Kamphuis, J. (1982)

Om de heiligheid van de gemeente
De kerkelijke tucht
Kampen
Copiëerinrichting van den Berg
1982

ISBN: 

90-6651-003-x

Kamphuis, J. (1982) TG

|3|

 

 

Ten geleide

 

Op vriendelijke aandrang geef ik hier de tekst van de artikelen door mij van maart 1977 tot maart 1979 in het weekblad De Reformatie gepubliceerd over de kerkelijke tucht.

Het lag in mijn voornemen nog afzonderlijk te publiceren over 1) de tucht over de ambtsdragers, 2) de tucht over doopleden, 3) de weer opneming van geëxcommuniceerden in de gemeente, 4) het broederlijk vermaan van de ambtsdragers onderling, veelal bekend als ‘censura morum’.

Maar de verandering in mijn leeropdracht maakt het mij niet mogelijk het werk af te ronden. Het is dus een torso. Des te meer stel ik het op prijs dat men graag de bundeling van de gepubliceerde artikelen zag.

Het was mij ook niet mogelijk bij het klaarmaken van de bundeling tijd vrij te maken voor een algehele revisie. Er is nu niet meer gebeurd dan de tekst nalopen, enkele oneffenheden, vooral in stilistisch opzicht, wegnemen en het geheel afstemmen op de tekst van de Kerkorde in de redactie van de generale synode van Groningen-1978.

Van harte hoop ik dat ook deze eenvoudige bundeling van artikelen dienstbaar mag zijn aan de zorg voor de gemeente: het thema van het boek dat collega Trimp in het licht zond. Hij was het ook die, toen hij het plan had opgevat in boekvorm over deze ambtelijke zorg te schrijven, mij over de streep trok om nog een keer enigszins actief te worden op het terrein van het kerkrecht, waar ik zoveel jaren met zoveel vreugde — ondanks alle moeite — heb gewerkt en heb mógen werken.

De hoofdtitel van het boek is afgestemd op de omschrijving van de kerkelijke tucht die op pag. 29 wordt gegeven.

 

Kampen, 16 november 1981.

J. Kamphuis.

Kamphuis, J. (1982) Inh.

|5|

 

Inhoudsopgave

 

Ten geleide — 3

Inleiding. Een hachelijke zaak? — 7

1. Waar vinden we de norm voor de tucht?
1.1. Onderscheid inzake het Oude Testament — 13
1.2. De cánon van het Oude Testament — 18

2. De omschrijving van de kerkelijke tucht
2.1. De definitie zelf — 24
2.2. De elementen van de definitie — 30

3. Het voorbereidend stadium van de tucht
3.1. De gemeente in actie — 36
3.2. Geheime en openbare zonden — 41
3.3. De intensivering van het broederlijk vermaan — 47

4. De ‘eenvoudige afhouding’
4.1. De wettige plaats in het kerkrecht — 53
4.2. De functie van de eenvoudige afhouding — 59

5. De kerkeraad als kerkelijke gerecht
5.1. Verband met het voorgaande — 65
5.2. Eigen plaats en aard van het kerkelijk gerecht — 71
5.3. De rechter èn de Rechter — 77
5.4. Onpartijdigheid — 83
5.5. De ouderlingschap: het rechtscollege — 89

6. Het bereik van de kerkelijke tucht
6.1. Leer en leven onder dit bereik — 95
6.2. Nogmaals: leer én leven — 101
6.3. Het kerklid aanspreekbaar op zijn belijdenis? — 107

|6|

6.4. De geméénte spreekt haar amen — 113
6.5. De Schriftuurlijke verdraagzaamheid — 119

7. Herkregen vrede 
7.1. Herstel der verhoudingen door bekering — 124
7.2. De kerkeraad — verantwoordelijk college — 129

8. De voorlopige excommunicatie (of: afhouding van het Avondmaal)
8.1. De juiste terminologie — 135
8.2. Geen dopers drijven — 141
8.3. De eigen plaats en functie van de voorlopige excommunicatie — 146
8.4. De tucht-waardigheid — 152
8.5. De kerkeraad — het tuchtcollege — 155
8.6. De feitelijke toedracht — 158
8.7. De uitspraak — 161

9. De excommunicatie
9.1. De twee fasen van het laatste stadium — 164
9.2. De drie afkondigingen aan de gemeente in het geheel van de procedure — 170
9.3. De spits van het behoud naar de zondaar toe — 175
9.4. De instemming van de classis — 181
9.5. De heilige handeling van de ban — 187

 

Bijlage:

De tekst van de artikelen 72 tot en met 77 van de Kerkorde in de redactie van de generale synode van Groningen-Zuid, 1978.

Kamphuis, J. (1982) Inl.

|7|

 

Inleiding

 

Een hachelijke zaak?

De titel van deze eerste paragraaf over de kerkelijke tucht is een vraag. En die vraag is geméénd!

Toen Abraham Kuyper kort na de Doleantie van 1886 bij zijn brede verklaring van de Heidelbergse Catechismus E voto dordraceno was toegekomen aan de behandeling van de 31e zondagsafdeling, aan de leer van de sleutels van het hemelrijk 1), schreef hij reeds in die tijd dat in de protestantse wereld de tweede sleutel, die van de tucht, feitelijk in onbruik was. Hij voert de modernen, de ethischer en irenischen van zijn dagen als volgt sprekende in:

„Op mijn kerkdeur zit gans geen sleutel meer. Wie wil, kan bij ons inkomen. Tenzij om kerkelijke geschillen (denk aan het doleantieconflict!, J.K.), zullen we niemand de deur wijzen. ‘Open hof’ is tegenover de Belijdeniskerk zelfs onze leuze”.

Even later onderstreept Kuyper het feit van die tuchtloze situatie nog eens krachtig:

„Het is dus niet te veel gezegd, zo we beweren, dat bij de Modernen, de Ethischen en de Irenischen de Sleutelmacht doodeenvoudig is afgeschaft en niet meer bestaat”. Er schijnt bij sommigen wel ernst gemaakt te worden met de eerste sleutel, die van de bediening van het Woord, maar dat kan het verwerpen van die tweede sleutel niet goedmaken: „Wel wordt ze, nl. de sleutelmacht, door de Ethischen meer dan door de Irenischen, min of meer gehandhaafd in de Bediening van het Woord, d.w.z. als constitutionele uitspraak op de kansel van binding der zonde; maar ook hierbij is het begrip van Bediening des


1) Kuyper schreef deze vier-delige kommentaar op de Catechismus aanvankelijk ais een reeks hoofdartikelen in zijn weekblad De Heraut. Het eerste artikel verscheen in het jaar van de Doleantie, op 26 december 1886. Nadat in vaste regelmaat niet minder dan 324 artikelen waren verschenen, publiceerde hij bijna 8 jaar later, op 28 mei 1894 het laatste artikel in deze reeks. De toelichting verscheen als boek in vier delen in de jaren 1892 tot 1895, vgl. J.C. Rullmann, Kuyper-bibliografie III (omvattende de jaren 1891 en volgende), Kampen 1940, pag. 52-57. De behandeling van Zondag 31 valt dus kort na ‘de reformatie van 86’ — en wordt in twaalf hoofdstukken gegeven.

|8|

Woords geheel scheef getrokken; en als kerkelijke rechtspraak kennen ook de Ethischen de Sleutelmacht ganschelijk niet meer” 2).

Kuyper spreekt hier niet over de gereformeerden, al oefent hij iets verder op in zijn verhandeling ook wel enige kritiek op de tuchtpraktijk bij de afgescheiden broeders, de toenmalige christelijke gereformeerden 3). We mogen ook noteren dat de reformatorische gehoorzaamheid van ‘1834’ en van ‘1886’ ondanks alle onvolkomenheid in vleselijke drift èn in vleselijke lauwheid toch een opleving over heel de linie bewerkstelligde, ook met betrekking tot de ambtelijke bediening in de kerk. Daar zelfs allereerst! En dus óók inzake de bediening van de christelijke tucht in het midden van de gemeente.

Toch hadden óók de gereformeerden wel direct door Kuyper genoemd mogen worden toen hij schetste, hoe hachelijk het er met de kerkelijke tucht voorstond!

Reeds twee eeuwen eerder noteerde één van de grote voormannen van de Nadere Reformatie in de Nederlanden, Jacobus Koelman, dat hij had gehoord dat te Amsterdam „in achttien jaren niet eenen is geëxcommuniceert” 4). En de kenner van de Amsterdamse


2) A. Kuyper, E voto dordraceno III, pag. 264, 265. Meestal worden in de 19e eeuw de ‘ethischen’ en ‘irenischen’ onder één noemer gebracht: de ethisch-irenische richting. Als er, zoals hier bij Kuyper, een onderscheid wordt gemaakt, dan zal hij bij de ethischen op J.H. Gunning en D. Chantepie de la Saussaye en hun directe geestverwanten en leerlingen doelen en bij de irenischen op figuren als Nic. Beets, de man van ‘ernst en vrede’ en van dóen (d.w.z. van handelen) dóór laten (dus door passiviteit), vgl. over Beets als irenicus vooral de studie van A.C. Honders, Doen en laten in Ernst en Vrede, ’s Gravenhage (1963).
3) A. Kuyper, a.w., pag. 266. De kritiek van Kuyper richt zich op het al te gemakkelijk overgaan tot het ‘schrappen’ uit het ledenregister der kerk van de namen van diegenen met wie de kerkeraad moeilijkheden had. Kuyper zegt: „op grond van kerkelijke bisbiljes” (= gekibbel) en dat in een gemeenschap die voor zich de naam opeist van „de ware kerk”! Er mag wel op worden gewezen dat op dit punt de statig voortschrijdende rij van hoofdartikelen in De Heraut toch nog de kruitdamp van de actuele kerkstrijd laat ruiken. We zijn bij het verschijnen van de toelichting op zondag 31 midden in de onderhandelingen tussen Christelijk gereformeerden en Nederduits gereformeerden (dolerenden) en in het debat over ‘separatie’ of ‘doleantie’, een debat waarin ook het zicht op de kerk beslissend was. Dit hoofdstuk verscheen al als hoofdartikel in De Heraut van 3 mei 1891. Vgl. over deze tijd, waarin de kansen op de kerkelijke vereniging uitermate klein schenen H.Bouma, De Vereniging van 1892, Groningen 1967, pag. 112, 113.

|9|

kerkgeschiedenis bij uitnemendheid, dr. Evenhuis, valt op dit punt Koelman bij 5). We horen een profetische hartekreet bij Koelman als hij schrijft: „Men wil onder ons niet geloven, dat het nalaten van het oefenen van de Discipline (d.w.z. van de kerkelijke tucht, J.K.) is geweest, en is, en zal verder wezen het verderf van de Kerk van Nederland” 6). We zijn in deze ontboezeming bij het hart van de beweging der Nadere Reformatie: de geloofsstrijd om in doorgaande reformatie de kerk te dienen en te mogen behouden als het heilig huis des Heren.

De klacht wordt in de achttiende eeuw overgenomen door de predikant van Zwolle, Henricus Ravesteijn: „Dog als men den tegenwoordigen toestant van de Kerke eens van naby bezigtigt, zo moeten immers alle degenen, die verstand hebben, en als getrouwen in den Lande gewoon zyn te zugten over de grouwelen des Lands en der Kerke, met heete tranen bewenen, dat de Kerkelyke Tugt of Christelyken Ban, byna geheel schynt verbannen, en onder de afgeschafte wetten gerekent wort: Men vangt niet alleen de kleine vossen niet, die den wvngaart bederven, maar men dult zelfs honden en zwynen; men verwerpt zo bezwaarlyk ketterse menschen, maar voet dezelven veeleer in den schoot der Kerke, wat grouwel-gevoelens zy ook opentlyk of bedektelyk toegedaan zyn: En wie weet niet, wat moeite en tegenstand getrouwe Opzienders dikwils hier en daar vinden, eer zy bekende Godtverzakers ten voorwerpe van Kerkelyke en Burgerlyke straffen gestelt zien. En met betrekking op de zeden, men dult zodanigen, die zig aan openbaren laster schuldig maken, en ach dat zulken, als men de Kerkelyke Tugt omtrent hen oeffenen wilde, niet wel


4) De uitspraak bij S.D. van Veen, Kerkelijk opzicht en tucht (in de reeks: Uit onzen bloeitijd. Schetsen van het Leven onzer Vaderen in de XVIIe Eeuw, serie II, no. 6), Baarn 1910, pag. 36. Cf. Voetius, Pol. Eccl. III, pag. 846
5) R.B. Evenhuis, Ook dat was Amsterdam III. De kerk der hervorming in de tweede helft van de zeventiende eeuw: nabloei en inzinking, Amsterdam 1971, pag. 27. Evenhuis schrijft o.m.: „Ik noteerde in het jaar 1659 het laatste geval (nl. van de zogenaamde eerste trap van de censuur).... Daarna komt het praktisch niet meer voor, niettegenstaande het feit dat de classis de kerkeraad vermaant de kerkelijke tucht toch niet te verwaarlozen en de kerkeraad zich op dit punt ‘bezint’.”
In 1623 stond het er nog geheel anders voor, cf. Voetius, Pol. Eccl. III, pag. 938 v. Op oudejaarsdag de publieke excommunicatie van 10 leden.
6) Bij S.D. van Veen, t.a.p.

|10|

zomtyts hulpe in de poorten, ja zelfs by Kerkelyke personen zogten! Helaas de Tugt, de Ziel onzer Kerke schynt uit het lighaam verhuist; de Kerke schynt voor een groot gedeelte niet alleen gevaarlyk krank, maar als een Lyk, dat veel eer schynt begraven, dan gekoestert te moeten worden, op dat het niet en stinke: die de breuke tragten te heelen en te versterken het overige, eer dat sterven zoude, worden voor beroerders in Israël van sommigen gehouden, en vinden veel tegenstant. Waarlyk een allerbeklaaglykst en voor Kerk en Burgerstaat ten hoogste schadelyk Kerkverval!” 7).

Wanneer in het begin van onze eeuw, in het jaar 1912, H. Bouwman, die aan de Theologische Hogeschool te Kampen het kerkrecht heeft gedoceerd, zijn boek laat verschijnen De kerkelijke tucht 8), horen we voor de gereformeerde kerken elders dezelfde klacht:
„Te betreuren is het, dat de meeste kerken, die haar ontstaan danken aan de actie van Calvijn, den sleutel van de tucht over leer en leven hebben laten vallen. Wie met enige opmerkzaamheid de geschiedenis en den huidigen stand van de Presbyteriaanse kerken in Schotland, Engeland en Amerika gadesloeg, en niet onbekend is met de kleine Gereformeerde groepen in andere landen, zal tot geen andere conclusie komen dan dat, kleine uitzonderingen daargelaten, de sleutel van de tucht in schriftuurlijken zin is weggevallen” 9).

De kerkelijke praktijk en de theologische bezinning houden, zoals wel vanzelf spreekt, gelijke tred. Of liever: vertonen dezelfde inzinking. Berkouwer wijst er in zijn tweede studie over De Kerk op dat in 1937 in Duitsland werd opgemerkt, dat de leer van de sleutelmacht in de algemene theologische beweging van de laatste honderd en vijftig jaar geen rol meer heeft gespeeld 10).


7) H. Ravesteijn, De Nasireer Gods enz., Amsterdam 1731, pag. 356, 357.
8) H. Bouwman, De kerkelijke tucht naar het Gereformeerde Kerkrecht, Kampen 1912. De verhandeling is later praktisch geheel opgenomen in Bouwman’s tweede deel van zijn Gereformeerd Kerkrecht.
9) H. Bouwman, a.w., pag. 21.
10) G.C. Berkouwer, De Kerk II. Apostoliciteit en heiligheid (reeks: Dogmatische studiën), Kampen 1972, pag. 192. Berkouwer citeert een uitspraak van Hans Freiherr von Campenhausen uit een opstel Die Schlüsselgewalt der Kirche, dat verscheen in Evangelische Theologie van 1937, pag. 143.

|11|

De schets, die Bouwman van de situatie in presbyteriaanse en gereformeerde kerken in het buitenland gaf, beantwoordt ook vandaag aan de (droeve!) werkelijkheid. We kennen uitzonderingen. We mogen dan in dankbaarheid onze zusterkerken onder meer in Canada en in Korea noemen. Maar nog meer dan in Bouwman’s tijd geldt: het zijn ‘kleine uitzonderingen’. En wie met de situatie van de gereformeerde kerk in Hongarije en omringende landen enigszins van dichtbij vertrouwd is, weet hoe ver de machteloosheid in de kerkelijke praktijk is voortgeschreden en dat dit géén zaak is van na de tweede wereldoorlog!

Maar ook in de situatie in Nederland is na de reformatorische opleving na ‘1834’ en ‘1886’ gewijzigd en dat in hoe langer hoe sneller tempo. Afscheiding en Doleantie zijn in de eertijds ‘gereformeerde kerken’ om zo te zeggen uitgewerkt, ook wat de wederkeer tot de ‘tucht der vaderen’ betreft. De leertucht-farce in het geding over de leer van de verzoening naar aanleiding van de opvattingen van dr. H. Wiersinga is hiervan het meest-overtuigende bewijs.

Dat betekent echter voor die kerken, die de roeping willen blijven erkennen om christelijke tucht over de gemeente te oefenen, een geïntensiveerd isolement!

Daarbij moet ook worden overwogen, dat het gehoorzaam praktisch werken in de bediening van de tucht in heel veel gevallen betekent een roeien tegen de stroom op. Dat ook wanneer het met alle lankmoedigheid en met alle wijsheid gebeurt de gehoorzaamheid hier als vanzelf de algemene opinie tegen heeft en impopulair is, óók binnen de eigen gemeente. Met de mond kan de tucht nog als noodzakelijk en geboden worden beleden, terwijl de tucht-eloosheid allang in de kerkelijke praktijk overheersend is. De crisis in de kerken van de Vrijmaking in de zestiger jaren heeft hier mede één van de beslissende achtergronden. We gingen als kerken-gemeenschap langs de rand van de afgrond vanwege de onwil om door de tucht heen te behouden. Inzonderheid: de tucht over ambtsdragers, de ‘leertucht’. Een hachelijke zaak.

Daarom is gehoorzaamheid van het gelóóf nodig. En daarom ook en voor alles bezinning op de Schriftuurlijke grondslagen van de christelijke tucht.

Een bijdrage daaraan hopen we in het volgende te geven. Niet meer dan een bijdrage. We hebben niet eens meer de gelegenheid om in

|12|

de breedheid, de uitvoerigheid, waarmee Kuyper te werk kon gaan — óók wel eens de breedvoerigheid èn breedsprakigheid! — de zaken aan de orde te stellen. Tegen tien artikelen van hem staat ons de ruimte van één of hoogstens twee ter beschikking. Maar we zullen toch proberen vanuit onze enige norm, de Heilige Schrift, een overzicht over het geheel van de kerkelijke tucht te geven. Eerst een enkele opmerking over grondslag en regel van de christelijke tucht, vervolgens de praktijk.

Kamphuis, J. (1982) Hst. 1

|13|

1. Waar vinden we de norm voor de tucht?

 

1.1. Onderscheid inzake het Oude Testament

Bij alle onzekerheden en bij alle vragen die kunnen rijzen als het onderwerp van de kerkelijke tucht aan de orde komt — juist in de bonte veelvormigheid van de kerkelijke praktijk — staat één ding voor gereformeerden vast: de norm van de bediening van de tucht is het Woord van God. Onze gemeenschappelijke Geloofsbelijdenis is hier overduidelijk. Wanneer in art. 29 „de kenmerken waaraan men de ware kerk kan kennen” (waaronder dan als derde de kerkelijke tucht „om de zonden te bestraffen”) zijn opgesomd, dan wordt dat samengevat in het: „Kortom, dat men zich richt naar het zuivere Woord van God”. In het volgende artikel wordt van de ware kerk beleden dat deze „geregeerd moet worden naar de geestelijke orde die onze Here ons in zijn Woord geleerd heeft”. En dat wordt in artikel 32 toegespitst op de tucht, wanneer wordt gezegd dat om alles te houden in de gehoorzaamheid aan God vereist wordt „de uitsluiting uit de gemeenschap van de kerk, overeenkomstig Gods Woord, en wat daarmee verbonden is” 1).

De moeilijkheden beginnen ondertussen reeds als we de vraag stellen: waar is nu dat Woord Gods te vinden dat voor de oefening van onze kerkelijke tucht normatief is? We zijn christelijke gemeente. Gemeente van het Nieuwe Verbond. We hebben onze ‘leefregel’ in de Heilige Schrift. Maar betekent onze heilshistorische positie — gemeente ná Pinksteren — niet dat we eigenlijk in dit opzicht alleen met het Nieuwe Testament te rade kunnen gaan en het Oude Testament met zijn ceremoniële wetgeving en dáárbij behorende straffen een gesloten boek kan blijven?

Zó scherp zal men het niet vaak geformuleerd vinden. Maar er zijn ook bij de gereformeerden toch wel uitspraken te vinden die die richting uitgaan, en wat nog van meer belang is, waardoor de fundering en de omschrijving van de kerkelijke tucht wordt beheerst.

Het is bij voorbeeld opvallend, dat prof. F.L. Rutgers, de kenner van


1) Wij citeren de redactie van de N.G.B., vastgesteld door de synode van Arnhem-1981.

|14|

het gereformeerde kerkrecht in de tijd van en van na de Doleantie bij de behandeling van „de plaatsen der Heilige Schrift, waarin rechtstreeks of middellijk van kerkelijke tucht sprake is” slechts plaatsen noemt uit het Nieuwe Testament. Na de opsomming daarvan volgt afzonderlijk (onder een apart cijfer) en daarna de opmerking: „Reeds onder het Oude Testament is sprake van afsnijden en uitroeien uit het volk en de gemeenschap. En onder het Nieuwe Testament van uitwerpen uit de Synagoge” 2).

Maar in de zeventiende eeuw gaat men in Nederland over ditzelfde onderwerp heel anders te werk.

In het jaar 1625 verscheen van de hand van vier hoogleraren, Joh. Polyander, Andr. Rivetus, Ant. Walaeus en Anth. Thysius een gemeenschappelijk werk, dat in de tijd na Dordrecht 1618/1619 het standaardwerk voor de gereformeerde geloofsleer zou worden, de Synopsis purioris theologiae, Overzicht van de zuivere theologie 3).

Het boek is opgebouwd uit een groot aantal ‘disputaties’ met studenten gehouden. De 48e handelt over de kerkelijke tucht en is van professor Walaeus. Hij schrijft bij het begin van de behandeling van het Schriftbewijs: „Dat deze macht, nl. van de tucht, aan de Kerk is


2) F.L. Rutgers, Verklaring van de Kerkenordening (College-voordrachten van prof. dr. F.L. Rutgers over Gereformeerd Kerkrecht. Bewerkt en uitgegeven door dr. J. de Jong) IV, Van de Censuur en Kerkelijke Vermaning, Rotterdam 1918, pag. 14 en 15. Nota bene: van de college-voordrachten van Rutgers is alleen publiek het deel over de kerkelijke tucht verschenen. Dat verscheen vóór de andere delen uit, naar de bewerker in zijn ten geleide opmerkt, omdat „mijns inziens in onze Gereformeerde Kerken naar een behandeling van de kerkelijke tucht wel het meest wordt uitgezien door hen, die ambtshalve geroepen zijn haar in het kerkelijk leven toe te passen. Wie zal niet gaarne te dien aanzien het oordeel vernemen van den geleerde, die omnium consensu (= naar aller oordeel, J.K.), steeds de vraagbaak en de geestelijke adviseur der Gereformeerde Kerken is geweest?” Hoe werd 60 jaar geleden ook al naar voorlichting op dit terrein uitgezien!
3) H. Bavinck heeft de zesde druk hiervan verzorgd en in Leiden 1881 het licht doen zien. Ik gebruik deze uitgave. Ds. Dirk van Dijk heeft voor een — wat houterige, maar niet onnauwkeurige — nederlandse vertaling gezorgd, die in twee delen bij J. Boersma te Enschede verscheen in de jaren 1964 en 1966. Van Dijk geeft de titel weer als: „Overzicht van de zuiverste theologie”. Dat is ook mogelijk.

|15|

gegeven tonen overtuigend zeer veel bewijzen en voorbeelden aan zowel van het Oude als van het Nieuwe Testament4). Dat is de elfde stelling van deze disputatie. Daarna wordt in de stellingen 12 tot en met 15 Schriftbewijs uit het Oude Testament aangedragen, waarna in één stelling over het Nieuwe Testament en de tucht wordt gehandeld, waarbij het weer opvalt, dat de band aan het Oude bewaard blijft door de woorden, waarmee de stelling begint: „Uit het Nieuwe Testament zijn ook zeer veel Schriftplaatsen duidelijk ....” 5).

Tenslotte wordt dan in de 17e stelling als volgt de conclusie getrokken: „Uit al deze plaatsen is duidelijk, dat diegenen ernstig dwalen, die durven ontkennen dat deze macht aan de Kerk is gegeven, die gesteund wordt door de algemene en vaststaande praktijk van het Oude en het Nieuwe Testament en van de gehele Christelijke Kerk6).

We treffen deze zelfde lijn — de Heilige Schriften (meervoud!) van het Oude en Nieuwe Testament de kenbron èn de norm voor de kerkelijke tucht — ook bij de ‘vader’ van onze Heidelbergse Catechismus, bij Ursinus aan7). Dat is eveneens nog het geval in de tijd van de Nadere Reformatie, waarvoor Willem à Brakel in zijn boek De Redelijke godsdienst getuige kan zijn8).

Dit beeld verandert echter in de 19e eeuw, zoals ons bij Rutgers bleek. A. Kuyper is hier een centrale figuur. Hij heeft zich gegeven met heel zijn reusachtige werk- en denkkracht aan de ordening van het kerkelijk leven naar het Woord Gods. Daarbij ontging geen onderdeel zijn aandacht. Ook de kerkelijke tucht moest weer naar het Woord worden bediend. We hoorden hem al opponeren tegen zijn kerkelijk-theologische tegenstanders.

Maar in de fundering van de kerkelijke tucht wordt Kuyper gehinderd door zijn kerkopvatting. Het Oude Testament kan bij hem in feite geen kenbron en geen norm voor de kerkelijke tucht zijn omdat „het kerkelijk instituut” als zelfstandige organisatie eerst door Christus


4) Synopsis, pag. 578.
5) Synopsis, pag. 580.
6) Synopsis, pag. 580.
7) Vgl. Zacharias Ursinus, Het Schat-boeck der Verklaring over de Catechismus enz., uitgegeven door Festus Hommius, Leiden 1638, II, fol. 80.
8) W. à Brakel, Redelijke Godsdienst (ed. J.H.Donner), II, Leiden 1881, pag. 690.

|16|

is opgericht9). De „volkskring van Israël in het Oude Testament” geeft „een levend schilderij van heel de loop van Gods kerk”, zoals deze kring „in zijn lijden, worsteling en triumf de type van het geloofsleven van elke christen”10) representeert. Deze ‘exemplaristische’ opvatting van Gods openbaring in het Oude Verbond betekent een belemmering om de Schriften van dit Verbond voluit (zij het op eigen plaats in het geheel van de Schriften) als normatief te erkennen. „Abraham noch Izaäk noch Jacob zijn ooit lidmaten van een kerkelijk instituut geweest, eenvoudig omdat het niet bestond” en in Zondag 21 van de Heid. Catechismus. waar van de kerk wordt beleden dat deze er van het begin van de wereld is geweest, wordt niet gehandeld van de kerk als instituut (mèt haar sleutelmacht), maar van de kerk als organisme11).

De invloed van Kuyper strekte zich ver uit onder de gereformeerden, inzonderheid na de Vereniging van 1892.

We horen H. Bavinck in zijn Dogmatiek betogen: „In het O.T. bestond er nog geen eigenlijke kerkelijke tucht”12) en bij A.G. Honig is dezelfde opvatting te boek gesteld13) en H. Bouwman, die zich tot in de bewoordingen, waarin hij de situatie onder het Israël van het Oude Testament tekent bij Bavinck aansluit („De godsdienst was nationale zaak, zonde was misdaad, majesteitsschennis, aanranding van het verbond”) concludeert geheel in de lijn van de grootmeester Kuyper, tegenover wie hij in ander opzicht toch wel zijn zelfstandigheid soms wist te handhaven: „Onder de bedeling van het oude verbond kon bijgevolg ook geen sprake zijn van kerkelijke tucht”14).

Merkwaardig is de verhouding tussen de gereformeerden in de 17e èn die in de 19e en 20e eeuw!

Bij beiden is een beslist opkomen voor het recht en de roeping van de kerk in de bediening van de kerkelijke tucht. Bij beiden wordt met


9) Vgl. het indringende overzicht dat P.A. van Leeuwen heeft gegeven over Het kerkbegrip in de theologie van A. Kuyper, Franeker 1946, pag. 171 v. Zie bij Kuyper zelf zijn Locus de Ecclesia, Kampen z.j., pag. 119, 120 en 135, 136, Tractaat van de reformatie der kerken, Amsterdam 1884, pag. 12.
10) A. Kuyper, Locus de Ecclesia, pag. 119
11) A. Kuyper, De gemeene gratie III, Amsterdam 1904, pag. 101, 102.
12) H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek IV2, pag. 463.
13) A.G. Honig, Handboek van de Gereformeerde Dogmatiek, Kampen 1938, pag. 769.
14) H. Bouwman, De kerkelijke tucht, pag. 26, vgl. 27.

|17|

grote beslistheid front gemaakt tegen hen die er niet van weten willen dat de kerkeraad macht tot ‘geestelijke’ discipline heeft, macht tot de bediening van de ban.

De tegenstanders wisselen. In de zestiende en zeventiende eeuw zijn het de erastianen (volgelingen van Erastus) en de remonstranten, die de burgerlijke overheid alle macht in de kerk willen geven, ook in de zaken van de discipline. Het is — zo merken we in het voorbijgaan op — hiertegen dat de inzet van het vierde hoofdstuk van onze kerkorde in de vroegere redactie zich duidelijk keert in het oude art. 71 , waarin we onder meer lezen dat benevens de burgerlijke straf, de kerkelijke censuren noodzakelijk vereist zijn. De herziening door de synode van Kampen 1975 ter hand genomen en door de generale synode van Groningen 1978 voltooid, heeft o.i. terecht deze formulering die sterk aan de situatie in de ontstaanstijd van de kerkorde herinnert, door een andere vervangen15).

In de negentiende eeuw horen we Kuyper protest aantekenen tegen modernen en ethisch-irenischen, die van de kerk een ‘Open hof’ willen maken.

Maar de gereformeerde positie blijft door de eeuwen heen fundamenteel gelijk.

Maar in de fundering van die positie is er onderscheid: in de 16e en 17e eeuw betoogt men uit de éénheid van heel de Schriften. Maar Kuyper en vele anderen onder zijn invloed in de 19e en 20e eeuw, hebben slechts minimale en marginale aandacht voor het Oude Testament, waar hoogstens een ‘voorbereiding’ van de kerkelijke tucht wordt aangetroffen, maar niet de kerkelijke tucht zelf, — geen reële uitoefening daarvan of voorschriften dienaangaande. Men komt pas op dreef bij de behandeling van het onderwerp als men bij de behandeling van de voorschriften van het Nieuwe Testament is aangeland.


15) Acta Kampen 1975, pag. 193, waar art. 71 een meer algemene formulering heeft ontvangen: „Aangezien Christus in zijn gemeente behalve de dienst des Woords en der sacramenten de kerkelijke tucht heeft ingesteld, zal deze naar het Woord van God en tot zijn eer geoefend worden ....”.
De definitieve redactie van het aanvangsartikel over de tucht, nu art. 72, luidt: „De kerkelijke tucht zal naar het Woord van God en tot zijn eer bediend worden. Zij heeft ten doel dat de zondaar met God en zijn naaste verzoend wordt en de aanstoot uit de gemeente van Christus wordt weggenomen”.

|18|

 

1.2. De cánon van het Oude Testament

We hebben gezien dat de gereformeerden in de 19e en 20e eeuw onder invloed van A. Kuyper weinig, te weinig aandacht hebben kunnen opbrengen voor het Oude Testament, als het gaat om de kerk, haar bedieningen en ambten, haar roeping tot de oefening van de tucht. Het scherpst is wel de formulering, dat er onder het Oude Verbond geen kerkelijk instituut bestond. En bijgevolg ook geen kerkelijke tucht.

Maar al worden de lijnen hier schijnbaar duidelijk en zonder aarzeling getrokken, bij nader toezien ligt de situatie toch wel gecompliceerder. De invloed van Kuyper, ook met zijn opvattingen aangaande de kerk, liet zich krachtig gevoelen. Toch worden hier en daar de lijnen anders getrokken dan bij hem.

Bavinck schijnt geheel homogeen met Kuyper. Maar het is toch niet meer dan schijn. Terwijl deze steeds weer herhaalt dat onder Israël volk en kerk één was, sluit Bavinck zich bij Kuyper’s tegenstander Ph.J. Hoedemaker aan door een geheel andere lijn te trekken: „Onjuist is het daarom (nl. omdat er van oudsher, zelfs al onder de patriarchale regeringsvorm onderscheid is in acht genomen tussen burgerlijke en godsdienstige belangen) te zeggen, dat onder Israël kerk en staat één waren. Beide waren in wetten, instellingen, ambten, ambtsdragers en ten dele zelfs in leden duidelijk van elkaar onderscheiden” 1). In hetzelfde verband en op dezelfde bladzijde trekt Bavinck dan ook de lijn door: „Vreemdelingen konden door de besnijdenis Israël worden ingelijfd, Ex. 12: 48, onreinen en melaatsen bleven burgers, ook al werden zij tijdelijk afgezonderd”. En ook de scheuring van het rijk onder Rehabeam betekende als zodanig nog geen kerkelijke scheiding: „Ondanks de scheuring had de godsdienstige eenheid des volks op zichzelve zeer goed kunnen blijven bestaan”. Wanneer Bavinck verderop in zijn verhandeling schrijft, zoals we in het vorige onderdeel memoreerden: „In het O.T. bestond er nog geen eigenlijke kerkelijke tucht”, dan is bij hem die uitspraak toch met meer reserves omgeven dan


1) H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek IV2, pag. 426. Bavinck beroept zich op het opstel van Hoedemaker, Kerk en Staat in Israël, dat was opgenomen in Troffel en zwaard van 1898, pag. 208-237, vgl. Hoedemaker ook in zijn De Kerk en het moderne staatsrecht I, Amsterdam 1904, pag. 63.

|19|

soortgelijke uitspraken bij Kuyper. We lezen namelijk in dezelfde zin ook: „al werden in Israël onbesnedenen, melaatsen en onreinen uit het heiligdom geweerd” 2).

Vlak nadat Bouwman in 1912 over de kerkelijke tucht had gepubliceerd en een paar jaar vóór dr. J. de Jong de college-voordrachten van F.L. Rutgers over het vierde hoofdstuk van de Kerkorde zou uitgeven, liet ds. Joh. Jansen (dezelfde van de nog steeds onder ons bekende Korte Verklaring van de Kerkorde) een verhandeling over de kerkelijke tucht het licht zien 3). In een noot, die hij toevoegt aan het voorwoord van deze studie, deelt hij mee, dat hij van de artikelen die prof. Bouwman over de tucht in het kerkelijk weekblad De Bazuin had geplaatst (als vóórarbeid van de afzonderlijke studie uit 1912) nog had kunnen kennis nemen. „Tevens (zo vervolgt hij) mag hij hier wel uitspreken, dat hij mede van het dictaat over de Kerkelijke Tucht door Prof. Dr. F.L. Rutgers op zijne colleges gegeven een dankbaar gebruik heeft gemaakt”.

Daarom valt het op dat Jansen, hoe weinig zelfstandig hij ook geweest moge zijn, zich niet zonder meer vereenzelvigt met de opvattingen van Rutgers en Bouwman. Het klinkt bij hem veel voorzichtiger: „De Nieuw-Testamentische tucht is .... wat haar wezen aangaat .... eene ontwikkeling van de beginselen der tucht in het O.T.” 4).

Wij willen ons graag bij de lijn die zichtbaar wordt bij Bavinck en Jansen aansluiten en weer contact zoeken met de overtuigingen, zoals deze onder woorden zijn gebracht in de 16e en 17e eeuw.

We zijn ook onzerzijds erkentelijk voor de weerstand die bij Hoedemaker werd gevonden tegen de constructie van Kuyper met betrekking tot de kerk-als-instituut als een nog niet bestaande zaak in het Oude Verbond.

Maar wij willen tegelijk graag afstand bewaren tot het volkskerkelijk


2) H. Bavinck, a.w., pag. 463.
3) Joh. Jansen, De Kerkelijke Tucht. Handleiding ten dienste der Gereformeerde Kerken, Nijverdal (1913).
4) Joh. Jansen, a.w., pag. 27, vgl. ook de opmerking op pag. 2: „Het eigenaardig karakter der tucht in het Oude Testament ligt hierin, dat God ons hare beginselen veel meer uit de geschiedenis en de leiding met Zijn volk doet kennen dan uit bepaalde teksten”. Maar Hij dóet die ‘beginselen’ dan toch óók reeds in het Oude Verbond kennen! Jansen verwijst dan naar de ban, de chèrèm. Zo ook in de Korte Verklaring, eerste druk, pag. 311.

|20|

denken dat zich bij Hoedemaker sterk wil maken. Hij poneert de stelling dat de kinderdoop de volkskerk in feite reeds stelt: „Zodra men zegt: Tot de kerk behoren de gelovigen en hun zaad heeft men de volkskerk in kiem” 5). Hoedemaker maakt in deze stelling een logische fout, die gemakkelijk is te onderkennen. Dat de kinderen van de gelovigen mee tot de kerk behoren, doet ons de kerk als volk, nl. het volk Gods kennen. De kerk is inderdaad een volk en bij voorbeeld niet een vereniging, waarbij men zich aansluit op basis van vrijwilligheid en de menselijke handeling de beslissende is. Maar het is een ongeoorloofde sprong om ván de (geloofs-)uitspraak „de kerk is een volk” te komen tot die ándere: de kerk is volkskerk. De eerste uitspraak (de kerk is een volk, gelovigen mèt hun kinderen) vloeit voort uit de heiliging van de natuurlijke en creatuurlijke levensverbanden — huwelijk en gezin — door het Woord Gods en uit de dienstbaarstelling van deze door God zelf geschapen en gewilde verbanden aan de voortgang van zijn verlossing en aan de vergadering van de kerk. Maar de tweede uitspraak (de kerk is volkskerk) laat de natuurlijke levensverbanden (gezin, stam, natie) in meerdere of mindere mate bepalend en beheersend zijn voor de vergadering van de kerk. Wat dienstbaar zou moeten zijn, komt tot heerschappij. Dat is de omgekeerde wereld. De omkering van Gods orde. De tucht naar de norm van de enige Heer der kerk komt hier noodwendig in de knel. Dat heeft de geschiedenis ook bewezen, toen na de tweede wereldoorlog in Nederland Hoedemaker's volkskerk-idealen in praktijk werden gebracht in een nieuwe kerkorde, waar men beginnen moest de leertucht op te schorten, voorshands voor een periode van 10 jaar en nu spreekt niemand er meer over — na een kwart eeuw6).

Men wil zich voor deze gedachte wel beroepen op de ‘volken’ in het woord dat Christus vlak voor zijn hemelvaart tot zijn discipelen zegt: „... maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen ....”. Maar dan vergeet men dat de Heiland hier zijn apostelen instrueert over de vergadering van de kerk in de Nieuwe bedeling. Het onderscheid tussen Joden enerzijds en de (overige) volken anderzijds is door Hem


5) Ph.J. Hoedemaker, Troffel en zwaard I, pag. 221.
6) Vgl. ook mijn opmerkingen in Op zoek naar de belijdende volkskerk. Notities over het kerkelijk-kerkrechtelijk denken van dr. Ph.J. Hoedemaker enz., Groningen 1967, pag. 68-71.

|21|

weggenomen. Het zal in de heilsgeschiedenis van het Nieuwe Verbond in het ambt en de roeping van de apostel Paulus voorgoed concreet gestalte aannemen. Maar het universele van de prediking van het Evangelie sluit niet uit dat de kerk, ook door middel van de bediening van de doop, uit de volkeren en uit het gevallen menselijk geslacht wordt vergaderd in de weg van een persoonlijke verantwoordelijkheidsstelling en geloofskeus. Matt. 28, 19 staat niet tegenover Marc. 16, 15.16, waar Christus zegt: „Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping (dat is het universele!). Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden” (dat is de weg van de persoonlijke verantwoordelijkheid). Evenmin staat Matt. 28, 19 tegenover Openb. 7, 9, waar Johannes de grote schare ziet „uit alle volken en stammen en natiën en talen”. De universaliteit van de Nieuwe bedeling is niet te verwarren met enig universalisme dat de kerk schendt in haar karakter van „heilige vergadering van de ware gelovigen” (Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 27) 7).

Maar de noodzakelijke reserve tegenover Hoedemaker mag ons niet doen vergeten dat hij terecht op de nauwe samenhang tussen het Oude en Nieuwe Testament en op de éénheid van heel de Openbaring heeft gewezen en daarin een bepaald recht had tegenover de spiritualistische tendensen bij Kuyper.

Het Nieuwe Testament verankert de verordeningen over de tucht in de gemeente om zo te zeggen van woord tot woord in het Oude Testament. Voor het ‘bestraffen’ van Matt. 18, 15 zie men Lev. 19, 17. Voor de ‘twee getuigen of drie’ van Matt. 18, 16 zie men Deut. 19, 15. In 1 Kor. 5, 13 fundeert de apostel Paulus de nieuw-testamentische ban in de oud-testamentische rechtsregel: „het kwade uit het midden van haar weg te doen”, vgl. de voorschriften in Deut. 13, 5; 17, 7; 19, 19; 22, 24; 24, 7.

Het Oude Verbond heeft zijn eigen kaders. En deze zijn van een heilshistorisch uniek karakter. Er is een heils-historisch unieke verbinding


7) O.i. moet ook de onderscheiding in ambten onder Israël zoals die door Hoedemaker en Bavinck gemaakt wordt, wel kritiek oproepen. De rechtspraak van de messiaanse koning onder het Oude Testament heeft wel degelijk betekenis voor de kerkelijke tucht, onder meer voor het appèlrecht, vgl. J.R. Wiskerke in De Reformatie, 40e jrg., pag. 76.

|22|

tussen de gemeente Gods en het ene volk Israël geweest, vgl. Rom. 3, 2; Ef. 2, 12. Maar binnen die kaders kent ook het Oude Verbond wel degelijk de roeping tot disciplinaire handhaving van de heiligheid van de gemeente Gods tegenover de destructieve macht van de zonde. Daarvoor had de Here in die bedeling de middelen gegeven, die bij de aard van die bedeling pasten.

We mogen hier met eer de namen vermelden van de hoogleraren P. Deddens en B. Holwerda, die de lijn van de 17e eeuwse Synopsis krachtig hebben doorgetrokken. Deddens, hoogleraar in het kerkrecht verzocht aan zijn collega-oudtestamenticus Holwerda bij de behandeling van het boek Deuteronomium „bijzondere aandacht te willen wijden aan het recht, dat de Here voor Zijn Kerk verordende” 8). De inwilliging van dit verzoek heeft ons verrijkt met een belangrijke exegetische bijdrage voor het kerkrecht9).

Hier mocht zowel methodisch als materieel grote winst worden geboekt, al blijft er ruimte voor kritische vragen.

Dat is o.i. inzonderheid het geval voor zover de exegese van Holwerda wordt beheerst door de bijzondere opvatting die hij huldigde over de uitdrukking „de plaats, die de HERE verkiezen zal” uit Deut. 12 (z.i. slaat dit niet op het éne centrale heiligdom in Jeruzalem, maar spreekt over ál die plaatsen in welke stam dan ook die door de HERE zullen worden verkozen). In verband met deze aanvechtbare stelling vereenzelvigt naar mijn oordeel Holwerda de organisatie van de rechtspraak in Israël in de afzonderlijke steden (Deut. 16, 18) te gemakkelijk vrijwel met de „zelfstandigheid van de plaatselijke kerk”, waarbij de losheid van het independentisme z.i. geweerd blijft, omdat die steden functioneren binnen het volksgeheel van Israël. Hier wordt naar mijn overtuiging het onderscheid tussen de bedeling van het Oude en Nieuwe Verbond teveel uit het oog verloren. Trouwens: decentralisatie is als zodanig nog niet zonder meer een uitvloeisel van de grote gedachte van de zelfstandigheid van iedere plaatselijke kerk. Ook een


8) Vgl. De Reformatie, 28 jrg., pag. 227, waar Deddens onder de titel Het Recht in Christus’ kerk naar Deuteronomium een breed verslag van deze colleges geeft.
9) Vgl. B. Holwerda, Dictaten III Exegese Oude Testament Deuteronomium, Kampen 1958, pag. 411-478.

|23|

centrale kerkelijke hiërarchie kan óm des te beter te kunnen functioneren decentraliserende elementen in haar bestuur opnemen. Maar daarmee is de hiërarchie nog niet aangetast!

Deze kritiek staat echter in het geheel van erkentelijkheid en dankbaarheid dat in dit werk weer blijkt, hoe ook voor het kerkrecht en de kerkelijke tucht-bediening het Oude Testament metterdaad cánon is.

Al met al mogen wij concluderen dat voor de kerkelijke tucht de gehéle Heilige Schrift kenbron en regel (canon) is. Daarbij is dan steeds te rekenen „met de onderscheiden tijden en bedelingen, waartoe de te exegetiseren delen dier Openbaring behoren” 10).


10) Vgl. S. Greijdanus, Schriftbeginselen ter Schriftverklaring, Kampen 1946, pag. 129-132, vooral ook pag. 130, waar Greijdanus wijst op het onderscheid in de verhouding van gemeente en overheid of Kerk en staat.
Vgl. verder voor de functionaliteit óók van het Oude Testament als regel voor de tucht 2 Tim. 3, 16 en wat over deze tekst wordt opgemerkt in het vervolg op pag. 88.

Kamphuis, J. (1982) Hst. 2

|24|

2. De omschrijving van de kerkelijke tucht

 

2.1. De definitie zelf

Waarover hebben we het eigenlijk, als we spreken over de kerkelijke tucht? Hoe kunnen we de tucht omschrijven?

Dat het antwoord op die vraag van grote betekenis is, kan ons in de eerste plaats duidelijk zijn uit de kerkelijke geschiedenis van onze eigen tijd en in ons eigen land. En vervolgens is het ook, zij het op heel andere manier, niet minder duidelijk uit onze ‘kerkelijke papieren’, uit de 16e en 17e eeuw.

Wat houdt de kerkelijke tucht in? En hoe heeft de kerk dus tucht te oefenen? Velen zeggen tegenwoordig dat de gereformeerde kerken in Nederland zich aan die vragen voorgoed hebben vertild, toen ze eerst in het jaar 1926 de leertucht oefenden in het conflict-Geelkerken (over de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift) en toen vervolgens in 1944 en volgende jaren hoogleraren, predikanten, ouderlingen en diakenen aan de lopende band en soms bij vele tientallen tegelijk geschorst en afgezet werden. Daar hebben, zo redeneren velen, die kerken een trauma van overgehouden. Ze kijken wel uit nóg eens de vingers te branden!

Zo is dan — om tóch nog iets uit de failliete boedel van de gereformeerde tuchtoefening te redden — het onderscheid ingevoerd tussen judiciële en justitiële leertucht. In het eerste geval zouden de kerken (voorshands?) volstaan met een judicium, een uitspraak over een afwijking in de leer te doen. In het tweede geval zouden daar dan rechterlijke handelingen op moeten volgen, de handelingen van schorsing en van ontzetting uit het ambt en eventueel ook van verdere bediening van de tucht over de ambtsdragers als leden van de gemeente.

We hebben hier met een onderscheiding te doen, die als veiligheidsklep moet dienst doen: de kerk doet toch wát. Ze komt in ieder geval (schijnbaar) voor de waarheid op en zet de voet dwars aan de dwaling. Maar tegelijk is het ‘voordeel’ dat een kerkelijk schisma wordt ontweken.

Ook in de kerkelijke gemeenschap die zich van de Gereformeerde Kerken in 1967 en volgende jaren heeft losgemaakt en nu bekend staat onder de naam Nederlands Gereformeerde Kerken, wordt deze mening gepropageerd. Zo zouden bij voorbeeld de kerken tegenover

|25|

de theorie van ds. B. Telder e.a. over de gestorven gelovigen hebben kunnen volstaan met een afwijzend oordeel. Dit voorbeeld wil niet zeggen dat de Ned. Geref. Kerken dit oordeel hebben geformuleerd! Daar is geen sprake van. Het voorbeeld is dus puur theoretisch.

Het onderscheid tussen judicieel en justitieel is in deze zin echter verwerpelijk omdat het de belijdenis van het Woord misbruikt om aan de klem van de tucht te ontkomen. Er is zeker onderscheid tussen de twee sleutels van het Koninkrijk der hemelen, waarover de Heidelbergse Catechismus in Zondag 31 spreekt. Niet alles wat onder de vermaning en bestraffing van de prediking (de eerste sleutel) valt, geeft reden om de tucht (de tweede sleutel) in werking te stellen. Maar wie de eerste sleutel gebruikt óm de tweede buiten gebruik te laten, heeft in beide delen van de kerkelijke praktijk gefaald. Zo is het eveneens met het onderscheid tussen judiciële en justitiële leertucht: het zijn mooie en dure woorden maar ze dienen om schuldige armoe te camoufleren. Vanouds spreekt het verbintenis-formulier voor predikanten in de Gereformeerde kerken dan ook wel een ándere taal! 1).

Dat wat de hedendaagse geschiedenis betreft: het schijnt hier dat we in de tucht eerder met een donker raadsel hebben te doen dan met een instrument van het Koninkrijk van licht en leven!

In een heel ándere wereld komen we als we naar onze ‘kerkelijke papieren’ toegaan: naar de Kerkorde en de Geloofsbelijdenis.

Hier vanaf het begin een eerlijke aanvaarding van de tucht in de kerk naar het Woord Gods zónder dat theologische slimmigheid voor een vluchtweg zorgt.

De mannen broeders die bij elkaar waren op het zgn. Convent van Wezel in 1568, toen midden in de tijd van vervolging en verstrooiing de grondlijnen van de gereformeerde kerkregering en het gereformeerde kerkverband werden uitgezet, wisten zich door de gehoorzaamheid aan het Woord van God geleid bij de ordening van de tucht. Zij beginnen hun uiteenzetting hierover als volgt: „Men moet ganselijk daarvoor waken, dat bij de inrichting van een pas ontstaande kerk nergens de kerkelijke tucht verzuimd worde. Want hoe heilzaam en noodzakelijk deze is, leert ons overvloedig zowel de instelling als de


1) Vgl. voor de oude tekst daarvan mijn Verkenningen III, Goes (1966), pag. 38 v., nt 2.

|26|

leer zelf van de Here Christus en de apostelen, en ook het gebruik van de apostolische en de gehele oudere kerk en eindelijk ook de dagelijkse ondervinding van de zaken zelf” 2).

Niet anders spreekt de eerste algemene synode die de Gereformeerde kerken, enkele jaren later hielden in Emden, 1571, waar de uitvlucht in onze tijd bedacht tussen ‘judicieel’ en ‘justitieel’ in feite van tevoren al illegitiem (onwettig) is verklaard: „Wij gevoelen dat de kerkelijke discipline of christelijke straf in iedere gemeente behoort te worden onderhouden. Derhalve zal het het ambt van de dienaren des Woords zijn niet alleen openlijk te leren, vermanen en straffen, maar ook in het bijzonder iedereen tot zijn plicht te vermanen, wat ook aan de ouderlingen is toegestaan”. En daarna volgt onmiddellijk de uiteenzetting van de gang van de tucht3).

Maar de kerken hebben er in deze tijd wèl behoefte aan gevoeld de aard van de kerkelijke tucht iets nader te omschrijven.

De noodzaak daarvoor was gegeven met het feit dat de toenmalige overheden er nogal eens bang voor waren dat de gereformeerden met hun kerkelijke tucht dezelfde weg in zouden slaan als de paus en de roomse kerk in de Middeleeuwen, toen de kerk met háár machtsmiddelen (van excommunicatie) zelfs ingreep in de wereldlijke politiek èn in de wereld-politiek van toen4). Daarom leggen de gereformeerde kerken er steeds weer de nadruk op dat de kerkelijke rechtspraak niemand onttrekt aan het bereik van de wereldlijke rechter. Zo begint in de Dordtse redactie van de kerkenordening zelfs het hoofdstuk over de tucht! 5). Daarom wordt in onze ‘kerkelijke papieren’


2) De Wezelse artikelen, VIII, 1 vgl. P. Biesterveld en H.H. Kuyper, Kerkelijk Handboekje, Kampen 1905, pag. 28.
3) Acta synode van Emden, art. 25, vgl. Kerkelijk Handboekje, pag. 40, vgl. ook bij voorbeeld de synode van Dordrecht 1578, art. 92, a.w., pag. 122, 123.
4) Vgl. mijn Een fragment uit de strijd van dominocratie contra Dominocratie, Goes 1959, pag. 15 vv. Bij die genoemde wereld-politiek is vooral aan de strijd tussen de paus en de Duitse keizer te denken, waarbij van de kant van de paus het máchtsmiddel van de ban niet werd geschuwd, zodat de keizer wel genoodzaakt werd zijn ‘gang naar Canossa’ te maken!
5) We spreken met opzet over de Dordtse kerkenordening. Daarmee bedoelen wij de redactie van de Kerkorde, zoals deze door Dordrecht 1618/1619 is vastgesteld. Deze redactie heeft een revisie gekregen door de synode van Utrecht, 1905. Daarna is op enkele punten incidenteel nog een wijziging

|27|

ook voortdurend die nadruk op het ‘geestelijk’ karakter van de tucht gelegd. De kerkorde doet dat in de oude redactie, wanneer ze de ‘christelijke straf’ ‘geestelijk’ noemt en ze gaat daarbij duidelijk in het spoor van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, die in art. 30 over de ‘geestelijke orde’ spreekt, waardoor de ware kerk geregeerd moet worden. Eén van de onderdelen van die regering is „dat ook de overtreders op geestelijke wijze gestraft worden en in de toom gehouden”.

Het zijn belangrijke aanwijzingen om de grenzen van de tucht in het oog te krijgen en om haar aard te bepalen.

Toch hebben we daarmee nog geen duidelijke omschrijving.

We vinden die wel herhaaldelijk bij de beoefenaars van het gereformeerde kerkrecht. Zo geeft Voetius in zijn grote werk Politica Ecclesiastica de volgende definitie: de kerkelijke discipline „is de persoonlijke en rechtelijke toepassing van de wil Gods om de gewetens van de zondaars wakker te maken en op te wekken en om in de kerk de ergernissen te voorkomen of weg te nemen” 6).

H. Bouwman merkt in zijn verhandeling over de kerkelijke tucht terecht op dat we niet teveel aandacht moeten geven aan de wóórd-afleiding van termen als ‘tucht’, ‘discipline’, omdat nu eenmaal de woorden door het gebruik, dat er van wordt gemaakt, hun stempel krijgen. Hij omschrijft de tucht als „de handhaving van de heerschappij


doorgevoerd. Maar een generale revisie is na zorgvuldige voorbereiding door de synode van Groningen-1978 doorgevoerd. We hebben ondanks de verschillende redacties steeds met dezelfde Kerkorde te doen. Maar vanwege het verschil in tijdsomstandigheden zijn er natuurlijk wel verschillen. Zie voor het onderscheid tussen het begin van het vierde hoofdstuk van de tucht in de redactie van 1618/19 (art. 71) èn in de redactie van 1978 de tweede paragraaf Waar vinden wij de norm I bij noot 15.
Ook de Herziene Kerkorde van de Gereformeerde Kerken (syn.) heeft in art. 104 het kader van de zestiende eeuw verwijderd. Daarvoor in de plaats is een omschrijving van het doel van de tucht gekomen: „Het vermaan en de tucht van de kerk bedoelen de verheerlijking van Gods naam door de afdwalenden terug te brengen, hen met de kerk en hun naasten te verzoenen en de gegeven ergernis uit de gemeente weg te nemen”. Het is te betreuren dat hier geen melding van de instelling van Christus wordt gemaakt. Het werkwoord ‘bedoelen’ heeft ook een te subjectieve klank.
6) G. Voetius, Politica Ecclesiastica IV, pag. 844.

|28|

van Gods Woord in de kerk” en „de handhaving van de door Christus gestelde regelen” 7).

Bouwmans omschrijving heeft het voordeel van de bondigheid en wijst ook duidelijker dan dit bij Voetius het geval is naar het Woord Gods als centraal moment in de kerkelijke tucht.

