Barnard, Tj. (1994)

De wissel verlegd
Een onderzoek naar het denken over de tuchtmacht der meerdere vergaderingen binnen de gereformeerde kerken in Nederland tussen 1880 en 1940
Leiden
1994

Hoofdvakscriptie kerkgeschiedenis
Faculteit der Godgeleerdheid Rijksuniversiteit te Leiden
Geschreven onder begeleiding van Drs. L.C. van Drimmelen en Prof. Dr. E.G.E. van der Wall

Februari 1994

Barnard, Tj. (1994) Inh

|1|

Inhoudsopgave

 

1 Inleiding — 3
2 Rutgers — 5
 2.1 Inleiding — 5
 2.2 De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken — 6
  2.2.1 Inleiding — 6
  2.2.2 Visie van Lohman en Rutgers volgens De rechtsbevoegdheid — 7
  2.2.3 De vrijheid van de plaatselijke kerk tegenover de meerdere vergaderingen — 10
  2.2.4 Conclusie — 15
 2.3 Verklaring van de kerkenordening — 16
  2.3.1 Inleiding — 16
  2.3.2 Visie van Rutgers volgens de Verklaring — 16
  2.3.3 Conclusie — 21
 2.4 Kerkelijke adviezen — 22
  2.4.1 Inleiding — 22
  2.4.2 Visie van Rutgers volgens de Kerkelijke adviezen — 22
  2.4.3 Conclusie — 24
 2.5 Conclusie — 24
3 Ontwikkelingen na Rutgers — 26
 3.1 Inleiding — 26
 3.2 H. Bouwman — 26
  3.2.1 Inleiding — 26
  3.2.2 De kerkelijke tucht — 27
  3.2.3 Een advies — 30
  3.2.4 Conclusie — 31
 3.3 Joh. Jansen — 32
 3.3.1 Inleiding — 32
  3.3.2 De kerkenordening — 33
  3.3.3 Korte verklaring — 35
  3.3.4 De bevoegdheid — 38
  3.3.5 Conclusie — 40
 3.4 Conclusie — 41
4 De kwestie Netelenbos — 43
 4.1 Inleiding — 43
 4.2 Jan Bernard Netelenbos — 43
 4.3 De procedure tegen Netelenbos — 44
 4.4 Een kerkrechtelijke beoordeling van de procedure tegen Netelenbos — 50
 4.5 Commentaar van H.H. Kuyper — 53
 4.6 Conclusie — 56
5 De kwestie Geelkerken — 58
 5.1 Inleiding — 58
 5.2 Johannes Gerardus Geelkerken — 58
 5.3 De procedure tegen Geelkerken — 59
 5.4 Het recht in de zaak Geelkerken — 71
  5.4.1 Inleiding — 71

|2|

  5.4.2 Argumenten pro ‘Assen’ — 73
  5.4.3 Argumenten contra ‘Assen’ — 75
  5.4.4 Conclusie — 78
 5.5 Conclusie — 79
6 Onderbouwing van het nieuwe kerkrecht — 81
 6.1 Inleiding — 81
 6.2 Argumenten ontleend aan de geschiedenis — 82
 6.3 Argumenten ontleend aan kerkrechtdeskundigen — 86
  6.3.1 Inleiding — 86
  6.3.2 Voetius — 86
  6.3.3 Apollonius — 89
  6.3.4 Rutgers — 91
 6.4 Argumenten ontleend aan exegetisch onderzoek — 92
  6.4.1 Inleiding — 92
  6.4.2 Handelingen 15 — 92
 6.5 Kerkrechtelijke teksten — 93
  6.5.1 Inleiding — 93
  6.5.2 31 — 93
  6.5.3 36 — 94
  6.5.4 79 en 80 — 94
  6.5.5 84 — 95
  6.5.6 Ondertekeningsformulier — 95
  6.5.7 Conclusie — 96
 6.6 Principiële stellingname — 96
  6.6.1 Inleiding — 96
  6.6.2 Het gereformeerde kerkrecht volgens Van Lonkhuyzen — 96
  6.6.3 Conclusie — 97
 6.7 Conclusie — 97
7 Slotbeschouwing — 99
 7.1 Inleiding — 99
 7.2 Samenvatting en conclusie — 99
 7.3 Nieuwe ontwikkelingen — 102
Bijlage — 105
Geraadpleegde literatuur — 111

Barnard, Tj. (1994) Inl

|3| 

1 Inleiding

 

Doel van dit onderzoek is een kerkhistorische analyse te geven van het kerkrechtelijk denken binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland over de tuchtmacht van bovenplaatselijke (=meerdere) vergaderingen in de periode 1880 tot 1940 waarbij speciale nadruk zal liggen op de kwestie Geelkerken (1926) en de consequenties die aan deze zaak verbonden zijn.

De presbyteriaal-synodale kerkregering wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van tenminste twee besturende organen, namelijk het presbyterium of kerkeraad op plaatselijk niveau en de synode op bovenplaatselijk niveau. In elke kerkgemeenschap met een dergelijke kerkregering zal gezocht moeten worden naar een evenwicht tussen de bevoegdheden van de beide kerkelijke vergaderingen. Waar een episcopaal geregeerd kerkgenootschap een duidelijk eenhoofdige leiding heeft, een congregationeel geleid kerkgenootschap geregeerd wordt door een gemeentevergadering, is het presbyteriaal-synodale systeem een via media hiertussen.1 In dit onderzoek zal beschreven worden hoe er over deze problematiek — in het bijzonder rond de tuchtmacht van synodes — werd gedacht binnen het te bestuderen kerkverband.

Het beginpunt van het onderzoek wordt gemarkeerd door het moment waarop de hoogleraar kerkrecht van de Vrije Universiteit, F.L. Rutgers, de basis legt voor het doleantie-kerkrecht. In zijn geschriften geeft hij het kerkrechtelijke fundament voor het te vormen kerkverband van Gereformeerde Kerken in Nederland. De standpunten van Rutgers over de vraagstelling zullen in het tweede hoofdstuk uitgebreid aan de orde komen. Het derde hoofdstuk bevat de bespreking van kerkrechtelijke publicaties na Rutgers. Onderzocht wordt hoe de reflectie over deze zaak gecontinueerd wordt. De hoofdstukken vier en vijf beschrijven twee afzettingsprocedures van gereformeerde predikanten. In het geval van de afzetting van Netelenbos (1919) blijkt alles binnen de traditionele grenzen van het gereformeerde kerkrecht opgelost te worden. Deze kwestie is zelfs aanleiding voor een zekere herbevestiging van de rechten van de plaatselijke kerk. Bij de bespreking van de procedure tegen Geelkerken (1926) zal echter blijken dat een nieuwe weg ingeslagen wordt. Uiteindelijk verlaat men het kerkrechtelijke pad van Rutgers. Vanaf dit moment gaat men anders denken over de bevoegdheden van de meerdere vergaderingen. Het spoor van Rutgers wordt losgelaten, of zoals Van Lonkhuyzen


1 Dit probleem wordt zeer duidelijk gesteld door Van Drimmelen. L.C. van Drimmelen, ‘Kerk of kerken’ in L.C. van Drimmelen e.a., Kerk in orde. Opstellen voor E. Hazelaar, Kampen 1987, pp. 68-69.

|4|

het stelt, de wissel wordt verlegd.2

In het zesde hoofdstuk wordt een weerslag gegeven van de kerkrechtelijke discussie zoals die plaatsvond tussen de aanhangers van het kerkrecht van Rutgers, het oude kerkrecht, en de aanhangers van de besluiten van de synode van Assen in 1926, het nieuwe kerkrecht. Deze discussie vindt een voorlopig einde tegen het eind van de jaren dertig. De hoofdstroom van de gereformeerde theologen is dan overtuigd van het gelijk van het nieuwe kerkrecht. Hier eindigt ook het onderzoek. In het laatste hoofdstuk zal kort beschreven worden hoe in later jaren deze problematiek nog aan de orde is. Zo is de vrijmaking van 1944 te zien als een directe toepassing van de ‘verworvenheden’ van het nieuwe kerkrecht uit 1926.

Dat met de nieuwe fundering van het kerkrecht zoals in de jaren dertig opgebouwd de zaak nog niet definitief beslist is, blijkt uit de latere procedures tegen H.M. Kuitert en H. Wiersinga. Binnen een presbyteriaal-synodaal systeem is het een punt dat altijd in discussie zal blijven. Een nieuwe ronde in de ‘strijd’ tussen meerdere vergadering en kerkeraad zal zeker aan de orde zijn naar aanleiding van een recent protest van de gereformeerde kerk van Haarlem Centrum tegen de jongste publicaties van H.M. Kuitert. Het feit dat zij hun protest richten aan de generale synode en niet aan de plaatselijke kerk van Kuitert is interessant genoeg.3

Hiermee is ook aangegeven dat er ruimte is voor een vervolgonderzoek. Het zou interessant zijn om enerzijds te onderzoeken of de argumenten door vrijgemaakte kant gebruikt gelijk zijn aan die van de aanhangers van het oude kerkrecht. Anderzijds zal onderzocht moeten worden in hoeverre er na de vrijmaking nog principiële reflectie, vooral naar aanleiding van nieuwe tuchtprocedures, ontstaan is binnen het synodale kerkverband.


2 J. van Lonkhuyzen, Een ernstige fout. Het besluit der generale synode te Assen inzake de afzetting van een of meer kerkeraden gewogen en te licht bevonden. Chicago 1926, p. 5 (hierna: Een ernstige fout).
3 Brief van de gereformeerde kerk Haarlem Centrum aan generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland d.d 5 oktober 1993. Een kopie van deze brief is mij ter hand gesteld door H.M. Kuitert.

Barnard, Tj. (1994) H2

|5|

2 Rutgers

 

2.1 Inleiding

 

Een van de grote aanvoerders van de doleantie was Frederik Lodewijk Rutgers (1836-1917).1 Rutgers was van 1860 tot 1879 predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk (hierna: NHK). Daarna was hij betrokken bij de oprichting van de Vrije Universiteit en vervulde aan die instelling van 1879 tot 1910 het ambt van hoogleraar in de theologische faculteit. De vakgebieden die hij bestreek waren het kerkrecht, de kerkgeschiedenis en gedurende een korte periode de exegese van het Oude Testament. Tijdens de periode van de doleantie was Rutgers, net als Abraham Kuyper, als kerkeraadslid betrokken bij de perikelen in de hervormde gemeente van Amsterdam. Zoals blijkt uit een citaat uit het in memoriam van Aalders, was Rutgers de belangrijke figuur voor het gereformeerde kerkrecht.

‘Op de onderscheidene Generale Synoden was steeds het advies van Prof. Rutgers van overwegenden invloed. Hij, die in het Gereformeerde Kerkrecht doorkneed was als geen ander, wist steeds de lijnen zoo zuiver te trekken en zijne inzichten zoo logisch en klaar te ontwikkelen, dat men hem wel volgen moest. [...] Veel verder dan zijne Synodale adviezen strekten echter de ontallijke particuliere raadgevingen die hij in de meest verscheidene kerkelijke kwesties aan personen, kerken of classikale vergaderingen steeds met de grootste bereidwilligheid en belangeloosheid heeft verstrekt. Er zal onder de lezers van dit Tijdschrift wel schier niemand zijn die niet wel eens hetzij zelf zulk een advies gevraagd heeft of in zijne qualiteit van een dergelijk advies heeft kennis gekregen. [...] reeds nu kan wel worden gezegd dat daardoor op den gang van ons Gereformeerd kerkelijk leven een niet licht te hoog in te schatten invloed is uitgeoefend’.2 Gedurende de tijd voorafgaande aan de doleantie en daarna heeft hij door zijn geschriften de basis gelegd voor het doleantie-kerkrecht. Zijn invloed werd verder vergroot door het feit dat hij gedurende vele jaren de theologie-studenten van de Vrije Universiteit het kerkrecht gedoceerd heeft. Niemand heeft in die periode een


1 Voor algemene informatie over F.L. Rutgers zie: Joh. de Haas, Gedenkt uw voorgangers, dl 2, Haarlem 1984, pp. 290-295, D. Nauta, ‘Rutgers, Frederik Lodewijk’, in D. Nauta e.a. (red), Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme, dl 1, Kampen 1978, pp. 303-304 en J.C. Rullmann, Dr. F.L. Rutgers in zijn leven en werken geschetst, Rotterdam 1918.
2 G.Ch. Aalders, ‘Prof. Dr. F.L. Rutgers’ in Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, Kampen, 18 (1917-1918), pp. 9-10 (hierna: GTT).

|6|

grotere invloed op de ontwikkeling van het gereformeerde kerkrecht gehad dan Rutgers.

 

2.2 De Rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken

 

2.2.1 Inleiding

Het belangrijkste werk van Rutgers over de verschillende bevoegdheden binnen het kerkverband is zonder twijfel De rechtsbevoegdheid der plaatselijke kerken dat hij samen met A.F. de Savornin Lohman (1837-1924) geschreven heeft.3 Het is een uitwerking van eerder gehouden lezingen door Lohman en Rutgers.4 De Savornin Lohman was een oude bekende van Rutgers uit de tijd dat laatstgenoemde nog predikant was. Sinds het begin van de jaren tachtig was hoogleraar in de juridische faculteit van de Vrije Universiteit.5

Dit geschrift, ontstaan in het heetst van de strijd van de doleantie, geeft het juridische (civiel- en kerkrechtelijk) standpunt van de dolerenden weer. Het kan gelezen worden als een pleitnota voor de zaak van deze groep. De eerste druk is verschenen in 1886 terwijl een jaar later een sterk vermeerderde tweede druk verscheen. In deze tweede druk, die hier besproken wordt, zijn de opmerkingen van critici verwerkt.6 In dit onderzoek zal voornamelijk besproken worden hetgeen positief gesteld wordt door de auteurs. Niet ingegaan zal worden op de verschillende kritieken, tenzij die verend zijn voor de bespreking.

 

De vraag die de auteurs in het genoemde geschrift proberen te beantwoorden is de volgende. Is de Hervormde Kerk een eenheid waarbinnen de gemeenten niet het recht hebben om zich, onder medeneming van de goederen van de plaatselijke gemeente, af te scheiden? Of is zij een verband van plaatselijke kerken die bij hun onderlinge verbinding niet het recht


3 A.F. de Savornin Lohman en F.L. Rutgers, De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken, Amsterdam 18872 (hierna: De Rechtsbevoegdheid).
4 F.L. Rutgers en A.F. de Savornin Lohman, In hoeverre heeft de genootschappelijke band, die sedert 1816 aan de Ned. gereformeerde kerken is opgelegd, voor de bijzondere kerken die daarin geplaatst zijn eene bindende kracht?, Amsterdam 1882.
5 Voor nadere informatie over De Savornin Lohman zie: A.Th. van Deursen, ‘De Savornin Lohman’ in J. Charité (ed), Biografisch woordenboek van Nederland, dl 1, ’s-Gravenhage 1979, pp. 522-525.
6 Deze critici zijn onder anderen E. César Segers, H.G. Kleyn en M.A. Gooszen.

|7|

opgegeven hebben om zelfstandig te beslissen en in het uiterste geval zich ook te onttrekken aan het kerkverband? Deze zaak wordt aan de orde gesteld op het moment dat de doleantie in alle hevigheid bezig is. De zaak is op dat moment al sub iudice zodat de auteurs met spanning uitzien naar de uitspraak.

Lohman en Rutgers verdedigen het standpunt dat de kerken7 altijd het recht gehad hebben om zich af te scheiden. Vanaf de hervorming is dit ook steeds hun recht geweest. In de verschillende paragrafen wordt dit punt, het recht op afscheiding, door de geschiedenis heen, besproken.

 

2.2.2 Visie van Lohman en Rutgers zoals die blijkt uit De rechtsbevoegdheid

In deze paragraaf zal een samenvatting gegeven worden van dit werk. Lohman en Rutgers beginnen hun bespreking met een beschrijving van de vroege kerk. Toen waren de gemeenten of kerken zelfstandig. Er was slechts sprake van een geestelijke band. Na verloop van tijd voelde men de noodzaak om ketters te bestrijden. Hierdoor kon een vorm van hiërarchie ontstaan. Verder begon de overheid zich met de kerk te bemoeien. Zo ontstond de Rooms-Katholieke kerk onder de eenhoofdige jurisdictie van de paus.

Sprekend over de toestand na de hervorming merken Lohman en Rutgers op dat de kerkeraden van de dan gereformeerde kerken zich altijd hebben beschouwd als de enige rechtmatige opvolgers van de bestaande kerken. Men heeft het bezitsrecht behouden, terwijl slechts de onderworpenheid aan hogere geestelijken of besturen werd ontkend. De onafhankelijkheid van de plaatselijke kerken werd echter opnieuw bedreigd door het optreden van de overheid.

Beginsel van het kerkverband zoals dat in de Nederlanden ontstond, was hetgeen gesteld wordt in art. 84 van de Dordtse kerkorde (hierna: DKO)8. Dit is volgens de auteurs al te Wezel vastgesteld. In dit artikel werd de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk vastgelegd. Deze zelfstandigheid van de plaatselijke kerk blijkt ondermeer de regeling van de attestaties.


7 In het vervolg zal het woord ‘kerk’ gebruikt worden in ‘gereformeerde’ zin, namelijk voor de plaatselijke kerk of plaatselijke geloofsgemeenschap.
8 Als bijlage zijn de relevante teksten uit de DKO opgenomen.

|8|

Wanneer iemand verhuisd was, kon hij slechts na onderzoek van de attestatie van de andere kerk, lid worden van de nieuwe kerk. Dit ging niet automatisch. Net als in de vroege kerk bestond de eenheid van de kerken eerder in de gemeenschappelijke belijdenis, dan in de eenheid van de kerkregering.

Alle bevoegdheden kwamen toe aan de kerkeraad. De kerkeraad was de enige vergadering die continu bestond, terwijl daarentegen slechts van tijd tot tijd enige genabuurde kerken een afvaardiging zonden naar een gemeenschappelijke vergadering, de classis. Bij het sluiten van die vergadering, hield ook het mandaat van die vergadering op. Zo was het ook op synodaal niveau, classes vaardigden leden af voor particuliere synodes, particuliere synodes voor generale synodes. Wanneer de meerdere vergaderingen, dat wil zeggen vergaderingen van meerdere kerken, niet bijeen waren, konden sommige zaken geregeld worden door deputaten. Grote bevoegdheden hadden zij niet.9

Slechts in bijzondere gevallen, bijvoorbeeld volgens art. 31 DKO, kennen de kerken bevoegdheden toe aan de meerdere vergaderingen. Ook hier blijft het altijd aan de kerkeraad om te toetsen of die besluiten niet strijdig zijn met Gods Woord of de kerkorde.10 Niemand kan de plaatselijke kerken dwingen tot het uitvoeren van die besluiten.

Dit is de regeling zoals die formeel altijd gegolden heeft, hoezeer de overheid ook regelmatig geprobeerd heeft zijn wil op te dringen. De theorie werd niet aangetast, in de praktijk gelukte het de overheid, door dwang en door het beheer van financiële middelen, op te treden in de zaken van de kerken.

Geconcludeerd wordt dat de kerken geen uiteindelijk gezaghebbend optreden duldden door de overheid, voorts dat de kerken op grond van de belijdenis tot een zekere eenheid kwamen en in deze zaken soeverein waren ten opzichte van de overheid. De kerken erkenden geen bestuur boven zich. Het waren slechts de kerkeraden die de gemeenten vertegenwoordigden en de kerkelijke goederen behoorden de lokale gemeenten.

