Gier, K. de (1989) Art. 44

Artikel 44. De kerkvisitatie

 

Zal ook de classis enige van haar dienaren, ten minste twee van de oudste, ervarenste en geschiktste, autoriseren, om in alle kerken van de steden zowel als van het platteland, alle jaar visitatie te doen en toe te zien, of de leraars, kerkeraden en schoolmeesters hun ambt trouwelijk waarnemen, bij de zuiverheid der leer verblijven, de aangenomen orde in alles onderhouden en de stichting der gemeente, mitsgaders der jonge jeugd naar behoren, zoveel hun mogelijk is, met woorden en werken bevorderen, teneinde zij diegenen, die nalatig in het één of ander bevonden worden intijds mogen broederlijk vermanen, en met raad en daad alles tot vrede, opbouwing, en het meeste profijt der kerken en scholen helpen dirigeren, en zal iedere classis deze visitatoren, mogen continueren en hun bediening, zolang het haar goed zal dunken, ten ware dat de visitatoren zelf, om redenen, van dewelke de classis oordelen zal, verzochten ontslagen te worden.

 

Het begrip als zodanig

Het woord visitatie is afgeleid van het latijnse werkwoord visitare, dat betekent: dikwijls zien, vaak bezoeken, onderzoeken. Kerkvisitatie is dus het instellen van een onderzoek naar de toestand van de gemeente. Kerkvisitatie was er reeds ten tijde van de apostelen, die de verschillende gemeenten bezochten. Petrus kwam tot de heiligen, die te Lydda woonden (Hand. 9: 32) en Paulus doortrok Syrië en Cilicië om de gemeenten te versterken (Hand. 15: 41). Meermalen heeft Paulus de gemeenten bezocht om naar hun welstand te vernemen, om het kwade tegen te gaan en de gemeenten te bouwen in het geloof. Later waren het de bisschoppen die of zelf de diocesen bezochten voor een onderzoek of daartoe gezanten zonden. De kerkelijke gebouwen werden bezichtigd, de wandel der geestelijken werd onderzocht, de dwalenden onderwezen, de zondaren bestraft. De frankische koningen zonden ook meestal een staatsambtenaar mee, deels om de bisschop in zijn arbeid te steunen, deels om hem te controleren. Sedert Karel de Grote ontstond naast de gewone kerkvisitatiewerkzaamheden de visitatie naar de grove zonden als echtbreuk, diefstal, moord en afgoderij, waarbij openbare kerkelijke straffen werden opgelegd. Deze colleges werden sendgerichten (send betekent synode) genoemd. Later werd naast kerkelijke straf ook geldboete opgelegd. Tegen het einde van de middeleeuwen kwamen de roomse visitatie en de sendgerichten door ontaarding in een kwade reuk te staan. Door geldsommen kon men de kerkelijke boetedoeningen en kerkelijke straffen afkopen, en de sendheren staken het geld zelf in de zak. Zo oordeelde ook Luther dat de geestelijke rechters met belastingbrieven de mensen plaagden en niemand bezochten.

 

Het gevaar van de superintendent

In de tijd der Reformatie heeft de kerkvisitatie gewichtige diensten bewezen als middel tot herstel en verheffing van het kerkelijk leven. Zowel luthersen als gereformeerden voerden het in. In de lutherse kerk ging de kerkvisitatie echter een andere kant op dan in de gereformeerde kerk. Onder de indruk van de doperse beweging en van de boerenoorlog in Duitsland drong Luther in 1525 er bij de keurvorst van Saksen sterk op aan een ingrijpende visitatie te houden. Er verscheen zelfs een saksisch visitatieboek, waarin de gehele kerkinrichting opnieuw werd geregeld. De visitatie werd zo geregeld dat er een gemengde commissie van predikanten en staatsbeambten werd benoemd, die het toezicht had over het ambtelijke werk van de predikanten, over belijdenis, tucht en liturgie. Zij benoemde voor een bepaalde streek een superintendent, die toezicht moest houden over de kerkelijke personen. In de lutherse kerk is deze superintendent gebleven, die bekleed met een hogere bestuursmacht een onderzoek moet instellen naar de toestand in het kerkelijk leven. Bij de gereformeerden in Frankrijk en Nederland was men zeer afkerig van deze superintendenten. En in Schotland hebben de gereformeerde predikanten er zeer veel ellende en narigheid mee beleefd. Aanvankelijk werden daar ten tijde van John Knox als tijdelijke maatregel superintendenten aangesteld die geheel onderworpen waren aan de synode. Dit terwille van de organisatie van de nieuwe gemeenten, om zorg te dragen voor een goed kerkelijk leven en toezicht te houden op het leven en de uitoefening van het ambt der dienaren. John Knox schrijft echter zelf het gevaar van deze instelling terstond te hebben ingezien. Hij weigerde zelf om benoemd te worden. Vrij spoedig kwamen de gevaren openbaar toen de superintendenten zich een hogere macht in de kerk wilden toeëigenen. Toen later koning Jacobus het episcopale stelsel in Schotland wilde invoeren, werden de superintendenten officieel bisschoppen en driehonderd gereformeerde predikanten die zich daaraan niet wilden onderwerpen, werden uit het land verbannen.

