Kamphuis, J. (1982) Hst. 4

|53|

4. De ‘eenvoudige afhouding’

 

4.1. De wettige plaats in het kerkrecht

Voordat we verder spreken over de voortgang van de tucht in het geval de broederlijke vermaningen onder vier ogen en met één of twee getuigen bij de zondaar geen bekering hebben bewerkt óf in het geval van een openbare zonde, moet een andere zaak onze aandacht hebben. Een zaak die in strikte zin geen onderdeel vormt van de kerkelijke tucht, de discipline, maar die wèl een belangrijk element is in de geestelijke regering van de gemeente door de kerkeraad.

We doelen op de zogenaamde ‘eenvoudige afhouding’ van het Heilig Avondmaal, die goed moet worden onderscheiden van de disciplinaire afhouding, waarover de Kerkorde in art. 76 als volgt handelt: „De kerkeraad zal de toegang tot het avondhaal van de Here ontzeggen aan hem, die de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt of die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan heeft”.

Deze disciplinaire afhouding wordt ook wel ‘kleine ban’ (excommunicatio minor), de ‘voorlopige afhouding’ of de ‘stille censuur’ genoemd. Hierbij hebben we met de tucht in de eigenlijke zin te maken.

Maar daarnaast is er de mogelijkheid van een afhouding van het Avondmaal, die wel tot doel heeft de tafel des Heren heilig te houden, maar die geen element van de tucht vormt1).

Om oog te krijgen voor het eigen karakter van déze afhouding, is het goed nog enkele stappen terug te gaan.

Naast de afhouding van het Avondmaal als een maatregel door de kerkeraad getroffen, is er namelijk ook de onthouding van het Avondmaal


1) Om het onderscheid tussen de eenvoudige én de voorlopige afhouding (of kleine ban) duidelijk aan te geven spreken Idzerd van Dellen en Martin Monsma in hun verklaring van de Kerkorde, in gebruik bij de Christian Reformed Church liever over een ‘simple debarment’ (d.w.z.: een eenvoudig beletten of weerhouden, nl. om aan het Avondmaal te gaan) dan over een ‘simple suspension’, vgl. The Church Order Commentary (derde druk van 1954), Grand Rapids, Michigan, pag. 314. En van dezelfde auteurs The revised Church Order Commentary (zesde druk 1973), Grand Rapids, Michigan, pag. 313.

|54|

als een eigen daad van de gelovigen.

We spreken nu niet over het droevige feit dat er nog altijd belijdende leden van de gemeente van Christus zijn, die toch de dood des Heren aan de tafel des Heren niet verkondigen, omdat zij menen dat zij vanwege hun subjectieve staat daartoe niet gerechtigd zijn. Hier is een schrijnende tegenstelling. Enerzijds wel de positie hebben van lid van de kerk van Christus, dat belijdend lid is. En waarvan ànders doen wij belijdenis dan van Gods genade voor ons in Christus? En anderzijds deze belijdenis niet als geloofshandeling voltrekken bij het gebroken brood en bij de beker van het Nieuwe Verbond. Nog altijd doen, de mystiek en de lijdelijkheid hier hun verwoestend werk. Dáártegenover mogen we de goede belijdenis van de Dordtse Leerregels stellen — in het laatste hoofdstuk over de volharding der heiligen — dat zoals het God belieft het werk van zijn genade door de prediking van het Evangelie in ons te beginnen, zo „bewaart, achtervolgt en volbrengt Hij het door het horen, lezen en overleggen daarvan, mitsgaders door de vermaningen, bedreigingen, beloften èn het gebruik der Heilige Sacramenten” 2). Hier, in déze onthouding van het Avondmaal, is een niet gehoorzaam zijn aan de roeping van God. Daartegen moet in prediking en ambtelijk vermaan stelling worden gekozen, opdat dit kwaad in zijn gunst tenslotte geheel zal zijn weggedaan.

