Gier, K. de (1989) Art. 66

Artikel 66. De biddagen

 

In tijden van oorlog, pestilentie, dure tijd, zware vervolging der kerken en andere algemene zwarigheden, zullen de dienaars der kerken de overheid bidden, dat door hare autoriteit en bevel, openbare vast- en biddagen aangesteld en geheiligd mogen worden.

 

Onze bid- en dankdagen

Biddagen, vast- en bededagen, zijn bij de Reformatie van de aanvang af in gebruik geweest. In tijden van oorlog, bij vervolging van dé kerk, bij zware nationale rampen werden deze biddagen door de overheid uitgeschreven, om in de kerkdiensten de noden waarin volk en kerk zich bevonden voor te leggen aan de Heere en Hem in smeekbeden om hulp en verlossing te bidden. We moeten de vast- en bededagen waarover in dit artikel gesproken wordt, wel onderscheiden van de bid- en dankdagen, die ook in onze tijd nog worden gehouden en gericht zijn op gewas en arbeid. Dit zijn dagen met speciale kerkdiensten, die op vaste tijden in voor- en najaar worden gehouden. Op de biddag wordt de arbeid in het natuurlijke leven, het gewas en de komende oogst aan de Heere opgedragen. In het najaar komt de gemeente samen op de dankdag om de Gever van alle goed te danken voor Zijn ontvangen zegeningen.

Ook onze vaderen hebben aan deze bid- en dankdagen veel waarde gehecht, omdat het arbeiden om het dagelijks brood, zowel voor de bewoners van het platteland als van de stad, van zoveel gewicht is. Deze dagen die in Overijssel werden gevierd kregen de naam van de ‘Overijsselse bid- en dankdagen.’ Ze werden gehouden op de tweede woensdag in maart en de eerste woensdag in november. In Zeeland zijn deze jaarlijkse bid- en dankdagen nog eerder ingesteld dan in Overijssel, daar dagtekenen zij van 1653.

Uit de bede- en dankdagen in Zeeland en Overijssel zijn de hedendaagse biddagen voor het gewas en de dankdagen voor het ontvangen van het gewas voortgekomen. In vissersplaatsen had men deze dagen, wat begrijpelijk is, gericht op de visserij. Deze speciale diensten voor gewas en arbeid werden vroeger algemeen in alle kerken gehouden, maar thans hebben vele kerkformaties ze afgeschaft of ze zijn geheel verschoven naar de zondag. Ze zijn dan geworden tot moderne ‘oogstdiensten’, die dankdiensten zijn voor het gewas waarbij de oogstgaven, meestal fruit en bloemen, door de gemeenteleden in de kerk worden gebracht ter dankzegging, om daarna te worden uitgedeeld onder de zieken.

 

De vast- en bededagen

De vast- en bededagen waarover artikel 66 spreekt, werden in de reformatietijd eerst door elke gemeente afzonderlijk en op eigen initiatief gehouden. Het was in de tijd toen de gemeenten door de vervolgingen nog onder het kruis of in de verstrooiing waren. Later werden door de overheid in bijzondere tijden van gevaar of bij nationale rampen vast- en bededagen uitgeschreven die een nationaal karakter droegen. De gehele kerk in Nederland werd dan opgeroepen om een boetedag te houden, een dag van gebed, veelal gepaard gaande met vasten, ‘om zich te begeven tot bidden, vasten, aalmoesen en andere goede wercken den Heere aangenaem’. De eerste bededagen werden uitgeschreven op gezag van prins Willem van Oranje als stadhouder van Holland en Zeeland. Later geschiedde dit door de Staten van de afzonderlijke gewesten en sedert 1584 door de Staten-Generaal. Maar ook bepaalden de eerste nationale synoden dat algemene bede- en vastedagen moesten gehouden worden. Zo sprak de Synode van Dordrecht 1578 uit: ‘In tijden van oorlog, pestilentie, dure tijden, zware vervolgingen der kerk en andere openbare ellendigheden, zal men een vasten met bidden aanstellen en heiligen door de raad der kerk en bewilliging der overheid zo dit geschieden kan. Alzo dat de gemeente zich van het gewoonlijke voedsel en de tijdelijke handeling (d.i. het dagelijks werk) onthoudende tot de avond toe, met bidden, het Woord Gods te horen, de heilige Schriften te lezen en andere heilige oefeningen haar boetvaardigheid en geloof betuige en in de ware godzaligheid toeneme’.