Tot aan de invoering van het Algemeen Reglement van de Nederlandse Hervormde Kerk in 1816 (hierna: AR) verandert er volgens Lohman en Rutgers weinig. Wel vindt er onder


9 Dit principe van kerkregering staat ten grondslag aan de gereformeerde kerkorde. Het is verwoord in de DKO en functioneert nog op dezelfde manier in de Gereformeerde Kerken in Nederland na 1892. Voor een toepassing zie de hoofdstukken 4 en 5 van deze scriptie.
10 Het woord ‘kerkorde’ wordt steeds als terminus technicus voor het gereformeerder klinkende ‘kerkenordening’ gebezigd.

|9|

koning Lodewijk Napoleon een herverdeling plaats van kerkelijke goederen. Onveranderd blijft vaststaan dat de plaatselijke kerk het orgaan is met rechtsbevoegdheid.

Na 1816 verandert er veel. Het AR wordt, zonder dat de bevoegdheid hiertoe aanwezig is, bij koninklijk besluit vastgesteld. Dit ‘recht’ wordt afgedwongen. In dit reglement komt de nadruk te liggen bij de synode. De zelfstandigheid van de plaatselijke kerken wordt beperkt. Ook de macht van de synode wordt beperkt; zij wordt slechts een bestuur dat over zaken kan handelen, maar geen leermacht heeft. Lohman en Rutgers tonen uitgebreid aan dat de invoering van het AR niet rechtmatig geschied is. Vanaf de invoering is er steeds verzet geweest, dat echter ook steeds onderdrukt is. Hoewel de nieuw georganiseerde Nederlandse Hervormde Kerk (hierna: NHK) als landelijk genootschap georganiseerd is, blijven er nog resten over van een organisatie met als uitgangspunt de plaatselijke kerk. Te denken valt hier vooral aan de plaatselijke kerkvoogdijen.

De nieuwe structuur moet afgewezen worden. ‘Zal men het eeuwenoude recht der lokale Kerken op hare goederen ten offer brengen aan het op zoo losse gronden gebouwde Synodaal Bestuur — of zal men liever erkennen dat in onze kerken11 thans in kerk- en civielrechtelijken zin, maar één bestuur mogelijk is, nl. dat des Kerkeraads?’12

In een aparte paragraaf bespreken de auteurs de verbreekbaarheid van het kerkelijk verband. Daar het AR de kerken onrechtmatig is opgelegd, blijven de kerken de bevoegdheden houden die zij in 1816 bezaten. Zij mogen dus, met behoud van hun oude rechten, waaronder de bezittingen, het kerkverband verlaten.

Een voorbeeld van de duidelijke aanwezigheid van die bevoegdheden is de kwestie Van Leenhof.13 Uit dit voorbeeld blijkt dat kerkeraden ‘volkomen bevoegd [waren]14 op eigen gezag den band (correspondentie) met andere Kerken af te breken’.15

In een slotbeschouwing constateren de auteurs dat er geen plaats is voor een belemmering van de zelfstandige positie van de plaatselijke kerk. Het nieuwe kerkverband is nooit rechtmatig ingevoerd. De plaatselijke kerken staan nog volledig in hun rechten. Dit blijkt uit


11 Tenzij nadrukkelijk anders vermeld, zijn alle onderstrepingen in deze scriptie van de geciteerde auteurs.
12De Rechtsbevoegdheid, p. 140.
13 Deze zal hierna uitgebreider besproken worden.
14 Rechte haken geven in citaten toelichting van mij weer, TB.
15De rechtsbevoegdheid, p. 164.

|10|

de geschiedenis en de rechtsbeginselen.

 

Lohman en Rutgers pleiten in dit geschrift voor de rechten van de plaatselijke kerken en hun kerkeraden. De organisatie van 1816 is opgedrongen en onwettig. Het moet juridisch mogelijk zijn om deze organisatie, met behoud van de goederen, te verlaten. Dit geschrift is ontstaan juist ten tijde van de doleantie. Toen werd gestreden over de eigendomsrechten van de bezittingen van sommige gemeenten van de NHK. Dat is ook de reden van het ontstaan van dit geschrift. De auteurs lichten het doleantiestandpunt toe. Op welhaast independentistische16 wijze wordt de nadruk gelegd op de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk.17

Hoewel dit geschrift gezien moet worden in zijn historische context, de theologische, juridische en ook politieke strijd van de doleantie, is het ook één van de bronnen van het doleantie-kerkrecht. In later jaren zal steeds naar deze publicatie teruggegrepen worden. Eerst in 1937 zal M. Bouwman grote stukken uit dit kerkrecht, en vooral het beroep op Voetius, ernstig bekritiseren.18

 

2.2.3 De vrijheid van de plaatselijke kerk tegenover de meerdere vergaderingen

Uit De rechtsbevoegdheid zullen twee passages nader onderzocht worden om te bestuderen hoe de verhouding hier ligt tussen de kerkeraad en de meerdere vergadering. Als eerste wordt behandeld een passage waarin besproken wordt wat er zou moeten gebeuren wanneer een predikant of kerkeraad af zou wijken van de gemeenschappelijke belijdenis.19 In tegenstelling tot een vroegere situatie waarin een bisschop op kon treden, is het lastig om


16 Het independentisme kan hier gedefinieerd worden als die stroming binnen het denken over het kerkrecht en de ecclesiologie die alle macht aan de plaatselijke kerk laat, waarbij er geen bovenplaatselijke organen zijn die macht bezitten. Zie ook: D. Deddens, ‘Het congregationalisme’ in W. van ’t Spijker en L.C. van Drimmelen (ed), Inleiding tot de studie van het kerkrecht, Kampen 1988?, pp. 106-109.
17 Dit zou door Rutgers c.s. altijd ontkend worden. Zij zouden stellen dat het kerkverband daar toch te sterk voor is. Geconstateerd moet echter wel worden dat in dit geschrift aan deze gedachte toch niet in het geheel te ontkomen valt.
18 M. Bouwman, Voetius over het gezag der synoden, Amsterdam 1937.
19De rechtsbevoegdheid, pp. 31-42.

|11| 

in te zien hoe er nu ingegrepen zou kunnen worden. ‘Het recht tot zulk een initiatief had vroeger wel de Bisschop, maar of de Classis dat had blijkt niet. Het is in allen gevalle twijfelachtig’.20 In de tweede druk verweren de auteurs zich tegen kritiek van Kleyn. Kleyn had gesteld dat de classis bevoegd was het initiatief te nemen, de afvalligen af te zetten en tot er een nieuwe kerkeraad zou zijn, te doen wat des kerkeraads was. Op vier verschillende argumenten van Kleyn gaan Lohman en Rutgers als volgt in. 1. Volgens de DKO is de classis bevoegd tot visitatie. Lohman en Rutgers stellen dat die bevoegdheden (ontleend aan de artt. 41 en 44) veel minder uitgebreid zijn dan gesuggereerd. Ook Voetius beperkt in dit geval nadrukkelijk de bevoegdheden. 2. Kleyn bespreekt een toepassing van censuur door de classis Dordrecht in 1709. De classis had hier ‘opdracht’ toe gegeven. De auteurs stellen dat dit feit nog niet zegt dat de classis daadwerkelijk die bevoegdheid had. Andere voorbeelden, zoals de zaak van Caspar Coolhaes21 suggereren het tegenovergestelde. 3. Een volgend punt is het beroep op ‘bepalingen der kerkenordeningen’. De bepalingen van de DKO (artt. 72-81) spreken echter nergens over een dergelijk initiatief van de classis. 4. Het laatste argument ontleent Kleyn aan de Politica Ecclesiastica (1663-1676) van Voetius. Voetius stelt dat in geval van wanbestuur ook de bevoegdheid voor de excommunicatie aan de synodale vergadering toegekend kan worden. Lohman en Rutgers bestrijden dit argument door te stellen dat Kleyn slechts een uit zijn verband gerukt citaat gebruikt. Zo betoogt Voetius, even later in zijn betoog, dat aan de plaatselijke kerk de rechten van de uitoefening van de kerkelijke macht moeten blijven. De afzetting van het bedorven deel dient dan door de rest van de gemeente te geschieden. Als dat niet mogelijk blijkt, moet het ‘anathema’ aangekondigd worden met opzegging van de correspondentie. In uitzonderingsgevallen kan bestuursmacht wel aan de kerkeraad ontnomen worden, maar dit behoort te geschieden door de kerk. Dit volgt uit het feit dat de kerkeraad zijn macht ontleent aan de gemeente. Deze macht kan daarna overgebracht worden op enkele ambtsdragers uit de synodale correspondentie en dit ook slechts totdat de kerkeraad hersteld is. Voorts wordt Voetius door Kleyn slecht


20De rechtsbevoegdheid, p. 31.
21 Caspar Coolhaes (1536-1615) was predikant te Leiden. Daar hij weigerde de NGB te onderschrijven, raakte hij in kerkelijke behandeling. De tuchtprocedure tegen hem geldt als voorbeeld hoe meerdere vergaderingen, tegen de zin van een kerkeraad tucht toepasten. Voor meer informatie over C. Coolhaes zie: A.J. van der Aa, Biografisch woordenboek der Nederlanden, dl. 3, Haarlem z.j, pp. 681-684.

|12|

weergegeven. ‘En alsof Voetius daar niet juist opkwam tegen zulke, het recht en de vrijheid der plaatselijke Kerken krenkende handelingen!’22

Het betoog wordt vervolgd met een beroep op art. 31 DKO. De laatste zin van dit artikel geeft aan dat men weerloos staat tegenover een kerkeraad die iets strijdig acht met Gods Woord of de DKO. Kleyn suggereert dat dit bewijs uit Gods Woord geleverd moet worden door de kerkeraad zodat de meerdere vergadering overtuigd zal zijn. Lohman en Rutgers constateren echter dat een dergelijke invulling zinloos zou zijn. Dit zou ook niet te rijmen zijn met de vaste formule die in de geloofsbrieven voor een meerdere vergadering meegegeven werden. De kerkeraad verbond zich daarin: ‘te willen aannemen en nakomen, wat in zulke vergaderingen conform Gods Woord en de gearresteerde kerkenorde besloten wordt’.23 De juiste uitleg moet hier zijn: ‘Ons dunkt, dat de uitdrukking niets anders kan beteekenen dan dit: men is gebonden, tenzij men voor zich zelven bewezen achte, dat Gods Woord de naleving van hetgeen goedgevonden is, verbiedt’.24 Geheel de traditie van de kerkorde en ook Voetius wijzen hierop. Wanneer dit probleem zich voor doet, is de enige oplossing uittreden of uitgezet worden uit het kerkverband.

Zo bleven, indien de overheid zich er niet mee bemoeid had, de afgesneden remonstrantse kerken volkomen kerk. Hiermee scheen de eenheid in gevaar te komen, maar dat was niet zo daar de ware eenheid bestond in de gemeenschappelijke belijdenis. En verder: ‘Er was nu eenmaal geen hiërarchie meer, noch kerkelijke overheid, doch alleen samenwerking en overeenstemming’.25 Bij het laten vallen van dit punt, zou er een nieuwe hiërarchie ontstaan zijn. De duidelijkheid van deze zaak blijkt wel daaruit dat er geen procedure tegen een onwillige kerkeraad is, noch dat afzonderlijke leden iets kunnen doen. ‘Alzoo moest, zoolang er geen middel was dezen te verwijderen, de beslissing van den kerkeraad, zoowel, tegenover de gezamentlijke Kerken, in juridische zin gelden als hoogste wet!’26

Een vraag die bij deze vrij macht van de kerkeraad gesteld kan worden, is die naar de rechtszekerheid van de predikant. Deze is echter gewaarborgd doordat bij het nemen van maatregelen in het kader van de censuur, in het geval van de dienaar des Woords, de classis


22De rechtsbevoegdheid, p. 33.
23De rechtsbevoegdheid, p. 35.
24 Ibidem.
25De rechtsbevoegdheid, p. 36.
26De rechtsbevoegdheid, p. 37.

|13|

betrokken moet worden. Wanneer slechts de kerkeraad en niet de predikant, althans volgens de classis, dwaalt, blijft het recht op tractement ongewijzigd bestaan.

Voetius leert dat classes en synoden geen dwingende macht hebben ten opzichte van kerkeraden in die zin dat normaliter alles uitgevoerd moet worden, behalve wanneer art. 31 DKO van toepassing is. Dan zal men, als de zaak werkelijk belangrijk is, moeten protesteren. In de tweede druk volgt een uitgebreide discussie over het beroep op Voetius. Daar de historische juistheid van het door Lohman en Rutgers geponeerde geen deel uitmaakt van het onderzoek, kan daar aan voorbijgegaan worden.

 

Het tweede gedeelte uit De rechtsbevoegdheid dat nadere aandacht vraagt, is de beschrijving van de casus Van Leenhof.27 Frederik van Leenhof (1647-1713) was predikant te Zwolle, volgens velen omwille van zijn cartesiaanse en spinozistische ketterijen waardig om afgezet te worden.28 Dit werd ook uitgesproken door de meerdere vergaderingen. Hij werd echter door de kerkeraad met steun van de overheid gehandhaafd. ‘Men ging toen evenwel niet over tot de schorsing en afzetting van de recalcitrante kerkbestuursleden te Zwol, zooals uit de toepassing van de nu geldende reglementen zou volgen. Want bestuursbevoegdheid had men over zulk eene kerk niet’.29 De standvastigheid van de kerkeraad werd door de andere kerken beantwoord met een beperking van de correspondentie met de kerk van Zwolle. Attestaties werden niet meer aanvaard en Zwolse predikanten en Van Leenhof in het bijzonder, hadden niet meer het recht elders voor te gaan in diensten. De correspondentie werd weer volledig hervat toen Van Leenhof ontslag kreeg in 1711.

In de tweede druk van De rechtsbevoegdheid wordt uitgebreid ingegaan op kritiek op deze passage. Een eerste punt van kritiek is dat de zaak in Zwolle slechts zo gelopen is door het handelen van de overheid. De overheid heeft de kerkelijke autoriteiten verhinderd streng op te treden. Lohman en Rutgers ontkennen dit niet. Daarmee is echter inhoudelijk, kerkrechtelijk, geen argument toegevoegd. Volgens hun critici is de zaak, bijvoorbeeld Gooszen over het optreden van de overheid: ‘Tegen het vigerend kerkrecht in, dat — het zij bescheidenlijk


27De rechtsbevoegdheid, pp. 164-172.
28 Voor nadere informatie over Van Leenhof zie: J.P. de Bie en J. Loosjes (red), Biografisch woordenboek van protestantse godgeleerden in Nederland, dl 5, ’s-Gravenhage 1943, pp. 680-686.
29De rechtsbevoegdheid, p. 165.

|14|

gezegd! — wel degelijk in deze kwestie aan Classis en Synode de bevoegdheid gaf om tot schorsing en afzetting over te gaan! De Overheid alléén verhinderde zulks’.30 Volgens critici waren classis en synode dus volledig bevoegd de kerkeraad van Zwolle af te zetten.

Hiertegenover stellen de auteurs het volgende. 1. De historische weergave is onbetwist. Discussie is er slechts over de interpretatie van de feiten. 2. De kerken hebben, hoewel constaterende dat de invloed van de overheid groot was, nooit toegegeven dat de overheid het recht had om op een dergelijke manier in te grijpen. Het voorbeeld van Balthasar Bekker (1637-1698) in Amsterdam laat dit zien.31 Door de kerkeraad afgezet, bleef hij door de steun van de overheid predikant. Zo bleef hij zijn traktement ontvangen. Kerkelijke diensten heeft hij echter niet meer kunnen verrichten. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de kerken zich niet door de overheid lieten tegenhouden in hun tuchtprocedures. Lohman en Rutgers citeren brieven waarin de Overijselse kerken aangemoedigd worden om stand te houden tegen de overheden. Nooit werd gezegd dat men zich maar moest schikken naar de overheid. De overheid wordt nergens regeringsmacht in deze zaak toegewezen. 3. Van Leenhof werd gehandhaafd. Niet door het optreden van de overheid, maar door dat van de kerkeraad. De kerkeraad heeft omwille van deze zaak het kerkverband metterdaad verbroken. In 1707 werd dat als volgt weergegeven: ‘de Kerkenraad weigert opentlijk de Classis voor Richter te erkennen, willende aan deselve alleen visie geeven en haar advys horen’.32 De afzetting in 1709 door de synode werd dan ook door de kerkeraad aan de ‘macht van de synode’ onttrokken. Volgens de critici van Lohman en Rutgers hadden classis en synode de kerkeraad ter zijde moeten stellen, maar deden zij dit niet omdat de overheid hun dit belette. Dit is echter onjuist. Er is nooit een dergelijk verbod van de overheid geweest. De kerken lieten zich ook niet afschrikken. De zaak Van Leenhof heeft lang gespeeld. Gedurende die hele periode is er niemand geweest die deze mogelijkheid geopperd heeft. Geconcludeerd moet worden dat de kerkeraad in die tijd een geheel andere positie had dan die na 1816. 4. Als laatste wordt geconstateerd dat de critici de strekking van de mededeling over Van Leenhof in de eerste druk niet goed begrepen hebben. Aangetoond werd dat door het verbreken van


30De rechtsbevoegdheid, p. 167.
31 Voor nadere informatie over B. Bekker zie: J.A.L. Lancée, ‘Bekker, Balthasar’ in D. Nauta (red.), Biografisch lexicon van de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme, Kampen 1983, pp. 53-57.
32De rechtsbevoegdheid, p. 171.

|15|

de correspondentie door de andere kerken, de zelfstandigheid en de rechtsbevoegdheid van de plaatselijke kerk te Zwolle bewezen was.

Uit deze passages kan geconcludeerd worden dat de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk bijna absoluut is. Er is geen mogelijkheid voor meerdere vergaderingen om in te grijpen in plaatselijke kerken. De plaatselijke kerk is alleen in zeer bepaalde gevallen gebonden aan het vrijwillig gesloten kerkverband. Hierbij kan men denken aan het beroepen, maar ook het afzetten van predikanten. Het beroep op de Schrift kan elk besluit van een meerdere vergadering ontkrachten. Interessant is dat Lohman en Rutgers de redenering niet consequent doortrekken met betrekking tot de kerkorde, hoewel die expressis verbis genoemd wordt in art. 31 DKO. Uit het verband en uit het consequent toepassen van deze kerkorde mag geconcludeerd worden dat ten opzichte van de DKO Lohman en Rutgers een zelfde mening toegedaan zijn. De zaak Van Leenhof geeft aan dat meerdere vergaderingen niet kunnen ingrijpen in de plaatselijke kerken. Wanneer andere kerken het niet eens zijn met het gevoerde beleid in een plaatselijke kerk, kan die ene kerk niet gedwongen worden een besluit van een meerdere vergadering uit te voeren, maar dient de correspondentie verbroken te worden en die ene kerk uit het kerkverband verwijderd te worden.

 

2.2.4 Conclusie

Kerken zijn volkomen zelfstandig. Slechts door het vrijwillig aangegane (en ook te verbreken) kerkverband zijn zij gebonden aan meerdere vergaderingen. Een meerdere vergadering kan geen tucht uitoefenen ten opzichte van plaatselijke ambtsdragers. De enige weg die een meerdere vergadering tegenover een 'onwillige' kerkeraad openstaat, is het opzeggen van de correspondentie.

|16|

2.3 Verklaring van de Kerkenordening

 

2.3.1 Inleiding

In 1918 heeft de gereformeerde predikant J. de Jong (1872-1928) een uitgave bezorgd van college-voordrachten van F.L. Rutgers over de Dordtse kerkorde.33 Dit geschrift wil een weergave zijn van de colleges kerkrecht van Rutgers zoals die gevolgd zijn door de auteur.34 De gevolgde colleges moeten gedateerd worden in het laatste decennium van de vorige eeuw. De vraag in hoeverre de weergave van De Jong overeenkomt met Rutgers’ meningen, zoals die bekend zijn uit de door hem zelf geschreven werken, zal aan het slot van deze paragraaf besproken worden.

