Harmannij, K. (1990)

Wegwijs in de kerkorde
zoals die is vastgesteld door de generale synode van De Gereformeerde Kerken in Nederland in 1978 te Groningen-Zuid
Barneveld
Uitgeverij De Vuurbaak
1990

ISBN: 

90-6015-837-7

Harmannij, K. (1990) Inh.

|5|

Inhoud

 

Woord vooraf, 7

1. Algemeen, 9
1.1. Geen wanorde maar vrede, 9
1.2. Formalistisch of formeel, 9
1.3. Synodale bepalingen, 10
1.4. Geschiedenis van de kerkorde, 11
1.5. Wijziging van de kerkorde, 11
1.6. Indeling, 12

2. De ambten, 13
2.1. Kerkregering door ambtsdragers, 13
2.2. I Timoteüs, 13
2.3. Vrouwen in het ambt?, 14
2.4. Taak van de predikant, 17
2.5. Taak van de ouderling, 18
2.6. Taak van de diaken, 18
2.7. Huisbezoeken, 19
2.8. Samenwerking van de ambtsdragers, 21
2.9. Goede onderlinge verhoudingen, 22

3. De predikant, 25
3.1. Veel aandacht voor de predikant, 25
3.2. Opleiding, 25
3.3. Trouw aan Gods Woord, 27
3.4. Levenstaak, 30
3.5. Bijzondere functies, 34
3.6. Geen dominocratie, 35
3.7. De consulent, 37

4. De gemeente, 39
4.1. Eigen plaats, 39
4.2. Gestimuleerd door de kerkeraad, 39
4.3. Eigen inbreng bij roeping en beroeping, 41
4.4. Recht van bezwaar, 44
4.5. Recht van beroep, 46

|6|

5. De vergaderingen, 51
5.1. Omschrijving, 51
5.2. Wat kan de diaken hiermee?, 52
5.3. Geloofsbrieven, 55
5.4. Orde in de vergadering, 57
5.5. Wie heeft het laatste woord?, 60
5.6. Eigen karakter van de kerkeraad, 65
5.7. Eigen karakter van de classis, 70
5.8. Eigen karakter van de particuliere synode, 76
5.9. Eigen karakter van de generale synode, 78

6. De eredienst, 84
6.1. Tweemaal per zondag, 84
6.2. Orde in de eredienst, 85
6.3. Bijzondere diensten, 86
6.4. Bijzondere onderdelen, 90
6.5. Tijdstip van de doop, 92
6.6. Van doop naar avondmaal, 94
6.7. De avondmaalsviering, 96
6.8. Toelating tot het avondmaal, 98
6.9. Attestaties, 99

7. De tucht, 102
7.1. Doel, 102
7.2. Indeling, 103
7.3. Wie oefent tucht?, 104
7.4. Geheime zonden, 108
7.5. Openbare zonden, 111
7.6. Tucht over ambtsdragers, 114
7.7. Tucht over doopleden, 117
7.8. Onttrekking, 118
7.9. Als het doel bereikt wordt, 120

Woordenlijst, 123

Register, 151

Harmannij, K. (1990) Wv.

|7|

Woord vooraf

 

Dit boek is in de eerste plaats bedoeld als leesboek voor gemeenteleden, die inzicht willen krijgen in het kerkelijk leven. Terwille van die leesbaarheid wordt de kerkorde niet per artikel behandeld, maar worden er enkele hoofdlijnen getrokken. Daardoor komt ook de samenhang van de verschillende artikelen beter uit.

In de tweede plaats kan het boek worden gebruikt als naslagwerk. Daarvoor is aan het eind een register opgenomen, waarin men voor elk artikel de paragrafen vindt waarin het wordt verklaard.

Verder bevat het boek een woordenlijst, waarin wordt omschreven welke speciale betekenis allerlei woorden in het kerkelijk leven hebben gekregen.

Tenslotte kan het boek worden besproken op de studievereniging. Mijn advies is om dan per verenigingsavond één hoofdstuk te behandelen.

 

De auteur

Harmannij, K. (1990) Hst. 1

|9|

1 Algemeen

 

1.1. Geen wanorde maar vrede

Er is een goede reden om als kerken een kerk-orde te hebben. We vinden die reden in I Korintiërs 14: 40:

Laat alles betamelijk en in goede orde geschieden.

Daarmee wordt voortgebouwd op wat al was gezegd in vers 33:

...want God is geen God van wanorde, maar van vrede.

Paulus geeft in dit hoofdstuk enkele regels voor het kerkelijk leven in Korinte. Daar dreigde wanorde te ontstaan: de gemeente werd opgedeeld in partijen, en leden van de gemeente probeerden elkaar af te troeven met allerlei kundigheden.

Daartegenover leert Paulus de kerk om weer Gods beeld te vertonen. En hoe werkt God? Hij is niet iemand die de wanorde bevordert: God brengt vrede.

Vrede is meer dan orde alleen. Vrede is een orde waarin ieder gelukkig kan zijn, een orde waarin ruimte is voor het leven tot Gods eer.

Die vrede mag in de kerk worden nagestreefd. Dat kan door zich te binden aan goede regels, die de wanorde tegengaan.

Dat is de achtergrond van artikel 1, waar staat:

In de gemeente van Christus behoort alles in goede orde te gebeuren.

We kunnen verder verwijzen naar de Nederlandse Geloofsbelijdenis, die in artikel 30 tot 32 enkele uitgangspunten aangeeft voor de gereformeerde kerkregering. In artikel 32 lezen we dan onder meer:

Wij aanvaarden dus alleen wat kan dienen om eendracht en eenheid te bevorderen en te bewaren, en allen te doen blijven bij de gehoorzaamheid aan God.

De geloofsbelijdenis keert zich dus tegen alle regelzucht, die met een overmaat aan regels misschien wel orde brengt, maar niet de kerkelijke vrede bevordert.

En om die vrede gaat het toch. Een vrede die meer is dan orde alleen.

 

1.2. Formalistisch of formeel

Vrede is meer dan orde alleen. Dat moet ook worden bedacht bij de toepassing van de kerkorde in de praktijk.

Regels kunnen immers zo strikt worden toegepast, dat ze een belemmering vormen voor een goede voortgang van het kerkelijk leven. We spreken dan van ‘formalisme’: alleen maar letten op de regels, en niet op de kwalijke gevolgen die strenge handhaving daarvan in een bepaald geval kan hebben.

|10|

Aan de andere kant moeten we ook oppassen voor een al te soepele hantering van de kerkelijke regels. Zeker wanneer het gaat om ingewikkelde kwesties, is het goed om zich ‘formeel’ op te stellen: vasthouden aan de afgesproken orde, om zo recht te doen aan alle betrokkenen.

De grens tussen ‘formeel’ en ‘formalistisch’ is vaak moeilijk te trekken; veel hangt hier af van persoonlijke inzichten en ervaringen.

Het is niet verstandig om zich te verzetten of zelfs in beroep te gaan tegen een beslissing die als formalistisch wordt ervaren. Dat komt de vrede niet ten goede. Het is beter om zich hierin te onderwerpen aan de ambtsdragers die God heeft gegeven.

Aan de andere kant moet elke kerkelijke vergadering beseffen, dat ze door formalistisch optreden de kerkleden van zich kan vervreemden.

Een voorbeeld: Hans heeft jaren in Groningen gewoond. Hij heeft daar ook belijdenis gedaan. Daarna is hij gaan studeren in Amsterdam. Hij levert daar, zoals behoort, zijn attestatie in. Enkele maanden later komt hij weer eens thuis. Het is juist avondmaal en Hans wil graag meevieren. „Heb je een briefje bij je?” vraagt zijn vader. „Nee, moet dat dan?” „Ja, je bent nu lid van de kerk in Amsterdam. Als je bij ons avondmaal wilt vieren moet je een briefje bij je hebben van je eigen kerkeraad. Dat staat in artikel 60 van de kerkorde”. Wat nu?
Opgebeld naar de scriba. Die zegt: „We zullen in dit geval niet formalistisch doen: ik bel wel even met Amsterdam, dan is het voor deze keer wel goed. Tenslotte weten we nog wel wie je bent. Maar de volgende keer zijn we formeel: als je dan weer geen briefje bij je hebt, kun je hier niet meedoen aan het avondmaal”.
Had de scriba nu meteen al gezegd: „Het spijt me, maar je hebt geen briefje, dus voor jou geen avondmaal dit keer”, dan was dat behoorlijk formalistisch geweest. Toch had Hans er niets tegen kunnen doen: de scriba stond in zijn recht. Maar Hans zou wel een nare indruk hebben gekregen van het naleven van de kerkorde.

 

1.3. Synodale bepalingen

De kerkorde regelt niet alles wat er te regelen valt. Een kerkelijke vergadering moet daarom regelmatig besluiten nemen, waarin aanvullende regels worden gesteld. De besluiten die op deze manier door de generale synode worden genomen, noemt men ‘synodale bepalingen’ of ‘generale kerkelijke bepalingen’ of ‘generale regelingen’.

Deze bepalingen moeten evengoed worden nageleefd als de kerkorde zelf. De kerkorde verwijst er met zoveel woorden naar in artikel 6:

De kerken zullen zich houden aan de generale kerkelijke bepalingen over de beroepbaarheid van predikanten die buiten Nederland gediend hebben in kerken van gereformeerde belijdenis en over het meer dan eenmaal beroepen van dezelfde predikant in dezelfde vacature.

Ook in artikel 8:

Daarna zal de classis verder met hen handelen zoals naar haar oordeel

|11|

verantwoord is, volgens de generale regeling die daarvoor door de kerken is vastgesteld.

Verder nog in artikel 9:

Daarbij zullen de desbetreffende generale kerkelijke bepalingen in acht worden genomen.

Uiteraard zijn alleen bepalingen geldig die niet door een wijziging van de kerkorde of door nieuwe bepalingen achterhaald zijn. Ook geldt het alleen voor besluiten die na 1892 zijn genomen, het jaar dat de Gereformeerde Kerken werden gevormd uit de vereniging van ‘Afgescheidenen’ en ‘Dolerenden’.

Een overzicht van synodale bepalingen die nu nog van kracht zijn, vindt u in: H. Bouma, Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Groningen 1983.

 

1.4. Geschiedenis van de kerkorde

Tijdens de grote Reformatie in de 16e eeuw zijn de Gereformeerde Kerken meteen begonnen met het opstellen van een kerkorde. In de loop der jaren werd daar nog heel wat aan bijgeschaafd en aangevuld. Dat werk kreeg een voorlopige afsluiting op de synode die in 1618 en 1619 werd gehouden te Dordrecht. Daarom wordt onze kerkorde wel de ‘Dordtse Kerkorde’ genoemd of, zoals men vroeger zei, de ‘Dordtse Kerkenordening’.

In de 19e en 20e eeuw zijn opnieuw allerlei wijzigingen aangebracht. De laatste ingrijpende herziening dateert van 1978, toen de generale synode van Groningen-Zuid een tekst vaststelde, die inhoudelijk en taalkundig was aangepast aan de eigen tijd.

Wel heeft men nadrukkelijk vast willen houden aan de zelfde Bijbelse grondregels voor de kerkregering. Ook de indeling in hoofdstukken en artikelen bleef nagenoeg gelijk. Verklaringen van de ‘oude’ kerkorde blijven dan ook van groot belang voor het begrijpen van de ‘nieuwe’, herziene kerkorde.

Bekende verklaringen van de kerkorde zijn: Joh. Jansen, Korte Verklaring van de Kerkenordening, Amsterdam 1976 (fotomechanische herdruk van de eerste druk uit 1923),
F.L. Rutgers, Kerkelijke Adviezen, Kampen 1921/1922
en: H. Bouwman, Gereformeerd Kerkrecht, Kampen 1928/1934.

 

1.5. Wijziging van de kerkorde

Uit het voorgaande blijkt dat de kerkorde al vaak veranderd is. Dat is begrijpelijk: de kerkorde is geen belijdenisgeschrift. Wel is de kerkorde gegrond op Bijbelse gegevens voor de kerkregering, die onaantastbaar zijn. Maar de uitwerking van die gegevens kan altijd worden aangepast aan wat wenselijk is voor de eigen tijd en omstandigheden.

Artikel 47 zegt daarom:

Op ondergeschikte punten van kerkorde en kerkelijke praktijk zullen buitenlandse kerken niet veroordeeld worden.

|12|

Dat is een erkenning dat het ook anders kan dan in onze kerkorde staat. Iemand mag daarom zijn kritiek hebben op onderdelen van de kerkorde. En bij een plaatselijke kerk kan de wens leven om een bepaald artikel veranderd te zien.

Maar een verzoek daartoe zal eerst op de generale synode gebracht moeten worden. Het betreft immers gezamenlijke afspraken van alle kerken, die dus ook alleen maar door alle kerken samen veranderd kunnen worden. Zolang het artikel niet door de generale synode veranderd is, heeft iedereen zich er aan te houden. Anders is de orde weg en komt dus ook de vrede in gevaar.

Dit is vastgelegd in het slotartikel van de kerkorde, artikel 84:

Al deze artikelen, die de wettige orde van de kerk betreffen, zijn in gemeenschappelijk overleg vastgesteld en in eensgezindheid aanvaard.
Wanneer dit in het belang van de kerken is, behoren ze gewijzigd, aangevuld of verminderd te worden. Een kerkeraad, classis of particuliere synode mag dit echter niet doen: zij zullen zich erop toeleggen de bepalingen van deze kerkorde na te leven zolang ze niet door de generale synode zijn veranderd.

 

1.6. Indeling

Artikel 1 geeft behalve het doel van de kerkorde ook een indeling aan:

In de gemeente van Christus behoort alles in goede orde te gebeuren.
Daarvoor is nodig een regeling met betrekking tot
I. de ambten
II. de kerkelijke vergaderingen
III. het opzicht over de leer en de eredienst
IV. de tucht.

Hoofdstuk I omvat de artikelen 2 tot 27, hoofdstuk II de artikelen 28 tot 52, hoofdstuk III de artikelen 53 tot 71, en hoofdstuk IV de artikelen 72 tot 82, terwijl de artikelen 83 en 84 als slotartikelen dienst doen.

Zelf zullen we deze indeling niet meer dan globaal aanhouden.

Harmannij, K. (1990) Hst. 2

|13|

2 De ambten

 

2.1 Kerkregering door ambtsdragers

In artikel 30 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis verklaren wij dat Christus zijn kerk wil regeren door middel van ambtsdragers. Dat zijn kerkleden aan wie een ambt is toevertrouwd, een Goddelijke opdracht. Zie het begin en het slot van genoemd artikel:

Wij geloven dat deze ware kerk geestelijk geregeerd moet worden op de wijze die onze Here ons in zijn Woord geleerd heeft. Er moeten dienaren of herders zijn, om Gods Woord te prediken en de sacramenten te bedienen, ook opzieners en diakenen, om met de herders een raad van de kerk te vormen.
(...)
Op deze wijze zal alles in de kerk in goede orde geschieden, wanneer personen gekozen worden die trouw zijn, overeenkomstig de regel die de apostel Paulus daarvoor geeft in de brief aan Timoteüs.

De kerkorde sluit zich hierbij aan: het eerste hoofdstuk is gewijd aan de ambten. Het eerste artikel van dat hoofdstuk, artikel 2, luidt daarbij als volgt:

Er zijn drie ambten te onderscheiden: het ambt van dienaar des Woords, van ouderling en van diaken. Sommige predikanten zullen afgezonderd worden voor de opleiding tot de dienst des Woords, andere voor het zendingswerk.

Wat meteen opvalt, is dat de kerkorde twee namen gebruikt voor het ambt van dienaar des Woords: ‘dienaar des Woords’ en ‘predikant’. Inhoudelijk is er geen verschil; verwarring is dus niet nodig.

 

Ook valt op dat de kerkorde geen speciale ambten kent voor de opleiding van predikanten of voor het zendingswerk. Er is wel een bijzondere opdracht voor de predikanten die zich hier mee bezig houden, maar geen bijzonder ambt.

Daarin volgt de kerkorde de Nederlandse Geloofsbelijdenis, die immers ook niet meer dan drie ambten noemt. Bovendien vindt deze indeling van de ambten goede steun in de Bijbelse gegevens.

 

2.2 I Timoteüs

De Bijbel geeft ons nergens een schema waarin alle ambten met hun eigen taak precies worden omschreven. We zullen ons zelf een beeld moeten vormen door vergelijking van allerlei teksten.

Een brede studie over deze teksten treft u aan in: J.van Bruggen, Ambten in de apostolische kerk, Kampen 1984.

|14|

Een Bijbelgedeelte dat daarbij bijzondere aandacht verdient, is de eerste brief van Paulus aan Timoteüs.

In hoofdstuk 3 worden daar de vereisten genoemd voor twee ambten: het ambt van opziener en het ambt van diaken. Ook in Filippenzen 1: 1 worden deze beide ambten samen vermeld. Een aanwijzing om in ieder geval deze twee te onderhouden:
— het ambt van opziener of oudste (volgens Titus 1: 5,7 wordt met beide namen het zelfde ambt bedoeld) dat wij nu aanduiden met de naam ‘ouderling’; en
— het ambt van diaken.

In I Timoteüs 5: 17 wordt nog nader onderscheid gemaakt tussen tweeërlei oudsten.

De oudsten, die goede leiding geven, komt dubbel eerbewijs toe, vooral hun, die zich belasten met prediking en onderricht.

In de Gereformeerde Kerken is aan die „oudsten, die zich belasten met prediking en onderricht” een eigen ambtsnaam gegeven: dienaar des Woords of predikant.

Een predikant is dus een ouderling, maar dan een die zich toelegt op prediking en onderricht en die zich daarmee ‘belast’: het is zijn dagtaak geworden.

Als Bijbelse grond voor het ambt van dienaar des Woords kan overigens naar meer teksten worden verwezen. Te denken valt aan het vers waarin Paulus het ambt van Timoteüs zelf beschrijft, I Timoteüs 4: 13:

In afwachting van mijn komst moet gij u toeleggen op het voorlezen, het vermanen en het leren.

Weliswaar was Timoteüs geen predikant zoals wij die nu kennen. Maar de taak van Timoteüs is er wel een die altijd blijft. Wanneer we daar nu de predikanten mee belasten, blijven we in het Bijbelse spoor.

 

2.3 Vrouwen in het ambt?

In I Timoteüs 3 wordt niet alleen gesproken over opzieners en diakenen, maar ook over ‘vrouwen’. Dat gebeurt in vers 11:

Evenzo moeten (hun) vrouwen zijn: waardig, geen kwaadspreeksters, nuchter, betrouwbaar in alles.

Het woordje ‘hun’ staat tussen haakjes, wat wil zeggen dat het door de vertalers is ingevoegd. Zij meenden dat het hier om de echtgenotes van de diakenen gaat, omdat in de verzen die voorafgaan (vers 8 tot 10) en in de verzen die volgen (vers 12 en 13) over diakenen wordt gesproken.

Maar het ligt meer voor de hand om bij deze vrouwen te denken aan zusters uit de gemeente, die een eigen taak hadden gekregen. Aan deze vrouwen worden immers, net als bij de opzieners en de diakenen, bijzondere eisen gesteld.

Dat het voor en na vers 11 over diakenen gaat, moet dan wel betekenen, dat de taak van deze vrouwen ligt in het diakonale vlak: ‘zusterhulp’.

|15|

Mogen we dus spreken over vrouwelijke diakenen? Zeker. Paulus doet dat zelf ook in Romeinen 16: 1. Als we maar niet menen, dat de mannelijke en vrouwelijke diakenen één pot nat zijn, zodat het bij het diakenambt niet zou uitmaken of iemand man of vrouw is. De vrouwen worden in I Timoteüs 3: 11 apart genoemd. Ze hebben dus een eigen plaats en een eigen taak in de gemeente.

Het is mogelijk daarbij te denken aan wat Paulus schrijft in I Timoteüs 5:3-16 over de weduwen. Hij doet daarbij in vers 9 een opmerkelijke uitspraak:

Als weduwe kome in aanmerking iemand niet beneden de zestig jaren, die de vrouw geweest is van één man.

Dat zijn nogal strenge eisen als het alleen zou gaan om de vraag welke weduwen door de gemeente ondersteund moeten worden. Maar het zijn aanvaardbare eisen als Paulus doelt op weduwen die voor een bepaalde taak worden aangesteld.

We zouden dus kunnen spreken over een vierde ambt: het ambt van de vrouwelijke diaken, de diakones. ‘Ambt’ is dan genomen in de betekenis van een taak die God geeft binnen de kerk, ten dienste van de gemeente.

Toch kunnen we terwille van de duidelijkheid het woord ‘ambt’ hier beter vermijden. Want de Gereformeerde belijdenis en kerkorde bedoelen met het woord ‘ambt’ een Goddelijke opdracht die gericht is op de regering van de kerk.

Ambtsdragers hebben een leidinggevende functie.

Voor wat betreft de belijdenis kan hiervoor worden verwezen naar het begin van artikel 30 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis:

Wij geloven dat deze kerk geestelijk geregeerd moet worden op de wijze die onze Here ons in zijn Woord geleerd heeft. Er moeten dienaren of herders zijn, om Gods Woord te prediken en de sacramenten te bedienen, ook opzieners en diakenen, om met de herders een raad van de kerk te vormen.

En dan wordt in artikel 31 van de Geloofsbelijdenis aan deze drie, dienaren van Gods Woord, ouderlingen en diakenen, het woord ‘ambt’ toegekend. Ook de kerkorde betrekt alle drie de ambten bij de regering van de kerk. Het duidelijkst daarover is artikel 36:

In alle kerken zal een kerkeraad zijn, die bestaat uit de predikant(en) en de ouderlingen.
(...)
De kerkeraad zal eveneens regelmatig met de diakenen vergaderen. Deze vergadering zal de zaken behandelen die de kerkorde daarvoor aanwijst, de materiële aangelegenheden van de kerk, het financieel beheer en alles wat naar het oordeel van de kerkeraad tot het algemeen beleid gerekend kan worden.

Uit dit artikel blijkt, dat de kerkregering allereerst is opgedragen aan de predikanten en ouderlingen, maar dat ook de diakenen erbij betrokken worden.

Zouden we nu bij bepaalde vrouwen over een ‘ambt’ gaan spreken, dan zou

|16|

de indruk kunnen ontstaan, dat vrouwen evengoed als mannen zitting kunnen nemen in de kerkeraad en zo de kerk kunnen meeregeren. Maar dat is iets wat door de Bijbel duidelijk wordt afgewezen.

We lezen dat al in het Oude Testament, waar alleen mannen door de Here werden gezalfd om voor Hem dienst te doen als koning of priester.

We lezen het ook in het Nieuwe Testament, waar Jezus alleen mannen heeft aangesteld in ‘de raad’ van de twaalf apostelen.

We kunnen dat niet afdoen als een aansluiten bij de mode van die tijd. Van Jezus wordt meermalen gezegd, dat Hij zich niet liet leiden door wat ‘men’ dacht over de positie van de vrouw (zie Johannes 4: 27 en Lucas 10: 38-40). Zijn keus van 12 mannen is een bewuste keus geweest.

De twaalf apostelen gaan dan ook op dezelfde voet verder: wanneer in Handelingen 6 de noodzaak aanwezig blijkt om speciale ambtsdragers aan te stellen voor het diaconale werk, vragen de apostelen om zeven mannen.

Dit wordt ondersteund door de teksten die zeggen dat de man het hoofd is van zijn vrouw (Efeziërs 5: 23), dat de vrouwen in de gemeente moeten zwijgen (I Korintiërs 14: 34) en dat het niet is toegestaan dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft (I Timoteüs 2: 12). Het is terecht om deze teksten allereerst te betrekken op de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk. Maar aan het benoemingsbeleid dat God ons bekend maakt in de Bijbel, merken we dat het zeker ook moet worden toegepast op het kerkelijk leven. Het is wijs om ook daar te rekenen met de eigen aard van man en vrouw.

Vrouwen mogen dus niet als ambtsdrager betrokken worden bij de regering van de kerk.

Dat is geen achteruitzetting van de vrouw. Weliswaar mist zij het mooie van het ambt (I Timoteüs 3: 1 noemt het opzienersambt een voortreffelijke taak). Maar ook de zwaarte van het ambt blijft haar bespaard (zie Hebreeën 13: 17, waar gesproken wordt over de verantwoordelijkheid van de ambtsdragers tegenover hun Zender en de moeite die ze vaak ondervinden bij het omgaan met zondige mensen).

Ook kan niet gezegd worden dat er voor de vrouw geen taak overblijft in de gemeente. We lezen in I Timoteüs 3 en 5 immers over vrouwen en dan vooral bepaalde weduwen, die een eigen diaconale taak krijgen in de gemeente. Ook kan worden verwezen naar I Timoteüs 2: 15, waar de vrouw in haar eigen gezin de taak krijgt aangewezen om kinderen groot te brengen voor de Here, en zo te bouwen aan de toekomst van de kerk. Verder kan ze in persoonlijke contacten zowel mannen als vrouwen laten delen in haar geloofswijsheid (vergelijk Richteren 4:4,5 over Debora en II Kronieken 34:22 over de profetes Hulda).

Wel doen we er goed aan om deze taken van de vrouw meer te gaan waarderen. Het is vaak werk op de achtergrond, maar uiterst belangrijk. Het is beter dat we de vrouwen hierin aanmoedigen, dan dat we ze allerlei andere bestuursfuncties geven in het kerkelijk leven, onder het motto: „in de

|17|

kerkeraad mag het (helaas) niet, maar hier mag het wel”. Het zou immers huichelachtig zijn, wanneer we voor de ambten streng zouden vasthouden aan het onderscheid tussen man en vrouw, terwijl we in de rest van het kerkelijke en maatschappelijke leven zouden handelen alsof het onderscheid tussen man en vrouw ons niet interesseert. Het zou onze schuld zijn, wanneer een volgende generatie dan een stap verder zou gaan door ook voor de ambten dit onderscheid maar op te heffen.

 

2.4 Taak van de predikant

Alle drie de ambten krijgen in de kerkorde hun eigen taakomschrijving. Vrij kort, veel korter dan de formulieren die gebruikt worden bij de bevestiging van de ambtsdragers. Maar dat korte van de kerkorde heeft een voordeel: in een paar woorden wordt gezegd, waar het bij het betreffende ambt nu precies om draait.

Voor de predikant vinden we de taakomschrijving in artikel 16:

De taak van de predikanten is trouw voor te gaan in de gebeden en in de bediening van het Woord en de sacramenten.
Zij behoren goed acht te geven op hun mede-ambtsdragers en op de gemeente, en samen met de ouderlingen de tucht te bedienen en te zorgen, dat alles op gepaste wijze en ordelijk gebeurt.

Dit artikel wijst de predikant op twee kanten van zijn werk.

Hij is — voorganger in de eredienst en
— mede-ouderling

Dat sluit goed aan op wat we vonden in I Timoteüs 5: 17: een predikant is een ouderling, maar dan een die zich toelegt op prediking en onderricht.

Uiteraard zullen ook de andere ouderlingen onderricht geven in de gemeente, en zij zullen daarbij evengoed als de predikant het Woord mogen bedienen. Maar de speciale verkondiging van het Woord in de zondagse eredienst is alleen aan de predikanten toevertrouwd, evenals de bediening van de sacramenten, die immers bezegeling zijn van dat verkondigde woord.

Daarom zijn het juist ook predikanten, die voor het zendingswerk worden geroepen. Dat is niet alleen omdat predikanten een goede opleiding hebben genoten, maar vooral ook omdat de taak van de zendeling inderdaad de taak is van een dienaar des Woords. Vergelijk artikel 25:

De taak van de predikanten die geroepen zijn tot het zendingswerk, is het Woord van God te verkondigen in het hun toegewezen gebied. Zij zullen hun die tot geloof gekomen zijn, de sacramenten bedienen en hun leren onderhouden alles wat Christus zijn gemeente bevolen heeft. Ook zullen zij naar goede orde de ambten instellen.

We vinden hier de beide kanten van het predikantenambt duidelijk terug:
— bediening van Woord en sacramenten
— leiding geven aan de gemeente, onder andere door het instellen van de ambten.

|18|

Uiteraard kunnen er ook zendingswerkers zijn, die geen predikant zijn. Maar deze zendingswerkers zullen nooit meer dan hulpdiensten verrichten, want het echte zendingswerk is dienst des Woords.

Wat artikel 16 niet noemt is de catechisatie, het onderwijs aan de jeugd van de kerk, om hen voor te bereiden op de openbare belijdenis van hun geloof. Deze catechisatie kan worden opgevat als een verdere uitwerking van „de bediening van het Woord” en wordt daarom als regel eveneens tot de taak van de predikant gerekend. Maar het is niet zo strikt aan hem gebonden, dat alleen de predikant het zou mogen doen: in bijzondere gevallen kan een ouderling of een ander gemeentelid de catechisaties op zich nemen. Als het maar wel gebeurt onder verantwoordelijkheid van de kerkeraad!

 

2.5 Taak van de ouderling

De taak van de ouderling wordt omschreven in artikel 21. Het hoeft niet te verwonderen dat daarin de zelfde elementen voorkomen als in het tweede deel van artikel 16, over de taak van de predikanten als mede-ouderling. Er wordt dan ook steeds gezegd, dat ze hun taak samen met de predikanten moeten uitoefenen.

De taak van de ouderlingen is in herderlijke zorg de gemeente te regeren, samen met de dienaren des Woords. Zij zien er op toe, dat de predikanten, de mede-ouderlingen en de diakenen hun ambt trouw vervullen. Zij leggen zo dikwijls huisbezoek af als goed is voor de opbouw van de gemeente, ten minste eenmaal per jaar. Ook moeten zij samen met de predikanten de tucht bedienen en zorgen dat in de gemeente alles op gepaste wijze en ordelijk gebeurt.

De naam ‘ouderling’ is ontleend aan het Bijbelse ‘oudste’: iemand die leiding mag geven. Vandaar dat artikel 21 als hun taak noemt dat ze „in herderlijke zorg de gemeente regeren” en „zorgen dat in de gemeente alles op gepaste wijze en ordelijk gebeurt”.

De Bijbel noemt de ouderling ook wel ‘opziener’, iemand die opzicht uitoefent, iemand die toezicht houdt. Ook dat vinden we in dit artikel duidelijk terug: de ouderling moet toezicht houden op zijn mede-ambtsdragers en op de hele gemeente. Voor dit toezicht heeft de ouderling de beschikking over twee middelen: het huisbezoek en de tucht.

 

2.6 Taak van de diaken

Artikel 22 zegt over de diakenen:

De taak van de diakenen is de dienst van de barmhartigheid te vervullen. Zij zullen door het afleggen van huisbezoeken zich op de hoogte stellen van de moeiten, waar nood is helpen en bemoedigen, en ook de gemeenteleden aansporen tot het verlenen van hulp. Verder zullen ze de liefdegaven inzamelen, goed beheren en in gemeenschappelijk overleg naar behoefte uitdelen.

Dit artikel maakt duidelijk dat de diaken meer is dan collectant in de eredienst. Het collecteren en het geven van een bestemming aan de diaconale collectes wordt pas als laatste genoemd.

|19|

Eerst wordt de diaken op pad gestuurd: hij moet bezoeken afleggen. Bezoeken bij alle leden van de gemeente.

Want sommigen hebben hulp nodig. De diaken mag die hulp geven.

Anderen kunnen juist hulp bieden. De diaken mag hen daartoe aansporen.

Weer anderen hebben in hun moeiten vooral behoefte aan christelijk meeleven. De diaken mag daarin voorzien.

Daarbij is het werkterrein van de diaken zo breed als er nood is in de wereld. Wel zal de diaken zich in de eerste plaats richten op alle nood die er heerst in de eigen gemeente. Maar dan nog is zijn werkterrein vrijwel niet te overzien.

Een diaken zal daarom behoefte hebben aan goede voorlichting. Gelukkig komt daar in de laatste jaren steeds meer van beschikbaar.

Te noemen valt: C. Trimp, Zorgen voor de gemeente, Kampen 1982,
C. van der Leest, Dienstvaardig, Barneveld 1987/1989
en: A. Kooij en C. Trimp (red.), Zaaien op dankdag, Barneveld 1988.

Ook al is de diaken allereerst geroepen om te zorgen voor de eigen gemeente, hij mag de nood in andere gemeenten niet over het hoofd zien. Vanuit dat besef is artikel 64 opgesteld:

Wanneer leden naar een andere gemeente vertrekken, waar zij in inrichtingen, bejaardentehuizen of verpleeghuizen verzorgd worden, blijven zij wat de diaconale bijstand betreft zoveel mogelijk voor rekening van de kerk die zij verlaten. Indien dit niet mogelijk is, zal de steunverlening geregeld worden via overleg tussen de betrokken kerkeraden.

De reden hiervoor kan duidelijk zijn: gemeenten waar dergelijke inrichtingen of tehuizen gevestigd zijn, moeten niet onevenredig zwaar worden belast. Daar komt nog bij dat de leden wie het betreft, meestal meer binding hebben aan hun vorige gemeente dan aan de gemeente waar ze nu — meestal noodgedwongen — toe behoren.

 

2.7 Huisbezoeken

Ouderlingen moeten op huisbezoek, diakenen ook. Voor de predikanten wordt het in artikel 16 niet uitdrukkelijk gezegd, maar als mede-ouderling mag ook van hen worden verwacht dat ze op huisbezoek gaan.

Want wat is een huisbezoek? Huisbezoek betekent gewoon: bezoek aan huis. Het bijzondere van dit bezoek is namelijk dat de ambtsdragers op pad gaan om de gemeenteleden daar op te zoeken, waar ze wonen en leven: in hun eigen huis.

Met de term ‘huisbezoek’ wordt nadrukkelijk verhinderd dat de ambtsdragers iets van een spreekuur zouden instellen, zodat de gemeenteleden naar hen toe zouden moeten komen.

Ook wordt verhinderd dat de ambtsdrager een houding zou aannemen van: als ze me nodig hebben dan hoor ik dat wel.

Huisbezoek wil zeggen dat de ambtsdragers net als Christus zelf vol zorg zijn voor alle leden van de gemeente. Ze kunnen het niet nalaten om

|20|

regelmatig te gaan kijken hoe het er bij staat. Ze wachten niet op een uitnodiging, ze gaan!

Het doel van zo'n huisbezoek is tweeledig:
— de ambtsdragers willen de gemeenteleden keren kennen. Ze moeten daarom goed kunnen luisteren, vanuit de liefde van God.
— de ambtsdragers willen waar nodig troosten en vermanen. Ze moeten daarom goed kunnen spreken, vanuit het Woord van God.

Daarbij hebben ouderlingen en diakenen ieder hun eigen aanpak: de ouderling let op leer en leven van de gemeenteleden, de diaken let op eventuele moeiten en op de inzet bij de onderlinge hulpverlening.

 

Voor de ouderlingen zegt artikel 21:

Zij leggen zo dikwijls huisbezoek af als goed is voor de opbouw van de gemeente, ten minste eenmaal per jaar.

Het is daarom regel geworden dat precies eenmaal in het jaar de ouderlingen twee aan twee alle gemeenteleden een bezoek brengen. Dit bezoek wordt van te voren aangekondigd en kent een vast patroon: er wordt uit de Bijbel gelezen en er wordt voor het bezochte gezin gebeden.

Deze gewoonte heeft belangrijke voordelen: de ouderlingen zorgen er samen voor dat niemand in de gemeente wordt overgeslagen en de gemeenteleden kunnen zich op het bezoek voorbereiden. Ook weet iedereen tijdens het bezoek waar het voor dient: niet voor wat gezelligheidspraat maar voor het spreken over ons leven als christen. Dat komt het niveau van het gesprek zeker ten goede.

Maar het mag niet zo zijn, dat een ouderling zou menen dat zijn bezoektaak is volbracht met dat ene bezoek per jaar. Artikel 21 zegt het anders! Ook mag het niet zo zijn dat de gemeenteleden alleen dat jaarlijkse huisbezoek als ambtelijk werk beschouwen en dat ze de ouderling bij andere bezoeken niet als ambtsdrager kunnen zien, die komt in opdracht van Christus.

De ouderling komt ook als ambtsdrager wanneer hij zonder mede-ouderling verschijnt.

De ouderling komt ook als ambtsdrager wanneer hij zijn bezoek eens niet heeft aangekondigd.

De ouderling komt ook als ambtsdrager wanneer hij zijn Bijbel in de binnenzak laat zitten, of wanneer hij geen aanleiding ziet voor een gebed. En al deze bezoeken mogen we dan ‘huisbezoeken’ noemen. Het zelfde geldt trouwens voor de bezoeken van predikant of diaken.

 

Aan de diakenen wordt niet opgelegd, dat zij ten minste eenmaal per jaar alle gemeenteleden bezoeken. Artikel 22 zegt alleen:

Zij zullen door het afleggen van huisbezoeken zich op de hoogte stellen van de moeiten, waar nood is helpen en bemoedigen, en ook de gemeenteleden aansporen tot het verlenen van hulp.

Uiteraard zal dit pas goed tot zijn recht komen wanneer de diakenen

|21|

regelmatig bezoeken afleggen. Zo nodig kunnen ze daarvoor een rooster opstellen, evenals de ouderlingen dat doen. Ook kunnen ze twee aan twee gaan en net als de ouderlingen hun huisbezoeken een vast patroon geven, met Bijbellezing en gebed. Maar noodzakelijk is dit niet.

Wie meer wil lezen over het huisbezoek, kan terecht bij:
W. Meijer, Vanavond huisbezoek, Groningen 1975
en: C. van der Leest, Dienstvaardig 1 en 2, Barneveld 1987/1989.

 

2.8 Samenwerking van de ambtsdragers

De ambtsdragers zijn verplicht om regelmatig met elkaar te overleggen en ook samen de nodige besluiten te nemen. Ze zijn immers geen vrije ondernemers maar dienaren van de ene Heer: Jezus Christus.

Bij deze samenwerking wordt wel de eigen verantwoordelijkheid van ieder ambt bewaard. Dat merken we aan het begin van artikel 36:

In alle kerken zal een kerkeraad zijn, die bestaat uit de predikant(en) en de ouderlingen.

Dat is dus een vergadering zonder diakenen. Want het is niet de eerste taak van de diakenen om de gemeente te regeren. Het is wel de eerste taak van de ouderlingen en de predikanten als ‘oudsten’ en ‘opzieners’. Zij zijn allereerst de raad van de kerk.

Dat neemt niet weg, dat de diakenen in veel gevallen wel bij de regering van de kerk worden betrokken. Dat regelt het zelfde artikel 36:

De kerkeraad zal eveneens regelmatig met de diakenen vergaderen. Deze vergadering zal de zaken behandelen die de kerkorde daarvoor aanwijst, de materiële aangelegenheden van de kerk, het financieel beheer en alles wat naar het oordeel van de kerkeraad tot het algemeen beleid gerekend kan worden.

Het is nooit precies aan te geven welke zaken de kerkeraad wel met de diakenen moet behandelen, en welke zaken de kerkeraad zonder diakenen moet behandelen.

Artikel 36 laat twijfelgevallen over aan „het oordeel van de kerkeraad”. Met die kerkeraad zijn dus de predikant en de ouderlingen bedoeld! Zij bespreken zo nodig of het goed is om de diakenen bij een bepaalde zaak te betrekken. Zie verder § 5.6.

In kleine kerken vergadert de kerkeraad altijd samen met de diakenen. Maar als het op stemmen aankomt, blijft het verschil tussen de ambten van kracht. Zie daarvoor artikel 37:

Waar het aantal ouderlingen en diakenen klein is, kan de kerkeraad krachtens plaatselijke regeling altijd samen met de diakenen vergaderen. In dat geval wordt in zaken van opzicht en tucht gehandeld met advies van de diakenen en in zaken van het diakenambt met advies van de ouderlingen. Deze regeling zal in elk geval getroffen worden wanneer zowel het aantal ouderlingen als het aantal diakenen op minder dan drie is bepaald.

In zulke kleine kerken doet de diaken dienst als ‘hulpouderling’. Dat geldt tijdens de kerkeraadsvergadering, maar ook daarbuiten: bij gebrek aan

|22|

ouderlingen kan een diaken met een ouderling meegaan voor het jaarlijkse huisbezoek. Ook kan door zo’n kleine kerk een diaken worden afgevaardigd naar de classis, waar normaal alleen ouderlingen en predikanten worden aanvaard.

In grotere kerken, waar de kerkeraad regelmatig zonder de diakenen vergadert, zullen ook de diakenen hun eigen vergaderingen houden. In de al genoemde kleinere kerken kan zo’n vergadering eveneens voorkomen, maar daar is het niet noodzakelijk. We lezen hierover in artikel 40:

De diakenen zullen regelmatig bijeenkomen om onder aanroeping van de Here de diaconale aangelegenheden te behandelen. Zij zullen verantwoording van hun beleid en beheer doen aan de kerkeraad.

De diakenen moeten dus verantwoording afleggen aan de ouderlingen en de predikant. Dat geldt niet andersom: de ouderlingen hoeven zich niet tegenover de diakenen verantwoorden voor het beleid dat ze op de vergaderingen zonder de diakenen hebben gevoerd. Dit verschil heeft te maken met de eigen aard van het ouderlingenambt: zij zijn het, die in de eerste plaats zijn geroepen voor de regering van de kerk.

Meer over de kerkeraad in § 5.6.

 

2.9 Goede onderlinge verhoudingen

De diakenen moeten verantwoording afleggen aan de ouderlingen; de ouderlingen hoeven dat niet te doen aan de diakenen. Daaruit zou de indruk kunnen ontstaan, dat een ouderling meer is dan een diaken en dat een ouderling bindende opdrachten zou kunnen geven aan een diaken.

Dat is toch niet het geval. We lezen dat in artikel 83:

Geen kerk mag over andere kerken, geen ambtsdrager over andere ambtsdragers, op welke wijze ook, heersen.

Een ouderling alleen heeft geen zeggenschap over de diakenen. Wel is het zo, dat het college van ouderlingen, dus de kerkeraad, zeggenschap heeft over de diakenen, op de manier die in de artikelen 36 en 40 is geregeld.

De vergelijking kan worden getrokken met het andere, dat artikel 83 noemt: geen kerk mag over andere kerken heersen. Maar een vergadering van kerken, bijvoorbeeld de classis, kan wel een uitspraak doen waar een kerk zich aan te houden heeft. Zie daarover § 5.5.

 

De ambtsdragers mogen dus niet over elkaar heersen. Wel mogen ze elkaar van dienst zijn met onderling vermaan. De een mag de ander aansporen om op een bepaald punt zijn ambtsdienst beter te verzorgen. Daarin mag de ouderling een diaken aanspreken, maar evengoed mag de diaken een ouderling aanspreken. Dat is niet alleen zijn goed recht, het is zelfs plicht, volgens artikel 81:

De predikanten, ouderlingen en diakenen zullen onderling christelijke censuur oefenen en elkaar inzake de bediening van hun ambt aansporen en vriendelijk terechtwijzen.

|23|

Dit aanspreken van elkaar kan gebeuren onder vier ogen, zoals dat normaal is bij gemeenteleden, die een zonde bij de ander opmerken. Maar het kan ook als onderdeel van een kerkeraadsvergadering, dus in aanwezigheid van alle ambtsdragers. Daar is vooral reden toe, wanneer het om zaken gaat, die bij de hele kerkeraad bekend kunnen zijn.

Het gezamenlijk bespreken van elkaars ambtsdienst heeft belangrijke voordelen.

Stel, dat een ouderling op een bepaald punt wat aansporing nodig heeft. Zijn mede-ouderlingen kunnen dan hun winst doen met alles wat daar over gezegd wordt: zij zijn immers geroepen tot het zelfde ambt, krijgen vaak te maken met de zelfde problemen en zullen vaak moeten vechten tegen de zelfde zwakheden.

Een voorbeeld: Ouderling K. heeft een behoorlijke Bijbelkennis en kan daar goed over spreken. Hij doet dat ook op de huisbezoeken. Te breedvoerig, vindt zijn mede-ouderling, br. M. Hij stoort zich er aan dat de huisbezoeken die ze gezamenlijk brengen voor een groot deel worden gevuld door het spreken van br. K.
Er blijft daardoor te weinig ruimte voor de inbreng van het bezochte gezin, vindt br. M. Hij heeft dat wel eens voorzichtig tegen hem gezegd, maar er veranderde niets. Nu brengt hij het naar voren bij de onderlinge censuur op de kerkeraad. Waarbij de kwestie meteen algemeen wordt: hoe breedvoerig kun je als ouderling spreken en wanneer wordt het te veel? Het blijkt dan al gauw, dat meer ouderlingen daar wel eens over willen praten. Een leerzame avond voor ieder!

Maar ook voor een predikant is het goed wanneer zijn ambtsdienst in de voltallige kerkeraad wordt besproken. Er zijn weliswaar meestal geen medepredikanten die mee kunnen luisteren, maar wel geldt iets anders: de kritiek die de ene ambtsdrager heeft op het werk van de predikant, leeft vaak ook wel bij andere ambtsdragers, die het weer op hun eigen manier onder woorden kunnen brengen. Zo kan aan de predikant beter worden duidelijk gemaakt waar zijn zwakheden liggen en hoe hij daaraan kan werken.

Een voorbeeld: enkele ouderlingen hebben de moeite met de preektrant van de predikant.
Ouderling A: „Ik vind het wat te praterig”.
Ouderling B: „Het is allemaal veel te gemakkelijk”.
Ouderling C (verdedigend): „De preken zijn toch helder, en hebben een duidelijke boodschap voor deze tijd”.
Ouderling A: „Ik mis toch iets; zeg maar: de gereformeerde belijning”.
Ouderling D: „Ik heb de indruk dat de Bijbel te weinig aan het woord wordt gelaten; u komt te snel met eigen toepassing”.
Predikant: „Misschien moet ik meer doen aan de exegese om de preek steviger te verankeren in de tekst”. (Instemmend geknik van de ouderlingen).

Bovendien mag elke ambtsdrager de kritische aandacht van de kerkeraad

|24|

voor zijn werk als ondersteuning ervaren: het is een blijk dat men met hem mee wil leven.

Uiteraard geldt dat alleen wanneer de christelijke censuur niet wordt gebruikt om te vitten maar om elkaar verder te brengen.

Het is daarom een goede zaak, wanneer kerkeraden regelmatig de „christelijke censuur naar art. 81 K.O.” op hun agendum plaatsen.

 

De goede verhouding tussen de ambtsdragers mag verder blijken in een billijke taakverdeling. Daarover spreekt artikel 17:

Wanneer aan een gemeente twee of meer predikanten verbonden zijn, zal zoveel mogelijk gelijkheid in acht genomen worden zowel wat hun taak betreft als in andere opzichten, naar het oordeel van de kerkeraad en indien nodig van de classis.
Deze regel geldt ook met betrekking tot de ouderlingen en de diakenen
.

Uiteraard is hiermee niet bedoeld dat ieder de zelfde taak zou moeten hebben, zodat bijvoorbeeld alle ouderlingen bij toerbeurt scriba zouden moeten zijn. Wel moet de taakverdeling zo zijn, dat de lasten daarvan gelijk worden verdeeld. Ook moet er op worden toegezien dat de bevoegdheden gelijk worden verdeeld. De taakverdeling mag niet tot gevolg hebben dat de ambtsdragers toch de gelegenheid krijgen om over elkaar te gaan heersen.

Artikel 17 spreekt ook over ‘andere opzichten’. In het geval dat er aan een kerk twee of meer predikanten zijn verbonden betekent dat bijvoorbeeld dat ze op dezelfde manier moeten worden beloond. Er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen ‘hoofdpredikant’ en ‘hulpprediker’.

Harmannij, K. (1990) Hst. 3

|25|

3 De predikant

 

3.1 Veel aandacht voor de predikant

De kerkorde besteedt veel meer aandacht aan de predikant dan aan de ouderling en de diaken. Vergelijk maar: de artikelen 4 tot 19 spreken over de dienst des Woords, met alles wat daarbij komt; de artikelen 20 tot 23 over de roeping, de taak en het aftreden van ouderlingen en diakenen. Zestien artikelen over de predikant tegen vier artikelen voor ouderling en diaken samen!

Deze extra aandacht heeft een goede reden. Het gaat bij de predikant immers over de dienst des Woords, de verkondiging van het evangelie. Die heeft een centrale plaats in het kerkelijk leven. Juist door die verkondiging wil de Here Christus zijn leden trekken tot de kerk en hen daarbij bewaren. De ambtsdienst van de predikant heeft daarom een enorme invloed op de gemeente.

Hij kan daarin veel goed doen, maar hij kan daarin ook veel kwaad doen. Reden genoeg om ook in de kerkorde zoveel mogelijk waarborgen te scheppen dat zijn invloed een goede zal zijn.

 

3.2 Opleiding

Wie goede predikanten wil hebben, moet allereerst zorgen voor een goede opleiding. De kerken zijn daarvoor verantwoordelijk: het gaat om hun toekomstige ambtsdragers. Verder zijn alleen de kerken bevoegd om te beoordelen of de opleiding inderdaad goed is, dat wil zeggen of de opleiding voldoet aan de normen die de Here in zijn Woord daarvoor geeft.

