Kamphuis, J. (1982) Hst. 9

|164|

9. De excommunicatie

 

9.1. De twee fasen van het laatste stadium.

We hebben de behandeling van de afhouding van het Heilig Avondmaal als handeling van voorlopige excommunicatie 1) afgerond en gaan nu over tot de behandeling van de afsnijding als definitieve excommunicatie of grote ban. Nadat een broeder of zuster die aan de zonde vasthoudt ondanks vermaningen van het Avondmaal is afgehouden, volgt een, soms langdurige, procedure, waarbij verschillende elementen onze aandacht moeten hebben.

We zijn nu in een nieuw stadium van de tuchtoefening gekomen.

Er blijft natuurlijk veel van wat over de voorlopige excommunicatie is opgemerkt van kracht. We hebben in dat kader gepleit voor een nauwkeurige notulering, inzonderheid van het gemotiveerde oordeel op grond waarvan de maatregel van de afhouding getroffen wordt. Die eis van nauwgezette boekstaving blijft in het vervolg onverkort gelden.

Men zal er goed aan doen een lijst van gecensureerden aan te houden. In een situatie waarin de kerkeraad zich mag verblijden in het feit dat er metterdaad geen tucht behoeft te worden geoefend, is zo’n (lege) lijst in feite overbodig. Ook wanneer men maar met een enkel tuchtgeval in de gemeente heeft te doen, ligt het voor de hand dat het de ambtsdragers wel voor de aandacht staat met welke broeders


1) Om misverstand te voorkomen noteren we nogmaals: de zgn. ‘eenvoudige’ afhouding van het Avondmaal is afzonderlijk besproken. Zij behoort in eigenlijke zin niet tot de tucht, maar dient om in een geval dat bij voorbeeld plotseling opkomt en waarover de kerkeraad niet tot een afgerond oordeel kon komen vóór de viering van het Avondmaal, de tafel heilig te houden zonder dat daarmee een oordeel wordt uitgesproken. Deze ‘eenvoudige’ afhouding is niet in de Kerkorde opgenomen, maar is een wettig middel van kerkregering, al behoort ze niet tot het geheel van de disciplinaire maatregelen en mag ze ook niet worden misbruikt om de ernst van de tucht te ontwijken en het geweten te stillen doordat toch ‘iets aan de situatie wordt gedaan’. Dat is typisch een oneigenlijk gebruik van de ‘eenvoudige’ afhouding, waardoor in bepaalde gevallen de tucht van meetaf op een verkeerd spoor komt. Het is daarom van betekenis de eigen plaats van de ‘eenvoudige’ afhouding te zien én te honoreren.

|165|

en zusters men heeft te handelen. Zijn ook dan de notulen niet voldoende? We weten dat dit in verreweg de meeste gevallen de praktijk is. Toch pleiten we er voor — ook in verband met de tucht over doopleden — dat de scriba van de kerkeraad de opdracht krijgt en permanent heeft een lijst van ‘tuchtgevallen’ aan te houden, ook als deze ‘lijst’ maar een enkele naam zou bevatten. De lijst dient om de namen op te tekenen en dus bij noodzaak van onderscheiden tuchtoefeningen in de gemeente de aandacht van de kerkeraad bij ieder van de gevallen te houden. De langdurigheid van een procedure mag niet een vergeetboek scheppen. En dat vooral niet omdat ieder mens, en ook ieder college de neiging heeft moeilijke en schijnbaar uitzichtloze gevallen uit het bewustzijn te verdringen. Er zijn hier trieste voorbeelden van te geven. De lijst dient óók om op aan te tekenen in welke notulen over die bepaalde broeder is gehandeld. Zo kan de vergadering indien nodig zich snel oriënteren in wat tijdens de verschillende vergaderingen besloten en geoordeeld werd. De lijst dient dan tegelijk als controle-middel voor twee zaken: a) wordt wel regelmatig aan de betrokken broeders en zusters aandacht gegeven? en b) wordt wel regelmatig nauwkeurig en voldoende genotuleerd?

Art. 76 en 77 van de Kerkorde spreken beide over de „talrijke vermaningen” die tot de zondaar uit moeten gaan voordat het van de afhouding van het Avondmaal zal komen tot de excommunicatie als „uiterste remedie”. Het is zinvol dat in de praktijk van de tuchtoefening van de gereformeerde kerken er verbinding is tussen de ‘vermaningen’ èn de viering van het Avondmaal. De broeder is van die viering uitgesloten. Dat is het voornaamste deel van de voorlopige excommunicatie. Wat spreekt nu meer voor zich dan dat de kerkeraad voor iedere volgende viering van het Avondmaal de broeder ambtelijk doet bezoeken? Dat zal tenminste dus eenmaal in de drie maanden zijn 2). Als de gemeente als de gemeenschap der heiligen de dood des Heren verkondigt, is die éne stoel leeg. Dat kàn niet zonder meer passeren. Hier dringt de Geest der gemeenschap de broeders ambtsdragers tot bezoek en tot oproep om in de weg van de bekering weer aan te schikken aan de tafel van het Verbond samen met al de andere geroepenen, die belijden in zichzelf „midden in de dood te liggen”


2) K.O., art. 62, begin: „Het avondmaal van de Here zal ten minste eens in de drie maanden gevierd worden”.

|166|

maar hun leven te hebben buiten zichzelf in Jezus Christus: we zijn „in Christus geheiligd”. En waartoe de Geest ons hierin dringt, dat moeten wij niet aan onze stemming overlaten. Er moet vastheid, regelmaat in het ambtelijk werk zijn. Vastheid en regelmaat in de praktijk van de oefening van de tucht.

Dat betekent niet dat het per se bij dit éne bezoek kort voor de viering van het Avondmaal moet blijven, waarover het rapport moet worden uitgebracht op de vergadering die aan de Avondmaalsviering voorafgaat. De kerkeraad kan intensievere bearbeiding noodzakelijk achten. Maar laat daardoor dan het vaste patroon niet verstoord worden. Intensivering in een bepaald stadium mag niet verslapping in een volgend stadium als gevolg hebben!

Van ieder bezoek behoort dus goede en tijdige rapportage aan de kerkeraad te worden gedaan. De kerkeraad behoudt te allen tijde ook de mogelijkheid de broeder in de kring van de kerkeraad te roepen om als college het vermaan te doen uitgaan. Ook daarvan wordt verslag gedaan en opgenomen in de notulen.

Men moet steeds voor de aandacht houden dat met de afhouding van het Avondmaal een procedure in gang is gezet. De feitelijke gang van zaken behoort dus met die nauwgezetheid te worden geboekstaafd die passend is bij dát ernstige feit: er is een rechtshandeling met een broeder in de gemeente gaande.

De periode die met de afhouding van het Avondmaal begint en bij onbekeerlijkheid eindigt met de afsnijding, is in twee onder-perioden te verdelen.

De eerste periode is die, waarin de kerkeraad voortgaat met de vermaningen zonder dat er verder bekendheid aan de oefening van de tucht wordt gegeven. Men spreekt van ‘stille censuur’.

De ambtsdragers hebben de plicht, zolang de kerkeraad oordeelt dat de gemeente nog niet met de tuchtoefening in kennis gesteld wordt, hunnerzijds naar buiten toe zwijgzaamheid te betrachten.

In het éne geval zal dit gedrag van de kerkeraad meer praktisch effect sorteren dan in het andere. In een grote gemeente, die in een stedelijke omgeving woont en waar naast de ‘vaste kern’ het een voortdurend gaan en komen is van van elders binnenkomende en naar elders vertrekkende leden, kan het voorkomen dat een disciplinaire afhouding van het Avondmaal aan slechts een enkele in de gemeente opvalt. Het kan anderzijds ook zo zijn dat de ‘lege plaats’ aan het Avondmaal de hele gemeente in het oog valt. Het is mogelijk dat het

|167|

gemeente-lid dat met de tucht in aanraking is gekomen er zijnerzijds het zwijgen toe doet óf uit achteloosheid óf uit schaamte. Het kan ook zijn dat hij zijnerzijds ruchtbaar maakt wat de kerkeraad met zwijgen omgeeft.

Het is eis van nuchterheid te erkennen dat hier tal van situaties mogelijk zijn, waartoe zeker ook moet worden gerekend de laatst aangeduide situatie dat het práten van de getuchtigde broeder het effect van het zwijgen van de ambtsdragers naar buiten toe feitelijk tot nul reduceert. Het constateren van die feitelijke stand van zaken zal dan mee een element in de overwegingen moeten zijn als de kerkeraad zich beraadt over de voortgang van de tucht en het tempo waarin die voortgang plaats zal hebben. Hier laten zich weer verschillende situaties denken, die moeilijk in het abstracte op een rij zijn te zetten. Daarvoor is er in de verbinding met andere gegevens eenvoudig een te grote mogelijkheid van variatie.

