Kuyper, A. (1898.14)

Van het Kerkelijk ambt
Rotterdam
1898

Gereformeerde Stemmen uit vroeger en later tijd. Verzameld en uitgegeven door de Mannenvereeniging „Voetius” te Rotterdam. 2de Serie No. 1. September 1898

Drukker: Rotterdam: A. ter Weeme

(Met toestemming van den Schrijver overgedrukt uit „De Heraut” 1887-88.)

[= oorspronkelijk ‘Van het Kerkelijk ambt’ I-XVIII, De Heraut 505 (28 augustus 1887) — 528 (5 februari 1888)]

Kuyper, A. (1898.14) Inl

|1|

 

 

Inleiding.

 

In verband met de Reformatie der Kerken, die door ’s Heeren onuitsprekelijke genade ons weder, zij het ook in nog sobere mate, geschonken wordt, is er ook geschil gerezen over het Kerkelijk ambt.

Nog op verre na niet alle onze broederen, die den Heere Jezus in onverderfelijkheid liefhebben, en anderszins iets voelen voor de teederheid zijner eere, zijn reeds gekomen tot een rekenen ook met Jezus’ Koninklijke majesteit als regeerder zijner kerken.

Niet dat ze voor den Eenige onverschillig zijn. Verre van dien. Ook niet dat ze hem niet met ons als onzen eenigen Koning wenschen te belijden. Maar op dit punt zijner Koninklijke eere zijn hun gevoelens nog onvast, nog zeer rekbaar, en bovenal hun Heiland staat zóó hoog in hun schatting, dat ze zich eigenlijk niet kunnen inbeelden of voorstellen, dat er den Heere heusch iets aan gelegen is, hoe er in de kerken dezer landen ten aanzien zijner autoriteit gedacht wordt.

Met name wat de Synodale Hiërarchie dusver opzette en regelde is hun al deze jaren zulk een totaal onverschillige zaak geweest; ze hebben zoo van der jeugd af geleerd, dat al het Synodaal geschrijf, welbezien, geen zweem van hoogere beteekenis of geestelijke waardij bezit; dat het er bij hen maar niet in wil, als zou door zulk een Synodaal gehaspel en reglementair gewriemel eigenlijk iets, hoe gering ook, aan Jezus’ wezenlijke eere worden te kort gedaan.

Dit maakt dat ze voor de aanranding van Jezus’ Koninklijke majesteit, die hierin gelegen is, zoogoed als niets voelen.

En al is het dan ook, dat ze u toestemmen, dat het ja, zeer wenschelijk zou zijn, bijaldien we aan heel den Synodalen winkel een einde konden maken, toch weegt dit niet zoo zwaar bij hen, dat ze daarom zich gedrongen gevoelen zouden om tot ernstige stappen over te gaan.

En dat vooral niet, als er zooveel heerlijks tegenover staat, als daar is de rust en vrede in de gemeente, de predicatie in breeder kring, en dan ook eigen verzekerde positie.

Het behoeft dan ook volstrekt niet te verwonderen, dat nog zoo velen thans van verre blijven staan. Eer voegt ons zekere verbazing dat het gevoel voor de teedere eere van Jezus’ Koningschap reeds in zoo korten tijd bij zoo velen doordrong.

|2|

Ook bij die anderen zal het later wel doordringen. Ook over hen zal wel klaarder en helderder licht opgaan. Maar op dit oogenblik zijn ze daar nog niet aan toe. Ze zijn nog zoo ver niet. Voor hen zou het dus een roekelooze sprong zijn, dien ze nog niet durven wagen.

De diepste oorzaak voor deze ongevoeligheid schuilt in hun verwaarloozen van wat de Artikelen belijden: „Ik geloof eene heilige, algemeene, Christelijke Kerk.” Hun kerkbegrip is reeds lang opgesmolten, deels in een overgeestelijk begrip van het Koninkrijk Gods, en deels in een genootschappelijk begrip van een kerkelijke afdeeling.

In den grond zijn ze Darbistisch getint.

Eigenlijk verachten ze alle kerk. Ze willen wel een prediking des heils. Ook houden ze de Sacramenten nog wel bij. Maar een kerk hadden ze reeds lang niet meer. En wat nog als kerkgenootschap, dank zij de Synodale stutten, staan bleef, dat hebben ze nooit als de eigenlijke kerk beschouwd, maar hoogstens als een soort administratief-bureaucratisch lichaam om orde te houden, positie te verzekeren, en uitbetaling van gelden te waarborgen.

Dusdoende is er een absolute scheiding tot stand gekomen tusschen hun geestelijk bedoelen voor den Heere, en hun kerkelijk leven. Die twee liepen naast elkaar. Zoo hoog als het eerste stond, zoo laag zonk het laatste. En zoo is het gekomen, dat men voor de eere van Jezus wel alles voelde op geestelijk erf, maar ter wereld niet vatten kon, hoe het Jezus nu iets deren kon, hoe men hier op aarde zijn kerkgenootschap inrichtte.

Dit fatale dualisme is vrucht van de verachting waarin het radicalisme de kerk had gebracht.

De kerk gold voor niets meer. Ze was alleen nog goed om er op te smalen.

En terwijl het „Koninkrijk Gods” een bezielende formule wierd, waar zelfs Modernen en Groningers op hun wijs meê dweepten, zonk het denkbeeld van Kerk zoo diep weg onder de algemeene versmading, dat het bijvoegsel „Kerkelijk” reeds op zichzelf genoeg was, om u als brandmerk in de publieke opinie te worden aangerekend.

Ware nu het theologisch onderwijs, ware de prediking des Woords, ware de leiding der publieke meening voldoende geweest, dan zouden de belijders van den Heere reeds sinds lang tegen dit valsche dualisme geprotesteerd hebben, en althans de Bedienaren des Woords zouden tot richtiger onderscheiding zijn gekomen.

Maar, helaas, aan die betere onderwijzing ontbrak het ten eenemale.

Het Reveil voedde zelfs den valschen waan, alsof de kerk er niet toe deed.

En toen na 1834 de orthodoxie haar schuldig bedrijf systematiseeren en rechtvaardigen moest, zijn het juist de bekendste Gereformeerde predikers geweest, die door een valsch mysticisme de beteekenis der kerk verzwakt en ondermijnd hebben, en heul hebben gezocht in een geestelijk isolement, dat buiten het kerkelijk leven omging.

Zelfs in de geringschatting van het Sacrament kwam dit op hoogst bedroevende wijze aan het licht.

En of nu al de Vrienden der Waarheid hiertegen in hun titel protesteerden en op jaarvergaderingen tegenspraken, toch leefden ook zij meestal buiten kerkelijke bemoeiing, en raakten al meer onder de voorstelling, dat een Gereformeerde predicatie op Zondag toch eigenlijk het één en al was, waar men belang bij had.

Het verschil tusschen een Bediening des Woords en een Bijbellezing ging zoodoende geheel teloor.

Van de Sleutelen des hemelrijks vervreemdde men volkomen.

En bovenal zoo de spreker die optrad maar bevindelijk in het geestelijke indrong, beschouwde men zelfgenoegzaam heel den kerkelijken opstal als tamelijk overbodig.

Het is zoo, de heilige Doop hield het kerkelijk besef nog levendig. Maar ook desaangaande vernam men reeds wonderlijke dingen. Prof. Doedes was in beginsel tegen den Kinderdoop.

Prediker na prediker kwam dien voor overtollig verklaren.

Heele kringen lieten hun kinderen ongedoopt liggen. Kinderen van 4, 5, 6 jaren kon men in vrome gezinnen nog ongedoopt vinden.

Kortom, in den heiligen Doop lag nog een laatste bolwerk, maar het had weinig verscheeld, of ook dat laatste bolwerk ware allengs bezweken. 

|3|

Alleen de lezing van oude schrijvers heeft dit ergste nog kunnen verhoeden.

Zij toch, die zich aan deze voedende lectuur gewend hadden, vonden dan toch een geheel andere voorstelling van de kerk des Heeren en van haar band met zijn Koninkrijk.

Wat zelfs de Gereformeerde predikers niet meer gaven, omdat ze er niets voor voelden, dat gaven die vaderen vanouds, wier boeken nog gretig gelezen werden.

En zoo is er nadenken gekomen. En de Heere heeft er menig hart bij bepaald. En de Heilige Geest heeft het aan menigeen op de ziel gebonden. En zoo is er van lieverleê weer zeker roepen naar het Heiligdom, een zeker vragen naar de Kerk des Heeren gekomen!

Reeds in veel korter tijd, dan zich eerst vermoeden liet, leidde dit zelfs tot botsing.

En na dat uit die botsing een begin van Reformatie is ontstaan, is het verwonderlijk, hoe er nu toch nog, o, zoo velen zijn, die toonen voor het kerkelijk wezen en leven iets te voelen.

En wat nog opmerkelijker is, zelfs de Synodale tegenstanders zijn nu op eenmaal aan de Kerk weer een beteekenis gaan hechten, waar ze dusver nooit van droomden.

Gaat dit zoo voort, dan is er geen quaestie van of zeer binnenkort zal de Kerk van Christus weer in de schatting en waardeering van onze tijdgenooten gaan meêtellen; men zal het valsche dualisme tusschen die Kerk en het Koninkrijk Gods te boven komen; en het einde zal zijn, dat weer de waarheid triomfeert.

Dit toch staat vast: hoemeer de Synodalen zelven de beteekenis der Kerk stijgen doen, hoe meer ze óns in de hand werken. Immers het begrip van kerk behoeft slechts weer op te leven, om onbarmhartiglijk vonnis te strijken over het ongeestelijk mengelmoes van hun genootschap.

Toch gaat dit niet met een ruk.

Daar is studie, daar is onderzoek, daar is verheldering van denkbeelden voor noodig.

Men moet zijn schade nu weer inhalen.

De bestanddeelen van het kerkelijk leven moeten weer ter sprake komen en van nabij bezien worden.

Zoo ook het begrip van het Kerkelijk ambt, waarover men de zonderlingste denkbeelden van allerlei verlegen geesten ter zelfverontschuldiging of ter rechtvaardiging van eigen positie uiten hoorde.

Ook de Heraut vraagt voor een oogenblik de aandacht, om aan deze belangrijke discussie deel te nemen.

Kuyper, A. (1898.14) H1

 

1. Wat onder het woord „ambt” te verstaan zij.

 

Wie over het kerkelijk ambt meê wil spreken, behoort vooraf duidelijk te verklaren, wat hij onder het woord „ambt” verstaat. Verzuimt men dit, dan spreekt men in den wilde en is buiten staat om in het kruisvuur van woord en tegen woord, de klem van zijn betoog voelbaar te maken; ja, ten leste zelfs buiten staat, om den draad van zijn eigen betoog weer te vinden.

Er zijn er, die het begrip van „ambt” beperken willen tot de hoogere staatsbetrekkingen. Dit echter gaat niet op.

Onze oude Gouverneur-Generaals te Batavia waren niet in eenig staatsambt ingezet, maar aangesteld door de Oost-Indische Compagnie; en toch zal niemand aarzelen, om te erkennen, dat ze metterdaad een „ambt” bekleedden, en een veel gewichtiger ambt zelfs dan een „gecommitteerde te velde” onder de Staten.

Oorspronkelijk waren de oude Universiteiten vrije stichtingen, wier hoogleeraren niet door den Staat benoemd werden, en toch is er nooit aan getwijfeld, of hun professoraat was een ambt.

En nog heden ten dage zijn in Amerika alle kerken vrije kerken en brengt toch het spraakgebruik mede, dat deze alle, voor zoover ze niet independentistisch zijn, het ambt op heur erve eeren.

Aan het Staatsgezag op zichzelf hangt het ambt dus niet.

Toch kan ook omgekeerd weer niet gezegd, dat alle betrekking of alle beroep een ambt is.

Immers, wie sprak ooit van het „ambt” van bakker, of ook van het „ambt” van klerk op een kantoor.

In het denkbeeld van „gezag over anderen” zonder meer ligt het begrip van ambt evenmin;

|4|

want een schuitenvoerder op een pink heeft zeer zeker zeggenschap, autoritair zeggenschap zelfs, over de bemanning, zoo visschers als matrozen, en toch wie vereerde zijn stuurmanschap ooit met den eeretitel van het ambt?

Een directeur op een kostschool, en zelfs tot op zekere hoogte, een gouverneur, en een kinderjuffrouw, hebben zeker zeggenschap over de hun toevertrouwde jeugd, zonder dat daarom iemand van het ambt van een kostschoolhouder of kinderjuffrouw zal gewagen.

En nog minder mag een ,,ambt” met het gewone beroep van ambacht, nering of bedrijf verward.

„Ambacht” en „ambt”, hoewel in oorsprong verwant, hebben in hoogeren zin niets met elkaar gemeen.

Noch de opperman noch de smidsknecht, zal ooit iemand zeggen dat een ambt bekleeden.

Wil men daarom tusschen de begrippen van beroep, ambacht, bedrijf en dienst eenerzijds, en dat van ambt anderzijds een soort grenslijn trekken, dan dient veel dieper in het wezen van het ambt ingedrongen.

En dan meenen we, als karakteristiek voor het wezen van het ambt te moeten wijzen op de navolgende kenteekenen.

Ten eerste geldt dit als kenmerk:

Het ambt worde geboren uit de noodzakelijkheid, om voor de uitoefening van Godswege over anderen ingestelde macht, de hulp van menschen aan te wenden.

Op het van Godswege valt hier de nadruk. Er is geen ambt of er moet een macht over menschen van Godswege uitgaan.

Toch is deze bepaling op zichzelve niet voldoende.

In het paradijs, waar God zelf rechtstreeks de menschheid regeerde, is nog geen spraak van een ambt.

Denkt ge u een kleinen staat, waar de vorst heel het volksbelang in eigen persoon verzorgde, dan zou er buiten den vorst ook geen ambt in zulk een miniatuurstaat ontstaan.

Wel komt daarentegen het ambt op, zoodra de regent van een land niet bij machte is, om zelf in eigen persoon overal bij te zijn en elk belang te verzorgen. Dan toch behoeft hij organen, door wie hij zich verveelvuldigen kan. En zoodra deze deeling van taak, niet maar bij stukwerk losweg toegaat, maar vaste regeling ontvangt en tot vaste verdeeling van de regeertaak leidt, begint elk zulk deel van de regeertaak den oorsprong te geven aan een ambt.

Het is dan welbezien altoos de bij Godes gratie regeerende vorst, die het zelf moest doen in eigen persoon, maar om zijn beperktheid het niet zelf doen kan, en nu, opdat het toch gedaan of beter gedaan worde, vaste organen schept door wie hij dit werk, als deed hij het zelf, volbrengen laat.

Naarmate nu of het land of in dat land de regeertaak zich uitbreidt, zal ook de behoefte ontstaan aan meerdere organen. Zoo zal het getal ambten, en het getal van bekleeders van die ambten zich gestadig uitbreiden. Maar hoe breed het ook in zijn vertakkingen uitgroeie, nooit werkt in al deze ambten iets anders dan de ééne en ondeelbare vorstelijke macht, die hem van Godswege is opgelegd.

Wel doet zich soortgelijk geval ook voor op een fabriek of in een groot magazijn, of een uitgebreid kantoor; maar bij deze takken van menschelijke werkzaamheid komt daarom nooit van een ambt sprake, omdat noch die fabriek, noch dat kantoor in het leven traden met een macht hun door God over anderen gegeven.

Op die fabriek, op dat kantoor heerscht eigenbelang. Ze traden op om geld te verdienen. Niet voor het land, maar voor eigen firma of aandeelhouders. En alle gezag op deze fabriek of dat kantoor door opzichters uitgeoefend, ontstaat alleen uit contract. Wie weg wil, gaat weg. Wie komt, onderwerpt zich vrijwillig.

Dat de Universiteiten hierop van oudsher eene uitzondering maakten, is omdat de Universiteiten wel wezenlijk bekleed zijn met een van God uitgaande macht. Ze treden op met de pretentie van het rijk der waarheid te dienen. In dat rijk heerschen van God gegeven wetten der logica enz. En het is in dien zin, dat men zeer terecht spreekt van een „priester der wetenschap.” Want al geven we grif toe, dat menig man van wetenschap tegen de waarheid ingaat, dit is ook het geval met menig vorst die tegen het gezag van God ingaat. Maar de roeping en pretentie blijven niettemin, dat er uitoefening plaats heeft van een macht over het menschelijk

|5|

denken aan de Universiteit, gelijk over de menschelijke personen in den Staat, en dat de uitoefening van deze macht gebonden is aan de goddelijke ordonnantiën en niet het eigenbelang of eenig particulier belang, maar Hem dient.

Zoo moet ook ten opzichte van onze oude Oost-Indische Compagnie opgemerkt, dat zij metterdaad in de plaats van het Staatsgezag trad, en bij octrooi bekleed was met een macht over de Indische volkeren, die slechts een gewijzigden vorm aanbood van verdeeling van de regeertaak.

Een tweede hiermeê saamhangend kenmerk voor het ambt is, dat het niet strekt om eigen wil door te zetten, maar om zich dienstbaar te stellen aan een hoogeren en algemeenen wil.

Hierbij echter moet gelet op het onderscheid tusschen ambt en dienst in lageren zin, dat men het zuiverst uiteen houdt door te onderscheiden tusschen het orgaan en het instrument.

Een instrument wordt geacht willoos te zijn en eenvoudig gebruikt te worden. In een orgaan daarentegen werkt een eigen leven, maar een eigen leven, dat zich dienstbaar stelt aan een gemeenschappelijk en onderwerpt aan een hooger leven.

Een aannemer die polderwerkers voor het heien der palen en opperlieden voor het metselen der muren huurt, rekent met hun kracht en hun arbeidsvermogen, maar toch slechts als door hem gebruikte instrumenten die eenvoudig op bevel uitvoeren wat hij hun gelast.

Een vorst daarentegen, die zich in allerlei ambtsdragers verveelvuldigt, heeft iets heel anders noodig. Wat hij behoeft zijn geen instrumenten, maar organen.

Hij neemt ze dus als personen, die in zijn plaats treden, die hem vervangen, en in wie hij zelf geacht wil worden tegenwoordig te zijn.

Hier is dus noodig een eigen leven, met eigen denken, eigen beleid en eigen wil. En hoever ook zijn gebod en bevel gaat, toch is de eigenlijke uitoefening van hun ambt, hun daad, die in hun spontaneïteit oorsprong vindt.

Bij elk ambt zijn dus deze twee geëischt:

Ten eerste, dat de persoon, die het ambt aanvaardt, met bewustheid zijn eigen persoon en wil ten dienste stelle van de hooger macht die hem met dat ambt bekleedt, om, zoo dikwijls hij in zijn ambt optreedt, niet uit eigen naam te handelen, maar wilsuitvoerder te zijn van de macht die hem aanstelde.

Er is geen ambt denkbaar zonder dit kenmerk, en slechts in zooverre wordt een ambt als ambt waargenomen, als de drager er van steeds handelt in het bewustzijn van dien hoogeren, hem opgelegden wil uit te dienen.

Mits, ten andere, steeds onder het zooeven reeds genoemde beding, dat hij dit zelf wil, en zich in zedelijken zin, zonder verloochening van zijn karakter, hiertoe gerechtigd acht.

Het doel door die hoogere macht beoogd, moet ook zijn levensideaal zijn. Hij moet in deze onderwerping aan dien hoogeren wil zelf, zonder krenking van zijn persoonlijkheid, kunnen inleven. Geen machine mag hij zijn, maar zelfbewust orgaan moet hij blijven.

Ten derde, elk ambtsdrager moet diensvolgens aangesteld zijn, tot zijn ambt zijn benoemd.

Een ambt kan niet ontstaan uit overeenkomst of contract; ook al zij het dat de aangestelde, schijnbaar in den vorm van contract, zekere voorwaarden laat vaststellen.

Elk ambt is altoos overdraging van een u persoonlijk vreemde macht, die van Godswege op u gelegd wordt. Zelfs dan, als gelijk vroeger veeltijds gebeurde, een ambt gekocht wierd, is het nooit de koopsom die het ambt aanbrengt, maar wordt door dit koopcontract alleen de persoon vastgesteld en aangewezen, op wien nu daarna eerst het ambt en de macht van het ambt gelegd wordt.

Als een volk het recht heeft zelf zijn ambtenaren te benoemen, gelijk dit in Amerika, en deels in Engeland het geval is, dan is het daar nog volstrekt niet het volk, dat door zijn keuze die macht oplegt, maar zelf alleen den persoon aanwijst, op wien nu voorts daarna eerst door zijn installatie de macht gelegd wordt.

Ten vierde, de opgelegde macht, waarmeê de drager van het ambt bekleed wordt, moet altoos macht van Godswege zijn, al is die ook nog zoo afgeleid, en door nog zoo veel kanalen hem toegevloeid.

Een vereeniging op zichzelve kan geen ambt scheppen. De directeuren van een assurantie- of gas- of waterleiding-maatschappij bekleeden geen ambt.

|6|

Er is nooit een ambt of er moet een rechte lijn van dat ambt naar Gods souvereiniteit loopen.

Immers er is bij het ambt altoos sprake van gezag door den éénen mensch over den anderen uitgeoefend. En dat gezag bezit niemand krachtens zijn menschelijk bestaan. Zelfs de vader of moeder niet over hun kinderen.

Alleen God heeft van nature gezag over al zijn schepselen en dus ook over ons menschen.

En langs welk kanaal of orgaan Hij, de Heere, nu ook dat gezag doe afvloeien, daar is gehoorzaamheid plicht en is hij die ze afeischen mag en moet, ambtsdrager.

Ook een vereeniging kan dus ambten scheppen, mits die vereeniging geen toevallige, maar een noodzakelijke zij, en krachtens haar souvereiniteit in eigen kring, metterdaad zelve orgaan van eenig deel van de mogendheid des Heeren zij.

Ten vijfde, zij opgemerkt, dat het karakter van ambt bij deze organen dáár ophoudt, waar de persoonlijke verantwoordelijkheid voor het beleid der zaak een einde neemt.

Een portier aan het ministerieel bureau bekleedt geen ambt en evenmin een kopiïst op het parket.

Want wel hebben deze persoonlijke verantwoordelijkheid voor het hun opgedragen werk, maar deze verantwoordelijkheid raakt niet den gang en het beleid op het ministerieel bureau noch den gang van hetgeen het parket beslist als zoodanig.

Ten zesde voegen we hier aan toe, dat het ambt den persoon en niet een deel van zijn tijd vraagt.

Het is zoo, sommige ambtsdragers, b.v. de President van menige republiek worden voor een bepaald aantal jaren aangesteld, maar dat zijn uitzonderingen, en de regel is, dat wie een ambt aanvaardt, als persoon wordt opgeëischt, en geacht wordt zijn levensexistentie voor dit ambt beschikbaar te stellen.

Hij mag daarom wel andere dingen ook doen, maar toch slechts als bijzaak. Zijn ambt is zijn werkkring, waar hij aan toebehoort en dat recht op hem heeft.

Het lidmaatschap zelfs van een Staatscommissie is daarom geen ambt, wijl het slechts tijdelijk en voorbijgaande is.

In het ambt ligt het duurzame, het blijvende. Het is een heilige dienst in het machtig raderwerk, waarmee de Heere onze God een volk drijft in al zijn levensuitingen.

Waar ten zevende, en hiermeê zal de onderscheiding van ambt en niet-ambt genoegzaam voltooid zijn, nog bij komt, dat het ambt niet om loon maar uit toewijding moet bediend worden.

Bij het ambt is niemand er van af met om loon te werken. Hij dient uit toewijding, en het traktement of salaris is geen loon, maar slechts middel tot levensexistentie; wijl het billijk is dat de hoogere macht die zijn leven in dienst neemt, dat leven ook verzorge.

Vandaar het onbezoldigd ambt, wat eigenlijk het hoogste en ware ambt is.

En alle bezoldiging in het ambt mag dan ook nooit andere strekking hebben, dan om te zorgen, dat de waarneming van het ambt uit gebrek en nooddruft niet lijde.

Nu zijn deze eischen natuurlijk bij hoogere en lagere ambten zeer verschillend; maar maatstaf mag hierbij nooit vraag en aanbod zijn.

De eischen van het ambt zelf geven den eenig juisten maatstaf aan.

En ook.

Wie om loon dient, ontving, zoo hij zijn loon heeft, al wat hem toekwam. De ruil van dienst en geld is voleind.

Maar zoo is het in het ambt niet.

Als de drager van het ambt van zijn salaris of traktement geleefd, en met dat leven zich aan zijn ambt gewijd heeft, is hem nog niets vergoed voor wat hij presteerde.

De ware ambtsdrager wacht zijn loon van zijn God.

Kuyper, A. (1898.14) H2

|7|

 

2. Het ambt in de Kerk.

 

Is de omschrijving, die we van het begrip „ambt” gaven in hoofdzaak juist, dan kan er o.i. ook geen twijfel rijzen over de vraag of de diensten, die in de Christelijke kerk geordend zijn, den naam van ambt al dan niet verdienen.