Artikel 18 begint daarom als volgt:

De kerken onderhouden een theologische hogeschool voor de opleiding tot de dienst des Woords.

Vandaar dat de predikanten die aan deze school lesgeven hun werk als ambtsdienst mogen zien: ze zijn door de kerk geroepen, en zo door Christus zelf geroepen, om namens Hem te bouwen aan zijn kerk. Artikel 18 zegt daarvan:

Predikanten die afgezonderd zijn voor de opleiding tot de dienst des Woords, blijven op de wijze van emeriti-predikanten verbonden aan de kerk die zij gediend hebben en houden de rechten van een dienaar des Woords.

En artikel 2 had al gezegd:

Sommige predikanten zullen afgezonderd worden voor de opleiding tot de dienst des Woords, andere voor het zendingswerk.

Daarmee was ook al uitgesproken, dat deze predikanten bij hun verbintenis

|26|

aan de school niet worden ontheven uit hun ambt of overgaan naar een andere levensstaat. Ze zijn en blijven ambtsdrager, in dienst van de kerken.

Het slot van artikel 18 spreekt daarbij vanzelf:

De gezamenlijke kerken nemen de verplichting op zich, naar behoren in hun onderhoud te voorzien, evenals in dat van hun weduwen en wezen.

Maar de zorg van de kerken gaat nog verder! Ze zorgen niet alleen dat er een goede opleiding bestaat, ze zorgen er ook naar vermogen voor dat er studenten komen aan die opleiding. Ze zullen jonge en soms ook oudere broeders interesseren voor de studie. En als de studenten tijdens hun opleiding niet zelf in hun onderhoud kunnen voorzien, zullen de kerken daarin bijspringen. Dat is allemaal vastgelegd in artikel 19:

De kerken zullen ernaar streven, dat er studenten in de theologie zijn.
Zij zullen, als dit nodig is, financiële steun verlenen.

Voor deze financiële steun benoemt de generale synode een speciaal deputaatschap: de ‘deputaten ad art. 19 K.O.’.

Tot dusver werd deze taak behartigd door de particuliere synodes met hun deputaten. De generale synode van 1987 besloot echter om hiervoor generale deputaten te benoemen.

Voor de financiële verzorging van de opleiding zelf zijn andere deputaten aangewezen, terwijl er voor het eigenlijke toezicht op de school nog weer andere deputaten zijn: de zogenaamde ‘curatoren’.

 

Bijzondere aandacht verdient nog artikel 8, dat zo begint:

Wie geen theologische opleiding hebben ontvangen, kunnen niet toegelaten worden tot het predikambt, tenzij overtuigend blijkt dat zij bijzondere gaven hebben van godsvrucht, ootmoed, ingetogenheid, verstand, onderscheidingsvermogen en welsprekendheid.

Dit artikel zegt eerst dat de theologische opleiding verplicht is voor elke predikant. Maar daar wordt meteen aan toegevoegd dat we respect blijven houden voor de gaven die de Heilige Geest in de gemeente kan leggen. Als blijkt dat iemand die geen theologische opleiding heeft gehad, toch door de Geest van zulke gaven is voorzien dat hij geschikt is voor het ambt van dienaar des Woords, dan mogen wij de Geest niet tegenwerken met onze kerkordelijke regels.

Een voorbeeld: Broeder P. is directeur van een basisschool. Als er spanningen komen binnen de kerkelijke gemeente, blijkt hij steeds op een heldere manier de zaken te kunnen verwoorden. Vanuit de Bijbel weet hij goed aan te geven wat de belangrijke punten zijn en hoe ze moeten worden beoordeeld. Mee door zijn optreden blijft de gemeente voor een scheuring bespaard. Velen zeggen dan ook tegen hem: u zou dominee kunnen zijn.

Wel mogen de kerken verlangen dat zo iemand er duidelijk blijk van geeft, dat hij zulke gaven bezit.

Vandaar ook het vervolg van artikel 8:

|27|

Wanneer zulke personen toelating vragen tot de dienst des Woords, zal de classis hen examineren na toestemming van de particuliere synode.
Indien het examen naar het oordeel van de classis gunstig verloopt, zal deze een periode vaststellen waarin zij als proponent mogen voorgaan in de kerken van het classicaal ressort.
Daarna zal de classis verder met hen handelen zoals naar haar oordeel verantwoord is, volgens de generale regeling die daarvoor door de kerken is vastgesteld.

 

3.3 Trouw aan Gods Woord

Predikanten kunnen alleen maar een goede invloed hebben, wanneer ze zich houden aan het Woord van God. Op allerlei manieren wordt ervoor gewaakt dat ze daarin trouw zullen zijn.

Dat gebeurt eerst al in artikel 18, over de opleiding:

Tot de taak van de hoogleraren in de theologie behoort het uitleggen van de Heilige Schrift en het verdedigen van de zuivere leer tegen ketterijen en dwalingen.

De toekomstige predikanten mogen niet worden vergiftigd met een zogenaamde ‘neutrale theologie’, die onder het mom van ‘wetenschappelijke vrijheid’ het geloof in de betrouwbaarheid van Gods Woord ondergraaft. De hoogleraren moeten er duidelijk voor uitkomen: Dit zegt de Here! En daar houden we ons dus aan! Alles wat daartegenin gaat, moet worden afgewezen. En dan zo, dat de toekomstige predikanten zien waarom het verkeerd is en zo zelf leren om waarheid en leugen van elkaar te onderscheiden.

Van de hoogleraren in de theologie wordt daarom gevraagd dat ze zich zullen houden aan de belijdenis van de kerk, zoals die is vastgelegd in de drie formulieren van eenheid: de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels. Deze belofte moeten ze schriftelijk geven.

Ook de predikanten moeten schriftelijk beloven, dat ze zich aan de belijdenis zullen houden. Elke keer dat ze aan een gemeente worden verbonden, zal deze belofte weer van hen worden gevraagd, en dat zelfs dubbel: voor de eigen kerkeraad en voor de classis waarin ze mogen werken.

We lezen hierover in artikel 53:

De predikanten, de hoogleraren en overige docenten aan de Theologische Hogeschool zullen de drie formulieren van eenheid van de Gereformeerde Kerken in Nederland ondertekenen, waarbij de formulieren gebruikt worden die voor de verschillende diensten zijn vastgesteld. Predikanten die dit weigeren, zullen als gevolg daarvan onmiddellijk geschorst worden en de classis zal hen niet ontvangen.
Indien zij na samenspreking over hun gevoelen bij hun weigering blijven, zullen zij afgezet worden.

De zorg voor de trouw aan Gods Woord is ook de reden dat toekomstige

|28|

predikanten tot tweemaal toe een kerkelijk examen moeten afleggen. Dit nog afgezien van de examens die horen bij de theologische opleiding.

De eis van deze kerkelijke examens treffen we aan in artikel 5:

De wettige roeping tot de dienst des Woords van hen die het ambt van predikant nog niet hebben bekleed, omvat de beroeping, het examen, de goedkeuring van de gemeente en de bevestiging.
(...)
Alleen zij kunnen voor het eerst beroepen worden, die door de classis waaronder zij ressorteren, preparatoir geëxamineerd zijn.
(...)
Het examen, dat zowel de leer als het leven betreft, zal worden afgenomen door de classis die het beroep moet goedkeuren. Het zal plaatshebben ten overstaan van de deputaten van de particuliere synode of enkele van hen.

Dit artikel vraagt vooral aandacht voor het examen dat als het ‘peremptoir’ examen bekend staat. Maar we lezen ook:

Alleen zij kunnen voor het eerst beroepen worden, die door de classis waaronder zij ressorteren, preparatoir geëxamineerd zijn.

Het preparatoir examen is minder zwaar. Het geeft dan ook alleen maar het recht om beroepen te worden door een van de kerken en met het oog daarop als ‘proponent’ voor te gaan in de erediensten.

Het peremptoir examen is zwaarder. Na dit examen kan de kandidaat worden toegelaten tot de ambtsdienst.

Beide examens hebben niet enkel als doel dat wordt nagegaan of er bij de kandidaat voldoende kennis aanwezig is. In zijn preekvoorstel en in de beantwoording van de vragen moet de kandidaat ook aantonen, dat hij wil buigen voor het Woord van God. Een kandidaat die alles weet, maar tegelijk bij het examen laat merken dat hij zich niet in alles wil houden aan Gods Woord, zal niet worden toegelaten.

Er is wel eens gevraagd of twee kerkelijke examens niet wat te veel van het goede zijn. En inderdaad: beide examens zouden samengesmolten kunnen worden tot een. Alleen duiken er dan enkele praktische problemen op: Wanneer zou dit examen moeten plaatsvinden? En welke classis zou het moeten afnemen? Het beste tijdstip zou zijn dat van het huidige preparatoir examen. Het is immers niet verantwoord, om iemand zonder kerkelijk examen op de kansels los te laten, ook al is het maar als proponent.
Maar welke classis moet het examen dan afnemen? De classis die er het eerst voor in aanmerking komt is de classis waarin hij uiteindelijk als predikant zal moeten werken. Die classis mag onderzoeken wat ze binnenhaalt. Maar op het tijdstip van het preparatoir examen, dus voor de beroepbaarstelling, is nog niet bekend welke classis dat zal zijn.
Een combinatie van beide examens wordt dus moeilijk, wanneer je daarbij recht wilt doen aan de kerken die hem als proponent zullen ontvangen (die willen een examen vooraf) en tegelijk de kerken die hem als predikant zullen ontvangen (die willen het examen graag zelf afnemen).
Maar zo erg is een extra examen toch ook niet: het geeft nog weer een extra

|29|

mogelijkheid om de betrouwbaarheid van de toekomstige predikant te onderzoeken.
En dan geldt toch: liever te veel dan te weinig.

De examens worden niet herhaald wanneer de predikant later een beroep aanneemt naar een andere kerk. Dat is ook niet nodig. Hij heeft immers onder voortdurend toezicht gestaan van de kerkeraad uit zijn vorige gemeente en ook van de classis daar. Het is daarom voldoende wanneer deze een goed getuigenis geven aan de kerkeraad en de classis waar de predikant naar toe gaat.

Artikel 6, dat spreekt over het beroepen van een predikant naar een andere gemeente, laat het dan ook bij dit voorschrift:

Voor alle kerken geldt dat de goedkeuring van de classis vereist is. Aan haar zullen de volgens dit artikel beroepen predikanten een goede attestatie inzake leer en leven tonen.

Het verschil tussen artikel 5 en 6 is dus dit: artikel 5 spreekt over het beroepen van kandidaten, die nog predikant moeten worden, terwijl artikel 6 spreekt over het beroepen van predikanten die al verbonden waren aan een gemeente.

Anders gaat het bij predikanten uit kerkgenootschappen waar we geen kerkelijke gemeenschap mee hebben, maar die nu zijn overgekomen naar onze kerken en daar toegelaten willen worden tot de dienst des Woords. Artikel 9 zegt daarover:

Voorgangers die zich sinds kort gevoegd hebben bij een van de kerken en niet afkomstig zijn uit een kerk waarmee kerkelijke gemeenschap wordt onderhouden, zullen slechts met grote voorzichtigheid tot de dienst des Woords worden toegelaten.
Daarbij zullen de desbetreffende generale kerkelijke bepalingen in acht genomen worden.
Indien de classis en de deputaten van de particuliere synode dit noodzakelijk achten, zullen zij eerst een proeftijd doormaken.

Bij deze voorgangers ontbreekt de attestatie van de vorige kerk en classis. En als hij er wel mocht zijn, had zo’n attestatie voor ons weinig waarde.

Bovendien is het goed mogelijk dat deze predikanten toch bepaalde onjuiste denkbeelden hebben overgehouden uit het kerkgenootschap waaruit ze afkomstig zijn. Daarom is voorzichtigheid zeker vereist: als regel wordt er eerst een onderzoek ingesteld bij deze predikant naar zijn kennis van de gereformeerde leer en kerkregering.

De voorgangers waar artikel 9 over spreekt mogen overigens niet worden verward met de predikanten die genoemd worden in de tweede alinea van artikel 6:

De kerken zullen zich houden aan de generale kerkelijke bepalingen over de beroepbaarheid van predikanten die buiten Nederland gediend hebben in kerken van gereformeerde belijdenis en over het meer dan eenmaal beroepen van dezelfde predikant in dezelfde vacature.

|30|

De voorgangers van artikel 9 zijn afkomstig uit kerken waarmee geen kerkelijke gemeenschap wordt onderhouden. De predikanten van artikel 6 zijn afkomstig uit kerken waarmee wel kerkelijke gemeenschap wordt onderhouden, ook al liggen die kerken in het buitenland. Toch blijven ook hier de kerken met voorzichtigheid handelen: deze predikanten worden eveneens onderworpen aan een onderzoek, vergelijkbaar met het peremptoir examen voor een kandidaat.

 

3.4 Levenstaak

Een predikant moet zoveel mogelijk een goede invloed hebben op de gemeente. Daar moet hij dan ook de tijd voor krijgen. Dus worden predikanten vrijgesteld van andere beroepsarbeid. De dienst des Woords is hun dagtaak.

Het is ook hun levenstaak, dat wil zeggen dat ze predikant worden om dat voor hun leven te blijven.

Ook hier is weer de reden dat ze zoveel mogelijk ruimte moeten krijgen om een goede invloed uit te oefenen binnen de kerken: hun dienst moet niet onnodig worden onderbroken of afgebroken.

We lezen hierover aan het begin van artikel 15:

Wanneer een predikant eenmaal geroepen is volgens de regel van artikel 5, heeft hij zich voor het leven aan de kerkelijke dienst verbonden.

Dit wordt bij de bevestiging uitgedrukt door middel van de handoplegging. Artikel 5 noemt die aan het slot:

De bevestiging zal plaatshebben in een eredienst, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient gebruikt te worden, met handoplegging door de predikant die de bevestiging verricht.

Deze handoplegging houdt niet in dat er een bepaalde kracht wordt overgedragen.

Het geeft slechts aan dat de nu beginnende predikant volledig wordt toegewijd aan de kerkelijke dienst.

Deze handoplegging is er alleen wanneer iemand voor het eerst wordt bevestigd als predikant. Een predikant die in een andere gemeente opnieuw wordt bevestigd, was al toegewijd aan de dienst; er verandert daarin niets voor hem, dus kan de handoplegging achterwege blijven. Die wordt dan ook niet meer genoemd aan het slot van artikel 6, dat spreekt over bevestiging in dat soort gevallen:

De bevestiging zal plaatshebben in een eredienst, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient gebruikt te worden.

Deze toewijding aan de dienst geeft verplichtingen voor de predikant. Artikel 15 zegt daarvan:

Wanneer een predikant eenmaal geroepen is volgens de regel van artikel 5, heeft hij zich voor het leven aan de kerkelijke dienst verbonden.
Dit houdt in dat hij zijn ambt niet mag neerleggen.
Hij kan slechts van zijn ambt worden ontheven en overgaan tot een andere

|31|

levensstaat, indien de kerkeraad en de classis, met medewerking van de deputaten van de particuliere synode, oordelen dat daarvoor gewichtige redenen zijn.

Een predikant kan niet solliciteren naar een aantrekkelijke functie in de maatschappij, om vervolgens ontslag in te dienen bij de kerkeraad. Evenmin mag hij ontslag nemen omdat het werk hem bij nader inzien niet bevalt.

Alleen bij gewichtige redenen is er ontheffing mogelijk. En daarbij is het niet de predikant zelf, die uitmaakt of zijn redenen gewichtig genoeg zijn. Dat wordt uitgemaakt door kerkeraad, classis en deputaten van de particuliere synode.

In paragraaf 7.8. worden enkele voorbeelden gegeven van wat een gewichtige reden zou kunnen zijn.

Een predikant kan ook niet zomaar een beroep naar een andere kerk aannemen en daarbij zijn vorige gemeente in de steek laten. Hij zal eerst moeten overleggen met de eigen kerkeraad en akten van ontslag vragen van die kerkeraad en de classis. Het is artikel 7, waarin dat is vastgelegd:

Wanneer een predikant een beroep naar een andere kerk heeft aangenomen, mag deze hem niet als predikant aanvaarden voordat hij wettige akten van ontslag heeft overgelegd van de kerk en de classis waar hij gediend heeft.

Maar er zijn niet alleen verplichtingen voor de predikant. Wanneer de kerken van hem vragen dat hij zich volledig wijdt aan de kerkelijke dienst, geeft dat ook verplichtingen voor de kerken zelf.

Zo zal de kerk waaraan de predikant verbonden is, moeten voorzien in zijn levensonderhoud. Hij heeft immers zelf geen gelegenheid om daarvoor te zorgen.

Artikel 11 zegt daarom:

De kerkeraad is verplicht namens de gemeente, die hij hierin vertegenwoordigt, haar predikanten naar behoren te onderhouden.

Deze verplichting blijft ook gelden wanneer een gemeente hiervoor onvoldoende financiële middelen bezit. De betreffende kerkeraad mag dan niet de predikant te kort doen, maar zal zich moeten wenden tot de classis waar de kerk bij hoort.

Die classis moet dan bijspringen. Wanneer dat ook de classis te veel wordt, kan de hulp van de particuliere synode worden ingeroepen. De classes en particuliere synodes kennen met het oog hierop hun „deputaten ad art 11 K.O.”.

Onder het levensonderhoud valt ook de zorg voor de oude dag, of de zorg bij arbeidsongeschiktheid. Want weer geldt: de predikant heeft zelf geen gelegenheid om hierin te voorzien. Daarom zegt artikel 13:

Wanneer een predikant door ouderdom, ziekte of andere oorzaken niet meer in staat is zijn ambtswerk te verrichten, blijft hij rechtens dienaar des Woords. De kerk die hij gediend heeft, zal hem op gepaste wijze onderhouden.
Deze verplichting geldt ook met betrekking tot weduwen en wezen van predikanten.

|32|

Deze last zal voor een gemeente alleen al gauw te zwaar worden, vooral wanneer er inmiddels een nieuwe predikant is bevestigd. Daarom hebben de kerken ook op dit terrein samenwerking gezocht. Merkwaardig genoeg gebeurt dit niet via de classis, de particuliere synode en zo nodig de generale synode. Er is een aparte organisatie voor, tot dusver zelfs twee: de ‘Vereniging Emeritering Predikanten Gereformeerde Kerken’ en de ‘Samenwerkende Kerken ter voorkoming van moeilijkheden in verband met art. 13 K.O.’. Gelukkig is de samensmelting van deze twee op handen.

Een andere verplichting voor de kerken is dat zij hun predikant niet zomaar kunnen wegsturen. Artikel 14 zegt daarvan:

De kerkeraad mag een predikant niet ontslaan van zijn verbintenis aan de gemeente zonder voorkennis en goedkeuring van de classis en de deputaten van de particuliere synode.

Dit komt overeen met artikel 15, waar immers ook al tegen de predikant was gezegd, dat de verbintenis met de gemeente niet zomaar kan worden losgemaakt, en waar ook al was verwezen naar de classis en de deputaten van de particuliere synode om in uitzonderingsgevallen te beslissen.

Dit blijft zelfs gelden wanneer de predikant zich door ernstige zonden het ambt onwaardig maakt. Ook dan kan een kerkeraad niet eigenmachtig optreden, maar heeft hij voor schorsing het oordeel nodig van de naburige kerk, en voor afzetting weer de classis met de deputaten van de particuliere synode.

Kijk maar in artikel 79:

Wanneer predikanten de kerkelijke vermaning verwerpen of wanneer zij een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan, zullen zij geschorst worden op grond van het oordeel van hun kerkeraad en die van de door de classis aangewezen naburige gemeente.
De classis moet met advies van de in artikel 14 genoemde deputaten van de particuliere synode beoordelen of zij afgezet dienen te worden.

Dat spreekt vooral aan, wanneer we het vergelijken met de rest van het artikel, waar gehandeld wordt over tuchtmaatregelen tegen ouderlingen en diakenen:

Wanneer ouderlingen of diakenen zich aan een van de genoemde zonden schuldig maken, is voor hun schorsing of afzetting het oordeel van hun kerkeraad en die van de naburige gemeente voldoende.

Dit heeft niets te maken met een onderwaardering van het ambt van ouderlingen en diakenen. De verschillende behandeling heeft wel te maken met de afhankelijkheid van de predikant van de gemeente waaraan hij verbonden is. Hij heeft er zijn leven aan gewijd en is er ook voor zijn levensonderhoud op aangewezen.

Dat geldt zo niet voor ouderlingen en diakenen. Die hebben hun eigen inkomsten, los van hun ambt. En ook dienen ze slechts enkele jaren, geen leven lang.

Dat wordt aangewezen door artikel 23:

|33|

De ouderlingen en diakenen zullen twee of meer jaren dienen, afhankelijk van de plaatselijke regeling. Als regel treedt elk jaar een evenredig deel af. De aftredende ambtsdragers zullen door andere vervangen worden, tenzij het voor de gemeente wenselijk wordt geacht dat zij opnieuw tot het ambt geroepen worden. Daarbij zal de regel van artikel 20 worden nageleefd.

De eerste regel van dit artikel laat de theoretische mogelijkheid open, dat een ouderling of diaken wordt verkozen voor het leven. Er wordt immers geen maximumtijd genoemd. Maar de volgende regel over de aftreding gaat er toch wel van uit, dat het aantal dienstjaren beperkt zal blijven, meestal drie of vier jaar.

In het geval van een ouderling of diaken is dat ook het beste, zowel voor henzelf als voor de gemeente.

Het is voor henzelf het beste: want ouderlingen en diakenen moeten hun ambtswerk meestal verrichten naast hun andere werk. Dat brengt een zware belasting met zich mee, die niet te lang moet duren.

 

Het is ook het beste voor de gemeente: wanneer steeds de zelfde personen optreden als ouderling en diaken, ontstaat er gemakkelijk verwijdering tussen de kerkeraad en de rest van de gemeente. Vandaar dat artikel 23 niet alleen spreekt over aftreden, maar ook over vervanging door anderen.

Dit betekent nog niet dat een predikant ook maar voor een beperkt aantal jaren tot het ambt moet worden geroepen. Voor hem geldt niet dat hij zijn ambtswerk moet doen naast zijn andere werk: het ambtswerk is immers zijn levenstaak.

Wel kan het met het oog op de gemeente verstandig zijn, wanneer een predikant niet te lang in de zelfde gemeente blijft, maar tijdig een beroep aanneemt naar een andere kerk. Hij heeft zich voor het leven aan de kerkelijke dienst verbonden, maar dat betekent nog niet dat hij zich voor het leven aan één kerk moet verbinden.

 

Tenslotte willen we de vraag stellen, of al deze regelingen rond de predikant nog wel passen binnen de Bijbelse lijnen. We merken immers dat het voor de kerken nogal wat gevolgen heeft, nu zij hun predikanten hebben vrijgesteld voor de dienst. Het brengt in ieder geval behoorlijke financiële lasten met zich mee.

Is dat wel goed? Hadden we dat geld niet beter kunnen besteden? Wat zegt de Bijbel hiervan? Het antwoord zal moeten luiden dat de Bijbel nergens verbiedt dat een predikant in zijn eigen onderhoud voorziet. We weten dat de apostel Paulus op allerlei plaatsen heeft geweigerd om iets van de gemeente aan te nemen, maar zijn eigen broodwinning aanhield. We lezen dat onder meer in II Tessalonicenzen 3: 7-9:

Gij weet immers zelf, hoe ons voorbeeld behoort gevolgd te worden, daar wij bij u niet van de regel afgeweken zijn, noch gegeven brood bij iemand hebben gegeten; maar met moeite en inspanning werkten wij dag en nacht, om niemand

|34|

van u lastig te vallen; niet dat wij er geen bevoegdheid toe hebben, maar om ons u tot een voorbeeld ter navolging te stellen.

Maar daarmee is het verhaal niet uit. Want Paulus zegt zelf al dat hij wel de bevoegdheid had om van de gemeente zijn levensonderhoud te vragen. Maar in dit bijzondere geval ziet hij er van af, terwille van de gemeente.

Dat heeft hij later ook geschreven aan de gemeente van Korinte, I Korintiërs 9:9,10,12:

Want in de wet van Mozes staat geschreven: Gij zult een dorsende os niet muilbanden. Bemoeit God Zich soms met de ossen? Of zegt Hij dit in elk geval om onzentwil? Ja, om onzentwil werd het geschreven.
(...)
Doch wij hebben van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt, maar wij verdragen alles om geen hindernis voor het evangelie van Christus op te werpen.

Er is dus geen Bijbels gebod dat een gemeente per se in het onderhoud van de predikant moet voorzien. Maar tegelijk wordt benadrukt dat het wel een goede zaak is, wanneer de gemeenten zorgen voor het levensonderhoud van hun predikant.

Paulus spreekt zelfs over een bevoegdheid van zijn kant. Hij maakt er geen gebruik van, maar de bevoegdheid is er toch. En dat niet alleen voor de apostelen, want in I Timoteüs 5: 17,18 past hij het ook toe op de oudsten:

De oudsten, die goede leiding geven, komt dubbel eerbewijs toe, vooral hun, die zich belasten met prediking en onderricht. Immers, de Schrift zegt: Gij zult een dorsende os niet muilbanden, en: De arbeider is zijn loon waard.

Paulus heeft van zijn bevoegdheid geen gebruik gemaakt, terwille van de voortgang van het evangelie in de gemeente. Maar om de zelfde reden hebben de kerken in de kerkorde vastgelegd, dat de predikanten wel van deze bevoegdheid gebruik zullen maken: terwille van de voortgang van het evangelie in de gemeente! Het gaat er immers niet om, dat de predikanten in de watten gelegd moeten worden. Het gaat er wel om, dat zij onbezorgd van het evangelie moeten kunnen leven. Dat wil zeggen: zij moeten geen zorgen hebben over hun levensonderhoud, om al hun zorg te kunnen besteden aan de gemeente, en al hun tijd te geven voor de verkondiging van het evangelie.

Gemeenteleden moeten daarom niet afgunstig kijken naar de rechtspositie van hun predikant. Ze moeten juist blij zijn dat deze man de handen vrij heeft om hen te dienen.

 

3.5 Bijzondere functies

Om zoveel mogelijk goede invloed te kunnen uitoefenen krijgt de predikant in de kerkorde allerlei extra functies toebedeeld.

Zo moet hij volgens artikel 36 voorzitter zijn van de kerkeraad:

In alle kerken zal een kerkeraad zijn, die bestaat uit de predikant(en) en de ouderlingen. Hij zal regelmatig bijeenkomen onder voorzitterschap van de predikant of van de predikanten bij toerbeurt.

Iets dergelijks vinden we in artikel 41 over de classicale vergadering:

|35|

De predikanten zullen bij toerbeurt het voorzitterschap bekleden. De vergadering mag ook haar praeses kiezen, maar niet tweemaal achtereen dezelfde.

De laatste zin laat de mogelijkheid open dat een ouderling voorzitter zal zijn van de classis; maar in veruit de meeste gevallen zal dit niet meer dan een theoretische mogelijkheid zijn. De regel is: een predikant is voorzitter van de classis.

De kerkorde bepaalt niet, wie voorzitter zal zijn van een particuliere of generale synode. Maar als regel worden ook hiervoor predikanten aangewezen.

 

Een andere taak die juist naar de predikanten toekomt, is die van kerkvisitator.

We lezen daarover in artikel 44:

De classis zal elk jaar enkele van haar ervarenste en bekwaamste predikanten machtigen in alle kerken van haar ressort visitatie te doen. Indien nodig kan zij naast predikanten een voor deze taak bekwame ouderling benoemen.

De tekst van het artikel geeft al aan, dat visitatie vraagt om ambtsdragers die een goed inzicht hebben in het kerkelijk leven. Meestal zal dat vooral bij de predikanten worden gevonden, zeker bij de ‘ervarenste en bekwaamste’ onder hen.

In dit verband kan ook worden genoemd artikel 42:

Als aan een kerk twee of meer predikanten zijn verbonden, mogen zij die niet volgens het voorgaande artikel werden afgevaardigd, in de classicale vergadering aanwezig zijn, waar ze een adviserende stem hebben.

Dit doet zich bijvoorbeeld voor wanneer aan een kerk twee predikanten verbonden zijn: er kan dan nooit meer dan één worden afgevaardigd. De ander mag dan toch aanwezig zijn, als adviseur. Dat voorrecht hebben ouderlingen niet: in sommige classes worden ze wel toegelaten tot de vergaderzaal, maar ook dan mogen ze nog niet deelnemen aan de besprekingen. Dat predikanten dit wel mogen, heeft allerlei redenen:
— vanwege de continuïteit: het komt het werk op de classis ten goede wanneer zoveel mogelijk leden van de vorige classis opnieuw aanwezig zijn.
— vanwege de gelijkheid met andere predikanten: predikanten van een kerk waar geen andere predikanten aan verbonden zijn, worden altijd afgevaardigd naar de classis en kunnen zo goed meeleven met de ontwikkelingen daar. Het is niet eerlijk wanneer hun collega’s, uit kerken met meer predikanten, daarin moeten achterblijven.

Maar belangrijke reden is toch ook dat de classis zoveel mogelijk profijt wil trekken van de predikanten die in haar ressort dienst doen.

 

3.6 Geen dominocratie

Predikanten hebben een betere opleiding dan ouderlingen en diakenen, ze zijn volledig vrijgesteld voor hun ambtswerk en ze worden bij voorrang aangewezen voor allerlei functies. Dat zou gemakkelijk kunnen leiden tot

|36|

dominocratie: een toestand waarin de kerk in feite geregeerd wordt door de dominees, de predikanten.

Uiteraard mag dit niet gebeuren. Dat zou in strijd zijn met artikel 83:

Geen kerk mag over andere kerken, geen ambtsdrager over andere ambtsdragers, op welke wijze ook, heersen.

Daarom heeft de kerkorde allerlei voorschriften opgenomen die de dominocratie moeten tegengaan.

Dat begint al bij artikel 3:

Niemand mag een van deze ambten vervullen zonder wettig geroepen te zijn.

Ook artikel 10 keert zich tegen eigenmachtig optreden van een predikant:

Niemand mag in een andere kerk het Woord of de sacramenten bedienen zonder toestemming van de betrokken kerkeraad.

Verder is het voor predikanten onmogelijk om op te treden als ‘los’ ambtsdrager, zonder binding aan een kerk. Die binding zal er altijd moeten zijn: altijd zal er een kerkeraad moeten zijn die opzicht en tucht kan oefenen over de betrokken predikant.

Dit wordt bepaald in artikel 4:

Niemand kan tot de dienst des Woords geroepen worden zonder dat hij aan een kerk verbonden wordt.

Het blijft van kracht bij bijzondere taken. Artikel 12:

Een predikant mag geen benoeming aanvaarden waarbij hij zich geheel gaat wijden aan een bijzondere taak — zoals die van leger- of ziekenhuispredikant — tenzij hij verbonden blijft aan een kerk.
De verhouding waarin hij tot de betrokken kerk staat, dient geregeld te worden onder goedkeuring van de classis.

Artikel 18 wijkt daar niet van af:

Predikanten die afgezonderd zijn voor de opleiding tot de dienst des Woords, blijven op de wijze van emeriti-predikanten verbonden aan de kerk die zij gediend hebben en houden de rechten van een dienaar des Woords.

De kerkorde noemt niet het geval dat een predikant aan twee gemeenten wordt verbonden, om in beide plaatsen ambtswerk te doen, de zogenaamde ‘combinatie’.

Maar ook dan zal er één kerk worden aangewezen die in het bijzonder belast is met opzicht en tucht over de betrokken predikant. Een regeling daarvoor zal de goedkeuring van de classis moeten hebben, zoals dat ook staat in artikel 12.

Ook is van belang dat predikanten op een kerkelijke vergadering nooit in de meerderheid kunnen zijn en dus nooit de andere ambtsdragers kunnen overstemmen.

Voor wat betreft de kerkeraad is dat duidelijk: predikanten zijn daar altijd in de minderheid.

Voor wat betreft de classis zegt artikel 41 het volgende:

Een classicale vergadering wordt gevormd door de kerken van het classicaal

|37|

ressort, die elk een predikant en een ouderling zullen afvaardigen met de vereiste geloofsbrieven.

Daarbij zullen kerken zonder predikant twee ouderlingen moeten afvaardigen, zodat ook op de classis de predikanten meestal in de minderheid zijn. Artikel 42 doet daar niets aan af: dat zegt wel dat de niet-afgevaardigde predikanten toch in de vergadering mogen verschijnen, maar het bepaalt tegelijk dat ze daar slechts een adviserende stem hebben. Geen ‘keurstem’, geen deelname aan officiële stemmingen.

Op de particuliere en generale synode zal het aantal predikanten precies de helft uitmaken van het aantal afgevaardigden.

Artikel 45 bepaalt dat voor de particuliere synode:

Een particuliere synode wordt gevormd door een groep bij elkaar gelegen classes, die elk twee predikanten en twee ouderlingen afvaardigen. Dit aantal kan op drie gesteld worden wanneer een synode door twee of drie classes gevormd wordt.

En artikel 46 zegt over de generale synode:

Elke particuliere synode vaardigt twee predikanten en twee ouderlingen af.

 

3.7 De consulent

Wanneer een gemeente geen eigen predikant heeft, biedt de classis hulp door een consulent aan te wijzen. Artikel 43 zegt daarover:

De classis zal voor elke vacante gemeente een predikant als consulent aanwijzen die ter wille van de goede orde de kerkeraad met advies zal dienen, in het bijzonder bij het beroepingswerk. Beroepsbrieven dienen mede door hem ondertekend te worden.

Een consulent heeft dus niet als opdracht om in een vacante gemeente al het werk van een predikant op zich te nemen. Hij is slechts adviseur van de kerkeraad, waarbij zijn raad vooral gevraagd mag worden bij het beroepingswerk. Dat beroepingswerk is immers noodzakelijk tijdens een vacante periode, maar voor een kerkeraad ook zwaar en vaak ongewoon.

We komen de consulent daarom ook tegen in de artikelen 5 en 6, die handelen over het beroepingswerk.

Artikel 5:

In kerken zonder predikant in actieve dienst zal beroepen worden met advies van de consulent die door de classis aangewezen is.

En artikel 6:

Kerken zonder predikant in aktieve dienst zullen beroepen met advies van de consulent die door de classis aangewezen is.

Daarbij moet worden opgemerkt dat het werk van de consulent ook weer niet kan worden afgekalfd tot „het ondertekenen van de beroepsbrief en meer niet”.

Alle genoemde artikelen spreken duidelijk over het adviseren van de kerkeraad, en dat is meer dan het plaatsen van een handtekening. Een consulent moet bereid zijn om een kerkeraad intensief te begeleiden bij het

|38|

beroepingswerk. En een kerkeraad doet er goed aan, om de consulent hier nadrukkelijk toe uit te nodigen.

Verder is het niet verboden dat een consulent hulpdiensten verricht in de vacante gemeente, zoals het geven van catechisaties en het bieden van pastorale zorg bij een begrafenis. Hij is er niet toe verplicht, maar het ligt wel voor de hand dat hij deze dienst niet zal weigeren wanneer hij er de tijd en de gelegenheid voor heeft.

Harmannij, K. (1990) Hst. 4

|39|

4 De gemeente

 

4.1 Eigen plaats

De kerkorde bemoeit zich niet alleen met ambtsdragers, ambtelijke handelingen en ambtelijke vergaderingen. Er is ook aandacht voor de gemeente, en daarin dus ook voor die leden van de gemeente, die niet tot ambtsdrager geroepen zijn.

Deze aandacht voor de gemeente was onvermijdelijk na de inzet van artikel 1:

In de gemeente van Christus behoort alles in goede orde te gebeuren.

Om die gemeente van Christus gaat het. Het lichaam van Christus, dat bestaat uit levende leden. Een kerkorde mag ze dan niet mond-dood maken.

Wel krijgt de gemeente door de kerkorde een eigen, gepaste plaats aangewezen. In de kerk kennen we geen dictatuur van de kerkeraad over de gemeente. Maar evenmin kennen we een soort democratie in de kerk, waarbij de kerkeraad zou optreden als gekozen vertegenwoordiging van de gemeente, zich over al zijn handelingen zou moeten verantwoorden bij de gemeente, en door die gemeente zou kunnen worden weggestemd.

Steeds zal ieder voor ogen moeten staan dat het gaat om de gemeente van Christus, waarbij de hoogste macht dus niet in mensenhanden mag liggen, maar waarbij ieder zich aan die Koning, Jezus Christus, moet onderwerpen. Geen dictatuur, geen democratie, maar Christo-cratie.

De verhouding tussen kerkeraad en gemeente zal dan ook zo geregeld moeten worden, dat alles gericht is op de gezamenlijke onderwerping aan de Christus.

We zullen nagaan hoe de kerkorde dit doet.

 

4.2 Gestimuleerd door de kerkeraad

We nemen ons uitgangspunt bij artikel 55:

Voor het weren van valse leer en dwaling, die via lectuur en andere communicatiemiddelen het leven van de gemeente bedreigen, moeten de predikanten en de ouderlingen onderrichten, weerleggen, waarschuwen en vermanen, zowel in de prediking als bij het catechetisch onderwijs en het huisbezoek.

Dat lijkt misschien een wat vreemd artikel in een kerkorde, zeker voor wie enkel dorre, juridische regeltjes verwacht. Maar het is hoofdzaak voor de orde in de kerk van Christus.

Zo gaan we met elkaar om: samen trouw blijven aan de Here. En zo zullen de ambtsdragers de gemeente benaderen: niet als heersers of uitbuiters,

|40|

maar als geroepenen door de Here, die in opdracht van Hem er voor moeten zorgen dat de gemeente op het goede spoor blijft.

Daarom is het ook zo goed dat niet enkel de predikanten schriftelijk trouw beloven aan Gods Woord en de belijdenis. Artikel 54:

Ook de ouderlingen en de diakenen zullen de genoemde formulieren van eenheid ondertekenen, waarbij het daarvoor bestemde formulier gebruikt wordt.

De ouderlingen en diakenen verklaren hierbij, ook tegenover de gemeente, dat ze nooit naar eigen goeddunken, maar steeds vanuit Gods Woord en de belijdenis de gemeente zullen leiden.

Een kerkregering die dit uit het oog verliest, maakt de kerk kapot.

Artikel 55 staat dan ook niet op zichzelf. Er zijn meer artikelen die de kerkeraad voorschrijven om de gemeenteleden te stimuleren in hun trouw aan de Here.

Vergelijk artikel 57:

De kerkeraden zullen er op toezien dat de ouders, zoveel zij kunnen, hun kinderen onderwijs laten volgen dat in overeenstemming is met de leer van de kerk, zoals zij dit bij de doop beloofd hebben.

En artikel 65:

De kerkeraad zal de gemeente op de dag des Heren tweemaal samenroepen voor de eredienst.

Artikel 70:

De kerkeraad zal er op toezien dat de huwelijken kerkelijk bevestigd worden, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient te worden gebruikt.

Ook al artikel 27:

De ambtsdragers zullen de gemeente voorhouden dat zij gehoorzaamheid en eerbied verschuldigd is aan de overheid, omdat God deze heeft ingesteld. Zelf moeten zij in dezen een goed voorbeeld geven, en in de weg van gepast respect en correspondentie nastreven dat de overheid de dienst van de kerk steeds wettig beschermt.

En artikel 26:

De evangelisatie moet erop gericht zijn dat zij die God niet kennen of van Hem en zijn dienst vervreemd zijn, zich door belijdenis van het geloof naar de gereformeerde leer voegen bij de gemeente van Christus.
De kerkeraden zullen erop toezien dat vanuit deze doelstelling gewerkt wordt.

Dit laatste artikel zegt niet dat de kerkeraad alle evangelisatiewerk moet overlaten aan de gemeenteleden. Er staat wel dat de kerkeraad op alle evangelisatie-activiteit toezicht moet houden. Dat kan gebeuren via de huisbezoeken, als daar wordt gevraagd hoe men zich als christen opstelt in de wereld om zich heen. Het kan ook door speciaal toezicht wanneer kerkleden een organisatie op touw zetten voor dit werk. Maar artikel 26 sluit daarbij niet uit dat de kerkeraad ook zelf de mogelijkheden nagaat voor georganiseerde evangelisatie en dan ook zorgt dat die mogelijkheden door de gemeente worden benut. Een evangelisatie-commissie kan hierbij goede diensten bewijzen, als het maar niet inhoudt dat de kerkeraad alle werk van

|41|

toezicht en organisatie aan deze commissie overlaat, zonder zich er zelf nog mee bezig te houden.

 

Verder heeft de gemeente een belangrijke plaats bij de uitoefening van de kerkelijke tucht. De kerkorde geeft dat al aan in artikel 73:

Wanneer iemand afwijkt van de zuivere leer of in zijn leven zich misdraagt, en dit een geheime zaak is die geen openbare aanstoot geeft, zal de regel worden nageleefd die Christus duidelijk voorschrijft in Matteüs 18.

Christus zegt daar namelijk duidelijk dat gemeenteleden het vermaan niet mogen overlaten aan de ambtsdragers, maar altijd zelf naar de zondaar moeten gaan om hem aan te spreken. Pas wanneer dat niets oplevert mag uiteindelijk de kerkeraad worden ingelicht. De kerkeraad zal de gemeente steeds op deze roeping moeten wijzen.

Maar ook wanneer de kerkeraad de tuchtoefening zelf ter hand heeft moeten nemen, mag hij de gemeente er niet buiten laten. Ook dat staat in Matteüs 18, en het wordt uitgewerkt in artikel 77, waar alles is gericht op inschakeling van de gemeente:

Voordat de kerkeraad — na de ontzegging van het avondmaal en de daarop volgende vermaningen — tot de excommunicatie overgaat, zal hij de gemeente bekend maken met de hardnekkigheid van de zondaar. Daarbij zullen genoemd worden zijn zonde en de vele pogingen om hem tot inkeer te brengen door bestraffing, ontzegging van het avondmaal en talrijke vermaningen. De gemeente zal aangespoord worden hem aan te spreken en voor hem te bidden.

Deze afkondiging is dus niet bedoeld om de nieuwsgierigheid van de gemeenteleden te bevredigen, of hen aan te moedigen tot vele gesprekken over de slechtheid van de zondaar. Ze zijn bedoeld om de gemeente te stimuleren tot gesprekken met de zondaar en tot het gebed voor de zondaar. Kortom: de gemeente wordt gewezen op de taak die ze mag hebben in alle zaken van het kerkelijk leven, zeker ook in de tuchtoefening. Dat is geen zaak van ambtsdragers alleen, maar een zaak van de hele gemeente.

 

De zelfde zaak vinden we daarom ook in artikel 82, bij de tucht over een dooplid:

Indien hij de vermaning van de kerkeraad hardnekkig verwerpt en daarbij duidelijk laat blijken dat hij afkerig is van het verbond en onverschillig of zelfs vijandig staat tegenover de dienst van de Here, zal dit met instemming van de classis aan de gemeente worden bekendgemaakt.
(...)
De gemeente zal worden aangespoord hem aan te spreken en voor hem te bidden.

Zie verder hierover de § 7.3. en 7.4.

 

4.3 Eigen inbreng bij roeping en beroeping

De kerkeraad moet de gemeente stimuleren tot een leven voor de Here.

|42|

Maar ook moet de kerkeraad de gemeente een eigen inbreng gunnen bij allerlei beslissingen die er genomen moeten worden.

De kerkorde schrijft dit speciaal voor bij de roeping van ambtsdragers. Maar ook in andere verstrekkende zaken doet een kerkeraad wijs, wanneer hij de gemeente raadpleegt, alvorens zelf een besluit te nemen. De besluiten van de kerkeraad zullen op deze manier meer weerklank vinden in de gemeente, zelfs wanneer het kerkeraadsbesluit niet overeenstemt met het advies van de meerderheid van de gemeenteleden.

Het gunnen van inbreng aan de gemeente is Bijbelse wijsheid. We treffen het aan in Handelingen 6: 2,3:

En de twaalven riepen de menigte der discipelen bijeen en zeiden: Het bevredigt niet, dat wij met veronachtzaming van het woord Gods de tafels bedienen. Ziet dan uit, broeders, naar zeven mannen onder u, die goed bekend staan, vol van Geest en wijsheid, opdat wij hen voor deze taak aanstellen.

De kerkorde heeft dus een goede grond om in ieder geval bij de roeping van de ambtsdragers de inbreng van de gemeente verplicht te stellen.

De manier waarop de gemeente inbreng heeft, wordt niet precies geregeld. Veel wordt overgelaten aan de plaatselijke regeling.

Zo lezen we in artikel 5, over de roeping tot de dienst des Woords:

De beroeping geschiedt onder aanroeping van de Here door de kerkeraad en de diakenen met medewerking van de gemeente en met inachtneming van de plaatselijk vastgestelde regeling.

In dit artikel wordt onderscheid gemaakt tussen roeping en beroeping: de beroeping is de handeling waarbij de beroepsbrief uitgaat; de roeping omvat het hele proces van beroeping tot bevestiging.

Hetzelfde vinden we uiteraard ook in artikel 6:

Wanneer predikanten beroepen worden naar een andere kerk, zal de beroeping eveneens geschieden door de kerkeraad en de diakenen, met medewerking van de gemeente en met inachtneming van de plaatselijk vastgestelde regeling.

Het geldt verder bij de roeping van ouderlingen en diakenen, waarover gesproken wordt in artikel 20:

De ouderlingen en diakenen zullen tot hun ambt geroepen worden door de kerkeraad en de diakenen, met medewerking van de gemeente en met inachtneming van de plaatselijk vastgestelde regeling. Hierin dient te zijn opgenomen dat de gemeenteleden de aandacht kunnen vestigen op personen die zij geschikt achten.
De kerkeraad zal de gemeente laten kiezen uit een dubbel getal en vervolgens de gekozenen benoemen. Indien geen wettig bezwaar wordt ingebracht, zullen deze in een eredienst in hun ambt bevestigd worden.
Eventueel zal de kerkeraad zoveel personen als voor de vervulling van elk ambt nodig zijn, aan de gemeente voorstellen.
Indien tegen hen geen wettig bezwaar wordt ingebracht, zullen zij op dezelfde wijze in de ambten bevestigd worden. In beide gevallen dient het formulier dat voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen is vastgesteld, gebruikt te worden.

|43|

De inbreng van de gemeente wordt hier nauwkeuriger omschreven dan bij de roeping van predikanten. De gemeente wordt er tot driemaal toe bij betrokken:
— Eerst mogen de gemeenteleden aandacht vestigen op de personen die zij geschikt achten voor het ambt. Dit zal meestal schriftelijk gebeuren.
— Vervolgens is er de verkiezing. De mannelijke belijdende leden mogen een keus maken uit een dubbel getal dat door de kerkeraad met de diakenen is opgesteld.
Deze verkiezing vervalt als de kerkeraad met een enkelvoudige voordracht meent te moeten komen, bijvoorbeeld omdat er naar de mening van de kerkeraad geen andere geschikte personen zijn.

Dat alleen de mannelijke belijdende leden aan deze verkiezing zullen deelnemen, en dus niet de vrouwelijke, is nog weer eens bevestigd door de generale synode van Groningen-Zuid, in 1978. De acta van deze synode geven de nodige informatie over de gronden voor deze regel. De belangrijkste is daarbij „dat het niet in overeenstemming is met de positie van onderdanigheid die de Schrift aan de vrouw in de gemeente geeft (1 Kor. 14: 34-36, 1 Tim. 2: 11-15), haar in deze een eigen zelfstandige beslissende stem toe te kennen” (artikel 287 van genoemde acta).

— Tenslotte is er het recht van bezwaar, waar we in de volgende paragraaf meer over zullen zeggen.

De roeping van ouderlingen en diakenen is duidelijk geen zaak van vrije verkiezingen: als er gekozen moet worden is er alleen keus uit het dubbel getal zoals dat door de kerkeraad is opgesteld. In bijzondere gevallen kan de verkiezing zelfs helemaal achterwege blijven.

Toch mag niemand denken dat de inbreng van de gemeente daarom weinig voorstelt.

Want nadrukkelijk biedt de kerkorde eerst de mogelijkheid aan de gemeenteleden om aandacht te vestigen op de personen die zij geschikt achten. Dat recht wordt vaak minder gewaardeerd dan het kiesrecht. Maar het is juist veel belangrijker.

Want laten we ook hier bedenken wat de grondslag is van de plaatselijke kerkregering, zoals we die al noemden in de eerste paragraaf van dit hoofdstuk: De verhouding tussen kerkeraad en gemeente zal zo geregeld moeten worden, dat alles gericht is op de gezamenlijke onderwerping aan de Christus.

Kerkregering is daarom eerst een zaak van gezamenlijk overleg hoe we aan het koningschap van Christus alle ruimte kunnen geven, en pas daarna een zaak van stemmen om tot een geldig besluit te komen.