Maar twee zaken moeten wél duidelijk zijn en vaststaan. In de eerste plaats: het is de kerkeraad als college dat bepaalt, wanneer het ogenblik is aangebroken dat aan de gemeente kennis van de tuchtoefening zal worden gegeven volgens de daarvoor geldende bepalingen. De kerkeraad en niet een afzonderlijke ambtsdrager. Ook niet wanneer het geval zich voordoet dat de broeder ambtsdrager vanuit de gemeente over de broeder die met de tucht in aanraking is gekomen wordt aangesproken, eventueel: kritisch wordt aangesproken: „...en doet de kerkeraad daar nu niets aan?” Die vraag kan beantwoord worden met de verzekering (een verzekering die gegeven móet kunnen worden in een kerk die de drie kenmerken van art. 29 N.G.B. vertoont) dat de kerkeraad zich van zijn roeping bewust is. Maar een vraag die niet mag worden beantwoord met een informatie over de stand van de procedure.

In de tweede plaats: hoewel het feit dat een broeder die in zonde leeft zijnerzijds ruchtbaarheid aan de bediening van de tucht geeft — en dat wellicht ook nog met verdraaiing van de feiten — een element moet zijn in de oordeelsvorming van de kerkeraad met betrekking tot de voortgang van de tucht, zal de kerkeraad er zich voor moeten hoeden dat hij zich het tempo van de tuchtoefening zal laten dicteren door instanties van buiten. De kerkeraad zal zich steeds hebben af te vragen of de voortgang van de tucht dienstbaar is aan het doel van de tucht: de eerbiediging van de heiligheid Gods in zijn gemeente en (indien het God behaagt) het behoud van de zondaar. In de grond

|168|

van de zaak wordt de voortgang van de tucht door niets anders bepaald dan door de normen die voor iedere tucht in de gemeente van Christus gelden. Een kerkeraad moet zich dan ook vrij weten. Niet gebonden door de provocaties van een rebelse zondaar. Niet gedwongen door de druk vanuit de gemeente. Slechts gebonden aan de heerschappij van de Christus over zijn volk en daarom in een volstrekte onafhankelijkheid in menselijke verhoudingen. Alleen zó kan rechtspraak én pastoraat samengaan. En die twee móeten samengaan. Ze behóren een diepe, hechte éénheid te zijn, zal de kerkelijke tucht niet verwereldlijken: smakeloos zout dat nergens anders toe dient dan om te worden weggeworpen!

Hierbij is ook nog te overwegen dat de overgang van de eerste naar de tweede periode een bijzonder belangrijke is. Art. 77 K.O. laat dat duidelijk uitkomen: „Voordat de kerkeraad — na de ontzegging van het avondmaal en de daarop gevolgde vermaningen — tot de excommunicatie overgaat, zal hij de gemeente bekend maken met de hardnekkigheid van de zondaar”. En dan wordt iets verderop in het artikel voorgeschreven: „De gemeente zal aangespoord worden hem aan te spreken en voor hem te bidden. Hiervoor zal driemaal een afkondiging gebruikt worden”.

Het is duidelijk dat met de bekendmaking aan de gemeente de weg naar de excommunicatie wordt ingeslagen in procedureel opzicht. Zeker, ook nu nog heeft de Kerkorde onderscheiden beveiligingen tegen overhaasting ingebouwd. Ze zullen nog stuk voor stuk onze aandacht hebben. En voor wat de afkondigingen aan de gemeente betreft bepaalt het slot van het artikel nog nadrukkelijk: „Over het tijdsverloop tussen de afkondigingen beslist de kerkeraad”. Over de hele linie van de tuchtprocedure geldt — wat één van de grondregels van heel de bediening der verzoening in deze wereld is — dat niets automatisch verloopt. Nooit en nergens wordt in de kerk een automatisme in gang gezet dat aan geen controle meer is onderworpen. En dat is zeker bij de bediening van de tweede sleutel van het koninkrijk der hemelen niet het geval.

Maar aan de andere zijde is het duidelijk dat de tweede periode in het stadium dat wordt gemarkeerd door de voorlopige èn door de definitieve excommunicatie onder de beheersing staat van die excommunicatie. De zaak is door de bekendmaking aan de gemeente in een beslissend stadium gebracht. Er is nog wel een retour mogelijk. In de weg van bekering van de zondaar. Met het oog daarop wordt de

|169|

gemeente ook ingeschakeld! Maar voorzover de kerkeraad kan oordelen moet er bij hem de duidelijke overtuiging zijn dat het niet meer goed en verantwoord is langer te wachten definitief koers te zetten naar het gebruik van het láátste middel dat de kerk ten dienste staat tot aanwending van het behoud van hen die de gemeenschap van het geloof en van de liefde die de kerk vormt niet willen onderhouden, nl. de uitsluiting uit die gemeenschap.

Is men het stadium van de stille censuur voorbij, dan is de periode van de lankmoedigheid afgesloten die mogelijk werd gemaakt doordat aan het zondigende gemeentelid het gebruik van zijn rechten als lid van de kerk van Christus werd ontzegd, terwijl de rechten zelf nog onaangetast bleven. De kerkeraad die door middel van de afhouding van de tafel de wacht reeds hield bij de heiligheid van de gemeente die haar leven viert in de gekruisigde en opgestane Here, weet zich nu geroepen de plaats zelf van de zondaar in de gemeente in een laatste geding te brengen. En dan weten we de sleutel van het Koninkrijk te bedienen: wat op aarde gebonden wordt, zal ook in de hemel gebonden zijn. Er wordt nú koers gekozen naar de verklaring die tenslotte moet komen dat dit lid der gemeente „uitgesloten is, en wordt uitgesloten mits dezen buiten de gemeente des Heren, en vreemd is aan de gemeente van Christus, van de heilige sacramenten, en van alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods die Hij aan zijn gemeente belooft en bewijst, zolang hij hardnekkig en onboetvaardig blijft in zijn zonden” (Formulier van de ban).

De kerk mag het laatste middel dat haar is gegeven niet veronachtzamen. De kerk moet wél weten dat het haar laatste middel is.

|170|

 

9.2. De drie afkondigingen aan de gemeente in het geheel van de procedure.

De weg naar de definitieve uitsluiting 1) uit de gemeente van Christus, die in Hem de gemeenschap der heiligen is, verloopt nadat het stadium van de ‘stille censuur’ is afgesloten in drie étappes die worden gemarkeerd door een steeds intensievere inschakeling van de gemeente èn een steeds naderbij komen van de acte der excommunicatie. Die twee gaan gelijk op en zijn ook in de bepalingen van de Kerkorde duidelijk verstrengeld: wanneer de gemeente in kennis wordt gebracht dat een lid van de gemeente door onbekeerlijkheid onder de tucht moest worden gesteld, dan tekenen zich reeds enigszins de contouren van de excommunicatie af. Maar tegelijk wordt de gemeente in het gebed gemobiliseerd opdat de zondaar alsnog tot bekering gebracht zal mogen worden. Als dan in de volgende fase ook zijn naam aan de gemeente bekend wordt gemaakt, zijn we een stap dichter bij de excommunicatie die immers met naam geschiedt. De gemeente is tegelijk in verhoogde staat van paraatheid. Zij wordt niet alleen opgeroepen voor de zondaar te bidden, maar ook hem aan te spreken. Als de zondaar zich ondanks alles blijft verharden, wordt aan de gemeente de datum van de uitsluiting bekend gemaakt. De broeders en zusters weten nu dat voor wat de positie van die ene broeder of zuster betreft de kritieke fase is aangebroken. Wanneer dan de dag van de excommunicatie aanbreekt, is de gemeente eveneens daarbij: het zal gebeuren „met de stilzwijgende instemming van de gemeente”, art. 77 K.O.

De drie étappes, die aan de excommunicatie zelf voorafgaan worden in het kerkelijk spraakgebruik dikwijls aangeduid als de drie ‘trappen’ van de christelijke tucht. Als we het boven over de gang van zaken opgemerkte overwegen, dan zien we in dat dit niet-officiële spraakgebruik zeker een bepaald goed recht heeft: in de voortgang van de procedure vindt intensivering van de bediening van de tucht plaats. Er is cumulatie in het gebruik van de nog ten dienste staande middelen


1) ‘Definitief’ in onderscheiding van ‘voorlopige excommunicatie’. Het woord mag dus niet in absolute zin worden genomen. Als ‘uiterste remedie’ doelt de ‘definitieve excommunicatie’ juist op het weer opnemen in de gemeente dat in de Kerkorde dan ook in artikel 78 is geregeld.

|171|

om de zondaar tot inkeer te brengen, omdat de situatie steeds ernstiger wordt. Zo kómt men van de éne tot de volgende ‘trap’ van de tucht.

Wanneer we echter op de aard van die achtereenvolgende ‘trappen’ letten, zien we dat ze in feite bestaan uit drie afkondigingen aan de gemeente. Art. 77 K.O. zegt: „De gemeente zal aangespoord worden hem (nl. de zondaar) aan te spreken en voor hem te bidden. Hiervoor zal driemaal een afkondiging gebruikt worden. Om de zondaar nog te ontzien zal in de eerste zijn naam niet genoemd worden. In de tweede zal met de in art. 76 2) bedoelde instemming van de classis zijn naam vermeld worden. In de derde zal de kerkeraad aan de gemeente meedelen dat hij buiten de gemeenschap van de kerk gesloten zal worden, als hij zich niet bekeert”.