Ambten zijn de kerkelijke diensten ongetwijfeld; ze dragen er al de kenteekenen van. Want wel worden ze „diensten” genoemd, met name door den apostel Paulus, en is voor predikanten de schoonste naam nog altoos die van Bedienaren des Woords, Verbi Divini ministri; maar wie weet niet, dat ook de raadslieden der kroon ministers, d.i. eveneens ministri of dienaren heeten; dat gezanten gemeenlijk evenzoo den naam voeren van gevolmachtigd minister of dienaar; en dat alle ambtsdragers gezegd worden in Staatsdienst te zijn. Aan dit woord hechte men dus niet te sterk, uit den term leide men niet te veel af. Natuurlijk komen we er later op terug, maar nu reeds moest aangestipt, waarom het woord „dienaar” hier niets kan beslissen.

Over het algemeen doet men wel, met aan de termen en woorden ten deze niet te sterk te hangen, en gaat men veiliger door met de kenmerken van het begrip zelf van „ambt” te rade te gaan. En doen we dit, dan durven we vertrouwen, dat schier alle onze lezers ons zullen toestemmen, dat al de acht kenmerken, die ons vorig artikel als kenteekenen voor het ambt opgaf, ook bij de kerkelijke dienaren worden aangetroffen.

Ten eerste vonden we, dat het ambt in zijn eigenlijk karakter ontstaat uit de noodzakelijkheid om de hulp of dienst van menschen te gebruiken voor de uitoefening van een heilige macht; en immers juist dit is het wat ook bij de kerkelijke diensten plaats grijpt.

Er moet een heilige macht over de gedoopten worden uitgeoefend, en hiertoe wordt de hulp of dienst van menschen gebezigd, en juist uit de noodzakelijkheid om dezen dienst van menschen te bezigen is de instelling en bezetting van den kerkelijken dienst voortgevloeid.

Het is zoo, men kan hier tegenwerpen, wat de Kwakers en andere sektarissen beweerden, dat de noodzakelijkheid hier niet aanwezig is; dat Christus onze Koning niet gelijk is aan een aardsch koning van beperkte macht; dat een aardsch koning de macht mist om in zijn rijk overal tegenwoordig te zijn, en daarom door ambtsdragers moet worden vervangen; maar dat Christus onze Koning juist deze macht om overal tegenwoordig te zijn bezit; en dat hij feitelijk deze macht ook altoos zelf uitoefent, want dat hij zelf verklaard heeft: „Waar twee of drie in mijnen naam vergaderd zijn, daar ben ik in het midden van hen.”

Toch snijdt deze opmerking geen hout.

Immers, geenszins wordt onzerzijds betwist, dat Christus, die plaatselijk in ons vleesch in den hemel verkeert, niet met zijn „genade, majesteit en Geest” overal tegenwoordig in zijn Lichaam zou wezen; maar we stemmen dit van heeler harte toe en belijden het met onzen Catechismus volstandig.

Ware er dus uitsluitend sprake van eene noodzakelijkheid die uit gebrek aan macht voortvloeide, zoo zouden de Kwakers gelijk hebben; maar zoo is het niet. De diepste grond van noodzakelijkheid ligt niet in de natuur der dingen. Een aardsch koning mist de macht om in zijn rijk overal tegenwoordig te zijn volstrekt niet, wijl het ongerijmd en ondenkbaar ware, dat hij deze bezate. Indien God de Heere aan den aardschen vorst zulk een macht had willen verleenen, niets zou zijn almacht hierin palen hebben gesteld. De heidenen met hun beelden met twaalf en twintig armen doelden hier zelfs op, en de middelen van gemeenschap, die ons nu reeds in telegraaf en telephoon geboden zijn, stellen ons zelfs in staat, om eenig denkbeeld van creatuurlijke veeltegenwoordigheid in een land als het onze te vormen. Zelfs is door een geleerde in Praag reeds de uitvinding gedaan om ook het gezicht door electriciteit voort te planten evenals nu de stem.

Willen we niet in het naturalisme verzinken, dan moet dus steeds door ons beleden, dat alle noodzakelijkheid alleen en eeniglijk voortvloeit uit den wille Gods. Iets wat zoowel geldt voor het regiment van staten en universiteiten, als voor het regiment der kerk.

En overmits nu vaststaat, dat de wil des 

|8|

Heeren ten deze gewild heeft, dat de Koning van het Godsrijk, niet zonder, maar door de hulp van menschen zijn kerk regeeren en verzorgen zou, valt deze tegenwerping der Kwakers geheel weg.

Zij die den Koning der kerk zijn kerk alleen en rechtstreeks zonder tusschenkomende hulp van menschen willen laten regeeren en verzorgen, bedoelen een verzorging en bestiering van de kerk alleen door den Geest zonder het Woord. Staat voor ons nu vast, dat het Koninklijk regiment van den Christus plaats grijpt in gebondenheid aan het Woord, zoodat de Geest niet enkel mystiek, maar tevens instrumenteel door het Woord werkt, dan is hiermee de noodzakelijkheid van den dienst of de hulp van menschen ook beslist.

Om geestelijk inwendig te werken gebruikt de Koning der kerk geen organen waarin hij zich verveelvuldigt, maar in de verzorging en regeering van zijn kerk door het Woord, in het uitwendige, is die dienst volstrekt onmisbaar; tenzij men in de Luthersche dwaling van de alomtegenwoordigheid des Heeren ook naar het lichaam vervalle.

Blijft men daarentegen bij de gezonde leer, dat de Heere Jezus lichamelijk en plaatselijk alleen in den hemel is, en dus niet tevens en tegelijk lichamelijk en plaatselijk in elke stad en in elk dorp, dan staat het hiermeê vast, dat ook de Koning van de kerk om zich aan alle plaatsen uitwendig te openbaren en zijn macht uit te oefenen, de verveelvuldiging van zijn stem door de hulp van menschen behoeft.

Ons tweede kenmerk was: dat de drager van het ambt niet handelt om eigen wil door te zetten, maar om zich dienstbaar te stellen aan een hoogeren wil.

En ook dit kenmerk wordt ten volle, zelfs sterker nog dan bij het staatsambt, in den dienaar der kerk gevonden.

Ook al is die dienaar een Apostel of Profeet, nooit arbeidt en handelt en spreekt hij uit zichzelven, naar eigen inzicht en naar eigen goedvinden. Hij is in alles gebonden aan zijn last. Hij treedt in dienst. Hij fungeert als orgaan. En al zijn roeping is. niet om een eigen woord of eigen bedoelen door te drijven, maar om den Koning der kerk te laten heerschen en het Woord van dien Koning tot gelding te doen komen.

En zagen we dat zulk een dienstbaar stellen van het ambt aan hooger wil toch nimmer den ambtsdrager tot een instrument mag verlagen, datzelfde geldt ook hier. Een instrument heeft dit eigenaardige, dat het beurtelings voor vlak tegenover elkander staande doeleinden kan gebezigd. Een buit gemaakt kanon wordt aanstonds gebezigd om te vuren op het leger, dat het zoo straks nog hielp verdedigen. Maar zoo is een orgaan niet. Een orgaan is met zijn levensbeweging geheel verbonden aan het lichaam of hoofd waarvan het orgaan is.

En zoo nu ook moet elk dienaar in de kerk niet slechts onvoorwaardelijk zich ten dienste stellen van den hoogeren wil van zijn Heere en Koning, en alle eigen inzicht en bedoelen aan dien hoogeren wil ten offer brengen; maar ook hij moet dit met de intentie van zijn hart doen; het zelf zoo willen; en in dit dienen van den hoogeren wil van zijn Koning al zijn lust en liefde stellen.

Ten derde zagen we, dat een ambtsdrager aangesteld en benoemd moet zijn.

Hij mag niet zelf optreden. Hij kan niet door contract optreden. Er wordt over hem beschikt. Hij wordt benoemd en aangesteld. Bedanken voor een ambt kan dan ook niet. Alleen kan men hem die aanstelde verzoeken die benoeming in te trekken. Zoo geschiedt het dan ook in den Staat, en men had op kerkelijk terrein nooit moeten toelaten, dat dit anders wierd. Onze gereformeerde vaderen hebben het inkruipen van het Pelagianisme, dat een benoemde bedankte, dan ook nooit toegelaten, en ook dit was ten onzent alleen vrucht van het Synodalisme.

Ook dit kenmerk vindt ge alzoo zuiver terug in den kerkelijken dienst. Ook hier mag niemand zich vermeten eigenwillig of naar eigen goeddunken in eenigen dienst ingaan. En evenzoo ook hier mag niemand bij contract of bij manier van koop optreden. Alle Simonie moet ten strengste geweerd.

Neen, alle optreding in den dienst der kerk gaat door benoeming, en al is het ook dat in onderscheidene kerken de leden der kerk de personen aanwijzen, die zij als ouderlingen of armverzorgers wenschen, de benoeming of aanstelling gaat altoos van den Kerkeraad zelven uit, of anders van een genabuurde kerk.

|9|

Ten vierde, de macht waarmeê ze bij hun aanstelling of benoeming of installatie bekleed worden, moet voorts, zoo zagen we, altoos een macht van Godswege zijn.

En ook dit kenmerk gaat hier blijkbaar ten volle door, want welke de macht ook zij, die de dienaar der kerk uitoefent, altoos is dit een heilige macht; een macht die niet uit den wil van eenigen mensch, maar uit den wille Gods voortkomt, en geheel en alleen van Hem uitgaat.

Ten vijfde bleek ons dat de ambtelijke betrekking daar ophoudt te bestaan, waar de verantwoordelijkheid voor het beleid der zaak zijn grens vindt.

En ook dit gaat hier volkomen door.

Ook in de kerk toch zijn er tweeërlei soort van dienaren. Dienaren in het ambt, zooals predikanten, doctoren, ouderlingen en diakenen; en dienaren buiten het ambt, zooals godsdienstonderwijzers, voorlezers, organisten, kosters, deurwachters enz.

En ook hier ligt de grens tusschen beiden eenvoudig daarin, dat alleen de eerste vier soorten van dienaren, krachtens goddelijke instelling, de verantwoordelijkheid voor de in Christi naam uit te oefenen macht dragen, terwijl de overige hierin niet deelen.

Ten zesde bleek ons, dat het ambt den persoon, en niet een deel van zijn tijd opeischt; en dat wel in dien zin, niet als mocht hij niets daarnevens doen, maar dat hij staat voor alles wat zijn ambt te doen geeft.

De opperman werkt op het uur. Acht uur, tien uur! En of de arbeid gereed komt gaat hem niet aan.

Niet alzoo de drager van het ambt.

Hij staat voor zijn taak. Op zijn persoon en kracht is beslag gelegd. Hij draagt zelf de verantwoordelijkheid, dat alles welga.

En zoo komen we dan vanzelf tot onze zevende opmerking, rakende het onderscheid tusschen bezoldiging en loon, dat ook bij de kerkelijke diensten zuiver uitkomt.

Ook de kerk beloont niet, betaalt geen loon aan haar ambtsdragers uit.

Al wat ze beoogt is, toe te zien, dat deze personen die ze opeischt voor haar diensten, zoo leven kunnen, dat hun kracht aan de kerk kunne ten goede komen.

Vandaar dat bij de ouderlingen en diakenen in den regel aan geen traktement gedacht is, overmits hun taak van dien aard is, dat deze hun niet belet zelf een eigen broodwinning te hebben; en dies van een bezoldiging bij ouderlingen en diakenen dan eerst sprake kwam, als men beslag wilde leggen op hun geheelen persoon.

Voorts dat de bedienaren en doctoren wel bezoldigd werden. Niet op een voet, dat ze den mond konden openhouden, maar dat ze zoo leven konden als voor den dienst des Woords eisch was. Maar dit alles zonder dat hiermeê hun dienst gerekend wierd ook maar eenigszins betaald te zijn. Dienst in den dienst van Jezus kan niet betaald worden. Wie daarvan rept vernietigt het ambt.

En ook, dat naar het voorbeeld van Paulus, den aard der zake, en ook naar den stelregel van Calvijn, deze bezoldiging alleen dan plaats greep, als de geroepene en aangestelde zonder deze bezoldiging, uit anderen hoofde, niet had waarvan hij naar behooren leven kon.

Ons resultaat is derhalve, dat de predikanten, doctoren, ouderlingen en diakenen wel waarlijk een ambt bekleeden; een ambt in zeer eigenlijken en zeer wezenlijken zin.

Een ambt ingesteld door den Koning van de algeheele Christelijke kerk, in gelijke manier als er ambten ingesteld zijn door den koning van Nederland.

Wat in Ef 4: 11 staat: Onze Koning „heeft gegeven sommigen tot apostelen enz.” duidt die instelling volkomen duidelijk aan.

Kuyper, A. (1898.14) H3

|10|

 

3. Over het onderscheid tusschen het ambt in de Kerk en in den Staat.

 

a. In de exceptioneele positie van den Koning der Kerk zelve.

Ons eerste artikel stelde het begrip van het ambt vast; het tweede poogde aan te toonen, dat ook de kerkelijke diensten hieronder vallen; thans wacht ons de taak, om de beperkingen aan te duiden, die dit begrip van ambt, op kerkelijk terrein ondergaat.

Deze beperkingen hebben drieërlei oorsprong; deels in de exceptioneele positie van den Koning der kerk zelven; deels in den exceptioneelen aard van zijn Koninkrijk; en deels eindelijk in de exceptioneele positie van zijn onderdanen.

Het ambt, zoo zagen we, is het orgaan voor de uitvoering van eenig deel der van God uitgaande souvereiniteit door menschen. In zooverre valt dus de mensch Christus Jezus zelf onder het ambt; weshalve onze kerken dan ook eenparig en volstandig belijden, dat hij van God verordineerd en met den Heiligen Geest gezalfd is tot een drievuldig ambt, t.w. tot onzen hoogsten Profeet en leeraar, tot onzen eenigen Hoogepriester en tot onzen eeuwigen Koning.

Voor de geestelijke beduidenis van dit drievuldig ambt verwijzen we naar de artikelen over den Catechismus, die juist in ditzelfde Heraut-nummer van 17 September aan vraag 31 en daarmeê aan de drie ambten van den Middelaar toe zijn.

Hier daarentegen komt de kerkrechtelijke beteekenis van deze ambten ter sprake.

En dan merken we aanstonds op, dat we voor dit aardsche leven drieërlei ambt vonden: 1°. een ambt in den Staat; 2°. een ambt in de Kerke Gods; en 3°. een ambt in de Universiteit.

Stelt men nu deze drie: het Staatsambt, het kerkelijk ambt en het Universiteitsambt, naast de drie ambten die onze Catechismus, op gezag der Heilige Schrift aan den Christus toekent, dan vinden we een merkwaardige parallel.

Op aarde: Universiteit. Kerk. Staat.
Bij Christus: Leeraar. Priester. Koning

Kennelijk en in het oog springend drie sferen of kringen, waarin goddelijke Souvereiniteit wordt uitgeoefend, en die we zoowel in het leven der volkeren als bij den Christus terugvinden.

Dat het juist tot zulk een drievuldige splitsing kwam ligt, gelijk elders is aangetoond, in de ordinantie, waarnaar God de Heere den mensch met een drievoudige wereld van actie schiep. Doch dat behoeft ons hier niet op te houden. Genoeg dat ons blijkt, hoe in den Christus niet een enkel ambt, niet een deel van het ambt, maar het gansche ambt aanwezig is. Hij is niet de Leeraar, die een ander als Priester naast zich of als Koning boven zich heeft, maar is alle drie zelf. De volheid der Souvereiniteit die van God Almachtig uitgaat, gaat door hem als orgaan, en wel als orgaan, in zooverre hij der menschelijke natuur deelachtig is. Immers hij wordt tot dit volle ambt gezalfd met den Heiligen Geest, en dat de Zoon van God, als zoodanig geen gaven van den Heiligen Geest kan ontvangen, is duidelijk voor een ieder die met ons belijdt dat de Heilige Geest ook van den Zoon uitgaat. Het Filioque.

Eer we nu echter verder gaan, dient onderzocht, hoe dit ambt, dat op den Christus is gelegd, in verband staat met het andere ambt dat door God gelegd is in Staat en School.

Anders toch dreigt er verwarring te komen.

Immers van tweeën één zou men zeggen: Of op den Christus is niet het volle ambt gelegd; óf wel bijaldien het volle ambt op den Christus rust, dan is er voor een tweede ambtelijke bedeeling naast den Christus geen plaats.

In de laatst bedoelde fout vervielen de Wederdoopers, die een eigen staat onder Koning Jezus wilden oprichten; verviel ten deele de Roomsche kerk met haar leer van de twee zwaarden; en vervallen nog heden ten deele zij, die de Overheid wapenen willen, om met het zwaard de ketterij tegen te staan.

Om op dit gewichtig punt zich voor dwaling te vrijwaren, is het daarom zaak zuiver de grens aan te wijzen, die deze tweeërlei ambtelijke bedeeling uiteen houdt.

Deze grens nu wordt aangegeven door wat de Heilige Schrift noemt het onderscheid

|11|

tusschen het Koninkrijk van deze wereld en het Koninkrijk der hemelen.

De oversten der wereld, aldus sprak de Heere, voeren heerschappij over de volken, maar „alzoo zal het onder u niet zijn!”

Het Koninkrijk der hemelen is eerst in het Koninkrijk der wereld ingekomen, toen dit laatste reeds bestond. Het eerste komt niet, het andere wel met uitwendig gelaat. Het laatste is in de uitwendige verschijning, in kroon en troon en scepter, in rechtbank, schatkist en zwaard; het laatste is binnen in u.

Dit ligt alzoo.

Toen ons menschelijk geslacht in zonde gevallen was, had God de Heere het in zijn toorn aan zichzelf kunnen overlaten. De zonde zou dan onverwijld en onbeperkt hebben doorgewerkt, en de toestand die thans pas in de hel komt, zou reeds terstond op aarde zijn uitgebroken.

Maar God de Heere heeft dit niet gewild. Hij is genadig geweest. En in deze genade heeft Hij toen onder menschen allengs drieërlei macht doen werken. Vooreerst de instelling der Overheid, om door de macht van de wet en het zwaard eene menschelijke saamleving mogelijk te maken. Ten tweede ontstak Hij de lampe der kennisse, die door alle nevelen heen, in de ontwikkeling der wetenschap toch een ophouding van onze gevallen natuur zou tot stand brengen. En ten derde dreef Hij de volken tot allerlei religieuse bemoeiing uit, die ook onder afgoderij en superstitie, toch het denkbeeld, dat we een macht buiten deze wereld hadden te dienen, in stand hield, terwijl Hij in zijn volk Israël de betere kennisse van zijn naam plantte, om straks door Zion ook de volken te zegenen.

Op die wijs is het gewone burgerlijke leven ontstaan. Een leven, dat bij al zijn diepe ellende toch altoos een gift der genade is, en zelfs in zijn meest gezonken vorm toch altoos een hooger leven aanbiedt, dan óf de anarchie óf de woestheid der wilde horden oplevert.

Zulk een leven echter kan niet vanzelf ontstaan, alleen door aanwijzing. Het is een pure dwaling om te wanen, dat de mensch zelf eenvoudig door er op gewezen te zijn, ziende op zijn belang en bij manier van overeenkomst, zulk een gezag zou hebben opgericht.

Dit was niet zoo.

Neen, alleen God de Heere heeft deze orde en dezen regel in ons leven ingezet, en wel door tweeërlei daad: 1°. doordien Hij menschen als Overheid met zulk gezag bekleedde, en in zijn naam handelen liet; en 2°. doordien Hij in de harten der volken, door de consciëntie, ontzag voor dit van Hem ingestelde gezag verwekte.

Alzoo is én het ambt der overheid én van den priester in Israël én van den leeraar der wetenschap, goddelijk in oorsprong. Wel wordt de lichtstraal van dit goddelijk gezag, eer het ons zegenen kan, veelszins door de nevelen onzer dwaasheid en eigenwilligheid gebroken, maar op hoe verflauwde wijze ook, zelfs in China en onder de Kalmukken, is het goddelijke souvereiniteit, die op deze wijze over de volkeren uitgaat.

Iets geheel anders daarentegen bedoelt het Koninkrijk Gods of het Koninkrijk der hemelen.

Niet alsof dit niet ook op de wetenschap en de volheid der levensfunctiën doelde. Dat doet het wel, en de voorstelling alsof het Koninkrijk der hemelen alleen op de ziel zag, is een valsch spiritualisme, dat ten eenemale door de Heilige Schrift veroordeeld wordt.

Christus vertroostte niet alleen de zielen, maar genas ook de kranken en spijsde de hongerigen. Hij stierf aan het kruis, maar stond op in zijn lichaam. En wat nu nog beidt, is ook voor ons de opstanding des vleesches, en daarna het rijk der heerlijkheid, dat eens het volle menschenleven omvatten zal.

De deeling alsof het Koninkrijk der wereld voor onze uitwendige behoeften zou zijn, en het Koninkrijk der hemelen alleen voor de ziel, moet alzoo verworpen.

Neen, het onderscheid is een geheel ander.

Dit namelijk, dat de instelling van het aardsche gezag slechts een voorloopig en tijdelijk hulpmiddel is, om hulp en raad te schaffen in den bestaanden nood. En dat daarentegen het Koninkrijk der hemelen doelt op de blijvende, duurzame instelling, die eens door overwinning van de zonde en haar gevolgen, den eigenlijk van God gewilden toestand verwerkelijken zal.

Zooals men na een brand, tijdelijk door hulpgebouwen voorziet in den ontstanen nood, maar daarnaast begint met het eigenlijke gebouw nieuw en in nog schooner vorm weer op te trekken, zoo ook is het hier.

|12|

De aardsche bedeeling is een tijdelijke voorziening, het Koninkrijk der hemelen is de duurzame toestand, die begint te worden, en eens de tijdelijke voorziening overbodig zal maken.

Zoo omvat dus beide, én die tijdelijke voorziening én die duurzame inrichting die bezig is gebouwd te worden, heel het leven, en beide ontvingen heur aanzijn rechtstreeks van God als uitvloeisel van zijn macht en souvereiniteit.

Omdat nu eerst die tijdelijke voorziening in het leven trad voor een op aarde wonend en in zonde verzonken geslacht, ging die tijdelijke voorziening uit van het uitwendige, en was diensvolgens zeer volkomen voor het uitwendige, d.i. voor de staatsmacht, en daarentegen zeer gebrekkig voor het leven der kennis en voor de ziel. Terwijl omgekeerd de duurzame inrichting van het Koninkrijk der hemelen, die op de toekomst berekend was, en van de overwinning en verzoening der zonde uitging, zeer volkomen is in al wat het inwendige leven raakt, en daarentegen niet anders dan zeer onvolkomen zijn kan voor wat betreft het leven der wetenschap en van het uitwendige.

Dit nu hangt daarmeê samen dat deze tijdelijke voorziening haar residentie en domicilie op aarde heeft in de paleizen der koningen; terwijl omgekeerd deze duurzame en blijvende inrichting van het Koninkrijk der hemelen, haar residentie en domicilie heeft, niet op aarde, maar in den hemel.

Er is geen land of stad of paleis denkbaar van waar het opperbestuur en de hoogste leiding van dezen duurzamen bouw kon zijn uitgegaan. Want, ook op aarde zetelend, zou Jezus nooit als Koning, Priester en Profeet zijne hem van God gegeven macht hebben kunnen uitoefenen. Hij moest daartoe in den hemel zijn residentie hebben. Het was ons nut dat hij schijnbaar wegging, maar om juist daardoor te dichter bij ons te zijn.

En alzoo komen we tot dit resultaat.

1°. Dat God in zijn genade, na den brand der zonde die het paradijs verwoestte, eene tijdelijke voorziening in het leven riep, die de residentie van haar macht op aarde in de onderscheidene hoofdsteden der landen heeft.

En 2°. dat diezelfde God, door nog meerdere genade, terstond het bestek maakte voor de wederopbouwing van een duurzaam en blijvend Koninkrijk, waarvan Hij in den loop der eeuwen allengs de fundamenten legde, en waarvan Hij de residentie gezet heeft in den hemel.

Voor deze tijdelijke voorziening nu moet het van Godswege ingestelde hoofdambt gezocht worden bij de Regeeringen en Universiteiten.

En daarentegen voor de openbaring van dit duurzame en blijvende Koninkrijk is het hoofdambt drievuldig op den Christus gelegd, en wordt in zijn primordialen vorm uitgeoefend niet op aarde, maar over de aarde uit den hemel.

De residentie van Koning Jezus, niet te Rome, en niet in eenige hoofdstad, maar hoog in de hemelen; — dit zij voor een iegelijk die het kerkelijk ambt vatten wil uitgangspunt.

Want, laat ons het niet verhelen, het baat u niets, of ge nu al zegt: „De vergelijking 

van de burgerlijke en kerkelijke Overheid gaat niet door!”

Zonder meer maakt het volk, maakt uw eigen denken die vergelijking toch.

Ge kunt er niet aan ontkomen.

Regeeren is regeeren. En zoodra ge met ons belijdt, dat ook de burgerlijke regeering een goddelijke instelling is, brengt uw denken onwilkeurig de gestalte van deze burgerlijke Overheid toch op de kerkregeering over.

En dat moet in beginsel ook.

