Bos, F.L. (1950) Art. 78

Art. 78.

Wanneer iemand, die geëxcommuniceerd is, zich wederom wil verzoenen met de gemeente door boetvaardigheid, zo zal hetzelve vóór de handeling des avondmaals, of anderszins naar gelegenheid, tevoren der gemeente aangezegd worden, teneinde hij ten naastkomenden avondmale — zoverre niemand iets weet voor te brengen ter contrarie — openbaar met professie (d.i. belijdenis) van zijn bekering weder opgenomen worde, volgens het formulier daarvan zijnde.

|300|

Met een uitgebannene mag geen broederlijke omgang meer gehouden worden; wel moet hij nog als een broeder worden vermaand.

“Gij moet niet omgaan met iemand, die, al heet hij een broeder, een hoereerder, geldgierige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of oplichter is; met zo iemand moet gij zelfs niet samen eten” (1 Cor. 5: 11).

“Tekent hem en gaat niet met hem om, opdat hij beschaamd worde; houdt hem echter niet voor een vijand, doch wijst hem terecht als een broeder” (2 Thess. 3: 14, 15).

“Op de vraag betreffende enige lidmaten, die met een zekeren geëxcommuniceerden schipper ter zee reden 1), of men hetzelve niet zou mogen dulden, antwoordt de synode: ja, alzo nochtans dat hetzelve stichtelijker is gelaten dan gedaan, eensdeels om de zwakken niet te ergeren, anderdeels ook om den geëxcommuniceerde in zijn afval door zodanige familiariteit der lidmaten niet te stijven” (Gouda 1601).

1) Vgl. reder, rederij.

“Nog is het ambt der ouderlingen een alzo geëxcommuniceerden zondaar bij alle gelegenheden te vermanen en publiek voor hem te laten bidden, om tot boetvaardigheid wederom te brengen. En door des Heeren genade tot ware boetvaardigheid gebracht zijnde, denzelven wederom met blijdschap op- en aan te nemen” (K.O. v. Drente 1638).