Maar diezelfde prediking en datzelfde ambtelijk vermaan kan er toch ook wel toe leiden dat de gelovige zich onthoudt van de viering van de dood des Heren, opdat de tafel des Heren niet zal worden verontreinigd. Het Woord kan ons ontdekken aan onze zonden èn aan het niet gebroken hebben met die zonde, die wij toegang tot ons leven hebben gegeven en die zich in ons hart heeft genesteld. Ook als dat bij mensen niet bekend is, dan weet de Here het wel. Hij wil ons alleen in de weg van de bekéring in zijn gemeenschap en aan zijn tafel ontvangen. Maar als we die weg niet inslaan, dan dreigt Hij zelfs met de verzwaring van zijn oordeel, 1 Kor. 11, 29 en volgende. De nodiging tot de tafel gaat daarom in het formulier om het Heilig Avondmaal, te vieren dat bij de Gereformeerde Kerken in gebruik is, ook gepaard met een ‘terugwijzing’, zoals het bondig is geformuleerd in


2) Dordtse Leerregels V, par. 14, vgl. ook de waarschuwing tegen het scheiden van die dingen, „die God naar Zijn welbehagen heeft gewild dat te samen gevoegd zouden blijven” in IV, par. 17.

|55|

de uitgave van de formulieren door de generale synode van Hattem 1972. Een ‘terugwijzing’ van hen, die zich van hun zonden niet bekeren.

Het is ook mogelijk dat in het leven van een broeder of zuster een zaak is, die voorwerp moet zijn van ambtelijke vermaning en dat ook is geworden. Zonder dat er dan nog wordt gehandeld in het kader van de kerkelijke tucht, kan het goed en geboden zijn om de broeder die onwillig is om gehoor aan de vermaning te geven, aan te raden in deze situatie zich te onthouden van de tafel. Er laten zich ook wel andere situaties denken, waarbij zo’n advies terecht kan worden gegeven, bij voorbeeld, wanneer in een bepaald geding, waarbij de strafrechter is gemoeid, de onschuld van de broeder voor de kerkeraad wel vaststaat, maar de rechter nog niet tot een uitspraak is gekomen. Zoals in heel het ambtelijk werk, geldt ook hier, dat men wèl moet weten wat men doet en dat men dit advies niet mag misbruiken als een vlucht uit de moeilijkheden. Maar dat neemt niet weg dat de heiligheid van het Verbond de ambtsdragers tot dit advies kan brengen.

In dit geval gaat er van de ambtsdrager reeds een actie uit, het advies. Maar de beslissing blijft dan nog bij het lid van de gemeente liggen. De beslissing èn de verantwoordelijkheid. Maar de volgende stap — uit de aard van de zaak is de onderscheiding hier niet in chronologische, maar in logische zin bedoeld — is dat de kerkeraad voor een bepaalde viering van het Avondmaal zich genoodzaakt ziet een beslissing te nemen om de toegang tot het Avondmaal in een bepaalde situatie te ontzeggen. De roeping en bevoegdheid van de kerkeraad tot deze handeling heeft voor de gereformeerde kerken altijd vast gestaan. De eerste synode, die van Emden 1571, behandelt reeds een concreet geval van eenvoudige afhouding. Wanneer iemand tot zware, godslasterlijke zonde is vervallen of tot misdaden die door de overheid bestraft behoren, te worden, dan is het mogelijk dat hij „met woorden boetvaardigheid” betuigt. Hij zal dan toch van het Avondmaal worden afgehouden. Hoe vaak, dáárover zal de kerkeraad oordelen3). De


3) Emden, Acta, art. 32, vgl. F.L. Rutgers, Acta 16e eeuw, pag. 72.

|56|

synode van Dordrecht 1574 komt op deze kwestie nog weer terug4), terwijl de volgende synode, van Dordrecht 1578 voor hetzelfde geval als argumentatie geeft dat de ‘ergernis’ weggenomen moet worden en de oprechtheid van de boetvaardigheid moet worden bewezen5).