Niet ten onrechte waren de meeste gereformeerden in alle landen bevreesd voor de terugkeer van een soortgelijke hiërarchie in het kerkelijk leven, als waaronder de kerk zo lang onder het roomse juk had gezucht.

 

Visitatie bij Calvijn en in Nederland

Calvijn heeft in Genève de kerkvisitatie ingevoerd. Hij nam een bepaling daartoe op in zijn kerkorde. In 1546 werd ‘om goede tucht en enigheid der leer binnen de gehele omvang van de Geneefse kerk te onderhouden, d.i. zowel in de stad als in parochies behorende bij de stad’ de jaarlijkse kerkvisitatie ingevoerd. De commissie die deze kerkvisitatie moest doen, bestond uit vier personen, twee leden uit de magistraat en twee predikanten. Volgens het visitatiereglement van 1560 moesten de visitatoren onderzoeken of de predikanten het zuivere Evangelie preekten en of zij stichtelijk waren in de onderwijzing van het volk, of zij ijverig waren in hun pastorale arbeid en eerbaar leefden. Ook moest de gemeente vermaand worden trouw de kerkdiensten te bezoeken en christelijk te leven. De visitatie mocht echter geen gerechtelijk onderzoek of een soort gericht zijn, maar slechts een middel om alle ergernissen te voorkomen, ‘opdat de prediker niet ontaarde en verderve’. Verslag van de visitatie moest gedaan worden aan de vergadering van de predikanten, die het middelpunt was van het kerkelijk leven in Genève.

Ook de gereformeerde gemeenten na de Reformatie in ons land konden niet zonder visitatie blijven, maar toch werd zij niet aanstonds ingesteld. De vrees voor hiërarchie in het kerkelijk leven hield de aanstelling van visitatoren tegen. Daarom spraken de gereformeerde vaderen uit op de Synode van Embden 1571 in het artikel 1: ‘Geen kerk zal over een andere kerk, geen dienaar des Woords, geen ouderling noch diaken zal de een over de ander heerschappij voeren, maar een iegelijk zal zich voor alle suspiciën (verdenkingen) en aanlokking om te heerschappen wachten’. Men wenste aanvankelijk meer dat er op de classis een soort onderzoek, een onderlinge censuur gedaan zou worden, waarbij dan de predikanten en ouderlingen op hun beurt buiten moesten staan. Toen echter de classis in de regel viermaal per jaar begonnen te vergaderen, kwam de vraag naar voren of het niet beter was de gemeenten afzonderlijk te visiteren. Tenslotte was het de aandrang geen weerstand te bieden en zo bepaalde de Nationale Synode van Den Haag 1586 dat het superintendentschap veroordeeld bleef, maar dat de classes de vrijheid kregen om de kerkvisitatie in te stellen als men dit nodig vond. Ook werd een formulier voor de visitatie opgesteld, waarmee de algemene regel voor de visitatie was aangegeven. In Zuid-Holland werd de visitatie door de classis terstond ingevoerd. De visitatoren werden door de classis benoemd en de onkosten werden door de gehele classis gedragen. In Noord-Holland viel de visitatie minder in de smaak, zodat daar voor 1618 geen visitatie werd gehouden. Ook in Friesland was men bevreesd, dat er een nieuwe macht in de kerk gecreëerd werd.