Toch zijn er wel bezwaren in te brengen. M.i. is de door hem geboden omschrijving zowel te algemeen als ook te formeel.

Ze is te algemeen. Want de kerk heeft ongetwijfeld de roeping de heerschappij van Gods Woord in de kerk te handhaven. Maar ze heeft die roeping ook buiten de kerkelijke tucht om, bij voorbeeld door middel van de onderwijzing en de vermaning in de prediking, in de catechese en op het huisbezoek.

De omschrijving is ook te formeel gehouden. We zouden ook kunnen zeggen: het is te vlak, er wordt te weinig gezegd, waarom het gaat in de tucht. Er zal toch tenminste een poging moeten worden ondernomen om duidelijk aan te geven wát in concreto de inhoud van het Woord Gods is als het om de tucht gaat. Ook als Bouwman wat breder omschrijft blijft het bezwaar drukken dat hij teveel in het formele blijft steken. We horen hem zijn onderwerp als volgt aanduiden: „De kerk heeft te zorgen, dat de belijdenis der waarheid en de ordeningen van Christus worden gehandhaafd, er op te werken, dat de gemeente en haar leden wandelen naar de inzettingen des Heeren en het is nu geheel deze zorg, die wij op het oog hebben, wanneer wij spreken van de kerkelijke tucht” 8).

Juist in deze bredere omschrijving blijkt heel duidelijk dat Bouwman te algemeen spreekt. Waarom zou de prediking en het catechetisch onderwijs aan de jeugd van de kerk hier ook niet onder vallen? Daarbij is — inzonderheid in onze tegenwoordige kerkelijke situatie — een groot bezwaar dat het antithetische element (tegenover de zonde en haar doorwerking in de gemeente) geen aandacht krijgt en het rechtelijke


7) Vgl. H. Bouwman, De kerkelijke tucht, Kampen 1912, pag. 18 v. Vgl. ook het tweede deel van zijn Gereformeerd Kerkrecht, Kampen 1934, waarin de afzonderlijke verhandeling over de kerkelijke tucht uit 1912 praktisch geheel en ongewijzigd is opgenomen. Bij Bouwman sluit L.S. Kruger zich aan in de Handleiding by die Kerkorde van die Gereformeerde Kerk in Suid-Afrika, Potchefstroom 1966, pag. 426.
8) H. Bouwman, De kerkelijke tucht, pag. 16.

|29|

aspect, dat bij Voetius wèl een plaats had, hier ontbreekt.

Bij dit laatste wil ik aansluiting zoeken, temeer omdat we uit willen gaan van de éénheid van Oude en Nieuwe Testament. Daarbij komt het me van zeer grote betekenis voor, duidelijk te doen uitkomen wáárom het gaat in de tucht, nl. om de heiligheid van de gemeente Gods.

Zo verstaan wij onder de kerkelijke tucht:
de rechtelijke handhaving van de heiligheid van de gemeente Gods tegenover de destructieve macht van het kwade in het leven van hen die zich binnen de gemeente door de zonde laten beheersen.

In de volgende paragraaf stel ik mij voor op de verschillende elementen van deze omschrijving nog nader in te gaan.

|30|

 

2.2. De elementen van de definitie.

Wanneer wij de kerkelijke tucht omschrijven als: „de rechtelijke handhaving van de heiligheid van de gemeente Gods tegenover de destructieve macht van het kwade in het leven van hen die zich binnen de gemeente door de zonde laten beheersen”, dan stellen wij tegenover elkaar:

de heiligheid van de gemeente Gods
én
de destructieve macht van het kwade.

Wij stellen deze twee tegenover elkaar, omdat wij belijden dat ze tegenover elkaar staan (vgl. 1 Joh. 2, 20 en 3, 3; 4, 7-10) zoals het licht staat tegenover de duisternis, het doorbrekende leven tegenover de doorvretende dood.

Maar die twee werkelijkheden staan niet in zó'n distantie tegenover elkaar dat de gemeente door die destructieve macht van het kwade niet bedreigd zou worden! Integendeel, de noodzaak van de tucht wortelt juist in de realiteit van die bedreiging.

Voor we op de termen van onze definitie van de tucht nog in het kort ingaan, daarom vooraf een het gehéél beheersende opmerking, nl. deze: het gaat er in de tucht om „het kwaad uit úw midden, nl. uit het midden van de gemeente, weg te doen”, Deut. 17, 7; 19, 19. Het rechtsgebied van de tucht wordt afgegrensd door de grenzen van de gemeente. Daarom de tegenstelling tussen „hen die buiten zijn” én „hen die in uw kring zijn” in 1 Kor 5, 12.13.

Nu is ‘het kwade’ in de kring van de gemeente geen ón-persoonlijke zaak. Het manifesteert zich in de gemeente in hen die zich „door de zonde laten beheersen”. Zo haalt de apostel Paulus het hierboven geciteerde rechtsvoorschrift uit het Oude Testament aan door de persóón te noemen: „Doet wie niet deugt uit uw midden weg”, 1 Kor. 5, 13: vgl. 5, 2. De kerkorde spreekt regelmatig over ‘de zondaar’ als het voorwerp van de kerkelijke tucht. Dat doet de kerkorde niet om te ontkennen dat de zonde ook in het leven van de gelovigen nog een verschrikkelijke macht is. Ps. 51 ; 1 Joh. 1, 8, maar ze doet dit om die broeder of zuster in de gemeente die zich aan de zonde overgeeft te typeren. Hij is ‘zondaar’, omdat hij zich door de zonde laat beheersen (en dat in steeds toenemende mate door verachting van de vermaning van het Woord van God), vgl. Jac. 5, 20. Dán reinigt het bloed van Christus niet van de ongerechtigheid, 1 Joh. 1, 9 en wordt het hart

|31|

door besprenging niet gezuiverd van besef van kwaad, Hebr. 10, 22.

Dán ontstaat de dreiging dat de zonde zich in de gemeente zal gaan nestelen en daar haar ‘destructieve macht’ gaan uitoefenen. De zonde is immers een actieve macht, zoals de duivel, dé Boze (Matt. 6, 13) „mensenmoorder van den beginne” is, Joh. 8, 44 en rondgaat „als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden”, 1 Petr. 5, 8. Daarom kan de zonde een regelrechte bedreiging van de gemeente zijn of worden.

Zo schrijft Holwerda naar aanleiding van de uitdrukking „een gruwel in Israël” dat hier niet slechts wordt gedoeld op een zonde die op het territoir van Israël heeft plaats gevonden, maar op ongerechtigheid „waarbij de binding aan Jahwè (de HERE als God van het Verbond der genade) wordt prijsgegeven en de antithese met Kanaän principieel wordt geloochend .... Dit zijn dus qua talis zonden, die het verschil tussen Israël en Kanaän radicaal opheffen en die, omdat Jahwè ze al van de heidenen niet verdroeg, bij Israël nog des te meer onverdraaglijk zijn, en dus ook hier met uitroeiing gestraft worden” 1).

De onbeleden en grove zonde doet de antithese tot „deze wereld”, Joh. 8, 23, te niet, waar het de God van ons heil om gáát, ook en inzonderheid in de concrete levenswandel, 1 Petr. 4, 2-4.

Daarom staat tegenover de huiveringwekkende destructieve macht van het kwade „de heiligheid van de gemeente Gods” om de handhaving waarvan het in de kerkelijke tucht gaat.

Nu staat iedere term aan misverstand, aan verkeerde interpretatie bloot. Dat is zeker óók het geval met dit centrale gedeelte uit onze omschrijving van de kerkelijke tucht.

Men kán op een doperse wijze de heiligheid van de gemeente misverstaan. Dan wordt die heiligheid een kwaliteit, een hoedanigheid van de gemeente van de wedergeborenen die ze als het ware als hun eigen bezit moeten verdedigen tegenover de aanslagen van buiten. Dan wordt de tucht een middel van zélfverdediging. Dan verwordt de tucht tot het instrument, waarmee de geestelijke élite zich afgezonderd houdt. Juist wanneer wij ook in deze tijd het pleit willen én moeten voeren voor de kerkelijke tucht, dan zullen we voor dit misverstand, voor deze corruptie van de tucht op onze hoede zijn: er is een scherpe


1) B. Holwerda, Dictaten Deuteronomium, pag. 451.

|32|

antithese tussen de doperse ‘ban’ én de gereformeerde tucht 2). Het is een tegenstelling in de aard van die beide. Het is ook een tegenstelling die zich in de praktijk steeds weer laat merken. We zullen dus altijd weer de Schrift zelf moeten gebruiken als de lamp die ons ook voorlicht op het pad van de tucht en bij het licht waarvan we kunnen zien door het geloof, wat het betekent dat de gemeente heilig is en heeft te zijn.

Reeds vanaf de oudste tijden heeft de kerk aangaande zichzelf beleden dat zij ‘heilig’ is 3) en dat klinkt door in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, waar aangaande de kerk wordt beleden dat zij is „een heilige vergadering van de ware christgelovigen, die al hun heil verwachten van Jezus Christus”, art. 27. En zo ook in het volgende artikel, waar weer over „deze heilige vergadering” wordt gesproken.

De gemeente is heilig, niet uit zichzelf, maar uit kracht van het Verbond van God. Zij is „gemeente des HEREN”, Deut. 23, 21, „gemeente van Christus”, Rom. 16, 16 en in Christus is zij „gemeente van Gód”, Hand. 20, 28; 1 Kor. 11, 22; Gal. 6, 16; 2 Thess. 1, 4; 1 Tim. 3, 15.

De heiligheid van de gemeente en van haar leden, Ps. 74, 2; 1 Kor. 7, 14, vindt haar enige verklaring in het grote heilsfeit dat de heilige God haar tot eigendom heeft, Ex. 13, 2; 1 Petr. 2, 9 en dat Hij áls de Heilige in het midden van Israël, in het midden van de gemeente woont, Ex. 29, 45; Jes. 12, 6; vgl. ook 1 Kor. 14, 25 en vele andere plaatsen uit het Oude zowel als het Nieuwe Testament. In en door de inwoning van de Heilige Geest is dit de levenswerkelijkheid van de gemeente Gods. Jes. 63, 10; Hand. 5, 3. Het is een werkelijkheid die in de bedéling van het Nieuwe Testament iedere plaatselijke kerk Gods tempel doet zijn, 1 Kor. 3, 16; vgl. ook Ef. 2, 22. Zo wordt in het zeer persoonlijk gerichte vermaan: „of weet gij niet dat uw lichaam een


2) Vgl. het boeiende hoofdstuk ‘Doopsgezinde ban en gereformeerde tucht’ in J.H. Wessel, De leerstellige strijd tussen de Nederlandsche Gereformeerden en Doopsgezinden in de zestiende eeuw, Assen 1945, pag. 67-107, en mijn De tragiek der revolutionaire gematigdheid, in Verkenningen II, Goes (1964), pag. 42-50.
3) Zo reeds in het Symbolum Romanum, de voorvorm van onze apostolische geloofsbelijdenis in 12 artikelen, vgl. L. Doekes, Credo, Amsterdam 1975, pag. 14 en 15.

|33|

tempel is van de Heilige Geest, die in u woont”, 1 Kor. 6, 19, heel duidelijk op de geméénte als woonstede van de Geest gedoeld. Dat blijkt duidelijk uit het meervoud („ulieden”) dat de apostel hier bij het „in u woont” gebruikt.

In de heiligheid van de gemeente Gods gáát het dus om de heiligheid van God zelf!

Wat is daaronder naar de Schriften te verstaan?

Gods heiligheid, zo weten wij, staat tegenover de zonde. Zeker, maar er is méér te zeggen! J. Ridderbos heeft indertijd een brede bespreking over Gods heiligheid gegeven in het tweede deel van zijn Het Godswoord der profeten. Vatten we de resultaten van zijn onderzoek kort samen, dan mogen we stellen dat het in Gods heiligheid zeer inzonderheid gaat om zijn ‘Gód zijn’, zijn goddelijke verhevenheid en majesteit4). In zijn heiligheid keert Hij zich tegen de zonde, Jes. 6, 3-5. Maar tegelijk is Hij áls de Heilige de verlósser van Israël, Jes. 43, 5; 47, 4, enz. Hij staat niet alleen tegenover de zonde. Hij overwint haar ook. Hij zoekt in zijn heiligheid de uiteindelijke, de eschatologische verlossing en heiligheid van de gemeente, 1 Thess. 5, 23. Hij zoekt deze in de heiliging van zijn naam, Matt. 6, 9. De zonde wil de weg van God blokkeren. Maar Hij schépt zijn weg naar zijn uiteindelijke heerlijkheid en neemt op die weg het volk van zijn welbehagen mee. Hij doet dit in de weg van kritische schifting in de loop van de geschiedenis der kerkvergadering: „wie heilig is worde nog meer geheiligd” én: „wie vuil is, hij worde nóg vuiler”, Openb. 22, 11. De inwoning van de levende en de heilige God in de gemeente stuwt de vergadering van de kerk naar haar volkomenheid, terwijl deze God zelf in heerlijkheid daarboven troont.

Het is in dit levende en dynamische geheel dat ook de kerkelijke tucht is opgenomen en dat is de oorzaak van het feit dat die tucht niet tijdloos is. Ze heeft een antithetisch en tegelijk een dynamisch karakter. Want met dit wapen staat de kerk aan het front dat allerminst in een stellingenoorlog is vastgelopen. En dat om twee oorzaken. De eerste is: de giftige, actieve presentie van de duivel en van de zonde. Maar de tweede is de heilige én de heiligende presentie van de levende en verlossende God!

De heiligheid van God is de drangreden voor de heiliging van de


4) J. Ridderbos, Het Godswoord der profeten II, Kampen 1932, pag. 93.

|34|

gemeente. Zo spreekt nadrukkelijk het Oude Testament in Lev. 11, 44.45; 15, 31. En zo spreekt in de éénheid van de Heilige Schrift niet minder het Nieuwe Testament. De apostel Petrus haalt het woord uit Leviticus recht toe recht aan áán voor de gemeente van het Nieuwe Testament: „gelijk Hij die u geroepen heeft, heilig is, wordt zo ook gijzelf heilig in al uw wandel: er staat immers geschreven: weest heilig want Ik ben heilig”, 1 Petr. 1, 15.16. Het eerste woord van dit Schriftcitaat uit de brief van Petrus moet vooral onze aandacht hebben! Het woord ‘gelijk’. Dat geeft niet een willekeurige vergelijking aan. Het is veel sterker. Het geeft een maatstaf aan. Dat wil zeggen (en daar zijn we in het hárt van de christelijke levensheiliging en ook in het hart van de kerkelijke tucht!) dat de heilige God zélf de maatstaf van de heilige wandel van de gemeente is.

Greijdanus schrijft in zijn brede kommentaar bij deze tekst: „kata (dat is het griekse woord voor: ‘gelijk’, J.K.) = naar, geeft de norm, de maatstaf aan, vgl. ook vss. 2 en 3. Voor de gelovigen mag de wereld en haar zondige denk- en leefwijze niet meer de norm zijn, waarnaar zij zich regelen, maar zij hebben zich in alles te vormen naar God zelf als norm. Kata bedoelt hier meer dan zekere gelijkheid aan te wijzen; het wil zeggen, dat de gelovigen zich als het ware aan God moeten meten en aan zijn heiligheid moeten beantwoorden” 5).

De tegenstelling met het verloste en aan God genormeerde leven vinden we in het refreinmatige, waarmee het Israël-zonder-koning wordt getypeerd: “ieder deed wat goed was in zijn ogen”, Richt. 17, 6; 18, 1; 19, 1; 21, 25. Hier wordt de menselijke willekeur, het zichzelf tot norm zijn getekend als het beginsel van kerkafbraak en kerkverstrooiing: héél het tweede deel van het boek Richteren tekent ons voor ogen de geschiedenis van een kerk die aan tuchteloosheid ondergaat! Maar voor Israëls koning wordt — het vólk ten baat — de rechtvaardige rechtspraak afgebeden, Ps. 72, 1.2 waardoor de bergen vréde


5) S. Greijdanus, De brieven van de apostelen Petrus en Johannes en de brief van Judas (in de zgn. Bottenburg-kommentaar), Amsterdam 1929, pag 65; de spelling is enigszins gemoderniseerd. Vgl. ook zijn Korte Verklaring op de brieven van Petrus, pag. 32 v. en vgl. ook B. Holwerda op Deut. 17, 3 „die doet wat kwaad is in de ogen van de HERE, uw God”: „typeert de zonde in het algemeen, als iets dat Jahwè mishaagt; Hij wordt daarmee aangegeven als Degene, naar wiens norm alles beoordeeld wordt”.

|35|

zullen dragen in Gods land. Deze rechtspraak zal, zo luiden de beloften van het Oude Verbond, in de grote Zoon van David, in de Messias vervuld worden, Jes. 11, 3 e.v.; 32, 1; Jer. 23, 5; Zach. 9, 9.

Deze Zoon van David, onze Here Jezus Christus, heeft de bediening van de sleutelmacht in de nieuw-testamentische gemeente aan die gemeente zelf en aan haar ambtsdragers gegeven, Matt. 18, 15-18. Dáár ligt voor ons de reden om in onze omschrijving van de kerkelijke tucht het woord ‘rechtelijk’ nadrukkelijk op te nemen: de kerkelijke tucht is de rechtelijke handhaving van de heiligheid van de gemeente Gods. Het kerkelijk tuchtrecht mag niet met het wereldlijk strafrecht worden gelijkgeschakeld, al is zonder twijfel over en weer veel te leren en zal men in het tuchtrecht ook in grote lijnen op de hoogte van het geldende strafrecht moeten zijn.

Tegen die gelijkschakeling pleit echter reeds de nauwe verbinding die er behoort te zijn tussen de uitoefening van het tuchtrecht én de pastorale zorg. Daartegen pleit ook de geheel eigen plaats van actieve medewerking van de gemeente als zodanig. Een medewerking die niet alleen bestaat in de approbatie (= goedkeuring) van wat door de kerkeraad gebeurt in beslissende handelingen, maar ook in de eigen geloofswerkzaamheid van de gelovigen, die zich op de ‘zondaar’ in de gemeente richt.

Maar dit alles neemt niet weg dat de gemeente het volk is van het Koninkrijk der hemelen, waarover de rechtspraak van de grote Koning moet en mag worden bediend. Om te menen dat het tuchtrecht afdoend getypeerd is met de term ‘juridisch’ is onjuist. Even onjuist is het te doen alsof het juridische, het rechtelijke element als zodanig de ondergang van de kerkelijke tucht zou zijn, zoals dikwijls wordt gesuggereerd. Het kerkrecht en inzonderheid de tucht zouden dan formele, kille aangelegenheden zijn, waarin de liefde van Christus niet zou zijn te ontdekken. De kerk van Christus zou in het kerkrecht, inzonderheid in het tuchtrecht niet te herkennen zijn. Maar wij stellen als onze belijdenis daartegenover: dat in de stad van Christus, in Jeruzalem „de zetels ten gerichte” staan, dat doet haar óók in de bedéling van Pinksteren een stad zijn „die wél samengevoegd is”, Ps. 122.

Hiermee hebben we onze inleidende opmerkingen over de kerkelijke tucht afgesloten. We zullen nu over de uitoefening van de kerkelijke tucht gaan handelen.

Kamphuis, J. (1982) Hst. 3

|36|

3. Het voorbereidend stadium van de tucht

 

3.1. De gemeente in actie

Het is, nu we over de praktijk van de bediening van deze tucht gaan spreken, van allesbeslissende betekenis om vóórop te stellen dat de gemeente, waarvan de heiligheid in en door de tucht wordt gehandhaafd niet het lijdend voorwerp daarvan is. Die gemeente heeft maar niet lijdelijk af te wachten of er iets van die tucht terecht komt of niet. De roeping én het recht om opzicht en tucht te oefenen is niet aan een ‘geestelijkheid’, een ‘hiërarchie’ gegeven die hoog bóven de gemeente zou zweven en in feite los van de gemeente zou staan. Tegenover die rooms-clericalistische opvatting heeft de reformatie van de 16e eeuw en heeft inzonderheid Calvijn volgens de Heilige Schrift radicaal positie gekozen. F.L. Rutgers vat het reformatorische en Schriftuurlijke gevoelen bondig en klaar als volgt samen: „De kerkelijke tucht, die in dienst van de Koning der Kerk te gebruiken is, en die geconcentreerd is in de macht tot excommunicatie, berust bij de Kerk zelve, d.i. bij de gelovigen die haar samenstellen” 1).

Een reformatorisch beginsel! Maar voor alles: wáárheid naar de Schrift en regel in het Verbond der genade voor het volk van het Verbond. De kerk wordt door de wet van Mozes reeds in ieder van haar leden persoonlijk vermaand: „Gij zult uw broeder in uw hart niet haten: openlijk zult gij uw volksgenoot terechtwijzen en niet terwille van hem zonde op u laden”, Lev. 19, 17. Het gebod van de persoonlijke naastenliefde, dat hier negatief wordt geformuleerd: „niet haten”,


1) Zo in de vijfde en laatste rede door professor Rutgers gehouden „bij de overdracht van het rectoraat der Vrije Universiteit, den 20 October 1906”. De rede heeft een lange titel, maar die dan ook precies het onderwerp én het belang ervan aangeeft: De beteekenis der gemeenteleden als zoodanig, volgens de beginselen, die Calvijn, toen hij openlijk optrad, heeft ontwikkeld en toegepast. Deze rede die in Amsterdam in 1906 verscheen, is een herdruk meer dan waard! We leren er zowel Rutgers als Calvijn in kennen. Vgl. over de positie van de gemeente in de bediening van de tucht ook Th. Zahn in zijn kommentaar op Das Evangelium des Matthäus, 4. Aufl., Leipzig 1922, pag. 581: „Die Gemeinde also ist die höchste richterliche Instanz auf Erden” (bij Matt. 18, 17: „.... dan zij hij u als de heiden en de tollenaar”).

|37|

wordt concreet toegepast in de persoonlijke roeping tot vermaning. Daarmee zien we tegelijk het grote onderscheid tussen de naastenliefde, die in het Verbond wordt gevraagd én de bleke idee van de moderne medemenselijkheid. Van daar uit zal men nooit tot oefening van de tucht komen. Maar de naastenliefde is één van de grote motieven daarvoor! Die regel geldt in het Nieuwe Testament te sterker, nu de Heilige Geest over de gemeente is gekomen en iedere gelovige aan de zalving van Christus deel heeft, 1 Joh. 2, 27. Het Woord van Christus woont in de gemeente en het moet ‘rijkelijk’ daar, in die gemeente, wonen, „zodat gij in alle wijsheid elkander leert én terechtwijst”, Kol. 3, 16. Daarom is voor Jacobus het einde van alle wijsheid gelegen in de liefdedienst van het onderlinge opzicht in de broederschap van de gemeente: „Mijn broeders, indien bij u iemand van de waarheid afdwaalt, en een ander brengt hem tot inkeer, weet dan, dat, wie een zondaar van zijn dwaling terugbrengt, diens ziel van de dood zal behouden en tal van zonden bedekken”, Jak. 5, 19.20.

Iedere wortel van clericalisme snijdt de Bijbel radicaal door, zeker als het over de oefening van de tucht in de gemeente gaat, — die gemeente dat „koninklijk priesterschap”, 1 Petr. 2, 9; vgl. Ex. 19, 6. Het is de gemeente onder het Oude en het is de gemeente onder het Nieuwe Verbond, die wordt aangesproken op haar roeping tot tuchtoefening tot en met de afsnijding: „doet wie niet deugt uit uw midden weg”, 1 Kor. 5, 13; vgl. Deut. 19, 19. Dat is geen regel aan een kerkelijke élite gesteld. Het is geen geheime richtlijn voor een gesloten hiërarchie. Het staat — zelfs voor alle eeuwen — in een open brief aan heel de gemeente te lezen!

Het is ongetwijfeld waar dat in de gemeente ieder een eigen verantwoordelijkheid heeft en dat de ambtsdragers, de opzieners, in het geheel van de oefening van de tucht een eigen plaats hebben. Daar mag niemand hen van wegdringen met een beroep op de mondigheid van de gemeente en haar roeping zich heilig te houden. Want de mondigheid en de verantwoordelijkheid van de gemeente wil niet zeggen dat de kerk een demo-cratie is. Geen denken aan! De afgoderij met het volk moet juist vanuit de kerk, die haar Kóning kent, worden doorbroken. Haar hoofd is de Christus en Hij deelt in het geheel van de gemeente ook duidelijk afgetekende verantwoordelijkheden toe. In de eerbiediging van die verantwoordelijkheid en van dat gezag dat met de roeping meekomt, eerbiedigen wij dan het souvereine Koningschap van Christus. We zullen met de eigen roeping van de opzieners

|38|

in de tucht nog genoeg te doen krijgen in het vervolg van onze behandeling.

Maar omdat het de gemeente is, waarin het Woord van Christus woont, daarom begint de Kerkorde, wanneer ordelijk over de tucht wordt gehandeld, ook bij de onderlinge tuchtoefening tussen de gemeenteleden onderling:
„Wanneer iemand afwijkt van de zuivere leer of in zijn leven zich misdraagt, en dit een geheime zaak is, die geen openbare aanstoot geeft, zal de regel worden nageleefd die Christus duidelijk voorschrijft in Mattheus 18” (art 73).

En vervolgens:
„Geheime zonden mogen niet aan de kerkeraad worden bekend gemaakt, als de zondaar na persoonlijke, broederlijke vermaning of na vermaning met een of twee getuigen tot berouw komt” (art. 74, 1e gedeelte).

Het zijn toch wel bijzonder-opmerkelijke bepalingen! Het is hier niet alleen de enige keer dat in de Kerkorde met even zoveel woorden een kerkordelijke regel direct in de Heilige Schrift wordt verankerd, het is ook de enige keer dat de gemeente wordt ingeschakeld, met als uitgedrukt doel dat de kerkeraad niet zal worden ingeschakeld.

Enkele kanttekeningen hierbij.

In de eerste plaats is uit deze inzet van de behandeling van de kerkelijke tucht duidelijk dat de kerkeraad als het college van opzicht en tucht alleen dán krachtig in de Heilige Geest kan functioneren, wanneer dat gebeurt in het geheel van een gemeente die samenleeft en op elkaar toeziet, omdat men leeft uit de gelovige wetenschap dat allen leden van één lichaam zijn, 1 Kor. 12. Hier krijgen we ook weer oog op de samenhang van de beide sleutels van het Koninkrijk der hemelen. In de prediking en in heel het onderwijs van de gemeente (ook in het onderzoek van de Schriften binnen de gemeente! ) zal de gemeente geestelijk moeten worden gemobiliseerd tot haar primaire roeping in de oefening, van de christelijke tucht. Want deze verantwoordelijkheid van de gemeente is niet overdraagbaar! Het slot van art. 73 zegt dat eigenlijk met grote nadruk: de regel zal nageleefd worden, „die Christus duidelijk voorschrijft”. Schiet de gemeente hier tekort, dan frustreert zij de dienst van de ouderlingen in de oefening van de tucht en staat zij verantwoordelijk voor haar eigen afbraak die over haar zal komen als een oordeel van de Heilige.

In de tweede plaats maakt dit begin van de kerkordelijke bepalingen

|39|

over de christelijke tucht duidelijk, dat de tucht wezenlijk en daarom ook van meetaf de bedoeling heeft de zondaar te behouden in de weg van de bekering. Komt er op het broederlijk vermaan bekering, dan is het einde van de tucht bereikt, ook al zijn we nog maar in het vóórstadium!

Het is niet zo dat de vaststelling van een overtreding onherroepelijk een procedure in gang zet, die een eigen leven gaat leiden. Nee, ook hier gaat het er om het eigen karakter van de kerkelijke tucht in het oog te houden, ook in onderscheid van wereldlijke rechtsprocedures. Als de broeder van zijn dwaling is teruggebracht, is hij behouden en zijn de zonden bedekt, Jac. 5, 20. Het einde van de tucht betekent hier ook dat het dóel is bereikt.

In de derde plaats geeft de nadrukkelijke bepaling dat bij bekering van heimelijke zonden het college van de kerkeraad niet zal worden ingeschakeld, aan, van hoeveel betekenis het is dat de zonde om zo te zeggen zoveel als maar mogelijk is gelokaliseerd wordt. Daarvoor dienen ook de verder gaande tuchthandelingen, die noodzakelijk worden als er geen levens-omkeer komt. Daarover later. Maar daarvoor dient ook deze ingetogenheid en beheerstheid die van de gemeente in de onderlinge vermaning wordt gevraagd. Want niet alleen wordt de naam van de broeder nodeloos schade toegebracht als er meer ruchtbaarheid aan zijn zonde wordt gegeven, dan strikt noodzakelijk is, maar door het onnodige gerucht, de ongecontroleerde praterij krijgt de zonde (waarmee de broeder al heeft gebroken door Gods genade) toch nog weer mogelijkheid om als een infectie in het lichaam van de gemeente te werken.

Tenslotte — in de vierde plaats — een opmerking over de aard en de wijze van het broederlijk vermaan. Daarover spreken de hierboven geciteerde artikelen niet met even zoveel woorden. Maar in de vroegere redactie voegde het volgende artikel aan déze artikelen over het voorbereidend stadium van de kerkelijke tucht nog een waardevol element toe, dat het vermaan van de ‘heimelijke zonde’ ‘in liefde’ moet gebeuren. De broeder of de broeders die het vermaan tot de zondigende broeder laten uitgaan, mogen zich daarin niet door drift of partijschap laten beheersen. Dat behoort tot de werken van het vlees, Gal. 5, 19.20, en kan dus nooit dienstbaar zijn aan het heiligende werk van de Geest aan een zondaar in de gemeente. De eerste vrucht van de Geest die de apostel Paulus tegenover de werken van het vlees noemt is: liefde, Gal. 5, 22. Daarom roept hij de broeders in

|40|

de Galatische gemeenten op terecht te helpen „in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf”, Gal. 6, 1.

Wanneer tenslotte van een zonde aangifte wordt gedaan bij de kerkeraad, dan is het goede regel, voorzover het ‘geheime’ zonden betreft, dat allereerst gevraagd en gecontroleerd wordt of ‘de weg van Matt. 18’ gegaan is. Het besef dat dit noodzakelijk is, leeft wel onder ons, naar het mij voorkomt. Maar we mogen wél op onze hoede zijn voor het gevaar dat dit vragen en deze controle niet ontaardt in een administratieve aangelegenheid. Het gaat er maar niet om dat er even een formele informatie wordt getrokken, of er wel aan alle formaliteiten is voldaan. Maar de ambtsdragers hebben er op toe te zien dat de weg tot de denuntiatie (de aangifte) op kerkelijke en christelijke wijze is gegaan.

Het is natuurlijk anderzijds ook mogelijk vóórtgaande tuchtoefening, die noodzakelijk is geworden, te laten verzanden in een bevitten van gemeenteleden die hun roeping hebben verstaan. Maar dat neemt niet weg dat de kerkeraad, wanneer bij de aangifte van de zonde duidelijk blijk wordt gegeven van vleselijke hartstocht, van ongeestelijke praatzucht, van liefdeloosheid, van kil formalisme, allereerst dáárop heeft in te spreken in vermanende en opbouwende zin. Hebben de broeders die aangifte doen, het hunne gedaan om de zaak van de tafel van de kerkeraad áf te houden òf is het klaarblijkelijk de opzet geweest om het vóórstadium van de tucht zo vlug en zo formeel mogelijk door te komen óm er maar een kerkeraadszaak van te maken? In het tweede geval heeft de kerkeraad ongetwijfeld de bevoegdheid de denuntiërende broeders retour te sturen. Zij moeten dan nog aan het werk in het geheel van de geestelijke rechtspraak die in de gemeente is verankerd en dienstbaar aan de opbouw van de gemeente heeft te zijn. Ook van de bevoegdheid, de ‘exousia’ van de leden der gemeente tot onderling vermaan geldt wat de apostel van zijn bevoegdheid ten aanzien van de gemeente zegt: de Here heeft deze geschonken „om u op te bouwen en niet om af te breken”, 2 Kor. 10, 8.

Maar er is nog een enkel element dat uit dit voorbereidend stadium van de tucht onze aandacht moet hebben. Dat is het door de Kerkorde gemaakte onderscheid tussen geheime en openbare zonden.

|41|

 

3.2. Geheime en openbare zonden

Het gehele eerste gedeelte van de behandeling der christelijke tucht in de Kerkorde van de gereformeerde kerken wordt beheerst door het onderscheid tussen ‘geheime’ en ‘openbare’ zonden. Art. 73 stelt dat de regel van Matt. 18 zal worden nageleefd als de zonde „een geheime zaak is die geen openbare aanstoot geeft”. Die geheime zonden zullen, zegt art. 74, bij berouw niet bij de kerkeraad worden aangebracht. Maar anders staat het, gaat art. 74 verder, met geheime zonden die bij vermaning niet in berouw worden beleden of bij een openbare zonde. En nog eens is dit onderscheid waarneembaar, wanneer art. 75 de schuldbelijdenis bij bekering regelt: „wanneer iemand zich bekeert van een openbare zonde of van een geheime zonde die moest worden meegedeeld aan de kerkeraad, zal deze zijn schuldbelijdenis aanvaarden als daarbij voldoende tekenen van berouw gezien worden. De kerkeraad zal beoordelen of van deze schuldbelijdenis mededeling aan de gemeente gedaan moet worden”.

We hebben hier dus met een belangrijk onderscheid te maken! En de Kerkorde verbindt dit onderscheid aan de rechtsregel die Christus in Matt. 18 heeft gegeven.

Nu zegt de Kerkorde wel in art. 73 dat Christus in dit hoofdstuk duidelijk een regel voorschrijft. Maar slaan we onze Bijbel open bij Matt. 18, 15 dan kan het een ogenblik schijnen, alsof er maar weinig duidelijkheid is! Zelfs wat de tekst aangaat van wat Christus tot zijn discipelen heeft gezegd onmiddellijk nadat Hij hen de gelijkenis van het verloren schaap had verteld, die uitloopt op de lering: „Zó bestaat bij uw Vader, die in de hemelen is, de wil niet, dat één dezer kleinen verloren gaat”, Matt. 18, 14. Dan volgt: „Indien uw broeder zondigt ...”. Zo luidt de tekst tenminste in de onder ons gebruikelijke vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG). Leggen we er de Statenvertaling naast, dan valt ons een niet onbelangrijk verschil op. Hier is het begin van dit vers als volgt vertaald: „Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft ....”. Enkele verschillen tussen de beide vertalingen kunnen we wel voorbijgaan (al zijn ze niet zonder belang), maar aan het hoofdverschil moeten we toch apart aandacht geven. Het ‘tegen u’ uit de Statenvertaling is in de NBG verdwenen. Dat is

|42|

bij de meeste tegenwoordige vertalingen het geval1).

Men is dus blijkbaar van oordeel geweest dat de woorden ‘tegen u’ ten onrechte hier zijn opgenomen. Ook de meest-gebruikte handuitgave van het griekse Nieuwe Testament (Nestle-Aland) heeft aan deze woorden in de tekst slechts als het ware een secundaire plaats gegeven door aan te geven dat ze slechts in een deel van de handschriften worden aangetroffen. Zonder dat we ons nu ver op het pad van de handschriften-vergelijking wagen, mogen we evenwel rustig stellen, dat met volkomen duidelijkheid de overgrote meerderheid van de tekstgetuigen deze woorden wél heeft. Er begint zich dan ook de laatste tijd een lijn in de tekstuitgaven af te tekenen, die verraadt dat de druk van dit tekstgetuigenis toch te sterk blijkt voor de uitgevers van de tekst. Heeft men lange tijd deze woorden geheel uit de tekst geweerd, ze worden nu weer ‘toegelaten’, zij het nog slechts tussen vierkante haken. Wij gaan naar mijn overtuiging veilig als we ons op dit punt aan de tekst van de Statenvertaling houden.

Maar daarmee schijnen de moeilijkheden niet verminderd, maar juist vermeerderd te zijn! Zonder de woorden ‘tegen u’ zou men het woord van Christus direct van toepassing kunnen achten op alle geheime zonden, waarbij dan 1 Tim. 5, 20 „Wie in zonden leven, moet gij in aller tegenwoordigheid bestraffen, opdat ook de overigen ontzag hebben” de regel bij openbare zonden aangeeft2). Dat laatste is ongetwijfeld juist. Maar wordt door het ‘tegen u’ de categorie van de geheime zonden om zo te zeggen niet al te veel beperkt?

Uit de geschiedenis van de uitleg van dit woord van Christus blijkt dat men die zaak wel als een probleem heeft aangevoeld. Zo schrijft Calvijn in zijn verklaring van Matt. 18, 15 dat ‘tegen u’ niet aanwijst het onrecht aan iemand aangedaan, maar dat hierdoor onderscheid gemaakt wordt tussen geheime en openbare zonden. Het ‘tegen u’ wordt dan uitgelegd in de richting van ‘met uw medeweten’. De opvatting laat zich echter moeilijk handhaven. Het zondigen ‘tegen’ iemand komt in de Schrift teveel voor in de duidelijke betekenis van: ‘gericht tegen’ en: ‘ten nadele van’ dan dat we die betekenis hier zouden kunnen loslaten of verzwakken. Men vindt


1) Bij voorbeeld in de vertaling die H.H. Ridderbos in de Korte Verklaring geeft en in de weergave in Groot nieuws voor u.
2) Zie Kanttekeningen Statenvertaling.

|43|

het in de strikte en eigenlijke betekenis in de gelijkenis van de verloren zoon: „vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u”, Luk. 15, 18.21. Men treft het zo bij de apostel Paulus: hoererij is in onderscheid van alle andere zonden een zonde tegen het eigen lichaam, 1 Kor. 6, 18. De ‘zwakke’ broeder in onze levenspraktijk niet ontzien en zijn geweten kwetsen, is een zonde tegen hem en zo ook tegen Christus die voor die broeder immers zijn leven heeft gegeven, 1 Kor. 8, 12. We treffen diezelfde betekenis ook aan in de Griekse vertaling van het Oude Testament. Farao zegt, als de achtste plaag (sprinkhanen over het hele land) is gekomen tot Mozes: „Ik heb gezondigd tegen de HERE God en tegen u”, Ex. 10, 16. En verreweg de belangrijkste verwijzing voor dit gebruik van ‘tegen’ — dus niet in de bredere zin, van: met uw weten, maar in de strikte opvatting: ten nadele van — vinden we in het Evangelie direct nádat Christus ‘de regel van Matt. 18’ heeft afgekondigd aan zijn discipelen. Dan reageert Petrus met deze vraag: „Here, hoeveel zal mijn broeder tegen mij zondigen en moet ik hem vergeven”, Matt. 18, 21. We treffen in een overeenkomstige plaats in het Evangelie naar Lukas hetzelfde in de mond van Christus: „zelfs indien (uw broeder) zevenmaal per dag tegen u zondigt en zevenmaal tot u terugkomt en zegt: ik heb berouw, zult gij het hem vergeven”, Luk. 17, 4.

We concluderen dat Christus hier zijn discipelen aanspreekt op de situatie dat in hun kring, de komende kerk van het Nieuwe Testament, iemand met zijn zonde één van de broeders kwetst, leed toebrengt, verongelijkt. Dan gaat het er niet om je te wreken en die zondigende broeder weg te stoten of af te schrijven. Nee, ook al is men zelf degene aan wie verongelijking is aangedaan, dan nog en dan juist moet men in de onderlinge samenleving van de broeders de Váder voor ogen houden: bij Hém bestaat de wil niet, dat één van deze kleinen verloren gaat! We hebben hier in een zeer persóónlijke toespitsing met de regel te doen: „weest heilig, want Ik ben heilig”, 1 Petr. 1, 16, als we maar vasthouden3) dat in deze heiligheid van God ook zijn wil en zijn werk tot verlossing van zondaren is begrepen. We zien hier op een heerlijke manier reeds in het vóór-stadium de tucht als remedie.

Maar betekent dit nu niet dat de Kerkorde ten onrechte voor héél het


3) Daarover spraken we in onze eerste paragrafen.

|44|

terrein van de geheime zonden, dat natuurlijk veel breder is dan de zonde tégen een bepaalde broeder, zo nadrukkelijk verwijst naar de regel van Matt. 18? Die vraag krijgt nog iets meer klem, als we bedenken dat zij die de Kerkorde hebben opgesteld, vrij zeker in het spoor van de exegese van Calvijn gingen. Valt met zijn ruimere exegese dan ook de grond voor de verbinding niet weg die art. 73 met Matt. 18 legt?

De vraag is op zichzelf van betekenis. De vraag heeft óók zeer groot belang voor het geheel van het gereformeerde kerkrecht en voor het wettige, rechtmatige Schriftgebruik in het kerkrecht.

Door zijn discipelen aan te spreken op de situatie dat één uit hun kring tegen hen persoonlijk een misslag, een zonde begaat, mobiliseert de Here die kring van discipelen als Verbondsgemeenschap, waarin de wet van de naastenliefde de praktijk van de verhouding tot die naaste beheerst, ook in de meest-moeilijke en meest-kwetsbare situaties. Christus stelt niet in abstracto gemeenschapsregels vast. Hij maakt ook geen theoretisch onderscheid tussen ‘openbare’ en ‘geheime’ zonden. Hij stelt niet onder die beide rubrieken twee lijsten van zonden op. Hij spreekt concreet en praktisch aan.

Daarom is het onjuist de uitleg van de woorden als het ware zo uit te rekken tot ze bruikbaar worden voor onze kerkrechtelijke gevallen. Maar anderzijds mag met evenveel nadruk worden gezegd dat wij, uitgaande van dit duidelijke woord van de Christus over ons gemeenschapsleven, zijn wil ook duidelijk leren kennen voor die gevallen, waarin de zonde zich wel niet tegen ons persoonlijk heeft gericht, zodat wij de gekwetste en verongelijkte partij zijn, maar waarin wij wel een zonde in kleine kring, op een beperkt gebied zich zien voltrekken. Ook dan gaat het, zoals we uit Matt. 18 kunnen leren, om het behoud van de broeder, zoals de Vader in de hemelen op het behoud van de zondaar uit is.

We mogen hier voor het kerkrecht verbreden en uitbreiden tot het geheel van de geheime zonden. Omdat de wil Gods in Christus Jezus in al die situaties één en dezelfde is. Daarom kunnen we uit volle overtuiging ons aansluiten aan de tekst van het ‘klassieke’ art. 73 van de Kerkorde, zonder dat we de exegese van Calvijn, vader van het gereformeerd kerkrecht, op dit punt delen4).


4) Vgl. hier ook de goede uiteenzetting van Joh. Jansen, Korte Verklaring

|45|

De vraag welke zonde geheim is, kan in het algemeen moeilijk een bevredigend, een sluitend antwoord krijgen. Er zijn duidelijke gevallen, naar beide kanten. Een zonde ‘onder vier ogen’ gepleegd, is een ‘verborgen’ zonde5). Een zonde, die in het openbaar is gepleegd en bij de gehele gemeente bekend en haar tot een ‘ergernis’ in de Schriftuurlijke zin van het woord, nl. een aanstoot, een verleiding tot zonde is geworden, is uit de aard der zaak nooit tot de geheime zonden te rekenen. Hier behoeft en hier mag niet eerst nog eens ‘de weg van Matt. 18’ gegaan worden vóór de gemeente — in haar voorgangers — in actie komt om het kwaad te weren en de gemeente te behoeden.

Maar tussen de beide uitersten in ligt een brede reeks van mogelijkheden. Daarbij is de vraag ‘geheim’ of ‘openbaar’ dikwijls niet te beantwoorden buiten de concrete situatie om. In een grote gemeente kan een zonde nog als in het verborgene bedreven gerekend worden als slechts enkelen er van weten. Er is dan nog geen infectie-haard voor de gemeente als zodanig. Maar de situatie verandert wanneer het een kleine gemeente betreft en de uitbrekende zonde daar in die gemeente aan een aantal broeders bekend is. Dat aantal kan dan louter rekenkundig, hetzelfde zijn als de ‘enkelen’ in een grote gemeente. Maar de rekenkunde heeft hier het laatste woord niet. De gemeente als gemeente van Christus kan onder de dreiging van de zonde zijn komen te liggen. De gelovige reactie op deze greep van de Satan naar de keel van de gemeente zal dan daaraan aangepast hebben te zijn. Want ‘het behoud van de zondaar’ is doel van de tucht, ook in de broederlijke vermaning. Maar het is niet het enige doel, de absolute doelstelling. Die eerste doelstelling mag de andere: ‘het behoud van de gemeente in de vreze Gods’ niet frustreren. Want het gaat in beide doelstellingen om de heiligheid van God en van de gemeente, waarin Hij wil wonen door zijn Geest.


Kerkenordening (1923), pag. 315. Het is jammer dat Jansen in de tweede en derde druk van zijn Korte Verklaring geen weerstand bood aan de tekst-verkorting van Matt. 18, 15.
5) Hoewel ook hier niet alleen maar theoretisch gesproken kan worden. Er is terecht herhaaldelijk op gewezen dat helaas ook een deel van de gruwelijke werkelijkheid van de zonde is dat zich in een heel kleine kring een zo grote, godslasterlijke uitgieting van boosheid van misdadigheid voor kan doen, dat de gruwelijke aard van de zonde haar van openbaar karakter maakt. Dat zal de reactie dan ook hebben te bepalen.

|46|

Wat theoretisch moeilijk in een sluitende opsomming is te vatten, is praktisch door het geloof wel degelijk te onderkennen en te onderscheiden. We krijgen ook in het geval van, de doorwerking van de macht der zonde de veelvormigheid van het leven maar moeilijk in een theoretische greep. We staan gelukkig nooit zonder de norm van het goede Woord Gods, dat zijn krachten doet naar Gods welbehagen als wij ons er maar gewillig aan dienstbaar maken en uit moeilijke situaties niet weglopen. De deserteur zal wellicht het theoretische smoesje vlug bij de hand hebben. De „goede soldaat van Christus Jezus”, 2 Tim. 2, 3, weet zich in de praktijk van de veldtocht te rechter tijd zijn wapen door zijn Heer gereikt.

|47|

 

3.3. De intensivering van het broederlijk vermaan

Er loopt nog een weg van het broederlijk vermaan naar de aangifte van een volgehouden zonde door een broeder bij het college dat is geroepen opzicht en tucht over de gemeente te oefenen, de kerkeraad.

Het is de weg van de getuigen.

De HERE had in het Oude Verbond al nadrukkelijk deze bescherming voor een goede rechtsgang en dat tegen alle rechtsverkrachting en overhaasting een plaats gegeven, toen Hij verordende: „Een enkele getuige zal niet tegen iemand kunnen optreden ter zake van enige ongerechtigheid of zonde, welke ook, die hij begaan mocht hebben: op de verklaring van twee of drie getuigen zal een zaak vaststaan”, Deut. 19, 15 en Hebr. 10, 28, vgl. ook een soortgelijke bepaling met betrekking tot het voltrekken van de doodstraf in Deut. 17, 6 en Num. 35, 30 1).

Die lijn trekt Christus eenvoudig door, wanneer Hij in de kring van zijn discipelen over de ‘getuigen’ spreekt: „Indien hij (de broeder die zondigt) niet luistert, neem dan nog een of twee met u mee, opdat op de verklaring van twee getuigen of drie elke zaak vaststa. Indien hij naar hen niet luistert zeg het dan aan de gemeente”. Matt. 18, 16. Daarbij sluit de Kerkorde weer aan in art. 74 door in het eerste gedeelte te stellen dat „geheime zonden niet aan de kerkeraad mogen worden bekend gemaakt, als de zondaar na persoonlijke broederlijke vermaning of na vermaning met een of twee getuigen tot berouw komt”, terwijl het tweede gedeelte van dit artikel bepaalt dat als de zondaar geen gehoor geeft, wanneer hij „over een geheime zonde naar de regel van Mattheus 18 is vermaand”, dit aan de kerkeraad zal worden meegedeeld.

De getuigen ontvangen déze naam, getuigen, omdat zij een plaats in


1) Hoe de HERE waakt tegen het kwaad van het ‘valse getuigenis tegen de naaste’ blijkt wel heel duidelijk uit het feit dat het verbod daarvan een plaats in de 10 woorden van het Verbond heeft gekregen, Ex. 20, 16; Deut. 5, 20. De voorlezing in de christelijke eredienst iedere zondag bedoelt niet slechts in het algemeen tegen alle liegen en bedriegen te waarschuwen, maar vóór alles de broederlijke omgang in kritische situaties zuiver te houden. Zie over de ‘misdadige getuige’ nog Deut. 19, 16-19. En voor het Nieuwe Testament Hand. 6, 13; 7, 58.

|48|

een rechtsgang ontvangen. De zaak in geding moet vaststaan. Vindt de zaak tegen de broeder voortgang, dan wordt van de getuigen niet gevraagd wat hun mening over een broeder is. Dat ligt niet binnen het rechtsbereik van de getuigen. Het gaat niet over hun subjectieve oordeel over een medebroeder. Zij moeten garant staan voor de feiten. Zij moeten kunnen getuigen dat een broeder door een medebroeder op een zonde is aangesproken. Zij moeten kunnen getuigen dat de zondigende broeder niet met zijn zonde heeft willen breken. Om die feiten gaat het. Het getuigenis aangaande die feiten vormt de grondslag van de verdere procedure, zoals die daarna in handen van de kerkeraad komt2).

Daarmee is van de aard en de functie van dit getuigenis echter niet alles gezegd. De broeder die als eerste de vermaning deed uitgaan (onder vier ogen) treedt straks als getuige ten overstaan van de kerkeraad op. De vermaner wordt getuige. Maar bij de broeder of broeders die erbij worden geroepen is het omgekeerde het geval. De één of twee broeders, die de eerste broeder wanneer hij voor zijn vermaan geen ingang vindt, meeneemt, treden niet alleen als getuigen op, maar wanneer zij het vasthouden aan de zonde constateren, treden zij in het vermaan van de eerste broeder. De getuigen vermanen mee. Het broederlijk vermaan wordt geïntensiveerd! Zo wil de Heilige Geest nog krachtiger op de zondigende broeder inwerken tót overwinning van de zonde en tót behoud van de zondaar. En wanneer — onverhoopt — de zondaar aan het geïntensiveerde vermaan van nú twee of drie broeders geen gehoor geeft, dan leggen de getuigen van déze volgende feiten getuigenis af tegenover de kerkeraad:
1) van de zonde, die zij moesten constateren;
2) van het vermaan over de zonde;
3) van het vasthouden aan de zonde;
4) van het geïntensiveerde vermaan:
5) van het desondanks toch nog niet breken met de zonde.

Dat zó de rechtsgang in het vóórstadium van de kerkelijke tucht is, blijkt duidelijk uit de woorden van Christus. De één of twee die de vermanende broeder met zich neemt worden in Matt. 18, 16 ‘getuigen’ genoemd. Zij worden er dus bij geroepen om de aanvankelijke stand van zaken mee te bevestigen. Maar dat gebeurt eerst dan ten


2) Vgl. Strathmann in Kittel/Friedrich, Wörterbuch zum Neuen Testament IV, pag. 493.

|49|

overstaan van de gemeente, zegt Christus in vers 17, als de zondaar ook aan hen (meervoud!) geen gehoor geeft. Het meervoud vóóronderstelt en sluit in dat de erbij geroepen broeders een actieve rol in de voortgang van het vermaan hebben gespeeld.

De Kerkorde heeft dit in het tweede gedeelte van art. 74 samengevat door te spreken over: vermaning „naar de regel van Mattheüs 18”. Gelukkig is een schijn van onduidelijkheid in het vroegere art. 73 weggenomen. Daar lazen we in vele tekstuitgaven van de Kerkorde een afwisseling van ‘door’ en ‘voor’: de zondaar wordt over de heimelijke zonden „door één, en in ’t bijzonder, of voor twee of drie getuigen vermaand”. Maar D. Deddens heeft er in zijn tekstuitgave van de Kerkenordening van De Gereformeerde Kerken in Nederland3) op gewezen dat dit ten onrechte is „gelijk uit de Latijnse uitgaven der K.O. blijkt” 4).

Het misverstand dat er door de eerste broeder, die zijn vermaning heeft doen uitgaan, één of twee bij worden geroepen die dan niet meer zouden hebben te doen dan te constateren dat ‘een’ vermaning tot de desbetreffende broeder is uitgegaan en die dan vervolgens eventueel van dát enkele feit getuigenis hebben af te leggen, — dat misverstand moet met wortel en tak worden uitgeroeid!

Het strijdt immers met de duidelijke tekst van de regel van Matt. 18. Daarbij is er dan ook nog op te wijzen dat het ‘vaststaan van de zaak’ vanzelfsprekend niet tot het uitgaan van de vermaning-zonder-meer beperkt kan worden. En het strijdt ook met de duidelijke tekst van het in deze Kerkorde-artikelen onmiddellijk in de Schrift verankerde geschreven recht van de kerken.

Dat is niet toevallig!

Want de getuigen functioneren in een procesgang die in dienst staat van de voortgang van het Woord en van de heerschappij van het Woord. Als zij er dus bij geroepen worden, dan spreekt vanzelf dat ze niet slechts ‘objectief’ constateren dát er vermaan uitgaat tot een broeder in de gemeente, maar dat ze van hun kant zich in het werk van die vermaning ook laten inschakelen, wanneer metterdaad blijkt dat de vermaning-naar-het-Woord geen gehoor, geen ingang vindt.


3) Een uitgave van Oosterbaan & Le Cointre B.V., Goes, zonder jaartal.
4) Vgl. bij voorbeeld voor Middelburg 1581, F.L. Rutgers, Acta Nederlandsche synoden der 16e eeuw, pag. 397.

|50|

Het ligt voor de hand dat zij, als erbij-geroepenen, eerst luisteren. Door te luisteren nemen ze stand van zaken op en voldoen zij in hun bijzondere positie tegelijk aan de eis dat er ook ‘wederhoor’ plaats heeft te vinden. Toen ze door de éne broeder werden gevraagd om naar de zondigende broeder mee te gaan, hebben ze van zìjn kant uit de aard van de zaak de stand van zaken gehoord. Nu horen ze van beide kanten. Als het in de rechtsgang in dit vóórstadium goed is en de eerste broeder dus geen ‘valse getuige’ is, dan zien ze het aanvankelijk rapport bevestigd. Verandert dan de situatie niet bij de zondaar, die vermaand wordt, dan kàn het eenvoudig in de christelijke gemeenschap niet anders, of het Woord en de Heilige Geest drijft ook hen uit om aan de vermaning deel te nemen. Men kan toch de zondaar niet ongewaarschuwd laten? Er wordt hier maar geen louter formele rechtsregel geschreven. De christelijke gemeenschap wordt gemobiliseerd.

Maar hier valt dan ook opeens licht op de rijkdom van het werk van de Heilige Geest, ook in de bediening van de tweede sleutel van het Koninkrijk der hemelen, terwijl we nog maar in het stadium van de vóórbereiding voor de disciplinaire tuchtoefening zijn.

Want wanneer het vermaan van de één in de gemeente steun krijgt van het vermaan van de ander, dan dringt het Woord Gods als het ware van onderscheiden kant aan op de vesting van het hart van die broeder, die aan de zonde vasthoudt. Want de Here schenkt in de gemeente aan ieder zijn eigen gave. Dat mag ook in dit werk zichtbaar worden.

Daarom is het geen onbelangrijke of onverschillige zaak, wie als getuige wordt gevraagd of, wanneer het een tweetal getuigen is, wie mee worden gevraagd. Ook die keuze moet zich bij de broeder die met een zondigende broeder op de weg van de heilige rechtsgang van God gaat lopen, in wijsheid gebeuren en niet zonder gebed. Zelfs het aantal is hier geen onverschillige zaak: „nog één of twee”, Matt. 18, 16. Het staat in de vrijheid van de broeder, of hij één of dat hij twee broeders mee zal vragen, als hij weet dat hij verder moet op de ingeslagen weg. Het staat in zijn vrijheid. Maar het is de vrijheid van een, die in liefde moet dienen.

Het kan zijn dat de keuze op slechts één broeder valt óf om de kring, waarin de zonde bekend wordt zo klein mogelijk te houden óf omdat in de aard van de zaak zelf beperkingen liggen ten aanzien van de keuze. Maar het is ook mogelijk dat de broeder die de weg van Matt.

|51|

18 gaat, van oordeel is dat het in dit bepaalde geval goed is twee getuigen mee te nemen. De aard van de zonde of het karakter van de zondaar kan daartoe brengen. Daarbij kan een rol spelen dat bij de broeders, die worden aangezocht, naar het oordeel van de eerste broeder, in combinatie die gaven van onderscheiding en van overreding met de Schriften aanwezig zijn, die onder Gods zegen de hardheid van het hart zullen kunnen breken.