Zo gaat het dan ook bij de roeping van ouderlingen en diakenen: eerst gaan kerkeraad en gemeente samen overleggen welke personen voor deze ambten geschikt kunnen worden geacht. Daarbij telt niet het aantal stemmen, maar alleen de goede, christelijke redenen, die worden aangevoerd om iemand wel of niet geschikt te achten voor het ambt van ouderling of diaken.

|44|

Daarbij zal uiteraard rekening worden gehouden met de vereisten die de Bijbel noemt voor de ambtsdragers, bijvoorbeeld in Handelingen 6, I Timoteüs 3 en Titus 1.

De gemeente neemt aan dit overleg deel, door bij de kerkeraad namen in te leveren. Het is aan te bevelen om daarbij ook de redenen te vermelden waarom men juist deze namen noemt. Een verwijzing naar de bekende Bijbelteksten is onvoldoende; aangegeven moet worden hoe de genoemde personen aan de Bijbelse eisen voldoen.

De kerkeraad neemt ook deel aan dit overleg, door namelijk de inbreng van de gemeente met zorg te bespreken.

Daarna wordt er binnen de kerkeraad gestemd, om zo tot de vereiste talstelling te komen. Maar eerst is er altijd dat overleg. En de stemming moet gebeuren in dezelfde geest als dat overleg: recht doen aan het koningschap van Christus. De stemming is de afsluiting van dat christelijke overleg.

Vervolgens gaan de gemeenteleden hun stem uitbrengen. En dat gebeurt alleen op de goede manier, wanneer de gemeenteleden dit eveneens zien als de afsluiting van het christelijk overleg, waarbij ze al veel eerder betrokken waren. In dat overleg ligt het zwaartepunt, want juist daarin is er de ruimte om te spreken over de vereisten die Christus aan een ambtsdrager stelt.

De verkiezing kan wegvallen, als de kerkeraad met een enkelvoudige voordracht komt. Maar het christelijke overleg mag nooit wegvallen.

 

4.4 Recht van bezwaar

De gemeente heeft haar eigen inbreng, maar de kerkeraad heeft zijn eigen verantwoordelijkheid tegenover Christus.

Wanneer de kerkeraad meent dat de inbreng van de gemeente onvoldoende of zelfs overwegend onjuist is, mag hij er niet in mee gaan. De kerkeraad zal zijn eigen gronden moeten aangeven voor elk besluit en zijn eigen redenen moeten hebben bij de talstelling of bij het voordragen van een te beroepen predikant.

Wanneer de kerkeraad deze eigen verantwoordelijkheid nakomt, kunnen gemeenteleden wel eens de indruk krijgen dat aan hun inbreng geen recht is gedaan. Zelfs kunnen ze menen dat het besluit van de kerkeraad onjuist moet worden geacht. In dat geval hebben gemeenteleden het recht van bezwaar.

De mogelijkheid om bezwaar in te dienen krijgt veel nadruk bij de roeping tot de dienst des Woords. Het wordt aan het begin van artikel 5 zelfs genoemd als een van de vier hoofdonderdelen van de hele roepingsprocedure: het onderdeel „goedkeuring van de gemeente”.

De wettige roeping tot de dienst des Woords van hen die het ambt van predikant nog niet hebben bekleed, omvat de beroeping, het examen, de goedkeuring door de gemeente en de bevestiging.

De gang van zaken bij deze goedkeuring wordt in artikel 5 zo geregeld:

De goedkeuring van de gemeenteleden is verkregen, wanneer de naam van de

|45|

beroepen predikant op twee achtereenvolgende zondagen in de kerk is afgekondigd en er geen wettig bezwaar is ingebracht.

Artikel 6 sluit zich daar bij aan:

De eveneens vereiste goedkeuring van de gemeenteleden is verkregen, wanneer de naam van de beroepen predikant op twee achtereenvolgende zondagen in de kerk is afgekondigd en er geen wettig bezwaar is ingebracht.

Het is opmerkelijk dat beide artikelen zeggen: geen bezwaar betekent goedkeuring. De gemeente kan zich dus niet afzijdig houden. Wanneer er gelegenheid is om bezwaar in te dienen, mag men dat niet beschouwen als een aangelegenheid voor de querulanten, de mensen die altijd iets te klagen hebben.

Nee, ieder zal zich moeten afvragen of hij zijn goedkeuring kan geven aan de voorgedragen predikant, die het beroep inmiddels heeft aangenomen. Kan hij die goedkeuring niet geven, dan is hij verplicht bezwaar in te dienen.

Uiteraard moet het gaan om wettige bezwaren. Dat betekent: bezwaren die zijn gegrond op het Woord van God of op de kerkorde.

Een voorbeeld. De gemeente van Venlo is vacant. De laatste predikant was een wat oudere man. Broeder G. vond dat hij te weinig voor de jeugd betekende. Dus heeft hij aan de kerkeraad gezegd dat er nu maar een jonge predikant beroepen moest worden. Maar de kerkeraad stelt voor weer een oudere predikant te beroepen. Het grootste deel van de gemeente gaat daarin mee en de predikant neemt het beroep aan. Broeder G. tekent dan bezwaar aan: hij ziet nog steeds liever een jongere predikant. Maar de kerkeraad wijst zijn bezwaren af: het is vanuit Gods Woord of vanuit de kerkorde niet te verdedigen dat alleen een jonge predikant iets kan betekenen voor de jeugd.
Er komt echter nog een ander bezwaarschrift. Het is afkomstig van broeder F. Ook hij heeft zorg over de jeugd van Venlo, die talrijk is. Hij heeft bovendien vernomen dat de beroepen predikant in zijn vorige gemeente weinig aansluiting vond bij de jongeren. Zijn catechisatielessen en preken waren erg moeilijk te volgen. Ook zocht hij geen persoonlijk contact met de jongeren. Daarom zegt broeder F.: deze predikant is niet geschikt voor onze gemeente. Het is toch niet in overeenstemming met Gods Woord om een predikant te bevestigen van wie vaststaat dat hij een belangrijk deel van de gemeente niet zal kunnen bereiken.
Een pittig bezwaarschrift, dat de kerkeraad ernstig zal moeten overwegen!

Artikel 20, over de roeping van ouderlingen en diakenen, is korter over het recht van bezwaar. Wel zal het de bedoeling zijn dat het plaatsvindt op de zelfde manier als bij de predikanten: afkondiging van de namen op twee achtereenvolgende zondagen. En ook de betekenis is de zelfde: geen bezwaar houdt goedkeuring in.

We laten het betreffende deel van artikel 20 nog eens volgen:

De kerkeraad zal de gemeente laten kiezen uit een dubbel getal en vervolgens de gekozenen benoemen. Indien geen wettig bezwaar wordt ingebracht, zullen deze in een eredienst in hun ambt bevestigd worden.

|46|

Eventueel zal de kerkeraad zoveel personen als voor de vervulling van elk ambt nodig zijn, aan de gemeente voorstellen.
Indien tegen hen geen wettig bezwaar wordt ingebracht, zullen zij op dezelfde wijze in de ambten bevestigd worden.

De inhoud van een dergelijk bezwaarschrift hoeft geen herhaling te vormen van de eerste inbreng die men gegeven had bij de roeping van de ambtsdragers. Bij die eerste inbreng ging het immers om het noemen van personen die men geschikt achtte; bij het bezwaarschrift gaat het om personen die men juist niet geschikt acht.

Bovendien is er verschil in de reactie van de kerkeraad. Wie bij de eerste inbreng aan de kerkeraad schrijft, mag niet verwachten dat hij persoonlijk antwoord zal krijgen. Maar wie bezwaar indient, heeft wel recht op een persoonlijk antwoord.

 

Het recht van bezwaar geldt niet alleen bij de roeping van ambtsdragers. De kerkorde noemt het ook in artikel 78:

Wanneer een geëxcommuniceerde in de weg van berouw weer opgenomen wil worden in de gemeente, zal dit aan de gemeente worden meegedeeld.
Als niemand hiertegen iets kan aanvoeren, zal hij na verloop van tenminste drie zondagen onder openbare schuldbelijdenis weer opgenomen worden, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient gebruikt te worden.

Zo ook in artikel 82, bij de tucht over een dooplid:

Indien hij na deze excommunicatie tot bekering komt en zich weer bij de gemeenschap van de kerk wil voegen, zal hij toegelaten worden in de weg van de openbare belijdenis van het geloof, nadat de kerkeraad zijn bekering aan de gemeente heeft bekendgemaakt.

Die bekendmaking aan de gemeente zal wel zo opgevat moeten worden, dat de gemeente gelegenheid krijgt om bezwaar in te dienen.

Het is ook gebruikelijk dat een kerkeraad de gemeente recht geeft van bezwaar, wanneer hij doopleden op de normale manier wil toelaten tot het doen van openbare belijdenis van hun geloof en zo tot het avondmaal. Het zelfde gebeurt wanneer een volwassene voor zichzelf de doop heeft aangevraagd en de kerkeraad daarin heeft toegestemd.

Verder kan genoemd worden artikel 63:

Wanneer leden naar een andere gemeente vertrekken, zal de kerkeraad hun na de vereiste afkondiging aan de gemeente een attestatie betreffende hun leer en leven meegeven, ondertekend door de praeses en de scriba.

Voordat een attestatie wordt afgegeven, wordt eerst de gemeente ingelicht. En ook hier zal dat betekenen dat de gemeenteleden bezwaar kunnen indienen tegen het schrijven van een goed getuigenis op die attestatie. Daarnaast is er in dit geval nog een tweede reden voor de afkondiging: de gemeente moet weten wanneer een lid gaat vertrekken. Ze vormden immers één lichaam.

Het liturgische formulier voor de bevestiging van het huwelijk geeft aan dat

|47|

ook hierbij de gemeente van te voren recht heeft van bezwaar. Daarvoor wordt tweemaal een afkondiging gedaan. Die afkondiging moet plaatsvinden in de gemeente waar de bruidegom woont en eveneens in de gemeente waar de bruid woont.

 

Tenslotte kan gezegd worden dat ook bij alle andere handelingen van de kerkeraad die aan de gemeente worden bekend gemaakt, de gemeente het recht heeft om bezwaren in te dienen. Dat geldt bijvoorbeeld bij de uitoefening van de kerkelijke tucht: de afkondigingen die daarbij worden gedaan, zijn allereerst bedoeld om de gemeente aktief te laten meewerken in de tuchtoefening (zie § 4.2), maar geven de gemeente tegelijk de gelegenheid om bezwaar te maken tegen die tuchtoefening. Artikel 77 zinspeelt daar duidelijk op:

In de derde zal de kerkeraad aan de gemeente meedelen dat hij buiten de gemeenschap van de kerk gesloten zal worden, als hij zich niet bekeert; op deze wijze zal de excommunicatie de stilzwijgende instemming van de gemeente hebben.

 

4.5 Recht van beroep

Een gemeentelid mag bezwaar indienen tegen een kerkeraadsbesluit. Maar als de kerkeraad door het bezwaarschrift niet wordt overtuigd, blijft het oorspronkelijke kerkeraadsbesluit van kracht.

Denk aan het voorbeeld uit de vorige paragraaf: br. F. uit Venlo heeft bezwaar tegen de komst van de beroepen predikant, omdat die naar zijn mening niets zou kunnen betekenen voor de jeugd. De kerkeraad overweegt de bezwaren, maar vindt ze uiteindelijk toch overtrokken. Hij deelt dat mee aan br. F. Die is niet overtuigd, maar dat hoeft voor de kerkeraad geen verhindering zijn om de predikant toch te bevestigen.

Blijft het betreffende gemeentelid van mening dat dit besluit strijdig is met het Woord van God of met de kerkorde, en wordt hij niet overtuigd door het antwoord van de kerkeraad, dan staat hem nog een andere weg open: het beroep op de classis.

De classis treedt dan op als meerdere vergadering: er zijn meer kerken aanwezig.

De kerkeraad is ten opzichte van de classis een mindere vergadering: er zijn minder kerken aanwezig, in dit geval zelfs maar een.

De mindere vergadering is gebonden aan de uitspraak van de meerdere vergadering.

Dat staat in artikel 35:

De classis heeft de bevoegdheid rechtsgeldige uitspraken te doen ten opzichte van de kerkeraad. Dit geldt eveneens voor de particuliere synode ten opzichte van de classis en voor de generale synode ten opzichte van de particuliere synode.

Een gemeentelid dat bezwaren houdt tegen een besluit van de kerkeraad,

|48|

kan nu naar de classis gaan en die vragen om zijn bezwaren over te nemen. Dit recht van beroep wordt beschreven in artikel 31:

Als iemand van oordeel is dat hem door een uitspraak van een mindere vergadering onrecht is aangedaan, kan hij zich beroepen op de meerdere vergadering.
De uitspraak die bij meerderheid van stemmen gedaan is, zal als bindend worden aanvaard, tenzij bewezen wordt dat zij in strijd is met het Woord van God of met de kerkorde
.

Het is daarbij mogelijk dat de classis het bezwaarde gemeentelid gelijk geeft.

In dat geval is de kerkeraad gebonden aan die classis-uitspraak; zijn oorspronkelijke besluit zal hij moeten wijzigen.

In ons voorbeeld gaat br. F. in beroep bij de classis Roermond. Hij deelt dat mee aan de kerkeraad. Die is daardoor gedwongen om de bevestiging van de predikant uit te stellen, in afwachting van een uitspraak van de classis. Inderdaad oordeelt de classis dat de kerkeraad de bezwaren van br. F. te gemakkelijk opzij heeft gezet. Br. F. krijgt dus gelijk en de bevestiging van de predikant kan niet doorgaan.

Maar misschien is de kerkeraad nog steeds van oordeel dat zijn besluit juist is en dat de uitspraak van de classis in strijd is met het Woord van God of met de kerkorde. In dat geval mag de kerkeraad zijn besluit handhaven. Wel zal de kerkeraad tegelijk moeten proberen om de classis van zijn gelijk te overtuigen.

Dat kan door een revisie-verzoek aan de volgende classis-vergadering, waarin de kerkeraad vraagt om de gedane uitspraak te herzien. Het kan ook doordat de kerkeraad zich op zijn beurt beroept op de particuliere synode. De particuliere synode is immers de meerdere vergadering ten opzichte van de classis.

In ons voorbeeld gaat de kerkeraad van Venlo bij de particuliere synode van Limburg in beroep tegen de uitspraak van de classis Roermond. De kerkeraad zegt dat hij de bezwaren van br. F. niet te gemakkelijk opzij heeft gezet; hij kon niet anders, want br. F. baseerde zich teveel op losse geruchten; de kerkeraad was daarom volgens het negende gebod verplicht om deze bezwaren af te wijzen. En ziedaar: de particuliere synode geeft de kerkeraad gelijk. De weg naar bevestiging van de predikant ligt weer open.

Die weg naar de particuliere synode is er trouwens niet alleen voor de kerkeraad; ook een gemeentelid kan die weg gaan, als namelijk de classis hem geen gelijk heeft gegeven, en hij nog steeds van mening is dat het kerkeraadsbesluit onjuist is.

Op deze manier kan een gemeentelid zijn bezwaren zelfs op de generale synode brengen, die weer de meerdere vergadering is ten opzichte van de particuliere synode. Hij mag dat doen als ook de particuliere synode hem niet heeft kunnen overtuigen dat het kerkeraadsbesluit niet strijdt met het Woord van God of de kerkorde.

|49|

In ons voorbeeld wendt br. F. zich tot de generale synode. Die moet uitspreken dat de particuliere synode de kerkeraad geen gelijk had moeten geven. Want, aldus br. F., ik baseer mij niet op geruchten maar op betrouwbare getuigenverklaringen. De generale synode wordt echter niet overtuigd. Weliswaar hebt u getuigen aangevoerd, schrijft de synode, maar die hebben niet zulke duidelijke verklaringen afgelegd dat daaruit zou blijken dat de beroepen predikant niets zou kunnen betekenen voor de jeugd van Venlo. De bevestiging kan doorgaan.

Uiteraard staat de weg naar de generale synode ook open voor de kerkeraad of voor de classis, wanneer die door de particuliere synode in het ongelijk zijn gesteld.

 

Voor alle duidelijkheid voegen we er aan toe dat een gemeentelid of een kerkeraad zich pas tot de generale synode mag wenden, als de zaak eerst door de particuliere synode is behandeld. Op de zelfde manier mag de zaak niet eerder bij de particuliere synode aanhangig worden gemaakt, dan wanneer eerst de classis zich er over uitgesproken heeft. En een gemeentelid kan niet eerder naar de classis gaan, dan wanneer er eerst door de kerkeraad over gehandeld is. We noemen deze volgorde wel ‘de kerkelijke weg’. Deze kerkelijke weg wordt aangewezen in het al genoemde artikel 35. Maar ook artikel 30 spreekt er van, als daar staat:

Betreft het een nieuwe zaak die vanuit de kerken aan de orde wordt gesteld, dan kan deze alleen in de weg van voorbereiding door de mindere vergadering op de agenda van de meerdere vergadering worden geplaatst.

Wanneer een beroepszaak (ook wel appèlzaak genoemd) op de generale synode terecht komt, zijn er dus al heel wat vergaderingen die zich er mee bezig hebben gehouden. Eerst de kerkeraad, en dat vaak al meermalen, dan de classis, dan de particuliere synode, en dan ook nog de generale synode.

Dat lijkt misschien wel eens verspilling van energie. Toch is het dat niet. Want ook hier gaat het weer om de grondregel van de kerkregering: samen buigen voor de Koning van de kerk, Jezus Christus.

Iemand die bezwaar maakt, moet immers kunnen aantonen dat hij zich daarbij kan beroepen op het Woord van God of op de kerkorde. Want het Woord van God is het Woord van Christus. Een kerkeraadsbesluit dat daarmee in strijd is, mag worden aangevochten, tot op de generale synode toe.

Dat geldt ook wanneer een besluit alleen maar strijdig is met de kerkorde. Dat lijkt misschien een onbetekenende zaak, maar het is ontoelaatbaar in de kerk. Besluiten die afwijken van wat samen is afgesproken in de kerkorde, brengen onrecht en willekeur in de kerk. Terwijl die kerk juist leeft om te bezingen hoe Christus voor ons het recht heeft hersteld, doordat Hij voldeed aan Gods rechtvaardigheid. Een kerk die zo Gods rechtvaardigheid in Christus roemt, zal in eigen doen en laten die rechtvaardigheid niet aan de kant mogen zetten. Een besluit dat strijdt met het aangenomen recht

|50|

in de kerk, mag daarom zeker worden aangevochten, eveneens tot op de generale synode.

Verspilling van energie is er al evenmin wanneer het betrokken kerkeraadsbesluit juist moet worden geacht en het bezwaarde gemeentelid dus ongelijk heeft, maar wel zijn bezwaren blijft uiten, tot op de generale synode toe. Als de zaak dan helder is, zal een classis vlug klaar zijn met een antwoord op het beroepschrift. De particuliere synode en de generale synode evenzo.

Maar vaak gaat het om ingewikkelde kwesties. Dan is het alleen maar winst, wanneer velen het hoofd buigen over de vraag hoe Gods Woord en de kerkorde in deze zaak het best kunnen worden toegepast. Zo is er de beste waarborg dat het Woord en het recht van Christus blijven heersen in de kerk.

Bovendien kan een grondige behandeling van een bezwaarschrift van nut zijn wanneer zich later een soortgelijk geval voordoet.

 

Wat kan iemand trouwens doen, als zelfs de generale synode hem in het ongelijk heeft gesteld? Hopelijk laat hij zich overtuigen. Maar als hij bij zijn mening blijft, kan hij revisie vragen bij de volgende generale synode.

Als ook de volgende generale synode hem geen gelijk geeft en hij blijft toch van mening dat God hem verbiedt om zich te voegen onder het genoemde kerkeraadsbesluit, is het mogelijk om zich te wenden tot de daaropvolgende synode. Hij zal dan wel met nieuwe argumenten moeten komen, anders wordt zijn bezwaarschrift zonder meer afgewezen.

De enige weg die dan nog overblijft is dat het bezwaarde gemeentelid zich onttrekt aan de gemeenschap van de kerk. Als hij steeds gelijk had, is hij zelfs verplicht tot een dergelijke onttrekking: de kerk is dan valse kerk geworden, omdat ze haar leden bindt aan besluiten die strijden met het Woord en het recht van God. Maar meestal komt het daar niet van. Uiteindelijk geeft men wel vaak toe, omdat men wel beseft dat van echte strijdigheid met het Woord of het recht van God geen sprake was; er was alleen sprake van strijdigheid met eigen opvattingen en men zocht in Gods Woord en de kerkorde naar gronden om die eigen opvatting te onderbouwen, maar tevergeefs.

Om nog eenmaal terug te keren naar ons voorbeeld: br. F. probeert het nog eens bij de volgende synode. De predikant is inmiddels bevestigd, maar hij wil graag horen dat hij toch gelijk had. De volgende generale synode geeft hem dat niet; wel wijst de synode er op dat de predikant inmiddels zijn werk in Venlo is begonnen en behoorlijke belangstelling toont voor de jeugd. De zaak wordt gesloten; br. F. legt zich er „met behoud van gevoelen” bij neer.

Harmannij, K. (1990) Hst. 5

|51|

5 De vergaderingen

 

5.1 Omschrijving

Artikel 28 luidt als volgt:

Vier kerkelijke vergaderingen zullen regelmatig gehouden worden: de kerkeraad, de classis, de particuliere synode en de generale synode.

Deze vier vergaderingen worden in afzonderlijke artikelen nader omschreven. Daarbij wordt ook gezegd wat het ‘regelmatig gehouden worden’ voor elke vergadering betekent.

Zo zegt artikel 36 over de kerkeraad:

In alle kerken zal een kerkeraad zijn, die bestaat uit de predikant(en) en de ouderlingen. Hij zal regelmatig bijeenkomen onder voorzitterschap van de predikant of van de predikanten bij toerbeurt. De kerkeraad zal eveneens regelmatig met de diakenen vergaderen.

Opvallend is, dat dit artikel het woord ‘regelmatig’ wel twee keer noemt, eenmaal voor de kerkeraad en eenmaal voor de kerkeraad met de diakenen, maar dat die regelmaat geen van beide keren duidelijk wordt ingevuld. Blijkbaar wil de kerkorde niet meer regelen dan noodzakelijk is! In de praktijk houden de meeste kerken een regelmaat aan van ongeveer een maand: iedere maand een vergadering van de kerkeraad zonder de diakenen, en iedere maand een vergadering met de diakenen.

Vervolgens zegt artikel 41 over de classis:

Een classicale vergadering wordt gevormd door de kerken van het classicaal ressort, die elk een predikant en een ouderling zullen afvaardigen met de vereiste geloofsbrieven.
Minstens eenmaal in de drie maanden zal een dergelijke vergadering worden belegd. Elke vergadering zal vaststellen waar en wanneer de kerken opnieuw zullen samenkomen.

De regelmaat voor de classis is dus: eens in de drie maanden, vier keer per jaar. Let daarbij op het woord ‘minstens’: dit artikel sluit niet uit dat bij spoedeisende zaken een extra vergadering kan worden samengeroepen.

Artikel 45 omschrijft de particuliere synode:

Elke particuliere synode wordt gevormd door een groep bij elkaar gelegen classes, die elk twee predikanten en twee ouderlingen afvaardigen. Dit aantal kan op drie gesteld worden wanneer een synode door twee of drie classes gevormd wordt. De particuliere synode zal eenmaal per jaar samenkomen, tenzij er dringende redenen zijn dit vaker te doen.
Aan het einde van zowel de particuliere als de generale synode zal tijd en plaats

|52|

van de volgende synode worden vastgesteld en de samenroepende kerk voor deze vergadering worden aangewezen.

De regelmaat voor de particuliere synode is dus: eenmaal per jaar, waarbij de mogelijkheid om vaker samen te komen uitdrukkelijk wordt vermeld. Artikel 46 tenslotte zegt van de generale synode:

De generale synode zal eens in de drie jaar worden gehouden, tenzij er dringende redenen zijn eerder bijeen te komen.
Elke particuliere synode vaardigt twee predikanten en twee ouderlingen af.
Indien de generale synode naar het oordeel van tenminste twee particuliere synoden binnen de drie jaar moet worden samengeroepen, zal de aangewezen samenroepende kerk de tijd en plaats vaststellen onder goedkeuring van haar particuliere synode.

Van de generale synode wordt geen omschrijving gegeven. Maar die is gemakkelijk in te vullen: het is de generale, dus de algemene synode, die wordt gevormd door alle particuliere synodes.

 

In bovengenoemde artikelen wordt enkele malen gesproken over ‘de samenroepende kerk’. Een classis, particuliere synode of generale synode kan namelijk niet bijeen worden geroepen door een of meer ambtsdragers, ook niet door de praeses of de scriba van de vorige vergadering, maar alleen door de kerk die op de vorige vergadering daarvoor is aangewezen.

Classis, particuliere synode en generale synode zijn immers geen vergaderingen van personen, maar van kerken. Ze kunnen daarom niet door een persoon, maar alleen door een kerk worden samengeroepen.

Dat ook de praeses van de laatstgehouden vergadering niet het recht heeft om opnieuw een vergadering bijeen te roepen, wordt zelfs uitdrukkelijk gezegd in zijn taakomschrijving, artikel 34:

Zijn taak is beëindigd wanneer de vergadering gesloten is.

Als de vergadering gesloten is, is de praeses geen praeses meer en kan hij aan de positie die hij had geen bevoegdheden meer ontlenen.

Voor de kerkeraad ligt het iets anders: die is geen vergadering van kerken maar van personen, namelijk de plaatselijke ambtsdragers. Dus zal de vergadering altijd worden samengeroepen door een of meer van die ambtsdragers. Gewoonlijk wordt deze taak toevertrouwd aan de praeses en de scriba die voor die bepaalde tijd zijn aangewezen.

 

5.2 Wat kan de diaken hiermee?

Alle kerkelijke vergaderingen die artikel 28 noemt, worden gevormd door predikanten en ouderlingen. De diakenen hebben er geen zitting. Alleen in sommige bijeenkomsten van de kerkeraad kunnen zij hun stem laten horen, want artikel 36 bepaalt dat de kerkeraad regelmatig met de diakenen zal vergaderen.

Maar die mogelijkheid hebben de diakenen niet in de classis, de particuliere of de generale synode.

|53|

Toch zijn er genoeg diaconale zaken die meer kerken aangaan, en die dus ook op een meerdere vergadering behandeld zouden kunnen worden.

In dat geval wijst artikel 40 de weg:

De diakenen zullen regelmatig bijeenkomen om onder aanroeping van de Here de diaconale aangelegenheden te behandelen.
Zij zullen verantwoording van hun beleid en beheer doen aan de kerkeraad.

Daar wordt eerst gesproken over de plaatselijke diaconale vergadering. Dat is geen kerkelijke vergadering in de zin van artikel 28. Dat wil zeggen: het is geen vergadering die rechtsgeldige uitspraken kan doen waar de gemeente aan gebonden is. De besluiten van deze vergadering zijn alleen geldig binnen de kring van de diakenen.

Daarom verwijst het tweede deel van artikel 40 de diakenen naar de kerkeraad. De kerkeraad kan wel besluiten nemen waar de gemeente aan gebonden is. De kerkeraad is de vergadering die de gemeente regeert, ook in diaconale zaken. Het is daarvoor wel noodzakelijk dat de kerkeraad op de hoogte is van de diaconale zaken. Daarom moeten de diakenen verantwoording doen van hun beleid en beheer aan de kerkeraad. Niet alleen van hun beheer! Dus niet alleen wat cijfertjes overleggen. Maar ook verantwoording doen van hun beleid, dus de manier waarop men werkt, de aanpak die men kent bij allerhande problemen.

Wanneer de diakenen zorgen dat de kerkeraad inzicht heeft in het diaconale werk, is de besluitvorming over diaconale zaken bij de kerkeraad in goede handen.

Uiteraard zullen deze besluiten worden genomen op de vergadering van de kerkeraad met de diakenen.

Wanneer er dan diaconale zaken aan de orde komen die een kerk alleen niet af kan of die meer kerken aangaan, kan de kerkeraad deze zaken op de classis brengen.

De classis kan deze diaconale zaken in bespreking nemen en zo nodig rechtsgeldige besluiten daarover nemen.

Dat kan, ook al is er op de classis niet één diaken aanwezig. Het kan, want er zijn wel predikanten aanwezig, en ouderlingen van wie artikel 21 zegt:

Ook moeten zij samen met de predikanten de tucht bedienen en zorgen dat in de gemeente alles op gepaste wijze en ordelijk gebeurt.

‘Alles’. Daar valt ook het diaconaat onder.

En voor alle predikanten en ouderlingen die op de classis aanwezig zijn, moet toch gelden dat ze in eigen kerk inzicht hebben in de diaconale aangelegenheden, omdat de diakenen daarover uitvoerig rapport hebben uitgebracht.

Bovendien gaan steeds meer classes er toe over om deputaten aan te stellen die advies kunnen geven in diaconale zaken. Die adviezen kunnen nuttig zijn voor de diakenen in het ressort, maar ze kunnen ook nuttig zijn voor de vergadering die deze ‘deputaten ad art.22 K.O.’ heeft aangesteld.

Zelfs kan een classis een of meer diakenen uitnodigen om bepaalde zaken

|54|

nader toe te lichten. Ook kan de kerkeraad zelf een diaken met de afgevaardigden mee laten gaan.

Tenslotte kan een classis besluiten om de zaak op de particuliere synode te brengen, die het op zijn beurt aan de generale synode kan voorleggen.

Van deze synodes geldt dan het zelfde als de classis: er zijn alleen predikanten en ouderlingen als afgevaardigden aanwezig, maar die hebben volgens artikel 21 bevoegdheid om te handelen over diaconale zaken, ze hebben uit eigen gemeente ook inzicht in die zaken, en ze kunnen een beroep doen op de deputaten ad art. 22 K.O.

Het is daarom onnodig en zelfs onmogelijk om te werken aan een speciaal diaconaal kerkverband, met eigen diaconale classes en diaconale synodes. In dat geval zouden de diakenen buiten de kerkelijke weg gaan en zich dus buiten de kerk plaatsen, terwijl ze juist geroepen zijn om binnen de kerk te werken, onder het toezicht van de kerkeraad.

Wel kunnen diakenen vergaderingen beleggen waarin ze overleggen met diakenen uit andere gemeenten. Zo bestaan er classicale diaconale conferenties, provinciale diaconale conferenties en een centrale diaconale conferentie.

Deze conferenties kunnen goed werk doen, zolang ze zich maar geen kerkelijke bevoegdheden aanmeten en zolang de echte kerkelijke vergaderingen hun bestaan niet gebruiken als excuus om de diaconale zaken van zich af te schuiven.

Een voorbeeld: Op een centrale diaconale conferentie werd het idee geopperd van een landelijke diaconale consulent. Deze man zou door de kerken gezamenlijk onderhouden moeten worden, zodat hij zich helemaal kon gaan wijden aan de bestudering van het diaconale werk en daarover voorlichting en adviezen zou kunnen geven aan de diakenen.
Dit idee vond bijval. Maar de conferentie zelf benoemde niemand. Dit moest gaan in de kerkelijke weg! De diakenen moesten het maar in de eigen gemeente op de kerkeraad brengen.
Dat gebeurde. Sommige kerkeraden vonden het een goed voorstel: het diaconale werk is veelzijdig en moet vaak door onervaren personen worden gedaan. Een consulent zou goede diensten kunnen bewijzen.
Andere kerkeraden hadden bezwaar: ze wilden geen bureaucratische top kweken, die buiten het eigenlijke kerkelijke leven zou staan. Er zijn toch wel andere wegen om onervaren diakenen van informatie te voorzien. En laten de kerken zelf maar zorgen dat er meer ervaring in de diakenbanken blijft; die hoeft niet altijd door te schuiven naar de ouderlingenbank.
Vanuit de kerkeraden ging het naar de verschillende classes. Ook daar het zelfde beeld: sommigen waren ingenomen met het idee, anderen vonden het een verkeerde methode.
Via de particuliere synodes kwam het uiteindelijk op de generale synode. Die hoefde daar het hoofd niet meer over breken. De verschillende argumenten voor en tegen waren al breedvoerig geformuleerd door allerlei kerkelijke vergaderingen.
De synode kon volstaan met een laatste afweging.

|55|

(Dit voorbeeld is bijna waar gebeurd. Inderdaad werd in 1985 vanuit de centrale conferentie aan de diakenen het voorstel gedaan voor een dergelijke consulent.
Helaas gingen de kerken die dit op de generale synode wilden brengen, niet de goede kerkelijke weg, dus via de particuliere synode. De generale synode van 1987 was daarom genoodzaakt de voorstellen niet ontvankelijk te verklaren.)

 

5.3 Geloofsbrieven

Elke predikant of ouderling heeft vanaf het moment van zijn bevestiging automatisch zitting in de kerkeraad.

Maar predikanten en ouderlingen hebben niet automatisch zitting in de classis waar hun kerk bij hoort. Pas wanneer zij door hun kerkeraad worden afgevaardigd, kunnen zij deel uitmaken van de classicale vergadering.

Daarom bepaalt artikel 32:

Afgevaardigden naar meerdere vergaderingen zullen hun geloofsbrieven, ondertekend door hun zenders, meebrengen en op grond daarvan stemrecht hebben. Bij zaken die henzelf of hun eigen kerken betreffen, moeten zij echter buiten stemming blijven.

Deze geloofsbrieven, ook wel credentiebrieven genoemd, maken duidelijk dat de betreffende broeders geloofd kunnen worden, als zij beweren afgevaardigd te zijn door hun kerkeraad. De geloofsbrief bevat daarom hun namen en de handtekening van bevoegde personen uit de kerkeraad, meestal de praeses en de scriba.

Maar de geloofsbrief verklaart nog meer. De kerkeraad verklaart er dat de afgevaardigde broeders de bevoegdheid hebben om namens hun kerk op te treden alsof de kerk zelf aanwezig was. De classis wordt niet gevormd door enkele broeders uit de kerken, maar de classis wordt gevormd door de kerken zelf.

Ook belooft de kerkeraad in deze geloofsbrief dat hij zich zal houden aan alle besluiten van de classis die op de juiste wijze tot stand zijn gekomen, dus in overeenstemming met Gods Woord en de kerkorde.

Dit geldt ook voor de particuliere synode en de generale synode. Ook daar moeten de afgevaardigden hun geloofsbrieven meebrengen, die bij de particuliere synode ondertekend moeten zijn door bevoegde personen uit de classis, en bij de generale synode ondertekend moeten zijn door bevoegde personen uit de particuliere synode. In de praktijk zullen dat de moderamenleden zijn. Deze geloofsbrieven hebben de zelfde strekking als die voor de classis: hier zijn niet zomaar enkele broeders aanwezig, hier zijn de kerken aanwezig.

 

Van belang is nog dat geloofsbrieven geldig zijn voor slechts één vergadering, die met name in de geloofsbrief moet worden genoemd. Voor elke volgende volgende vergadering moet de afvaardiging opnieuw worden

|56|

geregeld en moet dus ook een nieuwe geloofsbrief worden uitgeschreven.

Een voorbeeld: de classis vergadert op 5 april. De tijd is te kort om alles in een avond af te werken, dus wordt de vergadering voortgezet op 12 april. Hierna wordt de vergadering gesloten, waarbij is afgesproken om de volgende vergadering te houden op 5 juli. Op 20 april doet zich echter een zaak voor die met spoed op de classis behandeld moet worden. Dan mag de classis van 5 april niet opnieuw samenkomen; die bestaat niet meer. Er wordt een nieuwe vergadering belegd. Alle kerken moeten daarvoor opnieuw afgevaardigden aanwijzen. Dat mogen de zelfde personen zijn als van de vorige vergadering, maar ze worden dan toch opnieuw afgevaardigd en krijgen een nieuwe geloofsbrief mee. Het zelfde gebeurt voor de vergadering van 5 juli.

De manier van afvaardiging kan verschillen. Kerkeraden hebben hiervoor meestal een roulatiesysteem: iedere ouderling gaat op zijn beurt eens naar de classis.

De classis wijst de afgevaardigden naar de particuliere synode aan door een stemming, getuige het slot van artikel 41:

In de laatste vergadering voor een particuliere synode zullen de afgevaardigden naar die synode verkozen worden.

Het zelfde is gebruikelijk op de particuliere synode voor de afvaardiging naar de generale synode.

Artikel 32 noemt de waarde van de geloofsbrief: hij geeft stemrecht aan de afgevaardigden die er in genoemd worden. Maar meteen perkt artikel 32 dit stemrecht in:

Bij zaken die henzelf of hun eigen kerken betreffen, moeten zij echter buiten stemming blijven.

De redelijkheid van deze bepaling spreekt voor zich. De vraag is alleen waar hier de grens getrokken moet worden. Dat zal niet altijd duidelijk aan te geven zijn.

Een voorbeeld: als een generale synode een verzoek behandelt tot revisie van een besluit van een vorige synode, blijven degenen die ook al naar die vorige synode waren afgevaardigd, als regel buiten stemming. Er wordt immers een beoordeling gevraagd van een besluit waaraan zij hebben meegewerkt. Een begrijpelijke regel dus. Maar op een classis zou deze regel onwerkbaar zijn. Als daar revisie wordt gevraagd van een besluit dat door een vorige classis is genomen, en men zou degenen die naar die vorige classis waren afgevaardigd, buiten stemming laten blijven, dan kon het wel eens gebeuren dat meer dan de helft van de afgevaardigden hierdoor wordt getroffen: alle afgevaardigde predikanten en mogelijk een enkele ouderling die tweemaal achtereen aanwezig is. Een onverantwoord groot aantal. Ook op een particuliere synode kan zoiets voorkomen: het gebeurt wel dat classes enkele jaren achtereen vrijwel de zelfde afvaardiging kiezen, zodat een groot deel van de leden van de particuliere synode daar al voor de tweede achtereenvolgende keer kan zitten. Het is dan ondoenlijk om die allemaal buiten stemming te laten blijven als er een revisie-verzoek moet worden beoordeeld.

|57|

Een precieze invulling van dit tweede lid van artikel 32 is daarom moeilijk te geven.

Als men het doel maar voor ogen houdt: het gaat om rechtvaardigheid bij de stemming. Het is daarbij verstandig om te blijven in de lijn die tot dusver door de betreffende classis of particuliere synode of door de generale synode getrokken was. Mocht die niet duidelijk zijn, laat men dan in ieder geval tot een besluit hierover komen voordat wordt overgegaan tot de bespreking van de zaak zelf. Als kort voor de stemming nog een discussie gehouden moet worden over de vraag wie aan de stemming deel mogen nemen, is de kans van willekeur te groot.

 

In de geloofsbrief kan ook een zogenaamde ‘instructie’ worden opgenomen. Hierin wordt meegedeeld dat de afgevaardigden een bepaalde zaak aan de orde moeten stellen in de vergadering. Dat kan een voorstel zijn, of een verzoek, of ook de mening van de afvaardigende vergadering over een bepaalde zaak.

Een instructie hoeft niet van te voren vast leggen hoe de eigen afgevaardigden uiteindelijk zullen stemmen. Want de stemming vindt plaats na bespreking, en van te voren is niet bekend wat in die bespreking gezegd zal worden.

 

5.4 Orde in de vergadering

De kerkorde bevat een artikel over de taak van de praeses en de scriba. Het is artikel 34:

Het behoort tot de taak van de praeses de zaken die behandeld moeten worden, duidelijk aan de orde te stellen. Hij moet zorgen dat de discussies ordelijk verlopen. Sprekers die een woordenstrijd voeren over kleinigheden of die zich door heftige emoties laten meeslepen, moet hij het woord ontnemen en hen berispen als ze geen gehoor geven. Zijn taak is beëindigd wanneer de vergadering gesloten is.
Naast de praeses zal een scriba worden aangewezen, die noteert wat voor schriftelijke vastlegging van waarde is.

Dit artikel gaat er duidelijk van uit dat ook een kerkelijke vergadering bestaat uit zondaren, mensen die niet altijd hun heerszucht weten te beheersen, of mensen die eigen eer belangrijker vinden dan de eer van Christus in de vergadering. Zo waren de mensen in de 16e eeuw, toen de grondslagen voor de kerkorde werden vastgelegd, en zo zijn de mensen nu nog.

Daarom geeft de kerkorde aan de praeses van elke vergadering de uitdrukkelijke opdracht om wanorde zoveel mogelijk te voorkomen en tegen te gaan.

Die opdracht geldt ook voor een jonge, pas bevestigde predikant, die in de kerkeraad of de classis leiding moet geven aan een gezelschap oudere broeders. Als hij het maar kerkelijk doet, met de wijsheid van I Timoteüs 4: 12-5: 1:

|58|

Niemand schatte u gering om uw jeugdige leeftijd, maar wees een voorbeeld voor de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof en in reinheid.
(...)
Word niet heftig tegen een oude man, maar vermaan hem als een vader; doe het jonge mannen als broeders.

De praeses is overigens niet de enige, die moet optreden tegen broeders die zich in de vergadering slecht gedragen. Dat blijkt uit artikel 48:

Aan het einde van classicale en andere meerdere vergaderingen zal censuur geoefend worden over hen die zich in de vergadering misgaan hebben.

Ieder lid van de vergadering heeft het recht om bij deze censuuroefening het woord te voeren en een of meer andere leden te vermanen. Zo kan ook de praeses tot de orde worden geroepen, zij het achteraf.

Artikel 48 regelt deze censuuroefening alleen voor de meerdere vergaderingen. De vergadering van de kerkeraad valt er niet onder. Dat is begrijpelijk, want voor de kerkeraad geldt artikel 81:

De predikanten, ouderlingen en diakenen zullen onderling christelijke censuur oefenen en elkaar inzake de bediening van hun ambt aansporen en vriendelijk terechtwijzen.

Artikel 81 is breder dan artikel 48. Het vraagt om vriendelijke terechtwijzingen die het hele ambtswerk kunnen omvatten. Artikel 48 beperkt zich tot misdragingen tijdens de vergadering. Voor een meerdere vergadering is dat voldoende. Een predikant of ouderling die zich tijdens een huisbezoek heeft misdragen, hoeft daarvoor niet op de classis worden vermaand. De kerkeraadsvergadering is daarvoor een betere plaats. Maar een predikant of ouderling die tijdens de classisvergadering zijn boekje te buiten gaat, moet daar ter plekke over worden vermaand. Want alle afgevaardigden moeten weten, dat zulk gedrag tijdens een kerkelijke vergadering niet past. En als de praeses er niet meteen op wijst, moet een ander het doen. Daarvoor dient artikel 48.

Artikel 48 mag evenmin als artikel 81 verworden tot een formaliteit. Zo mag het niet gebeuren dat een praeses deze censuuroefening afdoet door vriendelijk glimlachend op te merken dat hij geen reden ziet tot vermaan om vervolgens over te gaan tot sluiting van de vergadering. Hij maakt dan twee fouten: met zijn vriendelijke glimlach wekt hij de indruk dat hij dit artikel eigenlijk overbodig vindt; en wat nog erger is, hij geeft de leden van de vergadering geen gelegenheid om bij dit punt het woord te voeren.

Artikel 48 vraagt om een waardige afhandeling, die de vrede in het kerkelijk leven alleen maar ten goede komt.

 

Ook de scriba zorgt, op zijn manier, voor een goede orde in de vergadering. Hij moet immers volgens artikel 34 noteren wat voor schriftelijke vastlegging van waarde is.

Wat hier onder valt, is enigszins af te lezen uit artikel 33:

Een mindere vergadering zal een instructie of een voorstel voor een meerdere

|59|

vergadering niet vaststellen voordat de eventuele besluiten van voorgaande synoden betreffende de voorgestelde zaak nauwkeurig gelezen zijn. Wat eenmaal afgehandeld is, moet niet opnieuw aan de orde worden gesteld, tenzij men van oordeel is dat wijziging noodzakelijk is.

Dit artikel wil duidelijk voorkomen dat de vergaderingen een wanordelijk beleid gaan voeren, doordat telkens de zelfde zaken in behandeling worden genomen, met het gevaar dat er tegenstrijdige besluiten uit de bus komen.

Om dat te voorkomen moeten de notulen of acta van vorige vergaderingen worden doorgenomen. En dan blijkt de waarde van een goede scriba. Als hij zijn taak goed verstaat, kan nog lang worden teruggegrepen op de besluiten die door hem zijn genoteerd. Daarbij is van belang dat bij elk besluit de gronden worden vermeld, eventueel aangevuld met een beknopte weergave van de bespreking. Daarmee wordt voorkomen dat op een latere vergadering een discussie wordt gevoerd over de eigenlijke betekenis van het vroegere besluit.

In dat verband mag ook de aandacht worden gevestigd op artikel 50:

De kerkeraden en de meerdere vergaderingen behoren goed te zorgen voor de archieven.

Archiefzorg is geen liefhebberij maar noodzaak om te voorkomen dat dubbel werk wordt gedaan of dat een vergadering wordt opgehouden door onzekerheid over besluiten die vroeger eens genomen schijnen te zijn.

Een voorbeeld: In de classis Rolde bestaat de gewoonte dat telkens op de zelfde plaats wordt vergaderd, namelijk in Gieten. De kerk van Taarlo komt nu met het voorstel om de vergaderingen te houden in het gebouw van de roepende kerk, zodat alle plaatsen regelmatig gastheer kunnen zijn. Aldus wordt besloten.
Op de volgende vergadering tekent de afvaardiging van de kerk te Zeegse bezwaar aan. Op de vaste vergaderdag van de classis, dinsdagavond, is het eigen kerkgebouw altijd verhuurd aan de plaatselijke muziekvereniging. Bovendien vinden ze het bezwaarlijk om zo nu en dan zelfs naar Odoorn te moeten reizen, ook een kerk in de classis, maar dan in een andere uithoek. Daarom was enkele jaren geleden al door de classis besloten om alleen te vergaderen in het centraal gelegen Gieten.
Wanneer is dat besloten? zo vraagt men in de vergadering. Dat weet de afvaardiging van Zeegse niet meer: de oude classis-notulen waren zoek. De classis besluit dat de archivaris dat dan maar moet uitzoeken.
De volgende vergadering heeft de archivaris inderdaad het besluit gevonden. In april 1960 is besloten dat er alleen in Gieten zal worden vergaderd. Maar er staat niet bij waarom. Dat geeft nieuwe discussie: de afstand zal toen wel een bezwaar zijn geweest, maar dat geldt in onze moderne tijd toch nauwelijks meer.
De kerk van Zeegse vindt echter van wel, en heeft bovendien dat andere bezwaar, dat het kerkgebouw op de vergaderavond niet beschikbaar is. Uiteindelijk besluit de classis de toestand te laten blijven zoals hij is.
Inmiddels is er wel op drie vergaderingen breedvoerig over gesproken. Wanneer de kerk van Taarlo de zaak beter had voorbereid, wanneer de kerk van

|60|

Zeegse de classis-notulen beter had bewaard, en wanneer de scriba van de classis uit 1960 het betreffende besluit uitvoeriger had genotuleerd, had het de classis nu veel overbodig werk bespaard.

 

5.5 Wie heeft het laatste woord?

Er zijn dus vier vergaderingen: kerkeraad, classis, particuliere synode en generale synode. Welk van deze vier heeft nu het meeste gezag? Wie heeft het laatste woord?

Het zijn de artikelen 29, 30, 31 en 35 die hierop een antwoord geven.

Artikel 29 luidt als volgt:

Bij de opening en de sluiting van alle vergaderingen zal de Here met gebed en dankzegging aangeroepen worden.

Dit artikel zegt dat uiteindelijk alleen de Here het laatste woord heeft, zoals Hij ook het eerste woord heeft. Elke kerkelijke vergadering zal dat moeten belijden, door het gebed bij opening en sluiting.

Het begin van artikel 30 sluit hier op aan:

Deze vergaderingen mogen alleen kerkelijke zaken behandelen en dat op kerkelijke wijze.

Kerkelijke vergaderingen mogen niet van alles naar zich toe trekken, om zo hun macht te vergroten. Zij mogen zich alleen bezig houden met kerkelijke zaken, dat wil zeggen: zaken waarvan zij weten dat de Here de kerk daartoe roept. Hij heeft het laatste woord, Hij bepaalt ook het agendum van de kerkelijke vergaderingen.

Dan kan het nog wel gebeuren dat een kerkelijke vergadering zich bezighoudt met zaken als een kapotte verwarmingsketel. Kerkelijke zaken hoeven niet meteen principiële kwesties te zijn. Maar ook dan zal die vergadering voor de Here moeten kunnen verantwoorden dat het past bij de taak die de Here aan zijn kerk gegeven heeft.

Dat geldt ook voor de manier waarop deze zaken worden afgehandeld. Artikel 30 zegt dat die behandeling moet gebeuren op kerkelijke wijze.

Dat betekent onder meer dat een vergadering zich niet moet laten afmatten door allerlei bijkomstigheden, waardoor er geen energie overblijft voor de hoofdzaak: de verkondiging van het evangelie in deze wereld.

Het betekent ook dat een vergadering niet mag worden beheerst door eerzucht of machtswellust. De gezamenlijke wil om zich in alles aan de Here te onderwerpen moet steeds merkbaar zijn.

