Bos, F.L. (1950) Art. 62

Art. 62.

Een iedere kerk zal zulke manier van bediening des avondmaals houden, als zij oordeelt tot de meeste stichting te dienen. Welverstaande nochtans, dat de uitwendige ceremoniën, in Gods woord voorgeschreven, niet veranderd en alle superstitie vermeden worde, en dat na de voleinding der predikatie en der gemene gebeden het formulier des avondmaals, mitsgaders het gebed daartoe dienende, zal worden gelezen.

Wat de wijze van avondmaalsviering betreft geven de volgende besluiten nadere inlichting:

“Wij achten dat er gewoon spijsbrood moet gebruikt worden, en dat dit gebroken moet worden tijdens de bediening van het heilig avondmaal” (Emden 1571),

“Overmits wij middelmatig achten bij de bediening van het avondmaal te staan of te zitten — het knielen zonderen wij uit om der wille van de superstitie en het gevaar van het brood aan te bidden —, zo zullen de gemeenten die wijze gebruiken, die een iegelijk de allergeschiktste zal dunken” (Dordrecht 1578).

“Of men, terwijl het avondmaal bediend wordt, iets uit de heilige schrift lezen of psalmen zingen, of geen van beide doen zal?
Antwoord: Het zal stichtelijk zijn, dat bij beurte psalmen gezongen en Gods woord gelezen wordt” (Middelburg 1581).

Althans bij de zwakke lidmaten worde tevoren huisbezoek gedaan.

“Wij achten het hoogst nuttig, dat de tijd van de avondmaalsviering veertien dagen tevoren aan het volk wordt medegedeeld, zowel opdat de afzonderlijke kerkleden

|229|

zich vroegtijdig voorbereiden, als opdat de ouderlingen in het bezoeken van hun wijken hun ambt recht bedienen kunnen” (Wezel 1568).

“Voor het avondmaal zullen de dienaars en de ouderlingen de lidmaten der kerk bezoeken, voornamelijk de zwakste en degenen die ’t meest nodig hebben, opdat zij, zoveel in hen is, met leren, vermanen, troosten en het nederleggen van opgerezen zwarigheden, de gemeente tot deze hoogwaardige handeling recht bereiden” (Dordrecht 1578).

Ook een bijzondere voorbereidingspredikatie wordt doorgaans gehouden, om tot de rechte zelfbeproeving op te wekken.

“In de voorbereiding tot het nachtmaal des Heeren zal men een eenvoudige predikatie houden naar de gewoonte, waarin gehandeld zal worden van de beproeving des mensen en de verzoening met God en den naaste, met vurige gebeden” (Dordrecht 1574).

“Of het niet raadzaam is, dat men voor de bediening des avondmaals een predikatie doe om der mensen hart daartoe te bereiden?
Antwoord: Zulks kan wel nuttig geschieden, doch elke gemeente zal hierin doen wat een iegelijk hem het geschiktst dunkt te wezen” (Middelburg 1581).

“Is besloten, dat de proefpredikatiën behoren te geschieden op de naaste Vrijdag of Zaterdag voor de viering van het heilig avondmaal” (Dokkum 1618).

Soms kwam vroeger ook bij de voorbereiding een openbare geloofsbelijdenis voor.

“Of het niet goed ware in de week voor het avondmaal een openbare belijdenis des geloofs te doen, zoals in vele kerken gedaan wordt?
Antwoord: Het is stichtelijk, maar staat in de vrijheid der kerken” (Utrecht 1619).

“De synode kan hierover (n.l. over de vragen in sommige gemeenten bij proefpredikatiën in gebruik) geen algemeen besluit nemen, naardien in alle bijzonderheden, die het wezen der leer of de dienst niet raken, niet altijd allerwege eenvormigheid kan plaats vinden. Zij laat daarom elke gemeente in dit geval vrij, en oordeelt dat de leraar zich hierin behoort te schikken naar de meeste stichting der gemeente” (Zwolle 1854; Leiden 1857).

|230|

Aan de avondmaalsviering ga een korte avondmaalsprediking onmiddellijk vooraf.

“Op de dag van het avondmaal zelve zal het nut zijn, dat men van de sacramenten en met name van de verborgenheid van het avondmaal het volk lere, en tot dat einde een geschikte tekst neme, ten ware dat de gewone tekst daartoe bekwamelijk geschikt konde worden” (Dordrecht 1578).

Of er een nabetrachtingspreek gehouden wordt, staat in de vrijheid der kerken.

“Men zal een korte inleiding houden tot de dankzegging na het nachtmaal des Heeren, waarin de christenen van de grote liefde van Christus te onswaart en de dankbaarheid die wij schuldig zijn vermaand worden” (Dordrecht 1574).

“Na de middag zal men met de gewone predikatie of catechismus voortvaren” (Dordrecht 1578).

“Of men op de dag van het avondmaal ’s namiddags met de catechismus voortvaren of iets anders, dienende tot dankzegging, prediken zal?
Antwoord: Het laatste kan wel nuttig geschieden, doch hetzelve zal vrijstaan” (Middelburg 1581).

Wat betreft de avondmaalsviering met lijders aan besmettelijke ziekten mogen bijzondere voorzorgsmaatregelen tegen het besmettingsgevaar worden genomen.

“Op welke wijze de melaatsen ten avondmaal des Heeren toe te laten zijn?
Is geantwoord, dat men ze zal laten communiceren of in een hoek des tempels alleen, waar ’t geschieden kan, of aan de gemeenschappelijke tafel, ten allerlaatste” (Middelburg 1581).

“Of de avondmaalsviering in gestichten kan geschieden met gebruikmaking van afzonderlijke bekertjes, zo de verpleegden lijdende zijn aan een ziekte, waarvan naar medisch oordeel het besmettelijk karakter vaststaat?
De synode besluit, dat wanneer onder de verpleegden die aan het avondmaal willen deelnemen, lijders zijn aan een besmettelijke ziekte, waardoor het gebruik van een gemeenschappelijke beker gevaar van besmetting zou opleveren, de kerkeraad na ingewonnen advies der

|231|

doctoren zodanige maatregelen mag nemen als nodig zijn om dat gevaar van besmetting zoveel mogelijk te voorkomen” (Leeuwarden 1920).

“Het besluit van de generale synode van Leeuwarden 1920 laat de regeling van de avondmaalsviering in stichtingen, aan welke besmettelijke zieken deelnemen, ten opzichte van het gebruik van afzonderlijke avondmaalsbekertjes over aan de kerkeraad.
Het moet gewenst geacht worden, dat de kerkeraad de deelname aan de avondmaalsviering in ... (de stichting) beperke tot hen, die in de stichting verblijven.
Het is evenzeer gewenst, dat de eenheid van de onderscheidene afzonderlijke bekertjes blijke uit het gebruik van één schenkkan of -beker” (Sneek 1939).