In dit geschrift geeft De Jong een weergave van de standpunten van Rutgers over de artt. 71-86 van de DKO. In het algemeen kan gesteld worden dat het uitgangspunt voor de tucht ligt bij de kerkeraad. Op vele plaatsen expliciet, op andere plaatsen impliciet, wordt er van uit gegaan dat het de kerkeraad is die optreedt in tuchtzaken. Slechts bij uitzondering wordt gesproken over de classis, andere meerdere vergaderingen of de gemeente. Die plaatsen zullen hieronder besproken worden.

 

2.3.2 Visie van Rutgers volgens de Verklaring

Naar aanleiding van art. 74 wordt ondermeer besproken welke de verhouding tussen kerkeraad en gemeente is in tuchtgevallen.35 De kerkelijke macht berust bij de gemeente, maar wordt uitgeoefend door de kerkeraad. Er kan dus geen sprake zijn dat dit buiten de gemeente om, of tegen de wil van de gemeente in gebeurt. Dit blijkt uit alle momenten in een procedure waarop de gemeente erbij betrokken moet worden. Wanneer de kerkeraad de


33 J. de Jong, Verklaring van de Kerkenordening van de Nationale Synode van Dordrecht van 1618-1619. College-voordrachten van Prof. Dr. F.L. Rutgers over Gereformeerd Kerkrecht, dl 4, Artt. 71-86 Van de censuur en Kerkelijke Vermaning, Rotterdam 1918 (hierna: Verklaring). Andere delen zijn niet verschenen.
34 Voor nadere informatie over J. de Jong zie: Joh. de Haas, Gedenkt uw voorgangers, dl 3, Haarlem 1981, pp. 115-116.
35Verklaring, pp. 40-41.

|17|

tucht niet goed toepast en nalatig blijft, kan de gemeente optreden. ‘Ook is nog een gevolg, dat, wanneer de kerkeraad de tucht verruimt of principieel de tucht ter zijde stelt, ten slotte de tijd komen kan, dat de geloovigen die zelf ter hand nemen, desnoods door het vervangen van de onnutte organen, en door het stellen van andere Opzieners de tucht in de gemeente weer werkelijkheid doen worden’.36

Uit dit citaat valt op te maken dat de tucht een verantwoordelijkheid is van de kerkeraad. In bijzondere gevallen kan de gemeente optreden. Hoewel een argumentum e silentio altijd gevaarlijk is, moet geconstateerd worden dat hier geen ruimte geschapen wordt voor een optreden van meerdere vergaderingen.

 

In het slot van art. 76 DKO wordt gesteld dat niemand afgesneden zal worden zonder voorafgaand advies van de classis. Dit betekent niet dat de plaatselijke kerk deze bevoegdheid zou ontberen. ‘De Classis zou niets te zeggen hebben over excommunicatie als de particuliere kerk er niets over te zeggen had, want de macht van de Classe is de gecombineerde macht van de plaatselijke kerken. De bedoeling is dus niet om aan de vrijheid van de plaatselijke kerkeraad afbreuk te doen, en centralisatie voor te staan, en den plaatselijken kerkeraad van macht te berooven ten behoeve van een soort van hooger bestuur. De bepaling in de kerkorde is gemaakt door de kerken die tot het Gereformeerde kerkverband behoorden, dus is als onderlinge afspraak en overeenkomst van de kerken te beschouwen. De kerken bepalen dit onder elkander. Daartoe hebben zij macht en vrijheid. De plaatselijke kerken beperken zelve hunne macht en vrijheid te dien aanzien. Eene beperking in macht, die men zichzelf oplegt, doet nooit te kort aan eigen zelfstandigheid en vrijheid. De leden zelve bepaalden dit ten einde de kerkelijke tucht zoo zuiver mogelijk te houden’.37 Uit dit uitgebreide citaat blijkt dat de bevoegdheid tot excommunicatie uitsluitend toekomt aan de kerkeraad. De bevoegdheden van de classis terzake zijn slechts afgeleid. Alleen doordat de kerken, door middel van het kerkverband, bevoegdheden afstaan, kan de classis zich ermee bemoeien. In dit geval is het kerkverband noodzakelijk om de kwaliteit van de beoefening van de tucht te garanderen.


36Verklaring, p. 41.
37Verklaring, p. 77.

|18|

Bij de bespreking van art. 77 over de excommunicatie wordt de vraag gesteld wat te doen wanneer er geëxcommuniceerd zou moeten worden en de kerkeraad zijn medewerking weigert. De Jong geeft het voorbeeld van Coolhaes te Leiden. Deze zaak werd opgelost doordat er door de overheid een nieuwe kerkeraad werd benoemd. Deze tweede kerkeraad ging tot excommunicatie over. ‘Tegenwoordig zal dit geval38 zich niet voordoen. Nu zou een kerkeraad, die niet meewerkte, zelf in staat van beschuldiging komen. Wanneer de kerkeraad zich verzetten ging, dan zou hij later zelf een schismatieke kerkeraad worden en in kerkelijke behandeling komen. Gaf hij niet toe, dan zou dit leiden tot een conflict, tot zijne afzetting en tot aanstelling van eenen nieuwen kerkeraad. En nu is er geen Overheid, die er zich tegen verzetten zou’.39

Hieruit blijkt dat een kerkeraad die niet meewerkt aan een luchtbehandeling, zelf beschuldigd zal worden. Helaas wordt niet gemeld wie een dergelijke bevoegdheid zou hebben. Uit de hierboven aangehaalde tekst zou gedacht kunnen worden aan de gemeente. Dit is echter lastig omdat de kerkeraad ‘in kerkelijke behandeling’ zou komen. Een dergelijke procedure is nergens beschreven en kan dan ook moeilijk zo aangeduid worden. Deze procedure zou uiteindelijk resulteren in het afzetten van de kerkeraad waarop deze vervangen zou worden door een nieuwe. Hoe dit precies voorgesteld moet worden, blijft onduidelijk. De zin over de overheid daarentegen is wel. In de tijd van Caspar Coolhaes werd het kerkelijke handelen beperkt en belemmerd door de overheid. Nu echter treedt de overheid niet meer in kerkelijke zaken.

Het hierboven opgenomen citaat vertoont tekenen van een onzorgvuldigheid die niet eigen is aan Rutgers. In tegenstelling tot hetgeen elders in Rutgers’ werk blijkt, zou hier een kerkeraad ‘zomaar’ afgezet kunnen worden. Het is onwaarschijnlijk dat Rutgers dit zou stellen en nog onwaarschijnlijker dat dit zonder goede argumentatie zou gebeuren. Het is ook niet goed mogelijk om de tekst op een andere manier uit te leggen, bijvoorbeeld als beschrijving van de situatie onder het AR, hoewel veel daar op lijkt te wijzen. In dat geval is de laatste zin over de overheid niet te begrijpen. Hoewel sommigen van mening zijn dat


38 Bedoeld is het doen plaatsvinden van de excommunicatie, onder de verantwoordelijkheid van een nieuwe, door de overheid ingestelde, kerkeraad, zoals in het geval Coolhaes, buiten het gebouw van de plaatselijke kerk.
39Verklaring, pp. 84-85.

|19|

het werk van De Jong accuraat en nauwkeurig is, moet toch geconstateerd worden dat deze passage zo afwijkend is van de rest van Rutgers’ werk dat die onmogelijk van Rutgers kan stammen.40

 

De artt. 79 en 80 DKO bespreken de maatregelen van tucht ten opzichte van ambtsdragers. Volgens Rutgers zijn deze procedures met grote waarborgen omgeven. Zo is het oordeel van de classis nodig bij afzetting van een predikant terwijl voor de afzetting van andere ambtsdragers het oordeel van de genabuurde kerk nodig is. ‘Ten aanzien van de afzetting van de dienaren des Woords is bepaald, dat niet alleen de naastgelegene gemeente geraadpleegd moet worden, maar de geheele classe, aan wie het eindoordeel zal staan, omdat bij dienaren des Woords aan afzetting van den dienst zooveel meer verbonden is dan bij ouderlingen en diakenen’.41 Dit is zo geregeld om de volgende redenen. Als eerste heeft de afzetting van de predikant grote gevolgen voor zijn maatschappelijk leven. Ten tweede heeft zijn afzetting een veel grotere invloed in de gemeente. Hij geeft geestelijk leiding aan de gemeente. Ten derde is de goede naam van de kerk is daarmee gemoeid. Daarom is het nodig dat er een andere procedure is. Daarnaast geldt dat een kerkeraad bevooroordeeld kan zijn. Om dit te vermijden roept men de hulp van de classis in. Een predikant heeft ook bevoegdheden buiten de eigen gemeente, daarom moeten ook de andere kerken van de classis hierbij gehoord worden. Aan de classis is het oordeel, ‘want de afzetting heeft strekking voor alle kerken’.42 Uit deze passage blijkt dat de genabuurde kerk en de classis bevoegdheden hebben bij de censuur van ambtsdragers. Zonder hun hulp is geen censuur mogelijk. Het eindoordeel bij een tuchtprocedure voor een predikant is aan de classis. Een predikant kan dus niet afgezet worden zonder de classis. De vraag wordt niet behandeld of een predikant alléén door de classis, dat wil zeggen zonder de kerkeraad, afgezet kan worden.


40 Voor een overzicht van de positieve receptie van de Verklaring zie de verwijzingen in: D. Deddens, ‘Het doleantie-kerkrecht en de Afgescheidenen’ in D. Deddens en J. Kamphuis (ed), Doleantie — Wederkeer. Opstellen over de Doleantie van 1886, Haarlem 1986, pp. 130-131. Een meer kritisch geluid, zij het impliciet, is te vinden in het voorwoord van H.C. Rutgers bij de uitgave van de kerkelijke adviezen van zijn vader (zie hieronder). Het is niet uit te sluiten dat hij doelt op ondermeer de uitgave van De Jong. Ook J. van Lonkhuyzen wraakt deze passage. J. van Lonkhuyzen, Een ernstige fout, pp. 62-63.
41Verklaring, p. 103.
42Verklaring, p. 104.

|20|

Met betrekking tot artikel 31 wordt het volgende gesteld.43 Het uitgangspunt van een systeem als de correspondentie van de kerken is gelegen in de onderlinge hulp die de leden van het kerkverband, elkaar bieden. ‘Dit [helpen] geschiedt dan zoo, dat de gezamenlijke kerken de zaak ter hand nemen en hun gevoelen er over uitspreken. Zooals Voetius zegt: Tien zien meer dan één. En zoo is er meer waarborg voor eene goede uitspraak, wanneer tien kerken oordeelen dan wanneer er ééne oordeelt’.44 In zaken die niet zijn, of waarover de meningen in de gemeente verdeeld zijn zodat er beroep ingesteld is, beslist een meerdere vergadering omdat meerdere kerken meer zien dan één enkele. De kerken hebben zich door middel van het kerkverband verbonden aan het oordeel van de meerderheid van de andere kerken. Als de kerkeraad het niet eens is met de uitspraak van de classis, kan hij zich beroepen op de particuliere synode.

In de uitspraak in een beroepsprocedure moet de vrijheid en zelfstandigheid van de plaatselijke kerk geëerbiedigd blijven. Het is niet zo dat de meerdere, hogere, vergadering het besluit van de lagere, mindere, vergadering vernietigt en zelf vonnis wijst. ‘Uitspraken van meerdere vergaderingen met den term: “wij bevelen en gelasten” zijn niet Gereformeerd. In een Gereformeerd kerkverband ontleent niet de mindere vergadering hare macht aan de meerdere vergadering, zoodat hare macht van de meerdere vergadering afhankelijk zou zijn. Het is juist andersom. De meerdere vergadering ontleent hare macht aan de mindere vergaderingen’.45 De meerdere vergadering kan dus concluderen dat een bepaalde uitspraak van de kerkeraad niet zou kunnen standhouden. Hierop moet volgen dat de mindere vergadering het eerdere oordeel intrekt. Vanzelfsprekend hoeft dit niet van harte te gaan. De minderheid sluit zich aan bij de meerderheid. ‘Iets dergelijks nu heeft ook plaats, als meer kerken zich over eene enkele kerk uitgesprooken hebben, en de kerk het er niet mede eens is. Dan kan niet verlangd en geëischt, dat zij zich voegen zal naar de uitspraken van de meerderheid. [...] Dit zich voegen naar de meerderheid is formeel nodig, omdat de meerdere vergadering de besluiten van eene mindere vergadering niet vernietigen kan’.46 Blijkt dat de plaatselijke kerk van mening is dat de zaak zo niet opgelost kan worden, dan dient zij in


43Verklaring, pp. 114-122.
44Verklaring, pp. 115-116.
45Verklaring, p. 171.
46Verklaring, p. 122.

|21|

beroep te gaan tot aan de generale synode. Dan zal men zich moeten schikken, of als volgens art. 31 Gods Woord of de DKO dat eisen, het kerkverband moeten verbreken. ‘Wanneer eene mindere vergadering zich niet neerlegt bij de uitspraak van eene meerdere vergadering, maar kerkelijk haar gevoelen geldigheid wil geven, dan scheidt zij zich van het kerkverband af’.47 Over het algemeen zal men zich echter richten naar de uitspraak van de gezamenlijke kerken, die men dan zal houden als overeenkomstig met Gods Woord.

In het kerkverband hebben de kerken met elkaar afgesproken elkaar te hulp te komen. Dit geschiedt ondermeer door middel van beroepsprocedures wanneer men er binnen één kerk niet uit komt. Over het algemeen zal de kerkeraad zich conformeren aan de uitspraak van de meerdere vergadering en die uitvoeren. Dit kan echter niet afgedwongen worden. Als de kerkeraad in laatste instantie voet bij stuk blijft houden, rest niets anders dan over te gaan tot verbreking van het kerkverband. Dit kan slechts gebeuren als Gods Woord dit eist of wanneer tegen de DKO gehandeld wordt.

 

2.3.3 Conclusie

Uit de Verklaring komt duidelijk een genuanceerder beeld naar voren. Vanzelfsprekend blijft de kerkeraad het startpunt in zaken van censuur. Toch is de rol van de meerdere vergaderingen duidelijk groter. Kerkeraden kunnen niet zomaar uitspraken van meerdere vergaderingen naast zich neerleggen. In het kerkverband verplicht de plaatselijke kerk zichzelf zich te conformeren aan de standpunten van de meerderheid van de kerken. Slechts in uitzonderingsgevallen, als Gods Woord in het geding komt, kan men afwijken. Kerken kunnen niet gedwongen worden, maar in het kerkverband hebben zij zich zelf verplicht het meerderheidsstandpunt uit te voeren. Plaatselijke kerken behouden altijd het recht het kerkverband op te zeggen.


47 Ibidem.

|22|

2.4 Kerkelijke adviezen

 

2.4.1 Inleiding

Een laatste bron voor de bestudering van Rutgers’ kerkrechtelijke opvattingen vormt de uitgave door zijn zoon van zijn schriftelijke adviezen naar aanleiding van praktische vragen.48

Deze uitgave betreft een bundeling van vragen die schriftelijk aan Rutgers gesteld werden. Tijdens zijn leven heeft hij hiervan vele verwerkt. Deze uitgave is artikelgewijs (volgens DKO) opgesteld. Steeds wordt een algemene vraag gesteld, waarop verschillende adviezen (met het jaartal) volgen. Voor deze uitgave is tijdens zijn leven toestemming verkregen. Zijn zoon H.C. Rutgers schrijft dan ook in zijn voorwoord: ‘Nu was het mij bekend, dat mijn vader altijd bezwaar gehad had tegen het drukken van zijn dictaten over kerkrecht, omdat hij niet wenschte, dat deze door studenten gemaakte dictaten met al de gebreken aan dictaten eigen hem eenigszins verantwoordelijk zouden stellen voor uitingen, die hij zelf niet gezien en gecorrigeerd had. Bij zijn kerkelijke adviezen gold dit bezwaar echter niet en daarom kon hier met vrijmoedigheid zijn toestemming voor de uitgave gevraagd worden’.49

 

2.4.2 Visie van Rutgers volgens de Kerkelijke adviezen

Naar aanleiding van vragen met betrekking tot art. 36 DKO zegt Rutgers dingen die van belang zijn voor dit onderzoek. Over een kerkeraad die volhoudt censuur toe te passen op een lid, terwijl de meerdere vergadering in beroep dit ontraden heeft, schrijft hij in 1897: ‘Ook komt het mij voor, dat de kerkeraad gevaar loopt voor een zeker independentistisch, alleen aan eigen oordeel hechtend, streven. Zoo b.v. zegt de kerkeraad: “wij kunnen en mogen en durven A niet ontheffen van de censuur, want de Provinciale Synode heeft ons niet overtuigd”. Alsof dit laatste een vereischte ware! En alsof niet veeleer eisch was, dat ééne


48 F.L. Rutgers, Kerkelijke adviezen, 2 dl, (H.C. Rutgers ed), Kampen 1921-1922 (hierna: Kerkelijke adviezen).
49Kerkelijke adviezen, dl 1, p. 5. Deze passage kan, zoals hierboven gesteld (§ 1.3.2) als kritiek op De Jong gelezen worden.

|23|

kerk zich neêrlegt bij het oordeel van vele kerken, ook al is het dat zij haar vroegere gevoelen blijft handhaven. Het is eene dwaling, te meenen dat men op kerkelijk gebied zich niet bij het oordeel der broederen mag en moet neerleggen, ook al is men het er niet mede eens, en dan dienovereenkomstig ook mag en moet handelen. [...] Men moet zijn eigen oordeel dan aan dat der broederen onderwerpen (tenzij in zaken waarvoor een uitgedrukt woord Gods is; ’t geen echter bij de toepassing van tucht op een bepaald persoon niet zoo is). En de verantwoordelijkheid is dan ook voor de broederen, door wier beslissing de eigenen conscientie ontlast is’.50

Door het kerkverband hebben plaatselijke kerken zich verbonden om uitspraken van meerdere vergaderingen uit te voeren. Deze verplichting is slechts opgeheven wanneer Gods Woord in het geding zou komen.

 

In een conflict uit 1901 tussen een classis en een kerkeraad over een besluit van de classis dat de kerkeraad moet aftreden, wordt het volgende antwoord gegeven. ‘Alleen is mij duidelijk, dat een besluit der Classe, dat de kerkeraad moet aftreden, (daargelaten nu, of en in hoeverre dat besluit goed en wettig was), geenszins van zelf medebrengt, dat de kerkeraad, daaraan niet voldoende, zou moeten geacht worden niet meer wettig te bestaan; vooreerst, omdat zulk een besluit tot aftreding nog volstrekt niet is eene disciplinaire ontzetting uit het ambt; vervolgens, omdat de kerkeraad tegen dit besluit in appèl is gekomen en dus, hangende het appèl, het besluit niet reeds vanzelf uitvoerbaar is; en eindelijk, omdat de kerkeraad er intusschen wel aan voldaan heeft, dat hij jaarlijks de helft wil laten aftreden’.51 Dit citaat is vrij lastig te begrijpen doordat de achterliggende vraag niet echt duidelijk is. Uit dit antwoord blijkt in elk geval dat het door Rutgers mogelijk geacht wordt dat de classis een kerkeraad afzet. Door het gebrek aan gegevens zijn hier geen conclusies aan te verbinden. Voorts wordt ook duidelijk dat uitspraken van een classis in lang niet alle gevallen direct uitgevoerd behoeven te worden.

