Inzettingen of Ordonnantiën der voorgaande Synode vlytiglyk overleezen worden, op dat in den Provincialen Synodo, en inzonderheid in den Algemeenen Synodo, die dingen welke te vooren, met gemeene bewilliging verhandelt en beslooten geweest zyn, niet wederom van nieus voorgesteld worden, ten ware dat daar eene nieuwe oorzaake van twyffelen voorviele van het geene dat te voren verhandelt is geweest.

9. Ten lesten, de naastvolgende tijd en plaatse der samenkomste zal bestemt worden, en men zal God danken, het welke de Praesident doen zal.

 

Cap. III. Van den Provincialen Synode.

1. Die geene die tot den Provincialen Synodum

|58|

gezonden zullen worden, zullen meede brengen Brieven van haare zendinge, mitsgaders de puncten schriftelyk vervat, die zy voorstellen zullen; zy en zullen ook geene andere stellen, dan die in de Consistorien en Classische samenkomsten niet hebben konnen uitgevoert worden, ofte zoodanige, die allen de Kerken dier Provincie aangaan, op dat de Provinciale samenkomsten met onnodige vraagstukken niet verlengt en worden.

2. Als zy dan alzoo vergadert zyn, zoo zal de Dienaar der Plaatse, ofte zoo daar geen is, die in de laatste verzameling gepræsideert heeft, het gebedt doen, om eenen Præsident en eenen Hulper, en eenen Schryver teverkiezen.

3. De Præsident verkooren zijnde, zal een gebedt doen, tot den gantschen handel dienende; daar na zal hy verschaffen, dat de naamen der geene die tegenwoordig zyn, aangeteekent worden, desgelyks de naamen der Afwezende of der Absenten op dat ze de oorzaake haares afwezens verklaaren; dan zal by de Brieven of Getuigenissen van haare afzendinge afvorderen op datze geleezen worden, desgelyks haar Bevelschriften met elks onderteekening en verzeegelinge, dewelke hy elk byzonder ordentelyk voorstellen zal, en der gansche verzamelinge oordeel, daar op behoorende, en die keurstemmen verzamelen, met verklaringe welke het gevoelen zy van den meesten en van den besten deele; het zelve zal de Schryver schriftelyk vervatten, en vervat hebbende klaarlyk leezen, op dat het met gemeene bewilliging bestendigt worde.

4. De dingen, die de Leere aangaan, zullen eerst daar na, die dewelke den Kerkelyken Regimente behooren, geleezen en onderscheidentlyk in schrift gestelt worden, daar na die byzondere Handelingen.

5. Het ampt des Præsidents is, te beveelen, dat een ieder in zyne order spreeke; den Bitteren en Twistgeerigen zal hy gebieden te zwygen, en het en zy dat ze zwygen, dat men ze gebiede uit de Vergadering af

|59|

te treeden, op dat ze naar der Broederen oordeel gestraft worden, naar dat zy verdient hebben.

6. Des Præsidents ampt neemt een einde met het einde des Synodi, en het zal vrystaan den naasten Provincialen Synodo, ofte denzelven, ofte eenen anderen Præsident te verkiezen.

7. De Ouderlingen ofte Diaconen, die tot deeze Verzamelingen gezonden worden, zullen in alle sessien of zittingen, misgaders de Ministers haarer Kerken haare stemmen geeven, maar uit den Ouderlingen, van die Plaatse in welken dat men te zamen komt zullen alleen twee stemmen kragt hebben, hoewel, dat het ook den anderen Ouderlingen daar by te zyn en haar gevoelen te zeggen toegelaaten is.

8. De Præsident zal alle Zittingen beginner met den gebeden, en besluiten met der dankzegginge.

9. Alle de in schrift gestelde en beslootene Artikelen zullen wederom geleezen worden, op dat zy van yeder voor goed gehouden en onderschreeven worden, en een ygelyk zal een Copie derzelver van den Præsident en Schryver ligten, op datze in de Consistorie van elke Kerke geleezen worde.

10. Daar zal eene Kerke door gemeene bewilliging der gantsche Provinciale Verzameling verkooren worden, dewelke met het oordeel van andere Dienaren van haare Classen toevertrouwt worde de magt en zorge van den tyd en Plaatse des naasten Provincialen Synodi toe te stemmen.

11. Aan deeze Kerke zullen alle zwaare zaaken die in andere Kerken voorvallen, ofte die in de Consistorien of Classische samenkomsten niet hebben konnen afgehandelt worden, of zoodanige zwaare zaaken die de gantsche Provincie aanraaken, neerstelyk, en by tyds moeten gezonden worden.

12. Deeze Kerke zal den anderen Kerken den tyd en plaatse des naasten Provincialen Synodi drie maanden te vooren laten weeten, en zal met eenen over-zenden de Copie of het Afschrift van alle de Hoofd-Artikelen

|60|

derzelver, dewelke aan haar gezonden zyn geweest, van dewelke een ygelyke Kerke by tyds mag bedenken, en hun oordeel in de Classische Verzamelingen voortbrengen, op dat die welke van wegens de Classis zullen uitgezonden worden, met voorbedagten oordeel, en wat van alle de Kerken van die Classis daar van gevoelt word, mogen voortbrengen.

13. Op dat nogtans de Kerke die de last opgelegt word van tyd en plaatse des naasten Provincialen Synodi toe te stemmen, niet tot elken Kerke van alle Classen dier Provincien schryven, en zoo meer dan behoorlyk overlast words, zoo zal in elke Classis een Kerke verordineert zyn, aan welken dat zy schryven zal, op dat dezelve zulks als zy het ontfangt, den Dienaren van haare Classis te weeten doe.

14. De geene die tot den Synodum gezonden worden, zullen daartoe komen uit gemeinen last en koste van ieder Classis.

15. Na dat de Synode zal voleindigt zyn, zoo zal men dat Heilig Avondmaal gebruiken onder de Ministers en Ouderlingen, die tot den Synodum gekomen zyn, met den Volke dier Plaatse daar de Synodus gehouden is, zoo verre als het de bekwaamheid der Plaatse lyden kan.

16. De Kerke daar de Synodus gehouden word, die zal bezorgen, dat zy ter naaste Synodale Verzameling die Handelingen en Ordinantiën des voorgeschreeven Synodi of brengen of zenden zal.

 

Cap. IV. Van den Generalen Synodus.

Hetzelve dat voorschreeven is, zal ook in den Algemeenen Synodo onderhouden worden, tot welken koomen zullen Kerken-Dienaars en Ouderlingen niet van de Classen, maar van de Provincien verordineert met Getuigenissen en Brieven en Beveelen aantreffende de Leere, het Kerkregiment en byzondere zaaken, die in de Provinciale t' samenkomsten niet hebben konnen

|61|

uitgevoert ofte geëindigt worden, of die allen Kerken betreffen en aangaan.

 

Onderteyckeninghe tot Embden. Anno 1571.

 

Casparus Heydenus, minister Franckendalensis Ecclesiae.
Ioannes Taffinus, Heidelkergensis Ecclesiae Gallicae minister e.a.

Biesterveld, P./Kuyper, H.H. (1905) Dordrecht 1574

|62|

De Kerkenordening van de Synode van Dordrecht 1574 met de Particuliere vragen

 

Kerkenordening
opgesteld uit de
„Acta des Synodi Provinciali, ghehouden den 15 Junii Ao. 1574 te Dordrecht”.

 

Van de Leer

I.

Wordt voor goet aenghesien dat in allen Consistorien ofte ten minsten in allen Classen eene copie vande Confessie ende Articulis Sijnodi bewaert worde.

II.

De versamelinghe heeft besloten datmen eenerleij Catechismum in allen Kercken der Prouincie houden sal.
Ten anderden dat dit sal wesen de Heidelbergsche Catechismus.
Ten derden datmen desen Catechismum alleen opentlicken sal leeren, ende dat de Dienaers in het besonder t’ cort Ondersoeck den sommighen voorhouden mueghen.

III.

De broeders achten dat tot wtroeijinghe der valscher leeringhe ende dwalingen die door het desen der ketterischen boecken meer en de meer toenemen, dese nauolghende middelen gheuolcht behooren te worden. Ten eersten sullen de Dienaers vanden predickstoel

|63|

t’ volk tot de lesinghe der Bibelsche Schriftuijre vermanen ende vanden onghezonden ketterischen boecken afmanen, doch de namen der boecken spaerlick noemende. Ten tweeden sullen die boeckuercoopers der reijne leere toeghedaen vanden Dienaeren vermaent worden, datse sulcke boecken niet en drucken noch vercoopen. Ten derden sullen de Dienaers inde huijsbezoekinghen der lidtmaten der Ghemeijnte besien of in haren huijsen eenighe schadelicke boecken sijn, op datse haer vermaenen mueghen sulcke boeken wech te doen.

 

Van den Kerkeraad

IV.

Tot verklaringhe des 6 artikels des Embdtschen Sijnodi, soo sullen de Dienaers des Woordts, OuderIinghen ende Diakenen de Consistorie maecken, Alsoo, dat de Dienaren ende Ouderlingen alleen onder hen versamelen sullen, oock de Diaconen bijsonder, orn hare eijghen saecken die d’ armen aengaen te verhandelen. Doch in plaetsen daer weinich Ouderlinghen sijn sullen de Diakenen toeghelaten mueghen worden na de begheerte der Consistorie. Ende de Diaconen sullen ghehouden worden te verschijuen, wanneer se in de Consistorie beroepen worden.

V.

De Dienaer ende Ouderlinghen sullen wel voor hen sien datse niet en handelen inden Consistorien, Classen ende Sijnoden, dan t' ghene dat Kerkelick is. Maer die dinghen, die ten deel Kerckelick, den deel politisch sijn, alsoo daer veel dinghen in huwelixen saacken vooruallen, soo daer eenighe swaricheijt in voor valt, soo sullen sij aen het oordeel ende autoriteijt der Ouerheijt aensoecken.

|64|

VI.

In een ieghelick Consistorie sat een boeck wesen waerinne neerstelick ende ghetrouwelick opgheteijkent sal worden wat tot de regieringhe der Kercke dient, ’t welck alles geschreuen sijnde t’ elcke mael sal herlesen worden, of daer iet af of toe te doen ware, Ende men sal inde naestuolghende versamelinghe lesen wat inde leste besloten is.

VII.

Item men sal een boeck in alle Ghemeijnten hebben, daer in men teijckenen sal de namen der kinder die gheboren ende ghedoopt worden, met den namen der ouderen ende ghetuijghen. Item der gheenen die men trowt ende diemen tot lidtmaten der Ghemeijnte op neemt.
Oock sal een ieghelick Dienaer opteijckenen de namen, der lidtmaten die afsteruen, ende die Oeuericheijt bidden datse den graefmaeckeren ofte den gheenen die last daer van hebben beueelen boeck te houden van allen den gheenen die afsteruen, op datmen altijdts als het noot doet, vereijsschen can wie daer ghestorven is.

VIII.

Is besloten dat de beroepene Dienaren des Woordts oordentlicken bij ghebeurten inden Consistorio presideeren sullen.

 

Van de Classen

IX.

[geeft alleen de verdeeling der classen voor dien tijd.]

|65|

X.

Aengaende den tijdt der Classische versamelinghe, is besloten dat de Classen alle maenden versamelen sullen, wtghenomen Dort ende ter Gouw die alle twee maenden tsamen sullen comen, tot datse op hetseluen gheset worden. Sullen doch de Dienaers van allen Classen ghehouden sijn bij een te comen telcken datse om eenighe nootsaecken beroepen worden.

XI.

Men sal de Classische versamelinghen op verscheiden plaetsen d'een na d'ander houden, ende het sal der Classe toestaen eerse scheijt t’ elcken de plaetse der naestcomende versamelinghe te benamen.

 

Van de Dienaren des Woords

XII.

Om die confusie ende verwerringhe te vermijden die wt de verkiesinghe des ghemeijnen Volx ontstaen mochte, hebben de broeders besloten dat de Dienaers des Woordts vander Consistorie der plaetse daer sij dienen sullen beroepen worden, doch alsoo dat het gheschiede met aduijs der Classische versamelinghe, ende datse alsoo der Ghemeijnte voorghestelt worden, na wtwijsen des 13 Embdtscben artikels.

XIII.

De Dienaers sullen opentlicken inder Classische versamelinghe gheexamineert worden.

|66|

XIV.

Op de voorstellinghe watmen met den Dienaren doen sal die nu inden Dienst sijnde noch niet gheexamineert noch wettelicke beroepen noch ghesonden en sijn, R. De Classe salse examineeren als ofse noch nooit ghedient en hadden. Ende in val datse onbequaem beuonden worden in leere ofte leuen, soo salmense van haren Dienste suspendeeren tot datse bequaem don. Ende soo sij bequaem sijn, of in hun eenighe hoope van bequaemheijt ghespuert wordt, soo salmen hun met voorgaende behoorlicke correctio van hare voorighe ongheschickheijt ende lichtueerdicheijt op eenighen text der Schriftuijre een predick laten doen, de confessie ende articulen doen onderschrijuen, inde ghehoorsaemheijt ende t’samencoomste der Classe verbinden, door een vande Ministers der Classe laten presenteeren, ende een forme van Consistorie inder Ghemeijnte stellen daermense ghebruijcken wil.

XV.

De Dienaren des Woordts die vrij sijn sullen henseluen inden dienst der Kercke gheroepen sijnde verbinden. Die elders verbonden sijn sullen daer van bijden Classen ghewisse reden laten blijcken, welcke oordeelen sal of de oorsaecken ghewichtich ghenoech sijn om in anderer Kercken dienst te treeden.

XVI.

Op de 16 propositie van Delf is besloten dat gheen Dienaer wt de Classe daer hij in is vertrecken en mach in eene andere Kercke, sonder eerst van sijner Classe oorlof vercreghen te hebben, op dat hij niet alleen van sijner Kercke, maer oock vander Classe schritelick bescheijt brenghe. Doch dat de Classen

|67|

wederomme den Dienaren met behoorlick onderhoudt ende andersins versorghen. (*)

XVII.

Gheen Minister wt anderen Kercken comende sal aenghenomen worden sonder ghetuijghenisse te brenghen vander Classe ende Consistorie van daer hij coomt, of daer gheen Classe ofte oordentlicke Consistorie en is, van gheloofweerdighe Ministers ende anderen personen, van welcke attestatie de Classe ende Kercke, oordeelen sal, of se ghenoegsaem is.

XVIII.

De broeders hebben voor goet aenghesien datmen neerstelicke te boecke stellen sal den afscheijdt ende ghetuijghenisse der Dienaren die vertrecken, Maer aengaende d'andere lidtmaten, dier namen ende tijdt des vertreckens mitsgaders d' oorsaecken (na datmen vindt datter veel aen gheleghen is) sal men opteijckenen.

XIX.

Die buijten de oordeninghe der Kercke sich inden Kerckendienst indringhen, sullen vander Classe eens twee of meermael gheroepen ende vermaent worden datse reden haers doens gheuen. Ende ist datse dit hartneckelick weijgheren te doen, soo sullen sij verclaert worden Schismatici ende loopers te wesen, ende haer naemen sullen den anderen Classibus te kennen ghegheuen worden. Doch indien sij sich beclaeghden dat hun onghelijck gheschiede, soo sullen sij sich op den


(*) Nog komt elders in de Acte deze bepaling voor:
Teghen die Dienaren die lichtueerdelicken in andere Kercken sonder wil ende weten der Classe vertrecken, sal men de kerckelicke censure ghebruijcken.

|68|

Sijnodum Prouincialem beroepen mueghen. Hier en tusschen sal mijn heer de Prince ghebeden worden dat hij den officieren der plaetsen ghebiede dat sij niemandt toe en laten te predicken dan die ghetuijghenisse hebben van haren Classe etc.

XX.

Die Monicken ende Papen geweest sijn, ende sich tot den Kerckendienst begheeren te begheuen, salmen niet toelaten dan vander Classe gheexamineert, na deser preuue, Ten eersten datse de leere des pausdoms versaecken, ten tweeden datse haer vocatie versaecken, ten derden datse wel gheoeffent ende doorsocht sijn door ootmoedicheijt ende patientie, ten vierden datse een gaue van wel te leeren hebben, ten vijfden datse de rechte leere bekennen ende sich der Discipline onderwerpen.

XXI.

Aengaende de propositie, Ofmen die gheene die niet ghestudeert en hebben, ende nochtans goet verstandt hebbende begheerich sijn hun tot eenighen Kerckendienst te begheuen, toelaten sal te proponeeren, Is besloten datmen die alleen toelaten sal inden welcken alle deze dinghen beuonden en worden, Ten eersten godtsalicheijt ende ootmoedicheijt, Ten tweeden, gaue van welspreeckenheijt, Ten derden, goet verstandt ende discretie.

 

Van de Scholen

XXII.

Van den scholen is besloten dat Ten eersten de Ministri van allen Classen sorch draghen sullen op welcken plaetsen schoolen behoeuen te wesen.

|69|

2. Of de schoolmr. der plaetse daermen van handelt voortijdts een openbaer ende ordinaris stipendium ghegheuen is.
3. Sullen sij vande Magistraet begheeren, dat het hun gheoorloft sij, een schoolmr. te setten, ende dat de Magistraet t’ stipendium beuele te betalen twelck eertijds betaelt plach te worden.
4. De Ministri sullen verschaffen dat de Schoolmrs. de belijdinghe des gheloofs onderschrijuen, ende sich der Discipline onderwerpen, oock mede den Catechismum ende andere dinghen die der ieucht nut sijn leeren.
5. Ende soo daer eenighe Schoolmrs. waren die dit niet doen en wilden sullen de Ministers hare Ouerheijt bidden, dat se gheweert ofte afghesettet worden.
6. Soo de Dienaers iet van desen verhaelden dinghen vander Ouerheijt niet vercrijghen en conden, Soo sullen sij het der hooghe Ouerheijt bij requeste vercladeren ende de saecke voortdrijuen.

 

Van de verkiezing en bevestiging der Dienaren des Woords, der Ouderlingen en der Diakenen

XXIII.

Aengaende t’ vasten ende bidden omtrent de verkiesinghe der Dienaren is besloten dat wanneermen handelt van eenen seeckeren Dienaer des woordts te verkiesen die der Kercke Godts van te vooren ghetrouwelick ghedient heeft, datmen niet en sal behoeuen eenich vasten te houden. Maer wanneermen vergaderen sal om te besien wie te verkiesen sij, soo salmen de lidtmaten der Ghemeijnte tot huijsvasten ende bidden vermanen, het welcke niet soo naw en sal behoeuen onderhouden te worden inde verkiesinghe der Ouderlinghen ende Diaconen.

XXIV.

Ouermidts d’oplegghinghe der handen in deser ionckheijt der Kercke tot superstitie ghetoghen ende sommigher

|70|

bespottinghe onderworpen soude mueghen wesen, hebben de broeders besloten datmen deselue alsnoch onderweghen laten sal, ende de Dienaers alleen Gode ende der Ghemeynte beuelen, als hierna volcht.

XXV.

Is besloten, datmen de Dienaers, die elders inden Dienst gheweest sijn, ende van nu voortaen nieuwelick inder Kercke aenghenomen sullen worden, Gode met den ghebede ende der Ghemeijnte met eener cleijne vermaninghe na d’onderlinghe stipulatie beueelen sal, ghelijck alsmen oock dien sal doen die nu eerst in den Dienst opghenomen worden, inden welcken doch een breeder vermaninghe ende stipulatie voor gaen sal.1)

XXVII.

Aengaende t’ verkiesen der Ouderlinghen ende Diaconen, dat sal gheschieden na het wtwijsen des 14 Artikels der Embdtsche versamelinghe, dat namelick de Consistorie t’ recht der verkiesinghe hebben sal.

XXVIII.

De Consistorie sal dubbel ghetal der Ouderlinghen ende Diaconen der Ghemeijnte voorstellen de welcke de helft daer wt sal kiesen.


1) Art 26 is niet in de Acta te vinden. In de gewone uitgave is daarvoor in de plaats gesteld de vraag, die in het begin van de Synode is gedaan: “Op de vraghe of de Kerckendienaeren in hare Kercken Ouderlinghen ende Diakenen hebben die wettelicke vercoren sijn, is gheantwoort, Ja.”

|71|

XXIX.

In den plaetsen daer de Christelicke Ghemeijnte gheen ghemeijnschap hebben en mach met de gasthuys, H. Gheijst ende andere arme goederen, maer alleijn d’aelmoessen vergaderen ende wtgheuen, die inder Kercke ofte andersins hun ghegheuen worden, daer salmen bijde oordentlicke verkiesinghe der Diaconen hier bouen verhaelt blijuen. Maer daer de Magistraet haer inde ghemeijnschap der voorghemelde goederen toelaten wil, daer sal de Consistorie dobbel ghetal van Diaconen kiesen, ende daer na t’ selue der Ghemeijnte voorstellen. Ende soo verre de Ghemeijnte die selue alle voor goet houdt, soo salmen de voorschreuen mannen der Ouerheijt voorstellen, om daer wt de helft te verkiesen, ende alsoo sullense vercoren blijuen. Maer daermen die eerste maniere van verkiesinghe euen wel hebben can, salmen de selue als die bequaemste volghen.

XXX.

Men sal oock d’Ouderlinghen en Diaconen met afeijsschinge der ghetrouwicheijt ende ghebede tot Godt in haren dienste beuestighen, na de forme ghelijck als bouen vanden Dienaren verhaelt is.

XXXI.

Der vercooren Dienaeren half deel sal alle iaers verandert worden na wtwijsen der 15 artijckels.

XXXII.

De Ouderlinghen ende Diaconen in haren dienste gheconfirmeert sijnde, sullen de belijdinghe ende articulen der Discipline onderschrijuen.

|72|

 

Van het ambt der Diakenen

XXXIII.

De Diaconen sullen alle weecken op henseluen vergaderen om rijpelick van der armen saecken te spreecken.

XXXIV.

Aengaende d’ wtdeijlinge der aelmoessen, wien ende hoe veel, dat sal staen aende discretie der Diaconen, die tot dien eijnde hare versamelinghen houden datse niet en doen sonder malcanders aduijs in oordinaerlicken saecken. Ende in ghewichtighen saecken sal het welstaen datse den raet der Consistorie ghebruijcken.

XXXV.

Het sal oock der Diaconen ampt sijn t’ ghelt der armen selue wt te gheuen, ende niet door een ander.

XXXVI.

Is besloten dat inden plaetsen daer de Diaconen alleen die aelmoessen hebben diese versamelen, voor de Consistorie hare rekeninghe allen maenden doen sullen. Maer daerse ghemeijnschap hebben met de H. Gheest ende andere arme goederen, daar sullen sij de reeckeninghe doen voor die de Ouericheijt daer toe beneuen sommighe der Consistorie verordineeren sal. Ende dit salmen telcken der Ghemeijnte voordraghen, opdat een ieghelick die wil sich bijde reeckeninghe vinden mach.

 

Ordonnantiën omtrent den Dienst des Woords

XXXVII.

Men sal de predicatie beghinnen van desen woorden na t’ ghesang des Psalms, Onse hulpe sij inden naem des Heeren etc. Item de predicatie besluijten met den seghen Num. 6.

|73|

XXXVIII.

De Dienaers sijn vermaent haer toehoorders met te langhen predicken niet te beswaren, ende haer predicatien boven d’wre soo veel meughelick is, niet te vertrecken.

XXXIX.

De Sondaechsche Euangelien diemen int pausdom pleech te ghebruijcken, en sullen niet ghepredickt worden, Dan men sal een boeck der H. Schriftuijre oordentlick na malcanderen wtlegghen, Op dat de predicatien door te veel text niet te langh en vallen, t’ volck van den misverstande afghetoghen ende tot den rechten verstande der gheheeler schrift bequamelicker ghebrocht worde.

XL.

Aengaende de materie der predicatien, is goet gheuonden datmen aller meest wt t’Nieuwe testament t’ volck leeren sal. Het sal oock wel inde vrijheijt der Dienaren staen wt den Ouden testamente te predicken met raet ende aduijse des Consistorii.

XLI.

Is besloten dat na het ghebet voor de predicatie, dat ghesangh O Godt die onsen Vader bist etc. den Dienaren vrij sal staen te houden of te laten.

XLII.

Alle Dienaren sullen eenerleij forme van opentlicke Kerckghebeden ghebruijcken, doch datse cortelick ende wijsselick daer inne voeghen dat de teghenwoordighe noodt eijsschen sal, als voor speciale personen der Ouerheijden, voor eenighe crancken etc. Ende dit sullen sijn de ghebeden inden Catechismo veruatet. Ende ouermidts

|74|

t’alghemein ghebet t’Sondaechs na de predicatie te langh is, twelck op vast ende bidtdaghen bequamlick ghebruijckt can worden, Soo is den Praesidi belastet dat hij een corte dancksegghinghe begrijpe, diemen gebruijcken sal mueghen tot deze woorden toe Ende ouermits het v behaecht etc.

XLIII.

Op het voorstellen, Of het nut ware datmen beneffens den Psalmen Dauids ghedichtet door Dathenum enighe andere gheestelicke liedekens ende psalmen van anderen gheleerden luijden ghemaeckt inden Kercken ghebruijckte, Is vanden broederen besloten dat men met den Psalmen Datheni mitsgaders t’ gunt datter bij is te vreden sal wesen, tot dat inden Sijnodo generali anders besloten sal sijn.

XLIV.

Men sal t’ Sondaechs na het tweede ghebet der voormiddaegsche predicatie dese woorden aenhanghen, Wilt ons oock stercken inden waren ghelooue daer van wij etc. met den articulen des gheloofs. Ende voor den Catechismi predick, na het ghebet de 10 gheboden verhalen na den text, Ex. 20 ende Deuter. 5. Maer in den weeckpredicken en salmen gheen van beide lesen. 

XLV.

Men sal Sondaechs smorgens ende snamiddachs int vergaderen des volx den Ghemeijnten vrij laten te lesen beneffens t’ Psalmsinghen, of alleen te singhen, Doch daermen leest, salmen alleen de Canonijcke boecken opentlicke den volcke voorlesen, ende soodane als de Consistorie oordeelen sal der Ghemeijnte stichtelickste te weesen. Doch datmen toe sie van lesen ende singhen op te houden teghen d’wre.

|75|

XLVI.

Den Dienaeren is vrij ghestelt voor ofte na de predicatie de afgheroepene personen te trouwen.

XLVII.

De Classen sullen van haren Ouerheijden begheeren, datse het coopen, vercoopen, drincken, arbeijden, wandelen etc., insonderheijt des Sondaechs te wijle men predickt verbieden willen. In welcke saecke soo daer eenighe Ouerheijden sich onwillich bewijsen, soo sal mijn Heer de Prince mueghen ghebeden worden dat hij de Ouericheijden tot dien ampte vermane, om sich na ’t exempel der ghenen die sulx alreede in t’ werck ghestelt hebben te schicken.

XLVIII.

De Dienaers sullen d’ Ouerheijden bidden, datse de prophane ende werltlicke wtroepinghen, van coopinghen, vercoopinghen, verloren goet etc. inder Kercke, afsetten willen.

XLIX.

Hoewel het staen voor den deuren der Kercke om de aelmoessen te versamelen het allervoechelixte ende bequamste is, Soo is nochtans besloten dat de wijse van omme te gaen als noch inde vrijheijt der Kercke staen sal. Doch soo sullen de Dienaers arbeijden, dat sij het ommegaen soo veel mueghelick is sonder erghernisse afbrengen.

L.

Aengaende het speelen der Orghelen in den Kercken houdt men dat het gantsch behoort afgheset te worden,

|76|

volghende de leere Pauli 1 Cor. 14: 19. Ende hoe wel men het alsnoch in sommigen deser Kercken alleen int eijnde der predicatiën gebruijckt opt scheijden vanden volcke, soo dienet nochtans meest om te doen vergheten, watmen te voren ghehoort heeft, ende is te besorghen dat het hiernae tot superstitie ghebruijckt sal worden, ghelijck het nu tot lichtuaerdicheijt dient; twelck soo het afgeschaft ware, men soude den aelmosen bequamelicker aen de deuren int uijtgaen des volx versamelen dan datmen sulcx int midden der predicatie tot groote hindernisse des diensts Gods doen moet.

LI.

Aengaende d’ opentlicke auontghebeden hebben de broeders besloten, datmense niet invoeren en sal daerse niet en sijn, en daerse in ghebruijck sijn, soo stichtelick ende voorsichtelick afschaffe als het mueghelick is, insonderheijt om dese nauolghende oorsaecken. Ten eersten, op datmen d’ oordentlicke predicatien des te vierigher ende neerstelicker besoecke, Ten tweeden dat de huijsghebeden des auonts, (die een ieghelick huijsvader met sijn huijsghesin schuldig is te doen) te neerstigher onderhouden worden. Ten derden, op dat d’alghemeijne ghebeden op den vastdaghen, diemen somtijdts om eenighen bijsonderen noodt gebruijckt, te vierigher en solenneelicker mueghen ghebruijcket worden.

LII.

Van den lijckpredicken is besloten datmense met grooter voorsichticheijt, soeckende d’ opbouwinghe der Kercke, daerse ingheuoert sijn afsette, daerse niet ingheuoert en sijn niet in en voere, om de periculen der superstitie die daer wt comen te vermijden.
T’ luijen der clocken omtrent de begraeffenisse der

|77|

dooden achten wij dat allesins afgheset behoort te worden.

 

Van de vierdagen

LIII.

Aangaende de feestdaghen neffens den Sondach, is besloten datmen met den Sondach alleen te vreden sijn sal. Dan salmen de ghewoonlicke materie vander gheboorte Christi Sondaechs voor den Christdach inder Kercke handelen, ende het volk vande afdoeninghe deses feestdachs vermanen, ende oock vander selue materie op den Christdach predicken, soo hij valt op een predick dach.
Men sal oock op Paesch ende Pinxter dach vander Verrijsenisse Christi ende seijndinghe des H. Gheestes leeren mueghen, t’ welck inde vrijheijt der Dienaren staen sal.

LIV.

Is besloten datmen op den vastdaghen eenerleij forme houden sal, Eerstelick salmen de Ghemeijnte t’ samen roepen ende eenighen text voornemen ende verclaren, ende vierighe ghebeden voor ende naer ghebruijcken. Ende om sulx beter te doen salmen t’ volck tot abstinentie van spijs ende dranck ende anderen toeghelaten dinghen vermanen. Men sal t’ volck oock vermanen inden tempel te blijuen sonder nochtans iemandt hier toe te dwinghen. Men sal oock in eenighe bequame plaetse des tempels den volcke wat voorlesen wt den ouden ofte nieuwen testamente tot de gheleghenheijt des tijdts dienende. Ende men sal op den vast daghen met 2 predicatien te vreeden sijn, ten ware dat den Vastdach op den Sondach gheleijt ware, inden welcke men andersins driemael ghewoonlick is te predicken.

|78|

 

Van het bezoeken der kranken

LV.

Het is der Dienaren des Woordts ampt de crancken te besoecken, ende het is gheuaerlick seeckere personen daer toe te ordineeren. Daeromme sullen de Dienaers op d’ Ouderlinghen ende Diaconen begheeren, datse hun hier inne met haren arbeijt helpen willen, ouermidts dat haer ampt meer dan anderer Christenen in de siecke, arme ende troostloose lidtmaten te besoecken troosten ende te stercken.

LVI.

Der Dienaeren ampt is oock als het noodt doet bij t’ bedde der crancken den naem des Heeren aen te roepen.

 

Van den Doop

LVII.

Het verbondt Godts sal inden kinderen soo haest alsmen den Doop Christelicken becomen can, met den Doope verseghelt worden, ten sij saecke datter eenighe sware oorsaecke sij, om den Doop eenen tijdt langh wt te stellen, van welcke de Consistorie oordeelen sal. Maar die affectie der ouderen die den Doop harer kinderen begheeren wt te stellen ter tijdt toe dat de moeders selue haer kinderen presenteeren, ofte op die gheuaders langhe wachten, en achten de broeders gheen wettelicke oorsaecke te sijn om den Doop wt te stellen.

LVIII.

Men sal den Doop niet aendienen dan alleen in

|79|

den openbaren versamelinghen der Kercke bijde vercondinghe des goddelicken woordts.

LIX.

Inden plaetsen daer selden predicatien gheschieden, ende nochtans kinderen te doopen sijn, sal eenen tijdt gheordonneert worden, datmen de kinder inde Kercke ten doop brenghe, Ende men sal een teijcken met der clocke gheuen, t’ volck te samen roepen, ende een corte predick van den Doope doen.

LX.

Aengaende den tijdt des Doopens voor of na de predick, Hoe wel de bedieninghe des Doops op haer selue behoorde te wesen, soo is nochtans besloten dat mense tusschen de predicatie ende t’ alghemeijne ghebet sluijten sal mueghen, tot dat anders inden Prouinciali of Generali Sijnodo besloten sal worden.

LXI.

De Vaders sijn ghehouden ende behooren vermaent te worden bijden Doop harer kinderen te sijn, op dat sij met den gheuaderen de voorghestelde vraghen beantwoorden, ten sij datse door ghewichtighe oorsaecken verhindert worden.

LXII.

Om dat wij gheen ghebot van den Heere en hebben gheuaders ofte ghetuijghen te nemen om de kinder ten Doope te presenteeren, soo en machmen niemandt hier van eenen bijsonderen noot oplegghen. Nochtans nademael het een oudt ghebruijck is, ende tot goeden eijnde ingheuoert, te weeten om vanden ghelooue der ouderen ende den Doope des kindts te betuijghen, ende op hen te nemen den last van het kindt t’onderwijsen, in val

|80|

dat hem sijn vader ofte moeder afstorue, Item om d’onderlinghe ghemeijnschap ende verbindinghe der vrientschap tusschen den gheloouighen t’onderhouden, Die dit ghebruijck niet en begheeren te volghen, maer hare kindere selue willen presenteeren, sullen met neersticheijt aengeporret ende vermanet worden, dat sij gheen twist en soecken, dan datse sich na de ghewoonlicke ende oude oordeninghe schicken die goet ende profitelick is.

LXIII.

De forme vande vraghen voor den Doop salmen houden alsoo se achter den Catechismum staen, behaluen dat de Kerckendienaers de ouders verbinden ende de bijstaende ghetuijghen vermanen sullen.

LXIV.

Het sal vrij staen dat deselue Minister die d’insettinghe ende t’ gebruijck des Doops verclaert oock doope, of dat het verscheiden Dienaren doen. Dan sullen de Dienaers de forme dat een minister alle beijde doe, in haren Kercken, soo veel als sij sonder erghernisse ende ongheleghentheijt doen connen, in voeren.

LXV.

De broeders gheuoelen dat het raedtsaemste ende beste ware dat de Kercken eene besprenghinghe inden Doop ghebruijcten, Doch hebben besloten dat de maniere van driemael te besprenghen ghedraghen sal worden in Kercken daerse in is, ter tijdt toe dat men die andere maniere beter inuoeren can.

LXVI.

Ouermits het gheuaerlick is dat alle Dienaren elck

|81|

eene bijsondere vermaninghe voor de bedieninghe des Doops doen souden, soo isset besloten dat de forme eenerleij sal wesen, welke corter begrepen ende den Dienaren toeghestelt is.

LXVII.

Is besloten datmen de dancksegginghe die na den Doop volcht, voor t’ alghemeijn Ghebet doen sal.

 

Van het Avondmaal

LXVIII.

Men sal gheen Auontmael des Heeren wtreijcken daer gheen forme van Ghemeijnte en is, dat is, daer niet eenighe Ouderlinghen ende Diaconen en sijn, die soo wel op de aenneminghe ende regeeringhe der ghenen die toeghelaten worden, acht hebben, als de Dienaren des Woordts, ghelijk bouen verhaelt is.

LXIX.

De Kercken sullen daer na arbeijden datse het Nachtmaal des Heeren allen twee maenden houden, soo veel mueghelick is. 

LXX.

Is besloten dat d’ ontfanghinghe ende examinatie der gheenen die sich tot der Ghemeijnte begheuen, gheschieden sal voor een Minister ende twee Ouderlinghen, of twee Ministers alleen, welcke sij bestemmen sullen bij hun te comen na hare gheleghenheijt, Ende de belijdinghe des gheloofs ende onderwerpinghe der Discipline sal opentlick gheschieden, in sulcken plaetsen daer een ieghelick bij comen can, t’ sij inde Consistorie of inden tempel, ende daer sullen de namen

|82|

der gheenen die ontfanghen worden stichtelick verhaelt worden.

LXXI.

Die een wettelicke ghetuijghenisse brenght sal tot den Nachtmale toeghelaten worden, ten sij dat het langhen tijdt te voren gheschreuen is, want alsdan moetmen na sulcken vernemen, euen als of sij gheen ghetuijghenisse en hadden. Doch soo betaemt het dat wij gheneichder sijn om die toe te laten dan af te sluijten, welcker godtsalicheijt gheprobeert wordt of door gheschreuen, of door leuendighe ghetuijghenisse.

LXXII.

Is besloten dat de belijdinghe des gheloofs vanden gheenen die te voren gheexamineert sijn in deser ionckheit der Kercke met een ia woort gheschieden sal.

LXXIII.

Het is der Dienaren ende Consistorien amt vlijtich acht te nemen wie de lidtmaten der Ghemeijnte sijn, of voormaels gheweest hebben. Item ofse telcken Nachtmale communiceeren, soo niet hun int bisonder aen te spreecken of door andere bequamen laten aenspreecken, of daer achterdencken is in leer of leuen, Soot niet helpt voor de Consistorie ontbieden ende vermanen, de verachters waerschouwen ende dreijghen met Godts gherichte, ende soo dit alles niet en helpt, met de Classe beraetslaghen. Doch datmen niet lichtueerdelicken tot der Excommunicatie en come.

LXXIV.

Inde voorbereijdinghe tot den Nachtmael des Heeren

|83|

salmen eene simpele predicatie doen, na der ghewoonte, inder welcke ghehandelt sal worden, vander beproeuinghe des menschen ende versoeninghe met Godt ende den naesten, met vierighen ghebeden.

LXXV.

Men sal oock voor het houden des Nachtmaels in desen beghinsselen der Kercken eenen eigentlicken text die tot den Nachtmale dienet ende de mijsterien daer inne begrepen verclaert inde predick voor hem neme wt te legghen, ten ware dat den oordentlicken text bequamelick daer toe gheleijt conde worden.

LXXVI.

De broeders achten dat het staen in het houden des Nachtmaels des Heeren het voechelickste is, maer ouermidts t’ exempel van sitten inden Kercken ingheuoert is, so houden wij datmen het alsnoch sonder arghernisse niet achter laten en can. Men sal nochtans middelerwijl den volcke leeren dat het middelmatich is ende na ghelegener tijdt al staende voeghelicker can ghehouden worden.

LXXVII.

Is besloten datmen in de wtreijckinghe des Broodts des Nachtmaels ghebruijken sal de woorden Pauli 1 Cor. 10, Het broot dat wij breecken, etc. met den aenhangh, Neemt, eet, ghedenckt ende ghelooft dat het lichaem Iesu Christi ghebroocken is tot een volcomen versoeninghe aller onser sonden. Ende in de wtreijckinghe des beeckers, De drinckbeecker der dancksegginghe etc. Neemt, drinckt alle daer wt, ghedenckt ende gheloouet dat het dierbaer bloet Iesu Christi vergoten is tot versoeninghe al onser sonden.

|84|

LXXVIII.

Is goet gheuonden datmen in allen Kercken eendrachtelick eenighe plaetsen wt der H. Schrift lesen sal te wijle men het Nachtmael houdt, ende pauseeren, te wijle men de woorden Pauli leest 1 Cor. 10.

LXXIX.

Men sal oock eene corte inleijdinghe maecken tot der dancksegghinghe na het Nachtmael des Heeren, waer inne de Christenen van der groote liefde Christi tonswaert ende danckbaerheijt die wij schuldich sijn vermanet worden.

LXXX.

Is besloten datmen s’ namiddaechs als het nachtmael ghehouden is de predicatie des Catechismi na der ghewoonte onderhouden sal.

LXXXI.

Men sal op des dach der Nachtmaels soo wel als op anderen daghen trouwen mueghen, maer niet op den vast ende bidtdagen. Ende hoe wel het beter ware datmen op den Sondach niet en trowde, op dat een ieghelick hem te beter inden dienst des Heeren oeffenen mochte, soo en salmen doch deze ghewoonte in deser tijdt niet lichtueerdelick veranderen, Middelertijdt sullen de Dienaers na het beste staen, daar het sonder onstichtinghe can ingheuoert worden.

 

Van de Discipline

LXXXII.

Op den 32 artickel van Embden vande straffinghe der

|85|

grouen sonden is dit vanden broederen tot verclaringhe bijgheuoeght, datmen met den gheenen die van grouen sonden eenich berow toonen niet terstont tot de leste excommunicatie comen en sal, maer hun voor een tijdt langh vanden Nachtmale afhouden.

 

Van het huwelijk

LXXXIII.

De Dienaars en sullen niemant wtroepen dan die verclaren datse sich oock van hun willen laten trouwen. Ende men sal hun vermanen datse bij malcanderen niet en woonen noch slapen voor datse ghetrouwt sijn. Die hier teghen doen salmen berispen, die niet ghehoorsaem en sijn salmen den Magistraet aengheuen. Men sal oock niet lichtueerdelick tot de hooghe Ouerheijt gaen, voor datmen bijde oordentlicke Magistraet sijn best ghedaen heeft.

LXXXIV.

Niemant en sal wtgheroepen worden om te trouwen, dan eerst ghetuijghenisse van t’ consent sijner ouderen, ende (soo sij te voren ghehijlickt sijn gheweest) van de afsteruinghe der eerste partie, vertoont te hebben. Ende soo het gheschiede dat iemandt den Ministers ende Consistorie hier inne niet ghenoech en dede , soo sullen de partien dit de Magistraet te kennen gheuen ende derseluer consent den Dienaren ouerbrenghen.

LXXXV.

De personen die trouwen willen sullen opentlick inder Ghemeijnte afgheroepen ende ghetrowt worden. Ende soo iemandt door cranckheijt verhindert sijnde begheerde in huijs te trouwen, daer van sullen de Dienaers ende

|86|

de Consistorie oordeelen. Ende soo sij het toelaten (t’ welck niet sonder groote beraetslaghinghe ende swaren noot gheschieden sal) soo en salt euenwel niet gheschieden dan d’wtroepingen inder Kercke ghedaen sijnde, ende inde tegenwoordicheijt der vrienden ende nabuijren. Ende de Dienaer salt der Ghemeijnte opentlick aensegghen datse ghetrowt sijn.

LXXXVI.

Men sal de namen der ghenen die vercondicht worden om te trouwen op drie verscheiden Zondaghen vanden predickstoel vercondighen, of andersins driemael in grooten noot daer van de Consistorie oordelen sal.

LXXXVII.

Het huwelick sal beuesticht worden in eenich vanden plaetsen daer de namen wtgheroepen sijn. Doch soo iemant in een ander plaetse trouwen wilde, die sal ghetuijghenisse der proclamatien van der Consistorie mede brenghen. Ende Minister der plaetse daerse trouwen sullen, sal dit niet doen, sonder t’ aduijs sijner Consistorie.

LXXXVIII.

Ouermidts d’ Officiaelen des Antichrists int Pausdom, d’ autoriteijt ende recht der Ouerheijden inden echtscheijdinghen aen sich ghetrocken hebben, Soo sal de Magistraet vanden Ministers wt Godes woort ghebeden ende vermaent worden, datse na wtwijsen des woort Godts ende anderer wetten dien helpen welcke in soodane saecken hare hulpe behoeuen ende begheeren.

LXXXIX.

D’ ontschuldighe partie hare partie van ouerspel ouerwonnen hebbende sal vander Magistraet begheeren

|87|

een wtspraeck van scheijdinghe ende soo de Magistraet dit niet en begheert te doen, salse dan vanden Magistraet soecken te vercrijghen datse der Consistorie toelate te doen sulx als sij wt Godes woort oordeelen sal recht te wesen. Soo men dit oock niet en can vercrijghen, soo sal de Consistorie haer vermanen in een ander plaetse te trecken daerse de hulp der Ouerheijt ghenieten can.

XC.

Is besloten dat de Kerckendienaers die op den Sijnodum te gaen ghedeputeert worden, ghetuijghenisse brenghen vanden Consistorie ende Classe ende niet vander Ouericheijt.

 

Particuliere vragen op deze Synode beantwoord.

 

1. Op de vraghe van die van Walcheren, Of het niet goet en ware datmen goede Homilias op den Catechismum maeckte, R. is gheantwoort datmen dit sal laten blijuen, maer dat het goet ware dat de Dienaers oordentlicke bij ghebuerte in Classicis conuentibus een vraghe ofte twee wt den Catechismo cortelicken wtleijden, op datse alsoo malcanderen oeffenen ende scherpen mochten, ende den Catechismum oordentlicke grondelick ende stichtelick voor der Ghemeijnte leerden verclaren.

2. Op een andere vraghe van die selue broeders, van eene nieuwe ouersettinghe der Bibele in onse nederduijtsche tale, Is gheantwoordt datmen toeuen sal tot dat d’ouersettinghe der Bibel inde Francoische ende Latijnsche sprake die nu voorhanden is int licht ghecomen sal wesen, op datmense daer wt in onze spraecke te lichter ende te beeter ouersetten mach.

3. Op de vraghe van die van Walcheren hoemen de wederdooperen weeren ofte op den rechten wech brenghen

|88|

sal, Is besloten dat de Dienaren haren Ouerheijden bidden ende vermanen sullen datse niemandt ontvanghen noch lijden dan die wettelicke sweeren der Ouerheijt ghehoorsaem te sijn. Ende die daer nu schoon woonen vermanen tot den ghehoor des goddelicken Woordts, item hare kinderen ten doope te brenghen, ofte soo sij sulx weijgheren te doen datse hun inde teghenwoordicheijt der predicanten ontbieden ende hare opinien beuelen te verclaren ende te verandtwoorden. Het sal oock daerbeneuen goet wesen dat de Dienaers in hare heijmelicke versamelinghen soecken te comen, of te seijnden ende te bewijsen dat haren handel onrecht is.

4. Op de vraghe van die van Zijrixee of een Minister notarius publicus vante vooren gheweest sijnde, noch in dien dienste blijuen mach, Is geantwoordt dat hij testamenten ende huwelixe voorwaerden maecken mach insonderheijt daermen gheen andere hebben en can, item in bequame ende stichtelijke plaetsen, Maer sullen hun wachten te comen in ergherlicke plaetsen, als in herberghen etc. ende hun oock niet bemoeijen met ander notaris handelinghen. Ende wt oorsaecke van deser vraghe is besloten, dat een Ministers huijsvrouwe in gheual van noodt gheen openbare of winckelneeringhe drijuen en mach.¹).

6. Op de 3 vraghe derseluer²), Of een Dienaer des Woordts, die aende pest cranck legghen laten mach te besoecken om dieswille, dat hij van den volcke gheschuwet wordt, Is gheantwoort, Nademael Godt de crancken beuolen heeft te visiteeren ende gheen onderscheijt van cranckheijt ghemaeckt en heeft, datse schuldich sijn tot sulcke menschen gheroepen sijnde te gaen, niet beroepen sijnde ende wetende datmen haerder van doen heeft, oock te gaen, doch dat de


¹) Vraag 5 ontbreekt, waarvoor in andere uitgaven het laatste gedeelte van vraag 4 is genomen.
²) Nl. uit den Briel.

|89|

Dienaers hier inne niet stoutelick ende onuoorsichtelick en handelen, ende soo sij mercken datse meer breecken dan timmeren, dan sal de Consistorie hier van kennisse draghen ende oordelen.

7. Nademael het besloten is dat der Ouderlinghen ende Diaconen halfdeel alle iaren verandert sal worden, soo is de vraghe hoemen hier inne doen sal met den eersten, tot dat d’ oordeninghe in haren gangh coomt, op dat niemandt sich te beclaghen en hebbe. R. Men sal die swaricheijden der broederen die met t’ eerste iaer af begheeren te wesen, ouerweghen, welck de grootste sijn, ende sij sullen hun alle der discretie des Consistorie onderwerpen, welcke oordeelen sal wie onder hen allen blijuen sal of niet. Maer soose dit niet begheeren te doen, soo salmen t’ lot daer ouer werpen.

8. Op de vraghe van die van Ter Gouw, watmen met den Papen doen sal die int heijmelick doopen ende trouwen, R. Men sal sijn beste doen, om dit te weeren. Eerst bijde Ouerheijt der plaetse, daer na soo sij het weighert, bij den Prince.

9. Op de vraghe van die van Dordrecht, ofmen de kinder der afghesnedenen van der Ghemeijnte doopen mach, R. Ja, met conditie datmen de gheuaders vaster inde belofte van die kinderen ghetrouwelick te onderwijsen, verbinde.

10. Op de vraghe van die vanden Briel, Ofmen een kindt van eener vrouwe ghedoopt, inder Kercke doopen sal, R. Ja, Ouermidts dat vrouwen doop gheen Doop en is.

11. Op de 2 vraghe van die wt den Briel, Of een Ouerspeeler tot een huijsvr. nemen mach die met der welcke hij ouerspel ghedaen heeft, R. Men sal hier in niet handelen teghen de ciuile rechten, ende wel acht nemen, datmen alle erghernisse hier inne vermijde.

12. Op de vraghe van die vanden Briel, of een lidtmaet der Ghemeijnte willende trouwen een persoon die Papist, Doops ofte werlts ghesint is, vanden Dienaer ghetrouwt sal mueghen worden, of niet, R. Dat

|90|

men hem te voren vermanen ende waarschouwen sal, ende soo hij niet teghenstaende de vermaninghe euen wel ghetrowt wil wesen, datmense trouwen sal de wijle het openbaer trouwen Politisch is. Watmen nu doen sal met dien die de vermaninghen weijgheren aen te nemen, ia noch teghen de Dienaers quaet spreecken, is gheantwoort, dat de Consistorie met dien sal handelen na d’ omstandicheijt der saecke, t’ sij met schuldtbekenninghe voor de Consist. of opentlick, Of voor een tijdt vanden Nachtmael af te houden, of met den trappen der Excomminicatie voort te varen na hare discretie.

13. Op de Vr. van die vanden Briel van een man die van sijn huijsvr. nu langhe tijdt solenneelicken ghescheijden is, om des verscheijden gheloofs ende onderlinghen ghekijfs wille, ende bij een andere huijsvr. langhe gheseten ende kinderen ghewonnen heeft, ende den doot sijner vorighen huijsvr. niet bewijsen en can, Ofmen dese vrow persoon vanden Nachtmale sal afhouden, ende ofse behooren ghescheiden te worden, Is gheantwoordt datmense afhouden sal, tot tijdt toe dat hij bewesen sal hebben dat sijn vorighe huijsvr. doot is, ende alsdan soo salmen besien hoemen doen sal inde echtscheidinghe na d’ antwoordt van Geneuen ende Heijdelberch, tot welcke Kercken den broederen gheraden is van deser saecke te schrijuen. Ende soomen beuindt dat sijne vrouwe doot is, soo salmen hem om sijner sonde willen straffen, ende haer tot den Nachtmale toelaten.

14. Op eene andere vraghe derseluer broederen, Of een vrouwe niet wederomme en soude mueghen trouwen wiens man nu 7 of 8 iaren wt gheweest is, ende sij niet en weet of hij leuendich of doot sij, Is gheantwoordt datse consent ende losspreeckinghe bijden Magistraat aansoecken sal.

15. Op een vr. derselue broederen van een ionghghesel die met een dochter in belofte staende 15 iaer huijsgehouden heeft, daer na haer verlaten ende een

|91|

ander ghetrowt heeft, ende sij die verlaten is begheert datmen haer oock een scheidtbrief hebbende met een ander trouwe, R. Sij sal hare saecke der Ouverheijt recht voor stellen ende van haer beuel ende consent beheeren.

16. Op de 10 questie derseluen is gheantwoordt, datse met deser huwelixe saecke bijden Magistraet voortuaren, alsoo sij begonnen hebben te doen.1)

17. Op de Vr. van die van Dordrecht, Wat men doen sal met een man die int Paeusdom sijns broeders wijf ghenomen heeft, ende omtrent 14 of 15 iaer met haer ghewoont ende kinderen bij haer ghewonnen heeft. R. Sulcke eene bijwooninghe dewijle sij van Gode verboden is, en can vanden menschen niet toeghelaten worden. Maer aenghesien de man nu leedtwesen van sijner sonde heeft, ende te volgen sulx als Godes woort vermach, t’ sij te scheiden ofte blijuen ghewillich is, Is besloten dat de Classe van Dord. den gantschen handel aen die van Geneuen ende Heidelberch ouerschrijuen sal, Middelerwijl en salmen hem tot den Nachtmale niet toelaten.

18. Op de Vr. derseluen, van een cruepel diens huijsvr. van hem gheweest is omtrent 20 iaeren, van welcker doot men noch niet recht seecker en is, ende sint bij een andere vrouwe gheseten heeft ende noch sit, Ofmen hem met deser trouwen sal, R. Men sal hem eerst tot den Magistraet seijnden om consent aldaer te halen, ende consent hebbende salmen hem in de Consistorie trouwen, ende eerst sijn sonde scherpelick voorhouden.

19. Op de vraghe van die van Delft of de huwelicken die met wtghdruckten woorden niet verboden en worden Leuit. 18, dan wt tegenstellinge ende consequentien besloten worden, voor verboden ende


3) Uit de instructie van den Briel blijkt dat dit gold eene zeer ingewikkelde huwelijks-quaestie, waarin ook de Overheid gemengd was. (Zie Rutgers, Acta enz. pag. 207).

|92|

ongheoorloft ghehouden sullen worden. R. Ia, dewijle sij van ghelijcker aert ende natuijre sijn. Ende voort op de vraghe, als d’Ouerheijt sulck een huwelick toelaet, wat de Minister doen sal, is gheantwoordt dat hij de personen niet en trouwe sonder schriftelick beuel vanden Magistraet te hebben, ende de Magistraet ende die personen ghenoechsaem van te vooren van deser saecke ghewaerschowt ende vermaent te hebben.

20. Op de vraghe van die van Vlissinghen, of een ionghghesel die teghen den danck sijner ouderen sijn trouw eener maghet ghegheuen heeft ende dese door t’beuel sijner ouderen verlaten hebbende, sich aen een ander die eens Papen dochter is wettelicke verbonden, ende na dese belofte (gheduijrende den tijdt der wtroepinghe) bij d’eerste gheslapen heeft, ende bouen desen vanden Prouisoor der eerste toeghewesen is, nu met een derder (dewijle de tweede namelick des Papen dochter int recht vrij van hem ghesproocken sijnde met een ander ghehowt is) trouwen mach? Is geantwoort, Dewijle des Papen dochter vrij ghekent is vanden rechteren, hoe wel Papistisch, soo is het huwelick datse namaels begaen heeft wettelick. Want hoewel men hier wel mocht vraghen, ofse recht gheoordeelt hebben of niet, Soo wordt nochtans een wtghesproocken vonnisse eens rechters daer van gheen appel en valt voor recht ghehouden. Ende hoewel de rechters niet wettelick sijn, soo worden sij nochtans als wettelick gheleden, ende haer vonnisse moet stat grijpen. Aende eerste dien hij teghen den wil sijner ouderen belooft heeft, ende die hij onteert heeft, en is hij niet verbonden, insonderheijt dewijle sijn ouderen noch daer teghen spreecken. Ende hier teghen en strijdt de wet Godts Ex. 22, 16 en Deut. 22, 29, niet, want aldaer wordt ghesproocken van manspersonen die haer eighen voocht sijn, ende niet van soodanen die onder de macht harer ouderen staen. Hier wt volcht, Dewijle de Ouerheijt desen man tot behoorlicker tijdt niet ghestraft en heeft, ende noch duldet, Dat hij der derder, die hij met verwillinghe

|93|

sijner Ouderen belooft verbonden sij, ende soo d’ Ouerheijt sulx beueelt, trouwen mach.

21. Aengaende die ouer 7 iaren te Nachtmael gheweest sijn, ende ’t pardoen ghehaelt hebben, hoemense toelaten sal tot den Nachtmale, Is gheantwoordt, Soo de erghernisse openbaer is, soo salse oopentlick ghebetert worden. Maer ouermidts in desen ghemeijnen val onghelijckelick ghesondicht is soo sal de Consistorie na gheleghentheijt der daet oordeelen of het ghenoech is met de belijdinghe voorder Consistorie ende verclaringhe op den stoel, of niet.
Desghelijcks is d’antwoorde op de vraghe vanden Francoischen Minister te Middelburch van eenen die te Misse ghegaen heeft na de bekende waerheijt.

22. Op de vraghe van de afsnijdinghe der ghenen, die tot den Mennoniten veruallen sijn, is geantwoordt, datmen tot de afsnijdinghen derseluen sal voortuaren door die trappen die inden Embdtschen Sijnodo voorghestelt sijn.

Op de vraghe van die van Xijrixee, watmen doen sal met eenen broeder die door de bijwooninghe van eener vrouwe in een huijs quade suspitie van hem gheuende ende hier van vermaent sijnde, nochtans in t’ selue huijs blijft: R. Nademael men hem meermaels broederlicken sal vermaent hebben, soo hij niet hooren en wil, salmen hem vanden Nachtmale afhouden, ende segghen soo hij sich niet en betert dat men hem excommuniceeren sal.

23. Op de vraghe van die van Delft, Ofmen een Lombardier ten Nachtmale mach toelaten, R. Neen, want hoewel sulcke hanteeringhe vanden Magistraet toeghelaten is, Soo isse nochtans meer om de hertheijt ende boosheijt der menschen hertes wille dan na den wille Godes toeghelaten. Daarbeneuens souden veele hondert menschen door die toelatinghe eens sulcken mensches gheerghert worden.

24. Onze broeders de Dienaers der Classe vander Paltz sullen den Sijnodum generalem beroepen, soo

|94|

haest als sij beuinden sullen dat het nut ende noodich wesen sal, ende bequamelick gheschieden sal connen, Ouermidts hun desen last opgheleijt was vanden Embdischen Sijnodo, dan en hebbent om der veranderinghen wille die in Hollandt ende Zeelandt sint gheschiet sijn niet en connen volbrenghen. Is oock gheordonneert, ouermidts datter weinich Prouincien sijn dat eene ieghelicke Classis eenen Dienaer des Woordts met eenen Ouderlingh tot den Sijnodum generalum seijnden sal, Ende hebben de broeders inden naem harer Classen belooft sich hier inne ghewilligh te laten vinden.

 

Gheeijndighet tot Dordrecht Aº 1574, den XXVIII Junii. 

 

CASPARUS HEIJDANUS,
Praeses noie Synodi ssi.

ARNHOLDUS CORNELIUS,
Scriba Synodi et Delftensis Eccliae Minister. e.a.

Biesterveld, P./Kuyper, H.H. (1905) Dordrecht 1578

|95|

De Acta der Nationale Synode van Dordrecht 1578 met de Particuliere vragen

 

Acta
ofte
Handelinghe
des Nationalen Synodi der Nederlandischen Duytschen
ende Walschen Kercken, soo wel inlandischen
als wtlandischen, begonnen te Dordrecht
den 3en Iunii, ende gheeyndicht
den 18 des selfden maents
in den jare 1578.

 

[Cap. I.] Van den Dienaren des Woordts Ouderlinghen ende Diaconen.

I.

1. Men sal oueral toesien dat bequame persoonen tot den dienste des godlicken Woordts beroepen worden. Ende daerom en sal men niemant tot den seluen dienste beroepen, dan de ghene diemen ghenoeghsaem beproeft heeft, datse reyn in der leere ende oprecht van leuen syn, met gauen om andere te onderwysen verciert, ende een goet ghetuyghenisse binnen ende buyten der Ghemeynte hebbende.

II.

2. De nieuwelinghen die het pausdom, ofte eenighe

|96|

secten eerst verlaten hebben, en sullen totten dienst des godlicken Woordts niet toeghelaten worden, voor dat de ghemeynte van harer suyuerheyt ende bestendicheyt in der leere ende oprechticheyt des leuens ghenoeghsaem sal versekert syn.

III.

3. Alsmen eenen Dienaer beroepen wil, de welcke te vooren in den dienst noyt gheweest is, soo sal ’t selfde met ghemeyne ghebeden ende openbaer ofte heymelijk vasten gheschieden na ghelegentheyt der Kercken, maer dit en sal niet noodich syn als yemant beroepen wordt die den dienst voormaels bedient heeft. Alsoo nochtans dat de aernstige ghebeden tot desen handel dienstelick nemmermeer naghelaten sullen worden, Het welcke oock in de verkiesinge der Ouderlinghen ende Diakenen ghenoegh syn sal.

IV.

4. De benoeminghe der Dienaren sal gheschieden van den Kerckenraet, met byvoeghinghe der Diaconen ende het oordeel der Classe, soo de selue te samen koemen kan, ende soo niet, van twee ofte dry naestgheseten Dienaren der seluer. De ondersoeckinghe sal van den seluen gheschieden, by den welcken de beroepinghe staet. De welcke ondersoeckinghe voornemelick ouer die sal gheschieden die te vooren in den dienst niet gheweest, ofte niet ghenoeghsaem ondersocht en syn. Maer soo vele den ghenen aengaet welcke de vniuersiteyt van Leyden ofte eenighe andere vniuersiteyt onser Religie bequame gheoordeelt sal hebben, en sullen van nieuws niet gheexamineert worden, wel verstaende soo vele de leere aengaet. De Dienaers aldus beproeft ende vercoren synde, sullen der ghereformeerde Ouverheyt aengheheuen, ende voorts der Ghemeynte der tyt van veerthien daghen voorgestelt worden:

|97|

Op dat soo yemant yet hadde, het selfde onverhindert mocht voortbrenghen, Het welcke hy in tyts by den Kerckenraedt doen sal, op dat de seluighe met somighen wt der Classe daer van rypelick oordeelen magh. Ende soo niemant yet voortbrengt sal het swyghen voor bewillighen gheacht worden.

V.