Het betekent tenslotte ook dat de vergaderingen zich houden aan de regels van de kerkorde. Ook dat is in overeenstemming met de wil van de Here, die geen God is van wanorde, maar van vrede. Als het maar niet zo wordt dat het woord ‘kerkelijk’ de betekenis krijgt van ‘overeenkomstig de kerkorde’. Artikel 30 zou dan slechts voorschrijven dat de kerkelijke vergaderingen zich netjes aan de regels houden. Maar het is meer. Kerkelijk wil

|61|

zeggen: laat ook op uw vergaderingen zien dat u kerk bent, gemeente van Christus, onze Here.

Juist vanwege deze fundering in de wil van God is het niet mogelijk om voor elk concreet geval exact aan te geven wat wel en wat geen kerkelijke zaak genoemd kan worden. Het kan daarom gebeuren dat kerkelijke vergaderingen in gelijke gevallen toch tot verschillende afwegingen komen.
Een voorbeeld: er bestaat een ‘Bond tegen het vloeken’, die graag steun zou ontvangen van de kerken. Maar is die steunverlening wel een kerkelijke zaak? Sommige kerkeraden zeggen van wel. De strijd tegen het misbruik van Gods naam is immers een taak van de kerk. Een bond die zich daarvoor inzet kan dus rekenen op kerkelijke steun. Andere kerkeraden vinden deze steunverlening geen kerkelijke zaak. Uiteraard ontkennen ze niet dat de kerk een taak heeft in de heiliging van Gods naam. Wel menen zij dat deze opdracht dan ook door de kerk zelf uitgevoerd moet worden. Acties die vanuit de kerk worden opgezet, mogen dan ook rekenen op kerkelijke steun, maar akties van een bond die los van de kerken opereert, zullen het zonder die steun moeten doen.

De bewuste onderwerping aan de Here moet er ook zijn in de omgang tussen de verschillende kerkelijke vergaderingen. Vergelijk wat er is gezegd in § 4.1. over de verhouding tussen kerkeraad en gemeente: die moet zo worden geregeld, dat alles is gericht op de gezamenlijke onderwerping aan de Christus. Zo moet het ook toegaan in het kerkverband.

De kerkorde kent daarom aan geen enkele vergadering het laatste of het allerlaatste woord toe. Je kunt niet zeggen: de generale synode heeft het meeste gezag. Je kunt ook niet zeggen: de kerkeraad heeft het meeste gezag. Je kunt alleen maar zeggen: het laatste woord is aan de Here.

De kerkorde bereikt dit door eerst in artikel 30 de bevoegdheid van de meerdere vergaderingen behoorlijk in te perken.

Een meerdere vergadering mag slechts zaken in behandeling nemen die de kerken in haar ressort gemeenschappelijk aangaan of die in de mindere vergadering niet konden worden afgehandeld.

Dat betekent: als in een bepaalde kerk zich iets afspeelt en de betrokken kerkeraad kan het zelf afhandelen, dan mogen classis, particuliere synode en generale synode zich er niet mee bemoeien.

Een voorbeeld: In de kerk van Edam wordt vier keer per jaar het avondmaal gevierd, in beide diensten. Een deel van de kerkeraad wil dat veranderen in zes keer per jaar, maar dan alleen in de morgendienst. Er volgt een stevige discussie die niet tot eenstemmigheid leidt. Men besluit de classis om een uitspraak te vragen; die zal dan worden opgevolgd. Maar de classis zegt: Dit is een zaak die u zelf ook wel kunt afhandelen. We willen u wel enkele adviezen geven, maar u zult zelf de beslissing moeten nemen. Als een deel van de kerkeraad zich dan niet in die beslissing kan vinden, is er de mogelijkheid van beroep; maar nogmaals: u moet eerst zelf de knoop doorhakken.

Pas wanneer vaststaat dat de betrokken kerkeraad het niet alleen afkan, of

|62|

wanneer blijkt dat een zaak toch alle kerken in de classis aangaat, mag de classis het in behandeling nemen.

Het zelfde geldt voor de particuliere synode: die mag zich er pas mee bemoeien, als duidelijk is dat de classis het niet alleen af kan, of als duidelijk is dat de zaak alle kerken binnen die particuliere synode aangaat.

En zo geldt het ook voor de generale synode: die mag alleen zaken behandelen die alle kerken aangaan, of zaken die door de particuliere synode niet afgehandeld konden worden.

 

Ook het laatste deel van artikel 30 is hierbij van belang:

Betreft het een nieuwe zaak die vanuit de kerken aan de orde wordt gesteld, dan kan deze alleen in de weg van voorbereiding door de mindere vergadering op de agenda van de meerdere vergadering worden geplaatst.

Dat betekent: een classis mag niet zelf op het idee komen om een bepaalde zaak in behandeling te nemen, omdat die naar de mening van de classis alle kerken in het ressort aangaat. De classis zal met behandeling moeten wachten totdat een van de kerken haar daar om vraagt.

Een classis mag ook niet zelf beslissen dat een bepaalde zaak de krachten van een enkele kerkeraad te boven gaat. Dat zal de betrokken kerkeraad zelf te kennen moeten geven, waarbij die kerkeraad ook moet bewijzen dat hij er zelf alles aan gedaan heeft, wat hij kon.

Een voorbeeld: De kerk van Hindeloopen is zo klein geworden dat ze de eigen predikant niet meer kan onderhouden. De classis Bolsward heeft dat al langere tijd zien aankomen en heeft de mogelijkheden om de kerk van Hindeloopen te ondersteunen. Toch mag de classis niet uit zichzelf besluiten om die steun te gaan geven. Ze moet wachten tot de kerk van Hindeloopen er om vraagt. Daarbij is de kerk van Hindelopen verplicht om haar financiële toestand volledig aan de classis bekend te maken: ze moet bewijzen dat ze de steun werkelijk nodig heeft.

Zo gaat het ook op de particuliere synode en de generale synode. Een generale synode mag niet op eigen initiatief een zaak aanpakken, ook al is het overduidelijk dat die zaak alle kerken aangaat. Het moet gaan in de kerkelijke weg. Dat wil zeggen: eerst moet er een kerk zijn die erover heeft gesproken en die het vervolgens op de classis heeft gebracht. Daarna moet die classis zich er diepgaand mee bezighouden en tot de conclusie komen dat het goed is om het aan de particuliere synode voor te leggen. Vervolgens moet de particuliere synode zich er over buigen en besluiten om de zaak aan de generale synode voor te leggen. Pas dan kan die generale synode over de zaak gaan spreken.

Uiteraard mag ook de een of andere organisatie van binnen of buiten de kerken zich niet wenden tot classis of synode met het verzoek om een bepaalde zaak te gaan behandelen. Een dergelijke organisatie zal net als ieder ander de kerkelijke weg moeten gaan, dus eerst naar een of meer kerkeraden.

|63|

Artikel 30 verzet zich zo tegen machtige bestuursorganen, die ongevraagd allerlei besluiten nemen waar de kerken aan gebonden zouden zijn. Meerdere vergaderingen mogen alleen optreden als het echt niet anders kan en als daar door de kerken om gevraagd is. Een duidelijke inperking van de bevoegdheid van de meerdere vergaderingen.

Maar laat niemand denken dat dan de kerkeraden dus wel de meeste macht zullen hebben, omdat zij wel ongevraagd allerlei kerkelijke zaken in behandeling kunnen nemen en omdat zij het startsein moeten geven voor elke nieuwe zaak op een meerdere vergadering. Ook de bevoegdheid van de kerkeraden is beperkt! Want als de meerdere vergadering eenmaal een besluit genomen heeft, zijn alle kerken in het ressort er aan gebonden, ook al was het maar een enkele kerk die om dat besluit heeft gevraagd. Die binding wordt beschreven in artikel 35:

De classis heeft de bevoegdheid rechtsgeldige uitspraken te doen ten opzichte van de kerkeraad. Dit geldt eveneens voor de particuliere synode ten opzichte van de classis en voor de generale synode ten opzichte van de particuliere synode.

Dat is terecht. Stel dat een bepaalde kerk een zaak niet meer alleen afkan, bijvoorbeeld in financieel opzicht. Als dan de classis om hulp wordt gevraagd en de classis besluit die hulp te verlenen, mag het niet gebeuren dat een andere kerk zegt: „Ik heb er niet om gevraagd, dus ik doe niet mee aan die hulpverlening”. Een kerkverband wordt dan onmogelijk.

 

Bovendien is er dan nog artikel 31, sluitsteen van de goede verhouding tussen kerkeraad, classis, particuliere synode en generale synode.

Artikel 31 regelt namelijk dat elke vergadering getoetst kan worden door een andere vergadering, waarbij dan getoetst mag worden aan Gods Woord en de kerkorde.

We lezen daarvoor eerst het begin van dit artikel:

Als iemand van oordeel is dat hem door een uitspraak van een mindere vergadering onrecht is aangedaan, kan hij zich beroepen op de meerdere vergadering.

Als een kerkeraad een besluit neemt zonder de classis daar over te raadplegen, kan het toch gebeuren dat die classis zegt: kerkeraad, zo mag het niet. Dat kan wanneer een gemeentelid in beroep is gegaan tegen dat kerkeraadsbesluit. De classis heeft dan het recht om het kerkeraadsbesluit te toetsen.

Op de zelfde manier kan elk classicaal besluit worden getoetst door de particuliere synode, als iemand namelijk in beroep gaat tegen dat classicale besluit. En elk besluit van de particuliere synode kan op de zelfde manier worden getoetst door de generale synode.

We hebben daar al het een en ander over geschreven in § 4.5., over het recht van beroep voor een gemeentelid.

Maar het omgekeerde geldt nu ook. Evenals het besluit van een mindere

|64|

vergadering getoetst mag worden door de meerdere vergadering, zo mogen de besluiten van een meerdere vergadering worden getoetst door de mindere vergadering. Dat zegt het tweede deel van artikel 31:

De uitspraak die bij meerderheid van stemmen gedaan is, zal als bindend worden aanvaard, tenzij bewezen wordt dat zij in strijd is met het Woord van God of met de kerkorde.

Een kerkeraad is niet gebonden aan een besluit van de classis, als de kerkeraad kan bewijzen dat het classicale besluit strijdig is met Gods Woord of met de kerkorde. Uiteraard zal de kerkeraad dat bewijs wel moeten overleggen aan de classis, zodat die overtuigd kan worden van haar ongelijk.

Wordt de classis niet overtuigd, dan kan de kerkeraad verder gaan naar de particuliere synode en daarna zo nodig naar de generale synode. Wordt zelfs die generale synode niet overtuigd, dan kan de kerkeraad nog steeds niet worden verplicht om het classicale besluit na te leven. Wel is het zo dat een kerkeraad die dit blijft weigeren, daarmee het kerkverband verbreekt. Een kerkeraad zal zich dus goed moeten bedenken, voordat hij uitspreekt dat een bepaald besluit van een meerdere vergadering in strijd is met Gods Woord of met de kerkorde. En ook zal hij goed moeten luisteren als een andere vergadering hem van zijn ongelijk probeert te overtuigen.

Een voorbeeld: De generale synode van 1972 besloot dat wettige geadopteerde kinderen gedoopt mogen worden. Enkele kerken meenden dat dit strijdig was met Gods Woord. Ze werden dan ook niet gedwongen om het besluit toch uit te voeren.
Ze konden hun bezwaren voorleggen aan de generale synode van 1975. Deze oordeelde dat het besluit van 1972 overeenstemde met Gods Woord en dus gehandhaafd kon blijven.
Een enkele kerk liet zich ook toen nog niet overtuigen. Zo vroeg een kerk aan de generale synode van 1981: kunnen wij blijven weigeren om geadopteerde kinderen te dopen en tegelijk onze plaats houden binnen het kerkverband? De synode sprak uit van niet. Als deze kerk binnen het verband wil blijven, zal zij zich uiteindelijk toch moeten neerleggen bij de genomen besluiten. Anders krijg je de situatie dat een echtpaar uit deze kerk, dat een kind heeft geadopteerd, eerst zal moeten verhuizen om het te kunnen laten dopen, om dan met het gedoopte kind terug te keren in de thuiskerk. Een dergelijke situatie mag tijdelijk bestaan, terwille van de toetsing volgens artikel 31, maar mag niet eindeloos voortduren.

Maar toch: het toetsingsrecht is er. Een meerdere vergadering mag een mindere vergadering op de vingers tikken bij een onjuist besluit. En een mindere vergadering mag een meerdere vergadering op zijn fouten wijzen.

Vandaar dat we konden zeggen: de kerkorde kent aan geen enkele vergadering het laatste woord toe. Dat laatste woord is alleen aan Gods Woord. Besluiten die daarmee strijden, mogen altijd bestreden worden.

Dat geldt ook voor besluiten die strijden met de kerkorde, zegt artikel 31. En terecht: die kerkorde bevat de gezamenlijke afspraken voor het kerkelijk samenleven.

|65|

Als de kerken zich daar niet aan houden, blijft er van het kerkverband niets over. Zie hierover ook weer § 4.5.

 

De kerkorde biedt dus een evenwichtige verdeling van de beslissingsbevoegdheid over de verschillende vergaderingen, met als doel dat niet mensenwoorden, maar Gods Woord doorslaggevend blijft in de kerk.

Het is van belang om deze evenwichtige verdeling zorgvuldig te handhaven. De kerken zijn niet geholpen met een synodocratie, waarin een college aan de top (de synode) de lakens uitdeelt. De kerken zijn ook niet geholpen met een consistoriocratie, waarin de gemeenteleden zijn overgeleverd aan de willekeur van hun kerkeraad (de consistorie).

De kerken zijn wel geholpen met een stelsel, waarin elke vergadering zich moet onderwerpen aan toetsing van haar besluiten aan Gods Woord en de gezamenlijk overeengekomen kerkorde.

Met dit alles is niet ontkend dat de kerkeraad een bijzondere plaats heeft onder de kerkelijke vergaderingen. De kerkeraad is een vergadering van ambtsdragers en kan daarom ambtelijk optreden, bijvoorbeeld in het samenroepen van de gemeente voor de eredienst en het bedienen van de kerkelijke tucht.
Classis en synode mogen dit niet; ze zijn geen ambtelijke vergaderingen maar vergaderingen van afgevaardigden. Zij ontlenen hun gezag aan de opdracht die ze van de kerken hebben gekregen. Ze hebben dus slechts ‘indirect’ of ‘afgeleid’ gezag.
Maar dit onderscheid tussen de kerkeraad en de andere vergaderingen betekent niet dat de kerkeraad daarom het ‘hoogste’ of ‘meeste’ gezag heeft. Ook al hebben de meerdere vergaderingen slechts afgeleid gezag, ze hebben toch wel degelijk gezag, en dat mede om te voorkomen dat de kerkeraad zich als hoogste vergadering zou gaan gedragen. De gereformeerde kerkregering kent geen hoogste vergadering, alleen een hoogste Koning, aan wie alle vergaderingen zich moeten onderwerpen.

 

5.6 Eigen karakter van de kerkeraad

De kerkeraad staat het dichtst bij het leven in de gemeente. De kerkeraad mag zich daar ook volop mee bezighouden: hij hoeft niet te wachten tot een zaak door een mindere vergadering aan de orde wordt gesteld, zoals artikel 30 dat voor de andere vergaderingen voorschrijft.

Wel dient een kerkeraad zich te houden aan het begin van artikel 30:

Deze vergaderingen mogen alleen kerkelijke zaken behandelen en dat op kerkelijke wijze.

Een kerkeraad hoeft zich niet met alles te bemoeien wat in het leven van de gemeenteleden voorvalt. Wel mogen de leden van de kerkeraad als ambtsdragers belangstelling tonen voor alle aspecten van ieders leven en ze mogen er op toezien dat de gemeenteleden in alle dingen volgens Gods geboden leven. Maar een kerkeraad moet zich niet verbeelden dat hij op alle

|66|

terreinen van het leven deskundig is en bindende uitspraken zou kunnen doen.

 

Verder zal de kerkeraad zich steeds moeten afvragen of een bepaalde zaak met of zonder de diakenen behandeld zal worden. Vergelijk wat daarover is gezegd in § 2.8., onder verwijzing naar artikel 36:

De kerkeraad zal eveneens regelmatig met de diakenen vergaderen. Deze vergadering zal de zaken behandelen die de kerkorde daarvoor aanwijst, de materiële aangelegenheden van de kerk, het financieel beheer en alles wat naar het oordeel van de kerkeraad tot het algemeen beleid gerekend kan worden.

Wat wijst de kerkorde aan voor behandeling met de diakenen? In ieder geval de roeping van ambtsdragers. Zie artikel 5, over de roeping tot de dienst des Woords:

De beroeping geschiedt onder aanroeping van de Here door de kerkeraad en de diakenen met medewerking van de gemeente en met inachtneming van de plaatselijk vastgestelde regeling.

En dus ook artikel 6:

Wanneer predikanten beroepen worden naar een andere kerk, zal de beroeping eveneens geschieden door de kerkeraad en de diakenen, met medewerking van de gemeente en met inachtneming van de plaatselijk vastgestelde regeling.

Verder artikel 20:

De ouderlingen en diakenen zullen tot hun ambt geroepen worden door de kerkeraad en de diakenen, met medewerking van de gemeente en met inachtneming van de plaatselijk vastgestelde regeling.

De materiële aangelegenheden van de kerk horen volgens artikel 36 eveneens thuis bij de kerkeraad met diakenen. In dat verband wordt nog een speciaal artikel geboden, artikel 51:

Ten aanzien van het bestuur van de stoffelijke goederen wordt een kerk in en buiten rechte vertegenwoordigd door twee personen, die daartoe bij het nemen van het uit te voeren besluit door de kerkeraad en de diakenen zijn aangewezen.

Dit is een typisch juridische regel, maar daarom nog wel belangrijk voor elke kerkeraad: zeker in stoffelijke zaken krijgen we te maken met de maatschappij waarin we leven, en zullen we dus moeten rekenen met de regels die daar gelden.

 

Artikel 36 vermeldt niet welke zaken de kerkeraad zonder diakenen moet behandelen. Artikel 37 zegt er wel iets van:

Waar het aantal ouderlingen en diakenen klein is, kan de kerkeraad krachtens plaatselijke regeling altijd samen met de diakenen vergaderen. In dat geval wordt in zaken van opzicht en tucht gehandeld met advies van de diakenen en in zaken van het diakenambt met advies van de ouderlingen.

Zaken van opzicht en tucht horen dus normaal gesproken niet thuis op de vergadering met de diakenen.

Dat toezicht treffen we onder meer aan in artikel 57:

|67|

De kerkeraden zullen erop toezien dat de ouders, zoveel zij kunnen, hun kinderen onderwijs laten volgen dat in overeenstemming is met de leer van de kerk, zoals zij dit bij de doop beloofd hebben.

Eveneens in artikel 70:

De kerkeraad zal erop toezien dat de huwelijken kerkelijk bevestigd worden, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient te worden gebruikt.

Ook de tucht moet worden geoefend door de kerkeraad zonder de diakenen.

Artikel 76:

De kerkeraad zal de toegang tot het avondmaal van de Here ontzeggen aan hem, die de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt of die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan heeft.

Het zelfde geldt voor de tucht over ambtsdragers. Artikel 79:

Wanneer predikanten de kerkelijke vermaning verwerpen of wanneer zij een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan, zullen zij geschorst worden op grond van het oordeel van hun kerkeraad en die van de door de classis aangewezen naburige gemeente.
(...)
Wanneer ouderlingen of diakenen zich aan een van de genoemde zonden schuldig maken, is voor hun schorsing of afzetting het oordeel van hun kerkeraad en die van de naburige gemeente voldoende.

Eveneens bij de tucht over doopleden, artikel 82:

De kerkeraad zal iemand die als kind de doop heeft ontvangen, vermanen wanneer hij als volwassene nalaat openbare belijdenis van het geloof te doen, of ook in ander opzicht zijn roeping tot nieuwe gehoorzaamheid in Gods verbond ontrouw is.

Ook de uitvoering van artikel 63 valt onder ‘opzicht en tucht’:

Wanneer leden naar een andere gemeente vertrekken, zal de kerkeraad hun na de vereiste afkondiging aan de gemeente een attestatie betreffende hun leer en leven meegeven, ondertekend door de praeses en de scriba.

Bij de andere taken van de kerkeraad vermeldt de kerkorde niet of het met of zonder diakenen behandeld moet worden. Een aanwijzing wordt nog wel gevormd door de slotregel van artikel 36, dat „alles wat naar het oordeel van de kerkeraad tot het algemeen beleid gerekend kan worden” een zaak is voor de kerkeraad met de diakenen.

Hieronder kan gerekend worden het naleven van artikel 11:

De kerkeraad is verplicht namens de gemeente, die hij hierin vertegenwoordigt, haar predikanten naar behoren te onderhouden.

Eveneens artikel 27:

De ambtsdragers zullen de gemeente voorhouden dat zij gehoorzaamheid en eerbied verschuldigd is aan de overheid, omdat God deze heeft ingesteld. Zelf moeten zij in dezen een goed voorbeeld geven, en in de weg van gepast respect en correspondentie nastreven dat de overheid de dienst van de kerk steeds wettig beschermt.

|68|

Dit artikel spreekt allereerst de ambtsdragers persoonlijk aan. Maar er valt ook het woord ‘correspondentie’. Dat is een zaak voor de hele kerkeraad, hier wel met de diakenen.

Ook andere kerkelijke vergaderingen mogen overigens contact houden met de overheid. Zo kent de generale synode ‘deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid’.

 

Bij allerlei andere taken geldt dat de kerkeraad zich er soms met, soms zonder diakenen mee bezig zal houden.

Dit geldt bijvoorbeeld voor de evangelisatie, de verkondiging van het evangelie in het eigen gebied van de kerk, waarover artikel 26 spreekt:

De evangelisatie moet erop gericht zijn dat zij die God niet kennen of van Hem en zijn dienst vervreemd zijn, zich door belijdenis van het geloof naar de gereformeerde leer voegen bij de gemeente van Christus. De kerkeraden zullen erop toezien dat vanuit deze doelstelling gewerkt wordt.

De algemene kant van dit werk zal de kerkeraad met de diakenen behandelen. Maar de begeleiding van personen die zich door de evangelisatie bij de kerk willen voegen is een zaak van de kerkeraad zonder de diakenen.

Dat geldt ook voor de zending, de verkondiging van het evangelie buiten het eigen gebied van de kerk en dus ook meestal buiten het eigen land. Artikel 24 zegt daarvan:

De kerken zullen hun zendingsroeping vervullen met inachtneming van de artikelen in deze kerkorde. Wanneer kerken bij het vervullen van deze roeping samenwerken, zullen zij zich houden aan de indeling in ressorten die voor het kerkverband aanvaard is.

Bij een dergelijke samenwerking wordt altijd één kerk aangewezen als zendende kerk. De predikanten die voor het zendingswerk worden geroepen, worden aan deze kerk verbonden. Er is binnen zo’n samenwerkingsverband dus minstens één kerkeraad die zich intensief met dat zendingswerk bemoeit. Maar de kerkeraad van de zendende kerk zal ook de andere kerkeraden gelegenheid moeten geven om in dit werk mee te leven en het mee te dragen. Die andere kerkeraden zullen het zendingswerk doorgaans in samenwerking met de diakenen behandelen; de kerkeraad van de zendende kerk zal ook vaak zonder diakenen hierover moeten vergaderen.

De kerkeraad is verder verantwoordelijk voor de eredienst. Artikel 65:

De kerkeraad zal de gemeente op de dag des Heren tweemaal samenroepen voor de eredienst.

De kerkeraad zonder diakenen zal er op toezien dat de gemeenteleden aan deze roep gehoor geven. Maar de organisatie van de kerkdiensten zelf is algemeen genoeg om met de diakenen te behandelen. Iets dergelijks geldt voor de artikelen 66 en 68, die een uitwerking vormen van artikel 65.

In dit verband kan ook nog worden genoemd artikel 10:

Niemand mag in een andere kerk het Woord of de sacramenten bedienen zonder toestemming van de betrokken kerkeraad.

|69|

Het is de kerkeraad die de eredienst belegt; zo is het ook alleen de kerkeraad die een predikant kan machtigen om in die eredienst het woord of de sacramenten te bedienen. Als het er op aan komt, wordt deze machtiging verleend door de ouderlingen, dus de kerkeraad zonder diakenen. Toch zal in normale gevallen de zaak meestal passeren in de vergadering van de kerkeraad met de diakenen. Het is immers meestal niet meer dan een formaliteit.

De handdruk die een ouderling aan het begin van de dienst aan de predikant geeft, is de uiting van deze machtiging door de kerkeraad. Op dezelfde manier kan de handdruk aan het eind van de dienst worden opgevat als teken dat de predikant zijn opdracht heeft volbracht.

Ook het onderling toezicht van de ambtsdragers is een zaak die soms met, soms zonder de diakenen wordt behandeld. We lezen immers in artikel 81:

De predikanten, ouderlingen en diakenen zullen onderling christelijke censuur oefenen en elkaar inzake de bediening van hun ambt aansporen en vriendelijk terechtwijzen.

Ook de diakenen zijn hier dus bij betrokken. Maar artikel 21 noemt als bijzondere taak voor de ouderlingen, en dan ook voor hen alleen:

Zij zien erop toe, dat de predikanten, de mede-ouderlingen en de diakenen hun ambt trouw vervullen.

Dit betekent dat in de vergadering met de diakenen alleen plaats is voor de ‘vriendelijke terechtwijzing’. Wanneer het gaat om geordende controle van de ambtsdienst, of wanneer het nodig mocht zijn dat de kerkeraad officieel zijn afkeuring uitspreekt over het optreden van een ambtsdrager, moet dit plaatsvinden zonder de diakenen. We komen dan namelijk op het terrein van ‘opzicht en tucht’.

Een bijzonder geval vormen de artikelen 14 en 15. Artikel 14 zegt:

De kerkeraad mag een predikant niet ontslaan van zijn verbintenis aan de gemeente zonder voorkennis en goedkeuring van de classis en de deputaten van de particuliere synode.

En artikel 15:

Hij kan slechts van zijn ambt worden ontheven en overgaan tot een andere levensstaat, indien de kerkeraad en de classis, met medewerking van de deputaten van de particuliere synode, oordelen dat daarvoor gewichtige redenen zijn.

Ontslag en ontheffing zijn geen vormen van tucht. Maar in de praktijk kunnen ze er soms dicht tegen aan liggen. In dat geval zullen ze zonder diakenen worden behandeld. Alleen wanneer het werkelijk niets met tucht heeft uit te staan, kunnen ook de diakenen erbij betrokken worden. Zij hebben immers ook meegewerkt in het roepen van de ambtsdrager.

Het zelfde geldt uiteraard wanneer een ouderling of diaken ontheffing vraagt.

Tenslotte vinden we een taak voor de kerkeraad in artikel 41:

Een classicale vergadering wordt gevormd door de kerken van het classicaal

|70|

ressort, die elk een predikant en een ouderling zullen afvaardigen met de vereiste geloofsbrieven.

Diakenen kunnen niet worden afgevaardigd. Daarom moeten zij ook niet meebeslissen over de afvaardiging. Meestal zal dat ook niet nodig zijn, omdat de afvaardiging bij toerbeurt wordt geregeld. Maar wanneer in een bijzonder geval van die regel wordt afgeweken en de afvaardiging door stemming wordt samengesteld, moet dit gebeuren door de kerkeraad zonder de diakenen.

Aan de andere kant is de classis ook de meerdere vergadering voor diaconale zaken (zie § 5.2.). Daarom moeten de diakenen wel zo veel mogelijk worden ingelicht over het classicale werk. Wanneer de geloofsbrief een instructie bevat over een zaak die met de diakenen is behandeld, zal de instructie eveneens met de diakenen worden vastgesteld.

Het is onjuist wanneer de taken zo worden verdeeld, dat alle geheime zaken zonder de diakenen worden behandeld, en alle niet-geheime zaken samen met de diakenen. Het gaat niet om de vraag of een zaak geheim is, maar of de zaak past bij de taak hetzij van de ouderling hetzij van de diaken hetzij van beiden.
Dat moet ook worden bedacht bij zaken die niet onder bovengenoemde opsomming vallen, bijvoorbeeld de samenspreking met een andere kerk om tot eenheid te komen. Deze samenspreking zal niet geheim hoeven zijn; ook de diakenen, ja zelfs alle gemeenteleden kunnen er aan deelnemen. Toch is het een taak van alleen de ouderlingen om uit te spreken of een kerk al dan niet als ware kerk kan worden aanvaard. Want juist de ouderlingen hebben de taak om toe te zien op de drie kenmerken van de kerk: de zuiverheid in de leer, in de bediening van de sacramenten en in de tucht.

 

5.7 Eigen karakter van de classis

Een belangrijke taak van de classis is dat zij toezicht houdt op alle kerken in haar ressort.

Zij doet dit namens het hele kerkverband. Het zal een kerkeraad niet overkomen dat hij bezoek krijgt van twee broeders die in opdracht van de generale of particuliere synode komen onderzoeken hoe de gang van zaken is in de betreffende kerk.

Maar het zal de kerkeraad jaarlijks overkomen dat hij bezoek krijgt van twee broeders die in opdracht van de classis komen onderzoeken of hier nog een echte kerk van Christus is, of dat men dreigt af te dwalen van dat goede spoor.

Dit bezoek wordt kerkvisitatie genoemd. De kerkorde schrijft er over in artikel 44:

De Classis zal elk jaar enkele van haar ervarenste en bekwaamste predikanten machtigen in alle kerken van haar ressort visitatie te doen. Indien nodig kan zij naast predikanten een voor deze taak bekwame ouderling benoemen.
De visitatoren zullen onderzoeken of de ambtsdragers ieder voor zich en gezamenlijk hun ambt trouw vervullen, zich houden aan de zuivere leer, de

|71|

aangenomen orde in alles naleven en de opbouw van de gemeente zo goed ze kunnen met woord en daad bevorderen.
Het doel van de visitatie is het tijdig vermanen van ambtsdragers bij wie in een of ander opzicht nalatigheid geconstateerd wordt, en het met raad en daad meewerken aan de vrede, de opbouw en het welzijn van de kerken.

De visitatoren zullen van hun werk schriftelijk rapport uitbrengen aan de classis.

De kerkvisitatie heeft veel overeenkomsten met het jaarlijkse huisbezoek dat de ouderlingen brengen in de gemeente. Dat huisbezoek komt voort uit de herderlijke zorg van Christus voor alle leden van de gemeente. De ambtsdragers komen in opdracht van Hem. Maar zo komen ook de visitatoren in elke kerk: niet als bemoeials, maar als vertegenwoordigers van Christus, die net als Hij er voor willen zorgen dat geen enkel deel van zijn kudde afdwaalt.

Ook de invulling van de kerkvisitatie lijkt op die van het huisbezoek. Zoals de ouderlingen op het huisbezoek allereerst geroepen zijn om te luisteren, zo zullen ook de visitatoren allereerst luisteren naar de antwoorden die op hun vragen worden gegeven. Zoals de ouderlingen vervolgens mogen spreken, zo mogen de visitatoren dat ook. Zoals de ouderlingen op het huisbezoek niet alleen vermanen, maar ook troosten en goede raad geven, zo mogen ook de visitatoren zich niet beperken tot het aanwijzen van de fouten in de betrokken kerk; ze moeten ook, waar nodig, „met raad en daad meewerken aan de vrede, de opbouw en het welzijn van de kerken”.

Een andere overeenkomst vloeit hieruit voort. Wanneer de ouderlingen op huisbezoek gaan, verwachten zij dat de gemeenteleden hen zullen ontvangen als vertegenwoordigers van Christus, dus dat men ruimte maakt voor dat bezoek en in een open gesprek bereid is om verantwoording af te leggen over de eigen manier van leven. De zelfde ontvangst mogen de ouderlingen in kerkeraadsverband bereiden aan de visitatoren van de classis. Laten ook zij er niet voor terugschrikken om tegenover deze vertegenwoordigers van Christus eerlijk verantwoording te doen van hun beleid.

Het kan gebeuren dat de kerkeraad toch een te mooi beeld geeft van zichzelf of van de eigen gemeente. Als een gemeentelid dat vermoedt, mag hij of zij een gesprek aanvragen met de visitatoren, om daarin aanvullende informatie te geven.

Uiteraard moet het dan wel gaan om een zaak waarover dit gemeentelid zich ook al eens tot de kerkeraad had gewend en waarover hij geen bevredigend antwoord had gekregen.

Via het rapport van de visitatoren komt al deze informatie op de classis. De classis moet daarbij de verleiding weerstaan om over allerlei zaken die in dat rapport worden genoemd, een uitspraak te doen. De classis moet zich ook hierbij houden aan artikel 30, dat duidelijke beperkingen oplegt aan de meerdere vergaderingen om een bepaalde zaak in behandeling te nemen. Vergelijk wat daarover is gezegd in § 5.5.

|72|

Wel kan de classis de verstrekte informatie gebruiken om gezamenlijk mee te leven met de betrokken gemeente. Ook kan de informatie worden gebruikt bij de behandeling van een zaak die wel op de wettige manier van artikel 30 op de tafel van de classis is gekomen.

Ook kan de classis vermanende woorden laten horen, als het rapport daarvoor aanleiding geeft. Wanneer een kerk niet naar die vermaning wil luisteren, kan uiteindelijk het kerkverband worden verbroken. Dat is de enige uitspraak die past na het uitbrengen van een visitatierapport: het besluit om de band met deze kerk wel of niet vast te houden.

Een voorbeeld: Bij de visitatie in de kerk te Helmond wordt gevraagd naar het beleid van de kerkeraad in tuchtgevallen. De kerkeraad antwoordt dat er geen tuchtgevallen zijn. Er zijn echter twee zusters uit de gemeente die de visitatoren wensen te spreken. Zij melden dat enkele broeders van deze gemeente in openbare zonde leven, terwijl de kerkeraad daar niets tegen doet. Ze hebben de kerkeraad hierover al eens geschreven, maar zonder resultaat. De visitatoren vragen de kerkeraad of dit waar is. Die kan het niet ontkennen.
De visitatoren rapporteren het daarom aan de classis. Die mag nu niet uitspreken dat die broeders, die zo zondig leven, meteen van het avondmaal moeten worden afgehouden. Wel mag de classis de kerkeraad van Helmond om opheldering vragen over zijn beleid in zaken van opzicht en tucht. Mocht dan blijken dat de kerkeraad opzettelijk nalaat de tucht te bedienen waar dit door de Here toch wordt geëist, dan zal de classis de kerkeraad van Helmond daar indringend over vermanen. Als dat niets oplevert zal de classis de band met de kerk van Helmond verbreken: een kerk die geen tucht wil oefenen mag niet langer als ware kerk worden aanvaard.

Het toezicht op de kerken gebeurt trouwens niet alleen door middel van de kerkvisitatie. Het is ook een vast punt op elke classisvergadering. Artikel 41 zegt er van:

De praeses zal vragen of de ambtelijke diensten voortgang hebben, of de besluiten van de meerdere vergadering nageleefd worden en of er iets is, waarbij de kerkeraden het oordeel of de hulp van de classis nodig hebben voor de goede voortgang van hun plaatselijk kerkelijk leven.

Deze ‘rondvraag naar art.41 K.O.’ is uiteraard beperkter van opzet dan de kerkvisitatie. Een voordeel is echter dat er minstens vier maal per jaar gelegenheid voor is, terwijl de kerkvisitatie maar één maal per jaar wordt gehouden. Verder is een voordeel, dat de kerkeraden deze rondvraag kunnen gebruiken om advies te vragen van de voltallige classis, terwijl ze op de kerkvisitatie slechts van twee broeders advies kunnen krijgen.

Wanneer afgevaardigden op de vraag van de praeses antwoorden dat ze niets hebben te melden voor dit punt, verklaren ze daarmee stilzwijgend dat de ambtelijke diensten inderdaad voortgang hebben en dat de besluiten van de meerdere vergaderingen worden nageleefd!

Bij dit toezicht op de kerken houdt de classis vooral toezicht op de manier waarop de kerken omgaan met hun predikanten. Als een predikant aan een

|73|

gemeente wordt verbonden, of als zijn verbintenis aan de gemeente moet worden beëindigd, moet de classis steeds haar toestemming geven.

In de artikelen die de kerkorde wijdt aan de predikant, komen we dan ook steeds de classis tegen.

Artikel 5:

Alleen zij kunnen voor het eerst beroepen worden, die door de classis waaronder zij ressorteren, preparatoir geëxamineerd zijn. In kerken zonder predikant in actieve dienst zal beroepen worden met advies van de consulent die door de classis aangewezen is.
Het examen, dat zowel de leer als het leven betreft, zal worden afgenomen door de classis die het beroep moet goedkeuren.

Artikel 6 (over het beroep naar een andere kerk):

Kerken zonder predikant in actieve dienst zullen beroepen met advies van de consulent die door de classis aangewezen is.
Voor alle kerken geldt dat de goedkeuring van de classis vereist is. Aan haar zullen de volgens dit artikel beroepen predikanten een goede attestatie inzake leer en leven tonen.

Artikel 7:

Wanneer een predikant een beroep naar een andere kerk heeft aangenomen, mag deze hem niet als haar predikant aanvaarden voordat hij wettige akten van ontslag heeft overgelegd van de kerk en de classis waar hij gediend heeft.

Artikel 8 (over toelating zonder theologische opleiding):

Wanneer zulke personen toelating vragen tot de dienst des Woords, zal de classis hen examineren na toestemming van de particuliere synode.
Indien het examen naar het oordeel van de classis gunstig verloopt, zal deze een periode vaststellen waarin zij als proponent mogen voorgaan in de kerken van het classicaal ressort.
Daarna zal de classis verder met hen handelen zoals naar haar oordeel verantwoord is, volgens de generale regeling die daarvoor door de kerken is vastgesteld.

Artikel 9 (over de toelating van voorgangers die sinds kort lid van een van de kerken zijn):

Indien de classis en de deputaten van de particuliere synode dit noodzakelijk achten, zullen zij eerst een proeftijd doormaken.

Artikel 12 (een predikant die benoemd wordt voor een bijzondere taak moet toch verbonden blijven aan een kerk):

De verhouding waarin hij tot de betrokken kerk staat, dient geregeld te worden onder goedkeuring van de classis.

Artikel 14:

De kerkeraad mag een predikant niet ontslaan van zijn verbintenis aan de gemeente zonder voorkennis en goedkeuring van de classis en de deputaten van de particuliere synode.

Artikel 15 (een predikant kan zijn ambt niet neerleggen):

Hij kan slechts van zijn ambt worden ontheven en overgaan tot een andere

|74|

levensstaat, indien de kerkeraad en de classis, met medewerking van de deputaten van de particuliere synode, oordelen dat daarvoor gewichtige redenen zijn.

Artikel 79:

Wanneer predikanten de kerkelijke vermaning verwerpen of wanneer zij een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan, zullen zij geschorst worden op grond van het oordeel van hun kerkeraad en die van de door de classis aangewezen naburige gemeente.
De classis moet met advies van de in artikel 14 genoemde deputaten van de particuliere synode beoordelen of zij afgezet dienen te worden.

Verder is afgesproken dat de classis zijn goedkeuring moet geven bij emeritering van een predikant volgens artikel 13.

In veel van deze gevallen worden bovendien de deputaten van de particuliere synode er bij gehaald.

Deze verregaande betrokkenheid van de classis heeft goede redenen.

In de eerste plaats gaat het om de bescherming van de rechtspositie van de predikant. Deze heeft zich volledig gewijd aan zijn ambt. De classis moet er op toezien dat de kerkeraad hier geen misbruik van maakt. Vergelijk hierover ook § 3.4.

In de tweede plaats is bij dit soort beslissingen veel zorgvuldigheid vereist, zodat een verstandige kerkeraad graag gebruik zal maken van de wijsheid van de classis.

In de derde plaats is van belang dat een predikant niet alleen in de eigen gemeente mag voorgaan, maar ook bevoegd is om in andere gemeenten met ambtelijk gezag het Woord en de sacramenten te bedienen. Daarom mag het kerkverband meebeslissen over de toelating tot de dienst des Woords. Voor een generale synode zou dit een te zware belasting vormen; daarom is het overgelaten aan de classis, die daarbij hulp krijgt van de deputaten van de particuliere synode.

 

Niet alle zaken rond de positie van een predikant zijn even zwaar geladen. Wanneer een extra classisvergadering nodig is voor de goedkeuring van een beroep in de zin van artikel 6, of de afgifte van een akte van ontslag in de zin van artikel 7, kan worden volstaan met een zogenaamde ‘classis contracta’. Deze wordt gevormd door twee of drie kerken uit het classicaal ressort. De genoemde zaken zijn immers niet van zoveel gewicht, dat alle kerken daarvoor aanwezig moeten zijn. Wel moeten alle kerken over deze classis contracta worden ingelicht. Wanneer ze dan toch aanwezig willen zijn, hebben ze daarvoor de gelegenheid. Ook moeten alle kerken kennis nemen van de besluiten van deze classis contracta, doordat de notulen ervan op de eerstvolgende gewone classis worden voorgelezen.

 

Het toezicht van de classis strekt zich verder uit tot de bediening van de tucht. De slotzin van artikel 76 zegt dit duidelijk:

|75|

Niemand mag worden geëxcommuniceerd zonder instemming van de classis.

Instemming van de classis is dus nog niet vereist wanneer ambtsdragers een zondaar willen vermanen. Instemming is pas vereist wanneer een kerkeraad na vele vermaningen meent dat het laatste redmiddel voor de zondaar moet worden toegepast: de uitsluiting uit de christelijke gemeente, de excommunicatie.

Die uitsluiting is een ingrijpende zaak. Een kerkeraad kan daarbij het advies van een classis goed gebruiken. Het kan immers gebeuren dat een kerkeraad door een te grote betrokkenheid de zaken niet meer goed kan beoordelen. De classis mag de kerkeraad dan bewaren voor fouten, die vrijwel onherstelbaar kunnen zijn.

Bovendien is de vereiste instemming van de classis een bescherming voor de zondaar: de classis zorgt er voor dat zijn goede naam niet ten onrechte naar beneden wordt gehaald. De instemming van de classis moet dan ook worden gevraagd voordat de kerkeraad de naam van de zondaar bekend maakt aan de gemeente. We lezen dat in artikel 77, over de afkondigingen aan de gemeente:

Om de zondaar nog te ontzien zal in de eerste zijn naam niet genoemd worden. In de tweede zal met de in artikel 76 bedoelde instemming van de classis zijn naam vermeld worden.

Dit geldt niet alleen bij de tucht over belijdende leden, maar ook bij de tucht over een dooplid. We lezen dat in artikel 82:

Indien hij de vermaning van de kerkeraad hardnekkig verwerpt en daarbij duidelijk laat blijken dat hij afkerig is van het verbond en onverschillig of zelfs vijandig staat tegenover de dienst van de Here, zal dit met instemming van de classis aan de gemeente worden bekendgemaakt.

Een heel andere taak voor de classis vinden we tenslotte nog in de artikelen 38 en 39. Artikel 38:

Slechts met instemming van de classis kunnen in een plaats voor het eerst of opnieuw de ambten worden ingesteld.

En artikel 39:

Plaatsen waar nog geen kerkeraad kan zijn, zal de classis onder de zorg van een naburige kerkeraad stellen.

Oorspronkelijk waren deze artikelen bedoeld voor streken waarin het kerkelijk leven nog van de grond af moest worden opgebouwd. In onze tijd zijn ze nog van belang wanneer een kerk zo groot geworden is dat tot splitsing moet worden overgegaan, of wanneer een kerk zo klein is geworden dat ze moet worden opgeheven.

Uiteraard kan de classis een kerk niet dwingen tot splitsing of opheffing; wel kan de classis een dergelijke beslissing van een kerkeraad tegenhouden. Of positiever gezegd: voor splitsing of opheffing is toestemming van de classis vereist.

Bij splitsing zijn er twee mogelijkheden. De eerste is dat een bestaande

|76|

gemeente wordt opgedeeld en dat daarbij ook de kerkeraad wordt opgedeeld, zonder dat er ambtsdragers bij komen. De tweede is, dat het grootste deel van de gemeente blijft leven onder de bestaande kerkeraad, en dat een kleiner deel afzonderlijk verder gaat en daarbij zijn eigen ambtsdragers kiest. Er is dan sprake van instituering: instelling van de ambten. Uiteraard zijn er ook nog tussenwegen mogelijk. Maar in alle gevallen zal de classis volgens artikel 38 haar toestemming moeten geven.

Dat is terecht: de classis zal die nieuwe kerk immers moeten ontvangen als een nieuw lid in haar vergadering, met alle rechten en plichten die daarbij horen.

Bij opheffing van een kerk zal de kerkeraad meestal van te voren aan de classis bekend maken, bij welke naburige kerk men zich graag zou voegen. Maar de kerkeraad kan hier geen gezaghebbende uitspraak doen: die naburige kerk zal immers bereid moeten zijn om hen te ontvangen, en daar heeft de kerkeraad van de op te heffen kerk geen zeggenschap over. De classis is de aangewezen vergadering om hierover een uitspraak te doen, zoals dan ook in artikel 39 is vastgelegd.

In plaats van opheffing van een kerk kan ook worden gekozen voor samenvoeging van twee kleine kerken. Maar ook dan zal de classis toestemming moeten geven.

 

5.8 Eigen karakter van de particuliere synode

Afgaande op de kerkorde heeft de particuliere synode vooral een eigen betekenis via haar deputaten. We merken dat aan artikel 49:

Elke meerdere vergadering zal voor de uitvoering van haar opdrachten deputaten benoemen. Zoveel mogelijk zullen voor onderscheiden zaken afzonderlijke groepen deputaten aangesteld worden.
De particuliere synode zal bovendien deputaten benoemen die de classes moeten bijstaan in alle gevallen waarbij de kerkorde dit voorschrijft, en — op verzoek van de classes — bij bijzondere moeilijkheden. Ook zullen zij, of enkele van hen, toezicht houden op het peremptoir examen van de aanstaande predikanten.
De deputaten zullen nauwkeurig aantekening houden van hun werkzaamheden en daarvan rapport uitbrengen.
Zij zullen zich, als dit gevraagd wordt, verantwoorden.

Dit artikel spreekt over alle meerdere vergaderingen, maar in het bijzonder over de particuliere synode. Die moet altijd zorgen voor ‘deputaten ad art. 49 K.O.’, die in bijzondere gevallen de classis kunnen helpen. Dat kan als de classis er om vraagt, maar het moet in ieder geval als de kerkorde er om vraagt.

De kerkorde vraagt er om in:
— artikel 5: het peremptoir examen van wie voor het eerst predikant zullen worden;
— artikel 9: de toelating van voorgangers die sinds kort lid van een van de kerken zijn;

|77|

— artikel 14: ontslag van de verbintenis van een predikant aan de gemeente;
— artikel 15: ontheffing uit het ambt van predikant;
— artikel 79: afzetting van een predikant.

Via generaal synodaal besluit is daar nog bij gekomen de emeritering volgens artikel 13. Vergelijk verder de § 3.4. en 5.7., waar ook is aangegeven waarom classis en deputaten van de particuliere synode hierbij betrokken moeten worden.

Er is één geval waarin de particuliere synode zelf moet optreden en het dus niet kan overlaten aan haar deputaten. Dat is bij de toelating zonder theologische opleiding, waarover het gaat in artikel 8:

Wanneer zulke personen toelating vragen tot de dienst des Woords, zal de classis hen examineren na toestemming van de particuliere synode.

De benoeming van de ‘deputaten ad art. 49 K.O.’ gebeurt op een speciale manier.

De particuliere synode vraagt aan elke classis in haar ressort om een bepaald aantal broeders aan haar voor te dragen. Deze broeders worden dan zonder meer door de particuliere synode benoemd. De gezamenlijke classes bepalen dus wie er door de particuliere synode benoemd zullen worden. We hoeven daar niet vreemd tegen aan te kijken: de particuliere synode wordt immers gevormd door de classes, zoals artikel 45 zegt.

Deze methode van benoemen heeft twee voordelen:

In de eerste plaats levert elke classis evenveel deputaten. Zou de particuliere synode zelf een lijst moeten samenstellen, dan zou het gemakkelijk kunnen gebeuren dat uit een bepaalde classis meer deputaten aangewezen werden dan uit de andere, met het gevaar dat de kerken uit die ene classis zouden gaan heersen over de kerken van de andere classes. Dat gevaar wordt nu bij voorbaat uitgesloten.

In de tweede plaats kunnen de classes beter beoordelen wie geschikt is voor het deputaatschap, dan de particuliere synode dat kan. De classes staan immers dichter bij de kerken.

Deze methode van benoeming wordt daarom ook wel bij andere deputaatschappen toegepast. Een bekend voorbeeld vormen de deputaten die als curatoren optreden voor de opleiding tot de dienst des Woords. Deze deputaten worden door de generale synode benoemd, maar op voordracht van de particuliere synode. Deze deputaten brengen daarom ook wel rapport uit aan de ‘eigen’ particuliere synode.

