Gier, K. de (1989) Art. 60

Artikel 60: De doopregisters

 

De namen der gedoopten, mitsgaders der ouders en getuigen, idem de tijd des doops, zullen opgetekend worden.

 

De betekenis

De D.K.O. bepaalt dat het inschrijven van de namen der gedoopten mét aantekening van de doopdatum nauwkeurig en zorgvuldig gebeuren moet in de doopregisters of in de doopboeken. Reeds de eerste kerkelijke vergaderingen in ons land wezen er op dat het nodig was hieraan alle aandacht te besteden zodat de namen van de kinderen, de ouders en getuigen in de publieke registers werden opgenomen. Omdat men aanvankelijk hiermede nogal slordig was en dit vrij vaak nagelaten werd, is er steeds weer door de kerkelijke vergaderingen op aangedrongen dit optekenen niet na te laten, opdat de kerk zelf later een bewijs zou hebben wie er gedoopt was. Daardoor kon de kerkeraad ook beter toezicht uitoefenen op de gedoopten, ouders en getuigen om na te gaan of ze hun kerkelijke plichten zorgvuldig waarnamen. De kerkelijke vergaderingen spraken ook uit dat het optekenen in de doopregisters nauwkeurig moest gebeuren ‘voor het gemenebest’, d.i. voor de burgerlijke stand van de overheid, ‘opdat de ouderdom der kinderen, de namen van hun ouders en hun burgerrecht, alles van belang voor de burgerlijke aangelegenheden, uit de opschrijving van de gedoopte kinderen bewezen moge worden’ (Rotterdam 1581).

Dit laatste werd ook van belang geacht omdat men toen nog geen burgerlijke stand kende zoals wij die kennen. Deze burgerlijke stand is pas officieel begonnen ten tijde van Napoleon. Vóór de Franse overheersing in ons land was de kerkelijke optekening tevens van kracht voor de overheid. Wie een onderzoek wil instellen naar zijn voorgeslacht zal voor de negentiende eeuw altijd terecht moeten komen bij de doopregisters en trouw-acten van de kerk. Eerst op 21 augustus 1811 werd aan de kerkeraden bevolen de geboorte- en doopprotocollen aan de burgemeesters van de burgerlijke gemeenten af te staan. Van toen afkreeg de burgerlijke stand in ons land zijn eigen registers.

 

Tijd van de doop en geboortedatum

Opmerkelijk is dat artikel 60 spreekt van ‘de tijd des doops’ en niet van de datum der geboorte. Blijkbaar achtte men de tijd van de doop voldoende omdat aanvankelijk de vroegdoop regel was. Onder de geboorte- en de dooptijd verstond men ongeveer hetzelfde. Maar in de tweede helft van de achttiende eeuw begon men, mede op aandrang van de provinciale staten, naast de datum van de doop ook die van de geboorte op te tekenen. Toen was het reeds gebruik geworden, dat er tussen geboorte en doop een langere tijd verliep.

Ook zegt artikel 60 niet door wie de optekening van de namen moet geschieden. In het begin geschiedde dit door de predikant of door een ouderling, of ook wel door de koster of door de voorlezer. De eerste synoden bepaalden dat dit door de predikanten zou moeten gebeuren. Later werd deze bepaling geschrapt (’s-Gravenhage 1586) en zo is deze redactie ook gebleven op de Dordtse Synode 1618-1619. Het is echter de plicht van de kerkeraad dat dit geschiedt in de doopregisters met nauwkeurige aantekening van geboortedatum, doopdatum, namen van de ouders en de kinderen en de naam van de predikant die de kinderen gedoopt heeft.
De Synode van Dordrecht achtte kennelijk opname van dit artikel nodig om de nauwkeurige aantekening te maken tot een zaak van blijvende kerkelijke zorg. Men ging niet altijd nauwkeurig te werk. Het werd dikwijls aan de koster overgelaten om aantekening van de doop te maken. Zo ook in Amsterdam, waar de kosters eerst de namen van het kind en van de vader noteerden. Later kwam er ook de naam van de moeder bij en nog later werd aan de naam van de vader zijn beroep toegevoegd. Ook gaf een ongehuwde moeder wel eens ten onrechte een vadernaam op van iemand die op zee was. Wanneer deze bewuste persoon er later achter kwam, protesteerde hij terecht hiertegen en dan werd zijn naam weer geschrapt. Typisch is, zo vermeldt dr. R.B. Evenhuis in zijn standaardwerk ‘Ook dat was Amsterdam’, dat de kosters soms de doopboeken versierden met een voor- of nawoord met persoonlijke aantekeningen over henzelf en hun gezin, b.v. aan het einde van een doopboek, wanneer men koster was geworden, met wie men getrouwd was en uit hoeveel kinderen het gezin bestond.