5. Daer na sullen sy van eenen Dienaer in haren dienst met bewillighinghe ende beantwoordinghe der navolghende stucken bevesticht worden, Ten Ien Of sy ghevoelen dat sy van Gode ende syner Ghemeynte wettelick tot desen dienste beroepen syn? Ten IIen Oft sy de H. bybelsche Schrift voor het eenich woordt Gods ende de volcomen leere der salicheyt houden, ende alle ketteryen daerteghen verwerpen? Ten letsten, Of sy haren dienst na den Reghel deser leere ghetrouwelick te bedienen, ende den seluen met een vroom leuen te verchieren bereyt syn? Item soo sy yets doen dat strafbaer is, of sy haer seluen der Christelicker vermaninghe onderwerpen? Dit ghedaen synde sullen sy met oplegghinge der handen daer het met stichtinghe gheschieden kan ofte anders met het gheuen der rechter hant der ghemeynschap tot den dienst der Kercken aenghenomen werden, ende met den ghebede Gode bevolen. Waer na oock de Ghemeynte kortelick hares ampts tot den Dienaer vermaent sal worden.

VI.

6. Ghelyckerwys niemant tot desen dienst en behoort beroepen te worden dan de ghene diemen een seker plaetse toestelt, alsoo moet een Dienaer die noch aen gheen Kercke verbonden is hem seluen gheheelick der ghemeynte die hem beroept toeeyghenen, Ende soo de ghemeynte ofte de dienaer eenighe conditien wt bespreeckt in de welcke de eene der partien weyghert te verwillighen, soo salt der classe toestaen daer van te

|98|

oordeelen. Het sal oock den Dienaer niet gheoorlooft syn met verlatinghe synder ghemeynte eene andere beroepinghe elders aen te nemen sonder het consent synes Kerckenraets ende Classis, ghelyck oock gheen ander Kercke hem sal moghen ontfanghen, eer hy wettelicke ghetuyghenisse syns afscheyts ghetoont hebbe. Maer soo het gheschiedde dat yemant wt sulcken plaetsen quame in den welcken noch Kerckenraet noch Classe en is, de selue sal van eenighe naestgheseten Dienaren ofte anderen gheloofwerdighen mannen ghetuyghenisse brenghen. Ende op dander syde sal de Ghemeynte oock ghehouden syn hare Dienaers van behoorlick onderhoudt te versorghen.

VII.

7. Dewyle de Dienaers haer leuen lanck aen haren dienste verbonden syn, soo en isset niet gheoorloft datse hen tot eenen anderen staet des leuens begheuen, ofte oock haren dienst onderlaten, ten ware dat sy gheen ghemeynte en hadde om te bedienen, Ende soo het gheschiedde dat sy door ouderdom ofte sieckte onbequaem wirden tot oeffeninghe hares diensts, soo sullen sy nochtans dies niet te min de eere ende den naem eenes Dienaers behouden. Ende op dat sy den ouerighen tyt hares leuens eerlick toebrenghen moghen, soo sullen sy van den Kercken versorght werden. Soo sy oock om dese ofte eenighe andere oorsaken haren dienst voor eenen tyt nalaten moeten, soo sullen sy nochtans hen tot allen tyden der beroepinghe der ghemeynte onderwerpen. Ende het en betaemt niemant van deen plaetse tot dander te reysen om te predicken dewyle het ampt der Apostelen ende Euangelisten voor langhen tyt in der ghemeynten Godes opgehouden is.

VIII.

8. Die in eenigher Vorsten ofte anderer Heeren Houen den dienst des Woordts bedienen sullen oock ordentlick

|99|

ende wettelick ghelyck andere beroepen werden, der belydenisse des gheloofs ende Kerkelicke ordeninghe onderschryuen ende wt den alderbequaemsten des Hofghesins Ouderlinghen ende Diakenen stellen. Sy sullen oock in Classen ende Synoden verschynen, ende hen het oordeel der seluer als andere Dienaers onderwerpen.

IX.

9. Die sonder beroepinghe ende buyten de wettelicke ordeninghe der Kercken haer seuen in den dienst indringhen, het sy dat het selfde gheschiede in ghemeynten daer alreede ordeninghe ghestelt is, oft datse van somighe priuate persoonen onder den welcken gheen ordeninghe en is beroepen werden, sullen van den naestgheseten Kercken-dienaeren de ordeninghe der Kercken te volghen vermaent werden, ende soo sy tweemael vermaent synde niet ghehoorsaem en syn, sal de classe te samen koemen, ende de soodanighe verclaren verschuerders der Kercken ende loopers te wesen. De ghene oock die de sulcke hooren sullen broederlick vermaent, ende met ghevoeghelicke redenen totter ordeninghe ghebracht werden.

X.

10. Ghelyck men sonder wettelicke ghetuyghenisse niet lichtverdelick eenighe beschuldinghe teghen eenen Dienaer toelaten magh, also wanneer het selfde wettelick gheschiet soo sal hy anderen tot een exempel ghestraft worden. De grue feyten ende misdaden diemen acht dat met opschortinghe ofte afsettinghe des dienstes moeten ghestraft werden syn onder andere dese de voornaemste Valsche Leere ende Ketterye, verschueringhe der ghemeynte, openbare godtslasteringhe, Simonie, trouweloose verlatinghe synes dienstes ende indringhinghe in eens anders dienst, ouerspel,

|100|

hoerdom, dieuerye, ghewonelick dronckenschap, ghewelt, vechterye, schandelick ghewin, ende kortelick, alle sonden ende groue feyten die andere voor de werelt eerloos maken ende der afsnydinghe werdich ghehouden worden.

XI.

11. In die plaetsen daer noch eerst een ghemeynte vergadert ende ordeninghe ghestelt moet werden, sal de Dienaer die daer ghesonden wordt, somighe van den godsalichsten neffens hem soo tot raet ende regieringhe der Kercke, als oock tot de bedieninghe der aelmoessen ghebruycken, daerna syne toehoorders vermanen, datse haer door belydenisse des gheloofs tot het ghebruyck des Auontmaels bereyden, Ende als de Ghemeynte een weynich sal toeghenomen hebben soo sal hy wt het ghetal der ghener die ten Auontmael gheweest syn somighe ordentlick tot Ouderlinghen ende Diaconen stellen.

XII.

12. Het recht der benoeminghe der Ouderlinghen sal by den Kercken-raet staen, Alsoo dat het na gheleghentheyt van een yder Kercke den Kercken-raet vry staen sal, ofte een enckel ghetal van soo vele ouderlinghen alser noodich syn der ghemeynte voor te stellen om aenghenomen te werden ten ware datse yet daerteghen hadden, Ofte een dobbel ghetal, uit het welcke na beproeuinghe van acht daghen de helft verkoren worden sal, de welcke vercoren synde sullen daerna noch andere acht daghen der ghemeynte voorghestelt werden eer datse in haren dienst werden bevestight, Welcke wyse oock in de verkiesinghe der Diakenen ghehouden sal worden.

|101|

XIII.

13. De verkoren Ouderlinghen ende Diakenen sullen twee iaren dienen welcker halfue ghetal alle iare sal verandert worden, ende andere op de voorschreuen wyse beroepen sullen met ghelycker conditie in hare plaetse werden ghesettet. Maer soo vele de heymelicke ghemeynten aengaet, of die dese ordeninghe niet en konnen onderhouden dien wordt vryheyt ghelaten den tyt na haren noot ende ghelegentheyt te vercorten ofte te verlenghen, Waerouer soo eenighe swaricheyt ontstaet die sal van de classe gheoordeelt worden.

XIV.

14. Der Diaconen ampt is, de hantreykinghen ende andere goederen der aermen neerstelick te vergaderen ende daerna ghetrouwelick ende discretelick na noot der behoeftighen uit te deelen, den benauwden te besoecken ende te troosten, ende neerstelick toe te sien dat niemant de aelmoessen en misbruycke.

XV.

15. De diaconen sullen alle weken ofte soo dicwils het noodich is by malcanderen koemen, om van het ghene dat haer ampt aengaet te beraetslaghen ende sullen alle maenden ofte andersins na de gheleghentheyt in het bywesen des Kerckenraets hare rekeninghe doen.

 

[Cap. II.] Van den Kercken-raet ende andere Kerckelicke Versamelinghen.

I.

16. Om goede ende wettelicke ordeninghe in de ghereformeerde ghemeynte deser nederlanden te stellen is

|102|

nut ghevonden dat vierderley kerckelicke versamelinghen ghehouden worden, ten Ien den Kerckenraet in een yeghelicker ghemeynte, Ten IIen de Classicale vergaderinghe, Ten IIIen de particuliere Synoden, Ten IIIIen de generale ofte nationale Synoden.

II.

17. In dese versamelinghen en sal niet ghehandelt worden, dan van Kerckelicken dinghen ende dat na wyse der Kerckenregieringhe. Ende soo vele die dinghen aengaet de welcke eensdeels Kerckelick eensdeels politisch syn, ghelyck somwylen in houwelicksche ende ghelycke saken voorvallen, het verschil dat daerouer ontstaet sal by de Ouericheyt ende Kercken-raet te samen gheeyndicht worden.

III.

18. Men sal gheene saken tot grooter versamelinghen brenghen dan die in den minderen niet en hebben konnen afghehandelt werden, ofte die de kercken in het ghemeyne aengaen.

IV.

19. Soo yemant hem beclaeght dat hy door het oordeel der minder versamelinghe beswaert is, die sal syn sake voor een meerder moghen betrecken.

V.

20. Die tot de versamelinghen affghesonden worden, sullen hare brieuen van credentie ende instructie van den ghenen diese wtseynden schriftelick ouerbrenghen, De welcke niet eer en sullen gheschreuen worden voor datmen de artykelen der voorgaende Synodaler versamelinghe

|103|

ghelesen hebbe, op dat die dinghen die eens affghehandelt syn niet van nieuws voorghestelt en werden.

VI.

21. In den Kercken-raet sullen de Dienaers des woordts by ghebuerten presideren, ende de handelinghe met aenroepinghe des godlicken naems aenvanghen, ende met een dancksegghinghe ende ghebet, bequame totter sake, besluyten.

VII.

22. De Dienaers des woordts ende Ouderlinghen sullen met ghemeyn consent na de gauen van een yeghelick Dienaer moghen ordineren, wie, wat, ende in wat plaetse predicken sal, ende soo hier ouer eenighe swaricheyt valt, het sy byden Dienaeren ofte ghemeynte soo salmen na de ordinaire wyse voort varen, totter tyt toe dat de sake byder classe gheeyndicht worde, de welcke voorsichtelick toesien sal, dat niemant bouen reden verheuen ofte verachtet werde.

VIII.

23. In allen saken (die altyts wtghenomen van den welcken wy een wtghedruct woordt Gods hebben) als de stemmen neerstichlick sullen gheweghen syn salmen blyven by het aduys der meesten stemmen om daerna te besluyten, het welcke besluyt een yeghelick schuldich sal syn na te koemen.

IX.

24. In allen Kercken sal een boeck syn in het welcke neerstichlick ende ghetrouwelick de handelinghen die in den Kercken-raet besloten ende ghemeyner bewillinghe

|104|

der opteekeninghe werdich gheachtet syn, opgheschreuen sullen worden, de welcke men ter naester versamelinghe telker reyse oplesen sal, op datmen niets en verghete in het werck te stellen. Daerbeneuen sal in den openbare Kercken noch een ander boeck syn daerin de namen ghener die in der ghemeynte ontfanghen worden sullen gheschreuen syn. Alsoo salmen oock den ghenen die ghetrouwt syn, item de affghestoruen lidtmaten der ghemeynte midtgaders de kinderen die ghedoopt syn, de ouderen der seluer ende de ghetuyghen hier ouer ghenomen oock mede den tyt op welcken den doop gheschiet is, opschryuen.

X.

25. De ghetuighenisse briefuen der lidtmaten der ghemeynte die vertrecken, sullen met ghemeynen aduyse in den Kerckenraet alsoo gheschreuen worden, dat de vrome ende godsalighe met desen woorden worden gherecommandeert Datse in der Kercke Godes Christelick sonder opsprake ende erghernisse ghewandelt hebben; maer sodanighe forme van ghetuyghenisse salmen die niet gheuen de welcke alsoo noch niet beproeft en syn. Ende soo het ghebeurde dat door de haestighe reyse der ghener die vertrecken willen, de tsamenkoemste des Kerckenraets niet en konde verwacht worden, sullen de Dienaers des woordts met aduys somigher Ouderlinghen het ghetuyghenisse schryuen, in het welcke soo sy aerm syn sal (dogh met discretie) aengheteekent worden, hoe vele hen van den Diaconen ghegeuen is, item wanneer ende waer sy vertrecken.

XI.

26. De classicale vergaderinghen sullen bestaen wt Dienaren des woordts ende Ouderlinghen der ghenabuerden Kercken, de welcke alle maenden ofte ses

|105|

weken, korter of langher dogh alsoo datse den tyt van dry maenden niet voorby gaen, na gheleghentheyt der ghemeynten sullen te samen koemen, in die plaetsen welcke met ghemeyn accordt daertoe bestemt worden.

XII.

27. Wt een yeghelicke ghemeynte sal een Dienaer des woordts met een Ouderlinck op de classicale versamelinghe verschynen. Ende hoewel alle Dienaers dier classe, als oock alle Ouderlinghen der plaetse daer de versamelinghe ghehouden wordt in den Classen moghen koemen, soo en sullen nochtans niet meer dan twee van den Kerckenraet daertoe vercoren wt een yeghelicke ghemeynte kuerstemmen hebben.

XIII.

28. In allen dusdanighen versamelinghen sal te elcke reyse eenen nieuwe preses vercoren worden met ghemeynen kuerstemmen, dogh alsoo dat de selfde gheen tweemael achter malcanderen sal moghen ghenomen werden, tot den welcken men eenen Scribam met ghemeynen stemmen byvoeghen sal.

XIV.

29. De preses het ghebet ghedaen hebbende sal eenen yeghelick int bysonder afvraghen, of sy oock in haren ghemeynten de ghewonelicke versamelinghen des Kerckenraets hebben? Of de Christelicke straffe onderhouden wordt? Of se van eenighen ketteren aenghevochten worden? Of se niet en twyfelen in eenich stuck der christelicker leere? Ofte op den armen ende Scholen goede achtinghe ghenomen wordt? Ofse tot regieringhe haerder Kercken den raet ofte hulpe der broederen van doene hebben? ende andere dierghelycke dinghen meer.

|106|

XV.

30. Een yeghelick der Dienaeren sal by ghebeurte een korte predicke doen, van welke de andere oordeelen ende van het ghene dat verbeteringhe behoeft hem vermanen sullen.

XVI.

31. Als alle dinghen affghehandelt syn salmen Censure houden ouer den ghenen de welcke ofte in die versamelinghe yet der straffe werdich aenghericht ofte de vermaninghe hares Kercken-raets veracht hebben.

XVII.

32. In de classicale vergaderinghen de welcke laets voor den particulieren Synodum ghehouden werden, sullen die worden vercoren welcke totten particularen Synodum gaen sullen.

XVIII.

33. Ten letsten sal de plaetse ende tyt der naeste classicale versamelinghe benoemt werden.

XIX.

34. Alle jaren (ten ware dat de noot korter tyt vereysschede) sullen te samen koemen vier, vyf of meer ghenabuerde classen, tot welcke versamelinghe twee Dienaers ende twee Ouderlinghen uit een yeghelicke Classe koemen sullen, ende hoewel ander Dienaers ende Ouderlinghen der seluer bywesen moghen, soo en sullen nochtans gheene dan de affghesondene kuerstemmen hebben.

XX.

35. Als sy te samen ghekoemen syn sal de ghen die de naestvoorgaende reyse ghepresideert heeft, ofte soo

|107|

de selue niet teghenwoordich is de Dienaer dier plaetse daer de vergaderinghe ghehouden wordt, een ghebet doen, na den eysch der verkiesinghe des Presidis, syns Bysitters ende Scribae begrepen.

XXI.

36. De vercoren Praeses sal een ghebet doen bequaem tot de gantsche handelinghe, daer na de namen der ghenen beyde die teghenwordigh ende niet teghenwordigh syn doen opschryuen, op dat de afwesende reden hares wtblyuens gheuen, daerna sal hy de credentie briefuen ende gheschreuen instructien afvoorderen, alle puncten der seluer ordentlick voorstellen, het ghevoelen der gantscher versamelinghe affvraghen, de stemmen doen opteekenen, wat de meyninghe des meerderen deels is verclaren, de selue den Scribae schriftelick doen vervaten ende het ghene dat gheschreuen is opentlick doen voorlesen op dat het van allen bewillighet werde.

XXII.

37. De dinghen die totter leere behooren sullen eerst affghehandelt worden, daerna het ghene dat tot de Kerckenordeninghe behoort, ende eyndelick de particuliere saken.

XXIII.

38. Het ampt des Presidis is te bevelen dat een yeghelick synen keer houde in het spreken, den heftighen ende twistighen tot stilswyghen te vermanen, ende soo sy het selue niet nakoemen te doen gaen wt der versamelinghe op datse na het oordeel der broederen behoorlick ghestraft moghen worden.

|108|

XXIV.

39. Men sal met ghemeynen consente des Synodi een ghemeynte verkiesen der welcker den last sal ghegheuen worden om met aduys van hare Classe de plaetse ende den tyt des naesten particulieren Synodi te benoemen.

XXV.

40. Aen deser ghemeynte sullen vanden anderen ghemeynten alle toevallende sware saken de welcke in de classicale vergaderinghe niet en hebben konnen affghehandelt worden, als oock het ghene dat den gantschen particulieren Synodum aengaet, neerstelick ende by tyts overgheschreuen werde.

XXVI.

41. Dese ghemeynte sal de plaetse ende den tyt des naesten particulieren Synodi twee maenden te vooren of daer omtrent, schriftelick te kennen gheuen, ende copye van allen swaren saken aen haer ghesonden aen eene bestemde Kercke van een yeghelicke classe die tot desen particularen Synodum behooren ouer seynden, op dat een yeghelick hem rypelick daerop bedencken magh.

XXVII.

42. Alle saken des Synodi affghehandelt synde sullen de affghesonden Dienaers ende Ouderlinghen met der Ghemeynte daer de Synodus ghehouden is, het heylighe Nachtmael houden, so verre de gheleghentheyt der plaetse ende des tyts sulcx toelaett.

XXVIII.

43. De Kercke in de welcke de Synodus gehouden

|109|

wordt, sal last hebben de acten ofte ordinantien des selues Synodi op den naesten Synodum te bestellen.

XXIX.

44. Desen voorgaenden reghel salmen oock in den generalen ofte nationalen Synoden houden, op den welcken verschynen sullen twee Dienaers ende twee Ouderlinghen niet van den Classen maer van particulieren Synoden soo wel der walscher als der nederduytscher sprake met briefuen van credentie ende instructie aengaende de leere ceremonien ende Kerckeliche regeringhe mitsgaders alle andere dinghen de welcke in den particulieren Synoden niet en hebben konnen afghehandelt werden.

XXX.

45. De generale ofte nationale Synodus sal ordinarelick alle dry iaren ghehouden worden, dogh alsoo datse in dien de noot sulckes eyscht eer mach te samen gheroepen worden. Ende de particulieren Synoden sullen dry maenden te vooren elck bysonder vergaderen om hen totten generalem te bereyden.

XXXI.

46. Ouermidts in de nederlanden tweederley sprake ghebruyckt wordt, de Duytsche ende Walsche, so is goet ghevonden dat de ghemeynten deser beyder spraken hare bysondere Kercken-raden, classicale vergaderinghen ende particuliere Synoden hebben ende houden, dogh soo de ghemeynten van deene ofte dandere sprake alle hare particuliere Synoden willen te samen roepen, dat sullen sy moghen doen. Wel verstaende dat in sulcke versamelinghen van de eene sprake alleene, niet van het ghene dat in den handel der ceremonien Kerckelicker regieringhe ende ander

|110|

swaren saken in desen Synodo besloten is, verandert en worde, maer soo men acht datter eenighe veranderinghe van nooden is, de selue sal in den nationali Synodo beyder spraken gheschieden. Ende soo het gheviele dat de nationalis Synodus van weghen der noot voor den ghewoonlicken tyt moeste beroepen syn, soo sullen twee classen, van elcker spraken eene aen twee particuliere Synoden schryuen, op datse verordineren moghen wanneer ende waer de generale Synodus ghehouden sal worden.

 

[Cap. III.] Van de Scholen.

I.

47. Men sal aerbeiden dat oueral scholen opgericht worden in den welcken de kinderen niet alleen in spraken ende komsten, maer oock voornemelick in den christelicken cathechismo onderwesen ende totten predicatien gheleydet worden.

II.

48. De ghemeynten sullen allen moghelicken vlyt aenwenden dat somighe studenten van goeder hope door de Ouerheyt ofte andere particuliere personen in de grooter scholen onderhouden worden, de welcke namaels tot den dienst des woordts sullen moghen ghebruyckt worden.

III.

49. In den gheneynten daer studenten syn in der Theologie sullen de selue alle weken in een bysonder versamelinghe daertoe bestemt, in de teghenwoordicheyt der Dienaeren des woordts int proponeren gheoeffent worden op dat sy door het oordeel ende vermaninghe der seluer totten dienst alsoo moghen bequame ghemaeckt worden.

|111|

IV.

50. De Professoren der Theologie sullen de beleydenisse des gheloofs der nederlantscher Kercken onderschryuen.

V.

51. Gheen Professores der Theologie sullen moghen predicken noch de Sacramenten bedienen dan die totten dienst des woordts beroepen syn.

VI.

52. Soo de Classe ofte Synode in de plaetse daer de vniuersiteyt is te samen koemt, sullen de Professores der Theologie mede by koemen der welcker een wt der name der anderer stemme hebben sal.

 

[Cap. IV.] Van de Leere Sacramenten ende Ceremonien.

I.

53. Om eendrachticheyt in der Leere te betuyghen achten wy datmen in allen Kercken der Nederlanden de belydenisse des gheloofs in seuen en dertich artykelen begrepen in dit Iaer 1578 herdruckt, ende den Coninck Philippo ouer vele jaren ouerghegheuen onderschryuen sal. Ende ghelyck dit van den Dienaeren des woordts ende Professoren der Theologie ghedaen sal worden, soo ware oock goet dat het selfde van den Ouderlinghen gheschiedde.

II.

54. In den Duytschen Ghemeynten salmen den catechismum ghebruycken die metten Psalmen door Petrum Dathenum ouerghesett, ende in den Walschen, die metten Franchoyschen Psalmen tot noch toe ghedruckt is. Het sal oock den Duytschen ghemeynten vry staen het corte ondersoeck des gheloofs wt den cathechismo te samen ghetrocken ende den voorseyden Psalmen

|112|

Datheni ghedruckt te ghebruycken om die te onderwysen die hen totter ghemeynte begheuen.

III.

55. Niemant en sal eenich boeck van hem seluen ofte van yemant anders ghemaeckt in het welcke van de religie ghehandelt wordt laten drucken ofte int licht brenghen door hem seluen ofte door anderen eer het selfde van den Dienaren der Classe ofte Professoren der Theologie onser belydenisse ouersien ende voor goet bekent sal wesen.

IV.

56. De Dienaers sullen een gheheel boeck der H. Schrift ordentlick totten eynde toe der Ghemeynte verclaren. Dogh sullen sy meest de boecken des nieuwen Testaments voornemen, hoewel het nochtans hen vry staen sal de materie harer predicatie wt den boecken des ouden Testaments te nemen, met aduyse des Kercken-raets de welcke op de stichtinghe ende gauen der Dienaren acht nemen sal. Ende in den plaetsen daer de Sondaeghsche Evangelien noch ghebruyckt worden, salmen sulckes dulden ter tyt toe datmen het selfde bequamelick sal konnen affsetten.

V.

57. In den ghemeynten daer het ghebruyck der Auontghebeden inghevoert is ende Predicanten ghenoegh syn om die te doen sal het selfde ghedraghen worden, dogh alsoo dat daer door het nootsakelick ghebruyck der huysghebeden niet naghelaten en worde. Ende sullen oock de Dienaers op het ghebet meer acht nemen dan om een langhe predicatie ende wytloopighe verclaringhe te doen op het gheheel ofte halue capittel datse in den Auontghebeden ghewonelicken nemen sullen. Maer daerse noch niet inghevoert en syn, en salmense niet lichtelick toelaten ten ware in tyden

|113|

van ghemeyne nooden, op dat de ordinaire predicatien ende huysghebeden niet in verachtinghe en koemen. Ende het sal allen Kercken vry blyuen te ordineren of men vele of weynich auontghebeden doen sal. Ende daermen acht datse beter affghedaen waren salmen het aduys vander classe ende vander Ouericheyt der ghereformeerder Religie hier ouer ghebruycken.

VI.

58. Ouermidts het ghebruyck der Lyckpredicken seer sorgherlick is, soo ghevoelen wy, datse in de plaetsen daer sy niet en syn, niet en behooren inghevoert te werden. Maer daerse ghewoonlick syn ghehouden te worden ende het ghetal der Dienaren ghenoeghsaem is, de welcke metgaders den Ouderlinghen de seluighe oordeelen niet onnut te syn, sullense gheduldet worden, ter tyt toe datse bequamer ghelegentheyt sonder erghernisse sullen moghen affghesett worden. Nochtans met dezer waerschouwinghe datse meer een forme hebben van een onghepremediteerde vermaninghe dan van eene predicatie de welcke van den ghebeden beghonnen ende met dancksegghinginghe ghesloten wordt. Datmen oock in den seluigen der affghestorvener loff niet en vercondighe. Het sal oock der Dienaren Ampt syn sorghe te draghen dat het ghebruyck der clocken de welcke in den Pausdom soo int verscheyden als int begrauen der mensschen gheluyt worden wegh ghenomen werde.

VII.

59. Het verbont Gods sal in den kinderen der Christenen met den Heylighen Doop soo haest alsmen den seluighen bekoemen kan beseghelt werden, ten ware dat yemant eenighe ghewichtighe oorsake hadde om den seluen wt te stellen, van de welcke de Dienaers metten ouderlinghen oordeelen sullen.

|114|

VIII.

60. Men sal den Doop niet bedienen dan in der predicatie. Dogh in den dorpen daer weynich predicatien ghedaen worden salmen een sekeren dagh in de weke verordenen, om den Doop te bedienen. Alsoo nochtans dat het selfde sonder korte predicatie niet en gheschiede.

IX.

61. De vader des kints dat te doopen is sal in sonderheyt by den doop wesen, ten ware dat hy een wichtighe oorsake syns affwesens hadde. Op dat hy voor syn kint bidde, ende het seluig heden Heere opdraghe, ende beloue te doen tghene dat hem van den Kerckendienaer voorghehouden wordt, volghende het formulaer in de bedieninghe des doops ghestelt. Dogh de ghetuyghen en salmen soo nauwe niet verbinden maer men salse hares ampts teghen het kint vermanen. Ende de ouders eer sy hare kinderen te doope brenghen sullen by den Kerckendienaer ofte eenen ouderlinck gaen op dat de ghemeynte kennisse hebben magh van den ghenen die gedoopt worden.

X.

62. Het is raetsamer ende sekerder dat alle Dienaers het formulaer der instellinghe ende des ghebruycks des H. Doops welck daertoe beschreuen is volghen, dan eenen yeghelicken syn eyghen verclaringhe vry te laten.

XI.

63. Het is vry sulcke namen den kinderen te gheuen alsmen wil, nochtans sal een yegelick vermaent syn dat hy die namen die of Gode ofte Christo eyghen syn als dear syn Emanuel, Saluator etc. ofte der officien ende bysondere diensten als Enghel, Baptista etc. of de

|115|

welcke andersins superstitieus syn, den kinderen niet en late ghegheuen worden.

XII.

64. Niemant en sal in de ghemeynte ontfanghen worden dan die voorhenen van den Kerckenraet ofte ymmers eenen Dienaer ende Ouderlinck van de hooftsomme der Christelicker leere ondervraeght sy, Ende eer sy ten Auontmale des Heeren gaen, sullen sy in den Kerckenraet ofte in der Kercke na der predicatie de welcke recht voor de bedieninghe des Auontmaels gheschiet opentlick betuyghen datse de leere in der ghemeynte ontfanghen, die van den Dienaer cortelick verclaert sal worden, voor goet houden ende door de hulpe des Heeren in der seluighe volstandich blyuen willen, ende hen seluen der christelicker vermaninghe onderwerpen.

XIII.

65. Aengaende de ghene die met ghetuyghenisse briefuen wt anderen Kercken koemen, sullen sonder nieuwe belydenisse des gheloofs te doen toeghelaten werden, maer de ghene die gheen gheschreuen noch leuendighe ghetuyghenisse van gheloofwerdighe personen hebben, sal men op dat mael niet toelaten.

XIV.

66. De Dienaers des woordts, Ouderlinghen ende diakenen sullen voor het houden des Auontmaels onder malcanderen een christelicke censure ofte ondersoeckinghe doen, soo wel ouer de leere als ouer den wandel, ende sullen de christelicke vermaninghen in der liefde opnemen.

XV.

67. Voor het Auontmael sullen de Dienaers ende Ouderlinghen

|116|

de lidtmaten der Kercke besoecken, voornemelick de swackste, ende de ghene diet meest van doene hebben, Op datse, soo vele in hen is, met leeren vermanen troosten ende opgheresen swaricheden neder te legghen de Ghemeynte tot dese hooghwerdighe handelinghe recht bereyde.

XVI.

68. Men sal voor de bedieninghe des Auontmaels een predicatie doen in de welcke van de bekeeringhe des mensschen beproeuinghe syns selfs, ende syne versoeninghe met God ende den naesten ende dierghelycke andere materien ghehandelt sullen werden. Maer op den dagh des Auontmaels selue, sal het nut syn datmen van den Sacramenten ende met name van de verborghentheyt des Auontmaels het volck leere, ende tot dien eynde eenen bequamen text neme, ten ware dat de ghewoonlicke text daertoe bequamelick gheschickt konde werden. Dogh na den middagh salmen met de ghewoonlicke predicatie ofte catechismo voortvaren.

XVII.

69. Ouermidts wy middelmatich achten in de bedieninghe des Auontmaels te staen of te sitten (het knyelen nemen wy wt om de superstitie ende het perykels wille van het broot aen te bidden) soo sullen de ghemeynten die wyse ghebruycken die een yeghelick de alderbequaemste sal duncken.

XVIII.

70. De woorden des Auontmaels sullen wt den 10 Capit. des eerste totten Corinthen ghenomen werden, daer by voeghende dese woorden Neemt, eet, ghedenckt, ende ghelooft etc.

|117|

XIX.

71. Te wyle het H. Auontmael bedient wordt salmen somighe capittelen wt den Propheten ofte Euangelisten van het lyden Christi voorlesen, ofte eenighe Psalmen singhen na dat eene yeghelicke Kercke oorboerlick te syn oordeelen sal.

XX.

72. In allen middelmatighen dinghen sullen gheen Kercken verachtet worden, die een ander wyse gebruycken dan wy doen.

XXI.

73. Ghelyckerwys het Auontmael des Heeren in die plaetsen niet behoort bedient te worden daer noch gheen Kerckelicke ordeninghe ghestelt en is, Alsoo salment in den welghestelden Kercken alle twee maenden soo vele moghelick is bedienen. Dogh salmen den Kercken in sonderheyt den heymelicken ende die onder het cruyse sitten hare vryheyt laten dat soo dickmael te houden alset haer gheleghen is.

XXII.

74. In tyden van oorloghe pestilentie diere tyden sware vervolghinghen der Kercke ende andere openbare ellendicheden salmen een vasten met bidden aenstellen ende heylighen door raet der Kercke ende bewillinghe der Ouerheyt soo dat gheschieden kan. Alsoo dat de Ghemeynte haer van het ghewonelicke voetsel ende tydelicke handelinghe onthoudende totten auont toe, met bidden, het woordt Gods te hooren, de Heyl. Schrifture te lesen ende andere heylighe oeffeninghen hare boetveerdicheyt ende ghelooue betuyghe, ende in der warer godsalicheyt

|118|

toeneme. Dogh sal het raedtsamer syn het vasten op andere daghen dan op den Sondagh te heylighen.

XXIII.

75. Het ware wel te wensschen dat de vryheyt van ses daghen te aerbeyden van God toeghelaten in der Kercke ghehouden ende de Sondagh alleen ghevyert mocht worden. Nochtans dewyle somighe andere feestdaghen door authoriteyt der Ouerheyt onderhouden werden, te weten den Christdagh metten navolghenden dagh, item den tweeden Paeschdagh ende tweede Pynxterdagh ende in somighe plaetsen den iaersdagh ende hemelvaerts dagh, soo sullen de Dienaers neersticheyt doen datse met predicatien in den welcken sy in sonderheyt van de gheboorte ende verrysenisse Christi seyndinghe des H. Geestes ende derghelycke artykelen des gheloofs, de ghemeynte leeren sullen den onnutten ende schadelicken ledichganck in een heylighe ende profytelicke oeffeninghe veranderen. Het selfde sullen de Kerckendienaeren in dien Steden doen daer meer Feestdaghen door de authoriteyt der Ouericheyt onderhouden worden. Hierentusschen sullen alle Kercken aerbeyden, dat het ghewoonlick ghebruyck aller feestdaghen behaluen den Christdagh (dewyle Paesschen en de Pyncxteren op den Sondahg koemen) soo vele moghelick is, ende op het aldervoeghelickste affghedaen werden. 

XXIV.

76. De Psalmen Dauidts van Petro Datheno ouergesett sullen in den Christelicken tsamenkoemsten der Nederduytscher Kercke ghelyckmen tot noch toe ghedaen heeft ghesonghen worden, achterlatende de ghesanghen de welcke in der H. Schrift niet en worden ghevonden.

|119|

XXV.

77. Het ghebruycke der Orghelen in den Kercken houden wy niet voor goed in sonderheyt voor de predicatien. Daerom achten wy dat de Dienaren behooren te aerbeyden, ghelyckse voor eenen tyt gheduldet worden, datse alsoo metten eersten ende op het aldervoeghelickste wegh ghenomen werden.

 

[Cap. V.] Van het Houwelick.

I.

78. De Houwelicksche ondertrouwe sal gheschieden per verba de presenti, dat is met woorden die de teghenwoordighe beloftenisse ende verbindinghe medebrenghen ende wtdrucken sonder conditie ofte wtneminghe.

II.

79. De Heymelicke beloftenissen sullen van gheener werden syn, ende die sullen voor heymelick ghehouden worden de welcke niet in teghenwoordicheyt van twee ofte dry van den vrienden bloetverwanten ofte ymmers van anderen gheloofwerdighen persoonen aen beyden syden en sullen ghedaen wesen.

III.

80. Het soude oock nut ende te wenschen syn dat wanneer de seluighe gheschieden, een Kerckendienaer ofte Ouderlinck daer by ware, Op dat hy den name des Heeren aengheroepen ende beyde de partyen hares ampts vermaent hebbende neerstelick mochte ondervraghen of sy yemants anders beloftenisse hebben ghedaen, ende soo een van beyden een lidtmaet der Kercke is, of de andere partye oock der Religie is toeghedaen, Ende voornemelick op dat hy versekert mocht werden van dese navolghende stucken.

|120|

IV.

81. Gheen onderiarighen (waer van men de verclaringhe nemen sal wt de rechten ende costumen elckes lants) de welcke onder de macht harer ouderen ofte der ghener die in der ouders plaetse syn, namelick der mombaren of vooghden, en sullen sonder haer consent belofte van houwelicke moghen doen, Ende de houwelicksche beloftenisse anders ghedaen en is van gheender weerde. Dogh soo eenighe hen soo onredelick ende soo onghewillich in deser sake hielden datse gheensins en wilden bewillighen (het welcke somwylen wt haet der Religie ende anderen oorsaken gheschiet) soo sal de Kerckenraet besluyten wat hierin te doen staet.

V.

82. Maer indien beyde partyen ofte een van beyden voorhenen ghehylickt gheweest is, soo sal de doot der eerste partie door wettelicke ghetuyghenisse moeten blycken.

VI.

83. De onbekende vremdelinghen sullen tot de houwelicksche trouwe niet toeghelaten werden ten sy datse door wettelicke ghetuyghenisse doen blycken datse vry syn.

VII.

84. De Ouerheyt sal ghebeden worden datse die houwelicken niet en verbiede (soo vele sulckx na gheleghentheyt der tyden ende plaetsen voeghelick gheschieden kan) in die graden der bloetverwantschap ende maeghschap in den welcken de seluighe soo door godlicke als door keyserlicke Rechten toeghelaten werden. Maer soo langhe als dit niet verkreghen kan

|121|

werden, is het beter haren wetten ghehoorsaem te syn dan in de swaricheden ende erghernissen te vallen die daer wt volghen souden.

VIII.

85. De ondertrouwe wettelick ghedaen synde, sal oock door beider partyen bewillighinghe niet ghebroken konnen worden.

IX.

86. De namen der ghener diemen trouwen sal, sullen op dry sondaghen ofte andersins dry reysen, datter tamelicken tyt tusschen beyden sy, na der predicatie wtgheroepen werden.

X.

87. De Houwelicken sullen vercondicht werden ter plaetsen daar de partyen wonen, ofte daerse bekent syn. Ende soo yemant in een ander plaetse dan daer syn gheboden afghekondicht syn ghetrouwt wilde wesen, soo sal hy van den Kerckenraet een ghetuyghenisse van synen gheboden mitbrenghen.

XI.

88. De ghene teghen der welcker wtroepinghe niet en is ghekoemen, moghen op alle predickdaghen in der ghemeynte tsamen ghegheuen worden, behaluen op den ghemeynen vasten ende bidtdagh, het welcke oock te wensschen ware dat het op den dagh des Auontmaels niet en gheschiede.

XII.

89. Hoewel Paulus den weduwen gheenen sekeren tyt voorschryft wanneer sy herhylicken moghen nochtans

|122|

dewyle hyse vermaent datse in den Heere trouwen sullen, soo en lydt de eerbaerheyt ia ook de nootsakelickheyt niet, datse voor vier maenden en half wederom hylicken souden, bysonder dewyle door keyserlicke rechten haerlieden een Rouweiaer dat is den tyt van neghen maenden voorgheschreuen wordt.

XIII.

90. De Dienaren sullen de partie dien door het ouerspel van dander partye onghelyck gheschiet is vermanen datse haer versoenen. Het welcke soo sy niet verkryghen en konnen sullen sy wel verclaren wat hen door het goddelicke recht toeghelaten sy, Nochtans sullen sy hen onderrichten datse sonder het oordeel ende authoriteyt der Ouerheyt niet herhylicken en moghen. Ende soo de veronghelyckte partye sodane Ouericheyt niet bekoemen en konde, soo salse ter sulcker plaetse gaen daerse een Ouericheyt hebben magh door welckers authoriteyt de sake gheoordeelt worde.

XIV.

91. Wanneer in de houwelicksche saken eenighe grooter swaricheyt voorvalt, soo sal de Ouerheyt ghebeden worden datse twee ofte dry van hen verordenen die metten Dienaren der Classe de selue swaricheyt ter neder legghen.

 

[Cap. VI.] Van de Kerckelicke Vermaninghe ende Straffinghe.

I.

92. Ouermidts de Heere Christus behaluen den dienst des woordts ende der Sacramenten oock de Kerckelicke vermaninghen ende straffinghen inghestelt heeft, so sullen de Dienaren niet alleen openbaerlick

|123|

leeren straffen vermanen ende wederlegghen, maer sullen oock een yeghelick int bysonder vermanen tot syn behoorlicke plicht, maer ghelyck de Christelicke straffe geestelick is, ende niemant van de straffe der Ouericheyt en bevrydt, alsoo worden oock bouen de borgherlicke straffinghe de Kerckelicke straffinghen nootsakelicken vereyscht, om den Sondaer met God ende synen naesten te versoenen, ende de erghernisse wt der ghemeynte Christi wech te nemen.

II.

93. Soo dan yemant in de suyuerheyt der leere dwaelde, ofte in den wandel sondichde, soo verre als het heymelick is ende gheen openbare erghernisse en brengt, soo sal den reghel onderhouden worden dien Christus duydelick voorschryft Mat. 18.

III.

94. De heymelicke sonden daer van de sondaer int bysonder van een twee ofte dry ghetuyghen vermaent synde hem bekeert en salmen tot den Kerckenraet niet brenghen.

IV.

95. Soo yemant van heymelicke sonden door twee ofte dry vermaent synde niet en hoort, ofte een openbare sonde begaen heeft, sulcx sal den Kerckenraet aenghegheuen worden.

V.

96. Die hartneckelick de vermaninghe des Kerckenraets verwerpt sal van den nachtmael affghehouden werden, maer soo hy affghehouden synde na verscheyden

|124|

vermaninghen gheen teeken der boetverdicheyt en gheeft soo sal dit de voortganck syn totter afsnydinghe.

VI.

97. De Dienaer sal opentlick de ghemeynte van den hartneckigen sondaer vermanen, de sonde openbaren ende de behoorlicke plicht diemen ghedaen heeft in hem te straffen van het Auontmael aff te houden, ende daerna neerstelick te vermanen voor den volcke verclaren, Ende sal de gheymeynte vermanen datse voor dese onboetverdighen sondaer bidde eer datmen ghedwonghen werde tot de laetste remedie te koemen. Sodanighe drye vermaninghen sullender ghedaen worden. In de eerste en salmen den sondaer niet noemen op dat hy eenichsins verschoont werde. In de tweede salmen hem noemen. In de derde sal der ghemeynte aengheseyt worden datmen hem affsnyden sal ten sy dat hy hem bekeere, op dat soo hy hartnechkich blyft syn affsnydinghe door stilswyghende bewillinghe der ghemeynte gheschiede. De tyt die tusschen de vermaninghen gaen sal, sal int oordeel des Kerckenraets staen. Ende in de affsnydinghe van dusdanighen hartneckighen sondaer sal de Dienaer int breede verclaren het ghebruyck ende eynde der seluer, ende de gheloouighen vermanen datse gheen onnoodighe ghemeynschap ofte conuersatie metten afghesnedenen hebben, maer syn gheselschap schouwen, in sonderheyt tot desen eynde, op dat de afghesneden door schaemte verslaghen synde aernstelick bedencken magh hem te bekeeren.

VII.

98. Van den sonden die van harer nature openbaer syn, ofte die door verachtinghe der vermaninghen der Kercke openbaer ghemaeckt worden, sal de versoeninghe openbaerlick gheschieden, niet na het segghen van een ofte twee, maer na het oordeel des gantschen Kerckenraets

|125|

op sulcker wyse ende forme als tot de opbauwinghe elcker Kercke alderbequaemst gheacht sal worden.

VIII.

99. De ghene die sware sonden begaen hebben die der Kercke schandelick syn ofte oock die vander Ouericheyt ghestraft behooren te worden, al ist datse met woorden boetverdicheyt bewysen, sullen sy nochtans van de ghemeynschap des Auontmaels om de aerghernisse wech te nemen ende hare boetveerdicheyt te beproeuen affgehouden worden. Dogh hoe dickwils off hoe lange dit gheschieden sal, sal int goetduncken des Kerckenraets staen.

IX.

100. Soo de Dienaers Ouderlinghen ofte Diakenen een openbare groue sonde, die der Kercke schandelick ofte vander Ouericheyt oock te straffen ware beghinghen, soo sullen de Ouderlinghen ende Diaconen wel terstont van haren dienste door het oordeel des Kerckenraets affghesettet worden, maer de Dienaers salmen van haren dienste opschorten. Dogh offmense gheheel affsetten sal, sal int oordeel staen van de classicale vergaderinghe.

X.

101. Maer off de Dinaers Ouderlinghen ende Diaconen affghesett synde na dat sy der Kercken met boetveerdicheyt voldaen hebben soo sy wederom vercoren worden toeghelaten sullen moghen wesen, soo vele als de Ouderlinghen ende Diakenen aengaet sal de Kerckenraet oordeelen, Maer soo vele de Ministers belanght sal van de classicale versamelinghe gheoordeelt worden.

|126|

XI.

102. Gheen Kercke en sal ouer andere Kercken, gheen Dienaer ouer andere Dienaers, gheen Ouderlinck noch Diaken ouer andere Ouderlinghen ofte Diakenen eenighe heerschappie voeren ofte ouerhant hebben, maer lieuer sal hem een yeghelick van alle oorsake ende suspitie van dien wachten, Hoewel wt plicht der liefde de eene Kercke de andere, de een Dienaer den anderen etc. niet alleen moghen, maer oock behooren te vermanen.

 

PETRUS DATHENUS electus praeses ss.
CASPARUS HEYDANUS Assessor ssi.
ARNOLDUS CORNELIUS Scriba.
e.a.

|127|

Particuliere Vraghen.

1. Ofmen de artykelen des Synodi niet en behoort met ghetuyghenissen der Schrifturen te bevestighen. Is gheantdwoort, Dat dit onnoodich is omtrent de dinghen die middelmatich syn, ende de ordeninghe der Kercke aengaen. Die niet middelmatich syn heeft de Synodus alsoo ghestelt, datse de seluighe acht op de authoriteyt der H. Schrifturen ghegrondet te syne, de welcke soo yemant daerby wil setten sal tselue moghen doen.

2. Of het van nooden is dat de artykelen des Synodi van de Ouerheyt bevestight werden? Is gheantdwordt, Datmen de Ouerheyt sal bidden datse die artykelen met hare authoriteyt bevestighen wille, in den welcken de seluighe authoriteyt van nooden is om int werck gheleyt te moghen worden. Ende daer sullen twee verordent worden om dat met een Requeste aen den Staten te versoecken.

3. Watmen met sulcken Dienaer doen sal die sich onder gheen classen ordeninghe begheuen en wil? Is gheantdwoordt, Datmen sulk een den particulieren Synodo aengheuen sal op dat van den seluighen daerin voorsien worde. Daerbeneffens sal de Classis ettelicke verordenen, die de Ouerheyt der ghereformeerder religie van de nutticheyt ende billickheyt deser ordinantie onderrichten sullen, ten eynde dat sy door de authoritheyt der seluighe hierin magh gheholpen werden.

4. Of het den ghenen die door wettelicke wtsprake des Kerckenraets ofte Classis ghecondemneert syn, tot allen tyden wanneer sy willen vry is sich tot grooter

|128|

vergaderinghe te beroepen? Is gheantdwoort, Dat de saken te onderscheyden syn om welcken de beroepinghe gheschiet. Want daer twee persoonen teghen malcanderen in questie staen sal de ghene die ghecondemneert wordt de beroepinghe vry ende gheloorloft syn tot de helft van den tyt die daer is tusschen de versamelinghe van de welcke hy ghecondemneert is tot de naeste grooter versamelinghe tot dewelcke hy sich beroept, ten ware dat die tyt te cort ware, waer van de classis oordeelen ende besluyten sal. Maer soo het oordeel wtgesproken is teghen yemanden alleen die ghesondicht heeft, sal de seluighe sich terstont beroepen. Ende soo yemant op den bestemden tyt sich niet en beroept, die sal van het recht der beroepinghe versteken wesen.

5. Ofmen het oordeel der ouerheyt van de ghereformeerde Religie int afsetten der Dienaren ghebruycken sal? Is gheantdwoort, Dewyle het der Christelicker Ouericheyt Ampt is te besorghen datmen in godsalicheyt ende eerbaerheyt leue waertoe ghetrouwe Dienaren van noode syn, soo salmen hare bewillinghe int afsetten der Dienaren ghebruycken, ghelyck ook van den Synodo verordent is datmen dit in de beroepinghe der seluen doen sal. Het selfde sal in de translatie ende ouersettinghe der Dienaren in sonderheyt soo sy eewich ofte ymmers lanckdurich is, onderhouden worden.

6. Of het der Ouericheyt geoorloft is buyten wille ende weten des Kerckenraets die Dienaren des woordts aen te nemen ofte af te setten? Is gheantdwoort: gheensins.

7. Of alle Dienaren in vlaenderen gheboren ende in dese nederlanden ofte in anderen plaetsen den nederlantschen Kercken dienende, soo sy van eenighe Kercke in vlaenderen gheroepen werden, die beroepinghe te volghen ghehouden syn? Item of de Dienaren in het nederlant gheboren ende in andere nederlantschen Kercken in vremden landen dienende soo sy vanden Kercken die int nederlant syn gheroepen werden schuldich

|129|

syn die beroepinghe waer te nemen? Is gheantdwoort, Nademael het gheheele nederlant onse alghemeyne vaderlant is, dat het gantsch onredelick sy dat de Dienaren buyten tlant van vlaenderen ende dogh in den nederlanden de Kercke Christi dienende aen vlaenderen souden verbonden syn. Ende soo vele de andere aengaet die buyten den nederlanden in de dienste syn oordeelt de Synodus datmen die seluighe oock buyten de bewillinghe harer Kercken niet beroepen magh.

8. Of een Dienaer op seker conditie van syner Kercke aenghenomen synde, door de macht des classis bouen die conditien verbonden magh worden? Antdwoorde, Dewyle wy ons seluen Christo ende syner ghemeynte gheheel schuldich syn soo isset eens ghetrouwen Dienaers Ampt in redelicke conditien te bewillighen, al ist datse van te voren niet wtghedruckt en syn. Ende de Classis sal oordeelen welcke conditien redelick of onredelick syn.

9. Of het eenen Dienaer gheoorlooft is een Rentmeesterschap te bedienen? Antw. Neen het.

10. Of men een Ouderlinck ofte Diaken bequaem synde om de Kercke te dienen dogh een quade ende wederspannighe huysvrouwe hebbende daarom van den dienst der Kercke afweeren sal? Is gheantdwoort, Datmen hem wel van den dienste sal afhouden dewyle de huysvrouwe der Kercke tot een erghernisse wesen soude dogh soo hy nu in den dienste is datmen hem niet afsetten sal.

11. Watmen met een Dienaer doen sal die wel suyuer in der leere ende vroom van wandel is, nochtans gheen gaue en heeft om onder de ghemeynte met synen predicatie veel vruchts te doene? Antdw. Ghelyckerwys datmen de curieusheyt der mensschen niet en behoort te voeden, alsoo by aldien de ghemeynte der plaetse daer de Dienaer staet haer beclaeght dat syn maniere van leeren niet veel vruchts doet, soo sal de Classis neerstelick hier na vernemen ende soo syt

|130|

alsoo bevindt soo salse hem in sulcken plaetse transfereren daer synen dienst sal moghen syn. Hierentusschen sullen de Kercken ernstelick vermaent worden datse de Dienaers neerstelick beproeuen eer sy de selue aen nemen.

12. Hoe ende op wat wyse de Kercken haren Dienaren haer behoirlick onderhoudt besorghen sullen? Antdw. Men sal een Requeste wt den naem deses Synodi schryuen om den Staten ouer te gheuen door Thomam Tilium ende Arnoldum Cornelium.

13. Of een Ouderlinck die synen tyd wtghedient heeft ende bereyt is noch langher te dienen der ghemeynte wederom magh voorghestelt worden om hem te moghen verkiesen? Antw. Ia. Want de tweeiarighe veranderinghe der ouderlinghen is daerom in sonderheyt inghesett op datse van den laste hares dienstes mochten verlichtet werden.

14. Of een Ouderlinck wettelick verkoren synde het ampt mach weygheren aen te nemen? Antdw. Neen, ten ware om seer ghewichtighe oorsaken van den welcke de Kerckenraet ende soo het noodich is, de Classis kennisse nemen sal.

15. Of de ouderlinghen omtrent de examinatie der Dienaren in den Classischen versamelinghen soo wel kuerstemmen hebben sullen als de Dienaers des woordts? Antdw. Men mach der ouderlinghen aduys wel hooren van de suyuerheit der leere der Dienaren. Maer de Dienaers alleen sullen kuerstemmen hierin hebben, dogh van de gaue van wtspreken ende andere dierghelyke gauen sullen de ouderlinghen oock hare kuerstemmen gheuen.

16. Welck van beyden beter is de aelmoessen na de predicatie aan de Kerckdueren te versamelen ofte onder de predicatie omgaende door het volck? Antdw. De eerste wyse is beter, nochtans in den Kercken daermen die seluighe niet hebben en kan salmen die selue dulden tot dat mense can verbeteren.

17. Wat een Kercke te doen staet de welcke door

|131|

de Ouerheyt in den dienst der Diaconie verhindert is? Antdw. Men sal alle neersticheyt doen, dat der Kercke haer Recht in der bester voeghe wederghegheuen worde het welcke eerst de Kerckenraet ende daerna oock de Classis soo het van nooden is besorghen sal, het selfde oock aen der hoogher ouericheyt versoeckende soo het nootsackelick is.

18. Of het oorbaer ende noodich is den Bybel wt den Hebreischen in der nederduytscher tale ouer te setten of ten minsten de ghemeyne ouersettinghe te ouersien, ende wien men desen last oplegghen sal? Antdwoordt. Men sal wel tot syner tyd de Bybel wt der Hebreischen tale ouersetten moghen. Hierentusschen salmense na de Francoysche Latynsche ende andere in sonderheyt na de nieuwe Heydelbergsche ouersettinghe ouersien. Daerby oock voeghende de Franchoysche annotatien ouer het oude Testament. Dogh soo salmen toesien dat dit werck een persoon alleen niet opgeleyt werde, ende syn verordent de Heere van Ste Aldegonde ende Petrus Dathenus om na bequame mannen wt te sien die dit werck behoirlick sullen konnen wtvoeren.

19. Ofmen het boeck der Martelaren vermeerderen sal? Antdw. Ia. Ende Iohanni Cubo is opgheleyt dewyle hy ettelicke autentyke memorien van Martelaren by hem heeft dat hy sorgh draghe datse ouersien ende by het martelaer-boeck ghedruckt werden, waerin hy van Taffino ende Vinea gheholpen sal worden. Is oock van allen anderen Dienaren begheert, dat de ghene die eenighe memorien van oprechte martelaren hebben, de seluighe aen den voorschreuen Cubum seynden.

20. Ofmen de Institutie Ioannis Caluini in de nederduytsche sprake correcter ouersetten sal? Antdw. Ia. Ende is Petro Datheno opgheleyt te doen.

21. Of het nut is de Historie der Nederlandsche gheschiedenissen te beschryuen? Is gheantdwoord, Dat het gantsch profytelick is. Ende om dit te doen is bestemt de Heer van Ste Aldegonde. Ende is allen

|132|

Dienaeren belastet datse nerstelick die dinghen opschryuen die van de eerst vryheyt aff in haren contreyen gheschiet syn, ende de seluighe soo verre sy seker wetenschap daer van hebben tot hare classisiche vergaderinghe brenghen met wtdruckinghe des tyts wanneer elck dinck gheschiet is. Dogh sullense in de voorschreuen vergaderinghen neerstelick ghelesen worden, op dat voor seker blycke ofse warachtich syn. Ende op dat alle dit door versuymenisse niet naghelaten worden, sal de Praeses in elcke versamenlinghe die Dienaers daer van vermanen ten eynde datse teghen den eersten Ianuarii naestcomende ao 79 hare memorien ghereet hebben om de selue tot de Kercke van Antdwerpen te seynden diese den Heere van Ste Aldegonde ouerleueren sal.

22. Of het niet raetsaem is voor den ghenen die gheen latyn en konnen aen te houden dat de wtlegghinghe Caluini ouer de Euangelisten die nu ouerghesett is ghedruckt werde? Antdw. Het is Iohanni Cubo opgheleyt te versorghen dat de Copie met den eersten na Delft ghesonden werden, de welcke door Arnoldum Cornelium Dienaer dier Kercken teghen het latynsche exemplaer sal ouersien werden op dat sy daer na ghedruckt worden magh.

23. Op een ander vraghe is Ioanni Gerobulo Dienaer der Kercke tot Vlissinghe last gheghenen in het nederduytsche ouer te setten de Chronyke van Carion ghelyckse door Phillippum Melancthonem ende Peucerum met Historien ende exempelen verryckt ende vermeerdert ende op een nieu ghedruckt is.

24. Op een ander vraghe is Iohanni Arcerio Dienaer des Woordts in de classe van Leyden opgheleyt dat hy ouersette het boeck Bullingeri van den oorspronck der dwalinghen.

25. Op de vraghe Hoemen den toenemenden Wederdooperen te ghemoete gaen sal? Is gheantwoordt: Ten Isten sullen de Dienaers des Woorts de fundamenten des gheloofs ende artykelen die tusschen ons

|133|

ende haer twistisch syn neerstelijck ende claerlick haren ghemeynten wtlegghen. Ten IIen sullen sy haer ghemeynten tot godsalicheyt ende liefde aerstelick vermanen, ende selue met goet exempel voorgaen. Ten IIIen sullen se de lidtmaten harer ghemeynten naerstelick besoecken. Men sal oock ten IIIIen verscheyden corte ende clare tractaetkens van den hooftartikelen der wederdoopersche dwalinghen schryuen ende wt laten gaen. Maer soo vele aengaet de tsaemensprekinghen ende disputatien met hen, op die plaetsen daer de ervarentheyt leert datse niet onvruchtbaer syn, sullense aenghenomen worden alleen van den ghenen die de Classis daertoe bequame oordeelen sal.

26. Oftmen gheestelicke comedien ende tragedien voor den volcke in Rhetoryke spelen magh? Antdw. Nademael dese ghewoonte noyt in de Israelitische ofte Apostolische Kercke gheweest is, ende vele ongheschicktheden daerwt volghen ende het oock openbaer is dat de facteurs der seluer dickwils de fundamenten der Christelicker Religie niet ghenoegh verstaen, waer wt met recht ghevreest wordt dat vervalschinghe der leere soude moghen volghen, dewyle het oock is een ontheylighinghe van het Woordt Gods, soo behoortmen te aerbeyden datse soo vele moghelick is gheweert, ende alle lidtmaten der Kercken affgheraden worden.

27. Ofmen allerley mensschen Kinderen als van hoereerders Afghesnedenen Papisten ende anderen dierghelycken sonder onderscheyt doopen sal? Antdw. Ouermidts de doop den kinderen die int verbont Gods staen toekomt, ende het ghewis is dat dese kinderen buyten het verbont niet en syn, soo salmense van den Doop niet weren, Alsoo nochtans dat se op behoirlicker wyse gedoopt werden ende van dien ghepresenteert die op de afvraghinghe in de forme des Doops begrepen antwoorden ende de leere toestaen.

28. Of het gheoorlooft is eenen onghedoopten voliarighen niet in de versamelinghe der Kercke maer in de teghenwoordichheyt des Kerckenraets te doopen.

|134|

Antdw. Het behoort in de openbare vergaderinghe te gheschieden. Ende die wt schaemte sulcx weyghert sal daerin vermaent werden, nochtans sal hy na een ander Kercke moghen gaen om aldaer den Doop openbaerlick te ontfanghen.

29. Of men den Doop van weerden houden sal die van een priuaet persoon ofte oock van een Ouderlinck bedient is? Antdw. Neen. Hierentusschen, Soo het gheschiedde dat een Ouderlinck van een Kercke ofte een deel der seluer daertoe versocht synde den Doop bediende soo en salmen daertoe versocht synde den Doop bediende soo en salmen wel dien Doop niet verhalen, om dieswille dat hy eenighe forme van beroepinghe heeft, Ende is nochtans niet te prysen noch na te volghen.

30. Of het den lidtmaten der Kercke gheoorlooft is ghetuygen, tott den Doop te nemen de welcke gheen lidtmaten der ghemeynte syn? Antdw. Het ware wel te wensschen dat alleen de lidtmaten der ghemeynte tot ghetuyghen des doops ghenomen wierden, nochtans salmen de andere lyden soo sy vroom van leuen ende den Euangelio niet teghen en syn.

31. Of het vry staet niet alleen den ghemeynten, maer oock den bysonderen lidtmaten van een yeghelicke ghemeynte ghetuyghen tot den doop te nemen of niet? Antdw. Het staet vry. Sullen nochtans de bysondere lidtmaten der Kercken vermaent worden datse haer der ordinantie, in der Kercken vermaent worden dat se haer der ordinantie, in der Kercken daer van sy lidtmaten syn aenghenomen, soo veel moghelick is ghelyckformich stellen. Het welcke oock in allen anderen middelmatighen dinghen te onderhouden is.

32. Of het vry staet in den Auontmael des Heeren koecxken diemen ghemeynelick oblaten noemt te ghebruyckens de welcke hoewel sy gheen ghemeyn broot en syn, nochtans gheen inghedruckte figure en hebben? Antdw. Alle Kercken sullen daerna trachten dat se ghemeyn broot ghebruycken. Daer het nochtans noch niet ghebruyckelick is sal daerom niemant eenighen twist aenrichten. 

33. Of men behoort het Auontmael des Heeren op

|135|

Paeschen Pyncxter ende Christdagh buyten de ghewone ordentlycke tyden te houden? Antdw. Men sal de ghewonelicke tyden onderhoude, ten ware dat somtyts de ghewonelicke tyt ende voorschreuen feestdaghen byna ouereen quamen, want alsdan sal de ghewoonlicke tyt daerop moghen verlengt of verkort worden. Alsoo nochtans dat men voornemelick acht neme op het ghebruyk van een yder lant, om niet lichtelick daerin yet te veranderen, sonder ghewichtighe oorsake.

34. Of het den Christenen gheoorloft sy met veranderinghe der cleederen ouer syne affghestoruen vrienden rouwe te draghen? Antd. Men sal dese borgherlicke ghewoonte niet openbaerlick straffen. Soo nochtans yemant eenighe superstitie of te houaerdye hierin liete blycken, die sal vermaent worden, doch men sal daerom ouer hem gheen wyder straffe gebruyken.

35. Of het gheoorloft sy tot den Auontmale des Heeren toe te laten de ghene die wel den Bybel alleen voor Godts woort bekennen maer de ghewonelicke vraghen diemen den ghenen voorhoudt die ten auontmael gaen sullen niet beantdwoorden noch daerin bewillighen willen? Antdw. De Kercken sullen hare ghewonelicke wyse van de belydenisse des gheloofs af te eysschen onderhouden, ende een yeghelick is schuldich rekeninghe syns gheloofs te gheuen na de leere Petri. Want het oock niet en betaemt, datmen een ghemeyn ghebruyk der ghemeynte om sommighe bysondere personen veranderen soude.

36. Wanneer men trouwen sal voor of na de predicke? Antdw. Het is vry. Ende wordt oock in der vryheyt der Kercken ghelaten dat men of terstont na de predicke eermen het ghebet doet, of na het ghebet trouwe.

37. Of men die trouwen sal, de welcke afghesneden syn? Antdw. Ja. Welverstaende dat mense aernstelick tot boetverdicheyt vermanen sal.

38. Of het den Ouerheden gheoorloft sy de houwelicken alleen te vercondighen ende te bevestighen sonder

|136|

aenroepinghe des naems des Heeren ende sonder eenighe forme des Kerckendienstes? Antdw. Men sal hier van rypelick ende voorsichtelick met den Staten handelen dat het niet langher en gheschiede.

