Bos, F.L. (1950) Art. 76

Art. 76.

Zo wie hardnekkig de vermaning van de kerkeraad verwerpt, en desgelijks wie een openbare of anderszins een grove zonde gedaan heeft, zal van het avondmaal des Heeren afgehouden worden.
En indien hij, afgehouden zijnde, na verscheidene vermaningen geen teken der boetvaardigheid bewijst, zo zal men ten laatste tot de uiterste remedie, namelijk de afsnijding, komen, volgens de forme naar den Woorde Gods daartoe gesteld.
Doch zal niemand afgesneden worden dan met voorgaand advies der classe.

Hangende de uitoefening van de kerkelijke tucht heeft de kerkeraad te waken voor het heilig houden van de tafel des Heeren.
Daartoe heeft de kerkeraad in bepaalde gevallen het recht om, zonder dat daarmede reeds uitgesloten wordt uit het koninkrijk der hemelen, iemand van het avondmaal des Heeren af te houden. De betekenis daarvan is schorsing in het ambt der gelovigen.

“Indien iemand der lidmaten van het heilig avondmaal voor een bepaalde of onbepaalde tijd is geweerd, heeft

|291|

hij ook gedurende die tijd geen recht om mede zijn stem ter beslissing van enige zaak uit te brengen” (Huishoud. regl. 1839).

Deze opschorting van de uitoefening van het ambt der gelovigen staat alleen aan de volle kerkeraad.

“Niemand zal van de gemeenschap des nachtmaals afgehouden worden door private autoriteit van den dienaar, maar in de vreze Gods met gemeen advies der anderen die over de regering der kerk gesteld zijn” (Rotterdam 1575).

Afhouding van het avondmaal zal allereerst geschieden indien iemand aan de vermaning van de kerkeraad als zodanig hardnekkig weigert zich te onderwerpen.

“Zij die, als zij op drie verschillende dagen met gepaste vermaningen zijn gesommeerd om op de kerkeraad te komen, niet zullen verschijnen, zullen als rebellen worden geschorst” (Antwerpen, Pinksteren 1565).

“Naar kerkelijk recht moet zulk een citatie (om voor een kerkelijke vergadering te verschijnen) bij weigering van den geciteerde om te komen of bij zijn wegblijven tot driemaal toe worden herhaald, om te kunnen constateren of deze weigering uit hardnekkigheid of wederspannigheid voortkomt” (Assen 1926 I).

Afhouding moet voorts geschieden als op de vermaning van de kerkeraad over niet criminele zonden geen bekering volgt.

“De eenvoudige, die met ketterij verstrikt zijnde, van de gemeente van Christus wijkt en geen afbreuk doet, alzo hij niemand verleidt, zal door de kerkeraad broederlijk vermaand worden, en zo hij geen gehoor geeft tussen die tijd en het aanstaande nachtmaal, zal hij van des Heeren nachtmaal gehouden worden.
Nopende de zonden tegen de zeden, dewelke van de magistraat alhier gewoonlijk niet worden gestraft, als dronkenschap, kijven, dansen, vechten, zingen van oneerbare liedjes enz…: zo er iemand ware, dewelke uit oorzaak als boven vermaand zijnde geen teken van boetvaardigheid gaf, ten gevolge waarvan hem door de kerkeraad de tafel des Heeren verboden werd, en bestond desniettegenstaande ter tafel des Heeren te gaan, die zal met alle heusheid daarvan gehouden worden” (Middelburg 1591).

|292|

“Indien iemand schoon mindere (d.i. niet grove en voor de wereld openbare) zonde beging, en door veelvoudige vermaningen en bestraffingen niet te bewegen ware, dien moet men ook door verbieding van het avondmaal tot beterschap zoeken te brengen” (K.O. v. Drente 1638).

De bedrijvers van (openbare) grove zonden zullen vanwege de gegeven ergernis aanstonds van het avondmaal worden afgehouden. Zij zullen mede een tijdlang van het avondmaal afgehouden blijven, al is het dat zij schuld belijden, om de echtheid van hun bekering te beproeven.

“Zij die zware, voor de kerken schandelijke en door de autoriteit van de overheid te bestraffen zonden bedrijven, zullen, ook ofschoon zij met woorden boetvaardigheid betuigen, van de gemeenschap des avondmaals geschorst worden; doch hoe dikwijls, (dat) zal aan het oordeel van de kerkeraad staan” (Emden 1571).

“Men zal met degenen die van grove zonden enig berouw tonen, niet terstond tot de laatste afsnijding komen, maar hen voor een tijdlang van het nachtmaal afhouden” (Dordrecht 1574).

“Die lelijke zonden begaan hebben, die voor de kerk schandelijk of ergerlijk en door de overheid strafbaar zijn, zullen van de gemeenschap van het nachtmaal worden afgehouden; maar hoe dikwijls, zullen de dienaars en ouderlingen wijselijk bedenken” (Rotterdam 1575).

