Bos, F.L. (1950) Art. 17

 

Art. 17.

Onder de dienaren des woords zal gelijkheid gehouden worden aangaande de lasten van hun dienst, mitsgaders ook in andere dingen, zoveel mogelijk is, volgens het oordeel van de kerkeraad en — dies van node zijnde — van de classe; hetwelk ook in ouderlingen en diakenen te onderhouden is.

Het gaat hier voornamelijk over de positieverhouding tussen de dienaren des woords in een grotere gemeente met meerdere predikanten.
Krachtens de gelijkwaardigheid van hun ambt is hun rechtspositie volkomen gelijk.

“En aangaande de dienaren des woords, in welke plaats zij ook zijn, zij hebben eenzelfde macht en autoriteit, zijnde allen dienaars van Jezus Christus, den enigen algemenen bisschop en het enige hoofd der kerk” (N.G.B. art. 31).

Daarom dient ook alle niet strikt noodzakelijk onderscheid in dienst enz. te worden vermeden. Aldus besloot de synode van Middelburg 1581 — het thans nog geldende artikel — met duidelijke correctie van een besluit van de synode van Dordrecht 1578.

“De dienaars des woords en de ouderlingen zullen met gemene bewilliging, naar de gaven van een iegelijk dienaar mogen ordineren wie, wat en in welke plaats prediken zal. En zo hierover enige zwarigheid valt, hetzij

|78|

bij de dienaren of de gemeente, zo zal men op de ordinaire (= gewone, als regel vastgestelde) wijze voortvaren tot de tijd toe dat de zaak door de classis beëindigd is, dewelke voorzichtig zal toezien dat niemand boven reden verheven of veracht worde” (Dordrecht 1578).

“Aangaande het ... (bovengenoemde) ... artikel van de nationale synode van Dordrecht is, om enigheid onder de dienaren te onderhouden, (en) alle kwade verdenkingen, wantrouwen en voorrang te vermijden, voor goed aangezien, dat in deze landen (d.i. Gelderland en Overijssel) de toerbeurt bij de prediking en gelijkheid onder de dienaren zal onderhouden worden” (Zutfen 1580).

“De synode verordineert, dat er gelijkheid in de dienst zal gehouden worden van de dienaren naar het besluit van de synode van Middelburg, ten ware men gewichtige reden had, waarom hetzelve niet kon geschieden, hetwelk niet zal toegelaten worden zonder advies van de kerkeraad en de andere dienaren van de classis” (Harlingen 1590).

In zake de kerkregering is er ook gelijkgerechtigdheid tussen dienaren des woords en ouderlingen.

“In de kerkregering zijn de dienaren des woords niet in macht verheven boven de ouderlingen, maar zijn allen aan elkander gelijk in macht” (Huish. Regl. 1839).