In deze zelfde tijd krijgt de particuliere synode van Schoonhoven 1579 te maken met de vraag van de broeders, die afgevaardigd zijn door de classis Gorcum, of een lid van de gemeente, die openlijk wordt beschuldigd „voor een dieff, schellem oft meinedigen” toegelaten zal mogen worden tot het Avondmaal vóórdat hij zich heeft verantwoord. De broeders van de synode oordelen dat de kwestie „generael” is, dat wil zeggen dat hierover eigenlijk een generale synode moet oordelen. Maar ze geven toch advies. Dat luidt als volgt: de kerk of de classis, waar dit voorvalt, zullen hem vermanen dat hij zich verantwoordt, en hangende de procedure zal hij volgens het oordeel (van de bevoegde instantie) een tijdlang van het Avondmaal afgehouden worden. Heel anders staat het er volgens de particuliere synode voor als de broeder zich niet wil verantwoorden. Dan „sal hij gants affgehouden worden” 6).

Hoewel de broeders van Schoonhoven van oordeel waren dat hier een kwestie aan de orde werd gesteld die van algemene betekenis was en dus door de generale synode behandeld behoorde te worden, heeft de generale synode die enkele jaren later, in 1581, samenkwam in Middelburg deze zaak toch niet in de Kerkorde opgenomen. De reden daarvan ligt voor de hand. Men heeft in Middelburg naar kortheid en bondigheid gestreefd, ook met het doel de goedkeuring van de Staten op de kerkorde te krijgen. Zo kan prof. F.L. Rutgers de Kerkorde van Middelburg 1581 terecht „de verkorte Dordtsche Kerkenordening” noemen. Daarmee doelt hij op de aan Middelburg vóórafgaande synode van Dordrecht 1578. „Er is slechts zeer weinig nieuws bijgekomen en er is integendeel betrekkelijk veel weggelaten” 7).


4) F.L. Rutgers, a.w., pag. 158.
5) F.L. Rutgers, a.w., pag. 260 v.
6) J. Reitsma en S.D. van Veen, Acta der provinciale en particuliere synoden (1573-1630), II, pag. 177. F.L. Bos geeft in zijn De orde der kerk, ’s-Gravenhage 1950, pag. 293, naast andere voorbeelden van simplex abstentio (eenvoudige afhouding) — besluiten door particuliere synoden, ook het grootste deel van de tekst van Schoonhoven.
7) F.L. Rutgers, a.w., pag.347.

|57|

Daardoor werd evenwel hetgeen door vorige synoden was besloten niet buiten werking gesteld, zoals uit de Handelingen van Middelburg zelf kan blijken8). Maar de ‘eenvoudige afhouding’ is toch nooit anders dan slechts op een enkel incidenteel en concreet punt aan de orde geweest bij de vergaderingen die werkzaam zijn geweest bij de constituering van het kerkverband. Als zodanig heeft het punt geen kerkordelijke behandeling gekregen. In deze tijd niet. Ook in later tijd niet.

Daarentegen kreeg het die aandacht wèl in de praktijk van de kerkregering. En ook in de kerkrechtelijke literatuur. Anton Walaeus handelt erover in het standaardwerk van de gereformeerde geloofsleer na de synode van Dordrecht 1618/1619, de Synopsis, bij de disputatie over de kerkelijke tucht. Gisbertus Voetius spreekt er breed over in het standaardwerk van het gereformeerd kerkrecht, de Politica Ecclesiastica9). Zonder de lezer met veel meer vindplaatsen te vermoeien, mogen we wel stellen dat deze lijn steeds is doorgetrokken tot in de gereformeerde kerkrechtelijke verhandelingen uit de 19e en 20e eeuw. F.L. Rutgers en H. Bouwman geven van hetzelfde gevoelen blijk als Walaeus en Voetius. Als voorbeeld van het vastleggen van de roeping en het recht van de kerkeraad in dezen verwijzen we nu alleen naar de Korte Verklaring van de Kerkorde door Joh. Jansen gegeven10).