“Degenen die zware zonden begaan hebben die voor de kerk schandelijk zijn of ook die door de overheid gestraft behoren te worden, zullen, al is het dat zij met woorden boetvaardigheid bewijzen, nochtans van de gemeenschap des avondmaals afgehouden worden, om de ergernis weg te nemen en hun boetvaardigheid te beproeven. Doch hoe dikwijls of hoe lang dit geschieden zal, zal in 't goeddunken van de kerkeraad staan” (Dordrecht 1578).

“Of men vrouwenverkrachters, doodslagers, verraders en die dergelijke grove feiten begaan hebben, hoewel ze zich bekeren, nochtans om der wille van de grovigheid der feiten behoort af te snijden?
Antwoord: Men zal geen boetvaardige afsnijden, maar wel voor een tijd van het avondmaal des Heeren afhouden om de grovigheid der zonde te betuigen, de ergernis

|293|

weg te nemen, anderen een vreze aan te doen, en hun boetvaardigheid te beproeven” (Dordrecht 1578).

“De vraag is voorgeslagen, of diegenen, welke in openbare grove zonden gevallen zijn en grote ergernis hebben gegeven, de facto (d.i. aanstonds) zonder enige vermaning mogen uitgebannen worden en daarna tot betering vermaand.
Is door de vergadering geantwoord, dat men niemand behoort uit te bannen, dan alleen die tevoren ordelijk vermaand zijn, maar wel behoren zij van het avondmaal afgehouden te worden. En zo geen boetvaardigheid gevonden wordt, zal men met tussenruimten ter discretie van de kerkeraad tot de uitbanning voortvaren” 1) (Rotterdam 1581).

1) Blijkens het vervolg richtte deze bepaling zich tegen de excommunicatie-praktijken van de Wederdopers.

Bij gerechtvaardigde verdenking, of iemand een grove zonde gepleegd heeft, kan het soms ook nodig zijn om de beschuldigde een tijdlang van het avondmaal af te houden, om ergernis te ontgaan.

“In zake dezulken, die in ’t verborgen criminele dingen zouden gedaan hebben, wat naderhand door klappernijen in ’t openbaar komt, alzo dat er twee of drie personen zijn die dit de kerkeraad aandienen en hetzelve gelijkelijk getuigen, zal de kerkeraad die personen mitsgaders den beschuldigde horen, en hoewel de beschuldigde blijft bij het loochenen van de misdaad, zo zal men hem evenwel om der wille van de ergernis een lange tijd van het gebruik van des Heeren nachtmaal houden, tot de zaak anders aan de dag komt. En zo dat niet geschiedt, alsdan zal de kerkeraad oordelen, of men hem met stichting tot de tafel des Heeren kan toelaten of niet” (Middelburg 1591).

“Op de vraag, of een lidmaat der gemeente, openlijk beschuldigd zijnde voor een dief, schelm of meinedige, zal mogen toegelaten worden tot het avondmaal eer hij zich daarover heeft verantwoord, — adviseren de broeders, dat de kerk of de classe, waar hetzelve voorvalt, hem vermanen zullen dat hij zich verantwoordt, en hangende de procedure zal hij naar discretie een tijdlang van het avondmaal opgehouden worden. Maar zo hij zich niet wil verantwoorden, zal hij gans afgehouden worden” (Schoonhoven 1579).

“Alzo twee personen, lidmaten der kerk, elk voor zich getrouwd zijnde, zodanige gemeenschap met elkander

|294|

hebben, dat zij bij velen grote verdenking wekken van oneerbaarheid, wordt gevraagd, of men met de tucht tegen hen zou mogen procederen.
De synode antwoordt, alzo de kerk niet optreedt dan tegen bekende zonden, dat de tucht tegen hen nog niet gebruikt kan worden, doch dewijl de gelovigen ook van de schijn des kwaads vrij behoren te wezen, dat dezelven, zolang de verdenkingen bestaan en door hen na behoorlijke vermaning niet geschuwd worden, van het avondmaal des Heeren zullen afgehouden worden” (Amsterdam 1601).

Indien met betrekking tot minder grove zonden meer zwakheid en gebrek aan inzicht dan hardnekkigheid in het geding is, zal men bij de afhouding van het heilig avondmaal blijven staan.

“Nopens ... openbare zonden tegen de zeden, dewelke door de magistraat alhier gewoonlijk niet worden bestraft, als dronkenschap, kijven, dansen, vechten, zingen van oneerbare liedjes enz....: zo er onder de voorgemelde (zondaren) enige waren, die vermaand zijnde, met de mond leedwezen beloofden en nochtans telkens wederom vervielen, over de zodanigen zal de uiterste straf zijn het verbieden van de tafel des Heeren tot der tijd dat zij zich bekeren” (Middelburg 1591).