De synode was van mening dat het de taak van de overheid was om ‘door haar autoriteit en bevel, openbare vast- en biddagen aan te stellen en te heiligen’, maar handhaafde wel haar recht om, als zij zulks nodig oordeelde, de regering op te wekken tot het instellen van deze openbare vast- en bededagen. Daar de synoden echter uitspraken dat het de roeping van de overheid was deze bededagen uit te schrijven, was het gevolg dat deze bededagen langzamerhand een onderlinge gelijkheid kregen, die voorheen zo niet bestond. Door de overheid werden ‘biddagsbrieven’ gedrukt, waarin de predikanten werden uitgenodigd in hun predikatiën zich te richten naar de omstandigheden van het land.

Een dergelijke ‘biddagsbrief’ werd door de Staten aan de plaatselijke magistraat verzonden, die deze in handen van de kerkeraad stelde en op de eerstvolgende zondag werd deze ‘biddagsbrief’ door de predikant van de kansel voorgelezen. Op bevel van de overheid bleven op een biddag alle herbergen gesloten en werden alle publieke vermakelijkheden alsmede alle openbare arbeid verboden. De kerkgebouwen konden vaak de scharen niet bevatten want niemand die maar kon, ontbrak. Er werd dan tweemaal gepreekt en tussen de eigenlijke diensten werd een gedeelte der Schrift voorgelezen, want velen bleven de gehele dag in de kerk. De meesten onthielden zich van spijs en drank. Wie niet kon vasten, stelde zich tevreden met brood en water. (Over het gebruik van het vasten zie men het hoofdstuk over artikel 4 van de D.K.O.)

Werden vroeger de biddagen uitgeschreven wanneer het vaderland in nood verkeerde of in gevaar, zoals bij het uitbreken van besmettelijke ziekten, bij dijkbreuk of overstromingen, of bij het leveren van zee- en veldslagen, ook waren er dankdagen voor de redding en verlossing uit die gevaren.

 

Bijzondere dankdagen

Naast deze algemene bede- en dankdagen vierde men in sommige steden wel de jaarlijkse dankdagen voor de verlossing uit de macht der Spanjaarden of de fransen, zoals in Alkmaar, Middelburg, Leiden, Tiel, Harderwijk, Zierikzee, Zaltbommel, Groningen en Utrecht. Zo had men ook de Beemsterdankdag voor de droogmaking en bedijking van de uitgestrekte waterplas, waaruit, trots vele grote gevaren en moeilijkheden een vruchtbaar gebied voortgekomen was.

In deze bede- en dankdagen wilde men uiting geven aan het gevoel van afhankelijkheid van God de Almachtige, Schepper van hemel en aarde, ‘waar men niet van nijverheid en vlijt, maar van God alleen dependeerde, zijnde een land, dat geen andere wapenrusting had dan Gods machtige bescherming alleen’. Zo werd het door de predikanten beleden. ‘Is er een volck dat Gode meer verschuldicht is dan wij! Wie heeft ons uyt de handen onser vijanden gered, niet eens, maar duysendmalen? God alleen. Wie heeft ons tot een groot volck gemaeckt? Wie bevestigt onse dijken en dammen, bewaert ons voor pestilentiën en hongersnood? God, God, in weerwil onser diepe zondeschuld en jammerlycke ongerechtigheden. En zou dan dat volck Hem niet soecken in de ure des gevaers, des noods en des doods? Hij bestuurt het donderend geschut en de kartouwen. Hij is de ware dijk, die de wateren keert. Hij is de engel die pest en honger doet vlieden. Wie zou Hem dan niet dancken?’ (Citaat bij G.J.D. Schotel: De openbare eredienst der Ned. Herv. Kerk in de 16e, 17e en 18e eeuw, blz. 195).