39. Of het houwelick van een persoon die syner huysvrouwe halue suster nu 20 iaren tot een huysvrouwe ghehadt ende kinderen daer by ghewonnen heeft, voor wettelick te houden ende te lyden is. Antdw. Het is geen houwelick maer een bloetschande. Ende daeromme salt van gheender werde ghehouden werden. Men sal nochtans de Ouerheyt bidden, dat na keyserlicke rechten de kinderen voor wettelick ghekent worden, die door onwetenheyt als het houwelick noch stont gheprocreert zijn.

40. Hoe de houwelicken die in de vervolghinghe heymelick bevesticht syn, nu opentlick bevestight sullen werden op dat se voor wettelick ghehouden werden? Antdw. Men sal hier van men den Staten handelen soo Godt de vryheit der Religie verleent.

41. Of het den lidtmaten der Ghemeynte vry staet hare kinderen ten houwelicke te gheuen den ghenen die gheen lidtmaten der ghemeynte en syn? Antdw. Soo sy vianden der Religie syn staet het gantsch niet vry. Maer soo sy der Religie niet teghen syn ende een goede hope van hen gheuen datse in de kennise der waerheyt toenemen sullen, ende belouen hare partye in de oeffeninghe der religie niet te verhinderen, soo is het gheoorloft.

42. Hoe men der ghewonelicke dronckenschap ende anderen groue ghebreken die onder het volck also regneren dat se niet beterlick schynen te wesen remedieren sal? Antdw. De Classes sullen na gheleghentheyt van een yder plaetse daerin voorsien. 

43. Wat men doen sal met den ghenen die hen tot openbare dansen begheuen? Antdw. Overmidts de dansinghen ghemeynlick een lichtuerdicheyt die den Christenen niet en betaemt mede brenghen, ende aenlockingen der vleesschelicker lusten syn, ende daerbeneuens

|137|

den godsalighen veraergheren in sonderheyt in den tyt van ghemeyne nooden, soo sullense ghestraft worden die hen daertoe begheuen, ende soo sy hartneckelick voortvaren na verscheiden vermaninghen, van de ghemeynschap des H. Auontmaels affgehouden worden.

44. Hoemen handelen sal met den ghenen wiens openbare sonde door lanckheyt van tyde in verghetenheyt ghekoemen is? Antdw. Men sal hem totten Auontmael toelaten met voorgaende vermaninghe ende heymelicke schultbekenninghe.

45. Hoe men in den openbaren ghemeynten handelen sal, ten eersten met den ghenen, die na de vryheyt van den iare 66 het pardoen ghehaelt hebbende de religie met eedt verloochent hebben? Ten tweeden met den ghenen die de religie met eedt niet verloochent nochtans het pardoen ghenoten hebben, Ten derden met den ghenen die hen sonder dit pardoen tot de Afgoderye des Pausdoms begheuen hebben? Ende ten IIIIen met den ghenen de welcke hen soo verre niet verlopen hebbende nochtans van de oeffeninghe der religie in der ghemeynte sick afghesondert hebben. Antdw. Soo vele de eerste aengaet, die sullen met teghenwoordicheyt hares persoons opentlick hare schult bekennen, Aengaende de tweede de welcke sonder versweeringhe der religie het pardoen ghebruykt hebben, die en sullen opentlick voor der ghemeynte niet verschynen, maer met hen sal na het oordeel des Kerckenraets ghehandelt worden, Het welcke oock in de sake der derden gheschieden sal. Maer soo vele de laetste belanght, sullen alleene van den Dienaren ende Ouderlinghen van hare nalaticheyt ende onachtsaemheyt vermaent worden.

46. Hoe men handelen sal met den ghenen die wt der ghemeynte in een ander plaetse vertrecken, ende hen byder ghemeynte dier plaetse niet en voeghen, ofte oock haer niet vromelick en draghen? De Andtwoorde: De Kercken wt de welcke sy vertrocken syn sullen totten Kercken dier plaetse daer sy henen syn ghegaen

|138|

schryuen, datse met sodanighen handelen ende so het moghelick is, tot de ghemeynschap wederbrenghen, ofte anders by trappen na de Christelicke straffe met hen voortvaren.

47. Of de kinderen die in den ghereformeerden ghemeynten ghedoopt syn tot hare iaren ghecomen synde der Kerckelicke straffe onderworpen sullen wesen, ende soo sy vermaent wesende hartneckich blyuen, Ofmense dan afsnyden sal hoewel sy hare ghelooue noch niet beleden ende tot den Auontmael des Heeren hen niet begheuen hebben? Antdw. Dewyle de doop een alghemeyne ghetuygenisse is des verbondts Godes het welck den kinderen der christenen toebehoort soo langhe sy door openbare afval het selfde niet en verwerpen, soo sullen de openbare ende alghemeyne vermaninghen ghelyck de propheten tot het Israelitische volck ghebruyckt hebben in den openbaren ende vryen ghemeynten ghenoegh wesen. Maer dewyle de belydenisse des gheloofs ende ghemeynschap des H. Auontmaels, een bysonder getuyghenisse is in der Kercke Gods, door het welcke de ghene die teghen het verbont Gods ghesondicht hadden wederopghenomen worden (ghelyck eertyts de afvallighe Israelieten niet door een nieuwe besnydenisse maer door de ghemeynschap des paeschlams tot de ware Kercke Israels wedergebracht worden) soo salmen gheen afsnydinghe ghebruycken dan teghen de ghene in den welcken door het Auontmael des Heeren het verbont Gods op een nieu verseghelt is.

48. Of het ghenoegh is in den openbaren Kercken daer vele spotters des woordts Gods by koemen dat de ghene die openbaerlick ghesondicht hebben, voor den Kerckenraet hare schult bekent hebbende, met der Kercke alsoo versoenen? Antdw. Dewyle men de eere des ghevallen broeders behoort te verschoonen, ende de seluighe openbaer nadeel lyden soude soo hy opentlick voor de spotters verschynen soude, ofte synen naem in der predicatie wtgheroepen soude worden, soo ist

|139|

ghenoegh dat de versoeninghe gheschiede voor den Kerckenraet, in teghenwoordicheyt der ghenen die de Kerckenraet oordeelen sal datter behooren by te wesen. Alsoo nochtans dat sonder synen naem te noemen (tensy dat het ser nootwendich is) syne misdaet ende boetverdicheyt den volcke voorghestelt werde, Daerin de Kerckenraet na de omstandicheden (de welcke met grooter voorsichticheyt te ouerleghen syn) handelen, ende soo het van noode is, met de classe raetslaghen sal.

49. Of het gheoorloft is in een Stadt daer een Walsche Kercke is, een Dienaer die van elders koemt eenen anderen dienst op te richten, die afgesondert sy van den dienst der voorschreuen Kercke, voor een of twee franchoysche huysghesinnen, daerby nemende 8 of 10 Walsche personen de welcke van den ghewoonlicken dienst der Walscher Kercke om den lanckdurighen twist affgheweken syn, wt den welcken hy Ouderlinghen ende Diaconen verordent, Also dat de Classis in desen nieuwen dienst niet en bewillicht, ende de ordinaire Kercke haer daer teghen sett? Is gheantdwoort, dat sulckes gantsch niet gheoorloft is, en de dat de ghene die sulckx begaen heeft een afschueringhe van de Kercke ghemaeckt heeft, Dat oock de andere die haer van de ordinaire Kercke affscheydende tot desen nieuwen dienste ghevoeght hebben daerin hebben ghesondicht.

50. Indien de Kerckenraet der voorschreuen ghemeynte gheen middel en hadde om desen Dienaer te bedwinghen, ende van der classe (de welcke wt nederduytsche ghemeynten (twee wtghenomem) bestaet) daerin niet voorsien wordt, ende gheen hope en is dat de generale Synodus te samen koemen sal dan na eenen langhen tyt, Of de Synode aller Walscher Kercken, soo om dese als om andere ghewichtighe oorsaken tsamen gheroepen, na hare schuldighe plicht doet, soo sy eenighe van haren Dienaers afveerdicht om tot die Walsche Kercke te gaen ende sodanighen lanckdurighen twist ende schadelicke schueringhe met hulpe van de

|140|

dienaers der Stadt arbeyden wegh te nemen? Antdw. Ten is hen niet alleen gheoorloft gheweest, maer sy hebbent van weghen harer conscientie ende des ghebots Godes oock moeten doen.

51. Of sodanighe afgheveerdichde dewyle de Kerckendienaers der nederduytscher sprake de sake totten Classen wtstelden die sy seyden dat na den tyt van twee of dry maenden eerst vergaderen soude enede hierentusschen de Kercke door den tweedracht ende voornemelick door dese schueringhe lieten verloren gaen, mochten ende behoorden met den Dienaer die de Kercke verschuert hadde te handelen om de schueringhe wegh te nemen ende de Kercke weder in vrede te stellen? Antdworde. Hoewel die dry of vier nederduytsche Dienaers met den Walschen Synode gheen ghemeynschap en hadden, soo hebben sy nochtans niet recht ghedaen datse niet terstont metten afgheveerdichden om den ghemeynen brant wt te blusschen toegheloopen syn. Ende de afgheveerdichde van de Walsche Synode hebben ghedaen na haren schuldghen plicht.

52. Of men de vrouwenkrachters dootslaghers verraders ende die derghelycke groue feyten begaen hebben, hoewel sy haer bekeeren nochtans om de grouicheyt der feyten wille behoort af te snyden? Antdw. Men sal gheen boetverdighe afsnyden, maer wel voor eenen tyt van den Auontmale des Heeren afhouden om de groffuicheyt der sonde te betuyghen, de aerghernisse wech te nemen, anderen een vreese aen te doen, ende hare boetverdicheyt te beproeuen.

53. Op de vraghe van de sake van Niclaes le preu daer van in de Requeste den Synode ouerghegheuen breeder vermeldet wordt is gheantdwoordt Dat de voorss. Nicolas niet by de tweede maer by de eerste huysvrouwe hem behoort te voeghen, de welcke alleene van den Synode voor syne wettelicke huysvrouwe bekent is. 

54. Op de vraghe welcke sonden openbaer syn, Is gheantdwoordt, Dat een openbare sonde is die openbaerlick voor een yeghelick begaen wordt, of die op

|141|

een plaetse welck van naturen publick is (als de iurisconsulti segghen) hoe wel datse weynich mensschen sien ghedaen wordt, off die door de hartneckicheyt des sondaers wt heymelick openbaer wordt, of ten laetsten alse om hare grouwelickheyt der openbare straffinghe werdich gheacht wordt. Alsoo syn de sonden Dauidis teghen Vriam, Ananiae ende Sapphirae teghen den H. Gheest openbaer ghemaeckt ende voor openbare sonden ghestraft gheweest.

55. Of het oorbaer is dat de Dienaers in haren predicatien de Oude Vaders allegieren ende de toehoorders tot de Schriften der nieuwer Scribenten wysen als Lutheri Caluini etc.? Antdw. Men sal de artykelen der christelicker leere in de predicatien met gheen andere dan alleene met ghetuyghenisse der Heyligher Schrifture bevestighen. Maer de ghetuygenissen der vaderen salmen matelick ghebruycken moghen voornemelick ter plaetsen daer men de papisten van harer hartneckicheyt moet ouertuyghen, maer de namen der nieuwen Scribenten salmen in de predicatien gheheel nalaten.

 

PETRUS DATHENUS electus Synodi huius praeses.
ARNOLDUS CORNELIUS Scriba.
IOANNES CUBUS, alter huius Synodi Notarius.

Biesterveld, P./Kuyper, H.H. (1905) Middelburg 1581

|142|

De Kerkenordening van de Nationale Middelburgsche Synode 1581 met de Particuliere vragen

 

Kerckenordeninghe
inden
Generalen Synodo
der Nederlandtschen Kercken, vergadert tot Middelburch,
ghestelt Ao 1581

 

I.

Om goede ordene inder Ghemeijnte Christi te onderhouden, sijn daer inne noodich, de Diensten, Tsamencoemsten, Opsicht der Leere, Sacramenten ende ceremonien, ende Christelicke straffe: waer van hier na ordentlick ghehandelt sal werden.

 

Vanden Diensten.

II.

De Diensten zijn vierderleij: Der Dienaren des Woordts, der Doctoren, Ouderlinghen ende Diaconen.

III.

Het sal niemandt, alhoewel hij een Doctoor Ouderlingh ofte Diaken is, gheoorloft zijn den Dienst des Woordts ofte der Sacramenten te betreden, sonder wettelick daer toe beroepen te zijn. Ende wanneer ijemandt daer teghen doet, ende meermael vermaent zijnde niet

|143|

afstaet, zoo sal de Classe oordeelen, of men hem voor eenen Scheurmaecker verclaren ofte op eenighe andere wijse straffen sal.

IV.

De wettelicke beroepinghe der ghenen, die te voren inden Dienst niet gheweest zijn bestaet ten eersten inde Verkiesinghe, dewelcke gheschieden sal door den Kerckenraedt ende Diaconen, mitgaders het oordel der Classe, ofte van twee of drie naest gheseten Dienaren, met bidden ende vasten. Ten anderden int Examen ofte ondersoeckinghe beijde der leere ende des leuens, dewelcke bijden seluen staen sal vanden welcken zij vercoren werden: welverstaende dat nieuwelinghen, mispriesters monicken, ende die andersins eenighe Secte verlaten hebben niet sullen toeghelaten werden, voor datse ettelicke maenden langh beproeft zijn. Ten derden inde Approbatie ende goetkennighe, beijde der Ouericheyt doende professie vande ghereformeerde Religie (derwelcke de Dienaer aenghegheuen sal werden) ende der gantschen Ghemeijnte, wanneer zijnen naem den tijdt van XIIII daghen inder Kercke vercondicht zijnde gheen hindernisse daer teghen ghecomen is. Ten laetsten, inde Beuestinghe inder Ghemeijnte, dewelcke met behoorlicke stipulatien ende afvraghinghen, ende soo het de gheleghentheijt der Kercke lijden mach, met handtoplegghinghe, tsij inde Kercke opentlick, of na dat het gheleghen is, inden Kerckenraedt of Classe, doch altijdts met openbare ghebeden, toegaen sal.

V.

Die nu alreede inden Dienst des Woordts is, ende tot een andere Ghemeijnte beroepen werdt, sal met ghebeden ende het gheuen der rechterhandt der ghemeijnschap ontfanghen werden. Ende men sal niemandt der Ghemeijnte teghen haren danck opdringhen.

|144|

VI.

Een Dienaer des Woordts wettelick beroepen zijnde is aen der Kercke Christi zijn leuen lanck verbonden, alsoo dat hij soo langhe de Ghemeijnte staet, dewelcke hij dient, zijnen Dienst niet onderlaten, noch eenighe andere beroepinghe des leuens aenveerden mach, sonder het oordeel des particulieren Sijnodi.

VII.

Men sal niemandt tot den Dienst des Woordts beroepen, sonder hem in een Kercke te stellen, die hij dienen sal, aen dewelcke soo hij sonder conditie verbonden is, sal in gheene andere Kercke dienst aennemen moghen, dan door het oordeel ende consent der Classe, daermede beijde de Kercke ende de Dienaer te vrede sal moeten zijn. Voort sal niemandt gheoorloft zijn hier ende daer te gaen predicken niet hebbende eenighe sekere plaetse, buijten consent ende authoriteijt des Sijnodi ofte Classis: ghelyck ook niemandt in een andere Kercke eenighe predicatie sal moghen doen, sonder bewillinghe des Kerckenraedts.

VII.

Der Dienaren ampt is inden ghebede ende bedieninghe des Woordts aen te houden, de Sacramenten vut te richten, ende ten laetsten met den Ouderlinghen de kerckelicke Discipline te oeffenen, ende te besorghen dat alles eerlick ende met ordene gheschiedde.

IX.

Onder den Dienaren des Woordts zal ghelijckheijt ghehouden werden, aengaende de lasten hares Diensts, mitgaders oock in anderen dinghen soo veel moghelick is, volghende het oordeel des Kerckenraedts, ende des

|145|

van nooden zijnde des Classis, twelcke oock inden Ouderlinghen ende Diaconen te onderhouden is.

X.

De Ghemeijnten sullen sorghe draghen, dat haren Dienaren behoorlick onderhoudt ghegheuen werde: Ende wanneer zij hier inne haer ampt niet doen, soo sal de Classis oordeelen ofse van daer te nemen zijn.

XI.

Wanneer het gheschiedt dat een ghetrouwe Dienaer door ouderdom ofte cranckheijt ghebroken zynde, zyn ampt niet langher bedienen can, soo sal het der Ghemeijnte toe staen te besorghen, dat hem ex bonis publicis soo veel toegheleijt werde, daerop hij de reste zijns leuens eerlick ende bequamelick door comen moghe: Dat oock de weduwen ende weesen der Dienaren niet vergheten werden.

XII.

De Ghemeijnten sullen toesien datter Professeurs ende Schoolmeesters zijn, die niet alleen de vrije consten ende spraecken leeren, maer oock de Theologie ende den Cathechismum, ende hare toehoorders ende Discipelen inde vreese Godts onderwijsen.

XIII.

Het ampt der Doctoren inde Theologie is de H. Schrifture vut te legghen, ende de suijuere leere teghen de ketterijen ende dolinghen voor te staen.

XIV.

De Ghemeijnten sullen arbeijden datter studenten inder Theologie zijn, die ex bonis publicis onderhouden

|146|

werden. Men sal oock inden Ghemeijnten, daer men bequame personen heeft, tghebruijck der Propositien aenstellen, op datse door sulcke eene oeffeninghe tot dienste des Woordts bereijdet moghen werden.

XV.

De Ouderlinghen sullen door het oordeel des Kerckenraedts ende der Diaconen vercoren werden, soo dat het na de gheleghentheijt van een ijder Kercke vrij sal sijn soo veel Ouderlinghen alsser van noode zijn der Ghemeijnte voor te stellen, om vande selue (ten ware datter eenich beletsel voorviele) gheapprobeert ende goet ghekent, ende met openbaren ghebeden beuesticht te werden: Of een dobbel ghetal, om het half deel bij der Ghemeijnte gheapprobeert op deselue wijse inden Dienst te beuestighen.

XVI.

Der Ouderlinghen ampt is, behaluen tghene dat bouen gheseijt is hen met de Dienaren des Woordts ghemeijn te zijn, opsicht te hebben dat de Dienaren mitgaders hare andere mithulpers ende Diaconen haer ampt ghetrouwelick bedienen, ende wanneer het gaet teghen het houden des Auondtmaels des Heeren, de ghene die haer tot tsuele begheuen hebben te gaen besoecken, op datse haer te beter daer toe bereijden.

XVII.

Deselue wijse die vanden Ouderlinghen gheseijt is, sal men oock onderhouden in de Verkiesinghe Approbatie ende Beuestinghe der Diaconen.

XVIII.

Der Diaconen eijghen ampt is de aelmissen ende

|147|

andere armen goederen neerstelick te versamelen, ende deselue ghetrouwelick ende vlijtelick na den eijsch der behoeftighen beijde der inghesetenen ende vreemdelinghen met ghemeijen aduijse vut te deelen, de benauden te besoecken ende te vertroosten, ende wel toe te sien dat de aelmissen niet misbruijckt werden. Waer van zij reeckeninghe sullen doen inden Kerckenraedt, ende oock (soo ijemandt daer bij wil zijn) voor der Ghemeijnte: tot sulck een tijdt als het de Kerckenraedt goet vinden sal.

XIX.

De Ouderlinghen ende Diaconen sullen twee iaer dienen, ende alle iaer zal thalue deel verandert ende andere inde plaetse ghestelt werden, ten ware dat de gheleghentheijt ende profijt eenigher Kercken anders vereijschte.

 

Vanden Kerckelicken tsamencoemsten.

XX.

Vierderleij kerckelicke tsamencoemsten sullen onderhouden werden. De Kerckenraedt: de Classicale vergaderinghe: de particuliere Sijnoden: ende de generalen ofte Nationalen.

XXI.

In dezen tsamencoemsten sullen gheen andere dan kerckelicke saecken, ende tselue op kerckelicke wijse ghehandelt werden.

XXII.

In meerdere vergaderinghen sal men niet handelen dan tghene in minderen niet heeft connen afghehandelt

|148|

werden, of dat tot de Kercken der meerder vergaderinghe int ghemeijn behoort.

XXIII.

Soo ijemandt hem beclaecht door de vutspraecke der minder vergaderinghe veronghelijckt te zijn, deselue sal hem tot een meerder beroepen moghen. Ende tghene door de meeste stemmen goet gheuonden is, sal voor vast ende bondich ghehouden werden, ten zij dat het bewesen werde te strijden teghen het Woordt Godts, ofte teghen de artijckelen in onsen generalen Sijnodo besloten, soo langhe als deselue door gheen andere generale Sijnode verandert zijn.

XXIV.

De handelinghen aller Tsamencoemsten sullen vande aenroepinghe des naems Godts aengheuanghen en de met een dancksegghinge besloten werden.

XXV.

Die tot de tsamencoemsten afghesonden werden, sullen hare credents brieuen ende instructien, onderteijckent zynde vanden ghenen diese seijnden, medebrenghen, ende dese sullen alleene keurstemmen hebben.

XXVI.

In allen Tsamencoemsten sal bijden Preses een Scriba gheuoecht werden, om neerstelick op te schrijuen tghene weerdich is aangheteijckent te zijn. Het ampt vanden Preses is voor te stellen ende te verclaren tghene te handelen is: toe te sien dat een ijeghelick zijn ordene houde int spreken: den kibbelachtighen ende die te heftich zijn te beuelen datse swijghen, ende ouer deselue, gheen ghehoor gheuende, de behoorlicke Censure te

|149|

laten gaen. Voort sal zijn ampt vutgaen, wanneer de Tsamencoemste scheijdet.

XXVII.

Het selfde segghen heeft de Classis ouer den Kerckenraedt twelcke de particuliere Sijnode heeft ouer de Classe, ende de generale Sijnode ouer de Particuliere.

XXVIII.

In allen Kercken sal een Kerckenraedt zijn, bestaende vut Dienaren des Woordts ende Ouderlinghen, dewelcke ten minsten alle weken eens tsamencomen sullen, al waer de Dienaer, of de Dienaers (soo daer meer zijn) bij ghebeurte presideren ende de Actie regeren sal.

XXIX.

Insghelijcks sullen de Diaconen alle weken tsamencomen, om vanden saecken haer ampt betreffende te handelen.

XXX.

De Classicale vergaderinghen sullen bestaen vut ettelicke ghenabuerde Kercken, dewelcke elck eenen Dienaer met eenen Ouderlinck, ter plaetse ende tijde bij hen int scheijden van elcke vergaderinghe goet gheuonden (soo nochtans datment bouen de drie maenden niet vutstelle) daer henen afveerdighen sullen. In desen tsamencoemsten sullen de Dienaers bij ghebeurte, ofte andersins die van deselue vergaderinghe vercoren wordt, presideren, soo nochtans dat deselue tweemael aen een niet sal moghen vercoren werden. Voort sal de Preses onder anderen eenen ijeghelick vraghen, ofse in haren Kercken hare Kerckenraedts vergaderinghen houden: of de kerckelicke Discipline gheoeffent wordt:

|150|

of de armen ende Scholen besorcht werden: ten laetsten, of daer ijet is, daer inne zij het oordel ende hulpe de Classe tot rechte instellinghe harer Kercke behoeuen. De Dienaer, dien het inde voorgaende Classe opgheleijdt was, sal een corte predick vut Godts Woordt doen, vande welcke d’andere oordelen, ende soo daer ijet in ghebreeckt aenwijsen sullen. Ten laetsten sullen inde laetste vergaderinghe voor den particulieren Sijnode vercoren werden, die op deselue Sijnode gaen sullen.

XXXI.

Int eijnde vanden Classicalen ende andere meerdere Tsamencoemsten salmen Censure houden ouer de ghene die ijet strafweerdich inde vergaderinghe ghedaen, ofte de vermaninghen der mindere tsamencoemsten versmadet hebben.

XXXII.

De Kercke, inde welcke de Classis, item de particuliere ofte generale Sijnode tsamencomt, sal sorghe draghen, datse de Acten der voorgaender vergaderinghe op de naestcomende bestelle.

XXXIII.

De instructien der dinghen die inden meerdere vergaderinghen te handelen zijn, sullen niet eer gheschreuen werden, voor dat de besluijtinghen der voorgaenden Sijnoden ghelesen zijn, op dat tghene eens afghehandelt is, niet wederomme voorghestelt werde, ten ware datment achtede verandert te moeten zijn.

XXXIV.

Alle iaers, ten ware dat de noodt eenen corteren tijdt vereijschte, sullen vier ofte vijf, of oock meer

|151|

ghenabuerde Classes tsamencomen, tot welcke Particuliere Sijnode vut ijder Classe twee Dienaers ende twee Ouderlinghen afgheveerdicht sullen werden. Int scheijden soo wel des Particulieren als des generalen Sijnodi, sal een Kercke verordent werden, dewelcke last hebben sal om met aduijse der Classe den tijdt ende plaetse des naesten Sijnodi te stellen.

XXXV.

De Nationale Sijnode sal ordinaerlick alle drie iaren eens ghehouden werden, ten ware datter eenighe dringhende noodt ware om den tijdt corter te nemen. Tot deselue sullen twee Dienaers ende twee Ouderlinghen vut elcke Particuliere Sijnode beijde der Duijtsche ende der Walsche sprake afghesonden werden. Voort sal de Kercke, die last heeft om den tijdt ende plaetse des generalen Sijnodi te benoemen, soo deselue binnen de drie iaren te beroepen ware, hare Particuliere Sijnode vergaderen, ende tselue oock der naestgheleghener Kercke, die van een andere tale is laten weten, dewelcke vier personen daer henen seijnden sal, om met ghemeijnen aduijse van den tijdt ende plaetse te besluijten. Deselue Kercke die vercoren is om de Sijnode generael tsamen te roepen, wanneerse met de Classe vanden tijdt ende plaetse beraedtslagen sal, sal tselue den generalen Staten in tijdts te kennen gheuen, op dat met haren weten, ende soo het haer ghelieft eenighe tot de Classe te seijnden, vander saecke besloten werde.

XXXVI.

Alsoo inden Nederlanden tweederleij sprake ghesproken wordt, is goet gheuonden dat de Kercken der Duijtscher ende Walscher tale op haerseluen hare Kerckenraedt, Classicale vergaderinghen ende Particuliere Synoden hebben sullen.

|152|

 

Vander Leere, Sacramenten ende anderen Ceremonien.

XXXVII.

De Dienaers des Woordts, Ouderlinghen ende Diaconen, item de Professeurs inder Theologie (twelck oock den anderen Professoren wel betaemt) ende de Schoolmeesters sullen de Belijdenisse des gheloofs der Nederlandtschen Kercken onderteijckenen.

XXXVIII.

Niemandt sal hem onderstaen eenich boeck ofte schrift van hem ofte van een andere ghemaeckt ofte ouerghesettet, handelende vander Religie te laten drucken ofte andersins vut te gheuen, dan tselue voor henen doorsien ende goet ghekent zijnde vanden Dienaren des Woordts zijns paticul. Sijnodi, ofte Professoren der Theologie onser Belijdenisse.

XXXIX.

Het verbondt Godts sal aenden kinderen der ghedoopten Christenen met den Doop, soo haest alsmen de bedieninghe desseluen hebben can, beseghelt werden, ende dat inde openbare versamelinghe, wanneer Godts woordt ghepredickt werdt. Doch ter plaetse daer niet soo vele predicatien ghedaen werden, salmen eenen sekeren dach ter weke verordenen om den Doop extra-ordinaerlick te bedienen, soo nochtans dat tselue sonder Predicatie niet gheschiede.

XL.

De vader sal zijn kindt te Doope presenteren: Ende inden Ghemeijnten daermen neffens den vader oock gheuaders ofte ghetuijghen bijden Doop neemt (twelck ghebruijck niet lichtveerdelick te veranderen

|153|

is) betaemt het dt men neme die der suijuere leere toeghedaen ende vroom van wandel zijn.

XLI.

De Dienaers sullen int doopen het formulair vande instellinghe ende ghebruijck des Doops, twelck tot dien eijnde beschreuen is, ghebruijcken.

XLII.

De namen der ghedoopten, mitgaders der ouderen ende ghetuijghen, item de tijdt de Doops, sullen vanden Dienaren opgheteijckent werden.

XLIII.

Men sal niemandt ten Auondtmale des Heeren toelaten, dan die na de ghewoonheijt der Kercke tot dewelcke hij hem voecht, belijdenisse der ghereformeerde Religie ghedaen heeft, mitgaders hebbende ghetuijghenisse eens vromen wandels, sonder welcke oock de ghene die vut anderen Kercken comen niet toeghelaten sullen werden.

XLIV.

Een ijder Kercke sal sulck een maniere van bedieninghe des Auondtmaels houden als zij oordelt tot de meeste stichtinghe te dienen: welverstaende nochtans dat de vutwendighe ceremonien in Gods Woordts voorss. niet verandert ende alle superstitie vermijdet werde.

XLV.

Het Auondtmale des Heeren sal ten twee maenden eens, soo veel moghelick is, ghehouden werden: doch

|154|

ter plaetse daer noch gheen kerckelicke ordene is, salmen eerst Ouderlinghen ende Diaconen stellen.

XLVI.

In middelmatighen dinghen salmen de buijtenlandtsche Kercken niet verwerpen, die een ander ghebruijck hebben dan wij.

XLVII.

De Kercken inden welcken tghebruijck der Auondtghebeden is sullen deselue moghen houden: maer daerse noch niet inghestelt zijn, salmense niet in laten, ten ware in tijden van ghemeijnen noodt: Doch daermense begheert wech te nemen sal tselue niet sonder het oordeel der Classe, mitgaders der Ouericheijt der ghereformeerden Religie toeghedaen, gheschieden.

XLVIII.

Daer de lijckpredicken niet zijn, salmense niet instellen, ende daerse nu alreede zijn aenghenomen, sal neersticheijt ghedaen werden om deselue door de ghevoechelickste middelen af te doen.

XLIX.

In tijden van oorloghe, pestilentie, dieren tijdt, sware vervolginghe der Kercke ende andere alghemeijne swaricheden sullen bidt ende vast daghen door het oordeel der Ghemeijnte ende met bewillinghe der Ouericheijt doende Professie vande ghereformeerde Religie aenghestelt ende gheheijlicht werden.

L.

De Ghemeijnten sullen bij haren Ouericheden aenhouden

|155|

dat de feestdaghen, vutghenomen den Sondach Christdach ende hemelvaertsdach, afghedaen werden. Maer ter plaetse daer meer feestdaghen door beuel der Ouericheijt ghehouden werden, sullen de Dienaers arbeijden datse met predicken de onnutten ende schadelicken ledichganck in een heijliche ende nutte oeffeninghe veranderen.

LI.

De Psalmen Dauids alleen sullen inder Kercke ghesonghen werden, latende de ghesangen die men niet vindt inder Schriftuere.

LII.

De huwelicksche ondertrouwe sal geschieden per uerba de praesenti, simpelick ende sonder conditie: ende wettelick ghedaen zijnde, sullense niet mogen ontbonden werden, al waret dat beijde partijen daerinne bewillichden.

LIII.

De heymelicke beloften sullen van gheener weerde zijn: wanneer namelick de ghene die onder de macht harer ouderen ofte voechden staen sonder bewillinghe derseluen handt-trouwen, ofte die oock haers selfs zijnde sulcks doen, sonder eenighe ghetuijghen aen beijden zijden.

LIV.

Het sal wel staen dat een Dienaer ofte Ouderlinck bijde ondertrouwe ghenomen werde, op dat eer hij hen aen beijden zijden de belofte af neme, vut sekere ghetuijghenisse verneme (soo zij haers selfs niet zijn) of het met bewillinghe der ouderen gheschiedt: of het

|156|

huwelick niet verboden is door eenighe graedt van bloedtverwandtschap ofte swagherschap: ten laetsten of zij aen ijemandt anders ghehuwet of verloeft zijn.

LV. 

De namen der ghenen die haer ten echten State begheuen willen, sullen op drie Sondaghen vanden predickstoel vercondicht werden: twelcke gheschieden sal ter plaetse daer de Contrahenten wonen, ende ter plaetse daer de gheboden ghegaen zijn, sullense tsamenghegheuen werden. Doch die elders begheren te trouwen, sullen tselue moghen doen, midts brenghende sekere ghetuijghenisse dat hare gheboden ghegheuen zijn.

LVI.

Hoewel inden Woorde Godts den weduwen gheen sekere tijdt van herhijlicken voorgheschreuen is: nochtans dewijle het haer ghebiedt inden Heere te hijlicken, soo lijdet de eerbaerheijt, ia oock de burgherlicke onderscheijdinghe der geslachten niet, datse haer voor vier maenden ende een half tot een ander huwelick begheuen.

LVII.

Indien ijemandt van zijn echte gade om een eebreucks wille ghegaen zijnde met deselue niet wederomme begheert te vereenighen, ende hem tot een ander huwelick begheuen wil: soo sal hem de Kerckenraedt (wanneer hij den eebreuck wettelick voor de Ouerheijt gheprobeert heeft) verclaren dat sulcks inden Woorde Godts gheoorloft is.

|157|

 

Vanden Censuren ende Kerckelicken uermaninghen.

LVIII.

Ghelijckerwijs de Christelicke straffe geestelick is, ende niemandt vanden burgherlicken gherichte ende straffe der Ouerichheijt bevrijdt: alsoo werden oock beneffens de burgherlicke straffe de kerckelicke Censuren noodtsaeckelick vereijscht, om den sondaer met der Kercke ende zijnen naeste te versoenen, ende de erghernisse vut der Ghemeijnte Christi wech te nemen.

LIX.

Waneer dan ijemandt teghen de suijuerheit der leere ofte vromicheijt des wandels sondicht, soo verre als het heijmelick is, ende gheen openbare erghernisse ghegheuen heeft, soo sal de Reghel onderhouden werden, welcken Christus duijdelick voorschrijft Matt. 18.

LX.

De heijmelicke sonden, waer van de sondaer bij een int bijsonder ofte voor twee of drie ghetuijghen vermaent zijnde berouwe heeft, sullen voor den Kerckenraedt niet ghebracht werden.

LXI.

Soo ijemandt van een heijmelicke sonde van twee of drie vermaent zijnde gheen ghehoor gheeft, ofte andersins eene openbare sonde bedreuen heeft, sulcks sal den Kerckenraedt aenghegheuen werden.

LXII.

Soo wie hardtneckichlick de vermaninghe des Kerckenraedts verwerpt, item die een openbare ofte andersins een groue sonde ghedaen heeft, sal vanden Auondtmale des Heeren afghehouden werden. Ende indien hij afghehouden zijnde na de verscheijden vermaninghen

|158|

gheen teijcken van boetveerdicheijt bewijst, soo sal men ten laetsten tot d’uuterste remedie, namelick de Afsnijdinghe comen, volghende de forme bij der Ghemeijnte aenghenomen. Doch sal niemandt afghesneden werden, dan met voorgaende aduijs der Classe.

LXIII.

Vanden sonden die van harer natuere weghen openbaer, ofte door verachtinghe der kerckelicken vermaninghen int openbaer ghecomen zijn, sal de versoeninghe (wanneermen sekere teijckenen der boetueerdicheijt siet) openbaerlick door het oordeel des Kerckenraedts ende aduijse des Classis, in sulcke forme ende maniere, als tot stichtinghe van een ijder Kercke bequaemst gheoordelt sal werden.

LXIV.

Wanneer de Dienaers, Ouderlinghen ofte Diaconen een openbare groue sonde bedrijuen, die der Kercke schandelick ofte oock bijder Ouericheijt strafweerdich is: soo sullen wel de Ouderlinghen ende Diaconen terstondt door voorgaende oordeel des Kerckenraedts derseluer ende der naestghelegener Ghemeijnte van haren Dienste afghesettet, maer de Dienaers opgheschortet werden: Maer ofse gheheel vanden Dienst af te setten zijn, sal in het oordeel der Classe staen.

LXV.

Voort onder de groue sonden, die weerdich zijn met opschortinghe ofte afstellinghe vanden Dienst ghestraft te werden, zijn dese de voornaemste: Valsche leere ofte ketterije: openbare scheurmakinghe: opentlicke blasphemie, Simonie, trouweloose verlatinghe zijns Diensts ofte indringhinghe in eens anders Dienste, meineedicheijt, eebreuck, hoererije, dieuerije, ghewelt, ghewoonlicke

|159|

dronckenschap, vechterije, vuijl ghewin: Cortelick alle sonden ende groue feijten die den autheur voor der Werldt eerloos maecken, ende in een ander ghemeijn lidtmaet der Kercke der afsnijdinghe weerdich souden gherekent werden.

LXVI.

De Dienaers des Woordts Ouderlinghen ende Diaconen sullen voor het houden des Auondtmaels onder hen de Christelicke Censure oeffenen, ende ondersoeckinghe doen soo van der leere als van het leuen.

LXVII.

Den ghenen die vut der Ghemeijnte vertrecken sal een Attestatie ende ghetuijghenisse hares wandels bij aduijse des Kerckenraedts mede ghegheuen werden. Voort sal den armen om ghenoechsame oorsaken vertreckende, van den Diaconen bijstandt ghedaen werden, soo veel hen noodich is ter plaetse toe daer zij henen willen: twelcke zij op haren Attestatien teijckenen sullen.

LXVIII.

Gheen Kercke sal ouer andere Kercken, gheen Dienaer ouer andere Dienaren, gheen Ouderlinck noch Diaken ouer andere Ouderlinghen ofte Diaconen eenighe heerschappie voeren.

LXIX.

Dese Artijckelen de wettelicke ordeninghe der Kercke aengaende, zijn alsoo ghestelt ende aenghenomen met ghemeijen accoordt, datse, soo het profijt der Kercken anders eijschte, verandert vermeerdert ofte vermindert

|160|

moghen ende behooren te werden. Ten sal nochtans gheen bijsondere Ghemeijnte Classe ofte Sijnode toestaen sulcks te doen, maer sullen neersticheijt doen om die te onderhouden, tot dat anders vanden generale ofte Nationale Sijnode verordent werde.

 

ARNOLDUS CORNELII Sijnodi Praeses.
MICHAËL PANNELIUS, Sijnodi huius electus Scriba.
HENRICUS CORPUTIUS huius Synodi alter notarius.
RODOLPHUS VELTIUS.

|161|

Particuliere vragen

 

I.

Synodale besluiten, die in 1581 uit de Kerkenorden van 1578 (gedeeltelijk gewijzigd) naar de Particuliere vragen zijn overgebracht

1. Op de vraghe, oft niet goet waere de artyckelen des laesten Dordrechtsen Synodi te ouersien ende daer wth te trecken een Corpus Disciplinæ ofte Kercken-ordeninghe, om der ouerheyt ghepresenteert, ende doer de autoriteyt der seluer befesticht te werden? Is gheantw. Iae. Ende syn hier toe eenighe verordineert, byden welcken tvoorschreuen ghedaen synde: is voor goet ghefonden Dat al het gheene wth den artyckelen in dat Corpore Disciplinæ niet inghelyfft was, tot den particulieren questien ghebrocht soude werden, als hier nae volcht.

2. Oftmen den gheenen, die inden aenfanck mitten lichtsten, ende niet ten follen ondersocht zyn, wederomme sal examineren? Is gheantw. Dat tselue int ghemeen wel gheraden schynt te wesen, doch oftmen sulcks doen sal, staet den Classi toe te ordelen.

3. Offt die Dienaers, welcke wth de Vniuersiteyt van Leyden oft eenighen ander (professie doende van

|161|

die ghereformeerde religie) gheroepen werden, vanden Classe moeten ondersocht wesen? Antw. Het sal genoech zyn, dat sy door een wettelick getuychenisse bethoonen, dat sy van de professoren der Theologie gheexamineert ende gheapprobeert zyn.

4. Wat stipulatie men ghebruycken sal omtrent die Dienaers welcke in dienst te befestighen zyn? Antw. Sy sullen in dese nafolgende fraechstucken bewillighen. Ten eersten, of sy haer ghefoelen van Gode ende zijner Gemeente tot desen dienste wettelick beroepen te zyn? Daernae of sy de Heyl. Bibelsche schryft voer het eenich woordt Godes, ende die volkomen leere ter salicheyt te wesen ende te houden, verwerpende alle ketteryen daer teghen strydende. Ten laesten oft zy bereyt syn haren dienst naer die selue leere trouwelyck te bedienen, ende den seluen mit een vroem leuen te vercieren? ende soe zy yet strafweerdich doen haer der kerckelicke discipline onderwerpen.

5. Ouermits de kercke niemant wth een anderen plaetse komende sonder wettelycke getuychenisse tot den dienst ontfanghen mach soe wordt ghefraecht, hoedanich een getuychenisse die brenghen {sullen} die welcke wth sulcker plaetse komen daer noch kerckenraedt noch Classis is? Antw. Sy sullen vanden naestgeseten Dienaeren ende ander ghelofweerdighe persoonen ghetuychenisse brengen.

6. Offt die gheene die om een wettelycke oersaecke synen dienst onderlaten heeft, hem tot alle tyden de beroepinghe der kercke schuldich is te onderwerpen? Antwoordt. Iae.

7. Offt die gheene, die in Princen ofte andere Heeren Hooven den dienst des woordts betreden, ordentlyck ende wettelyck soe wel als andere sullen moeten beroepen werden, die belydenisse des Gheloofs ende Discipline onderschryuen, wth den bequaemsten des Hofgesins eenighe tot Ouderlinghen ende Dyaconen stellen, op die Classique ende Synodale vergaderingen verschynen, ende haer nae het exempel van andere

|163|

Dienaren het oordeel der seluer onderwerpen? Antw. Sy sullen alle dese dinghen onderhouden ende naekomen. Ende soe feele der gheener anghaet, die in gasthuysen ofte weeshuysen dienen, die selue sullen oock gehouden zyn naer die kerckelycke ordeninghe oft ordinantie haer te regulieren.

8. Hoemen die Schoelmeysteren examineeren sal? Ant. Ouermits der steden gelegentheyt verscheyden is: soe sal het Classis letten, wat best hier in te doene ende byder Ouerheyt te vercrijgen sal zyn, op dat getrouwe ende bequaeme persoonen in dien dienst gestelt werden.

9. Watmen doen sal mit den gheenen, die de Dienaers, welcke schuermaeckers zyn, naer lopen om haer te hooren predicken? Antw. Men salse vermanen tot afstaen ende mit ghefoechlicke middelen wederomme tot oorden brenghen.

10. Wat een Dienaer doen sal die welcke in een plaetse ghesonden wordt, daer noch eerst een kercke te vergaderen ende ordeninghe te stellen is? Antw. Men sal eenighe van den godtsalichsten, die welcke die belydenisse des gheloofs voer goet ende oprecht houden ende bekennen, ende haer beloouen de kercke discipline te onderwerpen, tot Ouderlinghen ende Dyaconen by prouisie kiesen doer welcker hulpe hy het Nachtmael des Heeren wthrechten sal.

11. Hoemen die dinghen beslichten sal de welcke ten deele kerckelyck ende ten deele polijtick zyn, ghelyck feele in huwelycksche saecken voerfallen? Antw. Men sal de Ouerheyt bidden datse eenighe mannen ordineeren doer welcker raedt ende authoriteyt die selue mit de Classe sullen gheordelt worden.

12. Oft den kercken, de welcke weynighe Ouderlinghen hebben , gheoorloft is den Diaconen tot den kerckenraedt toe te laeten? Antw. Het is gheoorloft soe dijckwils die kerckenraedt haeren raedt ende hulpe van doen sal hebben. Bouen dien sullen sy oock ordinaerlyck daer by moeghen wesen, soe zy beyde het ampt

|164|

des Ouderlinckschaps ende Dyaconschaps bedienen.

13. Oft niet nut is, dat in alle kercken een boeck zy in welcke de namen der gheener die ten Auontmaele ghaen gheschreuen worden? Item der gheener die getrout zyn? Antw. Iae: insunderheyt inden openbaren kercken: maer inden anderen, die om der verfolginge haer noch heymelick houden wort tselue vrij ghelaeten. Doch soe ist ouer al raetsaem daer het sonder peryckel is, die naemen der ghetrouder opgeschreuen te worden.

14. Oft niet gheraden is, datmen den armen, die vertrecken, behaluen haren openbaren getuychnis brieff, eenighe besloeten missiue gheue, waer in soe daer yet besonders waere, tselue aengeteyckent worde, doch also dat van die selue missiue in die attestatie gheroert worde? Ant. Iae.

15. Offt ander Dienaren ende Ouderlinghen, dan die afghesondene in die Classe moghen verschynen? Antwordt. Iae: ende wanneer sy ghefraecht worden, sullen sy moeghen advys gheuen, doch gheen stemme hebben.

16. Wat orden men houden sal int anfanghen der Synoden? Antw. De gheene die inden naesten Synodo ghepresideert heeft ofte zoe hy niet tegenwoordich is, die Dienaer der plaetse, daer die Synode te samen kompt, sal een ghebedt doen tot die verkiesinghe des Praesidis zyns Byzitters ende Scribae bequaem, daer naer sal hij die afghesondene brieuen van Credentie afvorderen, ende der seluer naemen als oock der gheener die niet verscheenen syn, doen opschryuen, ende als dan sal die Praeses etc. mit die meeste stemmen vercoren worden; ende dit ghedaen zynde, sal die vercoren Praeses een ghebet doen tot den ganschen anstaenden handel bequaem: offt der wtghebleuen oersaecken wettelyck syn ondersoecken: ende die instructien van een yeghelick afnemen. Daernae sal hy alle dinghen ordentlicken voerstellen, der ganscher versamelinghen oordeel afvraghen, de stemmen vergaderen, hoedanich der meesten ghefoelen is, wthspreeckende,

|165|

die welcke die Sriba opteyckenen, ende daer naer ouerluyt voerleesen sal, op dat het van allen bewillicht wordt. Voort salmen eerst die dinghen verhandelen, die de leere aengaen: daernaer die discipline; ende eyndelicken die particuliere saecken.

17. Offt het niet raetsaem is, dat de Gemeente welcker opgheleyt is, by advyse haerer Classe den tyt ende plaetse des naesten particulieren Synodi te bestemmen, van anderen Classen in tyts alle voerghefallen swaricheyden toegesonden worden, als oock tgheene in die Classique verghaderinghen niet heeft konnen beslicht worden, ten eynde een yegelycke Classe van te voeren alle dinghen neerstelicken ouerlegghe, eer sy tot het Synodum kompt? Antw. Het is ganschelyck gheraden ende men sal arbeyden dat sulcx int werck gestelt worde.

18. Oft niet goet waere dat in de generalen Synoden op den eersten dach der tsamenkompste een predicatie wt Gods woordt ghedaen ende een vasten geheilicht worde? Antw. Het is seer goet, ende die Dienaer dier plaetse, daer die Synode vergadert, sal die vermaninge doen.

19. Wat Catechismus in de Gemeenten ghebruyckt sal worden? Antw. Indien nederduytschen die gene die met den Psalemen van Datheno ouergheset, ende inden walschen die met die Francoische Psalmen tot noch toe gebruyckt is gheweest. Het sal oeck den Nederduytschen ghemeenten vry staen een kort ondersoeck des geloofs wth den Catechismo tsamen ghetogen ende mit den voerschreuen Psalmen ghedruckt te ghebruycken, ende die te onderwysen welcke hen ten Auontmael begheuen.

20. Offt nut sy de sondaechsche Euangelien den volcke te verclaren? Antw. Het is raetsamer dat niet hier ende daer een stuck, maer een geheel boeck des Ouden ofte nieuwen Testamentes wtgheleyt werde, maer mit dit onderscheyt datmen sulcke boecken verkiese, die welcke der ghelegentheyt der kercken meest bequaem zyn.

|166|

21. Wat vraghen men omtrent den Doope ghebruycken sal? Antw. Men sal by de anghenomen forme blyuen, doch alsoe dat het vrij sal zyn dese maniere van spreecken (de leere die hier gheleert wordt) in de 2e vraghe begrepen, te ghebruycken ofte naer te laeten.

22. Oft niet raetsaem is, dat de Ouders die haer kynderen ten Doope presenteren willen, tselue off den Dienaer ofte yemandt van de ouderlingen te voeren ansegghen? Antw. Het is gansch raetsaem, ten eynde men hier door mach weten wat voer ghetuyghen genomen worden: ende off die selue toe te laeten zyn ofte niet, lichtelycker gheordelt mach worden.

23. Offt men die kynderen die te doopen zyn, alderleye namen gheuen mach? Antw. Het is wel vry, doch salmen neerstelyck toe sien, datmen sulcke namen niet neme, die ofte Gode ofte Christo eygen zyn, als Emanuel, Saluator, Item van eenige ampten, als Baptista, Engel, ofte die anders ouergelouich zyn.

24. Welcke de bequaemste wyse zy om aen te nemen den gheenen die haer ten Auontmael begheeren te begheuen? Antw. Sy sullen van den kerkenraedt, ofte andersins van eenen Dienaer mit een ouderlinck ondersocht worden. Daer na sullen zy betuygen, dat sy de leere voor goet ende oprecht bekennen ende dat sy haer der kerckelycke straffe onderwerpen, tsy int openbare naer die predicatie, die tot voerbereydinghe ten H. Auontmale in der Ghemeijnten geschiet, ofte inden kerckenraet.

25. Offt niet nut ende raetsaem is dat die Dienaers des woorts, Ouderlinghen ende Dyaconen voor die bedieninghe des H. Auontmaels de Censure onder elckanderen ghebruycken? Antw. Het is gansch nut ende raetsaem.

26. Offt niet raetsaem is, datmen voer die bedieninghe des Auontmaels een predicatie doe bequaem om der menschen herte daer toe te bereyden? Antw. Sulckes kan wel nuttelyck geschieden, doch so sal

|167|

een ygelicke ghemeente hier in doen dat een yegelyck haer bequaemst dunckt te wesen.

27. Off het nut is op den dach des Auontmaels van dier materie een eyghen predicatie te doen? Antw. Het is nut: ten waere dat de ordinare text hier toe bequamelyck konde beduydet worden.

28. Oftmen op den seluen dach naemiddach inden Catechismo voort faeren ofte yet anders dienende tot dancksegginghe predicken sal? Antw. Het laetste kan wel nuttelyck geschieden, doch soe sal tselue vry staen.

29. Offtmen het Auontmael staende, sittende oft ghaende houden sal? Antw. De Ghemeenten sullen die wyse gebruycken, die hen die bequaemste denckt te wesen, doch salmen het knielen naer laeten om der superstitie wille ende het peryckel der aenbiddinghe.

30. Wat woorden in die bedieninghe des Auontmaels ghebruyckt sullen worden? Antw. Men sal bequaemelicken die woorden 1 Cor. 10 moghen ghebruycken daer byfoeghende: Neempt, eet,. ghedenkt, etc.

31. Oftmen te wyle het Auontmaele bedient wort, yet wth der H. schryfft lesen ofte psalmen singen, off gheen van beyde doen sal? Antw. Het zal stichtelyck syn, dat by ghebuerte psalmen gesonghen worden, ende Gods woort gelesen wort.

32. Offt de heijmelicke ghemeenten gehouden zyn de ordeninghe van alle twie maenden het H. Auontmael wt te richten, tonderhouden? Antw. Het sal soedanighen Gemeenten vry staen, tselue te doen als hen sulcx best gelegen is.

33. Hoemen de vastdaghen houden sal? Antw. Die Ghemeente sal het ghewoonlick ghebruyck der spysen, mitsgaders die handelinghe tot desen leuen dienende, onderlaeten ende den ganschen dach tot den Auont toe, int gehoor ende lesen des godtlicken woordts, ende mit fuyrige gebeden, ende ander heylige oeffeningen toebringen.

34. Offt het ghebruyck der Orghelen in de tempelen te houden zy? Ant. Het wort niet voer ghoet

|168|

gehouden: insonderheyt voer die predicatie. Daerom die Dienaers arbeyden sullen, dat dselue ghelyck het eenen tyt lanck geduldet wort mitten aldereersten afgestelt worden.

35. Item hoe langhe yemant te houden is onderiarig te zyne ende onder die macht syner ouderen te staene? Antw. Een yeghelyck sal hem hier in foeghen naer recht ende de Costumen der stadt ofte des landts daer hy inne woondt.

36. Watmen doen sal wanneer die Ouders daer die kynderen onderstaen, haer onbillicken aenstellen, om inder seluer houwelick niet te willen consenteeren? Antw. Die kerckenraedt sal besien, wat den soedanigen te raeden is. Ende oftmen aen de ouericheyt versoecken sal om haeren authoriteyt daer tusschen te stellen.

37. Offt raetsaem is datmen trouwe op daghen op den welcken een Vasten geheylicht is? ofte het Auontmael bedient wort? Antw. Het is beter tselue op ander daghen te doen.

38. Watmen dien raden sal die ter sulcker plaetse woont daer die Oeuericheyt gheen kennisse en draecht van ouerspel, om een houwelick ter oorsaecken van dien te scheyden? Antw. Dat hy hem begheue te sulcker plaetse daer hij sulcks mit voergaende wettelyck bewys ende getuychnisse bekomen kan. 

39. Hoemen met den hartneckighen sondaer sal foertfaeren totter excommunicatien? Antw. Soe yemant om syne hartneckicheyt van die ghemeenschap des Auontmaels afgehouden synde gheen teyckenen der boetfeerdicheyt bewyst, sal die Dienaer int openbaer der Ghemeynte des sondaers hartneckicheyt te kennen gheuen, die sonde verclaeren, mitsgaders die neersticheyt int straffen, afhouden vanden Auontmaele, ende daer naer mennichmael te vermaenen in hem bewesen, sal de Ghemeente vermaent worden voer desen onboetfeerdighen sondaer te bidden, eermen totter wtersten remedie der affsnydinghe sal moeten komen.

|169|

Soedanighe vermaninghen sullen der drie geschieden. In die eerste sal de Sondaer niet ghenoempt worden, op dat hy enichsins verschoent worde. In die tweede sal met het advys der Classe zynen naem wtghedruckt worden. In die derde salmen der ghemeenten te kennen gheuen, datmen hem, ten sy dat hy hem bekere van die ghemeenschap der kercken wthsluyten sal, op dat syne affsnydinghe soe hy hartneckich blyft, mit stilswyghen ende bewillinghe der kercken geschiede; Den tyt die tusschen de vermaninghe ghaen sal, sal int ordel des kerckenraets staen.

40. Welcke de bequaemste forme der afsnydinghe zy? Antw. Hoewel verscheyden formen voergeschreuen souden konnen worden, soe sullen nochtans de kercken desen naerfolghende mit stichtinghe konnen ghebruycken: Gheliefde Broeders, wy hebben v.l. mennichmael verclaert dat N. de sonde N. beghaen heefft, die welcke hoewel se in haer seluen swaer is, ende der kercken Gods seer schandelyck, soe heefft hy nochtans de selue door syne hartneckicheyt groter ghemaeckt ende verswaert, dwelcke soe groot geweest is, dat hy niet tegenstaende hy dyckmaels anghesproecken is, ende tot boetfeerdicheyt, so int besondere, als int ghemeene, in de tegenwoordicheyt van feel ghetuyghen vermaent is: maer nochtans noyt tot eenich ghefoelen synder sonden, ende tot teyckenen der boetfeerdicheyt heeft konnen gebrocht worden. Dewyle wy dan te foeren v.l. vermaent hebben, dat ghy God voor hem bidden ende hem syns ampts vermanen souden, ende wyder te kennen gegheuen, datmen, ten waere dat hy hem bekeerde, tot die laeste remedie der afsnydinghe soude moeten voertfaeren: Ende niemant van v.l. ons te kennen gegheuen heefft eenich teycken van leedtwesen aen hem befonden te hebben: Soe ist om oersaecke voergemeldet, dat wy hier inden naem ende mit die macht onses Heeren Iesu Christi vergadert zyn, verclaren dat N. buyten de Ghemeente Gods is, ende van de hope der eeuigher salicheyt (soo langhe

|170|

hy hardtneckich blyft) berooft, en daerom soe vander ghemeenschap der Sacramenten als van alle segeninghen ende weldaden Gods, die hy syne ghemeente bewyst, wtgesloten, ende als een Heyden ende Tollenaer te houden is. Eyndelick wy gheuen hem (ghelyck Paulus spreeckt) den Satan ouer, op dat soe het moghelyck is die wysheyt ende cracht, so des vleyschs, als des Satans, die hy te feel gehoersaem is gheweest, getemt ende ghedoot synde, hy hem seluen den H. gheest onderwerpe, ende naer den seluen leue, ende alsoe ten laesten de ewyghe salicheyt vercryghe. V.L. mits desen vermanende, dat ghy v van de ghemeene ende onnoedighe conuersatie mit hem wilt onthouden, op dat hy beschaempt ghemaeckt zynde hem bekeere.

41. Offte die afgesette Dienaers Ouderlinghen ende Diaconen, als sy doer haere boetfeerdicheyt der Ghemeente genoech ghedaen hebben, wederom verkoren moghen worden? Antw. Soe feel die Ouderlinghen ende Dyaconen anghaet sal tselue staen int ordel des kerckenraedts: Maer soe feel de Dienaers belangt, sal van de Classique versamelinghen gheordelt worden.

|171|

II.

Particuliere vraeghen verhandelt inde Sijnode Generael, ghehouden tot Middelburgh in Zeelandt, Den 29en Maii, Ende daer naer, An. 1581

1. Op de vraeghe Oft niet goed waere, de acten Sijnodael te ouersien, ende daer wt te trecken een Corpus disciplinae, ofte kerken-ordenynghe, om der Ouerheyt ghepresenteert te worden, om de zelue te beuestighen? Is gheandwoordt Iae: Ende syn hiertoe ghecommitteert, Arnoldus Cornelii, IJsbrandus Trabius, Ioannes Taffinus ende Martinus Lijdius.

2. Oft niet goedt waere, om ketterien te weeren, bij der hoogher Ouerheijt consent, een ghespreck teghen de Papisten, Weder-Doperen ende ander dwaelgheesten te houden? Is gheantwoordt, Datmen doen zal, als gheresolueert is, op de 25e vraeghe inden Sijnodo tot Dordrecht anno LXXVIII. Ende tgene daer gheseght wordt alleene vanden Wederdoperen, sal verstaen ende ghebruijct worden ouer alle andere secten. Ende is vrij ghestelt den noot ende de gheleghentheijt sulcx heijsschende, dat een yeghel. prouincie, ende particuliere Synode ende Classe, zal moghen met der Ouerheyt consent openbaerlick teghen de Papisten ende wederdooperen disputeren. Doch sal sulcks anderen Sijnoden part. aengegheuen worden, om der seluer aduys te nemen, van de forme der disputatie, ende andersins wat daer toe behoort. Men zal oock voorder hulpe moghen soecken totter disputatie by den naest-ligghende Classen ende Sijnoden particulier oock in gantsch Nederlandt, daer mense kryghen can.

|172|

3. Wat men doen sal met eenen Dienaer op den welcken suspicie valt van ongesontheyt ofte onverstandt inder Leere? Is gheandtwoordt, dat de gene die hem suspect houdet, met hem handelen sal. Ende so verre de selue Dienaer hem niet ghenouch doet, zo sal hij twee Dienaeren tot hem nemen. Ende zo hij van sijne dwalinghe ende onverstandt ouertuijght synde hardtneckich blijft, zo salmen de saecke brenghen voor den kerckenraedt, de welcke hem vermaenen sal in sijne Opinie niet te volheerden. So hij daeren-teghen nochtans volheerdet, sal de sake met raedt des kerckenraedts inde Classe ghebracht worden.

4. Op de vraeghe, Oft het niet goedt waere, Corpus Doctrinae te maecken teghens alle ketteren, om den eenvoudighen te helpen ende de leere des Euangelii te verbreijden? Is gheandtwoordt, Dat een yeghelick gaeuen hebbende een oft meer boucxkens, de een teghen d’eene, ende de ander teghen een ander ketterie schrijuen, Ofte boucxkens alreede daer teghen gheschreuen, ouersetten zal. Ende also men verstaet dat de Heere van St. Aldegonde een boucxken heeft beworpen teghen de Gheestdrijuers, is goet gheuonden (als tselue volbracht zal syn) dat de Dienaeren van Andwerpen ende van Ghendt dat ouersien; Ende soo het orboorlick beuonden wordt, dat ment laete drucken. Ioannes Taffinus sal de Heere van St. Aldegonde schrijuen dat het hem belieue d’werck te volmaecken.

5. Op de vraghe, Oft niet goedt waere dat de Synode eenighen personen last gaeue, die (zo t’eenigher tijt vredehandelynghe voorghenomen mochte worden) met supplicatie van weghen der generalen kercken aenhouden, dat doch gheen Afgoderie ofte Superstitie weder opgherichtet worde? Is goet gheuonden dat de Prouincie daer de vrede-handel, voorghenomen sal moghen worden, voor de ghemeijne kercken aerbeijden sal, ende oock schrijuen aen de gene, die bij ende neffens syne Extie syn, der kercken toestaende, Ende vermaenen haer ampt neerstelick te doen.

|173|

6. Op de vraeghe, Oft het niet goedt waere, des Sondaeghs naer de Predicatie, opentlick ende int ghemeijne, den boetueerdighen vergheuinghe ende den onboetueerdighen bindinghe der sonden te verkondighen? Is gheandwoordt, Ouermidts de bindynghe ende ontbindynghe der zonden ghenouchsaem inde Predicatie des woordts gesciedet, dat het daeromme onnoodich is, een eyghen forme daer toe in te voeren.

7. Op de vraeghe, Oft het niet goedt waere, te maecken Een seker forme van Examen, ouer de gene die totten Dienst des woordts aenghenomen worden, Ouermidts eenighe hierin te veel, ende eenighe te weynich te doene gheseght worden? Is niet noodich gheacht alle kercken aen een seker formulair te verbinden. Sullen euenwel de Examina niet lichtelick nochte onachtsaemlick maer ernstelick ghedaen worden inde bijsonderste hooftartyckelen der Christelicker religie, ende in die stucken die van verscheyden ketteren aldermeest bestreden worden, nae discretie van een ijeghelicke Classe, welcke niemandt dan die ghenouch ervaeren syn daer toe verordenen sal.