De visitatie in Groningen en Drenthe werd wel wat luthers geregeld. De visitatoren ontvingen opdracht en machtiging van de overheid en van de synode. De visitatoren moesten zondags of in de week de preken van de dominees gaan beluisteren. Ook de kosters en de schoolmeesters kregen een beurt om na te gaan of ze wel goed de jeugd onderwezen en of het voorzingen en voorlezen en de bediening van de kerken goed geschiedde. De visitatoren traden op als superintendenten. Ook de bibliotheken van de predikanten werden onderzocht en boeken, die niet met de gereformeerde leer overeenkwamen, moesten dadelijk en zonder ‘vertoegh’ weggedaan worden. Na de visitatie te Odoorn deelden de visitatoren mede dat de bibliotheek van de predikant Wilhelmus Johannis geen zes gulden waard was en dat hij geen Oud- of Nieuw Testament bezat. De toestand van het kerkelijk leven op sommige plaatsen was wel zeer droevig; soms was er zelfs geen tafel aanwezig voor de avondmaalsviering.

 

De benoeming van de visitatoren

Artikel 44 zegt dat de classis de visitatoren moet benoemen. Volgens het gereformeerd beginsel moet de visitatie verricht worden door hen aan wie de regeermacht in de kerk is opgedragen. Als regel zegt de kerkorde moet deze taak opgedragen worden aan de predikanten. Geen overheid kan of mag hier medezeggenschap eisen, want deze heeft geen gezag in de kerk. In de kerk geldt het gezag van de Koning van de kerk en van hem aan wie Hij dit gezag heeft opgedragen om dit in Zijn Naam uit te oefenen. Hoewel de kerkorde alleen spreekt van de dienaren des Woords, is het in principe niet in strijd met het gereformeerd kerkrecht dat in noodgevallen de ouderling de predikant bijstaat in de visitatie. Voetius en Rutgers menen dat de bepaling dat het alleen predikanten wordt opgedragen om visitatie te doen, in de kerkorde is opgenomen omdat het voor de ouderlingen veelal te moeilijk was om tijd daarvoor vrij te maken. De oude gereformeerden sloten in de praktijk de ouderlingen ook niet geheel uit van de kerkvisitatie. Sommige particuliere synoden bepaalden, dat ook ouderlingen benoemd konden worden. Wel is het nodig, dat de ouderlingen, die meedoen aan kerkvisitatie, goed onderlegd zijn zowel in de leer als in het kerkrecht, daar toch visitatoren in gewichtige zaken advies gevraagd wordt.

Wat het aantal visitatoren betreft, zegt art. 44, dat het er ten minste twee moeten zijn. Een oud spreekwoord zegt: ‘Eén man is geen man’. Gods Woord zegt zowel in het Oude als Nieuwe Testament, dat ‘in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta’ (Deut. 19: 15; Matth. 18: 16). De Schrift en de praktijk geven aan dat voor oplossing van geschillen ook inzake de kerk minstens twee getuigen aanwezig moeten zijn. Verder spreekt de D.K.O. uit dat het de oudste, ervarenste en geschiktste predikanten moeten zijn, die de visitatie zullen houden. De bedoeling van deze bepaling is dat in een classis waar veel predikanten zijn, dit werk niet bij toerbeurt zal gebeuren. De kerkvisitatie is geen soort oefen- en leerschool voor jonge en onervaren predikanten. Daarvoor is dit werk te belangrijk. De visitatie moet ernstig opgevat worden. Het gaat er om dat door de kerkvisitatie de bloei van de gemeenten wordt bevorderd. Er is een zekere kennis van zaken nodig, die door ervaring en rijpheid van oordeel en mensenkennis verkregen wordt. In de regel zullen de ouderen meer ervaren en bekwaam zijn dan de jongeren, hoewel er ook onder de jongeren wel bekwame mannen kunnen zijn die door kennis, godzaligheid, karakter alleszins geschikt zijn om de classis op meerdere vergaderingen of op de visitatie te vertegenwoordigen. De visitatoren moeten door de classis worden geautoriseerd. De bedoeling van dit ‘autoriseren’ is in verband met het bovenstaande, dat de verkiezing niet bij toerbeurt geschiedt, maar door vrije stemming! Ook zegt art. 44 aan het eind, dat visitatoren gecontinueerd mogen worden in hun bediening ‘zolang het haar (de classis) goed zal dunken, ten ware dat de visitatoren zelf, om redenen, van dewelke de classis oordelen zal, verzochten ontslagen te worden’. Voetius meende echter dat het beter was, om hiërarchie te voorkomen, van kontinuatie geen vast gebruik te maken. Hij wilde liever dat één van de twee of drie bleef zitten, die van de toestand van de gemeenten op de hoogte was, en dat de andere(n) werden gewisseld. Het gevaar van een zekere superintendentie (heerschappij) zou dan worden voorkomen. Inderdaad een wijze raadgeving.