Als het aantal van de broeders, die als getuigen worden meegevraagd, al niet onverschillig is, dan natuurlijk ook niet de vraag welke broeder of welke broeders. Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is. En ieder, die tot vermaan geroepen wordt, zal het op zijn eigen wijze doen. Maar het is alles dienstbaar aan de dóórgang van het werk van de Geest tot behoud van de zondaar. Wat de één niet weet, valt de ander te binnen. Uit het Woord zal de één dit vermaan naar voren halen en de ander weer iets anders.

Hoe eenvoudig naar de maatstaf van deze wereld is dit werk! Dit werk, dat als het met positief resultaat wordt bekroond, niet eens aan de kerkeraad bekend wordt. Laat staan in een brede kring daar buitenom. Het komt niet verder dan die hele kleine kring van twee, drie broeders. Zij en zij alleen zijn onder de mensen getuigen van het berouw. De zonde wordt bedekt door de liefde, 1 Kor. 13, 7; Jac. 5, 20. Maar er is volgens het eigen woord van de Christus blijdschap bij de engelen Gods over één zondaar die zich bekeert, Luk. 15, 10, — van die engelen die voortdurend zien het aangezicht van de Vader, die in de hemelen is, Matt. 18, 10, en die in het verbórgene ziet, Matt. 6, 6.18, en wiens wil het niet is dat de zondaar verloren gaat, maar zich bekeert en leeft, Ez. 18,23. Hij heeft de Zoon daarom ook gezonden om het verlorene te zoeken en te redden, Luk. 19, 11, vgl. Matt. 18, 11.

Daarom is het deze door de Vader in de wereld gezonden Zoon die in de kerk van het Nieuwe Verbond vanaf het begin van de tuchtoefening het element van de intensivering heeft ingebracht en daartoe de broederschap mobiliseert. De tucht is rechtsbediening. Maar rechtsbediening in het Koninkrijk der hemelen en onder de heerschappij van het Woord der genade. „Door de vermaningen — ook déze vermaningen! — wordt de genáde medegedeeld” (Dordtse Leerregels). Daarom wordt de tucht terecht remedie genoemd, genéésmiddel. De zondaar is zeker niet slechts een lijdelijk patiënt: een arme stakker. Hij staat verantwoordelijk en hij staat schuldig. De remedie is dan ook een

|52|

vermáning, die een appèl doet op geloof en op bekéring. Maar de vermaning mag dan ook remedie worden genoemd. En in de intensivering van de remedie bij onbekeerlijkheid is in de Geest die Here in de kerk aanwezig die gezegd heeft: „zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij die ziek zijn”, Matt. 9, 12.

Gezegend de kerk, die de tucht niet ontwent! In haar heeft de Heilige Geest zijn woning.

We hebben voor deze zaak nu wat breder aandacht gevraagd omdat bij ieder volgend stadium van de tucht dit moment van intensivering weer kan worden opgemerkt. Want de stijl van de christelijke tucht, die hier door Christus met gezag is geopenbaard, beheerst de hele gang en voortgang. En is zelfs aan de uitgang ervan nóg zichtbaar. Voor het geloof wellicht dán het duidelijkste.

Kamphuis, J. (1982) Hst. 4

|53|

4. De ‘eenvoudige afhouding’

 

4.1. De wettige plaats in het kerkrecht

Voordat we verder spreken over de voortgang van de tucht in het geval de broederlijke vermaningen onder vier ogen en met één of twee getuigen bij de zondaar geen bekering hebben bewerkt óf in het geval van een openbare zonde, moet een andere zaak onze aandacht hebben. Een zaak die in strikte zin geen onderdeel vormt van de kerkelijke tucht, de discipline, maar die wèl een belangrijk element is in de geestelijke regering van de gemeente door de kerkeraad.

We doelen op de zogenaamde ‘eenvoudige afhouding’ van het Heilig Avondmaal, die goed moet worden onderscheiden van de disciplinaire afhouding, waarover de Kerkorde in art. 76 als volgt handelt: „De kerkeraad zal de toegang tot het avondhaal van de Here ontzeggen aan hem, die de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt of die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan heeft”.

Deze disciplinaire afhouding wordt ook wel ‘kleine ban’ (excommunicatio minor), de ‘voorlopige afhouding’ of de ‘stille censuur’ genoemd. Hierbij hebben we met de tucht in de eigenlijke zin te maken.

Maar daarnaast is er de mogelijkheid van een afhouding van het Avondmaal, die wel tot doel heeft de tafel des Heren heilig te houden, maar die geen element van de tucht vormt1).

Om oog te krijgen voor het eigen karakter van déze afhouding, is het goed nog enkele stappen terug te gaan.

Naast de afhouding van het Avondmaal als een maatregel door de kerkeraad getroffen, is er namelijk ook de onthouding van het Avondmaal


1) Om het onderscheid tussen de eenvoudige én de voorlopige afhouding (of kleine ban) duidelijk aan te geven spreken Idzerd van Dellen en Martin Monsma in hun verklaring van de Kerkorde, in gebruik bij de Christian Reformed Church liever over een ‘simple debarment’ (d.w.z.: een eenvoudig beletten of weerhouden, nl. om aan het Avondmaal te gaan) dan over een ‘simple suspension’, vgl. The Church Order Commentary (derde druk van 1954), Grand Rapids, Michigan, pag. 314. En van dezelfde auteurs The revised Church Order Commentary (zesde druk 1973), Grand Rapids, Michigan, pag. 313.

|54|

als een eigen daad van de gelovigen.

We spreken nu niet over het droevige feit dat er nog altijd belijdende leden van de gemeente van Christus zijn, die toch de dood des Heren aan de tafel des Heren niet verkondigen, omdat zij menen dat zij vanwege hun subjectieve staat daartoe niet gerechtigd zijn. Hier is een schrijnende tegenstelling. Enerzijds wel de positie hebben van lid van de kerk van Christus, dat belijdend lid is. En waarvan ànders doen wij belijdenis dan van Gods genade voor ons in Christus? En anderzijds deze belijdenis niet als geloofshandeling voltrekken bij het gebroken brood en bij de beker van het Nieuwe Verbond. Nog altijd doen, de mystiek en de lijdelijkheid hier hun verwoestend werk. Dáártegenover mogen we de goede belijdenis van de Dordtse Leerregels stellen — in het laatste hoofdstuk over de volharding der heiligen — dat zoals het God belieft het werk van zijn genade door de prediking van het Evangelie in ons te beginnen, zo „bewaart, achtervolgt en volbrengt Hij het door het horen, lezen en overleggen daarvan, mitsgaders door de vermaningen, bedreigingen, beloften èn het gebruik der Heilige Sacramenten” 2). Hier, in déze onthouding van het Avondmaal, is een niet gehoorzaam zijn aan de roeping van God. Daartegen moet in prediking en ambtelijk vermaan stelling worden gekozen, opdat dit kwaad in zijn gunst tenslotte geheel zal zijn weggedaan.

Maar diezelfde prediking en datzelfde ambtelijk vermaan kan er toch ook wel toe leiden dat de gelovige zich onthoudt van de viering van de dood des Heren, opdat de tafel des Heren niet zal worden verontreinigd. Het Woord kan ons ontdekken aan onze zonden èn aan het niet gebroken hebben met die zonde, die wij toegang tot ons leven hebben gegeven en die zich in ons hart heeft genesteld. Ook als dat bij mensen niet bekend is, dan weet de Here het wel. Hij wil ons alleen in de weg van de bekéring in zijn gemeenschap en aan zijn tafel ontvangen. Maar als we die weg niet inslaan, dan dreigt Hij zelfs met de verzwaring van zijn oordeel, 1 Kor. 11, 29 en volgende. De nodiging tot de tafel gaat daarom in het formulier om het Heilig Avondmaal, te vieren dat bij de Gereformeerde Kerken in gebruik is, ook gepaard met een ‘terugwijzing’, zoals het bondig is geformuleerd in


2) Dordtse Leerregels V, par. 14, vgl. ook de waarschuwing tegen het scheiden van die dingen, „die God naar Zijn welbehagen heeft gewild dat te samen gevoegd zouden blijven” in IV, par. 17.

|55|

de uitgave van de formulieren door de generale synode van Hattem 1972. Een ‘terugwijzing’ van hen, die zich van hun zonden niet bekeren.

Het is ook mogelijk dat in het leven van een broeder of zuster een zaak is, die voorwerp moet zijn van ambtelijke vermaning en dat ook is geworden. Zonder dat er dan nog wordt gehandeld in het kader van de kerkelijke tucht, kan het goed en geboden zijn om de broeder die onwillig is om gehoor aan de vermaning te geven, aan te raden in deze situatie zich te onthouden van de tafel. Er laten zich ook wel andere situaties denken, waarbij zo’n advies terecht kan worden gegeven, bij voorbeeld, wanneer in een bepaald geding, waarbij de strafrechter is gemoeid, de onschuld van de broeder voor de kerkeraad wel vaststaat, maar de rechter nog niet tot een uitspraak is gekomen. Zoals in heel het ambtelijk werk, geldt ook hier, dat men wèl moet weten wat men doet en dat men dit advies niet mag misbruiken als een vlucht uit de moeilijkheden. Maar dat neemt niet weg dat de heiligheid van het Verbond de ambtsdragers tot dit advies kan brengen.

In dit geval gaat er van de ambtsdrager reeds een actie uit, het advies. Maar de beslissing blijft dan nog bij het lid van de gemeente liggen. De beslissing èn de verantwoordelijkheid. Maar de volgende stap — uit de aard van de zaak is de onderscheiding hier niet in chronologische, maar in logische zin bedoeld — is dat de kerkeraad voor een bepaalde viering van het Avondmaal zich genoodzaakt ziet een beslissing te nemen om de toegang tot het Avondmaal in een bepaalde situatie te ontzeggen. De roeping en bevoegdheid van de kerkeraad tot deze handeling heeft voor de gereformeerde kerken altijd vast gestaan. De eerste synode, die van Emden 1571, behandelt reeds een concreet geval van eenvoudige afhouding. Wanneer iemand tot zware, godslasterlijke zonde is vervallen of tot misdaden die door de overheid bestraft behoren, te worden, dan is het mogelijk dat hij „met woorden boetvaardigheid” betuigt. Hij zal dan toch van het Avondmaal worden afgehouden. Hoe vaak, dáárover zal de kerkeraad oordelen3). De


3) Emden, Acta, art. 32, vgl. F.L. Rutgers, Acta 16e eeuw, pag. 72.

|56|

synode van Dordrecht 1574 komt op deze kwestie nog weer terug4), terwijl de volgende synode, van Dordrecht 1578 voor hetzelfde geval als argumentatie geeft dat de ‘ergernis’ weggenomen moet worden en de oprechtheid van de boetvaardigheid moet worden bewezen5).

In deze zelfde tijd krijgt de particuliere synode van Schoonhoven 1579 te maken met de vraag van de broeders, die afgevaardigd zijn door de classis Gorcum, of een lid van de gemeente, die openlijk wordt beschuldigd „voor een dieff, schellem oft meinedigen” toegelaten zal mogen worden tot het Avondmaal vóórdat hij zich heeft verantwoord. De broeders van de synode oordelen dat de kwestie „generael” is, dat wil zeggen dat hierover eigenlijk een generale synode moet oordelen. Maar ze geven toch advies. Dat luidt als volgt: de kerk of de classis, waar dit voorvalt, zullen hem vermanen dat hij zich verantwoordt, en hangende de procedure zal hij volgens het oordeel (van de bevoegde instantie) een tijdlang van het Avondmaal afgehouden worden. Heel anders staat het er volgens de particuliere synode voor als de broeder zich niet wil verantwoorden. Dan „sal hij gants affgehouden worden” 6).

Hoewel de broeders van Schoonhoven van oordeel waren dat hier een kwestie aan de orde werd gesteld die van algemene betekenis was en dus door de generale synode behandeld behoorde te worden, heeft de generale synode die enkele jaren later, in 1581, samenkwam in Middelburg deze zaak toch niet in de Kerkorde opgenomen. De reden daarvan ligt voor de hand. Men heeft in Middelburg naar kortheid en bondigheid gestreefd, ook met het doel de goedkeuring van de Staten op de kerkorde te krijgen. Zo kan prof. F.L. Rutgers de Kerkorde van Middelburg 1581 terecht „de verkorte Dordtsche Kerkenordening” noemen. Daarmee doelt hij op de aan Middelburg vóórafgaande synode van Dordrecht 1578. „Er is slechts zeer weinig nieuws bijgekomen en er is integendeel betrekkelijk veel weggelaten” 7).


4) F.L. Rutgers, a.w., pag. 158.
5) F.L. Rutgers, a.w., pag. 260 v.
6) J. Reitsma en S.D. van Veen, Acta der provinciale en particuliere synoden (1573-1630), II, pag. 177. F.L. Bos geeft in zijn De orde der kerk, ’s-Gravenhage 1950, pag. 293, naast andere voorbeelden van simplex abstentio (eenvoudige afhouding) — besluiten door particuliere synoden, ook het grootste deel van de tekst van Schoonhoven.
7) F.L. Rutgers, a.w., pag.347.

|57|

Daardoor werd evenwel hetgeen door vorige synoden was besloten niet buiten werking gesteld, zoals uit de Handelingen van Middelburg zelf kan blijken8). Maar de ‘eenvoudige afhouding’ is toch nooit anders dan slechts op een enkel incidenteel en concreet punt aan de orde geweest bij de vergaderingen die werkzaam zijn geweest bij de constituering van het kerkverband. Als zodanig heeft het punt geen kerkordelijke behandeling gekregen. In deze tijd niet. Ook in later tijd niet.

Daarentegen kreeg het die aandacht wèl in de praktijk van de kerkregering. En ook in de kerkrechtelijke literatuur. Anton Walaeus handelt erover in het standaardwerk van de gereformeerde geloofsleer na de synode van Dordrecht 1618/1619, de Synopsis, bij de disputatie over de kerkelijke tucht. Gisbertus Voetius spreekt er breed over in het standaardwerk van het gereformeerd kerkrecht, de Politica Ecclesiastica9). Zonder de lezer met veel meer vindplaatsen te vermoeien, mogen we wel stellen dat deze lijn steeds is doorgetrokken tot in de gereformeerde kerkrechtelijke verhandelingen uit de 19e en 20e eeuw. F.L. Rutgers en H. Bouwman geven van hetzelfde gevoelen blijk als Walaeus en Voetius. Als voorbeeld van het vastleggen van de roeping en het recht van de kerkeraad in dezen verwijzen we nu alleen naar de Korte Verklaring van de Kerkorde door Joh. Jansen gegeven10).

We spreken over de zaak zèlf nog door. Het is echter van betekenis er op te letten dat hier bij het kerkrechtelijk geval van het kerkordelijk niet geregeld zijn van de ‘eenvoudige afhouding’ wèl het geheel eigen


8) Vgl. F.L. Rutgers, a.w., pag. 347, 348.
9) In de Synopsis puriosis theologiae, disp. XLVIII, 35, vgl. de door H. Bavinck verzorgde editie van 1881, pag. 584, 585 wordt op Emden en volgende synoden teruggegrepen. Maar Voetius handelt er breed over, Politica Ecclesiastica IV, pag. 859-861. Joh. Jansen heeft in zijn De kerkelijke tucht, Nijverdal (1913), pag. 230-234 een letterlijke vertaling van de behandeling van Voetius gegeven.
10) Joh. Jansen, Korte Verklaring, eerste druk 1923, pag. 330. Vgl. ook nog D. Nauta, Verklaring van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Kampen 1971, pag. 366. Nauta handelt hier over art. 108 van de nieuwe Kerkorde in gebruik bij de syn. Gereformeerde Kerken: „Maatregelen van tucht zullen niet genomen worden zonder voorafgaand grondig onderzoek en niet dan nadat de beschuldigde gelegenheid heeft gehad zich te verantwoorden”.

|58|

karakter van de gereformeerde kerkorde duidelijk naar voren treedt. Men heeft er nooit naar gestreefd regelingen voor alle vóórkomende zaken te maken en aan de kerken op te leggen. De gereformeerde kerkorde is geen reglementenbundel, waarin uitputtend alle gevallen behandeld worden en in alle eventualiteiten zoveel mogelijk wordt voorzien. Ze mag dat ook niet worden! In de soberheid van het aantal bepalingen ligt de kracht van de kerkorde. Ze is op deze wijze overzichtelijk. Niemand hoeft in een woud van bepalingen te verdwalen. Het is voor ieder mogelijk een overzicht van de gereformeerde kerkregering te krijgen. Veel is ook niet generaal synodaal geregeld, maar aan de wijsheid van de kerken overgelaten.

Dat betekent natuurlijk aan de andere kant dat men niet kan redeneren dat iets niet in de Kerkorde is opgenomen en dus niet rechtmatig zou kunnen plaatsvinden. De ‘eenvoudige afhouding’ is een voorbeeld van het tegendeel. Een sobere Kerkorde — dat betekent dat de gereformeerde kerkregering, ook in de bediening van de tucht, altijd weer haar kracht zal moeten zoeken in de Schrift-beginselen van de kerkregering (om een term te gebruiken van prof. Greijdanus). Alleen zó kan de Kerkorde op geestelijke en kerkelijke wijze worden onderhouden. Anders vervallen we snel tot legalisme en formalisme: de dood voor de kerk.

We spreken dus nog verder over de eenvoudige afhouding. De vroegere synoden stipten het onderwerp namelijk wel aan, maar men kon moeilijk zeggen dat ze op een bevredigende wijze hebben geformuleerd en geargumenteerd. Er is op dat punt in de kerkrechtelijke beschouwingen in de loop van de tijd gelukkig wèl een positieve ontwikkeling waar te nemen.

|59|

 

4.2. De functie van de eenvoudige afhouding.

In de vorige paragraaf wezen we er op, dat de kerkelijke vergaderingen in de 16e eeuw slechts in een enkel concreet geval, dat toevalligerwijs ter tafel werd gebracht tot de ‘eenvoudige afhouding’ hebben geadviseerd. Dit gold dan bij zware zonden en misdaden, waarbij wel met woorden boetvaardigheid werd betuigd, maar de oprechtheid van het berouw nog moest blijken en de ‘ergernis’ uit de gemeente nog moest worden verwijderd. Dan werd aangeraden om voor éénmaal of ook voor enige tijd af te houden van de viering van het Avondmaal, zonder dat dit een onderdeel was van de procedure van de kerkelijke tucht.

De strekking van dit advies is duidelijk genoeg. Evenwel, omdat het dat bepáálde geval van een zware zonde betrof, zou toch ongewild zich de mening kunnen vestigen dat het hier toch om een soort straf-maatregel zou zijn gegaan. Op dit punt had toentertijd naar mijn oordeel ook wel iets voorzichtiger geformuleerd kunnen worden.

Want men kende vroeger in de oude, christelijke kerk de stráf, ook bij gebleken boetvaardigheid, wel. De straf in de strikte zin van boetedoening. Maar dat was een rampspoedige ontwikkeling, die van het Evangelie van Jezus Christus vandaan voerde! De boeteling moest zélf zijn straf dragen in plaats van dat hij gewezen werd op de Christus die alle straf voor de zonde heeft betaald! Van hieruit is het verschrikkelijke boete-systeem van de Middeleeuwse kerk ontstaan. Daarmee mocht de reformatie juist radicaal breken.

Nu is in de concrete bepalingen over de ‘eenvoudige afhouding’, zoals we deze bij de synoden in de 16e eeuw vinden, zeker helemaal geen terugkeer naar dit boete-systeem te vinden. Maar de grens is hier nooit duidelijk genoeg te trekken, anders komt maar zó het Evangelie van de vrije genade en de schuldvergeving onder de schaduw van menselijke inzettingen en de kerk komt onder het juk daarvan.

Daarom is hier voorzichtige formulering een vereiste.

Terecht zegt Joh. Jansen 1) dat de rechtsgrond voor de ‘eenvoudige afhouding’ niet ligt in de hardnekkigheid van de zondaar (zoals bij de afhouding als onderdeel van de eigenlijke tucht), „maar in de roeping om voor de heiligheid van de tafel en de naam des Heren te waken”.


1) Joh. Jansen, Korte Verklaring K.O., pag. 330.

|60|

Men ziet dat deze ‘afhouding’ wél nauw verband houdt met de tucht als rechtelijke handhaving van de heiligheid van de gemeente Gods, terwijl ze er toch niet toe behoort: het ‘rechtelijke’, het ‘disciplinaire’ element ontbreekt.

Maar het verband is er wel!

De eenvoudige afhouding dient er dikwijls toe om aan de kerkeraad de ruimte te verschaffen in rust en goede bezonnenheid zich te beraden over de vraag of de tucht al dan niet toepassing moet vinden 2).

Stel dat er kort voor de viering van het Heilig Avondmaal zich een ernstig kwaad voordoet en bij de kerkeraad is een sterk vermoeden en zelfs een aanvankelijke overtuiging van schuld bij een bepaalde broeder, dan is het nog niet mogelijk in het kader van de tucht van het Avondmaal af te houden (de ‘kleine ban’). Maar als men daaruit zou concluderen: dan moeten we de broeder ‘z’n gang’ maar laten gaan, dán zou de kerkeraad ook te kort schieten in het heilig houden van de tafel van het Verbond. Hij zou trouwens ook zichzelf frustreren in het nakomen van de roeping om opzicht en tucht over de gemeente te houden.

In dit geval hoeft het niet te worden afgewacht of de broeder wellicht zichzelf zal onthouden. De kerkeraad kan en behoort zelf actie te nemen. De toegang kan belet worden óm als kerkeraad voor zichzelf de mogelijkheid te scheppen tot een wel-overwogen oordeel te komen. Wellicht zal zo’n maatregel op verzet stuiten. De kerkeraad zal dan ingetogen, terughoudend moeten spreken. Hij heeft immers nog niet meer dan een sterk vermoeden van schuld. Hij past ook geen disciplinaire maatregel toe. Maar er behoort hier wel gepaste vastberadenheid te zijn, terwille van de goede voortgang van het werk. En als bij de broeder die het betreft de eerbied voor de heiligheid van God en van zijn gemeente door het geloof leeft, dan zal hij, hoe pijnlijk de maatregel ook is, die toch zelf ook weten te billijken. Ook in het geval tenslotte zou blijken dat hij in de aanhangige zaak een vrij geweten heeft. Want het gaat in de gemeente niet om de persoonlijkheid van de gelovige als zodanig. Het gaat om de Here en zijn gemeente en om het heilig Verbond.

Het hier door ons iets breder behandelde geval heeft als tegenhanger het geval dat een gecompliceerde tuchtzaak kort voor de viering van


2) Vgl. ook D. Nauta, a.w., pag. 366.

|61|

het Avondmaal tot een principiële en positieve oplossing zou komen, maar de tijd zou ontbreken om in rust weloverwogen tot beëindiging te komen. Ook dan gaat het er om de goede ruimte voor de kerkeraad als college van opzicht en tucht te scheppen.

Hetzelfde is het geval, wanneer in een twistzaak moet worden geoordeeld, waarbij onderscheiden broeders en zusters zijn betrokken. Het kan dan nodig zijn, terwille van de rechtvaardige en weloverwogen uitspraak en rechtspraak, voorshands alle betrokkenen te beletten het Avondmaal te vieren.

Het is nu in feite ook in dit kader dat de gevallen aan de orde kunnen komen die de aandacht hebben gehad van de kerkelijke vergaderingen in de 16e eeuw.
Wanneer een broeder leed betuigt over zijn zonde, waarover de kerkeraad hem heeft vermaand en zelfs onder de tucht heeft geplaatst, dan geldt uit de aard van de zaak de belofte, waarvan David in Ps. 32 spreekt:

Mijn zonde maakte ik U bekend
en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet;
ik zeide: ik zal de HERE mijn overtredingen belijden,
en Gij vergaaft de schuld mijner zonde. (vs. 5, vgl. 2 Sam. 12, 13)

Maar we mogen niet lichtzinnig met die belofte omgaan! Het gaat er niet alleen om leed over de zonde te betuigen, maar ook te bewijzen. De betuiging moet oprecht zijn en kan zo alleen aanvaard worden.

Daarom is de Schriftuurlijke regel:
Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar wie ze belijdt en nalaat, die vindt ontferming. Spr. 28, 13.

Nu kan de aard van een zonde meebrengen dat een kerkeraad ook moet zien, moet kunnen constateren dat metterdaad met de zonde is gebroken.

Een zonde kan meebrengen dat het berouwvolle woord makkelijk wordt uitgesproken, maar dat de wil in de strijd tegen de verzoeking zó is verzwakt dat de zonde weer de overhand krijgt en dat even gemakkelijk als het woord van berouw wordt uitgesproken, men in de daad van de zonde terugvalt. De boetvaardigheid moet met woorden betuigd en met de wandel worden bewezen. Dan kan het zaak van geboden wijsheid zijn, dat de kerkeraad wèl van de tucht ontslaat — er is dus geen afhouding meer als disciplinaire maatregel maar dat vooralsnog de toegang tot het Avondmaal wordt belet. Ook in zo’n geval

|62|

zal bij rustige, pastorale begeleiding in de meeste gevallen deze maatregel, hoe verdrietig ook, gebillijkt kunnen worden door de betrokkenen. Er is dan toch óók de vreugde dat hij voor ogen ziet en aan de lijve ervaart dat de kerkeraad waakt voor de heiligheid van de gemeente, die van Gód is! Het is wel noodzakelijk hier tegen het gevaar van wetticistisch misbruik van deze maatregel te waarschuwen.

Zó is ook te spreken over een eventuele noodzaak tot ‘eenvoudige afhouding’ opdat de aanstoot uit de gemeente zal worden weggenomen. Ook al past hier m.i. zeker meer voorzichtigheid dan uit de formuleringen van de vroegere synoden blijkt, de zaak blijft wél staan.

Over aanstoot of — om het oudere woord te gebruiken — ‘ergernis’ zullen we in het kader van de behandeling van de tucht nog wel breder hebben te spreken. We merken nú alleen op dat over heel de linie (dus óók bij de zgn. eenvoudige afhouding) het misverstand moet worden opgeruimd als zou ‘ergernis’ in dit verband zo iets betekenen als ‘irritatie’. Een kerkeraad kan moeilijk omdat op de één of andere manier en om de een of andere reden de gemeente in een toestand van geïrriteerdheid is geraakt, een broeder of zuster maar van het Avondmaal weren. De gemeente kan bezwaarlijk in al haar irritaties ontzien worden. Zij behoort geëerbiedigd te worden in haar heiligheid. En dat is wél iets anders! We zullen ‘ergernis’ in deze gevallen altijd moeten blijven nemen in de zin van: dat wat een aanstoot is, nl. een aanstootsteen op de weg van de gemeente, zó dat iemand erover kan vallen en zelf tot zonde kan komen. Zo dringt Paulus in Rom. 14, 13 tot het oordeel: de broeder „geen aanstoot of ergernis te geven”.

Nu is de kerkeraad geroepen om niet slechts een bepaald geval, dat hem wordt voorgelegd te beoordelen, zoals de wereldlijke strafrechter. Die kerkeraad heeft tegelijk het geheel van de gemeente te leiden. De kerkeraad heeft niet alleen het oog te hebben op het ware heil van één broeder, maar tegelijk te waken voor het behoud van de hele gemeente. Zo kan zich het geval voordoen, dat een broeder wèl met goede woorden boetvaardigheid betuigt, maar dat hij die boetvaardigheid vóórdat in het midden van de gemeente de tafel zal worden aangericht, in zijn levenswandel nog niet heeft laten zien. Zou nu in dit geval de kerkeraad — zelf overtuigd van de ernst, de waarheid van de schuldbelijdenis — de broeder onmiddellijk weer toegang tot het Avondmaal geven, dan zou daardoor in de gemeente maar al te gemakkelijk de gedachte kunnen postvatten, dat de zonde door de

|63|

vingers wordt gezien en niet serieus wordt genomen. Zo kan die zonde als een aanstootsteen in de gemeente gaan functioneren. Ook hij, die de weg van de bekering gaat, juist hij, zal weer eens temeer zelf ook de gemeente als de heilige gemeente Gods in het oog krijgen en dus weten dat de kerkeraad zijn roeping volbrengt ook in het treffen van pijnlijke maatregelen.

Er zouden natuurlijk meer voorbeelden zijn te noemen. Maar het gaat ook ons niet om een uitputtende reeks, die toch ook niet is op te stellen. Het gaat erom het recht van de eenvoudige afhouding te vindiceren en de functie ervan in het licht te stellen.

Men zal dan ook verstaan dat het beroep dat wel is gedaan op 1 Thess. 5, 22, dat in de Statenvertaling luidt: „Onthoudt u van alle schijn des kwaads”, niet terecht is 3). En dat zeker ook omdat de nieuwere vertaling, o.m. te vinden in die van het Nederlands Bijbelgenootschap: „Onthoudt u van alle soort van kwaad” wel de voorkeur verdient.

Dat neemt niet weg dat de oudere vertaling — ook al is het geen juiste weergave van het voorschrift van Paulus aan de gemeente — wel degelijk een goede zin heeft. Men moet hier niet pressen met een opmerking als: je kunt immers nooit alle schijn vermijden. Wie op vriendschappelijke voet omgaat met dief en diefjesmaat onthoudt zich niet van de schijn van de zonde tegen het achtste gebod. Hij moet niet verwonderd zijn, als hij op het kwaad zelf wordt aangezien. De wereldlijke politie is dan op haar hoede. De ambtsdragers mogen het ook zijn en zíj mogen vermanen om een afkeer te hebben „zelfs van het kleed dat door het vlees bevlekt is”, Jud., 23.

Maar dan hebben we te doen met een levenswandel die voorwerp van ambtelijke vermaning is. Afgedacht van de vraag of en wanneer hier met de tweede sleutel, die van de tucht, moet worden gehandeld, is het duidelijk dat het instrument van de niet-disciplinaire eenvoudige afhouding van het Avondmaal hier niet aanwendbaar is.

Bij de behandeling van de tucht over de ambtsdragers is de ‘eenvoudige afhouding’ ook uit de kerkrechtelijke litteratuur bekend. Zowel Voetius als Jac. Koelman in zijn populaire verhandeling over Het ambt en de pligten der ouderlingen diakenen achten een soort maatregel ook gewettigd in toepassing op de ambtelijke dienst of op


3) Zoals de particuliere synode van Amsterdam, 1601 deed, vgl. F.L.Bos, a.w., pag. 294.

|64|

bepaalde delen daarvan, zoals de catechisatie, het ziekenbezoek, de prediking. Hier vermelden we die zaak alleen als illustratie van het feit, hoe menens het de gereformeerde vaderen bij de behandeling van dit onderwerp was!

Kamphuis, J. (1982) Hst. 5

|65|

5. De kerkeraad als kerkelijk gerecht

 

5.1. Verband met het voorafgaande.

Nadat we in voorafgaande paragrafen over het voorbereidende stadium van de kerkelijke tucht, dat in de broederlijke vermaning naar Matt. 18, 15.16 bestaat, hebben gesproken, zijn we nu toe aan een bespreking van de kerkelijke tucht zoals die door en onder de leiding van de kerkeraad wordt uitgeoefend.

Er is een duidelijk onderscheid tussen het voorbereidend stadium en de eigenlijke uitoefening van de tucht.

Dit onderscheid is het duidelijkst aan te geven door erop te wijzen dat we bij de bestraffing van een niet-openbare zonde met broederlijke vermaning hebben te doen waar als zodanig geen rechtseffecten aan verbonden zijn, ook niet als de zondigende broeder niet luistert en de vermaning voortgaat (ook in de intensiteit ervan) onder en met behulp van één of twee getuigen. In de broederlijke omgang kan nooit de toegang tot het Heilig Avondmaal worden ontzegd en kunnen ook nooit andere rechten (zoals het actieve of ook het passieve stemrecht, het aangaan van stipulaties bij de doop van een kind) opgeschort of ontnomen worden. Alleen de kerkeraad, als het college van opzicht en tucht is bevoegd rechtsgevolgen aan zijn bestraffingen te verbinden, wanneer er geen gehoor aan wordt gegeven.

Maar dit onderscheid mag niet overspannen worden!

We moeten er op letten, hoe de voortgaande tuchtoefening als het ware ligt ingebed in het geloofsleven van heel de gemeente, inzonderheid als het naar de afsnijding toegaat, dat is dus in het laatste stadium van de christelijke tucht. Dat zal nog verder onze aandacht krijgen. Maar in het eerste stadium is de verhouding tussen het werk van de kerkeraad en de onderlinge omgang in de gemeente — een omgang gestempeld door het geloof en door de Geest des Heren! — niet minder wezenlijk.

We zien dat heel duidelijk in Matt. 18.

Voor we daar op ingaan, eerst een vóór-opmerking over de plaats van dit hoofdstuk in de geschiedenis van de openbaring en van het heil.

Er is hier nog niet sprake van de kerkeraad als het college van de gezamenlijke oudsten, die later, omdat zij een college vormen, op hun gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor heel de gemeente

|66|

worden aangesproken, Hand. 20, 28, 1 Petr. 5, 1.2, zoals ook nadrukkelijk over dit college wordt gesproken, 1 Tim. 4, 14. Maar dat dit in Matt. 18 niet het geval is hoeft ons niet te verwonderen in deze periode van de heilsgeschiedenis. Het is in Matt. 18, 17 de tweede keer dat over de gemeente wordt gesproken in het Nieuwe Testament. De eerste keer is in Matt. 16, 18. waar Christus in antwoord op de belijdenis van de apostelen bij monde van Petrus de belofte spreekt: „op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen”. Christus ziet in de kring om Hem heen, die zich gaat aftekenen tegenover de afvallige Joden — de kring die Hem erkent als „de Christus de Zoon van de levende God”, Matt. 16, 16, de voortzetting van het volk en de gemeente Gods onder de bedéling van het Oude Verbond. Deze gemeente is erfgename van alle beloften, alle titels en alle rechten van het Israël van de twaalf stammen, vgl. Jac. 1, 1.

Maar de Christus staat in Matt. 16 en 18 nog maar aan het begin van de vergadering en de ‘constituering’ van deze gemeente, zoals die zal plaats vinden, opdat die gemeente zal kunnen functioneren als „lichaam van Christus”, 1 Kor. 12, 12.20; als woonstede Gods in de Geest, Ef. 2, 21. Hij hééft al wel een beslissend begin met de ‘instrumentering’ van zijn gemeente gemaakt in de uitverkiezing van de twaalf apostelen, Matt. 10, 1-4. Maar zolang Hij op aarde is zijn zij nog meer ingeschakeld in zijn werk in dit stadium, nl. het appèl dat tot het volk van het Verbond in de volheid van de tijd uitgaat om Hem als de Messias Gods te erkennen. Zodra de Heiland verhoogd is, zien we het apostolaat echter al dienstbaar zijn in de functionering van de gemeente als wèl-samenhangend geheel, vgl. Hand. 1, 13-26. In Matt. 18 is er nog niet meer dan het prille begin van de nieuw-testamentische gemeente, zodat er nog niet wordt gesproken in het raam van latere differentiëring.

Wanneer we nu zo het voorschrift van de Here met betrekking tot de voortgang van de tucht in Matt. 18 bestuderen, valt het op hoe nauw de band is tussen het vermaan zoals het tussen broeders plaats vindt én de rechtshandeling die ‘de gemeente’ bij onbekeerlijkheid voltrekt: het stellen buiten de kring van de broederschap: „hij zij u als de heiden en de tollenaar”, Matt. 18, 17.

Er wordt in dit hoofdstuk niet de onderscheiding gemaakt die onze Kerkorde van meetaf hanteert, nl. die tussen de zogenaamde geheime

|67|

én de openbare, aanstootgevende zonden 1). Ook dat spreekt vanzelf. Het gaat de Heiland niet om een systematische behandeling van de ‘kerkelijke tucht’. In aansluiting aan zijn onderwijs in het verhaal van het éne verdwaalde schaap uit een kudde van honderd, Matt. 18, 12-14, zegt Hij hoe het nu in zijn gemeente heeft toe te gaan als één van de broeders uit de kring in zonde valt en een ander ziet dat. Dan wil de Vader die in de hemelen is, niet dat die zondigende broeder verloren zal gaan. De zonde wordt dus niet ruchtbaar gemaakt, maar wel bestraft, opdat de broeder ‘gewonnen’ zal worden en de vreugde over het verloren maar weer bij de kudde terug gebrachte schaap, vers 13, het hart zal vervullen.

Vanuit die gezichtshoek komt dan de vraag op: maar hoe moet het nu als de broeder niet wil luisteren? Nu, dan (zo hebben we vroeger al gezien) wordt het vermaan geïntensiveerd doordat er nog één of twee broeders bij worden geroepen en aan het vermaan deelnemen.

Maar laten we erop letten dat deze broeders die erbij worden geroepen door Christus met een beroep op de rechtspraak onder Israël ‘getuigen’ worden genoemd tesamen met de eerste broeder die vermaand heeft. Hij moet in de voortgang van het vermaan ‘één of twee’ meenemen. Zeker, het is om hen deel te geven aan het vermaan, zoals uit het begin van vers 17 blijkt. Maar bij onbekeerlijkheid zijn er nu (de eerste broeder samen met de één of twee erbij geroepenen) ‘twee getuigen of drie’. Dan gaat de rechtsregel van Deut. 19, 15 ook in de nieuw-testamentische gemeente dóór: „op de verklaring van twee of drie getuigen zal een zaak vaststaan”. Zó wordt dan de zaak aan ‘de gemeente’ overgedragen!

Dan spreekt de Christus vervolgens ook niet over een nader rechtsonderzoek door ‘de gemeente’ of door het haar leiding gevende college, alsof nú pas ‘de zaak’ echt een aanvang neemt of nog sterker: alsof er nu pas ‘een zaak’ zou zijn. Nee, de zaak ‘staat vast’. En zó gaat nu de behandeling door ‘de gemeente’ verder in vermaningen en bij volharding in het geen gehoor geven tenslotte in de afsnijding.

Als we het voorschrift van Matt. 18 zorgvuldig overwegen, doen we eigenlijk een verbazingwekkende ontdekking. Het is bij de christelijke tucht niet de kerkeraad, het zijn niet de ambtsdragers die we als eerste in het vizier krijgen. We zien binnen de kring om Christus heen,


1) Kerkorde, artikelen 73 e.v.

|68|

wanneer daar de zonde zich verheft, een broeder op pad gaan. En dan later een paar broeders. En zij vermanen en bestraffen in liefde, om te behouden. Maar is het anders, dan wordt zó, in déze weg de rechtshandel geopend, die voltrokken wordt door ‘de gemeente’. Het is te zwak uitgedrukt, wanneer het ‘elke zaak vaststa’ door Herman Ridderbos in de Korte Verklaring alleen wordt betrokken op het vermaan dat binnenskamers reeds is uitgegaan. Z.i. moeten er één of twee broeders bij geroepen worden opdat „wanneer de zondaar zich niet laat gezeggen en de zaak straks voor de gemeente moet worden gebracht. vs 17. er geen twijfel mag bestaan ten aanzien van hetgeen reeds binnenskamers werd verhandeld. In dien zin moet hier ook de uitdrukking elke zaak geïnterpreteerd” 2).

Het spreekt vanzelf dat ook daaraan geen twijfel mag bestaan. Maar dat is toch slechts één element van het gehéél van ‘de zaak’, zoals ‘de gemeente’ die voorgelegd krijgt. ‘De zaak’ die vast moet staan op het getuigenis van twee of drie, is de zonde én het vermaan dat is uitgegaan én de onbekeerlijkheid tegenover dat vermaan én de voortgang in de vermaning én de voortgaande onbekeerlijkheid. Met dat complex krijgt ‘de gemeente’ te maken en daarop gaat zij nu verder in.

De opbouw van de Kerkorde (waarin naast de geheime zonden ook de openbare, aanstootgevende zonden worden genoemd) is niet anders. In de artikelen 73 en 74 wordt over de broederlijke vermaning gesproken, die uitloopt (wanneer er geen gehoor aan wordt gegeven) op het ‘meedelen’, het ‘aangeven’ (volgens de oude redactie van de Kerkorde) aan de kerkeraad. Dan gaat in artikel 76 de lijn van de tucht, zoals die nu in de handen van de kerkeraad is gekomen, ‘gewoon’ door: „De kerkeraad zal de toegang tot het Avondmaal van de Here ontzeggen aan hem, die de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt .…” (over het er tussen geplaatste art. 75 over schuldbelijdenis bij bekering spreken wij nu niet).

Metterdaad — de band tussen het zogenaamde voorbereidende stadium van de kerkelijke tucht én de eigenlijke uitoefening van de tucht is wel héél nauw. Het is een lévensband!

We mogen daarom ook wel concluderen dat een christelijke tuchtoefening door de kerkeraad alleen waarlijk mogelijk is wanneer deze levensband functioneert. Een gemeente die, ook al heeft ze de naam dat ze leeft (alles is in orde en loopt geolied), in de werkelijkheid


2) Herman Ridderbos, Korte Verklaring Mattheus II, pag. 46.

|69|

dood is (vgl. Openb. 3, 1, het Woord des Heren aan Sardes, één van de zeven gemeenten, die ten voorbeeld staan voor alle gemeenten van alle tijden!) zo’n gemeente moet niet verwachten dat de tucht toch nog wel door het college van de kerkeraad gehandhaafd zal worden, waardoor het derde kenmerk van de ware kerk naar art. 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis toch nog wel bij haar gevonden wordt en zal kunnen blijven. Zo’n gemeente moet vooral niet een grote mond opzetten als de kerkeraad ook blijkt te falen. Zo’n gemeente moet tot bekéring komen, Openb. 3, 3, opdat in die weg dat wat dreigt te sterven, versterkt zal worden.

Een tweede conclusie is dat, wanneer een zaak wordt aangebracht aan de kerkeraad als een aanvankelijk verborgen zonde, maar waarin de broeder in onbekeerlijkheid zich verhardt, het ‘vragen of de weg van Matt. 18 bewandeld is’, nooit tot een formaliteit mag verworden of mag verschrompelen tot een administratieve vaststelling. Een kerkeraad die op de weg van Matt. 18 met een ‘zaak’ te doen krijgt, mag en moet vragen dat deze zaak ‘vast staat’. Alleen in deze weg is een geestelijke behandeling in het rechterlijke kader mogelijk. Alleen zó ontvangen de disciplinaire maatregelen, zo ze getroffen moeten worden, een werkelijke draaggrond in de vóórafgaande vermaningen, waarin de levende God tot het hart van de broeder heeft willen komen.

Er moge hier tenslotte een misverstand worden afgesneden. De kerkeraad is, indien hij met een zaak wordt geconfronteerd in de weg van Matt. 18 natuurlijk niet aan passiviteit uitgeleverd. Hij is niet slaafs gebonden aan wat ‘twee of drie getuigen’ naar voren brengen, zonder dat hem controle geoorloofd zou zijn. Dan zou de intrigue, de kwade samenspanning in de kerk van enkelen tegen één vrij spel hebben. De eis van het wederhoor geldt ook in dit geval. En dan is er metterdaad de mogelijkheid dat enkelen in de gemeente in kwáde trouw elkaar hebben gevonden tegen de rechtvaardige in de gemeente. Hier is te denken aan Ps. 27, 12, ook aan de opvallende overgang van meervoud naar enkelvoud en omgekeerd in Davids klacht over de ontrouwe ‘vriend’ in Ps. 55, 10-16 en aan het schijnproces dat Izebel tegen Naboth aan laat spannen, 1 Kon. 21 , vooral de verzen 10 en 13. En voor wat het Nieuwe Testament terecht aan de valse getuigen die tegen de Christus werden ingehuurd, Matt. 26, 61, door de leiders van de Joden om het proces tegen Hem een schijn van recht te geven.

De kerkeraad heeft dus een zelfstandige positie, een eigen

|70|

onvervreemdbare en niet overdraagbare verantwoordelijkheid tegenover de levende God.

Dat wil het voorschrift van Matt. 18 ook niet ontkennen, evenmin als de Kerkorde dat wil doen, wanneer art. 76 direct aansluit voor wat de vermaningen betreft bij het slot van art. 74.

Maar tot opscherping van ons aller geloofsgehoorzaamheid in de gemeente van Christus, de „stad van de levende God”, Hebr. 12, 22, worden we geconfronteerd met de éénheid van Gods appèl op een dwalend mensenhart, zoals dat appèl door de dienst van de gemeente uitgaat ván de eerste vermaning tot aan de laatste handeling van de afsnijding van de gemeente. 

|71|

 

5.2. Eigen plaats en aard van het kerkelijk gerecht.

De kerkeraad, het college van de ‘oudsten’, de ‘opzieners’ (episkopen) over de gemeente, is geroepen in een zaak die in de goede weg hem wordt voorgelegd, recht te spreken. Die kerkeraad heeft de roeping en de bevoegdheid een kerkelijk vonnis te vellen in de hantering van wat in Heidelbergse Catechismus, Zondag 31 de tweede sleutel van het Koninkrijk der hemelen wordt genoemd.

We spreken over een kerkelijk vonnis en over geestelijke rechtspraak, zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis in dit verband over “geestelijke orde” spreekt 1), die ook daarin bestaat dat „de overtreders op geestelijke wijze gestraft en in de toom gehouden” worden (art. 30).

Er is wel eens gesteld dat in de tegenwoordige tijd dergelijke karakteriserende bijvoeglijke naamwoorden wel kunnen worden weggelaten en dat dan de belijdenis niets aan duidelijkheid verliest 2).

Wij menen dat dit onjuist is. Het laten vervallen van deze elementen zou onder meer een verarming van de belijdenis aangaande de regering van de kerk betekenen, een zelfs bedenkelijke versmalling van haar inhoud.

We wijden graag een afzonderlijke paragraaf aan de toelichting op deze stelling.

Het is wel waar, dat Calvijn in zijn omstandigheden — evenals Guido de Brès en de opstellers van de Kerkorde — een heel onmiddellijke aanleiding had om overduidelijk te stellen, „dat deze geestelijke macht, nl. van de kerkelijke rechtspraak, geheel gescheiden behoort te worden gehouden” 3).

Welke aanleiding was dat?

Om een lang verhaal kort te houden: het Middeleeuwse pausdom was op twee punten een ramp voor heel de christenheid geworden. In de eerste plaats had men hoe langer hoe meer alle kerkelijke macht geconcentreerd in de zogenaamde geestelijkheid, de clerus, die hiërarchisch geordend was en het volstrekte centrum, de absolute top in de


1) ‘Politie’ heeft de oorspronkelijke redactie i.p.v. ‘orde’. Die term heeft hier de betekenis van het geheel van verordeningen, waardoor een gemeenschap wordt bestuurd, vgl. J. Verdam, Middelnederlandsch Handwoordenboek onder Police. ‘Geestelijke politie’ is dus weer te geven met kerkelijke orde.
2) Vgl. C. Vonk, De Voorzeide leer IIIb, Barendrecht 1956, pag. 151.
3) Vgl. J. Calvijn, Institutie IV, 11, 5.

|72|

bisschop van Rome had gevonden, die zich als heerser over heel de christelijke kerk aanstelde.

Wanneer in de eeuwenlange strijd tussen de paus van Rome en de Duitse keizer, die door heel de Middeleeuwen heentrekt, de paus pretendeerde dat hij tegenover de keizerlijke machtsaanmatiging voor de vrijheid van de kerk opkwam, dan is daarin zeker nog altijd een herinnering te horen aan de wettige strijd die de oude kerk voor haar vrijheid heeft gevoerd tegenover de keizer van het Romeinse rijk. Hier kan worden gedacht aan figuren ais Athanasius, voorganger in Alexandrië en aan Ambrosius in Milaan die ook tegenover de dreiging van de hoogste wereldlijke macht zijn opgekomen voor het gezag van de christelijke leer en de heiligheid van het christelijk tucht-recht.

Maar méér dan een herinnering is het in de Middeleeuwen toch niet! Onder het vaandel van de vrijheid en zelfstandigheid van de kerk strijdt de paus voor zijn eigen machtsvolkomenheid als de enige en de legitieme herder van de ganse christenheid. Dat was de eerste ramp, waardoor de vrije christenen en de vrije kerken werden geknecht.

Daar kwam een tweede ramp bij.

Deze ‘herder van de ganse christenheid’ beeldde zich ook in dat hij terwille van zijn kerkelijke positie wereldlijke macht moest bezitten. Vandaar de kerkelijke staat in midden-Italië, waar de huidige ministaat Vaticaan-stad nog altijd een vitaal overblijfsel van is. Maar ook hier was er in het afvallige denken een dynamische ontwikkeling. De paus pretendeerde niet alleen souvereine macht te hebben zoals andere vorsten die ook over kleiner of groter gebied uitoefenden. In feite werd hoe langer hoe meer de pauselijke leer dat de beschikking zowel over de geestelijke als over de tijdelijke macht toekomt aan de kerk en dat wil dus weer zeggen: aan het hoofd van de kerk, de paus als stedehouder van Christus. De uitoefening van de tijdelijke macht kan in handen van aardse souvereinen worden gelegd, maar zij zijn toch altijd aan de opperhoogheid van de opvolger van Petrus onderworpen 4).

Het kon natuurlijk niet anders of tegen deze gruwelijke machtsaanmatiging moesten de wereldlijke overheden wel in verzet komen. Het


4) Het is de zogenaamde ‘leer van de twee zwaarden’, die paus Bonifatius VIII (1294-1303) op een in het jaar 1302 te Rome belegde synode zonder enige terughouding liet formuleren in de beruchte bul Unam Sanctam.

|73|

leven zélf kwam in verzet tegen deze brutale knechting door een clerus die de mond vol had van schone woorden als ‘dienst’ en ‘dienstknecht‘ — de paus noemde zich zelfs de slaaf van de slaven van God, de allernederigste slaaf (‘servus servorum dei’, nog altijd de officiële titel van de paus!) — maar een clerus die ondertussen zich in een wereldlijke machtsaanmatiging te buiten ging. De kerk ver-wereld-lijkte met haar pretenties van wereldlijke macht.

Het verzet hiertegen was volkomen gewettigd.

Maar zoals paus en curie totalitair dachten en geen ruimte hadden voor méér dan één soort gezagsdragers, zo deden het de Duitse keizer en zijn (vaak: theologische) adviseurs niet minder. De paus annexeerde in de grond van de zaak de wereldlijke macht voor de kerk (lees: voor zichzelf als kerkelijk opperhoofd), de keizer van zijn kant annexeerde de kerkelijke macht voor zich. Alleen onder één souverein die over alle leven zijn bevoegdheid uit kon en mocht strekken, kan het christelijk leven in veiligheid en vrede worden geleefd. Niet de paus, maar de keizer was het natuurlijk hoofd der christenheid en de paus was feitelijk aan hem onderworpen. Er was wel in bepaalde omstandigheden een kerkelijke gezagsuitoefening denkbaar, maar ondergeschikt aan de wereldlijke souvereiniteit.

Zo werd een tweede, totalitaire machtsaanspraak geboren, die haar wortels trouwens heel diep had zowel in de gedachten die het Romeinse wereldrijk beheersten als in germaanse gedachten over de éénheid van de stam en van het leven in de stam onder de hertog of de koning, of de keizer.

Tegen deze machtsaanmatiging móest de kerk in verzet komen. Maar dat dit gebeurde in de vorm van de strijd van de paus om zijn eigen macht, dat is de vergiftiging, de verleugening van de kerkelijke strijd door heel de Middeleeuwen heen geweest.

En wanneer in de late Middeleeuwen de oppositie tegen de pauselijke machtsaanspraken tot een systematische afronding komt, dan is men konsekwent in de oplossing geworden: de kerk is tak van staatsdienst geworden. Het kerkelijk leven is niet meer dan de religieuze kant van het volksleven dat onder de souvereiniteit van de wereldlijke overheid staat.

Wanneer dan de reformatie doorbreekt en in het Duitse rijk en daarbuiten (bijvoorbeeld in de Zwitserse kantons en steden en in de Nederlanden) ook onder de overheden aanhang krijgt, dan kiest men

|74|

binnen het alternatief dat de Middeleeuwen nooit hadden overwonnen. Dat wilde in concreto natuurlijk zeggen dat men het kerkelijk leven inkaderde in het geheel van het leven van stad, provincie, gewest, rijk en aan dit leven geen eigen vrijheid gunde, maar het in dienstbaarheid hield. Ook als de vrijheid van de prediking tot op zekere hoogte werd erkend, dan toch in ieder geval niet de vrijheid van de kerkregering en van de kerkelijke rechtspraak, de uitoefening van de tucht!

Daar staat dan in een korte schets de situatie voor ons, waarin Calvijn in Genève en waarin iets later de gereformeerden in de Nederlanden zich hebben gegeven aan de ontzaglijk-zware opdracht om de strijd voor de vrijheid van de kerk te voeren en voor haar bevoegdheid om op haar terrein en met haar middelen te regeren en rechtspraak te oefenen.

Waarom was die opdracht zo ontzaglijk zwaar?

Omdat tegen de achtergrond van duizend jaar Middeleeuwen het misverstand natuurlijk bijna onuitroeibaar was dat die ‘calvinisten’, die ‘gereformeerden’ toch eigenlijk niet anders wilden dan wat de paus en de zijnen steeds hadden getracht te bereiken: de opperhoogheid van de kerk over de staat.

Waarom kon men geen genoegen nemen met de mogelijkheid om in alle vrijheid het Woord Gods te prediken? Waarom kon men niet zoals Luther dat in Duitsland had gedaan en op zijn wijze toch ook Zwingli in Zürich de regering, inclusief de rechtspraak, overlaten aan de stedelijke overheid of de wereldlijke vorst? Waarom moest er zo nodig naast het stadsbestuur, (de stedelijke senaat) een kerkeraad (een kerkelijke senaat) zijn? Dat waren toch eigenlijk pauselijke allures?

Wanneer in de 16e eeuw in de stad Utrecht een pastoor, bij name Hubert Duifhuis, tot reformatie van de prediking komt, maar de zaken van bestuur en rechtspraak aan de stedelijke overheid laat, dan is dat voor vele ‘politieken’ het ideaal. En als dan de gereformeerden in diezelfde stad daar geen genoegen mee nemen en tenslotte komen tot een eigen kerk-instituering, ook tegenover Duifhuis, dan krijgen deze gereformeerden de bijnaam: ‘consistorialen’. Duifhuis had geen kerkeraad, geen consistorie. Maar die gereformeerde drijvers wél! Wat voerden ze toch in hun schild? Zou het geen staatsgreep worden? Zoals de paus het zo dikwijls had geprobeerd. In dat ‘consistorialen’ kan

|75|

men dit verwijt ook horen! Het betekende maar niet alleen: de mensen die in onderscheid met anderen een kerkeraad hebben. Het betekent tegelijk: zoals de paus zijn macht uitoefent door middel van zijn kardinalen, tesamen vergaderd in het ‘pauselijk consistorie’, zo zijn die gereformeerden op plaatselijk niveau bezig de oude, pauselijke expansie-zucht weer bot te vieren.

Calvijn heeft tegen dat taaie misverstand en deze even hardnekkige oppositie in Genève een levenslange strijd moeten voeren, zoals de gereformeerden in de Nederlanden hier keer op keer zich voor de onontwijkbare roeping gesteld wisten.

Maar daarom was er hen ook alles aan gelegen om aan volk en overheden duidelijk te maken dat een christelijke gemeente met een kerkeraad en met de handhaving van de christelijke tucht niet een staat in de staat vormde. Vandaar die nadrukkelijke scheiding die Calvijn maakt tussen de geestelijke macht van de kerkelijke rechtspraak én het recht van het zwaard in de door ons van hem aangehaalde uitspraak uit de Institutie. Vandaar ook dat onze Kerkorde, wanneer ze begint te handelen over de kerkelijke vergaderingen allereerst het terrein afbakent, waarop die vergaderingen mogen opereren; alleen kérkelijke zaken (art. 30). En die mogen dan niet behandeld worden op een manier die vreemd is aan de kerk (bijvoorbeeld door middel van bestuurlijk voorschrift als in de wereld van de ambtenaren of door middel van het bevel als in het leger), maar alleen op kérkelijke wijze door middel van broederlijke besluitvorming. En wat in het algemeen in art. 30 is gezegd, keerde in de vroegere redactie van de Kerkorde nadrukkelijk terug bij het begin van de behandeling van de kerkelijke tucht als christelijke en geestelijke straf in onderscheid met het vonnis van de overheid 5).