Ook dat is een onderdeel van het eigen karakter van de particuliere synode.

 

Verder zal een particuliere synode zich vaak bezighouden met zendingszaken.

Artikel 24 luidt immers:

De kerken zullen hun zendingsroeping vervullen met inachtneming van de artikelen in deze kerkorde. Wanneer kerken bij het vervullen van deze roeping

|78|

samenwerken, zullen zij zich houden aan de indeling in ressorten die voor het kerkverband aanvaard is.

In de praktijk betekent dat meestal, dat de kerken samenwerken op het niveau van de particuliere synode. Dat wil niet zeggen dat de particuliere synode de zendende instantie wordt; dat is alleen de zendende kerk. Vergelijk § 5.6. Wel regelt de particuliere synode dan de verhouding tussen die zendende kerk en de kerken die met haar samenwerken. Ook kan de particuliere synode deputaten benoemen die de zendende kerk bij haar werk begeleiden.

 

5.9 Eigen karakter van de generale synode

De generale synode slokt in verhouding de meeste vergadertijd op. Zij wordt volgens artikel 46 slechts eenmaal in de drie jaar gehouden, maar heeft dan maanden nodig om klaar te komen. Vaak is men blij als het beperkt blijft tot een half jaar! Ter vergelijking: een kerkeraad vergadert meestal niet meer dan 30 avonden per jaar. Een classis kan het in normale omstandigheden doen met ongeveer 5 avonden per jaar. Een particuliere synode heeft per jaar vaak maar een dag nodig. En dan die generale synode: omgerekend meer dan een maand vergadertijd per jaar.

De oorzaak hiervan is, dat de generale synode de ‘meeste’ vergadering is; er is geen vergadering die ‘meerder’ is, want in de generale synode komen alle kerken uit het kerkverband bij elkaar.

Bij de generale synode treedt daarom een zeker stuwdam-effect op. Artikel 30 zegt immers:

Een meerdere vergadering mag slechts zaken in behandeling nemen die de kerken in haar ressort gemeenschappelijk aangaan of die in de mindere vergadering niet konden worden afgehandeld.

Nu zijn er veel gewichtige zaken die alle kerken gemeenschappelijk aangaan. Al deze zaken zullen dus door de generale synode behandeld moeten worden.

En wat betreft de zaken „die in de mindere vergadering niet konden worden afgehandeld”: een kerkeraad kan een zaak zo doorschuiven naar de classis, de classis naar de particuliere synode, en de particuliere synode naar de generale synode. Maar de generale synode kan het niet doorschuiven naar een meerdere vergadering. Ze zal het zelf moeten afhandelen.

Iets dergelijks doet zich voor bij beroepszaken. Artikel 31 zegt:

Als iemand van oordeel is dat hem door een uitspraak van een mindere vergadering onrecht is aangedaan, kan hij zich beroepen op de meerdere vergadering.

Zo kan iemand tegen een kerkeraadsuitspraak in beroep gaan bij de classis. Daarna kan een van beide partijen in beroep gaan bij de particuliere synode. En daarna kan een van de partijen in beroep gaan bij de generale synode. Juist bij ingewikkelde zaken, die de grondslagen van het kerkelijk leven betreffen, zal de beroepsprocedure vrijwel altijd doorgaan tot op de

|79|

generale synode. Maar daarna is er geen beroep meer mogelijk, hoogstens een revisie-aanvraag bij de volgende generale synode (en dus nog eens extra werk voor die volgende synode). Elke generale synode zal zich hiervan bewust zijn en de zaak daarom uiterst grondig aanpakken.

Bedenk daarbij dat de generale synode de meerdere vergadering is voor alle negen particuliere synodes. Dat betekent: alle zaken die niet door een van de particuliere synodes afgehandeld konden worden, komen op de generale synodes.

Vrijwel alle belangrijke kwesties die zich ergens in het kerkverband voordoen, komen op de een of andere manier bij de generale synode terecht. De generale synode kan daarom moeilijk zelf de schuld krijgen van haar lange vergadertijd. Natuurlijk, ze moet zorgen dat er efficiënt gewerkt wordt en dat er niet onnodig wordt uitgeweid over allerlei bijzaken. Maar het zijn vooral de andere kerkelijke vergaderingen — kerkeraad, classis en particuliere synode — die iets kunnen doen aan de bekorting van een generale synode. Dat kan door ernst te maken met artikel 30, het laatste deel:

Betreft het een nieuwe zaak die vanuit de kerken aan de orde wordt gesteld, dan kan deze alleen in de weg van voorbereiding door de mindere vergadering op de agenda van de meerdere vergadering worden geplaatst.

Dat wil zeggen: elke nieuwe zaak, die op de generale synode komt, moet eerst zijn voorbereid door een of meer kerkeraden, vervolgens door een of meer classes en tenslotte door een of meer particuliere synodes. Wanneer al die vergaderingen zich al grondig met de zaak hebben beziggehouden, kan de generale synode daarop voortbouwen. Maar wanneer de mindere vergaderingen de behandeling beperken tot de constatering „dit is iets voor de generale synode”, dan moet men niet klagen wanneer die generale synode daar lange tijd mee bezig is.

Dat geldt zeker ook voor alle beroepszaken. Elke classis of particuliere synode die een dergelijke zaak te behandelen krijgt, mag dat niet doen vanuit de gedachte: „ze gaan toch wel door naar de generale synode”. De classis of particuliere synode zal er zelf alles aan moeten doen om te bewerken dat haar eigen uitspraak door alle partijen als bindend kan worden aanvaard, zodat een verdere beroepsprocedure achterwege blijft.

 

Natuurlijk kunnen al deze maatregelen niet voorkomen dat de generale synode nog heel wat werk over houdt. Gemeenschappelijke zaken moeten nu eenmaal gemeenschappelijk worden behandeld. De kerkorde noemt enkele van die zaken. Te denken valt aan artikel 47:

Over de relatie met kerken in het buitenland beslist de generale synode. Met kerken van gereformeerde belijdenis in het buitenland zal, zoveel mogelijk, kerkelijke gemeenschap geoefend worden. Op ondergeschikte punten van kerkorde en kerkelijke praktijk zullen buitenlandse kerken niet veroordeeld worden.

Voor deze contactoefening worden steeds deputaten aangewezen. Die hebben

|80|

er veel werk aan. De wereld wordt door alle moderne middelen steeds kleiner, zodat zich — gelukkig — steeds meer mogelijkheden voor contact aandienen. Daarbij blijven taal- en cultuurbarrières vaak nog wel bestaan, zodat de contactoefening niet altijd soepel kan verlopen.

Een bekend voorbeeld vormen de Koreaanse kerken waarmee vanaf 1967 contact wordt onderhouden: ze hebben een heel andere taal met een eigen schrift, een andere geschiedenis, andere belijdenisgeschriften, een andere opzet van de eredienst en het duidelijke stempel van een totaal andere cultuur.

Een belangrijke verbetering was de start van een Internationale Conferentie van Gereformeerde Kerken (International Conference of Reformed Churches, afgekort ICRC) in 1982. Daarin komen gereformeerde kerken uit alle delen van de wereld bij elkaar, om elkaar beter te leren kennen en zo de onderlinge eenheid te bevorderen. Er kan gesproken worden over de onderlinge verschillen in belijdenis en kerkorde. Men kan elkaar helpen bij problemen waarvoor kerken overal in de wereld geplaatst worden. Er kan overleg worden gepleegd over het zendingswerk, om daarin beter met elkaar samen te werken.

Opzettelijk is deze vergadering een conferentie genoemd en dus niet een synode. Het is namelijk geen kerkelijke vergadering zoals de kerkorde daar over spreekt. Men kan dus niet in beroep gaan bij deze conferentie om een beslissing van de generale synode aan te vechten. Ook hebben de besluiten van deze conferentie geen bindend gezag voor de kerken. De conferentie erkent dat zelf ook in artikel V van haar constitutie:

De conclusies van de Conferentie zullen een adviserend karakter dragen. Lid-kerken wordt dringend verzocht de besluiten van de Conferentie te aanvaarden en wordt aangeraden aan de realisering daarvan te werken.

 

Een andere gemeenschappelijke zaak van de kerken is het kerkboek met al zijn onderdelen. De kerkorde noemt enkele daarvan. In artikel 65 de orde voor de eredienst:

De kerken zullen zich houden aan de orden van dienst die door de generale synode zijn goedgekeurd.

In artikel 67 de te zingen psalmen en gezangen:

In de eredienst zullen de psalmen gezongen worden in een berijming die door de generale synode is aanvaard en verder de gezangen die de synode heeft goedgekeurd.

En in artikel 84 de kerkorde zelf:

Al deze artikelen, die de wettige orde van de kerk betreffen, zijn in gemeenschappelijk overleg vastgesteld en in eensgezindheid aanvaard.
Wanneer dit in het belang van de kerken is, behoren ze gewijzigd, aangevuld of verminderd te worden. Een kerkeraad, classis of particuliere synode mag dit echter niet doen: zij zullen zich erop toeleggen de bepalingen van deze kerkorde na te leven zolang ze niet door de generale synode zijn veranderd.

Ook van de andere onderdelen, zoals de belijdenisgeschriften en de

|81|

liturgische formulieren, geldt dat ze door de generale synode zijn vastgesteld en dus ook alleen door de generale synode veranderd kunnen worden.

Het zelfde geldt van de Bijbelvertaling die gebruikt zal worden. De kerkorde spreekt er niet over, maar het is duidelijk dat het goed is wanneer alle kerken de zelfde vertaling gebruiken, die daarvoor vrijgegeven zal moeten worden door de generale synode.

 

Verder is de opleiding tot de dienst des Woords, waar artikel 18 over spreekt, een zaak van alle kerken, en dus van de generale synode.

De kerken onderhouden een theologische hogeschool voor de opleiding tot de dienst des Woords.
(...)
Predikanten die afgezonderd zijn voor de opleiding tot de dienst des Woords, blijven op de wijze van emeriti-predikanten verbonden aan de kerk die zij gediend hebben en houden de rechten van een dienaar des Woords.
De gezamenlijke kerken nemen de verplichting op zich, naar behoren in hun onderhoud te voorzien, evenals in dat van hun weduwen en wezen.

De generale synode treedt daarbij ook op als eigenaar van de goederen die voor de opleiding nodig zijn. Daarvoor worden dan weer deputaten benoemd. Om dit voor het burgerlijk recht geldig te laten zijn, is artikel 52 opgenomen:

De kerken worden voor het burgerlijk recht ten aanzien van vermogensrechtelijke aangelegenheden, die zij in classicaal, particulier-synodaal of generaal-synodaal verband gemeenschappelijk hebben, vertegenwoordigd door de respectieve classicale, particulier-synodale of generaal-synodale vergaderingen, of door deputaten die door deze vergaderingen worden benoemd, geïnstrueerd en ontslagen en die in al hun handelingen aan hun instructie gebonden zijn.

Een gemeenschappelijke zaak wordt ook nog genoemd in artikel 69:

In tijden van oorlog, algemene rampen en andere grote moeiten waarvan alle kerken de druk ervaren, zal een bededag worden uitgeschreven door de classis die daarvoor door de laatste generale synode is aangewezen.

De gemeenschappelijke zaak is hier de gemeenschappelijke nood, die men graag in een gemeenschappelijk gebed voor Gods troon wil brengen. Een zaak dus voor de generale synode!

Maar die vergadert slechts eenmaal in de drie jaar, terwijl de nood zich plotseling voor kan doen. Vandaar dat de regeling van deze bededagen wordt toevertrouwd aan een classis, die immers minstens eenmaal in de drie maanden vergadert. Sinds jaar en dag wordt hiervoor aangewezen de classis ’s-Gravenhage.

Dit wil overigens niet zeggen dat de andere kerken moeten wachten op die ene classis. Wanneer er bij hen het verlangen bestaat naar zo’n gemeenschappelijke bededag, kunnen zij de aangewezen classis benaderen met het verzoek om die bededag uit te schrijven. Ook daarin blijft het een zaak van alle kerken, niet van een classis alleen.

|82|

Een zaak die ook op de generale synode behandeld zou kunnen worden, is het zendingswerk. Artikel 24:

De kerken zullen hun zendingsroeping vervullen met inachtneming van de artikelen in deze kerkorde. Wanneer kerken bij het vervullen van deze roeping samenwerken, zullen zij zich houden aan de indeling in ressorten die voor het kerkverband aanvaard is.

Meestal is het ressort van een particuliere synode groot genoeg om genoeg draagkracht te vinden voor eigen, zelfstandig zendingswerk in een bepaald gebied. Het is dus niet nodig dat het hele zendingswerk op generaal-synodaal niveau geregeld wordt.

Maar wel is het goed dat alle kerken regelmatig overleg met elkaar voeren, zodat de ene particuliere synode met haar zendingswerk niet storend inwerkt op dat van een andere particuliere synode. Zo kan er bijvoorbeeld overleg plaatsvinden over de keuze van een zendingsterrein.

Het is verder goed, wanneer allerlei werkzaamheden, ook op het thuisfront, op elkaar worden afgestemd. Het is ook goed, om van elkaars ervaringen te leren en dubbel werk waar mogelijk te voorkomen.

Zulke samenwerking wordt nu al gezocht. De kerken die hun zendingsgebied hebben op Irian Jaya, in Indonesië, kennen een Commissie van Overleg (CvO). De zendelingen die werkzaam zijn in Latijns Amerika, beleggen regelmatig een Latijns-Amerikaans Congres. En alle zendende instanties ontmoeten elkaar eenmaal per jaar in de Commissie van Samenwerking (CvS). Het moet mogelijk zijn om deze samenwerking overeenkomstig artikel 24 meer in kerkelijke banen te leiden en dus ook op de generale synode te brengen. Het is nog niet zo ver, maar wat niet is kan komen. De kerkorde biedt er ruimte voor. Wat nu al wel door de generale synode wordt behartigd, is de opleiding van de zendelingen. In de normale opleiding voor predikanten wordt al aandacht besteed aan de zendingswetenschappen. Maar daarnaast is er een speciale vervolgopleiding voor zendelingen aan de Gereformeerde Missiologische Opleiding, die uitgaat van de generale synode.

 

Iets dergelijks geldt voor de evangelisatie. Ook daarin kunnen de kerken elkaar van dienst zijn. Op dit moment gebeurt dat door middel van de Vereniging Landelijk Verband voor Evangelisatiearbeid van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Het zou een goede zaak zijn wanneer dit werk werd overgenomen door de generale synode. Evangelisatie is immers geen liefhebberij van bepaalde personen uit de kerken, maar taak van de kerken zelf. Het mag, samen met de zending, zelfs genoemd worden als een van de eerste taken van de kerk. Daarom verdienen zending en evangelisatie een ereplaats op de agenda van de kerkelijke vergaderingen.

Daar komt nog bij dat de grenzen tussen zending en evangelisatie steeds meer gaan vervagen. Ook dat is een reden om voor beide taken geen eigen organisaties te laten bestaan, maar ze samen te brengen op de normale

|83|

kerkelijke vergaderingen. Dan kan een betere onderlinge afstemming worden bereikt.

En als we dan toch bezig zijn onze wensen op te sommen: ook de onderlinge hulp bij de verzorging van emeritus-predikanten zou door de generale synode geregeld kunnen worden. Nu gebeurt dat door twee verenigingen, die al lange tijd proberen om samen te gaan, maar tot dusver nog niet zover gekomen zijn. Overname van hun werk door de generale synode zou aan veel problemen een eind maken.

Door al deze voorgestelde extra taken zal een generale synode nog meer werk krijgen dan nu al het geval is. Maar daar staat tegenover dat allerlei andere organisaties met hun vergaderingen kunnen vervallen.

Bovendien kunnen zaken die op de generale synode worden behandeld, rekenen op meer meeleven in de kerken dan zaken die binnen speciale organisaties blijven hangen.

Harmannij, K. (1990) Hst. 6

|84|

6 De eredienst

 

6.1 Tweemaal per zondag

De eredienst is het hart van het kerkelijk leven. Hier ontmoeten de leden van de gemeente elkaar. Maar vooral: hier ontmoet de gemeente haar Heer. De gemeente komt samen om naar Hem te luisteren en Hem aan te roepen. Het is daarom noodzakelijk dat deze eredienst regelmatig wordt belegd. Artikel 65 omschrijft die regelmaat als tweemaal per zondag:

De kerkeraad zal de gemeente op de dag des Heren tweemaal samenroepen voor de eredienst.

Aan deze regel wordt ook vastgehouden als een gemeente geen predikant heeft of als de eigen predikant niet aanwezig is: dan wordt naar een vervanger gezocht.

Zelfs wanneer er geen vervanger gevonden kon worden, of wanneer de predikant die zou voorgaan het plotseling laat afweten, moet de dienst toch doorgaan: de kerkeraad zal dan iemand aanwijzen om een preek voor te lezen. Uiteraard moet dat een preek zijn van een gereformeerd predikant. De voorlezer zelf hoeft geen ambtsdrager te zijn.

 

Waarom twee diensten per zondag? Waarom geen drie bijvoorbeeld? Een belangrijke reden daarvoor vinden we in artikel 66:

De kerkeraad zal er zorg voor dragen, dat als regel eenmaal per zondag in de prediking de leer van Gods Woord verklaard wordt zoals die samengevat is in de Heidelbergse Catechismus.

Dit artikel vertelt dat de beide diensten ieder een eigen karakter hebben. In de ene dienst wordt een Bijbelgedeelte als uitgangspunt genomen. Door de uitleg en de toepassing daarvan leert de kerkganger te luisteren naar de Bijbel als het levende woord van God. In de andere dienst is een afdeling van de Catechismus aan de beurt. Door de regelmatige behandeling daarvan krijgt de kerkganger een samenhangend overzicht van de leer van Gods Woord, zoals de kerk die onder woorden heeft leren brengen. Zo vullen beide diensten elkaar goed aan en is er dus alle reden om aan het patroon van twee diensten per zondag vast te houden.

Van de gemeenteleden mag worden verwacht dat ze beide diensten trouw bezoeken. Voor ieder is de regelmatige behandeling van de Bijbelstof én de regelmatige behandeling van de gereformeerde leer onmisbaar.

Dat geldt ook voor kerkleden die verhinderd zijn om de eredienst bij te wonen. Er zal dan aan gewerkt moeten worden om de verhindering weg te nemen. Is dat niet mogelijk, dan zijn er tegenwoordig technische hulpmiddelen

|85|

zoals kerktelefoon en cassetterecorder, waardoor men toch in staat is om te horen wat in de dienst gezegd, gezongen en gebeden is. Een kerkeraad die deze middelen ter beschikking stelt, zal wel moeten opletten dat ze niet worden misbruikt door kerkleden die wel in de eredienst zouden kunnen komen, maar het gemakkelijker vinden om thuis te luisteren.

Het spreekt verder vanzelf dat elke kerkeraad ernst moet maken met de regel van artikel 66, zodat inderdaad vrijwel elke zondag de Catechismus wordt behandeld. Want juist dan kan de kerkeraad de leden met klem oproepen om steeds beide diensten bij te wonen.

 

6.2 Orde in de eredienst

Het is niet goed voor de kerkelijke samenleving, wanneer elke kerkeraad en elke predikant hun eigen invulling geven aan de eredienst. Daarom zijn daarover duidelijke afspraken gemaakt. Deze afspraken bieden nog wel een zekere speelruimte voor kerkeraad en predikant, maar binnen bepaalde grenzen.

Zo luidt het tweede deel van artikel 65:

De kerken zullen zich houden aan de orden van dienst die door de generale synode zijn goedgekeurd.

Daarbij kunnen de kerken kiezen uit twee mogelijke orden: de ‘orde van Middelburg’, die in 1933 is vastgesteld door de generale synode van Middelburg, en de ‘orde van Kampen’, die in 1975 is vastgesteld door de generale synode van Kampen. Beide orden kennen de zelfde elementen, alleen is de volgorde verschillend.

Bovendien geven beide orden ruimte voor een zekere variatie of aanpassing aan de omstandigheden.

De vraag is daarbij of al deze keuzemogelijkheden alleen gelden voor de kerkeraad, of ook voor de predikant die voorgaat. Het lijkt mij het beste wanneer de kerkeraad de keuze maakt voor een van beide orden, terwijl aan de predikant de vrijheid wordt gelaten om binnen die vastgestelde orde naar behoefte te variëren.

 

Een andere afspraak vinden we in het al eerder genoemde artikel 66:

De kerkeraad zal er zorg voor dragen, dat als regel eenmaal per zondag in de prediking de leer van Gods Woord verklaard wordt zoals die samengevat is in de Heidelbergse Catechismus.

Ook hierbij wordt een zekere ruimte gelaten. Eerst al door de uitdrukking ‘als regel’.

Dat houdt in dat op bijzondere dagen, zoals Pasen en Pinksteren, de behandeling van de Catechismus wel eens achterwege kan blijven. Wel moet zoiets een uitzondering vormen: de regel moet regel blijven! Ook wordt in de vrijheid gelaten welk van beide diensten aan deze behandeling van de Catechismus zal worden besteed, de morgen- of de middagdienst. Kerkeraad en predikant kunnen in goed overleg zelfs besluiten om het van tijd tot

|86|

tijd af te wisselen: een tijdlang ’s morgens catechismusprediking, en daarna een tijdlang ’s middags.

Verder laat dit artikel open wat er in de andere dienst behandeld zal worden. Het zal uiteraard een Bijbelgedeelte moeten zijn, maar de keus van dit Bijbelgedeelte wordt overgelaten aan de predikant die zal voorgaan. Bij de behandeling van de Catechismus zal hij zich moeten houden aan de volgorde van die Catechismus, maar bij de behandeling van de Bijbelstof is hij niet aan een bepaalde orde gebonden.

Hiermee wordt aan de predikanten de gelegenheid geboden om zoveel mogelijk alle delen van de Bijbel aan bod te laten komen. Bovendien wordt rekening gehouden met de beperkingen van de predikant: niet elke predikant is in staat om over alle Bijbelteksten een preek te maken.

Uiteraard moet een predikant van deze vrijheid geen misbruik maken door alleen te preken over teksten die hem het beste ‘liggen’. Ook kan het verstandig zijn wanneer hij toch een zekere orde aanbrengt in de behandeling, bijvoorbeeld door enige tijd achtereen te preken uit het zelfde Bijbelboek.

 

Een volgende afspraak voor de orde in de eredienst vinden we in artikel 67:

In de eredienst zullen de psalmen gezongen worden in een berijming die door de generale synode is aanvaard en verder de gezangen die de synode heeft goedgekeurd.

De vrijheid die de predikant hierbij overhoudt, is dat hij zelf een keus mag doen uit deze lijst. Ook nemen predikanten wel eens de vrijheid om enkele woorden in een psalm of gezang te veranderen, zodat die daardoor meer toepasselijk wordt op de situatie waarin gezongen wordt. Maar het is nooit toegestaan om een lied te laten zingen dat niet voorkomt in de daarvoor vastgestelde bundel.

 

6.3 Bijzondere diensten

Soms worden ook op andere dagen dan de zondag erediensten belegd. Dat zal in ieder geval gebeuren op de Goede Vrijdag en op de Hemelvaartsdag. Ook op de eerste Kerstdag, 25 december, als die tenminste niet op een zondag valt.

We lezen dat in artikel 68:

De kerkeraad zal op de Kerstdag, de Goede Vrijdag, de Paasdag, de Hemelvaartsdag en de Pinksterdag de gemeente samenroepen tot de openbare erediensten, waarin de heilsfeiten die de gemeente op deze dagen bijzonder herdenkt, worden verkondigd.

Dit artikel spreekt ook nog over de Paasdag en de Pinksterdag. Maar omdat die altijd op een zondag vallen, hoeven daar geen extra diensten voor worden belegd.

Wel geldt voor al deze dagen dat het onderwerp voor de preek vastligt: het moet gaan over het betreffende heilsfeit. De predikant blijft daarbij vrij in zijn tekstkeus. Hij kan een Bijbelgedeelte kiezen waarin het heilsfeit zelf

|87|

wordt beschreven; hij kan ook een gedeelte kiezen dat iets zegt over de betekenis van het heilsfeit.

Hoeveel diensten hieraan besteed moeten worden, zegt het artikel niet. Eén is dus al voldoende. In de praktijk is het beleid van de burgerlijke overheid daarbij van groot belang.

Voor de Kerstdag geeft de overheid twee vrije dagen, 25 en 26 december. Daarom worden op de ‘eerste Kerstdag’ meestal twee diensten gehouden, terwijl er dan op de tweede dag vaak een bijeenkomst is waarbij de kinderen speciaal worden betrokken, het zogenaamde ‘kerstfeest met de kinderen’ of kortweg ‘kinderkerstfeest’.

Voor de Goede Vrijdag geeft de overheid geen vrij; daarom wordt er maar één dienst belegd, in de avonduren.

Voor de Paasdag zijn er weer twee vrije dagen: de zondag en de maandag. Sommige kerken hebben daarom een extra dienst op de maandag; andere kerken laten het bij de beide gebruikelijke diensten van de zondag.

Voor de Hemelvaartsdag geeft de overheid één vrije donderdag. De kerken beleggen op die dag één dienst, in de ochtend.

Voor de Pinksterdag tenslotte geldt het zelfde als de Paasdag.

 

De kerkorde maakt geen melding van ‘vier adventszondagen’ (voor de Kerstdag) of ‘zeven lijdenszondagen’ (voor de Goede Vrijdag) waarvan gelden zou dat de preken op deze zondagen zich zouden moeten richten op ‘advent’ of ‘lijdenstijd’.

Uiteraard is de predikant vrij om op de zondagen voor de Kerstdag de gemeente alvast voor te bereiden op het komende Kerstfeest. Hetzelfde geldt voor de zondagen voor Goede Vrijdag en de Paasdag, en de zondagen voor de Hemelvaartsdag en de Pinksterdag. Het is zelfs een goede zaak, wanneer de prediking rond de feestdagen een eenheid vormt met de prediking tijdens de feestdagen zelf. Maar een voorschrift hierover bestaat beslist niet. Predikant en gemeente moeten elkaar dan ook niet zo behandelen alsof een dergelijk voorschrift er wel zou zijn.

Het is dus onjuist wanneer een predikant de gemeente op een gegeven moment meedeelt, „dat het de eerste adventszondag is”. Het is evenzeer onjuist wanneer de predikant door een gemeentelid wordt vermaand „omdat het de eerste lijdenszondag was maar daarvan in de preek niets te merken viel”.

Naast de bijzondere feestdagen die de kerkorde noemt, zijn er nog andere dagen waarop veel kerken bijzondere diensten beleggen. Het gaat om de eerste en de laatste dag van een kalenderjaar, om een bededag voor gewas en arbeid en om een dankdag voor gewas en arbeid.

Een kerkeraad kan dus meer diensten beleggen dan in de kerkorde wordt voorgeschreven. Maar dat betekent niet dat gemeenteleden uit zulke extra diensten mogen wegblijven „omdat ze niet verplicht zijn”. De kerkeraad is inderdaad niet verplicht om al die extra diensten te beleggen, maar als hij dat toch doet, is de gemeente wel verplicht om te komen.

|88|

Een speciaal geval is nog wat artikel 69 noemt.

In tijden van oorlog, algemene rampen en andere grote moeiten waarvan alle kerken de druk ervaren, zal een bededag worden uitgeschreven door de classis die daarvoor door de laatste generale synode is aangewezen.

Dit zijn geen diensten die elk jaar terugkomen. Er kunnen vele jaren voorbij gaan zonder dat een dergelijke bededag wordt gehouden. Er kunnen ook binnen korte tijd meer dan één worden uitgeschreven. Dat hangt af van de omstandigheden die zich voordoen, en ook van de behoefte die er eventueel in de kerken bestaat om voor een bepaalde zaak gemeenschappelijk te bidden.

Een dergelijke bededag kan worden belegd op elke dag van de week, maar meestal zal men zich toch beperken tot de zondag. Niet omdat zo’n bededag geen extra dienst waard zou zijn, maar omdat de gemeenteleden op de andere dagen eerder verhinderd zullen zijn om de dienst bij te wonen. Weliswaar kan dat worden ondervangen door een bededag lang van te voren vast te leggen, maar in veel gevallen zal dat niet mogelijk zijn. De zondag blijft dan de aangewezen dag.

 

Dat laatste is ook van belang bij de uitvoering van artikel 70:

De kerkeraad zal er op toezien dat de huwelijken kerkelijk bevestigd worden, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient te worden gebruikt.

De noodzaak van een dergelijke bevestiging wordt meestal wel ingezien. Er is een te grote tegenstelling gegroeid tussen de losbandigheid die de overheid toelaat in haar huwelijkswetgeving en de christelijke vrijheid die God in het huwelijk geeft. Het is goed wanneer bruidsparen horen dat hun huwelijk aan Gods normen is gebonden, en het is goed wanneer ze dat openlijk erkennen.

Bovendien is het huwelijk niet zomaar een onderdeel van ons privéleven. God heeft het huwelijk bij de schepping van de mens meteen ingesteld, als middel voor de mens om zichzelf te ontplooien (Adam vond in Eva een hulp die bij hem paste), als middel om de door God gegeven taak uit te voeren (de aarde te vervullen en te onderwerpen) en als middel om te bouwen aan de kerk (Eva: moeder van alle levenden, moeder van het vrouwenzaad). Het huwelijk mag daarom rekenen op een ereplaats in het kerkelijk leven en mag daarom ook kerkelijk worden bevestigd.

Een bredere uiteenzetting hierover vindt u bij C. Trimp, De gemeente en haar liturgie, Kampen 1983, p. 241 vv.

Zo’n huwelijksbevestiging zal plaats vinden in de eredienst. Want de hele gemeente mag getuige zijn en mag meedoen in de erkenning dat God beslag legt op ons leven.

Maar wanneer moet die dienst worden gehouden? Er is veel voor te zeggen om er geen extra dienst voor te beleggen, maar de huwelijksbevestiging een plaats te geven in de zondagse eredienst. Want evenals bij artikel 69 geldt ook hier, dat op zondag de meeste gemeenteleden aanwezig kunnen zijn.

|89|

Bovendien is de praktijk dat de gemeenteleden die een extra dienst wel zouden kunnen bijwonen, het in veel gevallen toch niet doen. En iedereen beseft dat een eredienst die alleen wordt bezocht door de familie van het bruidspaar en een handjevol belangstellenden, een karikatuur is van wat een eredienst behoort te zijn.

Als er toch een extra dienst wordt gehouden, zal dat in de meeste gevallen ’s avonds zijn. Dat past misschien minder goed in het programma van de bruiloft, maar het geeft meestal wel meer gemeenteleden de mogelijkheid om te komen.

Vaak wordt het inderdaad zo’n extra dienst, op de trouwdag zelf, en niet op de zondag. Want aan een huwelijksbevestiging op zondag kleven ook weer enkele bezwaren.

In de eerste plaats reizen veel bruidsparen meteen na de trouwdag af, op huwelijksreis, of naar een nieuwe woonplaats die ver af kan liggen van de plaats waar ze zijn getrouwd. Als de bevestiging dan op zondag plaats moet vinden, zouden ze de reis moeten uitstellen, of voor de zondag terug moeten komen, of de bevestiging laten plaatsvinden in de kerk waar ze dan verblijven. En meestal zal men geen van deze drie mogelijkheden aantrekkelijk vinden.

Daar komt bij dat vele bruidsparen het als een gemis zouden ervaren, wanneer de huwelijksbevestiging niet op de trouwdag zelf plaats zou vinden, maar pas later. Dat hoeft nog geen minachting te zijn voor het burgerlijk huwelijk, alsof men dan nog niet echt getrouwd zou zijn, maar het kan voortkomen uit het oprecht verlangen om het huwelijk werkelijk in Gods naam te beginnen en die naam dan ook meteen bij het begin aan te roepen.

Deze bezwaren tegen huwelijksbevestiging op zondag zijn niet echt zwaarwegend. Kerkeraden doen er daarom wel goed aan, wanneer ze de bevestiging op zondag blijven bevorderen. Maar de bezwaren zijn toch wel zo reëel, dat een kerkeraad geen goed doet wanneer het uitdrukkelijke verzoek van een bruidspaar om bevestiging op de trouwdag zonder meer wordt afgewezen.

Wanneer bruid en bruidegom nog geen openbare belijdenis van hun geloof hebben afgelegd, kan hun huwelijk ook niet kerkelijk worden bevestigd. Ze zijn er immers nog niet aan toe om hun ja-woord aan de Here te geven. Alleen wanneer de openbare belijdenis binnen korte tijd zal volgen (binnen enkele maanden), kan een kerkeraad besluiten om toch gelegenheid te geven voor de kerkelijke huwelijksbevestiging.

 

Het laatste artikel dat in deze paragraaf aandacht verdient, is artikel 71:

Rouwdiensten zullen niet worden belegd.

Het gaat ook hier nog over ‘bijzondere diensten’, maar dan bijzondere diensten die er niet mogen zijn.

Uiteraard verbiedt dit artikel niet dat er bij een christelijke begrafenis een samenkomst is van familie, kennissen en meelevende gemeenteleden, waarbij

|90|

de plaatselijke predikant het evangelie brengt. Zo’n samenkomst is zelfs onmisbaar te noemen: als de dood iemand uit ons midden wegneemt, mogen wij niet zwijgen over het leven dat Christus geeft.

Dus wel een samenkomst, maar geen eredienst. Die maatregel is genomen om allerlei misstanden bij de begrafenis tegen te gaan. Het gevaar is er immers, dat er bij de begrafenis een lofrede wordt gehouden op de doden, in plaats van op de levende Christus. Er is het gevaar dat men meent de doden nog te kunnen toespreken. Er is het gevaar dat men meent voor de doden te kunnen bidden. Er is tenslotte ook het gevaar dat er bij de begrafenis allerlei heidense rituelen worden uitgevoerd om zich tegen de dood te verweren.

Nu is het waar dat bij een samenkomst deze misstanden evengoed kunnen voorkomen als bij een eredienst. En omgekeerd: in een eredienst kan men net zo goed aan deze gevaren ontkomen als bij een samenkomst. Toch hebben de kerken gekozen voor de regel: geen rouwdiensten, omdat daarmee het meest duidelijke signaal wordt gegeven dat de christelijke begrafenissen sober gehouden moeten worden.

 

6.4 Bijzondere onderdelen

De vaste onderdelen van de eredienst zijn bekend: votum en groet, enkele malen zingen, ’s morgens voorlezing van de wet, ’s middags voorlezing of samenzang van de geloofsbelijdenis, tweemaal een gebed, Schriftlezing, bediening van het Woord, offeranden en zegen.

Daarnaast zijn er onderdelen die niet elke zondag terugkomen. Daaronder vallen allereerst de sacramenten van doop en avondmaal. Zij zijn door Christus aan de gemeente gegeven. Ze hebben ook alles met de gemeente te maken: door de doop wordt men bij de gemeente ingelijfd en bij het avondmaal viert de gemeente dat ze in Christus één lichaam is. Ze hebben daarom hun plaats in de eredienst, waar de gemeente van Christus samenkomt.

Het mag niet gebeuren dat de doop plaats vindt in een gezellig familiefeestje, of dat het avondmaalsbrood bij de gemeenteleden aan huis wordt gebracht. De kerkorde bepaalt uitdrukkelijk dat beide sacramenten thuis horen in de openbare eredienst.

Voor de doop lezen we dat in artikel 56:

Aan de kinderen van de gelovigen zal de doop als zegel van Gods verbond zo spoedig mogelijk bediend worden in de openbare eredienst.

Zo ook in artikel 61 over het avondmaal:

Het avondmaal van de Here zal tenminste eens in de drie maanden gevierd worden in de openbare eredienst, volgens kerkelijke orde, onder toezicht van de ouderlingen, waarbij de daarvoor vastgestelde formulieren dienen gebruikt te worden.

De formulieren waar artikel 61 over spreekt, geven aan welke woorden bij de avondmaalsviering gebruikt moeten worden. Daar zijn woorden bij van

|91|

gebed, maar vooral ook woorden waarin de gemeente te horen krijgt wat de betekenis is van het avondmaal.

Dergelijke formulieren zijn er ook voor de doop. Artikel 59:

De predikanten zullen bij de doop van de kinderen en van volwassenen zich houden aan de formulieren die daarvoor zijn vastgesteld.

Voordat iemand aan het avondmaal wordt toegelaten, moet hij eerst belijdenis van het geloof hebben afgelegd. Artikel 60:

Tot het avondmaal van de Here zal de kerkeraad alleen hen toelaten die belijdenis van het geloof naar de gereformeerde leer hebben gedaan en godvrezend leven.

Deze geloofsbelijdenis wordt eveneens afgelegd in de eredienst, met gebruik van een speciaal formulier.

 

De kerkorde schrijft voor dat ook de bevestiging van ambtsdragers plaats moet vinden in de eredienst. De ambtsdragers worden immers door Christus aan de gemeente gegeven. Ook hiervoor zijn formulieren vastgesteld.

We lezen daarom in artikel 5 en 6, over de bevestiging van predikanten:

De bevestiging zal plaatshebben in een eredienst, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient gebruikt te worden.

En in artikel 20, over de bevestiging van ouderlingen en diakenen:

De kerkeraad zal de gemeente laten kiezen uit een dubbel getal en vervolgens de gekozenen benoemen. Indien geen wettig bezwaar wordt ingebracht, zullen deze in een eredienst in hun ambt bevestigd worden.
Eventueel zal de kerkeraad zoveel personen als voor de vervulling van elk ambt nodig zijn, aan de gemeente voorstellen.
Indien tegen hen geen wettig bezwaar wordt ingebracht, zullen zij op dezelfde wijze in de ambten bevestigd worden. In beide gevallen dient het formulier dat voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen is vastgesteld, gebruikt te worden.

 

Wanneer tuchtoefening leidt tot buitensluiting uit de gemeente, moet dit eveneens plaats vinden in de eredienst, ook weer met het daarvoor vastgestelde formulier. Het duidelijkst is de kerkorde daarover in artikel 82, bij de tucht over een dooplid:

Wanneer hij in de genoemde termijn geen teken van oprecht berouw toont, zal de kerkeraad hem in een eredienst buiten de gemeenschap van de kerk sluiten, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier gebruikt dient te worden.

Het zelfde geldt dan natuurlijk ook bij de tucht over een belijdend lid, waarvan artikel 76 zegt:

Indien deze na talrijke daarop volgende vermaningen geen enkel teken van berouw toont, zal de kerkeraad als uiterste remedie tenslotte tot de excommunicatie overgaan, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient te worden gebruikt.

De reden om uitsluiting uit de gemeente een plaats te geven in de eredienst,

|92|

is dat het hier gaat om de bediening van de sleutels van het hemelrijk. Wanneer de kerk iemand moet buitensluiten, staat die persoon niet alleen buiten de gemeente, maar ook buiten Gods rijk. Daarom gebeurt het in de eredienst, de plaats waar de gemeente zich gezamenlijk voor God stelt.

Het spreekt vanzelf dat de eredienst ook de plaats is om een buitengeslotene die berouw heeft, weer in de gemeente op te nemen. Opnieuw is daarvoor een formulier beschikbaar. Artikel 78:

Als niemand hiertegen iets kan aanvoeren, zal hij na verloop van tenminste drie zondagen onder openbare schuldbelijdenis weer opgenomen worden, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient gebruikt te worden.

Iets dergelijks geldt bij de terugkeer van een buitengesloten dooplid. Artikel 82:

Indien hij na deze excommunicatie tot bekering komt en zich weer bij de gemeenschap van de kerk wil voegen, zal hij toegelaten worden in de weg van de openbare belijdenis van het geloof, nadat de kerkeraad zijn bekering aan de gemeente heeft bekendgemaakt.

Hiervoor bestaat geen speciaal formulier; het is het ‘gewone’ formulier dat wordt gebruikt wanneer doopleden van de kerk komen tot openbare belijdenis van hun geloof. Ook weer: in de eredienst!

Alle afkondigingen die aan de buitensluiting of weeropneming vooraf moeten gaan, kunnen een plaats krijgen bij de gewone mededelingen van de kerkeraad, zoals die meestal voor het begin van de eredienst worden gedaan.

Tenslotte kan worden genoemd de kerkelijke huwelijksbevestiging, die eveneens in een eredienst plaats zal vinden, met gebruikmaking van het vastgestelde formulier. Artikel 70:

De kerkeraad zal erop toezien dat de huwelijken kerkelijk bevestigd worden, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient te worden gebruikt.

Vaak wordt hiervoor een speciale dienst belegd, zie § 6.3.

 

6.5 Tijdstip van de doop

Artikel 56 zegt:

Aan de kinderen van de gelovigen zal de doop als zegel van Gods verbond zo spoedig mogelijk bediend worden in de openbare eredienst.

„Zo spoedig mogelijk”. Want vanaf hun pril begin zijn de kinderen van de gelovigen opgenomen in Gods verbond en hebben ze dus recht op de doop. Dat geschenk van God mogen we niet een tijdlang aan de kant laten liggen; in gelovige dankbaarheid zullen we het zo gauw mogelijk aanpakken en dus de kinderen zo spoedig mogelijk laten dopen.

Het is daarom verkeerd wanneer een kerkeraad de doop uitstelt tot een speciale ‘doopzondag’. Het is ook verkeerd wanneer de ouders de doop uitstellen omdat bijvoorbeeld de familie niet eerder aanwezig kan zijn.

Aan de andere kant hoeven we ook weer niet te overdrijven met het „zo spoedig mogelijk”.

Wanneer er een kind geboren is, hoeft er niet op diezelfde dag een dienst

|93|

belegd te worden om het te laten dopen. We kunnen wachten tot de zondag.

Zo kunnen we ook respect hebben voor de wens van de ouders om met de doop te wachten, tot de moeder zover is hersteld dat ze erbij kan zijn. Als God de kinderen van de gelovigen heiligt, kijkt Hij immers niet alleen naar de vader, maar ook naar de moeder. Vergelijk I Korintiërs 7: 13,14:

En een vrouw moet, als zij een ongelovige man heeft, en deze erin bewilligt met haar samen te wonen, die man niet verstoten. Want de ongelovige man is geheiligd in zijn vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd in de broeder. Anders zouden immers uw kinderen onrein zijn, doch nu zijn ze heilig.

Daar wordt gezegd dat de kinderen van een gelovige vrouw heilig zijn, ook als de vader ongelovig is. God let dus niet alleen op de vaders, maar ook op de moeders, wanneer Hij zijn verbond voortzet van geslacht tot geslacht. Daarom is het een goede zaak wanneer niet alleen de vader maar ook de moeder bij de doop aanwezig is, daar haar geloof belijdt en mede belooft het kind te onderwijzen in de gereformeerde leer. Het zal haar steun geven bij de opvoeding, een taak die voor een belangrijk deel op de moeder rust.

Het is dus goed wanneer de moeder er bij is, ook al is het niet echt noodzakelijk. De vader kan immers als hoofd van het gezin een belofte afleggen waaraan ook zijn vrouw gebonden is. Daarom is het goed om elkaar in deze zaak niet te dwingen, maar de ouders vrij te laten om te kiezen: dopen op de eerste zondag na de geboorte, de zogenaamde ‘vroegdoop’, of wachten tot de moeder erbij kan zijn, dus een of twee weken later.

Laten we ons daarbij houden aan de wijsheid van Romeinen 14: 5:

Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd.

Paulus schrijft daar dat er in de praktijk van het christelijk leven verschillen kunnen optreden in de gemeente. We moeten elkaar daarin niet veroordelen, als maar wordt vastgehouden aan de eis dat ieder zijn keus moet kunnen verantwoorden voor God. Wanneer ouders een week wachten met de doop „omdat anderen het ook doen en het ons beter uitkomt”, zijn ze verkeerd bezig.

Voor de volledigheid vermelden we dat de Gereformeerde Kerken zich in de zestiende eeuw hebben uitgesproken voor de ‘vroegdoop’. Een uitspraak van de provinciale synode van Dordrecht 1574 wijst daarop. Toch hebben de kerken dit nooit uitdrukkelijk in de kerkorde vastgelegd, zodat niet gezegd kan worden dat ouders die een week wachten op het herstel van de moeder, in strijd handelen met de kerkorde.

Kinderen die wettig zijn geadopteerd door gelovige ouders, worden evengoed gedoopt als kinderen die uit gelovige ouders geboren zijn. Wel is afgesproken dat er met die doop zal worden gewacht totdat alle rechterlijke uitspraken rond de adoptie achter de rug zijn. Er mag geen enkele mogelijkheid bestaan dat het kind van de adopterende ouders wordt teruggeëist.

In de praktijk kan het daarom een behoorlijke tijd duren voordat een geadopteerd kind wordt gedoopt. Dat lijkt te strijden met het „zo spoedig

|94|

mogelijk” van artikel 56. Toch kan het niet anders: eerst moet vaststaan dat het kind bij de nieuwe ouders hoort; pas daarna kan het als hun kind worden gedoopt, en dan ook „zo spoedig mogelijk”.

 

Wie niet als kind van gelovige ouders is gedoopt, kan alleen worden gedoopt als hij of zij zelf tot geloof komt en zo in het verbond wordt opgenomen.

Het tijdstip is dan afhankelijk van de leeftijd: men moet volwassen genoeg zijn om de beloften van God in geloof te kunnen aanvaarden.

Ook is het tijdstip afhankelijk van de kennis die men heeft: men moet weten wat Gods beloften inhouden, zoals die door de doop en het avondmaal aan ons worden verzegeld.

Wie zover komt, kan gedoopt worden, maar is dan ook meteen ‘belijdend lid’ van de gemeente. Artikel 58 zegt daarom:

Volwassen dopelingen worden door de doop als leden in volle rechten bij de christelijke gemeente ingelijfd.

 

6.6 Van doop naar avondmaal

Wie gedoopt is, moet ook avondmaal gaan vieren. De doop is het teken dat we in het verbond zijn opgenomen; het avondmaal mag het teken zijn dat we ook werkelijk in dat verbond willen leven.

Daarbij zal dit laatste wel eerst openlijk verklaard moeten worden. Zoals artikel 60 zegt:

Tot het avondmaal van de Here zal de kerkeraad alleen hen toelaten die belijdenis van het geloof naar de gereformeerde leer hebben gedaan en godvrezend leven.

Deze voorwaarde is begrijpelijk: zoals de kerkeraad iemand alleen tot de doop mag toelaten als hij zeker weet dat die persoon door God in het verbond is opgenomen, zo mag de kerkeraad iemand ook alleen maar toelaten tot het avondmaal als hij zeker weet dat die persoon wil leven in het verbond met God. Dat moet dan blijken uit een openlijke verklaring (‘belijdenis van het geloof’) en verder uit de levensstijl die men toont (‘godvrezend leven’).

De geloofsbelijdenis zelf vindt plaats in de eredienst. Vooraf stelt de kerkeraad een onderzoek in, of de belijdenis hartelijk is gemeend en op voldoende kennis berust. Dit onderzoek bestaat daarom meestal uit twee delen: een gesprek met twee ouderlingen (het onderzoek naar de ‘beweegredenen’) en een soort examen voor de hele kerkeraad (het onderzoek naar de geloofskennis).

 

Wanneer een volwassene zich laat dopen, wordt de belofte om te leven in het verbond meteen verwacht, zoals we lezen in artikel 58:

Volwassen dopelingen worden door de doop als leden in volle rechten bij de christelijke gemeente ingelijfd. Zij zijn daarom geroepen het avondmaal van de Here te vieren en zullen dit bij hun doop beloven.

|95|

Dit sluit aan op wat er stond in artikel 26:

De evangelisatie moet erop gericht zijn dat zij die God niet kennen of van Hem en zijn dienst vervreemd zijn, zich door belijdenis van het geloof naar de gereformeerde leer voegen bij de gemeente van Christus.

Maar ook wie als kind is gedoopt, wordt geroepen om in het verbond te gaan leven, belijdenis te doen van het geloof en dan deel te nemen aan het avondmaal.

Deze roeping zien we duidelijk in artikel 82:

De kerkeraad zal iemand die als kind de doop heeft ontvangen, vermanen wanneer hij als volwassene nalaat openbare belijdenis van het geloof te doen, of ook in ander opzicht zijn roeping tot nieuwe gehoorzaamheid in Gods verbond ontrouw is.

Dit artikel zegt ook dat alleen volwassen doopleden worden vermaand om belijdenis van het geloof te doen; ze zullen immers eerst gelegenheid moeten hebben om te leren beseffen wat het allemaal inhoudt.

De ouders beloven dan ook bij de doop van hun kinderen dat ze die naar vermogen zullen onderwijzen en laten onderwijzen in de gereformeerde leer.

Vergelijk de tweede en derde vraag die ze volgens het formulier met ‘ja’ moeten beantwoorden:

Belijdt u, dat de leer van het Oude en Nieuwe Testament, die in de Apostolische Geloofsbelijdenis is samengevat en hier in de christelijke kerk geleerd wordt, de ware en volkomen leer van de verlossing is?
Belooft u, dat u dit kind, waarvan u de vader en de moeder bent, bij het opgroeien in deze leer naar vermogen zult onderwijzen en laten onderwijzen?