Andere kosters bleven zakelijker en vermeldden b.v. het aantal kinderen dat in een zekere periode werd gedoopt. Doet het ons nu wat wonderlijk aan dat de kerkeraad de inschrijving geheel aan de controle van de koster overliet, toch moet er bij vermeld worden, dat er jaarlijks door de kerkeraad van Amsterdam visitatie van de doopboeken plaats vond. Een enkele maal moest dan de koster berispt worden omdat de doopbriefjes niet aanwezig waren, zodat vergelijking met die gegevens onmogelijk was of omdat hij later de naam van de vader op eigen houtje geschrapt of veranderd had.

 

De doopnaam

Artikel 60 zegt niets over de namen, die aan de dopeling worden gegeven, hoewel de naamgeving zelf geen kwestie zonder betekenis is. De roomse kerk kent reeds vanaf de tweede eeuw de oude traditie om dopelingen de naam van een heilige (patroon) te geven. Men deed dit om zijn bescherming over het kind te verkrijgen en het tot diens heilige levenswandel op te wekken. Ook bij de doop van de heidenen kwam het veel voor dat men hun bijbelse namen gaf. Men wees voor deze gewoonte erop dat dit in Gods Woord ook gebruikelijk was. De Schrift spreekt van verandering van Abram in Abraham, van Saraï in Sara, van Simon in Petrus en van Saulus in Paulus. Vooral in roomse kringen zag men in de naamsverandering een zinnebeeld van de overgang uit de zonde in de genade. Maar bij de gereformeerde kerken kwam het alleen bij hoge uitzondering voor. Bij de kinderdoop had het geen zin, omdat een kind nog geen leven onder de oude naam achter de rug heeft. Bovendien wezen de gereformeerden de roomse opvatting van natuur en genade af, waarbij natuur en genade als twee afzonderlijke terreinen worden gescheiden. De natuurlijke naam is niets zondiger dan de ambtshalve bij de doop verleende naam. Uit de Schrift blijkt veeleer dat naamsverandering geen regel is, maar alleen bij hoge uitzondering plaats vond. In de gevallen van Abraham, Sara, Petrus en Paulus had de naamsverandering niet plaats bij de besnijdenis of bij de doop, maar bij andere gelegenheden.

De hervormers hadden nog tegen een ander misbruik van roomse aard te strijden: het geven van bijgelovige namen die aan Christus of aan de heiligen ontleend waren. Zo bepaalde de Synode van Dordrecht 1578, (art. 63): ‘Het is vrij zulke namen de kinderen te geven als men wil, nochtans zal een iegelijk vermaand zijn dat hij die namen, die of God of Christus eigen zijn, als daar zijn Emanuël, Salvator, etc, of der officiën (ambten) en bijzondere diensten, als Engel, Baptista, etc. of die welke anderszins superstitieus (bijgelovig) zijn, de kinderen niet late gegeven worden’. Ook in de particuliere of bijzondere vragen, die verhandeld zijn door de Generale Synode van Middelburg 1581, wordt gezegd, dat men naarstig moet toezien de kinderen geen namen te geven die of aan God of aan Christus eigen zijn en ook geen namen als Baptista, Engel, ‘of die anders bijgelovig zijn’ (nr. 23).

In Engeland was het onder de puriteinen lange tijd de gewoonte om de kinderen bijbelse namen te geven. De gereformeerden in ons land stonden op het standpunt dat men met geven van bijbelse namen voorzichtig moest zijn. Zij zeiden dat er in het Nieuwe Testament heel wat erkende gelovigen met heidense namen voorkwamen, zoals Apollos, Hermes, etc. Voetius zegt terecht, dat er heel wat bijbelse namen zijn, die niemand aan zijn kind zou willen geven als Beëlzebul, Dagon, Kaïn, Judas, etc.