5) Over het diepingrijpend conflict over het eigen recht van kerk en kerkeraad (in het algemeen de kerkelijke vergaderingen) in onderscheid tot de bevoegdheid van de wereldlijke overheid, zoals dat conflict in de Nederlanden zich heeft afgetekend voor en ten tijde van de synode van Dordrecht 1618/1619, in de strijd dus tussen de contra-remonstranten én de remonstranten, die de ‘politieken’ met hun staatskerkelijk denken in het gevlei kwamen, moge ik naar twee studies van eigen hand verwijzen (alsmede naar de daar genoemde litteratuur), nl. Een fragment uit de strijd van dominocratie contra Dominocratie. Enkele opmerkingen over de kerkrechtelijke structuur van De Remonstrantse Broederschap, Goes 1959, en Kerkelijke besluitvaardigheid. Over de bevestiging van het gereformeerde kerkverband in de jaren 1574 tot

|76|

Men kan nu in de twintigste eeuw zeggen: al die conflicten zijn voorbij en zijn voor ons dus eigenlijk niet meer van wezenlijk belang en we kunnen zonder schade de sporen daarvan wel uit onze kerkelijke geschriften verwijderen.

Er is inderdaad rekening te houden met het feit, dat we in andere tijden leven. Zeker in een regeling als de Kerkorde. In de huidige redactie is ook niet meer het onderscheid tussen kerkelijke straf en burgerlijk vonnis opgenomen. Toch zou het niet goed zijn op zo’n manier ook in de belijdenis te werk te gaan.

In de eerste plaats verzwakt men zodoende de band met een rijk verleden. In de tweede plaats doet men afstand van karakteriserende omschrijvingen en bepalingen die ons vandaag nog kunnen dienen om gespitst te blijven op de eigengeaardheid van het kerkelijk gezag en het kerkelijk recht. In de derde plaats moet men zich in onze situatie niet vergissen! De aversie tegen de kerkelijke tucht is groter dan ooit. Laat de situatie waarin we leven een andere zijn dan in de 16e, 17e eeuw, de oppositie tegen een kerk die recht spreekt en vonnis velt en een eigen gerecht heeft in de kerkeraad is even krachtig als in de tijd van de reformatie en daarna. Men heeft ook zo maar dezelfde argumenten bij de hand, dat de kerk die de tucht metterdaad oefent, zich op een wereldse wijze sterk maakt. Zelfs de beschuldiging dat de leer van de sleutels van het hemelrijk (Zondag 31 Heidelbergse Catechismus) een rooms overblijfsel is, is ook weer in onze dagen geformuleerd (K.J. Popma). Daarom blijft het nodig het pleit voor de oefening van de kerkelijke tucht steeds vergezeld te doen gaan met de accentuering van de eigen aard van de kerkelijke rechtspraak.


1581/2 ondanks de oppositie van het confessioneel en kerkelijk indifferentisme, zoals deze oppositie inzonderheid vanuit Leiden werd gevoerd, Groningen 1970. Zie voor wat hetzelfde punt bij Calvijn betreft o.m. J. Plomp, De kerkelijke tucht bij Calvijn, Kampen 1969, pag. 72 e.v., pag. 128 e.v.

|77|

 

5.3. De rechter èn de Rechter.

In de vorige paragraaf hebben wij de onafhankelijkheid van de kerkeraad als tucht-oefenend orgaan geaccentueerd in verhouding tot de wereldlijke overheid en de organen van de wereldlijke rechtspleging.

Die onafhankelijkheid is een groot goed. De strijd, die telkens weer daarvoor gevoerd moet worden, is de moeite meer dan waard.

Maar die onafhankelijkheid is niet de enige waarde waar wij voor mogen opkomen. De onafhankelijkheid van de kerkeraad is eigenlijk niet meer dan de keerzijde van de afhankelijkheid van de kerk en van de kerkeraad. De afhankelijkheid van en de dienstbaarheid aan de Koning van de kerk.

Dat kwam in de grote polemieken die de gereformeerden in de 16e en 17e eeuw terwille van de zelfstandigheid van de kerk hebben gevoerd, ook herhaaldelijk naar voren. Wanneer de remonstranten de gereformeerden er van beschuldigen dat zij de mening waren toegedaan dat God twee hoge machten heeft ingesteld die gelijk aan elkaar (‘collateraal’) zijn en naast elkaar staan, nl. de kerk of de regeerders der kerk én de politieke overheid, dan antwoordt Trigland, de bekwame woordvoerder van de gereformeerden, daarop dat heel die beschuldiging geen steek houdt, omdat de gereformeerden geen kerkelijke ‘overheid’ kennen, zoals over de politieke overheid met haar gebiedende macht kan worden gesproken. Er is in de kerk maar Eén, die gebiedende macht heeft, dat is de Here Jezus Christus. Daarom, zo gaat Trigland verder, als men hier enige collateraliteit zou willen verzinnen, dan zou men die moeten stellen tussen Christus, de Zoon van God én de hoge overheden in de koninkrijken en republieken hier op aarde. Want Christus is alleen de hoge overheid en de Koning van zijn kerk 1).

De polemiek heeft Schriftuurlijke kracht en is tegenover de remonstrantse beschuldigingen afdoende.

Maar deze gelovige positie keus legt op de gereformeerde kerken een dure verplichting! Met stichtelijkheden zijn we er hier niet. Als de zaken er zó in de kerk voorstaan, dan begint er nu al nader licht te vallen op het eigen karakter van de kerkeraad als kerkelijk gerecht en


1) Trigland in Kerckelyke Geschiedenissen. Het citaat is letterlijk opgenomen in mijn Dominocratie contra Dominocratie, pag. 18.

|78|

van zijn rechtspraak. Die rechtspraak vindt maar niet alleen in het midden van de gemeente als de gemeenschap van het Verbond plaats, zoals we in de eerste paragraaf van deze afdeling hebben gezien, maar ook in een radicale afhankelijkheid van de Gód van het Verbond. De kerkeraad is in de wereld zo’n onafhankelijke instantie, omdat hij tegenover de Here van de hemel in volslagen afhankelijkheid leeft. Omgekeerd geldt natuurlijk ook dat deze dienstbaarheid de kerk de vrijheid geeft tegenover alles wat in de wereld is, hoe imposant, hoe dreigend ook.

Dienstbaar — zo karakteriseerden we zojuist de positie van het college dat tucht oefent in de gemeente en daar recht spreekt. De grondregel voor de rechtspraak in Israël is: dat „het gericht is Godes”, Deut. 1, 17, d.w.z. dat de aardse rechter handelt als plaatsvervanger van God die „de eigenlijke Rechter” is 2). In deze dienstbaarheid heeft de rechtspraak een geweldige macht: de HERE staat er achter. Hij bedient zich van het instrument van de aardse rechtspraak om zélf gericht te oefenen. Daarom worden de rechters in Israël met Gods eigen naam genoemd: ‘goden’, Ex. 22, 8; Ps. 58, 2; Ps. 82, 1.6. De executie van een doodvonnis in Israël — excommunicatie uit de gemeenschap van het Verbond — vindt daarom ook plaats „voor de HERE”, Num. 25, 4; 2 Sam. 21, 6, of „voor het aangezicht des HEREN”, 2 Sam. 21, 9. Wat door de rechter op aarde wordt besloten en tot uitvoer wordt gebracht, heeft kracht van hemelse binding: „een gehangene is door Gód vervloekt”, Deut. 21, 23.

Het is in het Nieuwe Verbond niet anders. Christus zegt zijn discipelen: „Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen, en wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen”, Matt. 16, 19. We horen Hem na zijn opstanding uit de doden met dezelfde kracht spreken, wanneer Hij aan zijn apostelen ambtelijk de Heilige Geest schenkt: „Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. (En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zeide tot hen:) Ontvangt de heilige Geest. Wie gij hun zonden kwijtscheld, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend”, Joh. 20, 21-23.


2) Vgl. J.Ridderbos, Korte Verklaring Deuteronomium I, pag. 61 „aardse rechter handelt als zijn (nl. Gods) plaatsvervanger en in zijn naam”.

|79|

We zien hier tegelijk hoe de grondregel uit het eerste hoofdstuk van Deuteronomium „De rechtspraak is Godes” niet dienst doet als een functieloos ornament, en evenmin als een abstracte regel uit een of andere rechtstheorie. Integendeel: de God die de enige, eigenlijke Rechter is heeft aan de Middelaar van het Verbond, zijn eigen Zoon en zoon van David „de sleutel van David”, Openb. 3, 7, gegeven. Daarmee wordt aangewezen dat de Christus de macht heeft de deur tot het leven te openen in het Koninkrijk van de vrede én de macht heeft die deur te sluiten. Zo was hierover reeds in de profetie van het Oude Testament gesproken, Jes. 22, 22. Maar in Christus is de vervulling – Híj, „de wortel en het geslacht van David”, Openb. 22, 16. Die macht van opening en van sluiting, van binding en ontbinding is de macht van vrijspraak en van veroordeling naar het heilig recht des HEREN. Daarom is aan die God in Jeruzalem lof toe te brengen: „want daar staan de zetels ten gerichte, de zetels van het huis van David”, Ps. 122, 5.

Zoals nu de HERE, de God van het Verbond plechtig proclameerde dat Hij achter Israëls rechters stond en de rechtspraak in Israël „vóór zijn aangezicht” plaatsvond, zó heeft Christus, die de sleutel van David heeft én houdt, de bediening van die sleutels aan de ambtsdragers in de gemeente, aan het college van de oudsten, gegeven. Hij staat zelf achter hen. Hij staat ook in de bediening van de tucht achter hen. Die tucht vindt in zijn naam plaats en in zijn kracht. Dan gebeurt er in de tucht ook werkelijk iets, zodat de apostel Paulus kan zeggen dat hij tesamen met de gemeente van Korinthe een zondaar „in de naam van de Here Jezus” overlevert aan de satan „tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden worde in de dag des Heren”, 1 Kor. 5, 5.

Christus verloochent deze verbinding tussen zichzelf en zijn ambtsdragers nimmer. Dat is de hoge heerlijkheid en de ultimatieve ernst van de kerkelijke tucht. Hij verloochent die verbinding ook niet als Hij zal zijn wedergekomen om te oordelen de levenden en de doden. Dan zal héél zijn gemeente delen in zijn heerlijkheid, zoals zij in deze bedéling ook deel gehad heeft aan zijn lijden, Rom. 8, 17; Kol. 1, 24. Zij, die gemeente, zal ook delen in de heerlijkheid van zijn rechtspraak, waardoor Hij heel de aardbodem rechtvaardig zal oordelen, vgl. Hand. 17, 31. De heiligen zijn om zo te zeggen dan de ‘assessores’ in de rechtbank, waar de Christus de president-rechter is,

|80|

1 Kor. 6, 2 3). Maar dat houdt ook tegelijk in dat de ambtelijke tuchtbediening, die in deze tijd naar het evangelie van Christus heeft plaats gevonden, zal worden ópgenomen en opgeheven in het oordeel dat de Christus strijken zal. Zo zegt de Christus tegen Petrus en de andere apostelen: „Voorwaar, Ik zeg u, gij, die Mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de troon zijner heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van Israël te richten”, Matt. 19, 28, vgl. ook de belofte in Lukas 22, 29.30 „En Ik beschik u het Koninkrijk, gelijk mijn Vader het Mij beschikt heeft, opdat gij aan mijn tafel eet en drinkt in mijn Koninkrijk. En gij zult zitten op tronen om de twaalf stammen Israëls te richten”.

Déze toekomst geeft vandaag al de glans van de hoogste Majesteit aan de uitoefening van de kerkelijke tucht.

Daar mag echter niet de conclusie aan worden verbonden dat de HERE, de God van het Verbond en Christus als de Middelaar om zo te zeggen vastgebonden zitten aan de rechtspraak in Israël, in de kerk. God heeft zich wel verbonden. Maar Hij is niet gebonden. Daarom maakt de HERE soms ook op buitengewone wijze plaats voor zichzelf in de rechtspraak en dat dan terwille van de voortgang van het recht onder zijn volk. Zo kon in het Oude Testament het zogenaamde Godsoordeel een plaats krijgen in voor mensen onontwarbare huwelijkssituaties, Num. 5, 11-31. Het is wel zeker dat de vorm van dit oordeel een parallel heeft in de rechtspraak van de oud-Oosterse wereld om Israël heen, ook bij Germanen en Indiërs 4). Maar dat houdt geen afhankelijkheid of identiteit in. Elders blijkt uit het hanteren van dit Godsoordeel zeker het nog steeds niet geheel uitgesleten besef dat het leven op aarde niet is onttrokken aan het recht van God (of: van de goden). Maar in Israël is het de HERE zelf, die — wanneer dat past in zijn wil om zijn volk te heiligen — plaats neemt in de rechterstoel en iedere bedienaar van het recht terzijde kan schuiven. Zo wil de HERE ook door het lot zijn rechterlijke beslissing in bijzondere gevallen bekend maken, 1 Sam. 14, 42, in het geding tussen Saul en zijn zoon Jonathan, en Joz. 7 in het geval van Achan. Zoals daarom van het geheel van Israëls rechtspraak gezegd wordt: „het gericht is


3) Zo Calvijn op 1 Kor. 6, 2 „tamquam assessores”.
4) Vgl. A. Noordtzij in Korte Verklaring Numeri, pag. 68.

|81|

Godes”, zo kan ook van de rechterlijke beslissing van het lot worden gezegd:

Het lot wordt in de schoot geworpen,
maar elke beslissing daarvan is van de HERE. Spr. 16, 33

Ook in het Nieuwe Testament komt uit dat de verbondenheid die gelegd is tussen de aardse en de hemelse rechtspraak niet uitsluit dat de God van Jezus Christus zich in de gang van het recht in de gemeente de Souverein kan betonen, wanneer Hij dat wil om zijn gemeente te redden voor de bedreiging van de zonde. Zo grijpt de Here zelf in, wanneer Ananias en Saffira denken de Heilige Geest die in de gemeente van Christus is komen wonen te kunnen bedriegen, Hand. 5, 1-11. En daarom gevoelt de gemeente van Korinthe, waar de tafel des Heren werd ontheiligd, de tuchtigende hand Gods ook heel direct: „Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt. Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen”, 1 Kor. 11, 29.30.

Er is in dit verband nog een tweede, zeker even belangrijk punt op te merken. God heeft zich wel verbonden aan de ambtelijke rechtspraak in Israël en in de kerk van het Nieuwe Verbond, maar is er niet aan vastgeklonken. Dat houdt ook in dat het kerkelijk gerecht, dat in de hoogste Majesteit deelt, tegelijk aan de hoogste Norm is onderworpen en blijft onderworpen. De uitspraak van de rechter is hier in de gemeenschap van het Verbond nooit het absolute dictaat van de tyran die in volstrekte willekeur vrijspreekt óf aan het vonnis overgeeft.

Als Israël naar zijn rechters ziet, dan ziet Israël achter hen de God van het Verbond. In dat perspectief van het geloof staan de aardse rechters tegen een hemelse, een goddelijke achtergrond. Zó ontvangen ze die hoge naam ‘goden’.

Maar als die rechters denken daaruit het recht te kunnen afleiden naar eigen willekeur te kunnen oordelen en veroordelen, dán blijkt dat er afstand blijft tussen de énige God en deze zijn ambtsdragers op aarde. Een afstand die ruimte schept voor zijn norm, zijn Woord. Zo wordt in de beide psalmen, waarin de rechters de naam ‘goden’ ontvangen, hun rechtspraak gelegd onder de kritiek van het recht van God, zoals Hij dat heeft geopenbaard:

Spreekt gij, goden, inderdaad recht?
Richt gij de mensenkinderen rechtmatig?
Veeleer bedrijft gij euveldaden in het hart,

|82|

op aarde weegt gij het geweld uwer handen af. Ps. 58, 2.3.

Het is in Psalm 82 niet anders:

God staat in de vergadering der goden,
Hij houdt gericht te midden der goden.
Hoelang zult gij onrechtvaardig richten,
en de goddelozen gunst bewijzen?
Richt de geringe en de wees,
doet recht de ellendige en de behoeftige,
bevrijdt de geringe en de arme,
redt hen uit der goddelozen hand. Ps. 82, 1-4.

En dat gaat gepaard met een dreiging over de overtreding van het recht van het Verbond dat in de rechtspraak van de kerk wil zegevieren:

Wel heb Ik gezegd: Gij zijt goden,
ja, allen zonen des Allerhoogsten;
nochtans zult gij sterven als mensen,
als een der vorsten zult gij vallen. vers 6.7.

En de kromme rechtshandel, waarover God toornt en oordeel aanzegt, doet voor Israël de verwachting sterk worden naar de dag waarin de HERE zelf de aardbodem zal richten en die verwachting ziet zich ook de deur naar die toekomst door de belofte van God geopend:

Sta op, o God, richt de aarde,
want Gij bezit alle volken. vers 8 

De verwachting van de toekomst des Heren houdt de norm voor alle rechtspraak in de kerk levend en krachtig! 

|83|

 

5.4. Onpartijdigheid.

De rechtspraak is Godes” — we hebben gezien dat deze grondregel voor de uitoefening van het recht in de kring van het Verbond aangeeft zowel de hoge majesteit van die rechtspraak als de onderworpenheid onder de levende God en onder zijn Woord.

Dat houdt nu vervolgens ook in dat de rechter in onpartijdigheid recht zal spreken. God kent immers geen partijdigheid, Deut. 10, 17. Vooral omdat ons van hieruit ook zicht wordt gegeven op de structuur en de samenstelling van de kerkeraad als rechtsprekend college, gaan we op deze verbinding tussen het oordelen zonder aanzien des persoons in de rechtspraak van God en van de dienaren die Hij op aarde tot dit ambt roept, afzonderlijk in.

Het is juist in het kader van de roeping tot onpartijdig oordelen dat Mozes bij zijn onderwijs aan de rechters in Israël die grondregel inscherpt dat God de eigenlijke Rechter is, die de bediening van zijn recht aan zijn knechten in handen heeft gegeven, en nu toeziet of zij handelen naar zijn heiligheid. Zo lezen we het immers in Deut. 1, 17: „Gij zult in de rechtspraak de persoon niet aanzien; gij zult de onaanzienlijke evenzeer horen als de aanzienlijke; gij zult voor niemand vrezen, want de rechtspraak is Godes”. Het onderwijs van koning Josafat aan de door hem aangestelde rechters in Juda is niet anders, 2 Kron. 19, 7.

Het is goed hierbij op te merken dat de eis van een onpartijdige rechtspraak en de waarschuwing tegen corruptie óók buiten Israël wordt gehoord. Er wordt in Mesopotamië zelfs met grote strengheid tegen de corrupte rechter opgetreden. Zo lezen we in de Codex van koning Hammurapi: „Wanneer een rechter een vonnis heeft geveld, een uitspraak heeft gedaan (…), maar naderhand zijn vonnis verandert (omdat hij is omgekocht), dan levert hij het twaalfvoud van de vordering, die in het onderhavige geval bestaat, daarenboven laat men hem in de vergadering van zijn rechterstoel opstaan en mag hij niet weer met de rechters in de rechtbank gaan zitten”. Ook komt in deze zelfde rechtswereld de term ons zo bekend uit de Bijbel voor: „het aanzien van het gelaat” en voor dit gerecht zal geen aanzien des persoons plaatsvinden 1).


1) Vgl. Altbabylonische Briefe VI, bewerkt door R. Frankena, Leiden 1974, no 88. Deze gegevens werden mij door mijn collega Lettinga verstrekt.

|84|

De corruptie in het recht, hoe gruwelijk deze ook vaak uitbreekt, botst tegen de eis van het leven zelf op. Wil er orde en ordening blijven, dan zal er een toevlucht bij een onkreukbare rechter moeten zijn. Zijn plaats is ook buiten Israël dikwijls hoog genoteerd. Dat zijn geen zaken waaraan we verachtelijk voorbij hoeven te gaan als zou het zonder enige waarde zijn. De gereformeerde kerken belijden in de Dordtse Leerregels (derde en vierde hoofdstuk, par. 4) dat er „na de val in den mens enig licht der natuur nog overgebleven is, waardoor hij behoudt enige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het ónderscheid tussen hetgeen betamelijk en onbetamelijk is, en ook betoont enige betrachting tot de deugd en tot uiterlijke tucht”. We geven dit ook graag in een nieuwe redactie weer: „na de zondeval nog iets van het licht der natuur in de mens overgebleven (is). Hierdoor behoudt hij enige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tussen wat past en niet past en ook geeft hij er wel enigszins blijk van zich fatsoenlijk en ordelijk te willen gedragen” 2).

Er komt daarna in ditzelfde belijdenis-onderdeel nog wel meer ter sprake over het gebruik van dit ‘natuurlijk licht’, daarmee wordt evenwel dit begin niet te niet gedaan.

Maar tegelijk is uit de geschiedenis duidelijk, dat er toch onderscheid is tussen het leven binnen én buiten de kring van het Verbond. Het is alsof het licht van de onpartijdige rechtspraak pas helder gaat branden in deze kring!

In een rechtsgeding mag men in Israël de meerderheid niet volgen om het recht te buigen, Ex. 23, 2. Men mag de arme niet begunstigen en de aanzienlijke niet voortrekken (géén klassestrijd naar wélke kant ook zal de rechtspraak vertroebelen; geen klasse justitie naar de kant van rijk of arm!), Lev. 19, 15. Er mag geen aanzien des persoons zijn en men zal in het gericht beseffen dat het geschenk de ogen van de wijzen verblindt en de woorden van de onschuldige verdraait en het daarom niet aannemen, Deur. 16, 19.

Dezelfde les wordt de ambtsdragers in het Nieuwe Testament ingescherpt.

Allereerst al wordt over de Here God en zijn rechtspraak met dezelfde


2) Redactie voorlopig vastgesteld door de generale synode van Arnhem 1981, vgl. Van credo tot amen, Haarlem 1981, 105.

|85|

duidelijkheid gesproken als in het Oude Verbond: het oordeel van God is onpartijdig, Rom. 2, 2, letterlijk: „naar waarheid”.

„Dit oordeel”, zo Calvijn, „is in tweeërlei opzicht waarachtig; hierin, dat Hij de overtreding zonder aanzien des persoons zal straffen. in welk mens Hij haar ook moge vinden; en vervolgens hierin dat Hij bij de uiterlijke schijn niet blijft staan, ja zelfs met het werk zelf niet tevreden is, indien het niet voortkomt uit een gemoed, dat waarlijk ongeveinsd is” 3). De apostel sluit deze pericoop over de rechtvaardige, onpartijdige rechtspraak van God dan ook af met dat wat als reëel van het geloof ons moet worden ingescherpt: „Want er is geen aanzien des persoons bij God”, Rom. 2, 11, vgl. ook Gal. 2, 6 en Ef. 6, 9.

En verder lezen we in het algemeen dat „de wijsheid van boven” (waarom de jonge Salomo de HERE had gevraagd om Gods volk naar recht te richten, 1 Kon. 3, 1-15) onpartijdig is, Jac. 3, 17. Ook in het Nieuwe Testament wordt toegezegd dat God deze gave op het gebed zal schenken, Jac. 1, 5. Het is déze wijsheid die ook in de kerkelijke rechtspraak de weg moet wijzen. Zo spreekt Paulus Timotheus in zijn eerste brief aan, wanneer hij hem heeft opgeroepen om de zonde in aller tegenwoordigheid te bestraffen: „Ik betuig u voor God en voor Christus Jezus en voor de uitverkoren engelen, dat gij daaraan de hand houdt, zonder vooroordeel en zonder iets te doen uit vooringenomenheid”, 5, 21.

Het is zeer opvallend, hoe plechtig dit voorschrift door de apostel bij zijn geestelijke zoon wordt aangedrongen in het eerste gedeelte van het vers: „voor God en voor Christus Jezus en voor de heilige engelen”. We zien als het ware de eeuwige God die aan Christus het laatste oordeel heeft gegeven. We zien die rechterstoel omstuwd met de heilige uitverkoren engelen. En als wij tot rechtspreken in de kerk worden geroepen, moeten we beseffen dat óns oordeel bevestiging móet vinden in het grote, laatste oordeel 4). Paulus is ook voor zichzelf niet bevreesd voor een menselijk gericht. Degene, die hem in zijn ambt zal oordelen is zijn Heer, 1 Kor. 4, 3-5.

Het is nu mede als een doeltreffend wapen tegen alle willekeur,


3) Calvijn op Rom. 2, 2, vert. H. Schroten.
4) Zo ook Tertullianus in zijn Apologie, geciteerd door Walter Lock in de kommentaar op de pastorale brieven in The International Critical Commentary, pag. 61.

|86|

partijdigheid en aanzien des persoons dat het de raad van de kerk is, waaraan de kerkelijke rechtspraak is toevertrouwd, het college van de oudsten, de „gezamenlijke oudsten”, zoals dit college in de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap in 1 Tim. 4, 14 wordt genoemd 5).

Het is natuurlijk niet het enige gezichtspunt dat hier ter sprake kan worden gebracht. In de Spreuken wordt de veelheid van de raadgevers aangeprezen, omdat daarin de wijsheid is. En wanneer bij één de macht van de rechtspraak komt te liggen, dan komt Gods volk gemakkelijk onder de heerschappij en in het verlengde daarvan onder de tirannie van die éne, voor wie de zonde ook op de loer ligt. Het bevestigingsformulier voor ouderlingen, sinds de synode van ’s-Gravenhage 1586 in gebruik spreekt hier breed en met nadruk over: „Bovendien is het goed, dat bij de dienaren des Woords zodanige mannen tot mederegeerders gevoegd worden, ten einde daardoor uit de gemeente Gods temeer geweerd worde alle tirannie en heerschappij, die lichter kan inbreken, wanneer bij één alleen, of bij zeer weinigen, de regering staat. En alzo maken de dienaren des Woords en de ouderlingen tezamen een college of gezelschap, zijnde als een raad der kerk, en vertonende de gehele gemeente”. Het nieuwe formulier door de generale synode van Arnhem, 1981 definitief ingevoerd is korter, maar zegt wezenlijk hetzelfde: „Door aan de ouderlingen met de dienaren des Woords de leiding van de gemeente toe te vertrouwen beschermt Christus zijn kerk tegen heerszuchtig optreden”. Wel kan men zich afvragen of deze formulering niet iets teveel de suggestie wekt, dat in het college als zodanig de beveiliging tegen menselijke aanmatiging over de kerk is gegeven, terwijl het veel meer zó is dat Christus ons in deze wijze van kerkregering een middel in handen heeft gegeven om voor de vrijheid der gemeente onder de heerschappij van Christus gelovig de wacht te betrekken 6).


5) Het Grieks van het Nieuwe Testament geeft hier duidelijk het college van oudsten van presbyters aan: het „presbutèrion” in het Latijn: presbyterium, De Statenvertaling heeft: „het ouderlingschap”, Prof. Brouwer vertaalt: „de raad der oudsten”.
6) Over het nieuwe formulier voor de bevestiging van ouderlingen gaf A.N. Hendriks een ‘Kanttekening’ in Dienst, het tweemaandelijks orgaan voor ouderlingen en diakenen van sept./okt. 1974 (22e jrg. no 5, pag. 13-24). Hij bespreekt het onderdeel, dat in de tekst even onze aandacht had, niet. Waardevol

|87|

Maar het één en ander hangt hier — bij de kerkeraad als kerkelijk gerecht — wel heel nauw samen! Er mag geen machtsaanmatiging in de leiding van de gemeente zijn, doordat één enkele de macht van beslissing aan zich zou trekken die bij alle opzieners/ouderlingen gemeenschappelijk ligt. Geen machtsaanmatiging — en dat wil ook zeggen: geen willekeur. En opzicht en tucht zijn aan de raad van de kerk toevertrouwd, opdat ook die tucht niet door willekeur geschonden zou worden en het heilige en heilzame recht zou worden kromgebogen. Met alle nadruk heeft Calvijn er op gewezen dat deze geestelijke macht, ook van de geestelijke rechtspraak, in de oude kerk niet berustte „bij één mens, om naar zijn willekeur alles te doen wat hij wilde, maar bij de vergadering der ouderlingen, die in de kerk was wat in de stad de raad was” 7). Deze collegiale (d.w.z.: door middel van een college of gezelschap) leiding — ook uitkomende in de toepassing van de tucht — hangt voor Calvijn samen met die machtige werkelijkheid dat de kerk een lichaam is en wel een éénhoofdige leiding heeft, maar dat is dan die van Christus in de hemel, het Hoofd van het lichaam. Maar, zegt Calvijn met een beroep op Ef. 4, 7 en 11, aan de ménsen kent Paulus niet anders toe dan een gemeenschappelijke dienst (een ‘commuun ministerie’). „Hij stelt niet alleen geen alleenheerschappij onder de dienaren, maar wijst ook aan dat die er niet is” 8).

Voor de praktijk van de bediening der tucht is het van grote waarde dat collegiale karakter steeds voor ogen te houden. Er is in de pastorale bearbeiding van de gemeente door predikanten en ouderlingen veel dat in vertrouwen aan de ambtsdrager wordt meegedeeld en met hem wordt besproken en dat vertrouwen mag niet worden geschonden door over déze zaken naarstig te gaan uitweiden in een rapport


is dat hij naar voren haalt dat de ouderlingen mét de dienaren des Woords als herders de gemeente hebben te leiden. Daarmee is de achtergrond van de college-gewijze leiding des te duidelijker in het licht gesteld.
7) Calvijn, Institutie IV, 11, 6 (vgl. ook IV, 3, 8: „Dus heeft van het begin af iedere kerk haar raad gehad, verkoren uit vrome, ernstige en heilige mannen, bij wie de rechtspraak ter verbetering der gebreken berustte”. Wij volgen hier de vertaling van A. Sizoo. Vgl. ook Calvijns ontwikkeling zoals die is af te lezen uit de verschillende drukken van de Institutie, J. Plomp, De kerkelijke tucht bij Calvijn, Kampen 1969, pag. 81 vv. We hopen op bepaalde punten later nog terug te komen.
8) Calvijn, Institutie IV, 6, 10.

|88|

aan de kerkeraad! Maar indien het in het pastorale werk tot tuchtoefening komt en dus de positie van een broeder of zuster in de gemeente als zodanig aan de orde is, dan mag geen ambtsdrager individueel in beslissende zin oordelen en daarnaar handelen. Een persoonlijke mening legt in dit stadium alleen nog gewicht in de schaal bij de oordeelsvorming van het college dat recht tot beslissing heeft, omdat het tot oordelen wordt geroepen. Maar daarbuiten om is voor de arbeid aan het betreffende gemeentelid een persoonlijke mening niet meer van betekenis. Individualisme is in heel de bediening van het ambt een kwade zaak. Het is hier in de strikte, hoewel ‘geestelijke’ zin van het woord: misdadig. Wie doet alsof hij als opziener individueel de wijsheid in pacht heeft gekregen en daarnaar handelt, minacht metterdaad de wijze zorg van God, die het ‘lot’ van de schapen van zijn kudde, niet in één hand heeft gelegd.

De ambtsdrager individueel heeft de wijsheid niet in pacht. Daarmee is niet gezegd, dat het college van de kerkeraad dat wèl heeft! Wijsheid is altijd een gave. Ook als rechtsprekend college kan de kerkeraad niet buiten het gebed om deze gave. En de wijsheid, die in de geestelijke rechtspraak van het college gestalte krijgt, zal alléén gevonden worden, wanneer het Woord de leiding in de oordeelsvorming heeft: het is door de apostel tot de ambtsdrager Timotheus gezegd en in die weg ook tot de ambtsdragers tesamen bezig in het college dat met de rechtspraak in de gemeente is belast: „Alle Schrift is van God ingegeven en is nuttig om te onderrichten, te wederleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid”, 2 Tim. 3, 16 9).


9) Het begin geciteerd naar de Statenvertaling, cf. ook C. Bouma in de Korte Verklaring en Herman Ridderbos in Kommentaar Nieuwe Testament op dit vers. Bouma wijst er m.i. terecht op dat hier in vers 18 (in tegenstelling tot vs 15) met de Schrift méér dan het Oude Testament is bedoeld: „In Paulus’ dagen was er reeds het wordende Nieuwe Testament, voor een groot deel schriftelijk vastgelegd en verzameld; en men was reeds begonnen, ook op die begonnen Nieuw-testamentische verzameling van geschriften den naam Schrift toe te passen, vgl. 1 Tim. 5: 18 .... Hier omvat (deze uitdrukking) principieel Oud en Nieuw Testament samen”, a.w., pag. 168. Het is daarbij wél van betekenis er ook in dit verband op te wijzen dat óók de oud-testamentische ‘schrift’ hier als regel voor het nieuw-testamentische ambtelijke werk wordt aanbevolen en aangedrongen, vgl. onze eerste paragrafen.

|89|

 

5.5. De ouderlingschap: het rechtscollege.

Aan de kerkeraad als college is de roeping toevertrouwd om als kerkelijk gerecht de christelijke tucht te handhaven, opdat — om met art. 30 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis te spreken — „de overtreders op geestelijke wijze gestraft en in toom gehouden worden”.

Daarom heeft de Kerkorde, die onder ons van kracht is. terecht in art. 36 als regel gesteld dat tot de kerkeraad zullen behoren de predikanten en de ouderlingen 1). De predikanten oefenen met de ouderlingen dit opzicht en deze tucht over de gemeente in hun ambtelijke hoedanigheid van ouderling/opziener 2). De kerkeraad omvat dus ‘de ouderlingschap’.

Volgens de geldende Kerkorde kan de kerkeraad worden verbreed tot een vergadering met de naam „de kerkeraad met de diakenen”, in het kerkelijk spraakgebruik vaak aangeduid als ‘brede kerkeraad’ tegenover ‘de ouderlingschap’, die dan met de weinig-fraaie naam: ‘smalle kerkeraad’ of: ‘kerkeraad in smal verband’ wordt aangeduid. Aan deze vergadering van kerkeraad met de diakenen kunnen bepaalde taken worden opgedragen, zoals ook in de Kerkorde gebeurt, onder meer de beroeping van de predikanten, de verkiezing van ouderlingen en diakenen, het materiëel beheer en zoals dit dikwijls inzonderheid met het oog op het financieel beheer in een huishoudelijke regeling voor de kerkeraden nog nader wordt uitgewerkt 3). Ook geeft de Kerkorde in art. 37 voor kleine kerkeraden de mogelijkheid en voor zeer kleine kerkeraden (minder dan drie ouderlingen) de regel dat de kerkeraad samen met de diakenen kan of behoort te vergaderen. Zij worden dan tot hulp van de opzieners mede betrokken in het werk van opzicht en tucht, zoals dat wederkerig dan bij de ouderlingen ook het


1) Over de vermeende tegenstrijdigheid tussen de Geloofsbelijdenis in art. 30 en de Kerkorde in art. 36 (vroeger: 37) en de daarover gevoerde discussie moge ik verwijzen naar mijn opstel Diakenen en kerkeraad, in Altijd met goed accoord, Amsterdam 1973, vooral pag. 113-124.
2) Vgl. K.O., art. 16, slot over de taak van de predikanten: „en samen met de ouderlingen de tucht te bedienen”.
3) Ontbreekt een geschreven regeling, dan is de ongeschreven gewoonte van kracht. Het is echter een zaak van wijsheid hier duidelijke regelingen te maken en zich daaraan ook te houden. Duidelijke omlijning van bevoegdheden voorkomt in geval van moeite vaak veel verwarring.

|90|

geval is in het werk van de barmhartigheid.

Art. 37 heeft echter duidelijk het karakter van uitzonderingen op de in art. 36 gestelde regel. Om die regel gaat het nu.

De gereformeerde kerken zijn met deze samenstelling van de kerkeraad in kerkelijk Nederland in belangrijke mate in het isolement gekomen.

In de Nederlandse Hervormde Kerk bepaalt de Kerkorde in art. V, 4: „De kerkeraad bestaat uit de bij de gemeente dienstdoende dienaren des Woords, de ouderlingen en de diakenen”. De kommentator van deze kerkorde, prof. Haitjema, cursiveert de woorden waarop het aankomt, wanneer hij in zijn Nederlands Hervormde Kerkrecht over de samenstelling van de kerkeraad begint te spreken: „In de kerkeraad komen al de drie ambten in de plaatselijke gemeente samen4). Onder deze kerkeraad ressorteert dan onder meer het college van diakenen én ‘het consistorie’, bestaande uit de predikant of predikanten (die samen ‘het ministerie’ vormen) en de ouderlingen (die ook weer afzonderlijk een college vormen, nl. het ‘presbyterie’). Aan dit ‘consistorie’ is krachtens Ordinantie 11 het opzicht over de leden der gemeente toevertrouwd, evenwel met uitzondering van het opzicht over de ambtsdragers en over wie enige andere bijzondere positie in de gemeente hebben, zoals proponenten, vicarissen en „die in een bediening staan” 5). In die gevallen zijn het de provinciale kerkvergaderingen die het opzicht houden.

Voor wat het punt dat ons nu interesseert — de samenstelling van de kerkeraad — is de nieuwe Kerkorde van de syn. Gereformeerde Kerken in het spoor van de Hervormde Kerk gegaan. Art. 35 bepaalt in het eerste lid: „In elke gemeente zal een kerkeraad zijn, die gevormd wordt door haar ambtsdragers”. Het tweede lid voegt hieraan toe: „Indien het getal der ouderlingen meer dan drie bedraagt, zal het vrijstaan onderscheid te maken tussen de brede kerkeraad, waartoe alle ambtsdragers behoren, en de smalle kerkeraad waarvan de diakenen


4) Th.L. Haitjema, Nederlands Hervormd Kerkrecht, Nijkerk 1951, pag. 187.
5) „Met het oog op de dienst van de Kerk in de wereld, waarin de ambten tesamen met de gemeenten hebben werkzaam te zijn, worden bedieningen ingesteld. Tot de vervulling van deze bedieningen worden lidmaten geroepen, om naast ambtsdragers werkzaam te zijn in het apostolaat, de geestelijke vorming van de jeugd, de catechese, het pastoraat, het diakonaat, of waar de orde der Kerk dit verder aangeeft”, Kerkorde, art. VII, 1 en 2.

|91|

geen deel uit maken”.

Bij overweging wordt duidelijk dat in deze Kerkorde precies in tegengestelde richting wordt bepaald als gebeurt in de Kerkorde die in de Gereformeerde Kerken van kracht is. Men lette er ook op hoe onverplicht („… zal het vrijstaan …”!) het onderscheid tussen de zogenaamde brede en smalle kerkeraad aan de orde wordt gesteld! Geen wonder dat hier vermenging van roeping op moet treden. We zien dat ook reeds in het volgende artikel, waar aan déze kerkeraad „het opzicht over en de tucht in de gemeente, alsmede de zorg voor de dienst der barmhartigheid in het algemeen” wordt opgedragen en alleen indien er tussen ‘brede’ en ‘smalle kerkeraad’ onderscheid wordt gemaakt, zal opzicht en tucht hier berusten. Maar het is duidelijk dat dit — niet meer dan — een kwestie van delegatie is 6).

De Christelijke Gereformeerde Kerken hebben sinds de synode van 1959 dezelfde koers gevolgd. In de op dit punt ‘herziene’ Kerkorde luidt in het betreffende deel van art. 37: „In alle kerken moet een kerkeraad zijn, bestaande uit de dienaren des Woords, de ouderlingen en de diakenen, welke regelmatig zal samenkomen”. Hoewel de vermenging van roeping hier niet zo expliciet plaats grijpt als in de Kerkorde van de syn. Gereformeerde Kerken, is die zaak zelf toch aan de orde. Want het is de aldus in art. 37 omschreven kerkeraad waaraan in het hoofdstuk „Van de censuur en kerkelijke vermaning” de handhaving van de tucht is opgedragen.

Men zou kunnen stellen dat we hier met niet meer dan met een kwestie van naamgeving bezig zijn. Wanneer immers onze huidige Kerkorde ook een college kent dat hier de naam draagt: „de kerkeraad en


6) D. Nauta in zijn Verklaring van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Kampen 1971, pag. 156 vv. noteert terecht dat hier „een niet onbelangrijk verschilpunt” is gelegen tussen „de oude” en „de herziene kerkorde”. Het is daarom niet juist dat hij voor het functioneren van de ambten in een kerkeraad, waar geen onderscheid tussen ‘breed’ en ‘smal’ wordt gemaakt, een beroep doet op F.L. Rutgers, wanneer deze over de plaats van de diakenen (en de ouderlingen met betrekking tot het werk van de barmhartigheid) in de kleine kerkeraden naar art. 38 van de ‘oude’ Kerkorde spreekt. In het geval van de herziene Kerkorde functioneren de drie ambten als zodanig over heel de ambtelijke linie afgedacht van de dienst des Woords, in het geval van art. 38 van de ‘oude’ Kerkorde en de adviezen die prof. Rutgers dienaangaande gaf, is het functioneren van diakenen als ‘hulpouderling’ niet krachtens eigen ambt, maar krachtens toegevoegde opdracht.

|92|

de diakenen”, dan zou het terminologisch wel uitvoerbaar zijn om dit college (met welomschreven bevoegdheden) de kerkeraad te noemen en voor het college dat geroepen is in de gemeente van Christus opzicht en tucht te oefenen een andere naam te kiezen, bij voorbeeld die van ‘consistorie’, zoals in de Kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk. Daarnaast zou dan de diakonale vergadering een eigen plaats hebben.

Maar afgedacht van de vraag, of zo’n nieuwe terminologie een plaats zou krijgen in het kerkelijk spraakgebruik — en die zaak is zeker niet zonder gewicht, aangezien de gemeente niet door middel van een haar vreemde terminologie op een zijspoor moet worden gereden! — blijft hier het bezwaar dat het overkoepelend orgaan, dat dan de naam ‘kerkeraad’ draagt, geen ambtelijke kern heeft en dat, omgekeerd, het opzicht over de kudde van Christus ondergeschikt (gesubordineerd) gemaakt is aan een instantie die — zo er al geen vermenging van roeping intreedt — gekarakteriseerd wordt door zaken van algemeen beleid en stoffelijk beheer. De kerkeraad wordt ván het college van opzicht en tucht, dat het in de vigerende Kerkorde is, tót besturend college. Daarbij heeft dat ‘bestuur’ zich dan losgemaakt van de geestelijke regering der gemeente in opzicht en tucht. Zo nestelt zich een organisatorisch-bestuurlijke top in het geheel van de gemeente. Wellicht wordt daardoor de bestuurlijke efficiency vergroot, maar het eigen karakter van de gereformeerde kerkregering loopt grote schade op.

De opzieners van de gemeente, die tesamen de roeping hebben de tucht te oefenen en als kerkelijk gerecht op te treden, zijn de herdersopzieners onder Christus, de grote Herder der schapen, die door het bloed van een eeuwig verbond teruggebracht is uit de doden, Hebr. 13, 20. Hij is de ‘opperherder’, 1 Petr. 5, 4 en Hij ziet om naar zijn schapen door middel van de ambtelijke dienst van onderherders. Hij heeft ‘de sleutel van David’ ter bediening gegeven aan de oudsten der gemeente. Er is tussen Hem en hen een directe relatie door het Woord dat Hij als het middel van de regering in zijn naam ter bediening heeft gegeven. Net zo min als het college dat tot opzicht en tucht is geroepen onder één of andere wereldlijke macht is gesteld en net zo min als dit college onder een hoger kerkelijk college in het bredere verband van de kerken is gesteld —, zo is het óók niet in de plaatselijke kerk gesubordineerd aan een algemeen-ambtelijk of algemeen-bestuurlijk college.

|93|

Terwijl wij van harte blijven pleiten voor een sterke samenwerking tussen de onderscheiden ambten die de Christus heeft gegeven met het éne doel, de opbouw van de gemeente, en terwijl het royale gebruik dat én de Kerkorde én tal van huishoudelijke regelingen in plaatselijke kerken maken van de gaven die aan de broeders diakenen zijn gegeven in vele zaken die niet tot hun eigenlijke ambt behoren, bij ons geen enkele weerstand ontmoet, blijven we tegelijkertijd het pleit voeren voor de principiële en praktische erkenning van de kerkeraad als college van opzicht en tucht, dat een centrale plaats in de regering van de kerk ontvangen heeft.

Men houde tenslotte ook in het oog dat aan deze zaak een ‘pastorale’ kant zit. Voor de samenwerking tussen de onderscheiden ambten moet men het pleit voeren terwille van de gemeente. Maar voor de eerbiediging van de onderscheiding tussen de ambten mag men terwille van diezelfde gemeente eveneens pleiten! Aan het opzicht van de ouderlingen van Efeze heeft de apostel Paulus „de gehele kudde” toevertrouwd —, de kudde, waarvan hij in hetzelfde verband zegt dat het „de gemeente Gods” is, „die Hij zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft”. Deze oudsten/opzieners worden geroepen om deze gemeente te ‘weiden’, Hand. 20, 28. De gemeente mag zich door de Christus aan hún opzicht en tucht toegewezen weten. Zij zijn het die waken over de zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen, Hebr. 13, 17. In deze door de Geest geheiligde verhoudingen wordt gehoorzaamheid en liefdevol vertrouwen in de Here gevraagd, 1 Thess. 5, 12. Deze dingen druisen in tegen het moderne ‘democratische’ levensgevoel. Maar de Schrift is hier duidelijk. En het misbruik dat daarvan in ambtshoogheid kan worden gemaakt, heft het rechte gebruik niet op. Houden we de verhoudingen en de ambtelijke relaties zuiver en zijn we zo met toewijding in het óns geschonken ambt bezig, dan mogen we vertrouwen vragen en zelfs gehoorzaamheid „in de Here”. In dat liefdevolle vertrouwen worden de kinderen Gods ook bevrijd van de vloek van het individualisme dat de mens tot een eenzame éénling heeft gemaakt. Het leven in de gemeenschap der heiligen, waarin de ambtsdragers als voorgangers en opzieners worden erkend om Christus’ wil betekent een machtig stuk reële verlossing.

Naar de eigen aard van het ambt van de broeders diakenen mag eenzelfde christelijke houding van de gemeente tegenover hen worden gevraagd. Maar hier gaat het nu om de eigen aard van het ambt van de voorganger, van de ouderling/opziener. De broeder en de zuster in de

|94|

gemeente moet een vrij zicht houden op de Opperherder doordat de herders-onder-Hem, ook in hun ambtelijke samenwerking, zich alleen aan Hem onderwerpen en zijn herderschap in de bediening van hun ambt gestalte geven in het midden van de gemeente.

Wij pleiten voor een presbyteriale kerkregering — strikt genomen!

Kamphuis, J. (1982) Hst. 6

|95|

6. Het bereik van de kerkelijke tucht

 

6.1. Leer en leven onder dit bereik.

Het onderwerp, dat we in het kader van een bespreking van de kerkelijke tucht nu aan de orde stellen, heeft in voorafgaande hoofdstukken al enkele keren onze aandacht gehad.

Dat was bijvoorbeeld het geval in het eerste hoofdstuk, toen we als omschrijving van de kerkelijke tucht gaven: de rechtelijke handhaving van de heiligheid van de gemeente Gods tegenover de destructieve macht van het kwade in het leven van hen die zich binnen de gemeente door de zonde laten beheersen.

Bij eerste oogopslag is in deze omschrijving reeds duidelijk dat het bereik van de kerkelijke tucht wordt bepaald door de grenzen van de gemeente. Daarbinnen heeft de kerkeraad bevoegdheid als ‘geestelijk’ gerecht op te treden. Daarbuiten niet! Dat is een zaak die zowel principieel alsook in de praktijk van de tuchtoefening van zeer grote betekenis is. Wie zich aan de kring van de gemeente onttrekt, is niet meer bereikbaar voor de kerkelijke tucht, 1 Kor. 5, 12.

Wanneer de tucht reeds in een bepaald stadium gekomen is en wanneer dán ‘de zondaar’ zich onttrekt, is er soms de neiging op de één of andere wijze toch een afronding van de aangevangen tuchtoefening te zoeken. Maar dat is nu juist onmogelijk gemaakt doordat men zich heeft onttrokken aan het opzicht en de tucht van de kerkeraad! Het is buiten kijf dat die onttrekking zonde voor God is en verbreking van de belofte die men heeft uitgesproken in het uur van de openbare belijdenis des geloofs. Het is daarom goed te verstaan dat er weerstand is om het ambtelijk werk af te breken vanwege een beslissing van de getuchtigde, waarin zijn eigenwilligheid klaar aan de dag treedt.

Dan kunnen de vragen rijzen.

Moeten ambtsdragers daarvoor dan maar zó wijken? En de kerk is toch maar geen vereniging, waar je naar je eigen goeddunken voor kunt ‘bedanken’? Ook als we er de nadruk op leggen dat we ‘vrijwillig’ lid van de kerk zijn, dan houdt dat toch niet in dat het aan onze vrije, ongebonden wil staat of we daartoe al of niet zullen besluiten? Zulke vragen worden dikwijls nog klemmender als we het moeten aanzien dat een broeder, die in aanraking komt met de kerkelijke vermaning en tucht, zich onttrekt en zich vervolgens meldt bij een

|96|

andere kerkelijke ‘denominatie’. Geestelijk onderdak is er altijd wel te vinden in een wereld die allang heeft leren leven met de gedachte van een pluriforme kerk die in allerlei kerkelijke gemeenschappen zou zijn te vinden óf (het is een Amerikaanse variant op hetzelfde thema) met de gedachte van de vele denominaties die ieder een eigen kraampje hebben in de kerkelijke hoek van de markt die onze wereld is. Wie bij de éne kraam is uitgekeken of wordt wèg-gekeken, kan bij een andere altijd nog wel terecht!

De weerstand tegen het gedwongen zijn om deze reden de kerkelijke tucht af te breken is daarom goed te verstaan. En dat zeker als de ambtsdragers in de oefening van de tucht en het dikwijls in grote moeite uit doen gaan van de vermaning altijd in het oog hebben gehouden dat zij terwille van de heiligheid van God, die in de gemeente woning heeft gemaakt, de tucht moesten oefenen en als zij ook voor ogen hielden dat de Here zelf in die tucht de bekéring van de zondaar zoekt.

Het is dan ook niet zo dat we — bij het ‘constateren’ dat een broeder of zuster, die met de tucht in aanraking is gekomen, zich heeft onttrokken — plotseling overgaan van het ambtelijk bezig zijn naar het administratief-technisch verwerken van gegevens. En we worden niet van ambtsdragers tot computers. Het gemeentelid dat zich (dikwijls ook met rechtsgevolgen voor kinderen die door de doop opgenomen zijn in de christelijke gemeente!) onttrekt, mag en moet op die onttrekking worden aangesproken. En dat met ambtelijke volmacht. De herder roept het afgedwaalde schaap terug naar de kudde.

Het is goed om hier ook even er aandacht voor te vragen dat we juist ook in gevallen van onttrekking veel wijsheid moeten betrachten: de éne mens is de andere niet. Een onttrekking die plaats vindt na rustig beraad door een broeder die overziet wat hij doet, is op een andere wijze te behandelen dan een (bijna zou ik zeggen: zogenaamde) onttrekking die in een vlaag van drift tot stand komt en waarvan de bedrijver al spijt heeft nog vóór hij er op wordt aangesproken. Het zou wel een ijzig formalisme zijn als we hier alle schapen over één kam zouden willen scheren!

Er is niet alleen het aanspreken op de onttrekking, er is ook het gebed in de kerkeraad, in de openbare samenkomst van de kerkdienst, het gebed ook van de ambtsdragers persoonlijk voor hen die aan hun zorgen waren toevertrouwd: „het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt”, Jac. 5, 16.

|97|

De gelovigen, die in de kring van de gemeente mogen leven, zijn óók niet automatisch los van veie wie zich heeft onttrokken aan opzicht en tucht. De kanselafkondiging terzake sluit een oud hoofdstuk af, maar er wordt tegelijk een nieuw geopend. Wanneer ons mogelijkheden worden gegeven, zullen we de broeder of zuster die vroeger met ons in de kring leefde, toch terugroepen? Hier opent zich ook in concrete gevallen de weg waarop de roeping tot de evangelisatie onontwijkbaar tot de leden van de gemeente komt. Daar hebben de ambtsdragers weer een eigen roeping, nl. om er op te wijzen dat déze roeping er voor de gelovigen ligt als onontwijkbare verplichting 1).

Ook mag niet worden vergeten dat de prediking (bediening van de eerste sleutel van het Koninkrijk der hemelen!), die in de publieke eredienst plaats vindt zich kan moeten bezig houden (niet met persoonlijke leven, maar wel) met de publieke uitingen, ook eventueel van iemand die tot de kerk heeft behoord maar met haar heeft gebroken en zich in woord en/of daad tegenover het Evangelie en de heerschappij van Jezus Christus stelt. De dwaling van de ketter die zich heeft onttrokken wordt bestreden met het zwaard van het Woord.

Maar de ‘geestelijke’ straf gaat alleen over degenen die zich in de gemeente bevinden. Dat is maar niet een ‘vuistregel’, die afwijkingen zou kunnen hebben. Het is regel-zònder-uitzonderingen. Dat ligt verankerd in het karakter van de kerkelijke tucht. Vandaar dat wij steeds in dit verband over de ‘geestelijke’ straf, de ‘geestelijke’ rechtspraak spreken. Die is per definitie beperkt wat de reikwijdte betreft door


1) Vgl. de besluiten die de synode van Kampen, 1975 over de evangelisatie heeft genomen. We citeren het eerste deel van de eerste uitspraak en de tweede uitspraak:
„Het behoort tot de aard van Christus' kerk met het evangelie dat haar is toevertrouwd, ook hen te zoeken, die vreemd zijn aan of vervreemd zijn van God en Zijn dienst.
De ambtsdragers zullen met name door de prediking, de catechisatie en het huisbezoek de leden van de gemeente op deze roeping wijzen en voor het vervullen van deze roeping toerusten”. Acta, art. 335, pag. 160.
De Kerkorde heeft in de nieuwe redactie als art. 26 het volgende opgenomen: „De evangelisatie moet erop gericht zijn dat zij die God niet kennen of van Hem en zijn dienst vervreemd zijn, zich door belijdenis van het geloof naar de gereformeerde leer voegen bij de gemeente van Christus. De kerkeraden zullen erop toezien dat vanuit deze doelstelling bewerkt wordt”.

|98|

de grenzen van de gemeente, waarin de Here door zijn Geest wil wonen. Anders verwereldlijkt de tucht der kerk, zoals dat op monstrueuze wijze is gebleken in de tuchtoefening van de pauselijke kerk in de Middeleeuwen, waarin hele steden en landen onder het pauselijk interdict konden komen te liggen: de geestelijke remedie was verworden tot een werelds wapen in een strijd om de macht.

Ook wanneer we ons aan de grenzen van de kerk houden bij de bepaling van de reikwijdte van de kerkelijke tucht, is daarmee nog niet alles gezegd. We hebben niet voor niets in een vorig hoofdstuk breed gesproken over ‘de weg van Mattheus 18’ en over het onderscheid tussen geheime en openbare of ook (doordat de persoonlijke, broederlijke vermaningen in de wind werden geslagen) openbaar geworden zonden. Bij de kerkelijke tucht, waarin de kerkeraad als gerecht optreedt, gaat het over de tweede categorie.

Wanneer we dat in acht nemen, mogen we zeggen dat de Kerkorde in het hoofdstuk over de tucht met een juiste aanwijzing van de reikwijdte van de tucht begint door te spreken over zonden tegen „de zuivere leer of over het zich in het leven misdragen” (art. 73). De Heidelbergse Catechismus formuleert nog scherper als in Zondag 30 wordt gevraagd, of men ook hen aan het Avondmaal zal laten komen „die zich door hun belijdenis en leven als ongelovigen en goddelozen doen kennen” (vr. 82).

Het spreekt ook wel vanzelf dat de formulering in de Catechismus nog duidelijker omlijnt dan de Kerkorde het in art. 73 doet. De Catechismus spreekt hier immers niet over de verborgen zonden of over zonden die alsnog niet in de openbaarheid zijn gekomen.

Daarom is deze formulering ook bijzonder waardevol voor òns doel, nl. om scherp zicht te krijgen op de vraag hoever de kerkelijke tucht reikt. Het blijkt dan niet te gaan om al die zonden en onvolkomenheden waarover we ons dagelijks voor onze God moeten verootmoedigen. Het gaat er ons hierbij niet om iets af te dingen van de ernst van die zonden en van de noodzaak van de strijd daartegen in een voortdurend gebed om de vergeving van de schuld daarvan, zoals de Here Christus ons het zelf heeft geleerd in het gebed dat Hij zijn discipelen heeft voorgezegd. In dit leven groeit een kind van God nooit bóven dit gebed uit, zodat het voor hèm — in tegenstelling met anderen — niet meer nodig zou zijn dit te bidden. „Indien wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem, nl. God, tot een leugenaar

|99|

en zijn woord is in ons niet”, 1 Joh. 1, 10. En de apostel Paulus spreekt niet alleen over zichzelf als over één die in het verleden een ‘eerste plaats’ onder de zondaren innam, omdat hij toen de gemeente van God heeft vervolgd, 1 Tim. 1, 15. Maar ook als hij over zijn ‘heden’ spreekt, dan steekt hij nog de borst niet vooruit. Integendeel, we horen hem betuigen: „zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig”, Rom. 7, 21. Daarom ook de verzuchting: „ik ellendig mens”, 7, 24. Het is dezelfde ootmoedige belijdenis die keer op keer dóórklinkt in het onderwijs van de Catechismus, wanneer over het leven van Gods kinderen wordt gesproken: „ons, arme zondaren”, antw. 126; „ook de allerheiligsten, zolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheid”, antw. 114; wij zijn van onszelf zó zwak, dat wij „niet een ogenblik” zouden kunnen stand houden in de geestelijke strijd, waarin we tegenover „onze doodvijanden” staan, waartoe ook „ons eigen vlees” moet worden gerekend, antw. 127: en de prediking van de wet des Verbonds gaat zo scherp tot ons uit, „opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen”, antw. 115.