 

Naar aanleiding van het afwijzen van een excommunicatie van een lid door een classis in


50Kerkelijke adviezen, p. 261.
51Kerkelijke adviezen, p. 262.

|24|

1909 stelt Rutgers dat het nodig is om óf het besluit van de classis te volgen (en van excommunicatie af te zien) óf in hoger beroep te gaan bij de particuliere synode. ‘Reeds op zichzelf kan een kerkeraad uit kracht van het kerkverband, een gevraagd advies der Classe niet eenvoudig ter zijde stellen en zijn eigen gang gaan’.52

 

2.4.3 Conclusie

De Kerkelijke adviezen vormen nog minder dan de andere bronnen een systematische inleiding in het gedachtengoed van Rutgers. Toch is uit deze teksten op te maken hoe hij dacht over de verhouding van de verschillende vergaderingen. Het is een kerkeraad niet toegestaan af te wijken van de standpunten van meerdere vergaderingen. Slechts daar waar Gods Woord dit ontwijfelbaar eist, kan men tot een eigen besluit komen. Zo is het ook met betrekking tot de tucht. Regel is dat men zich conformeert aan de meerderheid. Bij uitzondering, als Gods Woord in het geding komt, is afwijking mogelijk. Dit heeft dan wel direct gevolgen voor het kerkverband.

 

2.5 Conclusie

 

In dit hoofdstuk is geprobeerd een overzicht te geven van het denken van F.L. Rutgers met betrekking tot de verhouding van de kerkeraad tot de meerdere vergaderingen. Hiertoe is gebruik gemaakt van drie verschillende bronnen die alle in een geheel eigen context geschreven zijn. Hoewel de drie bronnen verschillen vertonen, zijn er gemeenschappelijke trekken. De eerste bron betreft een polemisch stuk. Het ideale, niet bestaande, kerkrecht wordt beschreven. Ruimte voor een praktische, positieve benadering, is er nog niet. De andere bronnen staan in de praktijk van het kerkelijk handelen. De polemische punten uit De rechtsbevoegdheid zijn enigszins afgezwakt.

Samengevat kan het doleantie-kerkrecht, met betrekking tot de specifieke vraagstelling, als volgt worden. Uitgangspunt voor het tuchtrecht is de beslissing van de kerkeraad. Wanneer


52Kerkelijke adviezen, p. 263, dit zelfde advies is ook ongewijzigd opgenomen in deel 2 bij de bespreking van de artt. 71-80, p. 303.

|25|

de kerkeraad de zaak niet afdoende kan beslissen, bijvoorbeeld wanneer de beklaagde in beroep gaat, moet de hulp ingeroepen worden van een meerdere vergadering. De uitspraak van die vergadering is bindend. De uitvoering van deze uitspraak door de kerkeraad kan niet afgedwongen worden. De kerkeraad heeft zich echter wel, door het kerkverband, verplicht deze over te nemen. De kerkeraad is verplicht de uitspraak uit te voeren of weer in beroep te gaan. Als de kerkeraad na de uitspraak van de generale synode nog steeds van mening is dat Gods Woord uitvoering van het besluit in de weg staat en niet tot uitvoering overgaat, wordt metterdaad het kerkverband verbroken.

Of het initiatief tot de censuur ook uit kan gaan van de meerdere vergadering is niet. In De rechtsbevoegdheid wordt dit idee verworpen, terwijl de andere bronnen onduidelijk zijn. In elk geval moet geconstateerd worden dat een dergelijke bevoegdheid van meerdere vergaderingen zeker niet evident is.

Barnard, Tj. (1994) H3

|26|

3 Ontwikkelingen na Rutgers

 

3.1 Inleiding

 

In dit hoofdstuk zullen enige geschriften over het gereformeerde kerkrecht besproken worden. Terwijl in het eerste hoofdstuk het standpunt van Rutgers als grondlegger van het doleantie-kerkrecht besproken is, wordt nu ingegaan op de ontwikkelingen na hem. Aan de hand van ondermeer handboeken zal geprobeerd worden een inzicht te geven in het gedachtengoed over de vraagstelling bij gezaghebbende canonisten binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland (hierna: GKN).

 

3.2 H. Bouwman

 

3.2.1 Inleiding

In 1912 verscheen van de hand van H. Bouwman (1863-1933) een diepgravende studie over het tuchtrecht, De kerkelijke tucht naar het gereformeerde kerkrecht.1 Bouwman was hoogleraar in de kerkgeschiedenis en het kerkrecht te Kampen.2 In dit geschrift poogt de auteur drie zaken te onderzoeken. Het betreft de grondslag van de tucht, de geschiedenis van de toepassing van de tucht en een laatste gedeelte waarin beschreven wordt hoe de tucht, als positief recht, toegepast moet worden. Terwijl Bouwman uitgebreid ingaat op bijbelse bronnen en historische achtergronden, zal hier voornamelijk geput worden uit het derde deel. Gepoogd zal worden een weergave te geven van de standpunten van Bouwman met betrekking tot de vraagstelling.

Naast de bespreking van dit geschrift, zal ook een specifiek advies van Bouwman besproken worden zoals dat geciteerd is bij Van Lonkhuyzen.3


1 H. Bouwman, De kerkelijke tucht naar het gereformeerde kerkrecht, Kampen 1912 (hierna: De kerkelijke tucht).
2 Voor meer informatie over H. Bouwman zie: Joh. de Haas, Gedenkt uw voorgangers, dl. 3, Haarlem 1984, pp. 35-37.
3Een ernstige fout, pp. 66-67.

|27|

3.2.2. De kerkelijke tucht

Over het algemeen is de tucht een zaak van de plaatselijke kerk. Binnen die plaatselijke kerk is het de kerkeraad die naar gereformeerd model verantwoordelijk is voor de tucht. Uitgangspunt is dus de kerkeraad, niet de gemeente. Dit is een onderscheid met congregationalistische ideeën.4 Vanzelfsprekend wil hier niet mee gezegd zijn dat de gemeente buiten spel staat. Op bepaalde momenten in tuchtprocedures is de (stilzwijgende) instemming van de gemeente ook een vereiste. In deze paragraaf zal nader gekeken worden naar Bouwmans visie over de inbreng van meerdere vergaderingen bij de tucht.

Voordat een kerkeraad overgaat tot het toepassen van de tweede trap van de ban (het in de gemeente noemen van de naam van de betrokkene) verplicht de DKO de kerkeraad een advies te vragen aan de classis. De classis onderzoekt, aan de hand van informatie van de kerkeraad, of tot deze stap overgegaan mag worden. Dit is geen onafhankelijk onderzoek. Een dergelijk onafhankelijk onderzoek van de classis zou pas plaatsvinden tijdens een eventuele beroepsprocedure.5 ‘Dit advies der classis is een advies, geen bevel. Dit kan niet anders want de uitoefening der tucht is in handen van den kerkeraad. Doch het ligt in den aard van het kerkverband, dat de kerkeraad rekening houdt met het advies der classis en dat advies opvolgt. Er staat aan ’t slot van artikel 76 van de K.O. niet na advies, maar met advies der classe. Dit is niet aldus geformuleerd om op de autonomie der plaatselijke kerken inbreuk te maken, maar om de eenheid en de goede orde in het kerkelijk leven te handhaven, en om te waken, dat van de tucht geen misbruik worde gemaakt, en niet afgeweken worde van den weg des Woords. Trouwens, deze bepaling maakt ook op de vrijheid en zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente geen inbreuk, want alle kerken hebben gezamenlijk zichzelf


4 In tegenstelling tot veel auteurs over kerkrecht wordt in deze scriptie een onderscheid gemaakt tussen de termen ‘congregationeel’ en ‘independent’. Het eerste woord zal gebruikt worden voor de beschrijving van de verhoudingen binnen een plaatselijke geloofsgemeenschap en staat in contrast met ‘presbyteriaal’. ‘Congregationeel’ wil dan zeggen dat het niet de kerkeraad is, maar een gemeentevergadering die de uiteindelijke kerkregering uitoefent. Het tweede woord wordt gebruikt voor de beschrijving van de verhoudingen tussen verschillende geloofsgemeenschappen binnen één kerkverband. Het staat dan ook in contrast met ‘synodaal’ of ‘episcopaal’.
5De kerkelijke tucht, p. 237.

|28|

deze band aangelegd, welke band ook niet willekeurig is, maar voortvloeit uit het kerkverband, door de H. Schrift geëischt, cf. Art. 31 K.O. Deze bepaling bedoelt voorts, alle verkeerde toepassing der tucht te voorkomen, en de gelijkmatigheid in het toepassen der tucht te bevorderen. In een plaatselijke kerkeraad, vooral in kleine kerken, kunnen zoo licht persoonlijkheden en partijdigheden werken. Eerst dan, wanneer de classis een toestemmend advies geeft, gaat de kerkeraad over tot de tweede vermaning’.6

Hier wordt duidelijk gesteld dat de tuchtuitoefening een taak is van de kerkeraad. De kerkeraad is echter wel verplicht rekening te houden met de classis. De zelfstandigheid van de plaatselijke kerk is hier niet in gevaar daar de kerk zelf het verband is aangegaan. De betrokkenheid van andere kerken is nodig voor een goede toepassing van onder andere de kerkelijke tucht. Hoewel het woord advies verklaard is door de oorsprong van de (afgeleide) bevoegdheid van de classis, kan gesteld worden dat, eenmaal binnen het verband, de kerkeraad toestemming van de classis nodig heeft om over te gaan tot de genoemde tweede trap.

 

In de artt. 79 en 80 DKO wordt gesproken over de censuur over de ambtsdragers. Dat de tucht met betrekking tot ambtsdragers anders is geregeld, is niet omdat zij van een hogere orde zouden zijn. Dit heeft vooral te maken met de grotere maatschappelijke gevolgen van dergelijke maatregelen voor hen. Het oordeel over de schorsing en afzetting van ambtsdragers is niet alleen aan de kerkeraad opgedragen. Over de schorsing van een ouderling of diaken wordt door de kerkeraad besloten, de afzetting van hen is aan de kerkeraad en de kerkeraad van de genabuurde kerk. Besluiten worden genomen door een verenigde vergadering van beide kerkeraden nadat de eigen kerkeraad de hulp van de andere kerkeraad ingeroepen heeft.7 Hieruit volgt dat het initiatief bij de eerste kerkeraad ligt. De genabuurde kerk kan slecht helpen indien hij gevraagd wordt. Bij de predikant is de kerkeraad samen met de genabuurde kerkeraad tot schorsing bevoegd, terwijl de classis de afzetting kan uitvoeren. ’In de Gereformeerde kerken der zestiende en zeventiende eeuw was de afzetting steeds in handen van de classis of van de synoden in geval van hooger beroep. In den strijd tegen de Arminianen werd herhaaldelijk door de classis of de synode tegen den wensch van den


6De kerkelijke tucht, pp. 235-236.
7De kerkelijke tucht, p. 267.

|29|

kerkeraad of van een groot deel der gemeente een predikant uit zijn ambt ontzet. Dit vloeide voort uit het kerkverband. De meerdere vergaderingen moesten waken voor de handhaving van de belijdenis, van de eenheid en de orde in het kerkelijke en daarom had de classis de macht en het recht, om predikanten voor zich te ontbieden om zich te verantwoorden over beschuldigingen, tegen hen bij de classis ingebracht, de macht en het recht, over de predikant het vonnis der afzetting uit te spreken. De classis doet8 dit niet, omdat zij is een hooger bestuur, maar volgens het kerkverband. Niet zonder den kerkeraad, maar in verband met den kerkeraad geeft zij de eindbeslissing, en zet, indien zij het noodig oordeelt, een predikant af’.9

In de zestiende en zeventiende eeuw hielden de classes zich bezig met de tucht, niet alleen in beroepsprocedures, maar ook zelfstandig. Zij namen het initiatief tot nader onderzoek en zetten, daartoe krachtens het kerkverband gemachtigd, indien nodig, predikanten af. Dit geschiedde ook tegen de wil van de gemeente of kerkeraad in. Tegenwoordig gebeurt dit nog steeds volgens het kerkverband. De zinsnede ‘niet zonder den kerkeraad, maar in verband met de kerkeraad’ lijkt enigszins cryptisch. Is bedoeld dat de classis dit alleen kan doen met instemming van de kerkeraad, of kan het ook zonder hem? De context maakt duidelijk dat door het kerkverband de kerkeraad zich verplicht heeft dit oordeel van de classis te volgen. De betekenis van deze passage is de volgende. Zelfs als een kerkeraad het niet eens is met een besluit van de classis, geldt het besluit als een besluit van alle kerken in die classis. Elk besluit van een classis wordt geacht een gemeenschappelijk besluit te zijn van alle kerken. Geconstateerd moet worden dat Bouwman zeer snel over allerlei problemen heen stapt met betrekking tot de zelfstandigheid van de gemeente. Met een beroep op de praktijk tijdens de remonstrantse en contra-remonstrantse twisten wordt de bevoegdheid tot afzetting, tegen de wil van de plaatselijke kerk, aan de classis verleend. Het is voorstelbaar dat deze mogelijkheid voor Bouwman slechts een theoretische was. In elk geval geeft hij geen uitgebreide motivatie. Op dit punt is zijn visie duidelijk strijdig met die van Lohman en


8 De tegenwoordige tijd is hier zeer significant. In aansluiting met het gebruik uit vroeger tijden doet de classis dit nog steeds.
9De kerkelijke tucht, p. 267.

|30|

Rutgers.10

 

3.2.3 Een advies

In de eerste brochure van Van Lonkhuyzen over de kwestie citeert hij een brief van H. Bouwman over een vergelijkbare procedure. De brief wordt hier volledig weergegeven.

‘Kampen, 5 Februari, 1924.

  Amice van Lonkhuyzen,
Uw vraag of ik ooit op mijne colleges zou gezegd hebben dat eene classis een kerkeraad zou kunnen afzetten bevreemde me eenigszins. Ik herinner mij niet dit ooit te hebben geleerd, en ik zou zeggen dat dit onmogelijk is. Wel kon de classis den kerkeraad helpen in het afzetten van een ouderling. Ook wel kon een classis, wanneer de kerkeraad geheel afgedwaald is of in strijd handelt met het recht der kerk en hare belijdenis, de gemeente helpen in het kiezen van een anderen kerkeraad, maar de classis mag niet handelen zonder de gemeente. Ik heb in 1905, toen de kwestie N. Pekela op de synode behandeld werd, en ik met Dr. Hania en Ds. W. Breukelaar werd gedeputeerd om daar orde op zaken te stellen, dit beginsel krachtig verdedigd.11 De Generale kerken mogen niet doen wat des kerkeraads is. Ook de classis mag niet doen alsof er geen kerkeraad is. Naar Geref. kerkrecht valt, als het geheele kerkverband bedorven is, en er geen normale weg tot genezing is, de macht weder terug op de gemeente, en het kerkverband kan en moet dan de gemeente hulp bieden, dat een andere kerkeraad worde gekozen in plaats van den ontrouwen.
Met de beste wenschen, de uwe

H. Bouwman’.12

Deze brief is geschreven naar aanleiding van een conflict binnen de Christian Reformed


10 Zie hoofdstuk 3 en dan vooral het gedeelte over de casus Van Leenhof.
11 In Nieuwe Pekela was een probleem ontstaan naar aanleiding van de verkiezing van nieuwe ambtsdragers. De commissie van deputaten heeft gepoogd te bemiddelen. Acta der generale synode van de Gereformeerde kerken gehouden te Utrecht van 22 augustus tot 7 september 1905, Amsterdam-Pretoria-Potchefstroom 1905?, pp. 64-65.
12Een ernstige fout, pp. 66-67.

|31|

Churches in de Verenigde Staten waar Van Lonkhuyzen predikant was. Er werd daar gediscussieerd over de mogelijkheid van het afzetten van plaatselijke ambtsdragers. In die kerken gold hetzelfde kerkrecht als in de GKN. Het waren veelal Nederlandse predikanten die daar werkten.13

In deze brief stelt Bouwman duidelijk dat er niet door meerdere vergaderingen ingegrepen kan worden in plaatselijke kerken. Een meerdere vergadering kan slechts de gemeente helpen met het kiezen van een nieuwe kerkeraad. De plaatselijke kerk zal het moeten doen. Het initiatief kan niet bij de meerdere vergadering liggen.

 

3.2.4 Conclusie

Hoewel Bouwman vanzelfsprekend in het kader van de tucht het uitgangspunt kiest in de plaatselijke kerk, is de bevoegdheid van die plaatselijke kerk zeer ingeperkt door het kerkverband. Terwijl primair de bevoegdheid bij de kerkeraad ligt, kan de classis, volgens De kerkelijke tucht, tegen de wil van de kerkeraad, toch ingrijpen. Het is betreurenswaardig dat Bouwman slechts een zeer korte argumentatie geeft voor dit recht van de classis. De beknoptheid op dit punt suggereert dat het voor hem geen belangrijke vraag is. Aangenomen kan worden dat hij de waarschijnlijkheid van een dergelijke procedure in de GKN niet groot achtte. Hoe er in een procedure als deze gehandeld zou moeten worden, is niet helder. De toepassing van art. 31 wordt niet besproken.

Zijn advies aan Van Lonkhuyzen verschaft meer helderheid. Hier acht hij het onmogelijk dat een plaatselijke kerkeraad afgezet kan worden. De meerdere vergadering kan slechts de gemeente helpen met het verkiezen van een nieuwe kerkeraad. Het is mogelijk dat Bouwman een onderscheid maakt tussen het afzetten van een predikant, die ook bevoegdheden buiten de plaatselijke kerk heeft, en andere ambtsdragers die slechts een functie hebben binnen de plaatselijke kerk.

Rutgers stelt dat het niet goed denkbaar is dat een predikant tegen de zin van de kerkeraad


13 In principe is deze discussie in de Christian Reformed Churches relevant voor dit onderzoek. Daar echter enerzijds de bronnen in Nederland moeilijk te traceren zijn en anderzijds de impact van deze zaak niet groot is, hoewel er wel af en toe over geschreven werd in de gereformeerde pers, zal hier nu aan dit punt voorbijgegaan worden. Een vervolgonderzoek zou hier zeker nuttig zijn.

|32|

afgezet wordt en dat een kerkeraad afgezet wordt. Hiernaast dient geconcludeerd te worden dat Bouwman veraf staat van Rutgers’ standpunt met betrekking tot de afzetting van een predikant. Waar het de afzetting van een kerkeraad betreft, komen de standpunten overeen. Bouwman gaat niet in op de situatie zoals die rond Van Leenhof is ontstaan, waarbij een afzettingsvonnis van een predikant door een meerdere vergadering (waartoe zo’n vergadering zijns inziens bevoegd geacht moet worden) door een kerkeraad (die in zijn visie niet door een meerdere vergadering afgezet mag worden) niet opgevolgd wordt.