Beide regeeringen zijn uitvloeisels van eenzelfde autoriteit Gods. In beide werkt zijn Souvereiniteit. Onder beider vorm hebt ge uw gehoorzaamheid en onderworpenheid niet aan menschen, maar aan God te betoonen.

Vergelijk dus vrij; laat door niets u van die vergelijking afhouden; maar zie toe dat ge juist vergelijkt.

En juist daaraan hapert het zoo telkens.

Hapert het zoo vooral bij onze Synodalen.

Om u daar nu tegen te vrijwaren, wezen we u op de residentie én van den Koning op aarde, én van den Koning der kerk.

De residentie van onzen Koning op aarde is in ’s-Gravenhage op het paleis in het Noordeinde; maar de residentie van onzen Koning die over de kerk regeert, is in de hemelen, in het paleis om Gods troon.

Begin dus nu eens, teneinde bij uw vergelijking juist te loopen, met alles wat Koning

|13|

Willem III als koning in Den Haag doet, over te brengen, niet op een paus, niet op eenige synode, maar op Koning Jezus in zijn residentie, die in de hemelen is.

En immers dan springt het terstond in het oog, dat er in ons gansche vaderland geen enkele wet als wet kan gelden, of Koning Willem III moet die gegeven hebben. Hoe die wet tot stand kwam, is nu de vraag niet. Of er ministers aan werkten, en de Staten-Generaal er in gemoeid werd, en de Raad van Staten er op wierd gehoord, is bijzaak. Hoofdzaak is alleen dit: dat geen wet wet wordt, dan doordien ze rechtstreeks van den Koning uitgaat, gegeven in zijn residentie.

Staten-Provinciaal of Generaal of Gemeenteraden mogen volstrekt geen wetten maken. Deden ze dit, niemand zou zulke schijnwetten mogen gehoorzamen. De Koning zou een ieder, die deze wetten als wetten erkende, terstond tot de orde roepen en straffen.

Wel mogen de Staten-Provinciaal en Gemeenteraden, omdat deze ten deele ook Regeerings-colleges zijn, verordeningen maken, maar wetten nooit.

En dat niet alleen, maar ook alle verordeningen die de wetten weerspreken en met de wetten in strijd zijn, missen geldende kracht.

Breng ik dit nu op de kerk over, dan kom ik dus tot deze vergelijking.

Ook voor de kerk, kunnen evenals voor het land, geen andere wetten tot stand komen of gelden, dan die door den Koning der kerk rechtstreeks gegeven zijn.

Van een kerkelijke wet te spreken, die niet uit den hemel, uit de residentie van Jezus’ Majesteit, door Jezus zelf gegeven zij, is een wanbegrip, een gedrochtelijke ongerijmdheid, en een onderstbovenkeering van al wat ge bij de burgerlijke overheid erkent en belijdt.

Wel wil de Revolutie het zoo.

Zij voerde „wetgevende” Kamers in, en wil dat door het volk de wet tot zelfs aan den Koning worde opgelegd.

Maar dan is natuurlijk elk begrip van een Koning bij de gratie Gods volkomen vernietigd. Dan is de wimpel der Revolutie aan den top van het Admiraalschip geheschen. Dan staan we niet langer op Christelijk terrein.

Zij derhalve, die aan eenigen paus of synode de macht toekennen om wetten voor de kerk te geven, plaatsen zich daarmee voor die kerk op het standpunt der groote Revolutie en verloochenen de Koninklijke heerschappij zoowel voor Koning Willem III in ’s-Gravenhage als voor Koning Jezus in zijn hemelsche residentie.

Bij eenig zuiver denken kan derhalve de conclusie geen andere dan deze zijn.

Wetten voor het koninkrijk der Nederlanden geeft alleen de Koning in zijn paleis te ’s-Gravenhage; en evenzoo wetten voor het koninkrijk der kerk geeft alleen Koning Jezus uit zijn paleis, dat in de hemelen is.

En zijn er nu, gelijk in het land, zoo ook in de kerk, deelen, die vertegenwoordigd zijn in Synode, Classis en Kerkeraden, dan mogen ook de regeerders dezer deelen wel verordeningen maken, gelijk dat recht ook toekomt aan de Staten-Provinciaal en de Gemeenteraden, maar 1°. deze verordeningen mogen zich nooit of nimmer als wetten aandienen; en 2°. deze verordeningen mogen nooit met de wetten van Koning Jezus in strijd zijn.

Gelijk toch in den burgerstaat elke verordening die met de landswet strijdt per se nietig is, zoo ook is in de kerk per se nietig en niet geldend, elke verordening of kerkenordening, die door eenigen Kerkeraad of Synode gemaakt mocht zijn.

Wat dunkt u? Is dit niet eenvoudig, doorzichtig en duidelijk?

Nu heeft Koning Jezus ons zijn wet gegeven in zijn heilig Woord.

Ontkent men dus, gelijk de Modernen, dat er zulk een heilig, met majesteit bekleed Woord Gods is, of tornt men er aan, gelijk de jongere Ethischen, dan natuurlijk moet, eer men verder zal komen, eerst dit punt uitgemaakt. En in zoover zijn de Modernen en Ethischen consequent, die geen absolute wet van den Koning in Gods Woord erkennende, feitelijk de Koninklijke macht van Jezus in phrasen en woorden vervluchtigen en aan hun Synode het recht toekennen om wetten te maken, gelijk een koning die maakt.

Zij dwalen dan daarin, dat ze Gods Woord niet eeren, en de Koninklijke regeering van Koning Jezus niet werkelijk opvatten, maar, eenmaal die dwaling toegedaan, zijn ze consequent.

Alle diegenen daarentegen, die met ons aan Gods Woord wel absoluut gezag toekennen

|14|

en de Koninklijke regeering van Koning Jezus in zijn kerk even werkelijk en waarlijk opvatten als de regeering van Koning Willem III in den Haag, moeten hiertegen opkomen. Voor hen is een tweede wetgevende macht naast Jezus ondenkbaar. En zoo ze dan, gelijk heden ten dage allen doen, die Gereformeerd zeggen te zijn en nochtans onder de Synodale Hiërarchie blijven, toch zulk een tweede wetgevende macht naast die van Koning Jezus stellen, dan verraden ze óf hun onnoozele kortzichtigheid op dit stuk, óf wel ze veroorloven zich de vrijheid, om uit zekere consideratie van eigen goeddunken, met bewustheid, tegen de heerschappij van hun Koning te zondigen.

Onnoozele kortzichtigheid toch is geen te krasse uitdrukking, voor den man die meê wil praten, en die van een wet naast of onder een andere wet wil spreken.

Dit toch stemt elk man van gezonde zinnen toe, dat het begrip van wet nu eenmaal geen ander dan absoluut zijn kan, en dat dit begrip anders te nemen, even dom en onnoozel is, als te zoeken naar een oppergezag met een tweede oppergezag er naast.

Wel, en dit moet volledigheidshalve opgemerkt, bestaat er ten onzent zeker onderscheid tusschen een Grondwet en een organieke Wet, maar met dit onderscheid komen onze tegensprekers geen stroospier verder.

Indien er toch al sprake van kon zijn, dat bij één van deze beide niet de Koning alleen en absoluut de wet tot wet maakte, zou dit juist alleen van de Grondwet, en nooit van de gewone wetten gelden. Daargelaten nu nog, dat het gezag van een gewone wet het gezag van de Grondwet nooit vernietigen kan.

Ook al ging dit onderscheid dus in de kerk door, dan zouden ze nog nooit kunnen zeggen: Koning Jezus heeft wel een Grondwet in zijn Woord gegeven, maar een Synode kan daarom zeer goed organieke wetten maken. Want dit zou even ongerijmd, dom en onnoozel zijn, alsof een boer ging vertellen, dat Koning Willem III wel de Grondwet maakt, maar dat de gewone wetten gemaakt worden door de Gemeenteraden of Staten-Provinciaal.

En ook, al neemt ge dit aan, ook dan nog zou nooit eenige wet door kerkbesturen op aarde gemaakt, tegen de Grondwet van het Woord kunnen ingaan, maar steeds daarvan afhangen, en daaraan onderworpen zijn.

Hoe ook bezien altoos is dus dit begrip van een synode of paus die wetten voor de kerk meent te kunnen maken, logisch een dom wanbegrip, en op geestelijk terrein een rechtstreeksche verloochening en aanranding van de Koninklijke Majesteit waarmee Koning Jezus in zijn residentie in de hemelen door den Almachtigen God bekleed is.

Wanneer derhalve de Synodale Hiërarchie aan haar Synode o.a. toekent de „hoogste wetgevende macht,” is dit een zoo sterk mogelijke aanranding van het Koninklijk gezag van Koning Jezus.

Want te zeggen, gelijk eenige beuzelaars doen: „Hiermeê is niet bedoeld, dat de Synode boven Gods Woord zou staan, maar alleen dat zij ook voor de wetgevende macht hooger staat, dan de provinciale, classicale en gemeentelijke besturen”, is dwaas op alle manier.

Zoo toch doen deze praters het voorkomen, alsof er wel drieërlei wetgevende macht zou zijn! Een wetgevende macht bij de Kerkeraden, een dito wetgevende macht bij de hoogere Besturen, en eindelijk nog een hoogste wetgevende macht bij de Synode.

En denk dat nu eens in!

Een wetgevende macht bij de Gemeenteraden. Een dito wetgevende macht bij de Staten-Provinciaal. En dan nog een hoogste dito bij de Staten-Generaal.

Zoo praten blinden over de kleuren, en leerlingen op de laagste klasse over de Constitutie, maar zoo moeten geen mannen die een naam hebben te verliezen zich uitlaten in een ernstig debat.

Er kan natuurlijk nooit anders dan één wetgevende macht zijn. En reeds het spreken van een hoogste wetgevende macht kan alleen opkomen in het verwarde brein van een beuzelaar die sprak eer hij dacht.

Doch neem dan nu dezen onzin eens een oogenblik aan, dan zou het er nog meê door kunnen zoo ze zeiden: Koning Jezus heeft de hoogste wetgevende macht, en de lagere is bij de Synode.

Maar hooger dan het hoogste is er toch wel zeker niet?

Bijaldien dus de hoogste wetgevende macht bij eenige Synode berust, dan zal het toch wel duidelijk zijn, dat er geen nog hoogere macht dan deze hoogste is, en dat alzoo dat goddelooze zeggen: „De hoogste wetgevende macht berust bij de Synode” kort en goed

|15|

niets anders beduidt dan dit: „Koning Jezus heeft als Koning niets over ons genootschap te zeggen!”

En daar doen dan „Verlosten door het bloed des Lams” aan meê. En Bedienaren des Woords beelden zich in dat ze door zoo goddeloozen waan te voeden, niet grovelijk zondigen. 

 

b. In den exceptioneelen aard van Jezus’ Koninkrijk.

Een tweede punt, waarop lang niet genoeg gelet is, schuilt in de bijzondere gelegenheid van onzen Koning.

God de Heere alleen is souverein over Staat, Maatschappij en Kerk. Diensvolgens regeeren de koningen op aarde niet als waren ze zelven souverein uit eigen hoofde, maar alleen „bij de gratie Gods.” Ook zij zijn aangestelde ambtenaren. Dragers van op hen gelegde Souvereiniteit. Zoo staan ze steeds onder den Souverein van alle koningen en keizers.

En in zooverre staat onze koning Jezus met hen op één lijn.

Ook Hij is geen oorspronkelijk Souverein over de kerk, geen Souverein uit eigen hoofde. Ook Hij staat onder den Heere der heirscharen. Ook Hij is aangesteld. Ook Hij regeert bij de gratie Gods. Ook Hij is ingezet in zijn ambt, en voor dat ambt gezalfd.

Dit gaat zelfs zoover door, dat er eens een tijd komt, dat Hij het Koninkrijk aan den eigenlijken en oorspronkelijken Souverein zal overgeven, opdat God zij alles in allen.

Maar terwijl nu de Koningen op aarde in dit opzicht met Koning Jezus op één lijn staan en van ééne conditie zijn, bestaat er een onmetelijk verschil in beider natuur, wezensaard en gestalte.

Niet alsof niet beiden menschen zouden zijn. Mensch is elke Koning op aarde, en mensch is ook Koning Jezus. De Heere der heirscharen regeert over zijn kerk door den dienst van menschen. En Koning Jezus maakt daar geen uitzondering op.

Maar al zijn nu de Koningen op aarde en de Koning der kerk die in den hemel zetelt, beiden mensch, toch bestaat er tusschen beiden een zeer ver reikend onderscheid.

In tweeërlei opzicht: Ten eerste toch zijn Koningen op aarde enkel mensch, terwijl de mensch Christus Jezus tevens Gods Zoon en de Tweede Persoon der Drieëenheid is. En ten andere zijn de Koningen op aarde zondige menschen in den staat van zwakheid en sterfelijkheid, terwijl Koning Jezus mensch is in den staat der verheerlijking en der vlekkelooze reinheid.

Vandaar op aarde de dynastieën, de opeenvolging van koning na koning, de omverwerping en weeroprichting van tronen, terwijl in den hemel Koning Jezus altoos Koning blijft. Hij alleen. Hij alle eeuwen door.

Vandaar in de tweede plaats, dat op aarde, om de zonden en feilen en afdwalingen der vorsten allerlei instellingen in het leven moesten treden, om hun heerschzucht en domheid te breidelen; terwijl bij dezen Koning in het Jeruzalem daarboven van zonde of feil geen sprake kan zijn, en dus al zulke instellingen in zijn rijk en kerk ondenkbaar zijn.

En vandaar eindelijk in de derde plaats, dat de Koningen op aarde zeer beperkt en gebonden zijn, en buiten hun paleis noch zien noch werken kunnen dan door tusschenkomst van andere organen, terwijl Koning Jezus uit den hemel met zijn majesteit, genade en Geest overal in zijn kerk tegenwoordig is, zelf alle ding ziet en opmerkt, en zelf rechtstreeks in aller nood kan voorzien.

De invloed nu van dat drieërlei onderscheid is metterdaad onmetelijk.

Geen successie van Koningen, maar alle eeuwen door dezelfde Koning. En uit dien hoofde één wil, één beleid, altoos de ééne zelfde gedachte. Dus ook alle eeuwen door en onder alle natiën éénzelfde wet. Zijn Woord voor eens en voor altijd. Geen veranderlijkheid in de wetgeving door altoos nieuwe wetten, maar eenzelfde wet, regel en richtsnoer voor de kerk aller eeuwen, aller toestanden en aller volken.

Bij dezen Koning nooit vrees voor overheersching noch voor heerschzucht noch voor onderdrukking. Hij, die zijn leven voor zijn volk gaf, is de ideale Koning de eenig goede Herder onder de herders der volkeren. Een Koning die zijn troon niet in het bloed zijner landzaten, maar in zijn eigen dierbaar bloed gesticht heeft. Geen Vorst die op onderdrukking uit is, maar uit is op de vrijmaking zijner onderzaten. En die, waar men onder en over hen gedurig hierarchiën en heerschappijen poogt op te richten, die telkens omstoot en hun vrijheid hergeeft.

|16|

Geen sprake dus ook van een Staten Generaal of Parlement om den Koning voor te lichten: want hij kent en doorziet zelf met eigen oogen den toestand van heel zijn volk. En ook geen Staten-Generaal of Parlement om den Koning in toom te houden of te controleeren, want feil noch zonde is in Hem denkbaar.

En wat hier vooral in aanmerking komt, geen Koning wien belet wordt uit eigen oogen te zien, en die deswege verlengarmen noodig heeft, om de afgelegen deelen van zijn rijk te beheerschen, maar een Vorst, groot in macht, voor wien alle koperen deuren zich opheffen, en die, hoewel plaatselijk in zijn residentie in den hemel blijvend, toch door zijn genade, majesteit en Geest, zelf persoonlijk heel zijn rijk doorschouwt, al zijn kerken, en de opzieners en personen in die kerken, bij name kent, kent beter dan zij zichzelven kennen, en die in staat, bekwaam en machtig is, om uit den hemel zelf persoonlijk aller leven te voeden.

Hieruit nu vloeit voort, dat de ambtsdragers van dezen Koning in een geheel andere verhouding tot Hem staan, dan de ambtenaren van den aardschen koning tot hun vorst.

Deze laatsten toch komen bijna niet persoonlijk met hem in aanraking. Alleen aan de zeer hooge ambtenaren is dit vergund. Niet aan de minderen, die in steden en dorpen zijn organen bij het volk zijn.

Verreweg de meeste dezer ambtenaren werken dus in dienst van hun koning, zonder persoonlijk door hem te zijn ingelicht. Ze hebben een instructie of order, en daar werken ze naar. Maar ze arbeiden en dienen hun koning buiten den koning om. En de onderdanen van dezen aardschen koning komen bijna nooit anders met zijn macht in aanraking dan door de ambtenaren, ’t zij van den belastingheffer, betaalmeester, rechter, politieagent enz., hiërarchisch in allerlei graden en rangen getrapt optredend. Hoogere Rijksambtenaren, provinciale ambtenaren, gemeentelijke ambtenaren. Heel een kader, vertakt naar de grootere of kleinere deelen van het land zijn.

Maar bij den Koning der Kerk is dit alles van geheel andere natuur. Hij heeft in zijn rijk geen indeeling in provinciën of diocesen, in kantons of arrondissementen noodig. Al die getrapte rangen van een opklimmend kader vervallen bij Hem geheel.

En dit is natuurlijk.

Immers al deze getrapte rangen en opklimmende besturen, zijn door de koningen op aarde alleen daarom ingesteld, omdat zij geen kans zagen, om rechtstreeks met elk dorp en elke stad in gemeenschap te staan. En vooral vroeger, toen de post nog slecht en de telegraaf nog niet uitgevonden was, moest een koning zijn land wel in groote stukken indeelen; over elk van deze deelen een gouverneur zetten; en deze deelen weer zoo in onderdeelen splitsen, dat er evenals bij de militairen, hoogere en lagere commando’s waren.

Alleen op die manier toch is voor beperkte menschen beheersching van een groot terrein denkbaar.

Was derhalve Jezus onze Koning een beperkte Koning, gelijk onze vorsten op aarde zijn, dan zou dat evenzoo moeten.

Hij zou dan zijn kerk op aarde moeten indeelen en splitsen. Een hoofdindeeling naar de landen, en voor elk land een vicaris-generaal. In elk land splitsing naar de provinciën en voor elke provincie een Bisschop. Voorts die provinciën in onderdeelen gedeeld, elk met een Deken of Classicaal Bestuur aan het hoofd; en zoo eindelijk in elke stad of dorp een soort kerkelijk Burgemeester.

Zoo heeft dan ook elke Hiërarchie het met een getrapt kader ingedeeld en ingericht.

Zoo de Paus.

Zoo de Anglicaansche kerk.

Zoo het Synodaal genootschap.

Dit alles echter is één doorloopende loochening en miskenning van wat onze Catechismus belijdt, dat Christus onze Koning met zijn majesteit, genade en Geest steeds aan elke plaats en aan elk oord werkzaam is.

Stel u toch voor een aardsch koning, die de ongemeene en ondenkbare werkkracht bezat, om, door middel van telegraaf of telefoon, en voorts voorzien van een middel om zijn kracht tot aan de grenzen van zijn rijk te laten werken, en op elk oogenblik van den dag, elk zijner ambtenaren in elke stad en op elk dorp te leiden, en immers al die tusschenpersonen van gouverneurs enz. zouden overtollig zijn en wegvallen.

Een veldheer, die op hetzelfde oogenblik al de compagnieën van zijn leger kon com-mandeeren, zou geen majoors en kolonels en generaals noodig hebben.

En zoo nu is het feitelijk met Koning Jezus.

|17|

Of het rijk zijner kerk in duizend of tien duizend steden en dorpen optreedt, maakt voor Hem geen verschil. Hij is en blijft die allen even na.

Indeelingen en onderdeelen en veelheid van ambtenaren heeft hij dus niet noodig.

Hij kent dientengevolge geen andere dan plaatselijke kerken in elke stad en elk dorp, en heel de beperkte menschelijke indeeling in provinciale en landskerken en werelddeelkerken bestaat voor hem niet.

De kerken in Amerika zijn hem even na als de kerken in Europa.

Ze zijn van den hemel niet verder af.

En zoo ook, of ge de kerk van Jezus in Emden of Amsterdam, in Edinburg of Leeuwarden neemt, dit maakt voor Hem geen onderscheid.

De hemel, waar Hij resideert, is van alle deze steden even ver, en zijn genade, majesteit en Geest overal even nabij.

En vandaar eveneens dat Hij slechts één soort van ambtsdragers kent, t.w. hen die verbonden zijn aan de plaatselijke kerken.

Ambtenaren voor een land of een provincie of een classis kent de Heere niet.

Hij kan ze niet kennen.

Het zou een weerspreken en opheffen zijn van de goddelijke majesteit van zijn Geest.

Zoo ziet men dus, hoe de onware voorstellingen der Hiërarchie volstrekt niet enkel het Kerkrecht, maar wel terdege de Belijdenis van den Christus en zijn Eere raken.

Onder de Hiërarchie stompt men de geestelijke werkzaamheid van den Christus af, en maakt hem tot een roi fainéant, een stilzittend Koning in zijn geducht paleis daarboven. 

 

c. In de exceptioneele positie van Jezus’ onderdanen.

Het laatste verschil, waarop gewezen dient, ligt in de onderdanen van Koning Jezus, of wil men in het ambt der geloovigen.

In die koninkrijken, keizerrijken, hertogdommen enz., die zich op aarde in den burgerstaat gevormd hebben, is er een koning, keizer of groothertog met onderdanen.

Wel heeft men in onzen tegenwoordigen tijd dit woord onderdanen in onbruik gebracht, als den vrijen burger onwaardig; maar dat is puur uitvloeisel van de revolutionaire theorie. Wie naar het beginsel der Fransche revolutie geen overhoogheid van Godswege over zich erkent, en het koningschap óf op het contrat social, óf op het algemeen belang, óf op de gevolgen der historie laat rusten, kan uiteraard in een burger nooit een onderdaan zien.

Dit komt er van, als het geloof uit het hart verdwijnt. Dan toch buigt het schepsel niet meer voor een God, die boven hem staat; en erkent dus nog veel minder een hoogheid van eenigen mensch, die door God over hem gesteld is en aan wien hij zich om Gods wil heeft te onderwerpen.

Al wie daarentegen met Rom. XIII nog erkent en belijdt, dat alle macht door God over ons gezet is, en met den Man van smarten voor Pilatus’ rechterstoel bekent, dat niemand macht over hem heeft, tenzij die hem van boven gegeven zij, die kan noch mag met deze revolutionaire theorie meegaan.

Voor dien blijft het: God boven en over ons; wij onder God en absolutelijk aan Hem onderworpen; en diensvolgens onderdanen van den koning of vorst, dien het God den Heere beliefd heeft over ons te stellen.

Ook in dat andere Koninkrijk, waarvan op het terrein der kerk sprake is, gaat dit derhalve door.

Ook Koning Jezus, die in de hemelen zijn residentie heeft, bezit onderdanen.

Niet onderdanen, die Hij willekeurig kiest, maar dezulken, die Hem van den Vader gegeven zijn; en die Hij als zoodanig beschermt, bewaart en onderhoudt. En in dit onderdanenverband staan eveneens al diegenen, die, hoewel slechts uitwendig met de kerk verbonden, toch het teeken van onderdaanschap in den Doop ontvangen hebben. Ook al zijn er toch, helaas, onder deze onderscheidene die van achteren zullen blijken niet door den Vader aan den Zoon gegeven te zijn, toch doen deze zich, als behoorende tot het Rijk Christi voor; worden er in afwachting van latere beslissing onder gerekend; staan derhalve in het onderdanenverband; en moeten ook door ons als onderdanen van Koning Jezus beschouwd worden.

Onderdanen van Koning Jezus zijn we, omdat de Heere Heere over ons te zeggen heeft, en Hij dit zeggenschap over ons aan Koning Jezus heeft overgedragen; alzoo Jezus als Koning over ons gezet en aangesteld heelt; en misdien van ons eischt, dat we ons aan het woord en den wil en het welbehagen

|18|

van dezen Koning onderwerpen zullen, tot tijd en wijle eens de laatste vijand zal zijn te niet gedaan, als wanneer de Heere Heere weer zelf rechtstreeks Koning over ons zijn zal en Hij zal blijken te wezen alles in allen.

Nu echter doet zich hier het hoogst opmerkelijk verschijnsel voor, dat deze onderdanen tevens op hun beurt koningen, priesters en profeten zijn. „Zij zullen als Koningen heerschen in allen eeuwen.” Ze zingen het heilig Godslam toe: „Die ons gemaakt heeft tot Koningen en Priesters Gode en den Vader!” Ook noemt de heilige apostel Petrus hen: „Een uitverkoren geslacht, een Koninklijk Priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk!”

De onderdanen van Koning Jezus in Nederland verkeeren dus metterdaad in een andere conditie dan de onderdanen van koning Willem III in den burgerstaat. Ze zijn en blijven onderdanen, maar tegelijk, met dat ze onderdanen zijn, zijn ze tevens zelven koningen.