 

De wijze der visitatie

De dag en het uur der visitatie moet tevoren aan de gemeente bekend gemaakt worden. Dit is nodig opdat ook de gemeente erbij betrokken wordt. Aanvankelijk was het wel de gewoonte dat in veel gemeenten door de kerkeraad alle mansleden in het kerkgebouw werden samengeroepen om de visitatoren in de gelegenheid te stellen ook een onderzoek in te stellen naar de gehele toestand van het kerkelijk leven.

Gemeenteleden die in oppositie waren, konden dan vermaand en bestraft worden, in geschillen tussen kerkeraad en gemeenteleden kon bemiddeld worden, alsmede ook in geschillen tussen de gemeenteleden onderling. Hoewel deze wijze van visiteren is verdwenen, is het beginsel gebleven, dat de kerkvisitatie moet geschieden op een manier waarbij het contact met de gemeenteleden mogelijk moet blijven. De leden der gemeente zijn als leden van het lichaam van Christus geroepen mee te beoordelen of de ambtsdragers handelen naar het Woord van Christus. Daarom moeten zij gelegenheid hebben om eventuele bezwaren, moeilijkheden, geschillen met de visitatoren te kunnen bespreken.

Rutgers in zijn Kerkelijke Adviezen (deel I, blz. 309) wijst er op dat deze bespreking met de visitatoren geheel iets anders is dan het formeel inbrengen van klachten of het doen van aanklachten bij kerkelijke vergaderingen. De visitatie is juist bijzonder geschikt om zulke formele kerkelijke procedures, die doorgaans veel schade doen aan het geestelijk leven, te voorkomen. Wel hebben de visitatoren tevoren te onderzoeken of de klager eerst pogingen aangewend heeft om in goed overleg met de betrokken persoon of kerkeraad de bezwaren uit de weg te ruimen. Is dit niet zo dan moet eerst dit verzuim hersteld worden, voordat de visitatoren zich met de zaak inlaten. Is de poging gedaan, maar mislukt, dan kunnen de visitatoren alsnog proberen de partijen te verzoenen. Wel moet daarbij duidelijk voor ogen gehouden worden, dat visitatoren niet mogen optreden als een soort superintendenten of als een kerkelijk bestuur. Ze hebben als deputaten van de classis alleen het recht van advies en niet van beslissing.

Anderzijds kan toch door de adviezen en de vermaningen van de visitatoren — deze moeten steeds met wijsheid en onpartijdigheid gegeven worden — een grote invloed uitgeoefend worden ten goede. Er kan een heilzame werking van uitgaan om de vrede en de liefde onderling te bevorderen. Juist hierom spreekt art. 44 uit: ‘De oudste, ervarenste en geschiktste’ predikanten moeten gekozen worden.

Als de visitatie plaats vindt, moeten de leden van de kerkeraad aanwezig zijn. Het karakter van deze vergadering is een vergadering van de kerkeraad met de deputaten van de classis. De voorzitter van de kerkeraad heeft de leiding, hij opent de vergadering en geeft daarna de visitatoren de gelegenheid om hun werk te doen. Zij mogen dan in hun werk niet gehinderd worden. De Synode van Groningen 1603, bepaalde: ‘De visitatoren zullen in het bijzonder ondervragen hoe het met de pastor, desgelijks met de kerkeraad inzake de kerk gesteld is, zonder de een of de ander zoeken te beschamen of in zijn autoriteit aan te tasten’.

In bijzondere gevallen, als er een zeer ernstige situatie in een gemeente ontstaan is, kan de classis het wenselijk achten, dat er een buitengewone kerkvisitatie wordt gehouden. Dan neemt de classis de leiding om met de kerkeraad te onderhandelen en de kerkeraad heeft dan gehoor te geven aan de leiding der classis. Dit moet echter wel uiterste noodzaak zijn. Ook dan moeten de visitatoren steeds bedenken dat het hun niet te doen mag zijn om heerschappij te voeren over het erfdeel des Heeren. Het behoud van de gemeente moet het doel en oogmerk zijn en de elementaire beginselen van het gereformeerd kerkrecht mogen niet geschonden worden. Niet het drijven of doordrukken van één of enkele personen op de classis mag de oorzaak zijn van zulk een buitengewone kerkvisitatie. Dan is het nadeel meestal groter dan het voordeel, met name ook als de broederlijke geest ontbreekt.