“Nopens de ordinaire dronkaards en andere ongeregelde mensen, welke met de mond leedwezen beloven en niettemin in hun ongeregeldheid voortgaan, is eenstemmig goed en stichtelijk geoordeeld, overmits dezelve voor verachters van de kerkelijke vermaning zijn te houden, dat tegen hen strikter tucht dan de gedurige afhouding van het avondmaal zal mogen geoefend worden. Doch dewijl derzelver gelegenheid niet altijd enerlei is, zo zal het gebruik derzelver discipline gelaten worden in de discretie der kerkeraden, dewelke daarin zullen handelen met het advies van hun respectieve classen op zulke wijze als zij zullen vinden tot stichting van hun kerken het meest dienstig te wezen” (Goes 1620).

“Dat in gevallen als het (elders kerken) enkel geldt, uit gebrek aan kerkelijk besef kerken bij gereformeerde predikers buiten onze kerken, wel met grote lankmoedigheid en geduld vermaand worde, en als zij niet naar deze vermaning luisteren, het avondmaal ontzegd worde, — maar dat niet tot de uiterste trap der excommunicatie worde overgegaan, zolang het formulier van de ban niet toepasselijk geacht wordt” (Middelburg 1933).

|295|

Bij verharding moet de zondaar na vele vermaningen tenslotte worden uitgebannen.

“Indien hij naar de gemeente niet luistert, dan zij hij u als de heiden en de tollenaar” (Matth. 18: 17).

“Doet wie niet deugt, uit uw midden weg” (1 Cor. 5: 13).

“Een mens die scheuring maakt, moet gij, na hem een en andermaal terechtgewezen te hebben, afwijzen” (Tit. 3: 10).

“... Als hij twee- of driemaal vermaand zijnde, zijn hart hardnekkig verhardt, zal hij van de gemeenschap der gelovigen worden geweerd.
... Als hij herhaaldelijk vermaand zijnde, allerminst tot inkeer komt, zal hem de gemeenschap der kerk worden verboden.
... Indien hij niet tot inkeer komt, zal hij als een rot lid worden afgesneden.
... Indien hij niet gehoorzaamt, moet hij door excommunicatie (uitbanning) worden getroffen” (Wezel 1568).

“Wij die hier in de naam en met de macht van onzen Heere Jezus Christus vergaderd zijn, verklaren dat N. buiten de gemeente Gods is en van de hoop der eeuwige zaligheid — zolang hij hardnekkig blijft — beroofd, en daarom zo van de gemeenschap der sacramenten als van alle zegeningen en weldaden Gods, die hij zijn gemeente bewijst, uitgesloten, en als een heiden en tollenaar te houden is” (Middelburg 1581; vgl, Form v. d. ban).

In de uitbanning ligt nog een uiterste remedie. Ook het doel daarvan is mede nog het behoud van de zondaar.

“Wanneer wij vergaderd zijn, gij en mijn geest met de kracht van onzen Heere Jezus Christus, leveren wij in de naam van den Heere Jezus dien man aan den satan over tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden worde in de dag des Heeren” (1 Cor. 5: 4, 5).

“Tekent hem en gaat niet met hem om, opdat hij beschaamd worde; houdt hem echter niet voor een vijand, doch wijst hem terecht als een broeder” (2 Thess. 3: 14, 15).

“Eindelijk wij geven hem — gelijk Paulus spreekt — den satan over, opdat zo het mogelijk is die wijsheid en

|296|

kracht, zo des vleeses als des satans, die hij te veel gehoorzaam is geweest, getemd en gedood zijnde, hij zichzelven den Heiligen Geest onderwerpe en naar denzelve leve, en alzo ten laatste de eeuwige zaligheid verkrijge. Ulieden mits dezen vermanende, dat gij u van de gemene en onnodige conversatie met hem wilt onthouden, opdat hij beschaamd gemaakt zijnde zich bekere” (Middelburg 1581).

Om lichtvaardig handelen bij de afsnijding te voorkomen hebben de kerken sedert 1581 goedgevonden dat geen afsnijding zal plaats vinden dan met voorgaand advies van de classe.

“De kerkeraad zal niet lichtvaardig, ook niet om der wille van geringe oorzaken tot de afsnijding komen, maar de zaak ernstig overleggen, wanneer het van node is en niet anders zijn kan; want het is een gruwelijk werk, een mens uit de gemeenschap der heiligen te verwerpen, en een grote zonde, wanneer zoiets onrechtvaardig gedaan wordt” (K.O. v. Groningen 1595).

“Alzo is goedgevonden dat geen afsnijding geschieden zal dan met advies van de classe, en met zulk adviseren den beklaagden het middel van appel op de classe schijnt benomen te zijn, zo verordent de synode, dat de classe zelf of enigen die daartoe door haar gedeputeerd worden, zulk een beklaagde persoon tevoren zullen aanspreken en alzo in zijn tegenwoordigheid zijn zaak onderzoeken en daarop naar gelegenheid adviseren” (Tholen 1602).

“De synode verstaat art. 76 en 77 der Dordtse kerkorde in die zin, dat slechts eenmaal advies der classe behoeft gevraagd te worden voor iemands afsnijding” (Hoogeveen 1860).