Artikel 57 zegt, dat de kerkeraad er op moet letten of de ouders deze belofte wel houden.

De kerkeraden zullen erop toezien dat de ouders, zoveel zij kunnen, hun kinderen onderwijs laten volgen dat in overeenstemming is met de leer van de kerk, zoals zij dit bij de doop beloofd hebben.

Uiteraard houdt dit artikel ook in dat van de ouders wordt verwacht dat ze hun kinderen catechisatie laten volgen en dat ze daarin meeleven. Maar het gaat toch vooral om het onderwijs dat op de scholen wordt gegeven.

Daarbij wordt duidelijk genoeg gezegd wat voor school de ouders voor hun kinderen moeten kiezen: het artikel spreekt over onderwijs „dat in overeenstemming is met de leer van de kerk”. In de praktijk betekent dat: het onderwijs aan een gereformeerde school. Want dat is een school die duidelijk uitspreekt dat het onderwijs zal overeenstemmen met de leer van de gereformeerde kerk.

Bij andere scholen kan het ook wel gebeuren dat er zulk onderwijs is, vooral wanneer er een of meer gereformeerde leerkrachten aan verbonden zijn. Maar de school zelf zal de garantie van gereformeerd onderwijs niet geven en ook niet kunnen geven.

|96|

Artikel 57 verwijst dus duidelijk naar de gereformeerde school. Maar het voegt wel een beperking toe: de ouders moeten dit doen „zoveel zij kunnen”. De zelfde beperking vinden we in de derde vraag die de ouders bij de doop wordt gesteld: „naar vermogen” moeten zij hun kinderen onderwijzen en laten onderwijzen in de leer van de kerk.

Het blijft dus mogelijk dat gereformeerde ouders hun kinderen naar een niet-gereformeerde school laten gaan. De reden daarvoor kan bijvoorbeeld zijn dat er voor een bepaalde vakrichting geen gereformeerde opleiding bestaat. Ook kan een reden zijn dat de ouders de reisafstand naar de gereformeerde school te groot vinden.

De kerkeraad moet de ouders in zo’n geval niet dwingen om hun kinderen van die ander school af te halen. Wel mag de kerkeraad de ouders vragen naar hun redenen om voor een bepaalde school te kiezen. Daarbij moet hij ruimte laten voor de eigen verantwoordelijkheid van de ouders, wanneer die duidelijk laten merken dat ze ernst willen maken met hun belofte, „naar vermogen” en „zoveel zij kunnen”.

De reden waarom doopsformulier en kerkorde aandacht vragen voor het onderwijs, is al genoemd: omdat de doop roept om het avondmaal. Het gaat om gedoopte kinderen, die straks deel moeten nemen aan de avondmaalsgemeenschap in de gereformeerde kerk.

Het onderwijs is daarbij zo’n belangrijk onderdeel van hun vorming, dat het niet zonder gevaar is om dit over te laten aan leerkrachten die deze avondmaalsgemeenschap bewust mijden.

 

6.7 De avondmaalsviering

Artikel 61 zegt hierover:

Het avondmaal van de Here zal tenminste eens in de drie maanden gevierd worden in de openbare eredienst, volgens kerkelijke orde, onder toezicht van de ouderlingen, waarbij de daarvoor vastgestelde formulieren dienen gebruikt te worden.

„Tenminste eens in de drie maanden”. Het mag dus wel vaker, maar niet minder. In de praktijk betekent het dat de kerken het avondmaal vier tot zes keer per jaar vieren.

Het zou nog vaker kunnen, en ook vaker mogen, maar dat heeft wel zijn bezwaren. Het avondmaal mag door de gemeente immers als een hoogtepunt worden ervaren. Dat zal eerder het geval zijn wanneer het slechts enkele keren per jaar wordt gevierd. Viering op iedere zondag zou er afbreuk aan kunnen doen.

Dat geldt vooral omdat elke avondmaalsviering plaatsvindt volgens een vast patroon en met het zelfde formulier. Wanneer de gemeente dat elke zondag weer zou moeten meemaken, zou dat afstompend kunnen werken, terwijl het avondmaal toch gegeven is als feestelijke versterking van het geloof.

|97|

Daar komt nog bij, dat het voorlezen van het formulier en de eigenlijke bediening van het avondmaal zoveel tijd vergen, dat er in een avondmaalsdienst weinig of geen ruimte overblijft voor de bediening van het Woord. Voor een keer is dat niet erg; maar zoiets moet natuurlijk niet te vaak voorkomen.

Het vieren van het avondmaal op elke zondag zou dus wel kunnen wanneer aan deze bezwaren wordt tegemoet gekomen. Dat betekent in ieder geval dat er een formulier zou moeten komen dat slechts enkele zinnen bevat en dat de wijze van eten en drinken zo wordt aangepast dat het weinig tijd in beslag neemt. Het is de vraag of dat mogelijk en wenselijk is.

In kleine gemeenten is één dienst vaak voldoende om vrijwel alle leden van de gemeente gelegenheid te geven tot deelname aan het avondmaal. In grotere gemeenten gaat dat moeilijker. Het avondmaal wordt dan zowel ’s morgens als ’s middags bediend. De viering in de middagdienst wordt dan beschouwd als een voortzetting van de viering van de morgendienst. Daarom worden ’s middags niet alle leden van de gemeente opnieuw uitgenodigd om er aan deel te nemen, maar alleen de leden die ’s morgens verhinderd waren.

Wel wordt in de middagdienst opnieuw het hele formulier gelezen. De kerken kunnen daarbij gebruik maken van het zogenaamde ‘kort formulier voor de viering van het heilig avondmaal’. Dit formulier is grotendeels een samenvatting van het andere, langere formulier. Op een enkel punt geeft het een aanvulling, bijvoorbeeld in de verwijzing naar de bruiloft van het Lam.

Het voordeel van het korte formulier is eerst, dat de gemeenteleden niet tweemaal op een zondag de zelfde lange tekst hoeven aan te horen. Verder geeft het in de middagdienst meer ruimte voor een normale Woordbediening.

 

De kerkorde spreekt niet over de zogenaamde ‘voorbereiding’ en ‘nabetrachting’.

Toch houden de meeste kerken dit gebruik nog wel in ere. Op de zondag die aan de avondmaalsviering voorafgaat, wordt een van beide diensten gewijd aan de voorbereiding: in preek en gebed wordt dan aandacht besteed aan het komend avondmaal.

De nabetrachting heeft zijn plaats in de middagdienst van de zondag waarop het avondmaal wordt gevierd. In preek en gebed wordt dan aandacht besteed aan het dankbare leven dat past bij alles wat God in het avondmaal gaf.

Zoals gezegd spreekt de kerkorde er niet over. Het is dus niet verplicht. Het is evenmin noodzakelijk, zeker wanneer we bedenken dat het avondmaalsformulier zelf al een behoorlijke voorbereiding en nabetrachting biedt.

Aan de andere kant is het een goede zaak wanneer de voorbereidings- en de nabetrachtingspreek laten merken dat prediking en sacrament bij elkaar

|98|

horen. Het avondmaal moet niet worden beschouwd als een onderbreking van de prekenserie, maar als een bekroning daarvan.

 

6.8 Toelating tot het avondmaal

Artikel 61 legt ook nog vast dat de viering van het avondmaal moet gebeuren „onder toezicht van de ouderlingen”. Dit toezicht betreft in de eerste plaats de dienstdoende predikant: de ouderlingen zien er op toe dat hij het avondmaal volgens de afgesproken kerkelijke orde bedient. Het avondmaal is immers een sacrament waarin Christus zelf Zich aan ons wil verbinden. Zorgvuldigheid bij de bediening is dan zeker vereist.

Het toezicht geldt verder de gemeenteleden. De ouderlingen moeten erop toezien dat alle gemeenteleden die door belijdenis van hun geloof toegang hebben gekregen tot het avondmaal, ook werkelijk het avondmaal meevieren. Wanneer ze gemeenteleden missen, moeten ze navraag doen naar de reden van hun afwezigheid.

Gemeenteleden kunnen daarbij de ouderlingen veel werk besparen, wanneer ze hun afwezigheid zo mogelijk van te voren melden, uiteraard met opgaaf van redenen.

De ouderlingen moeten er tenslotte ook op toezien, dat geen onbevoegden deelnemen aan het avondmaal. Artikel 60 geeft aan wie wel bevoegd mogen heten:

Tot het avondmaal van de Here zal de kerkeraad alleen hen toelaten die belijdenis van het geloof naar de gereformeerde leer hebben gedaan en godvrezend leven. Zij die uit zusterkerken komen, zullen op grond van een goede attestatie inzake leer en leven toegelaten worden.

Onbevoegd zijn dus alle gemeenteleden die wel gedoopt zijn maar nog geen belijdenis van hun geloof hebben afgelegd, de zogenaamde ‘doopleden’. Ze zijn onbevoegd, niet omdat ze ongelovig zouden zijn, maar omdat ze hun geloof nog niet duidelijk aan de kerkeraad en de gemeente hebben bekend gemaakt. Dus kan de kerkeraad hen ook niet als gelovigen toelaten.

Voor de jongere gemeenteleden komt daar nog bij dat ze nog onvoldoende beseffen wat het avondmaal inhoudt. Bij de doop is dat niet doorslaggevend; bij het avondmaal wel. Zie daarover ook § 6.6.

Onbevoegd zijn verder de gemeenteleden die wel belijdenis van hun geloof hebben gedaan maar er niet naar leven. De ouderlingen moeten hen daarover vermanen. Luisteren ze niet, dan moet de kerkeraad hen afhouden van het avondmaal, zoals het staat in artikel 76:

De kerkeraad zal de toegang tot het avondmaal van de Here ontzeggen aan hem, die de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt of die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan heeft.

We komen daarmee op het terrein van de kerkelijke tucht, waarover meer in het volgende hoofdstuk.

Onbevoegd zijn verder alle aanwezigen die geen lid zijn van de gemeente of van een zusterkerk. Een zusterkerk is een kerk waarmee kerkelijke gemeenschap

|99|

wordt onderhouden. Daaronder vallen uiteraard alle andere gereformeerde kerken in Nederland, maar ook alle gereformeerde kerken in het buitenland met wie officieel de ‘zusterkerk-relatie’ is aangegaan.

Kerken worden pas als zusterkerk erkend, wanneer duidelijk is dat ze ‘ware’ kerk zijn. Ze moeten zich in alles houden aan Gods Woord en het moet duidelijk zijn dat ze niemand anders tot het avondmaal toelaten, dan wie „belijdenis van het geloof naar de gereformeerde leer hebben gedaan en godvrezend leven”, zoals artikel 60 immers zegt. Als dat vaststaat, kunnen leden van de ene kerk zonder verder onderzoek worden toegelaten aan het avondmaal in de andere kerk.

Wie niet uit een zusterkerk afkomstig is, wordt pas tot het avondmaal toegelaten als hij zich volledig bij de kerk wil voegen. Er volgt dan eerst een onderzoek, waarin moet blijken of hij echt gelooft. Had hij nog geen belijdenis gedaan van zijn geloof, dan zal hij dat alsnog moeten doen. Was hij ook nog niet gedoopt, dan zal ook dat nog moeten gebeuren. Zo nodig krijgt hij eerst een tijdlang catechisatie, waarin hem de gereformeerde leer wordt bijgebracht.

Het is dus niet zo dat de kerken gelovige kinderen van God weren van het avondmaal, alleen omdat ze ‘toevallig’ geen lid van ‘onze’ kerken zijn. Het is wel zo dat het avondmaal door de Here aan de kerk is gegeven. Avondmaalsgemeenschap is kerkelijke gemeenschap. Wie dat uit elkaar trekt, kan de kerkeraad niets verwijten wanneer die hem niet toelaat aan het avondmaal.

Onbevoegd zijn tenslotte alle leden van zusterkerken die geen attestatie van de eigen kerkeraad hebben meegenomen. Die attestatie geldt als bewijs dat ze in de eigen kerk bevoegd waren om avondmaal te vieren en dat ze het daarom ook in de andere kerken mogen doen.

 

6.9 Attestaties

Een attestatie is een getuigschrift dat de eigen kerkeraad aan iemand meegeeft naar een andere kerk. De eigen kerkeraad schrijft er in over de leer en het leven van de persoon om wie het gaat. Meestal is het doel van de attestatie dat de kerkeraad meedeelt geen bezwaar te hebben tegen zijn toelating aan het avondmaal in een andere kerk.

Er zijn verschillende soorten attestaties.

Wanneer iemand korte tijd in een andere plaats doorbrengt en daar een keer avondmaal wil vieren, geeft de kerkeraad een attestatie af die alleen voor die ene keer is bedoeld. Een dergelijke attestatie wordt ook wel ‘avondmaalsbriefje’ genoemd.

Wanneer iemand langere tijd van huis is en misschien meer kerken zal bezoeken waar hij het avondmaal kan meevieren, krijgt hij een reisattestatie mee.

Een speciale vorm hiervan is de militaire reisattestatie. Deze geldt voor dienstplichtige militairen. Zij zijn ruim een jaar op andere plaatsen gelegerd

|100|

en kunnen daardoor niet volop meeleven met de gemeente in de eigen woonplaats. Ze krijgen daarom een attestatie mee, om die te tonen aan de kerkeraad van de plaats waar ze gelegerd zijn. Op grond van die attestatie zal die kerkeraad hen toelaten tot het avondmaal, maar ook zal die kerkeraad voor zo ver mogelijk ambtelijk toezicht op hen houden. Vanwege dit laatste blijft deze attestatie ook in onze tijd waardevol, nu er meer mogelijkheden zijn om de zondag in de eigen woonplaats door te brengen en dus ook het avondmaal steeds ‘thuis’ te vieren.

De militairen blijven ondertussen lid van de thuiskerk. Wanneer hun diensttijd voorbij is, moeten ze hun attestatie weer inleveren.

Een voorbeeld: Peter woont in Amersfoort. Hij moet als dienstplichtig militair opkomen in Ede. De kerkeraad van Amersfoort geeft hem een attestatie mee, die hij toont aan de kerkeraad van Ede. Na zijn opleiding wordt hij gelegerd in Wezep. De zelfde attestatie toont hij nu aan de kerkeraad van Wezep. Ondertussen is hij vrijwel elke zondag thuis is Amersfoort. Toch heeft de attestatie zijn nut gehad: hij kreeg daardoor een goed contact met de gemeenten van Ede en Wezep. Die konden hem bovendien precies vertellen welke andere jongens bij hem op de kazerne ook gereformeerd waren. En toen hij een zondag niet weg kon uit Wezep, terwijl daar juist het avondmaal werd gevierd, mocht hij daar zo aan deelnemen.

Wanneer iemand naar een andere plaats verhuist, krijgt hij ook een attestatie mee. Hij is dan geen lid meer van de kerk in de oude woonplaats, maar op grond van de attestatie kan hij worden aanvaard als lid van de kerk in de nieuwe woonplaats. Hij kan daar dan ook zonder verder onderzoek worden toegelaten tot het avondmaal.

Het is deze attestatie die wordt bedoeld in het eerste deel van artikel 63:

Wanneer leden naar een andere gemeente vertrekken, zal de kerkeraad hun na de vereiste afkondiging aan de gemeente een attestatie betreffende hun leer en leven meegeven, ondertekend door de praeses en de scriba. Op deze attestatie zullen ook hun kinderen worden vermeld die nog geen belijdenis van het geloof hebben afgelegd. Aan de kerkeraad van de betrokken gemeente zal tijdig bericht worden gezonden.

Op deze attestatie worden ook alle gegevens vermeld die artikel 62 opsomt:

De kerkeraden zullen kerkelijke registers bijhouden waarin de namen van de kerkleden en de data van hun geboorte, doop, openbare belijdenis en huwelijksbevestiging nauwkeurig worden aangetekend.

Voor deze attestaties worden meestal voorbedrukte formulieren gebruikt. Wanneer de kerkeraad bijzonderheden te melden heeft over leer of leven van de betrokkene, worden die op dit formulier als ‘aantekening’ vermeld.

 

Wanneer iemand nog geen belijdenis van het geloof heeft afgelegd, kan hij ook geen normale attestatie meekrijgen. Omdat hij geen belijdenis deed, kan er geen getuigenis worden gegeven over zijn leer en over zijn leven vanuit die leer. Er kan alleen een algemeen ‘attest’ worden gegeven waarin hij

|101|

als dooplid van de gemeente wordt beschreven. Artikel 63 zegt hierover:

Indien een lid dat nog geen belijdenis van het geloof heeft afgelegd, besluit te verhuizen naar een andere plaats, zal een attest aan de betrokken kerkeraad worden gezonden met het verzoek, dit lid onder zijn opzicht en tucht te nemen.

De kerkeraad van de nieuwe woonplaats zal dan proberen om dit dooplid te brengen tot belijdenis van het geloof, waarna hij tot het avondmaal kan worden toegelaten.

Let er nog op dat dit attest niet aan het lid zelf wordt meegegeven, maar rechtstreeks wordt verzonden naar de kerkeraad van de nieuwe woonplaats.

 

Het woord ‘attestatie’ komen we ook nog tegen in artikel 6, over het beroepen van predikanten naar een andere kerk.

Voor alle kerken geldt dat de goedkeuring van de classis vereist is. Aan haar zullen de volgens dit artikel beroepen predikanten een goede attestatie inzake leer en leven tonen.

Deze attestatie zegt meer dan alleen dat de betrokken predikant toegelaten kan worden tot de viering van het avondmaal. Hij zegt dat de predikant geschikt is om te worden toegelaten tot de bediening van het Woord en de sacramenten.

Ook aanstaande predikanten moeten tijdens hun opleiding en voor de kerkelijke examens regelmatig attestaties tonen van hun kerkeraad. De kerkorde vermeldt dit niet; het is geregeld bij generaal-synodaal besluit.

Harmannij, K. (1990) Hst. 7

|102|

7 De tucht

 

7.1 Doel

In het dagelijks spraakgebruik staat de tucht vaak bekend als een procedure waarin de kerkeraad iemand langzaam maar zeker buiten de kerk zet. De tucht werkt dan duidelijk in het nadeel van de betrokkene.

In werkelijkheid is de tucht bedoeld in het voordeel van wie het betreft. We kunnen de tucht namelijk omschrijven als het samenspel van twee dingen:
a. het vermanen van een zondaar
b. maatregelen die het vermaan ondersteunen.

Als een zondaar wordt vermaand, is er de duidelijke bedoeling dat hij zich zal bekeren van zijn zonde. We geloven daarbij op Gods gezag dat die bekering hem alleen maar voordeel brengt. Wie vasthoudt aan de zonde, moet Christus loslaten en laat dus het leven los. Hem wacht de eeuwige dood. Maar wie zich bekeert tot Christus, mag voor eeuwig in leven blijven.

We mogen God daarom dankbaar zijn voor het geschenk van de tucht. Want ook wij zijn zondaren. We mogen blij zijn dat God ons heeft geplaatst in een kerkgemeenschap, die op ons toeziet en ons steeds terugroept van onze zonden.

Tucht is niet alleen bedoeld voor die ander, maar — gelukkig — ook voor mij.

 

Dit klinkt duidelijk door in artikel 72, over het doel van de tucht:

Zij heeft ten doel dat de zondaar met God en zijn naaste verzoend wordt en de aanstoot uit de gemeente van Christus wordt weggenomen.

Het eerste doel is de verzoening van de zondaar met God. Wie zondigt, verbreekt het verbond met God. Die breuk kan alleen door Christus worden geheeld. Hij wil dat doen wanneer wij daarom vragen en afstand willen nemen van de zonde. De tucht is bedoeld om ons zover te brengen.

 

Hiermee verbonden noemt artikel 72 de verzoening met de naaste. Wie zondigt, keert zich meestal niet alleen tegen God, maar doet ook zijn naaste onrecht. In dat geval moet er ook verzoening komen met die naaste. Daar hoort in ieder geval bij dat we het aangedane onrecht naar vermogen herstellen. We kunnen ons daar niet van af maken door te zeggen dat we het tegenover God hebben goedgemaakt. Want verzoening met God is onmogelijk als we verzoening met de naaste weigeren.

Een voorbeeld: Broeder Alsberg heeft broeder Bontreu opgelicht voor een fors geldbedrag. Als dit na enige tijd uitkomt, wordt broeder Alsberg

|103|

hierover vermaand. Hij moet zijn zonde voor God belijden, maar hij moet bovendien het geld teruggeven aan broeder Bontreu.

De tucht is er dan ook op gericht dat we niet alleen met woorden zeggen dat we ons van de zonde willen bekeren, maar het ook tonen met de daad, bijvoorbeeld door die verzoening met de naaste.

 

Tenslotte noemt artikel 72 als doel dat de aanstoot uit de gemeente van Christus wordt weggenomen. De zonde van de een leidt immers gemakkelijk tot zonde bij een ander, uit navolging, of juist uit reactie. Als er niets aan gedaan wordt, kan de hele gemeente er aan te gronde gaan. De tucht is mede bedoeld om dat te voorkomen.

Wanneer broeder Alsberg niet vermaand zou worden, zou broeder Bontreu in de verleiding kunnen komen om zelf zijn recht te zoeken: hij kan proberen broeder Alsberg terug te ‘pakken’, zodat hun onderlinge verhouding nog verder verslechtert; hij zal misschien ook weigeren om samen met broeder Alsberg aan één avondmaalstafel te zitten. Het gevaar bestaat verder dat sommige gemeenteleden dan partij kiezen voor broeder Alsberg, en anderen voor broeder Bontreu, zodat de gemeente verscheurd wordt. Tenslotte is er het gevaar dat een andere broeder, die er ook allerlei malafide praktijken op na houdt, zijn geweten sust met de gedachte dat de kerkeraad broeder Alsberg heeft laten geworden: „als hij het mag, mag ik het ook”.

Uit artikel 73 kunnen we nog opmaken dat de tucht niet alleen moet worden toegepast bij zondige daden en woorden, maar ook bij afwijkingen in de leer.

Wanneer iemand afwijkt van de zuivere leer of in zijn leven zich misdraagt, en dit een geheime zaak is die geen openbare aanstoot geeft, zal de regel worden nageleefd die Christus duidelijk voorschrijft in Matteüs 18.

Het een is meestal verbonden met het ander: afwijkingen in de leer worden vaak in het leven zichtbaar, terwijl een zondig leven vaak teruggaat op een afwijking in de leer.

Wanneer broeder Alsberg wordt vermaand over zijn oplichterspraktijken, probeert hij zich te verdedigen: de geboden van God zijn wel ideaal voor het hiernamaals, maar je kunt er niets mee in het harde zakenleven. Een duidelijke dwaling!

 

7.2 Indeling

Tucht mag niet blindelings worden geoefend. We zullen rekening moeten houden met de omstandigheden waarin de zondaar leeft en met de ernst van de zonde die bedreven is.

De kerkorde geeft daarom enkele onderscheidingen, die we zo in schema kunnen brengen:
— Tucht over belijdende leden (artikel 73 tot 78)
a. bij geheime zonden
b. bij openbare zonden

|104|

— Tucht over ambtsdragers (artikel 79 tot 81)
a. over predikanten
b. over ouderlingen en diakenen
— Tucht over doopleden (artikel 82)
a. over afkerige doopleden
b. over nalatige doopleden

De tucht over de belijdende leden is de normale tuchtoefening. Zo wordt ze ook in de kerkorde behandeld.

De tucht over de ambtsdragers vormt een aanvulling op die normale tuchtoefening. Ambtsdragers zijn immers ‘gewone’ belijdende leden en zullen dus ook zo worden behandeld wanneer zonden bij hen worden aangewezen. Alleen zal in zo’n geval ook de vraag opkomen of ze hun ambt wel mogen blijven uitoefenen. Daarvoor dient de ‘tucht over ambtsdragers’, waar de kerkorde over spreekt.

De tucht over de doopleden vraagt om een eigen bespreking omdat het immers gaat om personen die nog geen belijdenis van hun geloof hebben afgelegd en daar dus ook niet op aangesproken kunnen worden; bovendien hebben ze nog geen toegang tot het avondmaal zodat een tuchtmaatregel als afhouding van het avondmaal bij hen onmogelijk is.

 

7.3 Wie oefent tucht?

Bij de uitoefening van de tucht zijn betrokken:
— de gemeente
— de kerkeraad
— de classis
— God zelf.

 

De plaats van de gemeente in de tuchtoefening wordt aangewezen in artikel 73:

Wanneer iemand afwijkt van de zuivere leer of in zijn leven zich misdraagt, en dit een geheime zaak is die geen openbare aanstoot geeft, zal de regel worden nageleefd die Christus duidelijk voorschrijft in Matteüs 18.

Hierbij is vooral gedacht aan Matteüs 18: 15-17:

Indien uw broeder zondigt, ga heen, bestraf hem onder vier ogen. Indien hij naar u luistert, hebt gij uw broeder gewonnen. Indien hij niet luistert, neem dan nog een of twee met u mede, opdat op de verklaring van twee getuigen of van drie elke zaak vaststa. Indien hij naar hen niet luistert, zeg het dan aan de gemeente. Indien hij naar de gemeente niet luistert, dan zij hij u als de heiden en de tollenaar.

Jezus noemt hier als uiterste middel in de tucht over een zondaar, dat de hele gemeente wordt ingelicht, zodat de hele gemeente de zondaar kan vermanen.

Maar niet alleen aan het eind van de tuchtweg heeft de gemeente een plaats. Jezus noemt als eerste stap de vermaning onder vier ogen. En ieder gemeentelid

|105|

is verplicht om zo zijn broeder te vermanen als hij hem ziet zondigen.

Wanneer Jezus vervolgens spreekt over getuigen, hoeven dit geen kerkeraadsleden te zijn; men mag in principe ieder gemeentelid meenemen als getuige.

Vergelijk verder de § 4.2. en 4.4.

 

De plaats van de kerkeraad in de tuchtoefening wordt vooral duidelijk uit artikel 76:

De kerkeraad zal de toegang tot het avondmaal van de Here ontzeggen aan hem, die de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt of die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan heeft.
Indien deze na talrijke daarop volgende vermaningen geen enkel teken van berouw toont, zal de kerkeraad als uiterste remedie tenslotte tot de excommunicatie overgaan, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient te worden gebruikt.

De kerkeraad is bevoegd om handelend op te treden in de tucht. De gemeenteleden mogen dat niet: die moeten zich beperken tot vermaning en voorbede. Uiteraard moet een kerkeraad ook vermanen en bidden; maar hij is bovendien geroepen om de nodige maatregelen te treffen.

Dit geldt voor alle drie de vormen van tucht.

Artikel 76 zegt het voor de tucht over de belijdende leden: de kerkeraad kan hen de toegang tot het avondmaal ontzeggen en tot excommunicatie overgaan.

Bij de tucht over ambtsdragers zegt de kerkorde het niet met zoveel woorden. Artikel 79 vertelt alleen wie moeten beoordelen of een ambtsdrager geschorst en eventueel afgezet moet worden. Het vertelt niet wie de schorsing of afzetting moet uitvoeren. Lees maar na:

Wanneer predikanten de kerkelijke vermaning verwerpen of wanneer zij een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan, zullen zij geschorst worden op grond van het oordeel van hun kerkeraad en die van de door de classis aangewezen naburige gemeente.
De classis moet met advies van de in artikel 14 genoemde deputaten van de particuliere synode beoordelen of zij afgezet dienen te worden.
Wanneer ouderlingen of diakenen zich aan een van de genoemde zonden schuldig maken, is voor hun schorsing of afzetting het oordeel van hun kerkeraad en die van de naburige gemeente voldoende.

Toch kunnen we zeggen dat ook hier alleen de kerkeraad handelend mag optreden. Ambtsdragers zijn immers verbonden aan één kerk. Daar zijn ze tot het ambt geroepen, daar alleen kunnen zij worden geschorst of afgezet. Weliswaar moet de kerkeraad daarvoor instemming vragen van naburige kerk en classis, maar dat geldt ook voor de andere vormen van tuchtoefening, zie onder.

Voor de tucht over doopleden zegt artikel 82 weer duidelijk dat alleen de kerkeraad hier handelend mag optreden.

|106|

Wanneer hij in de genoemde termijn geen tegen van oprecht berouw toont, zal de kerkeraad hem in een eredienst buiten de gemeenschap van de kerk sluiten, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier gebruikt dient te worden.

De classis heeft als taak de kerkeraad van advies te dienen bij de tuchtoefening. De kerkeraad kan daar altijd om vragen, bijvoorbeeld bij de classicale ‘rondvraag naar art.41 K.O.’. Artikel 41 zegt immers:

De praeses zal vragen of de ambtelijke diensten voortgang hebben, of de besluiten van de meerdere vergaderingen nageleefd worden en of er iets is, waarbij de kerkeraden het oordeel of de hulp van de classis nodig hebben voor de goede voortgang van hun plaatselijk kerkelijk leven.

Maar vooral is van belang dat voor alle drie de vormen van tuchtoefening op een bepaald moment toestemming nodig is van de classis.

Dat staat al in artikel 76:

Niemand mag worden geëxcommuniceerd zonder instemming van de classis.

Artikel 77 geeft aan op welk moment deze toestemming moet worden gegeven bij de tucht over belijdende leden. Dit artikel regelt drie afkondigingen en zegt dan:

In de tweede zal met de in artikel 76 bedoelde instemming van de classis zijn naam vermeld worden.

De toestemming van de classis moet dus worden gevraagd voor de tweede afkondiging. Eerder is niet nodig, en ook bij de derde afkondiging hoeft niet opnieuw toestemming worden gevraagd.

De classis moet bij het verlenen van toestemming afgaan op de gegevens die de kerkeraad verstrekt. Ze mag dus niet zelf een onderzoek instellen.

Artikel 79 vertelt hoe het toegaat bij tucht over predikanten:

Wanneer predikanten de kerkelijke vermaning verwerpen of wanneer zij een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan, zullen zij geschorst worden op grond van het oordeel van hun kerkeraad en die van de door de classis aangewezen naburige gemeente.
De classis moet met advies van de in artikel 14 genoemde deputaten van de particuliere synode beoordelen of zij afgezet dienen te worden.

Voor schorsing heeft een kerkeraad toestemming nodig van de kerkeraad van de naburige gemeente. Dat is niet het zelfde als de classis, maar wel heeft die classis er mee te maken: de naburige gemeente is door de classis aangewezen. Je zou daarom kunnen zeggen dat de kerkeraad van de naburige gemeente in dit geval optreedt namens de hele classis. Bij afzetting moet de classis er zelf aan te pas komen. Zelfs is in deze ingrijpende situatie advies nodig van de deputaten van de particuliere synode.

Bij de tucht over ouderlingen en diakenen kan weer worden volstaan met het oordeel van de naburige kerk. Zie het vervolg van artikel 79:

Wanneer ouderlingen of diakenen zich aan een van de genoemde zonden schuldig maken, is voor hun schorsing of afzetting het oordeel van hun kerkeraad en die van de naburige gemeente voldoende.

|107|

Vergelijk hierover § 3.4.

Ook in artikel 82, bij de tucht over doopleden, wordt de kerkeraad naar de classis verwezen om toestemming te krijgen voor zijn handelend optreden.

Indien hij de vermaning van de kerkeraad hardnekkig verwerpt en daarbij duidelijk laat blijken dat hij afkerig is van het verbond en onverschillig of zelfs vijandig staat tegenover de dienst van de Here, zal dit met instemming van de classis aan de gemeente worden bekendgemaakt.

In alle gevallen moet de classis dus toestemming geven, en dat is meer dan alleen maar een advies. Toch neemt de classis de tuchtoefening daarmee niet uit handen van de kerkeraad. De kerkeraad blijft de enige die maatregelen van tucht mag treffen. Maar omdat deze maatregelen zo ingrijpend zijn, moet hij zich daarbij laten controleren door de classis.

Vergelijk voor dit alles ook § 5.7.

Een tucht-zaak kan ook op een andere manier op de classis komen, namelijk in de weg van artikel 31:

Als iemand van oordeel is dat hem door een uitspraak van een mindere vergadering onrecht is aangedaan, kan hij zich beroepen op de meerdere vergadering.

Zo kan iemand die door de kerkeraad is afgehouden van het avondmaal, daartegen in beroep gaan bij de classis. En daarna zelfs bij de particuliere en generale synode. Vergelijk § 4.5.

Maar ook dan mogen classis, particuliere of generale synode niet op de plaats van de kerkeraad gaan staan door maatregelen van tucht te nemen of op te heffen. Ze kunnen alleen uitspreken dat de kerkeraad dit zal moeten doen.

 

Bij de uitoefening van de tucht is ook God zelf betrokken. Dat blijkt al uit de eerste regel van het eerste artikel over de tucht, artikel 72:

De kerkelijke tucht zal naar het Woord van God en tot zijn eer bediend worden.

„Naar het Woord van God”. Want God geeft in zijn Woord zelf nadrukkelijk opdracht voor de tuchtoefening. Bovendien bezegelt Hij die tuchtoefening: wie in de weg van de kerkelijke tucht buiten de gemeente wordt gesloten, wordt door God buiten het rijk van Christus gesloten.

Jezus zegt dat in het al eerder aangehaalde Matteüs 18. Wanneer Hij eerst uiteen heeft gezet hoe de tucht moet verlopen, vervolgt Hij in vers 18 met de woorden:

Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij op aarde bindt, zal gebonden zijn in de hemel, en al wat gij op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in de hemel.

Uiteraard geldt dit alleen wanneer de tuchtoefening heeft plaatsgehad „naar het Woord van God en tot zijn eer”.

De kerk zal daarom uiterst zorgvuldig te werk moeten gaan bij de kerkelijke tucht. Die zorgvuldigheid houdt onder meer in dat er geen overhaaste beslissingen genomen moeten worden. Maar vooral betekent het dat kerkeraad en gemeente zich er volledig voor moeten inzetten.

|108|

Zorgvuldigheid betekent niet dat men uit misplaatste bescheidenheid de tucht achterwege kan laten. Want God wacht niet op een onwillige kerkeraad of een onwillige gemeente. Hij zal dan zelf tucht oefenen, over de zondaar, maar ook over die kerkeraad en die gemeente.

 

7.4 Geheime zonden

Geheime zonden moeten zolang mogelijk geheim blijven. Dat is in het belang van de zondaar: het is voor hem gemakkelijker om zich dan van zijn zonde te bekeren.

Hij hoeft dan immers niet bang te zijn voor ‘gezichtsverlies’ tegenover de mensen. Bovendien wordt zijn goede naam dan zo lang mogelijk gespaard.

Geheimhouding is ook in het belang van de gemeente. Wanneer alle geheime zonden die in de gemeente worden bedreven, openlijk zouden worden rondverteld, zou het voor velen moeilijk worden om zich nog met vreugde in die gemeente te blijven geven en zelf te blijven vechten tegen elke zonde.

Daarom zegt artikel 74:

Geheime zonden mogen niet aan de kerkeraad worden bekendgemaakt, als de zondaar na persoonlijke, broederlijke vermaning of na vermaning met een of twee getuigen tot berouw komt.

Uiteraard zegt dit artikel niet, dat de zonden wel aan anderen dan de kerkeraad mogen worden bekendgemaakt. De bedoeling is dat zelfs de kerkeraad er niet van op de hoogte gesteld mag worden.

We borduren voort op het voorbeeld uit § 7.1.: broeder Alsberg heeft broeder Bontreu opgelicht. Het is te begrijpen wanneer broeder Bontreu daar zo kwaad over wordt, dat hij hier en daar zijn hart lucht over „die huichelaar Alsberg”. Maar het is niet goed. Het brengt alleen maar onrust in de gemeente en het maakt het voor broeder Alsberg moeilijker om het kwaad te herstellen.
Broeder Bontreu zal zich daarom moeten beheersen en persoonlijk met broeder Alsberg gaan spreken. Levert dat niets op, dan mag hij het nog niet rondbazuinen; hij zal het nog eens moeten proberen, maar dan met een ander erbij, bijvoorbeeld de wijkouderling. Wanneer broeder Alsberg dan toegeeft dat hij toch wel te ver is gegaan, zal de zaak voor altijd geheim moeten blijven; zelfs de wijkouderling mag er niet over spreken in de kerkeraad.

Anders wordt het, wanneer de zondaar na de broederlijke vermaning niet tot berouw komt. Matteüs 18: 16,17 wijst dan weer de weg:

Indien hij niet luistert, neem dan nog een of twee met u mede, opdat op de verklaring van twee getuigen of van drie elke zaak vaststa. Indien hij naar hen niet luistert, zeg het dan aan de gemeente.

Op deze manier worden er dus steeds meer mensen bij betrokken. De kring van getuigen wordt steeds groter. Dat heeft als voordeel dat steeds meer personen de zondaar zullen vermanen, zodat hij het steeds moeilijker naast zich neer kan leggen.

Het voordeel van een grotere kring is ook dat meer personen zich kunnen

|109|

afvragen of er wel echt van zonde sprake is. Het kan immers gebeuren dat iemand zijn broeder meent te moeten vermanen, terwijl de daden van die broeder goed waren. Als er dan meer getuigen bij komen, kunnen die dat aanwijzen.

Terug naar ons voorbeeld: Broeder Bontreu vraagt zijn wijkouderling om mee te gaan naar broeder Alsberg, die hem heeft opgelicht. De ouderling hoort beide partijen aan. Vervolgens spreekt hij broeder Alsberg vermanend toe. Die kan zich daar niet gemakkelijk van af maken: de ouderling spreekt immers niet als belanghebbende partij. Het gaat niet om zijn geld, zoals dat wel gold voor broeder Bontreu.
Het is ook mogelijk dat de ouderling broeder Alsberg niet wil vermanen, omdat hij ontdekt dat er geen sprake is van oplichterij, maar alleen van een zakelijke overeenkomst die voor broeder Bontreu niet zo voordelig uitviel. Hij zal dan broeder Bontreu vermanen om dit te aanvaarden.

In deze lijn ligt het vervolg van artikel 74:

Wanneer iemand over een geheime zonde naar de regel van Matteüs 18 is vermaand en daaraan geen gehoor geeft, of wanneer iemand een openbare zonde gedaan heeft, zal dit aan de kerkeraad worden meegedeeld.

Matteüs 18 zegt: zeg het de gemeente. Artikel 74 zegt: zeg het de kerkeraad. Dat is minder tegenstrijdig dan het misschien lijkt. Want in artikel 77 komt ook de gemeente er wel bij. Bovendien: toen Jezus de regel van Matteüs 18 gaf, kende de gemeente nog niet de ambtsdragers van nu. Die zijn pas later gekomen, waarbij aan hen de tuchtoefening werd opgedragen. Zie bijvoorbeeld Handelingen 20: 28, waar Paulus de oudsten van Efeze aanspreekt:

Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft.

Het past verder uitstekend in de bedoeling van Matteüs 18: het ging er immers om dat de kring steeds groter wordt gemaakt, maar ook weer niet groter dan nodig.

Eerst vermanen met getuigen erbij, pas dan naar de gemeente! Bij het inlichten van de kerkeraad wordt dit precies uitgevoerd: de kring wordt weer iets wijder, maar niet wijder dan nodig.

In de zelfde stijl gaat de kerkorde verder, ook wanneer na de kerkeraad de gemeente moet worden ingelicht. We lezen daarover in artikel 77:

Hiervoor zal driemaal een afkondiging gebruikt worden. Om de zondaar nog te ontzien zal in de eerste zijn naam niet genoemd worden. In de tweede zal met de in artikel 76 bedoelde instemming van de classis zijn naam vermeld worden.

De kring wordt groter gemaakt, maar zo voorzichtig mogelijk. Pas bij de tweede afkondiging aan de gemeente wordt de naam van de zondaar genoemd.

Dat wil niet zeggen dat de gemeente met de eerste afkondiging niets zou

|110|

kunnen beginnen. Artikel 77 zegt namelijk dat de gemeente in de afkondigingen wordt aangespoord tot tweeërlei aktiviteit:

De gemeente zal aangespoord worden hem aan te spreken en voor hem te bidden.

Het aanspreken kan pas komen na de tweede afkondiging. Maar het bidden kan meteen na de eerste afkondiging beginnen. Want ook al weten wij niet voor wie we bidden, God weet het wel.

De derde afkondiging bevat geen nieuwe informatie en maakt de kring van getuigen niet wijder. Het is de aankondiging van de laatste stap: de buitensluiting uit de gemeente. Dit wordt de gemeente meegedeeld, omdat die nu intensief bij de tuchtoefening betrokken is. Stel dat iemand uit de gemeente een goed contact heeft kunnen krijgen met de zondaar, terwijl de kerkeraad daar nog niets van weet. Het zou jammer zijn wanneer dat goede contact werd doorkruist door een plotselinge buitensluiting. Daarom wordt deze buitensluiting aangekondigd, zodat de gemeente mogelijke verhinderingen daarvoor kan aanmelden bij de kerkeraad.

Zie weer artikel 77:

In de derde zal de kerkeraad aan de gemeente meedelen dat hij buiten de gemeenschap van de kerk gesloten zal worden, als hij zich niet bekeert; op deze wijze zal de excommunicatie de stilzwijgende instemming van de gemeente hebben.

Deze hele tucht-procedure kan een lange tijd in beslag nemen. De kring van getuigen wordt immers maar heel geleidelijk groter gemaakt. Er zijn al vele stappen gezet voordat uiteindelijk de hele gemeente intensief bij het vermaan wordt betrokken. Bovendien mogen de verschillende stappen niet te snel op elkaar volgen: elke nieuwe stap bedoelt namelijk een nieuwe golf van gebed en vermaning los te maken, waarbij geduldig moet worden afgewacht welke uitwerking dit op de zondaar heeft.

De kerkorde geeft niet aan, hoeveel tijd er precies moet vallen tussen de verschillende stappen. Artikel 77 zegt alleen:

Over het tijdsverloop tussen de afkondigingen beslist de kerkeraad.

De kerkeraad mag daarbij rekening houden met de reactie van de zondaar. Als die zich gevoelig toont voor alle vermaningen, maar nog niet tot bekering kan komen, zal de kerkeraad meer geduld moeten hebben dan wanneer de zondaar duidelijk afwijzend staat tegenover elke vermaning.

 

Nadeel van een lange procedure zou kunnen zijn, dat de zondaar al die tijd als lid van de gemeente aan het avondmaal zou moeten worden toegelaten. Door zijn ongelovig leven zou dat Gods veroordeling brengen over hemzelf en over de gemeente. Om dat te voorkomen mag de kerkeraad al eerder overgaan tot afhouding van het avondmaal. Zie artikel 76:

De kerkeraad zal de toegang tot het avondmaal van de Here ontzeggen aan hem, die de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt of die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan heeft.

|111|

Uit artikel 77 kunnen we opmaken dat deze ontzegging plaats vindt voordat de gemeente wordt ingelicht:

Voordat de kerkeraad — na de ontzegging van het avondmaal en de daarop volgende vermaningen — tot de excommunicatie overgaat, zal hij de gemeente bekend maken met de hardnekkigheid van de zondaar. Daarbij zullen genoemd worden zijn zonde en de vele pogingen om hem tot inkeer te brengen door bestraffing, ontzegging van het avondmaal en talrijke vermaningen.

Deze ontzegging van het avondmaal is nog maar voorlopig. Wanneer alle vermaningen niets uithalen wordt deze voorlopige ontzegging omgezet in een definitieve. Dit is de uiteindelijke excommunicatie, de buitensluiting uit de christelijke gemeente. Hiermee wordt de tucht afgesloten. Zie weer artikel 76:

Indien deze na talrijke daarop volgende vermaningen geen enkel teken van berouw toont, zal de kerkeraad als uiterste remedie tenslotte tot de excommunicatie overgaan, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient te worden gebruikt.

Al met al kent de tucht bij geheime zonden dus de volgende stappen:
1. vermaning onder vier ogen
2. vermaning met een of twee getuigen
3. aangifte bij de kerkeraad
4. vermaan door de kerkeraad
5. ontzegging van het avondmaal
6. eerste afkondiging aan de gemeente, zonder naam
7. gebed van de gemeente
8. overleg met de classis
9. tweede afkondiging aan de gemeente, met naam
10. vermaan door de gemeente
11. derde afkondiging aan de gemeente, met datum van buitensluiting
12. buitensluiting.

Een uitgebreide bespreking van deze tuchtweg vindt u bij J. Kamphuis, Om de heiligheid van de gemeente, Kampen 1982.

 

7.5 Openbare zonden

Openbare zonden moeten anders worden aangepakt dan geheime zonden. De kerkorde noemt twee verschillen. Het eerste staat in artikel 74:

Wanneer iemand over een geheime zonde naar de regel van Matteüs 18 is vermaand en daaraan geen gehoor geeft, of wanneer iemand een openbare zonde gedaan heeft, zal dit aan de kerkeraad worden meegedeeld.

Bij geheime zonden moet er eerst persoonlijk worden vermaand, onder vier ogen, en later met een of twee getuigen. Pas daarna mag de kerkeraad worden ingelicht. Maar bij openbare zonden moet de kerkeraad meteen op de hoogte worden gebracht.

Het tweede verschil vinden we in artikel 76:

De kerkeraad zal de toegang tot het avondmaal van de Here ontzeggen aan

|112|

hem, die de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt of die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan heeft.

Wanneer de kerkeraad hoort van geheime zonden, zal hij eerst zelf indringend met de zondaar spreken en hem een tijdlang vermanen. Pas daarna kan de kerkeraad zo nodig overgaan tot ontzegging van het avondmaal. Maar bij openbare zonden moet de kerkeraad de zondaar meteen afhouden van het avondmaal.

Ook als de toedracht van de openbare zonde de kerkeraad niet meteen duidelijk is, kan hij toch meteen overgaan tot afhouding. Dit is dan de zogenaamde ‘eenvoudige afhouding’. Zodra de kerkeraad voldoende inzicht heeft, kan deze afhouding worden opgeheven of worden omgezet in de normale afhouding, als onderdeel van de tuchtweg.

Een voorbeeld: Binnen een huwelijk komt het tot een uitbarsting. Man en vrouw gaan uit elkaar. De kerkeraad zal dan vaak voor een ingewikkelde kwestie komen te staan: wie is hier schuldig, de man, de vrouw, of beiden? De kerkeraad kan dan beiden afhouden van het avondmaal. Zodra blijkt dat een van beide partijen de weg van Gods geboden wil gaan, zal hij of zij weer worden toegelaten. Wanneer de ander dat niet wil, zal met hem of haar verder gehandeld moeten worden.

Voor het overige is de tuchtweg bij openbare zonden gelijk aan de procedure die gevolgd wordt bij geheime zonden.

 

Maar wat is een openbare zonde? Twee kenmerken moeten worden genoemd:
— de zonde moet in het openbaar zijn bedreven
— de zonde moet ernstig van aard zijn.

De zonde moet in het openbaar zijn bedreven. Dat wil nog niet zeggen dat de zonde ook algemeen bekend zal zijn.

Wanneer een man en een vrouw ongehuwd samenleven, bedrijven zij een openbare zonde. Toch kan het gebeuren dat dit in de gemeente nauwelijks bekend is, bijvoorbeeld door hun teruggetrokken leefwijze, of door de uitgestrektheid van de gemeente. Maar gemeente en kerkeraad zullen de zonde wel als een openbare zonde moeten behandelen. Dat blijkt wel uit artikel 74:

Wanneer iemand over een geheime zonde naar de regel van Matteüs 18 is vermaand en daaraan geen gehoor geeft, of wanneer iemand een openbare gedaan heeft, zal dit aan de kerkeraad worden meegedeeld.

Als er alleen van openbare zonden sprake zou mogen zijn wanneer ze bij de hele gemeente bekend waren, zou deze aangifte bij de kerkeraad overbodig zijn. Maar artikel 74 schrijft de aangifte juist voor; het gaat er dus van uit dat de kerkeraad met deze openbare zonde onbekend kan zijn.

Het betekent ook dat ieder gemeentelid die getuige is van zo’n openbare zonde, niet mag redeneren dat de kerkeraad vanzelf wel zal ontdekken wat er aan de hand is. Hij is verplicht om de kerkeraad in te lichten!

|113|

Tweede kenmerk van een ‘openbare zonde’ is dat hij ernstig van aard moet zijn.

Wanneer iemand in het openbaar enkele ondoordachte woorden spreekt, hoeft dat nog geen reden te zijn om hem meteen af te houden van het avondmaal. In zo’n geval kan vermaning onder vier ogen beter werken, dus de weg van de ‘geheime zonde’.

Van belang is of uit de zonde spreekt dat iemand opzettelijk tegen de geboden van de Here ingaat. Zolang er eerder sprake is van onwetendheid of onbegrip, kan men beter beginnen met onderwijzend vermaan.

Een voorbeeld: In een bepaalde gemeente is het gewoonte om mee te doen aan volksfeesten, die in de loop der jaren steeds meer tegen de christelijke levenssstijl ingaan. Gemeenteleden die daaraan meedoen bedrijven dus in feite een openbare zonde. Toch moet een kerkeraad hen daarom nog niet afhouden van het avondmaal. Anders wordt het wanneer de kerkeraad de gemeente indringend gaat onderwijzen over het zondige karakter van die feesten. Wanneer er dan toch nog gemeenteleden zijn die meedoen, is er sprake van een ernstige, openbare zonde, die willens en wetens wordt bedreven. Dan is er grond om te handelen zoals de kerkorde dat bij openbare zonden voorschrijft.