 

De taak van de visitatoren

De visitatoren hebben opdracht een onderzoek in te stellen naar de toestand van de gemeente. Bij dit onderzoek moeten de visitatoren zich niet gedragen als inquisiteurs, maar als broeders. De visitatie heeft betrekking op het ambt d.i. de ambtsbezigheid, op de leer d.i. de belijdenis, op de onderhouding van de orde of de kerkorde, en op de stichting d.i. de opbouw van de gemeente, en op de jeugd. De vragen worden gesteld aan de praeses van de kerkeraad. De andere kerkeraadsleden kunnen hem op zijn verzoek bijstaan, terwijl aan het einde van het stellen der vragen gelegenheid gegeven wordt aan de antwoorden van de praeses nog iets toe te voegen.

Als handleiding voor het vragenstellen is er in elke classis een reglement voor de regeling van de visitatie, waarin de vragen te vinden zijn, die aan de kerkeraad gesteld worden. In sommige classes is het een goed gebruik dat enige tijd tevoren een formulier aan de kerkeraad wordt gezonden met het verzoek dit ingevuld bij de kerkvisitatie te overleggen. Dit formulier bevat vragen over de financiële toestand en het aantal leden sinds de vorige kerkvisitatie en nu. De kerkvisitatoren hebben dan een kort en duidelijk overzicht over het verloop daarvan. Het is een oud gebruik dat de predikanten, de ouderlingen en diakenen zich beurtelings verwijderen, wanneer een onderzoek wordt ingesteld naar de bediening van hun ambt, hun leer en hun wandel. Bouwman (Gereformeerd Kerkrecht, II, blz. 182) schrijft in dit verband: ‘Is dit wenselijk en nodig? Meermalen is de gedachte uitgesproken, dat dit niet nodig is. Dit kan ook wel verdedigd worden. Wanneer de verhouding tussen de kerkeraadsleden goed is, en de toestand normaal is, kunnen de predikanten, de ouderlingen en de diakenen allen wel bij de bespreking tegenwoordig zijn. Er is zelfs iets voor te zeggen, dat, wanneer er opmerkingen te maken zijn, deze in tegenwoordigheid der betrokken personen gemaakt worden. Men moet in elkanders tegenwoordigheid als broeders eerlijk en oprecht durven zeggen wat men meent te moeten zeggen. Dit is evenwel niet altoos gemakkelijk. Niet allen kunnen met een kalm gemoed en met een lijdzaam hart aanhoren, dat er in een volle vergadering aanmerkingen gemaakt worden. En daarom komt het ons voor, dat er veel pleit voor het bestaande gebruik, dat de betrokken broeders buiten staan, wanneer over hun persoonlijk en ambtelijk leven gesproken wordt. De broeders, die reden van klacht menen te hebben, kunnen ook vrijer hun gevoelen zeggen. En de visitatoren kunnen bij nadere samenwerking daaruit aanleiding vinden om óf tegen onregelmatige klachten te waarschuwen, óf misverstand weg te nemen, óf, zo nodig, de klager te vermanen, óf ook nader te spreken met de broeder tegen wie de klacht is ingebracht. In de regel zal het blijken, dat er geen bijzondere klachten zijn, en geen aanmerkingen behoeven gemaakt te worden. Maar wanneer het in bepaalde gevallen nodig geacht wordt, dat de predikanten, de ouderlingen en de diakenen zich verwijderen, zal het, wanneer het bestaande gebruik zou zijn afgeschaft, een pijnlijke indruk kunnen maken, wanneer gevraagd werd, dat bepaalde ambtsdragers zich verwijderen wanneer het onderzoek wordt ingesteld.

