Gier, K. de (1989) Art. 65

Artikel 65. De lijkpredikatiën

 

Daar de lijkpredikatiën niet zijn, zal men ze niet instellen, en daar ze nu alreede zijn aangenomen, zal naarstigheid gedaan worden, om deze met de gevoegelijkste middelen af te doen.

 

De bedoeling van dit artikel

Dit artikel is opgesteld ter bestrijding van het roomse bijgeloof. Als zodanig had het vooral betekenis in de eerste eeuw der Reformatie, toen er nog veel van de roomse zuurdesem nawerkte. Rome kende haar lijkpredikaties en de begrafenis was bij haar een kerkelijke lijkdienst. Het lijk werd in de kerk of de kapel gebracht en de priester hield dan over de lijkbaar een soort predikatie met gebeden voor de zielerust der afgestorvene. Na besprenging met het wijwater werd de dode ‘in gewijde aarde’ begraven. Tegen het vasthouden aan deze kerkelijke lijkdiensten bestond bij de Reformatie tweeërlei bezwaar:
1e. Het eenvoudige kerkvolk, dat nog niet geheel los was van de roomse zuurdesem, kon er een bijgelovige betekenis aan blijven hechten en de gebeden als een voorbede voor de afgestorvenen beschouwen; 2e. Het gevaar is zeer groot dat in de prediking al te zeer de ‘lof der afgestorvenen’ en niet de ernst van de dood aan de levenden wordt verkondigd.

De oude synoden dringen daarom met kracht erop aan dat de lijkdiensten geheel worden afgeschaft. Waar dit niet kon, omdat het volk er nog te veel aan gehecht was, diende men deze predikaties zo eenvoudig mogelijk te houden. Zo besloot de kerkelijke vergadering te Antwerpen 1564: ‘Men zal bij de begrafenis der doden geen gebeden noch predikatiën doen om alle bijgelovigheden te vermijden’. De Synode van Dordrecht 1578 wilde dat ze alleen geduld werden zolang de gehele afschaffing nog niet zonder ergernis kon plaatsvinden. De aanbeveling daarbij was dat de predikaties de vorm moesten hebben van een onvoorbereide vermaning. Het mochten geen predikaties zijn die met gebeden begonnen en met dankzegging gesloten werden. Verder waarschuwde men toch vooral niet de lof van de afgestorvenen te verkondigen. Later viel de beslissing om de ‘Dankzegging bij de begrafenis der doden’ uit de liturgie achter de catechismus te verwijderen. Het was de Synode van Middelburg 1581, die hiertoe het besluit nam.

Ook had men nogal bezwaren tegen het brengen van het lijk in de kerk. In Appingedam 1608 nam de kerkelijke vergadering dan ook het besluit: ‘Het is niet goedgevonden, dat de doden in de kerk gebracht en daarover gepredikt wordt, en evenmin dat men bij het graf lijkpredikatiën doen zal’.

 

Christelijke soberheid eis bij de begrafenis

Dit artikel heeft in onze dagen als bestrijding van het roomse bijgeloof zijn directe betekenis verloren. Wel blijft het heden van betekenis om er ons op te wijzen dat de begrafenis toch zoveel mogelijk haar christelijke soberheid zal houden. Als zodanig is het nog altijd van belang dat alles eenvoudig zal geschieden. Het eenvoudige kan toch plechtig zijn. Vooral dienen we te waken dat de gestorvene niet als mens zal verheerlijkt worden. Men kan dit in acht nemen zonder dat men daarbij de gaven en de genade die de Heere de overledene heeft geschonken, behoeft te miskennen. Dit artikel verbiedt dus van de begrafenis een officiële kerkelijke lijkdienst te maken. De begrafenis is een familie-aangelegenheid waarbij de familie haar eigen ambtsdragers uitnodigt, als regel de predikant en een ouderling, om leiding aan de begrafenis te geven. Zo er in bijzondere omstandigheden een andere predikant begeerd wordt, heeft de familie daaromtrent overleg te plegen met haar kerkeraad. Dit geldt ook in een vacante gemeente. Het is volgens de D.K.O. die in art. 23 zegt dat het de ambtelijke roeping is van de ouderlingen ‘om bijzonder de lidmaten der gemeente te vertroosten’. Een predikant van elders mag niet zonder toestemming van de kerkeraad ter plaatse werk verrichten in een andere dan zijn eigen gemeente.

Het artikel verbiedt niet dat de leider van de begrafenis in het sterfhuis of op de begraafplaats een gedeelte van de Schrift leest en naar aanleiding hiervan een woord van troost en vermaning spreekt en een gebed doet. Maar deze toespraken en gebeden mogen niet het ambtelijk karakter dragen van een publieke dienst des Woords en der gebeden.