In het voorbijgaan merk ik op dat de nieuwe redactie van de Kerkorde terminologisch hier een beduidende winst aan duidelijkheid heeft geboekt. In de vroegere redactie van dit artikel (dat hetzelfde nummer droeg) wordt gezegd dat „de gemeente vermaand (zal) worden hem (nl. de zondaar) aan te spreken en voor hem te bidden”. In terugslag op dit werkwoord in de passieve vorm „vermaand worden”, spreekt het artikel vervolgens over „vermaningen”: „Zodanige vermaningen zullen er drie geschieden”. Zodanige — nl. aan het adres van de gemeente. Maar in het begin van het artikel was in overeenstemming met het doorgaande spraakgebruik in het hoofdstuk over de tucht gehandeld over de „onderscheiden vermaningen” aan het adres van de zondaar. Het misverstand kon rijzen dat met de later genoemde „zodanige vermaningen” deze laatste zouden zijn bedoeld. De nieuwe redactie blijft nu over „vermaningen” spreken als het gaat over de oproep (de oproepen) tot bekering zoals deze uitgaat tot de broeder die in zonde leeft. Maar dan wordt vervolgens in overeenstemming met de zakelijke inhoud van het vroegere woord „vermaning” gezegd dat de gemeente zal worden „aangespoord” om de zondaar aan te spreken en voor hem te bidden. En dan wordt gezegd dat met het oog daarop („hiervoor") driemaal „een afkondiging


2) Art. 76, slot: „Niemand mag worden geëxcommuniceerd zonder instemming van de classis”.

|172|

gebruikt zal worden 3).

Het onderscheid tussen vermaning èn aansporing plus afkondiging is nu volkomen duidelijk. Ook is duidelijk dat het één dus naast het ander kan voorkomen en behoort voor te komen: terwijl de gemeente per afkondiging wordt aangespoord en geestelijk wordt gemobiliseerd om van haar kant de zondaar aan te spreken, gaat het ambtelijk vermaan verder zijn eigen gang.

Hierdoor is nu de eigen structuur duidelijk geworden van de tijd tussen de stille censuur en de excommunicatie. De zondaar wordt nu door het geheel van de gemeente, die het Woord draagt en waarin de Heilige Geest woont, het geheel van de gemeente mèt haar ambten aangesproken in de volmacht van de Heilige Geest, terwijl toch ieder in de gemeente (gelovige, al naar ieders mogelijkheid en eigen roeping èn de opzieners) zijn eigen plaats houdt. In het begin van de kerkelijke tucht is bij een zonde, die slechts aan weinigen bekend is, het ambt nog niet ingeschakeld. Ook nog niet het geheel van de gemeente. De gemeente is tot behoud werkzaam in één broeder of (tweede stadium) in enkele broeders. Daarna komt de periode dat de ambtsdragers hun werk in vermaning en bestraffing doen, terwijl de gemeente daar niet bij betrokken is. In het laatste stadium wordt naast de activiteit van het ambt die van de gemeente als geheel gemobiliseerd. De tucht is in de kerken van de reformatie wèl een zaak van ambtelijke verantwoordelijkheid. De ouderlingen heten niet voor niets opzieners. Maar die ambtelijke verantwoordelijkheid en bevoegdheid is geen hiërarchische. Wellicht is nergens duidelijker dan in de inschakeling van de gemeente in de voortgang van de tucht te zien dat het ambt dat door Christus wordt gegeven functioneert in de door de inwoning van de Geest mondige gemeente. De gereformeerde tuchtoefening is allesbehalve een hiërarchisch-clericale aangelegenheid — volgens de norm in de Heilige Schrift ons geopenbaard. Zie bij voorbeeld hoe in 1 Cor. 5, zoals ook steeds in het Oude Testament, de gemeente voor de rechte bediening van de tucht verantwoordelijk wordt gesteld. De praktijk (wij beseffen het) beantwoordt dikwijls niet aan deze norm. Maar dat betekent niet dat daarom de norm nu


3) De Kerkorde van de (syn.) Gereformeerde Kerken heeft een soortgelijk terminologisch onderscheid doorgevoerd, maar spreekt wat pleonastisch over een ‘openbare bekendmaking’.

|173|

moet worden bijgesteld. Het tegenovergestelde is het geval! De praktijk in iedere plaatselijke gemeente heeft zich steeds weer uit kracht van deze norm te reformeren. Het is duidelijk dat de Kerkorde hier de gemeente wil zien ingeschakeld terwille van het behoud van de zondaar, maar tegelijk evenzeer terwille van het behoud van haar eigen karakter als gemeente van God, als heilige gemeente die het kwade niet kan verdragen, vgl. Openb. 2, 2. De onderwijzing van de gemeente (denk aan de leer van de sleutels van het hemelrijk in Heidelbergse Catechismus, Zondag 31) heeft hier een taak van nooit te onderschatten betekenis. De gemeente moet niet leven bij de nieuwtjes die tijdens een concrete tucht de zondaars wellicht verspreiden. Zij moet leren leven uit het Grote Nieuws van het Evangelie dat zij in ieder van haar leden uit kracht van de genade van God is gemaakt tot het Sion, waarin behoudenis wordt geschonken, Joël 2, 32.

Overwegen we nu het geheel, voor we nog een enkele opmerking over de verschillende onderdelen maken, dan moet genoteerd dat het spreken over de drie ‘trappen’ van de kerkelijke tucht toch niet zonder gevaar van misverstand is. Een misverstand dat zich in de praktijk ook wel laat gelden. Men kan namelijk tot de gedachte komen als zouden deze drie ‘trappen’ het geheel van de kerkelijke tucht vormen. En niets is minder waar! De kleine ban of ‘voorlopige excommunicatie’ behoort daar ook wezenlijk bij. Evenzeer als de ‘stille censuur’ als het tussen-stadium tussen de voorlopige excommunicatie en de drie ‘trappen’ die tot de excommunicatie voeren. En anderzijds is de excommunicatie zelf ook weer onderscheiden van de drie ‘trappen’. Het is een misverstand dat de derde afkondiging aan de gemeente met een excommunicatie samen zou vallen of samen zou kunnen worden genomen. De excommunicatie als daad van uitsluiting heeft een geheel eigen plaats.

We trachten het geheel van de bediening van de tucht nu in schema te brengen. Geheel links in het schema zijn de artikelen van de Kerkorde vermeld die op de verschillende fasen betrekking hebben. Hier ontbreken, zoals vanzelf spreekt de artikelen 75 en 78 die handelen over de ‘verzoening’, het weer opnemen óf ten tijde van de procedure of na de excommunicatie.

|174|

|175|

 

9.3. De spits van het behoud naar de zondaar toe.

Wanneer de tuchtprocedure in het laatste stadium is gekomen, blijkt duidelijk dat de oefening van de tucht een zaak van de gemeente onder vóórgang van haar opzieners is: Zij wordt volgens voorschrift van art. 77 K.O. op de hoogte gebracht van „de hardnekkigheid van de zondaar”. Zij krijgt daarbij ook een overzicht van het door de kerkeraad aan de zondaar ten koste gelegde: „Daarbij (nl. bij de bekendmaking aan de gemeente) zullen genoemd worden zijn zonde en de vele pogingen om hem tot inkeer te brengen door bestraffing, onthouding van het avondmaal en talrijke vermaningen”. Zonder de discretie te schenden betekent dit toch dat er metterdaad materieel informatie over de gang van vermaning en tucht wordt gegeven. En de gemeente wordt ook zelfs tot driemaal toe aangespoord „hem aan te spreken en voor hem te bidden”.

In dit alles heeft de kerkeraad zonder twijfel de gemeente, haar welzijn en haar opbouw op het oog. Zoals de definitieve afsnijding ook terwille van de gemeente plaats vindt, zo ook de gang daarheen. Enerzijds moet de gemeente concreet leren de zonde te haten en te mijden. Dat moet in de gang van de procedure ook metterdaad haar omgang met de broeder die in zonde leeft gaan stempelen. Ook de sociale omgang heeft in de christelijke kerk te staan onder de klem van de handhaving van de heiligheid Gods in zijn gemeente: „.... gij moet niet omgaan met iemand, die, al heet hij een broeder, een hoereerder, geldgierige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of oplichter is; met zo iemand moet gij zelfs niet samen eten”, 1 Kor. 5, 11. Dit woord kan diep ingrijpen in de praktische, alledaagse verhoudingen in het leven van de christelijke gemeente vandaag. Zeker vandaag, nu de sociale omgang ook allerlei organisatorische vormen heeft aangenomen die een eigen zelfstandigheid hebben. Men spreekt dan in dit verband dikwijls over het functie-verlies van de kerk. Zou vroeger het leven in de letterlijke zin van het woord meer ‘church-centered’ geweest zijn, zoals nog wel in de jonge kerken die uit het werk van de zending voortkomen, bij een voortgeschreden gechristianiseerde cultuur zou er een differentiatie van levenskringen ieder met een eigen souvereiniteit optreden, waardoor automatisch de plaats van de kerk, ook van haar opzicht en haar tucht, een veel bescheidener zou worden. Daarbij zou dan nog de problematiek van de feitelijke pluriformiteit komen: wie zou er zich in hervormde of christelijke gereformeerde

|176|

kring iets van aantrekken als een broeder in de gereformeerde kerk wegens verachting van de ‘eigen bijeenkomst’, Hebr. 10, 25, publiek en bij name onder de tucht wordt gesteld? En dat mist z’n uitwerking natuurlijk ook niet in eigen kerkelijke kring!

