Bos, F.L. (1950) Art. 48

Art. 48.

Het zal aan elke synode vrijstaan, correspondentie te

|181|

verzoeken en te houden met haar genabuurde synode of synoden, in zulke forme, als zij meest profijtelijk achten zullen voor de gemene stichting.

Dit artikel is op de synode van Dordrecht 1618/19 in de kerkorde opgenomen, nadat de correspondentie in de praktijk was gegroeid toen een generale synode uitbleef.
Deze correspondentie, bestaande in het zenden en ontvangen van afgevaardigden over en weer om contact te oefenen, kan ook als de generale synode regelmatig bijeenkomt haar nut hebben.

“Of men niet zal bevorderen, dat op de provinciale of particuliere synoden de correspondentie tussen alle de kerken der verenigde Nederlanden ingesteld worde, en dat tot dien einde op elke voorszeide vergadering uit ieder van die provinciale synoden tenminste één gedeputeerde met behoorlijke credentie zal verschijnen? De inhoud van dit gravamen wordt zeer nodig bevonden, onder deze restrictie, dat zulks een nationale synode niet verhindere, en dat de gedeputeerden aan de particuliere synode rapport doen van hun wedervaren” (Delft 1618).

“Of het niet genoeg ware, dat de kerken van de Noordhollandse synode correspondentie hielden met de synode van Zuidholland, zonder haar gedeputeerden in verre gelegen provinciën te zenden of gedeputeerden daarvan te ontbieden?
Antwoord: dat het niet genoeg is, en daarom dat men de gebruikelijke correspondentie niet zal verminderen maar onderhouden” (Alkmaar 1620).

“Is besloten, dat voortaan tot de synoden van andere provinciën gezonden zullen worden zodanige dienaars, die op de laatste synode zijn geweest, als dien alle zaken, de synode betreffende, (het) best bekend zijn” (Brielle 1603).

“Er is beraamd en goedgevonden ... dat voortaan alzulke dienaren, die alzo van de particuliere synoden respectievelijk zullen gezonden worden om tot onderlinge enigheid en correspondentie van de kerken welke onder de beide synoden ressorteren te dienen, de een zowel als de ander op de synoden tot dewelke zij gezonden worden, alleen de vergadering zullen raadgeven en adviseren, zonder stemmen te hebben om te beslissen in enige

|182|

zaken, ten ware dezelve hen mede aangingen” (Rotterdam 1594; cf. Amsterdam 1595).

“Alzo de kerken van Zuid- en Noordholland geraden hebben gevonden over gewichtige zaken elkanders advies te verzoeken, is raadzaam geacht, dat naar ’t besluit van de Zuidhollandse synode zodanige zaken bijtijds aan de synodale classe overgeschreven worden, opdat dezelve, wijders aan alle classen gebracht zijnde, naar behoren zouden mogen overgelegd en alzo door gemeen advies beantwoord worden” (Enkhuizen 1597; cf. Delft 1596).

“Er zal door de classe synodaal op ’t nauwkeurigste acht gegeven worden, dat de heren correspondenten op zijn tijd aangeschreven en de gravamina (hun) toegezonden zullen worden” (Dordrecht 1698).

“Er is goedgevonden, dat de gedeputeerden die op de (corresponderende) synoden gaan, ter naaste synode mondeling of schriftelijk rapport doen zullen van alzulke dingen als in de voorszeide synoden de algemene kerken aangaande gehandeld zullen wezen” (Woerden 1604).

Een veel eenvoudiger vorm van correspondentie is het over en weer toezenden van elkanders acten.

“Op de vierde vraag, of de acten van de Zuidhollandse synode niet van nu voortaan in deze synode gelezen (zullen) worden, — is geantwoord, dat dezelve door de gemachtigden der synode op de vergadering gebracht (zullen) worden, welke alsdan dezelve of in ’t geheel of ten dele zoveel nodig en bevorderlijk tot beslechting van gelijke zaken zal geacht worden, naar haar bescheidenheid en believen zal mogen lezen” (Enkhuizen 1597).

“Er wordt besloten, dat elke classe zal arbeiden om in een boek te laten registreren alle acten, welke zullen (voor)vallen zo in onze synode als in andere, met welke correspondentie is, opdat men zo in de synodale als classicale vergaderingen zekerlijk mag bericht worden van ’tgene dat gepasseerd is” (Zutfen 1605).

Ook tussen de classen van een particulier ressort onderling kan correspondentie worden onderhouden.

“Elke classe zal uit de naaste enige gedeputeerden mogen aanschrijven, om te beter kennis en correspondentie

|183|

met de anderen in alle dingen te onderhouden” (Nijmegen 1597).