Maar wie zich in de strijd tegen zijn zonden dagelijks voor God verootmoedigt, mag ook weten dat God in zijn Verbond getrouw en rechtvaardig is om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid, 1 Joh. 1, 9. Dan leven wij — met alles wat ons voor God moet verootmoedigen — in het licht. Onze levenswandel is in het licht, 1 Joh. 1, 7 en onze levensweg is niet die van de zonde, want wij zijn uit God geboren, 1 Joh. 5, 18 en ons is daarom de macht gegeven om in deze wereld openbaar te worden als kinderen van God, Joh. 1, 12.

Maar wie zich in de gemeente door de zonde laat overwinnen en de weg van de zonde kiest, houdt tenslotte geen plaats in de vergadering der rechtvaardigen, Ps. 1 ,5. In zijn leven wordt bij definitieve verharding openbaar dat God niet zijn Vader is, maar dat hij als vader Gods tegenstander heeft, Joh. 8, 44, ook al bedekt hij dat wellicht met vrome schijn, zoals de Joden pochten dat zij toch maar Abraham als vader hadden, 8, 39. Dàn is de kerk geroepen het heilig recht van God te bedienen. Er wordt dan geen oordeel over het hart geveld, maar wèl over de mens-in-zijn-levensopenbaring. Want „de goddelozen houden geen stand in het gericht” — dat is door de psalmist in parallellie gezet met wat we hier reeds citeerden: „noch de zondaars in de

|100|

vergadering der rechtvaardigen”.

Hier zien we de heilige functie van de christelijke tucht in het midden van de gemeente. Die gemeente is niet een vergadering van in zichzelf rechtvaardigen. Zij zijn zondaren, maar zij zijn tegelijk „geroepen heiligen”, geroepen uit de heerschappij van de duisternis tot het licht van het Koninkrijk van Gods Zoon. Dat is naar de overmacht van Gods genade wèrkelijkheid in deze duistere wereld: er is een „vergadering der rechtvaardigen”. En opdat die werkelijkheid in deze wereld zal blijven — opdat de wereld zal belijden dat de Vader zijn Zoon heeft gezonden! — daarom heeft de Heilige de tucht in de gemeente verordend: de duisternis heeft geen wettige plaats in de kring van het licht en de duisterlingen niet temidden van de „kinderen des lichts”, 1 Thess. 5, 5 2).


2) Een afzonderlijk onderwerp is „de tucht over de zogenaamde afkerige doopleden”. Zij vallen als zodanig natuurlijk buiten de omschrijving die de Heidelbergse Catechismus geeft, maar niet buiten het bereik van de kerkelijke tucht.

|101|

 

6.2. Nogmaals: leer èn leven.

‘Leer’ en ‘leven’ (levenswandel) van de leden van Christus’ gemeente staan naast elkaar als het om het bereik van de kerkelijke tucht gaat. We hebben op dit punt in de eerste paragraaf van dit hoofdstuk de Kerkorde (art. 73) en de Heidelbergse Catechismus (vr. 82) geciteerd. We voegen daar nu nog een enkel voorbeeld aan toe.

Bij de behandeling van de leer van de sleutels van het hemelrijk zegt de Catechismus over de christelijke ban onder meer het volgende, dat, „naar het bevel van Christus zij, die onder de naam van christen zich in leer of leven onchristelijk gedragen eerst herhaalde malen broederlijk vermaand worden. Wanneer zij toch in hun dwalingen of schandelijk leven volharden, worden zij aangeklaagd bij de gemeente of bij hen die door de gemeente daarvoor zijn aangewezen”, antw. 85. Men ziet dat aan de tweedeling in ‘leer’ en ‘leven’ vastgehouden wordt als de verharding in de zonde de Catechismus naar zwaardere woorden laat grijpen: „dwalingen” èn „schandelijk leven”.

Ook de liturgische formulieren geven ditzelfde beeld.

In het formulier van de openbare belijdenis van het geloof wordt in de vierde en laatste plaats gevraagd of men belooft zich aan de kerkelijke vermaning en tucht te onderwerpen, „indien u zich (waarvoor God u genadig beware) in leer of leven misgaat”. In het formulier om de heilige doop aan de volwassenen te bedienen is deze tweedeling beheersend voor de vierde en vijfde vraag aan de doopkandidaten te stellen. In de vierde wordt gevraagd naar de instemming met en de bereidheid om te volharden in de christelijke leer en in de vijfde naar de bereidheid te volharden in het christelijk leven.

Als deze tweedeling een zelfstandig leven gaat leiden, is het niet te ontkennen dat er misbruik van gemaakt kan worden. Er is terecht vaak op gewezen dat ‘de leer’ een deel, en dan ook nog een centraal deel van iemands ‘leven’ is, en dat wie uit „het spoor der waarheid” raakt, vgl. 2 Tim. 2, 18, ook zijn koers kwijt raakt in het verdere van zijn levenswandel. Paulus laat al uitvoerig zien dat de loochening van de opstanding der doden de libertinistische levenswandel meebrengt van het: „laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij”, 1 Kor. 15, 32. En in onze tijd gaat het spel met het menselijk leven in een ongelimiteerde abortus provocatus en in opdringende ‘euthanasie’ ook overduidelijk terug op verbastering en verloochening van de christelijke leer van de vergeving der zonden, de opstanding van het

|102|

vlees en het eeuwige leven.

Het is ook niet zonder groot gevaar dat zich zelfs tot in onze manier van spreken toe het gebruik laat gelden om een wig tussen ‘leer’ en ‘leven’ te drijven. Dan beijveren we ons dikwijls om bij kritiek op de leer, die iemand drijft, vooral toch maar de onberispelijkheid van zijn leven te accentueren. Zoveel kritiek als er over de kerk en haar leden wordt gespuid (het mag dan met de ‘leer’ in orde zijn, maar kijk eens naar het ‘leven’!), zo makkelijk zijn we dan met het loflied op het leven van hen die tegen de christelijke leer ingaan of ook het loflied op de ongelovigen. Het is dan soms alsof de rechtschapenheid (het woord zèlf heeft toch ook nog wel iets met schepping en met de oorsprong van de mens te maken!) niets van doen heeft met de rechtgelovigheid. Laat het laatste het deel van de kerk zijn, het eerste schijnt door ons dan aan ‘de wereld’ te worden toegewezen. Het onderwerp heeft véle kanten (ook die ons als gelovigen tot zelfbeproeving moeten leiden), maar het is in het kader van onze bespreking niet overbodig er op te wijzen dat dit onkritische spreken een dreigende ondermijning van de oefening van de christelijke tucht is. Wie zal iets durven ondernemen tegen mensen die — nu ja, er is dan misschien op hun ‘leer’ wel het één en ander aan te merken — de rechtschapenheid zelf zijn?

Meer dan ooit is het zaak voor ogen te houden dat een onderscheiding geen scheiding betekent. Ongescheiden zijn ‘leer’ en ‘leven’. Alleen als dat voorop staat, mag ook over onderscheiding gesproken worden: ongescheiden onderscheiden!

Het mag — het is dan ook goed. De Kerkorde, de Catechismus en de liturgische formulieren hebben hier werkelijk niet nutteloos geschematiseerd. De onderscheiding gaat terug op de heerlijke werkelijkheid dat de Here in de Heilige Schrift zich aan ons openbaart in de Zoon van zijn liefde. De naam van de drieënige God, waarin wij de christelijke doop hebben ontvangen, wordt ons in het Woord geopenbaard. Wij leren Hem kennen in zijn vele deugden en in het heilige werk van de verlossing naar zijn welbehagen. Maar de God die zich aan ons in zijn Woord bekend maakt, doet ons dan ook zijn heilige wil voor heel ons leven kennen, zoals Hij in Exodus 20 de wet van het Verbond aan het door Hem uit Egypte verloste volk heeft ingescherpt. De openbaring van zijn heilige wil is ongetwijfeld een onderdeel van zijn heilige zelfopenbaring. Zo heeft de uitlegging van de wet van de 10 geboden ook terecht een plaats ontvangen als onderdeel van de

|103|

christelijke leer in het kerkelijk leeronderricht, ook in onze Heidelbergse Catechismus. Maar er is hier orde en volgorde. Omdat de eerste partij in het Verbond is wie Hij is, daarom is zijn gebod voor ons leven zó als dat gebod ons is bekend gemaakt.

Omdat de wegen des HEREN recht zijn, Hos. 14, 10, vgl. Hand. 13, 10, en volmaakt, Ps. 18, 31, daarom worden wij als Gods volk ook geroepen Hém in al onze wegen te kennen, Spr. 3, 6. De weg, die de HERE van ons vraagt, is die van zijn Verbond en van zijn gebod. Zijn weg en zijn gebod zijn zelfs vrijwel synoniem, 2 Kon. 17, 13 1). Maar dit gebod is altijd het gebod van het Verbond der genade. Het gebod dat in het kader van het Verbond tot ons komt. Daarom is de weg van Gods volk in het Nieuwe Testament georiënteerd aan de Middelaar van het Verbond Jezus Christus. We worden geroepen de weg achter Hem aan te gaan. Christus' oproep „volg Mij”, Joh. 1, 44; 21, 22 e.a.p., ontsluit voor zijn discipelen de weg in het licht, Joh. 8, 12, al is dit ook de „smalle weg”, Matt. 7, 14. Op die weg achter de Middelaar aan wordt de gemeente in de wereld als het volk van Gods Verbond openbaar in de nieuwe richting die het leven in het Evangelie heeft gekregen. Zo spreekt de geschiedschrijver van de nieuwtestamentische gemeente, Lukas, over „de weg”, Hand. 9, 2; Hand. 19, 9; 24, 22, en Paulus doet het eveneens, Hand. 22, 4 en vergelijk vooral ook zijn apologie voor Felix: „Maar dit erken ik voor u, dat ik naar die weg, die zij, nl. de Joden, een secte noemen, inderdaad de God der vaderen vereer”, Hand. 24, 14.

Overigens blijkt uit het spraakgebruik van de Heilige Schrift inzake de weg van de gelovigen ook al weer hoe nauw de dingen samenhangen: de weg is de weg van het geloof èn van de gehoorzaamheid van het geloof én van het leven uit de gehoorzaamheid van het geloof. We komen dus weer op ons uitgangspunt terug: al onderscheiden wij ‘leer’ en ‘leven’, ‘dogmatiek’ en ‘ethiek‘ — ze zijn geen ogenblik te scheiden. Wellicht is één van de zwaarste argumenten om ondanks alle ongescheidenheid toch voor de handhaving van het onderscheid


1) Vgl. W. Michaëlis, in Kittel/Friedrich, Theol. Wörterbuch zum Neuen Testament V, pag. 51. Overigens meen ik dat Michaëlis het Oude en het Nieuwe Testament teveel contrasteert, als het gaat om de weg van de gelovigen, van Gods volk, in zijn uitvoerige artikel over ‘weg’ in dit Woordenboek. In de tekst volg ik hem daarom verder ook niet.

|104|

te blijven pleiten, de zaak dat het christelijk léven een leven uit het geloof is. En dat geloof is niet één of andere vage religieusiteit. Het is ook niet een zaak die al naar de horizon van de tijd en cultuur anders wordt een andere inhoud krijgt. Dat geloof staat vast. Het staat juist naar zijn inhoud vast. We belijden in een wereld van onzekerheid en twijfel iedere zondag als christelijke gemeente de inhoud van ons geloof, wanneer belijdenis wordt gedaan in de woorden van het apostolicum of ook van de belijdenis van Nicea, dat óns geloof vast is, „ongetwijfeld” en ontwijfelbaar.

Daarom is het voor de rechte uitoefening van de kerkelijke tucht een zaak van levensbelang of de gelovigen als zodanig, dat wil dus zeggen áls leden van de gemeente, in rechte aanspreekbaar zijn met betrekking tot de leer van de Gereformeerde Kerken die in de drie formulieren van enigheid is beleden. Of met andere woorden: zijn ook de gelovigen (en niet alleen de ambtsdragers in de gemeente) gebonden aan de gereformeerde belijdenis? Is dat de concretisering van ons uitgangspunt dat de christelijke tucht gaat over ‘leer’ en ‘leven’ van de gelovigen of trekken we dan een ongeoorloofde consequentie en leggen we de leden van de gemeente onder een last die ze niet kunnen dragen met als gevolg dat de kerkelijke tucht een hard, niet-evangelisch juk voor de kerk zou worden?

Wie enigszins thuis is in de geschiedenis van de gereformeerde kerken van de 19e eeuw zou hier op kunnen merken, dat hierover binnen die kerken niet meer behoeft te worden gedisputeerd. Want toen in 1892 de vereniging werd gesloten tussen de kerken van de Afscheiding (de Christelijke Gereformeerde Kerk) en die van de Doleantie (de Nederduitsch Gereformeerde Kerken) was één van de ‘bedingen’ die van de kant van de broeders der Afscheiding werd gesteld dat geen personen als leden van de verenigde kerken zouden worden erkend „dan die instemming betuigen met de Gereformeerde Belijdenis en Kerkenordening en dienovereenkomstig wensen te leven”. Daarop is van de kant van de Doleantie toestemmend gereageerd 2). Toen de vereniging een feit was geworden, bleef deze regel dus gelden als een binnen de Gereformeerde Kerken ieder bindende kerkelijke rechtsregel.

In het voorbijgaan merken we hier op dat hier ook in de actualiteit van die dagen, toen Afscheiding en Doleantie elkaar ontmoetten, een


2) Vgl. H.Bouma, De Vereniging van 1892, Groningen 1967, pag. 132.

|105|

zaak van groot gewicht aan de orde was. Er was op verschillende punten bij de mannen van de Afscheiding een werkelijk niet ongegronde bezorgdheid over de methode, die Abraham Kuyper en de zijnen bij ‘de reformatie van ’86’ hadden toegepast. In feite kwam het er op neer dat wèl het heft uit handen van de besturen was genomen die in het jaar 1816 met de leiding van de kerk waren belast, maar dat verder wat de gemeenten zelf betreft, de situatie voor en na rechtens precies dezelfde zou blijven. Telden de ‘dolerenden’ voor hun gemeenten in Amsterdam, in ’s-Gravenhage enz. niet precies hetzelfde aantal leden als vóórdat het juk van de besturen was afgeworpen? En zou dat niet betekenen dat de volkskerk die aan de vóórdeur werd uitgewezen, tegelijk achterom weer binnen werd gehaald? Ieder verstaat dat voor de Afgescheidenen dit een onverdragelijke zaak zou zijn geweest. Zij hadden immers in 1834 met het Nederlandse Hervormde Kerkgenootschap gebroken omdat zij deze niet meer als vergadering van de gelovigen in de zin zoals de belijdenis daarover spreekt, konden erkennen. En zij wilden in de dolerende broeders veel dragen —, de vereniging was hun heel veel waard, maar op dit punt moest duidelijkheid komen. Daarom hebben ze ook zo duidelijk en scherp mogelijk geformuleerd. En het was een wezenlijk en groot winstpunt toen ‘de broeders van 1886’ hiertegen geen enkel bezwaar formuleerden, al wezen ze er — terecht! — op dat uit de aard van de zaak ook aan de kinderen een plaats in de gemeente toekwam, ook al konden zij nog geen belijdenis ‘van de gereformeerde religie’ doen. Tóen lag de lijn voor de toekomst vast: gemeente en ambtsdragers samen verbonden in de enigheid van het geloof, waarvan belijdenis wordt gedaan in de drie formulieren van eenheid.

We zouden hier dan ook niet verder in het raam van onze behandeling van de kerkelijke tucht over spreken, als juist op dit punt niet een diep ingrijpend verschil van gevoelen in onze eigen tijd naar buiten was getreden. Het is in feite één van de verschilpunten geweest die aan het conflict van 1967 en volgende jaren in de gereformeerde kerken ten grondslag heeft gelegen. Men heeft uit en te na verdedigd dat ‘het gemeentelid’ als zodanig niet aan de gereformeerde belijdenisgeschriften zou zijn gebonden, doch aan niet meer dan aan de apostolische geloofsbelijdenis, de 12 artikelen van het geloof 3). Het


3) Eén voorbeeld onder vele: in de Kamper Kerkbode van 20 januari 1962:

|106|

tegengestelde standpunt werd als onhoudbaar confessionalisme van de hand gewezen 4). Zonder op ieder détail in te gaan, hopen we in een volgend artikel het standpunt van de Gereformeerde Kerken, zoals het in 1892 helder werd geformuleerd, nader toe te lichten en enkele daarmee samenhangende vragen verder onder ogen te zien.


„Het zelf niet uitdrukkelijk aan de Formulieren gebonden gemeentelid dient te weten dat deze binding wel intreedt zodra hij een ambt aanvaardt in de kerk. En dat zijn dominee, alsmede de ouderlingen en diakenen zulk een binding reeds hebben aanvaard”. In dezelfde geest in die tijd ook het weekblad Opbouw.
4) Over de zaak zelf is door mij breed gehandeld in het opstel ‘Confessioneel onderwijs’ dat is opgenomen in het Gereformeerd Schoolblad van juni 1963 (6e jrg., no 6, pag. 185-209). Het conflict in de zestiger jaren is op dit punt breed door mij getekend in Om recht en waarheid, Goes 1968, pag. 63-118 en dat in confrontatie met de beschouwingen vastgelegd in het boek Kerkscheuring in Kampen anno domini 1967 (auteur Ds. G.Visee). Terecht besteedt Ds. J.M. Goedhart in zijn overzicht Bewaard bij het Woord, Enschede (1977) aan deze controverse ook de nodige aandacht, pag. 25-27.

|107|

 

6.3. Het kerklid aanspreekbaar op zijn belijdenis?

In ‘leer’ en ‘leven’ staat de gelovige onder opzicht en tucht van de kerkeraad. Maar is die gelovige in rechte ook aanspreekbaar op de leer van de christelijke kerk? Concreet: is de gelovige in de gereformeerde kerken aan te spreken op de belijdenis van deze kerken?

Die vraag is herhaaldelijk écht als vraag gesteld. Het zou nog maar de vraag zijn of het wel zo was! En dat ondanks het feit dat de Nederlandse gereformeerde geloofsbelijdenis met een krachtig accent op de gemeenschappelijkheid van het geloof begint: „Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond...” en dan volgen de 37 artikelen van het geloof. Maar het zou toch nog maar de vraag zijn, of de gelovige, niet-ambtsdrager aan die uitgewerkte, gedetailleerde belijdenis gebonden zou zijn. Moest het niet zó worden gesteld dat degenen die openbare belijdenis van het geloof hadden gedaan wél gebonden waren aan de 12 artikelen van de apostolische geloofsbelijdenis, maar alleen de ambtsdragers aan de drie formulieren van enigheid van de Gereformeerde Kerken?

Merkwaardig hoe een oude dwaling opeens nieuw leven kan krijgen!

Want we hebben hier in een vorm, die voor het gebruik in de gereformeerde kerken hanteerbaar is gemaakt, te doen met het hiërarchisch onderscheid in de kerk tussen de zgn. ‘clerus’ (de geestelijkheid) en de zgn. ‘leken’. Het onderscheid is, ondanks alle democratiseringsidealen, ook ondanks de nadruk, waarmee over de kerk als het volk Gods wordt gesproken, nog levend èn allesbeheersend in de rooms-katholieke kerk 1). Het beheerst ook de al eeuwenoude vraag bij Rome met ‘hoeveel’ geloof men bij de leken genoegen kan nemen. Bij de ‘geestelijkheid’ is expliciete geloofskennis vereist, maar bij de ‘leken‘ — zijn ze geen ‘leken’? — niet meer dan een minimum, een ‘impliciet’ geloof, dat zich voor de rest houdt aan het geloof dat de kerk (de clerus) gelooft, ook al is men zelf van die inhoud onkundig. Vanouds deed men dan graag een beroep op Job 1, 14 „De runderen (en dat zijn de ontwikkelde gelovigen, de leden van de hiërarchie)


1) Vgl. de paragrafen over ‘de hiërarchische opbouw van de kerk’ en die daarop aansluitende, maar ook daarvan onderscheiden paragraaf over de ‘leken’ in de dogmatische constitutie over de kerk (Constitutio dogmatica de Ecclesia) van het tweede Vaticaanse concilie.

|108|

waren aan het ploegen en de ezelinnen (die zijn het type van de eenvoudige leken) dicht erbij aan het grazen” 2).

Het gewone volk kon dus — desnoods — genoegen nemen met het allersimpelste als het zich maar dichtbij de hiërarchische kerk hield, die de schat van het gemeenschappelijk geloof bewaakt.

Het kan niet anders of in zo’n omgeving moet wel het verhaal opduiken van het kolenbrandersgeloof (fides carbonarii), waaraan prof. K. Schilder één van zijn meesterlijke opstellen heeft gewijd 3).

Het is een oud verhaal, een legende, maar het gaat daarbij om de waarheidskern. Aan een eenvoudige kolenbrander, die eenzaam diep in de bossen met zijn houtskoolbranderij doende was 4), werd de vraag gesteld, wat hij nu wel precies geloofde. Zijn antwoord was het klassieke: „ik geloof wat ‘de kerk’ gelooft”. En toen hem naar dat geloof van de kerk werd gevraagd, was het antwoord: die gelooft wat ik geloof!

We zouden hier voor het verhaal geen aandacht vragen, als er niet nog een variant op deze legende was (door Schilder ook vermeld), die ons middenin onze actualiteit brengt. Die variant is deze: op de vraag naar de inhoud van zijn geloof, zou de kolenbrander de 12 artikelen hebben opgezegd en pas toen hem dáárvan nadere verklaring werd gevraagd, tóen zou hij gezegd hebben: ik geloof (verder), wat de kerk gelooft.

Die variant is waarschijnlijk ontstaan, omdat niemand natuurlijk serieus vol kon houden dat een christen kan volstaan met de verwijzing naar ‘de kerk’, naar de geestelijke heren die het wel zullen weten. Men heeft dan ook altijd wel de (schaarse) elementen opgesomd van het ‘eenvoudige’ (het impliciete) geloof van de leken. En dan kon


2) Vgl. H.Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek I2, pag. 657.
3) Vgl. ‘De kolenbrander en de prelaten’ in De Reformatie, 25e jrg., no 8 (19 nov. 1949), pag. 62, 63, vgl. ook pag. 81 en zijn Heidelbergse Catechismus II, register. Ook Bavinck spreekt over de fides carbonarii, a.w. , pag. 656, 657.
4) K.Schilder had de kolenbrander nooit in levende lijve aanschouwd, hoe smakelijk hij er ook van vertellen kon, De Reformatie, pag. 62, maar werd door een correspondent precies op de hoogte gebracht. Ik heb de kolenbranders inderdaad diep in de wouden van de Karpathen, Roemenië aan het werk gezien: vèr van de bewoonde, de beschaafde wereld en dat hoort bij het verhaal.

|109|

men op een enkel detail verschillen, maar het kwam er altijd op neer dat men voor de nadere ontwikkeling naar de deskundigen van de hiërarchische kerkleiding werd verwezen. Tegen die achtergrond is het heel begrijpelijk dat men de eenvoudige kolenbrander de kortste, algemene geloofsbelijdenis laat opzeggen — en dan is hij aan het einde. De rest is voor de heren!

Wanneer men nu in de gereformeerde kerken onderscheid gaat maken tussen ‘het gewone gemeentelid’ dat gehouden zou zijn aan niet meer dan de 12 artikelen van het geloof èn de ambtsdragers die een veel verdergaande binding, die aan de drie formulieren van enigheid als uitgewerkte belijdenis hebben, dan zijn we bij het kolenbrandersgeloof in de tweede versie!

Maar dan is de kerk als de gemeenschap die in eenheid van het geloof (Heidelbergse Catechismus, Zondag 21) door de Zoon van God wordt vergaderd, ook achter de horizon verdwenen. De kerk-naar-de-Schriften heeft dan plaats moeten maken voor een kerk-onder-leiding-van-deskundigen. Het moderne protestantisme levert daar trouwens voorbeelden te over van, als ‘de mannen van het vak’ aan de eenvoudige mensen (de kolenbranders van de 20e eeuw) uitleggen, hoé ze nu de Bijbel wel moeten lezen in overeenstemming met de eisen van de wetenschap.

De kerk-naar-de-Schriften kent zo’n onderscheid niet. Hoe zou het ook? De kerk is immers daarom kerk, omdat de Heilige Israëls in haar woont. Hij sloeg zijn tent onder de stammen van Israël op en die inwoning wordt nog veel rijker in het Nieuwe Verbond: de gemeente is de woonstede van God in de Geest. En dat is dan héél de gemeente, die uitverkoren is tot „een koninklijk priesterschap”, Ex. 19, 6; 1 Petr. 2, 9.

Daarom zoekt God met zijn Woord, met de leer van de Schrift ook heel dat volk. De Levietische priester was onder het Oude Verbond niet geïsoleerd van het volk. Hij was niet in beslotenheid als hij geroepen werd tot heilige handelingen. Hij werd tot het volk gezonden om te onderrichten: „betrouwbaar onderricht in de wet was in zijn mond”, Mal. 2, 6. En na de ballingschap hebben de Schriftgeleerden hun roeping veracht, toen ze voor het volk „de sleutel der kennis” wegnamen, Luk. 11, 52. Dan wordt het ‘wee u’ van de Christus ook aan hèn, evengoed als aan de elitaire groep van de farizeeërs gericht. Maar de Schriftgeleerde als zodanig is geen ramp, maar een zegen: iedere Schriftgeleerde, die een leerling van het Koninkrijk der hemelen

|110|

is geworden, Matt. 13,52. Dan wordt Ezra met ere genoemd, de Schriftgeleerde, „bekwaam in de wet van Mozes welke de HERE, de God van Israël gegeven had”, Ezra 7, 6. Die wet was ook bestemd voor Israël. Zo wordt dezelfde man die in hetzelfde hoofdstuk naar die goddelijke bedoeling met het Woord en de leer dan ook genoemd: „Ezra die geleerd was in de woorden van de geboden en voorschriften des HEREN voor Israël”, vs 11. We zien hem met die wet dan ook het gehéél van de gemeente zoeken, geen kring van toekomstige deskundigen, geen kader dat de zaak moet ‘runnen’, maar héél het volk van God „zowel de mannen als de vrouwen en ieder die het kon begrijpen”, Neh. 8, 3. En we zien dan in het vervolg van dit hoofdstuk het catechetisch onderricht tot héél het volk uitgaan: Ezra staat op een houten verhoging en hij leest „voor het gehele volk” de wet van God, vs 6. En het moet nog méér doordringen. Daarom nemen de Levieten hun échte, priesterlijke roeping weer op: ze „gaven het volk onderricht in de wet”, vs 8.

Het is reeds in ditzelfde Oude Verbond dat we het ‘gewone volk’ ook gemobiliseerd zien in de voortgang van het Woord des heils en de leer der zaligheid. Daarvoor hebben de ouders hun roeping tegenover hun kinderen, Deut. 6, 7; Ps. 78, 3.4. En daarvoor dienen de hoge feesten die verkondiging waren van de heilsgeschiedenis van die God die zijn volk had vrijgemaakt opdat het van Hem en voor Hem zou zijn; het pascha diende daarvoor: „En wanneer uw zonen tot u zeggen: wat betekent deze dienst van u, dan zult gij zeggen: het is een paasoffer voor de HERE, die in Egypte aan de huizen van de Israëlieten voorbijging, toen Hij de Egyptenaren sloeg, en onze huizen spaarde”, Ex. 12, 26.27, en niet minder het Loofhuttenfeest. Lev. 23, 42.43, zoals later het Purimfeest, Esther 9, 28. Want het volk in de schaduw van het Oude Verbond was het volk dat op weg was naar de mondigheid van de gemeente, waarin allen de HERE zouden kennen „van de kleinste tot de grootste onder hen”, Jer. 31, 34. In die grote dag van het Nieuwe Verbond dan zou er in geen enkel opzicht meer een geprivilegieerde groep zijn. Want de God van het heil zal dan zijn Geest uitstorten „op al wat leeft”, en uw zonen en dochters zullen profeteren (en vergelijk hierbij de verzuchting van Mozes uit Num. 11, 29 „ware het gehele volk des HEREN profeten”!), uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien. Ook op de dienstknechten en dienstmaagden zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten”, Joël 2, 28.29.

|111|

Wanneer de Heilige Geest in de gemeente komt woning maken, dan gaat dit woord in vervulling, Hand. 2, 17.18. Want de Geest woont niet in een geestelijkheid. Hij reserveert voor zich niet inzonderheid een hiërarchie. Hij heeft de kèrk tot huis, tot tempel, Ef. 2, 20-22 e.a.p. Maar daarom moet nu ook in héél de gemeente „het Woord van Christus” overvloedig woning hebben, Kol. 3, 16. En het is ongetwijfeld de ambtsdrager die wordt aangesproken op zijn verantwoordelijkheid tegenover de gemeente om haar te houden bij het zuivere woord naar de leer, Hand. 20, 28-32; Titus 1, 8.9; 2 Tim. 3, 14-17. Maar dat staat in geen enkel opzicht tegenover de mondigheid-in-verantwoordelijkheid van de gemeente, tegenover de binding van de gemeente aan de geopenbaarde leer des Heren. Het is de gemeente die wordt aangespoord in de rechte kennis voort te varen tot het volkomene, Hebr. 6, 1.2. Het is de gemeente van wie gezegd kan worden: „wat u betreft, de zalving die gij van Hem ontvangen hebt, blijft op u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar, gelijk zijn zalving u leert over alle dingen, en waarachtig is en geen leugen, blijft in Hem, gelijk zij u geleerd heeft”, 1 Joh. 2, 27. Het is de gemeente en in haar ieder persoonlijk tot wie het woord van de verhoogde Heiland uitgaat: „houdt vast wat gij hebt”, Openb. 3, 11, en wordt gemobiliseerd tot de laatste man, nu het „de laatste ure is” om „tot het uiterste te strijden voor het geloof (d.w.z. de in de Schriften geopenbaarde inhoud van het geloof) dat eenmaal de heiligen is overgeleverd”, Judas, 3.

Wanneer daarom de kerk in de reformatie van de 16e eeuw terugkeert tot de zuiverheid van het heilig Evangelie (reformatie is wéderkeer!), dan is er te spreken van een ge-re-formeerde religie. Maar dat is geen andere dan de christelijke religie, die nu gezuiverd is. Daarom dat heerlijke begin van de Geloofsbelijdenis: „wij geloven allen met het hart en belijden met de mond”. Het is de gemeente, die in de weg van de reformatie is teruggekeerd tot de mondigheid van de gemeente van Gód, die als zodanig „pilaar en fundament der waarheid”, 1 Tim. 3, 15, is. Dat confessionele begin is in overeenstemming met de manier, waarop deze belijdenis wordt gepresenteerd. Het is — om de oude redactie en zoveel mogelijk de oude typografie te gebruiken:

|112|

BELYDE
nisse des ghe
loofs

Ghemaeckt met een ghemeyn accoort
door de gheloouighe, die in de Ne-
derlanden over al verstroyt zijn, de
welcke na de suyuerheyt des Heyli-
ghen Euangeliums ons Heeren
Jesu Christi begheeren
te leven. 5)

Geen clerus keert zich hier tegen clerus, zoals de Middeleeuwen de éne paus hadden zien staan tegenover de andere paus. Maar de gemeente der gelovigen richt zich op en spreekt het woord van het geloof in de wereld. De gelovige is gedoopt in de naam van de Drieënige. In de gemeenschap der gelovigen wordt hij geroepen tot de belijdenis van die Naam, geopenbaard in de Heilige Schrift, beleden in de oecumenische symbolen èn in de gereformeerde belijdenisgeschriften.

Deze belijdenis is dus tegelijk een belijdenisgeschrift.

Want deze christelijke en gereformeerde religie, verdraagt het zéér wel niet alleen gesproken, maar ook geschréven te worden. Hoe zou het anders bij de belijdenis van het Woord dat ons gegeven is in de Heilige Schriften?

Wanneer wij daarom de gelovigen als zodanig aanspreekbaar achten op „de gereformeerde leer” (K.O., art. 60), dan is dat geen extreme opinie van een vertegenwoordiger van een onhoudbaar confessionalisme, maar het is de eenvoudige rechtsregel in de gemeente als het huis Gods. We ontveinzen ons niet dat de hantering van deze rechtsregel ons met moeilijkheden kan confronteren en we willen daarover dan ook nog het een en ander onder ogen zien. Maar dat zal nooit de kracht van de rechtsregel kunnen breken. En die rechtsregel is verankerd in het rijke èn verplichtende bezit van de belijdenis: „De geloofsbelijdenis mag en moet niet zijn een belijdenis voor de theologen alleen, maar voor de gehele gemeente” 6).


5) J.N.Bakhuizen van den Brink, De Nederlandse Belijdenis-geschriften, Amsterdam 1976, pag. 61.
6) H.Bouwman, Christelijke Encvclopedie, eerste druk, I, s.v. Belijdenis, pag. 275.

|113|

 

6.4. De geméénte spreekt haar amen.

Omdat de Heilige in de gemeente woning heeft gemaakt door zijn Woord en Geest worden niet alleen de ambtsdragers, maar evenzeer de gelovigen als leden van de gemeente zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament aangesproken op de leer der zaligheid. De geopenbaarde leer heeft voor allen een verplichtend karakter.

Dat is ook nog naar een andere kant duidelijk te maken.

De apostel Paulus karakteriseert de leer in zijn brieven aan Timotheus en Titus herhaaldelijk als „de gezonde leer”, 1 Tim. 1, 10; 2 Tim. 4, 3; Tit. 1, 9; 2, 11). Daarmee stelt hij déze leer tegenover allerlei dwaling op zedelijk en dogmatisch gebied, zoals duidelijk blijkt uit zijn vermaning aan Titmotheus: „Indien iemand een andere leer verkondigt en zich niet voegt naar de gezonde woorden van onze Here Jezus Christus en de leer der godsvrucht, dan is hij opgeblazen, hoewel hij niets weet”. De leer van apostelen en profeten is niet aangetast, niet geïnfecteerd door de kanker (vgl. 2 Tim. 2, 17) van de dwaling. Daarom wordt de gemeente ook geroepen de leer die haar is overgeleverd op betrouwbare wijze gehoorzaam vast te houden, Hebr. 2, 3; 2 Thess. 2, 15.

Uit het feit dat deze term ‘gezond’ alleen voorkomt in de brieven aan Timotheus en Titus heeft men wel willen afleiden dat Paulus de schrijver er niet van zou kunnen zijn. Maar de apostel had kennelijk meer pijlen op zijn boog dan Schriftcritici denken! Waarom zou hij in instructiebrieven aan medewerkers, wanneer hij de (reeds aanwezige of de nog toekomstige) dwaalleer tekent ‘de leer’ in deze contekst niet kunnen karakteriseren als de gezonde, de rechte, de rechtzinnige leer? 2).


1) Ook wel „de gezonde woorden”, 1 Tim. 6, 3, 2 Tim. 1, 13. Ook wel in het enkelvoud: „gezond woord”, nl. het woord dat gepredikt wordt. Daarom in de vertaling van het NBG: „een gezonde prediking”.
2) De vraag of ‘gezond’ niet alleen ‘recht’ en ‘onvervalst’ betekent, maar daarbij ook de betekenis heeft van ‘gezondmakend’ of heilzaam en dat in tegenstelling tot de dwaalleer die in het verderf stort (vgl. ons gebruik van ‘gezond’ op soortgelijke manier in uitdrukkingen als ‘gezond voedsel’) heeft aanleiding tot verschil gegeven. Luther interpreteerde in de laatste zin. Vandaar zijn vertaling: „heilsame Lehre”. Zo oordeelt ook C. Bouma in zijn Bottenburg-kommentaar en in de Korte Verklaring, pag. 45: „Het woord gezond bedoelt Paulus in actieven transitieven zin. Niet zoals een mens gezond is,

|114|

Daarbij is zeker niet te denken aan een verstarring van de leer onder invloed van rationalisme in de hellenistische wereld, waarin de kerk in de tijd van het Nieuwe Testament werd vergaderd: „Het gebruik van gezond-zijn etc. in onze brieven komt niet voort uit een beginnend rationalisme, maar uit verzet tegen de beginnende vreemde leer, de hetero-doxie. Tegenover deze dwaalleer wordt juist alle nadruk gelegd op het openbarings-karakter van de gezonde leer, vgl. vs 11” 3). Welnu, het zijn de ambtsdragers die worden opgeroepen te waken voor „de gezonde leer” en de dwaling te weerstaan. Dat blijkt wel uit de vermaningen van Paulus aan Timotheus en Titus, aan zijn rede tot de ouderlingen van Efeze op het strand te Milete (Hand. 20). Maar het is niet minder de gemeente zelf die tegen de dwaalleer wordt gemobiliseerd. Israël als geheel heeft zich tegen de afgodendienaar te keren om zo het kwaad uit het midden van Gods volk weg te doen, Deut. 17, 2-7. En het is in het Nieuwe Testament slag op slag de gemeente die tegen de dwaling wordt gemobiliseerd. Niet alleen wordt Timotheus gewaarschuwd tegen Hymeneus en Filétus, die beweerden dat de opstanding reeds had plaatsgevonden, 2 Tim. 2, 17, maar ook de gemeente als zodanig wordt gewaarschuwd tegen de dwaling die beweert „dat er geen opstanding der doden is”, 1 Kor. 15, 12 en ze wordt dan stevig daartegen geïnstrueerd. Het zijn ook weer de gemeenten van Galatië en die van Philippi die tegen de judaïserende dwalingen worden gewaarschuwd: „o onverstandige Galaten”, Gal. 3, 1;


maar gelijk een of andere spijze gezond is; gezondmakend, heilzaam; de gezonde leer is de heils- en levenskracht van het Evangelie, vgl. Ps. 19: 8”. Anderen achten dit een misverstand, zo Ulrich Luck in Kittel-Friedrich, Theol. Wörterbuch zum Neuen Testament VIII, pag. 312 en Herman Ridderbos in Kommentaar Nieuwe Testament op 1 Tim. 1, 10. Bouma c.s. staan voor de moeilijkheid dat het Grieks hier duidelijk een woord met een onovergankelijke (intransitieve) betekenis gebruikt (gezond zijn), dat hier dan overgankelijk (transitief) zou zijn gebruikt, Bottenburg-Kommentaar, pag. 82. Daarbij komt (Ridderbos wijst daar terecht op) dat in Titus 1 ,13 „gezond in het geloof” de betekenis ‘gezondmakend’ niet in aanmerking komt. Het gaat in deze teksten inderdaad over de rechte, onvervalste leer, waarvoor moet worden gewaakt, maar er zijn of zullen komen die een ándere leer drijven. Deze ‘gezonde’ leer heeft ook een heilzaam, een ‘gezondmakend’ effect. En daarin staat ze ook tegenover de dwaalleer. Die zaak staat wel vast. Maar dat betekent nog niet dat dit de betekenis van de term zelf is.
3) Herman Ridderbos, KNT, Timotheus/Titus, pag. 56.

|115|

„let op de honden, let op de slechte arbeiders, let op de versnijdenis”, Fil. 3, 2. Hierbij is ook het brede vertoog te rekenen dat mee de kern uitmaakte van de brief van Paulus aan de gemeente van Rome over die God bij wie geen „aanzien des persoons” is, Rom. 2, 11. Voor dwalingen, die aan de gnostiek (levensbedreiging voor de oude kerk!) doen denken wordt de gemeente te Kolosse gewaarschuwd: „Dit zeg ik, opdat niemand u misleide”. Johannes roept op de ‘leugenaar’ te bestrijden, die loochent dat Jezus de Christus is, 1 Joh. 2, 22 e.a.p. en daarmee wapent hij de gemeente tegen de dwaalleer van het docetisme, dat het slechts schijn zou zijn dat de Zoon van God in het vlees had geleden voor onze zonden. En — om niet meer te noemen — de gemeente van Efeze wordt mèt haar voorganger 4) geprezen. dat zij „de werken der Nicolaïeten haat”, Openb. 2, 6 en de gemeente van Pergamum wordt daar op indringende manier tegen gewaarschuwd, 2, 15. We kunnen onbesproken laten met welke dwaling we hier precies te doen hebben. Voor ons doel is voldoende dat de visitatie van Christus aan de gemeenten in Asia ook goedkeurt en wil bewerkstelligen dat de gemeente de christelijke gemeenschap met de dwaalleraars weigert en opzegt 5).


4) Vgl. S. Greijdanus in Korte Verklaring Openbaring, pag. 53 „Al moet Johannes schrijven aan den engel van de gemeente, dit is slechts, omdat deze de voorganger en leidsman der gemeente is, voor haar en haar leven en doen verantwoordelijk, haar vertegenwoordigend. Maar deze brieven zijn geen persoonlijke, alleen voor deze engelen bestemde brieven geweest, doch in en met hen gericht aan hun gemeenten .....”. Terecht heeft Greijdanus deze opvatting sterker accent gegeven dan in zijn eerste verklaring van de Openbaring, De Openbaring des Heeren aan Johannes voor de gemeente uitgelegd, Doesburg (1908), zie bij voorbeeld pag. 108 over het „niet kunnen verdragen van de kwaden”, dat in deze kommentaar alleen wordt betrokken op „de opziener over de gemeente te Ephese”, hoewel ook hier reeds de eenheid van voorganger en gemeente wel aandacht krijgt, pag. 104.
5) Vgl. de sterke uitdrukking ‘haten’ in 2, 6, vgl. S.Greijdanus in Korte Verklaring Openbaring, pag. 56: „Zij haten de werken der Nicolaïeten, ook nu nog, op dit ogenblik, evenals de Heere dat doet. Zij gruwen er van, hebben er eenen innerlijken tegenzin in, willen er geene gemeenschap mede hebben uit afkeer des harten er van, en weerstaan die dus met alle heilige energie”. Ook in deze „verwerping van de dwalingen” conformeert de gemeente van Christus zich aan haar God: „... dat gij de werken der Nicolaïeten haat, welke ook Ik haat”. Het is dezelfde gelijkvormigheid die ons ook in positieve zin al herhaaldelijk is opgevallen: „Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk Uw hemelse

|116|

In de wering van de dwaling en van hen die zich in de dwaling verharden gaat het er overigens niet om aan de vrije christelijke profetie ten gunste van één of andere theologische mening het zwijgen op te leggen 6). Maar het gaat in dit negatieve om het ene, positieve: „wat gij hebt, houdt dat vast, totdat Ik gekomen ben”, Openb. 2, 25.

Dat men de gemeente niet aanspreekbaar acht op haar eigen belijdenis, heeft de schijn van een christelijke en evangelische ruimhartigheid. Maar het is in de grond van de zaak een kwestie van hooghartig intellectualisme en van een rationalisme dat geen oog heeft voor de aard van de kerkelijke belijdenis: het antwoord dat Gods volk in het Verbond aan haar Here geeft en dat door het gelóóf wordt gekarakteriseerd.

Daarom is de vraag: met welk kwantum kennis kan een gemeentelid toe, een door en door intellectualistische vraagstelling. De scholastiek is hier bezig het geloofsleven te verwoesten. Wij hebben in het Woord van de Heilige Schriften niet te doen met de mededeling van een aantal theologische stellingen, waarmee alleen de vaklui overweg kunnen en waarvan de gemeente hoogstens een slap aftreksel kan verdragen — door de heren deskundigen toebereid. Nee, we hebben in dit Woord met God zèlf te doen, met de Levende, met God in Christus Jezus, de Drieënige, die zich zó in zijn Woord heeft geopenbaard (Heidelbergse Catechismus, Zondag 8). Hij zoekt zijn volk en spreekt zijn volk aan. Rechtstreeks! Geen ‘geestelijkheid’ staat tussen Hem en de gemeente die in Christus geroepen is. Geen theologische élite zal het ooit lukken deze levende God te scheiden van zijn gemeente, als Hij háár zoekt, haar hárt en als Hij in haar zoekt àllen die tot de vrede van Christus in één lichaam, Kol. 3, 15, zijn geroepen, de kleinen zowel


Vader volmaakt is”, Matt. 5, 48, „Heilig zult gij zijn, want Ik de HERE, Uw God ben heilig”, Lev. 19, 2, vgl. 1 Petr. 1, 16.
6) Dringend waarschuwde vooraf prof. K. Schilder in 1943 tegen dit misbruik van de kerkelijke tucht in zijn klassieke brief van 13 december 1943, opgenomen in Acta Generale Synode Utrecht 1943-1945, Bijlage LXIII, pag. 355-360. Het verzenden van deze oecumenische brief op 14 januari 1944 aan de kerkeraden van de gereformeerde kerken werd de directe aanleiding tot zijn schorsing vanwege .... scheurmakerij! De tekst van de brief van 14 januari 1944 in G. Janssen, De feitelijke toedracht, Groningen4 1969, pag. 103 v. Vgl. voor het gevaar van het traditionalisme in de kerk, mijn Signalen uit de kerkgeschiedenis, Groningen 1975, pag. 134-143.

|117|

als de groten, Ps. 115, 13. Als God zich aan zijn gemeente openbaart, spreekt het vanzelf dat in en met deze zelfopenbaring van alles méékomt, inzake de schepping en de onderhouding van de wereld. inzake haar verlossing en haar toekomst. Maar het is alles op Hèm betrokken, uit Wie en door Wie en tot Wie alle dingen zijn, Rom. 11, 36.

Zoals nu de aard van de openbaring is, zo is het ook met de belijdenis van de christelijke kerk gesteld. Die belijdenis is feilbaar en altijd onvolkomen, stukwerk en daarom appellabel aan de Heilige Schrift. Maar het punt waarop het nú aankomt, is dat de belijdenis niet alleen appellabel aan de Heilige Schrift is, maar ook georiënteerd op het Woord Gods in de Schriften en daarom dóór dat Woord in haar karakter bepaald en gestempeld. Zeker, als de kerk ooit met haar leer de weg van de secte inslaat en particuliere opinies verheft tot allen verbindende waarheid, dán is de binding aan de belijdenis een voze zaak geworden. Dat heeft ook metterdaad dikwijls aan de christelijke kerk onmetelijke schade toegebracht. Hoeveel gewetens zijn door binding aan menselijke inzettingen en bedenksels niet gekwetst en geknecht? Maar als het om de christelijke belijdenis gaat, dan mogen we met vrijmoedigheid stellen, dat het het antwoord van Gods volk op het Woord der genade is. Zoals de Here het hart van zijn volk zoekt, zo geeft zijn volk Hèm antwoord „met hart en mond”. En het antwoord is uit het Woord genomen. Het is de echo van het geloof. Zoals de Heilige Schrift het Woord van Gods zelfopenbaring is, zo is de belijdenis van de kerk belijdenis van het geloof in God, in God Drieënig. De hele structuur van de apostolische geloofsbelijdenis wordt hier zelfs door beheerst en daarmee (vgl. de verbinding tussen Heidelbergse Catechismus, Zondag 7 over het geloof en de apostolische geloofsbelijdenis en Zondag 8 over de Drieëenheid) evenzeer de verdere verklaring daarvan. Zeker, óók in die belijdenis komt van alles mee. Want de belijdenis wordt in concrete situaties gesproken. Een concrete dwaling, als bijvoorbeeld van de dopersen wordt weerlegd. Een concrete uitspraak wordt gedaan, als bijvoorbeeld over de doop van de kinderen der gelovigen. Maar het is altijd betrokken op en georiënteerd aan de heilige zelfopenbaring des HEREN.

Daarom is het ook mogelijk dat heel de belijdende gemeente, eenvoudigen èn geleerden, zich in de éne belijdenis verenigd weten: „één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de éne hoop uwer roeping, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen”, Ef. 4, 4-6. En dat

|118|

houdt tegelijk in, dat héél die belijdende gemeente ook op deze belijdenis is aan te spreken in de ‘geestelijke’ ordening die aan de gemeente is geschonken. En daarom ook mèt haar belijdenis (gemeenschappelijk èn persoonlijk) gesteld is onder opzicht en tucht van de broeders opzieners. Dat is niet een zware, menselijke last. Het is concreet het juk van de Christus. Daaronder is het goed toeven. Zó mag de gemeente haar vrijheid beleven!

Wie de belijdenis intellectualistisch benadert en rationalistisch vervormt is al op het verkeerde spoor als hij uitsluitsel wil hebben over de vraag met welk (minimum-)kwantum aan kennis er voor de ‘gewone’ gelovige mag worden volstaan. Omdat de belijdenis een belijdenis van het geloof is en het dus gaat om de kennis van het geloof, weten we dat deze kennis haar eigen structuur heeft. Zeker, er is groei. En dat geldt voor de gemeente in haar geheel en voor ieder gelovige persoonlijk, groei naar de volkomenheid toe „totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon van God bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus”, Ef. 4, 13. Het perspectief blijft altijd open! Maar „deze groei van het lichaam” (vs 16) is vanuit de wortel van het geloof. Opgenomen in het groeiproces belijden wij wèl steeds klaarder, maar niet steeds wat ánders. Het amen van het geloof verdiept zich, maar het blijft hetzelfde amen tot dezelfde God in wiens naam wij zijn gedoopt.

Zó is ook alleen op rechte wijze de zaak van de christelijke tolerantie in de gemeente te stellen.

Daarover nog in de laatste paragraaf van dit hoofdstuk. 

|119|

 

6.5. De Schriftuurlijke verdraagzaamheid. 1)

Wanneer niet alleen de ambtsdragers, maar heel de gemeente gebonden is, ook in kerkrechtelijke zin, aan „de leer die in de christelijke kerk alhier geleerd wordt” 2), komt de vraag of er in de kerk nog wel ruimte is voor verdraagzaamheid, Rom. 15, voor ‘tolerantie’ van een mening bij een lid van de gemeente, waarvan wèl moet worden gezegd dat Schrift èn belijdenis die mening weerspreken, terwijl voor het overige de betrokken broeder of zuster zich tot in oprechtheid als een gelovige openbaart?

Met die vraag is de kerk in de loop van de eeuwen steeds weer bezig geweest.

Het is inzonderheid in de tijd van de grote confrontatie met de remonstranten en reeds met hun voorlopers in de zestiende eeuw duidelijk geworden dat het om hier rechte koers te houden geboden is een scherp onderscheid te maken tussen het humanistische concept van tolerantie, zoals het door de remonstranten werd voorgestaan en later door de Verlichting werd uitgedragen èn de Schriftuurlijke verdraagzaamheid of tolerantie (ook wel door de vroegere gereformeerden ‘moderatie’ genoemd).


1) We gaan nu niet in op de toch wel heel actuele vraag, hoe het met het bereik van de tucht staat als de kerk leeft onder een staatkundig rechtsbestel dat duidelijk niet- of zelfs anti-Schriftuurlijke elementen bevat. Vgl. o.m. de ontwikkeling van het stakingsrecht, ook opgenomen in het Europees Sociaal Handvest en de huidige wet op de echtscheiding: „Echtscheiding wordt op vordering van één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is”. Deze verruiming van de wet en de daarop gegronde praktijk, heeft de kerk met een gehele reeks nieuwe vragen geconfronteerd die dikwijls ook de handhaving van de christelijke tucht raken. In de grond van de zaak zijn deze vragen steeds tot één zaak terug te leiden (tenminste voorzover ze nu even onze aandacht hebben): hoe heeft de kerk de tweede sleutel van het Koninkrijk der hemelen in haar midden te hanteren in een ontkerstende samenleving? Het is van belang te noteren dat we voor deze zaak te rade kunnen gaan bij de kerk in de tijd van het ontstaan van het Nieuwe Testament (en daarna). Tóen was de kerk immers geroepen haar heiligheid te handhaven in een heidense wereld met een publiek rechtsbestel dat in vele opzichten door dat heidendom was beïnvloed.
2) Vgl. de tweede vraag bij het formulier van de kinderdoop, en de uitwerking daarvan in de vragen van het formulier om de doop aan de volwassenen te bedienen en de eerste vraag bij de openbare belijdenis des geloofs.

|120|

Het eerstgenoemde concept gaat uit van de vrijheid en de souvereiniteit van de (religieuze) persoonlijkheid. Deze persoonlijkheid moet, ook in de gemeenschap van de kerk, alle mogelijkheid hebben zich in volle vrijheid en naar eigen inzicht en believen te ontplooien. Iedere inbreuk hierop wordt als tirannie ervaren en zo ook bestreden.

Dit concept van tolerantie verdraagt zich zonder meer niet met de roeping van de kerk om „pijler en fundament der waarheid” te zijn. Aan waarheid en leugen, belijdenis en dwaalleer worden hier gelijke kansen geboden. Hier is het einde van de gemeente als vergadering in de éénheid van het geloof en daarmee tegelijk het einde van de leertucht.

Nu zal in de gereformeerde kerken in een concrete situatie dit concept niet vaak in alle consequentie verdedigd worden. Het ligt meer in de lijn van de verwachting dat dit concept zich op het bepaalde punt, dat in geding is gekomen, zal trachten door te zetten. Maar het zal ook dan terwille van de hoogheid van het Woord Gods moeten worden afgewezen, ook al heeft het de schijn alsof dáárdoor de vrede van de kerk bedreigd zou worden 3). Dit humanisme dat een bedreiging voor het geheel van de leer èn van de gemeente is, betekent één van de meest virulente en actuele dwalingen tegen de gezonde leer en is daarom in de gemeente van Christus niet te dragen: déze ‘verdraagzaamheid’ is onverdragelijk en dat in de strikte zin: ze is censurabel, inzonderheid in ambtsdragers.

Maar hiermee is nog maar de helft gezegd.

De verwerping van het humanistische tolerantie-streven mag ons niet tot doperse enghartigheid brengen. Zo heeft de synode van Dordrecht 1618/1619 zelf en de na haar komende particuliere synoden er nauwlettend op toegezien dat de officieel verworpen leer niet meer zou worden gepredikt en dat de aanhangers ervan uit het ambt zouden worden geweerd. Maar tegelijk wilde men er zorg voor dragen dat de belijdenis der Waarheid onder Gods zegen goede voortgang zou mogen hebben óók bij hen die in de strijdsituatie (waarin — er is wat dit betreft niets nieuws onder de zon! — de laster vertroebelend had


3) Vgl. voor de intense strijd tegen dit humanistische tolerantie-concept door de gereformeerden (inzonderheid Trigland) in de 16e en 17e eeuw de dissertatie van H. Schokking, De leertucht in de Gereformeerde Kerk van Nederland tusschen 1570 en 1620, Amsterdam 1902, pag. 252-265.

|121|

gewerkt) in verwarring waren gekomen. Zij waren natuurlijk vooral onder de eenvoudige gemeenteleden te vinden in die plaatsen waar de remonstranten de leiding in handen hadden gekregen. Het is opvallend, hoeveel geduld, hoeveel lankmoedigheid diezelfde mensen dan tonen die het radicale ‘neen’ tegen het remonstrantisme hadden neergelegd in de Vijf artikelen tegen de remonstranten! We horen de radicaliteit van dit ‘neen’ wel doorklinken als het over hardnekkige aanhangers van de verworpen leer gaat. Maar voor wat de ‘gezeggelijken’ betreft, klinkt een andere toon, die toch voortkomt uit dezelfde eerbied voor het Woord Gods. De particuliere synode van Gouda, 1620, sprak (art. 78) o.m. over deze gemeenteleden uit:

„Maar (de gezeggelijken) die uit eenvoudigheid, misverstand of zwakheid de leer der Gereformeerde kerken inzake een of ander artikel van de 5 verschillende punten nog niet kunnen begrijpen of toestemmen of het gevoelen der Remonstranten nog niet volkomen kunnen verwerpen, doch die zich leerzaam betonen, en beginnen zich te laten onderrichten: en voorts blijven bij ’t geen zij reeds goed hebben aangenomen, en wensen nog verder in de waarheid toe te nemen, die zal men ook verder naarstig onderwijzen, en ondertussen tot de gemeenschap der kerken toelaten, mits dat zij moeten beloven zich stil te houden en te willen arbeiden, dat zij in de kennis der waarheid meer en meer mogen toenemen: en meteen verklaren, dat zij de leer der Gereformeerde kerk houden voor de rechte en volkomen leer der zaligheid, en van voornemen zijn door de gunste Gods bij dezelve te blijven” 4).