Maar wij zullen als gemeente niet allereerst in theoretische vertogen tegen niet-Schriftuurlijke stellingen over de kerk onze kracht zoeken, maar we zullen ondanks alle belastering, vgl. 1 Petr. 2, 12, uit „een goede wandel” moeten tonen wat het is ‘gemeente’ te zijn: het heilige volk van de heilige God. Dan vallen de beslissingen over héél de linie van de christelijke levenspraktijk. Maar die beslissing kan ook heel concreet worden en moeten worden doordat we onze persoonlijke omgang niet isoleren van wat er plaats vindt in de gemeente, maar integendeel die omgang daarnaar reguleren. Als we de tucht — en dat terecht! — kenmerk van de kerk noemen en we spreken over de kerk als over de mondige gemeente, dan houdt dat ook in dat we ondanks alle moeite die dat meebrengt allen samen in de concrete mijding van de zonde in Gods kracht de geloofsstrijd willen aangaan om ‘gemeente’ te zijn. Nergens duidelijker dan bij de bediening van de tweede sleutel van het Koninkrijk der hemelen blijkt het dat de kerk des Heren plaatselijk wordt vergaderd en plaatselijk openbaar moet worden als de gemeente Gods. Ik, schrijver van deze verhandeling over de tucht, word niet primair in Ulrum of in Vlaardingen geroepen mee te werken aan het tonen van het ‘derde kenmerk’ van de ‘ware kerk’. Ik word er toe geroepen in de plaats van eigen inwoning. Daar word ik op de hoogte gesteld, ingeschakeld en verantwoordelijk gesteld.

Verantwoordelijk voor heel de gemeente.

Verantwoordelijk ook en inzonderheid met betrekking tot de broeder of zuster die voor de weg van de zonde heeft gekozen.

Want de afkondigingen in het laatste stadium van de tucht hebben wèl de bewaring van de gemeente op het oog, maar zeker niet minder ook het behoud van de zondaar. Dat staat zelfs duidelijk voorop. Hij moet nu door velen worden aangesproken, opdat straks, als het God behaagt, in eigen gemeente ook ruimte zal mogen zijn voor dat barmhartige, apostolische woord over de zondaar die tot zijn behoud onder de geestelijke druk van het broederlijke vermaan is bezweken: „Voor zo iemand is het reeds genoeg, dat het merendeel (van u) hem berispt heeft, zodat gij nu integendeel hem vergiffenis moet schenken en hem vertroosten, opdat hij niet door overmatige droefenis

|177|

overstelpt worde”, 2 Kor. 2, 6.7. Terwijl de gemeente wordt vermaand de zonde te mijden en haar omgang met de zondaar daar ook op af te stemmen, wordt ze tegelijk toch ook destemeer naar hem toegewezen. Het ambtelijk vermaan wordt verbreed en verdiept door het broederlijk vermaan.

Als de kerkeraad de gemeente dus op de hoogte brengt en inschakelt, houdt hij de zondaar, die tot nu toe met de ‘stille censuur’ te doen had, goed in het oog. De geestelijke regering van de gemeente in de bediening van de tucht blijft een vanzelfsprekende spits naar de zondaar toe houden.

Dat heeft ook consequenties met een zeker formeel aspect.

In de voortgang van de tucht wordt tot driemaal toe een afkondiging aan de gemeente gedaan. Maar dat behoort niet te gebeuren — ook niet de eerste keer, wanneer de naam van de zondaar nog niet wordt genoemd om hem te ontzien — zonder dat vóóraf hiervan mededeling aan de betrokkene wordt gedaan. Hij behoort in de afkondiging niet voor een voldongen feit te worden geplaatst of in een onvoorziene situatie te worden gemanoeuvreerd.

Daarom behoort de kerkeraad òf de zondaar in zijn vergadering te ontbieden om hem van de voorgenomen afkondiging aan de gemeente op de hoogte te brengen òf een commissie naar hem af te vaardigen om hem het besluit van de kerkeraad officieel mee te delen. Het geval kan zich voordoen dat een lid van de gemeente dat onder de tucht is gesteld de ambtsdragers niet in zijn huis wil ontvangen. Dat kan zeker het geval zijn, wanneer het kritieke stadium is bereikt dat de gemeente op de hoogte wordt gebracht. Ook in dit geval behoort de zondaar op de hoogte te worden gebracht dat er een afkondiging aan de gemeente zal plaats vinden. Er blijft nu niet anders over dan dat hij schriftelijk hiervan mededeling ontvangt.

In dit verband is een enkele opmerking noodzakelijk.

Ten eerste: de schriftelijke mededeling als zodanig behoort zakelijk te zijn gesteld zodat de persoon in kwestie duidelijk weet waar hij aan toe is.

Ten tweede: een zakelijk-geformuleerde mededeling is nog wat anders dan een informatie over een administratieve beschikking. Ook wanneer de mogelijkheden van het contact beperkt worden moeten ambtsdragers zich nog niet als ambtenaren aanstellen, en zeker niet als bureaucraten. De mededeling behoort vergezeld te gaan van een wèl-gekozen woord van vermaning en bestraffing.

|178|

Ten derde: een algemene opmerking over het schriftelijk contact als zodanig, nu dus breder genomen dan als schriftelijke informatie over een afkondiging aan de gemeente. Over het geheel genomen verdient uit de aard der zaak het mondeling onderhoud ver de voorkeur. Steeds moet het mogelijk zijn de reactie op vermaan en bestraffing te peilen en te evalueren. Dit wil niet zeggen dat een kerkeraad er in een bepaald geval onjuist aan zou doen in de loop van een behandeling, zelfs als hij alle toegang tot het huis van de broeder of zuster heeft, een brief in te schakelen. Het kan nodig zijn dat de broeder of zuster eens rustig onder ogen krijgt hoe de situatie zich tot nu toe heeft ontwikkeld en hoe de kerkeraad dat beoordeelt. Zo goed als in allerlei positieve verhoudingen soms, ook bij de mogelijkheid van mondeling contact, het ‘de gedachten eens op papier zetten’ een nuttige functie kan hebben, zo ook in deze kritische situatie. Als men dan maar tegelijk waakt tegen onnodige dossier-vorming!

Ten vierde: wanneer een lid van de gemeente de toegang tot zijn huis aan de opzieners weigert, tekent zich de breuk met de gemeente reeds af. Er blijkt een proces op gang te zijn gekomen van onttrekking aan opzicht en tucht. Maar men concludere niet overhaast tot de voltrekking van deze daad. In zo’n situatie zal de kerkeraad de broeder toch moeten trachten te bereiken. Dan desnoods maar schriftelijk. En wanneer blijkt dat de broeder met het schriftelijk vermaan bezig is en daarop reageert, dan moet men niet vanwege de karigheid van dit middel, er maar snel een einde aan maken. Alleen wanneer een lid van de gemeente metterdaad alle banden doorsnijdt òf door formeel de band met de gemeente te verbreken òf door de ambtsdragers niet meer te willen ontvangen en door bij voorbeeld de brieven te retourneren, is de tijd gekomen te constateren dat de onttrekking formeel óf metterdaad heeft plaatsgevonden, vgl. pag. 191v, noot 4. 

Maar nu weer terug naar de hoofdlijn van ons betoog.

De tucht blijft ook in het stadium van de inschakeling van de gemeente de zondaar zoeken. Daarom juist die inschakeling. Daarom ook dat de gemeente niet plompverloren met heel het ‘geval’ op de hoogte wordt gebracht, maar de kerkeraad naar het duidelijke voorschrift van de Kerkorde in art. 77 hier van stap tot stap voortgaat en bij de aanvang nog de meest-mogelijke terughouding in acht neemt: „Om de zondaar nog te ontzien zal in de eerste (afkondiging aan de gemeente) zijn naam niet genoemd worden”. Hoe sterk hier de terughoudendheid is die in acht wordt genomen, kan blijken uit het feit

|179|

dat door déze bepaling datgene wat in de Kerkorde hier onmiddelijk aan voorafgaat gemodificeerd wordt. Daar staat: „De gemeente zal aangespoord worden hem aan te spreken en voor hem te bidden”. Maar het is duidelijk dat pas bij de tweede afkondiging aan de gemeente, wanneer ook de naam van de zondaar wordt vermeld, er voor de gemeente de mogelijkheid komt hem aan te spreken. Daarom luidt het slot van de vóórgeformuleerde eerste ‘vermaning’ of ‘afkondiging’ in ons kerkboek: „De kerkeraad deelt u dit nu voor de eerste keer mee. Hij roept u met klem op, de Here te bidden of hij deze broeder tot bekering wil brengen” (ik volg hier de door de generale synode van Groningen-Zuid, 1978, geredigeerde tekst, die zakelijk overeenkomt met de tot nog toe geldende formule 1). De tweede afkondiging krijgt dan onder meer déze uitbreiding: „Met diepe ernst roept de kerkeraad u op, de betrokken zondaar liefdevol te vermanen. Zijn naam is .... Bid de Here, of Hij deze broeder nog tot bekering wil brengen, zodat de zonde uit de gemeente gebannen en de zondaar behouden wordt”.