 

Men heeft wel eens gezegd: alles wat ‘miserabel’ is, is nog niet ‘censurabel’. Elke zonde hoeft nog niet meteen te leiden tot kerkelijke tuchtmaatregelen. Daar zit veel waars in. Toch is het als losse uitspraak een gevaarlijke uitspraak.

Het kan de indruk wekken alsof we sommige zonden maar moeten laten lopen. En dat is niet waar: elke zonde is het waard om iemand over te vermanen. Wordt de zondaar niet meteen overtuigd van zijn verkeerde handelswijze, terwijl hij toch verder blijk geeft als christen te willen leven, dan hoeft er inderdaad niet meteen verder worden gegaan op de weg van de tuchtoefening. Het kan soms voldoende zijn om alleen te blijven vermanen; daar zal bij deze christen ook ruimte voor zijn. Maar als bij het vermaan over een ‘kleine’ zonde blijkt dat de zondaar onverschillig staat tegenover het gebod van God, dan is er reden genoeg om verder te gaan met de kerkelijke tucht.

Wat wel waar is van genoemde uitspraak, is dat niet elke openlijke zonde meteen moet leiden tot afhouding van het avondmaal. Het moet een ernstige zonde zijn, die blijk geeft van duidelijke ongehoorzaamheid tegenover de Here.

Een zonde is ook ernstig van aard wanneer hij veel opschudding veroorzaakt, in of buiten de gemeente. Ook als het gebeurde in onbedachtzaamheid mag de kerkeraad er een grond in zien om het avondmaal aan de zondaar te ontzeggen totdat hij duidelijk berouw heeft getoond. Zo wordt aan ieder bekend gemaakt dat de kerk de zonden in haar midden niet laat geworden, maar er in Christus’ naam tegen vechten wil.

Om de zelfde reden geeft de kerkorde ook ruimte om het avondmaal te

|114|

ontzeggen aan iemand die een geheime, maar toch ernstige zonde heeft gedaan. Dat kan zijn omdat uit de betreffende zonde grove onverschilligheid spreekt of omdat de zonde hier en daar bekend is geworden en opschudding heeft veroorzaakt. Zie het begin van artikel 76:

De kerkeraad zal de toegang tot het avondmaal van de Here ontzeggen aan hem, die de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt of die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan heeft.

Dat was trouwens ook al gezegd door artikel 73:

Wanneer iemand afwijkt van de zuivere leer of in zijn leven zich misdraagt, en dit een geheime zaak is die geen openbare aanstoot geeft, zal de regel worden nageleefd die Christus duidelijk voorschrijft in Matteüs 18.

Dit artikel laat de mogelijkheid open van een geheime zonde die toch wel openbare aanstoot geeft. In dat geval moet er worden gehandeld als bij een openbare zonde.

We noemen nog eens het voorbeeld van broeder Alsberg, die broeder Bontreu heeft opgelicht. Dat is een geheime zonde. Toch kan het na verloop van tijd uitlekken naar de openbaarheid. De kerk wordt er op aangekeken: „die gereformeerden zijn niet te vertrouwen; ze bestelen zelfs elkaar”. De kerkeraad mag dan niet stil blijven afwachten tot hij officieel wordt ingelicht; hij zal zelf de zaak moeten onderzoeken. Als dan blijkt dat broeder Alsberg zich inderdaad aan deze zonde schuldig heeft gemaakt, zal hij worden afgehouden van het avondmaal.

 

7.6 Tucht over ambtsdragers

Zoals al eerder is gezegd in § 7.2.: het gaat bij de tucht over ambtsdragers over de extra maatregelen die nodig zijn wanneer ze tot zonde komen. Voor wat betreft het vermaan en de eventuele ontzegging van het avondmaal gelden de zelfde regels als bij de tucht over de andere belijdende leden. De speciale tucht over ambtsdragers betreft alleen de vraag of ze hun ambt kunnen blijven uitoefenen.

Artikel 79 geeft daarop een duidelijk antwoord:

Wanneer predikanten de kerkelijke vermaning verwerpen of wanneer zij een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan, zullen zij geschorst worden op grond van het oordeel van hun kerkeraad en die van de door de classis aangewezen naburige gemeente.

Opvallend is de overeenkomst met artikel 76:

De kerkeraad zal de toegang tot het avondmaal van de Here ontzeggen aan hem, die de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt of die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan heeft.

Beide artikelen noemen drie gevallen waarin moet worden opgetreden:
— verwerping van de kerkelijke vermaning
— een openbare zonde
— een in ander opzicht ernstige zonde.

|115|

Artikel 76 zegt daarvan: de toegang tot het avondmaal moet dan worden ontzegd.

Artikel 79 voegt er nu aan toe: een predikant moet in zo’n geval geschorst worden. Een ouderling of diaken trouwens ook, zie het slot van artikel 79:

Wanneer ouderlingen of diakenen zich aan een van de genoemde zonden schuldig maken, is voor hun schorsing of afzetting het oordeel van hun kerkeraad en die van de naburige gemeente voldoende.

Dus, algemener gezegd: wanneer een ambtsdrager zich zo gedraagt dat hij niet langer tot het avondmaal kan worden toegelaten, mag hij ook het ambt niet meer uitoefenen; hij moet geschorst worden.

Schorsing kan zelfs al eerder noodzakelijk zijn dan ontzegging van het avondmaal. Dat blijkt uit een verdere vergelijking van artikel 76 en 79: artikel 76 noemt het geval van hardnekkige verwerping van de kerkelijke vermaning, terwijl artikel 79 het woord ‘hardnekkig’ weglaat: voor schorsing hoeft de kerkeraad minder geduld te oefenen dan voor ontzegging van het avondmaal.

Maar vooral moet hierbij worden gewezen op artikel 80. Artikel 79 had gezegd dat schorsing moet plaatsvinden bij ernstige zonden. Artikel 80 geeft enkele voorbeelden van wat bij ambtsdragers als ernstige zonde moet worden beschouwd.

Als ernstige zonden die grond zijn voor schorsing of afzetting van ambtsdragers, moeten in het bijzonder genoemd worden: het aanhangen van valse leer, openlijke scheurmakerij, godslastering, simonie, trouweloze dienstverlating of het zich indringen in het dienstwerk van een ander, meineed, echtbreuk, ontucht, diefstal, gewelddadig optreden, regelmatige dronkenschap en onrechtmatige verrijking van zichzelf; verder moeten hiertoe gerekend worden alle zonden en ernstige vergrijpen die bij andere kerkleden als grond voor excommunicatie gelden.

Ook hier staat dus weer: als er grond is voor excommunicatie, voor afhouding van het avondmaal, dan is er ook grond voor schorsing, zonodig gevolgd door afzetting.

Maar tegelijk gaat artikel 80 verder: het geeft ook een lijst van zonden die niet meteen reden hoeven zijn voor ontzegging van het avondmaal, maar die wel reden zijn voor schorsing. Ook hier dus weer dat de kerkeraad eerder tot schorsing overgaat dan tot ontzegging van het avondmaal.

Een voorbeeld: Wanneer iemand uit de gemeente ontucht heeft gepleegd, en de kerkeraad wordt daarover ingelicht, zal die hem eerst alleen vermanen. Afhouding van het avondmaal volgt pas wanneer het gemeentelid de vermaning verwerpt. Ook een ambtsdrager die ontucht heeft gepleegd, wordt daarom nog niet meteen afgehouden van het avondmaal. Maar hij zal wel meteen geschorst moeten worden!

De zonden die artikel 80 noemt, zijn niet willekeurig gekozen. Ze hebben allemaal te maken met het ambt.

|116|

Een ambtsdrager kan regelrecht tegen zijn ambtsopdracht ingaan. Hieronder vallen: het aanhangen van valse leer, openlijke scheurmakerij, godslastering.

Een ambtsdrager kan zijn ambt op een onwettige manier uitoefenen. Hieronder vallen: simonie, trouweloze dienstverlating of het zich indringen in het dienstwerk van een ander.

Een ambtsdrager kan de vijanden van Christus aanleiding geven om de christelijke kerk als geheel te belasteren. Hieronder vallen zonden als meineed, echtbreuk, diefstal, gewelddadig optreden en regelmatige dronkenschap.

Een ambtsdrager kan misbruik maken van het gezag dat hij heeft gekregen. Hieronder kunnen vallen ontucht en onrechtmatige verrijking van zichzelf. Wanneer vast komt te staan dat een ambtsdrager zich aan een van deze zonden schuldig heeft gemaakt, moet hij meteen geschorst worden, ook wanneer hij bij ontdekking meteen zijn spijt betuigt. Alleen wanneer het om een zonde uit het verleden gaat, waarmee hij al duidelijk had gebroken, hoeft schorsing niet worden toegepast.

 

Behalve de artikelen 79 en 80 spreekt ook artikel 53 nog over schorsing en afzetting:

De predikanten, de hoogleraren en de overige docenten aan de Theologische Hogeschool zullen de drie formulieren van eenheid van de Gereformeerde Kerken in Nederland ondertekenen, waarbij de formulieren gebruikt worden die voor de verschillende diensten zijn vastgesteld.
Predikanten die dit weigeren, zullen als gevolg daarvan onmiddellijk geschorst worden en de classis zal hen niet ontvangen.
Indien zij na samenspreking over hun gevoelen bij hun weigering blijven, zullen zij afgezet worden.

Dit artikel vertelt bovendien iets meer over het verband tussen schorsing en afzetting. De schorsing is een voorlopige maatregel, waarbij de ambtsdrager wordt verboden om zijn ambt uit te oefenen. De afzetting is definitief: het ambt wordt hem ontnomen.

Artikel 53 laat nu zien dat de voorlopige maatregel van de schorsing de ambtsdrager gelegenheid geeft om op zijn zonde terug te komen. Weigert hij dat, dan moet de afzetting volgen.

Daarmee is overigens niet gezegd dat een geschorste ambtsdrager die wel toegeeft, altijd in de uitoefening van zijn ambt zal worden hersteld. Vergelijk daarover § 7.9.

 

De kerkorde heeft aan de beide artikelen die spreken over schorsing en afzetting van ambtsdragers nog toegevoegd artikel 81, over het onderling toezicht:

De predikanten, ouderlingen en diakenen zullen onderling christelijke censuur

|117|

oefenen en elkaar inzake de bediening van hun ambt aansporen en vriendelijk terechtwijzen.

Het spreken over ‘censuur’ in dit artikel mag niet zo worden opgevat, dat het bij de uitvoering van dit artikel enkel zou gaan om de vraag: kunnen we elkaar nog aanvaarden als ambtsdrager of is er iemand die meent dat één van de ambtsdragers geschorst zou moeten worden? Als die druk zou liggen op deze ‘censuur’ zou iedereen blij zijn wanneer niemand iets op te merken heeft bij de ‘censuur naar artikel 81 K.O.’.

Maar de bedoeling is eerder deze, dat de ambtsdragers voortdurend op elkaar toezien en elkaar aansporen, om zodoende een eventuele tuchtoefening zover mogelijk weg te houden. Daarom mag ieder blij zijn als er juist wel het een en ander wordt gezegd bij een rondvraag naar dit artikel.

Vergelijk verder § 2.9.

 

7.7 Tucht over doopleden

Er is slechts één artikel dat hier over spreekt, maar dan wel uitvoerig: artikel 82. Dit artikel begint met uiteen te zetten wanneer tucht over doopleden moet worden toegepast.

De kerkeraad zal iemand die als kind de doop heeft ontvangen, vermanen wanneer hij als volwassene nalaat openbare belijdenis van het geloof te doen, of ook in ander opzicht zijn roeping tot nieuwe gehoorzaamheid in Gods verbond ontrouw is.

Er kunnen dus twee aanleidingen zijn om een dooplid te vermanen:
— wanneer hij alleen maar nalatig is in het doen van openbare belijdenis van het geloof
— wanneer hij ook op een andere manier toont niet in het verbond te willen leven.

Daarbij spreekt het artikel nadrukkelijk over volwassen doopleden. In de praktijk betekent dit dat maatregelen van tucht tegen doopleden pas worden genomen, wanneer ze minstens 25 jaar oud zijn. Alleen wanneer doopleden in ernstige zonden leven kan de tucht al eerder worden toegepast.

 

Het vervolg van artikel 82 beschrijft wat er moet gebeuren wanneer een dooplid aan de vermaningen geen gehoor geeft:

Indien hij de vermaning van de kerkeraad hardnekkig verwerpt en daarbij duidelijk laat blijken dat hij afkerig is van het verbond en onverschillig of zelfs vijandig staat tegenover de dienst van de Here, zal dit met instemming van de classis aan de gemeente worden bekendgemaakt. Bij de afkondiging zal de kerkeraad zijn naam noemen en tevens een termijn stellen. De gemeente zal worden aangespoord hem aan te spreken en voor hem te bidden. Wanneer hij in de genoemde termijn geen teken van oprecht berouw toont, zal de kerkeraad hem in een eredienst buiten de gemeenschap van de kerk sluiten, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier gebruikt dient te worden.

Belangrijk is het begin van dit gedeelte: bekendmaking en buitensluiting

|118|

mogen alleen plaatsvinden als er sprake is van duidelijke afkerigheid. Is die afkerigheid niet zo duidelijk, dan spreekt men over ‘nalatige’ doopleden. Die nalatigheid kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een zekere vrees voor de viering van het avondmaal.

Dergelijke nalatige doopleden worden niet buiten de kerk gesloten. Ze worden wel op een gepaste manier vermaand, waarbij vaak de nadruk gelegd zal worden op de troost die de vrees uitbant.

Het zal duidelijk zijn dat er ook geen tucht wordt toegepast op doopleden die de vermogens missen om tot openbare geloofsbelijdenis te komen. Te denken valt aan ernstig verstandelijk gehandicapten of bepaalde psychiatrische patiënten.

 

De weg naar de buitensluiting van een dooplid is veel korter dan bij een belijdend lid. Dit mag niet zo worden opgevat als zou de kerk voor de doopleden minder aandacht hebben. De reden is wel dat allerlei stappen die bij de tucht over belijdende leden kunnen worden toegepast, niet geschikt zijn in het geval van een dooplid.

Een belijdend lid kan worden afgehouden van het avondmaal. Bij een dooplid is dat onmogelijk: hij was nog niet eens toegelaten tot het avondmaal.

Bij de tucht over belijdende leden kan de eerste afkondiging aan de gemeente de naam van de zondaar nog verzwijgen. Bij afkerige doopleden heeft dat meestal weinig zin: alle gemeenteleden kunnen nagaan wie er volwassen is en nog geen belijdenis heeft gedaan.

Wat overblijft is dan nog het advies van de classis en de inschakeling van de gemeente. Terwille van de activiteit van die gemeente wordt er bij de eerste afkondiging een termijn gesteld. Die mag wel enkele maanden inhouden: het is voor de gemeente immers de eerste en de laatste mogelijkheid om er gezamenlijk aan te werken dat dit dooplid voor de kerk behouden blijft.

 

7.8 Onttrekking

Tucht is bedoeld om een zondaar tot bekering te brengen. Helaas gelukt dat niet altijd. Wel gebeurt het vaak dat het betrokken gemeentelid een eind wil maken aan al die tuchtmaatregelen die tegen hem genomen worden. In dat geval kan hij zich onttrekken: hij onttrekt zich dan aan de gemeenschap van de kerk en hij onttrekt zich zo ook aan het opzicht en de tucht van de kerkeraad.

Voor het betrokken gemeentelid kan dit een gemakkelijke oplossing lijken, waardoor veel narigheid wordt voorkomen. Ook voor de kerkeraad betekent het een behoorlijke verlichting van de werkdruk: tuchtoefening vraagt immers veel tijd en inzet.

Toch is het geen werkelijke oplossing. Want ook al kan iemand zich onttrekken aan de kerk, hij kan zich niet onttrekken aan het oordeel van God. Christus zal eenmaal komen om alle mensen te oordelen, de levenden en de

|119|

doden, de kerkleden maar ook ieder die zich buiten de kerk gehouden heeft. Daarom mag een kerkeraad iemand nooit adviseren om zich te onttrekken. Als iemand er naar informeert mogen ze wel wijzen op de mogelijkheid van de onttrekking, maar ze zullen er bij moeten zeggen dat een dergelijke onttrekking het oordeel van God niet kan wegnemen.

Om de zelfde reden mag een kerkeraad niet te snel uitspreken dat iemand zich ‘feitelijk’ heeft onttrokken, bijvoorbeeld omdat het betrokken gemeentelid alle contacten met de kerk afhoudt, brieven ongeopend terugstuurt, enzovoort. Zolang de tuchtoefening niet volledig onmogelijk is geworden, moet ze doorgaan. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat een ander gemeentelid nog wel contact heeft waar de deur voor de kerkeraad gesloten bleef.

 

Wanneer iemand de kerkeraad schriftelijk meedeelt dat hij zich wil onttrekken, kan de kerkeraad dat niet weigeren. Wel zal de kerkeraad nog proberen om iemand de zinloosheid van de onttrekking onder ogen te brengen, en hem zo te bewegen deze stap ongedaan te maken.

Hetzelfde geldt wanneer iemand in het bijzijn van twee ouderlingen uitdrukkelijk verklaart zich te onttrekken aan de kerk. Ook dan kan de kerkeraad dat niet weigeren, maar ook dan is het goed om eerst nog te proberen in een nieuw gesprek de man op andere gedachten te brengen. Het kan immers zijn dat hij achteraf toch spijt krijgt van zijn uitspraak.

 

Iemand kan zich ook onttrekken door middel van een verhuizing. Artikel 63 zegt immers:

Wanneer leden naar een andere gemeente vertrekken, zal de kerkeraad hun na de vereiste afkondiging aan de gemeente een attestatie betreffende hun leer en leven meegeven, ondertekend door de praeses en de scriba.

Het is dan wel noodzakelijk dat men die attestatie bij de kerkeraad aanvraagt. Wanneer iemand dat nalaat, zodat hij zonder attestatie vertrekt, zal de kerkeraad hem proberen te bereiken in zijn nieuwe woonplaats en hem vermanen om alsnog de attestatie aan te vragen. Blijft hij dat weigeren, dan moet de kerkeraad vaststellen dat hij zich heeft onttrokken aan de kerk.

Het is ook mogelijk dat iemand wel een attestatie aanvraagt, maar die niet inlevert in zijn nieuwe woonplaats. Hij kan daarover vermaand worden door de kerkeraad aldaar. Immers, artikel 63:

Aan de kerkeraad van de betrokken gemeente zal tijdig bericht worden gezonden.

Wanneer hij blijft weigeren om zijn attestatie in te leveren, zal vastgesteld moeten worden dat hij zich heeft onttrokken aan de kerk.

Voor doopleden geldt een andere situatie. Artikel 63 zegt over hen:

Indien een lid dat nog geen belijdenis van het geloof heeft afgelegd, besluit te verhuizen naar een andere plaats, zal een attest aan de betrokken kerkeraad worden gezonden met het verzoek, dit lid onder zijn opzicht en tucht te nemen.

|120|

Een dooplid hoeft dus niets aan te vragen of in te leveren. Wel mag worden verwacht dat hij zijn verhuizing aanmeldt. Maar zelfs wanneer hij dat nalaat kan de kerkeraad een attest versturen naar de kerkeraad van de nieuwe woonplaats.

Die zal hem dan komen bezoeken. Weigert hij dat ambtelijk contact en wil hij ook niets meer te maken hebben met de kerk van zijn eerdere woonplaats, dan is de conclusie duidelijk: hij heeft zich onttrokken.

 

Wanneer een ambtsdrager wil ontkomen aan schorsing of afzetting, kan hij ontheffing vragen uit het ambt. De kerkeraad hoeft die ontheffing niet automatisch te verlenen; hij mag onderzoeken of er goede redenen voor zijn. Daarbij moet wel worden bedacht dat een kerkeraad de ontheffing niet kan weigeren om prompt daarop tot schorsing over te gaan.

Wanneer een ouderling of diaken ontheffing vraagt, kan de kerkeraad daar alleen over beslissen. Bij een predikant is dat niet het geval. Vergelijk artikel 15:

Wanneer een predikant eenmaal geroepen is volgens de regel van artikel 5, heeft hij zich voor het leven aan de kerkelijke dienst verbonden. Dit houdt in dat hij zijn ambt niet mag neerleggen.
Hij kan slechts van zijn ambt worden ontheven en overgaan tot een andere levensstaat, indien de kerkeraad en de classis, met medewerking van de deputaten van de particuliere synode, oordelen dat daarvoor gewichtige redenen zijn.

Die gewichtige redenen hoeven trouwens niet alleen zijn dat er anders een schorsing dreigt. Een bekend voorbeeld is de predikant die volgens de regel van artikel 14 ontslagen is van de verbintenis aan zijn gemeente, geen beroep krijgt van een andere kerk, en daarom uiteindelijk ander werk wil zoeken.

Is het een kwestie van ziekte of iets dergelijks, waardoor de predikant niet meer in staat is het ambt uit te oefenen, dan hoeft hij geen ontheffing vragen, maar krijgt hij eervol emeritaat.

Zie artikel 13:

Wanneer een predikant door ouderdom, ziekte of andere oorzaken niet meer in staat is zijn ambtswerk te verrichten, blijft hij rechtens dienaar des Woords.

Wanneer ouderlingen of diakenen hun ambt niet langer kunnen dragen door ziekte, vragen ze wel ontheffing aan. Ook bij hen geldt dus dat ontheffing niet alleen maar hoeft te dienen om aan tuchtoefening te ontkomen.

 

7.9 Als het doel bereikt wordt

Tucht is niet een blind voortjagen naar het moment waarop iemand zijn plaats in de gemeente kwijtraakt. Artikel 72:

Zij heeft als doel dat de zondaar met God en zijn naaste verzoend wordt en de aanstoot uit de gemeente van Christus wordt weggenomen.

Daarom dringt elke tuchtoefening aan op de bekering van de zondaar. De

|121|

kerkorde geeft dan ook voortdurend aan hoe er gehandeld moet worden als die bekering inderdaad plaatsvindt.

Dat begint al bij artikel 74:

Geheime zonden mogen niet aan de kerkeraad worden bekendgemaakt, als de zondaar na persoonlijke, broederlijke vermaning of na vermaning met een of twee getuigen tot berouw komt.

Het gaat hier over het allereerste stadium van tucht: de broederlijke vermaning. Wanneer die resultaat heeft, wordt de tucht meteen beëindigd. De kerkeraad mag zelfs niet worden ingelicht.

Artikel 75 is al weer een stap verder binnen de tuchtoefening:

Wanneer iemand zich bekeert van een openbare zonde of van een geheime zonde die moest worden meegedeeld aan de kerkeraad, zal deze zijn schuldbelijdenis aanvaarden als daarbij voldoende tekenen van berouw gezien worden. De kerkeraad zal beoordelen of van deze schuldbelijdenis mededeling aan de gemeente gedaan moet worden.

Opnieuw geldt dat bekering een eind maakt aan de tuchtoefening. Wel moet de bekering oprecht zijn; de kerkeraad heeft het recht om dat eerst te onderzoeken. Dat kan door middel van een diepgaand gesprek; het kan ook door te onderzoeken of de bekering zichtbaar wordt in het leven van de zondaar. Maar wanneer de bekering inderdaad oprecht is, mag de kerkeraad de schuldbelijdenis niet afwijzen.

We nemen nogmaals het voorbeeld van broeder Alsberg die broeder Bontreu heeft opgelicht: wanneer hij na vermaan door de kerkeraad schuld belijdt, mag de kerkeraad toch nog even met hem doorpraten. Waarom belijdt hij schuld? Is dat alleen maar om van alle gezeur af te zijn? Of ziet hij in dat hij tegen Gods gebod is ingegaan? Wanneer dat laatste het geval is, zal dat onder meer moeten blijken doordat hij schadevergoeding betaalt aan broeder Bontreu.

In bepaalde gevallen zal de kerkeraad de gemeente hierover inlichten. Daarbij moet vooral worden gedacht aan het geval dat de gemeente afweet van de zonde en de indruk zou kunnen krijgen dat de kerkeraad er niets aan doet. De kerkeraad kan dan meedelen dat hij gedaan heeft wat hij moest doen, vermanen, en dat deze vermaning door de Geest is gezegend.

Ook wanneer de kerkeraad tot scherpere maatregelen over moet gaan, is er altijd de ruimte voor bekering, waarna de tuchtmaatregelen kunnen worden beëindigd. Zelfs wanneer iemand buiten de gemeenschap van de kerk is gesloten, blijft er de mogelijkheid van bekering en daardoor terugkeer in de gemeente. Artikel 78:

Wanneer een geëxcommuniceerde in de weg van berouw weer opgenomen wil worden in de gemeente, zal dit aan de gemeente worden meegedeeld.
Als niemand hiertegen iets kan aanvoeren, zal hij na verloop van tenminste drie zondagen onder openbare schuldbelijdenis weer opgenomen worden, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient gebruikt te worden.

|122|

De eis van openbare schuldbelijdenis is niet bedoeld om iemand extra te vernederen. Wel is de reden dat de buitensluiting plaats vond met medewerking van de hele gemeente. Dan mag ook de hele gemeente horen dat deze zondaar met de zonde heeft gebroken om voortaan te leven tot eer van God. Wie zich zo voor God vernedert, zal door Hem worden verhoogd.

 

De artikelen die spreken over de tucht over ambtsdragers, zeggen niet wat er moet gebeuren wanneer een ambtsdrager zich na schorsing of afzetting bekeert van zijn zonden.

Uiteraard zal de gemeente hem weer graag een plaats gunnen aan het avondmaal, ook als hij daarvan afgehouden moest worden. Want de Here gunt hem daar opnieuw zijn plaats.

Maar het is nog de vraag of hij zijn ambt weer mag uitoefenen. Zijn zonde kan zoveel schade hebben gedaan aan de kerk, dat herstel in het ambt niet raadzaam is. Ook kan het zijn dat zijn zonde een bepaalde zwakheid bij hem aan het licht bracht, waardoor hij niet in staat blijkt te zijn om de zwaarte van het ambt te dragen. In zulke gevallen zal hij ook na bekering zijn ambt niet terugkrijgen.

Aan de andere kant mag de mogelijkheid van herstel in het ambt nooit helemaal worden uitgesloten. We moeten de Geest de vrijheid laten om te roepen wie Hij wil, zoals Hij dat bijvoorbeeld bij Paulus deed.

Ook mag rekening worden gehouden met het verschil tussen schorsing en afzetting.

Wanneer een ambtsdrager zich na schorsing bekeert van zijn zonden, zal hij als het maar enigszins mogelijk is, worden hersteld in de uitoefening van zijn ambt. Wanneer het tot afzetting moest komen voordat er bekering volgde, zal een nieuwe roeping tot het ambt meestal niet raadzaam zijn.

 

Bij de tucht over doopleden is er ook weer altijd de mogelijkheid tot terugkeer.

De zonde van het dooplid was dat hij weigerde om te leven in het verbond, en dus geen belijdenis deed van het geloof.

Terugkeer is alleen mogelijk wanneer hij zich van deze zonde bekeert, dus wanneer hij wel tot belijdenis van het geloof wil komen. Deze belijdenis wordt afgelegd in het openbaar, dat wil zeggen in de eredienst van de gemeente. Want daar vond ook de buitensluiting plaats.

We lezen daarom aan het slot van artikel 82:

Indien hij na deze excommunicatie tot bekering komt en zich weer bij de gemeenschap van de kerk wil voegen, zal hij toegelaten worden in de weg van openbare belijdenis van het geloof, nadat de kerkeraad zijn bekering aan de gemeente heeft bekendgemaakt.

Bekering na tuchtoefening komt helaas weinig voor. Toch wordt het in de kerkorde uitdrukkelijk genoemd. Want wij geloven in de Vader van Jezus Christus, die zelfs doden levend maakt.

Harmannij, K. (1990) Wl.

|123|

Woordenlijst

 

Deze woordenlijst bevat geen wetenschappelijk sluitende definities. De bedoeling is slechts dat de lezer een indruk krijgt van de manier waarop de verschillende termen in het kerkelijk spraakgebruik dienst doen.

De nadruk ligt daarbij op ‘spraakgebruik’: het gaat om allerhande termen en betekenissen die, soms ten onrechte, voorkomen in het kerkelijk leven. Bovendien bestaat er, voorzover ik weet, geen lijst van officiële kerkelijke termen met hun gepaste betekenis. Ook deze lijst kan daar dus niet voor doorgaan.

Meestal worden enkele termen samen besproken, om de onderlinge verbanden te laten zien.

Bij elke woord-bespreking wordt verwezen naar artikelen uit de kerkorde waarin men een of meer van deze woorden vinden kan.

Verder wordt verwezen naar de paragrafen uit dit boek, die uitvoeriger informatie geven over de betrokken termen en hun inhoud.

 

Aantekening — zie Attestatie

Acta — zie Verslag

Adresvoerende kerk art. 45, 46; § 5.1.
Elke classis en particuliere synode kent een adresvoerende kerk. Stukken die bestemd zijn voor de eerstvolgende classis of particuliere synode kunnen naar het adres van deze kerk worden verzonden.
Uiteraard mag men ook stukken verzenden aan de Samenroepende kerk van de eerstvolgende classis of synode, dat is de kerk die door de laatstgehouden classis of synode is aangewezen om de volgende vergadering samen te roepen. Maar die samenroepende kerk is voor elke vergadering een andere, zodat instanties van buiten het ressort niet zouden weten tot wie ze zich dan moesten wenden. De adresvoerende kerk blijft in normale gevallen steeds dezelfde.
De adresvoerende kerk is meestal ook de Archiefbewarende kerk: ze beheert het archief van de betrokken classis of synode.
De generale synode heeft wel een archiefbewarende kerk, maar geen adresvoerende kerk. Men gaat er van uit dat de samenroepende kerk voor de eerstkomende synode voldoende bekend is. Bovendien is er door bemiddeling van de onderscheiden deputaatschappen voldoende gelegenheid om die eerstkomende synode te bereiken.

Adviserende stem — zie Stemrecht

Afgevaardigde — zie Deputaat

|124|

Afhouden — zie Censuur

Afkerig dooplid — zie Dooplid

Afkondiging art. 5, 6, 63, 77, 82; § 4.4
Een mededeling van de kerkeraad aan de gemeente, die meestal wordt voorgelezen voor het begin van de eredienst.

Aftreden — zie Bevestigen

Afzetten — zie Schorsen

Agenda — zie Agendum

Agendum art. 30
Elke vergadering heeft zijn agendum: de lijst van alle zaken die afgehandeld moeten worden. Deze zaken zijn de Agenda. Soms wordt ook het agendum zelf ‘agenda’ genoemd.
Elke vergadering stelt zelf zijn agendum vast; voordat die vaststelling heeft plaatsgevonden kan er alleen een Voorlopig agendum of Concept-agendum bestaan.

Akte van ontslag — zie Schorsen

Algemene rondvraag — zie Rondvraag

Ambt art. 1-3, 5-8, 11-18, 20-23, 25, 27, 36-38, 40-46, 53-55, 59, 61, 79-81, 83; § 2.1-2.6
1. In het algemeen wordt met ‘ambt’ bedoeld: een taak die God iemand oplegt. Zo wordt bijvoorbeeld gesproken over het Ambt aller gelovigen: alle gelovigen mogen weten dat ze van God een taak hebben gekregen, binnen zijn koninkrijk, maar ook binnen zijn kerk.
2. De kerkorde bedoelt met ‘ambt’ altijd: de bijzondere taak die God aan sommigen in de kerk geeft om daarin leiding te geven aan de gemeente. Men spreek daarom ook wel over het Bijzonder ambt.
De kerkorde kent drie van deze ambten:
— het ambt van Predikant of Dienaar des Woords
het ambt van Ouderling
het ambt van Diaken
Wie tot een van deze ambten is geroepen, heet Ambtsdrager.

Ambtelijk bezoek — zie Ambtsgebed

Ambtelijke vergadering — zie Vergadering

Ambtelijk gebed — zie Ambtsgebed

Ambtsdrager — zie Ambt

Ambtsgebed § 2.7
Elke eredienst wordt belegd door de kerkeraad. Daarom is het op veel plaatsen gebruikelijk dat de kerkeraad voor het begin van de morgendienst gezamenlijk tot de Here bidt om zijn zegen over de diensten. Na afloop van de middagdienst wordt er een dankgebed uitgesproken.
Een dergelijk gebed heet een ambtsgebed. Het wordt ook wel Consistoriegebed genoemd, omdat het immers in de consistorie wordt uitgesproken.
Daarnaast bestaat de term Ambtelijk gebed. Dit is in het algemeen

|125|

een gebed dat door een ambtsdrager wordt uitgesproken.
Zo is een Ambtelijk bezoek een bezoek dat door een ambtsdrager wordt gebracht.
Sommigen bedoelen er echter (ten onrechte) alleen een bezoek mee, waarin de ambtsdrager uit de Bijbel heeft gelezen en heeft gebeden.

Appel/Appellant/Appelschrift/Approbatie — zie Bezwaarschrift

Archiefbewarende kerk — zie Adresvoerende kerk

Assessor/Assessoraat — zie Moderamen

Attest — zie Attestatie

Attestatie art. 5, 6, 60, 63, 73; § 6.9, 7.8
Een attestatie is een schriftelijk getuigenis over iemand Leer en Leven: wat belijdt hij als zijn geloof en hoe brengt hij dat in praktijk? De attestatie wordt afgegeven door de kerkeraad. De attestatie wordt gericht aan een andere kerkeraad. Alleen bij predikanten of aanstaande predikanten kan de attestatie ook worden gericht aan de classis of de senaat van de theologische opleiding, wanneer die hen moeten ontvangen.
Een attestatie wordt alleen afgegeven aan belijdende leden. Ze kunnen die gebruiken wanneer ze elders avondmaal willen vieren of wanneer ze elders gaan wonen. De kerkeraad aldaar kan hen dan aanvaarden op grond van hun attestatie.
Wanneer op de attestatie een bepaalde bijzonderheid wordt vermeld, bijvoorbeeld over toepassing van de tucht op het betrokken lid, dan noemt man dat een Aantekening. Een attestatie zonder aantekeningen wordt wel (ten onrechte overigens!) een Blanco attestatie genoemd.
Een Avondmaalsbriefje is een attestatie die wordt afgegeven voor één enkele avondmaalsviering elders.
Een Reisattestatie wordt afgegeven wanneer iemand langere tijd weggaat en het nog onzeker is waar en wanneer hij avondmaal zal kunnen vieren.
Een Militaire attestatie wordt afgegeven aan dienstplichtige militairen die lid blijven van de thuiskerk, maar via de attestatie toch kerkelijk mee kunnen leven op de plaatsen waar ze gelegerd worden.
Wanneer doopleden verhuizen wordt er een Attest uitgeschreven. Dit attest wordt niet aan het dooplid meegegeven, maar rechtstreeks verzonden aan de kerkeraad van de nieuwe woonplaats. Het attest bevat mededelingen over de kerkelijke positie van het dooplid en vraagt aan de kerkeraad uit de nieuwe woonplaats om dit dooplid onder opzicht en tucht te nemen.
Het woord ‘attest’ doet tegelijk dienst als verzamelnaam voor alle soorten attesten en attestaties: elke attestatie mag ook ‘attest’ worden genoemd, maar elk attest is nog geen attestatie! Om verwarring te voorkomen wordt

|126|

een attestatie voor een belijdend lid vaak een Belijdenisattestatie genoemd en een attest voor een dooplid een Doopattest.

Avondmaalsbriefje — zie Attestatie

Avondmaalsformulier — zie Formulier

Ban — zie Censuur

Bedienen — zie Dienst

Belijdend lid — zie Dooplid

Belijdenis — art. 26, 47, 53, 54, 60, 62, 63, 75, 78, 82; § 6.8, 7.9
1. De kerken hebben hun geloof schriftelijk vastgelegd in Belijdenisgeschriften, ook kortweg ‘belijdenissen’ genoemd. Een andere naam hiervoor is Confessies.
Drie van deze confessies heten samen de Formulieren van eenheid (zie bij Formulier). Een daarvan is de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
2. Van de leden van de kerk wordt verwacht dat ze eenmaal Openbare belijdenis doen van hun geloof. ‘Openbaar’ wil hier zeggen dat het plaats vindt in de eredienst. Dit heet ook wel Openbare geloofsbelijdenis of Belijdenis van het geloof.
3. Als iemand zijn zonde erkent en zich daarvan afkeert, is dit een Schuldbelijdenis. Wanneer deze wordt afgelegd voor de gemeente heet het een Openbare schuldbelijdenis.

Belijdenisattestatie — zie Attestatie

Belijdeniscatechisatie — zie Catechisatie

Belijdenisgeschrift — zie Belijdenis

Beroep — zie Bezwaarschrift en Roepen

Beroepbaar/Beroepbaarstelling — zie Examen

Beroepschrift — zie Bezwaarschrift

Besloten zitting — zie Comité

Besluit art. 8, 15, 17, 31, 33, 35, 36, 41, 51, 79
De beslissingen van kerkelijke vergaderingen worden besluiten of Uitspraken genoemd. Deze beide termen worden vaak door elkaar gebruikt.
Wil men toch onderscheiden, dan is een besluit een beslissing om zelf iets te gaan doen, terwijl een uitspraak een beslissing is dat anderen iets moeten doen.
Een volledige Besluittekst bestond vroeger uit Constateringen, Overwegingen, Oordelen en uiteraard het uiteindelijke besluit zelf.
Bij de constateringen wordt de situatie weergegeven waarin het besluit nodig is. Bij de overwegingen wordt gezocht naar de normen die in de gegeven situatie van toepassing zijn. Bij de oordelen worden deze normen inderdaad

|127|

toegepast, zodat er een beoordeling komt van de situatie. Het besluit of de uitspraak vloeit hier dan uit voort.
Moderne besluitteksten noemen eerst het Materiaal, dan het besluit of de uitspraak zelf, gevolgd door de Gronden.
Het materiaal is een opsomming van de schriftelijke stukken die bij de Besluitvorming zijn betrokken. Hun inhoud wordt in hoofdzaken genoemd. De gronden geven de verschillende redenen aan die het genomen besluit moeten rechtvaardigen.

Besluittekst/Besluitvorming — zie Besluit

Bevestigen art. 5, 6, 13, 18, 20, 23, 70; § 3.4, 6.3
1. Ambtsdragers worden in hun ambt bevestigd. Dit gebeurt in een eredienst. Vanaf het moment van de bevestiging mogen zij optreden als ambtsdrager; eerder niet.
Wanneer predikanten voor het eerst in het ambt worden bevestigd, gebeurt dit onder Handoplegging door de predikant die de bevestiging verricht; deze handoplegging is een teken dat de nieuwe predikant volledig wordt toegewijd aan de dienst des Woords.
Meteen na de bevestiging van een predikant doet hij zijn Intrede. Dit is geen officiële kerkelijke handeling; het bijzondere is alleen dat het de eerste keer is dat de predikant in deze gemeente als eigen ambtsdrager het Woord bedient.
Ouderlingen en diakenen worden slechts aangesteld voor een bepaalde tijd. Wanneer die tijd om is, zullen zij Aftreden. Dit gebeurt stilzwijgend, maar valt meestal samen met de bevestiging van hun opvolgers.
Predikanten treden niet af. Wanneer zij stoppen met actieve dienst in de gemeente, worden ze Ge-emeriteerd: ze hoeven geen dienst meer te doen, maar mogen het wel. Ze zijn dan Emeritus-predikant. Hun Emeritaat is ingegaan.
Wanneer predikanten een andere gemeente gaan dienen, krijgen ze ontslag en nemen afscheid (zie bij Schorsen).
2. Een huwelijk wordt kerkelijk bevestigd. Dit kan alleen wanneer het huwelijk eerst voor de burgerlijke overheid is gesloten. De Kerkelijke huwelijksbevestiging doet dat niet over, maar voegt er wel aan toe dat bruidspaar en gemeente de naam van de Here aanroepen over het huwelijk.

Bevestigingsformulier — zie Formulier

Bezwaar — zie Bezwaarschrift

Bezwaarschrift art. 5, 6, 20, 31; § 4.4, 4.5
Ook wel genoemd: Gravamen.
1. Wanneer de kerkeraad een kerkelijke handeling wil verrichten, is hij in bepaalde gevallen verplicht om dit eerst mee te delen aan de gemeente. De gemeenteleden kunnen dan bezwaar maken, door middel van een bezwaarschrift.

|128|

Dit moet dan wel een Wettig bezwaar bevatten. Dat wil zeggen dat aangetoond moet worden dat de voorgenomen handeling in strijd zou zijn met Gods Woord of de kerkorde.
Komt er vanuit de gemeente geen wettig bezwaar, dan is de Goedkeuring, de Approbatie van de gemeente verkregen en kan de kerkeraad zijn voornemen uitvoeren.
2. Wanneer een kerkelijke vergadering een besluit heeft genomen, kan daar bezwaar tegen worden ingebracht. Betreft het een besluit van classis, particuliere of generale synode, dan kan het bezwaarschrift worden ingediend bij de volgende vergadering van de classis, particuliere of generale synode. Men spreekt in dit geval over een Revisie-verzoek: de vergadering wordt gevraagd om Revisie, dat is herziening van een besluit van haar voorgangster.
Bij een revisieverzoek is het niet noodzakelijk om aan te tonen dat het betreffende besluit in strijd is met Gods Woord of de kerkorde. Ook zonder die strijdigheid kan men immers van mening zijn dat wijziging noodzakelijk is. Wel is men dan verplicht om met nieuwe argumenten te komen, en de argumenten voor het bestaande besluit grondig te overwegen en zo mogelijk te weerleggen.
3. Indien men meent dat een bepaald besluit in strijd is met Gods Woord of de kerkorde, kan ook een bezwaarschrift worden ingediend bij de meerdere vergadering. Betreft het bijvoorbeeld een besluit van de classis, dan kan men een bezwaarschrift schrijven aan de particuliere synode. Men Beroept zich dan op die meerdere vergadering. Dus heet een dergelijk bezwaarschrift ook wel Beroepschrift.
Naast het woord ‘beroep’ wordt ook het woord Appel gebruikt (uit te spreken als ‘appèl’). Men spreekt dan over een Appel-schrift en degene die het indient heet een Appellant.

Bijzonder ambt — zie Ambt

Bindend mandaat — zie Instructie

Blanco attestatie — zie Attestatie

Breed (Kerkeraad breed)/Buitengewone classis/Buitengewone synode — zie Vergadering

Buitensluiting (uit de gemeente) — zie Censuur

Catecheet/Catechese/Catechetisch onderwijs/Catechisant — zie Catechisatie

Catechisatie art. 55; § 2.4, 6.6
De catechisatie is het onderwijs in de gereformeerde leer. Doel van de catechisatie is iemand te brengen tot het doen van openbare belijdenis van het geloof, waarna hij toegelaten kan worden tot de viering van het avondmaal.

|129|

De catechisatie kan worden gevolgd door gedoopte leden van de kerk, maar ook door ongedoopte personen van buiten de kerk, die dan bij hun openbare belijdenis worden gedoopt. Verder kunnen het personen zijn die gedoopt zijn in een kerk waarmee geen kerkelijke gemeenschap wordt onderhouden; bij hun openbare belijdenis worden zij niet opnieuw gedoopt. Wie de catechisatie volgt, heet Catechisant. De catechisanten die nog geen lid van de kerk zijn, worden ook wel eens Catechumenen genoemd. De catechisaties worden gegeven door de Catecheet. Vaak zal dit een predikant zijn. Zijn werk heet de Catechese of het Catechetisch onderwijs.
Het belangrijkste leerboek voor de catechisatie is de Heidelbergse Catechismus, ook kortweg Catechismus genoemd.
De laatste fase van de catechisatie heet de Belijdeniscatechisatie. De catechisanten van deze groep hebben het voornemen om binnenkort openbare belijdenis te doen. Ze worden daarom speciaal voorbereid op het Onderzoek door de kerkeraad. De kerkeraad moet immers beoordelen of ze rijp zijn voor de openbare geloofsbelijdenis en de avondmaalsviering.

Catechismus/Catechumeen — zie Catechisatie

Censurabel/Censura morum — zie Censuur

Censuur art. 1, 16, 21, 37, 48, 72, 76-78, 80-82; § 2.9, 5.4, 7.4
1. Onderling toezicht van de ambtsdragers. Wanneer de kerkenraad hiervan een speciaal agendapunt maakt, wordt dat genoemd: Censura morum, Censuur naar art. 81 K.O. of Rondvraag naar art. 81 K.O.
2. Aan het eind van elke meerdere vergadering worden de afgevaardigden die zich hebben misgaan, vermaand. Dit is de Censuur naar art. 48 K.O.
3. Over censuur wordt ook gesproken bij de Tucht, het geheel van het kerkelijk optreden tegen de zonde in de gemeente. Wanneer iemand daarbij wordt Afgehouden van het avondmaal, wordt gezegd dat hij Onder censuur staat. Dit heet ook wel de Voorlopige excommunicatie of de Kleine ban: de kerkeraad verbiedt hem om aan het avondmaal deel te nemen.
De zonde moet dan wel zo ver zijn gekomen, dat hij Censurabel is: het moet gewettigd zijn om op deze zonde te reageren met censuur.
De kerkeraad kan ook besluiten tot Eenvoudige afhouding: iemand wordt dan tijdelijk afgehouden van het avondmaal om te onderzoeken of hij zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige, censurabele zonde. De censuur kan uitlopen op de werkelijke Excommunicatie, Ban of Buitensluiting uit de gemeente.
Wie daardoor getroffen wordt, behoort niet meer tot de gemeenschap van de kerk.

|130|

Op weg naar deze excommunicatie doet de kerkeraad driemaal een afkondiging aan de gemeente. Deze afkondigingen worden ook wel Trappen van censuur genoemd. Men spreekt dan over de eerste, tweede of derde trap. De tijd voordat de afkondigingen zijn gedaan is de periode van Stille Censuur.

Centrale Diaconale Conferentie — zie Vergadering

Citeren — zie Horen

Classicaal ressort — zie Ressort

Classicale Diaconale Conferentie/Classis/Coetus — zie: Vergadering

Colloquium — zie Examen

Combinatie § 3.6
Wanneer een gemeente te klein is om zelfstandig een predikant te kunnen onderhouden, kan ze een combinatie aangaan met een naburige gemeente. Samen kunnen ze dan een predikant beroepen.

Comité
Voor de behandeling van vertrouwelijke zaken gaat een vergadering in comité: er mogen dan geen toehoorders aanwezig zijn en alles wat besproken wordt mag niet aan anderen worden doorverteld. Een dergelijke comité-zitting heet ook wel een Besloten zitting. Daartegenover staat dan de Openbare of Publieke zitting.

Commissie — zie Deputaat

Concept-agendum — zie Agendum

Conferentie — zie Vergadering

Confessie — zie Belijdenis

Consistorie
1. De kerkeraad.
2. De plaats waar de kerkeraad bijeenkomt, ook genoemd: de Consistorie-kamer of Kerkeraadskamer.