8. Oft de Predicanten die eerst tot den dienst aenghenomen sullen worden, niet behooren der Ghemeente daer zij gheconuerseert hebben, eerst voorghestelt worden, Ghelijck met den Ouderlijnghen ende Diakenen geschiet? Is gheantwoordt, Ia, Op dat so ijemandt eenighe verhinderynghe wiste, waeromme sulcke totten dienst niet behooren te commen, de selue voor-stellen mochte. 

9. Of het niet raedtsaem is dat de ghene die in het Predickampt te stellen ende in een ander plaetse tot den Dienst vut te seijnden is, ter plaetse, daer hij gheexamineert wordt, inden Kerckenraedt ofte Classe de handtoplegghinghe met vasten ende bidden ontfanghe? Is gheantwoordt, Ia.
Of de gene die van nieus totten Dienst toeghelaeten wordt, met vasten ende Bidden, ende met oplegghinghe off geuynghe der handen, Tsy openbaerlick inder kercke,

|174|

Offte bijsondere inde vergaderynghe des kercken-raedts ende Classe niet behoordt beuesticht te worden? Is gheandwoordt dat het met vasten ende Bidden inden kerckenraedt ende Classe, met oplegghinghe ofte geuijnghe der handen, ghescieden sal. Ende daer naer sal sulck dienaer der kercken, vande welcke hij beroepen wordt, ofte tot welcke hij ghezonden wordt, voor-ghestelt, zyn ampt teghen de Ghemeente, ende der Ghemeenten ampt teghens hem, verclaert, Ende voort met de ghebeden inden dienst (alst behoort) beuesticht worden.

10. Is aenghegeuen dat int Corte ondersouck ghedruct staet, dat daer een eenich God zij in drie personen Verscheijden, dwelck Onderscheijden behoort te syne. Daeromme sal den druckers aenghegeuen worden, tselue te beteren.

11. Oft raedtsaem is, een persoon, gantsch blindt sijnde, inden Dienst des woordts te stellen, Ende wat men doen sal met den ghenen, die alreede daer in sijn? Is gheandtwoordt neen, ten waere dat wtnemende gheleertheyt ende gaeuen bij hem waren, ende dan noch niet lichtelick. Ende so vele aengaet die alreede inden Dienst syn, Sal de Classe neerstich acht nemen, oft sy met stichtinghe dienen. Ende soude wel noodich syn datse ghestelt wierden, beneffens andere die haer ghesicht hebben.

12. Oft goedt waere Lesers te stellen daer gheen Predicanten syn? Is gheantwoordt, datment niet lichtelick sal doen. Maer in plaetsen die verre gheleghen sijn van de kercken daer predicatie ghesciet, ende daert stichtelick can sijn, salt gheschieden moghen doch met voorweten ende aduijs der Classe.

13. Hoemen handelen sal met den Papistischen Personen, die haer willen laeten Reformeren, als mense van haeren dienst niet wel opschorten kan, vut vreese dat andere Paepen door de leeghe Ouericheyt in haere plaetse souden moghen ghesett worden? Is gheandwoordt datmen de Paepen die haere Superstitie verlaeten hebben, recht begheeren te leeren, ende die eerlick leuen

|175|

(hoewel zij noch in allen niet ghenouch verstaendich ende gheoeffent sijn), eenen tijt lanck lieuer dulden sal, dan de kercken in peryckel stellen. Sal euenwel neersticheyt ghedaen worden, datsij in allen ghenouchsaem berichtt, hen totter ghemeente begeuen ende gheëxamineert worden etc., Om als waere Dienaeren Christi haer ampt recht te moghen doene.

14. Of een Dienaer met consent der Classe van syner ghemeente ontslaghen synde, van zijner Classe oock niet ontslaghen is? Oft dat hij der seluer zynen dienst schuldich is te presenteren? Is gheandwoort Dat een Dienaer alsoo ontslaeghen synde der Classe niet voorder verbonden is, Maer staet hem vrij elders te dienen daer hij beroepynghe heeft.

15. Of ijemandt inden dienst van Ouderlynckschap ofte Diaken-ampt mach vercoren worden, ofte vercoren blyuen, wiens huysvr. gheen lidtmaat der kercke is? Is gheandwoordt, Datmen bij den Reghel Pauli blyuen sal so veel moghelick is. Euen-wel daer ment anders niet hebben can, zalmen de bequaemste nemen, Niet teghenstaende dat de vrouwen noch gheene professie van de Religie ghedaen hebben, Op dat de kercke niet onbedient blijue.

16. Oft Raedtsaem waere, het Ampt der Diaconissen weder in te voeren? Is gheand.: Neen, om verscheijden inconuenienten wille die daer wt souden moghen volghen. Maer in tijden van Pestilentie ofte ander kranck-heden, zo daer eenighen dienst bij krancke vrauwen te doene is, den Diaconen niet betamelick, So sullen sy die versorghen door haere huysvrn., ofte andere daer toe bequaeme synde.

17. Oft een Dienaer te rechte gesuspecteert wordt, als hij personen trauwet, die haer houwelick onordentlick vanhet bijslaepen begonnen hebben, Ia, ofmense trauwen sal, eer sij metter Ouerheyt (wiens ghebodt sij ouertreden hebben) verdraghen sijn? Is gheantwoordt, dat het niet goet is, de beuestynghe der houwelicken wt te stellen, Daeromme sal een Dienaer,

|176|

nae de behoorlicke proclamatie, voort moghen vaeren, Ende daermede wordt d’Ouerheyt in haere gherechticheyt niet verhindert. Doch sulcke personen (lidtmaeten der Ghemeente sijnde) sullen te vooren vermaenet ende nae kercken-ordenynghe ghestraft worden.

18. Item, als hij trauwet twee persoonen, daer van de eene een lidtmaet is, ende de andere gheen professie doet? Is gheandwoordt, Dat de Dienaers sullen aerbeyden sulcke houwelicken te verhinderen, so veel moghelick is. Maar so zij emmers voortuaeren willen, sal hijse trauwen.

19. Item, als hij doopt kinderen, welcker Ouders vande Religie vremt sijnde, oock Ghetuyghen stellen der Religie niet toestaende? Is gheandwoordt, Datmen de Ouders ghewennen sal (so veel moghelick is) dat sij de Dienaers aenspreken eer sij haere kinderen ten Doope presenteren, Op datsy van haer schuldighe plicht, ende oock om bequaeme ghetuijghen te soecken, vermaent worden. Ende sullen de Dienaers teghen dese ende derghelycke onordenynghe, dicwils haere predicatien richten.

20. Of het raedtsaem is, een Summa des Catechismi te maecken? Is gheandwoordt Datmen voor de cleene kinderen inde Latynsche scholen ghebruijcken mach de somma des Catechis. bij Beza beschreuen, ende wtghegeuen Grece ende Latine.

21. Of het goet sij, Ouer te setten een francoijs boucxken ghenaemt La Confirmation de la Discipline Ecclesiastijcque etc.? Is gheand. Iea, ende is den Classe van Walcheren opgheleght.

22. Oft niet goet waere, Eenighe Exegemata op den Catechismum, in forme van corte homelien, ofte anders, voor den aencommelijnghen te maecken? Is gheandwoordt dat Ieremias Bastingius, ende de Classe van Walcheren haer bedencken end aerbeydt op den Catechismum onser kercken, tsaemen brenghen, ende daer wt, niet Homilias, maer Exegemata stellen sullen, De welcke vande Classen van Brabandt

|177|

ende Walcheren doorsien zijnde wtghegeuen sullen werden.

23. Of de kercke van Andwerpen, noch niet gheandwoordt heeft op tghene inden Banbrief des Conijncx van Spaengnen geschreuen is teghen onse Kercken ghelijck zij aenghenomen hadden? Is gheandwoordt Neen. Maer is last ghegeuen Taffino, D. Villerium te vermanen, de antwoorde metten eersten te schrijuen ende ghedaen synde zalse vande Brabandtsche Classe doorsien ende alsoo wtghegeuen worden.

24. Oft niet goet waere, De Ouerheyt te solliciteren tot weerijnghe van alle Ouerdadicheijt ende ongheschictheijt etc.? Is gheandwoordt, Datmen wt namen deses Sijnodi bij Requeste versoecken sal, zo wel bij de Generale als bij de Particuliere Staeten van elcke Prouincie, dat haere E belieue Orden te stellen dat de ontheylichinghe vanden Sondaech, Bordeelen, Ouerdadicheijt ende allerleij andere misbruijcken ende zonden, strijdende teghen de 1e ende 2e Tafel der wet Godes, gheweert worden.

25. Oft niet goet waere een ghemeene aelmoessen ende wees-ordenynghe te maken? Dit is Corputio opgheleght, Te weten een Ordenynghe te stellen, de welcke ghecommuniceert met den Raedts-heere Casenbrotio, ende daer naer bij den Synode particulier van Zuijdt-hollandt ghesien, ghedruct zal worden.

26. Oft niet goet waere, het ghespreck teghen de Lutheranen, tot Malbrun inden Paltz ghehouden, int neder-Duijtsch ouer te setten? Is Raedtsamer gheuonden t’ bouck der Theologen tot Nieustadt, Contra formulam concordiae ab vbiquitariis editam, ouer te setten, ende is opgheleght den Classe van Amsterdam. Ende zal bij de Sijnode van Noordt-hollant ouersien ende daer naer ghedruct worden.

27. Oft niet noodich is, volghens den voet vande lofweerdighen Sijnoden, met voorgaende aduijs der Ouerheyt, alle ketters teghen de waere leere Christi strijdende, tot den Generalen Sijnode te beronpen? Is

|178|

gheand. dat het dit mael blijuen sal bij tgene bouen op de tweedde vraghe gheseght is.

28. Oft niet goet ware, beneffens de Classicale versamelinghen, Oock eenige iaerlicksche besoekinghen der kercken aen te stellen, Ofte Inspectores of Superintendentes te maken, doch met behoorlicker limitatie etc. Is gheandwoort Dat het onnoodich ende zorghelick is. Maer de Classen ende Synoden particulier zullen hair ampt doen, volghende de kerckenordeninghe Artijckel 30 ende 34. Ende op dat niet alleene langhe voorbedachte predicatien vanden Dienaren inden Classicale vergaderinghen ghedaen worden, zo salt in des Classis macht staen (alst noodich is) hen eenen text te geuen, om des anderen daeghs een predicatie daerouer te doene.

29. Of de groote kercken haer niet behooren t’ besluydt des Synodi ende des Classis te onderworpen, so wel als de cleene, ende haer daer naer te reguleren? Is gheandw. Dat alle kercken, zo wel groote als cleijne euen ghelijck den Classen ect. onderworpen zijn, Ghelijck de Classe den Particulieren Sijnode, Ende de Particuliere Sijnode den Generalen.

30. Oft niet goet waere, dat deselue Dienaer niet tweemael naer den anderen tot den Sijnoden ghesonden wierde, op dat andere Dienaers oock leeren mochten. Ant. Het sal allen kercken-raden, Classen ende Particuliere Sijnoden vrij staen, tot den Classen, Synoden particulier ende generael te zenden wt haeren Collegien die sij daer toe bequaem vinden sullen, naer haere beliefte.

31. Waermen de costen vinden sal die inden Particulieren ende Generalen Synoden vanden Dienaeren ende Ouderlinghen ghedaen worden, dewijle veel kercken die niet vermoghen te draeghen? Is gheantwoordt, Datmen versoeck doen sal aende gene die den kerckendienaers haer onderhoudt geuen.

32. Oft niet goed waere, Eenen vasten-dach in te stellen teghen dat de Synode generaal vergaderen sal? Is gheandwoordt, Ouermidts het te deser tijt int openbaer

|179|

niet so stichtelick gheschieden can, datment doen sal soo veel moghelick is inde Classijcke versamelynghen, ende Kercken-raeden, ende de sake met ghebeden Gode den Heere vierichlick beuelen.
Doch is goet gheuonden dat voort aen de Nationale Synode tsamenghecomen zijnde voor alle andere handelinghen haer tot vasten ende bidden begheuen ende de dienaer der plaetse een vermaninghe vut Godts Woordt tot den aenstaenden handel bequaem zynde doen sal.

33. Of het Auondtmael des Heeren ghehouden sal worden ter plaetsen daer de Synode Generael ofte Particulier te zaemen comt? Antw. Men zal doen naer de gheleghentheijt der kercken, Ende soo het te passe coomt het Auondtmael lieuer 14 daeghen oft drie weken, vroegher ofte spaeder houden.

34. Oft in particu. ende generalibus Synodis kuerstemmen behooren te hebben die gene die niet ghedeputeert zyn? Is gheandwoordt: zij zullen mede aduijs moghen geuen, tot openijnghe der saecke, als bouen vanden Classicalen vergaderinghen.
Ende also in Noordt-hollandt wekentlicke versamelynghen ofte bij-eencomsten der Dienaeren ghehouden worden, om te handelen vander Leere, Is gheoordeelt dat de selue euen-wel haere Classycke versamelynghe, bestaende niet alleen vut Dienaeren des Woordts maer oock vut Ouderlinghen, naer de Sijnodale ordenynghe, houden, ende inden seluen alleen haere kerckelicke saecken handelen sullen.

35. Also aenghegheuen is dat eenighe mindere vergaderinghen somtijdts contrarie besluyten dan in meerdere verordent is, waer vut onoordeninghe ende onghelijcheijt der kerckenbedieninghe etc. spruytet: is ghevraecht oft goet ware dat de Acten van mindere vergaderinghen op de meerdere ghebracht wierden te examineeren, als het Kerckenboeck inden Classe ende t’ Classeboeck inde particuliere Synode? Antw. Neen: maer om hier in te uersien, wanneer ijemandt sulcks

|180|

verneemt sal neersticheyt doen dat het ghebetert worde door particuliere vermaninghen ofte soo het niet helpt door de authoriteyt van meedere vergaderinghen.

36. Of de Ouderlijnghen van kleijne stedekens ende Dorpen, om costen te spaeren, wel wt de Classen moghen blijuen? Is gheandwoordt, Neen: Maer datmen volghen sal het XXX ende 34 artijckel der Kerckenordeninghe. Ende die wijl hier in bij velen ghebreck is, sal dat ghebetert worden, twelck lichtelick geschieden sal connen soo zij spaerlick leuen.

37. Item of om derselue oorsaecke wille niet ghenouch soude sijn, dat een Dienaer ende een Ouderlijnck wt elcke Classe op den Particul. Sijnodum, wanneer de Particul. Synodus sulcxs goet vondt, quaeme.

38. Op de vraeghe oft niet beter ware met den Nationalen Synodo langher dan drie iaren te vertoeuen? Is gheandwoordt, datmen blyuen sal bij den 30en Artic. des 2en Capytels des Nationalen Sijnodi voorsst., Om ghewichtighe oorsaecken wille.

39. Hoemen best tot Instauratie ende Reformatie vande Scholen sal moghen commen? Is mondelijnge eenen sekeren voorslach gheschiedt, ende Lydio ende Damio last gegeuen hier inne te handelen naer haeren vermoghen met den Curatoren ende Professoren vande Schole tot Leijden, daer toe haer Credentiebrieuen wt name deses Sijnodi ghegheuen sullen worden.

40. Oft niet noodich en sy, die schoolmrs. op de Dorpen met gaige naer discretie te voorsiene, op datsy in haeren dienst neersticheyt bewijsen? Is gheandwoordt, dat een ijeghelick dit behoort te versoecken bij syne hooghe ende leeghe Ouerheyt, ende de sake te beuoorderen so vele moghelick is.

41. Aengaande de Studenten te houden, Is gheaduijseert, dat de Prouincien van hollandt ende Zeelandt by Reijse sullen aenhouden aen haere staeten, ende oock bijsonderlick bij de Magistraten elck in haere stadt, Dat het concept van eenighe studenten elck in zijne stadt ter scholen te houden, voortganck hebbe daert

|181|

noch niet en is gheschiet. Ende naer den seluen Exempelen sullen ander Prouincien ende steden, daer noch gheen studenten aenghenomen en syn, volghen.

42. Oft niet raedtsaem sy Collegien op te stellen, voor de gene die de groote costen in der Schole van Leyden niet draeghen en konnen? Is gheandwoort dat het zeer profijtelick waere. Ende is daeromme Lydio, ende Damio last ghegeuen dit oock te beuoorderen, bij de Curatoren ende Professoren der schole tot Leyden, Ende met haeren readt voorder te versoecken indient noodt is.

43. Alsoo in Hollandt in Martio laetstleden een Placcaet vande Staten vutghegeuen is, dat de schoolmeesters vande Classen gheexamineert sullen worden, is ghevraecht waerinne dit Examen gheschieden sal. Is gheandwoordt, datse zuijuer inden ghelooue ende beqaem tot haeren Dienste sullen zyn.

44. Oft niet goet waere, Gheen schoolmeesters ofte Schoolvrn. toe te laten, dan die lidtmaeten sijn der kercke? Item watmen doen zal, daer Rectoren ende Schoolmrs. haer niet willen laeten Reformeeren? Is gheandwoordt dat een ijeghelick bij den synen sal moeten voorderen, so vele hij kan.

45. Op de vraeghe, welck de 37 artijckelen zyn, die byden Predicanten, Ouderlynghen ende Diaconen onderteeckent moeten worden? Is gheandwoordt dat het selue syn, Die eertijds bij de Neder-landsche kercken deu Conynck Philips ouerghegeuen sijn. Ende ouermidts de selue seer misdruct syn, is Daniel de Dieu last ghegeuen, de selue artijckelen wt den Françoijschen in Nederduijtsche sprake ouer te setten, Om daer naer vande Brabandtsche Classe ouersien, ghedruct te worden.

46. Oft niet goet waere bij de hooghe Ouerheijt aen te houden, Dat op de druckerien generalick eenighe Orden ghesteldt waere? Is gheandwoordt dat een ijeghelick in sijn Prouincie ende plaetse aenhouden zal bij sijne Ouericheijt om hier in te Remedieren.

47. Oft den Lidtmaaten der kercken vrij staet, te

|182|

drucken ende te vercoopen die boucken die met ketterije, ende eenighe onstichtelicke lichtueerdicheyt besmett zijn? Is gheandwoordt, Niet gheorlooft te sijne.

48. Oft niet goet sij, eenige wtghelesene Loffsanghen, wt den Oosterschen achter onse Psalm-boecken ghedruct te worden? Is gheandwoordt, niet raedtsaem te sijne. Doch om dieswille de landtlieden int sticht Ouerijsel seer tot de Oostersche gheneijght syn, ende qualick tot de Psalmen Dauids inden Nederlandschen Kercken ghebruijckelick connen ghewent worden; Zo sullen die van Deuenther thien oft twaelf, oft eenighe meer vande lichtste Psalmen moghen wt trecken, ende bijsonder laeten drucken etc.

49. Waeruoor men den Doop vande vagabunde Priesteren houden sal? Is gheandw.: Dewyle soodanighe Pastoren ende Capellanen, hoewel zij in haren plaetsen niet zijn, alsnoch beroepinghe hebben vander Roomsche Kercke ende niet gheheel voor priuate personen ghehouden connen worden, soo sal de Doop van hen bedient soo verre ghelden dat hij niet weder verhaelt behoeft te worden.

Maer de doop van Monijcken, ende oock vande gene die sy int Paeusdom, Diakenen ofte Sub-diakenen noemen, gheschiet, sonder authorisatie daer toe te hebben, is van nul ende onweerdt te houden. Ende hier af zal een ijeghelick synen Classen waerscuwen.

50. Waervoor de Doop der Weder-Doperen te houden is, die gheschiedt is aen de gene die in haere Ionckheijt niet ghedoopt sijnde, in haeren ouderdom ghedoopt sijn, op der Weder-Doperen gheloue, Of de selue, als sij hun tot den rechten gheloue begheeren te begheuen, met t’ sacrament des Doops opghenomen moeten worden? Is geantwoordt, Datmen vernemen moet wat forme de Weder-Doperen ghebruijcken in haeren doop, ende of de selue al eenderleij is, ende daer na sal breeder.1)


1) De volzin is in het handschrift niet voltooid.

|183|

51. Alsoo aenghegheuen is van eenighen die dryuen datmen het brood inden Auontmale niet behoort in langhe stucken te snijden ende daer na te breecken maer van gheheele brooden, is ghevraecht ofmen hier inne ijet veranderen sal? Antw.: Datmen sal blijuen bij tgemeene ghebruijk der Neder-lantsche kercken, ende die contrarie doen, vermanen.

52. Ofmen ten tijde des Auondtmaels den krancken professie doende ende langhe te bedde gheleghen hebbende het Auondtmael tot haren huijse aendienen sal, Bijsonder, zo daer eenighe forme van kercke versamelt waere? Is gheantwoordt, neen, ende datmen de Sacramenten niet wtrechten sal dan inde ghemeene versamelynghe, ter plaetse daer de ghemeente ordinairlick tsaemen comt.

53. Op wat wijse de melaetschen ten Auondmaele des Heeren toe te laten zyn? Is gheantwoordt: Dat mense sal laten communiceeren of in een hoeck des Tempels alleene daert gheschieden can, Ofte aen de ghemeene tafel, ten alderlaetsten.

54. Alsoo de lyckpredicatien niet aenghenomen worden, is ghevraecht ofmen de Dancksegginghe bij de begraffnisse der dooden, staende achter in den Catechismo, voort aen int drucken niet achter laten sal? Is gheandwoordt datmen de Druckers alsulcks vermanen sal te doen.

55. Of de Ouderlynghen int aenuanghen haers Dienst de Kerkcken-ordenijng oock sullen onderschrijuen? Is gheandwoordt, datsy inden Consistorio belouen sullen, de kercke te helpen regneren, achtervolghende de Sijnodale artijckelen, zo langhe als sij vanden Sijnodo niet verandert en werden. Ende dese haere belofte int kerckenboeck gheschreuen sijnde, en is gheen breeder subscriptie van nooden.

56. Oft niet goet en waere in elcke Prouincie byder Ouerheyt te versoecken Dat ordinancie van huwelicke ghemaect, ende zekere personen benoemt worden, aen de welcke alle voorvallende zwaericheden in huwelicx

|184|

saken oock van echtscheijdinghe ghebracht worden, ende bij haer ghedecideert, Ouermidts de gheestelicke houen nu cesseren; ende de huwelicxsaken bij de ordinaire Magistraet (bysonder in cleene stedekens ende dorpen) seer nieuwe sijn, Oock dickwils niet ghenouch bewoghen, lichtelick die echtscheijdynghe van tafel ende van bedde toeghelaeten wordt? Is gheandwoordt, dat het gantsch noodich is, hier op aen te houden.

57. Oft stichtelick is dat twee personen, wesende Ooms kinderen, ofte in ghelycken graedt, elcandren trauwen? Is gheandwoordt niet stichtelick te syne, Ten 1en om der arghernisse wille, die daer wt ontstaet. Ten 2en om der eerbaerheijt wille. Ten 3en op dat de vriendtscap te beter tot andere geslachten mach vutghespreijdt werden. Ten 4en omdat het strijdt teghen t’ ghebruijck meest aller ghereformeerder kercken.

58. Of eenighe Proclamatien vande huwel. in openbare kercken geschieden moghen inder weke, buyten de Zon-daghen? Is gheandwoordt, dat de wtroepynghen ghedaen sullen worden op drie verscheijden Zonndaeghen, ten waere grooten drynghenden noodt, daer van de kerkcken-raedt oordeelen sal, behoudens dat de Dienaers in hollandt hier in niet veranderen sullen, sonder voorweten haerder Ouerheijt.

59. Hoemen handelen zal met een Lidtmaet der Ghemeente die teghens voorgaende vermanynghe, hem door de Paepen heeft laeten trauwen, met een persoon de welcke van sijn naturelicken broeder te vooren misbruyct is gheweest? Is gheandwoordt, Indien sulcke vermaent zynde, hem niet en bekeert, zal hij gheëxcommuniceert worden. Ende syn bekeerijnghe sal dan blijcken, als hij de persone die hij wettelick midts bloedtschande niet hebben can verlaett: Maer so hij hem bekeerdt zal hij met behoorl. Reconciliatie opghenomen worden.

60. Of ’t houwelick beuesticht mach worden in andere plaetsen, dan daer het wt gheroepen is? Is gheandwoordt, Iae: als inden thienden Artijckel des vijfden cap. des Dordrechtschen Synodi.

|185|

61. Of een gheselle ofte man door byslaepen eener maeght ofte weduwe, daer aen is verbonden om die te trauwen, volghende Exodi 22: 16 ende Deut. 22: 28? Is gheandwoordt, dat het te wenschen waere, zo vele een maeght aengaet, dat de wet Godes in ghebruijck waere, Namelick, wanneer de vader de gheschende dochter geuen wil, ende gheselle sijns selfs is, datsij als-dan elcandren te huwelicke hebben, ofte emmers dat de dochter haer huwelicksche gaeuen vanden gheselle ontfanghe. Maer naedien Contrarie vsantie inde Politie d’ ouerhandt ghenomen heeft, zo en canmen niet wel anders oordeelen, ter tijt toe dat de Magistraet hier op andere wetten ghemaect sal hebben. So veel de weduwen aengaet is gheandwoordt dat byslapynghe zonder belofte, gheen verbindinghe en maect.

62. Een persoon beslaepen hebbende een dochter, heeft daer naer de suster vande selue ghetrout, Is de vraeghe, Of hij aen de eerste ofte aan de tweede verbonden is, ofte aen gheen van beyden? Is geandwoordt dat hij gheene van beijden behoort te hebben, midts bloedtschande, maer d’ Ouerheyt behoort haer ampt te doene.

63. Oft een man syner huysvrauwen Zusters ofte Broeders dochter, daer of zyne huysvr. moeije was, mach trauwen? Is gheandwoordt, Neen.

64. Of het gheoorlooft is te trauwen de weduwe van dien, wiens suster men te vooren ten huwelicke ghehad heeft? Is gheandwoordt dat het niet eerlick gheschieden can.

65. Of de Conscientie des genen die een heijmelicke belofte ghedaen heeft, welcke hij niet begheert te houden, daermede ghenouch ontlast is, dat de Ouerheyt met haere ordinancie de heijmelicke beloften van onweerden verclaert? Is gheandwoordt, datse te vermaenen syn, die sulcks doen, maer soodanighe beloften verbinden de conscientie niet tot volbrenghinghe des huwelicx, Bysondere daer de Ouerheyt de heijmelicke beloften verboden heeft.

66. Oft de ghene die ordentlick naer den reghel

|186|

Christi gheëxcommuniceert syn ende met hen de kinderen, diese winnen duerende de Excommunicatie, buijten het verbondt sijn? Is gheandwoordt, Neen.

67. Dewijle danssen, vechten ende dronckenscap, in desen Landen zeer ghemeene ende schier ongheneselicke zonden syn, Ofmen sulcke vanden Auondtmaele af-houden, ofte oock sonder aensien der persoonen haere schult sal doen bekennen? Hier op is gheandwoordt in de 42e ende 43e particuliere vraeghe des Synodi Dordra.

68. Oftmen den ghene die wel vande ghemeenscap der kercke afwijckt tot ketterijen, ofte andersins vervalt, maer nochtans met zyn exempel niet veel quaets en doet, naer vermanijnghe opentlick excommuniceren sal? Andwoorde, men sal naer gheleghentheyt vanden personen, tijden, plaetsen ende zonden, naer oordeel des kercken-raedts ende Classis doen wat stichtelick is.

69. Of men tghene inden 63 artyckel der Kerckenordeninghe vande openbare versoeninghe, item hier bouen particul. questie vant openbaer voorstellen des mans voor de Excommunicatie gheseyt wordt, te verstaen is van een openbare actie inder kercke voor alle toehoorders int ghemeijn of voor der Ghemeijnte alleen? Is gheandwoordt, dat het verstaen wordt van alle den ghenen, die tot den ghehoore commen.

70. Of de Predicanten op de dorpen den gheuallenen personen openbaere reconciliatie sullen moghen voorschrijuen sonder voorweten des Classis? Is gheandwoort, Neen, ouermidts de selue predicanten dicwils niet ghenouch ervaeren en zijn in kercklicke Discipline, noch oock voorsien en sijn van een ervaren kerckenraedt.

71. Hoemen de Camerspelen, inde 26e vraghe te Dordrecht onstichtelick gheoordelt zynde weren sal? Is gheantwoordt, dat een ijeghelick aenhouden sal bij syne Ouerheyt, dat onstichtynghe gheweert wordt.

72. Oft een Ouder inden Dienst zynen medehulper

|187|

noch ionck inden Dienst des woordts zijnde, vermanende ende straffende met recht als heerschappende beschuldicht can worden? Is gheandwoordt, Neen, Daeromme de andere de vermaninghe ghehouden sal zyn te ontfanghen.

73. Of de Canonijcken, ende ander Gheestelicke personen, inde Christelicke kercke moghen aenghenomen worden, behoudende hare beneficien, Dekenien, Proostien etc. doch zonder Afgoderie oft Superstitie, Ende of zij daer naer tot Ouderlynckscap ofte Diakenampt moghen aen-ghenomen worden? Is gheandw., Datsij tot versakinghe aller Superstitien, ende tot recht ghebruijck haerder goederen, vermaent sullen worden, Dwelck doende, zij wter ghemeenschap der kercke niet konnen wtghesloten worden. Maer tot het Ouderlynck-scap ofte Diaken-ampt, sullen sij niet toeghelaeten worden, dan met groote voorzichticheijt.

74. Of een Sijnodus particulier ouer eenen afwesenden Ouderlynck soo strenghelick mach besluijten, dat hij totten Sijno. generael zonder excuse, soude moeten gaen, ende zonder dat een ander in sijne plaetse soude moghen ghesonden worden? Is gheandwoordt, Neen, Maer om inconuenienten te schuwen is raedtsaem beuonden, dat de Particuliere Sijnoden een kercke noemen, de welcke naer haere discretie een Ouderlynck wtsenden moet.

75. Of de ghene die inden Ampte der Ouericheijt zijn niet moghen tot Ouderlinghen, ende wederomme Ouderlinghen tot Ouerheden ghenomen worden? Is gheand., Dat het eene ampt het andere niet verhindert.

76. Oft niet een Classe macht heeft te retracteren, tgene sij beuyndt in voorgaende Classe teghen den Sijnodum Nation. besloten te sijne? Is gheandw. Dat syt niet alleen machtich maer oock schuldich is te doen.

77. Of Bastaerden totten dienst des Woordts, des Ouderlynckscaps, ende Diaken-ampts toeghelaeten moghen worden? Is gheandwoordt, Datter gheen redenen

|188|

zijn waeromme het niet gheoorloft soude zijn, midts hebbende behoorlicke gauen.

78. Of de Brabandtsche kercken, verre vanden anderen ghelegen, midts perijckel niet in twee Classen en moghen ghedeelt worden? Wordt ghestelt ter discretie van die Brabandt selue.

79. Of het stichtelick is, dat de huysvrauwen ende knechts vande Lombaerts inder Ghemeente aenghenomen worden? Is gheand. De huijs-vrauwen voor den Dienaren der Ghemeijnte verclarende dat haer den handel haers mans mishaeght, zomense merct eenvoudich ende vroom te sijne, zullen toeghelaeten moghen worden. Maer de knechten dewyle sy vryheyt hebben om een and. {te dienen}, so langhe sij in sulcken dienst blyuen, salmen af houden.

80. Oft toeghelaeten zij, het broodt voor de bedienynghe des Auondtmaels, ghesneden ofte ghebroken in stucxkens, ter tafel te brenghen? Is gheandwoordt, dat de brekinghe inde teghenwoordicheijt der Ghemeente gheschieden sal.

81. Of inden Kercken daer tghebruyk vanden crancken het Auondtmael te gheuen aenghenomen ofte ghebruijckelick is, ofte oock ter plaetse daer alleen een deel der Kercke op d' eene ende een deel op d’ ander tijdt ten Auondtmael gaet ghelijck te Wesel gheschiedt, de Dienaer die het Auondtmael bedient altijdts schuldich is mede te communiceren?

82. Antw. De Dienaer sal hem altijt so Christelick dreaghen, dat hij telcken-maele mede communiceren mach als hij het Auondtmael bedient, Op dat hij den Communicanten met sijn goedt Exempel voorgae.

83. Oft noodich is, de personen tot het Ouderlynck ofte Diaken-ampt ghedenomineert, der Ouerheyt te presenteren, om daer wt de helft te verkiesen, Ofte de ghedenomineerde personen te beuestighen? Is gheandwoordt, Ghelyck de benoemijnghe, dat also oock de verkiesijnghe kerckelick is; ende dat de Ouerheyt professie doende vande Religie, mede begrepen is

|189|

onder de Ghemeente der welcker de benoemde Ouderlynghen ende Diakenen (volghende den 15en art. der Kerckenordeninghe des Sijnodi tot Dordrecht) voorenghesteldt worden. Euenwel, indien de Ouericheyt hier op dronghe, ende de kercke in perijckel van twist, ofte ander inconuenient mochte commen, zalmen Christelick bedencken, hoe verre der Ouerheyt hier in bewillight soude worden; ende dat met aduijs des kerckenraedts, der Classe, ende Particulieren Sijnode.

84. Oft niet (den noodt heijsschende) de Sijnoden Partic. van een Prouincie extraördinarie te samen moghen commen, Om vande ghemeene saken der Prouincie met elcanderen te spreken, zonder preiudicie vande Ordinaire t' samen-comsten? Is gheandwoordt, Iae.

85. Waer voor te houden sijn, die Consistorien, die buijten de behoorlicke tijden, ofte extraordinarie also ghehouden worden, dat niet alle lidtmaeten der Consistorie daer toe gheroupen worden? Is gheandwoordt datse niet ghelden en sullen, Maer tgheheel Consistorie sal moghen veranderen, wat also onbehoorlick ghedaen was. Ende als tot extraördinaire vergaderinghe, ter behoorlicker tijt, alle ontboden syn die daer toe behooren, hoewel sy niet alle commen, zal van weerden sijn, tgene in sulcke extra-ördinaire vergadrynghen besloten is

 

(Uit het afschrift dat aan Bogerman heeft toebehoord is hier nog bijgevoegd:)

1. Watmen doen sal wanneer de Classe oordelt dat een Dienaer te transfereren is, ende die Dienaer offt kercke appelleert, of verwacht moet werden de beroepinghe ende tsamenkompste des Synodi Generael? Antw. Hy sal blyuen ter tyt toe dat die particul. Synodus de sententie des Classis approbeert. Ende als dan sal die translatie voertghaen ter tyt toe inden Nationalen Synodo daer van kennisse genomen ende anders gheordelt is.

2. Wanneer men gheen Ouderlinghen vinden kan die haer ontledighen konnen an de particul. oft generalen Synodum te ghaen, is gefraecht, wat als dan te

|190|

doen sal staen? Antw. Men sal neersticheyt doen dat eenighe ghaen ende soe sy niet en ghaen sullense ghecensureert worden.

3. Off int examen der Dienaren des woorts het oordeel van de leere soe wel byden Ouderlingen ende Dyaconen, als by den Dienaren staen sal? Antw. Die Ouderlinghen ende Dyaconen sullen wel anghaende het examen des leuens ende wandels stemmen hebben, soewel als die Dienaers: maer so feele die leere belangt sullen sy aduys moghen gheuen maer die Dienaers alleene stemmen hebben.

4. Off het noodich sy van die afgestoruene litmaten der kercken, oft oock anderen die gheen professie ghedaen hebben, register inden kerckenraet te houden? Antw. Neen. Maer het sal in de genere der Ouerheid befolen worden.

5. Off het orbaer is dat die Classique vergaderinghe altyts op een plaetse gehouden wert, offt datse bij gheboerte omghaen? Antw. Sy sullen by ghebeurte omghaen, soe fele moghelick is.

6. Off het niet goed en is dat de Ouderlingen by de propositien mede zyn, soe wel van den ghenen die wtter schoelen komen, als die niet ghestudeert hebben? Antw. Iae, soe sy daer toe vaceeren konnen.

7. Offt die professoren der Theologiae in de Classique verghaderinghen, als die in plaetsen haerder residentie verschynen, wanneer van de leere gehandelt wordt, mede behoeren stemmen te hebben? Is gheantwoort: Iae.

 

Hiermede zyn de particuliere questien gheeyndighet, die welcke, als oock die in voorghaende Synoden beantwoort zyn, den Kercken, haeren Dienaeren, Ouderlinghen ende Dyakonen dienen sullen voer goeden regel, raet ende bericht, dwelcke een yegelyck nuttelyck ghebruycken sal, sonder lichtfeerdelyck daeraff te wycken ofte teghens te doen, Tot dat sy van een ander Synodo souden moghen verandert worden.

Biesterveld, P./Kuyper, H.H. (1905) ’s-Gravenhage 1586

|191|

De Kerkenordening van de Nationale Synode van ’s Hage, 1586 met de Particuliere Vragen, Visitatie-reglement en Schoolordening

 

Kerkenordeninghe
ghesteldt inden
Nationalen Sijnodo
bij laste van syn Excellencie, ghehouden int Sgravenhaghe
den XX Junij 1586.

 

I.

Om goede ordere inde Gemeynte Christi te onderhouden, sijn daer inne noodich de diensten, tsamencompsten, opsicht der leere, Sacramenten ende ceremonien, ende Christelijke straffe: waer van hier nae ordentlijken sal ghehandelt wordden.

 

Vande Diensten.

II.

De diensten sijn vierderleij, Der dienaren des woerts, der Doctoren, Ouderlinghen ende Dyakenen.

III.

Het sal niemandt al hoe wel hij een Doctor, ouderlinck, oft dyaken is, gheoorloft sijn den dienst des Woerts ende der Sacramenten te betreden sonder wettelijken daer toe beroupen te sijne; Ende wanneer ijemandt daer teghen doet ende meermael vermaendt

|192|

sijnde niet afstaet, soo sal de Classe oordeelen, ofmen hem voer eenen Schuermaker verclaren ofte op eenighe andere wijse straffen sal.

IV.

De wettelijke beroupinghe der ghener die te voren inden dienst niet gheweest sijn, soo wel inde steden als ten platten lande, bestaet: Ten eersten inde verkiesinghe, de welke ghescieden sal doer den kerkenraet ende Dyakenen mitsgaders het oordeel der Classe; ofte van twee of drye naestgheseten Dienaren. Ende inde plaetsen daer gheenen kerkenraet en is, doer de Classe met bidden ende vasten. Ten anderen int examen oft ondersoukinghe beijde der leeren ende des leuens, de welcke by den seluen staen sal vande welken sij vercoren worden; welverstaende dat nieuwelinghen, mispriesters, monnicken ende die andersins eenighe secten verlaten hebben, niet sullen toeghelaten wordden, voer datse sekeren tijt beproeft sijn. Ten derdden inde approbatie ende goetkenninghe van de Overheijt vande plaetse respectiuelijck (de welke sij sullen aenghegheuen wordden, om te vernemen, oft sij haers leuens ende borghelijken wandels haluen eenighe wettelijcke oorsaeke heeft te wederspreken) ende der ghantscher Gemeijnten, wanneer de naem des Dienaers, den tijt van vierthien daghen inder kerken vercondicht sijnde, gheen hindernisse daer teghen en compt. Ten laetsten inde opentlyke beuestinghe voer de Gemeynten, de welke met behoorlyke stipulatie ende afvraghinghe, vermaninghe, ghebedt ende oplegghinghe der handen vanden dienaer die de bevestinghe doet (oft eenen anderen, daer meer Dienaers sijn) toeghaen sal naar het formulaer daer van sijnde: welverstaende dat de oplegghinge der handen sal moghen ghedaen wordden inde Classicale vergaderinghe aenden nieuw ghepromoueerden Dienaer, die ghesonden wordt inde kerken onder tcruijs.

|193|

V.

Nopende de Dienaers, die nu alreede inden dienst des woerts sijnde tot een ander Gemeijnte beroupen wordden, sal desghelijcx soodanighe beroupinghe ghescieden soo wel inde steden als ten platten lande, byden kerkenraet, ende Dyakonen ende het oordeel oft advijs vande Classe, oft ijmmers van twee oft drije naestgheseten Dienaren der seluer, soo tselue ghescieden kan. Ende inde plaetsen daer gheenen kerkenraet en is, by de Classe: Al waer de voersz. beroupene verthoonen sullen ghoede kerkelijke attestatien van leere ende leuen. Ende alsoo den magistraet vander plaetsen respectiuelijken aenghegheuen, ende der Gemeijnten eenen tijt van veerthien daghe voerghestelt synde als bouen, sullen met voerghaande stipulatie ende ghebede beuesticht wordden.

VI.

Sal oock gheen Dienaar Dienst moghen aennemen in eenighe besondere heerlijkckheden, gasthuijsen oft andersins, ten sij dat hij voerhenen gheadmiteert ende toeghelaten sij, volghende de voerghaende artijkelen, ende sal oock nietmin als andere de kerkenordeninghe onderworpen sijn.

VII.

Niemandt sal tot den Dienst des woerts beroupen wordden, sonder hem in een seker plaetse te stellen: ten ware dat hij ghesonden wordde om hier oft daer te predicken bijden ghemeijnten onder tcruijs oft andersins om kerken te verghaderen.

VIII.

Een Dienaer eens wettelijken beroupen sijnde, mach

|194|

de Gemeijnte, daer hij sonder conditie aenghenomen is, niet verlaten, om elders een beroupinghe aen te nemen, sonder de bewillinghe des kerkenraets met de Dijakonen ende derghene, die te voren in dienste van Ouderlingxschap ende Dijakenschap gheweest hebben, mitsgaders die vanden magistraet ende met voerweten1) vande Classe; ghelijck oock gheen ander kerke hem sal moghen aennemen, eer hij wettelijcke ghetuijghenisse sijns affscheijts vande kerke ende Classe, daer hij ghedient heft, verthoont hebbe. 

IX.

Op d'ander sijde sal de kerkenraet als representerende de Gemeijnte, oock ghehouden sijn hare dienaers te versorghen van behoorlijck onderhoudt, ende sonder kennisse ende oordeel des Classis niet te verlaten, de welke oock, bij ghebreke van onderhoudt, sal oordeelen oft de voersz. Dienaers te versetten sijn oft niet.

X.

De wyle een Dienaer des Worts eens wettelijken als bouen beropen synde sijn leuen lanck aenden kerkendienst verbonden is, soo sal hem niet gheoorloeft sijn hem tot eenen andren staet des leuens te begheuen, Ten sij om groote ende wichtighe oorsake daer van de Classis kennisse nemen ende oordeelen sal. 

XI.

Soo het ghesciede dat eenighe Dienaers doer ouderdom, siecte oft andersins onbequaem wordden tot oefeninghe haers diensts, soo sullen sij nochtans des niet te min, de eere ende den naem eens Dienaers behouden, ende van de kerke, daer sij ghedient hebben, eerlijken


1) In het handschrift wordt hier bij vergissing die ingevoegd.

|195|

in haren nootdruft (ghelyck oock de weduwen ende weesen1) int ghemeen) versorgt wordden. 

XII.

Soo eenige Dienaers om de voersz. oft eenighe andere oorsaken haren dienst voor eenen tijt onderlaten moesten (het welke niet sonder aduijs des kerkenraets ghescieden sal) sullen sij nochtans tot allen tijden de beroupinghe der Gemeijnten onderworpen blijuen.

XIII.

Het sal niemandt gheoorloeft sijn, den dienst sijnder kerken onderlatende oft in gheenen sekeren dienst synde, hier ende daer te ghaen predicken buijten consent ende authoriteijt des Synodi oft Classis; ghelijck oock niemandt in een andere kerke eenighe predicatie sal moghen doen ofte Sacramenten bedienen, sonder bewillinghe des kerkenraets.

XIV.

Der Dienaren ampt is inde ghebeden ende bedieninghe des woerts aen te houden, de Sacramenten wt te richten,2) op hare medebroeders, Ouderlinghen ende Dyakonen, mitsgaders de ghantsche Gemeynte ghoede acht te nemen, ende ten laetsten met de Ouderlinghen de kerkelijke discipline te oefenenen, ende te besorghen dat alles eerlyken ende met ordere ghesciede. 

XV.

Onder den Dienaren des woerts sal ghelyckheijt ghehouden wordden aenghaende de lasten hares diensts, mitsgaders oock in anderen dinghen soo vele moghelijken is, volghende het oordeel des kerkenraets, ende dies van noode sijnde des Classis; het welke oock inden Ouderlinghen ende Dijakonen te onderhouden is.


1) In de latere uitgaven der K.O. is hier ter verduidelijking bijgevoegd: der Dienaren.
2) In de gedrukte uitgaven staat: uijt te rijcken.

|196|

XVI.

Het ampt der Doctoren inder Theologien ofte Proffessoren1) is, de H. Scrift wt te legghen, ende de suijuere leere teghen de ketterijen ende dolinghen voer te staan. 

XVII.

De Gemeynten sullen aerbeijden, datter studenten inder Theologien sijn, die ex bonis publicis onderhouden wordden.

XVIII.

In de kerken daer meer bequame predicanten sijn, salmen het ghebruijck der propositien aenstellen, om doer sulken oefeninghen eenighe tot de dienst des woerts te bereyden; wel verstaende dat gheen proponenten de Gemeynten openbaerlyck vanden predicstoel sullen leeren, dan die wettelyken gheexamineert ende bequaam ghekent sijn inde vniverseteijt ofte Classe; ende en sullen nochtans haer niet vervordderen de Sacramenten te bedienen, ter tijt toe sij volcomelyken beroupen ende beuesticht sijn. 

XIX.

De kerkenraeden sullen allomme toesien datter ghoede Scoelmeesters sijn, die niet alleene de kinderen leeren lesen, scrijuen, spraken ende vrije consten, maer oock de selue inde godsalicheijt ende inden kathechismo onderwysen. 

XX.

De Ouderlinghen sullen doer het oordeel des kerkenraets ende der Dijakonen vercoren wordden, soo dattet


1) In de gedrukte uitgave staat: der Doctoren ofte Professoren in der Theologie.

|197|

nae de gheleghentheijt van een ijeder kerke vrij sal sijn, soo vele Ouderlinghen alsser van noode sijn de Gemeijnte voer te stellen, om vande selue (ten waer datter eenig beletsel voer vile1) gheapprobeert ende ghoet ghekent sijnde, met openbare ghebeden ende stipulatien bevesticht te worden: Oft een dobbel ghetal, om het halff deel, by der Gemeynten vercoren, op de selue wijse inden dienst te bevestighen, volghende het formulaer daer van sijnde. 

XXI.

Der Ouderlinghen ampt is, behaluen het ghene dat bouen, art. 14, gheseijt is, hen met den Dienaren des worts ghemeijn te sijne, opsicht te hebben dat de Dienaren, mitsgaders hare andere methelpers ende Dyakenen haer ampt ghetrouwelijken bedienen, ende de besoukinghe te doen, nae dat de ghelegentheijt des tijts ende der plaetsen, tot stichtinghe der Gemeynten soo vore als naer het Auontmael kan lijden, om besonder de litmaten der Gemeijnten te vertroosten, tonderwysen, ende oock andere tot de Christelyke religie te vermanen. 

XXII.

Deselue wyse, die vande Ouderlingen gheseijt is, salmen oock onderhouden inde verkiesinghe, approbatie ende beuestiginghe der Dijakonen. 

XXIII.

Der Dijakonen eijghen ampt is de almissen ende andere armengoederen neerstelijken te versamelen, ende deselue ghetrouwelyck ende vlietelijkck nae den heeijsch2)


1) Beteekent: voorviel.
2) Voor: eisch.

|198|

der behoeftighen, beijde der inghesetenen ende vremdelinghen, met ghemeijnen advijse wt te deelen: de benauden te besouken ende te vertroosten: ende wel toe te sien dat de almissen niet misbruijct wordden; waer van sij rekeninghe sullen doen inden kerkenraet ende oock soo ijemandt daer bij wil sijn voer der Gemeynten, tot sulker tijt als het den kerkenraet goet vinden sal. 

XXIV.

De Dijakonen sullen ter plaetsen daer Huijssitmeesters ofte andere Almosseniers sijn, op de selue begheren ghoede correspondentie met hen te willen houden, ten eijnde de Almossen te beter wtghedeelt moghen wordden onder de ghene diese meest ghebreck hebben.

XXV.

De Ouderlinghen ende Dijakonen sullen twee jaer dienen, ende alle jaer sal het halue deel verandert, ende andere inde plaetse ghestelt wordden, ten waere dat het profijt ende gheleghenthyt eenigher kerken anders vereijschte.

 

Van den kerkelijken tsaemencompsten.

XXVI.

Vierderleij kerkelyke tsaemencompsten sullen onderhouden wordden, de kerkenraet, Classicale verghaderinghe, de partieculire Sijnoden, ende Generale oft nationale. 

XXVII.

In desen tsaemencompsten sullen gheen andere dan kerkelijke saken, ende tselue op kerkelyker wijse ghehandelt wordden.

|199|

XXVIII.1

In meerdere verghaderinghe salmen niet handelen dan het ghene in mindere niet en heft konnen afghehandelt worden, ofte dat tot de kerken der meerder vergha[de]ringhe int ghemeene behoort.

XXIX.

Soo ijemandt hem beclaecht doer de wtsprake der minder vergaderinghe veronghelijct te sijne, de selue sal hem tot een meerdere kerkelijke vergaderinghe beroupen moghen, ende het ghene doer de meeste stemmen ghoet gheuonden is, sal voer vast ende bondich ghehouden wordden: Ten sij dat het bewesen wordde te strijden teghen het woerdt Godts, ofte teghen d'artijkelen in desen gheneralen Sijnodo besloten, soo langhe als de selue doer gheen andere ghenerale Sijnode verandert sijn. 

XXX.

De handelinghen aller tsaemencompsten sullen vande aenroepinghe des naems Godts angheuanghen, ende met een danksegginghe besloten wordden.

XXXI.

Die tot de tsamencompsten afghesonden wordden, sullen haere credensbrieuen ende instructien, onderteekent synde van de ghenen diese senden, mede brenghen ende dese sullen alleene kuerstemme hebben.

XXXII.

In allen tsaemencompsten sal byden Preses een Scriba ghevoucht wordden om neerstelijken op te scrijun het ghene weerdich is aengheteekent te syne.


1) In de gedrukte uitgave vormt dit artikel met het voorgaande één geheel, zoodat de artt. 29, 30, 31, 32 daar voorkomen als 28, 29, 30, 31.

|200|

(1) Het ampt vanden Preses is, voer te stellen ende te verclaren het gheene te handelen is, ende wel toe te siene dat een yeghelijck sijn ordere houde int spreken, den knibellachtich ende die te heftich sijn int spreken, te beuelen datse swijghen, ende ouer de selue gheen ghehoor gheuende de behoorlyke censure te laten ghaen. Voirts sal sijn ampt wt ghaen, wanneer [de] tsamencompste scheijt.

XXXIII.

Het selfde segghen heft het Classis ouer den kerkenraet, het welke de particuliere Sijnode heft ouer den Classe, ende de Generale Synode ouer de particuliere.

XXXIV.

In allen kerken sal eenen kerkenraet sijn, bestaende wt dienaren des woerts ende Ouderlinghen, die ten minste alle weken eens tsamen comen sullen, al waer den Dienaar2) oft Dienaers, (soo daer meer sijn) bij ghebuerte presideren sullen ende de actie regieren. Ende sal oock de magistraet vander plaetsen respectiuelijck, indient haer ghelieft, een oft twee vanden haren, wesende lidtmaten vander kerken, byden kerkenraet moghen hebben, om te aenhoren ende mede vande voervallende saken te delibereren. 

XXXV.

Welverstaande dat inde plaetsen daer den kerkenraedt van nieus op te richten is, het selue niet en ghesciede dan met aduijs vanden classe. Ende daer tghetal


1) In de gedrukte uitgave wordt dit deel van art. 32 als een afzonderlijk artikel beschouwd en wel als art. 32, waardoor verder de cijfer der artt. in den tekst en in de gedrukte uitgave weer gelijk lopen.
2) In de gedrukte uitgave staat hierbij: des Woordts.

|201|

der Ouderlinghen seer cleijn is, sullen de Dyakenen mede tot den kerkenraedt ghenomen wordden.

XXXVI.

In de plaetsen daer noch gheenen kerkenraet en is, sal middeler tijt byden Classe ghedaen wordden dat anders den kerkenraet nae wtwijsen deser kerkenordeninghe opgheleijt is te doene. 

XXXVII.

Insghehelijx sullen de Dijakenen alle weken tsamen comen, om met aenroepinghe des naems Godts van haren ampte te handelen, daer toe de Dienaers goet opsicht sullen nemen, ende des noot sijnde haer daer bij laten vinden.

XXXVIII.

De Classicale verghaderinghen sullen bestaen wt ghenabuerde1) kerken, die elck eenen Dienaer met eenen Ouderlinck ter plaetsen ende tijden bij hen int scheijden van elke verghaderinghe ghoet gheuonden (soo nochtans datmen bouen de drij maenden niet wt en stelle) daer henen met behoorlijke credentie afveerdighen sullen, In welken tsaemencompsten de Dienaers bij ghebuerte ofte andersins die vande selue verghaderinghe vercoren wordt, presideren sullen; soo nochtans dat de selue tweemael aen een niet sal moghen vercoren worden. Voirts sal de Preses onder anderen een yeghelyken affvraghen, oft sij in hare kerken haeren kerkenraetsverghaderinghe houden, Oft de kerkelijke discipline gheoefent wordt, Oft de armen ende scholen besorgt wordden. Ten laesten ofter ijet is, daer inne sij het oordeel ende hulpe der Classe tot rechte instellinghe haerder kerken behoeuen. De Dienaer dien het


1) In het handschrift staat bij vergissing ghenagehebuerde.

|202|

in de voerghaende1) opgheleijdt was, sal een cortte predicatie wt Godes wordt doen vande welke dandere oordeelen, ende soo daer ijet in ghebreect aanwijsen sullen. Ten laetsen sullen inde laetste verghaderinge voer den particulieren Sijnode vercoren wordden die opde selue Synodum gaen sullen.

XXXIX.

Int eijnde van den Classicalen ende anderen meerderen tsamencompsten, salmen censure houden ouer die ghene die ijet straffweerdich inde verghaderinghe ghedaen, ofte de vermaninghe der mindere tsamencompsten versmadet hebben. 

XL.

Sal oock de Classis, daer sulx noot sijn sal, de vrijheijt hebben eenighe haerder dienaren vande eene Classicale verghaderinghe tot de andere te auctorizeren om opsicht te nemen op de leere en het leuen der predicanten, ende den standt der kerken, onder den seluen Classe sorterende, ende daer van op de naeste verghaderinghe rappoert te doen.

XLI.

De kerke, inde welcke de Classis, Item den particulire oft generale Synode tsamencompt, sal sorghe draghen, datse de Acten der voerghaender verghaderinghe op den naestcomende bestellen.


1) In de gedrukte uitgave staat hierbij: Classe.

|203|

XLII.

De instructie der dinghen, die inde meerdere verghaderinghe te verhandelen sijn, sullen niet eer ghescreuen wordden, voer dat de besluijtinghen der voerghaender Sijnoden ghelesen sijn, op dat het ghene eens affghehandelt is, niet wederom voerghestelt werdde: ten ware dat ment achtede verandert te moeten sijn. 

XLIII.

Alle Jaere, ten waer dat den noot eenen corteren tijt vereijschte, sullen vier ofte vyf, ofte meer naeghebuerde Classes tsamen comen, tot welke particuliere Sijnode wt yeder Classe twee dienaers ende1) Ouderlinghen afgheveerdicht sullen wordden. Int scheijden soo wel des particulieren als des gheneralen Synodi sal een kerke verordent wordden, die last hebben sal, om met aduijs des Classis den tijt ende plaatse des naesten Synodi te stellen. 

XLIV.

De Nationale Sijnode sal ordinarelyken alle drij iaren eens ghehouden wordden, ten ware datter eenighe dringhende noot ware den tijt corter te nemen. Tot desen sullen twee dienaers ende twee Ouderlinghen wt elken particuliere Sijnode, beijde der duytscher ende der walscher sprake, affgheveerdicht2) wordden. Voirts sal de kerke, die last heft om den tijt ende plaetse des gheneralen Synodi te benoemen, soo deselue binnen drij iaren te beroupen ware, haer particuliere Synode verghaderen, ende tselue oock der naestghelegender


1) In de gedrukte uitgave staat hier herhaald: twee.
2) In de gedrukte uitgave staat: af-ghesonden.

|204|

kerke, die van ander tale is, laten weten, die vier persoonen daer henen senden sal, om met ghemeijnen advijse vanden tijt ende plaetse te besluijten. De selue kerke, die vercoren is om den Sijnode generale tsamen te roupen, wanneer se met den Classe vanden tijt ende plaetse beraetslaghen sal, sal het selue de hooghe Overheijt in tijts te kennen gheuen: opdat met haren weten ende soo het haer ghelieft eenighe te senden tot den Classe, inde teghenwoerdicheyt ende bij aduijse van hare ghedeputeerde vander saken besloten wordde.

XLV.

Alsoo inder Nederlanden tweederleij spraken ghesproken wordden, is goet geuonden,1) dat de kerken der duijtscher ende walscher talen op haer seluen haren kerkenraet, Classicale verghaderinghen ende particuliere Sijnode hebben sullen. 

XLVI.

Is niet te min goet gheuonden, dat inde steden daer de voersz. walsche kerken sijn, alle maenden ettelijke2) Dienaren ende Ouderlinghen van beijde syden verghaderen sullen, om goede eendracht ende correspondentie met malcanderen te houden, ende soo vele moghelijke is nae geleghentheijt des noots met raede malcanderen bij te staen.

 

Vander Leere, Sacramenten ende andere Ceremonien.

XLVII.

De Dienaers des woerts, Item de Professoors inde Theologien, het welke oock den anderen professoren


1) In de gedrukte uitgave staat: ghehouden.
2) In de gedrukte uitgave staat: sommighe.

|205|

wel betaempt, sullen de belydenisse des gheloofs der nederlantscher kerken onderteekenen, ende de Dienaers, die sulx sullen refuseren, sullen de facto van haren dienst byden kerkenraet oft de Classe opghescort wordden, ter tijt toe sij haer daer inne gheheelijken verclaert sullen hebben. Ende indien sij obstinatelijck in weijgeringhe blijuen, sullen1) van haren dienst gheheelijken affghesteldt wordden.

XLVIII.

Insghelijx sullen oock de Scoelmeesters ghehouden sijn dartykelen als bouen, oft in de plaetse van dien den Christelijken Cathechismum tonderteekenen. 

XLIX.

Niemandt vande ghereformeerde religie sal hem onderstaen eenich bouck ofte scrift van hem ofte van een andere gemaect oft ouerghesedt, handelende vande Religie, te laten drucken oft andersins wt te gheuen, sonder2) het selue voer henen voersien3) ende goetghekent sijnde vande dienaren des woerts sijns particulieren Synodi ofte proffessoren der Theologien onser belijdenissen. 

L.

Het verbondt Godts sal aen de kinderen der Christenen met den doop, soo haest als men de bedieninghen desseluen hebben kan, beseghelt wordden, ende dat inde openbare versamelinghen, wanneer Godts woerdt ghepredict wordt. Doch ter plaetsen daer niet soo vele predicatien ghedaen wordden, salmen eenen sekeren


1) De gedrukte uitgave voegt hierbij: sij.
2) In de gedrukte uitgave staat: dan.
3) In de gedrukte uitgave staat: doorsien.

|206|

dag ter weken verordenen, om den doop extraordenarlijken te bedienen, soo nochtans dat het1) tselve sonder predicatie niet en gesciede.

LI.

De Dienaers sullen haer beste doen ende daer toe aerbeyden, dat de vader sijn kindt ten doope presentere; ende inde Gemeijnten, daermen neffens den vader oock ghevaders oft ghetuyghen bijden doope nempt, welk ghebruyck, in hemseluen vrij synde niet lichtelycken te veranderen is, betaemt het datmen neme die der suyver leere toeghedaen ende vroem van wandel sijn.

LII.

De dienaars sullen int doopen het formulaer vande instellinghe ende ghebruijck des doops, dat tot dien eijnde ghescreuen2) is, ghebruijken.

LIII.

De namen dee ghedoopter, mitsgaders der Ouderen ende ghetuyghen, Item den tijt des doops, sullen opgheteekent wordden.

LIV.

Men sal niemandt tot het Avontmael des Heeren toelaten dan die nae de ghewentheijt der kerken, tot de welcke hij hem voecht, belydenisse der ghereformeerder religien ghedaen heft, mitsgaders hebbende ghetuijghenisse eenes vromen wandels, sonder welke


1) Het is blijkbaar een schrijffout.
2) In de gedrukte uitgave staat: beschreven.

|207|

oock deghene, die wt ander kerken comen, niet toeghelaten sullen wordden.

LV.

Een Ieder kerke sal sulken maniere van bedieninghe des Avontmaels houden, als sij oordeelt tot de meeste stichtinghe te dienen, welverstaende nochtans dat de wtwendighe ceremonien in Godes woerdt voerghescreven, niet verandert, ende alle superstitie vermijdet wordden, ende dat nae voleijndinghe der predicatien ende der ghemeyner ghebeden op den predickstoel het formulaer des nachtmaels, mitsgaders het ghebedt daer toe dienende, voer de tafel ghelesen sal worden.

LVI.

Het Avontmael des Heeren sal ten twee maenden eens, soo vele mogelyck is, ghehouden wordden, ende sal stichtelijck sijn, daert de gheleghentheijt der kerken lijden kan, dat op den Paesdach, Pinxterdach ende Kersdach het selffde ghesciede, doch ter plaetsen daer noch gheen kerkelijke ordre en is, salmen eerst Ouderlinghen ende dyakenen stellen bij provisie.

LVII.

Alsoo de Avontghebeden in vele plaetsen vruchtbaer ghevonden1) wordden, soo sal int ghebruyck der selver elke kerke volghen het ghene sij achtet tot hare meeste stichtinghe te dienen. Doch wanneer mense begheren sonde wech te nemen, sal tselve niet sonder het oordeel der Classe, mitsgaders der Overheijt, der gereformeerder religie toeghedaen, gheschieden.


1) In de gedrukte uitgave staat: bevonden.

|208|

LVIII.

Daer de lyckpredicken1) niet en sijn salmense niet instellen, ende daerse nu alreede sijn aenghenomen, sal neersticheijt ghedaen wordden om de selve doer de ghevoechelyxte middelen aff te doene.

LIX.