Veel is over de beteekenis van deze woorden getwist, en bijna in den regel zijn ze misverstaan, doordien men verzuimde in het wezen van het ambt door te dringen.

Men heeft deze uitdrukking, dat de onderdanen van Koning Jezus tevens zelven koningen zijn, pogen te verklaren door te wijzen op den broederband die tusschen hen en hun Koning bestond. Hij aller broeder. Dus zij zijn broederen. Alzoo van prinselijk geslacht en koninklijken bloede. En derhalve tredende in die bijzondere rechten, die ook in den burgerstaat aan prinsen van het koninklijk huis plegen te worden toegekend. En ongetwijfeld ligt hier een deel waarheid in.

Hij de eenige, eeuwige en natuurlijke Zoon van God, maar toch ook wij om zijnentwille als kinderen van dienzelfden Vader aangenomen. Hij de erfgenaam en wij mede-erfgenamen van Christus.

Toch zegt dit niet genoeg. Want hoe hoog prinsen van ’s konings huis in den burgerstaat ook staan mogen, nooit zal men hen daarom toch zelven persoonlijk koningen noemen.

Dit voelende heeft men daarom gepoogd hen tot een soort onderkoningen van den Koning Jezus te maken, en het voorgesteld, alsof hun het koningschap over de wereld, over de heidenen, over de krachten der natuur, en zooveel meer gegeven ware.

Doch dit kan uit den aard der zaak geen steek houden. Deels niet omdat men op die wijs het woord koning oneigenlijk en overdrachtelijk neemt. En deels niet omdat ook zoo de geloovigen zulk een macht niet bezitten noch uitoefenen.

Overdrachtelijk en oneigenlijk neemt men het woord koning, wanneer men daaronder verstaat zekere geestelijke meerderheid over de heidenwereld en over de ongeloovigen; want koning duidt niet aan zekere ongemerkte meerderheid van den verborgen persoon, maar een uitoefening van gezag. En dit ontbreekt hier. Ook gaat het zoo niet op van de geloovigen stuk voor stuk, maar slechts van de geheele Christenheid als één geheel gedacht. Terwijl er toch uitdrukkelijk staat, dat zij persoonlijk koningen en priesters gemaakt zijn.

En ook het gaat niet door. Want het is niet waar dat de geloovigen steeds een geestelijke meerderheid bezitten. Omgekeerd vindt men veeleer de geloovigen vaak in een donkeren hoek verscholen en in bekrompenheid voortkwijnen, terwijl de lieden der wereld op alle manier over hen heerschen.

Waar nog ten derde dit bezwaar bijkomt, dat bij die opvatting het koningschap der geloovigen bij hun dood zou eindigen. In den hemel toch zijn niets dan geloovigen, en ontbreekt dus de heidenwereld, die hun onderworpen zou zijn.

De zaak ligt dan ook geheel anders, en om haar te verslaan, moet men naar het Paradijs terug.

Adam, ook nog eer Eva uit zijn ribbe geschapen was, stond in het Paradijs als koning. Hij stond in zijn goddelijk ambt. Hij stond in dit ambt rechtstreeks onder God. En dat ambt was, dat hij in dienst van God stond, bij God in dienst was, en nu als knecht Gods en dienstknecht des Allerhoogsten, niemand dan God boven zich had.

Van onze koningen op aarde nu is dit juist de beschrijving van het kenmerk: Dat ze niemand dan God boven zich hebben.

En dit koninklijk kenmerk nu van „niemand dan God boven zich te hebben”, dat komt aan elk kind van God toe; niet in den burgerstaat, want daar handelen we thans niet van; maar in het Koninkrijk der hemelen.

|19|

Denkt ge u een toestand buiten de zonde, dan heeft ook niemand eenigen mensch boven zich, en is er niemand boven ons dan God. En als eenmaal de zonde en daarmee de laatste vijand, d.i. de dood zal zijn te niet gedaan, zal Jezus zelf het Koninkrijk weer aan den Vader overgeven, en alle ambt van menschen over menschen vervallen zijn.

Een ambt waarmee aan een mensch macht over menschen gegeven is, bestaat alleen om der zonde wil. Zondaren regeert God door menschen. Die nog geen zondaren waren of ophielden zondaren te zijn, regeert Hij zelf rechtstreeks.

Hiermeê valt echter het ambt als zoodanig niet weg, want dan juist is het ieders koninklijk ambt om den Heere zijn God te dienen. Wat wegvalt, is alleen dat om der zonde wil ingetreden ambt van hoogheid, waardoor menschen over menschen worden gesteld. Dit is een straf voor de zonde en een middel ter fnuiking der zonde. Valt die eens weg, dan keert alzoo het oorspronkelijk ambt, in het goddelijk beroep, terug, en zal, gelijk onze Catechismus zegt, een ieder God recht kennen als profeet, Hem lief hebben als priester, en met Hem in de eeuwige zaligheid als koning heerlijk zijn.

Trad nu met de wedergeboorte opeens de hemelsche toestand voor Gods kinderen in, dan zou op staanden voet de zonde in hen uit hebben, alle band ook in den burgerstaat voor hen wegvallen, en zelfs van een Koningschap van Jezus over hen zou geen sprake zijn.

Doch dit is niet zoo.

Een kind van God op aarde verkeert in een gemengden toestand. Hij is heilig en toch ligt hij nog midden in de zonde. Hij is vrij en toch draagt hij nog kluisters. Hij leeft in den hemel en toch wandelt hij nog op aarde. En eerst door den dood gaat hij in den zuiveren, onvermengden toestand in. Vandaar komt het, dat hij kind van God en toch aan de burgerlijke overheid onderworpen is. Dat hij niet meer kan zondigen en toch nog dagelijks struikelt. En zoo ook dat hij zelf tot koning gemaakt is en toch nog in Jezus een Koning over zich heeft.

Dit laatste zou nu strijden, en niet kunnen, indien Koning Jezus niet tevens God zelf ware. Maar nu zijn van God gezalfde Koning tevens zelf van God en God is, nu heeft voor het diepst van zijn bewustzijn deze strijd opgehouden. Feitelijk toch heeft hij dan in zijn Koning Jezus niemand minder dan een God boven zich, en is hij aan niemand dan aan God onderworpen.

En wijl dit nu het koninklijk kenmerk is, niemand dan God boven zich te hebben, is metterdaad en in der waarheid elk kind van God zelf in den koninklijken stand.

En hieruit nu vloeit rechtstreeks het ambt der geloovigen voort, waarop onze Confessie zooveel nadruk legt, en dat, na lange jaren geslapen te hebben, nu deze laatste dagen weer eenigszins tot veler bewustzijn begint door te dringen.

Is het toch waar, dat de onderdanen van dezen Koning niemand dan God boven zich hebben; zonen der vrije en niet der dienstbare zijn; broeders van den Koning genoemd worden en alzoo van prinselijken bloede zijn; ja, dat ze uit éénen Vader met hun Koning geboren, erfgenamen van God en medeërfgenamen van Christus zijn; en hoewel nog in dezen gemengden staat verkeerende, toch nu reeds door den Zoon waarlijk zijn vrijgemaakt, dan volgt hieruit rechtstreeks, dat er in de kerk geen plaats is voor een ambt, dat door menschen bediend, een heerschappij over de kinderen Gods zou oprichten.

Een aardsch koning stelt personen, die hij benoemt over zijn gewone onderdanen aan, om over hen te heerschen; maar dit zal hij nooit of nimmer doen over de prinsen van zijn eigen huis.

En zoo ook stelt Jezus als Koning in zijn kerk nooit personen aan om over zijn onderdanen te heerschen, eenvoudig omdat al zijn onderdanen zijn medegenooten in de Koninklijke eere zijn.

Voorzoover er dus toch ambten in de kerk optreden, staan deze in geheel andere verhouding tot de onderdanen, dan een burgemeester of een commissaris des konings.

Deze staan boven de onderdanen; iets wat nooit bij de kerkelijke ambtsdragers bestaan kan.

Immers met het ambt bekleed zijn in Jezus Koninkrijk al de zijnen.

Kuyper, A. (1898.14) H4

|20|

 

4. Dat de kerkelijke ambtsdragers geen heerschende macht bezitten.

 

Het ambt in de kerk in alles op éen lijn te willen stellen met het ambt in den burgerstaat, bleek dan de ongerijmdheid zelve te zijn. En zij, die, belust op heerschappij voering, er tuk op zijn, om uit de heerschende macht der burgerlijke magistraten conclusiën te trekken voor de heerschappij der kerkelijke machthebbers, stellen niet onze inconsequentie, maar slechts hun eigen belustheid op heerschersmacht en schromelijke kortzichtigheid op de kaak.

De Heilige Schrift snijdt dezen knoop dan ook, zonder aan onzen synodalisten ook maar kans te laten, door.

Wel de oversten der volken, sprak de Heere Jezus, voeren heerschappij, en wel de grooten der aarde oefenen macht over hen, maar alzoo zal het onder u niet zijn (Matth. 20: 25, 26).

De heilige apostel Paulus getuigt zakelijk zelfs van de twaalf apostelen: „Niet dat wij heerschappij over u voeren, maar wij zijn medewerkers met u” (2 Cor. 1: 24).

En de heilige apostel Petrus drukt het den predikanten en ouderlingen nadrukkelijk op het hart, „dat ze de kudde Gods weiden zullen, niet als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde” (1 Petr. 5: 3).

Hiertegen valt niet te praten.

Onze broeders, die onder de synodale hiërarchie vertoeven, moeten ons dit punt toegeven.

Heerschappij komt bij een kerkelijk ambt, anders dan bij Jezus zelven, niet te pas.

Zeer zeker is er een heerschappij ook in de kerk opgericht; maar deze heerschappij is uitsluitend „op zijn schouder”, gelijk er in Jes. 9: 5 staat, gelegd, d.i. op den Christus. Hij heeft als Davids zoon de kroon geërfd. In hem zit Davids zoon op den troon, en zal dus naar het trouwverbond des Heeren met David, „de heerlijkheid dezer heerschappij geen einde hebben”.

Christus is Heerscher.

Hem als onzen Heere en Koning komt de heerschappij over ons toe; en wij bekennen met vreugde, dat we zijn onderdanen zijn.

Zulk een heerschende macht echter, dat is het nu juist wat we aan de kerkelijke hiërarchen nooit toegaven; en hun ooit toegeven zal geen kenner der Schrift. En om nu de onhoudbaarheid van hun stelsel van heerschappij terdege in te zien en door henzelven te doen erkennen, moet ge hun dan ook maar eens afvragen: of zij onderdanen van de synode zijn.

Want nauwelijks hebt ge dat woord onderdanen genoemd, of terstond leeft het waarheidsbesef derwijs krachtig in hen op, dat ze met één ruk dat booze woord verre van zich slingeren.

Gehoorzamen willen ze de synode. Ze doen het zelfs tegen Gods geopenbaarden wil in. Maar als ge zeggen komt, dat ze dan ook onderdanen van de synode zijn, dan zetten ze opeens hun stekels op en willen ze niets van zoo krenkende qualificatie weten.

Neen, neen, zij zijn vrije mannen, en van een onderdanengestalte viel schijn noch schaduw aan hen te ontdekken.

Maar hier nijpt de klem dan ook, en er blijkt dat ze, zonder het zelf te merken, een spel met woorden drijven.

Er ontbreekt aan deze hiërarchen elk juridisch besef van wat opgesloten ligt in het woord heerschappij; en als ze nu de Heilige Schrift lezen, waarin dit begrip streng zuiver is gehouden; of ze halen onze oude schrijvers aan, die op dit punt uiterst nauwkeurig spraken; dan vatten ze dat op, alsof heerschappij voeren zeggen wil zekere tyrannie uitoefenen, misbruik van macht maken en zich heerschzuchtig aanstellen.

En met dit wanbegrip behept vatten ze dan Paulus’ zeggen: „Wij voeren geen heerschappij over u”, in een zin op, als bedoelde de heilige apostel: „Wij maken ons te uwen opzichte aan geen misbruik van macht schuldig”. En als de Heere Jezus dan zegt: „De oversten des volks voeren heerschappij, maar zoo zal het onder u niet zijn”, dan maakt dit op hen den indruk, als had de Heere gezegd: „De oversten der volken vertreden en vertrappen de volken en maken van hun macht misbruik, maar onder u zal dit niet zoo zijn, gij zult stipt rechtvaardig regeeren.

En natuurlijk op die wijs voortredeneerend, maakt men van alles alles; werpt men alle begrip omver; vervalscht elk besef; en maakt ten slotte elk geregeld dispuut onmogelijk.

|21|

Houden we daarom voet bij stuk.

„Heerschappij voeren” is niet tyrannie uitoefenen, is niet misbruik van macht maken, is niet dwingziek een ander verdrukken. Van dit alles ligt in het heerschappij voeren op zichzelf niets.

Als er van den Christus staat: „dat de heerschappij op zijnen schouder rust”, volgt er onmiddellijk op, dat deze heerschappij zich juist openbaren zal in het stuiten van verdrukking en in het brengen van het vrederijk

Als de zon geschapen is tot heerschappij des daags en de maan tot heerschappij des nachts, duidt dit eeniglijk aan, dat ze bij dagen en bij nachten macht oefenen.

Als Zacharia van den Christus getuigt dat „zijn heerschappij zijn zal van zee tot zee en van de rivier tot aan de einden der aarde”, sluit deze profetie zelve elk denkbeeld en elke gedachte van tyrannie uit.

Eens voorgoed moet dit misverstand dus uit den weg geruimd en dient men terug te keeren tot de nuchtere klare beduidenis der woorden.

En doet men dat, dan is er onder alle man van verstandigen zin geen quaestie over mogelijk, maar staat vast, dat heerschappij voeren niets anders aanduidt dan heerschersrecht en heerschersmacht over iemand of over een landstreek bezitten.

Zooals Pilatus tot den Heiland zei: „Weet gij niet dat ik macht heb u te dooden en macht heb u los te laten?” Ook toen toch bedoelde Pilatus niet, dat hij feitelijk soldaten tot zijn beschikking had en dus Jezus kon laten dooden, zooals een struikroover ook zou kunnen zeggen: „Ge ziet wel, dat ik het in mijne macht heb, om u dood te schieten;” neen, maar toen sprak ook Pilatus van deze heerschersmacht, die uit de van God verleende souvereiniteit vloeit.

Hoor het maar in Jezus’ antwoord: ,,Ge zoudt geen macht tegen mij hebben, zoo ze u niet van boven gegeven ware.”

Romes keizer heerschte naar menschelijk recht rechtens over Judea. Romes keizer liet zijn gezag door Pilatus als zijn landvoogd vertegenwoordigen. En Jezus, als in Judea geboren, stond dus onder zijn jurisdictie. Hij had macht over Jezus. Deze macht is door Jezus niet betwist. Pilatus kon, krachtens de souvereiniteit bij de gratie Gods, die op zijn keizer rustte, en die hij vertegenwoordigde, over Jezus recht spreken en heerschappij uitoefenen.

Heerschappij duidt dus in het minst niet aan een misbruik, maar een rechtsbetrekking; en wel bepaaldelijk de betrekking tusschen een overheid en een onderdaan.

Al wie overheid is, maar ook die alleen, voert over de onderdanen heerschappij. D.w.z. de overheid heeft het recht en de macht, om haar onderdanen te bevelen en te gebieden; om gehoorzaamheid aan dat bevel en dat gebod af te eischen; en wordt die geweigerd, ze af te dwingen met geweld.

Hierin ligt het karakter, het eigenlijk wezen van alle heerschappij. Zonder deze macht en dat recht bestaat er geen heerschappij. En al wie zich onderwindt, om heerschappij te voeren, zonder dat bij dat recht en deze macht bezit, maakt zich schuldig aan roekelooze aanmatiging.

Wie niet kan zeggen: „God de Heere heeft mij macht verleend om u te gebieden; u gehoorzaamheid af te eischen; en er u desnoods toe te dwingen”, bezit geen heerschappij, maar is er van ontbloot.

Het woord onderdaan maakt de zaak dus uit.

Een heerscher zonder onderdanen is geen heerscher, en evenzoo alleen de naam onderdaan drukt den toestand uit van wie onder zulk een heerschappij verkeert.

Tegenover een heerscher of een heerschappij past noch voegt iets anders dan gehoorzaamheid; altoos tenzij het in zou gaan tegen de eere Gods.

Zij dus, die er hedendaags op uit zijn, om de dominees voor te stellen als een soort kerkelijke burgemeesters en de classicale besturen als een soort Gedeputeerde Staten, slaan den bal ganschelijk mis en verraden op jammerlijke wijze hunne onnadenkendheid.

Ook in de kerk toch is zeer zeker een heerschappij opgericht, maar rust die heerschappij uitsluitend op de schouders van den Middelaar, tengevolge waarvan elk geloovige en alle leden der kerk tegenover Hem dan ook als onderdanen staan, en erkennen zullen en moeten, dat aan Christus macht over hen gegeven is. „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde!” Wat volstrekt niet zeggen wil, dat Jezus als Middelaar, en dus ook als mensch almachtig zou zijn geworden; maar alleen dat hem alle heerschappij is opgedragen in het Koninkrijk der hemelen.

|22|

Maar gaat men nu verder, en onderzoekt men nu hoe het staat, met die duizenden broederen, die onder Koning Jezus ambtelijk in zijn kerk optreden, dan valt hier opeens alle heerschappij weg, en kan er van een onderdanenverband tegenover eenig kerkbestuur nooit sprake zijn.

En vraagt men, in welke verhouding deze ambtsdragers dan tegenover Jezus staan, dan zegt de Heere zelf: „Alzoo zal het onder u niet zijn, maar wie de meeste onder u zal willen zijn, die zij aller dienaar.”

Dan gewaagt de apostel Paulus van „medewerkers uwer blijdschap”, de apostel Petrus van „voorbeelden der kudde” te zijn.

Meer nog, dan treedt Jezus in hun midden, en legt zijn kleederen af en nemende een linnen doek omgordt hij zichzelven, en wascht hun de voeten, en zegt tot hen:

„Gij heet mij Meester en Heer, en gij zegt wel, want ik ben het, ik bezit de heerschappij. Indien dan ik uw Heer en Meester, die wettiglijk heerschappij over u bezit, u de voeten gewasschen heb, zoo zijt ook gij schuldig elkander de voeten te wasschen, want ik heb u een exempel nagelaten, opdat gelijk ik u gedaan heb, gijlieden ook doet. Voorwaar, een dienstknecht is niet meerder dan zijn Heere”!

Kuyper, A. (1898.14) H5

 

5. Dat Jezus zijne Kerk op onderscheidene wijze regeert.

 

De kerk, en hiervan hebt ge u wel te doordringen, de kerk waarin en waarover Jezus, onze broeder, bij de gratie Gods het bewind en de heerschappij voert, is minstens tienmaal grooter dan dat deel er van, hetwelk op dit oogenblik op aarde bestaat.

Tot die kerk, waarover Jezus regeert behooren Adam en Noach, Abraham en Jacob, Mozes en Aaron en alle heiligen des Ouden Verbonds; en voorts alle heilige Apostelen, alle kerkvaders, alle martelaren, alle geloovigen en verlosten, die sinds Golgotha in den naam van Jezus juichten; boven en behalve die millioenen kleinen, die, uitverkoren, reeds voor ze tot kennisse kwamen wegstierven; en dan eindelijk nog alle kind van God dat thans op aarde, of reeds tot belijdenis gekomen, of nog in het zaad der kerk, leeft.

Het is nu reeds, in afwachting van de kinderkens die nog tot op Jezus’ wederkomst, als verkoren kinderkens, staan geboren te worden, eene schare die niemand tellen kan; als de glazen zee uit Openbaring IV.

Het zijn niet honderden en ook niet duizenden, maar millioenen van onderdanen, die hem door den Vader gegeven zijn, en waarover hij als aller Koning het hoog bewind voert.

Wat op aarde toeft is dus niet zijn rijk, maar van dat rijk slechts een enkel, klein gewest, en door niets raakt men zoozeer op het dwaalspoor als door in de kerk op aarde al de kerk te zien.

Dat maakt den blik eng. Dat benauwt het hart. Dat geeft een gevoel van gedruktheid, benepenheid en kleinheid. Die Christus zoo hoog en zoo groot, en zijn kerk dat kleine, nietige kuddeke.

o, Zoolang men in die verkeerde voorstelling bevangen ligt is het zoo natuurlijk, dat men de volkskerk niet los kan laten; want in die volkskerk is althans de massa. Dan is het zoo begrijpelijk, dat velen niet durven meegaan, als de grooten en rijken der aarde niet meegaan, want het hoopje, dat zich opmaakt, is zoo onaanzienlijk en gering.

En dan is het even verstaanbaar, dat men boeleeren blijft met de wereldwetenschap en de wereldsche scholen. Immers de mate van kennisse en geleerdheid is bij de schare die onder de banier van het Kruis optrekt, vaak zoo schaarsch en zoo schamel.

Maar zet men die dwaling, deze valsche voorstelling, dat wanbegrip op zij, en voelt en ziet men, dat tien deelen van Jezus’ kerk buiten en boven deze aarde liggen, en dat hier op aarde slechts éen klein tiende deel er van leeft, dan wordt dit alles op eenmaal heel anders en voelt men zich verre

|23|

boven de massa en de aanzienlijkheid en de geleerdheid der wereld, in getal en aanzien en wijsheid door wat reeds in den hemel bloeit, verheven.

Men spreekt zoo dikwijls van pelgrims; maar men leeft zoo zelden in den vollen rijkdom van dat woord in.

Wie het inziet en er in leeft, voor dien wordt op eenmaal de kerk tienmaal rijker en heerlijker, en die weet dat de kolonie van die kerk op aarde er het minste deel van is.

Over heel deze machtig groote kerk nu regeert onze broeder Jezus, bij de gratie Gods, op zeer onderscheidene wijze. Heel anders over de eigenlijke breede, rijke, groote gewesten van die kerk die reeds in den hemel zijn, en heel anders over dat kleine deel dat op aarde toeft. En wederom onder het deel dat op aarde toeft, weer zoo heel anders over de kleine kinderkens, die sterven aleer ze tot kennisse komen, en heel anders over de volwassenen, die tot belijdenis van zijn naam gebracht worden of reeds kwamen.

Nu is ons van de wijze waarop Jezus, onze broeder, die tevens Zoon van God en God zelf is, de eigenlijke kerk in den hemel regeert, slechts zeer weinig geopenbaard. Dat behoeven we ook niet te weten. Wie zalig in zijn Heere mag afsterven, zal het na zijn heengaan uit ons midden wel zien en ervaren. Slechts mag in het algemeen gezegd, dat de heerschappij van Jezus over zijn kerk in den hemel bijna geheel geestelijk en rechtstreeksch is.

Geheel anders daarentegen gaat het toe in dat deel der kerk dat op aarde is. Voor dit kleine deel zijner kerk toch heeft onze Koning, overeenkomstig onze gelegenheid en onzen stand op aarde, een geheel eigenaardige wijze van zijn bewind uit te oefenen ingericht.

De oorzaak hiervan ligt in de zonde.

Wierd een verkorene door de inplanting van het geloofsvermogen plotseling en in volstrekten zin van alle zonde afgescheiden, dan zou dit niet alzoo behoeven.

Maar tot die afsterving en afscheiding komt het bij Gods kinderen vóór den dood niet. Integendeel het blijft tot op hun dood een eindelooze worsteling. De heilige apostel Paulus heeft ze ons in Romeinen VII duidelijk geteekend; al Gods heiligen uit Oud en Nieuw Verbond vertoonen er ons de sporen van; al Gods gezaligden op aarde hieven er hun klage over op; en een ieder vond in zijn eigen hart op die weemoedige klacht een bang en beklemmend Amen.

Daarom voer Jezus ten hemel en ging van ons weg. Waren we reeds op aarde een kerk van heiligen, hij zou bij ons hebben kunnen blijven, en zijn heerschappij van uit de aarde ook over de kerk in den hemel hebben kunnen uitoefenen.

Maar nu moest hij weg. Er was onder ons, bevlekten en onreinen, voor hem geen troon. Zijn plaats was in den hemel, en van daaruit moet hij nu ook zijn kerk op aarde regeeren. En dit nu doet hij door zijn Geest en Zijn woord. Niet door zijn Geest alleen, en ook niet door zijn Woord alleen, maar door die beiden saâm.

Dit rust op de onderscheiding tusschen ons leven en ons bewustzijn.

Wij menschen zijn naar Gods bestel nu eenmaal zóó geschapen, dat onze bestemming niet is, om een verborgen, onbewust leven in ons om te dragen, maar dat het onze aard, onze roeping en onze verordineering is, om er van te weten, om het in ons bewustzijn te dragen en het uit te spreken in ons loflied en in onze belijdenis. En nu heeft het Gode beliefd tusschen dat innerlijk leven en dat bewustzijn een zoo wonderbaar verband te leggen, dat het leven op het bewustzijn werkt en omgekeerd dit bewustzijn op ons leven. De zonde trad het eerst in het bewustzijn, en tastte van daaruit Adams leven aan, en dienovereenkomstig komt de Heiland nu ook met zijn genade door het Woord eerst tot ons bewustzijn, om ons alzoo te vormen naar zijn beeld.