 

Oude begrafenis- en rouwgebruiken

De gereformeerde synoden en de kerkeraden verzetten zich aan het einde van de zestiende eeuw en nog een groot deel in de zeventiende eeuw tegen allerlei gangbare begrafenis- en rouwgebruiken, omdat men daarin nog nawerkingen zag deels van het heidense verleden en deels van het roomse verleden. Toch gelukte het de synoden aanvankelijk niet gedaan te krijgen wat ze wilden. Er werden wel een aantal versoberingen in begrafenis- en rouwgebruiken ingevoerd. Aan sommige ceremoniën werd ook een andere betekenis gegeven, maar een aantal gebruiken had te diepe wortels in het volksleven zodat men er zich niet van liet afbrengen. Zo vond in 1574 de predikant Franciscus Thilmannus uit Gorinchem dat hij voor een merkwaardig dilemma geplaatst werd. Velen uit zijn gemeente, zo beklaagde hij zich, ofschoon der religie niet ongenegen, smeekten, wanneer iemand van naam overleden was, om een lijkdienst of -predikatie. Wanneer hij weigerde daarop in te gaan, werd hij van luiheid beschuldigd. Maar anderzijds had de synode van de gereformeerde kerk zich uitgesproken tegen het houden van lijkpredikaties! Ons gereformeerde voorgeslacht weerde o.a. het begraven bij avond, een vooral bij welgestelden ingeburgerd gebruik. Ook keerde men zich tegen het luiden van klokken tijdens de begrafenis en gedurende de dagen dat het lijk nog boven aarde stond. Ook het doen van gebeden aan het graf werd tegengegaan. Wat betreft het klokluiden, daaraan waren de roomsen zeer gehecht, n.l. om de boze geesten er door te verdrijven en om de mensen op te wekken om voor de overledene te bidden. Dat klokluiden gaf aanleiding tot bijgeloof. De Synode van Dordrecht 1574 bepaalde dan ook: ‘’t Luiden der klokken omtrent de begravenis der doden achten wij, dat alleszins afgezet behoort te worden’. Het was zelfs gewoonte tweemaal te luiden: n.l. wanneer iemand gestorven was én wanneer hij begraven werd. Maar desondanks bleef het luiden, vooral op de dorpen, in gebruik. Wel is het waar dat in de loop der eeuwen de roomse bijsmaak niet meer gevoeld werd. Het klokluiden was een oud gebruik geworden dat het karakter droeg van de publieke bekendmaking van het overlijden en dat de eerbaarheid van de begrafenis verhoogde.

 

De hedendaagse versobering

Toch is het een merkwaardig feit dat hetgeen de gereformeerde synoden rondom 1600 wilden en niet konden bereiken, n.l. versobering van rouw- en begrafenisgewoonten, in onze tijd tot stand gekomen is. Enerzijds heeft het hiermee te maken dat onze tijd minder hecht aan normen en oude tradities. In onze tijd hebben de mensen in het algemeen minder behoefte aan uiterlijk vertoon. Men houdt niet meer zo van dikdoenerij, van bijzondere gebruiken en bijzondere kleding. Dit behoeft op zichzelf niet negatief te worden gewaardeerd, mits het maar niet geheel overslaat in vormloosheid. De kerk zal toch haar eigen levensstijl moeten hebben, die in veel dingen onderscheiden is van de wereld. Een andere oorzaak van de genoemde versobering , en dat is ernstiger, wordt gevormd door de secularisatie, de verwereldlijking, het afwenden van het geloof aan het blijven voortbestaan der ziel en van het hiernamaals. Steeds meer wordt het openbaar dat de bevolking van Nederland zich losgemaakt heeft van het geloof aan het bestaan van God en van het geloof aan een hemel en hel. De roepstemmen die er van het sterven en de begrafenissen uitgaan worden niet meer gehoord en men wil er ook niet meer van weten. Men wil voortleven om zoveel mogelijk van het tijdelijk leven te genieten.

 

De bezorging van de doden

In de tijd van de Republiek waren er bepaalde beschikkingen gemaakt door overheids- en kerkelijke organen over de bezorging der doden. Dit was enerzijds het gevolg van de band die er na de Reformatie was tussen de overheid, die zich openlijk voor de gereformeerde religie had uitgesproken, en de kerk. Anderzijds hing dit samen met het feit dat de kerk van ouds voor de bezorging der doden belangstelling aan de dag legde. Deze bepalingen waren deels van meer blijvende algemene strekking en soms ook van tijdelijke, incidentele aard, als gevolg van bijzondere omstandigheden.

Zo beschouwde men het als de taak van de overheid om het gebruik van spijs en drank voor of na een begrafenisplechtigheid te regelen. Vele eeuwen heeft zowel de kerkelijke als de burgerlijke overheid zich genoodzaakt gezien op te treden tegen de grote overdaad bij de rouwmaaltijden, die nogal eens eindigden met ‘twisten en kijvagiën’. Op veel plaatsen werden keuren en plakkaten uitgevaardigd waarin precies bepaald werd hoeveel personen er maximaal aan de ‘dood- of lijckmaaltijd’ mochten deelnemen en ook hoeveel ‘leedt- of dootbier’ aan ieder mocht worden uitgereikt.  De motivering hiervoor was ondermeer dat sommige families er zo diep door in de schuld kwamen dat ze geheel geruïneerd werden.