In tijden van Oorloghe, pestilentie, diere tijt, sware vervolghinghe der kerken, ende andere alghemeijne swaricheden, sullen de Dienaers der kerken de Overheijt bidden, dat doer hare authoriteijt ende bevel openbare vast- ende biddaghen aenghesteldt en gheheylicht moghen wordden.

LX.

De Gemeijnten sullen onderhouden beneffens den sondach 2 Christdaghen, Paeschmaendach ende twee Pinxterdaghen2) , maer ter plaetsen daer meer feestdaghen doer beuel de Ouerheijt ghehouden wordden, tot ghedachtenisse der weldaden Christi (als de besnijdenisse Christi ende Hemelsvaertsdach) sullen de dienaers aerbeijden, datse met predicken de ledicheyt des volx in heylighe ende nuttighe oefeninghe veranderen.

LXI.

De Dienaers sullen allomme tsondachs ordinarelijken


1) In de gedrukte uitgave staat: Lyck-Predicatien.
2) In de gedrukte uitgave staat: beneffens den Sondagh, Christ-dagh, Paesschen ende Pinxteren. Oorspronkelijk stond in het handschrift 2 Christ-daghen, Paeschen ende Pinxteren. Later is de 2 voor Christ-daghen doorgeschrapt, Paschen veranderd in Paeschmaendach en Pinxteren in twee Pinxterdaghen. Ook in andere handschriften komt de tekst voor zooals hij hierboven gedrukt is.

|209|

inde naemiddachsche predicatien de somma der Christelyker leere inden Kathechismo, die teghenwordich inde nederlantschen kerke aenghenomen is, vervatet, corttelyk wtlegghen, alsoo dat de selve jaerlijx mach gheeyndicht wordden, volghende de affdeijlinghe des Cathechismi selffs, daer op ghemaect.

LXII.

De psalmen Dauids zullen inder kerken ghesonghen wordden, latende de ghesanghen diemen niet en vindt inder1) scrifture.

LXIII.

Alsoo beuonden wordt, dat tot noch toe verscheijden ghebruyken in houwelijxe saeken alomme onderhouden sijn, ende nochtans wel orbar is ghelyckuormicheyt daer inne ghepleecht te wordden: soo sullen de kerken blijuen bij het ghebruyk, het welke sij conform Godts wordt ende voerghaende kerkelyke ordonantien, tot noch toe onderhouden hebben, Tot dat byder hoogher Ouerheyt (diemen daertoe met den eersten sal versouken) een ghenerale ordonantie2) die3) met aduijs der kerkendienaren daerop ghemaect sal sijn, tot de welke dese kerkenordeninghe haer in dit stuck refereert.

 

Vande Censuren ende Kerkelijke vermaninghen.

LXIV.

Gelyckerwys de Christelyke straffe gheestelyck is,


1) In de gedrukte uitgave staat er bij: heylige.
2) In de gedrukte uitgave staat: ordinantien.
3) Die is een schrijffout en moet weggelaten worden, zooals uit den zin genoegzaam blijkt.

|210|

ende niemandt vanden borghelijken gherichte ende straffe der Ouerheijt en bevrijt, alsoo werdden oock beneffens de borghelijke straffe de kerkelijke Censure nootsakelijken vereyscht, om den sondaer met der kerken ende sijnen naesten te versoenen: ende de erghernisse wter Gemeijnten Christi wech te nemen.

LXV.

Wanneer dan ijemandt teghen de suyuerheyt der leere ofte vromicheijt des wandels sondicht, soe verre als het heymelijck is, ende gheen openbare ergernisse ghegheuen en heft. Soo sal den Regel onderhouden wordden, den welken Christus duijdelijken voerschrijft Mat.18.

LXVI.

De heymelijke sonden, waer van1) den sondaer bij een int besonder ofte voer twee ofte drij ghetuijghen vermaendt sijnde berouw heft, sullen voer den kerkenraet niet ghebracht wordden.

LXVII.

Soo ijemandt van een heymelyke sonde van twee oft drij persoonen inder liefde vermaent synde, gheen ghehoor en gheeft, ofte andersins een openbare sonde bedreuen heeft, sulx sal de kerkenraet aengheheuen wordden.

LXVIII.

Van alsulken sonden die van haerder naturen weghen openbaer, ofte doer verachtinghe der kerkelyken vermaninghe int openbaer ghecomen sijn, sal de versoeninghe,


1) In de gedrukte uitgave staat: wanneer.

|211|

wanneermen seker teekenen der boetveerdicheijt siet, openbaerlijk ghescieden doer het oordeel des kerkenraets, ende ten platten lande oft in mindere steden, daer maer een dienaer is, met aduies van twee ghenabuerde kerken, in sulker forme ende maniere als tot stichtinghe van een yeder kerke bequamst1) gheuonden sal wordden.

LXIX.

Soo wie hertnekelyck de vermaninghe des kerkenraets verwerpt, Item die een openbare oft andersins een grove sonde ghedaen heft, sal vanden auontmale des Heeren affghehouden worden; ende indien hy affghehouden synde, nae verscheijden vermaninghen gheen teeken van boetveerdicheijt en bewijst, soo salmen ten laetsten tot de uiterste remedie, naemelijcken de affsnydinghe, comen: volghende de forme nae den woerde Godts daer toe ghestelt, doch sal niemant affghesneden wordden dan met advijs2) der Classen.

LXX.

Al eermen tot der affsnydinghe compt, salmen de hertneckicheyt des sondaers der Gemeijnten opentlyck te kennen gheven: De sonde verclarende, mitsgaders de neersticheijt aen hem bewesen Int bestraffen, affhouden vanden Auontmale ende menichvuldighe vermaninghen; ende sal de Gemeijnte vermaendt wordden hem aen te spreken ende voer hem te bidden. Soodanighe vermaninghen sullender drij ghescieden: inde eerste en sal de sondaer niet ghenoempt wordden, op dat hij eenichsins verschoondt wordde. Inde tweede sal met advijs der Classe sijnen naem wtghedruct wordden. Inde derde salmen de Gemeijnte te kennen gheuen


1) In de gedrukte uitgave staat: bequaaem.
2) In de gedrukte uitgave staat hierbij: met voorgaende.

|212|

datmen hem, ten sij dat hij1) bekeere, vande ghemeynschap der kerken wtsluijten sal, op dat sijn affsnydinghe, soo hij hertneckig blijft, met stilswyghende bewillinghe der kerken gheschiede. Den tijt tusschen de vermaninghen sal int oordeel des kerkenraets staen.

LXXI.

Wanneer ijemandt, die gheexcommuniceert is, hem wederom wilt versoenen met der Gemeijnten doer boetveerdicheijt, soo sal het selve voer de handelinghe des Auontmaels oft andersins nae gheleghentheijt, te voren der Gemeijnte aengheseijt wordden ten eijnde hij ten naestcomende Auontmale (soo verre niemandt ijet weet ter contrarien voirts te brenghen) openbaerlijck met professie sijnder bekeringhe weder opghenomen wordde, volgende het formulier daer van sijnde.

LXXII.

Wanneer de dienaers, ouderlinghen oft dijakonen een openbare groue sonde bedrijven, die der kerken schadelijck oft oock byder Ouerheijt straffweerdich is, sullen wel de Ouderlinghen ende Dijakenen terstondt doer voerghaende oordeel des kerkenraets der selver ende der naestgheleghener Gemeijnte van haren dienst affghesedt: maer de dienaers opgheschortet wordden. Maer oft sij gheheel vanden dienst af te setten sijn, sal int oordeel der Classe staen.

LXXIII.

Voirts onder de groue sonden, die weerdich sijn met opscortinghe oft affstellinghe vanden dienst ghestraft te wordden, sijn dese de voernamste: valsche leere oft ketterije, openbare schuermakinghe, openlijke blasphemie, sijmonie, trouweloose verlatinghe sijn diensts


1) In de gedrukte uitgave staat: dat hij hem bekeere.

|213|

ofte indringhinghe in eens anders dienst, meijneedicheijt, eebrueck1), hoererije, dieverije, ghewelt, ghewonelycke dronkenschap, vechterije, vuijl ghewin, corttelyk alle de sonden ende groue feijlen die den autheur voer der werelt eerloos maken ende in een ander ghemeijn litmaet der kerken der affsnydinghe weerdich souden gerekent wordden.

LXXIV.

De Dienaers des woerts, Ouderlinghen ende Dyakenen sullen onder hen de Christelijke Censure oefenen, ende malcanderen vande bedieninghe haers amps vrindelijck vermanen.

LXXV.

Den ghenen, die wter Ghemeijnten vertrecken, sal een attestatie ofte ghetuijghenisse hares wandels bij advyse des kerkenraets mede ghegheven wordden, onder den seghel vander kerken, oft daer gheenen seghel en is van tweeen onderteekent.

LXXVI.

Voirts sal den armen, om ghenoechsame oorsaken vertreckende, van den dyakenen bystandt ghedaen wordden nae discretie, mits aenteekenende op den rugge van hare attestatie de plaetse daer sij henen willen, ende de hulpe diemen haer ghedaen sal hebben.

LXXVII.

Gheen kerke sal ouer een ander kerken, gheen dienaer ouer andere dienaren, gheen ouderlinck noch dijaken ouer andere ouderlinghen ofte dyakenen eenighe heerscappije voeren.


1) Dit wil zeggen: Echtbreuk.

|214|

LXXVIII.

In middelmatighe dinghen salmen de buytenlantsche kerken niet verworpen, die een ander ghebruyck hebben dan wij. 

LXXIX.

Dese Artijkelen de wettelijke ordeninghe der kerken aenghaende, sijn alsoo ghesteldt ende aenghenomen met ghemeijnen accoord, datse so het profijt der kerken anders heijschte, verandert, vermeerdert oft vermindert, moghen ende behooren te wordden. Ten sal nochtans gheen besonder Gemeynte, Classe ofte Sijnode toestaen sulcx te doen, maer sullen neersticheyt doen om die te onderhouden, tot dat anders vande Generale oft nationale Sijnode verordent werdde.

 

JACOBUS KIMEDONCIUS
praeses Synodi electus.

WERNERUS HELMICHIUS
electus Synodi Scriba.

|215|

Particulire questien

 

1. Ofmen de sondaechsche Euangelien predicken sal? Ant. Het predicken van de Sondaesche Euangelien sal staen inde vryheijt der kerken tot de meeste stichtinghe.

2. Oft niet en dient inde art. vande kerkenordeninghe eenighe specificatie te maken vande sonden daeromme de excommunicatie behoort ghebruijct? Is gheantwoert sulx onnoodich te sijne, dewijle de princepalste1) int formulaer vant Auontmael wtgedruct staen.

3. Ofmen de sonde alsoo mach beschrijuen op den predickstoel die bestraffende, datmen den persoon die misdaen heft, een lidtmaet der Gemeijnten sijnde, lichtelijken kan kennen, sonder voerghaende vermaninghe? Ant.: neen.

4. Is ghevraecht aduijs de mendacio officioso, alsoo eenighe sulks wilde sustineren, daerover gheschil gheresen was ende meerder authoriteijt gherequireerd wordde, om vrede te maken? Is ghesegt, hoe wel dese questie onnoodich is om ghevraecht te wordden, iae deghene diese in twijfelinghe trecken meer straffinghe dan antwoerde weerdich sijn, nochtans om de onvoersichticheijt van eenighe te beter te bedwinghe sal den autheurs deser vraghe voer antwoert ghegheuen wordden, dat den generalen ende ontwuijfelijken reggel des woerts Godts: den mondt die liecht die doodt de siele, altijt vast blijft. Item dat men gheen quaet doen sal op datter goet nae come.


1) Beteekent: voornaamste.

|216|

5. Oft gheraden sij dat alle dienaren ende ouderlinghen tot den particulieren Synodum sullen comen? Ant.: neen maer sal hier inne ghevolcht wordden de ghemeene kerkenordeninghe daer op ghemaect.

6. Off een Dienaer mach te ghelijck een Dienaer ende een medechijn1) sijn? Ant.: Gemerct den Dienst des woerts den gheheelen mensch vereijscht ende nae de leere des Apostels een krygsknecht Christi hem niet behoort te bekommeren met vreemde saken, wert gheantwoert dat een Dienaer niet en kan noch behoort beijde ex professo te doen, maer soo hij de cranken van sijn eijghen Gemeente met raet kan helpen, dat het selue ghesciede sonder ghewin ende hier van sal de Classis oordeelen.

7. Is ghevraecht, alsoo seker persoon doer inductie van eenighe sijne vrinden ghetroudt heft de naghelaten weduwe sijns ouerleden halven broeders, daer bij de voerschr. broeder een sone behouden hadde, met haer nu gheleeft den tijt van 24 iaren, kinderen tsamen gheprocreert, inde Gemeente met conniventie opghenomen ende bij het oordeel der Classe ghetolereert, Of de selue sullen moghen bij een blijuen ende ten Auontmale toeghelaten wordden? Ant.: Nae dien hier in bloetschande beghaen is tegen Leuit. 18: 16 ende dien volghen gheen houwelijck voer Godt ghehouden kan wordden ende men teghen het wtghedructe woert Godts niet kan dispenseren, behooren de voersz. persoonen tot rust haerder conscientien hen van malcanderen tonthouden, ende tot scheydinghe te verstaen eer sij ten Auontmale toeghelaten sullen wordden, mits dat nochtans de Ouerheijt ghebeden wordde de kinderen te legitimeren, alsoo deze foute eertijts ter ghoeder trouwe in onwetenheijt ghesciet is.

8. Is ghevraecht oft een Dienaer, die hem altijt in leere ende leven ghetrouwelycken ende stichtelijcken ghedraghen heft, ende daer nae eenmael in hoerdom is


1) Medicijn of doctor.

|217|

vervallen, ter oorsaken van desen val gheheel ende teenemael van sijnen dienst behoort affghesedt te wesen, ofte wel soude moghen in een ander provincie getransfereert wordden? Ant.: dewijle dese saeke in Vrieslandt ghebeurt is, werdt de selue tot den particularen Sijnodum van Vrieslandt gherefereert, om daer inne met discretie nae de gheleghenheijt te handelen.

9. Ofmen een ghedoopt persoon met een onghedoopte sal moghen trouwen? Ant.: dat sulx niet gheraden en is, de wyle de onghedoopte persoon doer de verworpinghe des doops niet en kan gherekent wordden int verbondt Godts, ende oock sulke trouwen voer de Gemeente onderworpen is groote lasteringhe.

10. Of een overspeelder mach trouwen de ghene daer mede hij overspel ghedaen heft? Dese questie pro et contra ghedisputeert sijne wort ghelaten tot discretie vanden Rechter.

11. Een seker persoon inden krijch sijnde, ghehoort hebbende een valsch gheruchte van synder huijsvrouwen doot, heft trouwe beloeft aen een andere, ende met de selffe langhe tijt gheleeft sonder openlijke trouwe, niet teghenstaende hij daer nae verstondt met der waerheijt, dat sijn huijsvrouwe noch leefde, ende is soe ghebleven tot synder huijsvrouwen doet, nae welke hij begheert wetelijken ghetroudt te wordden, ende vanden particularen franchoijschen Sijnodo affgheslaghen synde, is byde magistraet toeghelaten ende beuesticht gheweest, begherende nu ten Auontmale toeghelaten te wesen, is de vraghe of de voersz. persoonen voer echtluijden sijn te houden, ende hoe datse tot den Auontmale sullen toeghelaten wordden? [Antwoord: Nadien het Huwelyk by de Magistraet is geauthoriseert, zoo zal het niet gescheiden wordden, en zullen de voersz. Persoonen met schuldbekentenis ten Auondmaal toegelaaten wordden1).]


1) Het antwoord op deze vraag ontbreekt in het gebruikte handschrift, maar is uit andere handschriften hier ingevuld.

|218|

12. Off een broeder trouwen mach de ondertroude sijns broeders? Antwoerdt: Men sal neerstich ondersoeken oft sij met malcanderen vleeschelijken gheconuerseert hebben. Indien iae, soo is de trouwe niet gheoorloeft. Indien neen, so is sij gheoorloeft.

13. Of niet ghoet en ware de ghesciedenisse van desen nederlanden te beschrijven ende voirts te continueren, ende daer toe ijemandt te bestellen? Ant.: Het sal seer ghoet ende profijtelijck sijn. Sijn oock eenighe persoonen ghedenomineert, die tot desen eijnde sijn Excellentie sullen aenghegheven wordden. Wert oock bij desen alle kerken ende Classen belast goede memorie te houden van hare ghesciedenissen ende die neerstich op te scrijven om de selue ter ghelegener tijt te senden in handen van de ghene, die ghedeputeert sullen sijn tot de beschryuinghe der historien byder hoeger Ouerheijt.

14. Of men niet aerbeijden sal de combinatie der dorpen aff te doen ende dat elck kerke haren dienaer hebbe? Ant.: Men sal daer toe aerbeijden soo vele moghelyken is.

15. Of een kerkenraet eenen dienaer mach ontslaen sonder consent ende aduijs der Gemeynten, oft ten minsten der voernaempste der selver, [de Ghemeynte]1) gheheel voerbij ghaende ende oock teghen het consent [der Ghemeynte]1) ? Ant.: Men laet blijuen byden Art. vande verlatinghe.

16. Is ghevraecht wat middel [er zij]1) om de kerkenordeninghe te doen effectueren, ende tot eenen voerslach, oft niet goet en ware eenen besonderen kerkenraet te stellen ex politicis ende Ecclesiasticis om alle voervallende saken te oordeelen ende effectueren? Ant.: dat voer dese tijt ghenoech is, sijne Excellentie te


1) De ingevoegde woorden worden in andere handschriften gevonden en kunnen tot recht verstand van den zin niet gemist worden.

|219|

versouken, dese gheraemde kerkenordeninghe des Sijnodi te authoriseren ende bij ghewoonlijke middelen doen onderhouden ende soo daer eenighe abuijsen voervallen, sal daer naer gheleghenheijt des tijts remedie daer toe moghen versocht wordden.

17. Is voerghesteldt seker questie van een persoon wiens vrouwe wtsinnich was, derhalven vanden magistraet scheijdinghe van goet ende kinderen ghedaen sijnde, ghedurende het leuen sijnder voersz. huijsvouwe met een ander vrouwe 10 iaer gheleeft ende byde selve kinderen geprocreert ende by den balliuw daer ouer in rechte ghetrocken is ende nu nae doot synder huysvrouwe versouct gheboden tot der trouwen, oft ghescieden mach? Is goet ghevonden sijn bysidt te trouwen ende evenwel straffe der ouerheijt onderworpen [te] blijven.

[18. Es gheproponeerdt van een parsoon tott Leijden, den welcken de Doopers sijn kindt ende wijff weghghenoomen hadden, ende willen hem sijn kindt niet weedergheeven, t’en sij dat hij beloove, dat hij ’t niet en sall laaten doopen, ende wordt ghedreijghdt van sijn huusvrouwe, hem gheheel te willen verlaaten etc. Es gheantwoordt, datt de parsoon sick sal addresseeren aanden Hoove Provinciaal van Hollandt omm bij hoogher autoriteijt, tott voorkoominghe van meerder quaadt, datt uutt sulcke saacken gheschaapen es te koomen, behoorlijcken versien magh werden. Doch verstaat men datt de Magistraat tott Leijden de saacke bij de handt ghenoomen hadde1).]


1) Deze laatste vraag en antwoord komt in het gebruikte handschrift niet voor, maar is ontleend aan andere handschriften.

|220|

Forme van de Inspectie over de ghemeyne kercken te houden volgende den 40 articule der kerckenordeninghe.

Alsoo de Inspectie (dewelcke geordonneert is vuijt den naem van den Classen te geschieden) daertoe is dienende, dat de suyuerheijt der leere ende alle goede geregticheyt inder Gemeenten Godes gehouden wordden, soo sal de ghene1), die de toesicht by den Classe bevolen wordt, hem seluen reguleren nae tghene hier naevolght.

Ten Iersten sal hy somwylen de predicatien der Dienaren frequenteren ende neerstelycken letten nyet alleene opde materien der voors. predicatien, oft namelycken gheene onreyne leere oft menschelyke fabulen ende verdichtselen daerby vermenght wordden, maer oyck op de maniere van leeren selue, oft die stichtelyck ende proffytelyck is voer den volcke, ende oft de dienaer neerstich is int leesen ende ondersoecken der H. schrifturen, midtsgaders of de dienaer de forme vande bedieninghe in doope ende anderssins gebruyckende is nae dordonnantien der kercken.

Ten tweeden sal hy met alle beleeftheyt vernemen tsy ter plaetsen selue daer de Dienaer staet, oft op andere plaetsen naer gelegentheyt der saecken, aende Ouderlinghen ende Diakonen, ofte anderssins aende ghene die lidtmaten der kercken syn, oft den Dienaer neerstich is inden bouw der ghemeenten ende vuytrechtinghe der Christelycker disciplinen, ende oft tot dyen eynde des kerckenraets verghaderinghen neerstelycken onderhouden wordden. 

Ten derden sal hy mede toesicht nemen, oft de Dienaer hem geschickt draeght in synen wandel, ende ofter nyet eenighen twyst ende oneenicheyt en is inder ghemeenten, oft andere desordre, streckende tot achterdeel der kercken, dat met alder spoet dient gebetert te wordden.

Ten laetsten sullen de Inspecteurs byden Dienaers oft andere voorstanders der kercken eenighe merckelycke


1) In andere handschriften staan hier en vervolgens het meervoud.

|221|

foute bevonden hebbende (aengaende tgene hier bouen verhaelt is) de selue ierst int besondere vermanen tot beteringhe, ende daartoe alle hulpe bewysen, ende soe het nyet en helpt, de classicale vergaderinghe de sake aandienen.

 

Schoelordeninghe ouergeheven onder correctie aen sijn Excie den Graue van Leycester

Alsoo tot opbouwinghe der kerken, republicke, ende welstandt vanden Lande, besondere hooch aen gelegen is, dat de jonghe jeucht van kindts been aen wel opgeuoedet wordde, ende inde kenisse ende vreese Godts, spraken ende goede konsten onderwesen wordden, waer toe van oudtsher ende tot allen tyden de schoolen syn innegesteldt, die daeromme Seminaria Ecclesiae et Reipublicae syn ghenaempt ghewordden, soo is voor alle noodich dat ouer de selue tot onsen tyde goede acht ende opsicht genomen wordde, ten eynde dat daer deselve vervallen {sijn, se} wederopgericht, oft daerse vuyt het Pausdom ten deele noch ouergebleven syn, met de reformatie der kercken, in dese claerheyt des Euangeliums, oock te gelycke gereformeert ende bequamelycken inne gestelt mochten wordden. Soo ist dat de Sijnode nationale onder correctie ende reverentie aen sijn Ex versouct, ten respecte van verscheyden abusen der Scholen in dese gevnieerde Nederlantsche Provintien, ende heeft dese naevolgende schoelordeninghe geraempt.

De kerkenraden ende Classen sullen arbeyden, dat beneffens den openbaren dienst des woerdts Ghodts oock de schoeldiensten by hen respectiuelycken nae gelegentheyt van een yegelycke stadt ende plaetse aengestelt wordde, oft daer deselve van oudtsher geweest syn, neerstich onderhouden, ende datse1) neyt geweest en syn, in navolgende tstucken wel gereformeert wordden.

Tot bedieninghe van dese schoeldiensten sullen alomme


1) Lees: daerse.

|222|

ende in alle plaetsen goede, ghodtsalighe ende wel ghequalificeerde Schoelmeesters oft schoelvrouwen, nae gelegentheyt der scholen, die sy bedienen, Spraken ende goede konsten, die de selue leeren sullen, verordonneert wordden.

Niemant en sal eenighe scholen by hem seluen oprichten dan met voergaenden oordeel des kerckenraets ofte Classis, ende met consent des magistrats seluer plaetsen.

Ende belangende de qualiteyt oft hoedanicheijt ende bequaemheyt derseluer schoelmeesteren ofte Schoelvrouwen, sullen deselue al te samen, die nu in dienste zyn, ende volghens dien daer toe noch aengenomen sullen wordden, eerstelyck aengaende de suyverheyt inder leeren ende godtsalicheydt des leuens byden kerckenraet ofte Classe, soo sy ten platten Lande dienen, geexamineert wordden. Ende ingevalle dat eenige in Examine onbequaem bevonden worden, sullen die dadelick van haren dienst ophouden.

Maer soo veele Schoelmeesters die in examine geapprobeert wordden, aleer sy nochtans inden dienst treden, sullen sy de 37 Articlen der belydenisse des gheloofs der nederlandscher kercken oft in plaetse van dien den Cathechismum onderteeckenen.

Ende sal daeromme met desen verboden syn schole te houden allen papen, monnicken, mennnonisten ofte wederdoopers, nonnen oft beghynen, als oock alle andere die van eenighe schadelycke secte syn, soo langhe sy in hare dwalinghe blyuen.

Wederomme aengaende de verlatinghe ende affdanckinghe der schoelmeesteren, de selue sal geschieden byden seluen by welcken sy toegelaten ende aengenomen syn.

In alle scholen sal de jonghe jeught nyet alleen in lesen ende scryuen, talen ende vrykonsten, maer oock ende voernaemelyck inde Christelycke religie grondelycken geleert ende geinstitueerd wordden.

Ende sullen tot dyen eynde de schoelmeesters met

|223|

den cleynen kinderen beghinnen aen het onderwysen ende te leeren vanden Hooftarticulen ende stucken van onse salicheyt, als daer syn de thien gheboden, de articulen des Christelycken geloofs, dat vader onse ende andere gebeden, voor ende naer den eeten, Item het morghen- ende auontghebeth; daernae inde Christelycken Cathechismo om den seluen van buyten te leeren ende te behouden, den seluen inder scholen als oyck inder kercken opseggen, neffens de oeffeninghe int singhen der psalmen op zeckere vren des daechs of inder weken, ende de schoel ghebeden int incommen inder scholen des morgens ende int vuytgaen des auonts ofte naemiddaechs. Eyndelycken oock int lesen van eenen Euangelist of sentbrieff der Appostelen voor de jonghe jeucht, die in verstande ende wetenschap heeft toegenomen.

Sullen oock de schoelmeesters neersticheyt doen, dat sy den kinderen besonder des sondaechs in de kercke te brenghen, om de predicatie te hooren, ende van tgene sy syllen gehoirt ende onthouden hebben, nae dat de capaciteyt ende verstandt der seluer is, daernae inde schole commende hen vlietelyck te ondervraghen.

Belangende de boecken daer vuyt den kinderen dat lesen, de spraken oft talen ende de vrykonsten gheleert wordden, sullen de schoelmeesters gheene superstitieuse noch schandaleuse boecken leeren, maer alleene die der jonghe jeucht nut ende stichtelyck syn.

Desgelycx soo veele aengaet de fondamenta ende precepta artium latinae et graecae linguae in scholis particularis te lesen, sal daerop een goede ordre ende catalogus vande alderbeste ende nuttichste authoren ende boeken gestelt wordden, daernae haer de Rectores ende preceptores inde particuliere scholen (soo veele moghelycken) confirmeren sullen.

Kortelycken op dat oock de kinderen in goede zeden ende manieren wel onderwesen wordden, sullen oock de particuliere scholen ghoede Leges scholastices stellen ende onderhouden, die oock alle andere Schoelmeesters

|224|

by haren schoelkinderen soo veele een yegelyck van hen daervan aengaet sullen volghen naetecommen.

Ende dese Institutie als vooren besondere in de Christelycke religie, sal oock voornamelycken byden armen schoelkinderen ende klercken, die eenige beneficie ghenieten in domibus pauperum, bursen ende soodanighe collegien neerstich onderhouden wordden, stellende ouer de selue tot Curatores ende administratores goede, godtsalighe mannen vande Religie, midts daer bij affstellende de gheestelycke, hebbende soedanighe Curen aen haer tot noch toe behouden, ten eynde datmen bequame alumnos wten seluen pauperibus inde vniverstiteyten te senden, ende de studia te volbrenghen tot dienst der kerken ende republieken, mach hebben.

Sullen oyck Jaerlycx sekere Curatores vuyt den magistraet ende kerckenraedt gestelt wordden inden Steden, daer de particuliere scholen syn, om goede opsicht te nemen op al tgene dat tot voirderinghe vande selue dient.

Alle dese poincten ende articulen of dergelycke een eygelycke provintie nae hare gelegentheyt goet vinden sal, nochthans dese voergaende niet contrarierende, sullen soo int ghemeyn als in besondere by allen Schoelmeesteren ende schoelvrouwen neerstich onderhouden wordden, waerinne de kerckenraet, ende Classen ten platten lande, sullen belast syn besondere opsicht te nemen ten eynde soo eenighe in gebreke van desen souden moghen syn, ende vermaent synde sulcken feylen niet en beterden, daedelycken van haren dienst opgehouden ende affgestelt wordden.

 

JACOBUS KIMEDONCIUS
ecclesiae Middelburgensis minister
Synodi praeses electus.
ARNOLDUS CORNELII Assesor.

Biesterveld, P./Kuyper, H.H. (1905) Dordrecht 1618/1619 KO

|225|

De Kerkenordening van de Nationale Synode van Dordrecht 1618, 1619

 

Kercken-ordeninghe;
gestelt in den
Nationalen Synode der Ghereformeerde Kercken,
Te samen beroepen, ende ghehouden door ordre van de
Hooghe Moghende Heeren Staten Generael der
Vereenichde Nederanden, Binnen Dordrecht,
in de iaren 1618 ende 1619.

 

I.

Om goede ordre in der Ghemeente Christi te onderhouden, zijn daer inne noodigh de Diensten, t’Samenkomsten, Opsicht der Leere, Sacramenten ende Ceremonien, ende Christelijcke straffe. Waer van hier na ordentlijck zal ghehandelt worden.

 

Van de Diensten.

II.

De Diensten zijn vierderley: der Dienaren des Woordts, der Doctoren, der Ouderlinghen, ende der Diaconen.

|226|

III.

Het zal niemant, al-hoe-wel hy een Doctor, Ouderlingh ofte Diaken is, geoorloft zijn den dienst des Woordts ende der Sacramenten te betreden, sonder wettelijck daer toe beroepen te zijn: Ende wanneer yemant daer teghen doet, ende meermael vermaent zijnde niet af en staet, zoo zal de Classe oordeelen, of men hem voor eenen scheurmaker verklaren, ofte op eenighe ander wijse straffen zal.

IV.

De Wettelijcke Beroepinghe der ghener die te voren in den Dienst niet gheweest en zijn, zoo wel in de Steden als ten platten Lande, bestaet. Ten eersten in de Verkiesinghe, de welcke na voor-gaende vasten ende bidden gheschieden zal door den Kercken-Raedt ende Diaconen, ende dat niet sonder goede correspondentie met de Christelijcke Overheyt der plaetse respectivelijck, ende voor-weten ofte advijs van den Classe, daer’t selve tot noch toe ghebruyckelijck is gheweest. Ten anderen, in de Examinatie ofte ondersoeckinge beyde der Leere ende des Levens, de welcke staen zal by de Classe ten over-staen van de Ghedeputeerde des Synodi ofte eenighe der selver. Ten derden, in de Approbatie, ende goet-kenninghe van de Overheyt, ende daer nae oock van de lidtmaten der Ghereformeerde Gemeente van de plaetse, wanneer den name des Dienaers den tijt van veerthien dagen inder Kercken verkondicht zijnde, geen hindernisse daer teghen en comt. Ten laetsten, inde opentlijcke Bevestinghe voor de Ghemeynte, dewelcke met behoorlijcke stipulatie ende af-vraginghen, vermaninghen, Ghebedt ende oplegginghe der handen vanden Dienaer die de bevestinghe doet (ofte eenighen anderen, daer meer Dienaren zijn) toegaen sal, naer het formulier daer van zijnde. Welverstaende, dat de

|227|

oplegghinge der handen sal moghen ghedaen worden inde Classicale vergaderinge aenden nieuwen gepromoveerden Dienaer, die ghesonden wordt inde Kercken onder t’Cruyce.

V.

Nopende die Dienaers die nu alreede in den Dienst des Woorts zijnde, tot een ander Gemeente beroepen werden, sal desghelijcks soodanighe beroepinghe met correspondentie als voren, gheschieden, soo wel inde Steden, als ten platte Lande, by den Kercken-Raet ende Diaconen met advijs ofte approbatie vanden Classe: alwaer de voorsz. beroepene verthoonen sullen goede Kerckelijcke Attestatie van Leere ende Leven: Ende alsoo by den Magistraet vande plaetse respectivelijc gheapprobeert, ende der Ghemeynte den tijdt van veerthien daghen voorghestelt zijnde, als boven, sullen met voorgaende Stipulatien ende Ghebeden bevesticht werden. Onvercort in ’t ghene vooren gheseydt is yemanden zijn deughdelijck recht van presentatie, ofte eenigh ander recht, voor soo veel ’t selve stichtelijck kan worden ghebruyckt, sonder nadeel van Godes Kercke, ende goede Kercken ordre; waerop de Hooge Overheden ende Synoden der respective Provintien, wel ghelieve te letten, ende ten besten vande Kercken noodige ordre te stellen.

VI.

Sal oock gheen Dienaer dienst moghen aennemen in eenighe particuliere Heerlijckheden, Gasthuysen, ofte andersins, ten zy dat hy voorhenen gheadmitteert, ende toeghelaten zy, volghende de voorgaende Articulen: ende sal oock niet min als andere de Kercken-ordeninghe onderworpen zijn.

VII.

Niemandt en sal tot den Dienst des Woordts beroepen

|228|

werden, sonder hem in een seker plaetse te stellen, ten waer dat hy gesonden worde om hier oft daer te predicken inde Gemeente onder t’cruyce, ofte andersins om Kercken te vergaderen.

VIII.

Men sal gheen School-meesters, Handwercksluyden ofte andere die niet ghestudeert en hebben, tot het Predick-ambt toelaten, ten zy datmen versekert is van hare singuliere gaven, Godsalicheyt, ootmoedicheyt, zedicheyt, goet verstandt ende discretie, mitsgaders gaven van welsprekentheydt. Soo wanneer dan soodanighe persoonen sich tot den dienst presenteren, sal de Classis de selve (indient de Synodus goet vint) eerst examineren, ende na datse de selve int examen bevint, haer een tijt langh laten int prive proponeren, ende dan voorts met hen handelen, als sy oordeelen sal stichtelijck te wesen.

IX.

Nieuwelingen, Mis-priesters, Monicken, ende die andersins eenige secte verlaten, sullen niet toeghelaten worden totten Kerckendienst, dan met groote sorghvuldigheyt ende voorsichtigheyt, na datse oock eenen sekeren tijt eerst wel beproeft zijn.

X.

Een Dienaer eens wettelijcken beroepen zijnde, mach de Ghemeente, daer hy sonder Conditie aenghenomen is, niet verlaten, om elders een beroepinghe aen te nemen, sonder bewilligingh des Kercken-Raedts met de Diaconen, ende die ghenee die te vooren in dienst van Ouderling-schap ende Diaken-schap gheweest zijn, mitsgaders die van de Magistraet, ende met voorweten vande Classe, gelijk ooc geen ander kercke

|229|

hem sal mogen ontfanghen, eer hy wettelijcke ghetuyghenisse zijns afscheyts vande Kercke ende Classe, daer hy gedient heeft, verthoont hebbe.

XI.

Op d’ander zijde sal den Kercken-Raet, als representerende de Ghemeynte, oock ghehouden zijn hare Dienaers van behoorlijck onderhoudt te versorgen, ende sonder kennisse ende oordeel des Classis niet te verlaten, de welcke oock by gebreck van onderhoudt, sal oordeelen of de voorschreven Dienaers te versetten zijn, off niet.

XII.

Dewijle een Dienaer des Woordts eens wettelijck, als boven, beroepen zijnde, syn leven langh aenden Kercken-dienst verbonden is, soo sal hem niet geoorloft zijn hem tot eenen anderen staet des levens te begheven: ten zy om groote ende wightighe oorsaken, daer van de Classe kennisse nemen ende oordeelen sal.

XIII.

So het gheschiedt dat eenighe Dienaers door ouderdom, siecte, ofte andersins onbequaem worden tot oeffeninghe hares Dienstes, soo sullen sy nochtans des niet te min de eere ende den Name eens Dienaers behouden, ende van de Kercke die sy ghedient hebben, eerlijcken in haren nootdruft (gelijck oock de Weduwen ende Weesen der Dienaren int gemeen) versorcht worden.

XIV.

Soo eenighe Dienaers om de voorschreven ofte eenighe ander oorsaken, haren dienst voor eenen tijdt onderlaten moesten (’twelck sonder advijs des Kercken-Raedts niet gheschieden en sal) soo sullen sy nochtans tot

|230|

allen tijden de beroepinge der Gemeenten onderworpen zijn ende blijven.

XV.

Het sal niemandt geoorloft zijn, den Dienst zijnder Kercken onderlatende, ofte in gheenen sekeren dienst zijnde, hier ende daer te gaen predicken buyten consent ende authoriteyt des Synodi ofte Classis: Ghelijck oock niemandt in een ander Kercke eenighe Predicatie sal moghen doen ofte Sacramenten bedienen, sonder bewilliginghe des Kercken-Raedts.

XVI.

Der dienaren Ampt is inde Gebeden ende bedieninghe des Woordts aen te houden, de Sacramenten uyt te reycken, op haer Mede-broeders, Ouderlinghen ende Diakenen, mitsgaders de Gemeenten goede acht te nemen, ende ten laetsten met de Ouderlinghen de Kerkelijcke discipline te oeffenen, ende te besorghen dat alles eerlijck ende met ordre gheschiede.

XVII.

Onder de Dienaren des Woordts sal ghelijckheyt gehouden worden, aengaende de lasten hares Dienstes, mitsgaders ooc in andere dingen soo veel moghelijcken is, volghende het oordeel des Kercken-Raets, ende (dies van noode zijnde) des Classis: het welcke oock in Ouderlinghen ende Diakenen te onderhouden is.

XVIII.

Het Ampt der Doctoren ofte Professoren inder Theologie is, de Heylige Schrifture uyt te legghen, ende de suyvere Leere teghen de Ketterijen ende doolinghen voor te staen.

|231|

XIX.

De Gemeynten sullen arbeyden datter Studenten inder Theologie zijn, die ex bonis publicis onderhouden werden.

XX.

Inde Kercken daer meer bequame Predicanten zijn, salmen ’t gebruyck der propositien aenstellen, om door sulcke oeffeninghen eenige tot den dienst des Woordts te bereyden, volghende in desen de ordre daer van by desen Synode specialijck ghestelt.

XXI.

De Kercken-Raden sullen allomme toesien datter goede Schoolmeesters zijn, die niet alleen de Kinderen leeren lesen, schrijven, spraken, ende vrije Consten, maer oock deselve inder Godsaligheyt ende inden Catechismo onderwijsen.

XXII.

De Ouderlinghen sullen door het oordeel des Kercken-Raets ende der Diakenen vercoren worden: Soo dat het nae de gheleghentheydt van een yeder Kercke vry sal zijn, soo veel Ouderlinghen alsser van noode zijn de Ghemeente voor te stellen, om van die selve (ten ware datter eenigh beletsel voor-viele) gheapprobeert ende goet ghekent zijnde, met openbare Ghebeden ende Stipulatien bevestight te worden: ofte een dobbel ghetal, om het halve deel by der Ghemeente vercoren te worden, ende op de selve wijse inden Dienst te bevestighen, volghende het formulier daer van zijnde.

XXIII.

Der Ouderlinghen Ampt is, behalven ’t ghene dat

|232|

boven, Artijckel sestien, gheseyt is, hen met den Dienaer des Woords ghemeyn te zijn, opsicht te hebben, dat de Dienaren, mitsgaders hare andere medehulpers ende Diakenen hare Ampt getrouwelijck bedienen, ende de besoeckinge te doen, naer dat de gheleghentheydt des tijdts ende der plaetsen, tot stichtinge der Gemeente, soo voor als naer het Nachtmael kan lijden, om bysonder de Lidtmaten der Gemeenten te vertroosten ende te onderwijsen, ende oock andere tot de Christelijcke Religie te vermanen.

XXIV.

De selve wijze die vande Ouderlinghen geseyt is, salmen oock onderhouden inde Verkiesinghe, approbatie ende bevestinghe, der Diakenen.

XXV.

Der Diakenen eyghen Ampt is, de Aelmoessen ende ander Armen Goederen neerstelijck te versamelen, ende de selve ghetrouwelijcken ende vlijtighlijck naer den eysch der behoeftighen, beyde der Inghesetenen ende Vreemden met ghemeyn advijs uyt te deelen, de benauden te besoecken, ende te vertroosten, ende wel toe te sien dat de Aelmoessen niet misbruyckt en worden, waer van sy rekeninghe sullen doen inden Kercken-Raet, ende oock (soo yemandt daer by wil zijn) voor der Ghemeenten, tot sulcken tijdt als de Kercken-Raet het goet vinden sal.

XXVI.

De Diakenen sullen ter plaetse daer Huys-zitte-meesters ofte andere Aalmoesseniers zijn, op de selve begeeren goede correspondentie met hen te willen houden, ten eynde de Aelmoessen te beter uytghedeelt moghen worden onder de ghene die meest ghebreck hebben.

|233|

XXVII.

De Ouderlinghen ende Diakenen sullen twee Jaren dienen, ende alle Jaer sal het halve deel verandert, ende andere inde plaetse ghestelt werden, ten ware dat de gheleghentheyt ende ‘tprofijt van eenighe Kercken anders vereyschte.

XXVIII.

Ghelyck het Ampt der Christelijcke Overheden is, den H. Kerckendienst in alle manieren te bevorderen, den selven met haer exempel den onderdanen te recommanderen, ende den Predicanten, Ouderlingen ende Diaconen in alle voorvallende noot de handt te bieden, ende by hare goede ordeninge te beschermen; Alzoo zijn alle Predicanten, Ouderlinghen ende Diakonen schuldigh de gantsche Ghemeente vlijtelijck ende oprechtelick in te scherpen de ghehoorsaemheyt, liefde ende eerbiedinghe die sy den Magistraten schuldigh zijn: ende sullen alle Kerckelijcke persoonen met haer goet exempel in desen de Ghemeente voor gaen, ende door behoorlijck respect ende correspondentie, de gunst der Overheden tot de Kercken soecken te verwecken ende te behouden: ten eynde een yeder het zijne in des Heeren vreese, aen weder zijden doende, alle achterdencken ende wantrouwen moghe werden voorghecomen, ende goede eendracht tot der Kercken welstandt onderhouden.

 

Vande Kerckelijcke t’samen-komsten.

XXIX.

Vierderley Kerckelijcke t’samen-comsten sullen onderhouden worden, de Kercken-Raet, de Classicale verghaderinghen, de particuliere Synodus, ende de Generale ofte Nationale.

|234|

XXX.

In dese t’samen-comsten sullen gheen ander dan Kerckelijcke saecken, ende t’selve op Kerckelijcke wijse ghehandelt worden. In meerder vergaderine salmen niet handelen, dan t’gene dat in mindere niet heeft afgehandelt konnen worden, ofte dat tot den Kercken der meerder vergaderinghe int ghemeyn behoort.

XXXI.

Soo yemant hem beklaeght deur de uytsprake der minder Vergaderinghe verongelijckt te zijn, die selve sal hem tot een meerder Kerkelijcke vergaderinghe beroepen moghen: ende t’ ghene door de meeste stemmen goet gevonden is, sal voor vast ende bondich ghehouden worden. Ten zy dattet bewesen worde te strijden tegen het woordt Gods, ofte teghen de Artijckelen in desen Generalen Synodo besloten, soo langhe als de selve door gheen ander Generale Synode verandert zijn.

XXXII.

De handelinghen aller t’samenkomsten sullen met aenroepinghe des Naems Gods aenghevanghen, ende met een dancksegginghe besloten worden.

XXXIII.

Die tot de t’samen-comste afghesonden worden, sullen hare Credentz-brieven ende instructien, onderteyckent zijnde vanden genen diese senden mede brenghen, ende dese sullen alleene keurstemmen hebben.

XXXIV.

In allen t’samen-comsten sal by den Praeses een

|235|

Scriba ghevoecht werden, om neerstelijck op te schrijven ’t ghene waerdich is opgheteyckent te zijn.

XXXV.

Het Ampt vanden Praeses is, voor te stellen ende te verclaren t’ghene te verhandelen is, toe te sien dat een yeghelijck zijn Ordre houde in ‘tspreken: Den knibbelachtighen ende die te heftigh zijn int spreken, te bevelen datse swijghen. Ende over deselve geen ghehoor ghevende, de behoorlijcke Censure te laten gaen. Voort sal zijn Ampt uytgaen, wanneer de t’samen-komste scheydet.

XXXVI.

t’ Selfde seggen heeft de Classis, over den Kercken-Raedt, t’welck de particuliere Synode heeft over de Classe, ende de Generale Synode over de particuliere.

XXXVII.

In allen Kercken sal een Kercken-Raedt zijn, bestaende uyt Dienaren des Woorts ende Ouderlinghen, de welcke ten minsten alle weke eens t’samencomen sullen, alwaer den Dienaer des Woords (ofte Dienaren, soo daer meer zijn) by gebeurte presideren ende die actie regeren sal. Ende sal ooc de Magistraet vande plaetse respectivelijck, indient haer ghelieft, een ofte twee vanden haren, wesende Lidmaten der Ghemeente, by den Kercken-Raedt moghen hebben, om te aenhooren ende mede vande voorvallende saecken te delibereren.

XXXVIII.

Wel verstaende dat inde plaetsen daer den Kercken-Raet van nieus is op te rechten, t’ selfde niet en gheschiede, dan met advijs vande Classe. Ende daer t’ ghetal

|236|

vanden Ouderlinghen seer cleyn is, sullen de Diakenen mede tot den Kercken-Raedt moghen ghenomen worden.

XXXIX.

In die plaetsen daer noch geen Kercken Raedt en is, sal middelertijdt by de Classe ghedaen werden t’ghene anders den Kercken Raedt nae uytwijsen deser Kercken Ordeninghe opgheleydt is te doen.

XL.

Insgelijcx sullen de Diakonen alle weken t’samen comen, om met aenroepinghe des Naems Gods vande saken haren Ampte betreffende, te handelen, daer toe de Dienaren goede opsicht sullen nemen, ende des noot zijnde, haer daer by laten vinden.

XLI.

De Classicale Vergaderingen sullen bestaen uit genabuerde Kercken, de welcke elc eenen Dienaer ende eenen Ouderling ter plaetse ende tijt op hen int scheyden van elcke Vergaderinghe goet ghevonden (soo nochtans, datment boven de drie maenden niet uyt en stelle) daer henen met behoorlijcke Credentie afveerdighen sullen, in welcke t’ samencomsten de Dienaers by ghebeurte, ofte andersins die vande selfde Vergaderinghe vercoren wordt, presideren sullen, soo nochtans dat de selve tweemael aen een niet en sal moghen vercoren worden. Voort sal de Praeses onder anderen eenen yegelijcken afvraghen, of sy in hare Kercken hare Kercken Raedts vergaderinghe houden: Of de Kerckelijcke Discipline gheoeffent wordt: of de Armen ende Schoolen besorcht worden: Ten laetsten, ofter yet is, daerinne sy het oordeel ende hulpe der Classe tot rechte instellinghe harer Kercke behoeven. De

|237|

Dienaer dien ’t inde voorgaende Classe opgheleydt was, sal een corte Predicatie uyt Gods Woordt doen, van welcke die andere oordeelen, ende soo daer yet in ontbreect, aenwijsen sullen. Ten laetsten, sullen inde laetste vergaderinghe voor den particulieren Synode vercoren worden, die op den selven Synodum gaen sullen.

XLII.

Daer in een plaetse meer Predicanten zijn als een, sullen die altesamen in de Classe moghen verschijnen ende keur stemmen hebben, ten ware in saken, die hare persoonen ofte Kercken int bysonder aengaen.

XLIII.

Int eynde vande Classicale, ende andere meerder t’samen-comsten, salmen Censure houden over de ghene die yet straf-waerdichs inde vergaderinghe ghedaen, ofte de vermaninge der minder t’samencomsten versmadet hebben.

XLIIII.

Sal oock de Classis eenighe harer Dienaren, ten minsten twee vande outste, ervarenste ende geschickste authoriseren, om in alle Kercken vande Steden soo wel als van het platte Lant, alle jaer visitatie te doen, ende toe te sien, oft de Leeraers, Kercken-Raden ende School-meesters haer ampt trouwelijck waernemen, by de suyverheidt der Leere verblijven, d’aengenomen ordre in alles onderhouden, ende de stichtinghe der Gemeente, mitsgaders der jongher jeught nae behooren, soo veel haer moghelijck is, met woorden ende wercken bevorderen, ten eynde sy die ghene die naelatigh in d’een oft d’ander bevonden worden in tijts mogen broederlijck vermanen, ende met raedt

|238|

ende daedt alles tot vrede, opbouwhinghe, ende t’meeste profijt der Kercken, ende Schoolen helpen dirigeren. Ende sal yeder Classis dese Visitatores moghen continueren in haer bedieninghe, soo langhe het haer sal goet duncken, ten ware dat de Visitatores selve om redenen, vande welcke de Classis oordeelen sal, versochten ontslaghen te werden.

XLV.

De Kercke inde welcke de Classis, Item de particuliere ofte Generale Synode t’samen comt, sal sorghe draghen, datse de Acten der voorgaende vergaderinghe op de naest-comende bestelle.

XLVI.

De instructien der dingen, die in meerdere vergaderinghen te handelen zijn, sullen niet eer gheschreven worden, voor dat die besluytinghen der voorgaende Synoden ghelesen zijn, op dat t’gene eens afghehandelt is, niet wederom voor ghestelt en worde, ten ware datmen het achtede verandert te moeten zijn.

XLVII.

Alle Jaers (ten ware dat den noot eenen corteren tijdt vereyschte) sullen vier ofte vijf, ofte meer naghe-buerde Classis te samen comen, tot welcke particulieren Synode uyt yeder Classe twee Dienaers ende twee Ouderlinghen af-ghevaerdicht sullen werden. Int scheyden soo wel des particulieren als des Generalen Synode sal een Kercke verordent worden, die last hebben sal, om met advijs des Classis den tijdt ende plaetse des naesten Synodi te stellen.

|239|

XLVIII.

Het sal yegelijcken Synodo vrystaen, correspondentie te versoecken enden te houden met synen Bena-buerden Synodo ofte Synodis, in sulcker forme, als sy meest profijtich achten sullen, voor de gemeene stichtinghe.

XLIX.

Yeder Synodus sal oock eenighe deputeren, om alles wat de Synodus geordonneert heeft, te verrichten, soo wel byde Hooge Overicheydt, als by de respective Classen, onder haer sorterende, mede om t’samen oft in minder ghetal over alle examina der aencomender Predicanten te staen: ende voorts in alle andere voorvallende swaricheden den Classen de handt te bieden, op dat goede eenigheyt, ordre ende suyverheyt der leere behouden ende ghestabileert worden. Ende sullen dese van alle hare handelingen goede notitie houden, om den Synodo rapport daer van te doen, ende soo het ge-eyscht wort, redenen te geven. Ooc en sullen sy niet ontslaghen wesen van haren dienst, voor ende alleer de Synodus selfs haer daer van ontslaet.

L.

De Nationale Synode sal ordinaerlijc alle drie Jaren eens gehouden werden, ten ware datter eenighe dringhende noot ware om den tijdt corter te nemen. Totdese sullen twee Dienaeren ende twee Ouderlingen uyt elcke particuliere Synode, beyder Duytscher ende Walscher sprake afgesonden werden. Voorts sal de Kercke die last heeft om den tijdt ende plaetse des Generalen Synodi te benoemen (soo de selfde binnen de drie Jaren te beroepen ware) haer particuliere Synode vergaderen, ende t’selfde oock der naest gheleghener Kercke die van een ander Tale is laten weten, de welcke vier

|240|

persoonen daer henen senden sal, om met ghemeynen advijse vanden tijdt ende plaetse te besluyten. De selve Kercke die vercoren is om de Generale Synode te samen te beroepen, wanneer sy met de Classe van den tijt ende plaetse beraet-slaghen sal, sal t’selfde de hooghe Overheydt in tijdts te kennen gheven, op dat met haren weten, ende (soo het haer ghelieft mede eenighe te senden tot den Classe) vander sake in teghenwoordicheydt ende met advijs van hare Gedeputeerde besloten werde.

LI.

Alsoo inde Nederlanden tweederley sprake gesproken wort, is voor goet gehouden, dat de Kercken der Duytscher ende Walscher Tale, op haer selven haren Kercken-raet, Classicale vergaderinghen ende particuliere Synoden hebben sullen.

LII.

Is niet te min goet gevonden, dat in de Steden, daer de voorsz. Walsche Kercken zijn, alle Maenden sommighe Dienaren ende Ouderlingen van beyde zijden vergaderen sullen om goede eendracht ende correspondentie met malcanderen te houden, ende soo veel moghelijck is na geleghentheyt des noodts met rade malcanderen by te staen.

 

Vande Leere, Sacramenten, ende andere Ceremonien.

LIII.

De Dienaren des Woordts Godts, Item die Professoren inde Theologie (‘twelck oock den anderen Professoren wel betaemt) sullen de belijdenissen des Geloofs der Nederlantscher Kercken onderteeckenen, ende de Dienaren die sulcks refuseren, sullen de facto van haren

|241|

Dienst by den Kercken-Raet, ofte Classe opgeschorst worden, ter tijdt toe sy haer daer inne geheelijcken verclaert sullen hebben: ende indien sy obstinatelijcken in weygeringe bleven, sullen sy van haren Dienst geheelijcken afghestelt worden.

LIV.

Insghelijcks sullen oock de School-Meesters ghehouden zijn de Artijckelen als boven, ofte inde plaetse van dien den Christelijcken Cathechismum te onderteeckenen.

LV.

Niemandt vande Ghereformeerde Religie sal hem onderstaen eenich boeck ofte schrift van hem, ofte van eenen anderen gemaeckt ofte overgheset, handelende van de Religie, te laten drucken ofte andersins uyt te gheven, dan t’selfde voor henen doorsien ende goet gekent zijnde vande Dienaren des Woordts zijns Classis, ofte particulieren Synodi ofte Professoren der Theologie van dese Provincien, doch met voorweten zijnes Classis.

LVI.

Het verbondt Gods sal aen den Kinderen der Christenen met den Doop, soo haest alsmen die bedieninghe des selven hebben kan, bezeghelt worden, ende dat in openbare versamelinghe, wanneer Gods Woordt gepredickt wordt. Doch ter plaetse daer niet soo veel Predicatien ghedaen worden, salmen eenen sekeren dach ter weke verordenen, om den Doop extraordinaerlijck te bedienen, soo nochtans, dat t’selve sonder Predicatie niet en gheschiede.

|242|

LVII.

De Dienaers sullen haer beste doen, ende daer toe arbeyden, dat de Vader zijn kint ten Doop presentere. Ende in de Ghemeenten daermen neffens den Vader oock Gevaders ofte ghetuyghen by den Doop neemt (welck ghebruyck, in hem selven vry zijnde, niet lichtelijck te veranderen en is) betaemt het datmen neme die de suyvere Leere toe gedaen ende vroom van wandel zijn.

LVIII.

De Dienaers sullen int Doopen soo der jonger kinderen als der bejaerde persoonen, de formulieren vande instellinghe ende gebruyck des Doops, welck tot dien eynde onderscheydentlijck beschreven zijn, ghebruycken.

LIX.

De bejaerde worden door den Doop de Christelijcke ghemeente inghelijft, ende voor Lidtmaten der Gemeente aangenomen, ende zijn daerom schuldich het Avontmael des Heeren oock te ghebruyken, t’welck sy by haren Doop sullen beloven te doen.

LX.

De namen der gedoopten, mitsgaders der Ouderen ende Getuyghen, Item den tijt des Doops, sullen opgheteeckent worden.

LXI.

Men sal niemandt ten Avontmael des Heeren toelaten, dan die na der gewoonheyt der Kercken, tot de welck hy hem voecht, belijdenisse der Gereformeerde

|243|

Religie gedaen heeft, midtsgaders hebbende ghetuyghenisse eens vromen wandels, sonder welcke oock de ghene die uyt ander Kercken comen, niet sullen toegelaten worden.

LXII.

Een yeder Kercke sal sulcke maniere van bedieninghe des Avondtmaels houden, als sy oordeelt tot de meeste stichtinghe te dienen. Welverstaende nochtans dat de uytwendige Ceremonien in Gods Woordt voorgheschreven, niet verandert ende alle Superstitie vermijdet worde, ende dat na de voleyndinghe der predicatie ende der ghemeyne Gebeden op den Predick-stoel, het formulier des Avondtmaels, mitsgaders het Gebedt daer toe dienende, voor de Tafel sal worden gelesen.

LXIII.

Het Avondtmael des Heeren sal ten twee Maenden eens, soo veel het moghelijck is, gehouden werden: ende sal stichtelijck zijn daer het de gelegentheyt der Kercken lijden can, dat op den Paesdach, Pinxcterdach ende Christ-dagh het selve geschiede. Doch ter plaetsen daer noch geen Kerkelijcke ordre en is, salmen eerst Ouderlinghen ende Diakenen by provisie stellen.

LXIV.

Alsoo de Avondt-ghebeden in veel plaetsen vruchtbaer bevonden worden, zoo zal int ghebruyck der selver elcke Kercke volghen ‘tghene sy achtet tot hare meeste stichtinghe te dienen. Doch wanneer mense begheren soude wegh te nemen, sal t’selve niet sonder ’t oordeel der Classe, mitsgaders der Overheyt, de Gereformeerde Religie toeghedaen, gheschieden.

|244|

LXV.

Daer de Lijck-Predicatien niet en zijn, zalmense niet in stellen: Ende daerse nu alreede zijn aenghenomen, zal neersticheyt ghedaen werden om de selve met de ghevoeghlijckste middelen af te doen.

LXVI.

In tijden van Oorloghe, Pestilentie, dieten tijt, sware Vervolginghe der Kercken ende andere alghemeyne swarigheden, zullen de Dienaers der Kercken de Overheyt bidden, dat door hare authoriteyt ende bevel, openbaar Vast ende Bid-daghen, aenghestelt ende gheheylight moghen werden.

LXVII.

De Gemeenten sullen onderhouden, beneffens den Sondagh, oock den Christ-dagh, Paesschen ende Pincxteren, met den navolghenden dagh: Ende dewijl in de meeste Steden ende Provintien van Nederlandt, daeren-boven noch ghehouden worden, den dach van de Besnijdinghe ende Hemelvaert Chrifti, sullen de Dienaers over al, daer dit noch int ghebruyck niet en is, by de Overheden arbeyden, datse sich met de andere mogen congformeren.

LXVIII.

De Dienaers sullen allomme des Sondaeghs ordinaerlijck inde namiddaechsche Predicatie, de Somma der Christelijcke Leer inden Cathechismo, die tegenwoordich inde Nederlandtsche Kercken aenghenomen is, vervattet, cortelijck uytlegghen, alsoo dat de selve jaerlijcks magh gheeyndicht worden, volghende de afdeelinge des Catechismi selfs daer op ghemaeckt.

|245|

LXIX.

Inde Kercken sullen alleen de 150 Psalmen Davids, de thien Geboden, het Vader onse, de 12 Articulen des Geloofs, de Lofsanghen Mariae, Sachariae, Simeonis ghesonghen worden. t’Ghesangh, O God die onsen Vader bist, wordt inde vryheydt der Kercken ghestelt, om t’selve te gebruycken ofte naer te laten. Alle anderen gesanghen salmen uyt de Kercken weren, ende daerder eenighe albereets inghevoert zijn, salmen de selve, met de ghevoegelijckste middelen afstellen.

LXX.

Alsoo bevonden wordt dat tot noch toe verscheyden ghebruycken in Houwelijcxsche saken alomme onderhouden zijn, ende nochtans wel oirbaer is ghelijckformicheyt daerinne gepleecht te worden : soo sullen de Kercken blijven by het gebruyck t’welck sy conform Gods Woordt ende voorgaende Kerckelijcke Ordinantien tot noch toe onderhouden hebben, tot dat by der hoogher Overichheydt (diemen daer toe met den eersten sal versoecken) een Generale Ordinantie, met advijs der Kercken-Dienaren, daer op ghemaeckt sal zijn, tot de welcke dese Kercken-ordeningh haer in dit stuck refereert.

 

Vande Censure ende Kerckelijcke vermaninghe.

LXXI.

Gelijckerwijs de Christelijcke straffe Geestelick is, ende niemandt vanden Borgherlijcke gerichte ende straffe der Overheydt bevrijdt, alsoo worden oock beneffens de Borgerlijcke straffe de Kerckelijcke Censure nootsaeckelijck vereyst, om den sondaer met de Kercke ende synen naesten te versoenen, ende de erghernisse uyt de Gemeente Christi wegh te nemen.

|246|

LXXII.

Wanneer dan yemandt teghen de suyverheydt der Leere ofte vromicheyt des wandels sondicht: soo verre als het heymelijck is, ende geen openbare ergernisse ghegeven heeft, soo sal den reghel onderhouden worden, welck Christus duydelijcken voorschrijft. Matth. 18.

LXXIII.

De heymelijcke sonden waer van de sondaer by een ende int besonder ofte voor twee ofte drie getuyghen vermaendt zijnde, berouw heeft, sullen voor den Kercken-raedt niet ghebracht werden.

LXXIV.

Soo yemandt van een heymelijcke sonde van twee ofte dry persoonen inder liefde vermaent zijnde, gheen ghehoor en gheeft, ofte andersins een openbare sonde bedreven heeft, sulcks sal den Kercken-Raet aenghegheven worden.

LXXV.

Van alsulcke sonde die van haer natueren weghen openbaer, ofte door verachtinghe der Kerckelijcke vermaninghen int openbaer ghekomen zijn, sal de versoeninghe (wanneermen sekere teeckenen der boetvaerdicheydt ziet) openbaerlick geschieden, door het oordeel des Kercken-Raedts: Ende ten platten Lande, ofte in mindere Steden, daer maer eenen Dienser en is, met advijs van twee ghenae-buerde Kercken, in sulcke forme ende maniere als tot stichtinge van een yder Kercke bequaem sal gheoordeelt worden.

LXXVI.