We spreken over de zaak zèlf nog door. Het is echter van betekenis er op te letten dat hier bij het kerkrechtelijk geval van het kerkordelijk niet geregeld zijn van de ‘eenvoudige afhouding’ wèl het geheel eigen


8) Vgl. F.L. Rutgers, a.w., pag. 347, 348.
9) In de Synopsis puriosis theologiae, disp. XLVIII, 35, vgl. de door H. Bavinck verzorgde editie van 1881, pag. 584, 585 wordt op Emden en volgende synoden teruggegrepen. Maar Voetius handelt er breed over, Politica Ecclesiastica IV, pag. 859-861. Joh. Jansen heeft in zijn De kerkelijke tucht, Nijverdal (1913), pag. 230-234 een letterlijke vertaling van de behandeling van Voetius gegeven.
10) Joh. Jansen, Korte Verklaring, eerste druk 1923, pag. 330. Vgl. ook nog D. Nauta, Verklaring van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Kampen 1971, pag. 366. Nauta handelt hier over art. 108 van de nieuwe Kerkorde in gebruik bij de syn. Gereformeerde Kerken: „Maatregelen van tucht zullen niet genomen worden zonder voorafgaand grondig onderzoek en niet dan nadat de beschuldigde gelegenheid heeft gehad zich te verantwoorden”.

|58|

karakter van de gereformeerde kerkorde duidelijk naar voren treedt. Men heeft er nooit naar gestreefd regelingen voor alle vóórkomende zaken te maken en aan de kerken op te leggen. De gereformeerde kerkorde is geen reglementenbundel, waarin uitputtend alle gevallen behandeld worden en in alle eventualiteiten zoveel mogelijk wordt voorzien. Ze mag dat ook niet worden! In de soberheid van het aantal bepalingen ligt de kracht van de kerkorde. Ze is op deze wijze overzichtelijk. Niemand hoeft in een woud van bepalingen te verdwalen. Het is voor ieder mogelijk een overzicht van de gereformeerde kerkregering te krijgen. Veel is ook niet generaal synodaal geregeld, maar aan de wijsheid van de kerken overgelaten.

Dat betekent natuurlijk aan de andere kant dat men niet kan redeneren dat iets niet in de Kerkorde is opgenomen en dus niet rechtmatig zou kunnen plaatsvinden. De ‘eenvoudige afhouding’ is een voorbeeld van het tegendeel. Een sobere Kerkorde — dat betekent dat de gereformeerde kerkregering, ook in de bediening van de tucht, altijd weer haar kracht zal moeten zoeken in de Schrift-beginselen van de kerkregering (om een term te gebruiken van prof. Greijdanus). Alleen zó kan de Kerkorde op geestelijke en kerkelijke wijze worden onderhouden. Anders vervallen we snel tot legalisme en formalisme: de dood voor de kerk.

We spreken dus nog verder over de eenvoudige afhouding. De vroegere synoden stipten het onderwerp namelijk wel aan, maar men kon moeilijk zeggen dat ze op een bevredigende wijze hebben geformuleerd en geargumenteerd. Er is op dat punt in de kerkrechtelijke beschouwingen in de loop van de tijd gelukkig wèl een positieve ontwikkeling waar te nemen.

|59|

 

4.2. De functie van de eenvoudige afhouding.

In de vorige paragraaf wezen we er op, dat de kerkelijke vergaderingen in de 16e eeuw slechts in een enkel concreet geval, dat toevalligerwijs ter tafel werd gebracht tot de ‘eenvoudige afhouding’ hebben geadviseerd. Dit gold dan bij zware zonden en misdaden, waarbij wel met woorden boetvaardigheid werd betuigd, maar de oprechtheid van het berouw nog moest blijken en de ‘ergernis’ uit de gemeente nog moest worden verwijderd. Dan werd aangeraden om voor éénmaal of ook voor enige tijd af te houden van de viering van het Avondmaal, zonder dat dit een onderdeel was van de procedure van de kerkelijke tucht.

De strekking van dit advies is duidelijk genoeg. Evenwel, omdat het dat bepáálde geval van een zware zonde betrof, zou toch ongewild zich de mening kunnen vestigen dat het hier toch om een soort straf-maatregel zou zijn gegaan. Op dit punt had toentertijd naar mijn oordeel ook wel iets voorzichtiger geformuleerd kunnen worden.