Ware dit niet zoo, dan zou de Heere Jezus niets te doen hebben dan rechtstreeks uit den hemel den bliksemslag van zijnen Heiligen Geest in de zielen der verkorenen te werpen. Ze zouden dan herboren en het doel der verlossing geheel bereikt zijn. Dat dit kan, toont ons dan ook het voorbeeld dier vroeg stervende wichtjes, die nooit iets van het Woord vernomen hebben.

Maar als ge niet in de wieg sterft, maar opgroeit en tot uw bewustzijn ontwaakt, kan dit niet. Dan moet, omdat de zonde door het bewustzijn ging, ook de genade uw bewustzijn aangrijpen, en hierin wortelt de oorsprong en de noodzakelijkheid van het Woord.

|24|

Wat nu dit Woord aangaat, zoo laat zich de mogelijkheid denken, dat de Christus aan een iegelijk onzer verschenen was, gelijk aan Paulus op den weg nabij Damascus of gelijk aan Johannes op Pathmos. Nu toont daarentegen het voorval bij Damascus zelf, dat dit niet ’s Heeren weg is. Immers Paulus ontvangt den last om tot Ananias te gaan, en ook hij ontvangt het Woord van menschen.

Er besta hier dus geen misverstand.

Ongetwijfeld is de Heere Jezus machtig en in staat, om ook zonder Bijbel of door menschen bediend Woord, zelf onmiddellijk tot ons bewustzijn te spreken. Adam genoot dit voorrecht, en na hem de patriarchen en profeten. Het kan dus.

Maar even beslist blijkt, dat dit niet de weg is, dien de Heere verkoor. Veeleer zijn al de openbaringen aan de patriarchen en profeten niet voor hen persoonlijk, maar voor heel de kerk gegeven, opdat al deze openbaringen saam als een gemeene schat aan alle geloovigen saam zouden toebehooren.

Hem heeft het dus beliefd, zijn Woord niet tot een ieder verkorene afzonderlijk, maar naar den aard der gemeenschap tot alle verlosten saam te brengen.

Hij spreekt wel, edoch niet tot de enkelen afzonderlijk maar tot allen saâm, en dat spreken tot allen saam is zijn Woord. Hier ligt de noodzakelijkheid en de uitnemendheid der Heilige Schriftuur.

Daarom ontstond en is er een Bijbel, en is de kerk zonder Heilige Schriftuur thans op aarde niet meer denkbaar.

Gelijk nu een vader die voor langen tijd reizen gaat, schriftelijk zijn wil kan achterlaten, hoe hij wil, dat het tijdens zijn afwezigheid in zijn huis toe zal gaan, en hij dan feitelijk door dat geschreven woord, hoewel ongezien, toch zijn huis regeert, zoo ook deed Jezus het met zijn kerk.

Hij liet zijn beschreven wil achter, en door dat Woord regeert hij feitelijk, hoewel ongezien, zijn kerk op aarde.

In dat Woord staat hoe het toe moet gaan; in dat Woord wat gedaan en gelaten moet worden; in dat Woord bezitten we zijn koninklijken wil.

Maar dan spreekt het ook vanzelf, dat een iegelijk in Jezus’ kerk, die met dien wil niet rekent, dien opzij zet, en nu zelf orde op de zaken gaat stellen, alsof Jezus zijn kerk onbeheerd had achtergelaten, hem beschouwt als een Koning die zijn rijk verliet, en in wiens afwezigheid men zich nu vermeet, als Rijksbestierder in zijn plaats op te treden.

Op zichzelf heeft dus niemand recht, om te zeggen: Ik wil in Jezus’ kerk van geen paus of bisschoppelijke of synodale hiërarchie weten.

Niemand heeft hier iets in te brengen. Jezus is vrij.

Had het hem dus beliefd in zijn achtergelaten wil een paus aan te stellen, diep eerbiedig zouden we ons voor zijn gezag hebben te buigen.

Had hij goedgevonden bisschoppen en een concilie in te stellen, ons zou niets resten, dan hun woord onderdanig te zijn.

En ook had hij over ons een synodale hiërarchie in den zin van de organisatie van 1816 willen aanstellen, het zou vermetele zonde zijn, zoo ge u niet aan haar onderwierpt.

Maar ook, nu hiervan in zijn achtergelaten wil niets staat, maar in zijn Woord een geheel andere orde van zaken door hem is gewild en ingezet, nu is al zulk een vorm van kerkregeering een feitelijk op zij zetten van zijn wil en dus een feitelijk onttronen van onzen Koning.

Alles wat naar het Woord is, moet.

Wat niet op dat Woord steunt, is opstand tegen den Koning.

Kuyper, A. (1898.14) H6

|25|

 

6. In welken zin, Jezus ambten op aarde onder menschen voor zijne Kerk heeft ingesteld.

 

Houd nu vast, wat we vonden; Jezus Koning over heel de kerk in hemel en op aarde. Om onze aanklevende zonde zijn residentie niet op aarde, maar in den hemel. Hij zelf rechtstreeks heel de kerk in den hemel regeerend. En eer hij opvoer, zijn wil schriftelijk op aarde achtergelaten, ons aanwijzende, hoe de kerk te leven en te werken heeft, om hem onderdanig en haar souvereinen Koning gehoorzaam te zijn.

Zoo ligt dus de Heilige Schrift in het midden der kerk op aarde, met den eisch van onzen Koning, dat ze voor dit zijn Woord buige, en daarnaar leven zal.

Niet, om nu met dit Woord te werken buiten hem om. Als liet hij zijn kerk nu aan zichzelf over. Neen, dat niet, maar wel zoo, dat hij de inwerkingen van zijn Geest gebonden heeft aan het recht gebruik van dit zijn Woord. Doet de kerk naar het Woord dit eischt, dan werken de krachten des eeuwigen levens en de kerk bloeit. Zet daarentegen de kerk dat Woord, openlijk of bedektelijk, ter zijde, dan trekt onze Koning zijn genade al meer terug en de kerk gaat kwijnen.

Woord en Geest hooren onlosmakelijk saâm.

Zonder den Geest nut het Woord niet, omdat ’t het Woord van den Koning is en verachting van den Koning den Geest uitbant.

Maar ook zonder het Woord werkt de Geest niet, omdat het den Koning beliefd heeft, aan dat Woord de werking van zijn Geest te verbinden.

„Waar twee of drie in zijn Naam tezamen zijn, is hij in hun midden.” Mits men maar wel versta, dat in Jezus’ Naam samen zijn, beduidt: Zóo samen zijn, dat men hem in zijn koninklijken Naam als door God over ons gesteld Souverein eere.

„Hij is met ons alle de dagen tot aan de voleinding der wereld,” mits we zijn leerjongers en discipelen zijn, d.i. aan zijn Woord ons onvoorwaardeliik onderwerpen.

Aan dat Woord hangt dus het éen en het al in de kerk. En elke richting in de kerk, die zegt, den gekruisten Verlosser te prediken, en nochtans zijn Woord durft aanranden, speelt met heilige woorden en verlokt de gemeente om zich te vergapen aan een onwaarachtigen schijn.

Nu ware het, op zichzelf beschouwd, niet onmogelijk geweest, dat onzen Koning dit zijn Woord zóo had ingericht, dat eenvoudig elk lid der kerk daarmeê voor zichzelf bezig ware geweest, zonder tusschenkomst van den dienst van andere menschen.

Ware dit zoo, dan zouden er nimmer kerkelijke ambten zijn ontstaan, zouden er nooit sleutelen des hemelrijks in menschenhanden zijn neergelegd, en zou er nooit van prediking noch van bediening der sacramenten, noch van bediening der barmhartigheid, noch van tucht en kerkregeering ooit sprake zijn geweest.

Of dit zoo dan wel anders zijn zal, staat intusschen wederom niet aan de onderdanen, maar aan den Koning ter beslissing.

Hij heeft hierover te zeggen. Hij heeft dit te bepalen. Hij heeft dit uit te maken. Hij alleen.

Eigenwilligheid, eigendunkelijkheid, eigenzinnigheid is hier uitgesloten. Kan hier niet bestaan. Is gevloekt van den Heere der heirscharen. Immers, „eigenwilligheid” en „onderdaan zijn” vormen twee begrippen, die elkaar uitsluiten.

We zeggen niet, dat de kerkinrichting, die het Woord schetst, in Jezus zelf op wilkeur rust. Geenszins. Integendeel zijn we vast overtuigd, dat zijn verordeningen desaangaande haar dieperen grond vinden in den aard van onze menschelijke natuur, gelijk God de Heere die in de schepping bepaald heeft.

Daar het ons echter niet vergund is, desaangaande met zekerheid te spreken, zeggen we, dat onze gehoudenheid om de door Jezus ingestelde kerkinrichting te volgen, niet gegrond is in ons inzicht aangaande de behoeften, die uit onze natuur voortvloeien, maar eeniglijk in den wil van onzen Koning.

Er geldt hier geen natuurrecht, maar alleen een stellig recht; te kennen uit zijn instelling en ordinantie.

De opmerking van Roomsche zijde gemaakt, dat, indien de alomtegenwoordigheid van Jezus’ genade, majesteit en geest de noodzakelijkheid van hoogere hiërarchische besturen uitsluit, dan tevens daardoor de plaatselijke ambten zijn uitgesloten, houdt geen steek.

|26|

Immers, wel die plaatselijke, en niet die hiërarchische besturen zijn in het Woord, en dus door stellig recht, voorgeschreven.

Hiërarchische besturen hebben hun grond alleen in de behoefte der menschelijke natuur, niet in het stellig recht door onzen Koning vastgesteld. En overmits nu de alomtegenwoordigheid van Jezus’ genade, majesteit en geest aan alle behoeften van onze menschelijke natuur ook zonder hiërarchie te stade komt, zinkt aan deze hiërarchische besturen alle bestaansrecht en alle bodem onder de voeten weg.

Zoo ontstaat dan nu de vraag, in welken zin Jezus ambten op aarde onder menschen voor zijn kerk heeft ingesteld.

Ware hij alleen onze Koning, dan zouden deze ambten natuurlijk een uitsluitend karakter van regeering dragen.

Dit is echter niet zoo.

Hij is tevens onze eenige Profeet en Priester. In hem is de volheid van het drievoudig ambt. Hij is Koning, Priester en Profeet tegelijk. Niet als iets onderscheidens, dat werktuiglijk in hem saamgevoegd is. Neen, hij is Koning, Priester en Profeet in ongedeelde eenheid. Het éene is in hem van het andere onafscheidelijk.

Dit maakt dat Jezus ook nu nog in zijn kerk op aarde profeteert, het priesterschap bedient en regeert, en dat dientengevolge de door hem ingestelde ambten hiervan de schaduw en den afglans vertoonen.

Ook in die ambten is het profetenschap, het priesterschap en koninklijk regiment, mits altoos zoo, dat hij de eenige, eigenlijke Profeet blijve, en de ambtsdragers slechts organen zijn van zijn protetischen arbeid; dat hij alleen de eigenlijke Priester blijve en de ambtsdragers slechts organen van zijn priesterlijke bediening; en evenzoo dat hij alleen de eigenlijke Koning blijve, en de ambtsdragers slechts de organen van zijn koninklijke macht.

Hij is de eenige en eigenlijke Profeet, bij ieders hart en in elke vergadering der geloovigen. Waar hij niet predikt, is geen prediking. Waar hij niet tot de harten spreekt, wordt in het hart geen geluid noch stem vernomen. Als hij niet in de vergadering der geloovigen Gods lof verkondigt, is er geen lof. Zoo hij niet voer ons bidt en in ons bidt door zijn Heiligen Geest, is er geen dienst der gebeden.

Organen nu voor dit zijn heilig profetenschap zijn de leeraars, en waren de apostelen, evangelisten en profeten.

Hij is de eenige Priester bij ieders hart, in ieders nood, bij alle sacrament en bij elke betooning van barmhartigheid; ook bij elke voorbede. Waar hij niet zelf de verzoening van zonde bezegelt, blijft ge in uw zonde. Waar hij niet zelf in het Doopwater en in Brood en den Wijn zich betuigt en meedeelt, is geen sacrament ontvangen. Als hij niet in de vergadering der geloovigen is, komt er geen absolutie. Indien hij niet de voorbede opdraagt, helpt al ons bidden voor anderen niet.

Organen nu voor dat zijn heilig priesterschap zijn de herders en de diakenen, die de sacramenten, de voorbede en de barmhartigheid onder Gods volk bedienen.

En zoo ook, hij is de eenige Koning. Waar hij niet zelf in den raad der kerke door zijn Woord en Geest voorzit, daar is geen kerkvergadering. Waar hij niet oordeelt of vrijspreekt, daar is geen ontbinding of binding van den schuldige of onschuldige. Waar hij niet de verordeningen der kerk bezegelt, daar is niets wat de conscientiën kan binden. Hij alleen is het die sluit en niemand opent, die opent en niemand sluit.

En organen voor deze zijn koninklijke macht, zijn de opzieners der gemeente, die de regeering der kerk leiden, in zijn naam regelen vaststellen, en in naam van den Koning in de hemelen, toelaten tot zijn heilig sacrament of van de gemeenschap der kerk uitbannen.

Geen doode Jezus dus. Hij is opgestaan, en voer ten hemel, en zit aan de rechterhand Gods.

Geen slapende Jezus. Hij is de Herder Israëls, die nooit sluimert, maar al den dag en al den nacht zijn kerk op ’t harte draagt.

Geen werkelooze Jezus. Hij werkt altoos, gelijk zijn Vader altoos werkt.

Hij is nooit verre, maar altoos nabij.

Hij droeg nooit iets over in het ambt, opdat anderen het buiten hem om, nu in zijn plaats zouden doen. Maar is altoos bij en met ons, en kent geen andere ambten, dan organen, waardoor hij zelf werkt

|27|

Hij is en blijft de wezenlijke, de eigenlijke, de eenige Profeet, die onder ons Gods Woord predikt; de eenige priester, die onze zonde verzoent; de eenige Koning, door wien we mogen geregeerd worden.

Alleen de Christus heeft te zeggen, hoe het in zijn kerk toe moet gaan; niet eenig mensch op aarde. Hij alleen heeft daarover te zeggen, en niemand heeft hierin medezeggenschap. En al wat in zijn kerk opgericht of ingesteld of vastgezet wierd of wordt, zonder op het Woord des Heeren te rusten, staat niet vast, maar los; is ontbloot van alle autoriteit; bindt noch de conscientie noch de geloofsvrijheid; en kan veel min ooit van de geloofsplichten ontslaan.

Door dit voor elk kind van God onweersprekelijk feit, komt nu op den grondslag van Jezus’ Koningschap, niet alleen de regeering der kerken te rusten, maar ook het leeraarsambt en ook de priesterlijke bediening der gebeden en der barmhartigheid.

Hierover is veel op verwarde wijze gesproken, en men heeft verzuimd zich de zaak door scherper onderscheiding klaar te maken.

Er steekt iets van Jezus’ koningschap in; dat voelde men wel. Toch kwam het bij elke bediening van het ambt alleen op de gebondenheid aan het Woord, d.i. aan zijn Profetenschap, neder. En hoe nu die twee in juist verband stonden, wierd niet genoeg uitgewerkt.

Toch valt het bij eenig indenken licht, hier het rechte spoor te vinden.

Het ambt in Christus is drieledig, maar in die drievoudigheid toch één. Hij is niet beurtelings profeet, en dan weer priester, en een derde maal koning. Neen, wat hij bedient is het ééne, volle, ongedeelde Middelaarsambt, naar zijn drie zijden.

Vandaar, dat de Christus ook nu nog aan de rechterhand des Vaders Middelaar in den vollen zin des woords blijft. Hij is nu nog profeet, priester en koning tegelijk, en alle bediening, die onder hem door zondaren in profetie, offerande of regiment in de kerk op aarde plaats grijpt, is niet een stellen van profeten, priesters of regeerders naast hem, maar uitsluitend het stellen van organen, door wie hij zijn Woord verkondigt, door wie hij zijn priesterschap bezegelt, en door wie hij regeert.

Er is ook nu nog; altoos door den dienst van herders en leeraars, van ouderlingen en diakenen in de kerk op aarde bediening, uit dit drievuldige Middelaarschap, van Immanuel, gelijk we een vorig maal reeds aanstipten, en dat door elk hunner, naar zijn orde, op onderscheidene wijze. Wel dooreengevlochten en dooreengestrengeld, omdat ze in den wortel één in den Middelaar zijn, maar toch door straalbreking voor ons duidelijk genoeg in den profetischen, priesterlijken en koninklijken tint uiteengaande.

Nu zou men zich intusschen vergissen, zoo men waande, dat als er een leeraar wordt ingesteld, deze wordt ingezet door Christus den Profeet, wijl hij leeren moet; dat zoo er een ouderling in het ambt gaat, deze wierd ingezet door Christus den Koning, wijl hij regeeren moet; en dat, zoo er een diaken wordt bevestigd, deze optreedt namens Christus den Priester, wijl hij de offerande bedient.

Wie het zich zóó voorstelt verzuimt te onderscheiden, tusschen de aanstelling van deze ambtsdragers en den inhoud van hun last.

Gunne men ons, om dit duidelijk te maken, eene vergelijking.

Als onze Koning een gezant naar een vreemd hof zendt, om te onderhandelen over de afschaffing van suikerpremiën, of over de regeling van het internationaal telegraphisch verkeer, dan denkt onze Koning er niet aan, om dezen industrieel of ingenieur in détails te zeggen welke gedragslijn hij te volgen heeft. En dat kan ook niet, want de bijzonderheden over de suikerindustrie en het spoorwegverkeer kent zulk een gezant veel beter dan de Koning. De Koning geeft hem daarom alleen bij Koninklijk besluit zijn aanstelling, maar voor wat de te volgen gedragslijn aangaat, wordt hij verwezen naar een chef van dienst op een der bureaux, die meer bijzonder op de hoogte van dezen tak van dienst is. Met dezen wordt dan onder de leiding van den Minister de aan te nemen houding geregeld, en ook dan nog voor een groot deel aan de prudentie van den kundigen gezant overgelaten.

Aan dit voorbeeld ziet men, hoe er een zeer sterk in het oog loopend verschil bestaat tusschen iemands aanstelling en den inhoud van zijn last, overmits beide vloeien uit een geheel onderscheidene bron. De aanstelling vloeit uit de bron der souvereiniteit,

|28|

de inhoud van den last, uit de bron der kennisse, of als er een gave te bedienen is, uit de schatkist en tresoor waarin die schat ligt opgetast.

En zoo nu is het ook in de kerk van Christus.

Wat ambt er ook in de kerk bediend wordt, het heeft altoos drieërlei: 1°. de instelling; 2°. de aanstelling en 3°. den inhoud van last of gave.

Elk ambt heeft zijn instelling: D.w.z. eer een zeker persoon voor zeker ambt wordt benoemd, wordt er eerst en vooraf uitgemaakt dat er zulk een ambt zal zijn. Zoo doet onze aardsche Koning ook. Hij bepaalt eerst dat er inspecteurs voor het onderwijs, dat er controleurs voor de belastingen, dat er alom betaalmeesters zullen zijn. En eerst nadat bepaald is, dat al deze ambten ingesteld zijn, wordt er nu vervolgens toe overgegaan, om in deze ambten bepaalde personen aan te stellen.

Zoo nu ook in de kerk.

Of er eenig ambt, en zoo ja, welk, op zal treden, is de instelling van dit ambt. En zoo is er allereerst bepaald, dat in de kerken des Nieuwen Testaments vierderlei ambt zou staan, dat van Leeraar, Herder, Ouderling en Diaken.

En het recht nu om dit te bepalen, om dit aldus te beschikken en vast te stellen, komt niet aan eenig mensch toe, ook al was hij keizer van de geheele wereld, maar komt uitsluitend toe aan Koning Jezus.

Let wel, niet aan Jezus als Profeet; noch ook aan Jezus als Priester; maar uitsluitend aan Jezus als Koning.

Oorspronkelijk is zulk een instelling van eenig ambt altoos een uitoefening van Goddelijke macht en komt alleen Gode toe. Maar God de Heere is vrijmachtig om deze macht op zijn schepsel voor het burgerlijk leven, en op den Middelaar voor de kerk te leggen. En dienovereenkomstig heeft Hij ze dan ook op de aardsche koningen gelegd voor het leven der burgermaatschappij, en op den Middelaar Jezus Christus voor de maatschappij der kerk.

Welke ambten in de kerk bestaan mogen, hetzij duurzaam, hetzij slechts tijdelijk, is daarom alleen op te maken uit Jezus’ koninklijk welbehagen, en deze zijn wil en welbehagen is alleen en eeniglijk op te maken uit zijn Woord.

Een iegelijk dus, die zich onderwindt om in de kerk een macht in te stellen, die ambtelijk werken zal, en die niet kan aanwijzen dat dit ambt alzoo door Koning Jezus in zijn Woord is ingezet, matigt zich aan wat hem niet toekomt en randt de kroon aan die alleen op het hoofd van den Middelaar als Koning bloeit.

Na deze instelling van dit ambt komt in de tweede plaats de aanstelling in dit ambt van de personen.

Ook deze aanstelling nu gaat uitsluitend van den Middelaar als Koning uit.

Niemand kan in eenige kerk ’t zij herder, leeraar, ouderling of diaken zijn, tenzij hij door Jezus als Koning daartoe zij aangesteld.

Hiermee is volstrekt niet bedoeld, dat elk leeraar, herder, ouderling of diaken met een stem uit den hemel moet geroepen zijn, of op mystieke wijs zich een aanstelling moet verzekeren, maar wel dit, dat hoe ook de aanwijzing van den persoon geschiede, zijn benoeming of aanstelling altoos een daad van Jezus als Koning is.

Vergelijking met het burgerlijk leven heldert weer ten volle op. Een koning op aarde is volstrekt buiten staat om over de duizend en één aanstellingen die te doen zijn, zelfs met de noodige zaakkennis, den meest geschikten persoon uit te vinden. Hoe zou een koning weten wie de kundigste en meest geschikte was om als hoogleeraar de psychiatrie of de Assyriologie te doceeren. Vandaar de gewoonte, dat de deskundige colleges of ambtenaren de personen aanwijzen en voordragen, en dat deze door den betrokken minister aan den koning ter benoeming wordt aangeboden.

Maar al staat het nu nog zoo vast, dat deze en geen ander de aangewezen persoon is, toch helpen al deze aanwijzingen niet om hem in het ambt te zetten. Zijn aanstelling is en blijft altoos een Koningsdaad. Zijn gezag ontleent hij uitsluitend en eeniglijk aan de daad en machtsoefening van zijn Vorst.

En zoo nu ook in de kerk van Christus.

Wie, op wat wijze ook, geroepen zij, om eenigen persoon voor eenig ambt aan te wijzen, ’t zij de kerkeraad dit doet, of een kiescollege, of de geloovigen volgens hun ambt, door dit alles wordt niemand nog hetzij

|29|

leeraar of herder of ouderling of diaken. Dit alles is nog slechts de aanwijzing. En daarop volgt eerst de aanstelling namens den Koning der kerk, in verband met de belofte of eed van trouw, die hij in het midden der gemeente aan den Koning doen moet.

Zoo zijn dan de instelling en de aanstelling daden van den Koning als Middelaar.

Maar, als het nu toekomt aan de bediening van deze ambten, zoo wordt dit anders, en treedt het derde moment in, waarop we wezen.

En dan ontvangt de leeraar zijn last, niet van den Koning, maar van den Middelaar als Profeet; de herder zijn last niet van den Koning, maar van den Middelaar als Profeet en Priester; de ouderling zijn last van den Middelaar als Koning; en de diaken zijn last van den Middelaar als Priester.

Alle vier soorten van ambtsdragers hebben dus, naar gelang hun ambt is, onderscheidenlijk met den Middelaar als Profeet, Priester of Koning te doen; maar komt het nu op hun instelling en aanstelling aan, dan hangen ze alle vier uitsluitend van den Middelaar als Koning af. En juist daardoor is bij ambtelijke, en speciaal bij hiërarchische deformatie der kerken, principieel altoos het Koningsambt van den Messias het eerst en het smadelijkst aangerand.

Kuyper, A. (1898.14) H7

 

7. Dat er in de Kerk drieërlei ambt is.

 

Summierlijk kan gezegd, dat de ambten drie zijn, als drieërlei organen van het drievoudig ambt Christi.

De Christus is Profeet, en als zoodanig bewerkt hij zijn kerk door het orgaan der Leeraars. De Christus is Koning, en als zoodanig regeert hij zijn kerk door het orgaan der Opzieners. De Christus is Priester, en als zoodanig oefent hij ook zijn kerk in priesterlijke barmhartigheid door het ambt der Diakenen.

Deze onderscheiding is duidelijk en doorzichtig, en geeft een geheel anderen blik op het kerkelijk leven dan zoo het leeraarsambt als het eenig wezenlijke wordt genomen, en het ouderlingschap en diaconaat als overtollige, soms zeer lastige aanhangsels er hoogstens bij worden geduld.