In het begin van onze eeuw is de zaak van deze tolerantie nog eens ter sprake geweest, nl. op de generale synode van ’s-Gravenhage 1914. Daar was van een particuliere synode de vraag binnengekomen:

„Of iemand, die in alles met de Gereformeerde Belijdenis accoord gaat, maar den Kinderdoop verwerpt, doch voor dit afwijkend gevoelen belooft geene propaganda te maken en de getuigenis heeft van een vromen wandel, geacht mag worden te voldoen aan de vereischten, gesteld in artikel 61 der Kerkenordening voor de toelating tot het Heilig Avondmaal?”

In antwoord hierop sprak de synode uit:

vooreerst, dat de Generale Synode over dit bepaalde geval geene beslissing kan geven, omdat haar daartoe de noodige gegevens ontbreken en een


4) Vgl. J. Reitsma/S.D. van Veen, Acta der Provinciale en Particuliere Synoden III, 386, 387. De spelling is goeddeels gevolgd, zoals deze door Joh. Jansen is gemoderniseerd in zijn De leertucht over de leden der kerk, Kampen 1936, pag. 28, 29.

|122|

generale uitspraak, dat afwijking van een bepaald leerstuk der Kerk geen beletsel zal behoeven te wezen om iemand tot de gemeenschap der Kerk toe te laten, niet wenschelijk kan wezen;
ten tweede, dat de Generale Synode echter wel wil uitspreken, dat onze Gereformeerde Kerken steeds hebben geoordeeld, dat naar het voorbeeld der Apostolische Kerk tolerantie kan worden geoefend jegens broeders, die ter goeder trouw in eenig stuk der leer dwalen, mits dit niet eenig fundamenteel stuk der waarheid raakt, de dwalenden bereid zijn zich beter te laten onderrichten, en beloven voor dit gevoelen geen propaganda te maken, waarbij het natuurlijk van zelf spreekt, dat zulke broeders, zoolang ze in dat gevoelen volharden, in geen geval voor eenig ambt in de Kerk verkiesbaar zijn;
ten derde, dat de Generale Synode aan den betrokken Kerkeraad, desnoods met advies van de Classis, de beslissing moet overlaten, of in het hier bedoelde geval zulk een tolerantie wenschelijk en geoorloofd is” 5).

Ook nu is weer duidelijk dat bij het onmiskenbaar front maken tegen iedere dwaling de kerk in haar beleid van opzicht en tucht dienstbaar wil zijn aan de voortgang van het Woord Gods in de gemeente van Christus. Daarom ook die nadruk op de noodzaak de concrete gevallen concreet te beoordelen. Daarom is ook de absolute voorwaarde voor het oefenen van deze verdraagzaamheid de wil om zich te laten onderrichten en het ontbreken van de wil om propaganda voor eigen inzicht (of: gebrek aan Schriftuurlijk inzicht) te maken. Want dán hebben we met een actuele en een de gemeente bedreigende dwaling te doen.

Tenslotte: wij hebben in de kerkelijke tucht niet alleen in gevallen van ‘leertucht’ ons te hoeden voor theoretiseren en abstraheren. De gemeente van God wordt historisch en concreet vergaderd in die en die tijd en plaats en in concrete omstandigheden. De zonde is ook een concrete, historische macht en werkelijkheid. Daarom zijn er wèl normen voor de oefening van de kerkelijke tucht te geven en die normen zijn ook aan concrete gevallen te verduidelijken, maar er zijn geen tijdloze regels te maken voor de oefening van de kerkelijke tucht. Een tijdloze tuchtregeling en een tijdloze zonden-catalogus zal altijd voorbijgaan aan de roeping van de kerkelijke discipline: de eerbiediging en de handhaving van de heiligheid van de gemeente van Christus. Dat is de oorzaak, waarom ambtelijke waakzaamheid nooit


5) Acta ’s-Gravenhage 1914, art. 138, vgl. ook hier bijlage XCVII en F.L. Bos, De orde der Kerk, pag. 226.

|123|

mag verslappen, Hand. 20, 28-30; 1 Tim. 5, 16; 2 Tim. 3. De normen voor de oefening van de tucht zijn, zoals voor heel het christelijk leven, geopenbaard in de Heilige Schrift 6). Maar door oefening in de Schriften en in het profetisch Woord, dat een lamp is die schijnt in een duistere plaats, 2 Petr. 1, 19, zal de kerk en zullen de ambtsdragers ook wijs worden met het oog op de vraag hoe die normen concreet moeten worden toegepast 7). Datzelfde geldt voor de kennis van de zonde. Aan algemeenheden en abstracties gaat de kerk en de kerkelijke tucht ten onder. Ons oog moet worden gescherpt voor de concrete bepaaldheid van de zonde! Het gaat er niet om de zonde van gisteren te bestrijden (hoe ‘orthodox’ de schijn daarvan mag zijn), maar het gaat om de ontmaskering van de gedaante der ‘wetteloosheid’ van vandáág. Het gaat ook bij het gebruik van het instrument van de kerkelijke tucht om de zonde in haar concrete bepaaldheid en de concrete verharding in een zonde als de rebellie tegen Gods heilige wil. Dan zullen de ambtsdragers ook „inzicht in de tijden” hebben, 1 Kron. 12, 32, en vanuit de Schrift verstaan, wanneer en waar en in welke situatie na en naast de eerste sleutel van het Koninkrijk der hemelen de tweede moet worden gehanteerd.


6) Vgl. J. Douma, Voorbeeld of gebod, Amsterdam 1972.
7) K.Schilder sprak terecht over ten eerste de „constante rationes”, maar vervolgens ook over „de actueel concrete bepaaldheid der obligatie van de wil des mensen aan Gods geopenbaarde wil”, Kompendium Ethiek I, pag. 13.

Kamphuis, J. (1982) Hst. 7

|124|

7. Herkregen vrede

 

7.1 . Herstel der verhoudingen door bekering.

Nadat we over de kerkeraad als het rechtsprekend college hebben gehandeld en vervolgens over het bereik van de kerkelijke tucht, gaan we over tot de behandeling van het herstel van de geschonden verhoudingen in de weg van bekering en schuldbelijdenis. Het is het thema van de verzoening om de term van de oude redactie van de Kerkorde te gebruiken. Ook in de nieuwe redactie; nl. van de synode van Groningen 1978, is het woord bewaard. Maar het komt in de vorm van het zelfstandig naamwoord toch niet meer voor in de artikelen die over deze zaak handelen. Niet meer in art. 75 dat spreekt over de te volgen procedure wanneer een zondaar tot bekering komt tijdens de gang van vermaningen en tucht, in welk stadium dan ook. Evenmin in art. 78 dat handelt over het weer in de gemeente opgenomen worden van iemand die afgesneden is geweest. Als werkwoord in de passieve vorm is het echter wel bewaard in het eerste algemene artikel over de tucht. Daar werd als doel van de tucht onder meer aangewezen: „om de zondaar met de kerk en zijn naaste te verzoenen” 1).

De nieuwe redactie heeft nu: „Zij, nl. de kerkelijke tucht, heeft ten doel dat de zondaar met God en zijn naaste verzoend wordt” 2).

Het is voor de verstaanbaarheid winst te achten dat het zelfstandig naamwoord is vermeden. Wij denken immers onwillekeurig aan de verzoening van onze zonden die Christus voor ons heeft verworven en die Hijzelf voor ons is (1 Joh. 2, 2; 4, 10). Dat heeft zeker alles te maken met wat de Kerkorde in deze artikelen bepaalt. De verzoening met God in Christus is de grondslag van de ‘verzoening’ waarvan in deze artikelen sprake is: dat de gemeenschap der heiligen zich weer opent voor de broeder die tot de Vader teruggekeerd is. Als de gemeenschap met de Here wordt hersteld, omdat God verzoening schenkt, dan wordt ook de gemeenschap tussen de mensen hersteld.


1) De formulering is van de synode van Middelburg, 1581.
2) Dit is in aansluiting aan de vroegere redactie van Dordrecht, 1578: „... om den Sondaer met God en synen naesten te versoenen”.

|125|

Vroeger hoorde men misschien in het zelfstandig naamwoord déze betekenis nog meer direct dan tegenwoordig, zeker in kerkelijk spraakgebruik 3).

Het gaat hier dus om de vrede in de Schriftuurlijke zin, zoals Jeruzalem de kerk-stad de stad van de vrede is:

„vrede zij binnen uw muur,
rust in uw burchten”. Ps. 122, 7, vgl. ook Ps. 72, 3.

Die vrede, de ‘sjaloom’ strekt zich héél ver uit. In de Christus zal zij de wereld vervullen, Ps. 72, 7.8. Maar het centrum van die vrede is de gemeente, die mag leven onder de bediening der verzoening (2 Kor. 5, 18) — de gemeente die als het ware de ‘eerstelingen’ onder Gods schepselen mag bijeenbrengen, Jac. 1, 18.

Tot die vrede van de gemeente, van het lichaam van Christus worden wij geroepen en tot die vrede mogen we als we uit onze zonde terugkeren tot God ook weer komen. Zo spreekt Paulus aan de gemeente van Kolosse over deze vrede: „En de vrede van Christus, tot welke gij immers in één lichaam geroepen zijt .…”, Kol. 3, 15. Het is goed hier op de samengedrongen manier van spreken door de apostel gebruikt te letten. Het geroepen zijn tot de ‘vrede’ krijgt concrete gestalte, heeft om zo te zeggen vlees en bloed in het geroepen zijn „in één lichaam”. Het gaat niet aan te roemen in vrede met God als we onze plaats niet hebben in het lichaam van Christus, dat is zijn gemeente, 1 Kor. 12, 12.20. Het herstel van de breuk tussen God en ons werkt door en wordt zichtbaar in het herstel tussen de mensen en in de situatie waarover wij nu spreken, in het herstel van de geschónden verhoudingen. De zonde maakt zoveel kapot. Bij de mens zelf, omdat hij zich van God, die zijn leven is, losscheurt, en tussen de mensen onderling. De zonde breekt iedere weg op. Gods genade daarentegen ontsluit weer iedere weg!

Om déze vrede gaat het nu.

Heel opvallend is de plaats die deze herkregen vrede in de Kerkorde (zowel in de vroegere als in de huidige redactie) heeft ontvangen!


3) J. Verdam schrijft onder het woord Versoeninge in het Middelnederlandsch Handwoordenboek (druk van 1932 die voor wat het laatste gedeelte betreft opnieuw is bewerkt door C.H. Ebbinge (1932) en in een reprint verscheen ’s Gravenhage 1961): „Het herstel van den vrede tusschen vijanden of partijen; ook herstel van den vrede tusschen God en de menschheid”.

|126|

Als we de voortgang van het hoofdstuk over de tucht overwegen, springt in het oog dat de Kerkorde als het ware er alle moeite voor doet om te laten zien hoe centraal het “herstel van de geschonden verhoudingen” staat.

In de eerste plaats is het volgende op te merken: het hoofdstuk over de tucht telt 11 artikelen (72-82). Daarvan handelen twee (79, 80) over de tucht over ambtsdragers, één over het broederlijk vermaan in de kerkeraad (81) en één over de tucht over doopleden (82). Na het eerste algemene en inleidende artikel wordt door de gehele gang van de tucht vanaf het eerste vermaan tussen broeders tot de wederopneming van een geëxcommuniceerde broeder toe in zes artikelen beschreven (73-78). Van die zes handelen er twee over het weer aannemen of het weer opnemen van een broeder die in zonde heeft geleefd. Dat wil zeggen: één derde gedeelte van het geheel van de kerkordelijke bepalingen! Als er ergens duidelijk wordt dat één van de doeleinden die bij de oefening van de christelijke tucht ons voor ogen moet staan het behoud van de zondaar is, dan wel in deze verdeling van de aandacht in dit hoofdstuk en de concentratie van de aandacht op de herkregen vrede in de weg van bekering en schuldbelijdenis!

Daar komt nog een belangrijk element bij.

De Kerkorde heeft na het inleidend artikel over het doel van de tucht (72) in art. 73 en 74 (eerste gedeelte) over het broederlijk vermaan gehandeld.

In art. 74 (tweede gedeelte) komt de kerkeraad als rechtsprekend college binnen onze horizon: „Wanneer iemand over een geheime zonde naar de regel van Mattheus 18 is vermaand en daaraan geen gehoor geeft, of wanneer iemand een openbare zonde gedaan heeft, zal dit aan de kerkeraad worden meegedeeld”.

Bespreekt art. 75 dan daarna soms de weg die nu de kerkeraad met de onbekeerlijke zondaar moet gaan, die naar het broederlijk vermaan niet heeft willen luisteren?

Nee, dat komt pas in de artikelen 76 en 77!

Maar vóór de tuchtprocedure verder wordt geschetst, beschrijft de Kerkorde in art. 75 hoe de kerkeraad heeft te handelen, wanneer de zondaar tot inkeer komt: „Wanneer iemand zich bekeert van een openbare zonde of van een geheime zonde die moest worden meegedeeld aan de kerkeraad, zal deze zijn schuldbelijdenis aanvaarden als daarbij voldoende tekenen van berouw gezien worden. De kerkeraad zal beoordelen of van deze schuldbelijdenis mededeling aan de

|127|

gemeente gedaan moet worden”. Terecht heeft ds. L.S. Kruger opgemerkt: „die artikel oor die versoening gaan die tugprosedure vooraf. Daarmee word die versoening als die doelpunt van die sensuur beklemtoon” 4).
Daarom wordt in het volgende artikel zelfs de afsnijding, de ‘definitieve’ excommunicatie ook gekarakteriseerd als ‘uiterste remedie’: genees- en herstelmiddel. Het ‘definitieve’ in de excommunicatie wil niet definitief zijn in het leven van de zondaar! Het wil integendeel een uiterste poging zijn om te bereiken dat dan ‘definitief’ een zwenking ten goede optreedt! Hier is de Kerkorde diep verankerd in de belijdenis van de christelijke kerk over de sleutels van het Koninkrijk der hemelen, vooral over de tweede sleutel, de ban. De Heidelbergse Catechismus spreekt bij, de eerste sleutel, de prediking van het Evangelie, over het „ontsluiten en toesluiten” van het Koninkrijk, vr. 84. De volgorde van de woorden wordt bij de tweede sleutel omgekeerd: “toegesloten en ontsloten door de Christelijke ban”, vr. 85. Dat beide woorden van plaats wisselen is betekenisvol. Maar beide woorden blijven gehandhaafd! Het gaat in de toesluiting van het Koninkrijk óm de ontsluiting.

Daarom is een tuchteloze kerk alleen maar in schijn barmhartig. Ze is in werkelijkheid wreed. Ze laat de zondaar aan zijn eigen gekozen lot over. En wat hier van de kerk gezegd wordt, dat moet ook van de ambtsdragers binnen de gemeente van Christus worden gezegd! Zij kunnen wellicht de volksgunst verwerven door de tucht te laten verslappen, maar ze halen niet van onder de macht van de dóód vandaan, terwijl zij er toch de middelen voor hebben ontvangen, als God ze wil zegenen.

Dit doel, het herstel van de vrede en het behoud van de zondaar moet zo beheersend zijn, omdat God die de tucht heeft ingesteld in zijn gemeente de God van de verlossing van het leven is. Handhaving van de heiligheid van de gemeente — dat is de tucht. Ze behoort het te zijn. Maar die gemeente is de gemeente van Gód. Daarom behoort de tucht dienstbaar aan de heiligheid van deze Heer van hemel en aarde te zijn. Maar dat staat niet tegenover de worsteling om het behoud van de zondaar! In zijn heiligheid bewerkt God de verlossing van een zondig


4) L.S. Kruger e.a., Handleiding by die Kerkorde van die Gereformeerde Kerk in Suid-Afrika, Potchefstroom 1966, pag. 443, 444.

|128|

volk, Jes. 41, 14; 47, 4. En de rechtelijke handhaving van de heiligheid van de gemeente Gods tegenover de destructieve macht van de zonde mag en moet zich hierdoor laten richten. Het recht van God en daarom ook de kerkelijke rechtsbediening wil verlóssend recht zijn in de heiliging van het leven van de zondaar. 

|129|

 

7.2. De kerkeraad — verantwoordelijk college.

Wanneer in de gemeente de weg van het broederlijk vermaan tot het einde toe is afgelopen en er geen gehoor bij de zondigende broeder of zuster wordt gevonden, is het ogenblik aangebroken de nodige informatie zowel over de aard van de zonde als over de gang van het vermaan aan de kerkeraad over te leggen. Het college van opzieners wordt nu geroepen het vermaan verder te leiden. Nu komt de aanvankelijk ‘geheime zonde’ op één lijn met de ‘openbare zonde’ te staan, waarmee de kerkeraad zonder meer te maken krijgt.

Als nu in dit stadium er bekering bij de zondaar plaats vindt en hij tot schuldbelijdenis komt, is dat altijd een zaak van de kerkeraad. Een zaak die ter beoordeling van de kerkeraad staat.

Vóór we daarover nog een enkele opmerking maken, moet het eerst onze aandacht hebben, dat het tot deze schuldbelijdenis onder Gods zegen inderdaad kan komen vanaf de eerste keer dat de kerkeraad bemoeienis met de zaak heeft en dan verder gedurende heel de volgende gang van de procedure. Daarom heeft de Kerkorde in art. 75 ook een algemene formulering gekozen: „Wanneer iemand zich bekeert van een openbare zonde of van een geheime zonde die moest worden meegedeeld aan de kerkeraad, zal deze zijn schuldbelijdenis aanvaarden als daarbij genoegzame tekenen van berouw gezien worden”. Hier ontbreekt verder iedere tijdsaanduiding. Dat is in afwijking van wat bij voorbeeld H. Bouwman schrijft in zakelijke aansluiting aan de vroegere redactie: „Onder de verzoening hier bedoeld, moet worden verstaan de handeling der kerk, waardoor een lid der gemeente, die in zonden gevallen en deswege onder de kerkelijke tucht gekomen is, weder na schuldbelijdenis van verdenking en zonde wordt vrijgesproken, en de rechten van een lid der kerk terugontvangt1). De door ons gecursiveerde woorden geven aan dat het de schrijver hier gaat om een rechtelijke handeling van de kerkeraad die een einde maakt aan een situatie van tuchtoefening. Dat zal inderdaad in veruit de meeste gevallen zó zijn. Toch heeft F.L. Rutgers op het punt in kwestie beter geformuleerd toen hij meer algemene termen koos: „… hier wordt gesproken met betrekking tot het geval,


1) H. Bouwman, De kerkelijke tucht, Kampen 1912, pag. 253.

|130|

dat iemand, na verachting van private vermaning, de vermaning van de kerkeraad aanvaardt en tot berouw komt” 2).

Het is immers mogelijk dat de zondaar de vermaning van de kerkeraad ter harte neemt nog vóór het tot de disciplinaire afhouding van het Avondmaal is gekomen en dus ook nog vóór hem de uitoefening van zijn overige rechten als belijdend lid (tijdelijk) is ontzegd. Het zou niet juist zijn deze mogelijkheid te negéren. Dan zouden we het gevaar lopen te gering te denken van de kracht die kan uitgaan van het ambtelijk vermaan. In art. 76 wordt nadrukkelijk gezegd dat de kerkeraad de toegang tot het Avondmaal zal ontzeggen „aan hem, die de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt”. Er is dus broederlijk vermaan geweest. Blijft dit zonder positief effect, dan komt daar het ambtelijk vermaan bij. Daardoor wordt de kracht van het vermaan geïntensiveerd. Wellicht gebeurt dat — de intensivering — mede ook doordat de kerkeraad of de broeders die namens de kerkeraad spreken, met nog meer klem vanuit het Woord Gods de roeping tot bekéring aan kunnen dringen dan het de broeders mogelijk was die de zondaar in de broederlijke sfeer op zijn zonde hebben aangesproken. Maar het is ook mogelijk, dat de kerkeraad of de broeders ambtsdragers niet zo veel ‘nieuws’ meer ter sprake kunnen brengen. Daarmee is echter de intensivering van het vermaan nog niet een fictie geworden. Want nu wordt in een ander kader gesproken! Nu spreekt het college dat over de heiligheid van de tafel heeft te waken en de toegang kan ontzeggen. Het college spreekt, dat de macht heeft ontvangen om metterdaad de tweede sleutel te bedienen. Daarmee mag men nooit onnodig dreigen en zeker niet chanteren. Maar men mag als ambtsdragers de zondaar wél voorhouden dat het iets anders is of bij voorbeeld op het gebruikelijke ambtelijke huisbezoek over één of andere zaak in vermanende zin wordt gesproken óf dat het ambtelijk vermaan uitgaat ná het verachten van het broederlijk vermaan. In het eerste geval is het kader waarin men spreekt dat van de pastorale leiding van het leven van de gemeenteleden. Maar in het tweede geval spreekt men en spreekt men aan in het kader van een rechtelijke handeling. Ook al mag men hier niet scheiden, er is wel degelijk onderscheid. Een onderscheid dat intensiverend werkt. En aangezien het


2) F.L. Rutgers, Verklaring van de Kerkenordening IV, Rotterdam 1918, pag. 45.

|131|

God behaagt om door de vermaningen en dreigementen het werk van zijn genade ook in ons te bewáren (vgl. Dordtse Leerregels, vijfde hoofdstuk, paragraaf 14), mogen wij er op hopen dat de vermaningen en dreigementen die voor de zondaar in dit kader worden gezet des te krachtiger werken. Het kader is óók een kader van het Woord. En dat Woord is instrument in de handen van de Heilige Geest, de Werkmeester van de bekering!

Vanaf de eerste vermaning die uitgaat tot de broeder die als ‘zondaar’ getypeerd moet worden (art. 72), omdat hij zich door de zonde laat beheersen, is er de roep tot de vrede en in die weg tot het herstel van de verhoudingen. En die roep blijft in heel de procedure. De vrede, die in Christus is, kan steeds herkregen worden, ook in het verdere verloop van de tuchtoefening.

Hierdoor wordt eens te meer het eigen karakter, de eigen aard van het kerkelijk tuchtrecht duidelijk. De bekentenis is geen element in de opbouw van de schuldig-verklaring, zoals het geval is in het burgerlijk strafrecht. Maar de (oprechte) bekentenis opent de weg naar de verzoening. De tucht zoekt geen vergelding als zodanig, maar handhaving van de heiligheid van de gemeente Gods.

Het is vervolgens van groot belang duidelijk in te zien dat we nu wèl het stadium van het broederlijk vermaan voorbij zijn. De kerkeraad oordeelt. En de kerkeraad handelt. Dat geldt dus ook als er in reactie op vermaan schuldbelijdenis komt. In de meeste gevallen handelt de kerkeraad in een tuchtprocedure door middel van broeders die door de kerkeraad worden gemandateerd. Dat heeft zonder twijfel het voordeel dat ook de tuchtbezoeken een zo vertrouwelijk mogelijk karakter houden en het (vermanend) gesprek zo veel mogelijk opening geeft tot een weerwoord, waarin de zondaar zich gééft, z’n ‘stukken’ op tafel legt, z’n hart opent. Aan de andere kant blijft uit de aard van de zaak voor de kerkeraad de mogelijkheid een broeder in zijn vergadering te citeren. Zeker, indien de zondaar de leiding van de kerkeraad tracht te frustreren door bij voorbeeld de waarheidsgetrouwheid van de rapporterende broeders in twijfel te trekken, kan het aanbeveling verdienen hem in de vergadering te ontbieden om hem dan ook binnen de vergadering te bestraffen over zijn kwalijke manier van doen waardoor hij zijn schuld nog groter en het herstel moeilijker maakt.

Maar ook als de kerkeraad door afgevaardigden handelt, is hij — de

|132|

kerkeraad — het oordelende en handelende college.

Praktisch betekent dat onder meer in het stadium van de tucht, waarover wij nu handelen, dat niet de bezoekende broeders beslissen, maar de kerkeraad als college beoordeelt of de schuldbelijdenis van een broeder aanvaard zal worden.

Het ligt voor de hand dat er emoties los kunnen komen als een broeder, die met het vermaan van de kerkeraad van doen heeft gekregen, zijn schuld belijdt. Emoties van blijdschap en van ontroering. Maar de geest van de ambtsdrager moet aan de ambtsdrager onderworpen blijven We moeten ons door onze emoties niet mee laten slepen en tot onverantwoorde uitspraken komen. Natuurlijk zijn we méér dan koude, kille registratoren. Ook als we niet in beslissende zin kunnen reageren op een schuldbelijdenis, wil dat niet zeggen dat we tot geen enkele reactie bevoegdheid hebben. De wijsheid zal hier de weg moeten leren. Maar vóórop staat, dat, als we afgevaardigd zijn, we de kerkeraad als beslissende instantie erkennen en dat ook aan de broeder duidelijk maken. Natuurlijk heeft de kerkeraad ook de bevoegdheid zijn oordeel met betrekking tot een schuldbelijdenis aan de broeder te doen weten door middel van een afvaardiging. Maar het beginsel: de kerkeraad oordelende en beslissende instantie behoort nooit te worden gekwetst.

De Kerkorde laat duidelijk uitkomen van hoeveel belang deze zaak is. In de eerste plaats wordt de kerkeraad met even zoveel woorden genoemd als de instantie die de schuldbelijdenis aanvaardt: „Wanneer iemand zich bekeert van een openbare zonde of van een geheime zonde die moest worden meegedeeld aan de kerkeraad, zal deze zijn schuldbelijdenis aanvaarden .…”.

In de tweede plaats laat de Kerkorde uitkomen dat dit aanvaarden niet een automatische, een louter-administratieve handeling is. De schuldbelijdenis wordt aanvaard „als daarbij voldoende tekenen van berouw gezien worden”.

In de derde plaats wordt de kerkeraad aangewezen als de instantie die „zal beoordelen of van deze schuldbelijdenis mededeling aan de gemeente gedaan moet worden”.

Deze duidelijke lijn in de Kerkorde is ook een hecht in de geschiedenis van het gereformeerd tuchtrecht verankerde zaak. Reeds de eerste synode, Emden 1571, sprak nadrukkelijk uit: „Die sonden welcke van haer naetuere openbaer zijn, ofte die der Ghemeente (om der verwerpinghe der vermaninghen wille) gheopenbaert werden, die salmen

|133|

opentlijck versoenen, niet nae het oordeel van een ofte twee persnonen, maar nae het ghevoelen der gantscher Consistorie, ende dat op sulcker wijse ende forme, welcke men achten sal tot opbouwinghe eener yegelijcker Ghemeente die alderbequaemste te wesen” 3).

Het kan zijn dat men in de bepaling dat bij de schuldbelijdenis „voldoende tekenen van berouw” 4) gezien moeten worden, iets hards, iets on-evangelisch proeft. Het tegendeel is waar. De Schrift zegt zelf nadrukkelijk:

„Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn, maar wie ze belijdt en nalaat, die vindt ontferming”. Spr. 28, 13. 

Het breken met de overtreding is het bewijs, dat de belijdenis ervan oprecht is 5).

Daarbij is in rekening te brengen dat de zonde, het léven in de zonde ook corrumperend inwerkt op de mens en dikwijls zijn wil verslapt en zijn woorden en betuigingen, met hoeveel klem uitgesproken, goedkoop maakt. Bij bepaalde zonden springt dat naar voren. Dan kan een ‘schuldbekentenis’ misschien erg vlot komen, zonder dat daadwerkelijk met de zonde is gebroken. Ook tranen zijn dan geen ‘voldoende tekenen van berouw’. Die zijn er alleen in het metterdaad breken met het kwaad.

Zonder dat het met even zoveel woorden hier in de Kerkorde wordt gezegd, is het duidelijk dat de kerkeraad in bepaalde gevallen (bij voorbeeld als de heilige naam van God verschrikkelijk is gesmaad of wanneer voor een te ‘vlotte’ belijdenis vrees moet bestaan) de bevoegdheid heeft een proeftijd in te lassen. Die ‘proeftijd’ mag niet het karakter dragen van een soort straf-oefening, die nog wordt uitgedeeld, hoewel de eigenlijke tucht al is opgeheven. Daardoor zou het toedienen van de straf zijn karakter verliezen van de bediening van de sleutel van het Koninkrijk der hemelen en zou het tuchtrecht binnen de kerk maar al te snel verwereldlijken. Daarvoor zullen we op onze hoede zijn. Toch is het mogelijk dat de kerkeraad die niet (meer) onder tucht stelt, wel redenen ziet om nog niet de uitoefening van alle rechten van de belijdende leden weer toe te staan, opdat de heiligheid


3) Acta Emden, art. 29, F.L. Rutgers, Acta 16e eeuw, pag. 69.
4) In het Latijn van Middelburg, 1581, waar dit element is opgenomen: „verae poenitentiae signa”, vgl. F.L. Rutgers, a.w., pag. 399. Het gaat dus om tekenen van wèrkelijk berouw.
5) Zo W.H. Gispen in Korte Verklaring Spreuken II, pag. 286.

|134|

van de gemeente des Heren niet zonder noodzaak in het gevaar van kwetsing gebracht zal worden.

Of de gemeente in kennis van de schuldbelijdenis zal worden gesteld, staat, zoals we hebben gezien, ook aan het oordeel van de kerkeraad. Hier spelen verschillende factoren een rol. In het algemeen is te zeggen: bij de beoordeling van de vraag: bekend maken aan de gemeente of niet? zal de kerkeraad de doelstellingen van de kerkelijke tucht in het oog moeten houden. Dat wat de kerkeraad als rechtsprekend college voor ogen moet staan bij het opleggen van de tucht (de eer van Gods naam, het behoud van de zondaar, het wegnemen van de aanstoot uit het leven van de gemeente), is ook beslissend voor de vraag of er bij de opheffing van de tucht publieke mededeling zal worden gedaan en eventueel of er publieke belijdenis van schuld zal worden gevorderd.

Het is duidelijk dat een zonde die in het eerste stadium van de bemoeienis van de kerkeraad wordt overwonnen, niet via het bekendmaken van de schuldbelijdenis aan de gemeente ‘aan de grote klok’ gehangen moet worden. Maar het is even duidelijk dat van het breken met een zonde die heel de gemeente in opschudding en verwarring heeft gebracht, uit de aard van de zaak aan die gemeente bekendheid wordt gegeven. Dan kan de broeder ook weer door ieder in de vrede van Christus worden aangenomen en is de verhouding hersteld, de vrede herkregen. Dan is het publiek maken van de schuldbelijdenis niet een overbodige hardheid en nog een nákomende strafbepaling, evenmin als de ‘proeftijd’ waarover we zojuist handelden —, het is de proclamatie van de vrede en van de verzoening in het midden van de gemeente die van deze vrede leeft.

Een levende gemeente zal hier alle leedvermaak áchter en ónder zich laten. Het lied wordt opnieuw geboren:

„Welzalig hij, wiens overtreding vergeven,
wiens zonde bedekt is”. Ps. 32, 1.

Kamphuis, J. (1982) Hst. 8

|135|

8. De voorlopige excommunicatie (of afhouding van het avondmaal)

 

8.1 . De juiste benaming.

Bij de behandeling van de kerkelijke tucht zijn we toegekomen aan de bespreking van de eerste disciplinaire maatregel die door de kerkeraad kan worden genomen: de afhouding van het Heilig Avondmaal. Déze afhouding moet onderscheiden worden van de zgn. ‘eenvoudige afhouding’, die een kerkeraad bij voorbeeld aan twistenden kan opleggen wanneer de behandeling van een zaak tussen broeders niet tot een beslissing is gekomen. Over deze niet-disciplinaire afhouding hebben we vroeger gehandeld. Nu spreken we over de afhouding van een belijdend lid der gemeente „die de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt of die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan heeft” (K.O., art. 76).
Laten we eerst aan de naam aandacht geven.
De Kerkorde spreekt over het ontzeggen van de toegang tot het Avondmaal van de Here. In aansluiting daaraan is het gebruikelijk over de afhouding van het Avondmaal te spreken (Lat.: excommunicatio coenae). Men kan deze afhouding van het Avondmaal dan contrasteren met de afsnijding van de kerk (Lat.: excommunicatio ecclesiae). Men onderscheidt ook wel tussen de kleine en de grote ban (Lat.: excommunicatio minor en excommunicatio maior). De ‘kleine ban’ wordt ook wel ‘stille censuur’ genoemd.

Nu is het geen spijkers op laag water zoeken wanneer we de termen kritisch wegen. Het gaat ons er dan om eventuele moeite die door onzuivere terminologie in het leven wordt geroepen te voorkómen of te overwinnen.

Wanneer de Kerkorde deze voorlopige excommunicatie benoemt naar het voornaamste deel ervan, nl. de ontzegging van de toegang tot het Avondmaal (afhouding), is dat geheel te billijken. De Kerkorde is niet op zoek naar een kerkrechtelijke terminologie (en dan zeker niet in wetenschappelijk-technische zin). Maar dat betekent dan ook dat we met het repeteren van kerkorde-artikelen niet klaar zijn. We hebben in de disciplinaire maatregel, die we nu in bespreking hebben genomen te doen met meer dan alleen met de afhouding van het Avondmaal. Dat klemt zó sterk dat de Gereformeerde Kerk in Zuid-Afrika

|136|

in 1964 zelfs de tekst van het betreffende artikel van de Kerkorde ruimer heeft gesteld: „Diegene wat hardnekkig die vermaning van die kerkraad verwerp en ook dié wat ’n openbare of ander growwe sonde gedoen het, moet van die sakramente van die Here afgehou word”. Dat wordt als volgt bekommentarieerd: „Volgens die genoemde redaksionele hersiening handel die artikel nou oor die afhouding van die sakramente, waarby sowel die Nagmaal als die doop betrek word” 1).

Hierin is het juiste element dat degene die van het Avondmaal is afgehouden óók niet is gerechtigd antwoord te geven op de vragen die bij de doop van de kinderen der gelovigen aan de ouders worden gesteld. Hij kan met de kerk geen stipulaties aangaan bij de doop over een christelijke en godzalige opvoeding.

Toch is deze verruiming naar mijn oordeel geen gelukkige greep geweest. Om twee redenen. In de eerste plaats is de ontzegging van de toegang tot het Avondmaal van een andere orde dan het niet ontvangen voor het aangaan van stipulaties bij de doop. In het laatste geval wordt men niet zèlf van het sacrament afgehouden, maar is men niet gerechtigd zelfstandig deel te nemen aan het voldoen aan de voorwaarden die vereist zijn, wanneer de doop aan een ander bediend zal worden. Men kan in dit geval dus moeilijk de algemene noemer ‘de sacramenten’ hanteren 2). Daarbij komt ten tweede dat men een bepaalde zaak wel naar het voornaamste onderdeel daarvan kan benoemen (het zgn. ‘pars pro toto’), maar dan is het ook verstandig in de kerkordelijke terminologie niet verder te gaan. Anders wekt men de suggestie door de aangebrachte verruiming nu alles wat hier in geding is te hebben aangewezen. En dat is niet waar. Wie van het Avondmaal is afgehouden door middel van een disciplinaire maatregel is ook niet bevoegd, zolang de maatregel van kracht is, aan verkiezing van ambtsdragers mee te doen. Het spreekt vanzelf dat de kerkeraad hem ook niet aan de gemeente zal voordragen in een vacature voor


1) L.S. Kruger in: Handleiding enz. pag. 448. De cursivering in het kerkorde-artikel is van mijn hand.
2) De Kerkorde van de syn. Gereformeerde Kerken heeft in art. 111 daarom ook zuiverder geformuleerd: (de afhouding van het Avondmaal brengt met zich mee) „dat de uitoefening van het recht de doopvragen te beantwoorden .... hun onthouden wordt”.

|137|

ambtsdragers 3). De kerkeraad kan hem ook de uitoefening van functies, bij voorbeeld in verband van de ‘commissie van beheer’, ontnemen 4).

Als ‘technische termen’ voldoen evenmin ‘afhouding van het Avondmaal’ (excommunicatio coenae) tegenover ‘afsnijding uit de gemeente’ (excommunicatio ecclesiae). Terecht merkt Rutgers op: „De censuur van art. 76 is eigenlijk ook excommunicatie en ook wel zoo genoemd, maar dan ‘tijdelijke excommunicatie’”. De gecensureerde was ook extra communionem ecclesiae (= buiten de gemeenschap der kerk), maar niet definitief 5).

De zaak is bij deze eerste disciplinaire maatregel dat de rechten, die men in de gemeenschap van het Verbond heeft ontvangen, nog niet ontnomen zijn, maar dat — en dit dan over heel de linie — de uitoefening van die rechten wel ontzegd is. Men kan hier een parallel trekken met de schorsing in het ambt naar art. 79 Kerkorde. Een geschorste ambtsdrager is nog wel ambtsdrager, maar hij is tijdelijk niet bevoegd om als ambtsdrager op te treden, om zijn rechten aan het ambt verbonden uit te oefenen. Zo staan de zaken ook in dit geval. Daarom is het onderscheid tussen ‘kleine ban’ en ‘grote ban’ veel beter. Alleen is de aanduiding, die zeker hanteerbaar is, wel betrekkelijk vaag; men vraagt zich direct af: wat wordt met dat ‘klein’ en ‘groot’ bedoeld? Hetzelfde bezwaar is wel in te brengen tegen ‘stille censuur’. Hierbij komt nog als bezwaar dat in het gehéle complex van de procedure die tot de afsnijding voert er ook wel degelijk elementen aanwezig zijn, nl. de eerste vermaningen die weer tot de zondaar uitgaan nadat hij van het Avondmaal is afgehouden, die — voorshands — niet tot kennis van de gemeente worden gebracht. Dan kan het misverstand rijzen dat men hier nog met de ‘stille censuur’ bezig is, terwijl


3) Het komt me minder juist voor dat Joh. Jansen, Korte Verklaring, pag. 330, 331 hier spreekt van het verlies van het gebruik van de medezeggenschap in de regering der kerk en dan het actief en het passief kiesrecht naast elkaar stelt. Hier is teveel het staatsrechtelijk patroon gevolgd.
4) In het reeds gedeeltelijk geciteerde artikel 111 van de Kerkorde der syn. Gereformeerde Kerken heeft men naast de afhouding van het Avondmaal en als gevolg daarvan genoemd: „dat de uitoefening van liet recht de doopvragen te beantwoorden en aan de verkiezing van ambtsdragers deel te nemen, hem onthouden wordt”. Hier is dus naar volledigheid gestreefd. Maar het blijft o.i. een hachelijke zaak.
5) F.L. Rutgers, Kerkenordening IV, pag. 84.

|138|

men in werkelijkheid de eerste stappen zet op de weg naar de volledige excommunicatie.

Wanneer we ons voor ons spraakgebruik oriënteren aan dat van de excommunicatie als afsnijding van de gemeente, dan verdient het aanbeveling de afhouding van het Avondmaal en de daarbij komende ontzegging van de uitoefening van de overige rechten als belijdend lid van de gemeente des Heren aan te duiden als: voorlopige excommunicatie. Men kan ook van tijdelijke excommunicatie spreken. Maar het ‘voorlopige’ heeft terminologisch als voordeel dat de verbinding met en de oriëntatie aan de afsnijding als uiterste remedie duidelijk is. In de disciplinaire afhouding van het Avondmaal wordt de zondaar reeds buiten de actieve beoefening van de gemeenschap der heiligen, de ‘communio sanctorum’ gesteld. Wanneer we zo formuleren, dan is tegelijk duidelijk dat diaconale verzorging hieronder niet valt.

We hechten er echter belang aan de verbinding met de afsnijding uit de gemeente duidelijk in het zicht te houden. Want dááraan is de voorlopige excommunicatie ondergeschikt. Niet in deze zin dat het per se altijd ván de voorlopige tot de volledige excommunicatie moet komen. Het tegendeel is eerder het geval. Deze vóórlaatste ‘remedie’ wordt toegepast in de hoop dat het niet tot de ‘uiterste’ remedie van de ban of afsnijding zal behoeven te komen.

Maar in principieel-kerkrechtelijke zin is de afhouding van het Avondmaal als voorlopige excommunicatie ondergeschikt aan de ban of afsnijding. Want deze laatste steunt op duidelijke, en ook bekende uitspraken van de Heilige Schrift, o.m. 1 Kor. 5, 12.13 (waarbij ook de parallelle plaatsen uit het Oude Testament genomen moeten worden) en Matt. 18, 17. Hierbij is ook te noemen de ban zoals die is voorgeschreven en in praktijk werd gebracht in het Oude Testament, vgl. onder meer Deut. 13, 12-18 6).

Het ligt met de voorlopige excommunicatie wel iets moeilijker en gecompliceerder. Er is hiervoor geen direct Schriftbewijs uit het Nieuwe Testament aan te voeren. Uitdrukkelijk voorschrift is wèl het kwade uit het midden van de gemeente weg te doen. Maar de procedure die daarbij door de kerkeraad moet worden gevolgd, is niet in onderdelen voorgeschreven. We hebben in de voorlopige excommunicatie


6) Over de ban in het Oude Testament zou breder zijn te spreken, maar dat is in het raam van de huidige behandeling niet noodzakelijk.

|139|

als kerkordelijk voorschrift zelfs te doen met een zaak waarvan de historische oorsprong ons precies bekend is: we treffen het voorschrift voor het eerst aan in de kerkordelijke bepalingen die de gereformeerde kerken in Frankrijk op de tweede synode van Parijs, 1565 (art. 2) hebben gemaakt.

Toch betekent dit in geen geval dat we hier hebben te doen met een zaak van geringe betekenis, waarvan het onverschillig is of men deze al dan niet in praktijk brengt.

De ‘voorlopige excommunicatie’ komt wel degelijk op uit heel de onderwijzing van de Schrift over de oefening van de tucht en is daarvan een concretisering die wij niet kunnen missen zonder aan het geestelijke en effectieve karakter van de tucht zeer grote schade toe te brengen. De zaak is daarom ouder dan de bepaling in de Kerkorde.

Men moet bedenken dat hier twee zaken, die onderling onverbrekelijk samenhangen, in geding zijn.

In de eerste plaats zijn de ambtsdragers geroepen te waken voor de heiligheid van de gemeente Gods. Zij moeten er eens rekenschap van afleggen dat zij naar hun vermogen die heiligheid hebben gehandhaafd en dus ook de tafel van de verbondsgemeenschap (al weer: naar hun vermogen) heilig hebben gehouden. Zij zijn dus geroepen om degenen die met de zonde ondanks vermaningen niet willen breken van de tafel des Heren te weren.

Maar er is tegelijk een andere roeping, nl. die van het betoon van lankmoedigheid in betrekking tot de behandeling van de zondaar. Déze roeping staat niet tegenover de eerstgenoemde. We hebben hier niet met tegenstrijdige zaken te maken, hoe dikwijls we in het ambtelijk werk ook als het ware aan den lijve de spanning zullen gevoelen, waarin we moeten werken. Maar het is géén spanning vanwege een tegenstrijdigheid! Het tweede, het betoon van de lankmoedigheid, behoort bij het eerste, het handhaven van de heiligheid van Gods gemeente. Men denke zich in hoe radicaal de christelijke tucht in haar heilig karakter en in haar doelstelling, het behoud van de zondaar gecorrumpeerd zou worden, wanneer het tussenstadium van de voorlopige excommunicatie niet zou kunnen worden ingelast!

We zouden dan voor twéé kwaden staan, waartussen niet gekozen mag worden.

Het eerste kwaad zou zijn, dat we af zouden zien van de uitoefening van de tucht, omdat we (en dikwijls zou het op dit punt terecht zijn!) gevoelen dat we de maatregel van de afsnijding nog niet ten uitvoer mogen leggen. Maar dan is de kerk aan tuchteloosheid overgegeven: een wrede ‘barmhartigheid’!

Maar het tweede kwaad zou niet minder erg dan het eerste zijn: dat we tot de afsnijding zouden overgaan, terwijl het daarvoor de tijd nog niet zou zijn. Dan zouden we ons verstrikken in een doperse jacht naar de ‘heilige gemeente’ en in plaats van te waken voor de kudde zouden we als ambtsdragers de kudde uitéénjagen en de schapen van Christus niet hoeden, maar uitstoten en vertrappen. En dáárvoor zijn we niet in het ambt van opziener in de gemeente van Christus, die gekomen is om zondaren te behouden, gesteld!

|141|

 

8.2. Geen dopers drijven.

De disciplinaire afhouding van het Avondmaal als zelfstandig onderdeel van de procedure van de kerkelijke tucht, is noodzakelijk, zo hebben we in de vorige paragraaf gesteld, opdat de ambtsdragers-opzieners het dubbele aspect van hun roeping zouden zien en zouden betrachten: het waken voor de heiligheid van de gemeente én het betonen van lankmoedigheid in het uit laten gaan van de vermaningen aan het adres van de zondaar. Verwaarlozen we het eerste aspect dan wordt de tafel des Heren niet heilig gehouden. Negéren we het tweede en schuiven we om zo te zeggen de voorlopige en de uiteindelijke excommunicatie in elkaar, dan zijn we in feite overgegaan op het doperse spoor van de tuchtoefening: de jácht naar de heilige gemeente.

Het was niet te vermijden dat deze zaak aan de orde kwam in de polemiek tussen dopersen en gereformeerden in de 16de eeuw. Voor wat de Nederlanden betreft komt dan inzonderheid in aanmerking het godsdienstgesprek van Emden 1578. Het werd gehouden in dezelfde plaats waar enkele jaren eerder, in 1571, de eerste synode van de Gereformeerde Kerken samenkwam en waar de gereformeerde Kerkorde in eerste redactie werd vastgesteld. En het werd gehouden vlak vóór de tweede nationale synode, die van Dordrecht 1578 1).

Op beide kerkelijke vergaderingen was ook over de kerkelijke tucht gehandeld en had men in de Kerkorde het onderscheid vastgelegd tussen afhouding én afsnijding, tussen de voorlopige en de volledige excommunicatie en zo had men ruimte gemaakt om nog met ‘vele vermaningen’ te werken aan de bekéring van de zondaar 2). Van gereformeerde zijde was er dus al duidelijk positie ingenomen. Dat was van doopsgezinde kant niet minder het geval. Dus kwam men beslagen ten ijs op het godsdienstgesprek dat gedurende meer dan twee en


1) Dordrecht 1574 was een ‘particuliere synode’ die wél het morele gezag van een generale synode heeft gekregen.
2) Voor wat Emden betreft, Acta, art. 30 en voor Dordrecht, 1578, die als eerste synode de kerkordelijke bepalingen systematiseerde in zes hoofdstukken (de volgende synode, die van Middelburg, 1581, zou er vier van maken en zó is het gebleven), vgl. Acta VI, 5, bij F.L. Rutgers, Acta 16e eeuw, pag. 70 en 259.

|142|

een halve maand, van 25 februari tot 17 mei 1578, werd gehouden over een totaal van maar liefst 124 zittingen! 3).

In het kader van deze brede discussie werd nu ook opzettelijk de vraag aan de orde gesteld: „moet er aan de ban vermaning voorafgaan, of niet?” 4). Eén van de meest-bekwame en theologisch goedonderlegde woordvoerders van de doopsgezinden, Brixius Gerritzn 5) gaf hun standpunt als volgt weer: „Men moet wel, volgens Matth. 18 en Luk. 17 herhaaldelijk den broeder vergeven, die zondigt tegen ons, maar onmiddellijk bannen den zondaar tegen God”. Opvallend is dan het argument dat hierbij in de vorm van een retorische vraag wordt gegeven: „Hoe zou anders de gemeente Gods rein worden gehouden?” 6).


3) Het Protocol kwam in Nederlandse vertaling in 1579 uit en beleefde in 1616 nog een herdruk. Zie voor de volledige titel hiervan J.H. Wessel, De leerstellige strijd tusschen Nederlandsche Gereformeerden en Doopsgezinden in de zestiende eeuw, Assen 1945, pag. 29 nt 2. Een karakteristiek van het gesprek geeft K. Vos in Mennonitisches Lexikon I, pag. 573, 574. Voor de ‘sfeer’ is de opmerking belangrijk: „Das Gesprach wurde im sanftem Ton und in dem Geist der christlichen Liebe gefuhrt”. Dat schijnt wel in tegenspraak met het oordeel van W.J. Kühler over de drie godsdienstgesprekken uit deze tijd, nl. van Franckenthal, van Emden en van Leeuwarden: „.... steeds was bij het uiteengaan de vijandschap grooter dan te voren”, Geschiedenis der Nederlandsche Doopsgezinden2 enz., Haarlem 1961, pag. 446. Maar daarmee zal Kühler, in ieder geval: mede, wel doelen op het feit dat de principiële tegenstellingen duidelijker aan het licht waren getreden. Het Protocol van Emden is in al z’n uitvoerigheid van zo groot belang omdat men zich er van beide zijden in heeft herkend, al maakten de doopsgezinden dan wel enige reserve. Vos tekent aan: „Das Buch wurde von beiden Seiten mit groszer Nachfrage aufgenommen, weil jeder seinerseits dachte, dasz darin das Siegeszeichen seines Glaubens zu finden ware, sofern man unparteiisch lesen wolle”, a.art. , pag. 574.
4) Voor een overzicht van dit onderdeel van de discussie, J.H.Wessel, a.w., pag. 96-98.
5) Voorganger van de ‘vlaamse’ gemeente te Groningen. In onderscheid met de meeste andere doopsgezinde voorgangers was hij een academisch-onderlegd man die het Latijn, Grieks en Hebreeuws beheerste. Over hem Mennonitisches Lexikon I, pag. 271. Samen met Pieter van Keulen moest hij inzonderheid het doopsgezinde standpunt formuleren en verdedigen.
6) J.H. Wessel, a.w., pag. 97. Ook reeds eerder had Brixius hetzelfde onderscheid gemaakt en gesteld dat alleen in het eerste geval er ruimte was voor ‘de drie trappen’ van voorafgaande vermaning.

|143|

Daartegenover hebben de gereformeerden met nadruk gesteld dat hier een niet-Schriftuurlijke visie op de heiligheid van de gemeente openbaar werd: „de reinheid der gemeente Gods (bestaat) niet alleen in den ban, maar in het bloed en den Geest van Christus”. Dan wordt verwezen naar Efeze 5. Gedoeld zal inzonderheid zijn op de verzen 25-27 „evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord, en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet”. De verwijzing is zo belangrijk, omdat we hier de tegenstelling zien tussen de subjectivistische opvatting van de gemeente en haar heiligheid door het anabaptisme gegeven én de Christocentrische visie op de kerk en haar heiligheid bij de gereformeerden. Daardoor wordt de tucht niet uitgesloten (de verwijzing naar Efeze 5 is ook op dit punt duidelijk!), maar wél radicaal gestempeld als een door het Evangelie genormeerde zaak. Daarom kunnen de gereformeerden van hieruit ook de Schriften laten spreken. Het onderscheid door de doopsgezinden gemaakt in het gebruik van Matt. 18 (zonde tegen de naaste én tegen God) wordt in Emden afgewezen: Christus leert hier niet vanwege welke zonde men moet worden gebannen, maar hoe men zich in het vermanen moet houden eer men tot de ban komt. Het „tegen u gezondigd” van Matt. 18, 15 (dat nog in de Statenvertaling voorkomt, ten onrechte niet in die van het Nederlands Bijbelgenootschap) wordt hier reeds opgevat in de betekenis van: „zo dat het u bekend is”. Verder wordt gewezen op Ezechiël 33, de roeping van de profeet die tot „wachter over het huis Israëls” is aangesteld om de goddeloze te waarschuwen voor zijn weg (33, 8). God stoot de zondaar niet zomaar van Zich. Christus zelf bidt voor zijn discipelen vlak vóór hun ontrouw aan Hem (Luk. 22, 32) en Hij wil na zijn opstanding uit de doden dat aan deze discipelen de troost van die opstanding wordt verkondigd. Die lijn wordt verder in liet Nieuwe Testament doorgetrokken: „Ook profeten en apostelen volgen deze manier van doen en bannen niet meer maar zo terstond” 7).

Zo was de gereformeerde positie in de eeuw van de reformatie en de daarop volgende tijd: „Bij inzage van de notulenboeken van kerkeraden uit de 16de en het begin der 17de eeuw, uit de eerste eeuw der


7) J.H. Wessel, a.w., pag. 97.

|144|

Reformatie, verwondert men zich over het groote geduld, waarmede de kerkeraad iemand telkens en telkens weer aansprak en vermaande, ook als verzet en hardnekkigheid openbaar werd” 8).

Het is van grote betekenis in onze tijd daaraan vast te houden nu de tucht bijna over heel de linie is verdwenen en de gereformeerde kerken worden geroepen in een tijd van wetteloosheid te waken voor de heiligheid van de gemeente Gods. Nu de kerk van het Woord zich ook fundamenteel zal hebben te onderscheiden van de religieuze, de kerkelijke pressie-groep: herleefd anabaptisme! De pressie-groep die zichzélf zuiver wil houden om op die manier toch vooral stootkracht te houden. We zullen ons uit reactie tegen tuchteloosheid of vanuit een kramphouding niet in een doperse hoek moeten laten dringen! We zullen ons ook vrij houden van de zuigkracht die van de ‘stoottroep’ uitgaat. Dat geldt van héél ons spreken over en ons zicht op de kerk en haar heiligheid. Het geldt ook voor wat de oefening van de tucht betreft. Daarom is het rechte gebruik van de ‘voorlopige excommunicatie’ van zo grote en uitzonderlijke betekenis! Het mag nooit voor ons een tussenstadium worden dat we maar zo snel mogelijk moeten zien dóór te komen.

Een tussen-stadium waar we ons wat ont-hand, wat machteloos en hulpeloos voelen. Neen, terwijl iedere situatie weer altijd opnieuw moet worden beoordeeld, zullen we ons er steeds weer van moeten doordringen dat de ruimte die hier is gecreëerd dienen moet om de vermaningen van het Woord Gods doorgang te geven in het leven van de zondaar. Niet voor niets spreekt de Kerkorde (art. 76) over de talrijke vermaningen die moeten liggen tussen de voorlopige en de uiteindelijke excommunicatie indien er geen bekering komt. Daaruit blijkt nu in een kritische situatie dat de kerk kerk-van-het-Woord is en dat de grenzen van de kerk — er zijn grenzen! — door het Woord worden getrokken en zo door de ambtsdragers moeten worden geëerbiedigd, alsook door heel de gemeente van Christus. Maar het eerbiedigen van déze grenzen is fundamenteel iets anders dan dat we op vleselijke manier voor een heilige gemeente zouden ijveren! De ceremoniële wet van Israël riep het volk ook wel op hun legerplaats niet te verontreinigen. Daarom moesten onder meer alle melaatsen naar


8) F.L. Rutgers, Kerkenordening IV, pag. 58.

|145|

buiten worden gezonden (Num. 5, 2, vgl. ook Lev. 13, 46). De legerplaats mocht niet cultisch onrein worden en daarom geeft de HERE als argument: „daar Ik toch in hun midden woon” (Num. 5, 3). Maar reeds hier niet een ‘heiligheid’ die zou worden dóórgedreven doordat ‘rücksichtslos’ zou worden gehandeld met de cultisch onreinen 9). Nee, er is hier in de maatregelen om het tentenkamp heilig te houden tegelijk de ontferming over hen die verwijderd worden. Het gaat er niet om dat ze ‘de woestijn’ in worden gezonden om daar zonder voedsel en verzorging om te komen. Vergelijking met Ex. 33, 7 en 8 leert dat „buiten de legerplaats” niet uitsluit dat men de legerplaats wél in het oog had en er dus mogelijkheid van verbinding bleef. Prof. W.H. Gispen neemt bij de verklaring van Num. 5 daarom ook aan „dat de weggezonden onreinen bij de legerplaats der Israëlieten hun tenten zullen hebben opgeslagen, zij het op een afstand, en dat zij zullen zijn meegereisd” 10).

Wanneer we reeds in de ceremoniële en cultische bepalingen geen meedogenloosheid aan het werk zien, maar eerbiedige erkenning van de verlóssende heiligheid des Heren, hoeveel te meer zal dat niet tot gelding moeten komen onder het Nieuwe Verbond. Wat de apostel in 1 Thess. 5, 14 zegt geldt in z’n geheel ook met het oog op de tucht: „Wij vermanen u, broeders, wijst de ongeregelden terecht, beurt de kleinmoedigen op, komt op voor de zwakken, hebt geduld met allen”.

We hebben in de ‘voorlopige excommunicatie’ een kostbaar instrument ontvangen. Het is het dus meer dan waard dat we er goede aandacht aan geven.


9) Dat is wel de mening van A. Noordtzij op Num. 5, 3, zie Korte Verklaring, pag. 64.
10) W.H. Gispen, Het boek Numeri (serie Commentaar Oude Testament), pag. 85.

|146|

 

8.3. De eigen plaats en functie van de voorlopige excommunicatie.

De Kerkorde spreekt over de voorlopige excommunicatie in art. 76 dat in de laatste, de Groningse redactie van 1978 als volgt luidt:

„De kerkeraad zal de toegang tot het avondmaal van de Here ontzeggen aan hem, die de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt of in ander opzicht ernstige zonde begaan heeft.
Indien deze na talrijke daarop volgende vermaningen geen enkel teken van berouw toont, zal de kerkeraad als uiterste remedie tenslotte tot de excommunicatie overgaan, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient te worden gebruikt.
Niemand mag worden geëxcommuniceerd zonder instemming van de classis.”