Soo wie hartneckelijck de vermaninghe des Kercken-Raets

|247|

verwerpt, Item die een openbare ofte andersins een grove sonde ghedaen heeft, sal vanden Avontmael des Heeren afghehouden worden. Ende indien hy afghehouden zijnde, na verscheyden vermaninghen gheen teecken der boetvaerdicheydt bewyst, soo zalmen ten lesten tot de uyterste remedie, namelick de af-snydinghe, komen, volghende de forme nae den Woorde Gods daartoe ghestelt: Doch sal niemant af-ghesneden werden, dan met voorgaende advijs der Classe.

LXXVII.

Al-eermen tot der afsnydinghe komt, salmen de hartneckicheyt des sondaers der Gemeente opentlick te kennen geven, de sonden verklarende, mitsgaders de neersticheydt aen hem bewesen int bestraffen, afhouden van den Avontmale, ende menighvuldige vermaningen: Ende sal de Gemeente vermaent worden hem aen te spreken ende voor hem te bidden. Soodanghe vermaningen sullender drie gheschieden. Inden eersten, sal den sondaer niet ghenoemt worden, op dat hy eenichsins verschoont werden. Inden tweeden sal met advijs der Classe sijnen naem uytghedruckt werden. Inden derden salmen de Gemeente te kennen geven, dat men hem, ten zy dat hy hem bekeere, vande ghemeenschap der Kercken uytsluyten sal, op dat syn afsnijdinghe, soo hy hartneckigh blijft, met stilswijghende bewillinghe der Kercken geschiede. Den tijdt tusschen de vermaninghe sal int oordeel des Kercken Raedts staen.

LXXVIII.

Wanneer yemandt, die gheexcommuniceert is, hem wederom wil versoenen met de Ghemeente door boetvaerdicheyt: so sal het selfde voor de handelinghe des Avontmaels, ofte andersins na geleghentheyt, te voren de Gemeente aengeseydt werden, ten eynde hy ten naestcomenden Avontmaels (soo verre niemandt yet

|248|

weet voort te brengen ter conrtarie) openbaerlijck met professie zijner bekeeringhe weder opghenomen werde, volghende het formulier daer van zijnde.

LXXIX.

Wanneer de dienaers des Goddelijcken woorts, Ouderlinghen ofte Diakenen een openbare grove sonde bedrijven, die der Kercke schandelijck, ofte oock by der Overheydt straf-weerdich is, sullen wel de Ouderlingen ende Diakenen terstont door voorgaende oordeel des Kercken-Raets der selver ende der naest gheleghener Gemeente van haren dienst afgheset, maer de Dienaers opgheschorst worden. Maer of sy geheel vanden dienst af te setten zijn, sal int oordeel der Classe staen.

LXXX.

Voorts onder de grove sonden die weerdich zijn met opschortinghe ofte afstellinghe vanden dienst ghestraft te worden, zijn dese de voornaemste. Valsche Leere of Ketterije: openbare Scheur-makinghe: Opentlijcke Blasphemie: Symonie: trouloose verlatinghe sijns dienst, ofte indringinge in eens anders dienst: Meyneedicheyt: Ee-breuck: Hoererije, Dieverije, Gewelt, gewoonlijcke Dronckenmanschap, Vechterije, vuyl Gewin: Cortelijck alle desonden ende grove feyten, die den Autheur voor de Werelt eerloos maken, ende in een ander ghemeen Lidtmaet der Kercken der af-snijdinghe weerdich soude gherekent worden.

LXXXI.

De Dienaren des Woordts, Ouderlingen ende Diakenen sullen onder hen de Christelijcke Censure oeffenen, ende malkanderen vande bedieninghe hares Ampts vriendelijck vermanen.

|249|

LXXXII.

Den ghenen die uyt der Gemeente vertrecken, sal een attestatie ofte ghetuyghenisse hares wandels by advijs des Kercken-Raedts mede gegeven werden onder den Zeghel der Kercken, ofte daer geen Zeghel en is, van tween onderteyckent.

LXXXIII.

Voorts sal den Armen, om ghenoechsaeme oorsaken vertreckende, vanden Diakenen bystandt gedaen worden, nae discretie, mits aenteeckenende op den rugghe van hare Attestatie de plaetsen daerse henen wille, ende de hulpe diemen haer sal ghedaen hebben.

LXXXIV.

Gheen Kercke sal over andere Kercken, gheen Dienaer over andere Dienaren, geen Ouderlingh off Diaken over andere Ouderlinghen ofte Diakenen eenighe heerschappije voeren.

LXXXV.

In middelmatighe dinghen salmen de buiten-Landtsche Kercken niet verwerpen, die ander gebruyck hebben dan wy.

LXXXVI.

Dese Artijckelen, de wettelijcke Ordeninge der Kercken aengaende, zijn alsoo gestelt ende aenghenomen met ghemeyn accoordt, datse (soo het profijt der Kercken anders vereyschte) verandert, vermeerdert ofte vermindert moghen ende behooren te worden. Ten sal nochtans gheen bysondere Gemeente, Classe ofte Synode

|250|

toestaen sulcks te doen, maer sullen neersticheydt doen om die te onderhouden, tot dat anders vande Generale ofte Nationale Synode verordent wort.

 

Aldus gedaen ende besloten inde Nationale Synode binnen Dordrecht den XXVIII May Anno XVIc negentien. In kennisse van ons ondersz. Ende was onderteeckent

 

JOHANNES BOGERMANNUS Synodi Præses.
JACOBUS ROLANDUS Assessor.
HERMANNUS FAUKELIUS Præsis Assessor.
SEBASTIANUS DAMMAN Synodi Scriba.
FESTUS HOMMIUS Synodi Scriba.

Biesterveld, P./Kuyper, H.H. (1905) Dordrecht 1618/1619 Postacta

|251|

De Postacta van de Nationale Synode van Dordrecht 1618, 1619

 

Handelingen
des
Nationalen Synodi van Dordrecht,
Na dat de uytheemsche Theologi waren vertrocken.

 

Sessione 155. 13 May, des ’s Maendaechs voor den Middach.

Js voorgestelt dat de Heeren Commissarisen goet gevonden hadden, dat de Regels vande kerckenordeninghe in het laetst-gehouden Sijnodus Nationael gestelt, van deze Sijnodo, zouden heryen ende geexamineert worden.

De Geduputeerde vande Suyd-Hollantsche kercken hebben versocht ende aengehouden, dat de gravamina tot de leere behoorende, die noch resteerden, eerst mochten affgehandelt worden, al eermen tot de verhandelinghe vande kercken-ordeninge aentrad. D. Praeses heeft haer belooft, datmen daer na van alle1) gravamina handelen zoude, als den handel vande kercken-ordeninghe zoude affgedaen zyn; onder welcke conditie ende belofte zy haer te vrede gegeven hebben.

Syn voorgelesen de Regels ofte Articulen vande


1) In den latijnschen tekst evenals in sommige hollandsche handschriften staat in plaats van alle: die.

|252|

Kercken-ordeninge ghestelt int laetste Nationale Sijnodus, twelck gehouden is in ’s Gravenhage a° 1586.

Is geordineert, dat men de Latynsche, Fransche ende Nederlandtsche exemplaren van de Nederlantsche confessie met malcanderen vergelycken zoude, nademael in alle de editien enighe verscheydentheyt in sommighe woorden bevonden wort, op dat in een yder van dese drye talen, uyt alle de editien, een exemplaer zoude moghen geformeert worden, t’welck men voortaen voor autentyck houden zal; ende datmen in deze vergelyckinghe insonderheyt letten zoude op dat exemplaer het welcke inde Nederlantsche ende Fransche kercken1) tot noch toe voor autentijck is ghehouden gheweest. Ende zyn tot desen arbeyt ghestemt Antonius Thysius, Hermannus Faukelius, Daniel Colonius, Festus Hommius ende Godefridus Udemannus.

 

Sessione 156. Desselven daechs na de middach.

De Articulen vande kercken-ordeninghe zyn, zoo veel als aengaet de substantie derselver van alle de Gedeputeerde Predikanten ende Ouderlinghen van een yder Provincie gheapprobeert. Sommige verclaerden dat zy hadden in hare Provincien seeckere bysondere articulen van kercken-ordeninghe door de authoriteijt vande Staten derselver provincien bevesticht, die in substantie met dese articulen over een quamen.

Js geordineert, dat men de Heeren Staten Generael zal versoecken dat hare Hooch Mog. gelieve dese articulen te authoriseren ende te approbeeren, op datse doorgaens inde Nederlantsche kercken, cracht van publycke Wetten zouden moghen hebben, ende dies te meer tot vrede ende stichtinge derselver ouderhouden werden.

Js gedebatteert over het jus Patronatus ten eynde dat het selve ofte gheheel end’ al uyt de Nederlantsche


1) In den Latijnschen tekst staat evenals in de meeste Hollandsche afschriften: inde Nederlandsche Fransche kerken d.w.z. de Waalsche kerken.

|253|

Kercken wechgenomen; ofte ten minsten zoo bepaelt mochte worden, dat de kercke daer door gheen nadeel en hadde. De Heeren Commissarissen hebben te kennen gegeven, dat het niet mogelijck en was dit recht geheelick wech te nemen, dewijle de Heeren Staten nimmermeer zouden toelaten, dat die ghene die in deuchdelijcke possessie van dit recht zyn, daer van door eenighe kerckelicke constitutie zouden berooft werden, ende dat daerom het Sijnodus zoude wel doen, beramende middelen niet om dit recht geheel aff te schaffen; maar liever om de abusen desselfs (zoo daer eenighe zyn) te verbeteren.

 

Sess. 157. 14 Maij, des Dinsdachs voor de Middach.

Js gelettet op behoorlycke limiten waer door het gebruyck van het jus patronatus alsoo mochte bepaelt worden, dat het selve den Patronen geheel1) gelaten zynde; niet te min het gebruyck vandien den kercken weynich ofte niet zoude moghen praejudiceeren; ende de abusen, zoo veel als mogelyck is, in volgende tijden zouden moghen voorgecomen worden. Tot welcken eynde gheordineert is, den Heeren Staten Generael over te leveren dese navolgende articulen, ende haare Hooch-Mog: te versoecken, dat zy desselve de respective Provincien zouden willen recommandeeren.

1. Dat het jus patronatus niemant toegestaen en werde dan die voor de Heeren Staten behoorlick can doen blijcken, dat hy daarvan is in duechdelycke possessie; op dat de kerck niet te vergeeffs met onnodige servituyten beswaert werde.

2. Dat den Patronen gheen ander recht toegestaen en werde, dan om te presenteren een habijl persoon, also zij2) int Pausdom geen ander recht gehadt en hebben.


1) De meeste handschriften hebben: in zijn geheel.
2) De meeste handschriften voegen hier in het woord zelfs, dat ook in de Latijnsche Postacta staat (etiam).

|254|

3. Dat de Patronen de Dienaren der kercke voorzyen van zulcken onderhout, als behoorlick is, ende van gelycke dinearen der kercke genoten wort, sonder immermeer toe te laten, dat zy met ijmant over het stipendium zoo handelen, als off zy hem huyerden; ofte zulck een presenteeren, die niet meer als een geringh loontgen voor den dienst zoude moghen eyschen.

4. Dat de praesentatie gescheide binnen twee ofte ten hoochsten drije maenden na dat den dienst zal hebben gevaceert; ofte zoo niet dat zij voor die reyse om dese nalaticheyt, van het recht der praesentatie zullen versteecken zyn.

5. Dat de Patronen zulck een persoon presenteeren, die buyten alle suspicie zij van enige ongesontheyt inde leere, die oock van goeden leven zij, ende met sulcke gaven vecriert, dat hy de gemeente aengenaem zy, ende deselve genoech doen moge.

6. Dat de kercken het recht behouden, om den gepraesenteerden Persoon te moghen verwerpen, zoo zyn gaven ofte manieren de kercke niet aenstaen, op dat haer geen dienaer teghen haren danck opgedrongen werde.

7. Dat de gepraesenteerde Persoon vande kercke aengenomen zijnde, na dat de Classis daer van behoorlijcke kennisse zal gehadt hebben, voorts na de regulen der kerckelijke regeeringhe inde Classe werde geexamineert, de kercke voorgestelt, ende inden dienst bevesticht.

8. Dat de verschillen zoo daer enighe tusschen de Patronen ende kerckea mochten ontstaen over de praesentatie, bygeleyt ofte affgehandelt worden van het Classis, ofte Sijnodus particulier.

9. Dat den Patroon gheen macht gelaten werde, om de Dienaer van hem gepraesenteert, ende wettelick inden dienst bevesticht, door zyn eyghen authoriteyt alleen, sonder oordeel des Classis ofte des Sijnod van zijn dienst te verlaten.

|255|

 

Sess. 158. Deselve daechs na den Middach.

Syn voorghestelt eenighe gravamina:
1. Vande visitateurs der kercke ende haer ampt.
2. Vande gedeputeerde der Provinciale Sijnoden.
3. Vande correspondentie tusschen de particuliere Sijnoden van ijder Provincie.
4. Vande vorderinghe der Idioten tot den dienst des woorts.
5. Vande kuerstemmen der Dienaren inde Classen, namelick, off meer Dienaers uijt een kercke tot den Classem comende, in’t selve elck een keurstemme behooren te hebben.
6. Van het stellen eens bequamen formuliers van onderteyckinghe der confessie ende Catechismi voortaen by allen denghenen, die inde kerckelycke bedieningen zyn, te doen.

Over alle welcke gravamina gedebatteert is.

 

Sess. 159. 15 May des Woonsdaechs voor de Middach. 

De Collegien hebben elck haer advisen over de voorgestelde gravamina ingebracht, ende is byde meeste stemmen daer over geresolveert als volcht:

1. Een yder Classis zal eenighe Predikanten uyt den haren deputeren, ten minsten twee vande outste, ervarentste, ende voorsichtichste, die jaerlicx alle de kercken, zoo wel inde steden, als ten platten lande, visiteeren zullen, ende neerstelick letten, off de Herders, Ouderlingen ende schoolmeesters hare ampten oock getrouwelick waernemen, bij de suyverheyt der leere verblyven, de orde by de kercken aengenomen in alle deelen wel onderhouden, ende de stichtinge der kercke, midtsgaders oock der jeucht, na haer vermogen1) met woorden ende wercken vorderen: Op


1) De meest handschriften voegen hier in: behoorlyck, wat ook de latijnsche tekst heeft (debite).

|256|

dat zy die ghene , die in het eene ofte andere stuck hares ampts zouden moghen bevonden worden wat traech te zyn, in tyts ende broederlick vermanen, ende een ygelyck met raet ende daet dienen, ten eynde dat alle saecken tot vrede, stichtinge, ende ten besten der kercken ende scholen mochten aengeleyt worden. Ende ’t zal een yder Classi vrijstaen, de visitateurs in desen last te continueeren zoo lange het den Classi zal goetduncken; oft ten ware dat de visitateurs zelve om ghewichtige redenen (waer van het Classis oordelen zal) daer van begheerden ontslaghen te worden. Siet den 44 Artikel inde kerckenordeninghe.

2. Jder Synodus zal oock eenige deputeeren, om alles wat de Sijnodus verordineert heeft te verrichten, zoo wel bij de Hoghe Overheyt, als bij de respective Classen, onder haer sorterende; mede om te samen ofte in minder ghetal, over alle examina der aencomende predicanten te staen; ende voorts in alle1) voorvallende swaricheden den Classen de hant te bieden, op dat goede eenicheyt, ordre, ende suyverheyt der leere behouden ende ghestabilieert werden. Ende zullen dese van alle haer handelinghen goede notitie houden, om de Synodo daer van rapport te doen, ende, zoo het geeyscht wort, redenen te geven. Oock en zullen zij niet ontslaghen wezen van haren dienst voor ende aleer de Sijnodus selve haer daer van ontslaet. Art. 49 inde kerckenordre.

3. Het zal een ygelycken Sijnodo vrij staen, correspondentie te versoecken ende te houden, met zyn nabuyrighen Sijnodo, ofte Sijnoden, in sulcken forme als zy meest proffytich achten zullen voor de ghemeene stichtinghe. Art. 48.

4. Men zal gheen schoolmeesters, hantwerckxlieden, ofte andere die niet gestudeert hebben, tot het Predickampt toelaten, ten zy datmen verseeckerst is van hare


1) De meeste handschriften voegen hier in: andere, wat het Latijnsche H.S. niet heeft.

|257|

singuliere gaven, godtsalicheyt, ootmoedicheyt, sedicheyt, goet verstant, ende discretie, midtsgaders gave van welspreekentheyt. Soo wanneer dan sodanighe persoonen sich tot den dienst praesenteeren, zal de Classis1) (indient de Sijnodus zoo goet vint) eerst examineeren, ende na dat se deselve int examen bevint, haer een tyt langh laten int privé proponeeren, ende dan voort met haer handelen, als zy oordeelen zal stichtelick te wesen. Art. 8 der kerckenordre.

5. Daer in een plaetse meer Predikanten zijn als een, zullen die al t’samen inde Classe moghen verschijnen, ende keurstemmen hebben, ten ware in zaecken die haer persoonen, ofte kercken int bysonder aengaen. Art. 42.

6. Is geordineert datmen stellen zal een accuraet formulier van onderteeckeninghe, waer naer de kerckendienaers de Confessie, Cathechismo ende de sijnodale verclaringhe van de vyff articulen der Remonstranten onderteeckenen zullen, om daer mede haer gesont gevoelen duydelick te betuyghen, ende de verkeerde uytvluchten van sommige, omtrent de onderteeckeninghe te voorcomen.

Syn daer na voorgestelt sommighe andere gravamina der Sijnoden, ten eynde een yeder collegie daer over inde naeste sessie zyn advys inbrenghe; als
1. Vande eenparicheyt die te houden zy in de feestdaghen, kerckelycke gesanghen ende bedieninghe des doops omtrent de kinderen ende voljarigen.
2. Vanden doop der mis-priesteren, die in dese landen omswerven, der wederdooperen, ende der geexcommuniceerden.
3. Vande publycke insegeninge des huijwelyckx der ongedoopte.
4. Vande correspondentie met de uytheemsche, insonderheyt met de Fransche kercken.
5. Van een generale huywelyckx ordinantie, die


1) De meeste handschriften voegen hier in deselve.

|258|

door alle de geunieerde Provincien mochte onderhouden werden.
6. Vande nauwer discipline des volckx, ende voornemelick der ghener die in kerckelycke bedieninghe zyn.

 

Sess. 160. Des selven dachs na den Middach.

Js voorgelesen een formulier uyt de advysen van alle de Collegien ontworpen, nopende de ordre diemen houden zoude int beroepen vande Dienaren der kercke; waer over gedebatteert is. Ende also het selve allen noch niet aen en stont, zyn de Collegien vermaent, datse wilden in bedencken nemen, off het selve formulier niet zoude mogen blyven, met byvoeginghe van dese clausule, namentlick: mits dat het een yder Provincie vrij zij, behoudende al het ghene tot de substantie van de beroepinghe behoort, in sommighe omstandicheden te blijven bij die ordre, die in haer Provincie aengenomen ende gebruyckelick is.

 

Sess. 161. 16 May, des Donderdaechs voor den Middach.

Js voorgelesen een ander formulier van beroepinghe der kercken-dienaren bij D. Praesidium ontworpen, het welcke in sommighe dinghen verandert zynde, aldus gearresteert is.

De wettelicke beroepinghe derghener die te vooren in den dienst niet gheweest zyn, zoo wel inde Steden als ten platten lande bestaet, ten eersten: in de verkiesinghe, de welcke, na voorgaende vasten ende bidden, gheschieden zal door den kerckenraet, ende diaconen, ende dat niet sonder goede correspondentie mette Christelycke Overheyt der plaetse respectivelijck, ende voorweten ofte advys vande Classe, daer hetselve tot noch toe ghebruyckelick is gheweest. Ten tweeden: int examen ofte ondersoeck beyde der leere, ende des levens, ’t welck staen zal by den Classe ten overstaen vande gedeputeerde des Sijnodi, ofte eenige derselver. Ten derden: inde approbatie ofte

|259|

goetkenninghe der Overheyt, ende daer na oock vande ledematen der ghereformeerde ghemeente vande plaetse, wanneer den name des dienaers den tyt van 14 daghen inde kercke vercundicht zynde, gheen hindernisse daer teghen en comt.Ten vyerden ende laetsten, inde opentlycke bevestighinge voor de ghemeynte, dewelcke met behoorlycke stipulatie ende affvraginge, vermaninghe, ghebedt ende oplegginghe der handen vanden dienaer, die de bevestiginghe doet, ofte door eenen anderen, daer meer dienaers zyn, toegaen zal, naer het formulier daer van zynde; wel verstaende dat de oplegginghe der handen zal moghen gedaen worden inde classicale vergaderinghe, aen een nieu gepromoveerden dienaer, die gesonden wort tot een kercke onder’t cruijs. Siet Art. 4 der kerckenordening.

Nopende de dienaers, die nu alrede in den dienst des Woorts zynde tot een ander ghemeete beroepen worden, zal desgelyckx sodanighe beroepinghe met correspondentie alsvooren gheschieden zoo wel inde Steden als ten platten lande, by den kercken-raet ende diaconen, met advys ende1) approbatie vande Classe, alwaer de voors. beroepene goede kerckelicke attestatie van leere ende leven verthonen zullen, ende alzo (onvercort2) t’ ghene te vooren geseyt is, ijmant zyn duechdelick recht van praesentatie ofte enich ander recht, voor zoo veel t’ selve stichtelick can werden ghebruyckt, sonder nadeel van Godes kercke, ende goede kercken-ordre, waer op de Hoghe Overheden ende Synoden der respective Provincien wel ghelieven te letten, ende ten besten vande kercke nodighe ordre te stellen by den Magistraet vande plaetse respectivelick geapprobeert, ende de ghemeente den tyt van 14 daghen voorgstelt zynde als boven, zullen met


1) De meeste handschriften evenals de latijnsche tekst hebben: ofte.
2) De meeste handschriften voegen hier in het woord: in. In het latijn staat: salvo in ijs.

|260|

voorgaende stipulatien ende gebeden bevesticht worden. Art. 5 der kerckenordre.

Js oock geresolveert datmen de examina vande kerckendienaren in de Classen niet zal aenstellen dan in tegenwoordicheyt van enighe van de gedeputeerde des Synodi, ende dat tot dien eynde den dach van het examen henlieden vande Classe bytyts zal bekent gemaeckt worden.

Js oock voorgelesen een articul van vriendelycke correspondentie tusschen de Christelycke Magistraten ende de kerckendienaren te houden, die de Sijnodus heeft goet gevonden de reste van de articulen der kerckenordeninge in te lyven in maniere als volcht.

Gelyck het ampt der Christelycke Overheden is, den h. kerckendienst in alle manieren te bevorderen, denselven met haer exempel hare onderdanen te recomandeeren, ende den Predikanten, Ouderlinghen ende diaconen in allen voorvallenden noot de hant te bieden, ende bij hare goede ordeninghe te beschermen; also zyn alle Predikanten, Ouderlinghen ende diaconen schuldich de gansche ghemeente vlijtichlich ende oprechtelick in te scherpen de gehoorsaemheyt, lyeffde, eerbiedinghe, die zy den Magistratien schuldlich zyn. Ende zullen de1) kerckelycke persoonen met haer goet exempel in desen de ghemeente voorgaen, ende door behoorlick respect ende correspondentie de gunste der Overheden tot de kercken soecken te verwecken, ende te behouden; ten eynde een yder het zyne inde vrese des Heeren aen weder zyden doende, alle achterdencken ende wantrouwen moghe werden voorgecomen, ende goede eendracht tot der kercken welstant onderhouden.

 

Sess. 162. Desselven daechs na den Middach.

De Collegien hebben ingebracht haer advijsen over de laetst voorgestelde gravamina, ende is daer van aldus geresolveert.


1) De meeste handschriften hebben evenals de Latijnsche tekst: alle.

|261|

1. De ghemeenten zullen onderhouden beneffens den Sondach oock den Christdach, Paesschen ende Pinckxteren, met den volgende dach: ende dewyle inde meeste steden ende Provincien van Nederlant daerenboven noch gehouden werden, den dach vande besnydinghe ende hemelvaert Christi, zullen de dienaers over al, daer dit nog niet int gebruyck is, by de Overheden arbeyden, datse sich met de andere moghen conformeeren. Art. 67.

Jn de kercken zullen alleen de 150 Psalmen Davidis, de thyen geboden, het Vader onse, de twaelff articulen des ghelooffs, de loffsanghen Mariae, Zachariae ende Simeonis gesonghen worden. T’ gesangh, O Godt die onse Vader bist, etc. wort inde vryheyt der kercken gestelt, om het selve te ghebruycken ofte na te laten. Alle andere gesangen zalmen uyt de kercken weeren, ende daerder enighe alrede ingevoert zijn, salmen deselve mette ghevoechlijckste middelen affstellen. Art. 69. 

De dienaers zullen int doopen zoo der jonghe kinderen als der bejaerde persoonen, de formulieren vande instellinghe ende gebruyck des doops, welcke tot dien eynde onderscheydelick beschreven zyn, gebruijcken. Art. 58.

De bejaerde worden door den doop de Christelycke gemeente ingelyft, ende voor ledematen der ghemeente aengenomen, ende zyn daerom schuldich het Avontmael des Heeren oock te gebruycken, twelck zy by den1) doop beloven zullen2). Art. 59.

2. Men zal den doop der Papen, die in dese landen omswerven, ende der Mennonisten niet onbedachtelick itereeren; maer naerstelick onderstaen off zy de forme


1) De meeste handschriften hebben: haren.
2) De meeste handschriften voegen hieraan toe de woorden: te doen.

|262|

ende substantiele dinghen des doops onderhouden1); het welcke bevonden zynde by haer te geschieden, en zal den doop geensints moghen geitereert worden. Ende insgelyckx zal men oordeelen vanden doop die bedient is door een geexcommuniceert dienaer, zoo hy enighe ordinaire beroepinghe van enighe vergaderinge heeft: Op welcke alle dinghen de kercken neerstelick zullen ondersoeck doen ende letten.

3. De huywelijcken van dieghenen die door den doop de Christelicke kercke noch niet ingelyft zyn, en behoort men met den publycken ende solemnelen seghen inde kercken gebruyckelick niet te solemiseren voor ender aleer zy haren doop ontfangen hebben.

4. Hoe ende op wat wyse men met de uytheemsche ende insonderheyt met de Fransche kercken correspondentie zoude moghen ende behooren te houden, datselve zal met de H. Mog. Heeren Staten generael; werden gecommuniceert.

5. Welckers H. Mog. oock versocht zullen worden, dat deselve ghelieve door hare authoriteyt, metten eersten te doen stellen ende publiceren een huywelijckx ordinancie inde welcke op de voornaemste ende swaerste huywelyckse casus yets seeckers gestelt werde, ende die eenpaarlick door alle de geunieerde Provincien mach geobserveert werden.

6. Alle kercken zullen ernstelick vermaent werden, ten eynde dat de articulen der kercken-ordeninghe vande discipline zoo des ghemeenen volckx, als der ghener die in kerckelicke bedieninghe zyn neerstelyck ende strictelick onderhouden werden: Waer op de visitateurs der kercken insonderheyt zullen letten, op dat de kercken in dit deel niet suymachtich en zyn.

Syn wederom eenighe andere gravamina voorgestelt.
1. Vande bedieninghe des doops buyten kerckelycke


1) De meeste handschriften hebben: behouden; het latijn heeft: retineant.

|263|

vergaderinghe, als van siecke kinderen, crancke ende ter doot verwese menschen.
2. Van seeckere proeffjaren te stellen voor die ghene die uyt het Pausdom tot ons overcomen, aleer zy tot den kerckendienst toegelaten werden.
3. Vande scholen, zoo grote ofte Universiteyten, als cleyne ofte triviale wel te bestellen.
4. Vande insegeninge der huywelycken met geexcommuniceerde, ende die vande gereformeerde kercken gansch vreemt zyn.
5. Van de wechneminghe der prophanatien des Sabbaths.
6. Vande bedieninghe der heymelycke kercken onder ’t cruys.
7. Vande voortbreydinghe des Evangeliums in Oost-Jndien, ende andere plaetsen die van d’onse pleghen besorcht1) te worden.

Js geordineert dat ontworpen worde een accuraet formulier van onderteeckeninghe der Confessie, Cathechismi, ende Synodale verclaringhe waer mede alle kerckendienaren hare overeenstemminge om de rechtgevoelende leere claerlicke betuygen, ende uytvluchten van sommighe, waermede zy de kercken pleghen te bedrieghen, voorcomen werden. Jtem een Formulier vande vraghen, dien den gejaerden op haren doop zullen voorgehouden worden. Ende dit werck is opgheleyt den Gelderschen, Suydhollantschen, Zeelanders ende Groningers.

 

Sess. 163. 17 May, des Vrydachs voor den Middach.

Syn ingebracht de advysen der respective Collegien op de vorighe gravamina vande welcke aldus gereolveert is:

1. Men zal den doop aen siecke kinderen ofte krancke buyten vergaderinghe der kercke niet bedienen


1) Dit is blijkbaar een schrijffout; in alle handschriften staat evenals in het latijn: besocht (commeare).

|264|

dan in zeer grote noot, ende dat met voorweten ende in tegenwoordicheyt des kerckenraets; oock niet aen gecondemneerde misdadighe dan met goet advys vande gedeputeerde des Classis.

2. Nieuwelinghen, Mispriesters ende Monicken, ende die andersints enige secte verlaten, zullen niet toegelaten worden tot den kerckendienst dan met grote sorchvuldicheyt en de voorsichticheyt, nadat zy oock eenen seeckeren tyt eerst wel beproeft zyn. Art. 9 inde kerckenordre.

3. Jnde Provincien daer Universiteyten ofte vermaerde scholen zyn zullen de Staten vande selve Provincien versocht worden, dat hare E.M. inde bestellinghe vande selve Universiteyten ofte vermaerde scholen ghelieven te letten op dese navolgende articulen.

I.

Dat over de inspectie ende regieringhe vande Academien gestelt werden geleerde mannen, leden der gereformeerde kercke, vande welcke men seecker gaet, dat zy de leere, die van’t begin der reformatie onder ons aengenomenis, toegedaen zyn.

II.

Dat de Curateurs der Academien niet altyt blyven; maar alle drye ofte vyer jaren verandert werden, also dat jaerlickx sommighe affgaen, sommighe aencomen.

III.

Dat behalven de politycke mannen een predickant ofte twe, tot dese opsicht ghebruyckt werden, op dat te beter op de faculteyt der Theologiae moghe gelet worden.

IV.

Dat niemant tot de professie der Theologiae beroepen

|265|

werde dan met toestemminghe des Sijnodi, ende1) de gedeputeerde van dien, Den welcken het vry zal staen uyt een ieder Classe by haer enighe kerckendienaren te roepen, om over dese beroepinghe met malcander te beraetslaghen, zoo den tyt gheen uytstel tot den naesten Synodum soude moghen lyden. Ende ware goet dat desen voet oock gehouden wyerde inde beroepinghe vanden Regent ende onder-Regent vande Theologische Collegien2).

V.

Dat inde beroepinghe der Professoren, niet alleen der Theologiae, maar oock der andere faculteyten, ende insonderheyt der Hebreeusche ende Griecksche spraecken, oocke mede der Philosophiae, ernstelick gelet werde dat gheen andere beroepen werden, dan die uytnemende zyn, van welckers godtvruchticheyt ende vromicheyt van leven men wel verseekert zij, ende die haer vasthouden aende van outs gereformeerde religie3) ende noyt in wettelycke suspicie van onsuyverheyt der leere gheweest zyn.

VI.

Dat de4) Professoren van yder faculteijt ende conste tot betuyginghe van hare overeenstemminghe inde rechtgevoelende leere, op het aenvaerden van hare bedieninghen, der formulieren der overeenstemminge,


1) De meeste handschriften hebben: ofte.
2) De meeste handschriften hebben: des theologischen Collegij, evenals het Latijn.
3) De meeste handschriften hebben leere; het latijn : doctrinae.
4) Alle ander handschriften hebben evenals de latijnse tekst: alle.

|266|

namelick de Confessie ende Catechismo deser kercken onderschryven.

VII.

Dat de Professoren der Philosophiae ende der talen niet toegelaten werde, ofte in hare lessen, ofte in hare disputatien, te tracteren theologische materien ofte controversien, voor dat zy de saecke mette Theologanten gecommuniceert, ende verloff daer toe vercreghen hebben.

VIII.

Dat den Professoren vande H. Theologiae verboden werde nieuwe gevoelens voor te stellen, strydich tegens de leere, die inde kercke aangenomen is: Ende dat haer niet toegelaten werde problematice eenighe scrupulen teghen de aengenomen leere lichtelick te moveren.

IX.

Off het niet geraden en zy, dat de Professoren der Theologiae, ende Regenten der theologische Collegien, op de Sijnoden verschijnen, ende aldaer reeckenschap geven van haer leere ende het oordeel des Synodi onderworpen zyn.

X.

Dat d’ Alumni der kercken dickmael geexamineert werden, soo inde Collegien als elders wonende, ende dat in tegenwoordicheyt der gedeputeerde des Synodi.

Ende aengaende de triviale scholen, salmen de Heeren Staten Generael versoecken, dat met advys van enighe geleerde mannen, die haer op de maniere van goede onderwysinghe der jeucht verstaen een generale ordinantie ofte schoolordeninghe geraemt, ende bevestiget moghe

|267|

werden, waer bij het ghebreck, dat doorgaens inde scholen gevonden wort, gebetert ende (zoo veel mogelick is) eenparicheyt inde onderwijsinghe vande jeucht, ende insonderheyt inde fundamenten van Grammatica, Dialectica ende Rhetorica onderhouden moghe werden.

4. Ten betaemt niet dat huywelycken, aengegaen met geexcommuniceerde, ende die van de gereformeerde kercke gantsch vreemt zyn, met den solemnelen seghen, in de gereformeerde kercken opentlick bevesticht werden.

5. Men zal de Heeren Staten Generael versoecken dat de veelvuldighe ende daechlyckx toenemende abusen ende ontheijliginge vanden Sabbath doorgaens in dese Provincien door nieuwe ende scherpe placaten wechgenomen ende voorgecomen mochten worden.

Door occasie van de constitutie op de wechneminghe der onteringen des Sabbaths is geventileert een quaestie van de nootsaackelickheyt der onderhoudinghe des Sondaechs, die inde kercken van Zeelant was begonnen gedreven te worden: Ende zyn de Professoren versocht om met de Broederen van Zeelant over dese quaestie te treden in een vriendelicke conferentie, ende te zyen, off niet seeckere generale regulen, met ghemeen consent beraemt ende ghestelt zouden connen worden, binnen welckers limiten beyde de parthyen int verhandelen van deze quaestie, zoo langhe zouden moghen opgehouden worden, totdat in het naeste Sijnodus Nationael dese quaestie nader zoude mogen verhandelt worden.

6. Js geordineert dat de de saecke van de heijmelicke kercken, die inde verheerde Provincien onder het cruys suchten den Heeren Staten generael ernstlick zal gerecommandeert worden oft gebeurde datter van verlenginge vanden trefues1) ofte van enige condicie van vrede, schier oft morghen2) gehandelt wierde.


1) Beteekent Treves of wapenstilstand.
2) Schier oft morghen beteekent: vandaag of morgen.

|268|

 

Sess. 164. Desselven daechs na de Middach.

Syn voorgelesen ende geapprobeert dese navolgende regulen vande onderhoudinghe des Sabbaths ofte Sondaechs, die de Professoren met toestemminghe vande Broederen van Zeelant hadden ingestelt.

I.

Jint 4º. ghebodt vande godtlycke wet is yet ceremoniaels ende yet Moraels.

II.

Ceremoniael is gheweest de ruste vanden sevenden dach na de scheppinghe, ende de strenge onderhoudinghe vanden selven dach, die het Jodische volck bysonderlyck opgeleyt was.

III.

Morael, dat een seeckeren ende gesetten dach den goodtsdienst zij toegeeygent, ende daer toe zoo veel ruste, als tot den Goodtsdienst ende heylighe overdenckinghe des selffs van noden is.

IV.

Zynde den Sabbath der Joden affgeschaft, moeten de Christenen den Zondach solemnelick heylighen.

V.

Desen dach is sedert de Apostelen, inde oude Catholycke kercke altyt onderhouden gheweest.

VI.

Deselve dach moet alsoo den goodtsdienst toegeeygent worden, datmen op den selven moet rusten van alle

|269|

slaeffwercken (uytgesondert dieghene, die de lyeffde, ende de teghenwoordighe nootsaeckelickheden1) vereyschen), midsgaders van alle sodanighe recreatien die den Goodtsdienst verhinderen.

Js geordineert dat alle bedienaers des Woorts, tot een teecken van eenicheyt inde rechtgevoelende leere moeten onderteeckenen de Confessie ende Cathechismo deser kercken, midtsgaders de Canones ofte verclaringhe deses Synodi. Ende om te voorcomen in dese onderteeckeninghe de verkeerde uytvluchten van sommighen, zoo zal voor de selve onderteeckeninghe ghestelt werden dit formulier, het welcke is voorgelesen ende geapprobeert.

Wij ondergeschreve dienaren des Godtlycken Woorts, resorteerende onder de Classe van N.N. verclaeren oprechtelick in goeder conscientie voor den Heere, met dese onse onderteeckeninge, dat wij van herten ghevoelen ende geloven, dat alle de articulen ende stucken der leere in dese Confessie ende Catechismo der gereformeerde Nederlantsche kercken begrepen, midtsgaders de verclaringe over eenige poincten der voorss. leere inden Nationalen Sijnode aº. 1619 tot Dordrecht ghestelt, in alles met Goodts woort over een comen. Beloven derhalven dat wij de voorss. leere neerstelick zullen leeren, ende getrouwelyck voorstaen, sonder yet teghen deselve t’ sij opentlick, ofte int’ bysonder, t’ sij directelick ofte indirectelick, te leeren ofte te schrijven: Gelyck oock dat wij niet alleen alle dwalinghen daer teghen strydende, ende namentlick die inden voors. Sijnodo gecondemneert zijn, verwerpen; maer oock zullen tegenstaen, wederleggen, ende helpen weeren. Ende indien het zoude moghen gebeuren, dat wy na desen enich bedencken ofte ghevoelen teghen de voorss. leere, ofte eenich poinct deselver zouden moghen crijgen, beloven wij,


1) De meeste handschriften hebben evenals de latijnsche tekst: nootsaeckelickheyt.

|270|

dat wy t’selve noch opentlick noch heijmelick zullen voorstellen, dryven, predycken, ofte schryven; maer dat wy t’selve alvoren den kerckenraet, Classi ende Synodo zullen openbaren, om vande selve geexamineert te worden, bereyt zynde het oordeel derselver altyt ghewillichlick ons te onderwerpen; op pene dat wy hyer teghen doende ipso facto van onsen dienst zullen zyn gesuspendeert. Ende indien t’ enighen tyde de kerckenraet, Classis, ofte Sijnodus om ghewichtighe oorsaecken van nadencken zouden moghen goet vinden, tot behoudinge vande enicheyt ende suijverheyt inde leere, van ons te vereyschen onse naerder gevoelen ende verclaringhe1), zoo beloven wij oock midts desen, dat wij daer toe tot allen tijden bereyt ende willich zyn zullen op pene als boven, behoudens t’ recht van appel in casu van beswaernisse, geduerende welcken tyt van appel, wij ons naer de uytspraeck ende ordre des Sijnodi provincialis zullen reguleeren.

Js oock geordineert dat alle Rectoren ende schoolmeesters oock mede de Confessie, Catechismo, ende dese sijnodale verclaringe tot betuyginge van hare eenstemmicheyt inde gereformeerde leere, onder dit formulier zullen onderteeckenen:

Wij ondergeschreve Rectoren ende Schoolmeesters van N.N. verclaeren oprechtelick in goeder conscientie voor den Heere met dese onse onderteyckeninghe dat wij van herten ghevoelen ende geloven, dat alle der articulen ende stucken der leere in dese confessie, ende catechismo der Nederlantsche gereformeerde kercken begrepen, midtsgaders de verclaringe over enighe poincten der voorzeyde leere inden nationalen Sijnodo aº. 1619 tot Dordrecht ghestelt, in alles met


1) Alle handschriften, ook de latijnsche tekst voegen hierin: over eenich Articul vande voorss. Confessie. Catechismus ende Synodale verclaringhe. Blijkbaar zijn deze woorden in den tekst uitgevallen.

|271|

Godes Woort over een comen. Beloven derhalven dat wij de voorzeyde leere ghetrouwelick zullen voorstaen, ende de jeucht, naar eysch van onse beroep, ende haer begrijp, neerstelick inscherpen; op pene dat wij hyer teghen doende van onsen schooldienst sullen ontset wesen.

De kercken zullen vermaent worden als de herders by de onderschryvinghe van het boven-gemelde formulier beloven haer bereyt te stellen om haer meninghe vande poincten des gelooffs op de begeerte der Broederen breeder te verclaren, dat zulckx niet te verstaen zij, als off zij daertoe gehouden waeren op eens ygelyckx believen1); maer dan eerst, als zij rechtvaerdighe oorsaecke van suspicie zouden mogen gegeven hebben; waer van het oordeel bij de kerckelycke vergaderinghe bestaen zal.

 

Sess. 165. 18 May, des Saturdaechs voor den Middach.

Js voorgelesen ende geexamineert de oversettinghe vande sijnodale verclaringhe over den eersten Art: in de Nederlantsche tale.

 

Sess. 166. Desselven daechs na den Middach.

Men is voortgegaen int voorlesen ende examineren vande oversettinghe der synodale verclaringhe over den eersten Art.

 

Sess. 167. 20 May, des Maendachs na den Middach.

Js voorgelesen ende geexamineert de translatie van de Canones sijnodales des tweeden Artikels.


1) De meeste handschriften laten hierop volgen: opdat de rechtsinnighe Leeraren niet te vergeefs voor suspect gehouden worden. Blijkens den Latijnschen tekst zijn deze woorden hier metterdaad in te voegen.

|272|

 

Sess. 168. 21 May, des Dinsdaechs na den Middach.

Js voorgelesen ende geexamineert de oversettinghe vande sijnodale Canones des derden, vyerden, ende vyffden Artikels.

Alsoo de Provincie van Utrecht noch niet voorzyen was van bequame Predikanten, is de Synodus versocht, om enighe uyt het midden van haer te deputeeren, die het naest aenstaende provinciale Sijnodus van Utrecht met raet ende daet zouden mogen assisteren. Op welck versoeck tot dese saecke gedeputeert zijn: Eilhardus Menius, Sebastianus Dammannus, Johannes Dibbetius, Jacobus Triglandius, Godefridus Udemannes ende Johannes Bogermanus.

 

Sess. 169. 22 May, des Woonsdachs voor den Middach.

Also Everhardus Vosculius ende Johannes Schotlerus predikanten tot Campen voor desen Sijnodo beschuldigt, ende nu ettelijcke malen geciteert zynde, niet verschenen waren (om welcke hartneckicheyt deselve al voor desen van het predycken gesuspendeert waren) zoo is goet gevonden, datmen haer saecke zoude ondersoecken uijt die schriften die den1) Sijnodo zyn overgelevert. Ende zijn tot dien eynde gelesen de stucken der beschuldiginghe, midtsgaders de voornaemste bewys-stucken vande selve; is gheoordeelt dat zy geheel ende al van het predickampt zullen gedeporteert worden: ende datmen dit oordeel de Achtb. Magistraet midtsgaders de kercke ende Classe van Campen zal bekent maeken, ende daer en boven de Magistraet versoecken, dat deselve gelieve te besorghen, dat in plaetse derselver metten aldereersten andere bequame ende rechtgevoelende leeraers wettelick mogen inghestelt worden, ende in plaetse vande voorlesinghen die inde kercke


1) De meeste handschriften hebben evenals het latijn: desen.

|273|

geschieden, wederom publijcke predikatien in alle de kercken aangestelt worden.

 

Sess. 170. Desselven daechs na den Middach.

Js voorgelesen ende geexamineert de oversettinghe vande voorrede ende conclusie vande sijnodale Canones. Ende dewyle in dese oversettinghe noch enighe dinghen gedesidereert werden, zyn Jacobus Rolandus ende Antonius Walaeus versocht om alle1) gemelte oversettinghen vande Canones wat nader te doorsyen.

 

Sess. 171. 23 May, des Donderdaechs voor den Middach.

De verbeterde Fransche ende Nederlantsche editien vande belydenisse der Nederlantsche kercken zyn voorgelesen, de Nederlantsche van Godefrido Udemanno ende de Fransche van Daniele Colonio: ende is doorgaens rede vande verbeteringe aenghewesen.

 

Sess. 172. Desselven daechs na den Middach.

Men is noch voortgegaen int voorlesen vande voorgemelte verbeteringe, ende deselve affgelesen zynde, is een yder affghevraecht zoo zy meynden datter in dese recognitie yets nagelaten ware, waer op te letten stont, dat hij t’ selve zoude willen aenwijsen.

De Praeses heeft te kennen gegeven, dat de Theologi van Geneven bij hem gelaten hadden eenighe notulen op onze Confessie; waerop gelet is. Dat oock bij hem gelaten waren twee vermaen-stuckxkens; het eene vande Theologis vande Paltz, ende het andere vande Theologis van Hessen, die oock voorgelesen zijn. Ende ter occasie van dien is ghevraecht oft niet geraden ware datmen in den 22e Art. onser Confessie in plaetse vande woorden, Ende zoo veel zijne alderheylichste


1) De meeste handschriften hebben: alle de.

|274|

wercken, die hij voor ons ghedaen heeft, stelde het generale woort ghehoorsaemheyt Christi. Maer also dese vraghe1) werde tegengesproocken, ende de tyt nu verloopen was, is de saecke uijtgestelt tot s’anderdaechs: ende de Broeders zyn vermaent, dat zy collegialiter wilden antwoorden.

 

Sess. 173. 24 May, des Vrydaechs voor den Middach.

Js besloten met eendrachtighe stemmen aller Collegien, datmen bij de sententie, die inde Nederlantsche ende Fransche Confessie uytgedruckt is, ganschelijck zal blyven, ende dat het geensints geraden zij, datter eenighe veranderinghe inde woorden vande selve2) Confessie gheschiede, waer toe van velen treffelycke redenen zyn bijgebracht. Nochtans is ten versoecke van sommige goetghevonden, dat inden selven Art. bij de woordekens voor ons tot nader verclaringhe zouden bijgevoecht worden de woordekens ende in onse plaetse.

Ende na dat de andere Broeders oock hare observatien byghebracht hadden, ende deselve al te samen geexamineert zyn gheweest, zoo zyn noch enighe dinghen met ghemeyn advys verandert: Ende zyn also beyde de exemplaria in beyde de talen Nederlantsche en Fransche, zoo ghebetert, gheapprobeert. Ende is verclaert, datmen voortaen alleen dese exemplaria voor authentike houden zal, ende deselve tot zulck een eynde metten aldereersten zal3) affschryven, ende doen drucken.


1) Blijkbaar is dit een schrijffout. Alle andere handschriften hebben evenals het latijn: veranderinghe (mutationi).
2) De andere handschriften hebben evenals het latijn: voornoemde (praedictae).
3) De meeste handschriften voegen hier in: int net; het latijn heeft accurate.

|275|

 

Sess. 174. Desselven daechs na den Middach.

Syn voorgelesen ende geapprobeert de handelinghen van enighe voorgaande sessien, tot dese teghenwoordighe.

De Gedeputeerde van verscheijde Sijnoden hebben te kennen gegeven, datter noch resteerden enighe gravamina van hare kercken, waer van zij wel wenschten in desen Sijnodo resolutie te hebben. Maer alzo de tyt nu zulckx niet toe en liet, is besloten, datmen deselve tot den naesten nationalem Sijnodum sal refereren, ende dat zulckx onder de acten aengeteyckent werde, opdat de kercken zouden weten, dat hare Gedepden haer debuoir gedaan hebben.

Alzo de predikanten van Hoorn, die vande sententie des Sijnodi van Noort Hollant tot desen Sijnodum geappelleert hadden, ende oock de gedeputeerde des Sijnodi van Noort Hollant aengecomen waren, is in deliberatie geleyt, off hare saecke in desen Synodo selffs, dan offse door eenighe gedeputeerde deses Synodi zoude gehandelt worden. Ende is besloten datmen enighe uyt desen Synodo zoude deputeeren, die beyde de parthyen int bysonder zouden hooren, de saecken onderstaen, ende daervan aen desen Sijnodum rapporteeren. Ende is desen last opgeleyt, Joh. Polijandro, Wilhelmo Stephani, Balthasari Lijdio, Godefrido Udemanno, ende Cornelio Hillenio.

 

Sess. 175. 25 May, des Saturdaechs voor den Middach.

Js voorgelesen de verclaringhe Joh. Rhodingeni Predikant tot Hoorn waer in hij te kennen gaff, dat hij om redenen D. Praesidi bekent ghemaeckt, van zyn appel desisteerde.

D. Praeses heeft oock aengedient, dat Joh. Wallesius Predikant tot Hoorn, tyt van beraet beert hadde, off hij zyn appel zoude willen vervolgen ofte niet.

Isaacus Welsingius Predikant tot Hoorn is verschenen voor desen Sijnodo om zyn appel te vervolghen, ende

|276|

heeft versocht dat metten aldereersten van zyne saecke kennisse mochte genomen werden. Syn oock verschenen d’Eerw. Petrus Plancius Predikant tot Amsterdam, ende Hermannus Gerardi Predikant tot Enckhuysen, beyde gedeputeerde des Noort-Hollantschen Sijnodi, de welcke te kennen gaven, dat zij daerom aengecomen waren, opdat zy uyt name des Synodi van Noort-Hollant alhyer rekenschap vande sententie desselven Sijnodi teghen de Predikanten van Hoorn zouden geven, begherende dat de1) saecke metten aldereersten mochte by de hand genomen worden. De Broederen tot dese saecke gedeputeert zyn vermaent, dat zij haer terstont tot ondersoeck deser saecke inde vertreck camer wilden begeven. Ende is haer met ghemeene stemmen byghevoegt, D. Hermannus Faukelius, assessor.

Js voorgelesen ende geapprobeert het formulier waer na de Professoren Theologiae de Regenten ende onder-Regent2) der Theologische Collegien, de Confessie, Catechismo, ende synodale verclaringhe moeten onderschryven, aldus luydende:

Wij onderschreven Professoren der H. Theologiae inde Academie ofte illustre schole van N. Ofte, Wij Regenten ende onder-Regenten der Theologische Collegien3) van N. verclaren oprechtelick in goeder conscientie voor den Heere met dese onse onderteeckeninghe, dat wij van herten ghevoelen ende geloven, dat alle articulen ende stucken der leere in dese Confessie ende Catechismo der Nederlantsche gereformeerde kercken begrepen, midtsgaders de verclaringhe over eenighe poincten der voors. leere inden Nationalen Sijnodo aº 1619 tot Dordrecht ghestelt, in alles met


1) De meeste handschriften hebben evenals het latijn: deze.
2) Alle handschriften hebben evenals het latijn: onder regenten.
3) Alle andere handschriften hebben evenals het latijn: des Theol. Collegij.

|277|

Godes Woort over een comen. Beloven derhalven dat wij de voorss. leere neerstelick zullen leeren, ende ghetrouwelyck voorstaen, zonder ijets teghen de selve t’ sij opentlick ofte int bijsonder, directelick ofte indirectelick, te leeren ofte te schrijven. Beloven derhalven1) dat wij niet alleen alle dwalinghen daer teghen strydende, ende namentlick die inden voorss. Sijnodo gecondemneert zyn, verwerpen, maer oock zullen teghenstaen, wederlegghen, ende helpen weeren. Ende indien het zoude moghen ghebeuren, dat wij na desen eenich bedencken ofte ghevoelen, teghen de voorss. leere ofte enich poinct derselver zouden moghen crijghen, beloven wij, dat wij t’ selve noch opentlick noch heymelick zullen voorstellen, dryven, ofte schryven: maer dat wy het selve ordentlick ende volcomentlick den Sijnodo Provinciali, daer onder wij sorteeren, ofte den gedeputeerden der selver sullen openbaren, op dat het selve ghevoelen inden Sijnodo voornoemt volcomentlick geexamineert mochte werden, bereyt zijnde ons het oordeel des voorss. Synodi altyt ghewillicklick te onderwerpen, op pene dat wy hyer teghens doende vande voorss. Sijnodo gecensureert zullen worden. Ende indien t’ enighen tyde de voorss. Sijnodus zoude mogehen goet vinden om ghewichtige oorsaecken van nadenken, tot behoudinghe vande eenicheyt ende suyverheyt inde leere, van ons te vereyschen onse nader ghevoelen ende verclaringh over enich Articul vande voorss. Confessie, Catechismo ende synodale verclaringhe: zoo beloven wij oock midtsdesen, dat wij daertoe t’ allen tyden ghewillich ende bereyd zullen wesen, op pene als boven; behoudens het recht van appel in casu van beswaringhe, gedurende welcken tyd van appel, wij ons na de utspraecke ende ordre des Sijnodi Provincialis zullen reguleeren.


1) De meeste handschriften vervangen deze beide woorden: beloven derhalve door: gelijck oock, zooals ook het latijn heeft.

|278|

Js besloten dat de cranck-besouckers de Confessie, Catechismo, ende Synodale verclaringhe onderschryven zullen, op ghelycke wyse als hijer vooren vande Rectoren ende Schoolmeesters geordineert is. Ende off oock, ende op wat wyse de Ouderlinghen der kercken onderschrijven zullen, zulckx wert gelaten ter discretie van yder Classis ende Synodus.

Js noch voorgelesen ende gearresteert het formulier vande bedieninge des doops omtrent de bejaerde, aldus inghestelt:

Ende alhoewel de kinderen der Christenen niet tegenstaende zij dit niet en verstaen, uyt cracht des verbonts moeten gedoopt worden, zoo machmen nochtans de bejaerde niet doopen tenzy dat zij eerst haer sonden ghevoelen1), belydenisse doen van hare boetveerdicheyt ende ghelove in Christum; want hierom ist dat niet alleene Johannes de dooper predikende door Godes bevel den doop der bekeringhe tot vergevinge der sonde, die ghene, die hare sonden beleden, gedoopt heeft Marc. 1. 4. 5. Luc. 3. 3. Maer oock onse Heere Jesus Christus heeft zyne Apostelen bevolen2) alle volckeren te leeren ende3) te doopen inden name des Vaders, des Soons, ende des H. Gheestes. Math. 28. 19. Marc. 16. 15.4) 16. dese belofte daer by voegende, wye ghelooft ende gedoopt wort, die zal zalich worden; gelijck oock de Apostelen volgende desen regul gheen andere bejaerde gedoopt hebben, dan die belydenisse deden van hare boetveerdicheyt ende ghelove, als blyckt uyt de handelinghe der Apostelen c. 2. v. 38:


1) De meeste handschriften hebben: gevoelende, evenals de latijnsche tekst.
2) De meeste handschriften zetten de woorden om: onze Heere Jezus zijne Apostelen bevolen heeft.
3) De meeste handschriften voegen hierin: dezelve.
4) De meeste handschriften laten evenals de latijnsche tekst vs. 15 weg.

|279|

c. 8. v. 39: c. 10 v. 471): c. 16. v. 14 etc. 312) Waerom het heden oock niet gheoorloft en is enighe andere bejaerde te doopen dan die de verborgentheyt des H. Doops uyt de predikatie des H. Evangelij geleert hebben, ende vertaen, ende daervan, midtsgaders van haer gelove door de belydenisse des monts weten rekenschap te geven.

Aaespraecke tot den bejaerde, die te doopen is.

Nademael dan ghy N. oock begeert gedoopt te worden tot een segel uwer inlivinghe inde kercke Goodts, opdat blycke dat ghy niet alleen de Christelycke religie aenneemt, waer in ghij van ons int bijsonder onderwesen zyt, ende waer van ghij voor ons belydenisse gadaen hebt: maer dat ghij oock gesint zyt u leven daer na aen te stellen door de genade Goodts, zoo zult3) voor Godt ende zyne kercke ongeveynsdelijck antwoorden.

1. Off ghy ghelooft in den enighen waren Godt, onderscheyden in drye personen, Vader, Soon, ende H. Gheest, die hemel, aerde ende alles wat daer in is, uyt niet gheschapen heeft, ende als noch onderhout ende regeert, also datter niet en geschiet noch in hemel noch op aerde sonder zynen Godtlycken wille?
Antw. Ja.

2. Off ghy ghelooft dat ghij in sonden ontfanghen ende geboren zyt, ende daerom een kint des toorns, van nature tot gheenen ghoede bequaem, ende tot allen quaden geneycht; ende dat ghy met ghedachten, woorden, ende wercken de geboden des Heeren dickmael


1) De meeste handschriften voegen evenals de latijnsche tekst er aan toe vs. 48.
2) De meeste handschriften hebben evenals de latijnsche tekst c. 16. v. 14, 15, 31, 32, 33.
3) Alle handschriften voegen in: ghy. Blijkbaar is de uitlating van dit woord in den tekst een schrijffout.

|280|

hebt overtreden ende off u dese1) sonden niet van herten leet zijn?
Antw. Ja.

3. Off ghy gelooft dat Jesus Christus, die te gelyck waerachtich ende eeuwich Godt is, ende waerachtich mensche, die zyne menschelycke nature uijt het vleesch ende bloet der maghet Maria heeft aengenomen, u tot een salichmaker van God geschoncken zijt2): Ende dat ghy door dit ghelove ontfanght vergevinge der sonden in zynen bloede, ende door cracht des H. Gheestes geworden zyt een lidmaet Jesu Christi ende zyner kerkcke?
Antw. Ja.

4. Off ghy voorders alle de articulen der Christelijcke religie, ghelyck die hyer inde Christelijcke kercke uyt den Woorde Goodts geleert worden, toestemt: ende off ghy voor u hebt genomen inde selve leere stantvastelick te volharden tot den eynde uwes levens: Ende met eenen versaeckt alle ketterijen ende dolinghen teghen dese leere strijdende; ende belooft dat ghij inde ghemeenschap der Christelycke kercke, niet alleen door t’ghehoor des Godtlycken Woorts, maer oock door t’ghebruyck des H. Avontmaels wilt blyven?
Antw. Ja.

5. Off ghy van herten voor u genomen hebt, dat ghij altyt Christelyck wilt leven, ende de werelt met hare boose begeerlickheden versaecken, gelyck leden Christi ende zyner ghemeente betaemt; ende off ghy u alle Christelycke vermaninghen geerne wilt onderwerpen?
Antw. Ja.

De goede ende almachtighe Godt verleene u tot dit3)


1) Alle handschriften voegen hier evenals de latijnsche tekst in: uwe.
2) Alle handschriften lezen: zij; zijt is blijkbaar een schrijffout.
3) Alle handschriften hebben evenals de latijnsche tekst: dit uw h. voornemen.

|281|

heilig voornemen zyne Godtl. genade ende seghen, door onsen Heere Jesum Christum. Amen.

Off, en hoe den doop in gevalle van nootsaeckelyckheyt int bysonder sal moghen bedient worden, wert gelaten inde discretie ende vrijheyt der kerckenraden ende Classen.

 

Sess. 176. 27 May, des Maendachs voor den Middach.

Die tot de saecke Isaaci Welsingij gedeputeert waren, hebben vande selven aenden Sijnodum rapport gedaen, ende met eenen haer advys geopent, verclarende hoe zy meenden daer1) te zullen moeten gehandelt worden.

Js oock voorgelesen de sententie vande Gedeputeerde der Sijnodi van Noort-Hollant, inde welcke de voornaemste poincten van beschuldinghen begrepen waren, ende oock de antwoorde Isaaci Welsingij op deselve. Ende zyn2) gehoort de gedeputeerde des Noorthollantschen Sijnodi D. Petrus Plancius, ende D. Hermannus Gerardi; midtsgaders de gantsche saecke rypelick overwoghen zijnde, is geoordeelt, dat de sententie des Noorthollantschen Sijnodi teghens Welsingium was gefondeert op billycke redenen, doch dat het voorss. Sijnodus zoude vermaent worden, dat het selve na dat het volcomen informatie soude genomen hebben vande rechtsinnicheyt des gevoelens Welsingij, zoo door zyn eygen selffs belydenisse, als oock door de onderteeckeninghe der Confessie, Catechismi, ende verclaringe deses Synodi, zoude arbeyden, dat hy met de Magistraat ende kercke van Hoorn versoent, ende in zyn dienst herstelt mochte werden in sulcken plaets, alwaermen


1) De meeste handschriften hebben: daerinne.
2) De meeste handschriften hebben: zijnde.

|282|

zoude moghen oordeelen, dat hij de meest vrucht ende stichtinge zoude mogen doen, ende oock sorghe dragen, dat hy middelertyt van behoorlick onderhout voorsyen wyerde.

D. Assessor1) Faukelius heeft aengedient, dat Joh. Wallesius hem hadde te kennen gegeven, dat deselve besloten hadde zyn appel te laten vallen, alleenlick begerende, dat zyn saeck den Synodo van Noortholland mochte gerecommandeert worden. Ende zyn de Noort-hollanders vermaent, dat zy met dieghene, die bereyt zyn de formulieren van eenicheyt, ende de verclaringhe deses Sijnodi te onderteyckenen, ende met onse kercken vrede ende enicheyt te houden, op het aldersachtste handelen willen, zoo veel waerheyt ende stichtinge connen lijden.

 

Sess. 177. Desselven daechs na den middach

De sententie des Sijnodi aengaende de saecke Welsingij is voorgelesen den gedeputeerden2) van Noortholland, ende oock Welsingio, de welcke als zy copie versochten, is haer deselve verleent.

De gedeputeerde bedancten den Synodo voor dit oordeel. Welsingius zeyde, dat hy een andere sententie van desen Synodo verwacht hadde, maer dewyle het den Synodo also goet gedocht hadde, wilde hij sich dit oordeel onderworpen, ende dat alles oprechtelick nacomen, twelck hij ten besten vande kercke met een goede conscientie conde doen.

Js aengedient dat de twe mindere Catichismi, die de kercken gebruyken zouden3) behalven den groten Catechismum, inde onderwysinge vande teedere jeucht,


1) De meeste handschriften voegen evenals de latynsche tekst de voornaam van den assessor er bij: Hermannus.
2) De meeste handschriften evenals de latynsche tekst voegen in: des Synodi van.
3) De meeste handschriften laten zouden weg.

|283|

alrede gereet ende beschreven waren vande ghene, die daer toe vanden Synodo waren gedeputeert. De cleynste is gelesen ende geapprobeert, met die conditie, dat noch enighe dinghen uyt de groter Catechismo daer by zouden gedaen werden.