Want men kende vroeger in de oude, christelijke kerk de stráf, ook bij gebleken boetvaardigheid, wel. De straf in de strikte zin van boetedoening. Maar dat was een rampspoedige ontwikkeling, die van het Evangelie van Jezus Christus vandaan voerde! De boeteling moest zélf zijn straf dragen in plaats van dat hij gewezen werd op de Christus die alle straf voor de zonde heeft betaald! Van hieruit is het verschrikkelijke boete-systeem van de Middeleeuwse kerk ontstaan. Daarmee mocht de reformatie juist radicaal breken.

Nu is in de concrete bepalingen over de ‘eenvoudige afhouding’, zoals we deze bij de synoden in de 16e eeuw vinden, zeker helemaal geen terugkeer naar dit boete-systeem te vinden. Maar de grens is hier nooit duidelijk genoeg te trekken, anders komt maar zó het Evangelie van de vrije genade en de schuldvergeving onder de schaduw van menselijke inzettingen en de kerk komt onder het juk daarvan.

Daarom is hier voorzichtige formulering een vereiste.

Terecht zegt Joh. Jansen 1) dat de rechtsgrond voor de ‘eenvoudige afhouding’ niet ligt in de hardnekkigheid van de zondaar (zoals bij de afhouding als onderdeel van de eigenlijke tucht), „maar in de roeping om voor de heiligheid van de tafel en de naam des Heren te waken”.


1) Joh. Jansen, Korte Verklaring K.O., pag. 330.

|60|

Men ziet dat deze ‘afhouding’ wél nauw verband houdt met de tucht als rechtelijke handhaving van de heiligheid van de gemeente Gods, terwijl ze er toch niet toe behoort: het ‘rechtelijke’, het ‘disciplinaire’ element ontbreekt.

Maar het verband is er wel!

De eenvoudige afhouding dient er dikwijls toe om aan de kerkeraad de ruimte te verschaffen in rust en goede bezonnenheid zich te beraden over de vraag of de tucht al dan niet toepassing moet vinden 2).

Stel dat er kort voor de viering van het Heilig Avondmaal zich een ernstig kwaad voordoet en bij de kerkeraad is een sterk vermoeden en zelfs een aanvankelijke overtuiging van schuld bij een bepaalde broeder, dan is het nog niet mogelijk in het kader van de tucht van het Avondmaal af te houden (de ‘kleine ban’). Maar als men daaruit zou concluderen: dan moeten we de broeder ‘z’n gang’ maar laten gaan, dán zou de kerkeraad ook te kort schieten in het heilig houden van de tafel van het Verbond. Hij zou trouwens ook zichzelf frustreren in het nakomen van de roeping om opzicht en tucht over de gemeente te houden.

In dit geval hoeft het niet te worden afgewacht of de broeder wellicht zichzelf zal onthouden. De kerkeraad kan en behoort zelf actie te nemen. De toegang kan belet worden óm als kerkeraad voor zichzelf de mogelijkheid te scheppen tot een wel-overwogen oordeel te komen. Wellicht zal zo’n maatregel op verzet stuiten. De kerkeraad zal dan ingetogen, terughoudend moeten spreken. Hij heeft immers nog niet meer dan een sterk vermoeden van schuld. Hij past ook geen disciplinaire maatregel toe. Maar er behoort hier wel gepaste vastberadenheid te zijn, terwille van de goede voortgang van het werk. En als bij de broeder die het betreft de eerbied voor de heiligheid van God en van zijn gemeente door het geloof leeft, dan zal hij, hoe pijnlijk de maatregel ook is, die toch zelf ook weten te billijken. Ook in het geval tenslotte zou blijken dat hij in de aanhangige zaak een vrij geweten heeft. Want het gaat in de gemeente niet om de persoonlijkheid van de gelovige als zodanig. Het gaat om de Here en zijn gemeente en om het heilig Verbond.

Het hier door ons iets breder behandelde geval heeft als tegenhanger het geval dat een gecompliceerde tuchtzaak kort voor de viering van


2) Vgl. ook D. Nauta, a.w., pag. 366.

|61|

het Avondmaal tot een principiële en positieve oplossing zou komen, maar de tijd zou ontbreken om in rust weloverwogen tot beëindiging te komen. Ook dan gaat het er om de goede ruimte voor de kerkeraad als college van opzicht en tucht te scheppen.