Toch is men bijna altoos in Christus’ kerk tegen dit drievoudig ambt ingegaan; en nu nog ontbreekt én bij de Roomsche, én bij de Grieksche, en bij de Luthersche, en zelfs bij de Episcopaalsche kerk, wat men noemt een raad der kerke, waarin deze ambten saamwerken; is het opzienerschap in een soort priesterschap ondergegaan; en het Diaconaat geheel veranderd van karakter.

Men vindt in de meeste dier kerken geen eigenlijk Diaconaat als armverzorging, maar óf een soort diakenen, die als leeraars en onderpriesters optreden, óf een soort ledigen titel, die slechts dient ter verrijking van de hiërarchische scala, óf eindelijk een onkerkelijk diaconaat in den vorm van liefdebroeders. Diakenen in den Schriftuurlijken zin, als mannen die aangesteld zijn, om de Tafelen en van die Tafelen des Heeren de barmhartigheid aan zijn nooddruftigen te bedienen, vindt men bijna alleen in de Gereformeerde kerken, die ook hierin de zuiverheid van de Schrift het meest nabij komen.

Even droef staat het geschapen met het Opzienerschap. Opzieners of ouderlingen, uit de gemeente gekozen, om met en naast de leeraren het opzicht over de kudde te hebben, kent noch de Roomsche, noch de Grieksche, noch eigenlijk ook de Luthersche kerk. Er zijn wel enkele Luthersche kerken, waar de oudsten of Aelteste nog in zwang zijn, maar toch in gansch anderen zin, dan wij aan het woord Opziener hechten, in veel kleineren getale, en van veel minder invloed. En voorzoover thans in Pruisen het leekenelement weer sterker op den voorgrond treedt, draagt het meer een constitutioneel en parlementair karakter, om de volksrechten tegenover de kerkelijke overheid, d.i. den leeraarsstand, te verdedigen, dan dat het op zou treden als orgaan van het Middelaarsambt van den Christus. Ouderlingen, gelijk wij die kennen,

|30|

in den zin van Opzieners der gemeente, die meê in het ambt optreden en de regeeringe der kerk voeren, kent in enger en juister zin alleen de Gereformeerde kerk.

Ook met het Leeraarsambt is men in de war geraakt. Men kent den ouden strijd van onze Confessie die slechts drie ambten en de Kerkenordening van Dordt, die vier diensten optelt, en nog steeds blijft men deze drie ambten en vier diensten dooreenwarren alsof de organische regel ontbrak.

Toch ontbreekt die niet, zoo men maar let op de combinatie in de ambten.

In den Christus, gelijk we telkens herinnerden, liggen de drie ambten niet separaat naast elkaêr, maar zijn het slechts de drie uitingen van het ééne Middelaarsambt. Wel onderscheiden, maar niet gescheiden, zijn dus de drie ambten in den Middelaar naar wortel en oorsprong één.

Vandaar nu, dat ook in organen, die op aarde instrumenteel in zijn ambt optreden, gedurig deze schijnbare vermenging voorkomt.

Als de Heere Christus van den Olijfberg ten hemel is gevaren, zijn de Apostelen dragers van het geheele, nog ongedeelde en ongesplitste ambt. Ze zijn Leeraars, Opzieners en Diakenen tegelijk. Zij leeren, ze regeeren en ze zorgen voor de nooddruftigen.

Waar ze voor het eerst in vreemde plaatsen optreden om gemeenten te stichten en de kerk tot openbaring te brengen, zijn ze eveneens dragers van het volle ongedeelde ambt. Er staat niemand naast hen, niemand onder hen. Zij, de Apostelen, zijn het ambtelijk factotum.

Maar als de kerk zich uitbreidt, en de schare toeneemt, en de bemoeiing veel meerder wordt, verandert dit. Dan ziet ge uit dien éénen ambtelijken wortel, waar eerst aller stengel nog schuilt en verborgen zit, allengs drie onderscheidene ambtelijke functiën opkomen.

Eerst gaat er dan de dienst der Tafelen af en wordt een apart Diaconaat ingesteld. En daarna stellen ze naast zich, ook te Jeruzalem, Opzieners aan, gelijk duidelijk blijkt uit Hand. 15: 4 en 23, waar naast de Apostelen nog uitdrukkelijk de ouderlingen of opzieners genoemd worden.

Deze deeling en onderscheiding belet intusschen volstrekt niet, dat deze ambten niet weer gedeeltelijk in elkaêr kunnen vloeien en dooreengestrengeld worden.

Blijkens Hand. 6: 2 is het motief voor de oprichting van het Diaconaat in de kerk van Jeruzalem alleen daarin gelegen, dat de apostelen het te druk kregen, en door hun zorg voor de armen belemmerd werden in hun dienst in het Woord. „Het is niet behoorlijk”, zoo zeggen ze, „dat wij het Woord Gods nalaten en de tafelen bedienen; ziet dan om naar mannen, die wij stellen mogen over deze noodige zaak.”

Dit wilde intusschen volstrekt niet zeggen, dat de Apostelen nu voortaan met de Barmhartigheid, of deze Diakenen met den dienst des Woords niets uitstaande hadden.

Integendeel, nog jaren daarna, gaat Paulus uit op een collectereis, en brengt aan de verarmde Jeruzalemsche gemeente een groote somme gelds uit Griekenland en Klein-Azië. En omgekeerd zien we Stefanus, den Diaken, wel terdege naast de Apostelen ook in den dienst des Woords optreden. Zoo zelfs dat de tegenstanders „niet konden wederstaan de wijsheid en den Geest, door welke hij sprak” (vs. 10). En God de Heere, wel verre van dit onbezegeld te laten, gaf dat „wonderen en groote teekenen onder het volk” door dezen Diaken geschied zijn. Ja, dat hij, de Diaken Stefanus, en niet een Apostel, verwaardigd is, om het eerst de belijdenis van den Christus met zijn bloed te bezegelen.

Preutsche, pedante, kleingeestige, loket-achtige afscheiding, alsof een Apostel aan geen geld, en geen Diaken aan het Woord mocht raken, vindt ge dus volstrektelijk niet, en het ware wel van God af te bidden dat Hij zijn kerk nog eens met Diakenen van het slag van Stefanus verrijken mocht.

En waar nu deze afscheiding reeds bij het Diaconaat en Apostolaat zoo weinig scherp en werktuiglijk is, daar bestond nog veel gereeder aanleiding, om ook het Leeraarschap en Opzienerschap gedurig dooreen te strengelen. Immers deze beide waren nog veel meer dan de beide eerste verwant. Vat men het Leeraarsambt in zijn strenge onderscheiding, dan hoort er de regeering der kerk niet bij. En evenzoo, neemt men het Opzienerschap streng afzonderlijk, dan ligt de dienst des Woords er buiten. Maar overmits de kerk, ook in haar ambten geen ineengezette machine, maar een levend

|31|

organisme is, komt in de praktijk des levens zoo scherpe onderscheiding slechts zelden volkomen zuiver uit.

Leeraren, die geheel en uitsluitend in het Woord bezig zijn, en geheel buiten de kerkregeering staan, komen alleen voor in hoog ontwikkelde, groote, talrijke kerken, waar zij aan het hoofd van hoogescholen staan, of als sprekers en schrijvers tegen de ketterij en het ongeloof optreden, en hierin al hun krachten laten opgaan. En ook Opzieners, die niets dan de regeering der kerk zich zien opgedragen, zijn alleen denkbaar in kerken, die zoo ruim en overvloedig van Leeraren voorzien zijn, dat er voor geen bijkomende diensten plaats overig blijft.

In verreweg de meeste kerken daarentegen vindt ge geen mannen die niets dan Leeraars zijn, en vindt ge geen Ouderlingen, die voor God vrij uitgaan, zoo ze den dienst des Woords geheel liggen laten.

Regel is het daarom, dat ge eenerzijds mannen vindt, die wel hoofdzakelijk in het Woord arbeiden, maar toch ook tevens de regeering der kerk leiden, en deze dragen dan den naam van Herders. En daarnaast anderzijds mannen die meer uitsluitend zich met de regeering der kerk bezighouden, maar toch ook op allerlei wijs in den dienst des Woords moeten te hulp komen.

Als dus de Confessie zegt: Er zijn drie ambten t.w. Leeraars, Opzieners en Armverzorgers, dan is dat de principieele onderscheiding, die rechtstreeks voortvloeit uit het drievoudig ambt van den Middelaar. En zegt daarentegen de Kerkenordenlng, dat er vier Diensten zijn, dan rekent de Kerkenordening met de praktijk, en verklaart dat er feitelijk zijn: 1°. mannen die uitsluitend leeren (Doctoren of Hoogleeraren); 2°. mannen die leeren en regeeren (de Herders of Predikanten); 3°. mannen die hoofdzakelijk regeeren (de Opzieners); en 4°. mannen die meer uitsluitend voor de armen zorgen (de Diakenen).

Zoo loopt dus alles vlot en wel, mits men slechts voor den organischen samenhang van de velerlei ambten in het ééne drievoudige ambt van den Christus een open oog hebbe, en tevens lette op het verschil tusschen een Confessie, die de beginselen aangeeft, en een Kerkenordening, die rekent met den feitelijken toestand, gelijk die voorkomt uit en in de praktijk.

Nog tweeërlei ander verschijnsel wordt hierdoor opgehelderd.

Op kleinere dorpen is het organisch ambt uit den aard der zaak minder rijk ontwikkeld dan in groote kerken.

En wat ziet men nu? Dit, dat onze ouden van oudsher de Diakenen in deze kleine kerken wel terdege ook in de regeering der kerk hebben toegelaten, terwijl ze in grootere kerken hen meerendeels buiten de regeering der kerk hebben gesloten.

Voor een mechanisch mensch lijkt dit alles ongerijmdheid en verwarring. Maar wie het organisch leven der kerk verstaat, disputeert daar niet scholastisch over, maar vat het uit het leven, hoe in kleine kerken de diaken wel meê regeeren moet in alle vergaderingen, terwijl dit mederegeeren van de diakenen in grootere kerken, meest allen bij beroepingen, bij regeling der collecten en bij aangelegenheden die het kerkverband raken aan de orde komt; terwijl het toch weer even natuurlijk is, dat uit de hoogere vergaderingen de Diakenen wegblijven, omdat daar krachten genoeg voor de regeering aanwezig zijn. Al is het een fout, en een stellig verzuim, dat men de Diakenen ook niet in meerdere vergaderingen saambrengt, en daardoor de armverzorging te veel een zaak van afzonderlijke kerken laat.

Dit is het eerste, waarop we wijzen wilden.

En het tweede is, dat men zeer terecht soms de hoog-leeraren of doctoren, die aan de regeering der plaatselijke kerk als doctoren geen deel hebben, toch wel roept bij de meerdere vergaderingen, om daar op de regeering der kerken invloed te oefenen. Vooral toch in „meerdere vergaderingen” komt het ook bij de regeering der kerken op de beginselen aan, en waar deze ter sprake komen, zijn het met name de doctoren of hoogleeraren, die geroepen zijn, om het licht des Woords op het fundament der kerkregeering te doen vallen.

Kuyper, A. (1898.14) H8

|32|

 

8. Onderscheid tusschen het ambt en het bestuur in Jezus’ Kerk op aarde.

 

Veel scherper dan men dusver placht, dient onderscheiden tusschen het ambt en het bestuur in Jezus’ kerk op aarde; en vooral in de tegenwoordige verwikkeling is het juist deze onderscheiding, die ons den draad in de hand legt, om veilig door en uit den kerkelijken doolhof te geraken.

Meer dan één verkeert in den waan, als zouden we ontkennen, dat er ook in de kerk van Christus op aarde een bestuur behoort te zijn, en dan komt men aandragen met allerlei citaten uit de Liturgie en uit oude, goede, betrouwbare theologen, om tegenover ons te bewijzen, dat er toch heusch wel van een „bestuur” of ,, regiment” in Christus’ kerk sprake kan zijn.

Men kon zich die moeite sparen.

Met de Confessie der Ned. Geref. kerken belijdt ook De Heraut, dat de kerk van Christus op aarde „geregeerd moet worden naar de geestelijke politie, die Christus voor zijn kerk verordend heeft.”

Zonder daarom te beweren, dat de zichtbare kerk zelve aanstonds weg zou vallen, al ontbrak tijdelijk haar bestuur, zoo staat het niettemin voor ons vast, dat een bestuur wel verre van het wezen der kerk te doen ontaarden, veeleer tot haar welwezen behoort.

Ons protest en verzet ging uitsluitend tegen tweeërlei misbruik dat men van het woord bestuur gemaakt heeft.

Ten eerste kent de Heilige Schrift en diensvolgens de Confessie geen andere bestuurders die door Christus in zijn kerk op aarde zijn ingezet en aangesteld, dan de dragers van het ambt in de plaatselijke kerken, en slechts voorzoover deze gezamenlijk optreden, te zamen en dan nog maar tot op zekere hoogte over de gezamenlijke kerken. In strijd hiermee echter heeft de hiërarchie vierderlei besturen in het leven geroepen in: 1. den kerkeraad; 2. het classicaal bestuur; 3. het provinciaal bestuur en 4 het synodaal bestuur, van welke drie laatste besturen men medebestuurder wordt, niet krachtens het ambt, dat men plaatselijk bekleedt, maar door keuze van menschen, en krachtens schepping van een reglement, zonder dat er ’t zij in Gods Woord, ’t zij in onze Confessie, ook maar met één woord van zulk soort lieden sprake is.

Naar luid onzer Confessie komt het bestuur over de plaatselijke kerk tot stand, doordien de onderscheidene ambtsdragers in één raad of college saamkomen en saamwerken. Zóó en niet anders ontstaat de kerkeraad, en deze kerkeraad is het eenig zelfstandig bestuurscollege in de kerk. En wel kunnen nu deze kerkeraden, door afgevaardigden, in classis, naar provinciën of in synode saamkomen, en zoo zekere bestuurszaken gemeenschappelijk regelen, die één kerkeraad op zichzelf niet regelen kan noch mag, maar hierdoor wordt volstrekt geen nieuw bestuur van hooger trap gevormd, doch slechts een tijdelijke saamwerking van de bestuurscolleges der plaatselijke kerken. Dit kan men nu vast en veilig hieraan onderscheiden. Als de praeses van het classicaal bestuur de vergadering van dit bestuur gesloten heeft en de vergadering is uiteen, dan blijft hij toch praeses en de leden toch leden van dit bestuur, zoodat het ook als het niet saam is, toch zelfstandig bestaat. De oude Gereformeerde classen daarentegen waren vergaderingen van nagebuurde kerken, die slechts even saam kwamen en voor elke samenkomst een moderamen kozen, maar zoodra ze heur zaken hadden afgehandeld huiswaarts keerden, zonder dat er eenig moderamen of bestuur overbleef.

En nu weten we wel, dat men de eenvoudige lieden misleidt door het voor te stellen, alsof de huidige classicale besturen precies hetzelfde waren als de vroegere classen en heur moderamens; maar wie eenmaal goed gevat heeft, dat het classicaal bestuur een blijvend bestuurscollege is, dat bestaat, ook al is het niet vergaderd, en wel uit leden bestaat, die hiervoor een afzonderlijke qualiteit ontvangen, ziet terstond de opzettelijke misleiding in.

Ons tweede verzet en protest tegen het misbruik, van het woord besturen gemaakt, ging in tegen het valsche denkbeeld, alsof men op die wijze nu eindelijk ook een hoogste bestuur verkreeg in de Synode, en als bezat dit op den hoogsten trap staande bestuur nu de souvereine, d.i. wetgevende, rechtsprekende en besturende macht. Elke

|33|

trap kenmerkt de hiërarchie; de Gereformeerde kerken daarentegen kennen geen enkelen trap in het bestuur. Alle besturen der plaatselijke kerken staan gelijkvloers naast elkaêr. Vele, meerdere, eindelijk alle kerken kunnen saamkomen, maar wat saamkomt zijn altoos de bestuurscolleges der plaatselijke kerken. Een hooger en nóg hooger en hoogste bestuur is dus ondenkbaar. Christus is de souvereine Koning bij Gods gratie, en door hem is slechts één enkel soort bestuurscolleges ingesteld en dat zijn de kerkeraden, welke kerkeraden last en bevel hebben om ook saam te vergaderen en saam te handelen, maar steeds als saamgekomen kerkeraden, nooit als een bestuurscollege van hooger trap.

In de Synode van Gereformeerde kerken is geen enkele bevoegdheid tot regeling of ordening dan voor zooverre de leden er die brengen uit de kerkeraden; in welke kerkeraden ze door de ambtsdragers in naam van Koning Jezus gebracht was.

Na echter tegen dit tweeërlei misbruik van het woord bestuur nogmaals ten ernstigste geprotesteerd te hebben, aanvaarden we het gebod dat er ook in de kerk van Christus op aarde een bestuur, een politie, een regiment of een regeering zijn moet ten volle. Zonder zulk een bestuur kan de kerk haar leven in het zichtbare niet dan zeer tijdelijk en altoos op gebrekkige wijze voortzetten.

Van zulk een normaal en wettig bestuur intusschen kan en mag men niet zeggen, dat het eenvoudig hetzelfde is als de ambten. Neen, tusschen het bestuur over een kerk en de ambten in een kerk bestaat altoos dit principiëel verschil, dat er nooit een bestuur zonder ambt is, maar dat er wel ambten kunnen zijn, zonder dat er alsnog een bestuur is.

Bestuur toch bestaat in de kerk van Christus nooit in één ambtsdrager, maar alleen in meerdere saam. En overmits nu de steenen er zijn alvorens de muur er is, zoo komen er ook ambten zonder dat het bestuur er nog is. De ambten zijn de saamstellende deelen, uit wier saamvoeging eerst het bestuur ontstaat, en ontstaat naar bepaalde regeling en orde. Doctoren en Diakenen b.v. zijn zeer zeker evengoed ambtsdragers als de Herders en Opzieners, en toch worden ze in het bestuur der kerk veel minder gemengd.

Dientengevolge is hierbij nog iets anders in het oog te houden.

Het bestuur in een kerk ontstaat niet enkel in de bijeenvoeging van tijdelijke dragers van het ambt, maar bestaat ook wel terdege in de bindende kracht van al zulke regelen en ordinantiën, als op grond van Gods Woord zijn vastgesteld. In het bestuur over een kerk is dus tweeërlei: 1. de saamvoeging van het ambt en 2. de kerkenordening, en het is eerst wanneer de tijdelijke ambtsdragers naar die regelen zijn saamgevoegd en naar die regelen besluiten, dat hun college werkelijk het bestuur der kerk is.

Dat zou niet zoo zijn, indien de kerk plotseling ontstond en slechts tijdelijk bestond, maar nu de kerk een historisch leven leidt, en dezelfde blijft, al is het ook dat de geslachten komen en gaan, en geheel ander personeel optreedt, is het bestuur eerst dan werkende als de ambtsdragers in deze historische continuïteit optreden.

En ook, dit zou anders zijn, indien de tijdelijke ambtsdragers de kerk naar eigen goeddunken konden regeeren, maar is niet anders, nu de ambtsdragers aan Gods Woord gebonden zijn. Nu toch is hun bestuur over de kerk dan alleen wettig, zoo ze zich aan dit Woord houden.

Ambt en Bestuur verschillen dus op allerlei manier. Het ambt moet er vooraf zijn als de bouwstof, waaruit het bestuur tevoorschijn treedt In het bestuur intredende, treedt de ambtsdrager in een bestaande regeling en kerkenordening. En eindelijk, als ambtsdrager is hij alleen inzooverre wettig medebestuurder, als hij én bij de beoordeeling dier kerkenordening én bij zijn adviezen en stem, zich onvoorwaardelijk aan de wet houdt, d.i. aan het Woord van God.

Een college, zich bestuur eener kerk noemende, is dus geen bestuur of ook een gansch onwettig bestuur: 1°. zoo er andere personen dan in hun qualiteit van ambsdragers in zitten; 2°. zoo het niet saamgevoegd is naar de regelen der kerkenordening, en 3°. zoo óf die kerkenordening óf de besturen niet conform den Woorde Gods zijn.

De thans vrijkomende kerken hadden dientengevolge geen recht om zoo maar eens een nieuwe kerkenordening te maken, maar moesten aanvangen met de kerkenordening van 1619 weer te eeren. En de Synodale

|34|

tegen-kerkeraden en hoogere besturen, zijn daarom geen wettige besturen, omdat ze 1°. saamgevoegd zijn naar een ordening die tegen den Woorde Gods is, en 2°. bij hun besluiten tegen de wet der kerk, d.i. tegen Gods Woord ingaan.

Waar nu geen wettig bestuur is, moet het opgericht, en kan het niet opgericht of er moeten eerst ambtsdragers zijn. Waar dezen dus niet zijn, moeten ze eerst verkozen. Of ook, waar wel ambtsdragers zijn, maar die weigeren een wettig bestuur te vormen, moet een ander stel ambtsdragers naast hen optreden, gelijk dan ook geschied is.

Hieruit echter volgt, en men zal het gewicht van deze gevolgtrekking beseffen, hieruit volgt volstrekt niet, dat de ambtsdragers, die weigeren in het wettig bestuur samen te werken, deswege terstond hun ambt kwijt zijn.

Een steen blijft een steen, ook al wordt hij niet ingevoegd in den muur. En zoo ook blijven de ambtsdragers in hun ambt, ook al is het dat ze weigeren zich te voegen in het wettig bestuur.

Geen grooter ongerijmdheid kan ons derhalve worden toegedicht dan nog onlangs door Dr. Hoedemaker geschiedde, die ons de meening toeschreef, alsof de herders en opzieners die niet met de Reformatie medegaan, deswege naar ons oordeel van hun ambt vervallen waren.

In het minst niet.

Zij blijven in hun ambt en zullen als ambtsdragers geoordeeld worden. Maar het dusgenaamd Bestuur, waaronder zij zich voegen en dat zij voeren, is onwettig en dus geen bestuur, omdat het saamgevoegd is naar een ongoddelijken regel en gevoerd wordt tegen Gods Woord in.

En dit nu wordt voor hen des te bezwarender van aard, omdat zij zich niet slechts in dit valsche bestuur voegen en het helpen voeren, maar omdat zij gelijktijdig weigeren, zich als bestuur saam te voegen naar de Gereformeerde kerkenordening en meê te werken in een bestuur, dat leeft naar Gods Woord.

Kuyper, A. (1898.14) H9

 

9. Dat eerst na het zichtbaar worden der Kerk het ambt optreedt.

 

Zoo is dan de kerk er eerst; zichtbaar geworden zijnde door den heiligen Doop; in die kerken komen de ambten; en die ambten worden bekleed door ambtsdragers, die, saam in een college vergaderend, het bestuur over de kerk vormen.

Toch moet hier nog iets bijgevoegd.

Immers, zeer terecht zou men kunnen vragen: Als het ambt eerst in de reeds zichtbare kerk inkomt; en die kerk is reeds zichtbaar geworden door den heiligen Doop; en de heilige Doop is een Sacrament, dat alleen door ’t ambt mag bediend worden; eilieve, dan moet toch eerst het ambt er zijn, om tot den Doop te komen, en om door dien Doop te geraken tot een zichtbare kerk.

Dit argument schijnt sterk, maar is, wél bezien, toch, o, zoo zwak.

Het Sacrament van den heiligen Doop toch wordt door de ambtsdragers bediend, niet wegens innerlijke noodzakelijkheid, maar uit hoofde van architectonische raadzaamheid.

Vandaar, dat het Sacrament van den heiligen Doop in gevallen van nood evengoed is bediend geworden door de geloovigen die niet in het ambt stonden. In de Luthersche zusterkerk grijpt dit nog gedurig plaats. In de Roomsche kerk is het, bij doodsgevaar, voor het zieleheil van het kind zelfs geboden. En wel hebben onze kerken den dusgenaamden nooddoop niet overgenomen, maar toch wel, en hierop komt het aan, ook zulk een doop als Doop erkend, en voorts den nooddoop afgeschaft uit heel anderen hoofde.

Erkend.

Want immers, de doop van een kind, dat onder Roomschen of Luterschen gedoopt is, wordt door de Gereformeerde kerken wel terdege als Doop erkend, zonder dat men vooraf onderzoek doet, of het wel gedoopt is door een pastoor of pfarrer.

Daar men nu weet, dat Roomsch- of Luthers-gedoopten zeer dikwijls den leekendoop ontvingen, zoo blijkt dat de Gereformeerde

|35|

kerken, door nochtans zulk een doop als wezenlijken Doop te erkennen, de bediening door het ambt niet als tot het wezen van den Doop behoorende beschouwd hebben.

En ook, ze hebben den nooddoop afgeschaft uit heel anderen hoofde.

De Roomschen en Lutherschen verklaarden den nooddoop voor onmisbaar, overmits in hun beschouwing de Heilige Doop iets aan iemand toebracht voor zijn eeuwig leven. Derhalve mocht niemand ongedoopt de eeuwigheid ingaan, of hij leed schade. Op dat standpunt moet men dus tot nooddoop komen, of men is liefdeloos en onbarmhartig.