Aengaende de andere, die noch wat groter is1), D. Praeses meynde, dat deselve niet diende voorgelesen te worden, om datse wat te langh scheen te zyn: Ende is goet gevonden, dat de kercken2) desen zouden mogen ghebruycken, ofte die andere, die vande kercke van Middelburch ghestelt ende uytgegeven is.

Syn gedeputeert van desen Sijnodo D. Joh. Bogermannus, Praeses deses Sijnodi, D. Herm. Fauckelius, Assessor, D. Festus Hommius, Scriba, den welcken uyt de Professoren is bygevoecht D.D. Joh. Polijander, om uyt den name deses Sijnodi de Heeren Staten Generael vande vereenichde Provincien te bedancken vande weldaden aen onse kercken bewesen, zoo inde genadighe bescherminghe vande selve, als oock inde t’samenroepinghe deses Sijnodi: Ende met eenen hare Hooch Mog. dienstelick te versoecken, dat deselve ghelieven de decreten deses Sijnodi met hare toestemminghe ende approbatie te bevestigen, ende door hare authoriteyt ter executie te doen stellen.

Js oock denselven gedeputeerden opgeleyt om by requeste hare Hooch Mog. te verthonen de grieven der kercken, die in desen Synodo tot hare dispositie gereserveert zyn: ende deselve hertelick te versoecken, dat zij daer op metten aldereersten ten besten vande kercken zouden willen disponeeren.


1) De meeste handschriften hebben evenals het latynsche: was.
2) De meeste handschriften voegen in: offte.

|284|

[Dit request luidt aldus:]1)

Aende Hooch Mogende Heeren de Heeren STATEN GENERAEL vande Vrije Vereenichde Nederlanden, onse gebiedende Heeren,

 

Verthoont met behoorlycke eerbiedinge, ende schuldige onderdanicheyt, het SYNODUS NATIONAEL der Gereformeerde kercken inde Vereenichde Nederlanden, op uwer Hooch Mog. beschrijvinge vergadert binnen de Stadt Dordrecht, hoe dat deselve volgens de goede Ordonnantie van uwe Hooch Mogen haer voorgeschreven, ende het lofflyck gebruyk in de Synoden Nationael altyt gepleecht, in des HEEREN vrese heeft gelet, so op de Leere ende Orde deser kercken in ’t gemeyn, als op verscheydene gravamina int bysonder van de kercken deser Provincien tot dese vergaderinge Synodael ingebracht, ende daerover sodanighe kercklijcke Resolutien heeft genomen, als uwe Hooch Mogen bekent sal gemaeckt worden door de Acten desselvigen Synodi, die met den eersten aen uwe Hooch Mogen sullen overgelevert worden.

Ende alsoo dese kerckelycke Resolutien niet en connen inde kercken deser landen in onderhoudinge gebracht worden (gelykse oock niet en behooren) sonder ’t believen, goetvinden, ende toestemminge van uwe Hooch Mogen onse Christelycke Hooghe Overheyt in dese Landen, so ist dat de Synodus voorss. zeer onderdanichlyck bidt ende versoeckt dat uwe Hooch Mogen believe de voorss. Acten gesien ende geexamineert hebbende, met uwer Hooch Mogen Christelijcke goetvindinge ende toestemminge te stabilieren, ende door


1) In de Hollandsche handschriften van de Post-acta is het nu volgende rekwest weggelaten; het komt echter wel voor in de Latijnse Post-acta en de hier afgedrukte Hollandsche tekst is ontleend aan het officieele stuk, dat op het Rijks-archief berust.

|285|

uwer Hooch Mog. autoriteyt tot ruste, vrede, ende stichtinge der kercken in dese Landen alomme te doen onderhouden.

Insonderheyt alsoo de Leere deser Kercken begrepen ende verclaert inde Confessie derselve ende inde Heydelberghse Catechismo by dese kercken aengenomen, volgens uwer Hooch Mog. expresse ordonnantie inde voorss. Synode, na Godes woort rypelyck van nieuws ondersocht zijnde, met eendrachtige stemmen so wel van alle de Uytheemsche Theologen by uwe Hooch Mog. tot desen Synodum versocht, als van alle de Gedeputeerde vande Nederlantsche kercken, verclaert is bevonden te sijn met den woorde Godts, ende met de Belydenissen van alle andere Gereformeerde kercken, te accorderen, gelijck uyt de aengehechte Acte can blijcken, so bidt ende versoeckt oock de voors. Synodus gansch onderdanichlyck, dat uwe Hooch Mogen gelieve de voorseyde Leere voortaen, so langher so meer inde kercken deser Landen te hanthouden, bevestigen, ende beschermen, gelyck ook mede de breder Verclaringe derselve Leere, die de Synodus voorss. uyt Last van uwe Hooch Mogen na Godes Woort gestelt ende gedaen heeft over de vijff gecontroverteerde Articulen met verwerpinge van de dwalingen tegen de voorss. gesonde leere hier te lande by sommige gedreven.

Daarenboven dat uwe Hooch Mog. believe goet te vinden ende te belasten dat de kercken-ordeninge gelyck deselve in dese Synode oversien, ende in sommige poincten tot meerder stichtinge ende vrede vermeerdert is, overal inde kercken deser Landen, so veel doenlyck sal wesen, eenpaerlyck onderhouden moghe worden.

Ende alsoo by dese Synode oock noodigh bevonden is, dat de Nederlantsche kercken, na het exempel van alle Gereformeerde kercken van andere Natien ende Talen, moghen hebben een goede ende getrouwe Oversettinge des Ouden ende Nieuwen Testaments in goet Nederlandsch uyt de originele Talen uytgedruckt, (gelyck oock in voorgaende Synoden Nationael dickwils

|286|

is geresolveert, ende volgens dien dit werck door ordre van uwe Hooch Mogen by wylen den Edelen Heere van Sanctaldegonde, ende na hem van Wernerus Helmichius ende Arnoldus Cornelij begonnen is geweest) so heeft de Synode tot dien eynde, opt goed vinden van uwe Hooch Mogen gedeputeert dry kerckendienaren tot de Oversettinge des Ouden Testaments, ende noch drij andere tot de Oversettinge des nieuwen Testaments ende der Apocryphe Boecken, de welcke om dit werck te beter te voorderen, ende des te spoediger tselve te moghen voltrecken, onderdes souden vaceren van alle kerckelycke diensten, ende in een plaetse tsamen besoigneren: Ende alsoo tot sulck een werck, volgens dese ordre, merckelycke Oncosten sullen gedaen moeten worden, so versoeckt de Synodus mede dat uwe Hooch Mog. gelieve dese ordre goet te vinden, ende daartoe te ordonneren sodanighe penningen als tot draghen van deselve costen noodigh sal wesen, ende boven dien te schryven aen de respective kercken, daer de Dienaren tot dit werck gedeputeert, in dienst zijn, dat deselve geen swaricheyt en willen maecken, om deselve onderdes van hare diensten so langhe te licentieren.

Ende nademael uwe Hooch. Mog. ten besten bekent is, hoe veel de kercken deser Landen daeraen gelegen is, dat de scholen, so Hoghe, als Triviale, behoorlyck moghen wesen bestelt, ende de ervarenheyt geleert heeft, wat groote onheylen by gebreecke van dien in de kercken ende Landen zijn ontstaen, dat oock bij uwe Hooch Mog. over deselve sodanige Ordre moghe gestelt worden, waerdoor alle misbruyken wech genomen zijnde, de behoorlijcke vruchten uyt deselve te beter souden connen becommen worden.

Tot welcken eynde aengaende de Universiteyten ende Illustre Scholen de Synodus als vooren versoeckt, dat uwe Hooch Mogen gelieve te letten op de poincten in den voorledenen jare by Synodus van Suydt-Hollandt aende Ed Mog. Heeren Staten van Hollandt ende

|287|

West-Vrieslandt ten selven eynde overgelevert hier by gaende, ende dat deselve by uwe Hooch Mog. aen de respective Provincien, daer Hooghe ofte Illustre scholen zijn, gerecommandeert moghen worden.

Aengaande de Triviale scholen is mede des Synodi ootmoedigh versoeck, dat uwe Hooch Mog. gelieve goet te vinden, dat, met advys van geleerde mannen op de Institutie vande Jeugdt haer best verstaende, een algemeyn School-ordre soude moghen worden beraemt ende gestelt, waer door de faulten der Scholen die overal vele worden gevonden, gebetert, ende so veel doenlyck is, eenparicheyt inde onderwysinge vande Jeughdt, voornamelyck inde praeceptis Grammaticae, Dialecticae, ende Rhetoricae moghe worden onderhouden.

Dewyle men oock dagelycks verneemt, dat de Misbruycken in het stuck vant Houwelyck meer ende meer toenemen ende over dat stuck inde kercken deser Landen veele swaricheden dagelycks voorvallen, ende geen eenparigen ordre en wort gehouden, dat uwe Hooch Mog. mede gelieve goet te vinden, dat met advys van kercklycke Personen een algemeyne Houwelyckse Ordonnantie by uwe Hooch Mog. gestelt, ende by alle de kercken deser Vereenichde Nederlanden, so veel doenlyck sal wesen, eenpaerlyck onderhouden ende gevolght moghe worden.

Dat oock beneffens de goede ordonnantien ende Placcaten van uwe Hooch Mogen tegen het drucken ende vercopen van allerleye Schriften, naerder ordre moghe worden gestelt, so op de Visitatie van de Boecken, die gedruckt sullen worden, als op het stuck vande Druckerie selve, om des te beter te weeren het uytgeven van alle schadelycke ende impertinente Boecken, met de welcke dese Landen nu etlycke jaren herwaerts tot groote schade ende onruste van de kercke, vervult zijn.

Ende nademael alle ware Christenen, door de Liefde, die sy behooren te dragen tot de verbreydinge van Gods eere onder de menschen, ende tot de

|288|

salicheyt van hare naesten, verplicht zijn alle middelen aen te wenden daertoe dienstigh, ende de Heere dese Landen den wech geoopent heeft tot verscheydene Landen in Indien ende elders, die van de ware ende salichmakende kennisse Godts ontblootet zijn, so is meer des Synodi ootmoedigh versoeck, dat uwe Hooch Mog. gelieve met Christelycken ernst ende yver dese saecke te behertighen, ende tot dien eynde te beramen, ende by der handt te nemen alsulcke middelen, als tot voortplantinge des h. Euangeliums in deselve Landen dienstigh ende allerbequaemst sullen wesen.

Dat mede uwe Hooch Mog. gunstelyck gelieve te dencken op de vrome Christenen ende kercken, die inde naburige ende overheerde Nederlanden onder het Cruys suchten, dat tot hare bedieninge ende versterckinge inde ware Christelycke Religie, mede eenige middelen moghen gevonden worden: ende dat tot dien eynde uwe Hooch Mog. gelieve te beweghen de samentlycke Provincien om eenige bequame personen tot deselve dienst te onderhouden gelyck de Heeren Staten van Hollandt ende West Vrieslandt, als oock van Zeelandt al voor vele jaren twee dienaren des Woords respectivelyck daer toe hebben gegageert ende onderhouden, ende alsnoch onderhouden.

Dat oock in tijden ende wylen geleth moghe worden, dat de Papen noch staende in openbaren dienst onder de Limiten vande Vereenichde Nederlanden, voornamelyck in de Baronije van Breda ende ’t Marquisaetschap van Bergen op den Zoom, uyt deselve publycke diensten geweert, ende Gereformeerde Predicanten in hare plaetsen gestelt moghe worden, gelijck in andere plaetsen by uwe Hooch Mog. gedaen is.

Dat desgelycks op de executie van de goede Placcaten ende Ordonnantien van uwe Hooch Mog. tegen het incruypen ende ommeloopen van de Papen ende Jesuiten in dese landen tot verleydinge van vele eenvoudighe zielen, ende tegen de oeffeningen vande Pauselycke Affgoderije ende Supersititien naerder Ordre

|289|

moghe gestelt worden: alsoo men bevindt dat de misbruycken dagelycks meer ende meer toenemen. Ende dat met een oock geleth moghe worden op de Godslasteringen der Joden onder ons woonende, ende op degene die van deselve verleydt zijnde van de Christelycke Religie tot het Jodendom affvallen.

Dat alle die menichvuldighe Profanatien des Sabbathdaeghs door Merckthouden, kermissen, Maeltyden van gilden, schutteryen, gebuyrten, bruyloften ofte andere door erffhuyshouden, danspelen, comedien spelen, caetsen, dronckengelaghen setten, schieten inde doelen, jaghen, vlieghen, visschen, onnodighe dienstwercken te doen, ende diergelijcke andere meer, die tot grooten blame ende schande der Gereformeerde Religie, ende verhinderinge des Godsdiensts, overal in dese Landen toenemen, wel scherpelyck verboden ende verhoedt moghen worden.

 

Dat oock alle de schandelycke misbruijcken, waer door de menschen van de ware Godsalicheyt tot de ydelheyt ende ongebondenheyt deses Werelts afgetrocken worden, gelyck daer zijn Vastenavont houden, ’t spelen vande Rhetoryckers ende Comedianten, Guychelspelen, Drinckherberghen, dansscholen, ende danspelen, ende diergelycke meer in dese landen mogen affgeschaff worden. Ende dat insonderheyt oock op het grouwelyck vloeken ende sweeren twelck dagelycks by velen gebruyckt wort, met schrickelycke onteeringe van Godes heylige Name, met politycke straffe moghe gestelt worden.

Ende alsoo bevonden wort dat in sommige plaetsen noch gebruyckt worden formulieren van Eedt-sweren, die niet vry en zijn van Pauselycke Affgoderie, dat in deselve formulieren overal eenparicheyt moghe worden gehouden ende sodanighe misbruycken wech genomen.

Eyndelyck alsoo in verscheydene Provincien het Onderhoudt van de Dienaren des Godlycken woorts, ende harer weduwen, zeer zober is, daar nochtans geestelycke goederen genoegh zijn, so versoeckt oock de voors.

|290|

Synodus, dat uwe Hooch Mog. gelieve dese saecke aende respective Provincien gunstelyck te recommanderen, ten eynde dat in desen na den noodt ende ter eeren des heyligen kerckendienst behoorlyck moghe voorsien worden.

 

Twelck doende enz.
uyt de Name en door last des voors.
Synodi Nationalis,

 

J. BOGERMANNUS, Synodi Praeses.
JACOBUS ROLANDUS, Assessor.
HERMANNUS FAUKELIUS, Assessor Praesidis.
JOHANNES POLYANDER, SS. Theologiae Doctor ac. Professor.
FESTUS HOMMIUS, Synodi Scriba.]

 

Also D. Sebastianus Dammanus scriba geoccupeert zynde, om de handelingen deses Sijnodi, vanden Scriba D. Festo Hommio beschreven, te becorten voor de scheydinge deses Synodi, om verscheyden inciderende verhinderinghen met dit werck niet conde veerdich zyn, is goet gevonden uijt yder Collegio eenen te deputeeren, die na het voleynden van dit werck van D. Dammanno zullen te samen geroepen werden, om de becortede Acten te examineeren, ende uyt den name des Sijnodi te approbeeren.

 

Sess. 178. 28 May, des Dinsdachs voor den Middach.

Tot de revisie ende examen der acten van D. Dammano ghecontraheert, zijn bestemt: Uyt de Professoren D.D. Joh. Polyander; uyt Gelderlant Eilhardus Menius; uyt Suyd-Holland Balthasar Lydius; uyt Noort-Holland Jacobus Rolandus; uyt Zeeland Cornelius Regius; uyt

|291|

Utrecht Joh. Dibbetius; uyt Vriesland Joh. Bogermannus; uyt Overyssel Hieronimus Vogelius; uyt Groeninghen ende Omlanden Corn. Hillenius ofte in zyne plaetse Wigboldus Homerus; ende uyt Nederlantsche-Fransche kercken Daniel Colonius.

 

Het Classis van Dordrecht als Classis Synodael sal in tyts besorgen, dat de t’samenroepinghe van het naeste Sijnodus Nationael tot zyner tyt gheschiede, ende zulckx alles voortaen doen, als tot noch toe vande Nationale kercke pleegd besorcht te worden.

Js geresolveert, dat inde uytschryvinge van het naeste Synodus Nationael de heeren Staten Generael versocht zullen worden, om daer toe oock te nodighen de Nederlantsche kerken der beyde talen, die in Duytsland, ende groot Britannien verstroyt zyn, als leden van het Nederlantsche Nationale Sijnodus, waer voor zy, ghelyck eertyts, oock also van desen Synodo bekent werden.

Op dat die dinghen, die uyt den name des Synodi int voornoemde request by de H. Mog. H. Staten generael versocht zullen werden, des te beter mogen versorcht worden, zyn tot dien eynde bestemt van desen Sijnodo D.D. Joh. Polyander, Festus Hommius, Henr. Arnoldi ende Henr. Rosaeus, die in het naestcomende nationale Synodus van t’ghene by haer gebesoigneert zal zyn, rapport doen, ende rekenschap geven zullen.

De Nederlantsche Liturgie waer in begrepen zyn de publycke gebeden; ende formulieren vande bedieninghe der Sacrementen; oeffeninghe der kerckelycke discipline; bevestinghe der kercken-dienaren, Ouderlinghen ende diaconen; ende insegeninghe des huywelijckx, zal vande reviseurs der gecontraheerde acten, ofte vande Scriben deses Synodi overzyen ende overzyen zynde by de publycke schriften ghevoecht worden.

Js aengedient, dat D. Thomas Erpenius Professor vande Orientale talen inde Academie tot Leyden, voorheeft een treffelick werk over het nieuwe Testament,

|292|

gheintituleert: DEN TABERNAKEL ONSES HEEREN JESU CHRISTI: Ende is gedelibereert, off niet dit werck inden name des Sijnodi, den Heeren Staten generael diende gerecommandeert te worden? Doch alles wel overwogen zynde, is geresolveert, datmen eerst een monster van dat werck, t’welck hy belooft, verwachten zal, op dat het selve gezyen, en de Provincialen Synodo1) verthoont synde, de kercken naderhant op de recommandatien2) desselven werckx letten moghen.

Js oock geordineert, dat dit Sijnodus solemnelick besloten zal worden met een publycke dancksegginghe tot Godt, die in tegenwoordicheyt des volckx, ende des ganschen Synodi gedaen zal werden door D. Balthasarum Lydium Predikant deser Gemeynte; na de publyck predikatie inde grote kercke.

D. Praeses ende zyne Assessores zyn gedeputeert, om na het scheyden des Synodi de Achtbare Magistraet deser Stede Dordrecht inden name deses Sijnodi te bedancken voor harer sonderlinghe beleeftheyt ende vriendelickheyt aen desen Synodum bewesen.

 

Sess. 179. Desselven daechs na den Middach.

Syn voorgelesen ende geapprobeert de acten vande voorgaende Sessien t’sedert den 22en Meij tot dese teghenwoordighe toe.

 

Sess. 180. 29 May, des Woonsdaechs voor den Middach.

Als nu door de genade Godes de Sijnodale handelinghen ten eynde ghebracht waren, zyn de heeren Commissarissen ende alle de gedeputeerde vande Nederlantsche kercken te samen gecomen inde ordinaire vergaderplaetse: Ende zynde aldaer een cort ghebedt


1) De meeste handschriften hebben evenals het latijn: Synoden.
2) De meeste handschriften hebben: recommandatie.

|293|

gedaen, zyn zy alle t’samen ordentlick uyt gegaen na de grote kercke; hebbende de Heeren Commissarissen den voorgangh, geaccompagneert met de Achtb. Magistraet deser Stede; Alwaar D. Balthasar Lydius, Predikant deser kercke, in een grote vergaderinghe van volck heeft gedaan een predikatie, uyt Esa. 12 v. 1. 2. 3. inde welck hij verclaerde den droevigen staet van dese kercken inde voorleden jaren, ende de sonderlinghe ende wonderlycke weldaden Goodts onlanckx aen deselve bewesen, eenen ijgelycken ernstelick, ende met vele redenen tot behoorlicke danckbaerheyt vermaent heeft, ende Godt Almachtich opentlick ende solemnelick gedanct, zoo voor alle de1) weldaden aende Nederlantsche kercken bethoont, als ook int bysonder voor den sonderlinghen seghen inde handelinghen deses Sijnodi bewesen, ende voornamentlick dat het selve tot eenen2) ghewenschten eijnde was uytgevallen; voegende daer by eene ernstighe smeeckinghe tot Godt, dat het ghene in desen Synodo ten besten vande kercken beraemt was, geluckelick ter executie mochte gebracht worden. Uyt de kercke zyn zij al te samen in gelycke ordre wedergekeert na de vergaderplaetse.

D. Praeses ende de Assessores hebben de Achtb. Magistraet, die op het Stadthuys vertrock, aldaar inden name des ganschen Sijnodi bedanct voor haer sonderlinghe godtvruchticheyt, beleeftheyt ende weldadicheyt, zoo aen alle de Nederlantsche kercken, als insonderheyt aende3) Sijnodale vergaderinghe derselver bewesen.


1) De meeste handschriften hebben evenals de latijnsche tekst: dese.
2) De meeste handschriften lezen evenals het latijn: sulcken.
3) De meeste handschriften hebben evenals het latijn: dese.

|294|

Ende als zy nu alle waren wedergecomen inde vergaderplaetse, zoo heeft na voorgaende aenroepinghe vanden name Goodts door den Praesidem gedaen, den Heere Hugo Muijsius van Holij inden name vande heeren Commissarissen den Sijnodum aengesproocken, ende het selve inden name van de heeren Staten1) bedanct voor haer neersticheyt ende getrouwicheyt int verdedighen vande waerheyt der gereformeerde Religie teghen de dolinghen, waer mede zij nu eenen langhen tyt was bestreden gheweest, verclarende dat desen arbeijt des Synodi den Heeren Staten Generael zeer aengenaem was, ende verseeckerde alle de kercken, dat de heeren Staten Generael niet en zouden nalaten van al dat ghene t’welck tot behoudinghe ende voortplantinghe vande Gereformeerde Religie midtsgaders tot vrede ende opbouwinghe der kercken zoude mogen dienen; Dat oock hare Hooch Mog. de saecke vande gereformeerde Religie altyt opt’ hoochste voor gerecommandeert zouden houden. Waeromme zyne E. allen ende eenen ygelycken vermaende, dat zy de rechtgevoelende waerheyt in broederlycke lyeffde, vrede ende onderlinghe eendrachticheyt voortaen eenmoedelick wilden bewaren, ende voorderen ter eere Godes, ende tot stichtinghe ende gerustheyt der kercken.

De eerw. Praeses, hebbende int brede verhaelt de genade ende seghen Goodts aen desen ganschen Sijnodum bewesen, insonderheyt dat sy in sulck hoghe ende verborghe saecken sulck een wonderbare enicheyt onder alle zoo uytheemsche als Provinciale Theologos, door de genade zynes H. Gheestes gegeven hadde; heeft uyt gemene name des ganschen Synodi de heeren Commissarissen bedanckt, dat zy zoo voorsichtelick , neerstelick, ende onverdrietelick de handelingen deses Synodi hadden gemodereert, ende het selve met zoo heylsame


1) Verschillende handschriften hebben evenals het latijn: Staten Generaal.

|295|

advysen dickwils geholpen. Ende heeft begeert, zoo ijmant inde Sijnodo yets menschlyckx mochte wedervaren zyn, dat zy datselve ten besten wilden duyden, ende de menschelycke swackheden ten goeden houden.

De heeren Commissarissen hebben door den heere Musium gheantwoort, dat haer in desen Sijnodo overvloedich contentement gegeven was, ende dat zy ten hoochsten verblyt waren over de genade van God aen desen Synodum bewesen, ende insonderheyt over de grote eenstemmicheyt inde rechtgevoelende leere.

Daer na D. Praeses sich keerende tot de Synodale Broederen, heeft hij deselve alle, ende elck int bysonder bedanckt voor den arbeyt ende advysen, waer mede zy desen Sijnodum geholpen hebben: ende sich selven geexcuseert, dat hy met verscheyde moeijten overvallen zijnde niet alles heeft doen connen, als hy wel wilde, ofte het Synodus mochte begeert hebben, begerende dat zy zynen arbeyt aen desen Synodum met goeder conscientie bewesen, wilden voor lyeff nemen. Ende heeft aan allen ende eenen ygelycken alle mogelycke diensten int brede aengeboden; ende Godt gebeden, dat hy allen den Synodalen die genade wilde doen, dat sy ten laetsten eens in dat hemelsche Sijnodo zouden moghen te samen comen, ende aldaer Godt eenmoedelick inder eeuwicheyt prysen.

Hier op heeft de Ed. heere Musius geantwoort, dat den heeren Commissarissen in desen Sijnodo ten vollen genoech gedaen was, ende dat zij de Eerw. Praesidi, Assessoren, Scriben ende alle de Leden deses Sijnodi bedancten voor de diensten, ende den arbeijt van haer aende Nederlantsche kercken in desen Synodo bewesen.

Alle de andere Sijnodale Broederen hebben het selve collegialiter verclaert, ende betycht ende met eenen de Heeren Commissarissen bedanckt voor hare grote weldaden aen desen Sijnodum bewesen, belovende denselven in t’langhe daer voor alle dankbaerheyt ende haer toewenschende den seghen des Heeren.

|296|

Ende alsoo is de vergaderinghe na solemnele dancksegginghe tot Godt door den Praesidem, ende na onderlinghe ende vrientlycke begroetinghe, ende gevinghe van de rechterhant der gemeynschap met overvloedighe betuyginghe van broederlijcke eendrachtigcheyt ende leyffde, inden name des Heeren verlaten ende ghescheyden.

 

Onder stont

Tot oirkonde der waerheyt hebben wij desen onderschreven.

 

Ende was onderteeckent,

 

Sebastianus Dammanus,

Sijnodi Scriba.

Festus Hommius,

Sijnodi Scriba.

Biesterveld, P./Kuyper, H.H. (1905) Visitatie Gelderland 1698

|297|

Het Visitatie-reglement van Gelderland 1698

 

Ordre of reglement,

Waer na alle de Kercken, onder de respective Classen
der Christelycke Synodus van Gelderlant resorterende,
sigh sullen hebben te reguleren, so veel een yder
mogelyck is, dat gepractiseert kan worden,
volgens de resolutie van de welgemelte
Synodus genomen Aº. 1698, in
Augusto.

 

Vraegh-stucken bij de Visitatie der Kercken waer te nemen.

Ondersoeck in t gemeyn.

I.

Of de Gemeenthe in getal toe-neemt? Ende de Ledematen, die daer in zyn en t’ ellekens aen-komen, in ’t boeck gestelt worden? ’t welck aen de Visitatoren sal worden vertoont.

II.

Of de namen der gedoopte kinderen, en haerer Ouders, voorts der getrouwde personen in een boeck werden aan-geschreven?

III.

Of in de Kerck gebruyckt werden de Bibels van de nieuwe oversettinghe, Psalm-boeck met den Heydelberghse Catechismus, en de formulieren der Nederlantse Kercken?

|298|

IV.

Of by yder is de ge-arresteerde Kercken-ordinge? Eght en School-reglement? de middelen tot weeringe des Pausdoms? en ongelycke houwelycken? tegens de ontheyliginge van de dagh des Heeren? tot onderhoudinge van ’t tweemael Prediken en Catechiseren?

 

Ondersoeck in ’t bysonder, terwyl buyten staen, die het sal aengaen.

Aangaende de Predikanten of Predicant.

I.

Of den Predick-dienst wel en getrouwelyck, so na als voor de middagh waerneemt? en ’t geheele jaer door predickt alle sondaghen, op de beyde plaetsen? so daer een combinatie is.

II.

Of de Leerre in de Heydelberghse Catechismus vervat van ’t begin tot ’t eynde verklaert? ende jonge Jeught catechiseert sonder intermissie en exceptie van stoff?

III.

Of ter behoorlycker tyt en plaets, so den H. Doop, als ’t Avont-mael bedient na drie voorgaende proclamatien?

IV.

Of te vooren oock Ledematen besoeckt, en tot het H. Avontmael nodight, ’s jaers ten minsten eens of tweemael?

|299|

V.

Of de nieuw aenkomende na genoeghsaem ondersoeck tot des Heeren Avontmael toelaet?

VI.

Of een proef-predicatie doet voor elck Avontmael?

VII.

Of de Krancken, daar toe versoght zynde, besoeckt?

VIII.

Of oock al te veel van huys is? en sijn plaets laet ledigh staen?

IX.

Of de persoonen, die hy in ondertrouw op-neemt voor hem laet komen? en niet proclameert, dan met consent van Ouders of Vooghden? en behoorlyck in des Houwelycken staet bevestight?

X.

Of op de Schoolen, en onderwys van de jeught goede aght neemt?

XI.

Of reght-sinnigh is in syne leer, en stightelyck in syn leven, en vreedesaem?

 

Aengaende de Kercken-raedt.

I.

Of de Kercken-raedt ter gesetter tijdt, of bij voorvallende

|300|

gelegentheden, ten minstens t’ elckens voor de bedieninge van des Heeren Avont-maal gehouden wort met aen-roepinge van Godts Heylige naem?

II.

Of het verhandelde in ’t consistorie te boeck wort gestelt?

III.

Of oock de Kercken-raedt ter gesetter tydt verandert wordt?

 

Nopende de Ouderlingen.

I.

Of zy wettig verkoren zyn?

II.

Of haeren plicht wel doen in ’t bestraffen van d’ ongeregelden en die aen te brengen, de ver-vallene tot de beteringe te vermanen, en twisten te helpen nederleggen?

III.

Of de discipline nevens den Leeraer oeffenen tegen ergelycke Ledemaeten, en voorts in alles behulpsaem zyn?

IV.

Of neesrtelick tot ’t gehoor des Goddelycken Woorts komen en sigh in alles stigtelick dragen?

|301|

 

Belangende de Diaconen.

I.

Of ledematen zyn? En wettigh verkoren met toestemminge van den Predikant?

II.

Of oock alle Jaer, of ten minsten twee Jaeren Reeckeninge doen van den ontfangh en uytgaef?

III.

Of der Armen Middelen wel administreren met kenisse van den Predikant of Kerckenraedt?

IV.

Of sy stightelyck leven?

 

Betreffende de School-meesters.

I.

Of sy Ledematen zyn, en wettelyck aengestelt, en de formulieren van Eenigheyt onder-teeckent hebben?

II.

Of haeren Dienst niet vrughteloos maken? met tapperyen, paghteryen van accynsen, imposten, &c.

III.

Of in ’t School houden neerstigh zyn, en de Kinderen in ’t lesen, schryven en gronden van de Christelycke Religie uyt den Heydelberghsen Catechismus onderwysen? volgens ’t Besluyt van ’t Nationael Synode gehouden op den 30 Novembris 1619. Sess. 17.

|302|

IV.

Of de School-Kinderen alleen stightelycke Boecken leeren, en in goede manieren onderwysen ?

V.

Of ’t geheele Jaer door School houden, daer ’t eenighsins geschieden kan?

VI.

Of sy stightelyck leven?

VII.

Of ten platten Lande, daerse oock Voorsangeren zyn, eer de Predicatie begint, eenige Capittelen uyt Godts Woort, de vyf Hooft-stucken des Geloofs voorlesen, en Davids Psalmen voorsingen?

VIII.

Of den Predikant in Kerckelycke dingen gewilligh ten dienste zyn?

 

Dit voorschrift sullen de Visitatores Classis, als de Visitatien doen, bij haer hebben, getrouwelyck daer na vragen, als voor de oogen Godts, en van haer verrightinge aen de Classis behoorlyck rapport doen 1).


1) In het Geldersche Reglement volgen dan nog: kerckelycke middelen tegen ’t Pausdom; reglement tot onderhoudinge van de stricta examina; middelen tot de stricte onderhoudinge van het tweemael Predicken en Catechiseeren; middelen wegens de Kerckelijcke Discipline; middelen tegen Vloecken en Sweeren; middelen tegen de Simonie; bepalingen van het jus patronatus; artikelen wegens de uniformiteit der Proponenten en het reglement voor de Legerpredikanten. Zie J. Smetius, Synodale ordonnantiën.

Biesterveld, P./Kuyper, H.H. (1905) Visitatie Delft 1721

|303|

Het Visitatie-reglement van Delft 1721

 

Het
Kerkelijk Visitatie-reglement,

opgestelt in de C. Synodus van Delft Aº. 1721. gerevi-
deert, gelimiteert door de C. Synode van Leiden en
Gouda Aº. 1722 en 1723. en eindelijk gearresteert
in de C. Synodus van Rotterdam in den
Jare 1724. Art. 20. en van Breda
Aº. 1730. Art. 4. 1)

 

Art. I.

Zeer nuttig en noodzakelijk werd geoordeeld, dat het visiteren der Kerken jaarlyks in ieder Kerke van ieder plaatze, geen uitgezondert coram pleno Synedrio werde gedaan, en zulks wel voor het Classis Ante-Synodaal, opdat in het zelve van den staat en toestand der Kerken rapport zoude konnen gedaan worden, en daar van bericht aan de C. Synodus gegeeven.

 

Art. II.

Het reglement is, en kan dit zyn

Vragen te doen aan den vollen kerkenraad.

1. Of op des Heeren dag voor en namiddag word gepredikt, vooral des namiddags over den Catechismus, en die ordentelijk agter den anderen vervolgt, en daar na ’s avonds ook over den zelven gecatechizeert?


1) Afdruk uit het classicaal handboekje van ’s-Gravenhage, uitgave van het jaar 1771.

|304|

2. Of de Predicatien geschieden na ’t voorschrift van Gods H. Woord, begrepen in ’t O. en N.T. zonder de Apocryphe Boeken?

3. Of het H. Avondmaal viermaal des Jaars op behoorlyke tyd gehouden werd, na voorgaande Huisbezoekinge en Proefpredikatie?

4. Of de jonge jeugd in de Schoolen, wel werd onderwezen, ende in goede tucht gehouden?

5. Of de Ouderlingen en Diaconen op hunnen gezetten tijd alle jaaren verandert werden?

6. Of de Kerkenraad ter gezetter tijd en bij voorvallende gelegendheid ten minsten telkens voor de bedieninge des Avondmaals, ’t zij op den dag des Heeren of in de weeke gehouden word met aanroepinge van des Heeren H. Naame?

7. Of alle het noodige verhandelde in den Kerkenraad ordentelyk geboekt, en het geschreeven daar van zorgvuldig bewaard word?

8. Of in Kerkenraads boeken zijn geinsereerd of voor dezelve geschreeven en jaarlyks voor de Visitatie der Kerken voorgeleezen worden? namentlyk de middelen tot goede ordre der Kerken zoo door het Synodus Nationaal, als particulier van Zuidholland vastgestelt
a. Die strekken tot weering der dwaalingen en godloosheden.
b. De middelen tegen het Pausdom en deszelfs aanwas gearresteert Aº. 1651 en 1652.
c. De middelen tegen groote en roepende zonden, als
✝ Tegen de ontheiliging van des Heeren naam en des Heeren dag, gearresteerd Aº 1657, §2. Aº. 1660, § 48. Aº. 1663 § 38. Aº. 1664, § 24. En door een Resolutie van Staat van den 31 January 1699. tegen de roepende zonden geordonneert.
✝✝ En tegen Comedien en Dansseryen gearresteert 1675 § 7. 1675 § 18. 1676 § 7.
d. Tot rust en vrede der Kerken.
* De Post-Acta Synodi Nationalis vernieuwt en geconfirmeert Aº 1658 en 1659.

|305|

** De Vredens-Artikelen, bij Resolutie van Staat geordonneert den 18 December 1694.

9. Of wel alle Kerkekelyke zaken Kerkelyk werden behandelt volgens de ordre van de Synodus Aº 1713 -1721?

10. Of voor alle Nachtmaal tydt Censura Morum omtrent de Leden der Kerkenraads werd gehouden?

11. Of de Kerkelyke Tucht en Discipline naar ’t voorschrift van Gods H. Woord, door den Kerkenraad in goede ordre word betracht tot weering van alle ergernis?

12. Of de Visie van de aanteekeninge der Gedoopten, Ledematen en Getrouwden; (daar het laatste mogelyk is) aan de Visitatores kan gegeeven worden?

13. Of de Formulieren van eenigheid wel en betamelyk werden onderhouden en onderteekent?

14. Of ’er ook eenige Paapsche Schouten en Regenten zyn, als mede Paapsche Jesuiten- of Klopschoolen, of ook geordende Papen, Monnikken en Jesuiten.
De Visitatores moeten derzelver getal en namen opteekenen, daar dezelve gevonden worden.

15. Of ’er geen Kinderen buiten ’s Lands in Paapsche Schoolen besteld werden? volgens Resolutie van de C. Synodus 1707 en 1708.

16. Of de Diaconie Armen haar Contingent uit de boeten der fraudatien wel krygen, volgens Resolutie van de C. Synodus 1760.

17. Of de rekening der Diaconie ook alle jaaren geschiet?

18. Of ’er geen ongeoorloofde conventiculen gehouden worden? volgens Resolutie van de C. Synodus 1677. § 4.

19. Of niet ergens eenige onmin of onlust ontstaan zy; en daar omtrent voorzigtiglyk en met bescheid te handelen.

Te vragen aan den Kerkenraad, de Predikant of Predikanten buiten staande.

1. Of de Predikant of Predikanten alle de deelen van hunnen dienst getrouwelijk ende neerstiglyk

|306|

bekleeden, ende onder het volk met Leeren en Leven goede stichtinge doen?

2. Of de manier van leeren die hy waarneemt stigtelyk, eerlyk en profytelyk is, afgezondert van alle nieuwe, onschriftmatige en vreemde termen, insgelyks ook van alle menschelijke fabelen, Citatien van nieuwe Scribenten, en veelvoudig invoeren van Heidensche Schriften. 3. Aº 1621. § 2.

3. Of hy zynen dienst by de zyne vlytig waarneemt. De gezonde Leere beide in het openbaar en in ’t particulier beweegt en voortplant, en den wedersprekeren den mond stopt; neerstig zynde in ’t geduurig leezen en onderzoeken der H. Schrifture en gezonde Autheuren om ’t zelve in de vreeze des Heeren voorspoedelyk uit te voeren. Aº 1621. § 3.

4. Of hij den Catechismus leezt en de H. Sacramenten na de instelling des Heeren en gebruik der Gereformeerde Kerken, zonder eenige nieuwe Ceremonien daar onder te vermengen, bedient, en zulks alles ter behoorlyke tyd en plaatse?

5. Dewyl de C. Synodus verstaat, dat in het voorleezen der Formulieren, vooral van den Doop en Nachtmaal geen veranderinge van woorden of spreekwyzen mag nog moet geschieden, volgens de voorgaande Synodale Resolutien, Aº 1581. § 30. 1591. § 5. 1599. § 30. 1689 § 25. 1692. § 26. Ordonnerende de vastgestelde Formulieren, vooral deze, niet te veranderen: of ook de Predikant of Predikanten zig daar aan schuldig maken?

6. Of de Doop werd bediend in de Kerken, zoo dikwils voorwerpen, ’t zy bejaarde of jonge Kinderen zig daar toe aanbieden; en dat na de gewoonte en Formulieren, in onze Kerken gepractizeerd en gestatueert; vooral ook de Kinderen ten overstaan van Vader en Getuigen?

7. Of ook in het voorleezen van het Formulier des Doops, vooral in het Gebed, en de 3 vragen aan de Ouders eenige veranderinge, ’t zy door uitlatinge of inlassinge van woorden en spreekwyzen werd gemaakt?

|307|

’t geen de C. Synodus verstaat niet te mogen geschieden, maar stiptelyk na de Nationale C. Synodus van Aº 1618 en 1619. na de letter moet opgevolgt worden.

8. Aº 1621. § 5. Of hy de aankomelingen tot het Avondmaal in den grond des geloofs onderzoekt? de Ledematen voor de bedieninge des Avondmaals bezoekt? de namen der Communicanten, Gedoopte en Getrouwde luiden aantekent? de kranken bezoekt? op den armen agt neemt? de Schoolen behertigt? de Kerkelyke bijeenkomsten waarneemt? de C. Discipline met zynen Kerkenraad in goede ordre beragt?

9. Aº. 1621. § 6. Of hy zyne gaaven niet alleen met vlytigheid in ’t studeeren, maar ook met Godzaligheid oeffent? Op zyne huishoudinge goede agt neemt, zyne kinderen en huisgezin in de Godzaligheid optrekt, zig van ’t frequenteeren der herbergen en ’t onnoodig absenteeren van zyne Kerke mydt? hem niet bemoeit met Politicque zaken, voornamelyk niet met de verzoeninge over de doodslagen. Item of hy eenigen vremden handel of traffike, schadelyk zynen dienst onder zyn ampt vermengt? Hem in den handel en wandel anders draagt dan een vroom en getrouw Dienaar des Heeren schuldig is te dragen?

Te vragen aan den Predikant of Predikanten en Diaconen, de Ouderlingen buiten staande.

1. Aº 1621. § 7. Dewyl de Ouderlingen en Diaconen den Dienaren des Woords gesteld zyn tot hulpe, zoo zal men ook onderzoeken.
a. Hoe dat hunne Verkiezinge geschied zy?
b. Hoe zy in hunne bedieninge en professie dragen? De Ouderlingen of zy nevens de Dienaren zorge dragen over de Kudde des Heeren? goede ordre waarnemen; arbeiden om alle ergernissen van de Kerk des Heeren, zoo veel doenlyk is, weg te nemen? de zwakke sterken, de gevallene tot bekeeringen vermanen,

|308|

de ongeregelde bestraffen en daar toe trachten om alle twist en oneenigheid onder de Ledematen ter neder te leggen? de Kerkelyke bijeenkomsten waarnemen? en in hunnen Kerkenraad notitie van hunne Kerkelyke zaken houden?

Vermeerdering.

Of de Ouderlingen in publieke Catechezatien en Predikatien tegenwoordig zyn, en mede assisteren? vooral op den Dag des Heeren?

Te vragen aan den Predikant of Predikanten ende de Ouderlingen, de Diakonen buiten staande.

1. Of zy den Armen van hare Gemeente met een bewogen gemoet bezorgen? en behoorlyk rekeninge doen van de administratie der penningen, by hun ontfangen en uitgegeven?

2. Of de Diaconen de Diaconie middelen wel en behoorlyk administreeren met kennisse en toestemming van Predikant of Kerkenraad onder wien zy staan en aan welke zy moeten rekeninge doen? Syn. Rott. 1641. § 47.

3. Of hunnen jaarlyksche rekening doen naar de gewoonte der plaatzen? vooral in tegenwoordigheid der Predikanten en Kerkenraad, en het slot der rekeninge jaarlyks gezuivert ofte voldaan word, als geschieden moet?

4. Of de penningen in de Kerk gecollecteert, in de tegenwoordigheid van Predikant en Kerkenraad werden getelt? en aantekeninge daar van gehouden?

Te vragen aangaande de Voorzangers en Schoolmeesters.

1. Of zy ordentelyk en stichtelyke Ledematen zyn?

2. Of zy wettelyk en naar de oude ordre zyn aangestelt?

3. Of dezelve de Formulieren van eenigheid ondertekent hebben? en daar Latynsche scholen zyn, of

|309|

zulks ook is geschied door Rectoren en Preceptoren, na de ordre van Post-acta Synodi Nationalis sess. 164.

4. Of in ’t Schoolhouden zig neerstelytk bevlytigen? en de gronden van de ware Christelyke Gereformeerde Religie uit den Heidelbergschen Catechismus onderwyzen en inscherpen, volgens het besluit van de Nat. Syn. Sess. 17 Novemb. 130.

5. Of de School-kinderen alleen rechtzinnige en stichtelyke Boeken laten lezen en hun daar uit leeren? en ook dezelve in goede manieren en Godzaligheid onderwyzen, en zy zig aan dezelve daarin ieverige voorgangers en voorbeelden betoonen?

6. Of het geheele jaar tot onderwys der jeugt School houden, daar het mogelyk is?

7. Of in de ordres des Kerkenraads naar hun plicht, dezelvem ten dienste te zyn?

 

Art. III.

Zyn de Gecommiteerden ad Causam eenpaarig van gevoelen, dat de C. Synodus moeste ordonneren en gelasten.

A. Alle Kerkenraden in alle Steden, Dorpen en Plaatzen, en wel in ’t byzonder Predikanten, Ouderlingen en Diaconen en Schoolmeesters, dat zy alle zaken, waar na in de voorgemelde vragen onderzoek gedaan werd, stiptelyk practizeeren en onderhouden, als zynde ten hoogste noodig, tot stichting en opbouw van Gods Kerke en bevestiging der Gereformeerde leere.

B. Alle Classen en Visitatores der Kerken uit dezelve daar toe afgevaardigt, dat zy met alle nauwkeurigheid in de Visitatie der Kerken zullen by de Kerkenraden onderzoeken, of bovengemelde zaken exactelyk werden waargenomen, en dat de Visitatoren in ’t Classis Ante-Synodaal daar van jaarlyks getrouw rapport moeten doen; en die wederom aan het C. Synodus.

Biesterveld, P./Kuyper, H.H. (1905) Danaeus

|310|

De vragen door Danaeus beantwoord voor de Middelburgsche Synode 1581

 

Eenige vragen,
op last van de Synode van Middelburg door Danaeus
beantwoord, die geen deel uitmaken van de
officieele Acta.

 

Volghen eenighe andere bijsondere vraaghen, de Synoode voorghesteldt, ende D.D. Danaeo ooverghegheeven, omm bij hem beantwoordt te werden; doch en sijn die de Synoode niet voorgheleesen geweest. Aº XVCLXXXI.

 

Vraaghe van die van Weesel voorghesteldt uutt den Naam van de Walsche Kercke alldaar.

Off de Wissel (sonder welcke de koopluuden niet en kunnen hunnen koophandel drijven in deese troublen ende confuusiën) een wettelijck contract sij, ’t welck de gheloovighe moghen ghebruucken met ghoeder Consciëntie: ende soo de voorss. Wissel bekendt werdt voor een wettelijck contract, es de vraaghe, op watt voet.

Antwoordt op de voorghestelde vraaghe.

Soo veel aanghaat de questie van eenen Wisselaar, der selve es tweederleij gheslachte, als ick verstaan hebbe. Een, wanneer de penningen ofte munten van verscheijden landen werden ghewisseldt ende ommeghessett in alsulcke, die ghebruuckelijck es te dier plaatse, daar de Wissel ofte de Taafel gheouffendt werdt. Gelijck als off een munt uutt Vranck-rijck, naamelijck een Fransche Kroone, werde ghewisseldt in Duutsche Daalders, ofte in een andere speecie van Duutsche munte. Ditt gheschiedt ofte van een parsoon, tott

|311|

deessen Wissel van de Ooverheijt opentlijck daar toe ghesteldt: ofte van particuliere parsoonen, die sulcks door middelen van hunne ghoederen vermooghen.

Daaromme antwoord ick, datt hett eerst gheslacht der Wissel, ’t welck men Collybum naamdt, een Christen gheoorlofdt sij; ende datt mett alsulcken wett, datt hij omm der Wissel wille van alsulcken munte, iet profijts ontfange , soo veel als vanden Magistraat sall gheordonneerdt sijn. De oorsaack es, datt dewijle niemandt voor sijnen dienst en behoordt schaade te lijden; ende datt dusdaanighe Wissel es een groot behulp den gheenen die in andere landen verkeeren ende koophandel drijven; ende datt er dickwijls es groote verscheijdenheijt inden prijs der Munten, omm der verscheijden landen wille; soo en es ´t niet billick, datt die gheene, die eenen anderen deesen dienst es doende, daar door schaade lijde. Ten tweeden, datt ghelijck als ’t blijckt Matth. in ’t 21ste, als Christus de Heere bestrafte die inden Tempel de Wisselbanck ouffenden, datt hij se niet en bestrafte, omm dattse alsulcken handel waaren doende, maar datt sij sulcks inden Tempel ghedaan hebben. Ten derden, datt het contract der Wissels es natuurlijck, ende de dingen die natuurlijck sijn, die sijn oock den Christenen gheoorlofdt, want die sijn een deel, dienende tott behoudenisse der societeijt onder den menschen.

Het andere gheslacht der Wissel ofte Taafel es, als men gheldt uutt leendt, omm weeder te gheeven binnen seeckeren tijdt mett woucker. Deese werden τραπηζιται Taafel-houders ghenoumdt, dewelcke eertijts tot Roomen maar een half jaar en saaten. Ditt gheslacht des contracts schijnt naa te volghen de speecie mutui, datts van wisselen ofte omsetten hett eene gheldt voor ’t andere: maar dewijle datt alsulcke des dings datt es des gheldts, in wouker te legghen, oopentlijck handel drijven, soo schijnt hett van de natuere des contracts der Wissel, dewelcke inde civijle Rechten beschreeven es verscheijden te sijn. Hieromme drijven sij deesen handel door publijcke autoriteijt ende bewillighing der Ooverheeden, om des

|312|

publijcken profijts wille sulcks toelaatende: ofte sij drijven deesen woucker utt eijghen raadt, om eijghen profijts wille in ’t particulier aanghenoomen; ende heeft mett sick bijghevougdt oneijndelijcke, soo well oopenbaare publijcke, als particuliere privee schaadelijckheeden. Want hett maackt de menschen leuij tot arbeijden, dewelcke hoopen dattse altijdt gheldt sullen bereijdt hebben. Hett maackt de Wouckeraars selfs onbarmhartich. Het neemt wech ’t effect der liefde, daar inn gheleeghen, datt wij uutt ghoedtdaadichheijt de eene den anderen helpen. Ten laatsten hett strijdt teeghen Christus gebodt: leendt niets daar van hoopende. Maar soo veel de handel der Woucker, die oopentlijck es bij de autoriteijt der Ooverheijt, aanghaat, sommighen toeghelaaten sijnde; seghghe ick alsoo: Dewijle hett es hett ambt der Ooverheijt, naa de verscheijden gheleeghenheijt der tijden, plaatsen, ende parsoonen etc., sorghe te draaghen oover datt gheselschap der menschen, oover de welcke sij van Ghodt ghesteldt es, dattse mach ofte verscheijden gheslachten van contracten bedencken, ofte die bedacht sijn, toe te laaten, voor soo veel als de conversaatie van alsulcken societeijt, daar oover datt sij ghesteldt es, ende oock datt publijcke profijt vereijscht; hieromme kannse oock ditt gheslacht des Wouckers toe laaten: nochtans alsoo, datt de selve Maagistraat besluut eenmaal, ofte doorghaans tott aller tijdt, datt van den tijdt des uuttleenens des gheldts, watt ende hoeveel ghegheeven sall werden; ende de Wisselaar sulcks sonder den naame van Woucker, daar toe van de Ooverheijt ghesteldt sijnde, ontfangen mooghe; booven welcke taxaatie ofte besluut van profijt, datt hij onder den naam van profijt, alsulcken Wisselaar niet gheoorlofdt en es met ghoeder conscientie te eijsschen; ghelijck ook niet een krijgs-man, booven sijn soldije ende rechte, hem besteldt sijnde, oock gheen toelaatinge te gheschieden rechtelijck ghehouden werdt. Maar oock in deesen es deese reeghel te volghen, dattmen niet alsoo daar op en sie, watt de Edicten der

|313|

Ooverheijt in alsulcken Woucker te eijsschen, toelaaten, als watt de Christelijcke liefde vereijscht; naamelijck datt de Wisselaars niet onder den naam van profijten, van hem eijsschen, alsoo oock andere iemandts uuttleenende, die niets profijts, ende datt sonder hunne schuldt met hunn gheldt ghedaan hebben: jaa de Wisselaars selfs, ende andere, die eenen anderen uutleenen sullen bereijdt sijn, hett deel oock selfs quijt te laaten den gheenen, die ghebreck lijden inden kost voor henn ende hunn huusghesin.

 

Een andere Vraaghe.

Hoemen handelen sall mett den gheenen, de welcke wettelijck ondertrouwdt sijnde, niet willen voortvaaren tott hett houwelijck.

Ant.: als beijde de partijen mett ghemeijne bewillighinge te rugghe treeden van ’t beloofde houwelijck, sallmen komen tott den Artijckel des Corporis Disciplinae. Indien datt beijde de partijen volherden in ’t breecken des houwelijcks, sall de Klassis oordeelen watt straffe dattse beijde waardich sijn. Ende want hett de Kercke ergherlijck es, moetmen hier op ghoede achtinge neemen, wanneer beijde de partijen, de trouwe diese als Ghoode selfs ghegheeven hebben, breecken. Proverb. 2: 17.

 

Een andere Vraaghe.

Offmen die partije, die gheen schuldt en heeft, in ’t achterblijven des beghonnen houwelijcks sall vrijstellen, doch naa approbaatie der Ooverheijt, indien de schuldighe partije sonder wettelijcke redenen te hebben in haar voorneemen persisteerdt, van niet te willen verstaan tott hett volbrengen des beghonnen houwelijcks.

Ant.: De partije, door welckes schuldt hett niet bij en komt, datt hett houwelijck niet volbracht en werdt, kann alsoo van den Kercken-raadt vrij te sijn verklaardt worden, dattet die gheoorlofdt sij een ander houwelijck aan te vangen, soo wanneer de andere partije datt beloofde houwelijck te volbrengen weijgherlijck es.

|314|

Ten eersten, de partije die ghoedtwillich es, sall de weijgherighe partije tott den Kercken-raadt roupen; ende indien datt de selve van den Kercken-raadt vermaandt sijnde, niet bewooghen en werdt, sall de ghoedtwillighe partije tott de Ooverheijt ghesonden werden; ende der Ooverheijt sall van de selve bij requeste vertoondt werden, hoe dattse bereijdt es te staan haar belofte; ende sal sick beklaaghen vande onwillighe partije sick verbonden sijnde, als van een desertrijce, ofte die sijn houwelijck verlaaten heeft. De Ooverheijt sall soo verre haar ampt tusschen beijden stellen, datt die verklaare, indien d’ onwillighe partije binnen seeckeren tijdt van de Ooverheijt ghesteldt, hett houwelijck niet en sal volbrengen, datt hij een verlaatende des houwelijcks sall ghehouden werden. Welcke sententie van de Ooverheijt verkreeghen hebbende, als dann sallse bijden Kercken-raadt vrij ghesproocken werden van haare beloften, om mett een ander ’t houwelijck te beghinnen, uutt kracht des datt de Apostel schrijft 1 Kor. 7: 15 ende Proverb. 30: 21. Ende alsoo es oock ’t ghebruuck te Geneeven.

 

Een andere Vraaghe.

Vande selve persoonen, die tott hett Ouderlingschap ofte Diaackenschap verkooren sijnde eenmaal, om doorghaans altijdt te continueeren.

Hoewell datt inde Dordrechtsche Synode, ende inde Middelburchsche daar naa, bevestichdt es, eenen seeckeren tijdt den Ouderlingen ende Diaackenen te dienen, naamelijck twee jaaren: tewijle nochtans deese exceptie daar bij ghevoughdt es, datt de Kercken naa de gheleeghenheijt der stichtinge ende der persoonen sick mooghen voorsien.

Antwoorde ick, datt uutt de H. Schriftuere niet en kan ghedefinieerd werden, datt de Ouderlingen ende Diaackenen eenmaal van den Apostelen verkooren, altijdt in datt beroup, ofte in een ander de Kercke aanghaande, ghebleeven sijn; dewijle datt in deese

|315|

saacke verscheijden plaetsen ende verscheijden arghumenten kunnen voortghebracht werden: soo schijnt hett nochtans raadsaamer, omm te schouwen alle weeghen der Kerckelijcker tijrannije te ghebruucken, soodaanighe daar naa in ’t Paausdom es inghekroopen, datt de selve parsoonen eenmaal tott dien dienst verkooren, niet altijdt ghecontinueerdt en werden; hoewell datt wellicht andere bequaame parsoonen naauwelijcks kunnen ghevonden werden. De reeden es, datt lichtelijck (hoedaanich daar es de verkeerdtheijt der menschen) de menschen tott andere dingen, meer dan tott Ghodts Woordt gheneeghen (hoedaanich sijn de Ouderlingen ende Diaackenen die wij ghebruucken, ende die uutt Kooplieden, Medeçijns, Advocaaten, ende andere vocaatien van ons verkooren werden) dattse tott tirannije ende eerghierichheijt aankeeren, all ’t gheene datt henn voor anderen als een voordeel ende uuttneemenheijt toeghelaaten werdt. Uutt deesen es ’t gheschiedt datt de Cleresije in ’t Paausdom sick alder eerst de Privileegien, Vrijheeden, Digniteijten, ende dierghelijcke hebben toegheeijghent, die voormaals waaren Ouderlingen ende Diaackenen inde Kercke, ende hebben ghewildt daarna sick sulcks van den Princen bevestighdt te werden. Daar beneffens soo sijnder meer van de reeden ende ’t regiment der Kercke t’ onderwijsen, die bij ghebreck van andere in hunn plaatse mooghen ghesteldt werden; ende indien datt de selve parsoonen die eenmaal verkooren, inden dienst altijdt ghecontinueerdt werden, sullen die alleen verstandt hebben de Kercke te regieren. Daaromme schijnt hett wel, datt veele bij tijdts tott deesen dienst sijn van te vooren bereijdt ghemaackt te werden. Ten laatsten, dewijle datt deese vraaghe meede behoordt tot een deel der Kerckelijcke disciplijne, dewelcke naa ’t profijt van een ijghelijcke Kercke kan veranderdt werden mett wijsheijt; soo en will ick daaromme niet twisten. Maar datt van den Dienaaren kann voorgheworpen werden, indiense de selve inde selve Kercke altijdt in hunnen dienst ghecontinueerdt

|316|

werden, dattmen als dann de selve perijckelen van tirannije ende weijnichheijt hebbe te bevreesen: Antwoorde ick, hoewell, datt soo veel de Dienaaren menschen sijn, ’t selve van henn kan ghepresumeerdt werden; nochtans dewijle datt weinighe onder henn sijn die gheroupen werden tott hett regiment der Kercke, ende in ’t woordt Ghodts te handelen, leesen, ende ooverleghghen sij sick ouffenen altijdt, dattmen de selve perijckelen soo lichtelijck in henn, uutt de Christelijcke liefde, niet en heeft te bevreesen. Daarbeneffens soo verre veranderdt werden de Ouderlingen ende Diaackenen, sall de selve veranderinge den Dienaaren beneemen allen toeghang, datt sij hunn eijghen tirannije oover de Kercke ghebruucken: dewijle datt indien sij daar van eenige raadtslaaghen bij sick ofte mett den anderen Ouderlingen ende Diaackenen mochten ghecommuniceerdt hebben, daar meede needervallen als de parsoonen veranderdt werden; want alle tesaamen rottinge ende verbindinge lichtelijck uutt de veranderinge der parsoonen ofte bemerckt werdt, ofte affghehouden werdt. Maar indien datt eenighe sijn te continueeren, die sullen weederomme op een nieuw de Kercke voorghesteldt werden mett andere, die nieuw verkooren werden tott den selven dienst, op datt van henn hett oordeel ende de wille der Kercke vereijscht ende verwacht werde, niet anders dann offse nooijt van te vooren in dien dienst gheweest en hadden.

 

Een andere Vraaghe.

Offmen den Diaackenen ende Ouderlingen seeckere belooninge sal bestellen.

Ant.: Hett sij dattmen vraaghe van den Ouderlingen ende Diaackenen die altijdt behouden werden in den dienst, ofte van die, die daarnaa metter tijdt veranderdt werden, houde ick raadsaamer te sijn, datt henn gheen belooninge ordinaarlijcken werde toegheleijdt. De Reeden es, dewijle datt menschen lichtelijck tott misbruuck ende ghierichheijt trecken alle occaasien

|317|

van profijt te hebben, oock de alderminste waarneemende, ende alsoo lichtelijck all ’t gheene ’t welck lichtelijck soude schijnen inghesteldt te sijn, te bevreesen soude sijn, indien eenighe ordinaaris stipendia den Ouderlingen ende Diaackenen bestemdt werden, datt de selve meer souden dienen om sulck een ampt te begheeren, dann te sien op ’t waarachtichste ooghenmerck desselfs. Daarbeneffens soo sijn deese ampten dusdaanighe, dattse om niet behooren ghedaan te werden. Daar toe komt oock, datt de gheene, die deese diensten aan neemen, van hunne beroupingen, diese anders hebben om sick ende hunn huusghesin t’ onderhouden, niet ophouden; datt es dattse niet op en houden eevenwell Kooplieden ofte Medeçijns etc. te sijn, ’t welck sij te vooren waaren. Datt soude oock mooghen in dispuute ghetrocken werden, hoe veel beloonings dan eenen ijghelijcken soude bestemdt werden, dewijle datt hunne vocaatien verscheijden sijn, die tott dat Ouderlingschap ende Diaackenschap gheroupen werden, ende de eene meer, ende d’ ander minder profijts doen uutt hunne handelingen. Maar datt hier kann teeghengeworpen werden van den Pastooren der Kercken, dewelcken belooninge bestemdt es, Antwoorde ick, dewijle datt sij sick onthouden van alle andere hanteeringen te ouffenen, ende dat noodtwendelijck, op datt sij tott stichtinge der Kercke hunnen dienst bedienen (want dewijle dat de inghestorte miraackeloose ende buutenordinaarissche ghaaven den menschen ghegheven, ophouden, ende heedensdaechs niet in swang en ghaen, soo moeten sij ghestaadichlijcken Ghodts woordt leesen ende ooverdencken, ende in ditt alleen sick bekommeren), soo es ’t billick datt hunn onderhoudt tott kost ende kleederen henn noodich, van de Kercke, dewelcke sij dienden, besteldt werde: 1 Tim. 6 ende 1 Kor. 9. Maar soo veel de Ouderlingen ende Diaackenen, die op dattse recht hunn ampt bedienen, alsoo moeten sick onthouden van hunn eijghen saacken ende ambachten te versorghen ende te ouffenen, datt

|318|

hun huusghesin een merckelijcke schaade daar bij soude lijden, ende mett ghebreck daar oover soude beswaardt werden; soo ghebiedt de Christelijcke liefde, dattmen henn te hulpe koome uutt de Kerckelijcke ghoederen; hett sij eenmaal, ofte alle maanden, ofte jaaren: ’t welck henn als uutt een vrije schenckaage ende tott een vereeringe te geeven es; ghelijck den gheenen die vande Republijck wel verdiendt hebben, de Republijck ghewoonlijck es, ende datt mett reedenen, eenighe schenckaagen aan te bieden.

