Bos, F.L. (1950) Art. 65

|235|

Art. 65.

Lijkpredikatiën of lijkdiensten zullen niet worden ingesteld.

De bestrijding van bijgeloof, welke aan dit artikel ten grondslag ligt, is thans overbodig.
Ter bevordering van de christelijke soberheid, ook bij de begrafenis van predikanten enz., is het nog altijd van belang.

“Men zal bij de begrafenis der doden geen gebeden noch predikatiën doen om alle bijgelovigheden te vermijden” (Antwerpen, Mei 1564).

“Van de lijkpredikatiën is besloten, dat men ze met grote voorzichtigheid, zoekende de opbouw der kerk, waar ze ingevoerd zijn afschaffe en waar ze niet ingevoerd zijn niet invoere, om de gevaren van bijgeloof, die daaruit voortkomen, te vermijden.
Het luiden der klokken bij de begrafenis der doden achten wij dat alleszins afgeschaft behoort te worden” (Dordrecht 1574).

“Overmits het gebruik der lijkpredikatiën zeer zorgelijk is, zo gevoelen wij, dat ze in de plaatsen waar zij niet zijn, niet behoren ingevoerd te worden. Maar waar men gewoon is ze te houden en het getal der dienaren genoegzaam is, dewelke mitsgaders de ouderlingen oordelen dat ze niet onnut zijn, zullen ze geduld worden, ter tijd toe dat ze ter bekwamer gelegenheid zonder ergernis zullen mogen afgeschaft worden. Nochtans met deze waarschuwing, dat ze meer de vorm hebben van een onvoorbereide vermaning dan van een predikatie, welke met gebeden begonnen en met dankzegging gesloten wordt. Dat men daarin ook de lof der afgestorvenen niet verkondige. Het zal ook de taak der dienaren zijn zorg te dragen, dat het gebruik der klokken, dewelke in het pausdom zowel bij het verscheiden als bij het begraven der mensen geluid worden, weggenomen worde” (Dordrecht 1578).

“Waar de lijkpredikatiën niet zijn, zal men ze niet instellen, en waar ze nu alrede zijn aangenomen, zal naarstigheid gedaan worden om dezelve door de gevoegelijkste middelen af te schaffen” (Middelburg 1581; Dordrecht 1618/19).

“Opdat voortaan de lijkpredikatiën des te minder verzocht worden, zullen de predikanten die ze houden

|236|

mochten, geenszins iets verhalen of noemen, wat tot lof van den verstorvene is strekkende” (Arnhem 1600).

“Het is niet goedgevonden, dat de doden in de kerk gebracht en daarover gepredikt wordt, en evenmin, dat men bij het graf lijkpredikatiën doen zal” (Appingedam 1608).

“De predikanten zullen uit kracht van dit besluit met gevoegelijke redenen, als zij daartoe verzocht worden, zulke predikatiën afzeggen en weigeren” (Gouda 1620).