Hetzelfde is het geval, wanneer in een twistzaak moet worden geoordeeld, waarbij onderscheiden broeders en zusters zijn betrokken. Het kan dan nodig zijn, terwille van de rechtvaardige en weloverwogen uitspraak en rechtspraak, voorshands alle betrokkenen te beletten het Avondmaal te vieren.

Het is nu in feite ook in dit kader dat de gevallen aan de orde kunnen komen die de aandacht hebben gehad van de kerkelijke vergaderingen in de 16e eeuw.
Wanneer een broeder leed betuigt over zijn zonde, waarover de kerkeraad hem heeft vermaand en zelfs onder de tucht heeft geplaatst, dan geldt uit de aard van de zaak de belofte, waarvan David in Ps. 32 spreekt:

Mijn zonde maakte ik U bekend
en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet;
ik zeide: ik zal de HERE mijn overtredingen belijden,
en Gij vergaaft de schuld mijner zonde. (vs. 5, vgl. 2 Sam. 12, 13)

Maar we mogen niet lichtzinnig met die belofte omgaan! Het gaat er niet alleen om leed over de zonde te betuigen, maar ook te bewijzen. De betuiging moet oprecht zijn en kan zo alleen aanvaard worden.

Daarom is de Schriftuurlijke regel:
Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar wie ze belijdt en nalaat, die vindt ontferming. Spr. 28, 13.

Nu kan de aard van een zonde meebrengen dat een kerkeraad ook moet zien, moet kunnen constateren dat metterdaad met de zonde is gebroken.

Een zonde kan meebrengen dat het berouwvolle woord makkelijk wordt uitgesproken, maar dat de wil in de strijd tegen de verzoeking zó is verzwakt dat de zonde weer de overhand krijgt en dat even gemakkelijk als het woord van berouw wordt uitgesproken, men in de daad van de zonde terugvalt. De boetvaardigheid moet met woorden betuigd en met de wandel worden bewezen. Dan kan het zaak van geboden wijsheid zijn, dat de kerkeraad wèl van de tucht ontslaat — er is dus geen afhouding meer als disciplinaire maatregel maar dat vooralsnog de toegang tot het Avondmaal wordt belet. Ook in zo’n geval

|62|

zal bij rustige, pastorale begeleiding in de meeste gevallen deze maatregel, hoe verdrietig ook, gebillijkt kunnen worden door de betrokkenen. Er is dan toch óók de vreugde dat hij voor ogen ziet en aan de lijve ervaart dat de kerkeraad waakt voor de heiligheid van de gemeente, die van Gód is! Het is wel noodzakelijk hier tegen het gevaar van wetticistisch misbruik van deze maatregel te waarschuwen.

Zó is ook te spreken over een eventuele noodzaak tot ‘eenvoudige afhouding’ opdat de aanstoot uit de gemeente zal worden weggenomen. Ook al past hier m.i. zeker meer voorzichtigheid dan uit de formuleringen van de vroegere synoden blijkt, de zaak blijft wél staan.

Over aanstoot of — om het oudere woord te gebruiken — ‘ergernis’ zullen we in het kader van de behandeling van de tucht nog wel breder hebben te spreken. We merken nú alleen op dat over heel de linie (dus óók bij de zgn. eenvoudige afhouding) het misverstand moet worden opgeruimd als zou ‘ergernis’ in dit verband zo iets betekenen als ‘irritatie’. Een kerkeraad kan moeilijk omdat op de één of andere manier en om de een of andere reden de gemeente in een toestand van geïrriteerdheid is geraakt, een broeder of zuster maar van het Avondmaal weren. De gemeente kan bezwaarlijk in al haar irritaties ontzien worden. Zij behoort geëerbiedigd te worden in haar heiligheid. En dat is wél iets anders! We zullen ‘ergernis’ in deze gevallen altijd moeten blijven nemen in de zin van: dat wat een aanstoot is, nl. een aanstootsteen op de weg van de gemeente, zó dat iemand erover kan vallen en zelf tot zonde kan komen. Zo dringt Paulus in Rom. 14, 13 tot het oordeel: de broeder „geen aanstoot of ergernis te geven”.