 

3.3 Joh. Jansen

 

3.3.1 Inleiding

Een jaar na de verschijning van het in de vorige paragraaf beschreven werk, publiceerde ook Johannes Jansen (1873-1956) over de tucht. Hij startte een reeks met commentaren op de kerkorde. Als eerste, terwijl het project geen doorgang vond, verscheen De kerkenordening, van de tucht.14 Jansen was predikant in verschillende gereformeerde kerken. Hij gold als een van de grote kerkrechtspecialisten in zijn tijd.15 Terwijl Bouwman uitgebreid ingaat op de achtergronden van de tucht, ligt de belangstelling van Jansen meer op de praktische uitoefening. Veel passages in De kerkelijke tucht en De kerkenordening zijn vergelijkbaar. Slechts op details verschillen auteurs wezenlijk. Voorts wordt behandeld een systematische bespreking van de bevoegdheid der meerdere vergaderingen getiteld De bevoegdheid der meerdere vergaderingen die in 1924 verscheen.16


14 J. Jansen, De kerkenordening, van de tucht (op titelpagina De kerkelijke tucht, handleiding ten dienste der gereformeerde kerken), Nijverdal 1913? (hierna: De kerkenordening).
15 Voor meer informatie zie: Joh. de Haas, Gedenkt uw voorgangers, dl. 4, Haarlem 1985, p. 289.
16 Joh. Jansen, De bevoegdheid der meerdere vergaderingen (Schild en pijl 1924, afl 9-10), Kampen 1924 (hierna: De bevoegdheid).

|33|

3.3.2 De kerkenordening

Op verschillende momenten in een tuchtprocedure vereist de kerkorde het advies van de classis. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de tweede trap van de censuur voordat de naam van de zondaar genoemd wordt, maar ook net voordat de feitelijke afsnijding plaats zal vinden. De status van dit ‘advies’ is belangrijk voor de beoordeling van de verhouding tussen de verschillende vergaderingen. Net als Bouwman, gaat ook Jansen uitgebreid op deze zaak in. Met ‘advies’ wordt niet ‘met toestemming’ bedoeld. Dit zou in strijd zijn met het kerkverband. Dan zou namelijk de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk aangetast worden. ‘Na advies’ zou te zeer independent zijn. Goed gereformeerd is ‘met advies’. In de classicale vergadering — waar de betrokken kerk deel van uit maakt — wordt de zaak besproken. De plaatselijke kerk sluit zich bij dit oordeel aan. Behoudens het recht van beroep is een plaatselijke kerk verplicht zich te richten naar het standpunt van de meerderheid.17 Hier blijkt dat, hoewel Jansen het niet zo gezegd wil hebben, ‘met advies’ uiteindelijk ‘met toestemming’ betekent. Het enige verschil is dat de kerkeraad in de classis kan meespreken over de zaak. Een zelfde soort redenering geldt de bepaling uit art. 75 DKO over de verzoening tijdens of in verband met de tucht.18 Hier is bepaald dat het in kleine kerken aan de kerkeraad van de eigen kerk en die van de genabuurde gemeente is om uit te maken op welke wijze de verzoening zal plaatsvinden. Het ‘advies’ van de genabuurde kerkeraad heeft dezelfde status. Dit geldt eveneens voor de passage over de schorsing of afzetting van ouderlingen en diakenen.19

Ook Jansen behandelt de vraag of de macht tot excommunicatie ook toekomt aan meerdere vergaderingen. Hij citeert Voetius die stelt dat de macht tot excommunicatie ook toekomt aan meerdere vergaderingen. Voetius wijst in dit citaat ook op het bekende voorbeeld van de afzetting van Caspar Coolhaes te Leiden. Dan volgt de conclusie van Jansen. ‘Uit het kerkverband in Gereformeerden zin volgt, dat de toepassing van den ban, ingeval een kerkeraad weigert mee te werken, of daartoe verhinderd wordt, vanwege de classe of de


17De kerkenordening, pp. 282-283.
18De kerkenordening, pp. 244-245.
19De kerkenordening, p. 353.

|34|

synode in eene andere kerk kan geschieden’.20

Interessant is dat Jansen geen enkele procedure geeft. Aan de hand van een citaat van Voetius constateert hij dat een afzetting tegen de zin van de kerkeraad kan plaatsvinden. Dat hij hier in strijd lijkt te komen met het vroege doleantie-kerkrecht, beseft hij niet. Uit de beknoptheid van deze passage, terwijl een zo belangrijke zaak besproken wordt, zou opgemaakt kunnen worden, dat Jansen de mogelijkheid van het plaatsvinden van een dergelijke procedure binnen het kerkverband niet waarschijnlijk acht.

In het hoofdstuk over de tuchtmiddelen met betrekking tot de ambtsdragers beschrijft Jansen de mogelijkheid dat kerkeraad en classis het niet eens zijn over het al dan niet afzetten van een predikant.

‘Ook kan zich het geval voordoen, dat de kerkeraad en de classe verschillen van gevoelen, b.v. als de kerkeraad niet en de classe wel wil afzetten of omgekeerd. In zulk een geval moet de kerkeraad zich aan het besluit der classe onderwerpen, behoudens het recht van appèl op de meerdere vergaderingen, als hij zich meende te moeten beklagen. In den tijd der Remonstranten gebeurde het wel, dat een kerkeraad zich tegen de afzetting van zijnen dienaar met alle kracht verzette, maar de classen en de Particuliere synoden spraken dan het vonnis der afzetting uit, en de betrokken kerkeraad had zich dan behoudens het recht van appèl eenvoudig aan dat besluit te onderwerpen’.21 De kerkeraad is dus verplicht het besluit van een meerdere vergadering uit te voeren. De mogelijkheid blijft natuurlijk open staan om conform art. 31 in beroep te gaan. In tegenstelling tot andere auteurs meldt Jansen hier niets over de situatie die ontstaat wanneer kerkeraad en generale synode het blijvend oneens zijn. Vanuit de geschiedenis uit de tijd van de remonstranten zou dan gedacht kunnen worden aan een toch toepassen van de tucht door de generale synode. De gedachte van het doleantie-kerkrecht dat in een dergelijke situatie het kerkverband onder spanning zou komen te staan, wordt niet aan de orde gesteld.

 

Op het gebied van de tucht is in Jansens studie niet veel ruimte meer voor een zelfstandigheid van de plaatselijke kerk. Via het kerkverband heeft de kerk haar vrijheden opgegeven en


20De kerkenordening, p. 296.
21De kerkenordening, p. 361.

|35|

dient ze zich te richten naar de meerderheid. In zeer veel situaties kan de kerkeraad door een meerdere vergadering in een richting gedrongen worden die hij zelf niet wil. Zonder problemen lijkt een kerkeraad die een in de ogen van een meerdere vergadering onjuist beleid voert, gepasseerd te kunnen worden. Het gemak waarmee deze mogelijkheid hier genoemd wordt, staat in schril contrast met de omzichtigheid waarmee Rutgers deze problematiek behandelt. De zelfstandigheid van de plaatselijke kerk heeft duidelijk een andere invulling dan bij het begin van de doleantie.

 

3.3.3 Korte verklaring

In 1923 verschijnt van de hand van Jansen een korte verklaring van de kerkorde.22 In tegenstelling tot de reeks die hij begonnen was en waar De kerkenordening een eerste deel van was, wil hij nu een korte, praktische toelichting bieden. Hiertoe bespreekt hij artikelgewijs de kerkorde. In deze paragraaf zal ingegaan worden op die gedeelten die relevant zijn voor de vraagstelling.

Bij de bespreking van art. 31 stelt de auteur de vraag of een meerdere vergadering de besluiten van een mindere vergadering kan vernietigen.

‘[...] de Gereformeerde kerken zeiden: neen, een meerder vergadering kan de mindere alleen verzoeken en aanraden, met opgave van de gronden waarop haar ongegrond-verklaring rust, zelve haar besluit in te trekken. Maar indien de mindere vergadering weigert zich aan de uitspraak der meerdere vergadering te onderwerpen, wat dan? Kan een classe of synode dan doen “wat des kerkeraads is” en den onwilligen kerkeraad afzetten enz.? Neen, zulk een dwingende en ingrijpende macht heeft een meerdere vergadering niet. Wel bij het Collegialistisch genootschap [NHK], maar niet bij de Gereformeerde kerken. Wel kunnen zij van hare zijde tijdelijk of voor goed het kerkverband met zulk een onwilligen kerkeraad (classe enz) verbreken, zooals blijkt uit het geval van Ds. Fredericus van Leenhof, die op grond van zijn Cartesiaansche en Spinozistische beginselen door bijna alle kerken ter afzetting waardig werd geacht, maar door den kerkeraad van Zwolle, en door de stedelijke


22 Joh. Jansen, Korte verklaring van de kerkenordening, Kampen 1923 (hierna: Korte verklaring).

|36|

en provinciale overheid gesteund, gehandhaafd werd. De kerken in de andere provinciën verbraken toen het kerkverband met den kerkeraad van Zwolle, door te besluiten Ds. van Leenhof in geen enkele functie te erkennen, geen enkel Zwolsch predikant op den kansel toe te laten, geen lidmaten uit Zwolle te aanvaarden zonder nader onderzoek, en de lidmaten, die naar Zwolle vertrokken, ernstig voor hem te waarschuwen. Eerst toen Ds. van Leenhof in 1711 zijn ontslag vroeg en verkreeg, kwamen al deze besluiten buiten werking’.23 Hier blijkt dat een plaatselijke kerk bevoegdheden heeft die nimmer door een meerdere vergadering aangetast kunnen worden. De enige oplossing bij een conflict tussen meerdere vergadering en kerkeraad is het uitstoten van de kerk uit het kerkverband. De bespreking van de zaak Van Leenhof is geheel conform Lohman en Rutgers. Deze passage is in het geheel niet te rijmen met de bevoegdheid van de meerdere vergaderingen tot excommunicatie zoals die blijkt uit de opvatting van Jansen besproken in § 3.3.2. Bij de bespreking van ditzelfde kerkorde artikel wordt ook ingegaan op de geldigheid van bij meerderheid genomen beslissingen. Art. 31 biedt twee uitwegen als een mindere vergadering het niet eens is met een meerdere vergadering. De eerste is wanneer een besluit tegen-schriftuurlijk zou zijn. Men is gebonden aan het besluit van de meerderheid tenzij men voor ‘zich zelf bewezen acht’24 dat dit besluit in strijd is met Gods Woord. In dat geval is het beter met het kerkverband te breken, dan tegen het geweten en Gods Woord in te gaan. De tweede uitzondering is wanneer het besluit strijdig is met de kerkorde. ‘De bedoeling is nu, dat de kerkelijke besluiten inzake concrete gevallen niet mogen ingaan tegen de Artikelen der K.O. Is dit wel het geval, dan behoeft de belanghebbende zich niet aan het besluit te houden’.25 In tegenstelling tot de passage over het schriftgezag meldt Jansen hier niet aan wie de bepaling van de strijdigheid met de kerkorde is. Naar analogie moet geconcludeerd worden dat dit ter bepaling van de belanghebbende is.26

Bij de bespreking van art. 37 wordt gesproken over de verschillende soorten bevoegdheden van kerkeraad en meerdere vergaderingen.


23Korte verklaring, pp. 143-144.
24Korte verklaring, p. 147.
25 Ibidem.
26 Deze zelfde onduidelijkheid bestaat bij Lohman en Rutgers.

|37|

‘Een meerdere vergadering kan een mindere niet dwingen hare besluiten uit te voeren. Is een mindere vergadering overtuigd, dat een of ander besluit met de Schrift in strijd is, dan mag zij het niet uitvoeren, ook al kan zij de meerdere vergadering niet overtuigen, tenzij dan dat deze haar van ongelijk overtuigde. Wanneer in laatster instantie ook de generale synode zulk een klager in het ongelijk stelde, blijft er slechts tweeërlei mogelijkheid over: nl. de besluiten te dulden, onder voortdurend protest bij de volgende synoden, zonder er in te berusten of gedwongen te worden iets te doen, wat in strijd is met de Schrift, óf, na het uiterste beproefd te hebben, met het kerkverband te breken’.27 Het blijft uiteindelijk de kerkeraad die in geweten moet beslissen. Bij onenigheid kan de meerdere vergadering niet plaatselijk ingrijpen, maar is de verbreking van het kerkverband het gevolg.

Naar aanleiding van de afsnijding spreekt Jansen over het advies van de classis. Hoewel elke kerk zelf ten volle bevoegd is, heeft zij zich in het kerkverband verplicht het advies van de classis te vragen.28 Binnen het kader van het kerkverband echter, wordt het begrip ‘advies’ hier op dezelfde wijze uitgelegd als in De kerkenordening.29

In de bespreking van de artikelen over de tucht met betrekking tot ambtsdragers wordt niets toegevoegd voor de behandeling van de vraag wat er te doen staat bij verschil van mening tussen meerdere vergadering en kerkeraad. Er wordt in elk geval niet gesproken over een initiatiefrecht van meerdere vergaderingen. Zolang dit niet gebeurt, kan dit initiatief slechts bij de plaatselijke kerk aanwezig zijn.

 

In deze Korte verklaring neemt Jansen traditionele posities in. De uitleg van de kerkorde sluit aan bij die van Rutgers. Terwijl hij in zijn De kerkenordening allerlei nuancerende opmerkingen maakt over de autonomie van de plaatselijke kerk, doet hij dat nu veel minder. Een verklaring hiervoor kan zijn dat Jansen hier nauwkeurig aansluit bij Lohman en Rutgers. In de bespreking van de zaak Van Leenhof is dit zeer evident.


27Korte verklaring, p. 165.
28Korte verklaring, p. 332.
29 Zie Korte verklaring, p. 336, cf. De kerkenordening, pp. 270, 282 enz. en de bespreking van deze plaatsen § 3.2.2.

|38|

De standpunten met betrekking tot de verschillende bevoegdheden zouden als volgt weergegeven kunnen worden. Uitgangspunt is de plaatselijke kerk met alle bevoegdheden. Slechts het vrijwillig aangegane kerkverband beperkt de rechten. Zo is in sommige gevallen het advies van de classis nodig bij een tuchtprocedure. Dit laat onverlet de rechten van de plaatselijke kerk. Het kerkverband kan geen verplichtingen opleggen. Het is voor een meerdere vergadering niet mogelijk om in de plaats van een kerkeraad op te treden. Bij onenigheid binnen het kerkverband, is de verbreking van dat verband de enige oplossing.

Het verschil tussen de verdedigde standpunten in 1913 en 1923 is vrij groot. Een verklaring zou kunnen zijn dat voor de Korte verklaring meer gebruik is gemaakt van oudere literatuur. Zo verwijst de bespreking van art. 31 (zij het niet expressis verbis) duidelijk naar De rechtsbevoegdheid. Het gemak waarmee in 1913 en 1923 duidelijk verschillende standpunten ingenomen worden, toont aan dat de zaak voor Jansen niet erg relevant is. Het betreft academische kwesties. Het lijkt alsof hij zich niet kan voorstellen dat deze problemen zich in de GKN zullen voordoen. Het feit dat de kwestie Netelenbos zich al voorgedaan heeft doet hier geen afbreuk aan.30 Deze affaire is uiteindelijk niet geëindigd in een conflict tussen de kerkeraad en de meerdere vergaderingen, zodat er op dit punt geen problemen waren.

 

3.3.4 De bevoegdheid

In 1924 verschijnt van de hand van Jansen een uitvoerige publicatie over de bevoegdheid van meerdere vergaderingen. In dit geschrift gaat hij zeer uitgebreid in op oorsprong en wezen van deze vergaderingen. In deze paragraaf zullen enkele teksten besproken worden die betrekking hebben op de vraagstelling.

in het zesde hoofdstuk beschrijft Jansen hoe de meerdere vergaderingen gezag hebben, zij het beperkt. Deze vergaderingen bezitten in zekere zin de leer-, regeer- en tuchtmacht. Over de tuchtmacht zegt hij het volgende. In normale gevallen zijn meerdere vergaderingen slechts beperkt betrokken bij de tucht. Zo is de hulp van de genabuurde kerk en/of de classis nodig bij afzetting van ambtsdragers. De macht hiertoe ontlenen de vergaderingen aan de


30 Voor een bespreking van de kwestie Netelenbos zie hoofdstuk 4.

|39|

overeenkomst van de samenkomende kerken. Het is dus een afgeleide macht. In bijzondere gevallen echter kan de excommunicatie wel op last van een synode plaatsvinden. Jansen noemt hier het bekende voorbeeld van Coolhaes. Hij benadrukt, met een beroep op Voetius, dat dit slechts in uitzonderlijke gevallen zo kan plaatsvinden.

In een volgend hoofdstuk beschrijft Jansen het karakter van de uitspraak van meerdere vergaderingen. Zijn zij slechts adviserend of hebben ze ook bindende kracht? Voor hem zijn de uitspraken bindend tenzij art. 31 DKO van toepassing is. Dit laatste, Jansen staat hier in de lijn van Lohman en Rutgers, staat ter bepaling aan de kerkeraad. Vanzelfsprekend is de kerkeraad dan wel verplicht in beroep te gaan tegen het betreffende besluit.

De vraag wordt ook gesteld wat er dient te gebeuren wanneer meerdere vergadering en kerkeraad het blijvend oneens zijn. De weigering van een kerkeraad om een meerdere vergadering te volgen anders dan op het moment dat de uitzonderingen van art. 31 van toepassing zijn, is onrechtmatig. ‘Maar als nu een mindere vergadering toch volhoudt, zelfs tegen het besluit der generale synode in, welke bevoegdheid blijft er dan voor de meerdere vergadering over? Kan een classe of particuliere en generale synode dan, “doen wat des kerkeraads is” en een onwilligen kerkeraad afzetten? Neen, zulk een ingrijpende en dwingende macht heeft een meerdere vergadering niet. Haar blijven, naar analogie van de tuchtmiddelen over de gewone leden, en over de ambtsdragers niet anders over dan het kerkverband met zulk een kerk, eerst tijdelijk en gedeeltelijk, en zoo dat niet baat, ten slotte volstrekt en voor goed te verbreken’.31 Jansen illustreert deze stelling met een beroep op de zaak Van Leenhof.

Aan de hand van Voetius gaat Jansen in op de vraag in hoeverre er sprake mag zijn van inmenging door meerdere vergaderingen in de plaatselijke kerk. Slechts in geval van hoger beroep of wanbestuur kan opgetreden worden. Kan kerkelijke macht in geval van wanbestuur en ongeneeslijk bederf aan de synode toegekend worden? Voetius geeft twee voorbeelden. In het eerste geval is er nog een gezond deel over en kan dit gezonde deel, met hulp van de synode het andere deel afzetten. Het tweede geval doet zich voor als een dergelijke groep niet te vinden is. Dan zal het ‘anathema’ aangekondigd moeten worden en de synodale correspondentie worden verbroken. De bestuursmacht is in elk geval niet zo vast verbonden


31De bevoegdheid, p. 53.

|40|

aan een kerkeraad dat die niet ontnomen kan worden. In bijzondere gevallen kan die weer vervallen aan de gemeente in haar geheel en opgedragen worden aan anderen.

Bij lezing van dit geschrift lijkt er sprake te zijn van een zekere dubbelheid. Enerzijds is het mogelijk dat een predikant door een meerdere vergadering afgezet wordt — dat volgt uit het klassieke voorbeeld van Coolhaes — terwijl anderzijds geen kerk gedwongen kan worden door een besluit van een meerdere vergadering. Met een beroep op de zaak Van Leenhof wordt expressis verbis gesteld dat een kerkeraad niet door een meerdere vergadering buiten de macht gesteld kan worden. De laatste oplossing lijkt een tussenweg te geven. De plaatselijke kerk kan, in zeer bijzondere gevallen, met behulp van de synode, overgaan tot het ontnemen van de macht aan de kerkeraad. Daarnaast kan de synode altijd de correspondentie met een kerk verbreken.

Aan de ene kant wordt geconstateerd dat synodale tucht mogelijk is, anderzijds kan een synode niet treden in de rechten van een plaatselijke kerk door haar kerkeraad af te zetten. Het laatste voorbeeld biedt de tussenweg van de gemeente zelf die het doet, zij het wel met de hulp van de meerdere vergadering.

De tegenstrijdigheid binnen dit werk zou verklaard kunnen worden uit de verschillende bronnen die gebruikt worden. Aan de ene kant wordt een beroep gedaan op Rutgers hetgeen leidt tot kleine bevoegdheden van meerdere vergaderingen terwijl anderzijds andere bronnen, waaronder Voetius tot andere conclusies leiden.

 

3.3.5 Conclusie

Binnen het werk van Jansen geschreven tussen 1913 en 1924 zitten enige lastige inconsequenties. In zijn boek uit 1913 over de kerkelijke tucht stelt hij dat het mogelijk is dat een predikant, tegen de zin van de kerkeraad in, afgezet wordt. Hij spreekt wel over een beroep krachtens art. 31 DKO, maar laat in het midden of dit een uiteindelijk kerkscheurend punt kan zijn zoals het dat bij Rutgers is wanneer de kerkeraad niet akkoord gaat met het optreden van een meerdere vergadering (zie bijvoorbeeld casus Van Leenhof). In 1923 volgt Jansen in zijn Korte verklaring Rutgers veel strakker. Een meerdere vergadering heeft niet de bevoegdheid de besluiten van een kerkeraad te vernietigen. Hier noemt hij het voorbeeld van Van Leenhof. Uitgebreid gaat hij in deze publicatie in op de bevoegdheid en de plicht van

|41|

de kerkeraad om besluiten van de meerdere vergaderingen (conform art. 31 DKO) te toetsen aan de Schrift en de kerkorde.