Het ligt in de aard der zaak, dat wanneer iemand een klacht heeft tegen een predikant, ouderling of diaken wat betreft de uitoefening van zijn ambt, in leer of leven, de klager eerst deze zaak op de kerkeraad behoort te brengen. De broederlijke gezindheid eist zelfs dat vooraf de zwarigheid eerst onder vier ogen of in tegenwoordigheid van een broeder moet worden behandeld. Eerst daarna, indien langs deze weg het bezwaar niet uit de weg kan worden geruimd, kan de bezwaarde zijn klacht brengen op de vergadering van de kerkeraad met de visitatoren. En wanneer de deputaten der classis hun werk goed doen, is het een uitnemend middel om heel wat misstanden en ongeregeldheden te verhelpen, zelfs veel beter dan wanneer dat alles moet worden behandeld in een classicale vergadering, aan welke door de arbeid der visitatoren heel veel tijd en moeite wordt uitgespaard.

Om die reden moet aan de kerkvisitatoren veel vrijheid worden gelaten om, in overeenstemming met hun opdracht, hun onderzoek zó in te stellen, als dit in 't profijt van de kerken is (...). Aan het beleid der visitatoren moet overgelaten, hoe zij in bepaalde gevallen bestaande moeilijkheden zullen oplossen. De visitatoren zijn geen kerkelijke machthebbers. Ze zijn deputaten van de classis om een onderzoek in te stellen, maar de kerkelijke macht blijft ten volle bij de kerkeraden. Maar er is dan wel de taak voor de visitatoren om ook naar de uiterlijke toestand van de gemeente een onderzoek in te stellen wat betreft gebouwen, archief, administratie, in zoverre het samenhangt met het geestelijk welzijn en de arbeid in de gemeente.

Als algemene regel moet gelden dat de classis niet moet indringen in het beheer van de kerkeraad. Het toezicht op de financiën van de plaatselijke kerk vloeit niet voort uit het kerkverband, maar behoort toe aan de kerkeraad zelf. De visitatoren bezien slechts of de kerkeraad zijn verplichtingen en taken doet, zonder in te treden in de interne zaken van de gemeente; zij mogen niet nodeloos indringen in datgene wat tot het beleid en de competentie (bevoegdheid) van de kerkeraad behoort. Wat het notulenboek betreft, is het wel dienstig mee te delen wat Bouwman in Gereformeerd Kerkrecht (II, blz. 186) daarover zegt: ‘De notulen bevatten de handelingen van de kerkeraad, waarin over allerlei intieme en tedere kwesties wordt gesproken, waarvan buiten de kring van de kerkeraad niet mag worden gesproken’. Voetius zegt: ‘Aan hen, die buiten staan, of aan leden van andere kerken of aan de leden van dezelfde kerk kan in het algemeen de lezing der notulen der kerkeraad niet worden toegestaan. Wel echter aan de leden van hetzelfde consistorie (kerkeraad), die zelf de besluiten hebben gemaakt en de acta hebben vastgesteld. Indien het evenwel in één of ander geval billijk is, dat aan iemand wordt toegestaan een extract uit de notulen te maken, dan moet dit niet geschieden dan met voorafgaande toestemming van de gehele vergadering, aan welke de acta toebehoren’. Zelfs mag naar het oordeel van Voetius het notulenboek niet aan de rechter bij het onderzoek naar een bepaalde kwestie worden overhandigd, omdat de zielszorg een vertrouwelijke zaak is en de predikant of de kerkeraad op die wijze de rol van de rechter van instructie zou vervullen. De kerkeraad behoort datgene, dat hem in tuchtzaken medegedeeld wordt, als strikt vertrouwelijk te behandelen. De liefde tot het behoud van de zondaar en de zorg voor de goede naam van de zondaar in het publieke leven mag nooit uit het oog verloren worden.

Ook de kerkvisitatoren mogen niet nodeloos indringen in datgene wat des kerkeraads is. Wel vertegenwoordigen zij het kerkverband, maar het kerkverband vernietigt de vrijheid en de zelfstandigheid van de kerkeraad niet. In bijzondere gevallen evenwel wanneer er een rechtmatige grond van twijfel is gerezen of de notulen wel in orde zijn, wanneer een aanklacht door een lid van de kerkeraad of van de gemeente bij de classis of bij de visitatoren is ingekomen, dat de voorgevallen zaken niet naar behoren zijn opgetekend, of wanneer de meerdere vergadering in een zaak van appèl geroepen wordt uitspraak te doen, dan kan, krachtens het kerkverband, inzage van het notulenboek in de betrokken kwestie niet worden geweigerd.