Het artikel dateert van de eerste Nederlandse synode, die van Emden, 1571. Alleen de synode van Middelburg, 1581, bracht een aanvulling van betekenis aan. Emden noemde alleen de hardnekkige verwerping van het kerkelijk vermaan als reden om de toegang tot het Avondmaal te ontzeggen. Middelburg voegde er aan toe: „item die een openbare ofte andersins een groue sonde ghedaen heeft”. Ook is van Middelburg afkomstig dat reeds in dit artikel het „voorgaende aduijs der Classe” vóór de definitieve excommunicatie wordt voorgeschreven 1).

De opbouw van dit artikel laat duidelijk de eigen plaats van de voorlopige excommunicatie in het geheel van de tuchtprocedure zien. Want het artikel trekt in het begin, in de eerste alinea, de lijn van art. 74 door, maar geeft in de tweede alinea reeds een samenvatting van de definitieve excommunicatie die breed wordt behandeld in art. 77.

De relatie met art. 74 is duidelijk als men de eerste alinea van ons art. 76 legt naast de tweede van dit artikel:

„Wanneer iemand over een geheime zonde naar de regel van Mattheus 18 is vermaand en daaraan geen gehoor geeft, of wanneer iemand een openbare zonde gedaan heeft, zal dit aan de kerkeraad worden meegedeeld”.

Wanneer dan de kerkeraad in een geval dat eerst in de broederlijke


1) Kerckenordeninghe-Middelburg, 1581, art. 62 bij F.L. Rutgers, Acta zestiende eeuw, pag. 398.

|147|

sfeer is behandeld met zijn vermaan ook geen ingang vindt óf wanneer het een openbare of in ander opzicht een ernstige zonde betreft en (zo wordt stilzwijgend voorondersteld, vgl. art. 75) de broeder of zuster houdt ondanks het ambtelijk vermaan aan de zonde vast, dan handelt de kerkeraad voor het eerst als rechtelijke instantie door de tweede sleutel van het Koninkrijk der hemelen te bedienen in de ontzegging van het Avondmaal.

Ook de relatie met art. 77 is duidelijk. Nadrukkelijk wordt in art. 76, tweede gedeelte, over de excommunicatie als uiterste remedie gesproken. Het formulier van de ban wordt reeds genoemd en de instemming die van de kant van de classis nodig is vóór het tot excommunicatie zal komen.

Er is wel eens dispuut geweest over de vraag of met „de instemming” (in vroegere redacties: „het advies”) van de classis dat in art. 76 wordt genoemd, hetzelfde is bedoeld als het advies dat in art. 77 wordt vereist als noodzakelijk vóór bij de tweede ‘vermaning’ aan de gemeente de naam van de zondaar bekend wordt gemaakt. Zo stond het immers in de vroegere redacties: „In de tweede (vermaning) zal met advies der classis zijn naam uitgedrukt worden”. Men wilde wel, om zo veilig mogelijk te gaan, tweemaal een — toestemmend — advies van de classis inbouwen in de procedure. De eerste keer vóórdat de naam van de zondaar aan de gemeente bekend zou worden gemaakt. De tweede keer vóór men overging tot de daad van de excommunicatie. De vraag of het op zichzelf genomen gewenst is tweemaal de classis als adviserende instantie in te schakelen 2), hopen we te bespreken als we over de definitieve excommunicatie handelen. Nu kunnen we volstaan met op te merken dat de Kerkorde deze herhaling van het advies of de instemming van de classis niet op het oog heeft. Art. 76 grijpt vooruit op art. 77 en legt het beginsel vast dat bij de voortgang ván de voorlopige náár de definitieve excommunicatie de instemming van de classis nodig is, maar dit artikel spreekt zich verder niet uit over de vraag in welk stadium van de procedure precies om die instemming moet worden gevraagd. Dat komt in art. 77 aan de orde. De nieuwe redactie van Groningen-Zuid, 1978, heeft hier de mogelijkheid van misverstand afgesneden door in art. 77 terug


2) Zoals bijvoorbeeld de mening van Joh. Jansen is, Korte Verklaring, pag. 337.

|148|

te wijzen naar art. 76: „In de tweede (afkondiging aan de gemeente) zal met de in artikel 76 bedoelde instemming van de classis zijn naam vermeld worden”.

Het misverstand is daarmee inderdaad uit de wereld geholpen en de Kerkorde heeft daardoor aan helderheid en doorzichtigheid gewonnen.

Maar tegelijk is nog weer duidelijker geworden hoe art. 76 de brug vormt tussen art. 74 en art. 77! Art. 76 behandelt niet een afzonderlijk onderwerp dat als het ware uit het geheel van de tucht uitgelicht zou kunnen worden en apart zou kunnen worden behandeld. Nee, hier wordt een stadium van de weg van de tucht beschreven. Het komt van het een tot het ander. En hóe dat toegaat, dat beschrijft voor een bepaald gedeelte ons artikel.

Dat houdt daarom ook in dat het, principieel gezien, niet bij de voorlopige excommunicatie kan blijven. Het gaat met de zondaar de éne of de andere kant uit: bekering óf verharding. Daarom zal het tot verzoening komen in de weg die art. 75 beschrijft óf tot definitieve excommunicatie, art. 77. Voor ieder mens geldt dat ‘er uit moet komen, wat er in zit’, omdat de tijd van het oordeel nabij is: „Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”, Openb. 22, 11. Maar dat geldt in dit stadium van de tucht wel inzonderheid. Voor de zondaar geldt, dat de voortdurende afhouding van het Avondmaal geen status quo inluidt. En hetzelfde geldt voor de kerkeraad. Tegenover de hardheid van het anabaptisme dat (zie de vorige paragraaf) snél tot de afsnijding van de gemeente wilde komen, hebben de gereformeerde kerken ‘neen’ gezegd. Zo hebben ze de afhouding van het Avondmaal als voorlopige excommunicatie een eigen plaats gegeven. Maar daarmee is niet ontkend dat er een beslissing moet komen en de zondaar en de kerkeraad nu in de kritieke fase zijn! Alleen, doordat voor het Woord en dus aan de kerkelijke vermaning ruimte wordt geschapen is er nog de dubbele ‘mogelijkheid’: bekering óf verharding.

leder kan inzien dat het niet bij de afhouding van het Avondmaal kan blijven. Zolang we in het abstracte blijven, zal hier weinig verschil van mening zijn. En om even vooruit te grijpen naar wat in art. 77 wordt behandeld: in abstracto stemt ieder er wel mee in dat, wanneer eenmaal de weg naar de definitieve excommunicatie is ingeslagen, het niet kan blijven bij de eerste afkondiging aan de gemeente. Ook nu

|149|

weer moet het van tweeën één worden: bekering óf verharding en dus: verzoening óf voortgang naar de tweede afkondiging aan de gemeente met het noemen van de naam. En bij de tweede afkondiging kunnen we dan nogmaals hetzelfde zeggen.

Alleen maar —, zo duidelijk als in het algemeen gesproken de zaken liggen, zo moeilijk liggen ze vaak in de praktijk!

Om bij de afhouding van het Avondmaal te blijven. Een kerkeraad kan oprecht er van overtuigd zijn dat een broeder die aan een bepaalde zonde vasthoudt en dat ondanks alle vermaan, niet mag worden toegelaten tot het Avondmaal. De raad is dan verplicht naar deze overtuiging ook te handelen. Maar als nu schijnbaar de situatie daarna in het leven van de zondaar precies dezelfde blijft, wat dan? Er kunnen gevallen zijn, waarin het uit de aard van de zonde duidelijk is dat er voortgegaan zal moeten worden met de tucht. Maar niet ieder geval wordt door deze duidelijkheid gekenmerkt. Er kan al direct een niet geringe complicatie optreden als de broeder die een tuchtwaardige zonde bedrijft of heeft bedreven en op dit punt niet tot inkeer komt, voor het overige zich gedraagt, zoals van een lid van de gemeente van Christus mag worden verwacht. Wanneer vanwege huwelijksontrouw de toegang tot het Avondmaal is ontzegd, maar de kerkgang getrouw is en ook overigens het medeleven voorbeeldig, wat staat dan de kerkeraad te doen? Bij afwijking van de zuivere leer spreekt dit wellicht nog sterker aan. Art. 73 noemt deze afwijking nadrukkelijk naast de misdraging in het leven als vermaningswaard en dat dan ook in het zeer bepaalde kader van de tucht. Bij onbekeerlijkheid óf als er openbare aanstoot wordt gegeven, is afwijking van de christelijke leer dus ook tuchtwaardig. Maar wanneer iemand in een dwaling verstrikt raakt en wanneer hij zich niet terug wil laten brengen tot de zuivere leer van het Woord Gods, dan zal hij met verloop van tijd van het Avondmaal geweerd moeten worden. De zaak krijgt duidelijkheid, wanneer uit de dwaling een praktijk voortkomt die steeds verder van het leven naar de geboden des Heren afvoert. Maar wanneer nu ogenschijnlijk de zonde van de dwaling in het leven van de broeder gelokaliseerd is en hij verder een niet berispelijk leven leidt, wat staat de kerkeraad dan te doen?

Het kan in dergelijke gevallen soms de schijn hebben, alsof we in een ‘stellingenoorlog’ zijn vastgelopen. De overtuiging met betrekking tot de noodzaak van het begin van de tucht kan daarbij ongeschokt blijven. Maar de aarzelingen komen bij de voortgang. Moet het doorgaan

|150|

tot ‘het bittere einde’?

Soms wordt de situatie voor de beoordeling nog extra moeilijk, wanneer de afhouding van het Avondmaal als disciplinaire maatregel is toegepast vanwege een openbare en aanstootgevende zonde die éénmaal heeft plaatsgevonden. Er is geen herhaling. Maar er is óók geen boetvaardigheid. En de tijd verstrijkt. Dan kan het lijken alsof we gewikkeld zijn in een slijtage-slag. Het perspectief schijnt aan het kerkelijk handelen te ontvallen. En de vermaning, die niets uitwerkt, maar ook niet een plaats heeft in een voortgang van een procedure, lijkt een machteloos woord te worden.

Zien we nu terug naar de confrontatie met het anabaptisme, dan moet het in het oog springen dat men hiér met deze verlegenheden geen moeite heeft! We hebben aan het einde van de vorige paragraaf de voorlopige excommunicatie wel genoemd als een ‘kostbaar instrument’ in de gereformeerde kerkregering. Maar blijkt het bij de hantering van dit instrument in vele gevallen niet dat het ons in de moeite brengt?

Omdat het uit de kerkelijke praktijk duidelijk is dat hier inzonderheid voetangels en klemmen liggen, mogen we de moeilijkheden niet ontwijken. We zullen, terwille van de bewaring van de christelijke tucht — lévensvoorwaarde voor de christelijke kerk! — de moeilijkheden eerlijk onder ogen moeten zien.

Voor dit keer houden we het bij één opmerking.

Men zal bij de voorlopige excommunicatie goed doen voortdurend front te maken tegen het anabaptisme! De gereformeerden hebben de voorlopige excommunicatie ingesteld ondanks de oppositie van het anabaptisme en om niet in de afgrond van het doperse wetticisme te vallen. Maar nu moeten we bij de toepassing van dit middel niet als het ware steeds over onze schouder kijken, alsof we eigenlijk een schuldig geweten hebben en we pas weer frank en vrij onze anabaptistische tegenstander in de ogen kunnen zien, wanneer óók wij het stadium van de definitieve excommunicatie hebben bereikt! Als we in die angstige gesteldheid te werk gaan, dan staan we als ambtsdragers niet in de vrijheid. We gevoelen ons opgejaagd en gedrongen. We ‘durven’ niet terug en we ‘durven’ niet vooruit.

Maar we moeten de weg van het Woord zien, ook in dit stadium van de kerkelijke tucht. We moeten beseffen dat wij als gereformeerde ambtsdragers niet een concessie doen met de voorlopige excommunicatie om vervolgens zo spoedig mogelijk weer op het ‘rechte pad’ te

|151|

komen. Neen, we zullen moeten weten dat we in alle moeilijkheden, in alle wikken en wegen dienstbaar mogen zijn aan de bediening van de heerschappij van de Here Jezus Christus. Dat geeft de gereformeerde tuchtoefening de spankracht van geduld en lankmoedigheid. Daar waar het anabaptisme meent zwakheid of slapheid aan te kunnen wijzen, daar is in werkelijkheid vaak in geestelijke zin van krácht sprake. Reeds in de vorige paragraaf had deze zaak in het voorbijgaan al even de aandacht. Maar we komen er nu op terug. We moeten er van doordrongen zijn dat elk geval zijn eigen beoordeling vraagt, vgl. 1 Tim. 5, 24. Het kan nodig zijn dat de tuchtprocedure (voor het geheel of in een bepaald stadium) betrekkelijk snel verloopt. Het kan ook nodig zijn dat zeer veel geduld wordt geoefend. Dan kan het naar buiten toe de schijn hebben alsof we in een status quo beland zijn. Het kan voor de ambtsdragers zelf ook een last worden, wanneer voor ons gevoel een procedure een jarenlang slepende zaak wordt. Maar van belang is niet, hoe wij iets subjectief ervaren, maar of de normen zuiver worden gehanteerd. Wanneer wij dan voor Gods aangezicht van oordeel zijn dat de voorlopige excommunicatie moet toegepast worden, dan houden we van het Avondmaal af. Komt er inkeer, dan ontsluit zich de gemeenschap weer. Komt die inkeer niet, dan is het de kerkeraad die de situatie die dan ontstaat, beoordeelt en die dat in ieder stadium doet. En de kerkeraad doet dit met als enige, voor hem beslissende instantie: het Woord van God.

We mogen ons door mensenvrees niet laten terughouden als we voort moeten gaan. We mogen ons door conventie niet laten beheersen om de éne keer anders te oordelen dan in een ander geval, wanneer in de grond van de zaak dezelfde zonde aan de orde is maar het ‘volksgevoel’ makkelijker oordeelt. We mogen ons ook niet door zucht om consequent te zijn laten leiden, als zouden we bij het openen van een tuchtprocedure een automatisme in werking hebben gesteld.

Als de ambtsdragers geroepen worden tucht te oefenen, blijven ze herders over de kudde. Ook het hanteren van de tweede sleutel behoort tot het beheer van de geheimenissen Gods. Voor zulke beheerders weet de apostel Paulus tenslotte maar één vereiste: „betrouwbaar te blijken”, 1 Kor. 4, 2. En daarover oordeelt geen enkel menselijk gericht. Daarover oordeelt zelfs mijn eigen gevoelen niet. Daarover oordeelt alleen de Heer die ons in zijn dienst heeft genomen.

|152|

 

8.4. De tucht-waardigheid.

Om als kerkeraad bij het vervolg van de oefening van de tucht niet in moeilijkheden te komen, is het van groot belang bij het begin goed te weten wat men doet en wanneer men als kerkeraad tot de oefening van de tucht is geroepen.

De tucht dient, zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 29 „om de zonden te bestraffen”. Dat is een korte karakteristiek die staat tegenover het misbruik van de tucht waardoor de valse kerk getypeerd wordt: „zij vervolgt hen die heilig leven naar Gods Woord”. leder kan deze typeringen verstaan. Maar men moet ze niet pressen. Vooral de eerste niet. „Om de zonden te straffen”, dat houdt niet in dat de tucht als disciplinaire maatregel en als rechtshandeling wordt ingezet tegen alle zonden.

Iedere zonde maakt ons wél het oordeel van God waard en van iedere zonde hebben wij vergeving te zoeken in het bloed van Christus, vgl. wat de Heid. Catechismus in antw. 115 zegt over het doel van de prediking van de wet: „opdat wij ons leven lang onze zondige aard steeds meer leren kennen en daardoor nog meer begeren de vergeving van de zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken”. En de Schrift leert ons: „indien wij zeggen dat wij geen zonden hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet”, 1 Joh. 1, 8. Want: „wij struikelen allen in velerlei opzicht”, Jac. 3, 2.

Omdat wij over heel de linie van ons leven voor het aangezicht van die God leven die geen enkele gemeenschap met enige zonde wil hebben, is het de dood voor het christelijk leven om onderscheid te maken tussen ‘zwaardere’ en ‘lichtere’ zonden. Daardoor zouden we ons vervreemden van de rijkdom van het Evangelie van de schuldvergeving: „het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonden”, 1 Joh. 1, 7.

Maar een heel andere vraag is of de tucht tegen iedere zonde moet worden ingezet. Dat leert de Schrift ons niet. Ook als er over de zonde concreet vermanend en bestraffend wordt gesproken, zoals Paulus het aan het adres van Petrus deed toen deze „uit vrees voor de besnedenen” huichelde, Gal. 2, 11-14 en zoals de gemeenten in de brieven van het Nieuwe Testament herhaaldelijk scherp op de man af worden toegesproken, dan zien we toch niet bij iedere gelegenheid de sleutel van de tucht gehanteerd. Dat gebeurt alleen in heel bepaalde gevallen, wanneer nl. blijkt dat iemand die zich met de naam van

|153|

christen tooit, een „onchristelijke leer of leven voert”, Heid. Cat., antw. 85. Het is het ‘wandelen’ of ook het ‘zijn’, het leven in „de duisternis”, 1 Joh. 1, 6; 2, 9, terwijl men voorgeeft toe te behoren aan het licht. Alle gelovigen hebben hun leven lang tegen hun zondige aard te strijden. En in die strijd worden wij ook geholpen door het onderling vermaan en de broederlijke aansporing en bemoediging. Maar het is een andere zaak of men tegen zijn zondige aard heeft te strijden, d.w.z.: moet strijden, omdat die aard zich altijd maar weer doet gelden of dat we die zondige aard de vrije loop laten en ons er door laten beheersen.

Het is niet gemakkelijk om met één kenmerkend woord aan te geven wat de zonde maakt tot tucht-waardige zonde. Art. 76 van de Kerkorde spreekt over het hardnekkig verwerpen van het (kerkelijk) vermaan en over de openbaarheid van de zonde en voegt daaraan toe: „of in ander opzicht ernstige zonde”. Men heeft herhaaldelijk de tuchtwaardigheid onder de éne noemer gebracht van „het ergernis geven”. ‘Ergernis’ heeft dan de betekenis van ‘aanstoot’. Zo schrijft Rutgers: „Om zonde te maken tot aanleiding en oorzaak van kerkelijke tucht hoort er bij (nl. bij het ‘algemeen’ karakter van de zonde) dat zij ergernis moet gegeven hebben” 1). Zo is het ook ingedragen in de Kerkorde van de syn. Gereformeerde Kerken, in de algemene bepalingen over vermaan en tucht: „De tucht betreft de ergerlijke zonden, die hetzij als zodanig openbaar zijn, hetzij door verwerping van het broederlijk vermaan, door Christus in Matth. 18: 15-17 bevolen, openbaar zijn geworden, hetzij op een andere verantwoorde wijze ter kennis van de kerkeraad zijn gekomen” (art. 107).

Er pleit ongetwijfeld veel voor om het onderscheiden karakter van de tuchtwaardige zonde in deze richting te zoeken. Ook de oude redactie van de Kerkenordening sprak in art. 72 over „openbare ergernis” en noemde in art. 71 als doel van de tuchtoefening onder meer: „om de ergernis uit de gemeente van Christus weg te nemen”. De nieuwe redactie van Groningen, 1978 heeft dat gehandhaafd en alleen het oude woord ‘ergernis’ door ‘aanstoot’ weergegeven.

Toch is hier nog wel een bedenking te opperen.

Het is waar dat de zonde, waaraan men vasthoudt, waarin men leeft en waarvan men zich niet bekeert een aanstoot in de gemeente vormt


1) F.L. Rutgers, Kerkenordening IV, pag. 56.

|154|

en dat dáártegen het instrument van de tucht zich keert. Maar dat betekent toch nog niet dat in het aanstoot-gevende bij uitsluiting de oorzaak van de tuchtwaardigheid is. Het komt mij voor dat wij veiliger gaan, wanneer wij de tucht-waardigheid niet kenmerken vanuit de zonde, maar vanuit de zondaar, zoals ook de Catechismus doet. In het algemeen kunnen wij dan zeggen dat de zondaar die, terwijl hij zich als christen voordoet, in de zonde leeft en met de zonde niet breekt, met de kerkelijke tucht in aanraking behoort te komen en tenslotte uit de gemeente van Christus — vergadering van de gelovigen — behoort te worden verwijderd. Zo alleen houden we er duidelijk zicht op dat het tenslotte het ongeloof is dat een mens buiten de gemeente van Christus en van zijn kerk stelt. En tegelijk kan het ons dan duidelijk zijn dat niet alles wat behoort te worden vermaand ook reden geeft tot oefening van de tucht.

|155|

 

8.5. De kerkeraad — het tuchtcollege.

We hebben er herhaaldelijk de aandacht voor gevraagd dat we in de afhouding van het Avondmaal als voorlopige excommunicatie hebben te doen met een handeling van de kerkeraad. Het is een officiële rechterlijke uitspraak en beslissing van het college waaraan het opzicht en de tucht over de gemeente is toevertrouwd.

Aan deze uitspraak en beslissing moet dus behoorlijk onderzoek vooraf zijn gegaan, waarbij de aangeklaagde gehoord is.

Dat is in overeenstemming met het algemeen rechtsbesef 1), maar het wordt aan de rechters in Israël ook nadrukkelijk ingescherpt. Mozes wijst erop dat hij bij het vertrek van de berg Horeb vóór men tot vestiging in het land Kanaän kwam en met het oog op die vestiging er maar niet alleen voor heeft gezorgd dat er in voldoende mate rechters in Israël zouden zijn, Deut. 1, 9-15, maar ook dat de rechtspraak zuiver en onpartijdig zou blijven: „en ik (zo zegt hij) gebood toentertijd aan uw rechters: hoort (de geschillen) tussen uw broeders en oordeelt rechtvaardig tussen de een en de ander of dit diens broeder is dan wel de vreemdeling die bij hem woont”, Deut. 1, 16. Prof. B. Holwerda wijst erop dat de wijze waarop Mozes zich hier uitdrukt het beeld oproept van de rechter die tussen de beide partijen in staat en beide partijen hoort. Hij moet het geschil „tussen A en B aanhoren, de beide partijen verhoren”, d.w.z. „een nauwkeurig, onpartijdig onderzoek instellen” 2). Hier is iedere „aanzien van de persoon” uit de boze in de letterlijke betekenis van het woord!: „Gij zult in de rechtspraak de persoon niet aanzien; gij zult de onaanzienlijke evenzeer horen als de aanzienlijke; gij zult voor niemand vrezen, want de rechtspraak is Godes”, Deut. 1, 17 3). Dit ‘horen’ heeft ook op een deugdelijke en degelijke manier te gebeuren, vgl. het „terdege onderzoeken” van Deut. 17, 4.

Nicodémus kan later tegen de felle partijdigheid en de arrogante hoogmoed van de farizeeërs zich op de wet van Mozes beroepen:


1) Rutgers, Kerkenordening IV, pag. 65, 67.
2) B. Holwerda, Dictaten III (Exegese Oude Testament, Deuteronomium), Kampen 1957, pag. 32.
3) Vgl. K. Schilder over ‘prosopolepsie’, Verzamelde Werken, Schriftoverdenkingen III, pag. 253, 256.

|156|

„Veroordeelt onze wet dan een mens, tenzij men zich eerst van hem op de hoogte gesteld heeft en kennis genomen van wat hij doet?”, Joh. 7, 51.

Het is als het ware een refrein in de wet van Israël dat het aanzien van de persoon het oordeel niet mag vertroebelen en dat de partijdigheid de zuiverheid van de oordeelsvorming niet mag schenden.

Naar allerlei kanten wordt dat in concreto uitgewerkt. „Men mag de meerderheid in het kwade niet volgen, noch in een rechtsgeding getuigenis afleggen met de meerderheid mee, om het recht te buigen”, Ex. 23, 2. De emotie kan de massa in de greep krijgen. De massahysterie is, helaas, een veel voorkomend verschijnsel, waardoor ook de rechtspraak kan worden aangetast. De klasse-justitie kan ‘eisen’ dat de collega-aanzienlijke een voorkeursbehandeling krijgt. Maar de wet verbiedt het de rechter, Lev. 19, 15, ook als er eventueel een aanzienlijk voordeel aan verbonden is, Deut. 16, 19. Maar klasse-justitie behoeft zich niet alleen te laten gelden ten gunste van de aanzienlijke. Het kan ook zijn dat het volk in beweging komt en dat dan de felle eis weerklinkt dat er ‘hoofden zullen vallen’. Dan kunnen de aanzienlijken het kind van de rekening worden bij een ‘volksrechtspraak’ die de gunst van het volk zoekt. Daartegen wordt de rechter in Israël evenzeer gewaarschuwd en gewapend: „Ook zult gij een onaanzienlijke niet voortrekken in zijn rechtsgeding”, Ex. 23, 3. De rechter in de kerk zal zich altijd voor ogen hebben te stellen dat God de eigenlijke Rechter is, die geen partijdigheid kent, Deut. 10, 17 en bij wie geen aanzien van de persoon is, Rom. 2, 11.

Men kan van mening zijn dat deze dingen ‘vanzelf’ spreken.

Dat is in een bepaald opzicht ook het geval. Niets abnormaler dan een partijdige rechtspraak en een vreesachtige rechter. Maar wat extreem-abnormaal is, staat daarmee nog niet buiten onze werkelijkheid!

Om zich daarvan te overtuigen, behoeft men alleen maar zich er van op de hoogte te stellen hoe kwetsbaar het kostbare goed van de onafhankelijkheid van de rechter in onze wereld is! We zullen er dankbaar voor zijn, zo vaak die onafhankelijkheid zich in de rechtspraak tot gelding doet komen. Maar het is allesbehalve zonder meer vanzelfsprekend. Het is dat ook in de kerk niet! Het vlees doet zich altijd gelden tegenover de Geest, Gal. 5, 17. Het wil inzonderheid hier tot gelding komen. We moeten over de verzoekingen van de partijdigheid in de rechtspraak niet gering denken. Als we het alleen van de menselijke

|157|

kant bekijken, hoe kwetsbaar is een kerkeraad dan niet! Een college dat in de personen die het samenstellen met duizend banden verbonden is aan de gemeente, waarover het opzicht en tucht heeft en waarbinnen het recht moet spreken! Hoeveel verleiding hebben de rechters niet in eigen hart om naar eigen voorkeur en sympathie het recht te buigen! Hoeveel stille, dikwijls niet uitgesproken, maar daarom wel effectieve pressie kan er niet op de ouderlingen worden uitgeoefend, zodat de oordeelsvorming moet plaatsvinden in een sfeer, waarin de vertroebeling van het oordeel voor de hand ligt. Het is gemakkelijker met de stroom mee te gaan dan er tegenin te worstelen.

Dat kan zich bij grote en ‘publieke’ zaken wreken. Hoe dikwijls is het in de geschiedenis van de kerk niet het geval geweest dat de gemeente aan dwaalleer wordt overgeleverd, omdat men de aanzienlijke voorganger, dus de voorganger die in de gemeente aanzien geniet, spaart, hoewel hij zich tegen de leer van de Waarheid opstelt en hoewel de regels van de rechtspraak hier zowel in de Heilige Schrift als in de kerkelijke bepalingen duidelijk genoeg zijn. Vrees voor mensen, vrees voor collega’s — hoeveel schade zal daardoor aan de kerk niet zijn toegebracht? De rechter, die populair wil zijn, betekent een ramp voor het volk, al beseft datzelfde volk dit dikwijls zelf niet. Zo kan de gemeente, voor wat de mensen betreft, die tot rechtsbediening zijn geroepen, juist als de situatie kritiek is zonder enige rechtsbescherming zijn. Dan wordt de klacht over de kwade herders geboren die niet de schapen, maar zichzelf weiden, Ezech. 34.

Maar we doen er goed aan dit gevaar van de onzuivere rechtspraak niet alleen slechts aanwezig te achten in kritieke situaties voor de kerk als geheel. Het kwaad van de partijdigheid klopt aan onze deur dikwijls in de zogenaamde kleine zaken, wanneer we tot oordelen en rechtspreken worden geroepen.

Het is daarom goed dat de tucht aan het college van de ouderlingen is toevertrouwd. Dat geeft de mogelijkheid elkaar te dienen en te wijzen op de roeping tot onpartijdigheid. De willekeur heeft veel grotere mogelijkheden als de beslissing bij één persoon staat. Onderlinge controle is een belangrijk wapen tegen de corruptie. Als we dat wapen dan ook maar hanteren en in het college onze onafhankelijkheid bewaren tegenover onze collega-opzieners, niet in eigenzinnigheid, maar in de onderworpenheid aan de enige Norm die in de kerk mag gelden: de geopenbaarde wil des Heren.

|158|

 

8.6. De feitelijke toedracht.

Wanneer de kerkeraad wordt geroepen de christelijke tucht te oefenen, moeten we steeds bedenken dat het in de rechtspraak, ook de kerkelijke rechtspraak, er om gaat een oordeel te geven over de feitelijke toedracht. Dat oordeel is voor alles gebonden aan het ons geopenbaarde Woord. Het is concretisering van de met gezag bekend gemaakte wil van God. Maar daarvoor hebben we dan vervolgens ook nauwkeurige kennis van de feitelijke situatie nodig. Het is niet genoeg in het algemeen trouw naar de Schrift te spreken. We moeten in het speciale geval dat ons wordt voorgelegd het recht van de Here Jezus Christus bedienen. Dat concrete geval moet de kerkeraad dan ook zo helder mogelijk voor de aandacht staan.

Daarbij heeft de broeder die wordt aangeklaagd er recht op dat hem niets in de weg wordt gelegd, wanneer hij ter zake wordt gehoord. Hij mag wél gemaand — en des nodig vermaand — worden om zich niet te verliezen in onnodige uitweidingen en herhalingen. Bondigheid in de verantwoording is altijd ten voordeel van een goede voortgang in de oordeelsvorming. En wie, als hij gehoord wordt, die gelegenheid aangrijpt en misbruikt om van zijn kant links en rechts beschuldigingen of insinuaties uit te brengen, behoeft dáárvoor geen vrijheid te krijgen. Obstructie voeren moet worden bestraft en mag de rechtsgang niet blokkeren. Het komt er op aan dat aanklager en aangeklaagde, en vooral ook de kerkeraad als de instantie, waarbij recht wordt gezocht, terzake blijven en steeds weer terzake komen.

Daarbij worden hoge eisen aan de leiding van de kerkeraad of ook aan de broeders die door de kerkeraad worden afgevaardigd gesteld. En dan bedoelen we niet zo zeer hoge eisen met betrekking tot juridische deskundigheid. De rechtspraak is in de handen van de ouderlingen gelegd die niet een dergelijk specialisme beheersen of behoeven te beheersen. Zij zullen grondig thuis moeten zijn in de Schriften en met de wijsheid „die van boven is”, Jac. 3, 15, („rein, vreedzaam, vriendelijk, gezeggelijk, vol van ontferming en goede vruchten, onpartijdigheid en ongeveinsd”) de zaak in geding moeten kunnen vaststellen en beoordelen.

Omdat het om de zaak gaat, om de feitelijke toedracht, zal een broeder die zich moeilijk uitdrukt, niet mogen worden veroordeeld omdat hij de zaak in stuntelige, ongelukkige formuleringen ter tafel brengt. Daartegenover zal de kerkeraad een grote mate van billijkheid moeten

|159|

betrachten. We moeten nooit iemand willen ‘vangen op een woord’ en vastpinnen op een ongelukkige uitdrukking. Het is mede daarom ook steeds toegestaan geweest dat, indien nodig, een broeder tegen wie een aanklacht werd ingebracht, zich liet bijstaan door een ander om van zijn diensten gebruik te maken in het ordelijk weergeven van de feiten of de mening. Een aangeklaagde mag zich van een ‘voorspraak’ voorzien, die als zijn ‘mond’ optreedt. Wel blijft de kerkeraad hier het recht van beslissing houden, maar dat wil dan ook zeggen dat de kerkeraad voor die beslissing verantwoordelijk kan worden gesteld.

Zoals het niet onwettig is dat de aangeklaagde een voorspraak krijgt, zo geldt in het algemeen dat ieder wettig middel om de waarheid aan het licht te brengen geoorloofd is. Een kerkeraad, die geen predikant heeft, kan van oordeel zijn dat hij zich in dit geval heeft te doen assisteren door hulp van buiten. Het onderzoek van de kerkeraad moet, zo enigszins mogelijk, uitlopen op een betrouwbaar resultaat.

‘Zo enigszins mogelijk’! Het staat niet van te voren vast dat de kerkeraad in ieder denkbaar geval tot een duidelijke conclusie kan komen. Het is mogelijk dat — om welke reden dan ook — het wettig en overtuigend bewijs van schuld niet geleverd kan worden. Een zaak kan zo in de mist verkeren, dat het niet mogelijk blijkt in zulke mate tot het vaststellen van de feiten te komen dat het vellen van een oordeel gerechtvaardigd is 1). Doet zich dat geval nu voor, dan mag een kerkeraad er zich niet toe laten verleiden een uitspraak te forceren — bij voorbeeld om redenen van prestige of omdat men van mening is dat het kerkvolk een uitspraak eist. Is men niet in staat uiteindelijk tot het vaststellen van de feiten te komen, dan moet men erkennen dat men, voor wat het menselijk oordeel betreft, in een impasse is gekomen. De oordeelsvorming kan niet worden voltrokken. Het komt niet tot een disciplinaire uitspraak.


1) Opzettelijk voegen we de woorden ‘in zulke mate’ in. Als eis voor het uitspreken van een oordeel is het niet nodig dat over heel de linie het totaal van alle feitelijkheden zonder enig spoor van twijfel geregistreerd kan worden. De vraag is niet of er een complete reconstructie kan plaatsvinden, maar of zodanige feiten zijn komen vast te staan dat een beoordeling mogelijk en noodzakelijk is. In het geval er bepaalde twijfels over blijven, terwijl toch de zaak in geding tot voldoende klaarheid is gekomen, is het goed dat men zich van die situatie bewust is en dat ook notulair vastlegt.

|160|

Een impasse is altijd verdrietig en moet ons tot verootmoediging brengen. We mogen de Here ook vragen om meer licht. Maar we zullen dan ook moeten erkennen dat ons (menselijk) oordeel niet ver genoeg kan komen.

Tegelijk zullen we hebben te bedenken en dat ook aan de ‘partijen’ in geding hebben voor te houden dat een impasse in de kerk nooit een laatste woord is. De impasse in de rechtspraak binnen de gemeente Gods is nooit volstrekt. Het kan goed zijn de betrokken gemeenteleden met klem te wijzen op het rechtvaardig oordeel van de heilige God die in het midden van zijn gemeente wóónt (Hand. 5: de geschiedenis van Ananias en Sapphira!). Dat is niet alleen een zegen. Het kan ook tot een oordeel worden. En we spreken recht of moeten onze impasse erkennen, terwijl de geschiedenis voortgaat. We mogen ook op het nabije oordeel van de komende Christus wijzen. Het is immers niet voor niets dat de kerk van Hem belijdt dat Hij terugkomen zal om te oordelen de levenden en de doden, vgl. o.m. Hand. 17, 31. Het is zelfs mogelijk dat een kerkeraad die in eigen impasse er op wijst dat er bij onze God géén impasse is, de zegen ervaart dat het Woord dan weerstanden breekt die tot op dat ogenblik het aan de dag komen van de waarheid belemmerden.

De impasse moet ons wel van onze geringheid doordringen. Ze moet ons tegelijk voor ogen brengen dat we niet meer dan instrumenten zijn in de handen van een alwetend God die in de kerkelijke tucht als de tweede sleutel van het koninkrijk der hemelen voor de zondaar in de gemeente ‘het heden der genade’ laat functioneren. Wee — wie dáárop geen acht slaat!

|161|

 

8.7. De uitspraak.

Wanneer het onderzoek de aangeklaagde schuldig stelt en hij niet naar de vermaning luistert en zich niet bekeert, moet de uitspraak van de voorlopige excommunicatie worden gedaan.

In de meeste gevallen zal men verreweg het veiligste gaan om de uitspraak vóór te bereiden. Dat kan gebeuren tijdens de schorsing van de vergadering door een paar daartoe aangewezen broeders: men formuleert nu eenmaal gemakkelijker alleen of met een enkele dan als complete vergadering. Het kan ook in de voorbereiding van de vergadering gebeuren, wanneer men kan zien aankomen dat er een beslissing genomen zal worden. Dan kan hij bijvoorbeeld de aangewezen voorzitter (de predikant) met steun van de scriba vanwege de voorbereidende notuleringen en/of met steun van de wijkouderling een conceptuitspraak opstellen. Over het algemeen verdient het trouwens aanbeveling het werk van de vergadering te ondersteunen door het in gereedheid brengen van concepten en het opdracht daartoe verstrekken. Natuurlijk houdt zo’n concept een particulier karakter. Maar omdat men reeds kerkeraads-formuleringen gebruikt, is het nodig als veiligheidsmaatregel de geredigeerde formulering ook te voorzien met het opschrift: ‘concept’ óf ‘concept-uitspraak’. Dan voorkomt men vergissingen. Het concept heeft als belangrijk voordeel dat de verschillende onderdelen en elementen van de te nemen beslissing overwogen in redactie kunnen worden gebracht, zodat de kerkeraad als college zoveel mogelijk in een heldere situatie het beslissende oordeel uitspreekt.

Zo mogelijk schriftelijke voorbereiding van het oordeel van de kerkeraad heeft als volgend gewichtig voordeel dat er zodoende het noodzakelijk voorwerk wordt verricht om tot een nauwkeurige notulering te komen. Het concept kan, wanneer het na beoordeling en na het aanbrengen van de nodige correcties en wijzigingen/aanvullingen is aanvaard en dus tot uitspraak en besluit van de kerkeraad is verheven aan de scriba ter hand worden gesteld die het letterlijk kan opnemen in de notulen.

Noodzakelijk is: exacte boekstaving van de relevante feiten: de tijd en de aard van de zonde, de vermaningen die tot de zondaar zijn uitgegaan zowel in de broederlijke sfeer als van kerkeraadswege (verwijzing naar vroegere notulering kan hier voldoende zijn) en de reactie van de zondaar hierop. Na de vermelding van de feiten volgt dit zo

|162|

helder mogelijk geformuleerde oordeel van de kerkeraad.

De notulering is in deze zaken van zeer grote betekenis! De oefening van het opzicht over de gemeente des Heren is de ‘harde’ kern van het ambt van de opzieners van de gemeente, Hand. 20, 28. Een onvervreemdbaar onderdeel daarvan is de bediening van de christelijke tucht. Nu schrijft de Kerkorde in art. 34 voor dat de scriba „noteert wat voor schriftelijke vastlegging van waarde is”. Dat is dus zonder enige twijfel het geval bij beslissingen in het kader van de kerkelijke rechtspraak.

In dit verband moet nog op de volgende vier zaken worden gewezen, waaruit het belang van de notulering verder kan blijken:

ten eerste — in de voortgang van de behandeling moet de aanvang en de aard van deze concrete bediening van de tucht duidelijk blijven. Maar hoewel de kerkeraad een permanent college is, wisselen de ambtsdragers. De nieuwe ambtsdragers moeten zich exact op de hoogte kunnen stellen om op hun beurt hun ambt trouw te kunnen bedienen in het ordelijk voortleiden van de aanhangige zaak;

ten tweede — aan de broeder of zuster die door het oordeel van de kerkeraad getroffen wordt, moet duidelijk van dit oordeel kennis worden gegeven. Emoties mogen hier niet vertroebelend werken. Men moet dus een vastgelegd oordeel meedelen, dat uiteraard naar behoefte verder kan worden aangedrongen aan het geweten. Als het oordeel niet ‘staande de vergadering’ wordt bekend gemaakt aan het betreffende lid van de gemeente, dan moet hier een commissie van ten minste twee ambtsbroeders worden ingeschakeld;

ten derde — op verzoek van de getuchtigde moet, bij voorbeeld terwille van een nadere, rustige en nauwgezette overweging of ook terwille van de voorbereiding van een appèl op de meerdere vergadering een afschrift van de uitspraak van de kerkeraad ter hand gesteld kunnen worden. Het zal ook dikwijls een zaak van wijsheid en goede orde zijn dat de kerkeraad het initiatief neemt tot het verstrekken van dit afschrift;

ten vierde — wanneer de tijd ooit aanbreekt dat de kerkeraad voort moet gaan van de voorlopige naar de definitieve excommunicatie, dan zal hij op een gegeven ogenblik de naam van de zondaar ook aan de gemeente moeten bekend maken, nl. bij de ‘tweede afkondiging’ aan de gemeente, vgl. K.O., art. 77. Daarvoor is echter de instemming van de classis nodig, K.O., art. 76 slot en 77. De kerkeraad moet dan een duidelijk extract uit de notulen aan de classicale vergadering kunnen

|163|

overleggen en daarbij is de uitspraak waarmee de betrokkene naar art. 76 werd afgehouden van het Avondmaal, zoals vanzelf spreekt van centrale betekenis.

Men heeft wel eens de suggestie gedaan om de stukken, die op tuchtzaken betrekking hebben niet in de notulen te insereren, maar in een afzonderlijk dossier te bewaren. Daarmee zou gewonnen zijn dat bij de beëindiging van een zaak, zeker wanneer die plaats vindt in de wee van de bekering, de stukken vernietigd zouden kunnen worden.

Dit stuit echter op grote bezwaren. Het notulen-boek van de kerkeraad is wel een vertrouwelijk document. Daar wordt door deze suggestie terecht de aandacht op gevestigd. Men moet steeds blijven waken voor de goede naam van betrokkenen. Maar het stuit op zeer grote bezwaren datgene wat tot het centrale werk van het kerkeraadscollege behoort geen plaats in het kader van de notulering van de werkzaamheden te geven. Het kan ook, helaas!, nodig zijn dat bij terugval in een zonde de kerkeraad zich op de hoogte stelt of doet stellen van de gang van zaken bij een vorige behandeling. Men moet hier niet overgeleverd zijn aan het feilbare geheugen. Daarmee is niet gezegd dat het geheugen nooit te hulp mag worden geroepen. De bedoeling is te zeggen dat voorzover de verantwoordelijkheid van de kerkeraad gaat er zoveel mogelijk zekerheid in het vastleggen van de feiten moet zijn. Ook kan hierbij worden opgemerkt dat de kerkeraad van een gemeente van Christus niet beschouwd kan worden als een instantie met een wisselende cliëntele, zoals bijvoorbeeld een instantie die opereert op het gebied van maatschappelijke zorg is. In zo’n geval kan vernietiging van een dossier na de sluiting van een zaak eis van billijkheid zijn. Maar de kerkeraad heeft geen los-vaste cliëntele. Hij vindt zijn werk binnen het vaste kader van de gemeente des Heren die als een éénheid leeft en als eenheid mag verkeren onder de voortdurende bescherming van de tucht. De tucht is wel persoonlijk, individueel. Maar functioneert niet individualistisch.

Kamphuis, J. (1982) Hst. 9

|164|

9. De excommunicatie

 

9.1. De twee fasen van het laatste stadium.

We hebben de behandeling van de afhouding van het Heilig Avondmaal als handeling van voorlopige excommunicatie 1) afgerond en gaan nu over tot de behandeling van de afsnijding als definitieve excommunicatie of grote ban. Nadat een broeder of zuster die aan de zonde vasthoudt ondanks vermaningen van het Avondmaal is afgehouden, volgt een, soms langdurige, procedure, waarbij verschillende elementen onze aandacht moeten hebben.

We zijn nu in een nieuw stadium van de tuchtoefening gekomen.

Er blijft natuurlijk veel van wat over de voorlopige excommunicatie is opgemerkt van kracht. We hebben in dat kader gepleit voor een nauwkeurige notulering, inzonderheid van het gemotiveerde oordeel op grond waarvan de maatregel van de afhouding getroffen wordt. Die eis van nauwgezette boekstaving blijft in het vervolg onverkort gelden.

Men zal er goed aan doen een lijst van gecensureerden aan te houden. In een situatie waarin de kerkeraad zich mag verblijden in het feit dat er metterdaad geen tucht behoeft te worden geoefend, is zo’n (lege) lijst in feite overbodig. Ook wanneer men maar met een enkel tuchtgeval in de gemeente heeft te doen, ligt het voor de hand dat het de ambtsdragers wel voor de aandacht staat met welke broeders


1) Om misverstand te voorkomen noteren we nogmaals: de zgn. ‘eenvoudige’ afhouding van het Avondmaal is afzonderlijk besproken. Zij behoort in eigenlijke zin niet tot de tucht, maar dient om in een geval dat bij voorbeeld plotseling opkomt en waarover de kerkeraad niet tot een afgerond oordeel kon komen vóór de viering van het Avondmaal, de tafel heilig te houden zonder dat daarmee een oordeel wordt uitgesproken. Deze ‘eenvoudige’ afhouding is niet in de Kerkorde opgenomen, maar is een wettig middel van kerkregering, al behoort ze niet tot het geheel van de disciplinaire maatregelen en mag ze ook niet worden misbruikt om de ernst van de tucht te ontwijken en het geweten te stillen doordat toch ‘iets aan de situatie wordt gedaan’. Dat is typisch een oneigenlijk gebruik van de ‘eenvoudige’ afhouding, waardoor in bepaalde gevallen de tucht van meetaf op een verkeerd spoor komt. Het is daarom van betekenis de eigen plaats van de ‘eenvoudige’ afhouding te zien én te honoreren.

|165|

en zusters men heeft te handelen. Zijn ook dan de notulen niet voldoende? We weten dat dit in verreweg de meeste gevallen de praktijk is. Toch pleiten we er voor — ook in verband met de tucht over doopleden — dat de scriba van de kerkeraad de opdracht krijgt en permanent heeft een lijst van ‘tuchtgevallen’ aan te houden, ook als deze ‘lijst’ maar een enkele naam zou bevatten. De lijst dient om de namen op te tekenen en dus bij noodzaak van onderscheiden tuchtoefeningen in de gemeente de aandacht van de kerkeraad bij ieder van de gevallen te houden. De langdurigheid van een procedure mag niet een vergeetboek scheppen. En dat vooral niet omdat ieder mens, en ook ieder college de neiging heeft moeilijke en schijnbaar uitzichtloze gevallen uit het bewustzijn te verdringen. Er zijn hier trieste voorbeelden van te geven. De lijst dient óók om op aan te tekenen in welke notulen over die bepaalde broeder is gehandeld. Zo kan de vergadering indien nodig zich snel oriënteren in wat tijdens de verschillende vergaderingen besloten en geoordeeld werd. De lijst dient dan tegelijk als controle-middel voor twee zaken: a) wordt wel regelmatig aan de betrokken broeders en zusters aandacht gegeven? en b) wordt wel regelmatig nauwkeurig en voldoende genotuleerd?

Art. 76 en 77 van de Kerkorde spreken beide over de „talrijke vermaningen” die tot de zondaar uit moeten gaan voordat het van de afhouding van het Avondmaal zal komen tot de excommunicatie als „uiterste remedie”. Het is zinvol dat in de praktijk van de tuchtoefening van de gereformeerde kerken er verbinding is tussen de ‘vermaningen’ èn de viering van het Avondmaal. De broeder is van die viering uitgesloten. Dat is het voornaamste deel van de voorlopige excommunicatie. Wat spreekt nu meer voor zich dan dat de kerkeraad voor iedere volgende viering van het Avondmaal de broeder ambtelijk doet bezoeken? Dat zal tenminste dus eenmaal in de drie maanden zijn 2). Als de gemeente als de gemeenschap der heiligen de dood des Heren verkondigt, is die éne stoel leeg. Dat kàn niet zonder meer passeren. Hier dringt de Geest der gemeenschap de broeders ambtsdragers tot bezoek en tot oproep om in de weg van de bekering weer aan te schikken aan de tafel van het Verbond samen met al de andere geroepenen, die belijden in zichzelf „midden in de dood te liggen”


2) K.O., art. 62, begin: „Het avondmaal van de Here zal ten minste eens in de drie maanden gevierd worden”.

|166|

maar hun leven te hebben buiten zichzelf in Jezus Christus: we zijn „in Christus geheiligd”. En waartoe de Geest ons hierin dringt, dat moeten wij niet aan onze stemming overlaten. Er moet vastheid, regelmaat in het ambtelijk werk zijn. Vastheid en regelmaat in de praktijk van de oefening van de tucht.

Dat betekent niet dat het per se bij dit éne bezoek kort voor de viering van het Avondmaal moet blijven, waarover het rapport moet worden uitgebracht op de vergadering die aan de Avondmaalsviering voorafgaat. De kerkeraad kan intensievere bearbeiding noodzakelijk achten. Maar laat daardoor dan het vaste patroon niet verstoord worden. Intensivering in een bepaald stadium mag niet verslapping in een volgend stadium als gevolg hebben!

Van ieder bezoek behoort dus goede en tijdige rapportage aan de kerkeraad te worden gedaan. De kerkeraad behoudt te allen tijde ook de mogelijkheid de broeder in de kring van de kerkeraad te roepen om als college het vermaan te doen uitgaan. Ook daarvan wordt verslag gedaan en opgenomen in de notulen.

Men moet steeds voor de aandacht houden dat met de afhouding van het Avondmaal een procedure in gang is gezet. De feitelijke gang van zaken behoort dus met die nauwgezetheid te worden geboekstaafd die passend is bij dát ernstige feit: er is een rechtshandeling met een broeder in de gemeente gaande.

De periode die met de afhouding van het Avondmaal begint en bij onbekeerlijkheid eindigt met de afsnijding, is in twee onder-perioden te verdelen.

De eerste periode is die, waarin de kerkeraad voortgaat met de vermaningen zonder dat er verder bekendheid aan de oefening van de tucht wordt gegeven. Men spreekt van ‘stille censuur’.

De ambtsdragers hebben de plicht, zolang de kerkeraad oordeelt dat de gemeente nog niet met de tuchtoefening in kennis gesteld wordt, hunnerzijds naar buiten toe zwijgzaamheid te betrachten.

In het éne geval zal dit gedrag van de kerkeraad meer praktisch effect sorteren dan in het andere. In een grote gemeente, die in een stedelijke omgeving woont en waar naast de ‘vaste kern’ het een voortdurend gaan en komen is van van elders binnenkomende en naar elders vertrekkende leden, kan het voorkomen dat een disciplinaire afhouding van het Avondmaal aan slechts een enkele in de gemeente opvalt. Het kan anderzijds ook zo zijn dat de ‘lege plaats’ aan het Avondmaal de hele gemeente in het oog valt. Het is mogelijk dat het

|167|

gemeente-lid dat met de tucht in aanraking is gekomen er zijnerzijds het zwijgen toe doet óf uit achteloosheid óf uit schaamte. Het kan ook zijn dat hij zijnerzijds ruchtbaar maakt wat de kerkeraad met zwijgen omgeeft.

Het is eis van nuchterheid te erkennen dat hier tal van situaties mogelijk zijn, waartoe zeker ook moet worden gerekend de laatst aangeduide situatie dat het práten van de getuchtigde broeder het effect van het zwijgen van de ambtsdragers naar buiten toe feitelijk tot nul reduceert. Het constateren van die feitelijke stand van zaken zal dan mee een element in de overwegingen moeten zijn als de kerkeraad zich beraadt over de voortgang van de tucht en het tempo waarin die voortgang plaats zal hebben. Hier laten zich weer verschillende situaties denken, die moeilijk in het abstracte op een rij zijn te zetten. Daarvoor is er in de verbinding met andere gegevens eenvoudig een te grote mogelijkheid van variatie.

Maar twee zaken moeten wél duidelijk zijn en vaststaan. In de eerste plaats: het is de kerkeraad als college dat bepaalt, wanneer het ogenblik is aangebroken dat aan de gemeente kennis van de tuchtoefening zal worden gegeven volgens de daarvoor geldende bepalingen. De kerkeraad en niet een afzonderlijke ambtsdrager. Ook niet wanneer het geval zich voordoet dat de broeder ambtsdrager vanuit de gemeente over de broeder die met de tucht in aanraking is gekomen wordt aangesproken, eventueel: kritisch wordt aangesproken: „...en doet de kerkeraad daar nu niets aan?” Die vraag kan beantwoord worden met de verzekering (een verzekering die gegeven móet kunnen worden in een kerk die de drie kenmerken van art. 29 N.G.B. vertoont) dat de kerkeraad zich van zijn roeping bewust is. Maar een vraag die niet mag worden beantwoord met een informatie over de stand van de procedure.

In de tweede plaats: hoewel het feit dat een broeder die in zonde leeft zijnerzijds ruchtbaarheid aan de bediening van de tucht geeft — en dat wellicht ook nog met verdraaiing van de feiten — een element moet zijn in de oordeelsvorming van de kerkeraad met betrekking tot de voortgang van de tucht, zal de kerkeraad er zich voor moeten hoeden dat hij zich het tempo van de tuchtoefening zal laten dicteren door instanties van buiten. De kerkeraad zal zich steeds hebben af te vragen of de voortgang van de tucht dienstbaar is aan het doel van de tucht: de eerbiediging van de heiligheid Gods in zijn gemeente en (indien het God behaagt) het behoud van de zondaar. In de grond

|168|

van de zaak wordt de voortgang van de tucht door niets anders bepaald dan door de normen die voor iedere tucht in de gemeente van Christus gelden. Een kerkeraad moet zich dan ook vrij weten. Niet gebonden door de provocaties van een rebelse zondaar. Niet gedwongen door de druk vanuit de gemeente. Slechts gebonden aan de heerschappij van de Christus over zijn volk en daarom in een volstrekte onafhankelijkheid in menselijke verhoudingen. Alleen zó kan rechtspraak én pastoraat samengaan. En die twee móeten samengaan. Ze behóren een diepe, hechte éénheid te zijn, zal de kerkelijke tucht niet verwereldlijken: smakeloos zout dat nergens anders toe dient dan om te worden weggeworpen!

Hierbij is ook nog te overwegen dat de overgang van de eerste naar de tweede periode een bijzonder belangrijke is. Art. 77 K.O. laat dat duidelijk uitkomen: „Voordat de kerkeraad — na de ontzegging van het avondmaal en de daarop gevolgde vermaningen — tot de excommunicatie overgaat, zal hij de gemeente bekend maken met de hardnekkigheid van de zondaar”. En dan wordt iets verderop in het artikel voorgeschreven: „De gemeente zal aangespoord worden hem aan te spreken en voor hem te bidden. Hiervoor zal driemaal een afkondiging gebruikt worden”.

Het is duidelijk dat met de bekendmaking aan de gemeente de weg naar de excommunicatie wordt ingeslagen in procedureel opzicht. Zeker, ook nu nog heeft de Kerkorde onderscheiden beveiligingen tegen overhaasting ingebouwd. Ze zullen nog stuk voor stuk onze aandacht hebben. En voor wat de afkondigingen aan de gemeente betreft bepaalt het slot van het artikel nog nadrukkelijk: „Over het tijdsverloop tussen de afkondigingen beslist de kerkeraad”. Over de hele linie van de tuchtprocedure geldt — wat één van de grondregels van heel de bediening der verzoening in deze wereld is — dat niets automatisch verloopt. Nooit en nergens wordt in de kerk een automatisme in gang gezet dat aan geen controle meer is onderworpen. En dat is zeker bij de bediening van de tweede sleutel van het koninkrijk der hemelen niet het geval.

Maar aan de andere zijde is het duidelijk dat de tweede periode in het stadium dat wordt gemarkeerd door de voorlopige èn door de definitieve excommunicatie onder de beheersing staat van die excommunicatie. De zaak is door de bekendmaking aan de gemeente in een beslissend stadium gebracht. Er is nog wel een retour mogelijk. In de weg van bekering van de zondaar. Met het oog daarop wordt de

|169|

gemeente ook ingeschakeld! Maar voorzover de kerkeraad kan oordelen moet er bij hem de duidelijke overtuiging zijn dat het niet meer goed en verantwoord is langer te wachten definitief koers te zetten naar het gebruik van het láátste middel dat de kerk ten dienste staat tot aanwending van het behoud van hen die de gemeenschap van het geloof en van de liefde die de kerk vormt niet willen onderhouden, nl. de uitsluiting uit die gemeenschap.