In de laatste hier besproken publicatie van Jansen zijn de verschillende standpunten weer terug te vinden. Enerzijds kan de synode, zoals bij Coolhaes, zelf tot afzetting overgaan. Anderzijds kan een kerkeraad niet afgezet worden en dient bij wanbestuur de gemeente zelf, met hulp van de meerdere vergaderingen, een nieuwe kerkeraad te kiezen. Als dat niet mogelijk is, ligt er voor het kerkverband slechts de mogelijkheid de correspondentie te verbreken.

 

3.4 Conclusie

 

In dit hoofdstuk is onderzocht hoe in de periode na Rutgers tot aan de kwestie Geelkerken in de kerkrechtelijke literatuur geschreven werd over de verhouding tussen meerdere vergaderingen en de kerkeraad. Uit het bovenstaande blijkt een gebrek aan consistentie. Bouwman biedt enerzijds veel ruimte voor het overhevelen van bevoegdheden naar meerdere vergaderingen. Bij hem dient de plaatselijke kerk zich duidelijk te conformeren aan het standpunt van de meerderheid van de kerken. De uitspraken over de uitoefening van de tucht in de zestiende en zeventiende eeuw geven aan dat ook in zijn tijd de tucht bovenplaatselijk toegepast kan worden. Het is mogelijk een plaatselijke kerkeraad te passeren. Deze gedachte steunt niet op een systematische reflectie over de bevoegdheden van meerdere vergaderingen. Daarentegen adviseert hij in een specifiek geval tegen het afzetten van een gehele kerkeraad. Een predikant kan wél tegen de zin van de kerkeraad afgezet worden, een kerkeraad zelf niet. Bouwman gaat niet in op de situatie die ontstaat wanneer de kerkeraad principieel niet akkoord kan gaan bij een afzetting van een predikant door een meerdere vergadering.

Jansen neemt een soortgelijk standpunt in. De kerkeraad is op veel punten gebonden door het kerkverband. Ook hij acht het mogelijk, met een beroep op Voetius, dat een meerdere vergadering, tegen de zin van de kerkeraad, tot excommunicatie over gaat. Dit stelt hij nadrukkelijk in zijn De kerkenordening.

In zijn Korte verklaring daarentegen is hij veel ‘klassieker’. In aansluiting bij de vroege Rutgers stelt hij dat uiteindelijk de kerken zeer zelfstandig zijn. Juist het aanhalen van de

|42|

zaak Van Leenhof geeft aan dat de afzetting van predikanten anders dan met medewerking van de kerkeraad onmogelijk is. In zijn latere publicatie over de bevoegdheid van meerdere vergaderingen zijn ook beide standpunten aanwezig.

Geconcludeerd moet worden dat de bronnen niet eenduidig zijn. Met een beroep op de geschiedenis wordt het voor mogelijk gehouden dat een kerkeraad bij een excommunicatie gepasseerd wordt. Hoe dat voorgesteld moet worden en welke consequenties dit heeft voor het kerkrecht, wordt niet besproken. Uit de beknoptheid van de bespreking van de verschillende punten en ook uit de innerlijke tegenstrijdigheid van de auteurs blijkt dat de reflectie over deze zaken niet uitgebreid is geweest. Dit zal met het aanbreken van de kwestie Geelkerken geheel veranderen. Voor die tijd speelt echter de kwestie Netelenbos.

Barnard, Tj. (1994) H4

|43|

4 De kwestie Netelenbos

 

4.1 Inleiding

 

In de jaren 1917 tot 1920 heeft zich binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland een affaire voorgedaan die al snel beschreven werd als de ‘kwestie Netelenbos’. J.B. Netelenbos (1879-1934) was een gereformeerd predikant die uiteindelijk om zijn afwijkende gevoelens met betrekking tot de schriftbeschouwing is afgezet. In dit hoofdstuk zal de gevolgde procedure van dichterbij bekeken worden. De kwestie Netelenbos is de eerste grote tuchtzaak in de GKN sinds de vereniging van 1892. Uit alles blijkt dat men er niet op voorbereid was. Op vele punten is gedurende de procedure in strijd met de kerkorde gehandeld. De kwestie Netelenbos kan in sommige opzichten gezien worden als een voorloper van de kwestie Geelkerken die in het volgende hoofdstuk besproken zal worden. Verschillende elementen zullen terugkomen. Voorts heeft de afzetting van de beide predikanten op gelijke gronden plaatsgevonden.

 

4.2. Jan Bernard Netelenbos

 

Jan Bernard Netelenbos werd in 1879 geboren.1 Het gezin waarin hij opgroeide, ging al snel mee met de doleantie. Hier werd hij al vroeg geconfronteerd met een weinig verheffende manier van spreken over de NHK. Ook kwam hij echter in aanraking met de NHK, via een tante en via de kerkgang bij F.E. Daubanton. De laatste, hervormd predikant in Amsterdam, sprak genuanceerd over de gereformeerden. Van 1899 tot 1905 studeerde Netelenbos theologie aan de Vrije Universiteit. In 1905 werd hij predikant te Oostkapelle, in 1910 te Heerenveen en in 1912 werd hij, hoewel er een zekere tegenstand was, beroepen te Middelburg. In 1919 werd hij door de classis Middelburg afgezet als predikant. Nadat de generale synode in 1920 deze uitspraak bevestigde, deed hij in 1921 colloquium bij de NHK. In datzelfde jaar werd hij hervormd predikant te Heinkenszand, terwijl hij in 1928 predikant


1 De informatie over Netelenbos is ontleend aan: C. Bezemer, ‘Jan Bernard Netelenbos’ in D. Nauta (red.), Biografisch lexicon van de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme, dl. 1, Kampen 1978, pp. 208-209; J.G. Geelkerken, ‘In memoriam J.B. Netelenbos’ in H.C. Briët (ed.), Jaarboek voor de Nederlandsche Hervormde Kerk, xix, Zutphen 1935, pp. 441-444 en Joh. de Haas, Gedenkt uw voorgangers, dl. 3, Haarlem 1984, pp. 192-193.

|44|

te Roermond werd. Vanaf 1931 tot aan zijn overlijden in 1934 was hij predikant te Groenlo. Netelenbos behoorde bij de ‘beweging der jongeren’, een stroming binnen de GKN die zich beijverde voor een zekere vernieuwing. Tot deze stroming behoorden onder anderen ook B. Wielenga, J.C. Aalders, C. Velteman, J.C. Brussaard en J.G. Geelkerken. Hun streven kan samengevat worden met de woorden van Wielenga: ‘een nieuwe bijbelvertaling, vernieuwing van de liturgie, vernieuwd belijden naar de behoefte van den veranderden tijd’.2 Deze ‘jongeren’ — de meesten waren rond de veertig — streefden naar een vernieuwing binnen het kerkelijk leven waarbij ook ruimte zou moeten zijn voor wat er buiten de GKN gebeurde. Zij stelden zich bijvoorbeeld open voor de cultuur van de tijd waarin zij leefden, terwijl andere gereformeerden eerder de ‘wereld’ meden. Vele van deze ‘jongeren’ waren leerling van Bavinck geweest. Bavinck zelf stond positief tegenover deze beweging. Na zijn dood zou zijn familie ook meegaan met het Hersteld Verband.

In de NHK diende Netelenbos alleen kleine gemeenten. Hij was in die gemeenten zeer geliefd. Hij heeft in die gemeenten zijn talenten niet ten volle kunnen ontplooien. In 1934 overleed hij.

 

4.3 De procedure tegen Netelenbos

 

In deze paragraaf zal van stap tot stap de procedure gevolgd worden die tegen Netelenbos gevoerd is.3 Het betreft de periode van 1917 tot 1920.

Zoals in de vorige paragraaf beschreven, behoorde Netelenbos tot de groep van de ‘jongeren’. Deze groep stond meer open voor wat er buiten het kerkverband afspeelde dan de rest. Zo sprak Netelenbos op 18 april 1917 bij de Algemeene Predikanten Vergadering. Dit was een gezelschap van hervormde predikanten met een ethische inslag. Netelenbos hield


2 R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen 1966, p. 254.
3 De informatie is ontleend aan: Acta der generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland gehouden te Leeuwarden van 24 augustus — 9 september 1920, Kampen 1920?, pp. 105-111 (hierna: Acta 1920): C.J. de Kruijter, ‘De erfenis niet geweigerd. Ds. Jan Bernard Netelenbos (1879-1934)’ in: D. Th. Kuiper (ed.), Jaarboek voor de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland, vi, Kampen 1992, pp. 83-129 (hierna: ‘De erfenis’) en D. Th. Kuiper, De voormannen. Een sociaal-weten schappelijke studie over ideologie, konflikt en kerngroepvorming binnen de gereformeerde wereld in Nederland tussen 1820 en 1930 (diss), Meppel/Kampen 1972, pp. 261-266 (hierna: De voormannen).

|45|

een referaat met de titel: ‘Jezus Christus, het hoofd der gemeente’. In dit gezelschap gebruikte hij woorden die in eigen kring op z’n zachtst gezegd verwondering wekten. De term ‘Christus-ervaring’ werd gebruikt en ook: ‘Door de historische Christus, die Verlosser is, worden wij Christussen’.4 Verder vervulde Netelenbos op 10 juni 1917 een preekbeurt in de hervormde gemeente te Den Haag. Hiermee was de aanleiding gegeven voor wat de geschiedenis in zou gaan als de kwestie Netelenbos.

Over beide zaken werd hij door de kerkeraad van Middelburg ondervraagd. Voor de preekbeurt in Den Haag was een klacht van de gereformeerde kerk van die plaats de aanleiding. De kerkeraad besloot het zijn predikanten te verbieden voor te gaan in andere dan gereformeerde diensten op plaatsen en tijden waar die gereformeerde diensten gehouden werden. Met betrekking tot het optreden voor de Algemeene Predikanten Vergadering werden in de kerkeraad vragen gesteld door ds. J.D. Wielenga. Terwijl Netelenbos eerst geweigerd had op deze vragen in te gaan, gaf hij enige tijd later in een kerkeraadsvergadering, aan de hand van Wielenga’s vragen, toch opening van zaken. Veel misverstanden werden verholpen. Op het punt van het gebruik van de term ‘Christus-ervaring’ bleef men van mening verschillen. Deze term kwam uit een niet-gereformeerde theologie en ‘de Schrift is niet alleen kenbron van ons geloof, maar moet ook als uitgangspunt gekozen worden bij samenspreking met niet-gereformeerden over geloofszaken’.5 De zaak werd daarna verder behandeld door de classis. Daar was op 11 juli 1917 al voor het eerst over beide optredens gesproken. In het najaar benoemde de classis een commissie die de zaak nader zou onderzoeken. Tot leden werden benoemd dr. A.A. van Schelven, ds. G.F. Kerkhof en de ouderling A. Geschiere. In diezelfde tijd speelde ook het gravamen-Buizer. Dr. C.M. Buizer had op 31 mei 1917 een gravamen ingediend bij de kerkeraad van Middelburg. Dit bezwaar betrof de artt. 27-30 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (hierna: NGB). Deze artikelen beschrijven het onderscheid tussen de ware en de valse kerk. Buizer stelde dat de geloofsbelijdenis in die zin aangepast moest worden dat niet alleen de GKN aanspraak konden maken op ‘ware kerk’ te zijn. Er zou veeleer sprake dienen te zijn van een zekere pluriformiteit. Dit gravamen werd door een commissie van kerkeraadsleden besproken. De meerderheid adviseerde dit gravamen te verwerpen. Netelenbos, samen met een ander lid van de commissie, was echter voor dit


4 Geciteerd bij ‘De erfenis’, p. 98.
5 ‘De erfenis’, p. 100.

|46|

gravamen.

In het voorjaar van 1918 presenteerde de commissie-Van Schelven haar rapport aan de classis. De classis nam in grote lijnen het advies van de commissie over. Grotendeels werden de zaken als afgehandeld beschouwd. Wel werd de kerkeraad geadviseerd nader te onderzoeken hoe de ‘Christus-ervaring’ functioneerde. Het gebruik van deze term diende afgewezen te worden. Als de kerkeraad en ds. Netelenbos niet tot overeenstemming zouden komen op dit punt, zou de kerkeraad advies moeten inwinnen bij de theologische hoogleraren van de Vrije Universiteit en van de Theologische Hogeschool. Verder diende Netelenbos zich te onthouden van propaganda over het voorgaan in andere dan gereformeerde diensten. Als laatste verwachtte de classis nog helderheid over de instemming van Netelenbos met het gravamen-Buizer.

De kerkeraad vroeg inderdaad het bedoelde advies aan. De theologische hoogleraren namen uitgebreid de tijd. ‘Kampen’ liet weten te weinig informatie te hebben, terwijl H.H. Kuyper (hoogleraar VU, 1864-1945) schreef dat het niet aan de theologische hoogleraren is om het werk van de classis te beoordelen. In elk geval diende Netelenbos, conform het ondertekeningsformulier, zich te onthouden van uitspraken die tegen de belijdenis ingaan zolang die nog in kerkelijke behandeling zijn. In de maand februari van 1919 aanvaardde de kerkeraad het advies van de commissie-Van Schelven. Kort hierna reageerde Netelenbos schriftelijk en daarop trok de kerkeraad op 13 maart het eerder genoemde besluit in en verwierp de conclusies van het advies. Op 26 maart werd in de classicale vergadering besloten een commissie te benoemen die moest gaan onderzoek wat Netelenbos werkelijk leerde. Op 24 april verenigde de kerkeraad zich weer met de conclusies van Van Schelven. Kort hierna vergaderde de classis weer. Netelenbos weigerde de conclusies, omdat die in zijn ogen niet helder waren, over te nemen. Er ontstond een felle, langdurige vergadering. Dan werd onverwacht het volgende besluit genomen:

‘De Classis Middelburg, bijeen in haar vergadering van 13 mei 1919, met diep leedwezen kennis nemende van het rapport van den Kerkeraad van Middelburg en van de weigering van Ds Netelenbos, om de conclusies der Classis te aanvaarden,
constateerende, dat in ieder geval op grond daarvan, op Ds N. terecht of ten onrechte verdenking aangaande de zuiverheid in de leer rust,
meent den invloed van Ds N. als ambtsdrager niet langer te kunnen sanctioneeren, zoolang

|47|

niet duidelijk gebleken is, of deze verdenking terecht op dezen broeder rust,
en besluit over te gaan tot schorsing van Ds N. (welke schorsing niet als tucht is bedoeld, maar als afwering van mogelijke schadelijke invloeden) en eene commissie te benoemden, om door bespreking van de aanhangige quaesties zoo mogelijk den bedoelden broeder voor ons kerkelijk leven te behouden’.6

De kerkeraad van Middelburg weigerde deze schorsing over te nemen en handhaafde Netelenbos als predikant. Als leden van de commissie bedoeld in het besluit werden benoemd de hoogleraren G.H.J.W.J. Geesink, T. Hoekstra en A.G. Honig en de predikant J.H. Landwehr. Op 27 mei kwam de classis in bijzondere vergadering bijeen. Reden was het conflict tussen de kerkeraad en de classis. Netelenbos weigerde nog steeds in te gaan op de conclusies van de classis omdat die zijns inziens te onduidelijk waren. De schorsing, waarvan iedereen inmiddels begreep dat die buitengemeen ongelukkig was, werd opnieuw geformuleerd en gehandhaafd. Toegevoegd werd nu dat Ds. Netelenbos ipso facto, conform het ondertekeningsformulier, gesuspendeerd was. Dit is een soort op non-actief stellen. Netelenbos verklaarde wel te willen zwijgen over bepaalde onderdelen van de leer, mits hem maar precies duidelijk gemaakt werd over welke. De classis verwees hem hier steeds naar het rapport-Van Schelven, zonder enige specificering. Dit was Netelenbos niet helder genoeg. De kerkeraad ging nog steeds niet akkoord en stelde beroep in bij de particuliere synode. De particuliere synode vergaderde op 18 en 19 juni 1919. Besloten werd tot het volgende:

‘1°. dat de behandeling, noodzakelijk geworden door het conflict tusschen den Kerkeraad en Ds N., terecht geschied is op grond van het Onderteekeninsformulier voor de Dienaren des Woords, en niet op grond van de artt. 79 en 80 K.O.;
2°. dat evenwel de Classis Middelburg niet het besluit had mogen nemen Ds N. te schorsen van zijne ambtelijke bediening, maar na constateering van het feit, dat Ds. N. krachtens het Ondertekeningsformulier ipso facto gesuspendeerd was, rekening houdend met dat feit, maatregelen moest nemen uit deze suspendeering voortvloeiende;
3°. dat de Synode aan de Classis Middelburg adviseeren zou, op haar besluit van schorsing terug te komen, en volgens het sub 2° genoemde te handelen;
4°. dat de Classis Middelburg goed gedaan heeft eene Commissie aan te wijzen om zich met


6Acta 1920, p. 108.

|48|

Ds N. in contact te stellen, om te onderzoeken of zijne afwijkende gevoelens van dien aard zijn, dat op grond hiervan Ds N. onverhoopt verder zou moeten behandeld worden volgens de Artt. 79 en 80 K.O.;
en besluit 5°. eene Commissie te benoemen om het oordeel der Synode nader toe te lichten in de vergadering van de Classis, en op conformeering met dit oordeel aan te dringen’.7

De synode adviseerde dus de schorsing in te trekken en de benoemde commissie een onderzoek te laten instellen. Hierna kon, conform de artt. 79 en 80, indien nodig, tot verdere maatregelen overgegaan worden. In de tussentijd moesten de maatregelen die volgen uit de suspendering (in feite een schorsing) genomen worden. Ter zelfder tijd sprak de synode uit dat de kerkeraad zich had moeten onderwerpen aan de schorsing van 13 mei 1919.8 Op 26 juni erkende de kerkeraad deze schorsing en op 9 juli werd het schorsingsbesluit door de classis ingetrokken terwijl verklaard werd dat Netelenbos gesuspendeerd was.

Op dit moment trad een nieuwe fase in. In de maanden juni en juli vonden gesprekken plaats tussen de commissie en Netelenbos. Aan de vroegere gespreksonderwerpen, de ‘Christus-ervaring’ (referaat Algemeene Predikanten Vergadering) en pluriformiteit (preek in Den Haag en gravamen-Buizer) werden nieuwe twistpunten toegevoegd. In een nieuwe brochure had Netelenbos op afwijkende wijze over de Schrift gesproken.9 Anders dan de commissie, leerde Netelenbos dat de vorm van de Schrift een menselijke is. Verder was hij geen categorisch tegenstander van de historische schriftkritiek. Het Hooglied was voor hem geen onderdeel van de openbaring in engere zin. Netelenbos verdedigde dat de grond van het geloof uiteindelijk het getuigenis van de Geest in het hart was. Dit getuigenis ging zijns inziens boven de Schrift uit. Al deze opvattingen werden door de commissie beoordeeld als in strijd te zijn met de artt. 3 en 4 van de NGB. Deze artikelen gaan over het schriftgezag. Op 12 augustus 1919 legde de commissie de strijdigheid van de opvattingen van Netelenbos met de geloofsbelijdenis in een rapport vast. Op 26 augustus aanvaardde de classis dit rapport, terwijl ditzelfde op 11 september gebeurde door de kerkeraad.