Nu is de kerkeraad geroepen om niet slechts een bepaald geval, dat hem wordt voorgelegd te beoordelen, zoals de wereldlijke strafrechter. Die kerkeraad heeft tegelijk het geheel van de gemeente te leiden. De kerkeraad heeft niet alleen het oog te hebben op het ware heil van één broeder, maar tegelijk te waken voor het behoud van de hele gemeente. Zo kan zich het geval voordoen, dat een broeder wèl met goede woorden boetvaardigheid betuigt, maar dat hij die boetvaardigheid vóórdat in het midden van de gemeente de tafel zal worden aangericht, in zijn levenswandel nog niet heeft laten zien. Zou nu in dit geval de kerkeraad — zelf overtuigd van de ernst, de waarheid van de schuldbelijdenis — de broeder onmiddellijk weer toegang tot het Avondmaal geven, dan zou daardoor in de gemeente maar al te gemakkelijk de gedachte kunnen postvatten, dat de zonde door de

|63|

vingers wordt gezien en niet serieus wordt genomen. Zo kan die zonde als een aanstootsteen in de gemeente gaan functioneren. Ook hij, die de weg van de bekering gaat, juist hij, zal weer eens temeer zelf ook de gemeente als de heilige gemeente Gods in het oog krijgen en dus weten dat de kerkeraad zijn roeping volbrengt ook in het treffen van pijnlijke maatregelen.

Er zouden natuurlijk meer voorbeelden zijn te noemen. Maar het gaat ook ons niet om een uitputtende reeks, die toch ook niet is op te stellen. Het gaat erom het recht van de eenvoudige afhouding te vindiceren en de functie ervan in het licht te stellen.

Men zal dan ook verstaan dat het beroep dat wel is gedaan op 1 Thess. 5, 22, dat in de Statenvertaling luidt: „Onthoudt u van alle schijn des kwaads”, niet terecht is 3). En dat zeker ook omdat de nieuwere vertaling, o.m. te vinden in die van het Nederlands Bijbelgenootschap: „Onthoudt u van alle soort van kwaad” wel de voorkeur verdient.

Dat neemt niet weg dat de oudere vertaling — ook al is het geen juiste weergave van het voorschrift van Paulus aan de gemeente — wel degelijk een goede zin heeft. Men moet hier niet pressen met een opmerking als: je kunt immers nooit alle schijn vermijden. Wie op vriendschappelijke voet omgaat met dief en diefjesmaat onthoudt zich niet van de schijn van de zonde tegen het achtste gebod. Hij moet niet verwonderd zijn, als hij op het kwaad zelf wordt aangezien. De wereldlijke politie is dan op haar hoede. De ambtsdragers mogen het ook zijn en zíj mogen vermanen om een afkeer te hebben „zelfs van het kleed dat door het vlees bevlekt is”, Jud., 23.

Maar dan hebben we te doen met een levenswandel die voorwerp van ambtelijke vermaning is. Afgedacht van de vraag of en wanneer hier met de tweede sleutel, die van de tucht, moet worden gehandeld, is het duidelijk dat het instrument van de niet-disciplinaire eenvoudige afhouding van het Avondmaal hier niet aanwendbaar is.

Bij de behandeling van de tucht over de ambtsdragers is de ‘eenvoudige afhouding’ ook uit de kerkrechtelijke litteratuur bekend. Zowel Voetius als Jac. Koelman in zijn populaire verhandeling over Het ambt en de pligten der ouderlingen diakenen achten een soort maatregel ook gewettigd in toepassing op de ambtelijke dienst of op


3) Zoals de particuliere synode van Amsterdam, 1601 deed, vgl. F.L.Bos, a.w., pag. 294.

|64|

bepaalde delen daarvan, zoals de catechisatie, het ziekenbezoek, de prediking. Hier vermelden we die zaak alleen als illustratie van het feit, hoe menens het de gereformeerde vaderen bij de behandeling van dit onderwerp was!