Onze vaderen daarentegen leerden, dat deze voorstelling onjuist is, want dat men door den heiligen Doop niet eerst in het lichaam van Christus wordt ingelijfd, maar alleen dán op den Doop recht heeft, als men reeds in dit lichaam in is, en dat de Doop als „een sienlick teecken” niet strekt om ons in de onsienlicke kerk der eeuwigheid, maar alleen om ons in de sienlicke kerk op aarde in te lijven.

En hiermeê verandert de zaak natuurlijk geheel. Want neemt God de Heere dan een kind zoo spoedig na de geboorte weg, welnu, dan wordt het daarom toch uit de kerk der eeuwigheid niet uitgesloten, maar had alleen niet zijn opneming in de zichtbare kerk plaats.

En hiermeê verviel natuurlijk de nooddoop. Niet in het allerminste uit mindere opprijsstelling, maar enkel door een juistere opvatting van den Doop, als zijnde enkel een sienlick teecken voor de sienlicke kerk.

Doch ook op andere wijs nog is aan te toonen, dat de ambtelijke bediening voor het Sacrament geen essentieele beteekenis heeft.

Eens is uiteraard den eersten keer het Sacrament toegediend, en natuurlijk die eerste maal kon het door geen ambtelijk persoon worden toegediend. Vandaar dat Abraham zichzelven het Sacrament toediende. Evenzoo toen Mozes’ zoon onbesneden was, is de besnijdenis van dat kind, om den toorne Gods, door een niet-ambtelijk persoon verricht.

En hetzelfde geldt immers van den heiligen Doop.

We willen nu niet spreken over het verschil en de overeenkomst van Johannes’ Doop met onzen Doop. Dit zou te ver leiden. Maar zooveel voelt elk lezer dan toch, dat ook hier een begin is gemaakt.

En zóó weinig zijn we ook bij den voortgang van den Doop aan de erfopvolging van het ambt gebonden, dat nu nog een groep van kinderen Gods, die door schipbreuk op een eiland verzeilde, en geen dominee bij zich had, wel terdege verplicht zoude zijn, om, zoo er een kind geboren wierd, dit door den vader zelf te doen doopen.

En was het een schip met enkel zusters geweest, of waarvan alleen de vrouwen gered wierden, dan nog zou een der zusters het moeten doen.

Nood breekt altoos wet zoolang die wet niet noodzakelijk in het wezen gegrond is.

Wet is het, dat God ons onzen mond gaf om te eten; maar als iemand een mondgebrek heeft, kan men hem de voeding ook door een pijp in de maag brengen; enkel wijl het niet tot het wezen van de voeding behoort, dat de spijs door den mond ga, maar wel dat het voedsel in de maag kome.

Wet is dat we gaan op onze voeten. God gaf ze er voor. Maar als een soldaat zijn twee voeten zijn afgeschoten door een granaat, kan hij toch op krukken strompelen, omdat het tot het wezen van het gaan wel behoort, dat men vooruitkome, maar niet noodzakelijk dat dit geschiede door de voeten.

Nu mag men, als iemands mond in goeden staat is, hem zeker geen gat in zijn keel maken, om er hem voedsel door toe te dienen. Dit ware verminking. Neen, zoolang de mond er is, gaat het door dien mond. En zoo ook, zoolang iemands beenen goed zijn, mag hij niet op krukken loopen, dit ware een bespotten van zijn Schepper. Maar is mond of voet onklaar, dan komt er een hulpmiddel, door het wezen der zaak zelf aangewezen, want de mond en de voet bestaan door en ook om het lichaam, en niet hel lichaam door en om voet of mond.

En zoo nu ook hier.

God gaf voor den Doop het ambt. Is het ambt dus gereed, dan wordt de Doop door het ambt bediend. God gaf het ambt er voor. Het is zijn ordinantie.

Maar raakt het ambt onklaar, dan gebruikt men een hulpmiddel, waardoor het wezen van den Doop gered wordt. Eenvoudig wijl de Doop er niet om het ambt, maar het ambt er mede om den Doop is. En de noodzakelijkheid van den Doop niet in het ambt maar in de zichtbaarwording van de kerk zelve ligt.

|36|

Hierom mogen we het er dus voor houden, dat elk bezwaar tegen onze stelling, dat eerst de kerk zichtbaar wordt, en eerst daarna het ambt in haar optreedt, is afgesneden.

Slechts dient volledigheidshalve nog met een enkel woord het geval besproken, dat in een ambtelooze kerk een ambtsdrager van buiten optreedt.

Het gold namelijk bij onze vaderen altoos als regel, dat een plaatselijke kerk, die tijdelijk zelf verstoken was van ambtsdragers, hulp en assistentie van elders ontving.

De nagebuurde kerken wierden dan aangezocht, en deze zonden dan een dienaar des Woords met of zonder ouderlingen. En deze trad dan op, om de ambteloosheid dezer kerk tijdelijk tegemoet te komen.

Dit steunde intusschen volstrekt niet op de overtuiging (die onze vaderen nooit hadden), alsof het Sacrament van het ambt onafscheidelijk was. Zoo Sacerdotale opvatting is door hen nooit gehuldigd. Maar wel op de heel andere overtuiging, dat in hun kerk slechts die ééne zelfde kerk van Christus uitkwam, die ook elders zichtbaar was.

Als een fontein in de bergen tien, twaalf verschillende openingen heeft, zoodat er tien, twaalf onderscheidene beekjes uit afvloeien naar verschillende zijden, dan hebben elk van die beekjes hun eigen loop en eigen bedding. Maar omdat ze alle uit eenzelfde fontein afvloeien, is het toch eenzelfde water, dat in aller bedding vliet.

Zoo ook bij de kerk.

Het onzichtbare lichaam van Christus is de ééne fontein, en op elk dorp en in elke stad heeft die fontein een opening en vloeit er een kerk uit, en elk dier kerken heeft dus een eigen loop en bedding. Maar omdat in die alle saam altoos eenzelfde kerk openbaar wordt, is het toch één leven dat aan alle gemeen is.

Hierop nu steunt de overtuiging, dat een ambtsdrager nooit exclusief ambtsdrager in ééne bepaalde kerk, maar dat hij ambtsdrager in de kerk van Christus is, waar die ook openbaar wordt, en dat slechts orde, regelmaat en verdeeling van arbeid, in gewone toestanden, den ambtelijken kring bepaalt en beperkt.

Is het daarentegen dat in buitengewone omstandigheden deze perken en bepalingen wegvallen, dan treedt zulk een ambtsdrager ook buiten zijn eigen kring op en helpt wie hulpe noodig heeft.

Doch wel verre van daar, dat op die wijs de kerk eerst door het ambt zichtbaar zou worden, toont het juist omgekeerd, dat zulk een kerk reeds zichtbaar is, eer zulk een ambtsdrager tot haar komt. Immers anders kon hij haar niet waarnemen, niet tot haar komen, en haar niet vinden.

Hij zou dan puur een missionaris zijn, die onder heidenen gaat, en beginnen moet met ook alle volwassenen te doopen.

Dat hij dit niet doet, maar gedoopten vindt, en slechts het „zaad der kerk” doopt, toont dus zonneklaar, dat hij komt tot een reeds bestaande kerk, en aan die kerk als zoodanig zijn diensten aanbiedt. 

Kuyper, A. (1898.14) H10

 

10. Dat eene plaatselijke openbaring van de Kerk van Christus niet op zichzelven mag blijven staan.

 

Nog twee punten bleven ter bespreking over, die we in dit en een volgend artikel hopen af te doen.

Is dan nu de kerk van Christus in eenige stad of dorp zichtbaar, doordien er personen gedoopt zijn of openlijk met belijdenis van den Christus voor de wereld uitkomen; zijn onder deze personen ambten ingesteld; en zijn zij, die deze ambten bekleeden, in een college saamvergaderd, als een raad of bestuur der kerke opgetreden; — dan kon men zich wel eens gaan inbeelden, dat zulk een openbaring van de kerk van Christus op een bepaalde plaats nu ook op zichzelf stond en met de andere kerken niets te maken had.

Dien weg gingen de Independentisten op, die wel zeer ijverig tegen alle Hiërarchie streden, en zeer warm voor de rechten der

|37|

plaatselijke kerken optraden; maar door overprikkeling en eenzijdigheid oversloegen in een ander, bijna even gevaarlijk uiterste.

De Independentist toch stelt zich de zaak zóó voor, dat de kerk uitkomt waar zij uitkomt, en nu voorts vrij is om te doen wat ze wil.

Ze kan zich, zoo oordeelt hij, met andere kerken in contact stellen. Ze kan dit ook laten. Ze kan het tijdelijk, ze kan het voorgoed doen. Ze kan het op beding of zonder beding doen. Maar wat ze ook doet, ze doet dit krachtens vrije wilkeur. Dit is al bloote zaak ran overleg en conveniëntie. De Heere bemoeit zich daar niet mede. Hij heeft desaangaande geen wil. Voor Hem zijn dit onverschillige dingen. De kerken doen hierin naar eigen goeddunken.

En dit valsche standpunt, waardoor een door en door Arminiaansch kerkrecht wordt ingevoerd en alle kerkorganisatie van ’s menschen goeddunken afhankelijk wordt gesteld, hebben onze vaderen dan ook zeer terecht en zeer ernstig bestreden.

Het Independentisme, de kerkelijke ervaring in alle landen heeft het geleerd, is een loochening van het Genadeverbond in zijn eenheid, en een valsche doorwerking van een op Christelijk terrein onhoudbaar individualisme.

Ge hebt dan ook niets anders te doen, dan het Genadeverbond weer te prediken, de eenheid van het Lichaam van Christus weer duidelijk op den voorgrond te plaatsen, en de gemeenschap der heiligen weer als hoofdeisch voor het Christelijk leven, en dus ook voor het leven der kerk, te doen uitkomen, om althans principieel dit Independentisme terstond te overwinnen.

Het beeld, dat we een vorig maal bezigden, van de ééne bron, die in tien, twaalf beekjes van de bergen vloeit, en nochtans éénzelfde water in al die onderscheidene beekjes blijft uitgieten, toont het ongelijk en de ongerijmdheid van het Independentisme dan ook duidelijk.

Intusschen, zoo grif en voetstoots we dit ook toegeven, wees niettemin op uw hoede, dat ge in uw rechtmatig toornen tegen het Independentisme, uw doel niet voorbijstreeft.

Gingt ge toch aldus redeneeren: „Omdat het Lichaam van Christus geestelijk één is, is ook feitelijk de openbaring van dit Lichaam één” dan waart ge opeens bij Rome. Juist deze redeneering toch is Romes sterkte. Het is het denkbeeld van den rok zonder naad. Omdat er geestelijke eenheid is, daarom ook institutaire eenheid, niet slechts als ideaal, maar als uitgangspunt voor uw kerkelijk recht.

En dit nu is ganschelijk gedwaald.

Bestonden er geen beletselen, die de zuivere en vrije uiting der kerk van Christus belemmerden, dan ja, spreekt het vanzelf, dat het ééne Lichaam van Christus niet anders dan in zijn eenheid zou kunnen uitkomen.

Een lichtstraal, die op geen hindernis stuit, wordt niet gebroken.

Een stroom, die van de bergen daalt en geen hoogte of rotsblok in zijn weg ontmoet, deelt zich niet in velerlei armen.

Het geluid, dat geen stoornis vindt, gaat ongebroken door.

Maar nu dit heilige Lichaam van Christus optreedt onder zondige menschen en in een zondige wereld, nu spreekt het vanzelf, dat er allerlei stoornissen, beletselen en hindernissen aan zijn openbaring in den weg staan, en dat slechts bij hooge uitzondering en slechts voor een tijd heel dit Lichaam van Christus’ kerk zich als eenheid openbaren zal.

Dit is korten tijd geschied onder den druk der groote vervolgingen en ook daarna nog ten deele op de groote conciliën zoo gebleven, maar toen de kerk zich nog verder uitbreidde, en haar macht grooter wierd, is van lieverleê die eenheid een valsche geworden; tot ten leste die valsche eenheid in de Reformatie weer brak, en nu sinds dien tijd, de kerk van Christus in allerlei gebroken deelen uitkomt.

Dit nu maakt, dat de uitwendige eenheid van de kerk in haar bestuur thans afwezig is, want allerlei bestuur bestaat hier te lande en buitenslands naast elkaêr. Maakt evenzeer, dat de eenheid van de kerk in de rechtssfeer van den Staat afwezig is, want de gedachte zelfs van het ééne groote wereldrijk is gesprongen, en tal van keizerrijken en koninkrijken zijn naast elkaêr opgetreden, zoodat zelfs de Roomsche kerk zich onder allerlei onderscheiden bedeeling van het staatsrecht voegen moet. En maakt ten slotte, dat het dwepen met een landskerk of een volkskerk niets dan een flauw naschijnsel is van de geestdrift, die eens de middeleeuwen voor de ééne, alle landen en volken omvattende wereldkerk in geestdrift ontstak.

|38|

Een volkskerk of landskerk kunt ge nooit uit de eenheid van het Lichaam van Christus afleiden, want dit Lichaam des Heeren is onder alle volken en natiën één. De kerk is internationaal!

Voor een landskerk of volkskerk is niets anders aan te voeren, dan dat het verschil van taal u scheidt van de kerken buitenaf, en dat de onderscheiden rechtsbedeeling in het eene en het andere land u de saamwerking met de kerken buitenlands bijna ondoenlijk maakt.

En nu beweren we natuurlijk niet, dat deze taalverscheidenheid en deze verschillende rechtsbedeeling niet onder ’s Heeren bestel staan, maar toch voelt ieder, dat ze niet in het Lichaam des Heeren liggen en nooit uit dat Lichaam als zoodanig voortvloeien. De rechtsbedeeling, zoo van Nederland als van Duitschland en België, is tijdelijk en gaat voorbij; is niet uit het Genadeverbond maar uit het natuurlijk leven; en heeft alzoo met het wezen van de kerk niets van doen. En slechts inzooverre de Heere zijn kerk uit de schepping opbrengt, en om der zonde wil deze schakeeringen in de schepping zijn opgekomen, is na het gebeurde bij Babels torenbouw het Lichaam van Christus in zijn openbaringen aan deze belemmeringen en beperkingen onderworpen.

En dit nu, dat deze hindernissen en splitsingen niet uit het Lichaam van Christus voortkwamen, maar dat het Lichaam van Christus in zijn openbaring er aan onderworpen is, dit juist maakt hier al het verschil.

Nu toch is en blijft het Lichaam van Christus één. Eén dus de band en geestelijke betrekking waarin alle kerken, waar zich die ook openbaren, in haar ééne Hoofd, tot elkaêr staan. En rust eveneens op alle kerken de plicht, om ook in haar uitwendig kleed die eenheid te zoeken. Maar volgt hieruit evenzeer, dat deze plicht nooit verder gaan kan of mag, dan de veiligheid en gaafheid en ongeschondenheid van het geestelijk karakter der kerk gedoogt.

Elke plaatselijke kerk is essentieel, d.i. krachtens haar wezen, zoo ze een ware kerke Christi is, vanzelf en zonder iets te doen, één met het Lichaam van Christus in alle plaatsen.

Elke kerk van Christus moet, zoover kracht en nagebuurdheid dit toelaten, correspondentie der liefde zoeken met andere kerken van Christus, als die van hetzelfde geestelijk Lichaam zijn.

Ze moet de correspondentie des lijdens en des mededoogens kennen, omdat de pijn van één enkel lid heel het Lichaam door de zenuwen krimpen doet.

En ook ze moet, zoover ze kan en dit mogelijk blijkt, correspondentie van ambt en bestuur met de overige kerken zoeken en oefenen.

Ze moet dit doen, niet omdat het zoo nuttig en profijtelijk en gemakkelijk is, maar omdat de Heere het alzoo gebiedt. Jure divino!

Ze moet dat doen, niet omdat dit de liefde streelt, maar omdat ze door anders te handelen zondigt.

Ze moet het doen, niet omdat ze de geestelijke eenheid van het Lichaam van Christus wil uitbrengen, maar omdat het naar goddelijk recht niet anders mag.

En slechts dan is ze hiervan ontslagen, en slaat haar plicht zelfs in het tegendeel om, als zulke correspondentie tegen Gods Woord ingaat en een correspondentie van leugen wordt ter oprichting van menschelijke heerschappij.

Zegt dus de hierarchale man: „Altoos moet er éénheid van de kerken in het Bestuur 

zijn”; en zegt de Independentist: „Dit hoeft nooit en staat aan onzen vrijen wil”; dan getuigt de Calvinist, dat eenheid de eisch is, maar een eisch, die door dezen anderen eisch, dat Christus alleen eere in zijn Kerk hebbe, wordt beperkt.

Op goddelijk en op menschelijk recht komt het hier maar aan.

De Independentist ziet in de combinatie van kerken niets dan bepaling van menschelijk recht.

De Hiërarch eischt de erkenning, dat het goddelijk recht is, maar dienstbaar gemaakt aan menschelijke hoogheid.

De Calvinist daarentegen erkent ten volle dat het goddelijk recht hier den eisch stelt, mits niet vergeten worde dat de eere Gods dien eisch beperkt.

Hoe streng onze Gereformeerden tegen het kwaad van het Independentisme gewaakt hebben, komt in niets treffender uit, dan in hun meerdere vergaderingen.

Drieërlei standpunt kan hier worden ingenomen.

Vooreerst dat der Independenten, die zeggen: „Elke kerk in zichzelve is compleet.

|39|

Er ontbreekt niets aan. Ze is dus volmaakt vrij, om haar eigen weg te gaan, en zich desnoods om geen andere kerk te bekreunen. Doet ze het toch, zoo is dit overtollige goedheid. Niet iets, wat God gebood of uit zijn ordonnantie voortvloeit, maar iets, dat opkwam in de neiging des menschen, en dus alleen aan zijn wilsbepaling hangt. Doe ik het, zoo is het wel. Laat ik het, niemand kan er mij over berispen. Aansluiting aan andere kerken behoort noch tot bet wezen, noch tot het welwezen der kerk. Het staat aan uw believen. Het is een middelding. Gods Woord laat u vrij.”

Dit standpunt veroordeelt onze belijdenis ten eenen male, omdat het de eenheid van Christus’ kerk en de gemeenschap der heiligen opheft. Neen, zeggen wij, Gereformeerden, wel terdege moet ge, als kerk, met uw zusterkerken in gemeenschap treden. Niet uit nood alleen, noch om saam in gelijke behoefte te voorzien. Neen, niet utiliteit, maar ’s Heeren wil en woord moet leidstar wezen, en die wil des Heeren, die zijn kerk één heeft gemaakt, eischt, dat ook in haar zichtbaar optreden die eenheid duidelijk uitkome.

En dat nu hoorende, daagt de Hiërarch op, die het volkomen met u eens is, dat de Independent ongelijk heeft, en u met genot den eisch hoorde stellen, dat de kerk ook in het zichtbare haar eenheid vertoonen moet.

Welnu, zoo voegt de Hiërarch u toe, dat is dan ook juist, hetgeen wij steeds bedoeld hebben. Er moet samenhang, er moet eenheid, er moet klemmend verband bestaan, en dat juist is het ideaal, waarnaar we met ons hiërarchisch systeem hebben gestreefd.

Ook bij ons zijn alle kerken gelijk in rang; dat spreekt vanzelf; om aan de kerk van Rome of Genève een voorrang toe te kennen boven die van Milaan of Zürich, denken we niet. Tusschen kerken en kerken maken we geen onderscheid. De kerk in het groote Amsterdam heeft niets meer te beduiden dan het kleine kerkje van Sloterdijk. Daar zit ’em dus het geheim van onze kracht niet in. Neen, dat geheim schuilt in iets anders.

We hebben namelijk dusgenaamde besturen ingericht. Niet kerkeraden. Want die bestonden er altoos en besturen de gemeente. Neen, we hebben hoogere besturen ingericht. Besturen naast en boven alle kerkeraden. Hoe gekozen, door den koning of door de kerkeraden in de classis, dat doet er niet toe, maar besturen, die iets anders zijn dan de kerkeraden; die bestaan, ook al gingen dezen teloor; die desnoods in de plaats van deze kerkeraden kunnen treden; die een kracht in zichzelven zijn; en als zoodanig alle kerkeraden ringelooren kunnen.

Om te voorkomen, dat dit al te dwaas liep, hebben we dan boven deze hoogere besturen een soort nóg hoogere besturen aangesteld, die we „Provinciaal kerkbestuur” noemen, en waarvan de voorzitter den weidschen titel van president voert, in onderscheiding van den voorzitter van het classicaal bestuur, die slechts praeses heet.

En om zorg te dragen, dat het geheel goed ineensloot en tot organische handeling bekwaam was, hebben we toen over deze hoogere besturen van den tweeden trap nog een laatste hoogste bestuur in de derde macht aangesteld, en daaraan, om door een alouden naam aan een nieuwe zaak ingang te verschaffen, den kerkelijken naam gegeven van Synode.

Hier is dus zuivere hiërarchie.

In tweeërlei opzicht.

Men spreekt van een militaire hiërarchie en een ambtenaars-hiërarchie om aan te duiden, dat er twee, drie of meer graden zijn, waartoe men op kan klimmen. Drieërlei soort waardigheid. Bataillons-, regiments- of brigade-commandant.

Hiërarchie duidt dan aan de trap of ladder, waarlangs men opklimt. Niet op eenmaal stapt men op de bovenste sport. Van laag af moet begonnen. En zoo nu ook is het hier. Eerst wordt men lid van een classicaal bestuur. Eerst als men dit geweest is, kan men opklimmen tot het provinciaal kerkbestuur. En zoo komt men dan eindelijk op de hoogste sport en stapt in de Synode.

En ook, wat de militaire en alle hiërarchie heeft, vindt ge ook hier, te weten dat alle macht in handen rust van een aparte klasse. Bij het militaire de officieren. Bij het synodale leger de dominees. Uit het leger komen wel korporaals en sergeants, zooals ook de synodale armee haar dusgenaamde ouderlingen en diakenen heeft. Figuranten zonder geestelijke beduidenis. Maar de eigenlijke macht is bij de kaste of klasse, die de bijzondere opleiding ontving. De mannen met de epauletten.

|40|

Feitelijk is dus op deze wijs naast en boven de kerken een geheel hiërarchisch kader opgesteld, dat macht aan zichzelf ontleent, en in de Synode zelfs de hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht bezit.

Hiertegen nu hebben wij onzerzijds de ernstige grief, dat heel deze opstal elken geestelijken grondslag mist, en in niets leidt tot het doel.

Doel zou zijn, tegenover het Independentisme, de eenheid der kerk althans in beginsel te bewaren. En zie, hier komt niets van. Duizendmaal beter weet Rome dan dit hooge doel na te jagen. In Romes hiërarchie zit systeem. Ze heeft een geestelijken ondergrond. Ze beweert althans de representatie der wezenlijke, echte kerk van Christus te wezen.

Maar bij uw wereldsche hiërarchie is hiervan zweem noch spoor te ontdekken Gij beweert niets en bedoelt niets. Gij bekreunt u om de kerk van Christus niet. Ze gaat u niet aan. Ze laat u koud. Al uw doel is maar, om een genootschappelijk geheel saam te houden en toe te zien, dat de stoffelijke voordeelen ervan u niet ontgaan.

Ge schermt met uw „volkskerk”, wat, in uw zin opgevat, de vernietiging zelve van de kerk van Christus is.

Er is aan u niets, wat door schoonheid bekoren kan; niets, wat geestdrift wekt; ge mist elk ideaal.

Kopie van een Fransch administratief kader ware misschien nog juister karakteriseering van uw onschoone verschijning, dan de altoos nog een denkbeeld vertegenwoordigende titel van hiërarchie.

En vraagt men, hoe wij dan het gevaar van deze hiërarchie ontkomen, zonder in de omarming van het Independentisme terug te vallen, zie dan hier ons antwoord.

Als alle Christenen in één stad saamwoonden, zou er slechts één kerk en dus slechts één kerkeraad wezen, en noch van een classe noch van een synode viel sprake.

Indien alle Christenen in vier of vijf steden leefden, die tamelijk dicht bij elkaêr lagen, zouden er vijf kerken en vijf kerkeraden zijn, maar zouden nu en dan deze vijf kerkeraden saam moeten vergaderen, om saam af te doen wat allen aanging en aller eenheid te belijden.

Deze vijf saam zouden dan geen hoogere, maar alleen een meerdere vergadering vormen, dat wil zeggen een vergadering van meerdere kerken saam.

Niet een vergadering, die meerder was dan een kerkeraad, maar alleen een vergadering, waarin meerdere kerken saam vereenigd waren.

Zoolang dit getal kerken nu niet boven de dertig ging, kon men nog saamkomen, maar liep het al hooger, en lagen de steden al verder uiteen, dan sprak het vanzelf, dat men slechts door een paar afgevaardigden saam kon komen, en dat het, toen het getal kerken honderden en duizenden beliep, noodig werd een uittreksel uit de verschillende kerken te maken, opdat vergaderen mogelijk zou zijn.

Maar hoe groot ook het getal gerepresenteerde kerken wierd, het beginsel bleef hierdoor één en hetzelfde, dat er nooit iets boven de kerken was, maar dat de kerken zelven saamkwamen, vertegenwoordigd in heur afgevaardigden.

En dit nu is zuiver.

