Bos, F.L. (1950) Art. 23

Art. 23.

Der ouderlingen ambt is, behalve hetgene dat boven in art. 16 gezegd is hun met den dienaar des woords gemeen te zijn, opzicht te hebben dat de dienaren, mitsgaders hun andere medehelpers en diakenen hun ambt getrouwelijk bedienen, en de bezoeking te doen, naar dat de gelegenheid des tijds en der plaats tot stichting der gemeente, zo voor als na het nachtmaal, kan lijden, om bijzonder de lidmaten der gemeente te vertroosten en te onderwijzen, en ook anderen tot de christelijke religie te vermanen.

De regering der kerk, bestaande in het oefenen van de kerkelijke discipline en het bezorgen dat alles eerlijk en met orde geschiede — zie art. 16 — is een zaak van de ouderlingschap, waartoe ook de dienaar des woords behoort, gezamenlijk.

“Zij — n.l. de ouderlingen — moeten weten, dat het totaal vreemd is aan hun ambt om wetten te maken

|94|

of heerschappij te oefenen hetzij jegens de dienaren en hun collega’s, hetzij jegens de gemeente, of wel zonder weten of in afwezigheid van de dienaren naar eigen goeddunken kerkeraad te beleggen. Indien er echter bij afwezigheid der dienaren kerkeraad moet belegd worden, moeten de ouderlingen hen ongetwijfeld zowel de aanleiding van die uitgeschreven raadsvergadering als wat daarin behandeld is, getrouwelijk openbaren” (Wezel 1568).

Het geestelijk opzicht over hun ambtsbroeders en over de leden der gemeente is ook hun individuele ambtelijke taak.
Deze taak komt tevens aan de dienaren des woords toe; vgl. art. 16.
Het geestelijk opzicht over de leden der gemeente geschiedt voornamelijk door middel van huisbezoek.

“Het is buiten alle geschil dat hun ambt daarin bestaat, dat zij ièder voor zich ijverig de wacht houden over hun wijken, en minstens eenmaal per week en zo dikwijls het naar de gelegenheid van elke kerk van nut zal zijn, bij de aan hun zorgen toevertrouwden huisbezoek doen, vooral echter omtrent de tijd van de avondmaalsviering; en dat zij ijverig onderzoek doen naar de ongereptheid van hun handel en wandel en naar hun beoefening der godzaligheid, naar de getrouwe onderwijzing van hun gezin en naar het houden van gebeden voor het gezin ’s morgens en ’s avonds en naar dergelijke dingen meer; dat zij ze kalm en toch ernstig vermanen, en al naar het nuttig en passend is òf tot standvastigheid opwekken òf tot geduld aangorden òf tot ernstige vreze Gods aansporen; en dat zij hen die troost of bestraffing nodig hebben vertroosten of bestraffen, en indien het nodig is daarvan mededeling doen aan hen die met hen over de broederlijke tucht zijn gesteld, tezàmen met wie zij naar de mate van de zonde tucht zullen oefenen. Zij zullen er ook aan denken om allen en een iegelijk in hun wijk aan te sporen, dat zij hun kinderen naar de catechisatie zenden” (Wezel 1568).

“Wat het huisbezoek aangaat, dat is hun met de dienaren gemeen, en komt geenszins de ouderlingen alleen toe” (Kampen 1587).

“Het ambt der ouderlingen zal zijn het volk te vergaderen, de ergernissen op de kerkeraad te rapporteren, en andere soortgelijke dingen zoals die zich aan een ieder naar omstandigheden zullen voordoen; dat zij minstens alle maanden hun wijken zullen visiteren om na

|95|

te gaan of er zich geen moeilijkheden in de huisgezinnen voordoen. Als zij het niet doen zullen zij door de kerkeraad zwaar berispt worden” (Antwerpen, Mei 1564).