Biesterveld, P./Kuyper, H.H. (1905) Walchersche Artikelen

|319|

De Walchersche Artikelen

 

Bijvoegzel tot het bovenstaende Formuljer van Onder-
teijckeninge der Predickanten, Opgestelt en hjer
ingevoegt volgens Resolutjen des E. Classis
in dato van den 3 Sept. en 5 Nov. 1693. 1)

 

Nadien de E. Classis, verneemende verschyde Leeringen, die soo hjer en daer Voortgebragt ende gedreeven worden, bekommert wierd, Of niet wel eenig bederf in de Leere Eenige haerer Leeden en Onderhoorige Kercken mogt bevlecken; Heeft Sij nodig geagt, nae ’t Exempel der Christen-Kercke in veele tyden, daer tegen te Waecken wel niet door het Opstellen en Invoeren van Eenig Nieu Formuljer van Onderteyckeninghe, ’t welck Sij om verschyde reedenen als nog njet Noodsaecklijck ende oock niet wel doenlijck of raedsaem Oordeelt, Maer ljever door eenige Naeder Toepassinghe van de Oude Formuljeren van Eenigheijt op de Huydensdaegsche Vreemde Gevoelens Voor soo verre deselve daer tegen Direct of Indirect en bij gevolge mogten aenloopen, Ende dat in manjere als volgt:

 

Wij Onderschreven Bedienaeren des Godlycken Woorts resorteerende onder de Classis van Walcheren in Zeelandt, Verklaeren Opregtelijck in Goeder Conscientje voor den Heere met deese Onse Onderteyckeninghe, Dat wij van herten gevoelen en gelooven, dat Alle de Artjculen en Stucken van de Leere in de Belydenisse en Catechismo der Nederlantsche Gereformeerde Kercken


1) Aan deze artikelen gaan in het Middelburgsche Onderteekeningsboek vooraf: de Formulieren van Eenigheid, de Liturgische Geschriften (ed. Schilders, 1611) en het gewone Dordtsche Onderteekeningsformulier. De Walchersche artikelen zijn onderteekend door alle predikanten tot 1816.

|320|

begreepen Mitsgaders Eenige Verklaeringhen over de Pointen der Voors. Leere in de Natjonale Synode Aº. 1619 tot Dordrecht gestelt, Met den Woorde Godts over een komen; Beloovende Alles wat breeder uytgedruckt is in ’t bovenstaende Formuljer van Onderteyckeninghe conscientjeuselijck te sullen naekomen. Djenvolgens verklaeren wij bij deesen te gevoelen en te gelooven als boven ’t geene hjer volgt.

 

Art. I. Van de Verdorventheijt der Menschlijcke Reeden en Onbequaamheyt desselfs om daer uyt alleen de Godlijckheijt der H. Scriftuyre te Bewysen.

Wij Erkennen dat de Reeden is een Gave van Godt den Vaeder der Ligten den Mensch ingeschapen, So dat in de Regtheyt desselfs een Voornaem Stuck van ’t Beelt Gods in den Mensche1) bestondt; Maer door den Val is daer een swear Bederf overgekomen, En in plaetse van de waere en de Salige Kennisse sijns Scheppers en Anderer Geestelijcke Saecken heeft den Mensch daer in over sich gehaelt blindtheijt, schricklijcke duysternisse, Ydelheyt en verkeertheyt van Oordeel.2) Welcke verdorventheyt van de Reeden Yder Mensche Natuurlijck en Aengebooren is, Zynde al ’t Gedigtsel der gedagten sijnes herte ’t allen daege en van der Jeuget aen Boos3); Soo dat deselve voor uijt gaet Alle Indrucksels van Quaede4) Vooroordeelen, Opinjen en Exempelen5), die ’t verstant daer nae nog meer bederven, Ende dat het hem onmogelijck is met syne toestemminghe sig voor Alle dwaelinghe te konnen wagten, ’t welck de Engelen selve, om in de Waerheijt staende te Blijven, niet als door de Genade Godts6) hebben konnen doen. Want al is ’t dat in den Mensch nog eenig Licht der Nature overgebleeven is, waardoor hij behoudt eenige Kennisse van Godt, van


1) Syn. Dord. C. III. IV § I.
2) ibid.
3) Syn. Dord. C. III. IV. § 2.
4) Gen. VI.5. VIII. 21.
5) Syn. Dord. C. III. IV. § 2.
6) Belijd. Art. 12.

|321|

Natuyrlijcke dingen, van het Onderscheijt tusschen ’t geen eerlijck of oneerlijck is, So is ’t nogtans, dat hij dat selve oock in Natuyrlijcke en Burgerlijcke dingen niet regt en gebruijkt jae veel meer ’t selve hoedanig het oock is, geheel op verschijde wijsen besoedelt en in Ongeregtigheijt ’t onderhoudt.7) Soo verre is het van daer dat ’t Getuignisse van de Reeden also vast, seecker en Onfeijlbaar soude zijn als ’t Getuignisse van Gods Woort, dewijle ’t Getuignisse Gods altijt Meerder is als ’t Getuignisse der Menschen8). Jae geen vergelijckinghe tusschen die bijde mag gemaekt worden. Want de Waerheijt Godts is boven Alle, en alle Menschen zijn uyt haer selve Leugenaers en ijdelder dan de ijdelheyt selve.9) Aengesien daer oock geen Proportje is tusschen de Natuyrlyke Reeden ende de boven-natuyrlijke Waerheden; Belijden wij, dat den Mensch geheel onbequaem is, om van deselve met sijn reeden te konnen Oordeelen; Waertoe Absoluyt noodsaecklyck is, dat God, die gesegt heeft, dat het Ligt in de duysternisse soude schijnen, oock schijne in onse herten, doende ons niet alleen uytterlijck het Evangelium predicken10), Maer oock ons verstandt inwendig verligtende door den H. Geest, Opdat wy souden verstaen en onderschyden de dingen die des Geestes Godts zijn11). Ende vermits den Eersten aenvang hjer van gemaeckt werdt in ’t Geloove van de Godlijckheyt der H. Scriften, So soude daer tegen ten hoogste hinderlijck zijn die verwaentheyt Als of wij door de Kragten van de reeden alleen deselve souden konnen Agterhaelen; Neen maer ter Contrarje moeten wij daer toe komen met een verloocheninghe van ons verstant, ootmoedigheyt des herte ende een Nedrig


7) Syn. Dord. III. IV § 9.
8) 1 Joh. V. 9.
9) Belijd. Art. 7.
10) 2 Cor. IV. 6.
11) Syn. Dord. c. III. IV. § 11.

|322|

Gebedt, dat Godt door sijn Geest alle opgeblaesendheijt en vleeslijcke Wysheyt van Ons weijre. Waer op dan de Godlijckheijt en Waerheyt der H. Scriften sich selve in Kragt en betooninghe des Geestes aen onse Conscientje openbaert, Uytwendig wel door de Merkteeckenen en ’t Bewijs der Godlyckheijt datse bij haer selve hebben12), waerdoor sij haer selve, gelyck de Sonne door haere straelen aen Ons gemoet ontdecken, ende de duysternisse daer van overwinnen, so dat de Blinde self tasten konnen, dat de dingen, die daer in voorsegt zijn geschjeden, Maer voornaementlijck inwendig door den H. Geest, die ons13) niet alleen verligt, so dat wy in syn Ligt het Ligt van Gods Woort sien, Maar oock aen onse herten verzeegelt, datse van God zijn14),de Geest also in onse herten getuigende, dat de Geest in ’t Woort de Waerheyt is; welcke verzeegelinge alle verstant en Kennisse te boven gaet. Edog, dewyle Godt den reedelijcken Mensch niet en bewerckt als een Stock of Block15), So is het seecker, dat de reeden daer in een groot Bedienstig gebruyck heeft, Soo door ’t Ligt van de Ingeboorne Kenzaeden, als door de Kragt van de reedenkaevelinghe, Sonder welcke self geen Geloove of reedelijcke Godsdienst in ons soude konnen plaets hebben; met dit verstant nogtans, dat de Reeden ons daer in geensins verstrecke voor een Regul van de Geopenbaerde Waerheyden of een Beginsel, waer uyt deselve moeten beweesen worden, veel min als een Fundament, op welcke ons Geloove gebouwt is, Maer als een Wercktuig en verligte Faculteijt, door welcke de Godlijckheyt der H. Scriftuyre van ons verstaen en aengenoomen werd, Ende wij in de


12) Belijd. Art. 5.
13) ibid.
14) ibid.
15) Syn. Dord. C. III. IV. § 16.

|323|

Uytlegginge derselve Geestelijcke dingen met Geestelycke dingen saemenvoegen, Scriftuyr door Scriftuyr verclaren en daer uyt wettige besluyten trecken tot versterckinge van ons Geloove; Geen anderen Regul, Beginsel nog Fundament hebbende, Als alleen de H. Scriftuyre om ons Geloove daer nae te reguleeren, daer op te gronden ende daer meede te bevestigen;16) Neemende onder deselve Alle Overleggingen ende alle Gedagte, die sig daer tegen verheft, Gevangen tot de Gehoorsaemheyt Christj17). 

Op deese gronden verwerpen wij Alle dwaelingen en Expressien hjer tegen strijdig, door welcke de Menschlijcke Reeden onmatiglyck gelaudeert, en de Gronden der Philosophie misbruyckt werden, om te heersschen over het Geloove ende de Theologie.

 

Art. II. Van de H. Aenbidlijcke Drij-Eenigheyt.

Nog verwerpen en verfoyen Wij van gantscher herte Alle Sodanige stellingen, reedeneeringen en Spreeckwysen, dewelcke bevonden werden te bestryden de Eeuwige Generatje des Soons Gods en loochenen de bevestiging van deese H. Verborgentheijt eeniglijck uyt de H. Scriftuyre; Mitsgaders dewelcke loochenen de Eeuwige Voortgang des H. Geestes ende alsoo weg te neemen tragten de Natuyrlijcke Ordre der Persoonen, dewelcke gefundeert is in haere ygene Personeele Eygenschappen. Want vermits de Artjculen onses Geloofs spreecken van den Soone ende den Eenig-gebooren Soone des Vaders, Een Geboorte die niet alleen Onderschyden is van sijn Geboorte uyt de Maget Marja, Maer die deselve voorgaet en van Alle Eeuwigheyt


16) Belijd. Art. 5.
17) 2 Cor. X. 5.

|324|

is; Waerom oock onse Catechismus met nadruck segt, dat de Eeuwige Soone Gods, die Waerachtig Godt is en blijft, de Waere Menschlijcke Nature aengenomen heeft1). Waer mede oock de Vaders van Niceen en de Bekentenisse Athanasij en de Nederlantsche Belydenisse2) overeen stemmen; So is het derhalven dat het ons smertelijck valt te sien Sustineeren, dat er geen Eeuwige Generatje is, nog weesen kan; dat de Persoon des Soons Gods een Soon geworden en gegeneert is in der tijt, en dat alleen omdat Godt in syne Huyshoudinge der Genade het soo heeft goet gevonden. Ende vermits dit is een bovennatuyrlycke Generatje, die ons vernuft te boven gaet, So is het verre van Ons dat wij die Onbegryplijcke Generatje souden willen gaen soecken in onse Natuyrlycke denk-beelden; Maer hjer leggen wij onse Gedagten geern gevangen onder ’t Woort Godts ende desselfs getuignisse, niet als tegen de Gesonde reeden strydig maer verheeven boven deselve. Het is, omdat hem God alsoo in syn Woort geopenbaert heeft3). Ende derhalven hebben wij een afkeer van die geene, dewelke dese Verborgentheyt willen gaen bestryden met de dictata van de reeden, seggende datse strydig is tegen onse denkbeelden, tegen de Idea van de Godlycke Eenheyt, Eeuwigheyt en Eenvoudigheyt, en die alsoo tragten kragteloos te maecken de Aengehaelde Plaetsen en Spreekwijsen in de Belijdenisse des Geloofs, seggende datse niet en sien op de Eeuwige Generatje des Soons, Maer op de Huyshoudinge des Middelaers. Verder, aengaende de Persoon des H. Geestes Gelooven wij, dat hoewel hij met den Vader ende den Soone is de Eeuwige Waeragtige Godt4), Hy egter


1) Catech. vr. 35.
2) Belijd. Art. 10.
3) Catech. vr. 25. Belijd. Artt. 9, 10, 11.
4) Catech. vr. 53.

|325|

van alle Eeuwigheijt is uytgaende van den Vader ende den Soone; In ordre de derde Persoon der drij-Eenheyt, eenes selves Weesens, Majesteyts en Heerlijckheyts met den Vader ende den Soone, zijnde waeragtig en Eeuwig Godt van alle Eeuwigheijt van den Vader en den Soone uytgaende,5) Zijnde de Geest, die van den Vader uytgaet6). Ende derhalven verklaeren wij voor dwael-Geesten, de geene, die ontkennen, dat sodanigen Processio of Emanatjo van den Vader ende den Soone Gods soude zyn de Eenige Manjere van bestaen des H. Geestes; derhalven, dat het Ongerijmt en temerajr is, sodanige Vraegen te formeeren, Hoe dan de Generatje des Soons en den Uytgang des H. Geestes van malkandere verschillen? Hoe de H. Geest uyt Twee kan uytgaen? ens. En Nademael de Soone door een Eeuwige Generatje van den Vader bestaet en de H. Geest van Beyde uytgaet, soo houden wij voor vast, dat er is een Natuyrlijcke Ordre van bestaen onder de Persoonen der Godlycker drij-Eenheijt, niet alleen een Ordre van Eerste, tweede en derde persoon, maar een Ordre, die Eeuwig en Natuyrlijck is, gefundeert in de Personeellycke, characteristische Eijgenschappen, door welcke de eene Persoon is, dat de Andere niet en is7) nog kan zijn. En derhalven verwerpen wij alle die loochenen, dat in een Eenvoudig Weesen onderschyden Manjeren van bestaen zijn konnen, ende die gevoelen, dat al het Onderscheyt der Godlycker Persoonen alleen soude geleegen zijn in ’t Getal, Oeconomje, Naemen en Werkingen die soo arbitrajr en Willekeurig souden zijn, dat de Naem en Huyshoudinge van de Persoon, die nu Vader is, Mogelyck soude konnen zijn de Naem


5) Belijd. Art. 11.
6) Joh. XV. 26.
7) Belijd. Artt. 8, 10.

|326|

en Huyshoudinge van de Persoon, die nu Soone is, en die nu H. Geest is.

Wij verklaeren sodanige Sustenuen voor Heterodox en in de gronden te verschillen van de Artjculen der Aengenomen Belydenisse.

 

Art. III. Van de Rechtveerdigmaeckinghe.

Vermits de Leere der Rechtveerdigmaeckinghe in Gewigte en dierbaerheijt een seer Uytnemend en Voortreflijck Point is van Onse religie; Een artjcul, daer de H. Paulus nae sijn wysheyt soo veel werck van gemaeckt heeft, en waer in gelegt zijn de gronden van onse Gezeegende Reformatje; daerom verklaeren Wij, dat wij deesen Artjcul altijt nae ons vermogen sillen verdeedigen tegen soo veele Tegenstanders en Vijanden der Genade. Ende derhalven betuigen wij volgens het Oogmerck Paulj 1. Dat hjer alle zeedelijcke Wercken werden uytgeslooten en onse Geregtigheyt voor Godt niet zijn konnen1). 2. Dat regtveerdigen in deesen Artjcul niet anders is als een volkomen vrijspreeckinghe van den Sondaer ende een toereeckeninghe van het regt tot het Eeuwige Leeven, So dat deeze Genade van de Hyligmaekinghe en Heerlijkmaeckinghe moet onderschyden worden. 3: Dat de Eenige verantwoordinghe des Sondaers voor Godts Vijerschaer2) is de voldoeninghe I. Christj nae den Eysch van de Godlycke regtveerdigheyt, soo in sijn doende als in sijn Lydende Gehoorsaemheyt.2) 4. Welcke Gehoorsaemheyt ons moet worden toegereeckent tot rechtveerdigmaekinge. Met dien Mantel der Geregtigheyt moeten wij weesen aengedaen, even als of wij die in ygener Persoon betragt hadden3), welcke toereeckeninghe


1) Catech. Vr. 62. Belijd. Art. 24.
2) Belijd. Art. 22.
3) Catech. vr. 60.

|327|

geschiet zijnde, So werden wij daerdoor Ontheeven van alle Schult, en verbintenisse tot straffe, tijdlycke en Eeuwige. 5. Het Middel nu, waerdoor die toegereeckende Geregtigheyt werd aengenomen, is alleen het ware Geloove, ’t welck hjer maer word aengemerckt als een Instrument, Omdat het Alleen is dat Instrument daer toe van Godt geordonneert om de Geregtigheyt I. Christj aan te neemen en daerom seggen wij, dat wij alleen door ’t Geloove geregtveerdigt werden.4

Dit soo zijnde de Paelen in deese Hoogwigtige leere by de Oude nae den Woorde Gods gestelt, So verbinden wij ons om ons daer bij te sullen houden; Een groot Mishaegen hebbende in die geene, die Andere Weegen daer omtrent inslaen en door andere Stellingen, Reedeneeringen en Spreeckwysen Afwijcken van de Aengenomene Leere.

 

Art. IV. Van de Toereeckeninge der sonde Adams.

Soodaenig is geweest de Conditje van den Eersen Mensch in ’t Paradys en ’t Gebodt des Leevens aen hem gegeeven1), dat hij daer in de Plaetse van ’t Gantsche Menschlycke Geslagte bekleet heeft; So dat hij ’t Beelt Gods en Alle die Gaeven, die hij van Godt ontfing en verloor door syne Sonde, niet alleen voor sig, maer oock voor Alle syne Naekomelingen ontfangen ende verlooren heeft.2) Oversulcx gaet de Sonde van Adam Ons oock aen2), omdat Alle Menschen in djen Eenen Mensche geweest zijn Als Kinderen in de Lendenen van haerer Aller Vaeder3) en als Bont-genooten in ’t Hooft en Principael haeres verbonts, ende alsoo hebben wij alle in Hem gesondigt3).


4) Catech. vr. 60. Belijd. Art. 22.
1) Belijd. Art. 14.
2) Catech. vr. 9.
3) Kort Begryp des Catech. vr. 11.

|328|

Onder de Quade Gevolgen van deese Sonde, die op Alle Kinderen Adams komen, Stellen wij oock de Beroovinge van Godts Beelt ende de Aengeboorne verdorvenheyt4), zynde die de Geestelijcke doot en dienvolgens een Stuck van dat drijgement: Ten daege als gij daer van eet, Sult gij den dood sterven5): welcke daerom van Ons gehouden werdt niet Alleen als een Quaet der Sonde, Maer oock als een Quaet der Straffe, liggende op Alle Menschen, en geen Ander Fundament hebbende als de daedlijcke Overtreedinge Adams. Ende, aengesien wij die niet selve met der daet begaen hebben, So kan de Schult desselfs de Onse niet werden, Als bij weegen van Toereeckeninghe6), welcke toereeckeninghe hjer niet Onijgentlyck en door Middel van de tusschenkomende verdorvenheijt van ons verstaen werd te geschieden, Maer soo dat de Schult van de Ongehoorsaemheyt Adams Eijgentlijck en Onmiddelyck Overgaet en Gemeyn gemaeckt werd aen Alle Menschen, Soo dat wij Alle in Adam Schuldig zijn des Vloecks ende des Eeuwigen doots;7) En door Eene Misdaet de Schult gekomen is over Alle Menschen tot verdoemnisse8). Derhalve Erkennen wy Godt in syn wys Beleyt over den Staet en Val van den Eersten Mensch, niet alleen als een Almagtig Schepper, Maer oock als een Regtveertig Rigter (Want Alle zijne Weegen zijn Gerigte) die nae syn regtveertig Oordeel9) de Schult van sijn Gequetste Majesteyt in die Eerste Overtreedinghe vindt en straft in Alle Menschen met tydlyke en Eeuwige Straffen. Gelyck wij dan oock tot onsen troost hjer tegen van Paulo leeren dat Adam in dit stuck is geweest een Voorbeeldt des Geene, die komen soude10). Soo dat die Twee


4) Catech. vr. 7 en 9.
5) Gen. II:17.
6) Rom. V:13.
7) Syn. Dord. C.I. § 1.
8) Rom. V:18.
9) Deut. XXXII:4. Catech. vr. 10. Syn. Dord. C. III, IV. § 2.
10) Rom. V:14.

|329|

tegen over Malkanderen staen, Adam als ’t Hooft van Alle in ’t Verbondt der Wercken, Christus als Hooft van Alle in ’t Verbondt der Genade. En Gelijck door de Ongehoorsaemheyt van dien Eene veele tot Sondaers gestelt zijn, soo werden door de Gehoorsaemheyt van deesen Eene veele tot Regtveerdige gestelt11). In dier voege, dat, Gelijck de Ongehoorsaemheyt Adams ons toegereeckent werdt tot Schult der verdoemnisse, Alsoo Christj gehoorsaemheyt ons toegereeckent werd tot Ontslaeginge van dien Schult.

Aldus veroordeelen wij (Met de Synode tot Charenton gehouden Ao. 1645) dat gevoelen waerdoor de Erfsonde alleen bepaelt werdt bij de Aengeboorne Verdorventheyt met Uytsluijtinghe van de toereeckeninghe van Adams Schult als Zynde strydig tegen ’t Gevoelen van alle de Protestantsche Kercken.

 

Art. V. Van de werckingen der Goede en Quade Engelen.

Gelijckerwijs Godt van den Beginne aen een Yeder Schepsel sijn Weesen, Gestalte en verschydene Ampten om sijn Schepper te dienen, gegeven heeft1), Soo Gelooven Wij, dat Godt met deselve oock in den Beginne geschaepen heeft de Engelen, Zijnde Selfstandige Geesten, die Hij begaeft heeft met Wille en Verstant wardoor Sij reedelycke Schepselen zijn; daer en boven aen haer Mededeylende een Vermogen2) door ’t welcke Sij bequaem zijn om buyten haer selve op Andere Schepselen eenige Werckingen uyt te voeren ’t Zij op de Geesten als haers gelycke, ’t Zij op de Lighaemen, als zijnde Oneedelder schepselen dan Sij selve, Opdat Sij also het Eijnde van haere Scheppinge


11) Rom. V. 19.
1) Belijd. Art. 12.
2) ibid.

|330|

’t welk is Gods Sendboden te zijn en Syne Uytverkoorne te dienen3) souden konnen bereycken. Ende Hoewel Sy Alle Goet geschapen zijn3), So is nogthans maar een Gedeelte van hen door de Genade Gods in haerer Eersten Staet Volhardende en Staende gebleeven4); Welcke Gelijck Sij van den Beginne gebruyckt zijn, Alsoo nog van Godt gebruyckt worden, In den Heemel om Godt te dienen en op der Aerde om syn Kercke by te staen, So datse niet bij weegen van verbloemde Spreeckwysen of een Hemelstaetige Omschrijvinge, Maer in der Daet en Waerheyt dat Ampt waerneemen, om nae Godts Bevel syn Kercke ende de Leeden van djen te bewaeren, te beschermen en te verlossen, en daer en tegen Wraecke en Straffe te oefenen op haere Vijanden en Vervolgers. Een ander Gedeelte van haer is van die Uytneementheijt, in welcke haer Godt geschaepen hadde, vervallen in het Eeuwige Verderf5); Waer van het Hooft in Godts Woort genoemt werd Beëlzebul6), den Draeck en de Duyvel7) bij Uytnemendheyt, tot welcke sig oock de Andere Duyvelen en Boose Geesten8) in dien val hebben vervoegt en zijn daerom door haer ijge boosheijt veroordeelt tot de Eeuwige Verdoemnisse9), waer van sy reets de beginselen gevoelende als nog daeglijcx verwagten haere verschricklycke Pijniginghe9), ende de Volkomene Exsecutje van haere Vonnis, Hebbende ondertusschen nog zoo veel respijt, dat sij de Gelovige hjer op Aerde als Doot-Vijanden sonder ophouden Aenvegten10). Ende gelijck haer Hooft Adam in ’t Paradijs door syn Arglistigheijt verleijdt heeft11), Misbruyckende daertoe de Natuyrlycke Slange als een Wercktuig, als mede I. Christum in de Woestijne door verschyde versoeckingen,


3) ibid.
4) ibid.
5) ibid.
6) Matth. XII:24.
7) Apoc. XII:7.
8) Matth. XXV:41.
9) Belijd. Art. 12.
10) Catech. vr. 127.
11) Catech. vr. 9. Belijd. Art. 14.

|331|

hoewel Vrugteloos, heeft Aengetast, Soo is ’t dat hij en Alle syne boose Geesten nog daeglijcx als Vijanden Gods ende alles goets, met Alle haer vermogen als Moordenaers op de Kercke en Yder Lidtmaet Van djen loeren om Alles te verderven en te verwoesten door haere Bedriegerijen12). In welcke Woedinghe sij nogthans altijt vast leggen aen de Keetenen van Godts Voorsienigheyt ende de Macht Christj. En of schoon Godt door sijne bysondere Genade omtrent syn Kercke haer op d’ eene tijt naeuwer gebonden houdt, ende op d’ andere tijt nae syn regtveerdig Oordeel over de Weerelt haer meer Vrijheyt geeft, en als ’t waere ontbindt, So is dit altyt seecker, dat sy noyt yets sonder de Wille Godts en tot het verderf der Uytverkoorne en konnen uytvoeren. Ende Niet tegenstaende wij soo klaer niet konnen bevatten de Wyse van Werkinghe en Manjere van Influentje, door welcke een Geest werckt op een Geest of een Geest op een lighaem, Niet te min erkennen en belijden Wij deese dingen als de Volstandige Leere van ’t Woort Godts, Willende niet curjeuslijck ondersoecken meer dan Ons begrijp verdraegen kan, Ons te Vreede houdende liever Leerjongers Christi te zijn, Om alleen te leeren ’t geen hij ons aenwijst in Sijn Woort, Als dat wij dese Paelen souden overtreden13) en door de vonden van ons verstant ’t Heele Woort Godts verdagt en Kragteloos maecken. Ende Willen altijt daer toe Malkanderen en Alle Geloovigen met allen Ernst vermaenen, sig Naeuwe te Wagten voor alle Sorgloosheijt ontstaende uyt klijnagtinge van deese boose Vijanden, Maer geduyriglyck in Vreesen en beeven met bidden en Waeken tegen haere Listige en


12) Belijd. Art. 12.
13) Belijd. Art. 13.

|332|

Geweldige Aenslaegen op haere hoede te zijn. Ten Eynde wij in dese Geestelijcke Strydt niet Onderleggen, Maer altijt goede Wederstant doen, tot dat Wij eijndelijck ’t eenemaal d’Overhant bekomen.14

Dit soo in Substantje omtrent de Werckingen der Geesten altyt geweest zijnde de leere van de Gereformeerde, jae van de geheele Christelijcke Kercke, Gedurende de tijt van 1600 jaeren, Soo veroordeelen wij alle die Groove dwalingen en Ongodlycke Leerstucken, de welcke hjer tegen strydende Huyden ten daege door Scriften of reedenen onder de Christenen werden gedreeven en Voortgezaijt.


14) Catech. vr. 127.

Biesterveld, P./Kuyper, H.H. (1905) Reg.

|333|

Register

 

A.

Aalmoezen, hoe in te zamelen, 75, 130, 146; — hoe uit te deelen, 72, 147.
Aalmoezeniers, correspondentie van diakenen met, 198, 232.
Acta, van kerkeraadsvergaderingen, 20, 64, 67, 103, 104, 179, 199, 234, 235; — van classes, 150, 179, 199, 202, 238; — van Synoden, 57, 59, 60, 108, 109, 150, 164, 165, 199, 202, 234, 235, 238; van de Dordtsche Synoden van 1618 en ’19, 291, 292.
Afkondigingen van verkoopingen enz., Aan de Overheid verzoeken die te verbieden, 75; — van ondertrouwden, zie Huwelijk.
Afsnijding, zie Tucht.
Aftreding van ambtsdragers, zie Dienaren, Diakenen, Ouderlingen.
Apostelambt, opgehouden, 98.
Appel, op meerdere vergaderingen, 102, 127, 128, 148, 199, 234.
Approbatie van uit te geven boeken, 47, 112, 152, 205, 241; — van de Kerkenordening, zie Bepalingen; van Verkiezingen door de Overheid, zie Dienaren.
Artikelen des geloofs, 74.
Attestatiën door den Kerkeraad aan vertrekkende Lidmaten mede te geven, 159, 213, 249; — hoe in te richten, 213, 249; — wat op de attestatie moet aangeteekend worden, 45, 46, 104, 159; — aan haastig vertrekkende lidmaten, 104; — onderzoek naar de redenen van het vertrek, 45; — aan vertrekkende arme lidmaten, 45, 104, 159, 164, 213, 249; — geattesteerden moeten toegelaten worden tot het Avondmaal, 115, 153, 206, 243; — voor Dienaren des Woords, 67, 98, 162, 194, 227.

|334|

Avondgebeden, vrijgelaten, 112, 154, 207, 243; — waarom af te schaffen, 76; — niet in te voeren, 112, 154; — hoe in te richten, 112; — hoe alleen af te schaffen, 113, 154, 207, 243.
Avondmaal, alleen te bedienen waar een vorm van kerk is, 81, 117, 154, 207, 243; — private viering, 183, 188; — in de heimelijke gemeenten, 167; — hoe dikwijls en wanneer te bedienen, 26, 27, 81, 117, 153, 167, 207, 243; — op de christelijke feestdagen, 134, 135, 207, 243; — tijd van bediening 14 dagen van te voren af te kondigen, 25; — toelating tot het Avondmaal, 25, 26, 81, 100, 115, 135, 153, 166, 206, 242; — van geattesteerden, 115, 153, 206, 243; — niet toe te laten die de vragen niet willen beantwoorden, 135; — over de toelating van lombardiers, 93; — hunne vrouwen en knechten, 188; — kranken en de Avondmaalsviering, 183; — melaatschen bij de Avondmaalsviering, 183; — wijze van bediening van het Avondmaal vrij gelaten, 5, 26, 83, 116, 153, 154, 167, 207, 243; — de elementen en hunne behandeling, 26, 39, 134, 183, 188; — gebruik van oblaten, 134; — Avondmaalsformule, 26, 83, 116, 167; — wat onder het communiceeren geschieden zal, 84, 117, 167; — lezen van het formulier, 207, 243; — Dienaren moeten altijd mee communiceeren, 188; — Voorbereiding voor het Avondmaal, 82, 83, 116, 166; — Avondmaalspredicatien, 27, 83, 116, 167; — Dankzegging na het Avondmaal, 84 167; — ’s namiddags predicatie over den Catechismus, 84, 116, vrijgelaten 167; — huisbezoek vóór het Avondmaal, 16, 116, zie verder: Huisbezoek; — de Dienaren en Kerkeraden zijn verplicht na te gaan of de lidmaten getrouw communiceeren, 82; na Synodale vergaderingen, 60, 108, 178.

 

B.

Bediening des Woords, zie Dienaren.
Beheer, van gelden voor den Kerkedienst 22; — van armengoederen, 22, 72, 198, 232.

|335|

Bepalingen (kerkelijke), aangaande welke stukken de Kerkenorde heeft te bepalen, 142, 191, 225; — door wie te maken of te veranderen, 33, 48, 159, 160, 190, 214, 249, 251; — kerkelijke geldigheid, 9, 18, 33, 48, 103, 148, 159, 160, 178, 190, 193, 199, 214, 227, 234, 249, 262; — of zij met de Schrift moeten bevestigd worden, 49, 127; — politieke approbatie, 127, 161, 171, 218, 219, 252; — onderteekening, 66, 71, 99, 162, 183; — belofte der Ouderlingen om naar de bepalingen te regeeren, aan te teekenen in het Kerkenboek, 183; — in elke kerkeraad en in elke classis moet een exemplaar aanwezig zijn 62; — samenstelling van een corpus disciplinae, 161, 171.
Beroeping, zie Dienaren.
Besluiten der meerdere vergaderingen, bindend voor alle kerken, 178.
Bid- en Vastendagen, wanneer te houden, 7, 69, 76, 77, 117, 154, 178, 179, 208, 244; — hoe uit te schrijven, 77, 154, 208, 244; — hoe in te richten, 77, 117, 167; — niet op Zondag te houden, 118; geen huwelijken op deze dagen bevestigen, 27, 84, 121.
Bidstonden, elke week te houden, 13.
Boeken, (kerkelijke) Doopboeken, 24, 64, 104, 153, 206, 242; — van toegelatenen tot het Avondmaal, 24, 25, 64, 104, 164; — van getrouwden, 64, 104, 164; — van overledenen, 24, 64, 104, 190; — van hen die geen professie gedaan hebben, 190; — van Kerkeraadsacten, 20, 64, 67, 104, 179, 199, 234, 235; — van Classicale acten, 150, 179, 199, 202, 238; — van Synodale acten, 57, 59, 60, 108, 109, 150, 164, 165, 199, 202, 234, 235, 238.
(Kettersche), maatregelen tegen het drukken en lezen van kettersche boeken, 62, 63, 181, 182.
(Aanbevolen), zorg voor en aanbeveling van goede boeken, 63, 131, 172, 173; — vertaling van goede boeken, 131, 132, 176, 177.
Borden, in de Kerkgebouwen, 14.
Bijbelvertaling, 49, 87, 131.

|336|

 

C.

Canones van Dordrecht, vertaling, 271, 272, 273; — Onderteekening, 269, 277, 278.
Catechisatiën, noodzakelijk, 15; — wijze van catechiseeren, 15; — censureeren wie weigert zijne kinderen te laten catechiseeren, 16.
Catechismus, van Genéve, 15, 36, 111, 165; — van Beza, 176; — van Heidelberg, 8, 15, 26, 36, 62, 111, 165, 208, 209; — kleinere catechismi, 282, 283; — onderteekening van den Heidelbergschen Catechismus, 205, 241, 257, 263, 269; — de Catechismus op de Scholen, 69; — prediking over den Catechismus, 62, 87, 116, 208, 209, 244; — proeven van uitlegging op de classis, 87; — homoliën over den Catechismus, 87, 176.
Censura fraterna, wanneer te houden, 115, 159, 166; — waarover zij gaat, 115, 159.
Censuur, zie Tucht.
Censuur, aan het einde der kerkelijke vergaderingen, 106, 150, 202, 237.
Classis, samenstelling, 3, 36, 104, 111, 149, 164, 201, 236; — hoe vaak zij vergaderen, 32, 36, 65, 105, 149, 236; — plaats van vergadering, 32, 65, 105, 190, 236; — afvaardiging naar de classis, 105, 149, 164, 201; — credentiebrieven en instructiën, — zie: Vergaderingen; — moderamen, 56, 105, 149, 201, 236; — werkzaamheden, 2, 8, 11, 18, 23, 30, 32, 33, 37, 44, 47, 53, 56, 57, 63, 65, 67, 68, 96, 97, 101, 105, 106, 127, 129, 130, 136, 139, 149, 150, 158, 162, 165, 169, 171, 192-195, 202, 207, 216, 218, 226-230, 235, 236, 237, 238, 243, 247, 248, 254, 256, 257, 258, 259, 260, 265, 270, 278, 313; — wie keurstem hebben, 105, 164, 237, 257; — ouderlingen uit kleine Kerken mogen om de kosten niet wegblijven, 180; — moeten bepalingen intrekken die strijden tegen besluiten den Synoden, 187; — korte predicatie, 56, 105, 150, 178, 202, 237; — rondvraag, 56, 105, 149, 150, 201, 236; — zorg voor de acta, 202;

|337|

— gedeputeerden, 202; — censuur aan het slot der vergaderingen, 106, 150, 202, 237; — zeggenschap over de kerkeraden, 235.
Collecten, 75, 130.
Colleges (van wetenschappen, 2.
Collegia voor arme studenten, 181.
Combinatie van kerken tegen te gaan, 218.
Comediën, het spelen van geestelijke comediën tegen te gaan, 133, 186.
Confessie, vaststelling en uitgave, 7, 35, 111, 181, 252, 273; — veranderingen in de Confessie, 273, 274; — een exemplaar dient in elken kerkeraad en classis aanwezig te zijn, 62; — onderteekening van de Confessie, 257, 263; — onderteekening door Dienaren des Woords, 35, 66, 99, 111, 152, 162, 204, 240, 269; — door Ouderlingen, 71, 111, 152, 278; — door Diakenen, 71, 152; — door krankbezoekers, 278; — door Hoogleeraren, 111, 152, 205, 240, 278, 277; — door schoolmeesters, 69, 152, 205, 240, 278; — hoe te handelen wanneer Dienaren de onderteekening weigeren, 205, 240, 241.
Correspondentie, van kerken onderling, 45; — van Synoden, 239, 255; — met Waalsche kerken, 204, 240; — met buitenlandsche kerken, 262.
Credentiebrieven, 102, 148, 199, 201, 234, 236.

 

D.

Dansen, met afhouding van het Avondmaal te straffen, 136, 137.
Diaconessen, 21, 175.
Diakenen, hun ambt en vereischten, 20, 21, 22, 72, 78, 101, 129, 146, 147, 175, 187, 190, 197, 198, 232; — hoe velerlei soort, 20, 21; — getal, 20; — verkiezing enz. 20, 37, 70, 71, 89, 96, 100, 146, 173, 188, 189, 197, 315; — uitzonderingsbepaling voor de verkiezing in plaatsen waar gemeenschap met de Overheid in armengoederen is, 71; — aftreding, 23,

|338|

37, 38, 71, 89, 101, 147, 198, 233, 314, 315, 316; — ontslag, 23; — verlaten van dienst, 23; — inzamelen en uitdeelen der aalmoezen, 72, 75, 130, 146, 147; — te verleenen hulp: 21, 45, 72, 101, 104, 146, 147, 159, 164, 197, 198, 213, 232, 249; — bezoldiging, 316, 317, 318; — vergaderingen, 63, 72, 101, 149, 201, 236; — Dienaren des Woords bij de vergaderingen, 201, 236; — zitting in den Kerkeraad toegelaten, 36, 63, 96, 143, 163, 192, 196, 201, 226, 227, 228, 231, 235, 236, 258, 259; — zijn rekenschap schuldig aan den Kerkeraad, 20, 72, 147, 198, 232; — de gemeente bij de rekening tegenwoordig, 72, 147, 198, 232; — rekenschap aan de Overheid 72; — hoe te handelen als de Overheid den dienst der Diakenen verhindert, 130, 131; — onderteekening van de Confessie, 71, 152; tucht over Diakenen, 42, 125, 212, 213, 248; — of afgezette Diakenen weer verkiesbaar zijn, 170; — of gewezen geestelijke personen, die hunne beneficien behouden, verkiesbaar zijn, 187; — of bastaarden toe te laten zijn, 187, 188; — hulp aan armen, die uit andere kerken gekomen zijn, 45, 46, 48, 49; — hulp aan vertrekkende armen, 46; — Correspondentie met aalmoezeniers, 198, 232; — vrouwen van Diakenen, 129, 175.
Dienaren des Woords, hun ambt en vereischten, 9, 40, 78, 88, 129, 144, 174, 195, 216, 230; — Opleiding (ook beurzen, collegien enz.), 1, 2, 13, 43, 110, 145, 146, 180, 181, 190, 196, 231; beroeping van die in den Dienst nog niet geweest zijn, 143, 192, 258; — hunne verkiezing, door wie, 6, 37, 65, 96, 98, 99, 128, 143, 162, 193, 226, 258; — de Overheid en hunne verkiezing, 6, 96, 128, 226, 258; — uit een dubbeltal, 6; — oordeel der classis, 143, 192, 226; — na bidden en vasten, 7, 69, 192, 226; — hoe plaatsen waar de kerk niet is geinstitueerd of waar het volk niet geschikt is om te kiezen, 7; — hun examen, door wie af te nemen, 8, 38, 65,

|339|

96, 130, 143, 161, 162, 173, 190, 192, 226, 258; — waarover het gaat, 7, 8, 143, 173, 192, 226, 258; — niet aan vasten vorm te binden, 173; — ten overstaan van Deputaten Synodi, 239, 260; — stem der Ouderlingen, 130, 190; — examen van Candidaten der Universiteit, 161, 162; — examen van Dienaren die in den Dienst zijnde nog niet geëxamineerd waren, 66; — examen van Dienaren die niet ten volle zijn geëxamineerd, 161; — de approbatie, door wie, 8, 36, 65, 96, 97,143, 173, 192, 226, 258, 259; — van hen die geene wettige getuigenissen kunnen overleggen, 162; — de bevestiging, stipulatien, 8, 9, 97, 143, 162, 192, 226, 259; — handoplegging, 8, 38, 69, 70, 97, 143, 173, 174, 192, 226, 227, 259; — formulier, 192, 226, 259; de beroeping en bevestiging van Dienaren die alreeds gediend heben, 96, 143, 173, 174, 193, 227, 259; — recht van presentatie, 227; — toelating van niet gestudeerden, 68, 228, 256, 257; — van nieuwelingen, monniken, enz., 68, 95, 96, 143, 192, 228, 264; — van blinden, 174; — van bastaarden, 187, 188; — aan ééne kerk verbonden, 38, 42, 43, 66, 97, 128, 129, 144, 175, 193, 227, 228; — voor het leven aan den kerkedienst verbonden, 98, 144, 162, 194, 229; — ook die hun dienst een tijdlang onderlaten blijven aan de beroeping onderworpen, 162, 195, 229, 230; — hoe te handelen als Dienaren tot een anderen staat des levens overgaan, 194, 229; — losmaking, 23, 175; — verplaatsing, 130, 189, 194; — onderlaten van den dienst, 23; — indringen in den kerkedienst, 38, 67, 99; — indringen in andere kerken, 139, 140; — prediken in andere kerken, 38, 144, 195, 230; — vertrek en ontvangst van Dienaren, 66, 67, 98, 194, 218, 228, 229; — oordeel des classis over voorwaarden den Dienaar gesteld, 129; — reizende Dienaren, 98, 144, 193, 195, 230; — Dienaren in heerlijkheden, enz. 98, 99, 162, 163, 193, 227; — Dienaren in dienst van buitenlandsche Kerken, 42, 43; — van Vlaamsche geboorte, 128, 129; — werk

|340|

van een Dienaar om eene kerk te vergaderen, 163, 228; — onderhoud, 43, 44, 98, 130, 145, 194, 229;— over het bekleeden van andere betrekkingen, 88, 129, 216; — vrouwen der Dienaren mogen geen winkelnering hebben, 88; — tucht over de Dienaren, 30, 31, 32, 42, 99, 125, 212, 213, 248; — hoe te handelen als een Dienaar onder suspicie valt, 172; — die zich niet onder eene classis willen stellen, 127; — niet lichtvaardig beschuldigingen aannemen tegen een Dienaar, 99; — of afgezette Dienaren weer verkiesbaar zijn, 170; — afzetten en Overheid, 128; — hoe te handelen met die zuiver zijn in de leer, maar zonder gaven, 129; — gelijkheid der Dienaren, 35, 126, 144, 145, 159, 195, 211, 231, 248; — onderteekening van de Confessie, 35, 66, 99, 111, 152, 162, 204, 240, 269; — emeritaat, 98, 145, 194, 195, 229; — weduwen en weezen, 145, 195, 229; — hoe te handelen in Kerken, waar de Dienst des Woords niet kan worden ingericht, 44; — ordonnantiën betreffende den Dienst des Woords, 72 – 77.
Diensten, hoe velerlei, 5, 142, 191, 225.
Doctoren en Professoren, 3, 9, 25, 47, 112, 142, 145, 152, 190, 191, 106, 204, 225, 226, 230, 241, 264, 265, 266, 276, 277.
Doop, door wie te bedienen, 24, 80; — door „Papen”, 89, 261; — door „vagebunde Priesters”, 182; — door monniken, 182; — door geëxcommuniceerde Dienaars, 262; — door Wederdoopers en Mennonieten, 182, 261, 262; — door Ouderlingen, 134; — door vrouwen, 89; — aan wie te bedienen, 50, 51, 52, 53, 133, 176; — van kinderen van geëxcommuniceerden, hoereerders, papisten, 89, 133; — van kinderen van ouders die der religie vreemd zijn, 176; — van volwassenen, 133, 134, 242, 261, 263; — waar te bedienen, 24, 78, 114, 152, 205, 241, 263, 264, 281; — private doop, 24, 133, 134, 183, 281; — van kranke kinderen en van veroordeelde misdadigers, 263, 264; — wanneer in de godsdienstoefening te bedienen, 79;

|341|

— zoo spoedig mogelijk te bedienen, 78 113, 152, 205, 206, 241; — presentatie voor den Doop, 114, 152, 166, 206, 242; — vaders dienen bij den Doop tegenwoordig te zijn, 79, 114; — doopgetuigen, 24, 38, 39, 51, 52, 79, 114, 134, 152, 153, 176, 206, 242; — besprenging, 38, 80; — vragen bij den Doop, 80, 166, 263; — doopsformulieren, 24, 81, 114, 153, 206, 242, 263, 278, 281; — namen, 114, 166; — doopboeken, 24, 64, 104, 153, 206, 242; — quaestien bij reeds toegedienden doop, 89, 134, 182.
Dooperschen, hoe te weren, 87, 88, 132, 133, 171.
Drukken, van kettersche boeken ongeoorloofd, 180, 181, 182.

 

E.

Evangelistenambt, opgehouden, 98.

 

F.

Feestdagen, welke en waarom te vieren, 77, 118, 155, 208, 244, 261.
Formulieren, van den h. Doop, 24, 81, 114, 153, 206, 242, 263, 278, 281; — van het h. Avondmaal, 207, 215, 243; — van den Ban, 158, 169, 170, 211, 212, 247, 248; — van bevestiging van ambtsdragers, 192, 197, 226, 231.
Formuliergebeden, 13, 73, 74, 183.

 

G.

Gebeden, openbare gebeden moeten in overeenstemming zijn met het onderwerp der predicatie, 13.
Gecommiteerden, voor de verzorging van den kerkedienst, 22.
Geldhandel, 53, 310-313.
Gelijkheid, der Dienaren en der Kerken, 33, 35, 126, 144, 159, 195, 213, 231, 248.

|342|

Geschiedenis, der Ned. Kerken, 46, 47, 131, 132, 218.
Gestorvenen, hun namen opteekenen, 24, 64, 104, 190; — rouw dragen over gestorvenen, 135.
Getuigen, hooren en beëedigen van getuigen in den Kerkeraad, 49; — bij den Doop, zie: „Doop".
Gezangen, welke toe te laten zijn, 73, 155, 245, 261.
Godsdienstgesprekken, met tegenstanders der belijdenis, 87, 88, 132, 133, 171.
Goederen, kerkelijke en geestelijke, 22, 23, 145; — van de armen, 71, 197, 232.

 

H.

Handoplegging, zie: Dienaren (bevestiging).
Hofpredikers, zie: Dienaren.
Hoogescholen, 96, 111, 161, 180, 264-266.
Hoornsche tuchtzaak, 275, 267, 280, 281.
Huisbezoek, door wie, wanneer, en waarover het gaat, 9, 16, 25, 63, 115, 116, 133, 146, 197, 232.
Huwelijk, ten deele kerkelijk en ten deele politiek, 63; — onderzoek aan de afkondiging voorafgaande, 27; — afkondiging, 27, 40, 85, 86, 121, 156, 184; — wanneer te bevestigen, 27, 75, 84, 121, 135, 168; — waar te bevestigen, 86, 156, 184; — huistrouw, 85; — bewilliging der ouders, 39, 85, 120; — ondertrouw, 39, 40, 119, 121, 155, 156; — heimelijke beloften, 119, 155; — verboden huwelijken, 120; — met die aan de Geref. kerk vreemd zijn, 267; — van gedoopten met ongedoopten, 217; — van geëxcommuniceerden, 137, 267; — van onbekende vreemdelingen, 120; — van wettig gescheidenen, 156; — burgerlijk huwelijk, 135, 136; — overspel, 122, 217; — echtscheiding, 27, 86, 87; — bezwaren met de Overheid samen te beslissen, 122, 183, 184, 209, 245; — hertrouw, 85, 120, 121, 122, 156; — huwelijksquaesties, 49, 54, 55, 89, 90, 91, 92, 93, 136, 168, 175, 176, 184, 185, 216, 217, 218, 219, 262, 313.

|343|

 

I.

Indringers, in kerkelijke bedieningen, zie: Dienaren.
Instructiën, 102, 148, 199, 203, 234.

 

J.

Jus Patronatus, 252-254.

 

K.

Kerk, eerste inrichting eener Kerk, 100, 163, 200.
Kerkenordening, zie: Bepalingen.
Kerkeraad, in elke kerk moet een kerkeaad zijn, 101, 102, 149, 200, 235; — samenstelling, 11, 36, 63, 96, 143, 149, 163, 192, 196, 200, 226, 228, 231, 235, 236; — vergadering, 19, 36, 64, 102, 189, 200, 234, 235; — werkzaamheden, 28, 29, 40, 63, 65, 70, 73, 96, 102, 103, 112, 115, 123, 143, 159, 192, 210 v.v., 226, 228, 231, 235, 246; — praesideeren van den Kerkeraad, 64, 103, 149, 200, 235; — hoe de besluiten te nemen, 103; — alle leden tot de vergadering op te roepen, 189; — getuigen in den Kerkeraad, 49; — en Overheid, 200, 233, 235; — hoe waar geen kerkeraad is, 100, 193, 201, 206, 235; — notulen, zie: Boeken.
Kerkgezang, borden in de kerken, 14; — zingen van alle psalmen, 14.
Kinderen, van geëxcommuniceerden, of zij buiten het verbond zijn, 186.
Klokluiden, bij begrafenissen af te schaffen, 76, 77 113.
Krankenbezoek, 18, 21 78; — roeping der Dienaren, 21, 78; — bezoek der pestkranken, 88.
Krankenbezoekers, onderteekenen de formulieren van eenigheid, 278.

 

L.

Leer, zaken de leer betreffende het eerst op de Synoden te behandelen, 107; — de stukken der leer, uiteengezet in de Walchersche art., 319 v.v.

|344|

Lezing, van Gods Woord, voor den Dienst, 13, 14, 74.
Liturgie, op de Dordtsche Synode, 291.
Lijkpredicatiën, niet in te voeren, 113, 154, 208, 244; — af te schaffen, 76, 113, 154, 208, 244; — hoe in te richten waar ze nog moeten geduld worden, 113; — de dankzegging bij de begrafenis niet meer te drukken, 183.

 

M.

Martelaarsboek, 131.
Mendacium officiosum, 215.
Middelmatige dingen, in het algemeen, 4; — in de Doopsbediening, 5, 38; — in de Avondmaalsbediening, 5, 6, 116; — in deze stukken anderen niet te verachten, 117, 154, 214, 249; — behoeven niet uit Gods Woord bewezen te zijn, 49, 127.
Minderjarigheid, hoe lang zij duurt, 168.
Monniken, zie: Dienaren.

 

N.

Nieuwelingen, zie: Dienaren.

 

O.

Onderteekening, van de belijdenisgeschriften, zie: Confessie enz.
Ondertrouw, zie: Huwelijk.
Onderwijs, zie: Scholen en Hoogescholen.
Onderzoek, het korte onderzoek des geloofs toe te laten, 62, 111, 165; — eene uitdrukking daarin te veranderen, 174.
Openbare belijdenis, al of niet voorgeschreven, 81, 82, 115, 166; — wanneer af te nemen, 115, 166.
Openbare verzoening, 40, 41, 93, 124, 125, 137, 138, 139, 158, 184, 186, 210, 211, 217, 246.
Openbare zonden, zie: Tucht.

|345|

Orgels, in de kerk, 76, 119, 167, 168.
Ouderlingen, hun ambt en vereischten, 16, 17, 18, 19, 40, 78, 129, 130, 134, 142, 144, 146, 175, 187, 190, 192, 193, 197, 226, 230, 231, 232; — verkiezing, 17, 70, 100, 146, 188, 189, 196, 197, 231; — approbatie, 146, 197, 231; — bevestiging, 17, 18, 71, 146, 231; — aftreding, 23, 71, 89, 101, 130, 147, 233, 314, 315, 316; — ontslag, 23; — bij het examen der Dienaren, 130; — vermanen der Dienaren, 186, 187; — bij de propositiën, 190; — niet te belasten met de bezorging der kerkelijke goederen, 22; — onderteekening van de Confessie enz. 71, 111, 152, 278; — of zij de kerkenorde moeten onderteekenen, 185; — bezoldiging, 316-318; — tucht over ouderlingen, 19, 30, 42, 125, 212, 248; — of een ouderling kan dienen die eene kwade huisvrouw heeft, 129, of eene vrouw die geen lidmaat der kerk is, 175; — of afgezette ouderlingen weer verkiesbaar zijn, 170; — of gewezen geestelijke personen die hunne beneficiën behouden, verkiesbaar zijn, 187; — of Overheidspersonen verkiesbaar zijn, 187; — of bastaarden toe te laten zijn, 187.
Overheid, en autorisatie van kerkelijke bepalingen, 127, 161, 171, 218, 219, 252; — en approbatie van Dienaren, zie: Dienaren; — in kerkelijke vergaderingen, zie: Vergaderingen; — bevorderen de zaken door de keren gewenscht, 233, 260; — roeping der kerkedienaren jegens de Overheid, 233, 260; — request der Dordtsche Synode over de grieven der kerken, 283-290.

 

P.

Particuliere Synode, zie Synoden.
Prediking, inhoud, 12; — tekstkeus, 73, 112, 165, 235; — manier, 11, 12; — niet te lang, 12, 73; — aanhaling van schrijvers, 141; — zonden beschrijven op den predikstoel, 215; — op de classicale vergaderingen, zie: Classis. Zie verder: Dienaren.

|346|

Priesters, die zich willen reformeeren, 174, 175.
Professoren der Theologie, hoe zij hebben te onderwijzen, 266; — wie hunner mogen prediken, enz. 111; — stemrecht op classes en Synoden, 111, 190; — onderteekening van de Confessie, enz. 111, 152, 205, 240, 276, 277. Zie verder: Doctoren.
Profeten, hun taak, 9, 10; — hoe de profetiën in te richten, 10, 11; — wie tot dit werk moeten toegelaten worden, 10; — wanneer zij zitting hebben in den Kerkeraad, 10, 19, 25, 28.
Propositiën, waar en waartoe in de richten, 12, 13, 47, 68, 110, 146, 196, 231; — in het privé, 228; — ouderlingen bij de propositiën, 190.
Psalmberijming, van Datheen, 14, 74, 118; — eene verkorte uitgave toegestaan, 182; — alleen psalmen te zingen, 74, 118, 155, 182, 209, 245.
Psalmgezang, hoe in te richten, 14. Zie ook: Kerkgezang.

 

R.

Regeering (kerkelijke), gelijke regeling noodig.
Register, van Dienaren die geen dienst hebben, 43; — van die tot den kerkedienst bekwaam zijn, 43.
Rouwdragen, over vrienden, 135.

 

S.

Sabbath, noodzakelijkheid van de onderhouding van den Sabbath, 267; — regelen voor de onderhouding van de Sabbath, 84, 268, 269; — verzoek om plakkaten tegen de ontheiliging van den Sabbath, 75, 177, 267.
Scheurmakers, zie: Dienaren.
Scholen, zorg voor de scholen, 68, 69, 110, 196, 231; — schoolordening, 221-224.
Schoolmeesters, hun werk, 145, 196, 221-224, 231; — examen, 163, 181; — onderhoud, 69, 180; — ontslag, 69; — lid van de kerk, 181; — onderteekening van de Confessie, enz. 69, 152, 205, 240, 278.

|347|

Spelen, van geestelijke comediën, zie: Comediën.
Studenten, zorg voor het onderhouden van Studenten, 43, 48, 145, 146, 180, 181, 196, 231; — moeten in het proponeeren geoefend worden, zie: Propositiën.
Superintendenten, 178.
Synoden, particuliere, samenstelling, 36, 57, 106, 150, 203, 238; — credentiebrieven, zie: Vergaderingen; — wie keurstem hebben, 59, 106, 179; — afgevaardigden, 178, 203, 216, 238; — hun taak in den eersten tijd, 3; — opening, 58, 106, 164; — praeses, enz. 58, 59, 107, 164, 165 — orde van vergadering, 58, 107, 165; — sluiting, 60; — notulen, zie: Acta; — deputaten, 239, 255, 260; — bepalingen, 57-60; — Avondmaal na de Synode, 60, 108, 179; — de particuliere Synode vóór de generale Synode, 109; — roepende kerk, 59, 60, 108, 150, 165, 203, 238; — samenkomst van particuliere Synoden in ééne provincie, 189; — correspondentie met andere Synoden, 238, 255; — als Ouderlingen niet willen komen, 190; — vergaderen jaarlijks, 16, 106, 150, 151, 203, 238; — Nationale, wanneer te houden, 109, 151, 180, 203, 239; — hoe samen te stellen, 60, 151, 239; — wie keurstem hebben, 179; — afgevaardigden, 109, 178, 203, 239; — vastendag bij vergadering der Synode, 178, 179; — ketters op de Synode te roepen, 177, 178; — roepende kerk, 204, 291; — buitengewone samenroeping, 110, 203, 204, 239; — regeling voor de Waalsche kerken, 151, 204, 240; — uitnoodiging van Ned. kerken in het Buitenland, 291.

 

T.

Toelating tot het Avondmaal, wie alleen mogen toegelaten worden, 100, 153, 206, 242; — over welke stukken moet onderzocht worden, 25, 26, 115, 135, 153, 166; — voor wie het onderzoek plaats vindt, 25, 81, 115, 166; — niet toe te laten die de vragen niet

|348|

willen beantwoorden, 135; — inschrijving in het lidmatenboek, 26; — uit andere kerken, 115, 153, 206, 243; — Zie ook: Avondmaal.
Tucht, kerkelijke, noodzakelijk, 28, 40, 56, 105, 122, 123, 149, 157, 195, 201, 209, 210, 220, 245; — karakter en doel, 28, 123, 157, 209, 210, 245; — door wie te oefenen, 28, 29, 40; — wanneer toe te passen, 29, 40, 53, 54, 82, 123, 135, 137, 140, 157, 176, 192, 210, 215, 226, 246, 313; — over heimelijke zonden, 29, 40, 123, 157, 210, 246; — over openbare zonden, 29, 30, 40, 140, 141, 157, 210, 246; — wanneer zonden in vergetelheid zijn gekomen, 137; — over die het „pardoen” gehaald hadden, 93, 137; — over die tot de Mennonieten vervallen zijn, 93; — over die tot ketterij vervallen, 186; — over Doopleden, 138; — voorafgaand onderzoek en vermaan, 29, 40, 49, 90, 123, 157, 168, 169, 191, 210, 211, 220, 246; — de afhouding van het Avondmaal, 29, 41, 42, 84, 85, 90, 93, 123, 125, 137, 140, 157, 168, 186, 188, 211, 216, 246; — de excommunicatie, 28 v.v., 41, 42, 52, 82, 93, 124, 140, 158, 169, 186, 211, 246; — formulieren van den ban, zie: Formulieren; — Openbare verzoening, 40, 41, 93, 124, 125, 137, 138, 139, 158, 184, 186, 210, 211, 217, 246; — beroep op meerdere vergaderingen, 30, 67, 68, 102, 127, 128, 148, 199, 234; — tucht over ambtsdragers, 30, 31, 32, 42, 52, 53, 67, 88, 89, 99, 125, 128, 142, 143, 158, 159, 172, 189, 191, 192, 205, 212, 213, 248; — bijzondere tuchtquaesties, 52, 53, 54, 55, 93, 140.

 

V.

Vacante Kerken, 43.
Valsche leering, zie: Kettersche boeken.
Vasten, zie: Bid – en Vastendagen.
Verborgen zonden, zie: Tucht.
Vergaderingen, kerkelijke, getal, 102, 147, 198, 233;

|349|

— bevoegheid en werkzaamheden, 56 v.v., 63, 102, 147, 148, 149, 187, 198, 234; — algemeene regelingen, 56 v.v., 102 v.v., 147 v.v., 198 v.v., 233 v.v., — credentiën en instructiën, 58, 87, 102, 103, 107, 148, 150, 164, 199, 201, 234, 236, 238; — opening en sluiting, 199, 234; — ambt van den praeses en moderamen, 148, 149, 199, 200, 234, 235; — verplichting tot bijwoning, 63, 65, 99, 107, 162, 164, 180, 187, 189; — welke besluiten bondig te houden zijn, 148; — appel op de meerdere vergaderingen, 102, 127, 128, 148, 199, 234; — onderlinge verhouding, 149, 179, 180, 187, 200, 235; — kosten, 2, 22, 60, 178, 180.
Verkiezing, zie: Diakenen, Dienaren des Woords, Ouderlingen.
Verplaatsing, zie: Dienaren des Woords.
Vertrekkenden, die zich niet bij de gemeente voegen, 137, 138; — zie verder: Attestatiën.
Verzoening, zie: Openbare Verzoening.
Visitatie, waarover de kerkvisitatie gaat, 237, 255, 262; — door wie ze geschiedt, 178, 236, 255; — reglementen, 220, 221, 297—302, 303-309; — rapport, 178; — voor hoelang de visitatoren worden aangesteld, 238, 255.
Voorbereiding, zie: Avondmaal.
Voorlezen, der wet, enz. 74.
Voorlezers, 13, 14. 174.
Votum, 72.
Vreemdelingen, hulp aan vreemdelingen, zie: Diakenen.

 

W.

Wederdoopers, zie: Dooperschen.
Weduwen en weezen, zie: Dienaren des Woords.
Wederopname, zie: Tucht.
Wijkverdeeling, 17.
Wijze van Avondmaalsviering en Doopsbediening, zie: Avondmaal en Doop.

|350|

 

Z.

Zaken, ten deele kerkelijk en ten deele politiek, 163.
Zaken, op de kerkelijke vergaderingen, zie: Classis, Kerkeraad, Synoden, Vergaderingen.
Zegen, naar Numeri 6, 72.
Zondagsviering, zie: Sabbath.
Zonden, bestrijding van zonden, 136, 177, 186; voor verborgen en openbare zonden, zie: Tucht; — voor zonden der ambtsdragers, zie: Diakenen, Dienaren, Ouderlingen en Tucht.