 

‘Krijtende zonden’

Op de bededagen werden de kerkgangers ook gewezen op de zonden die er bedreven werden. Veel boetepreken zijn afzonderlijk uitgegeven, zoals die van Aemilius, Brakonier, Bierman, Lodesteyn, d’Outrein, van Til e.a. Dr. Evenhuis zegt in zijn werk ‘Ook dat was Amsterdam’, dat dronkenschap de nationale zonde was. In Amsterdam keerde dit onderwerp telkens in de kerkeraad terug. Dronkaards zaten er onder alle rangen en standen. Niet alleen de mannen, maar ook de vrouwen dronken. De kerkeraad had er de handen vol aan en hij aarzelde niet met de kerkelijke censuur in te grijpen. Verder waren er nog de andere ‘krijtende zonden’, zoals overspel, hoererij, bigamie, concubinaat, bloedschande, enz. Laten we niet denken dat in de bloeitijd van de kerk in ons land heel Nederland een volk van heiligen was. Integendeel. De overheid en de kerkeraden hebben zich met de hun gegeven middelen tegen de zonden verzet. De kerkeraadsnotulen liegen er niet om. Hoeveel pas geboren kinderen werden er niet steeds in de kerkelijke boeken vermeld met de bijvoeging: de vader onbekend! Met dronkenschap, hoererij en overspel had de kerk veel te strijden. Streng werd er ook op toegezien dat de lidmaten der kerk geen bordelen bezochten, die van ouds veel in Amsterdam te vinden waren evenals in de andere havensteden van ons land. Het leven van het volk was dikwijls een ruw leven. De kerkelijke en zedelijke discipline werden echter door de kerkeraden geoefend over doop- en belijdende leden. De boetepredikers hielden het volk voor dat het gehele maatschappelijke leven in overeenstemming moest zijn met Gods geboden. Ook werd door de predikanten de overheid aangespoord om te regeren en te handelen naar het Woord van God, om ook keuren (d.i. verordeningen) tegen het bedrijven van de ‘krijtende’ zonden uit te vaardigen.

 

Het einde van de nationale bede- en dankdagen

Aan het eind van de achttiende eeuw verloren de biddagen echter het oorspronkelijke karakter. De Woordverkondiging ontaardde in het houden van min of meer politieke preken. Beide, biddagbrieven- en preken, hadden niet meer het doel om de mensen te verootmoedigen voor God. Integendeel, ze wonden de gemoederen op en werden niet zelden in politieke vlugschriften scherp gehekeld. De biddagpreken waren vol politieke beschouwingen en de prediker liet duidelijk blijken welke partij hij toegedaan was. Zo ging het voort totdat eindelijk met de oude Republiek ook de oud-vaderlandse biddagviering ten grave daalde bij de komst van de fransen. Op 8 maart 1795 werd de beruchte Utrechtse biddag gehouden. De uitschrijvingsbrief met ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap’ als opschrift, riep de vrije burgers op om de ‘Almagtige hand te loven van den ontfermenden hemelse Vader, die stromend water van rivieren en inundatiën, door een zonderlinge en langdurige vorst tot een effen baan gevloeid, de franse krijgsmagt onbeschadigd er over geleid en hun verbaasde tegenstanders vluchtende voor hen had uitgedreven. Dit is van den Heere geschied en het is wonderlijk in onze oogen’. Maar er waren er toch nog velen die met weemoed terugdachten aan de onvergetelijke dagen, waarop elke Nederlander zijn vaderland en Oranje aan de Allerhoogste opdroeg en Zijn beschermende en wakende hand over vaderland en huis afsmeekte. En hiermede waren dan ook de nationale bede-en dankdagen van weleer voorgoed verdwenen. Het houden van deze bijzondere dagen werd nu gehéél een zaak van de kerken, al heeft de overheid nog een enkele keer in noodsituaties de wens kenbaar gemaakt dat de kerken een dergelijke dag uitschreven.