Op 8 oktober 1919 werd Netelenbos in een vergadering van de kerkeraad van Middelburg,


7Acta 1920, p. 100.
8 Merkwaardigerwijs blijkt dit niet uit de beschrijving van de procedure tegen Netelenbos door de rapporteurs van de generale synode, maar pas bij de kerkrechtelijke beoordeling. Zie Acta 1920, p. 100 en 113.
9 J.B. Netelenbos, De grond van ons geloof, Utrecht 1919.

|49|

met afgevaardigden van twee naburige kerken en leden van de commissie geschorst.10

Hierop ging Netelenbos in beroep bij de classis. Op 22 oktober vergaderde de classis en keurde de schorsing goed. Netelenbos kreeg tot de volgende vergadering de tijd om van zijn wegen terug te keren. Op 19 november vergaderde de classis weer en met medewerking van de deputaten van de particuliere synode werd Netelenbos op grond van zijn ‘ethisch beginsel’ met betrekking tot de schriftopvatting afgezet. Netelenbos tekende beroep aan bij de particuliere synode.

De particuliere synode van Zeeland vergaderde op 2 en 3 juni 1920. De synode nam de procedure over en keurde de afzetting goed. Wel werd, zij het terzijde, opgemerkt dat de formulering over het ‘ethisch beginsel’ scherper geweest zou kunnen zijn. Netelenbos beriep zich nu op de generale synode.

Na dit beroep publiceerde hij zijn Ben ik gereformeerd. In dit geschrift geeft hij zijn visie op de procedure. Verder behandelde hij uitgebreid zijn schriftopvatting. De mechanische inspiratie werd afgewezen. De bijbels auteurs hebben hun eigen vorm gekozen. In sommige gevallen is zelfs sprake van een ‘Oostersche’ inkleding. De generale synode van Leeuwarden vond plaats van 24 augustus tot 9 september 1920. Door de synode werd een commissie van rapporteurs benoemd. Leden zijn: G.Ch. Aalders, K. Dijk en H.W. Laman. In de gesprekken met Netelenbos kwamen zij tot de conclusie dat zijn standpunten inderdaad strijdig waren met de geloofsbelijdenis. Zij adviseerden de synode, hoewel de kerkrechtelijke procedure bepaald niet vlekkeloos was verlopen, de afzetting te handhaven. De synode besloot op 8 september 1920 conform dit advies. De praeses sprak broeder Netelenbos toe en toonde zijn teleurstelling over het feit dat Netelenbos niet uiteindelijk zich gericht had naar het standpunt van de synode.11


10 De chronologie van ‘De erfenis’ (p. 109) dient afgewezen te worden. En de Acta 1920 en J.B. Netelenbos, Ben ik gereformeerd, Baarn 1920, p. 44, geven aan dat tot de schorsing pas op 11 oktober besloten is. De bronnen zijn onduidelijk over welke naburige kerken afgevaardigden gezonden hebben. Netelenbos noemt de kerken van St. Laurens en Souburg, ‘De erfenis’ de kerken van St. Laurens en Oostkapelle en de Acta 1920 alleen die van St. Laurens. Het lijkt aannemelijk dat, zonder dat nu op te maken is welke, twee kerken afgevaardigden gezonden hadden. Uit het feit dat de Acta 1920 alleen de kerk van St. Laurens noemt, kan opgemaakt worden dat dat de genabuurde kerk was.
11Acta 1920, p. 71.

|50|

4.4 Een kerkrechtelijke beoordeling van de procedure tegen Netelenbos

 

Al tijdens de procedure tegen Netelenbos waren er veel stemmen opgekomen die ernstig bezwaar maakten.12 Onderscheid moet worden gemaakt tussen procedureel en inhoudelijk bezwaar. Hier zal alleen ingegaan worden op kerkrechtelijke bezwaren. Zoals ook de commissie van rapporteurs ter generale synode constateerde, waren er zeer vele kerkrechtelijke fouten gemaakt gedurende de procedure. Vanaf de eerste uitspraak van de particuliere synode echter, zo stelde deze commissie, was de procedure correct uitgevoerd. In grote lijnen lijkt dit oordeel juist te zijn.

In het eerste gedeelte van de procedure werd fout op fout gemaakt. Ten onrechte meende Netelenbos niet te hoeven reageren op vragen van zijn collega Wielenga. Dat hij dit later toch gedaan heeft, doet niets af aan de onjuistheid van zijn aanvankelijke standpunt. De procedure tot het moment van de eerste schorsing was redelijk correct. De classis was bevoegd om zich met de zaak te bemoeien. Of de classis meer bevoegdheden had dan het dienen van de kerkeraad met advies is omstreden. De wankelmoedige houding van de kerkeraad met betrekking tot het al dan niet aannemen van de conclusies van de commissie-Van Schelven is merkwaardig, maar levert kerkrechtelijk geen grote bezwaren op. De door H.H. Kuyper in zijn brief van 18 december 1918 gemaakte opmerking over het ondertekeningsformulier was terecht. Volgens het ondertekeningsformulier waren predikanten inderdaad niet gerechtigd leerstukken te leren die nog in kerkelijke discussie waren. Voor zover Netelenbos propaganda maakte voor het gravamen-Buizer en aanverwante zaken, was dit in strijd met het ondertekeningsformulier. De opmerkingen van Kuyper over de bevoegdheid van de hoogleraren om over besluiten van classes te adviseren staat ter discussie. Zolang het college van kerkelijke hoogleraren geen beroepsorgaan is in het kerkrechtelijke systeem, zoals dat inderdaad niet het geval was binnen het doleantie-kerkrecht, stond het een ieder vrij aan hen advies te vragen.


12 Voor deze paragraaf is o.a. gebruik gemaakt van het kerkrechtelijk deel van het rapport van de rapporteurs van de generale synode, Acta 1920, pp. 112-114.

|51|

Kerkrechtelijke problemen ontstonden pas echt bij het besluit van 13 mei 1919.13 De bevoegdheid van de classis om een dergelijk besluit te nemen is om verschillende redenen problematisch. 1. Het is de vraag of de classis een ‘initiatiefrecht’ heeft met betrekking tot de tucht. Het lijkt logisch dat hier in elk geval eerst overleg met de kerkeraad nodig was. Zoals uit de hoofdstukken 2 en 3 van deze scriptie blijkt, ligt het primaat voor maatregelen van tucht bij de kerkeraad. 2. Het besluit tot schorsing is genomen op grond van een niet bestaande titel. Een schorsing als middel om de kerk te bewaren voor mogelijk schadelijke invloeden bestond helemaal niet. 3. Als laatste punt van kritiek kan worden genoemd, dat het schorsen van een predikant zonder dat het geheel duidelijk is welke leerstellingen afwijkend zijn, of in elk geval welke leerstellingen aan de orde zijn, weinig elegant is. Om al deze drie redenen had de kerkeraad van Middelburg het recht geheel aan zijn zijde toen hij weigerde de schorsing over te nemen. Het besluit van de classis was zo duidelijk tegen de kerkorde, dat diezelfde kerkorde een overname door de kerkeraad zelfs verbood. Te denken valt hierbij aan art. 31. Als reactie op de kritiek die was ontstaan op het besluit van 13 mei, werd op 27 mei het besluit opnieuw geformuleerd. Deze nieuwe formulering bleef ongelukkig. De drie kritiekpunten bleven bestaan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de particuliere synode uitsprak dat de schorsing niet juist was. Op dit moment startte feitelijk een nieuwe procedure. In de ogen van de leden van de commissie van rapporteurs kon nu met een schone lei begonnen worden. Binnen het strafrecht zou dit een vreemde figuur zijn.14 Binnen het gereformeerde kerkrecht ligt dat anders. Daar gaat het om de uiteindelijke toetsing van aangehangen standpunten en de vraag of die standpunten tolereerbaar zijn. De particuliere synode sprak uit dat de gevoerde procedure onjuist was geweest en gaf dan ook lijnen aan hoe de procedure voortgezet kon worden. Voorzover Netelenbos in strijd handelde met het ondertekeningsformulier, was een suspendering (een soort schorsing) mogelijk. De synode stelde dat dit het geval was en suspendeerde Netelenbos. Voor deze suspendering ontbraken echter de gronden.15 Daarnaast zou direkt onderzocht moeten worden of er sprake was van


13 Voor een uitgebreide bespreking van de problematische kanten van dit besluit zie: § 3.5.
14 In dat recht zou het beginsel ‘ne bis in idem’ een nieuwe procedure verbieden. Dat wil zeggen, dat iemand die al terecht gestaan heeft, niet meer een tweede keer voor hetzelfde feit aangeklaagd kan worden.
15 Zie Acta 1920, p. 113 en voor de mening van H.H. Kuyper zie hieronder.

|52|

afwijkingen in de leer. Wel diende de kerkeraad zich te conformeren aan de uitspraak van de classis. Hoewel de schorsing dus ontoelaatbaar geacht werd, moest hij wel uitgevoerd worden. Dit is kerkrechtelijk onjuist.16

Aan dit nieuwe onderzoek heeft een dogmatische commissie gewerkt. Na overleg met Netelenbos kwam zij tot de conclusie dat zijn standpunten inderdaad in strijd waren met de belijdenis. De procedure die hierna gevolgd werd, was conform het gereformeerde kerkrecht. De kerkeraad, met hulp van de naburige kerk, schorst ds. Netelenbos. De noodzaak van de aanwezigheid van twee naburige kerken is niet helder. De kerkorde schrijft bij de schorsing van een predikant slechts de aanwezigheid van één kerk voor (art. 79). Verder is hier een ander probleem aanwezig. Art. 79 schrijft voor dat het oordeel over een schorsing is ‘des kerkeraads derzelver en der naastgelegene gemeente’. De commentaren in het vorige hoofdstuk besproken stellen alle dat hier bedoeld is een verenigde vergadering van de beide kerkeraden. Niet volstaan kan worden met alleen een afvaardiging. Dit probleem wordt echter wel ondervangen doordat het besluit later geaccordeerd is door de classis. Wanneer beide kerkeraden niet tot overeenstemming zouden komen, zou het oordeel in elk geval aan de classis geweest zijn.

Vanaf dit schorsingsbesluit loopt alles volgens het boekje. De door de particuliere synode enigszins gewraakte formulering, hoeft niet direkt problematisch te zijn. De classis besluit tot afzetting. De particuliere synode verwerpt het beroep en de generale synode doet hetzelfde, na uitgebreid onderzoek.


16 Dit besluit van de particuliere synode wordt door H.H. Kuyper gewraakt in De Heraut van de Gereformeerde Kerken in Nederland, zo 29-06-1919 (n. 2162) pp. 2-3. (hierna: De Heraut) ‘Een Classis, die zelf aan de besluiten der particuliere Synode zich niet onderwerpen zou, kan moeilijk eischen, dat de Kerkeraad zich wel onderwerpen zou aan hare besluiten’. Ook het besluit om nu al over te gaan tot suspendering vindt geen genade in zijn ogen. ‘Het is bovendien duidelijk genoeg, dat zulk een schorsing niet kan intreden wanneer niet eerst een kerkelijke vergadering geconstateerd heeft, dat het feit waarop die suspensie steunt, zich metterdaad heeft voorgedaan. [...] Het alleen weigeren te verklaren zich stil te houden is op zich niet voldoende. Er dient iets gedaan te zijn.’

|53|

4.5 Commentaar van H.H. Kuyper

 

In het blad De Heraut waarin H.H. Kuyper veel schreef, is hij ook uitgebreid ingegaan op de kwestie Netelenbos. Uit zijn bijdragen is zeer goed af te leiden hoe hij, hoogleraar kerkrecht aan de Vrije Universiteit, in die tijd dacht over de verhouding tussen de plaatselijke kerk en de meerdere vergaderingen. Later zal hij terugkomen van deze standpunten. Op 25 mei 1919 schrijft hij, naar aanleiding van het besluit van de classis van 13 mei het volgende:

‘... Een schorsing van een predikant is altoos een zeer ernstige daad en mag niet geschieden, dan wanneer daarvoor zeer grondige redenen zijn. Welke deze redenen zijn, geeft onze Kerkenorde in Artikel 80 aan, en dat deze redenen hier niet aanwezig waren, blijkt de Classis zelf wel te hebben ingezien, waar zij verklaarde, dat zij met deze schorsing geen kerkelijke censuur bedoelde, maar alleen een preventieven maatregel wilde nemen. Nog daargelaten nu, dat een schorsing, die geen censuur is, door ons Kerkrecht niet gekend wordt, schijnt het ons ook uiterst bedenkelijk om schorsing uit te spreken niet wegens feiten, die hebben plaatsgevonden, maar alleen om verkeerde dingen te voorkomen.
Dat de Kerkeraad van Middelburg onder deze omstandigheden aan dit besluit geen uitvoering gaf, is dan ook te begrijpen. Trouwens, Art. 79 draagt de taak om te beoordeelen of een predikant moet geschorst worden, niet aan de Classis, maar aan den Kerkeraad op. En de Classis had een dergelijke schorsing niet mogen uitspreken, zonder zich verzekerd te hebben dat de Kerkeraad hierin medeging. Nu werd een conflict in het leven geroepen, dat op ieder, die onze Gereformeerde Kerken liefheeft, niet anders dan een zeer pijnlijke indruk zal maken.
We hopen daarom, dat deze zaak spoedig op een bevredigende wijze zal worden opgelost. Het beste zou wezen, wanneer de Kerkeraad en de Classis de beëindiging van dit geschil opdroegen aan de Provinciale Synode’.17

Een week later, het besluit van de classis is nu opnieuw geformuleerd, geeft Kuyper weer zijn mening in dit blad. Het uitgebreide citaat wordt weergegeven omdat het heel duidelijk


17De Heraut, zo. 25-05-1919 (n. 2157), p. 2.

|54|

aantoont waar volgens Kuyper de bevoegdheden liggen. In de kwestie Geelkerken zal hij een diametraal tegenovergesteld standpunt in nemen.

‘De Autonomie der plaatselijke kerk

Eenigszins bevreemdend was, dat in meer dan een kerkelijk orgaan bij de bespreking van hetgeen op Walcheren zich afspeelde, de voorstelling werd gegeven, alsof een Kerkeraad (behoudens dan het recht op appel op een meerdere vergadering) verplicht zou wezen, wanneer een meerdere vergadering een censure uitsprak over een zijner ambtsdragers, dit besluit uit te voeren, ook al zou de Kerkeraad dit besluit onjuist en onwettig achten.
Het geldt hier een zoo diep ingrijpend beginsel, dat heel ons Gereformeerd Kerkrecht beheerscht, dat we niet ernstig genoeg tegen deze voorstelling kunnen opkomen.
In het meesterlijke werk van Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman en Dr. F.L. Rutgers De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken (tweede druk 1887) wordt met nadruk opgekomen tegen de voorstelling door de voorstanders der Synodale hiërarchie gegeven, alsof een Classis bevoegd zou wezen in eenige gemeente het initiatief te nemen tot kerkelijke censuur, eigener beweging besluiten kan een gemeentelid of ambtsdrager te censureeren en dan den Kerkeraad kan opleggen dat vonnis ten uitvoer te brengen (blz. 3 noot 2).
Tegenover deze hiërarchische opvatting van de macht der meerdere vergaderingen wordt dan met klem van redenen aan het Gereformeerde Kerkrecht, zooals dit èn door de beste Canonici is geleerd èn uit de practijk onzer vroegere kerken blijkt, aangetoond:
1e. dat het recht tot initiatief bij zulk een kerkelijke censuur niet bij de meerdere vergadering behoort, maar bij den Kerkeraad. Het is de Kerkeraad, die de potestas jurisdictionis, d.w.z. de kerkelijke macht om censuur te oefenen, ontvangen heeft en die dus in de eerste plaats te oordeelen heeft, of er reden is om zulke censuur uit te oefenen. Wel bepaalt onze Kerkorde, dat bij de uitoefening van deze macht de Kerkeraad in bepaalde gevallen gehouden is het advies van de Classis te vragen (bijv. voor men tot excommunicatie van een lidmaat overgaat) en evenzoo, dat die Kerkeraad niet zonder de goedkeuring van de Classis een predikant mag afzetten, Maar al is de uitoefening van deze censuurmacht in genoemde gevallen beperkt geworden door het Kerkverband, daaruit kan en mag toch niet worden afgeleid, dat een meerdere vergadering zonder dat de Kerkeraad er in gekend is, zulk een

|55|

censuur zou mogen uitspreken. Een dergelijke macht komt aan de meerdere vergaderingen niet toe.
2e. dat zelfs dan, wanneer een Classis of Synode, niet ten eerste instantie, maar wettiglijk (d.w.z. nadat de zaak eerst in den Kerkeraad behandeld was) censureerde en de uitvoering aan een Kerkeraad opdroeg, deze nog altijd bezwaar kan maken en niet gedwongen kan worden, gelijk b.v. gebleken is bij de excommunicatie van Caspar Coolhaes in den aanvang der 17e eeuw, die de Amsterdamsche Kerkeraad, ondanks de opdracht eener Synode, nooit heeft willen effectueren (blz. 32).
Formeel kan er dus geen het minste bezwaar tegen gemaakt worden, dat de Kerkeraad van Middelburg weigerde het besluit van de Classis uit te voeren. Wel wordt in Art. 31 onzer Kerkenorde bepaald, dat hetgeen door de meeste stemmen goed gevonden is in de meerdere vergaderingen, voor vast en bindend zal gehouden worden, maar er wordt aan toegevoegd: tenzij dan dat het bewezen worden te strijden tegen Gods Woord of tegen de Artikelen in die Generale Synode besloten.
Nu kan er wel geen de minste twijfel over bestaan, dat het besluit van de Classis Walcheren, hoe goed dit ook bedoeld was, toch op niet onbedenkelijk wijze ingreep in het recht der plaatselijke Kerk om in eerste instantie over haar Dienaren te oordelen. En dat de Kerkeraad niet geroepen is blindelings zulk een besluit op te volgen, vooral wanneer hij van oordeel is, dat dit besluit in strijd is met de Artikelen van de onder ons geldende Kerkenorde, spreekt wel vanzelf. Het is ons dan ook niet duidelijk, hoe degenen die over deze zaak schreven, eenerzijds het besluit van de Classis als in strijd met onze Kerkenorde kunnen wraken en toch tegelijk kunnen oordeelen, dat de Kerkeraad dit besluit wel ten uitvoer had moeten brengen.18
Niet om over de quaestie zelf een oordeel uit te spreken, maar wel om de beginselen van ons Gereformeerd Kerkrecht te handhaven, meenden we deze opmerking te moeten maken.
Alleen voegen we hieraan toe, om elk misverstand te voorkomen, dat een Kerkeraad, die aldus weigert een besluit der Classis uit te voeren, dan ook geroepen is te bewijzen, dat dit besluit niet wettig is. Dat bewijs moet eerst aan de Classis zelf geleverd om haar te bewegen van dit besluit terug te komen, en wanneer dit niet helpt, moet geappeleerd worden op de


18 Dit standpunt wordt gedeeld door de commissie van rapporteurs, Acta 1920, pp. 113-114.

|56|

Particuliere en desnoods op de Generale Synode. Dit is de geordende weg, wil men een breuk in het kerkverband voorkomen’.19

 

Het is duidelijk dat Kuyper hier naadloos aansluit bij Lohman en Rutgers. De bevoegdheden liggen bij de plaatselijke kerk. Slechts op die punten waar dit in de kerkorde is aangegeven, is de plaatselijke kerk gebonden aan het kerkverband. Het initiatief voor de tucht ligt alleen bij de kerkeraad. Aan de plaatselijke kerk kan het tot uitvoering brengen van een uitspraak van een meerdere vergadering niet opgedrongen worden. In het meest extreme geval komt echter wel het kerkverband onder druk te staan.

 

4.6 Conclusie

 

In de literatuur wordt beweerd dat de kwestie Netelenbos model kan staan voor latere tuchtprocedures, met name de kwestie Geelkerken. Toch zijn er verschillen. In het eerste gedeelte van de procedure is de zaak vergelijkbaar. Het tweede gedeelte is volstrekt anders. Bij Netelenbos gaat na juni 1919 de kerkeraad akkoord met de schorsing en afzetting. Vanaf dat moment is er geen sprake meer van een conflict tussen kerkeraad en meerdere vergadering. Dit conflict kenmerkt nu juist de kwestie Geelkerken.