Over de geschiedenis van dit onderdeel van de tuchtprocedure is nog wel het een en ander op te merken dat we nu terzijde laten 2). Het gaat ons er nu in het kader van een algemene behandeling van de kerkelijke tucht om het eigen karakter van de eerste mobilisatie van de gemeente tot behoud van de zondaar in het licht te stellen.

Het begint met gebed voor een broeder of zuster van wie de naam vooralsnog niet bekend wordt gemaakt. De situatie, vooral in een kleine gemeente kan wel zó zijn dat de naam in feite wel bekend is. Ook kan de zondaar zelf er voor zorgen dat de naam in de kring der gemeente bekend wordt. Ook hier (zoals we ook met betrekking tot een vorig stadium overwogen) kan het de schijn hebben alsof het geestelijk beleid van de kerkeraad maar zo kan worden gefrustreerd. Daarvoor hebben kerkeraad èn gemeenteleden op hun hoede te zijn!


1) De Acta spreken van ‘aankondiging’ (nl. van de excommunicatie), pag. 523. De Kerkorde art. 77 door dezelfde synode vastgesteld van ‘afkondiging’, pag. 104. Allebei laat zich verdedigen. Is gelijk woordgebruik niet te prefereren?
2) Vgl. mijn opstel Gebed en excommunicatie in de Kerkorde, in C. Trimp (red.), De biddende kerk. Een bundel studies over het gebed aangeboden bij gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de Theologische Hogeschool te Kampen, Groningen 1979, pag. 204-236.

|180|

Zolang de naam niet bekend is gemaakt door de enige instantie die daartoe bevoegd is, de kerkeraad, zolang is de naam niet bekend en blijft de mogelijkheid dat men eerder gist dan weet met alle schadelijke gevolgen daarvan. Men zal daarom bij de oefening van de tucht als sleutel van het Koninkrijk over één zondaar zichzelf hebben te houden onder de tucht van de zelfbeheersing en de ingetogenheid. Ook hier geldt: „wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, weerhoude zijn tong van het kwade, en zijn lippen van bedrog te spreken”, 1 Petr. 3, 10. En in het verkeer binnen de gemeente zal het goed zijn in dit stadium veel aandacht te hebben voor „de zonden der tong”, waarin Jacobus ons onderwijst, Jac. 3, 1-12! Wat nu van de gemeente wordt gevraagd is niet meer, maar ook niet minder dan de voorbede; er is een kwaad in de gemeente. Een broeder die, als allen in de gemeente, in Christus was geheiligd, dreigt verloren te gaan. De gemeente is daarom in een kritische situatie. Maar de gemeente leeft niet een zelfgenoegzaam leven als een aardse organisatie. Zij leeft in gemeenschap met de Heilige in haar midden. Hij heeft de macht in zijn genade harde harten te verbreken. Hij kan het ambtelijk woord van de vermaning dóór doen dringen tot reiniging van het hart en het leven. Hij wil en Hij moet allereerst in deze zijn hoge en verlossende heiligheid erkend worden en daarom moet er afzonderlijk voor de gemeente ruimte worden gemaakt, niet slechts voor een bid-dag, maar voor een gebeds-tijd. Paulus rekent de voorbede voor het ambtelijk gesproken woord tot „de geestelijke wapenrusting”, vgl. Ef. 6, 18-20. Wat van hem geldt, is waarachtig voor iedere dienaar van de Christus. De voorbede mobiliseert de krachten in het Schriftuurlijk woord vér boven al onze verstandelijke berekening uit.

|181|

 

9.4. De instemming van de classis.

Wanneer in de gang van de kerkelijke tucht de eerste afkondiging aan de gemeente heeft plaats gehad zonder dat vooralsnog de naam van de zondaar wordt genoemd, volgt er een periode van voortgaand ambtelijk vermaan. Daarbij kunnen de ouderlingen zich in bijzondere zin ondersteund weten door het gebed van de gemeente. Zij behoren deze werkelijkheid van een in het gebed gemobiliseerde gemeenschap der heiligen ook voor te leggen aan de broeder of zuster die tégen de verlossende heerschappij van de Here Jezus Christus kiest. Of de zondaar het wil weten of niet, hij behoort ook door het schetsen van deze stand van zaken te worden teruggeroepen van zijn weg. Hij behoort hierdoor ook, bij verharding in zijn zonde, des te minder te verontschuldigen te zijn.

Indien hij in dit stadium tot oprecht berouw en tot bekering komt, staat het uit de aard van de zaak aan het oordeel van de kerkeraad hoe hiervan kennis zal worden gegeven aan de gemeente. Gegeven de eerste afkondiging en de aansporing tot voorbede, staat het vast dat er mededeling van deze grote en heugelijke zaak wordt gedaan: een zondaar heeft zich bekeerd! Vreugde in de hemel en feest in de kerk! Maar dat sluit niet uit dat er dikwijls reden kan zijn, gelet op het alsnog verzwegen zijn van de naam, om soberheid in de informatie te betrachten. Het zal goed zijn om mogelijke verwarring te voorkomen in de tekst van de mededeling aan de gemeente ook de datum waarop de eerste afkondiging uit is gegaan te vermelden.

Indien er evenwel geen berouw komt en de zondaar weigert zich te bekeren, dan is de kerkeraad verantwoordelijk in het bepalen van de afloop van dit eerste stadium in de voorbereiding van de excommunicatie. Hetzelfde geldt van heel het verloop: „Over het tijdsverloop tussen de afkondigingen beslist de kerkeraad”, art. 77 slot. Deze bevoegdheid is niet alleen een formele, maar is een voluit ambtelijke. De kerkeraad heeft ook op dit punt te waken voor de heiligheid van de naam van God. Hij heeft in dezen te waken voor de gemeente van de heilige God. Hij heeft nog steeds en in steeds ultimatiever zin het oog te houden op het behoud van de zondaar.

Maar de eigen, ambtelijke verantwoordelijkheid van de opzieners der gemeente houdt niet in dat er bij deze zware gang van zaken geen hulp zou kunnen worden gegeven vanuit de brede gemeenschap van de heiligen die in het kerkverband gestalte heeft gevonden. De kerken

|182|

hebben zich zelfs in de Kerkorde vrijwillig verplicht deze hulp in te roepen. Want bij de tweede afkondiging aan de gemeente zal de naam van de zondaar bekend worden gemaakt. Dat is een volgende, (kerk-)rechtelijke handeling van het college van de opzieners. Een handeling die naar de kant van het leven van de zondaar en naar vele andere kanten diep kan ingrijpen. Daarom is uiterste zorgvuldigheid vereist. En daarom de door de kerken zelf opgenomen bepalingen: „Niemand mag worden geëxcommuniceerd zonder instemming van de classis”, art. 76 slot, en: „In de tweede (afkondiging) zal met de in art. 76 bedoelde instemming van de classis zijn naam vermeld worden”, art. 77.

We moeten goed oog voor het karakter, de aard van deze ‘instemming’ hebben. Daarom geven we daar in het volgende iets breder aandacht aan.

We kunnen de eigen aard van deze instemming of (om de term van de oudere redactie van de Kerkorde te gebruiken) van dit classicale ‘advies’ alleen op het spoor komen als we ons maar niet alleen met betrekking tot het kerkelijke leven maar over de hele linie van het leven er helder van bewust zijn dat het God behaagt de menselijke samenleving te schragen en als het ware te vitaliseren door een fijn vertakt ‘stelsel’ van geschakeerde verantwoordelijkheid. En dat is weer onderscheiden naar de onderscheiden aard van de verschillende vormen van menselijk samen-zijn en samen leven. Geschakeerde verantwoordelijkheid is er bij voorbeeld in het bedrijfsleven naar de aard van dit ‘leven’. leder heeft eigen roeping en eigen verantwoordelijkheid. Dat geldt van medewerkers van hoog tot laag. Het geldt voor het leidinggevende personeel. Voor directeur of directie enzovoort. Eigensoortige schakering in verantwoordelijkheid uit kracht van de roeping treffen we in de wereld van het onderwijs, van het wetenschappelijk bedrijf, van de overheid en haar diensten, van het leger aan. We kunnen weer zeggen: en zo voort. In die fijn vertakte schakering mogen we de rijkdom en ook de wijsheid van. God herkennen en eerbiedigen. Revolutionair en autonoom denken kan hier nooit helder zicht op krijgen. Dat kan het bedrijfsleven in een revolutionaire periode verlammen. Het kan het ook met de vervulling van wetenschappelijke roeping doen of met de mobiliteit van een leger. Daarom formuleerde Abraham Kuyper het al vroeg trefzeker: „éénvormigheid is de vloek van het moderne leven”. Het leven wordt er door dood gedrukt. Het

|183|

krijgt geen mogelijkheid zich te ontplooien in de dienst van de God die van ieder leven Zijn ‘tol’ vraagt.