Het gebeurde ook wel eens dat de overheid een bepaling maakte die door het volk niet aanvaard werd. Zo ontstond in 1696 in Amsterdam het z.g. aansprekersoproer. De Amsterdamse overheid had bepaald dat alle particuliere begrafenisondernemingen opgeheven moesten worden, maar door het oproer dat zich daartegen richtte, werd deze keur niet uitgevoerd. Hetzelfde gebeurde ook in Utrecht bij de keur over het verhuren van de baarkleden, ook wel doodlakens of pellen genaamd. Toen de overheid bepaalde dat de kerk het monopolie zou hebben van het verhuren van de pellen, werd dit door het volk niet genomen. Ook over de doodkisten werden bepalingen gemaakt wat betreft de dikte van de houtplanken, de prijs en de vorm.

Ook waren er bepalingen over de diepte van de graven, de tijd van begraven en de orde tijdens het gaan naar de begraafplaats. Zo is het eeuwen gewoonte geweest dat er op zondag begraven werd. Zo lang het begraven in de kerken plaatsvond, leidde dit veelal tot onregelmatigheden tijdens de kerkdiensten. Dit gebeurde zelfs wel ‘met veel geschals’, waarbij de lijken tot recht voor de preekstoel begraven werden. In Utrecht werd in 1586 het begraven tijdens de kerkdiensten radicaal verboden, aangezien dit ‘tot grote verachting van Gods Heilig Woord is strekkende’. Op het platteland bleef het begraven op zondag tijdens de kerkdiensten nog lange tijd in zwang. Pas in 1654 werd in Utrecht het begraven op zondag geheel verboden.

Een kwaad waartegen de overheid ook optrad was het begraven in de avond of in de nacht. Gedurende een aantal eeuwen gold het als deftig om des avonds bij fakkellicht ten grave te worden gedragen. En dikwijls waren dit ‘somptueuze (weelderige) optochten’. En de ‘onderwereld’ maakte van de gelegenheid gebruik om op deuren en vensters te bonken, ruiten in te slaan en andere minder fraaie dingen uit te voeren. Daarom probeerde de overheid ook dit begraven in de avond of nacht af te schaffen. Dat stuitte aanvankelijk nogal op tegenstand.

Het begraven in de kerk is een gebruik geweest dat eeuwen heeft stand gehouden, doch tenslotte geheel is verdwenen. Tijdens de middeleeuwen kwam deze gewoonte in zwang onder invloed van middeleeuws-katholieke voorstellingen. Het begraven in de kerkgebouwen was aanvankelijk een recht dat alleen de adel en de geestelijkheid toekwam. Maar tegen het einde van de middeleeuwen werd dit ook opgeëist door de opkomende burgerij. Zij, die het maar enigszins konden betalen, stelden er een eer in hun doden in de kerk ter ruste te leggen. De gewoonte om in de kerk te begraven, handhaafde zich ook na de Reformatie in de Republiek. Maar omdat de ruimte in de kerkgebouwen niet onbeperkt was, moest toch op zekere tijd omgezien worden naar een andere begraafruimte. Het oog viel toen op de grond zo dicht mogelijk en rondom de kerk, m.a.w. op ‘de hof der kerk’. Op deze wijze ontstonden de kerkhoven, die enerzijds een typische kerkelijke signatuur toonden, hoewel zij anderzijds het karakter hadden van een algemene begraafplaats. Bijzondere begraafplaatsen kende men in de middeleeuwen niet dan alleen voor de joden, die reeds vroeg eigen begraafplaatsen bezaten.

In de zeventiende eeuw ontstond er geleidelijk aan verzet tegen het begraven in de kerk. Het was een verzet dat voortkwam uit overwegingen van hygiënische aard. Zo was de bekende ds. Plancius in Amsterdam (1585-1622) op deze gronden tegen het begraven in de kerk. Op zijn sterfbed gaf hij de uitdrukkelijke last dat hij begraven wilde worden op het kerkhof van de door hem in gebruik genomen Zuiderkerk. De Amsterdamse overheid begon in 1667 het begraven buiten de kerk aan te moedigen door vrijstelling van noodzakelijke betalingen toe te zeggen aan hen, die hun doden op de kerkhoven ter aarde zouden bestellen. Later begonnen ook geleerden van naam hun stem te verheffen tegen het begraven in de kerkgebouwen. Aanzienlijke burgers legden met verlof van de overheid particuliere begraafplaatsen aan. Zo gaven ze een voorbeeld dat remmend werkte op het begraven in de kerk. In 1783 schreef het Zeeuws Genootschap van wetenschappen een prijsvraag uit om de beste middelen aan te wijzen tegen de ‘nadelige gewoonte’ en ‘de schadelijkheid der begravenissen’ binnen de steden en kerken. Maar pas tijdens Napoleon werd het begraven in de kerkgebouwen verboden. In 1829 werd het besluit hernieuwd onder koning Willem I dat het begraven in de kerken ‘zonder enige uitzondering’ verboden werd. Ook werd toen een einde gemaakt, tenminste in gemeenten met meer dan duizend inwoners, aan het begraven op rond kerken gelegen kerkhoven. Deze gemeenten moesten zorg gaan dragen voor het aanleggen van aparte begraafplaatsen.