Heel de kerk van Christus bestaat uit de kerken. Alleen die kerken moeten saamkomen.

Zoolang ze saam zijn, hebben zij geestelijk gezag over de dingen, die des Geestes zijn, want ze zijn saam in het ambt en bezig in het huis des Heeren.

Maar gaan ze uiteen, dan bestaan er ook weer niets dan kerken, en heeft niemand iets te zeggen, dan wie er opdracht toe kreeg en zoolang hij die opdracht uitvoert.

En hierbij nu herkent ge terstond het hemelsbreed verschil tusschen alle hiërarchie en ons Gereformeerd stelsel van regeering der kerk.

Als de hiërarchie de classis saamroept, is hoofdzaak en eenig doel, leden voor de besturen te benoemen. Al het andere is een doekje voor het bloeden. Louter viezevazen. Als maar eens die leden voor de besturen benoemd zijn, kunnen de broederen veilig naar huis gaan. Immers, om die leden van dat bestuur alleen is het te doen. Als die er maar eens zijn, zullen die het wel verder klaar spelen.

Daarentegen, als een Gereformeerde classis saamkomt, komt die saam niet om besturen te benoemen, maar om de zaken zelve te behandelen en naar Gods Woord te beoordeelen. En zoo weinig komen er uit zulk een classis bestuursleden voort, dat zelfs de

|41|

praeses van de classis terstond praeses af is, zoodra het Amen van het sluitingsgebed is uitgesproken.

Het is dan ook niets dan boerenbedrog, zoo men het doet voorkomen, alsof heel dat kader van besturen eigenlijk hetzelfde was, als wat men vroeger had in de oude classis en haar deputaten.

Het heeft er niets van, dat beide gelijk zouden zijn.

En opdat het verschil duidelijk in het oog springe, sta hier het verschil:

1°. De synodale classis komt eens per jaar saam, wijl ze niets te doen heeft. De Gereformeerde classis komt vier- en zesmaal per jaar bijeen om zaken te doen.

2°. Op de synodale classis gaat al de tijd heen met benoemen van mannen, die twee en meer jaren een post zullen bekleeden als bestuurslid. De Gereformeerde classis benoemt geen enkel man tot een vasten post, en belast enkel deputaten met uitvoering van een genomen besluit.

3°. Op de synodale classis wordt een praeses van het classicaal bestuur gekozen, die als zoodanig vanzelf de classis presideert, en voorts heel de classis ringeloort, ook als de classis niet zit. De Gereformeerde classis wijst een praeses aan voor zes uur tijds, die ’s morgens praeses wordt en ’s avonds praeses af is, en morgen niets hoegenaamd meer te zeggen heeft.

4°. Op de synodale classis komt niets wat de kerken aangaat in, en alle oordeel over geschillen en moeielijkheden staat niet bij de classis, maar bij het hoogere classicaal bestuur. De Gereformeerde classis daarentegen behandelt de zaak zelve, oordeelt zelve in geschillen en doet de dingen af.

En 5°. dat er ook vroeger moderatoren en deputaten en visitatoren waren, verandert aan dezen stand der zake niets. Immers, deze allen ontvingen niet slechts een benoeming, maar ook een last van de classis, en als die last was afgeloopen, was het uit.

De toen gekozenen waren lasthebbers en uitvoerders van den wil der classis. De nu door de synodale classis benoemden zijn heeren en meesters, die de kerken onder den duim houden en van heur vrijheid berooven.

Kuyper, A. (1898.14) H11

 

11. Over de ambtelijke positie van ambtsdragers die in onregelmatigen toestand verkeeren.

 

Het laatste punt, dat reeds aangestipt, maar nog niet in samenhang besproken wierd, is de ambtelijke positie van ambtsdragers, die in onregelmatigen toestand verkeeren.

We hebben hierbij het oog op de ambtsdragers in de valsche kerken; op de ambtsdragers bij kettersche groepen; op de ambtsdragers bij schismatieke kringen; op de ambtsdragers bij kleine groepen van geloovigen, die het hoofd weer opsteken; op ambtsdragers, die nog zeer regelmatig aangesteld, toch feitelijk hun dienst verloochenden door af te vallen van den Heere en zijn Woord; kortom, op ambtsdragers van allerlei gading, die ’t zij door een oorzaak in henzelven gelegen, ’t zij door een oorzaak die te zoeken is in den kring die hen aanstelde, niet verkeeren in normale, gewone, regelmatige positie.

Vraagt men nu, hoe over alle dezen te denken zij, dan is menigeen aanstonds met zijn kort en snijdend antwoord gereed. „Wel,” zegt hij, „ik erken die allen eenvoudig niet als ambtsdragers. Ze tellen voor mij niet meê. Ik erken alleen de goed en deugdelijk geordende leeraars, ouderlingen en diakenen van mijn eigen kerk; en daarmee uit!”

Is nu zoo iemand Baptist, dan erkent hij alleen en uitsluitend de Baptisten-dominees; want, zegt hij, die anderen, die kleine kinderen nat maken, ontheiligen het Sacrament.

Is zulk een synodaal kerkist, dan kent hij ter wereld geen andere ambtsdragers dan die wel en deugdelijk geapprobeerd zijn door het classicaal bestuur van zijn ressort, geheel onverschillig of zulk een den Christus hoont of eert, zoo hij maar de classicale approbatie heeft.

En zoo voortgaande, acht dan een iegelijk alleen zijn eigen uil een valk te zijn, en ziet buiten zijn eigen kring niets dan duisternis en kerkelijke anarchie.

|42|

Toch is dit zonderling standpunt noch Protestantsch, noch Gereformeerd. Het is in den grond Roomsch-hiêrarchisch, en buiten Rome het standpunt van den Separatist.

Rome, dat de ordening van den priester als een sacrament eert, kent natuurlijk geen priester, waar dit dusgenaamde sacrament afwezig is. En de Separatist, die het alleenzaligmakend begrip van Romes wereldkerk op zijn eigen groepje overbrengt, komt door zijn eenzijdig spiritualisme tot gelijke slotsom. Wie zich bij zijn kring niet voegt, zoo denkt hij, laat zich leiden door een onheiligen geest. Wie dan toch leeraar zijn wil is dwaalleeraar, en een dwaalleeraar, is geen leeraar met al.

Geheel anders was daarentegen van meet af het standpunt van hen, die oordeelden naar het Woord.

Voor hen toch was de zaak niet met één kort oordeel uit te maken, maar moest te dezen scherp en juist onderscheiden worden, al naar gelang het ambt genomen wierd met opzicht tot hem die het draagt of beweert te dragen, dan wel met betrekking tot hen, die zich aan zijn dienst onderwerpen.

Nemen we het laatste het eerst.

Een bedienaar des Woords is voor de gemeente niet een heerschappijvoerder, maar de overbrenger van een boodschap, een gezant, een ambassadeur gelijk men het weleens, hoewel zeer ten onrechte, bij manier van vergelijking met vorstelijke boodschappers heeft genoemd.

Ten onrechte zeiden we.

Immers, een koning zendt een ambassadeur niet aan zijn volk, maar alleen aan een vreemde mogendheid of aan een koning die met hem op eenigszins gelijken voet staat. De keizer van Rusland zendt een ambassadeur aan den keizer van Duitschland; maar niet aan den stedelijken raad van Moskou, en zelfs niet aan een kleinen vorst als den koning van Denemarken. Een ambassadeur zendt een koning aan een anderen koning, over wien hij niets te zeggen heeft, en met wien hij op voet van gelijkheid onderhandelt. Daarentegen aan zijn eigen volk, aan zijn onderdanen, aan degenen, over wie hij te gebieden heeft, zendt hij nooit een ambassadeur, maar alleen een ambtsdrager, die zijn bevelen mededeelt. En overmits nu de kerk op aarde niet een macht naast of tegenover Koning Jezus is, maar zijn eigen gebied, een volk, waarover hij heerschappij voert en waaraan hij bevel geeft, had men nooit die kwade spreekwijs, alsof een bedienaar des Woords een ambassadeur ware, moeten invoeren. Ze prikkelt de hoogheid. Ze geeft inbeeldingen des harten. Ze is aan de hooge waardigheden der wereld ontleend. Ze hoort in Christus’ kerk niet thuis; en als Paulus zich noemt „een gezant van Christus wege”, is gansch iets anders dan een ambassadeur bedoeld.

Maar dien verkeerden naam nu daargelaten, zoo is toch elk bedienaar des Woords een gezondene van ’s Konings wege om aan de kerk de boodschap zijns Heeren aan te zeggen, en de zegelen van deze zijn boodschap te vertoonen en te bedienen.

Een predikant is niet een religieus voorganger; hij is niet een deelnemend persoon, die in aller leed en verdriet ingaat; hij is niet een hulpdiaken, die wat geld voor armen opzamelt.

Veel van dit alles moet hij ook zijn en doen. o, Er ligt een oneindige eisch der ontferming in het herdersambt. Maar toch, dat is het ambtelijke niet, want dát is ieder Christens plicht. Dat moet ieder naar vermogen alzoo, gedrongen door de liefde Christi, volbrengen.

Neen, het ambtelijke is uitsluitend in zijn last gelegen. Hij heeft een opdracht. Hij in onderscheiding van anderen. Hij heeft het Woord aan te zeggen namens zijn Koning. En daarom is hij het alleen, die het Woord bedient.

Juist hieruit echter volgt dan ook, dat zijn ambt voor mij slechts inzooverre autoriteit bezit en mag bezitten, als het bij hem dan ook tot een bediening van dat Woord komt en er bij blijft. Want merk ik, dat hij, in steê van het Woord te bedienen, het Woord inhoudt, vervalscht of bestrijdt, natuurlijk, dan mag ik niet meer naar hem luisteren, en weet ik, dat zulk een hoewel door den Koning gezonden, zijn zender verloochent en alle macht over mij mist.

Geen quaestie dus, of de gemeente ook ten onzent heelt goed gedaan, toen ze de Moderne en Irenische predikanten, voorzoover ze van de waarheid afgingen, verliet en hun dienst beslist verwierp. Zij hadden den Heere verworpen, dies moesten ze verworpen

|43|

worden door zijn volk. En toen ondanks alle protest en verzet en klacht geen toepassing van tucht op deze ontrouwe dienaars te verkrijgen was, toen hebben de ouderlingen te Amsterdam en elders juist gezien en goed gedaan, dat ze voorts de ambtelijke gemeenschap met deze mannen hebben afgebroken. Wie hun anders raadde, ried in Roomschen zin.

Dit wilde echter volstrekt niet zeggen, dat daarom deze personen op hadden gehouden in het ambt te staan. Integendeel was het zeer wel mogelijk, dat ze door den Koning der kerk gezonden waren, maar, hoewel door Hem gezonden, zijn last inhielden, verloochenden en bestreden. Dan zijn ze wel gezanten, maar kwade en ontrouwe gezanten, die als eerlooze en trouwelooze dienaars een dubbel oordeel zullen ontvangen.

Vraagt men of hierdoor dan toch geen schromelijk lynchrecht in de kerke Gods wordt ingevoerd, dan erkennen we dit tot op zekere hoogte.

Er is tweeërlei keur. Een keur naar uitwendig brevet, of wel naar het Woord, waarin de dienaar zich openbaart. Een derde is niet denkbaar.

Wilt ge nu niet de keur der gemeente toelaten, dan moet ge wel alle keur aan de uitgevers van het brevet toekennen, dat is aan de kerkbesturen, en komt ge dus op Romes pad. Ge zegt dan, dat het volk daarover niet oordeelen kan. Dat het oordeel aan de synode of bij den bisschop staat. En dat, waar een bisschop of synode heeft uitgemaakt, dat iemand een echt gezant is, gij er hem voor hebt te houden, al lastert hij den Christus ook; terwijl gij omgekeerd verwerpen moet, wie door synode of bisschop wordt verworpen, al vloeit ook hemeltaal van zijn lippen.

En stuit ge dan op de moeilijkheid, dat er soms twee synoden of bisschoppen naast of tegenover elkander staan, die de één zoo en de ander zus oordeelen, dan blijft er geen andere uitweg, dan dien ook Rome in de dagen der Hervorming insloeg en moet ge wel heil zoeken in de „onafgebroken successie.” Waaronder dan verstaan wordt, dat elk leeraar, tot op de apostelen toe, u moet kunnen aantoonen, hoe van hand in hand het ambt steeds en ongestoord van de heilige apostelen af en op hen gekomen is.

Kiest ge dit standpunt, dan heeft dus Rome gelijk, want Rome heeft de onafgebroken successie, en gij hebt die niet.

Op uw Protestantsch en Gereformeerd standpunt kunt ge dus niet anders zeggen, dan dat de keur geestelijk is en wel terdege bij de kerk staat. Bij de kerk in haar ambtelijke vergaderingen, zoo deze zelve aan den Heere en zijn Woord trouw blijven; maar ook aan de kerk in het ambt der geloovigen, zoodra de wettige vergaderingen van de ambtsdragers den Heere en zijn Woord verzaken dorsten.

Juist daarom hielden onze vaderen tegenover Rome zoo sterk aan de „doorzichtigheid van de Heilige Schrift” vast. Immers met die perspicuïteit viel of stond hun geheele stelsel.

Was de schare der geloovigen niet bekwaam en dus ook niet gerechtigd, om een gezant des Heeren die een valsche boodschap bracht, terstond in zijn trouwloosheid te ontmaskeren en te verwerpen, dan drong het weer alles naar de hiërarchie en dus naar Rome toe.

En omgekeerd, zou de schare der geloovigen, volgens het ambt der geloovigen, tegen ontrouwe gezanten des Heeren kunnen en mogen opkomen, dan moest er perspicuïteit in de Heilige Schrift zijn, dat wil zeggen, dan moest de Heilige Schrift, gelijk ze daar lag, voor de geloovigen zelven zóó doorzichtig en verstaanbaar zijn, dat zij terstond toetsen en bemerken konden, of de boodschap, die hun in naam van Jezus gebracht wierd, metterdaad van hun Koning kwam.

Bleek dit nu anders te zijn, dan mochten de geloovigen zich aan het woord van zulk een trouweloos gezant niet onderwerpen; ja, ze mochten hem zelfs op geenerlei wijze in de uitvoering van zijn trouweloozen toeleg behulpzaam zijn; maar ambtsdrager bleef zulkeen hun niettemin.

Meer nog, juist daarin, dat hij ambtsdrager was, lag zijn ontzettend oordeel.

Eenigszins moeielijker is de quaestie, zoo er sprake komt van ambtsdragers, die raakten of staan buiten het kerkelijk instituut, dat door u als het echte en wezenlijke erkend wordt.

En hier doen zich eerst recht allerlei vragen en allerlei moeielijkheden voor.

Beginnen we met het verst afliggende.

|44|

In het groote Russische rijk is bijna alles Grieksch. Zult ge nu zeggen, dat er in die ontzettende massa’s van tachtig millioen zielen niets meer van de Christelijke kerk is? Stellig neen. Aan niemand, die een kerkhistorie ging schrijven, zou het ooit in den zin komen, van deze groote Grieksche kerk geen woord te reppen. Bovendien deze kerk belijdt God Drieëenig, en belijdt de Godheid van den Christus en de verzoening door zijn bloed, ze belijdt de vleeschwording, de opstanding des Heeren en zooveel meer. Ook heeft ze het sacrament van den doop. Ge kunt dus niet anders, maar moet wel toestemmen: Ja, ongetwijfeld, hoe ontaard en misvormd ook, ook daar is nog kerk van Christus.

Welnu, in die kerk zijn ambten; ook die ambten die Gods Woord eischt. En voorts heeft men ook deze ambten saamgevoegd en geordend in colleges die geheel onschriftuurlijk zijn, maar die komen eerst na de ambten. De ambten zijn er eerst.

En zoo de zaak opvattende hebben onze vaderen en heeft met name Trigland, steeds geleerd, dat al deze bekleeders van in de Schrift gegronde ambten ook in zulk soort kerken wel waarlijk ambtsdragers van Christus zijn, met den last en het bevel, om dit hun ambt trouw naar den Woorde Gods te bedienen, en dat zij er het oordeel voor dragen zullen, indien ze zich onderwinden, om dit anders te doen.

Zijn er dan onder deze ambtsdragers, die nog ten deele hun ambt naar Gods Woord bedienen, dan gebruikt de Heere dezen dienst onder een deksel; en voor zoover ze hun ambt tegen zijn Woord bedienen, zal Hij hen oordeelen. Gebeurde het derhalve, dat zulk een ambtsdrager geheel doorbrak tot reformatie, en met afwerping van alle superstitie, weer geheel naar Gods Woord begon te handelen, dan zou zulk een niet opnieuw in het ambt moeten worden ingezet, maar als reeds in het ambt inzijnde erkend worden.

In de dagen der Reformatie heeft men op dien grond de pastoors, die tot de Reformatie overgingen, eenvoudig zonder nadere aanstelling in hun ambt laten voortvaren. Er waren er die den éénen Zondag nog de Mis bediend hadden, en den volgenden Zondag tegen de Mis preekten. En dat beide malen in hetzelfde ambt. Toen ze de Mis bedienden als ontrouwe, toen ze tegen haar getuigden als trouw geworden ambtsdragers des Heeren.

Hieruit vloeit vanzelf het standpunt voort, dat we hebben in te nemen tegenover de Luthersche ambtsdragers.

De gezamenlijke Luthersche kerken, die zich in Scandinavië, Duitschland, Denemarken en Amerika over millioenen bij millioenen uitstrekken, zijn, naar ieder erkent, een deel van de zichtbare kerk des Heeren. Ook in dat deel zijner kerk heeft de Heere ambtsdragers. Ambtsdragers die er eerst zijn, eer ze hiërarchisch worden saamgevoegd. En die nu wel in die hiërarchische saamvoeging niet voldoen aan den eisch van het Woord, en als zoodanig verwerpelijk zijn; maar die eer ze aan die hiërarchie toekomen, in hun bloot ambt wel terdege ambtsdragers Christi zijn. Voor zoover ze dit ambt naar Gods Woord bedienen, hun en der kerk tot zegen, en voor zoover ze van het Woord afwijken onder de tucht Gods.

En overmits nu de Luthersche kerken niet alleen met ons belijden wat ook de Grieksche, Roomsche en Armenische kerken met ons belijden, maar tevens met ons tegen allerlei dwalingen protesteeren die in deze kerken insloopen; en het verschil in belijdenis tusschen hen en ons, hoewel uiterst belangrijk, en volstrekt niet zoo klein, ons toch niet verhindert, den Heere te danken voor wat Hij aan deze kerken gaf; is er rust in ons gemoed, als we aan dit groot deel der zichtbare kerk denken; en zijn haar ambtsdragers ons in den regel menschen, die we eeren kunnen om huns werks wil.

In al deze kerken kunnen we geen gemeenschap hebben met het hiërarchisch bestuur, maar er is op heur erf niettemin kerk van Christus, er zijn sacramenten Christi, er zijn ambten Christi, en deze ambten zijn en blijven gebonden aan het Woord, ten zegen voor den drager, zoo hij naar dat Woord dient, maar ook den drager ten oordeel en ten verderve, zoo hij tegen het Woord ingaat.

Dit nu geldt uiteraard evenzoo van die kerken van Gereformeerde belijdenis, die hiërarchisch geregeerd worden. Heur hiërarchie verwerpen we. Die mogen we niet aanvaarden. Die is tegen de Schrift. Maar aan die hiërarchie gaan de ambten vooraf, want de ambtsdragers moeten er eerst zijn, zal met deze stelling de hiërarchische muur gebouwd worden.

Ook hier gaan we dus achter deze hiërarchie 

|45|

terug, en vinden ambtsdragers. Ambtsdragers in een deel van het erf der zichtbare kerk, tegen wier instituut we protesteeren, wier instituut we als valsche kerk verwerpen, maar zoo altoos, dat het erf, waarop zij dit valsche instituut hebben opgetimmerd, toch een deel van de zichtbare kerk blijft, en er in dat deel der kerk ambten zijn.

Verkeeren deze ambtsdragers nu tegen het Woord, dan verliest hun ambt wel alle autoriteit en werking, maar het ambt zelf blijft niettemin. Een Modern dominee is niet als een particulier persoon, maar veel erger. Omdat een paard, dat voor uw wagen trekken moest, niet vooruit wil, maar achteruitslaat, houdt het niet op een paard te zijn, maar wordt veel erger, een kwaad paard. En zoo ook, omdat een ambtsdrager tegen het Woord de verzenen inslaat, daarom houdt hij niet op in het ambt te staan, maar zijn ambt verliest alle werking en autoriteit en wordt kwaad. Het is een boog, die naar binnen uitspringt. Een mes dat u zelven snijdt. En zulk een ambtsdrager staat geoordeeld.

Zijn er daarentegen, die onder dit instituut eener valsche kerk levende, het ambt dragen en het voor een goed deel nog naar den Woorde Gods bedienen, dan bezit hun ambt nog wel terdege werking en autoriteit.

Men kan niet met hen saamwerken, het is zoo, omdat het instituut in den weg staat. Men kan niet tot hen gaan, om dienst, wijl dit een valschen schijn zou geven. Maar als deze zelfde mannen morgen den dag zich aanmelden, om onder een beter instituut Gode de eere te geven, dan erkent een ieder ze als reeds ambtsdragers zijnde en bevestigt niemand ze als pas ingekomenen. Van de heeren Ds. Boonstra, Ds. Koster, Ds. Wolff en anderen bleek het onlangs opnieuw.

Dat zijn dus voor ons in hun werking geschorste ambten, maar ambten wel terdege.

En dit brengt eindelijk vanzelf tot de waardeering van die ambten, die ingezet zijn in deelen der kerk, die met ons én in belijdenis én in taal én in kerkenordening één, alleen in bijkomstige aangelegenheden van ons gescheiden zijn.

Ook hier weer hebben we te doen met deelen van de ééne groote zichtbare kerk van Christus. Met zeer zuivere deelen zelfs.

In die deelen vinden we de zuivere belijdenis. We vinden er de goede kerkenordening. Er is geen hiërarchie. Tegen de ambten is dus geenerlei bedenking.

Alleen maar, het is een ander instituut. Er liggen in het verledene handelingen, die eenigszins anders zijn dan uw handelingen. Ook liggen er eenigszins andere banden in de rechtssfeer van den Staat. En eindelijk er zijn andere betrekkingen met opzicht tot het kerkelijk goed.

Geen van al dus zaken, die het wezen of het karakter van het ambt ook maar van verre raken.

En daarom kan het oordeel geen ander zijn, dan dat ge deze ambten wel waarlijk als ambten erkent, de dragers er van eert, en zoo spoedig mogelijk vereeniging van deze ambten en van uw ambten in één college zoekt, naar den eisch van het Woord des Heeren.

En zoo loopt dan alles wel en zit alles consequent ineen.

Christus heeft zijn kerk in hemel en op aarde. Deze kerk ziet ge niet. Ze is onzichtbaar van aard. Maar de Heere maakt ze zichtbaar door zijn „sienlycke teeckenen.” En zoo ligt deze zichtbare kerk gespreid over vele landen en volken. Deze ééne groote zichtbare kerk valt echter in vele deelen uiteen, gedeeld naar afstanden, talen, belijdenis, kerkenordening, instituut. Vandaar dat het eene deel zuiverder dan het andere deel is. Nu pogen de lieden deze deelen der zichtbare kerk ook in institutairen vorm uit te brengen. Sommigen doen dit in een zuiver instituut, anderen in een min zuiver, sommigen eindelijk in een geheel valsch, instituut. Doch zuiver, onzuiver of valsch al deze instituten zijn getimmerd op het ééne groote erf van de eene zichtbare kerk des Heeren. In die kerk zijn ambten. Die ambten zijn gebonden aan het Woord en naar het Woord alleen af te meten. Een drager, die het niet naar het Woord bedient, boet de autoriteit en werking van zijn ambt in en valt deswege onder het oordeel. Maar het ambt zelf blijft, ook in dien bedorven vorm. En als de schuldige morgen den dag zijn schuld belijdt en betert en zich tot het Woord bekeert, treedt hij als bekend ambtsdrager, d.i. als steeds nog het ambt dragende op.

Kuyper, A. (1898.14) Inh

|47|

 

Inhoud.

 

Inleiding — 1

1. Wat onder het woord „ambt” te verstaan zij — 3

2. Het ambt in de Kerk — 7

3. Over het onderscheid tusschen het ambt in de Kerk en in den Staat — 10

4. Dat de kerkelijke ambtsdragers geen heerschende macht bezitten — 20

5. Dat Jezus zijne Kerk op onderscheidene wijze regeert — 22

6. In welken zin, Jezus ambten op aarde onder menschen voor zijne Kerk heeft ingesteld — 25

7. Dat er in de Kerk drieërlei ambt is — 29

8. Onderscheid tusschen het ambt en het bestuur in Jezus’ Kerk op aarde — 32

9. Dat eerst na het zichtbaar worden der Kerk het ambt optreedt — 34

10. Dat eene plaatselijke openbaring van de Kerk van Christus niet op zichzelve mag blijven staan — 36

11. Over de ambtelijke positie van ambtsdragers die in onregelmatigen toestand verkeeren — 41