Daarom heeft ieder mens zich in iedere situatie van zijn roeping bewust te zijn en uit zijn roeping te leven. We hebben de inhoud èn de begrenzing van onze eigen verantwoordelijkheid te kennen.

Dat geldt met dezelfde kracht als in ieder leven en samenleven ook in de kerk. En hier — onder het Evangelie van de genade, waardoor het geschapen leven behouden wordt, wordt het fundamenteel ook geleerd, beleden en beleefd. En het behoort hier beleden en beleefd te worden naar de eigen aard van de kerk, het lichaam van Christus, waarvan de gelovigen de leden zijn: „Nu heeft God echter de leden, elk in het bijzonder, hun plaats in het lichaam aangewezen, zoals Hij heeft gewild”, 1 Kor. 12, 18, vgl. ook vers 27: „Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden”. Fijn geschakeerde verantwoordelijkheid zien we in de gemeente als zodanig. We zien ze ook onder de broeders ambtsdragers. Het is in de grond van de zaak een revolutionaire gezindheid om de rijkdom van dat pluriforme leven niet te willen zien en te erkennen, ook al is dat onder de schijn van vrome woorden, als: „we zijn toch allemaal broeders en zusters”. Als die opmerking dienst moet doen om eigen roeping, eigen plaats, eigen verantwoordelijkheid te ontkennen of te verkleinen dan is dat een dooddoener èn een doodmaker: „Want het lichaam bestaat toch ook niet uit één lid, maar uit vele leden”, 1 Kor. 12, 14; „Als het lichaam geheel en al oog was, waar bleef het gehoor? Als het geheel en al gehoor was, waar bleef de reuk?”, vs 17.

En wat binnen het geheel van de plaatselijke kerk geldt, dat is ook van kracht voor het kerkverband. Daarom is er tègen iedere ‘gelijkschakeling’, bijvoorbeeld door middel van een of andere (papale, episcopale, synodalistische) hiërarchie steeds weer uit kracht van Gods Woord en van zijn genade protest gerezen. Het is de rijkdom van de gereformeerde kerkregering dat hier oog is voor het onderscheid tussen een kerkeraad als ambtelijke vergadering en de zogenaamde ‘meerdere vergaderingen’, classis, particuliere synode en generale synode als vergaderingen die door afvaardiging tot stand komen 1).


1) Vgl. art. 32 Kerkorde: „Afgevaardigden naar meerdere vergaderingen zullen hun geloofsbrieven, ondertekend door hun zenders, meebrengen en op grond daarvan stemrecht hebben”.

|184|

Hebben we eenmaal voor dit onderscheid oog gekregen, dan is het vervolgens zaak in te zien dat in het samenleven van de kerken en in het elkaar ten dienste zijn in het leven vóór God er nog weer mogelijkheid is tot verfijning, verdergaande nuancering in het aanvaarden en opdragen van bepaalde verantwoordelijkheden. Wanneer men heeft gezegd: een classis (hetzelfde geldt vervolgens van particuliere en generale synoden) is als meerdere vergadering een vergadering van afgevaardigden en niet een ambtelijke vergadering zoals de kerkeraad, dan is er wel een fundamentele zaak uitgesproken, maar het is juist daarom nog maar een eerste woord. Van daaruit mogen we samen op weg gaan en behoren dat ook te doen en mogen we gedifferentieerde afspraken maken en verantwoordelijkheden stellen. Zo weet de Kerkorde ten aanzien van de classisvergadering te spreken over verschillende bevoegdheden die aan deze vergadering zijn gegeven. Er is onder meer sprake van ‘goedkeuring’ (approbatie) ingeval van een beroep van een predikant (artt. 5 en 6), van uitspraak ingeval van beroep (art. 31 ), van oordeel en beoordeling ingeval van de afzetting van een dienaar des Woords, en van instemming (advies) ingeval van een tuchtprocedure, wanneer de kerkeraad de tijd acht gekomen voor de tweede afkondiging.

Het is niet voor niets dat deze onderscheidende terminologie wordt gebruikt: het geeft aan dat niet iedere uitspraak, iedere handeling van de classis in hetzelfde kader staat en van dezelfde en altijd eendere strekking is. Om het nu te concretiseren voor de nu in bespreking zijnde tweede afkondiging vóór de excommunicatie: de kerkeraad heeft en houdt een eigen, onoverdraagbare en onvervreemdbare ambtelijke verantwoordelijkheid op de weg naar de excommunicatie. Als daarom de kerken gemeenschappelijk de classis inschakelen in de procedure, dan komt dat nimmer in mindering op de verantwoordelijkheid van de kerkeraad. Daarom wordt ‘slechts’ om instemmend advies van de classis gevraagd. Daarom is ‘slechts’ dit instemmend advies vereist.

Het is wel mogelijk dat in de gang van een bepaalde procedure in één van de kerken in het ressort de classis tot een andere en andersoortige handeling en uitspraak wordt geroepen. We denken aan het geval dat een broeder die onder de tucht is gesteld, in welk stadium dan ook, zich volgens het beschreven recht van art. 31 Kerkorde tot de classis richt en zich beklaagt dat hem onrecht is aangedaan. In dit geval wordt de classis geroepen — en dat al weer uit kracht van het

|185|

onderling overeengekomen kerkelijk accoord — een uitspraak te doen die als bindend (‘vast en bondig’) aanvaard behoort te worden, tenzij er strijdigheid kan worden bewezen met het Woord van God of met de Kerkorde. Wanneer nu de classis in de gang van een tuchtprocedure daarmee wordt geconfronteerd doordat beroep naar art. 31 K.O. op haar wordt gedaan, dan heeft de vergadering heel andere verplichtingen dan wanneer aan haar naar de artikelen 76 en 77 van de Kerkorde door de kerkeraad van één der kerken in het classicaal ressort instemming wordt gevraagd om voort te gaan met de tucht tot de tweede afkondiging (‘de tweede trap’). In het geval van beroep naar art. 31 heeft de classis als door de kerken ingeschakelde rechtelijke instantie uitspraak te doen. De classis heeft dan de regels in acht te nemen die voor dit recht-spreken gelden. Zij, de classis, mag in dit geval ook gebruik maken van de rechten die de kerken tot haar beschikking hebben gesteld om haar taak als rechtsprekende en rechtdoende instantie te kunnen volbrengen. In het kader van de artikelen 76 en 77 van de Kerkorde is de classicale taak echter veel bescheidener, hoe belangrijk en noodzakelijk ook. In dit geval is de classis — de beide gevallen zouden zich op een en dezelfde classicale vergadering voor kunnen doen! — geen rechtelijke instantie, maar een controlerend orgaan. Zij behoeft in dit geval niet tot een eigen oordeel te komen in de weg van het kennisnemen van de stukken, het horen van de partijen enz. De kerkeraad verschaft informatie over de stand van zaken en de gang van de procedure tot nu toe (hier blijkt het belang van verantwoorde notulering!). De classis gaat uit van de haar verstrekte gegevens. Zij behoeft niet meer te doen dan met goede zorgvuldigheid na te gaan of in het concrete geval is gehandeld naar de orde die de Schriften ons leren en die in de Kerkorde (en eventueel overige kerkelijke bepalingen) nader is geconcretiseerd. Het komt me onjuist voor dat de classis door gedeputeerden de zondaar gaat vermanen, zoals Voetius het aanbeveelt 2), om daarna, indien ook deze vermaning geen uitwerking heeft, haar advies in positieve zin aan de betrokken kerkeraad te geven. Dat gaat m.i. over de schreef. De kerkeraad laat zich controleren, want hij weet: het gaat om leven of dood. De kerkeraad zal voor zich, tenzij er kwaad bestuur in geding is, ervan overtuigd zijn dat tot nu toe naar christelijke


2) G. Voetius, Pol. Eccl. IV, pag. 919.