Is men het stadium van de stille censuur voorbij, dan is de periode van de lankmoedigheid afgesloten die mogelijk werd gemaakt doordat aan het zondigende gemeentelid het gebruik van zijn rechten als lid van de kerk van Christus werd ontzegd, terwijl de rechten zelf nog onaangetast bleven. De kerkeraad die door middel van de afhouding van de tafel de wacht reeds hield bij de heiligheid van de gemeente die haar leven viert in de gekruisigde en opgestane Here, weet zich nu geroepen de plaats zelf van de zondaar in de gemeente in een laatste geding te brengen. En dan weten we de sleutel van het Koninkrijk te bedienen: wat op aarde gebonden wordt, zal ook in de hemel gebonden zijn. Er wordt nú koers gekozen naar de verklaring die tenslotte moet komen dat dit lid der gemeente „uitgesloten is, en wordt uitgesloten mits dezen buiten de gemeente des Heren, en vreemd is aan de gemeente van Christus, van de heilige sacramenten, en van alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods die Hij aan zijn gemeente belooft en bewijst, zolang hij hardnekkig en onboetvaardig blijft in zijn zonden” (Formulier van de ban).

De kerk mag het laatste middel dat haar is gegeven niet veronachtzamen. De kerk moet wél weten dat het haar laatste middel is.

|170|

 

9.2. De drie afkondigingen aan de gemeente in het geheel van de procedure.

De weg naar de definitieve uitsluiting 1) uit de gemeente van Christus, die in Hem de gemeenschap der heiligen is, verloopt nadat het stadium van de ‘stille censuur’ is afgesloten in drie étappes die worden gemarkeerd door een steeds intensievere inschakeling van de gemeente èn een steeds naderbij komen van de acte der excommunicatie. Die twee gaan gelijk op en zijn ook in de bepalingen van de Kerkorde duidelijk verstrengeld: wanneer de gemeente in kennis wordt gebracht dat een lid van de gemeente door onbekeerlijkheid onder de tucht moest worden gesteld, dan tekenen zich reeds enigszins de contouren van de excommunicatie af. Maar tegelijk wordt de gemeente in het gebed gemobiliseerd opdat de zondaar alsnog tot bekering gebracht zal mogen worden. Als dan in de volgende fase ook zijn naam aan de gemeente bekend wordt gemaakt, zijn we een stap dichter bij de excommunicatie die immers met naam geschiedt. De gemeente is tegelijk in verhoogde staat van paraatheid. Zij wordt niet alleen opgeroepen voor de zondaar te bidden, maar ook hem aan te spreken. Als de zondaar zich ondanks alles blijft verharden, wordt aan de gemeente de datum van de uitsluiting bekend gemaakt. De broeders en zusters weten nu dat voor wat de positie van die ene broeder of zuster betreft de kritieke fase is aangebroken. Wanneer dan de dag van de excommunicatie aanbreekt, is de gemeente eveneens daarbij: het zal gebeuren „met de stilzwijgende instemming van de gemeente”, art. 77 K.O.

De drie étappes, die aan de excommunicatie zelf voorafgaan worden in het kerkelijk spraakgebruik dikwijls aangeduid als de drie ‘trappen’ van de christelijke tucht. Als we het boven over de gang van zaken opgemerkte overwegen, dan zien we in dat dit niet-officiële spraakgebruik zeker een bepaald goed recht heeft: in de voortgang van de procedure vindt intensivering van de bediening van de tucht plaats. Er is cumulatie in het gebruik van de nog ten dienste staande middelen


1) ‘Definitief’ in onderscheiding van ‘voorlopige excommunicatie’. Het woord mag dus niet in absolute zin worden genomen. Als ‘uiterste remedie’ doelt de ‘definitieve excommunicatie’ juist op het weer opnemen in de gemeente dat in de Kerkorde dan ook in artikel 78 is geregeld.

|171|

om de zondaar tot inkeer te brengen, omdat de situatie steeds ernstiger wordt. Zo kómt men van de éne tot de volgende ‘trap’ van de tucht.

Wanneer we echter op de aard van die achtereenvolgende ‘trappen’ letten, zien we dat ze in feite bestaan uit drie afkondigingen aan de gemeente. Art. 77 K.O. zegt: „De gemeente zal aangespoord worden hem (nl. de zondaar) aan te spreken en voor hem te bidden. Hiervoor zal driemaal een afkondiging gebruikt worden. Om de zondaar nog te ontzien zal in de eerste zijn naam niet genoemd worden. In de tweede zal met de in art. 76 2) bedoelde instemming van de classis zijn naam vermeld worden. In de derde zal de kerkeraad aan de gemeente meedelen dat hij buiten de gemeenschap van de kerk gesloten zal worden, als hij zich niet bekeert”.

In het voorbijgaan merk ik op dat de nieuwe redactie van de Kerkorde terminologisch hier een beduidende winst aan duidelijkheid heeft geboekt. In de vroegere redactie van dit artikel (dat hetzelfde nummer droeg) wordt gezegd dat „de gemeente vermaand (zal) worden hem (nl. de zondaar) aan te spreken en voor hem te bidden”. In terugslag op dit werkwoord in de passieve vorm „vermaand worden”, spreekt het artikel vervolgens over „vermaningen”: „Zodanige vermaningen zullen er drie geschieden”. Zodanige — nl. aan het adres van de gemeente. Maar in het begin van het artikel was in overeenstemming met het doorgaande spraakgebruik in het hoofdstuk over de tucht gehandeld over de „onderscheiden vermaningen” aan het adres van de zondaar. Het misverstand kon rijzen dat met de later genoemde „zodanige vermaningen” deze laatste zouden zijn bedoeld. De nieuwe redactie blijft nu over „vermaningen” spreken als het gaat over de oproep (de oproepen) tot bekering zoals deze uitgaat tot de broeder die in zonde leeft. Maar dan wordt vervolgens in overeenstemming met de zakelijke inhoud van het vroegere woord „vermaning” gezegd dat de gemeente zal worden „aangespoord” om de zondaar aan te spreken en voor hem te bidden. En dan wordt gezegd dat met het oog daarop („hiervoor") driemaal „een afkondiging


2) Art. 76, slot: „Niemand mag worden geëxcommuniceerd zonder instemming van de classis”.

|172|

gebruikt zal worden 3).

Het onderscheid tussen vermaning èn aansporing plus afkondiging is nu volkomen duidelijk. Ook is duidelijk dat het één dus naast het ander kan voorkomen en behoort voor te komen: terwijl de gemeente per afkondiging wordt aangespoord en geestelijk wordt gemobiliseerd om van haar kant de zondaar aan te spreken, gaat het ambtelijk vermaan verder zijn eigen gang.

Hierdoor is nu de eigen structuur duidelijk geworden van de tijd tussen de stille censuur en de excommunicatie. De zondaar wordt nu door het geheel van de gemeente, die het Woord draagt en waarin de Heilige Geest woont, het geheel van de gemeente mèt haar ambten aangesproken in de volmacht van de Heilige Geest, terwijl toch ieder in de gemeente (gelovige, al naar ieders mogelijkheid en eigen roeping èn de opzieners) zijn eigen plaats houdt. In het begin van de kerkelijke tucht is bij een zonde, die slechts aan weinigen bekend is, het ambt nog niet ingeschakeld. Ook nog niet het geheel van de gemeente. De gemeente is tot behoud werkzaam in één broeder of (tweede stadium) in enkele broeders. Daarna komt de periode dat de ambtsdragers hun werk in vermaning en bestraffing doen, terwijl de gemeente daar niet bij betrokken is. In het laatste stadium wordt naast de activiteit van het ambt die van de gemeente als geheel gemobiliseerd. De tucht is in de kerken van de reformatie wèl een zaak van ambtelijke verantwoordelijkheid. De ouderlingen heten niet voor niets opzieners. Maar die ambtelijke verantwoordelijkheid en bevoegdheid is geen hiërarchische. Wellicht is nergens duidelijker dan in de inschakeling van de gemeente in de voortgang van de tucht te zien dat het ambt dat door Christus wordt gegeven functioneert in de door de inwoning van de Geest mondige gemeente. De gereformeerde tuchtoefening is allesbehalve een hiërarchisch-clericale aangelegenheid — volgens de norm in de Heilige Schrift ons geopenbaard. Zie bij voorbeeld hoe in 1 Cor. 5, zoals ook steeds in het Oude Testament, de gemeente voor de rechte bediening van de tucht verantwoordelijk wordt gesteld. De praktijk (wij beseffen het) beantwoordt dikwijls niet aan deze norm. Maar dat betekent niet dat daarom de norm nu


3) De Kerkorde van de (syn.) Gereformeerde Kerken heeft een soortgelijk terminologisch onderscheid doorgevoerd, maar spreekt wat pleonastisch over een ‘openbare bekendmaking’.

|173|

moet worden bijgesteld. Het tegenovergestelde is het geval! De praktijk in iedere plaatselijke gemeente heeft zich steeds weer uit kracht van deze norm te reformeren. Het is duidelijk dat de Kerkorde hier de gemeente wil zien ingeschakeld terwille van het behoud van de zondaar, maar tegelijk evenzeer terwille van het behoud van haar eigen karakter als gemeente van God, als heilige gemeente die het kwade niet kan verdragen, vgl. Openb. 2, 2. De onderwijzing van de gemeente (denk aan de leer van de sleutels van het hemelrijk in Heidelbergse Catechismus, Zondag 31) heeft hier een taak van nooit te onderschatten betekenis. De gemeente moet niet leven bij de nieuwtjes die tijdens een concrete tucht de zondaars wellicht verspreiden. Zij moet leren leven uit het Grote Nieuws van het Evangelie dat zij in ieder van haar leden uit kracht van de genade van God is gemaakt tot het Sion, waarin behoudenis wordt geschonken, Joël 2, 32.

Overwegen we nu het geheel, voor we nog een enkele opmerking over de verschillende onderdelen maken, dan moet genoteerd dat het spreken over de drie ‘trappen’ van de kerkelijke tucht toch niet zonder gevaar van misverstand is. Een misverstand dat zich in de praktijk ook wel laat gelden. Men kan namelijk tot de gedachte komen als zouden deze drie ‘trappen’ het geheel van de kerkelijke tucht vormen. En niets is minder waar! De kleine ban of ‘voorlopige excommunicatie’ behoort daar ook wezenlijk bij. Evenzeer als de ‘stille censuur’ als het tussen-stadium tussen de voorlopige excommunicatie en de drie ‘trappen’ die tot de excommunicatie voeren. En anderzijds is de excommunicatie zelf ook weer onderscheiden van de drie ‘trappen’. Het is een misverstand dat de derde afkondiging aan de gemeente met een excommunicatie samen zou vallen of samen zou kunnen worden genomen. De excommunicatie als daad van uitsluiting heeft een geheel eigen plaats.

We trachten het geheel van de bediening van de tucht nu in schema te brengen. Geheel links in het schema zijn de artikelen van de Kerkorde vermeld die op de verschillende fasen betrekking hebben. Hier ontbreken, zoals vanzelf spreekt de artikelen 75 en 78 die handelen over de ‘verzoening’, het weer opnemen óf ten tijde van de procedure of na de excommunicatie.

|174|

|175|

 

9.3. De spits van het behoud naar de zondaar toe.

Wanneer de tuchtprocedure in het laatste stadium is gekomen, blijkt duidelijk dat de oefening van de tucht een zaak van de gemeente onder vóórgang van haar opzieners is: Zij wordt volgens voorschrift van art. 77 K.O. op de hoogte gebracht van „de hardnekkigheid van de zondaar”. Zij krijgt daarbij ook een overzicht van het door de kerkeraad aan de zondaar ten koste gelegde: „Daarbij (nl. bij de bekendmaking aan de gemeente) zullen genoemd worden zijn zonde en de vele pogingen om hem tot inkeer te brengen door bestraffing, onthouding van het avondmaal en talrijke vermaningen”. Zonder de discretie te schenden betekent dit toch dat er metterdaad materieel informatie over de gang van vermaning en tucht wordt gegeven. En de gemeente wordt ook zelfs tot driemaal toe aangespoord „hem aan te spreken en voor hem te bidden”.

In dit alles heeft de kerkeraad zonder twijfel de gemeente, haar welzijn en haar opbouw op het oog. Zoals de definitieve afsnijding ook terwille van de gemeente plaats vindt, zo ook de gang daarheen. Enerzijds moet de gemeente concreet leren de zonde te haten en te mijden. Dat moet in de gang van de procedure ook metterdaad haar omgang met de broeder die in zonde leeft gaan stempelen. Ook de sociale omgang heeft in de christelijke kerk te staan onder de klem van de handhaving van de heiligheid Gods in zijn gemeente: „.... gij moet niet omgaan met iemand, die, al heet hij een broeder, een hoereerder, geldgierige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of oplichter is; met zo iemand moet gij zelfs niet samen eten”, 1 Kor. 5, 11. Dit woord kan diep ingrijpen in de praktische, alledaagse verhoudingen in het leven van de christelijke gemeente vandaag. Zeker vandaag, nu de sociale omgang ook allerlei organisatorische vormen heeft aangenomen die een eigen zelfstandigheid hebben. Men spreekt dan in dit verband dikwijls over het functie-verlies van de kerk. Zou vroeger het leven in de letterlijke zin van het woord meer ‘church-centered’ geweest zijn, zoals nog wel in de jonge kerken die uit het werk van de zending voortkomen, bij een voortgeschreden gechristianiseerde cultuur zou er een differentiatie van levenskringen ieder met een eigen souvereiniteit optreden, waardoor automatisch de plaats van de kerk, ook van haar opzicht en haar tucht, een veel bescheidener zou worden. Daarbij zou dan nog de problematiek van de feitelijke pluriformiteit komen: wie zou er zich in hervormde of christelijke gereformeerde

|176|

kring iets van aantrekken als een broeder in de gereformeerde kerk wegens verachting van de ‘eigen bijeenkomst’, Hebr. 10, 25, publiek en bij name onder de tucht wordt gesteld? En dat mist z’n uitwerking natuurlijk ook niet in eigen kerkelijke kring!

Maar wij zullen als gemeente niet allereerst in theoretische vertogen tegen niet-Schriftuurlijke stellingen over de kerk onze kracht zoeken, maar we zullen ondanks alle belastering, vgl. 1 Petr. 2, 12, uit „een goede wandel” moeten tonen wat het is ‘gemeente’ te zijn: het heilige volk van de heilige God. Dan vallen de beslissingen over héél de linie van de christelijke levenspraktijk. Maar die beslissing kan ook heel concreet worden en moeten worden doordat we onze persoonlijke omgang niet isoleren van wat er plaats vindt in de gemeente, maar integendeel die omgang daarnaar reguleren. Als we de tucht — en dat terecht! — kenmerk van de kerk noemen en we spreken over de kerk als over de mondige gemeente, dan houdt dat ook in dat we ondanks alle moeite die dat meebrengt allen samen in de concrete mijding van de zonde in Gods kracht de geloofsstrijd willen aangaan om ‘gemeente’ te zijn. Nergens duidelijker dan bij de bediening van de tweede sleutel van het Koninkrijk der hemelen blijkt het dat de kerk des Heren plaatselijk wordt vergaderd en plaatselijk openbaar moet worden als de gemeente Gods. Ik, schrijver van deze verhandeling over de tucht, word niet primair in Ulrum of in Vlaardingen geroepen mee te werken aan het tonen van het ‘derde kenmerk’ van de ‘ware kerk’. Ik word er toe geroepen in de plaats van eigen inwoning. Daar word ik op de hoogte gesteld, ingeschakeld en verantwoordelijk gesteld.

Verantwoordelijk voor heel de gemeente.

Verantwoordelijk ook en inzonderheid met betrekking tot de broeder of zuster die voor de weg van de zonde heeft gekozen.

Want de afkondigingen in het laatste stadium van de tucht hebben wèl de bewaring van de gemeente op het oog, maar zeker niet minder ook het behoud van de zondaar. Dat staat zelfs duidelijk voorop. Hij moet nu door velen worden aangesproken, opdat straks, als het God behaagt, in eigen gemeente ook ruimte zal mogen zijn voor dat barmhartige, apostolische woord over de zondaar die tot zijn behoud onder de geestelijke druk van het broederlijke vermaan is bezweken: „Voor zo iemand is het reeds genoeg, dat het merendeel (van u) hem berispt heeft, zodat gij nu integendeel hem vergiffenis moet schenken en hem vertroosten, opdat hij niet door overmatige droefenis

|177|

overstelpt worde”, 2 Kor. 2, 6.7. Terwijl de gemeente wordt vermaand de zonde te mijden en haar omgang met de zondaar daar ook op af te stemmen, wordt ze tegelijk toch ook destemeer naar hem toegewezen. Het ambtelijk vermaan wordt verbreed en verdiept door het broederlijk vermaan.

Als de kerkeraad de gemeente dus op de hoogte brengt en inschakelt, houdt hij de zondaar, die tot nu toe met de ‘stille censuur’ te doen had, goed in het oog. De geestelijke regering van de gemeente in de bediening van de tucht blijft een vanzelfsprekende spits naar de zondaar toe houden.

Dat heeft ook consequenties met een zeker formeel aspect.

In de voortgang van de tucht wordt tot driemaal toe een afkondiging aan de gemeente gedaan. Maar dat behoort niet te gebeuren — ook niet de eerste keer, wanneer de naam van de zondaar nog niet wordt genoemd om hem te ontzien — zonder dat vóóraf hiervan mededeling aan de betrokkene wordt gedaan. Hij behoort in de afkondiging niet voor een voldongen feit te worden geplaatst of in een onvoorziene situatie te worden gemanoeuvreerd.

Daarom behoort de kerkeraad òf de zondaar in zijn vergadering te ontbieden om hem van de voorgenomen afkondiging aan de gemeente op de hoogte te brengen òf een commissie naar hem af te vaardigen om hem het besluit van de kerkeraad officieel mee te delen. Het geval kan zich voordoen dat een lid van de gemeente dat onder de tucht is gesteld de ambtsdragers niet in zijn huis wil ontvangen. Dat kan zeker het geval zijn, wanneer het kritieke stadium is bereikt dat de gemeente op de hoogte wordt gebracht. Ook in dit geval behoort de zondaar op de hoogte te worden gebracht dat er een afkondiging aan de gemeente zal plaats vinden. Er blijft nu niet anders over dan dat hij schriftelijk hiervan mededeling ontvangt.

In dit verband is een enkele opmerking noodzakelijk.

Ten eerste: de schriftelijke mededeling als zodanig behoort zakelijk te zijn gesteld zodat de persoon in kwestie duidelijk weet waar hij aan toe is.

Ten tweede: een zakelijk-geformuleerde mededeling is nog wat anders dan een informatie over een administratieve beschikking. Ook wanneer de mogelijkheden van het contact beperkt worden moeten ambtsdragers zich nog niet als ambtenaren aanstellen, en zeker niet als bureaucraten. De mededeling behoort vergezeld te gaan van een wèl-gekozen woord van vermaning en bestraffing.

|178|

Ten derde: een algemene opmerking over het schriftelijk contact als zodanig, nu dus breder genomen dan als schriftelijke informatie over een afkondiging aan de gemeente. Over het geheel genomen verdient uit de aard der zaak het mondeling onderhoud ver de voorkeur. Steeds moet het mogelijk zijn de reactie op vermaan en bestraffing te peilen en te evalueren. Dit wil niet zeggen dat een kerkeraad er in een bepaald geval onjuist aan zou doen in de loop van een behandeling, zelfs als hij alle toegang tot het huis van de broeder of zuster heeft, een brief in te schakelen. Het kan nodig zijn dat de broeder of zuster eens rustig onder ogen krijgt hoe de situatie zich tot nu toe heeft ontwikkeld en hoe de kerkeraad dat beoordeelt. Zo goed als in allerlei positieve verhoudingen soms, ook bij de mogelijkheid van mondeling contact, het ‘de gedachten eens op papier zetten’ een nuttige functie kan hebben, zo ook in deze kritische situatie. Als men dan maar tegelijk waakt tegen onnodige dossier-vorming!

Ten vierde: wanneer een lid van de gemeente de toegang tot zijn huis aan de opzieners weigert, tekent zich de breuk met de gemeente reeds af. Er blijkt een proces op gang te zijn gekomen van onttrekking aan opzicht en tucht. Maar men concludere niet overhaast tot de voltrekking van deze daad. In zo’n situatie zal de kerkeraad de broeder toch moeten trachten te bereiken. Dan desnoods maar schriftelijk. En wanneer blijkt dat de broeder met het schriftelijk vermaan bezig is en daarop reageert, dan moet men niet vanwege de karigheid van dit middel, er maar snel een einde aan maken. Alleen wanneer een lid van de gemeente metterdaad alle banden doorsnijdt òf door formeel de band met de gemeente te verbreken òf door de ambtsdragers niet meer te willen ontvangen en door bij voorbeeld de brieven te retourneren, is de tijd gekomen te constateren dat de onttrekking formeel óf metterdaad heeft plaatsgevonden, vgl. pag. 191v, noot 4. 

Maar nu weer terug naar de hoofdlijn van ons betoog.

De tucht blijft ook in het stadium van de inschakeling van de gemeente de zondaar zoeken. Daarom juist die inschakeling. Daarom ook dat de gemeente niet plompverloren met heel het ‘geval’ op de hoogte wordt gebracht, maar de kerkeraad naar het duidelijke voorschrift van de Kerkorde in art. 77 hier van stap tot stap voortgaat en bij de aanvang nog de meest-mogelijke terughouding in acht neemt: „Om de zondaar nog te ontzien zal in de eerste (afkondiging aan de gemeente) zijn naam niet genoemd worden”. Hoe sterk hier de terughoudendheid is die in acht wordt genomen, kan blijken uit het feit

|179|

dat door déze bepaling datgene wat in de Kerkorde hier onmiddelijk aan voorafgaat gemodificeerd wordt. Daar staat: „De gemeente zal aangespoord worden hem aan te spreken en voor hem te bidden”. Maar het is duidelijk dat pas bij de tweede afkondiging aan de gemeente, wanneer ook de naam van de zondaar wordt vermeld, er voor de gemeente de mogelijkheid komt hem aan te spreken. Daarom luidt het slot van de vóórgeformuleerde eerste ‘vermaning’ of ‘afkondiging’ in ons kerkboek: „De kerkeraad deelt u dit nu voor de eerste keer mee. Hij roept u met klem op, de Here te bidden of hij deze broeder tot bekering wil brengen” (ik volg hier de door de generale synode van Groningen-Zuid, 1978, geredigeerde tekst, die zakelijk overeenkomt met de tot nog toe geldende formule 1). De tweede afkondiging krijgt dan onder meer déze uitbreiding: „Met diepe ernst roept de kerkeraad u op, de betrokken zondaar liefdevol te vermanen. Zijn naam is .... Bid de Here, of Hij deze broeder nog tot bekering wil brengen, zodat de zonde uit de gemeente gebannen en de zondaar behouden wordt”.

Over de geschiedenis van dit onderdeel van de tuchtprocedure is nog wel het een en ander op te merken dat we nu terzijde laten 2). Het gaat ons er nu in het kader van een algemene behandeling van de kerkelijke tucht om het eigen karakter van de eerste mobilisatie van de gemeente tot behoud van de zondaar in het licht te stellen.

Het begint met gebed voor een broeder of zuster van wie de naam vooralsnog niet bekend wordt gemaakt. De situatie, vooral in een kleine gemeente kan wel zó zijn dat de naam in feite wel bekend is. Ook kan de zondaar zelf er voor zorgen dat de naam in de kring der gemeente bekend wordt. Ook hier (zoals we ook met betrekking tot een vorig stadium overwogen) kan het de schijn hebben alsof het geestelijk beleid van de kerkeraad maar zo kan worden gefrustreerd. Daarvoor hebben kerkeraad èn gemeenteleden op hun hoede te zijn!


1) De Acta spreken van ‘aankondiging’ (nl. van de excommunicatie), pag. 523. De Kerkorde art. 77 door dezelfde synode vastgesteld van ‘afkondiging’, pag. 104. Allebei laat zich verdedigen. Is gelijk woordgebruik niet te prefereren?
2) Vgl. mijn opstel Gebed en excommunicatie in de Kerkorde, in C. Trimp (red.), De biddende kerk. Een bundel studies over het gebed aangeboden bij gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de Theologische Hogeschool te Kampen, Groningen 1979, pag. 204-236.

|180|

Zolang de naam niet bekend is gemaakt door de enige instantie die daartoe bevoegd is, de kerkeraad, zolang is de naam niet bekend en blijft de mogelijkheid dat men eerder gist dan weet met alle schadelijke gevolgen daarvan. Men zal daarom bij de oefening van de tucht als sleutel van het Koninkrijk over één zondaar zichzelf hebben te houden onder de tucht van de zelfbeheersing en de ingetogenheid. Ook hier geldt: „wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, weerhoude zijn tong van het kwade, en zijn lippen van bedrog te spreken”, 1 Petr. 3, 10. En in het verkeer binnen de gemeente zal het goed zijn in dit stadium veel aandacht te hebben voor „de zonden der tong”, waarin Jacobus ons onderwijst, Jac. 3, 1-12! Wat nu van de gemeente wordt gevraagd is niet meer, maar ook niet minder dan de voorbede; er is een kwaad in de gemeente. Een broeder die, als allen in de gemeente, in Christus was geheiligd, dreigt verloren te gaan. De gemeente is daarom in een kritische situatie. Maar de gemeente leeft niet een zelfgenoegzaam leven als een aardse organisatie. Zij leeft in gemeenschap met de Heilige in haar midden. Hij heeft de macht in zijn genade harde harten te verbreken. Hij kan het ambtelijk woord van de vermaning dóór doen dringen tot reiniging van het hart en het leven. Hij wil en Hij moet allereerst in deze zijn hoge en verlossende heiligheid erkend worden en daarom moet er afzonderlijk voor de gemeente ruimte worden gemaakt, niet slechts voor een bid-dag, maar voor een gebeds-tijd. Paulus rekent de voorbede voor het ambtelijk gesproken woord tot „de geestelijke wapenrusting”, vgl. Ef. 6, 18-20. Wat van hem geldt, is waarachtig voor iedere dienaar van de Christus. De voorbede mobiliseert de krachten in het Schriftuurlijk woord vér boven al onze verstandelijke berekening uit.

|181|

 

9.4. De instemming van de classis.

Wanneer in de gang van de kerkelijke tucht de eerste afkondiging aan de gemeente heeft plaats gehad zonder dat vooralsnog de naam van de zondaar wordt genoemd, volgt er een periode van voortgaand ambtelijk vermaan. Daarbij kunnen de ouderlingen zich in bijzondere zin ondersteund weten door het gebed van de gemeente. Zij behoren deze werkelijkheid van een in het gebed gemobiliseerde gemeenschap der heiligen ook voor te leggen aan de broeder of zuster die tégen de verlossende heerschappij van de Here Jezus Christus kiest. Of de zondaar het wil weten of niet, hij behoort ook door het schetsen van deze stand van zaken te worden teruggeroepen van zijn weg. Hij behoort hierdoor ook, bij verharding in zijn zonde, des te minder te verontschuldigen te zijn.

Indien hij in dit stadium tot oprecht berouw en tot bekering komt, staat het uit de aard van de zaak aan het oordeel van de kerkeraad hoe hiervan kennis zal worden gegeven aan de gemeente. Gegeven de eerste afkondiging en de aansporing tot voorbede, staat het vast dat er mededeling van deze grote en heugelijke zaak wordt gedaan: een zondaar heeft zich bekeerd! Vreugde in de hemel en feest in de kerk! Maar dat sluit niet uit dat er dikwijls reden kan zijn, gelet op het alsnog verzwegen zijn van de naam, om soberheid in de informatie te betrachten. Het zal goed zijn om mogelijke verwarring te voorkomen in de tekst van de mededeling aan de gemeente ook de datum waarop de eerste afkondiging uit is gegaan te vermelden.

Indien er evenwel geen berouw komt en de zondaar weigert zich te bekeren, dan is de kerkeraad verantwoordelijk in het bepalen van de afloop van dit eerste stadium in de voorbereiding van de excommunicatie. Hetzelfde geldt van heel het verloop: „Over het tijdsverloop tussen de afkondigingen beslist de kerkeraad”, art. 77 slot. Deze bevoegdheid is niet alleen een formele, maar is een voluit ambtelijke. De kerkeraad heeft ook op dit punt te waken voor de heiligheid van de naam van God. Hij heeft in dezen te waken voor de gemeente van de heilige God. Hij heeft nog steeds en in steeds ultimatiever zin het oog te houden op het behoud van de zondaar.

Maar de eigen, ambtelijke verantwoordelijkheid van de opzieners der gemeente houdt niet in dat er bij deze zware gang van zaken geen hulp zou kunnen worden gegeven vanuit de brede gemeenschap van de heiligen die in het kerkverband gestalte heeft gevonden. De kerken

|182|

hebben zich zelfs in de Kerkorde vrijwillig verplicht deze hulp in te roepen. Want bij de tweede afkondiging aan de gemeente zal de naam van de zondaar bekend worden gemaakt. Dat is een volgende, (kerk-)rechtelijke handeling van het college van de opzieners. Een handeling die naar de kant van het leven van de zondaar en naar vele andere kanten diep kan ingrijpen. Daarom is uiterste zorgvuldigheid vereist. En daarom de door de kerken zelf opgenomen bepalingen: „Niemand mag worden geëxcommuniceerd zonder instemming van de classis”, art. 76 slot, en: „In de tweede (afkondiging) zal met de in art. 76 bedoelde instemming van de classis zijn naam vermeld worden”, art. 77.

We moeten goed oog voor het karakter, de aard van deze ‘instemming’ hebben. Daarom geven we daar in het volgende iets breder aandacht aan.

We kunnen de eigen aard van deze instemming of (om de term van de oudere redactie van de Kerkorde te gebruiken) van dit classicale ‘advies’ alleen op het spoor komen als we ons maar niet alleen met betrekking tot het kerkelijke leven maar over de hele linie van het leven er helder van bewust zijn dat het God behaagt de menselijke samenleving te schragen en als het ware te vitaliseren door een fijn vertakt ‘stelsel’ van geschakeerde verantwoordelijkheid. En dat is weer onderscheiden naar de onderscheiden aard van de verschillende vormen van menselijk samen-zijn en samen leven. Geschakeerde verantwoordelijkheid is er bij voorbeeld in het bedrijfsleven naar de aard van dit ‘leven’. leder heeft eigen roeping en eigen verantwoordelijkheid. Dat geldt van medewerkers van hoog tot laag. Het geldt voor het leidinggevende personeel. Voor directeur of directie enzovoort. Eigensoortige schakering in verantwoordelijkheid uit kracht van de roeping treffen we in de wereld van het onderwijs, van het wetenschappelijk bedrijf, van de overheid en haar diensten, van het leger aan. We kunnen weer zeggen: en zo voort. In die fijn vertakte schakering mogen we de rijkdom en ook de wijsheid van. God herkennen en eerbiedigen. Revolutionair en autonoom denken kan hier nooit helder zicht op krijgen. Dat kan het bedrijfsleven in een revolutionaire periode verlammen. Het kan het ook met de vervulling van wetenschappelijke roeping doen of met de mobiliteit van een leger. Daarom formuleerde Abraham Kuyper het al vroeg trefzeker: „éénvormigheid is de vloek van het moderne leven”. Het leven wordt er door dood gedrukt. Het

|183|

krijgt geen mogelijkheid zich te ontplooien in de dienst van de God die van ieder leven Zijn ‘tol’ vraagt.

Daarom heeft ieder mens zich in iedere situatie van zijn roeping bewust te zijn en uit zijn roeping te leven. We hebben de inhoud èn de begrenzing van onze eigen verantwoordelijkheid te kennen.

Dat geldt met dezelfde kracht als in ieder leven en samenleven ook in de kerk. En hier — onder het Evangelie van de genade, waardoor het geschapen leven behouden wordt, wordt het fundamenteel ook geleerd, beleden en beleefd. En het behoort hier beleden en beleefd te worden naar de eigen aard van de kerk, het lichaam van Christus, waarvan de gelovigen de leden zijn: „Nu heeft God echter de leden, elk in het bijzonder, hun plaats in het lichaam aangewezen, zoals Hij heeft gewild”, 1 Kor. 12, 18, vgl. ook vers 27: „Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden”. Fijn geschakeerde verantwoordelijkheid zien we in de gemeente als zodanig. We zien ze ook onder de broeders ambtsdragers. Het is in de grond van de zaak een revolutionaire gezindheid om de rijkdom van dat pluriforme leven niet te willen zien en te erkennen, ook al is dat onder de schijn van vrome woorden, als: „we zijn toch allemaal broeders en zusters”. Als die opmerking dienst moet doen om eigen roeping, eigen plaats, eigen verantwoordelijkheid te ontkennen of te verkleinen dan is dat een dooddoener èn een doodmaker: „Want het lichaam bestaat toch ook niet uit één lid, maar uit vele leden”, 1 Kor. 12, 14; „Als het lichaam geheel en al oog was, waar bleef het gehoor? Als het geheel en al gehoor was, waar bleef de reuk?”, vs 17.

En wat binnen het geheel van de plaatselijke kerk geldt, dat is ook van kracht voor het kerkverband. Daarom is er tègen iedere ‘gelijkschakeling’, bijvoorbeeld door middel van een of andere (papale, episcopale, synodalistische) hiërarchie steeds weer uit kracht van Gods Woord en van zijn genade protest gerezen. Het is de rijkdom van de gereformeerde kerkregering dat hier oog is voor het onderscheid tussen een kerkeraad als ambtelijke vergadering en de zogenaamde ‘meerdere vergaderingen’, classis, particuliere synode en generale synode als vergaderingen die door afvaardiging tot stand komen 1).


1) Vgl. art. 32 Kerkorde: „Afgevaardigden naar meerdere vergaderingen zullen hun geloofsbrieven, ondertekend door hun zenders, meebrengen en op grond daarvan stemrecht hebben”.

|184|

Hebben we eenmaal voor dit onderscheid oog gekregen, dan is het vervolgens zaak in te zien dat in het samenleven van de kerken en in het elkaar ten dienste zijn in het leven vóór God er nog weer mogelijkheid is tot verfijning, verdergaande nuancering in het aanvaarden en opdragen van bepaalde verantwoordelijkheden. Wanneer men heeft gezegd: een classis (hetzelfde geldt vervolgens van particuliere en generale synoden) is als meerdere vergadering een vergadering van afgevaardigden en niet een ambtelijke vergadering zoals de kerkeraad, dan is er wel een fundamentele zaak uitgesproken, maar het is juist daarom nog maar een eerste woord. Van daaruit mogen we samen op weg gaan en behoren dat ook te doen en mogen we gedifferentieerde afspraken maken en verantwoordelijkheden stellen. Zo weet de Kerkorde ten aanzien van de classisvergadering te spreken over verschillende bevoegdheden die aan deze vergadering zijn gegeven. Er is onder meer sprake van ‘goedkeuring’ (approbatie) ingeval van een beroep van een predikant (artt. 5 en 6), van uitspraak ingeval van beroep (art. 31 ), van oordeel en beoordeling ingeval van de afzetting van een dienaar des Woords, en van instemming (advies) ingeval van een tuchtprocedure, wanneer de kerkeraad de tijd acht gekomen voor de tweede afkondiging.

Het is niet voor niets dat deze onderscheidende terminologie wordt gebruikt: het geeft aan dat niet iedere uitspraak, iedere handeling van de classis in hetzelfde kader staat en van dezelfde en altijd eendere strekking is. Om het nu te concretiseren voor de nu in bespreking zijnde tweede afkondiging vóór de excommunicatie: de kerkeraad heeft en houdt een eigen, onoverdraagbare en onvervreemdbare ambtelijke verantwoordelijkheid op de weg naar de excommunicatie. Als daarom de kerken gemeenschappelijk de classis inschakelen in de procedure, dan komt dat nimmer in mindering op de verantwoordelijkheid van de kerkeraad. Daarom wordt ‘slechts’ om instemmend advies van de classis gevraagd. Daarom is ‘slechts’ dit instemmend advies vereist.

Het is wel mogelijk dat in de gang van een bepaalde procedure in één van de kerken in het ressort de classis tot een andere en andersoortige handeling en uitspraak wordt geroepen. We denken aan het geval dat een broeder die onder de tucht is gesteld, in welk stadium dan ook, zich volgens het beschreven recht van art. 31 Kerkorde tot de classis richt en zich beklaagt dat hem onrecht is aangedaan. In dit geval wordt de classis geroepen — en dat al weer uit kracht van het

|185|

onderling overeengekomen kerkelijk accoord — een uitspraak te doen die als bindend (‘vast en bondig’) aanvaard behoort te worden, tenzij er strijdigheid kan worden bewezen met het Woord van God of met de Kerkorde. Wanneer nu de classis in de gang van een tuchtprocedure daarmee wordt geconfronteerd doordat beroep naar art. 31 K.O. op haar wordt gedaan, dan heeft de vergadering heel andere verplichtingen dan wanneer aan haar naar de artikelen 76 en 77 van de Kerkorde door de kerkeraad van één der kerken in het classicaal ressort instemming wordt gevraagd om voort te gaan met de tucht tot de tweede afkondiging (‘de tweede trap’). In het geval van beroep naar art. 31 heeft de classis als door de kerken ingeschakelde rechtelijke instantie uitspraak te doen. De classis heeft dan de regels in acht te nemen die voor dit recht-spreken gelden. Zij, de classis, mag in dit geval ook gebruik maken van de rechten die de kerken tot haar beschikking hebben gesteld om haar taak als rechtsprekende en rechtdoende instantie te kunnen volbrengen. In het kader van de artikelen 76 en 77 van de Kerkorde is de classicale taak echter veel bescheidener, hoe belangrijk en noodzakelijk ook. In dit geval is de classis — de beide gevallen zouden zich op een en dezelfde classicale vergadering voor kunnen doen! — geen rechtelijke instantie, maar een controlerend orgaan. Zij behoeft in dit geval niet tot een eigen oordeel te komen in de weg van het kennisnemen van de stukken, het horen van de partijen enz. De kerkeraad verschaft informatie over de stand van zaken en de gang van de procedure tot nu toe (hier blijkt het belang van verantwoorde notulering!). De classis gaat uit van de haar verstrekte gegevens. Zij behoeft niet meer te doen dan met goede zorgvuldigheid na te gaan of in het concrete geval is gehandeld naar de orde die de Schriften ons leren en die in de Kerkorde (en eventueel overige kerkelijke bepalingen) nader is geconcretiseerd. Het komt me onjuist voor dat de classis door gedeputeerden de zondaar gaat vermanen, zoals Voetius het aanbeveelt 2), om daarna, indien ook deze vermaning geen uitwerking heeft, haar advies in positieve zin aan de betrokken kerkeraad te geven. Dat gaat m.i. over de schreef. De kerkeraad laat zich controleren, want hij weet: het gaat om leven of dood. De kerkeraad zal voor zich, tenzij er kwaad bestuur in geding is, ervan overtuigd zijn dat tot nu toe naar christelijke


2) G. Voetius, Pol. Eccl. IV, pag. 919.

|186|

orde is gehandeld. Maar in de zware gang van de tuchtoefening kan bij de kerkeraad door emotionele betrokkenheid of anderszins ‘kortsluiting’ plaats vinden. Het is mogelijk dat er een door ‘buitenstaanders’ aanwijsbare fout in de tuchtprocedure gemaakt is die aan de kerkeraad is ontgaan. Daarom wordt nu, voordat de naam van het betrokken lid publiek wordt gemaakt, de controle van de meerdere vergadering gezocht. En deze is naar het overeengekomen recht nu ook noodzakelijk. De oudere redactie die van ‘advies’ sprak kon het misverstand oproepen als zou de kerkeraad een eventueel negatief luidende uitspraak van de classis in dit geval wel naast zich kunnen neerleggen en zonder meer toch kunnen overgaan tot de afkondiging met-vermelding-van naam. Daarmee zou echter willekeur ingevoerd zijn. Daarom heeft de synode van Groningen, 1978 terecht en geheel in de lijn van de gereformeerde kerkregering de termen „voorgaand advies” (art. 76) en „advies” (art. 77) vervangen door „instemming”. Deze — bescheiden — bevoegdheid en taak van de classis is in de praktijk van de kerkregering reeds dikwijls een zegen gebleken zowel in de aanwijzing van een eventueel tekort als ook in de morele steun die een kerkeraad mag ontvangen in de samenleving van de kerken.

|187|

 

9.5. De heilige handeling van de ban.

Nadat de classis haar instemming heeft betuigd met de gang van de tot nu toe door de kerkeraad geoefende tucht, nl. tot en met de eerste afkondiging aan de gemeente èn de daarna gevolgde vermaningen, volgt de tweede afkondiging aan de gemeente, nu met vermelding van de naam van de zondaar. Hij zal nu ook door de gelovigen moeten worden aangesproken. Dit niet in deze zin als zou ieder lid van de gemeente een eigen onderzoek moeten instellen. De leden der gemeente zullen ook in dit stadium eigen verantwoordelijkheid en de begrenzing daarvan kennen. Hierbij is te vergelijken wat we in de vorige paragraaf hebben opgemerkt over de geschakeerdheid van de verantwoordelijkheden, die niet mag worden verstoord doordat we — met beroep op het feit dat wij toch verantwoordelijk staan — de grens van onze bepaalde verantwoordelijkheid negéren. In concreto betekent dit nu dat het vermaan van de broeders en zusters na de tweede afkondiging zich aansluit bij het ambtelijk vermaan en dit intensiveert 1).

Indien ook aan dit verbrede en verdiepte vermaan geen gehoor wordt gegeven, is het aan het oordeel van de kerkeraad de tijd van de derde afkondiging aan de gemeente te bepalen. Deze afkondiging heeft weer een eigen karakter en vormt de zoveelste mijlpaal in de gang van de tucht. Nu „zal de kerkeraad aan de gemeente meedelen, dat hij (nl. de zondaar) buiten de gemeenschap van de kerk gesloten zal worden, als hij zich niet bekeert” (K.O., art. 77).

De excommunicatie wordt nu dus genoemd, maar nog niet voltrokken. Deze afkondiging is naar haar aard de aankondiging van de afsnijding.

Hierbij is op het volgende te letten:

Ten eerste, nadrukkelijk stelt art. 77 „de hardnekkigheid van de zondaar”


1) Indien een gemeentelid, ais hij de zondaar vermaant, tot de ontdekking komt dat deze zijn zonde en de rechtmatigheid van de tucht niet erkent, is dit op zichzelf geen reden een bijzonder initiatief te ontplooien. Dit ligt, helaas, in de aard van de zaak. Alleen wanneer bij het uitbrengen van het broederlijk vermaan duidelijk zou blijken dat de broeder, die vermaand wordt, metterdaad niet leeft in de zonde waarover met hem wordt gehandeld, dan is de tijd gekomen, de kerkeraad de vraag voor te leggen of er wel recht is gehandeld en verder naar bevind van zaken te handelen.

|188|

centraal bij de definitieve afsnijding. In de voorafgaande voorlopige excommunicatie of afhouding van het Avondmaal was er op een dubbele mogelijkheid te wijzen: hardnekkigheid in het verwerpen van het vermaan òf het begaan van een openbare of in ander opzicht ernstige zonde (vgl. art. 76, ook art. 74, tweede gedeelte). Maar in de voortgang van vermaning en tucht komt nu alles onder één noemer: de zonde wordt hoe langer hoe meer openbaar in haar karakter van hardnekkig ongeloof in het verwerpen van het Evangelie, dat in de vermaning tot de zondaar is gekomen, vgl. Luk. 3, 18 2).

Ten tweede, in de afkondigingen aan de gemeente, ook in de beide eerste, moet het daarom niet het doel zijn de bepaalde zonde in détail te schetsen, maar om na een algemene karakterisering van de zonde voor de gemeente in het licht te stellen dat tot nu toe het Evangelie met zijn beloften en met zijn vermaningen afgestuit is op de harde muur van de hardnekkigheid van de zondaar. Hierover inzonderheid, al staat dit natuurlijk niet los van de concrete achtergrond in het leven van de zondigende broeder, moeten de vermaningen ook gaan waarmee na de tweede en derde afkondiging de leden van de gemeente zich persoonlijk tot de broeder richten.

Ten derde, de laatste, derde afkondiging is, zo zagen we, onderscheiden van de beide voorafgaande. Maar ook van de excommunicatie zèlf. Art. 77 zegt nadrukkelijk, na wat wij reeds over deze afkondiging hebben geciteerd het volgende: „op deze wijze zal de excommunicatie de stilzwijgende instemming van de gemeente hebben”. Met andere woorden: deze afkondiging is in haar aankondigend karakter juist nog onderscheiden van wat te vrezen is dat volgen moet. Soms schijnt nog de gedachte te leven als zou de ‘derde trap’ en afsnijding samenvallen of tesamen kunnen worden genomen. Maar tegen dit misbegrip moet stelling worden genomen. Ook nu nog is de periode van lankmoedigheid en vermaan niet geheel afgesloten.

Het verdient aanbeveling de tijd tussen de derde afkondiging aan de gemeente (met kennisgeving aan de zondaar) en de uiteindelijke, rechterlijke daad van de voltrekking van de afsnijding in een publieke eredienst niet al te begrensd te doen zijn. Ook nu nog zal men zich klaar voor ogen moeten stellen dat er geen spanning, geen tegenstrijdigheid is tussen de Schriftuurlijke eis tot heilighouding van de


2) Ook Dordtse Leerregels III/IV, 17 en V, 14.

|189|

gemeente èn die van het oefenen van lankmoedigheid. Er moet ook een werkelijke tijdsruimte blijven, temeer omdat men zich bij de derde afkondiging op een termijn (bij blijvende onbekeerlijkheid) moet vastleggen. Er is terecht gepleit voor een termijn van drie weken en dit contra sommigen die slechts een week wilden laten verlopen tussen de laatste afkondiging èn de excommunicatie (o.m. G. Voetius). De „stilzwijgende instemming van de gemeente” moet geen inhoudloze vertoning zijn. De geméénte doet het boze uit haar midden weg onder leiding van de door Christus gegeven ambtsdragers. Ook voor de zondaar is dit laatste beraad van groot gewicht. Dat moet de termijn als zodanig hem ook duidelijk maken. Daarbij komt dan nog dat ook in dit stadium een beroep op de meerdere vergadering, de classis, een reële mogelijkheid moet blijven. Daarom is het goed dat men de aanvang van de termijn zó kiest dat er een normale classicale vergadering (eenmaal in de drie maanden, art. 41 K.O.) valt gedurende het verstrijken van de termijn. De zondaar moet niet kunnen zeggen dat hem in feite de weg van het appèl is geblokkeerd door het beleid van de kerkeraad. Zo verdient het ook geen aanbeveling de derde afkondiging onmiddellijk na een classicale vergadering te doen uitgaan en op dit tijdstip het laatste stadium te doen ingaan.

Als de broeder, die door de tucht is getroffen, een appèl op de classis doet, moet niet tot de afsnijding worden overgegaan vóór er uitspraak door de appèl-instantie is gedaan. In sobere bewoordingen behoort de gemeente hiervan op de hoogte te worden gesteld.

De excommunicatie zelf gebeurt met „het daarvoor vastgestelde formulier”, art. 76 K.O., slot. Dit formulier geeft over de aard van de uitsluiting genoegzame informatie. We mogen daarheen wel verwijzen, niet om de ernst van de zaak te verkleinen. Juist om deze te accentueren: de tekst van dit formulier is hier opgenomen geacht. Van de vóórganger in de samenkomst waar buiten de gemeente èn buiten het Koninkrijk der hemelen wordt gesloten wordt veel zelfbeheersing gevraagd met betrekking tot de prediking en andere onderdelen van de eredienst. Zorgvuldige voorbereiding is hier eis. En dat niet alleen om niet door een onbeheerste, beledigende uitval eventueel met de strafrechter in aanraking te komen, maar vóór alles omdat wij ons gesterkt en vermaand moeten weten door het woord van de opgestane Heer: „wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze

|190|

kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend", Joh. 20, 23.

De excommunicatie is altijd persoonlijk. Dat houdt in dat de afsnijding nooit tot een ander, wie dan ook, kan worden ‘doorberekend’. Een vrouw wordt niet door de excommunicatie getroffen, omdat haar man wordt afgesneden. Het is wèl mogelijk dat een broeder èn een zuster die tesamen in zonde leven en zich hebben verhard tegen alle vermaningen in en samen zijn blijven spannen, op dezelfde dag worden afgesneden. Maar dan zijn het twéé excommunicaties aan het einde van twéé procedures. Zeker mag een excommunicatie ook niet worden ‘doorberekend’ naar de, jonge, gedoopte kinderen van een lid der gemeente. Als dit lid ouderlijke bevoegdheid over onmondige kinderen heeft, dan staat het wèl in zijn macht de kinderen aan het opzicht van de kerkeraad te onttrekken. Hij van zijn kant kan zijn kwaad zó ver drijven dat hij voor de hem toevertrouwde kinderen de band met de gemeente doorsnijdt. Maar als dit niet gebeurt, dan blijven de kinderen van een geëxcommuniceerde kinderen van de gemeente. Dan komen de ambtsdragers dikwijls wel voor moeilijke, pastorale problemen te staan: vaak is het reeds (vrijwel) onmogelijk voortdurend toegang tot deze kinderen te krijgen om ze als lammeren van de kudde te weiden. Ook als de ouder de kinderen niet uit de gemeenschap van de kerk neemt, dan zal hij of zij dikwijls in de opvoeding zó handelen dat normale contacten (via school, catechisatie, vereniging) bijzonder moeilijk worden. Maar dat geeft de kerkeraad nooit reden om zijnerzijds de kinderen van een geëxcommuniceerde ‘af te schrijven’. Men zal, integendeel, waakzaam moeten zijn, de kansen die zich voordoen te benutten en wachten op het openen van een mogelijkheid om de kinderen vast te houden in de gemeenschap van het Verbond: zij zijn „in Christus geheiligd”. Dat is betekend en verzegeld in de doop. Dat blijft richtlijn voor het ambtelijke werken 3).


3) In de nieuwe redactie van de Kerkorde is de tucht over doopleden (na een lange voorbereidingsperiode) ondergebracht in art. 82. Het is ons niet mogelijk in het raam van deze verhandeling hierover nog afzonderlijk te handelen. Daarom moge nu worden volstaan met het citeren van dit artikel en met de verwijzing naar het ook door de synode van Groningen-Zuid, 1978 vastgestelde ‘formulier van de tucht over afkerige, volwassen doopleden’ (Acta, pag. 106, vgl. ook de zgn. Acta contracta, pag. 56, 57).
Art. 82 K.O. luidt als volgt: „De kerkeraad zal iemand die als kind de doop

|191|

Voor heel de bediening van de tucht geldt het woord van de apostel: „Oordeelt ook gij niet alleen hen, die in uw kring zijn? Hen die buiten zijn, zal God oordelen”, 1 Kor. 5, 12. Dit woord is ook op de excommunicatie van toepassing. Men mag nooit iemand aanraden om zich maar te onttrekken aan de gemeenschap van de kerk. Men mag dit zeker niet als kerkeraad of als ambtsdrager doen. „Om maar van de moeilijkheid af te zijn!” Maar indien een lid van de gemeente zelf van zijn kant zich onttrekt 4), dan is de grens bereikt, waar de kerkeraad


heeft ontvangen, vermanen wanneer hij als volwassene nalaat openbare belijdenis van het geloof te doen, of ook in ander opzicht zijn roeping tot nieuwe gehoorzaamheid in Gods verbond ontrouw is. Indien hij de vermaning van de kerkeraad hardnekkig verwerpt en daarbij duidelijk laat blijken dat hij afkerig is van het verbond en onverschillig of zelfs vijandig staat tegenover de dienst van de Here, zal dit met instemming van de classis aan de gemeente worden bekendgemaakt. Bij de afkondiging zal de kerkeraad zijn naam noemen en tevens een termijn stellen. De gemeente zal worden aangespoord hem aan te spreken en voor hem te bidden. Wanneer hij in de genoemde termijn geen teken van oprecht berouw toont, zal de kerkeraad hem in een eredienst buiten de gemeenschap van de kerk sluiten, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier gebruikt dient te worden. Indien hij na deze excommunicatie tot bekering komt en zich weer bij de gemeenschap van de kerk wil voegen, zal hij toegelaten worden in de weg van de openbare belijdenis van het geloof, nadat de kerkeraad zijn bekering aan de gemeente heeft bekendgemaakt”.
4) In verband met een schriftelijk ingekomen vraag of wij wel terecht hebben gesproken over de mogelijkheid dat iemand zich niet formeel, maar wèl metterdaad geheel aan opzicht en tucht onttrekt en of wij in dit verband wel terecht zeiden dat in deze uitzonderlijke gevallen de kerkeraad moet constateren dat de onttrekking metterdaad heeft plaatsgevonden, moge ik kortheidshalve verwijzen naar wat de kerken zelf in de generale synode van Amsterdam, 1936, art. 39 (met verwijzing naar de synode van ’s-Gravenhage, 1914) hebben uitgesproken: dat „als iemand bij voortduring bij predikanten van een ander kerkgemeenschap kerkt, daar zijn kinderen ter catechisatie zendt, de sacramenten gebruikt, weigert de ambtsdragers te ontvangen of naar de vermaning van den kerkeraad te luisteren, daarmee feitelijk alle gemeenschap met de kerk is verbroken”. De uitspraak is ook te vinden in de Korte Verklaring van Joh. Jansen, derde druk, Kampen 1952, pag. 304, 305. Eveneens in F.L. Bos, De orde der Kerk, pag. 276, 277. Hier wordt ook de uitspraak van 1914 breed geciteerd.
Het gaat er in deze gevallen niet om op een gemakkelijke en vleselijke wijze zich van ambtelijke roeping te ontdoen, maar om de tucht zuiver te houden. Deze sleutel van het Koninkrijk wordt binnen de gemeente bediend. Daar heeft de kerkeraad bevoegdheid en volmacht. Daar buiten om niet! Misbruik

|192|

niet voorbij mag gaan met de gedachte of de pretentie ook buiten de ‘kring’ van de gemeente bevoegdheid te hebben tucht te oefenen.

Als het vonnis van de afsnijding voltrokken is, dan zal de christelijke gemeente twee dingen moeten verstaan in het geloof: de schrikkelijke werkelijkheid van de uitsluiting blijft, ook als de geëxcommuniceerde een ontsnappingsweg zou vinden door zich ‘elders’ aan te sluiten, zelfs als dit binnen de zgn. ‘gereformeerde gezindte’ zou zijn! Dat heeft ook de sociale omgang te stempelen. Maar — en dit in de tweede plaats — daarbij zullen we ons niet laten leiden door farizese hoogmoed en eigengerechtigheid, ook niet door de hardheid die de ‘mijding’ in het zestiende eeuwse anabaptisme kenmerkte (verbreking van de huwelijksband met een ‘gebande’) 5). De heiligheid van onze God, zoals Hij woont in de gemeente, moet ons tot regel blijven.

In déze bedéling, in het „heden der genade” houdt deze heiligheid óók in dat de tucht tot in de afsnijding toe een ‘remedie’ is. De uitsluiting uit de gemeente en de buitensluiting uit het Koninkrijk is werkelijkheid. En moet (ook uit vrees voor de destructieve kracht en de infectueuze werking van de zonde) ook praktisch in acht worden genomen, Matt. 18, 17; 1 Kor. 5, 9-11. Maar óók deze uitsluiting blijft dienstbaar aan de roep terug. Ná het formulier ‘voor de uitsluiting’ volgt in ons kerkboek het formulier ‘voor de wederopneming in de gemeente’! Op de ‘verzoening’ blijft de tucht gericht!


van deze waarheid is zeker mogelijk. Er moet tegen worden gewaakt. Maar daarmee is het recht van deze synodale bepalingen zelf nog niet aangetast. Zeker, wanneer (zoals in onze jaren weer voorkomt) iemand zijn doop (èn de belijdenis die zich daarop richt) veracht en een zgn. ‘doop’ in een baptistische gemeenschap zoekt en ondergaat of in een zgn. Volle Evangeliegemeenschap en tegelijk ‘wel’ lid van de gereformeerde kerk zou willen blijven, dan moet de kerkeraad ook hier de wacht voor de heiligheid van de gemeente èn voor de zinvolheid van de christelijke tucht betrekken: een (feitelijk) dubbel- kerklidmaatschap is onmogelijk. Blijft men in deze gevallen toch de tucht oefenen, dan loopt men het gevaar deze tot een farce te maken. Hiermee oordeel ik niet over het bijzondere geval dat mijn correspondent uit de geschiedenis van één der kerken naar voren brengt. Tot die beoordeling zijn wij niet geroepen en ook niet in staat. Wij menen echter niet meer te hebben gedaan dan de door de kerken zelf aanvaarde lijn te laten zien.
5) Vgl. J.H.Wessel, De leerstellige strijd tussen Nederlandsche Gereformeerden en Doopsgezinden in de zestiende eeuw, Assen 1945, hoofdstuk II Doopsgezinde ban en gereformeerde tucht, pag. 67-107.