Consistoriegebed — zie Ambtsgebed

Consistoriekamer — zie Consistorie

Consistoriocratie — zie Hiërarchie

Constatering — zie Besluit

Constitueren — zie Openen

Consulent — zie Vacature

Contracta (Classis contracta) — zie Vergadering

Correspondentie (met buitenlandse kerken) — zie Kerkverband

Credentiebrief — zie Instructie

Curator — zie Deputaat

|131|

Deputaat art. 5, 9, 14, 15, 32, 41, 42, 44-46, 49, 79; § 3.2, 3.4, 3.5, 5.2, 5.3, 5.6-5.8
Classis, particuliere en generale synode kunnen voor de uitvoering van hun opdrachten deputaten aanwijzen. Deze deputaten hoeven geen leden van de vergadering te zijn. Ze hoeven zelfs niet altijd ambtsdrager te zijn. Ze mogen aan hun opdracht blijven werken, ook als de vergadering die hen die opdracht gaf, inmiddels is gesloten. Ze brengen dan rapport uit aan de volgende vergadering.
Sommige deputaten hebben een eigen naam. De deputaten van de classis die de Kerkvisitatie of Visitatie uitvoeren heten Visitatoren of Kerkvisitatoren: zij bezoeken ieder jaar alle kerken in de classis om na te gaan of de ambtsdragers hun werk goed doen. De deputaten van de generale synode die toezicht houden op de opleiding voor de dienst des Woords heten Curatoren.
Vaak ook worden de deputaten genoemd naar het kerkorde-artikel dat met hun opdracht te maken heeft. Voorbeelden:
Deputaten ad art. 11 K.O. Dit zijn deputaten van de classis of de particuliere synode, die moeten adviseren over de steunverlening aan gemeenten die hun eigen predikant niet voldoende kunnen onderhouden.
Deputaten ad art. 19 K.O. Dit zijn deputaten van de generale synode, die zorg dragen voor de financiële ondersteuning van de studenten in de theologie.
Deputaten ad art. 22 K.O. Dit zijn de deputaten van de classis, de particuliere of de generale synode, die aan deze vergaderingen, maar ook aan de kerken, advies geven in diaconale aangelegenheden.
Deputaten ad art. 49 K.O. Dit zijn de deputaten van de particuliere synode, over wie speciaal gesproken wordt in artikel 49, dat zij de classes waar nodig moeten bijstaan. De kerkorde zelf noemt hen in artikel 79 „de in artikel 14 genoemde deputaten van de particuliere synode”.
De benoeming van deputaten van de particuliere synode gebeurt vaak na Voordracht van de betrokken personen door de verschillende classes.
Zo kent ook de generale synode deputaten die benoemd worden nadat ze door de particuliere synodes zijn voorgedragen.
Het geheel van de deputaten die voor één bepaalde taak zijn aangewezen heet een Deputaatschap.
Bij kerkeraden wordt niet gesproken over deputaten. Wel kent een kerkeraad Commissies. Ze zijn er in twee soorten:
Commissies binnen de kerkeraad. Deze commissies bestaan uit enkele leden van de kerkeraad. Ze zijn meestal tijdelijk van aard en hebben bijvoorbeeld als opdracht om een bepaalde zaak grondig uit te zoeken.
Commissies van de kerkeraad. Deze commissies bestaan uit gemeenteleden die meestal geen lid van de kerkeraad zijn. Ze zijn

|132|

meestal permanent van aard en zijn goed te vergelijken met de deputaten van de meerdere vergaderingen.
Voorbeelden: commissie van beheer en evangelisatiecommissie.
Ook classis, particuliere en generale synode kennen hun commissies: deze bestaan uit leden van de vergadering en hebben als taak een bepaalde zaak voor te bereiden voor behandeling in de vergadering. Ze zijn te vergelijken met de commissies binnen de kerkeraad.
Elke kerkelijke vergadering kan verder Afgevaardigden aanwijzen. Dit zijn enkele leden uit de vergadering die de vergadering mogen vertegenwoordigen in een andere bijeenkomst of vergadering.
De kerkorde spreekt alleen over afgevaardigden naar een meerdere kerkelijke vergadering. Zo bestaat een classisvergadering uit afgevaardigden van alle kerken in haar ressort.
Een particuliere synode bestaat uit afgevaardigden van alle classes in haar ressort. En de generale synode bestaat uit afgevaardigden van alle particuliere synodes.
Wanneer het om andere afgevaardigden gaat, dus niet naar een meerdere vergadering maar bijvoorbeeld voor het bezoeken van een bijeenkomst, spreekt men ook wel van een Deputatie.

Deputaatschap/Deputatie — zie Deputaat

Diaconale conferentie/Diaconale vergadering — zie Vergadering

Diaconie
1. De taak van de diaken.
2. De  diaconale vergadering.

Diaken/Dienaar des Woords — zie Ambt

Dienen — zie Dienst

Dienst art. 2, 4-10, 13, 15, 16, 18, 21-23, 25, 27, 56, 58, 61, 72, 80, 81
1. Vroeger werd met het woord ‘dienst’ het ambt aangeduid. Tegenwoordig is ‘dienst’ aanduiding van de inhoud van het ambt: ambtsdragers Dienen. Zij dienen de gemeente en daarmee de Here zelf. Daarin Bedienen zij hun ambt.
2. De ‘ouderling van dienst’ of Dienstdoende ouderling heeft een speciale taak rond de eredienst. Hij spreekt het ambtsgebed uit, geleidt de predikant naar de kansel (het Opbrengen) en geeft hem daar een Handdruk, als teken dat deze predikant ‘dienst’ mag doen. Na afloop van de eredienst volgt opnieuw een handdruk, als teken dat de predikant zijn dienst heeft volbracht.
3. De oude betekenis van het woord ‘dienst’ is nog te vinden in de uitdrukking Dienst der barmhartigheid als naam voor het ambt van diaken, en Dienst des Woords als naam voor het ambt van predikant, de dienaar des Woords.
4. Het woord ‘dienst’ kan ook slaan op de eredienst (zie bij Liturgie), vooral in samenstellingen: orde van dienst, rouwdienst.

|133|

5. Tenslotte kan het woord ‘dienst’ een alomvattende benaming zijn voor de hele taak van de kerk: de dienst van de kerk.
6. Het woord ‘bedienen’ is verder de naam voor het toepassen van de ambtelijke middelen: bediening van het Woord, bediening van de sacramenten, bediening van de tucht.

Dienstdoen — zie Dienst

Dominocratie — zie Hiërarchie

Doopattest — zie Attestatie

Dooplid art. 82; § 6.5, 6.6, 7.7
De kerk kent twee soorten leden:
Doopleden zijn zij die als kinderen in de kerk gedoopt zijn, maar nog geen belijdenis van het geloof hebben afgelegd;
Belijdende leden zijn zij die gedoopt zijn en bovendien belijdenis van hun geloof hebben afgelegd.
Pasgeboren kinderen die nog niet gedoopt zijn, mogen wel als leden van de kerk worden beschouwd; ze worden immers geen lid van de kerk omdat ze gedoopt zijn, maar ze worden gedoopt omdat ze behoren bij de kerk van Christus. Daarom moet de doop ook zo spoedig mogelijk plaats vinden. Blijft die doop achterwege, dan wordt het kind beschouwd als onttrokken aan de gemeenschap van de kerk. Kinderen worden daarom pas na hun doop opgenomen in de kerkelijke administratie.
Een Nalatig dooplid is een volwassen dooplid dat nalaat openbare belijdenis van het geloof te doen. Wanneer hij bovendien niets weten wil van Gods verbond met hem, wordt hij een Afkerig dooplid genoemd.

Doopsformulier/Drie formulieren van eenheid — zie Formulier

Dubbel getal/Dubbeltal — zie Tal

Eenvoudige afhouding — zie Censuur

Emeritaat — zie Bevestigen

Emeritaatsgeld — zie Honorarium

Emeriteren/Emeritus — zie Bevestigen

Emolumenten — zie Honorarium

Enkelvoudige kandidaatstelling/Enkelvoudige talstelling — zie Tal

Eredienst — zie Liturgie

E.t. — zie Moderamen

Evangelisatie art. 2, 24, 25, 26; § 2.4, 5.6
1. Verkondiging van het evangelie aan mensen die geen lid van de kerk zijn.
2. Meestal wordt de evangelisatie afgegrensd tegen de Zending. Bij de evangelisatie verkondigt de kerk het evangelie in de eigen omgeving, terwijl

|134|

bij de zending de kerk een of meer personen Uitzendt om in een andere omgeving het evangelie te brengen.
Wanneer deze personen predikant zijn, heten ze Zendeling of Missionair predikant.
De kerk die hen uitzendt is de Zendende kerk.
Naast de zendelingen kunnen er Zendingsmedewerkers zijn: ook zij werken in opdracht van de zendende kerk aan de verkondiging van het evangelie, maar ze zijn geen predikant.
Er kunnen ook zendingsmedewerkers worden geworden uit het zendingsgebied zelf; zij krijgen daarvoor een bepaalde opleiding en kunnen dan aan het werk als Evangelist.

Evangelist — zie Evangelisatie

Examen art. 2, 5, 6, 8, 18, 49; § 3.2, 3.3, 5.9
Er zijn verschillende kerkelijke examens, die allemaal worden afgenomen door de classis.
1. Het Preparatoir examen. Wie dit examen met goed gevolg aflegt, mag een jaar lang Proponeren binnen de kerken: hij mag als Proponent voorgaan in de eredienst en daar een eigengemaakte preek houden. Dit recht om voor te gaan, zonder dat men ambtsdrager is, heet ook wel Spreekconsent.
In deze periode mag de proponent door de kerken beroepen worden tot de dienst des Woords. Hij wordt daarom ook wel Kandidaat genoemd. Hij is Beroepbaar en het preparatoir examen wordt dan ook afgesloten met de Beroepbaarstelling door de classis.
Het preparatoir examen staat alleen open voor wie de theologische studie heeft voltooid. De kerken onderhouden daarvoor een speciale Opleiding tot de dienst des Woords: de Theologische Universiteit.
Wie bijzondere gaven heeft, maar geen theologische studie heeft kunnen volgen, kan na onderzoek door de particuliere synode worden toegelaten tot het preparatoir examen voor de classis.
Het preparatoir examen wordt afgenomen door de classis waarin de betrokken persoon woont.
In tijden van ernstig predikanten-tekort wordt ook wel spreekconsent verleend aan theologische studenten. Zij worden dan eveneens eerst door de classis onderzocht. Uiteraard zijn ze dan niet beroepbaar.
2. Het Peremptoir examen. Dit examen moet worden afgelegd door de kandidaat die een beroep heeft aanvaard. Pas na het examen kan hij als predikant worden bevestigd. Het examen wordt afgenomen door de classis waarin hij na bevestiging dienst zal doen.
3. Het Colloquium. Dit wordt gehouden bij de toepassing van artikel 9: de toelating van voorgangers die sinds kort lid van een der kerken zijn. Het is geen examen in die zin, dat zij hun kunnen moeten bewijzen; wel een onderzoek naar hun kennis van de gereformeerde leer en kerkregering.

|135|

Ook wordt dit colloquium gehouden met wat artikel 6 noemt „predikanten die buiten Nederland gediend hebben in kerken van gereformeerde belijdenis”.
Het moet wel worden onderscheiden van het Colloquium doctum, dat geen kerkelijk examen is; het wordt afgenomen door de hoogleraren in de theologie en kan worden afgelegd door personen die hun theologische studie aan een andere dan de kerkelijke opleiding hebben genoten; na goed gevolg kunnen zij zich aanmelden voor het preparatoir examen.
4. Het Zendingsexamen. Dit examen moet worden afgelegd door elke predikant die dienst wil gaan doen in het zendingswerk, een beroep daarvoor heeft aangenomen en de speciale opleiding heeft voltooid (de Gereformeerde Missiologische Opleiding). Dit examen wordt afgenomen na de bevestiging tot missionair predikant.

Excommunicatie — zie Censuur

Formalisme § 1.2
Men spreekt over een formalistisch gebruik van de kerkordelijke regels, wanneer iemand ze strekt toepast zonder na te gaan of daarmee in de gegeven situatie de vrede wordt bevorderd.
Daartegenover staat het Formeel optreden: ook dan is er sprake van strikte toepassing van de kerkelijke regels, maar dan met het uitdrukkelijke doel om daarmee de vrede te bewaren of te hervinden.

Formeel — zie Formalisme

Formulier art. 5, 6, 20, 53, 54, 59, 61, 70, 76, 78, 82; § 3.3, 4.2, 6.4
1. Voor allerlei bijzondere onderdelen van de eredienst bestaan Liturgische formulieren. Voorbeelden zijn het Doopsformulier, het Avondmaalsformulier, het Huwelijksformulier en de formulieren voor de bevestiging van de verschillende ambtsdragers, de Bevestigingsformulieren.
2. De Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels heten samen de Drie formulieren van eenheid. Die eenheid is de eenheid van het geloof, basis voor de eenheid van de kerk.
3. Alle ambtsdragers moeten een formulier ondertekenen waarin ze trouw beloven aan de drie formulieren van eenheid. Hiervoor bestaan speciale Ondertekeningsformulieren.

Geloofsbelijdenis — zie Belijdenis

Geloofsbrief — zie Instructie

Gemeente — zie Kerk

Gemeentevergadering — zie Vergadering

Generale regeling art. 6, 8, 9; § 1.3
Ook wel genoemd: Generale kerkelijke bepalingen of Synodale bepalingen.
Dit zijn aanvullende regels bij de kerkorde, opgesteld door de generale synode.

|136|

Generale synode — zie Vergadering

Gereformeerde Kerken in Nederland, de — zie Kerkverband

Gereformeerde Missiologische Opleiding — zie Examen

Goedkeuring (door de gemeente)/Gravamen — zie Bezwaarschrift

Grond — zie Besluit

Handdruk — zie Dienst

Handelingen (van een Generale synode) — zie Verslag

Handoplegging — zie Bevestigen

Herinstitueren — zie Institueren

Heropenen — zie Schorsen

Hiërarchie § 3.6, 5.5
Letterlijk: regering door de heiligen. Het woord wordt gebruikt om een bepaalde vorm van kerkregering mee aan te duiden. De kerk wordt dan gezien als een landelijke organisatie, die gezag oefent over allerlei plaatselijke afdelingen. Omdat het hoogste gezag in zo’n geval vaak bij een generale synode ligt, spreekt men ook wel van Synodocratie. Het woord hiërarchie wordt ook wel algemeen gebruikt in situatie waarin bepaalde ambtsdragers zichzelf te veel macht aanmatigen.
Een voorbeeld is de Dominocratie: een of meer predikanten heersen over hun mede-ambtsdragers.
Een ander voorbeeld is de Consistoriocratie: de kerkeraad regeert de gemeente zonder invloed van anderen toe te staan. Meestal gaat dit gepaard met Independentisme, het streven naar onafhankelijkheid: de kerkeraad voert de besluiten van classes en synodes alleen uit als hij het er zelf mee eens is.

Honorarium § 3.4
Dit is de algemene term voor het geld dat een predikant voor zijn ambtswerk ontvangt. Andere ambtsdragers krijgen geen geld voor hun werk; hooguit een onkostenvergoeding.
Het vaste inkomen van een predikant in actieve dienst heet Traktement. De vergoedingen die de kerk daarnaast nog geeft heten Emolumenten.
Het inkomen van een emeritus-predikant heet ook wel Emeritaatsgeld.

Hoorcommissie — zie Horen

Horen
1. Wanneer een kerkelijke vergadering zich moet bezighouden met een geschil, kan ze besluiten de partijen te gaan horen. Dit kan door een commissie naar de betrokken personen te laten gaan, het kan ook door de

|137|

betrokken personen in de vergadering te laten komen. De laatste mogelijkheid wordt het Citeren genoemd.
2. Wanneer een kerk overweegt om een bepaalde predikant te beroepen, kan ze Hoorders op hem af sturen. Deze hoorders beluisteren een preek van de predikant. Ook voeren ze vaak een gesprek met hem en met enkele leden uit zijn huidige gemeente. De hoorders maken deel uit van een Hoorcommissie.

H.t. — zie Moderamen

Huisbezoek art. 21, 22, 55; § 2.7
1. Het bezoek van een ambtsdrager bij een gemeentelid aan huis.
2. Het jaarlijkse bezoek van twee ouderlingen op elk adres in de gemeente.
3. Een speciaal bezoek van een of meer diakenen op elk adres in de gemeente, waarbij men in een bepaalde tijd de hele gemeente rond wil komen.

Huwelijksbevestiging — zie Bevestigen

Huwelijksformulier — zie Formulier

Independentisme — zie Hiërarchie

Institueren § 5.7
Het instellen van de ambten op een bepaalde plaats, waardoor daar een nieuwe, zelfstandige kerk ontstaat. Wanneer daar eerder ook al een kerk was geweest, spreekt men van Herinstituering.

Instructie art. 32, 33, 41, 52; § 5.3
1. Deputaten en commissies krijgen een instructie. Deze instructie bevat een omschrijving van hun taak. De instructie is nooit vrijblijvend: men moet hem volledig uitvoeren en men mag niets doen wat buiten de instructie valt.
2. Afgevaardigden naar een meerdere vergadering kunnen ook een instructie meekrijgen. Deze instructie bevat dan de opdracht om een of meer zaken op de vergadering aan de orde te stellen. Dat kan zijn: de mening van de afvaardigende vergadering over een bepaalde kwestie, een voorstel van de afvaardigende vergadering, of een vraag om advies.
Voor het overige hebben de afgevaardigden geen instructie nodig. Ze hebben namelijk een Mandaat: binnen de grenzen van Gods Woord en de kerkorde mogen ze naar bevind van zaken handelen in alles wat tijdens de vergadering aan de orde komt.
Ook hoeft een instructie niet in te houden dat de afgevaardigden verplicht zijn om in een bepaalde zaak te stemmen overeenkomstig de mening van de vergadering die hen afvaardigde. Hebben ze daartoe in een bijzonder geval wel opdracht gekregen, dan heet dit een Bindend mandaat. Afgevaardigden kunnen dus ook wel zonder instructie op een vergadering verschijnen. Maar ze kunnen niet zonder hun mandaat.
Dat mandaat wordt omschreven in hun Credentiebrief of Geloofsbrief. Deze brief is ondertekend namens de vergadering die hen heeft afgevaardigd. Naast de omschrijving van het mandaat bevat hij de namen van de afgevaardigden en, zo nodig, van hun vervangers. Ook kan

|138|

in deze brief de instructie worden opgenomen, of een samenvatting daarvan.
Het mandaat wordt ook wel omschreven met de woorden Last en volmacht: de afgevaardigden hebben opdracht (last) maar ook de vrijheid (volmacht) om in alle voorkomende zaken te handelen volgens Gods Woord en de kerkorde.
De vergadering die hen afvaardigt heet daarom ook wel hun Lastgever.

Intrede — zie Bevestigen

Kandidaat — zie Examen

Kandidaatstelling — zie Tal

Kerk art. 1, 4-14, 16-21, 23-27, 30, 32, 36, 41-47, 51-53, 55, 57, 58, 63-65, 68, 69, 72, 75, 77-79, 82-84; § 4.1
1. De woorden ‘kerk’ en Gemeente zijn beide een aanduiding van de plaatselijke kerkelijke gemeenschap.
Bij het woord ‘kerk’ ligt meer nadruk op de eenheid van de plaatselijke gemeenschap, zoals die geleid wordt door de kerkeraad. ‘De kerken inlichten’ betekent in de praktijk vaak ‘de kerkeraden inlichten’.
Bij het woord ‘gemeente’ ligt de nadruk meer op het complete aantal leden van de gemeenschap. ‘De gemeente inlichten’ betekent in de praktijk dat zo mogelijk alle leden van die gemeente worden ingelicht.
2. De woorden ‘kerk’ en ‘gemeente’ worden ook gebruikt voor de gemeenschap die Christus Zich vergadert door de hele geschiedenis en over de hele wereld.
Om misverstand te voorkomen spreekt de kerkorde dan steeds over De gemeente van Christus.

Kerkelijke bepaling — zie Generale regeling

Kerkelijke gemeenschap — zie Kerkverband

Kerkelijke huwelijksbevestiging — zie Bevestigen

Kerkelijke vergadering — zie Vergadering

Kerkelijke weg — zie Meerdere vergadering

Kerkenordening — zie Kerkverband

Kerkeraad — zie Vergadering

Kerkeraadskamer — zie Consistorie

Kerkorde — zie Kerkverband

Kerkverband art. 1, 9, 24, 31, 36, 47, 49, 53, 60, 84; § 5.9
1. De band die bestaat tussen alle kerken van gereformeerde belijdenis, waar ook ter wereld. Deze kerken erkennen elkaar als Zusterkerken. De band wordt onderhouden door middel van kerkelijke Correspondentie. Dit heet ook wel het onderhouden van Kerkelijke gemeenschap.
2. De term ‘kerkverband’ wordt vooral gebruikt als aanduiding van de

|139|

kerkelijke gemeenschap tussen de zusterkerken in eigen land. De naam van dit kerkverband luidt De Gereformeerde Kerken in Nederland. Om verwarring te voorkomen wordt daar zo nodig de aanduiding (vrijgemaakt) aan toegevoegd.
De regels voor deze gemeenschap zijn vastgelegd in de Kerkorde, vroeger Kerkenordening genoemd.
3. De term ‘kerkverband’ wordt ook wel gehanteerd als aanduiding voor de hele organisatie die er binnen het nationale kerkverband is opgebouwd: classes, particuliere en generale synodes, met hun deputaatschappen.

Kerkvisitatie/Kerkvisitator — zie Deputaat

Keurstem — zie Stemrecht

Kleine ban — zie Censuur

Kluft — zie Wijk

Kort verslag — zie Verslag

Last en volmacht/Lastgever — zie Instructie

Leer en leven — zie Attestatie

Leesdienst — zie Voorganger

Liturgie art. 1, 5, 6, 20, 56, 61, 65, 67, 68, 82; § 6.2
1. Alles wat samenhangt met de Eredienst: de samenkomst van de gemeente om de Here te eren en te luisteren naar de ambtelijke verkondiging van zijn Woord. Bij de term ‘liturgie’ denkt men dan vooral aan de vormgeving van de eredienst.
2. Een bepaalde Orde van dienst: de volgorde van de elementen in de eredienst.
3. De volgorde van de elementen uit één speciale dienst.
4. Opsomming van de psalmen en gezangen die in een bepaalde dienst gezongen zullen worden. Ook wel genoemd het Psalmbriefje. Vaak worden hier aan toegevoegd het te lezen Bijbelgedeelte en de tekst voor de preek.

Liturgische formulieren — zie Formulier

Losmaking — zie Schorsen

Mandaat — zie Instructie

Materiaal — zie Besluit

Meerdere vergadering art. 31-33, 41, 48-50; § 4.5, 5.5
1. Wanneer er wordt gesproken over een (’n) meerdere vergadering, kan het gaan over de classis, de particuliere of de generale synode, in onderscheid van de kerkeraad. ‘Meerdere vergadering’ is dan een verzamelnaam voor die kerkelijke vergaderingen, waarin meerdere kerken samenkomen. De generale synode heet daarom ook wel de Meeste vergadering, omdat daarin de meeste, namelijk alle kerken samenkomen. Op de zelfde manier zou de kerkeraad de Minste vergadering genoemd kunnen worden, maar deze term is vrij ongebruikelijk.

|140|

2. Wanneer er wordt gesproken over de meerdere vergadering, is er steeds de vergelijking met een andere vergadering, die dan de mindere vergadering wordt genoemd.
Zo is de classis de meerdere vergadering van de kerkeraad, en de kerkeraad de mindere vergadering van de classis. De particuliere synode is de meerdere vergadering van de classis, zodat de classis de mindere vergadering is van de particuliere synode. Tenslotte is de generale synode de meerdere vergadering van de particuliere synode, en omgekeerd is de particuliere synode de mindere vergadering van de generale synode.
Samen vormen deze schakels de Kerkelijke weg: deze houdt in dat men altijd via de kerkeraad naar de classis moet gaan, altijd via de classis naar de particuliere synode, en altijd via de particuliere synode naar de generale synode. Dus nooit van zomaar een mindere vergadering naar zomaar een meerdere vergadering, maar altijd van de mindere vergadering naar de meerdere vergadering.

Meeste vergadering — zie Meerdere vergadering

Militaire attestatie — zie Attestatie

Mindere vergadering/minste vergadering — zie Meerdere vergadering

Missiologische opleiding — zie Examen

Missionair predikant — zie Evangelisatie

Moderamen art. 34, 36, 41; § 3.5, 5.4
Elke kerkelijke vergadering heeft een Praeses, die de vergadering voorzit. Hij moet er voor zorgen dat alle zaken op een duidelijke manier aan de orde worden gesteld en ordelijk worden afgehandeld. Deze taak wordt wel aangeduid met het woord Praesidium.
Daarnaast kent elke kerkelijke vergadering een Scriba, die moet zorgen voor de schriftelijke verwerking van alles wat behandeld is: het Scribaat.
Daarnaast kennen de classis, de particuliere synode en de generale synode nog een Assessor. Zijn taak is om de praeses bij te staan in de leiding van de vergadering en hem zo nodig te vervangen: het Assessoraat. Binnen de kerkeraad kent men vaak ook een assessor, maar dan heet hij meestal Tweede praeses.
Het werk van een scriba is meestal zo veelomvattend, dat het over twee personen wordt verdeeld. De particuliere synode, de generale synode en ook veel kerkeraden kennen daarom zowel een Scriba I als ook een Scriba II.
De classis kent gewoonlijk maar één scriba; zijn taak wordt mee gedragen door de assessor, die met name het Kort Verslag voor zijn rekening neemt.
De praeses, de scriba, de eventuele tweede praeses, de eventuele assessor en de eventuele scriba II vormen samen het moderamen.

|141|

Dit moderamen zal er dus gewoonlijk zo uitzien:
— kerkeraad: praeses, tweede praeses, scriba I, scriba II
— classis: praeses, assessor, scriba
— particuliere en generale synode: praeses, assessor, scriba I en scriba II.
Het moderamen geeft gezamenlijk leiding aan de vergadering. Soms krijgt het de bevoegdheid om een komende vergadering, of een onderdeel van een vergadering, voor te bereiden. Ook kan de uitvoering van bepaalde besluiten aan het moderamen worden opgedragen.
Achter de woorden praeses, scriba of assessor ziet men nog wel eens de afkorting h.t. staan, of ook: e.t. Deze afkortingen betekenen respectievelijk ‘hoc tempore’ (‘momenteel’) en ‘eo tempore’ (‘destijds’). Voorbeeld van gebruik: wanneer een classisvergadering twee avonden duurt (twee ‘zittingen’) en de assessor verzendt voor de tweede zitting een Kort Verslag van de eerste, dan zal hij ondertekenen met ‘assessor h.t.’; de vergadering is immers nog gaande, dus is hij nog steeds assessor. Verzendt hij het Kort Verslag na de tweede en laatste zitting, dan moet hij ondertekenen met ‘assessor e.t.’; de vergadering is afgelopen, dus is hij geen assessor meer.

Nabetrachting/Nabetrachtingspreek — zie Voorbereiding

Naburig art. 39, 79
1. Een (’n) naburige gemeente is gewoonweg: een gemeente die in de zelfde omgeving is gelegen. Zo kan er ook worden gesproken over een naburige kerk of een naburige kerkeraad.
2. De naburige gemeente is iets anders: de classis wijst voor elke kerk de naburige gemeente aan. De kerkeraad van die aangewezen naburige gemeente moet zijn instemming geven bij de tucht over ambtsdragers.

Nalatig dooplid — zie Dooplid

Notulen — zie Verslag

Ondertekeningsformulier — zie Formulier

Onderzoek — zie Catechisatie

Onontvankelijk — zie Ontvankelijk

Ontheffing/Ontslag — zie Schorsen

Onttrekken — zie Opzicht

Ontvankelijk § 5.5
Een kerkelijke vergadering mag niet alle zaken in behandeling nemen. Artikel 30 van de kerkorde geeft hiervoor de regels aan.
Een zaak die een vergadering wel mag behandelen, heet ontvankelijk. Mag de vergadering iets niet behandelen, dan is die zaak of die brief Onontvankelijk.

Oordeel — zie Besluit

Opbrengen — zie Dienst

Openbare belijdenis — zie Belijdenis

Openbare zitting — zie Comité

|142|

Openen art. 29; § 5.1
Elke vergadering begint met de opening. Bij de kerkeraad wordt deze opening verricht door de praeses, die al op een eerdere vergadering is aangewezen.
Bij classis, particuliere synode en generale synode gebeurt het door een afgevaardigde van de kerk die de vergadering heeft samengeroepen.
Deze afgevaardigde kijkt ook alle geloofsbrieven na, om te onderzoeken of alle opgeroepen afgevaardigden inderdaad volgens de regels aanwezig zijn.
Is dit het geval, dan Constitueert de vergadering zich: de vergadering verklaart zich een wettige classis, particuliere of generale synode.
Dan wordt ook meteen het moderamen aangewezen of verkozen. Daarom gebruikt men het woord constituering ook wel voor het plaatsnemen van het moderamen.

Opleiding — zie Examen

Opzicht art. 37; § 2.5, 5.6, 7.8
Het toezicht van de ouderlingen op de gemeente en hun mede-ambtsdragers. Het woord wordt meestal gebruikt in de uitdrukking Opzicht en tucht: daarmee wordt aangegeven dat het toezicht zo nodig kan leiden tot tuchtoefening, het ambtelijk optreden tegen de zonde in de gemeente.
Iemand kan zich Stellen onder opzicht en tucht van de kerkeraad. Het betreft dan iemand die belijdenis van het geloof heeft afgelegd in een kerk waar geen kerkelijke gemeenschap mee wordt onderhouden, en die zich wil voegen bij een bepaalde gereformeerde kerk.
Evenzo kan iemand zich Onttrekken aan opzicht en tucht van de kerkeraad: hij deelt dan mee het toezicht van de ouderlingen en de eventuele tuchtoefening niet langer te willen verdragen. In dat geval onttrekt hij zich eveneens aan de gemeenschap van de kerk.

Orde van dienst — zie Liturgie

Ouderling — zie Ambt

Ouderlingenconferentie — zie Vergadering

Overweging — zie Besluit

Particuliere synode — zie Vergadering

Particulier synodaal ressort — zie Ressort

Peremptoir examen — zie Examen

Persoonlijke rondvraag — zie Rondvraag

Persverslag — zie Verslag

Praeses/Praesidium — zie Moderamen

Predikant — zie Ambt

Predikantenconferentie/Predikantencongres — zie Vergadering

Preekconsent = Spreekconsent — zie Examen

Preeklezer — zie Voorganger

|143|

Preekvoorziener
In opdracht van de kerkeraad zoekt de preekvoorziener naar predikanten die kunnen voorgaan in de erediensten waarvoor geen eigen predikant beschikbaar is.

Preparatoir examen — zie Examen

Primus
Letterlijk: ‘eerste’. Deze benaming wordt gebruikt voor een afgevaardigde of een deputaat, om hem te onderscheiden van zijn vervanger. Die vervanger heet dan Secundus, letterlijk ‘tweede’.
Een secundus treedt op wanneer de primus verhinderd is om zijn taak uit te voeren. Bij deputaatschappen gebeurt het ook wel dat een secundus meteen bij de werkzaamheden wordt betrokken, maar dan meestal in mindere mate dan de primus. Bij afvaardigingen naar de particuliere synode of de generale synode is het gebruikelijk ook nog een vervanger voor de secundus aan te wijzen: de Tertius, ‘derde’.
Een enkele keer wordt er zelfs een vervanger voor de tertius benoemd: de Quartus, ‘vierde’.
Het meervoud van primus is primi, van secundus secundi, van tertius tertii en van quartus quarti (niet quartii).
Wanneer een afvaardiging of deputaatschap uit meer personen bestaat, kan men toch volstaan met slechts één secundus. Deze is dan vervanger voor elk van de primi.
Maar vaak worden er evenveel secundi aangewezen als er primi zijn, zodat elke primus zijn eigen secundus heeft.
Wanneer er meer dan een secundus is aangewezen, maar het aantal secundi is toch minder dan het aantal primi, wordt het aan de wijsheid van de primi overgelaten om de voorkomende werkzaamheden zo eerlijk mogelijk onder de secundi te verdelen.

Proponeren/Proponent — zie Examen

Provinciale diaconale conferentie — zie Vergadering

Provisorisch sluiten — zie Schorsen

Psalmbriefje — zie Liturgie

Publieke acta — zie Verslag

Publieke zitting — zie Comité

Quaestor — zie Quotum

Quartus — zie Primus

Quotum
Wanneer een classis, particuliere of generale synode bepaalde geldelijke uitgaven doet, worden de kosten gedragen door alle kerken uit het ressort. Daarbij draagt elke kerk bij naar verhouding van het aantal leden. Het bedrag dat per lid moet worden betaald heet het quotum.
Het geld dat zo wordt bijeengebracht, wordt beheerd door een Quaestor.

|144|

Rapport — zie Verslag

Ratificatie — zie Ratificeren

Ratificeren
Wanneer een mindere vergadering het besluit van een meerdere vergadering als bindend erkent, ratificeert zij daarmee dat besluit van die meerdere vergadering.
Deze Ratificatie kan stilzwijgend plaatsvinden. Elk besluit van een meerdere vergadering is immers bindend voor de mindere vergadering, tenzij bewezen wordt dat het in strijd is met Gods Woord of met de kerkorde.

Reisattestatie — zie Attestatie

Ressort art. 5, 8, 24, 41, 44; § 5.7
1. Het gebied waarin de leden van een bepaalde kerk wonen. In dit gebied kunnen verschillende plaatsen liggen. Die plaatsen en de kerkleden die er wonen, Ressorteren dan onder die ene kerk.
Voorbeelden: Houwerzijl ligt in het ressort van de kerk te Ulrum; ’s Gravenzande ressorteert onder de kerk te Monster.
2. Het gezamenlijke gebied van kerken die behoren bij een bepaalde classis. Al deze kerken en hun leden ressorteren dan onder die classis; ze bevinden zich binnen het ene Classicale ressort.
Voorbeeld: de kerk te Ulrum ressorteert onder de classis Warffum.
3. Het gezamenlijke gebied van kerken die behoren bij een bepaalde particuliere synode. Al deze kerken, hun leden en hun classes vallen binnen dit Particulier synodaal ressort.
Voorbeeld: de classis ’s Gravenhage ressorteert onder de particuliere synode Zuid-Holland.
Het is niet gebruikelijk om te spreken over een generaal synodaal ressort; in de generale synode komen immers alle gereformeerde kerken van Nederland samen.

Ressorteren — zie Ressort

Revisie/Revisie-verzoek — zie Bezwaarschrift

Roepen art. 3-7, 15, 20, 23-25, 43, 45, 46, 65; § 3.4, 4.3, 5.1, 6.1
1. In het algemeen betekent het roepen, dat een bepaalde taak met gezag wordt opgelegd. Zo kan de kerkorde spreken over een ‘zendingsroeping’: God legt met zijn gezag aan de kerken de taak op om overal ter wereld het evangelie uit te dragen.
2. In het bijzonder wordt door de kerkorde gesproken over roeping tot het ambt. Dit gebeurt door de kerkeraad met de diakenen, in samenwerking met de gemeente. En in die weg is het weer God zelf, die roept.
Bij de roeping van predikanten hoort als eerste stap de Beroeping, ook genoemd: het Beroep. Dit is het verzoek van kerkeraad en gemeente aan een bepaalde kandidaat of predikant om zich als dienaar des Woords te geven aan die gemeente. De kandidaat of predikant zal dit beroep ernstig overwegen om na te gaan of God zelf hem daarin roept.
Het beroep wordt overgebracht door een Beroepsbrief.

|145|

Deze beroepsbrief moet niet worden verward met een Beroepschrift, waarin iemand zich volgens artikel 31 beroept op de meerdere vergadering. Zie daarover bij Bezwaarschrift.
3. Iemand kan een roeping voelen voor het ambt van bijvoorbeeld ouderling. Dat wil zeggen dat hij bij zichzelf overweegt dat er ouderlingen nodig zijn en dat hij zelf daarvoor bepaalde gaven heeft.
Dit betekent nog niet dat hij zich mag opdringen als ouderling; wel mag hij zich er verder op voorbereiden en dan een werkelijke roeping afwachten.
4. Elke kerkelijke vergadering wordt Samengeroepen. Bij een meerdere vergadering gebeurt dat door een kerk die daarvoor door de vorige vergadering is aangewezen. Deze kerk heet de Samenroepende kerk of ook de Roepende kerk.
Ook voor deputaatschappen en commissies wordt meestal een samenroeper aangewezen; in dit geval is de term alleen maar ‘samenroeper’ en nooit ‘roeper’.
Het woord samenroepen wordt verder nog gebruikt voor het roepen van de gemeente door de kerkeraad naar de eredienst.

Rondvraag § 2.9, 5.7
Bij de rondvraag krijgen alle leden van een vergadering de gelegenheid om iets naar voren te brengen. Wanneer de uitnodiging daarvoor in het algemeen wordt gedaan, spreekt men van een Algemene rondvraag. Wordt ieder bij name gevraagd of hij iets zeggen wil, dan is er sprake van een Persoonlijke rondvraag.
Elke classisvergadering kent verder een Rondvraag naar art. 41 K.O., waarin de praeses aan alle kerken de vragen stelt die hem in artikel 41 worden voorgeschreven.
Binnen de kerkeraad wordt het onderlinge toezicht van de ambtsdragers regelmatig uitgevoerd via een Rondvraag naar art. 81 K.O. (zie ook bij Censuur).

Samenroepen — zie Roepen

Samenroepende kerk — zie Adresvoerende kerk en Roepen

Schorsen art. 7, 14, 15, 29, 34, 52, 53, 79, 80; § 3.4, 7.6, 7.8
1. Wanneer een ambtsdrager een ernstige zonde begaat, mag hij zijn ambt niet meer uitoefenen. Hij wordt dan geschorst. Dit is een voorlopige maatregel, die dus ook maar voor een bepaalde tijd genomen kan worden. Als hij zijn ambt definitief moet verliezen wordt hij Afgezet.
Ambtsdragers kunnen zelf Ontheffing vragen uit het ambt. Zij kunnen dit doen om aan schorsing of afzetting te ontkomen. Ook kunnen ze ontheffing vragen wanneer ze menen om allerlei redenen niet langer in staat te zijn tot de vervulling van hun ambt.
Een kerkeraad kan een predikant Ontslag geven. Dit is mogelijk wanneer de predikant in die ene kerk niet meer met vrucht kan werken, terwijl dat in in een andere kerk wel mogelijk zou zijn. Dit ontslag heet ook wel

|146|

Losmaking. De predikant kan dan in een andere kerk worden beroepen; bij schorsing, afzetting of ontheffing is dat niet mogelijk.
Het woord ‘ontslag’ wordt ook gebruikt wanneer een dienstdoende predikant een beroep aanneemt naar een andere kerk. Zijn eigen kerk moet hem dan laten gaan en geeft hem daarom een Akte van ontslag. Ook de classis zal hem een dergelijke akte meegeven; daarin wordt hij ontslagen van de verplichtingen die hij binnen de classis had, bijvoorbeeld als kerkvisitator.
Zo kunnen ook allerlei deputaten na gedane arbeid worden ontslagen door de vergadering die hen heeft benoemd.
2. Ook een vergadering kan geschorst worden. Dit houdt in dat de vergadering een tijdlang wordt onderbroken. Duurt die onderbreking langere tijd, dan begint bij de Heropening een nieuwe Zitting. Eén vergadering kan zo vele zittingen tellen.
Aan het eind van de laatste zitting wordt de vergadering Gesloten.
Er bestaat ook een tussenvorm tussen sluiting en schorsing van een vergadering: de Provisorische sluiting. Deze wordt toegepast wanneer wel alle zaken zijn afgehandeld, maar de mogelijkheid bestaat dat de vergadering in een bepaalde zaak na verloop van tijd nog aanvullende besluiten zal moeten nemen.

Schuldbelijdenis — zie Belijdenis

Scriba/Scribaat — zie Moderamen

Secundus — zie Primus

Simonie art. 80; § 7.6
In Handelingen 8: 18-20 wordt verteld over een zekere Simon, die geld bood om een ambtelijke bevoegdheid te krijgen. Vandaar de naam ‘simonie’ voor elke poging om met geld of goederen een bepaalde positie als ambtsdrager te veroveren.

Sluiten — zie Schorsen

Smal (Kerkeraad smal) — zie Vergadering

Spreekconsent — zie Examen

Stellen onder opzicht en tucht — zie Opzicht

Stemrecht art. 32, 42; § 5.3
Het recht om een stem uit te brengen die meeweegt in de besluitvorming. Dit stemrecht heet ook wel het recht van Keurstem, om het te onderscheiden van de Adviserende stem. Wie adviserende stem heeft, mag wel meespreken in de vergadering, maar niet meebeslissen. Wie keurstem heeft, mag beide: meespreken en meebeslissen.

Stille censuur — zie Censuur

Synodale bepaling — zie Generale regeling

Synode — zie Vergadering

Synodocratie — zie Hiërarchie

|147|

Tal art. 20; § 4.3
Bij de roeping van ouderlingen en diakenen moet de kerkeraad de gemeente laten kiezen uit een aantal personen, tweemaal zoveel als er verkozen moeten worden: een Dubbel getal.
De opstelling van deze lijst door de kerkeraad heet de Talstelling. De personen die op deze lijst voorkomen, staan op tal.
Hoeft er maar één ambtsdrager verkozen te worden, zodat er dus slechts twee kandidaten zijn, dan spreekt men van een Tweetal of Dubbeltal. Soms gebruikt men het woord ‘dubbeltal’ ook voor meer dan twee kandidaten, wanneer dus eigenlijk ‘dubbel getal’ is bedoeld.
Eventueel kan de kerkeraad evenveel personen voorstellen als er ambtsdragers nodig zijn. Er is dan sprake van Enkelvoudige talstelling of Enkelvoudige kandidaatstelling.
Een enkele keer wordt de vorm van het tweetal ook toegepast bij de roeping van predikant.

Talstelling — zie Tal

Tertius — zie Primus

Theologische Universiteit — zie Examen

Traktement — zie Honorarium

Trap (van censuur) — zie Censuur

Tucht — zie Censuur en Opzicht

Tweetal — zie Tal

Uitspraak — zie Besluit

Uitzenden — zie Evangelisatie

Vacant — zie Vacature

Vacature art. 5, 6, 43; § 3.7
Wanneer een kerk een ambtsdrager minder heeft dan men wilde, bestaat er een vacature. Dat kan dus een open plaats zijn voor een predikant, een ouderling of een diaken.
Wanneer een gemeente geen dienstdoende predikant heeft, heet ze Vacant. De classis wijst voor zo’n gemeente een andere predikant aan als Consulent, dat is: adviseur van de kerkeraad.

Vergadering art. 1, 5-12, 14, 15, 17, 20, 26, 28-53, 57, 60, 62-70, 74-77, 79, 82, 84; § 2.8, 4.3, 5.1, 5.2, 5.6, 5.7
1. De kerkorde kent slechts vier Kerkelijke vergaderingen: de Kerkeraad, de Classis, de Particuliere synode en de Generale synode. Alleen deze vergaderingen kunnen besluiten nemen die bindend zijn voor de kerken.
Binnen deze rij is alleen de kerkeraad een Ambtelijke vergadering: een vergadering van ambtsdragers, die ambtelijke handelingen mag verrichten.
De andere vergaderingen zijn vergaderingen van kerken of, preciezer gezegd, vergaderingen van afgevaardigden van de kerken. Ze heten ook wel Meerdere vergaderingen (zie aldaar).
De classis is een vergadering van afgevaardigden van kerkeraden. De

|148|

particuliere synode is een vergadering van afgevaardigden van classes. De generale synode is de vergadering van de afgevaardigden van de particuliere synodes.
De kerkeraad vergadert soms met, soms zonder de diakenen. Voor het gemak worden deze beide vormen wel aangeduid als Kerkeraad-breed en Kerkeraad-smal.
Een Classis contracta is een vergadering van slechts enkele kerken uit de classis, die gemachtigd zijn om bepaalde formaliteiten namens de classis af te handelen.
Een Classis ad hoc is een classisvergadering die speciaal wordt belegd om een bepaalde zaak af te handelen. Andere zaken dan die, waarvoor de vergadering is bijeengeroepen, mogen dan niet in behandeling komen. Het zelfde geldt voor een Particuliere of Generale synode ad hoc. Een dergelijke vergadering heet ook wel een Buitengewone classis of Buitengewone synode.
Het meervoud van classis luidt ‘classes’.
2. Als niet-kerkelijke vergadering noemt artikel 41 van de kerkorde de bijeenkomst van de diakenen, de Diaconale vergadering. Diakenen kunnen elkaar verder ontmoeten op een Classicale diaconale conferentie, een Provinciale diaconale conferentie of een Centrale diaconale conferentie.
Ook voor ouderlingen en predikanten bestaan er Ouderlingenconferenties en Predikantenconferenties. De ouderlingenconferenties zijn landelijk. Een Predikantencongres is een meerdaagse bijeenkomst van predikanten. Een Coetus is een bijeenkomst van predikanten uit een classis.
Al deze bijeenkomsten hebben geen bevoegdheid om besluiten te nemen die bindend zijn binnen de kerken.
Aparte vermelding verdient de Vergadering van de kerkeraad met de gemeente, ook wel Gemeentevergadering genoemd. Ook deze vergadering kan geen bindende besluiten nemen. Wel kan de kerkeraad van tevoren uitspreken dat hij zich zal houden aan de uitslag van een stemming in deze vergadering. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn bij de verkiezing van ambtsdragers. In zo’n geval wordt het stemrecht alleen toegekend aan de mannelijke leden die toegang hebben tot het avondmaal.

Verslag art. 44, 49; § 5.4
1. Elke vergadering legt zijn handelingen vast in een officieel verslag. Bij kerkeraad en classis zijn dit de Notulen, bij de particuliere en generale synode zijn het de Acta.
De acta mogen door ieder worden ingezien. Daarom worden vertrouwelijke zaken apart opgenomen in de Vertrouwelijke acta. Bij de generale synode worden deze ook wel de Handelingen genoemd.

|149|

De niet-vertrouwelijke acta heten hierom ook wel de Publieke acta.
2. De meeste kerkelijke vergaderingen stellen een Persverslag samen, ook genoemd het Kort verslag.
3. Wanneer iemand verslag uitbrengt aan zijn opdrachtgevers, heet dit een Rapport. De afgevaardigden naar de classis brengen rapport uit op de eigen kerkeraad; de deputaten van de synode brengen rapport uit aan de volgende synode; de commissie van de synode brengt rapport uit op een volgende zitting.

Vertrouwelijke acta — zie Verslag

Visitatie/Visitator — zie Deputaat

Volmacht — zie Instructie

Voorbereiding § 6.7
Hiermee wordt wel in het bijzonder de voorbereiding op de viering van het avondmaal bedoeld, en dan vooral de Voorbereidingspreek, die gehouden wordt op de zondag voorafgaande aan het avondmaal.
Zo is er ook de Nabetrachting op het avondmaal in de Nabetrachtingspreek, die gehouden wordt op de avondmaalszondag zelf, na de eigenlijke bediening van het sacrament, dus in de middagdienst. Over beide zaken zijn geen kerkelijke afspraken gemaakt, maar ze zijn wel gebruikelijk.

Voorbereidingspreek — zie Voorbereiding

Voordracht — zie Deputaat

Voorgaan — zie Voorganger

Voorganger art. 8-10, 16, 33; § 6.1
1. Een voorganger is iemand die mag Voorgaan in de eredienst. Hij kondigt aan wat er gezongen wordt en houdt een preek. Ook mag hij voorgaan in het gebed.
De voorganger is in normale gevallen een predikant. Wanneer er geen predikant beschikbaar is, wijst de kerkeraad iemand uit de gemeente aan om voor te gaan in de eredienst. Deze voorganger mag geen eigen preek houden maar moet er een voorlezen van een gereformeerd predikant. Hij wordt daarom wel Preeklezer genoemd. De dienst waarin een preeklezer voorgaat heet dan een Leesdienst.
Verder kan de voorganger een proponent zijn of een student met spreekconsent (zie bij Examen).
Een Voorlezer is een ouderling die in de eredienst de wet, de geloofsbelijdenis en de Bijbelgedeelten voorleest. Is er geen voorlezer, dan wordt dit eveneens door de voorganger gedaan.
2. Een Voorgangster is een vorige vergadering. Voorbeeld: de voorgangster van een generale synode is de generale synode die aan deze is voorafgegaan. Die voorgangster wordt ook wel de ‘voorgaande’ synode genoemd.

Voorgangster/Voorlezer — zie Voorganger

Voorlopig agendum — zie Agendum

|150|

Voorlopige excommunicatie — zie Censuur

Vrijgemaakt — zie Kerkverband

Vroegdoop § 6.5
Een belaste term: de voorstanders van de vroegdoop spreken liever over ‘normale, niet verlate doop’. Er wordt mee gedoeld op het tijdstip van de doop voor een pasgeboren kind. Bij de ‘vroegdoop’ gebeurt dit zo mogelijk in de eerste eredienst na de geboorte van het kind. In ieder geval wordt er niet gewacht tot de moeder zover is hersteld, dat ze erbij kan zijn.

Wettig bezwaar — zie Bezwaarschrift

Wijk
1. Een bepaald afgebakend gebied binnen een kerkelijke gemeente. Soms worden deze wijken nog onderverdeeld, met name in grote gemeenten met meer dan een predikant. Voor de onderverdeling wordt wel eens het woord Kluft gebruikt.
Het omgekeerde komt ook voor: ‘kluft’ is dan de naam voor het grote onderdeel van de gemeente en ‘wijk’ de naam voor een onderdeel van een kluft.
In een grote wijk kan een Wijkraad bestaan. Hierin vindt het geregeld overleg plaats tussen de ambtsdragers die werkzaam zijn in die wijk. De kerkeraad kan aan een dergelijke wijkraad bepaalde bevoegdheden overdragen, bijvoorbeeld de regeling van de huisbezoeken.
2. ‘Wijk’ is ook de naam voor het werkgebied van een bepaalde ambtsdrager. Deze wijk kan gelijk zijn aan de wijk zoals onder 1. genoemd.

Wijkraad — zie Wijk

Zendeling/Zendende kerk/Zending — zie Evangelisatie

Zendingsexamen — zie Examen

Zendingsmedewerker — zie Evangelisatie

Zitting — zie Schorsen

Zusterkerk — zie Kerkverband

Harmannij, K. (1990) Reg.

|151|

9 Register

 

[Het register op de kerkorde-artikelen is niet opgenomen. Het is verwerkt in de verwijzingen naar de kerkorde (GKv 1978).]