|186|

orde is gehandeld. Maar in de zware gang van de tuchtoefening kan bij de kerkeraad door emotionele betrokkenheid of anderszins ‘kortsluiting’ plaats vinden. Het is mogelijk dat er een door ‘buitenstaanders’ aanwijsbare fout in de tuchtprocedure gemaakt is die aan de kerkeraad is ontgaan. Daarom wordt nu, voordat de naam van het betrokken lid publiek wordt gemaakt, de controle van de meerdere vergadering gezocht. En deze is naar het overeengekomen recht nu ook noodzakelijk. De oudere redactie die van ‘advies’ sprak kon het misverstand oproepen als zou de kerkeraad een eventueel negatief luidende uitspraak van de classis in dit geval wel naast zich kunnen neerleggen en zonder meer toch kunnen overgaan tot de afkondiging met-vermelding-van naam. Daarmee zou echter willekeur ingevoerd zijn. Daarom heeft de synode van Groningen, 1978 terecht en geheel in de lijn van de gereformeerde kerkregering de termen „voorgaand advies” (art. 76) en „advies” (art. 77) vervangen door „instemming”. Deze — bescheiden — bevoegdheid en taak van de classis is in de praktijk van de kerkregering reeds dikwijls een zegen gebleken zowel in de aanwijzing van een eventueel tekort als ook in de morele steun die een kerkeraad mag ontvangen in de samenleving van de kerken.

|187|

 

9.5. De heilige handeling van de ban.

Nadat de classis haar instemming heeft betuigd met de gang van de tot nu toe door de kerkeraad geoefende tucht, nl. tot en met de eerste afkondiging aan de gemeente èn de daarna gevolgde vermaningen, volgt de tweede afkondiging aan de gemeente, nu met vermelding van de naam van de zondaar. Hij zal nu ook door de gelovigen moeten worden aangesproken. Dit niet in deze zin als zou ieder lid van de gemeente een eigen onderzoek moeten instellen. De leden der gemeente zullen ook in dit stadium eigen verantwoordelijkheid en de begrenzing daarvan kennen. Hierbij is te vergelijken wat we in de vorige paragraaf hebben opgemerkt over de geschakeerdheid van de verantwoordelijkheden, die niet mag worden verstoord doordat we — met beroep op het feit dat wij toch verantwoordelijk staan — de grens van onze bepaalde verantwoordelijkheid negéren. In concreto betekent dit nu dat het vermaan van de broeders en zusters na de tweede afkondiging zich aansluit bij het ambtelijk vermaan en dit intensiveert 1).

Indien ook aan dit verbrede en verdiepte vermaan geen gehoor wordt gegeven, is het aan het oordeel van de kerkeraad de tijd van de derde afkondiging aan de gemeente te bepalen. Deze afkondiging heeft weer een eigen karakter en vormt de zoveelste mijlpaal in de gang van de tucht. Nu „zal de kerkeraad aan de gemeente meedelen, dat hij (nl. de zondaar) buiten de gemeenschap van de kerk gesloten zal worden, als hij zich niet bekeert” (K.O., art. 77).

De excommunicatie wordt nu dus genoemd, maar nog niet voltrokken. Deze afkondiging is naar haar aard de aankondiging van de afsnijding.

Hierbij is op het volgende te letten:

Ten eerste, nadrukkelijk stelt art. 77 „de hardnekkigheid van de zondaar”


1) Indien een gemeentelid, ais hij de zondaar vermaant, tot de ontdekking komt dat deze zijn zonde en de rechtmatigheid van de tucht niet erkent, is dit op zichzelf geen reden een bijzonder initiatief te ontplooien. Dit ligt, helaas, in de aard van de zaak. Alleen wanneer bij het uitbrengen van het broederlijk vermaan duidelijk zou blijken dat de broeder, die vermaand wordt, metterdaad niet leeft in de zonde waarover met hem wordt gehandeld, dan is de tijd gekomen, de kerkeraad de vraag voor te leggen of er wel recht is gehandeld en verder naar bevind van zaken te handelen.

|188|

centraal bij de definitieve afsnijding. In de voorafgaande voorlopige excommunicatie of afhouding van het Avondmaal was er op een dubbele mogelijkheid te wijzen: hardnekkigheid in het verwerpen van het vermaan òf het begaan van een openbare of in ander opzicht ernstige zonde (vgl. art. 76, ook art. 74, tweede gedeelte). Maar in de voortgang van vermaning en tucht komt nu alles onder één noemer: de zonde wordt hoe langer hoe meer openbaar in haar karakter van hardnekkig ongeloof in het verwerpen van het Evangelie, dat in de vermaning tot de zondaar is gekomen, vgl. Luk. 3, 18 2).

Ten tweede, in de afkondigingen aan de gemeente, ook in de beide eerste, moet het daarom niet het doel zijn de bepaalde zonde in détail te schetsen, maar om na een algemene karakterisering van de zonde voor de gemeente in het licht te stellen dat tot nu toe het Evangelie met zijn beloften en met zijn vermaningen afgestuit is op de harde muur van de hardnekkigheid van de zondaar. Hierover inzonderheid, al staat dit natuurlijk niet los van de concrete achtergrond in het leven van de zondigende broeder, moeten de vermaningen ook gaan waarmee na de tweede en derde afkondiging de leden van de gemeente zich persoonlijk tot de broeder richten.

Ten derde, de laatste, derde afkondiging is, zo zagen we, onderscheiden van de beide voorafgaande. Maar ook van de excommunicatie zèlf. Art. 77 zegt nadrukkelijk, na wat wij reeds over deze afkondiging hebben geciteerd het volgende: „op deze wijze zal de excommunicatie de stilzwijgende instemming van de gemeente hebben”. Met andere woorden: deze afkondiging is in haar aankondigend karakter juist nog onderscheiden van wat te vrezen is dat volgen moet. Soms schijnt nog de gedachte te leven als zou de ‘derde trap’ en afsnijding samenvallen of tesamen kunnen worden genomen. Maar tegen dit misbegrip moet stelling worden genomen. Ook nu nog is de periode van lankmoedigheid en vermaan niet geheel afgesloten.

Het verdient aanbeveling de tijd tussen de derde afkondiging aan de gemeente (met kennisgeving aan de zondaar) en de uiteindelijke, rechterlijke daad van de voltrekking van de afsnijding in een publieke eredienst niet al te begrensd te doen zijn. Ook nu nog zal men zich klaar voor ogen moeten stellen dat er geen spanning, geen tegenstrijdigheid is tussen de Schriftuurlijke eis tot heilighouding van de


2) Ook Dordtse Leerregels III/IV, 17 en V, 14.

|189|

gemeente èn die van het oefenen van lankmoedigheid. Er moet ook een werkelijke tijdsruimte blijven, temeer omdat men zich bij de derde afkondiging op een termijn (bij blijvende onbekeerlijkheid) moet vastleggen. Er is terecht gepleit voor een termijn van drie weken en dit contra sommigen die slechts een week wilden laten verlopen tussen de laatste afkondiging èn de excommunicatie (o.m. G. Voetius). De „stilzwijgende instemming van de gemeente” moet geen inhoudloze vertoning zijn. De geméénte doet het boze uit haar midden weg onder leiding van de door Christus gegeven ambtsdragers. Ook voor de zondaar is dit laatste beraad van groot gewicht. Dat moet de termijn als zodanig hem ook duidelijk maken. Daarbij komt dan nog dat ook in dit stadium een beroep op de meerdere vergadering, de classis, een reële mogelijkheid moet blijven. Daarom is het goed dat men de aanvang van de termijn zó kiest dat er een normale classicale vergadering (eenmaal in de drie maanden, art. 41 K.O.) valt gedurende het verstrijken van de termijn. De zondaar moet niet kunnen zeggen dat hem in feite de weg van het appèl is geblokkeerd door het beleid van de kerkeraad. Zo verdient het ook geen aanbeveling de derde afkondiging onmiddellijk na een classicale vergadering te doen uitgaan en op dit tijdstip het laatste stadium te doen ingaan.

Als de broeder, die door de tucht is getroffen, een appèl op de classis doet, moet niet tot de afsnijding worden overgegaan vóór er uitspraak door de appèl-instantie is gedaan. In sobere bewoordingen behoort de gemeente hiervan op de hoogte te worden gesteld.

De excommunicatie zelf gebeurt met „het daarvoor vastgestelde formulier”, art. 76 K.O., slot. Dit formulier geeft over de aard van de uitsluiting genoegzame informatie. We mogen daarheen wel verwijzen, niet om de ernst van de zaak te verkleinen. Juist om deze te accentueren: de tekst van dit formulier is hier opgenomen geacht. Van de vóórganger in de samenkomst waar buiten de gemeente èn buiten het Koninkrijk der hemelen wordt gesloten wordt veel zelfbeheersing gevraagd met betrekking tot de prediking en andere onderdelen van de eredienst. Zorgvuldige voorbereiding is hier eis. En dat niet alleen om niet door een onbeheerste, beledigende uitval eventueel met de strafrechter in aanraking te komen, maar vóór alles omdat wij ons gesterkt en vermaand moeten weten door het woord van de opgestane Heer: „wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze

|190|

kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend", Joh. 20, 23.

De excommunicatie is altijd persoonlijk. Dat houdt in dat de afsnijding nooit tot een ander, wie dan ook, kan worden ‘doorberekend’. Een vrouw wordt niet door de excommunicatie getroffen, omdat haar man wordt afgesneden. Het is wèl mogelijk dat een broeder èn een zuster die tesamen in zonde leven en zich hebben verhard tegen alle vermaningen in en samen zijn blijven spannen, op dezelfde dag worden afgesneden. Maar dan zijn het twéé excommunicaties aan het einde van twéé procedures. Zeker mag een excommunicatie ook niet worden ‘doorberekend’ naar de, jonge, gedoopte kinderen van een lid der gemeente. Als dit lid ouderlijke bevoegdheid over onmondige kinderen heeft, dan staat het wèl in zijn macht de kinderen aan het opzicht van de kerkeraad te onttrekken. Hij van zijn kant kan zijn kwaad zó ver drijven dat hij voor de hem toevertrouwde kinderen de band met de gemeente doorsnijdt. Maar als dit niet gebeurt, dan blijven de kinderen van een geëxcommuniceerde kinderen van de gemeente. Dan komen de ambtsdragers dikwijls wel voor moeilijke, pastorale problemen te staan: vaak is het reeds (vrijwel) onmogelijk voortdurend toegang tot deze kinderen te krijgen om ze als lammeren van de kudde te weiden. Ook als de ouder de kinderen niet uit de gemeenschap van de kerk neemt, dan zal hij of zij dikwijls in de opvoeding zó handelen dat normale contacten (via school, catechisatie, vereniging) bijzonder moeilijk worden. Maar dat geeft de kerkeraad nooit reden om zijnerzijds de kinderen van een geëxcommuniceerde ‘af te schrijven’. Men zal, integendeel, waakzaam moeten zijn, de kansen die zich voordoen te benutten en wachten op het openen van een mogelijkheid om de kinderen vast te houden in de gemeenschap van het Verbond: zij zijn „in Christus geheiligd”. Dat is betekend en verzegeld in de doop. Dat blijft richtlijn voor het ambtelijke werken 3).


3) In de nieuwe redactie van de Kerkorde is de tucht over doopleden (na een lange voorbereidingsperiode) ondergebracht in art. 82. Het is ons niet mogelijk in het raam van deze verhandeling hierover nog afzonderlijk te handelen. Daarom moge nu worden volstaan met het citeren van dit artikel en met de verwijzing naar het ook door de synode van Groningen-Zuid, 1978 vastgestelde ‘formulier van de tucht over afkerige, volwassen doopleden’ (Acta, pag. 106, vgl. ook de zgn. Acta contracta, pag. 56, 57).
Art. 82 K.O. luidt als volgt: „De kerkeraad zal iemand die als kind de doop

|191|

Voor heel de bediening van de tucht geldt het woord van de apostel: „Oordeelt ook gij niet alleen hen, die in uw kring zijn? Hen die buiten zijn, zal God oordelen”, 1 Kor. 5, 12. Dit woord is ook op de excommunicatie van toepassing. Men mag nooit iemand aanraden om zich maar te onttrekken aan de gemeenschap van de kerk. Men mag dit zeker niet als kerkeraad of als ambtsdrager doen. „Om maar van de moeilijkheid af te zijn!” Maar indien een lid van de gemeente zelf van zijn kant zich onttrekt 4), dan is de grens bereikt, waar de kerkeraad


heeft ontvangen, vermanen wanneer hij als volwassene nalaat openbare belijdenis van het geloof te doen, of ook in ander opzicht zijn roeping tot nieuwe gehoorzaamheid in Gods verbond ontrouw is. Indien hij de vermaning van de kerkeraad hardnekkig verwerpt en daarbij duidelijk laat blijken dat hij afkerig is van het verbond en onverschillig of zelfs vijandig staat tegenover de dienst van de Here, zal dit met instemming van de classis aan de gemeente worden bekendgemaakt. Bij de afkondiging zal de kerkeraad zijn naam noemen en tevens een termijn stellen. De gemeente zal worden aangespoord hem aan te spreken en voor hem te bidden. Wanneer hij in de genoemde termijn geen teken van oprecht berouw toont, zal de kerkeraad hem in een eredienst buiten de gemeenschap van de kerk sluiten, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier gebruikt dient te worden. Indien hij na deze excommunicatie tot bekering komt en zich weer bij de gemeenschap van de kerk wil voegen, zal hij toegelaten worden in de weg van de openbare belijdenis van het geloof, nadat de kerkeraad zijn bekering aan de gemeente heeft bekendgemaakt”.
4) In verband met een schriftelijk ingekomen vraag of wij wel terecht hebben gesproken over de mogelijkheid dat iemand zich niet formeel, maar wèl metterdaad geheel aan opzicht en tucht onttrekt en of wij in dit verband wel terecht zeiden dat in deze uitzonderlijke gevallen de kerkeraad moet constateren dat de onttrekking metterdaad heeft plaatsgevonden, moge ik kortheidshalve verwijzen naar wat de kerken zelf in de generale synode van Amsterdam, 1936, art. 39 (met verwijzing naar de synode van ’s-Gravenhage, 1914) hebben uitgesproken: dat „als iemand bij voortduring bij predikanten van een ander kerkgemeenschap kerkt, daar zijn kinderen ter catechisatie zendt, de sacramenten gebruikt, weigert de ambtsdragers te ontvangen of naar de vermaning van den kerkeraad te luisteren, daarmee feitelijk alle gemeenschap met de kerk is verbroken”. De uitspraak is ook te vinden in de Korte Verklaring van Joh. Jansen, derde druk, Kampen 1952, pag. 304, 305. Eveneens in F.L. Bos, De orde der Kerk, pag. 276, 277. Hier wordt ook de uitspraak van 1914 breed geciteerd.
Het gaat er in deze gevallen niet om op een gemakkelijke en vleselijke wijze zich van ambtelijke roeping te ontdoen, maar om de tucht zuiver te houden. Deze sleutel van het Koninkrijk wordt binnen de gemeente bediend. Daar heeft de kerkeraad bevoegdheid en volmacht. Daar buiten om niet! Misbruik

|192|

niet voorbij mag gaan met de gedachte of de pretentie ook buiten de ‘kring’ van de gemeente bevoegdheid te hebben tucht te oefenen.

Als het vonnis van de afsnijding voltrokken is, dan zal de christelijke gemeente twee dingen moeten verstaan in het geloof: de schrikkelijke werkelijkheid van de uitsluiting blijft, ook als de geëxcommuniceerde een ontsnappingsweg zou vinden door zich ‘elders’ aan te sluiten, zelfs als dit binnen de zgn. ‘gereformeerde gezindte’ zou zijn! Dat heeft ook de sociale omgang te stempelen. Maar — en dit in de tweede plaats — daarbij zullen we ons niet laten leiden door farizese hoogmoed en eigengerechtigheid, ook niet door de hardheid die de ‘mijding’ in het zestiende eeuwse anabaptisme kenmerkte (verbreking van de huwelijksband met een ‘gebande’) 5). De heiligheid van onze God, zoals Hij woont in de gemeente, moet ons tot regel blijven.

In déze bedéling, in het „heden der genade” houdt deze heiligheid óók in dat de tucht tot in de afsnijding toe een ‘remedie’ is. De uitsluiting uit de gemeente en de buitensluiting uit het Koninkrijk is werkelijkheid. En moet (ook uit vrees voor de destructieve kracht en de infectueuze werking van de zonde) ook praktisch in acht worden genomen, Matt. 18, 17; 1 Kor. 5, 9-11. Maar óók deze uitsluiting blijft dienstbaar aan de roep terug. Ná het formulier ‘voor de uitsluiting’ volgt in ons kerkboek het formulier ‘voor de wederopneming in de gemeente’! Op de ‘verzoening’ blijft de tucht gericht!


van deze waarheid is zeker mogelijk. Er moet tegen worden gewaakt. Maar daarmee is het recht van deze synodale bepalingen zelf nog niet aangetast. Zeker, wanneer (zoals in onze jaren weer voorkomt) iemand zijn doop (èn de belijdenis die zich daarop richt) veracht en een zgn. ‘doop’ in een baptistische gemeenschap zoekt en ondergaat of in een zgn. Volle Evangeliegemeenschap en tegelijk ‘wel’ lid van de gereformeerde kerk zou willen blijven, dan moet de kerkeraad ook hier de wacht voor de heiligheid van de gemeente èn voor de zinvolheid van de christelijke tucht betrekken: een (feitelijk) dubbel- kerklidmaatschap is onmogelijk. Blijft men in deze gevallen toch de tucht oefenen, dan loopt men het gevaar deze tot een farce te maken. Hiermee oordeel ik niet over het bijzondere geval dat mijn correspondent uit de geschiedenis van één der kerken naar voren brengt. Tot die beoordeling zijn wij niet geroepen en ook niet in staat. Wij menen echter niet meer te hebben gedaan dan de door de kerken zelf aanvaarde lijn te laten zien.
5) Vgl. J.H.Wessel, De leerstellige strijd tussen Nederlandsche Gereformeerden en Doopsgezinden in de zestiende eeuw, Assen 1945, hoofdstuk II Doopsgezinde ban en gereformeerde tucht, pag. 67-107.