In het eerste gedeelte is er daarentegen wel sprake van een conflict tussen classis en kerkeraad. Op het moment dat dit conflict opgelost is door de eerste uitspraak van de particuliere synode, wordt de zaak binnen de grenzen van het klassieke doleantie-kerkrecht opgelost. Dit blijkt ook uit de opvattingen van H.H. Kuyper zoals die besproken zijn. Bij Kuyper is nog geen enkele verwijdering zichtbaar van de standpunten van Lohman en Rutgers. De definitieve uitspraak bevestigt de verschillende bevoegdheden van de verschillen¬de vergaderingen en laat uiteindelijk de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk ongemoeid. Pas bij de kwestie Geelkerken zullen de oude grenzen van het oude doleantie-kerkrecht overschreden worden. In de jaren daarvoor, in de kwestie Netelenbos is daar uiteindelijk


19De Heraut, zo. 01-06-1919 (n. 2158), p. 2.

|57|

geen sprake van.

Barnard, Tj. (1994) H5

|58|

5 De kwestie Geelkerken

 

5.1 Inleiding

 

De kwestie Geelkerken heeft gedurende de gehele tweede helft van de jaren twintig de gemoederen binnen de GKN heftig bewogen. Het belang van deze zaak voor de geschiedenis van deze kerken kan niet makkelijk overschat worden. Het was een gebeurtenis die het ongeveer 30 jaar bestaande kerkverband op zijn grondvesten heeft doen trillen. De zaak Geelkerken is veel meer geweest dan een theologische discussie over een kleine pericoop uit het Oude Testament. Veeleer is er sprake geweest van een machtsstrijd en een generatie-conflict. ‘Jongeren’ stonden tegenover ‘ouderen’. In Geelkerken is de hele beweging van jongeren veroordeeld. Zoals beschreven in het vorige hoofdstuk, bestond er een beweging van jongeren die op allerlei gebied vernieuwing zocht.1 Geelkerken kan als vooruitgeschoven post beschouwd worden. In dit hoofdstuk zal de kwestie Geelkerken vanuit het gezichtspunt van het kerkrecht onderzocht worden.2

 

5.2 Johannes Gerardus Geelkerken

 

Johannes Gerardus Geelkerken leefde van 1879-1960.3 Hij groeide op in een gezin dat met de doleantie was meegegaan. Vanaf 1899 studeerde hij theologie aan de Vrije Universiteit. In 1909 promoveerde hij cum laude bij Bavinck op een proefschrift getiteld De empirische godsdienstpsychologie. Van 1911 tot 1915 was hij predikant van de gereformeerde kerk van Epe. Vanaf 1915 tot 1926 was hij predikant van de gereformeerde kerk van Amsterdam-Zuid (Overtoom). In 1926 werd hij door de synode van Assen afgezet als predikant. Vanaf die tijd


1 Zie ook § 4.2.
2 Voor een benadering vanuit de conflict-sociologie zie: A. Groenendijk, Vasthoudend en voortvarend. De achtergronden van het conflict rond dr J.G. Geelkerken, onuitgegeven doctoraalscriptie VU, 1986. (Deze scriptie is aanwezig in het archief ‘Het conflict Geelkerken’ (212) van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme te Amsterdam.) In deze scriptie wordt uitgebreid ingegaan op alle spanningen die reeds voor de preek over Gen. 3 bestonden in de kerk van Amsterdam-Zuid.
3 De informatie over Geelkerken is ontleend aan: J.J. Buskes, ‘Johannes Gerardus Geelkerken’ in Jaarboek van de maatschappij der Nederlandse letterkunde te Leiden (1960-1961), Leiden 1961, pp. 52-56 en B.A Venemans, ‘Geelkerken, Joh. Gerardus’ in D. Nauta (red.), Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het protestantisme, II, Kampen 1983, pp. 206-209.

|59|

was hij predikant in diezelfde gemeente (in Hersteld Verband). Na de hereniging in 1946 was hij nog een korte tijd hervormd predikant van deze gemeente. Tijdens zijn studententijd was Geelkerken praeses van de Nederlandsche Christen Studenten Vereniging. In 1920 stelde de synode van Leeuwarden een verklaring vast waarin ondermeer het lidmaatschap van deze vereniging ontraden werd. Hiertegen werd door Geelkerken ernstig geprotesteerd in een preek die hij hield direkt na het voorlezen van de door die synode vastgestelde kanselboodschap.4 In diezelfde tijd beijverde Geelkerken zich ook voor vernieuwingen in de liturgie. Zo hiervan propageerde hij het invoeren van gezangen. Binnen het Hersteld Verband raakte Geelkerken betrokken bij het begin van de oecumene. Zo werd hij actief bij het Nederlandse Lausanne-comité en was afgevaardigde naar de conferentie in Edinburgh in 1937. Namens de kerken in Hersteld Verband voerde Geelkerken de gesprekken die in 1946 leidden tot de hereniging met de NHK. Op 15 mei 1946 vond de hereniging plaats. Daar Geelkerken in 1960 overleed, heeft hij de uitspraak van de synode van Amsterdam in 1967 waarin aan de uitspraak van 1926 het karakter van leeruitspraak ontnomen werd, niet meer kunnen meemaken.

 

5.3 De procedure tegen Geelkerken

 

Op zondag 23 maart 1924 hield Geelkerken een catechismus preek over zondag 3.5 In deze dienst waren 18 ouderlingen aanwezig. Ook aanwezig was het gemeentelid H. Marinus. In een klacht die hij op 26 maart daaropvolgend schriftelijk aan de kerkeraad richtte, stelde hij dat Geelkerken gezegd zou hebben dat het bericht over de zondeval in Gen. 2 en 3 niet als letterlijke waarheid op te vatten zou zijn. In zijn vergadering van 3 april verklaarde de


4 J.G. Geelkerken, Machteloosheid en krachtsontplooiing der kerk, predicatie naar aanleiding van het “Getuigenis” van de Generale Synode der Geref. kerken in Nederland, Amsterdam 1920.
5 De informatie over deze procedure is voornamelijk ontleend aan: Acta der buitengewone generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, gehouden te Assen van 26 januari tot 17 maart 1926, Kampen 1926? (hierna: Acta 1926). Memorie der classis Amsterdam van de Gereformeerde Kerken in Nederland betreffende de zaak-Dr J.G. Geelkerken, en den kerkeraad van Amsterdam Zuid, memorie van de particuliere synode van Noord-Holland van de Gereformeerde Kerken in Nederland betreffende de genoemde zaken, Kampen 1925? (hierna: Memorie), en De voormannen.

|60| 

kerkeraad deze klacht ongegrond. Dit werd door de wijkouderlingen mondeling medegedeeld aan br. Marinus. Op 13 mei diende hij een bezwaarschrift in bij de classis Amsterdam. De classis benoemde op 11 juni een commissie die de zaak moest onderzoeken. De commissie bestond uit de volgende leden: de predikanten J.L. Schouten (Amsterdam), J.E. Vonkenberg (Huizen) en de ouderling H. Bomas (Hilversum). Op 10 september bracht de commissie verslag uit. Zij had de zaak onderzocht, kennisgenomen van een preekcoupure zoals die door Geelkerken opgesteld was en de verklaring van de 18 ouderlingen dat de coupure zakelijk juist was.6 De conclusie van de commissie was dat Br. Marinus de preek verkeerd verstaan had. ‘Zij adviseert dan ook den Kerkeraad door een nadere samenspreking met broeder Marinus dezen van zijn niet goed hooren te overtuigen, wat den Kerkeraad des te gemakkelijker zal vallen, waar door Dr Geelkerken een schriftelijke verklaring aangaande het door hem gesprokene werd afgegeven, en de ouderlingen die, deze preek hoorden, verzekerden dat de verklaring door Dr. Geelkerken gegeven, zakelijk den waarheid getrouw is’.7 De conclusie werd door de classicale vergadering aanvaard. Naar aanleiding van dit besluit van de classis, vaardigde de kerkeraad nogmaals de wijkouderlingen af om de zaak met Marinus te bespreken. Marinus ging niet akkoord en wilde door de hele kerkeraad gehoord worden. De beslissing over diens verzoek werd door de kerkeraad voor zich uitgeschoven.

Op 15 november schreef Marinus een hernieuwd bezwaarschrift aan de classis waarin hij verdedigde dat er niet slechts sprake was van een kwestie van tweeërlei lezing. Verschillende anderen hadden hetzelfde gehoord. De kerkeraad had zich incompetent getoond om in deze zaak te oordelen. Verder had de kerkeraad niet willen ingaan op wat de andere getuigen verklaarden. Daarom verzocht Marinus de classis de zaak nu grondig te onderzoeken. Op 5 december stuurde de kerkeraad nog een brief aan Marinus waarin gemeld werd dat hij het gehoorde duidelijk verkeerd weergegeven had. Tegenover zijn verklaring stond de preekcoupure van Geelkerken en de instemming met die coupure door de 18 ouderlingen.

In de vergadering van 10 december besprak de classis het bezwaarschrift van Marinus.


6 Geelkerken had de bewuste zondag ‘van schets’ gesproken. Deze preekcoupure zou in de week direkt na de dienst door hem opgesteld zijn. Deze preekcoupure is o.a. opgenomen in De voormannen, p. 274.
7Memorie, p. 6.

|61|

Besloten werd de commissie opnieuw naar de zaak te laten kijken. Op 11 maart 1925 diende de commissie haar advies in. Dit kon niet eerder dan op 18 maart besproken worden. In het advies stelde de commissie dat de standpunten van Geelkerken en zijn kerkeraad enerzijds en Marinus c.s. anderzijds niet met elkaar te verenigen waren. Verder stelden Marinus en de zijnen, dat er op andere gelegenheden meer door Geelkerken gezegd zou zijn, namelijk dat hij zou vinden dat dichterlijke voorstellingen in deze tekst moeilijk te onderscheiden waren van werkelijke gebeurtenissen. De commissie zag als enige uitweg in deze impasse het Geelkerken vragen een nadere verklaring af te leggen. Bij de discussie over dit advies stelden de afgevaardigden van Amsterdam-Zuid dat de classis niet meer bevoegd was om deze zaak te behandelen. Daar de classis een uitspraak had gedaan en de kerkeraad zich naar deze uitspraak gericht had, diende Marinus, als hij nu nog verongelijkt was, beroep in te stellen bij de particuliere synode van Noord-Holland. Ondanks dit bezwaar besloot de classis conform het advies. Geelkerken, die aanwezig was namens Amsterdam-Zuid, werd de vraag gesteld naar een nadere verklaring. Hij weigerde die te geven. Pas wanneer de classis het ondertekeningsformulier in werking zou stellen, met de daarbij behorende gerechtvaardigde verdenking, zou hij bereid zijn te antwoorden. Verder was het aan de kerkeraad om deze vragen te stellen. De vergadering werd verdaagd tot 1 april 1925. Voor de vergadering van 1 april zouden ook de deputaten van de particuliere synode van Noord-Holland, naar art. 49 DKO, uitgenodigd worden.

Bij het begin van deze vergadering lichtten de afgevaardigden van Amsterdam hun kerkrechtelijk standpunt nog eens toe. Na een schorsing dienden de deputaten de vergadering van het volgende advies.8 De classis was volledig bevoegd het tweede bezwaarschrift van Marinus te behandelen. De nieuwe elementen in het bezwaarschrift en het feit dat de zaak nog niet inhoudelijk behandeld was, rechtvaardigden dit. Verder adviseerden de deputaten Geelkerken nogmaals een nadere verklaring te vragen. Hoewel Geelkerken nog steeds van mening was dat hem formeel geen verklaring afgedwongen kon worden, wilde hij een aan hem voorgelegde verklaring wel in overweging nemen. Hij ging niet akkoord met het voorstel van de commissie en de deputaten: ‘Dr. J.G. Geelkerken verklaart, dat heel het verloop van het verhaal, zooals dat in Genesis 3 voor ons ligt, door hem als historie wordt


8 Als deputaten zijn aanwezig de predikanten: W. Breukelaar, H. Meyer, A Schweitzer, B. van Schelven en D. Tom.

|62|

aanvaard en werd verkondigd, zoodat hetgeen br. Marinus heeft gemeend in zijn prediking van hem te hebben gehoord, door hem noch is bedoeld, noch is gezegd’.9 Wel bood hij de volgende oplossing aan: ‘De Classis, gelezen de coupure van Dr J.G. Geelkerken uit zijn gehouden predicatie; gehoord de nadere mededeeling van Dr J.G. Geelkerken, dat hij overigens over Genesis 3 niets heeft gezegd of bedoeld te zeggen, bericht aan Br. Marinus, dat hetgeen hij op grond van de gehouden predicatie aan Dr J.G. Geelkerken toeschrijft, ongegrond is’.10 De vergadering ging niet akkoord met het voorstel van Geelkerken. Deputaten brachten dan het advies uit om in zijn weigering van het verstrekken van een nadere verklaring een feit te zien dat het rechtvaardigde hem, conform het ondertekeningsformulier, nader te ondervragen. De vergadering werd verdaagd tot 22 april In de tussentijd groeven beide partijen zich dieper in hun stellingen in. De commissie en de deputaten vroegen advies op kerkrechtelijk gebied aan H.H. Kuyper.11 Kuiper stelt dat de kerkeraad van Amsterdam nu ook veranderingen aanbracht in de afvaardiging. Dit gebeurde echter pas later.12 Wel maakte in deze periode Amsterdam-Zuid uitgebreid propaganda voor zijn standpunten. Op de vergadering van 22 april gaven de deputaten een nieuwe formulering van het advies dat zij op 1 april gegeven hadden. Nu werd voor het eerst ingegaan op de preekcoupure zelf. Deze bevatte elementen die aanleiding gaven Geelkerken ‘een nadere verklaring van zijn gevoelen te vragen’.13 Deze ‘rechtvaardige oorzaak van verdenking’ werd nog bevestigd door de weigering om in te gaan op de gestelde vragen. Om helderheid in te zaak te krijgen, adviseerden de deputaten de classis de commissie te machtigen specifieke vragen op te stellen die aan Geelkerken gesteld zouden moeten worden. Terwijl de predikant J.H. Sillevis Smitt (Laren) verklaarde dat voor hem het moment van de gerechtvaardigde verdenking nog niet was aangebroken, werden de adviezen met een zeer grote meerderheid door de classis overgenomen.

De classis vergaderde weer op 27 mei. De predikanten D.K. Wielenga (adviserend lid) en J.H. Sillevis Smitt stelden voor een poging te doen om de zaak op te lossen door een


9Memorie, p. 15.
10 Ibidem.
11 Vanaf de aanwezigheid van de deputaten op de vergadering van 1 april handelen commissie en deputaten als eenheid.
12De voormannen, p. 277 en Memorie, p. 44.
13Memorie, p. 19.

|63|

commissie een ‘vriendelijke samenspreking’ te laten hebben met Geelkerken. De vergadering verwierp dit voorstel. Hierna presenteerde de commissie, samen met de deputaten, de vragen die geconcipieerd waren. Aan de hand van de preekcoupure werden zes vragen gesteld die vooral ingingen op de vraag of de elementen genoemd in Gen. 2 en 3 ‘werkelijk’ waren. De classis nam de vragen over en verzocht Geelkerken te antwoorden voor 6 juni zodat op 10 juni, nog voor de particuliere synode, de bespreking plaats zou kunnen vinden. Op 5 juni schreef Geelkerken de classis een brief waarin hij vroeg naar de gronden van het besluit van de classis en vooral ook naar de ‘rechtvaardige oorzaak van verdenking’. De classicale vergadering besloot hem de stukken die ten grondslag lagen aan de beslissing toe te sturen. Van hem werd voor 13 juni een antwoord verwacht dat hij moest toesturen aan de commissie zodat de zaak op de volgende vergadering van de classis, op 17 juni, besproken kon worden. Op 16 juni schreef Geelkerken dat hij het niet eens was met het inwerking stellen van het ondertekeningsformulier. Er was helemaal geen sprake van een gerechtvaardigde verdenking. Hij ging dan ook in beroep bij de particuliere synode. De vragen werden niet beantwoord maar Geelkerken verklaarde wel: ‘Ik stem ten volle in met wat onze Kerken belijden in art. 4 en 5 onzer Geloofsbelijdenis aangaande de H. Schrift en zeker mitsdien ook Gen 1, 2 en 3 naar inhoud en vorm in alles te behooren tot “al de Schrift ... van God ingegeven” (2 Tim. 3: 16)’.14 De classis overwoog dat het niet aan Geelkerken was om te bepalen of de verdenking gerechtvaardigd was. Het antwoord was onvoldoende; er zou ingegaan moeten worden op de gestelde vragen. Geelkerken kreeg hiertoe de tijd tot 20 juni.

Geelkerken beantwoordde dit verzoek op 22 juni met een brief. Voordat hij inging op de vragen, maakte hij bezwaar tegen de genomen besluiten. Ook hiertegen zou hij in beroep gaan bij de particuliere synode. Op kerkrechtelijke gronden achtte hij de reeds verstrekte verklaring voldoende. ‘[...] meld ik u [...] III dat ik mijn vorig schrijven, d.d. 16 juni j.l. onverkort handhaaf, en met name van gevoelen blijf, dat het Onderteekeningsformulier mij kerkrechtelijk in geen geval tot een ander antwoord verplicht dan ik in genoemd schrijven reeds gegeven heb. Immers bedoeld Onderteekeningsformulier bindt met zijn bewoordingen niet alleen de Dienaren des Woords, maar ook de kerkelijke vergaderingen; in casu niet alleen mij, maar ook Uwe classicale vergadering. De bewoordingen nu stellen objectief vast,


14Memorie, p. 23.

|64|

dat een “Kerkeraad, Classis of Synode” slechts mag “eischen nadere verklaring van . . . . . gevoelen over eenige Artikelen der . . . . Belijdenis, van den Catechismus of van de Verklaring der Nationale Synode” (ik cursiveer, G.). Uwe vergadering stelde en stelt mij vragen aangaande mijn gevoelen over art. 4 en 5 onzer Geloofsbelijdenis in verband met Gen. 1, 2 en 3; was in zooverre opzichzelf en formeel in haar recht; ontving dan ook daarop van mij een volledig antwoord en kan niet waar maken, wat zij bij haar schrijven van 17 dezer zonder eenige motiveering beweert: dat ik “in gebreken gebleven (ben) de gestelde vragen (te) beantwoorden, voorzover (ik) hiertoe naar het Onderteekeningsformulier gehouden (ben)”. Wel stelde Uwe vergadering mij bovendien onderscheiden vragen van dogmatischen en exegetische aard — immers betreffende den vorm der openbaring in de hoofdstukken 1-3 van het boek Genesis en betreffende de uitlegging van allerlei bizonderheden, welke ons in genoemde hoofdstukken worden medegedeeld — doch noch over dezen vorm der openbaring in Gen. 1-3 noch over de exegese van hetgeen deze hoofdstukken bevatten, reppen Artt. 4 en 5 onzer Geloofsbelijdenis ook maar één woord; [...]’15 Na gesteld te hebben dat er kerkrechtelijk geen enkele verplichting was, ging Geelkerken toch nog in op de gestelde vragen. Met A. Kuyper stelde hij dat de Schrift geen ‘mechanische notariële precisiteit’ kent. Bavinck werd instemmend aangehaald waar hij zegt dat er soms onderscheid is tussen het feit dat plaatsgevonden heeft en de vorm waarin het voorgesteld wordt. Geelkerken dacht er niet aan de gevraagde ‘werkelijkheid’ te ontkennen, maar schreef: ‘[...] wel acht ik mij verplicht Uwe vergadering nogmaals nadrukkelijk te verwijzen naar hetgeen ik boven reeds opmerkte omtrent de werkelijk Gereformeerde opvatting van de goddelijke openbaring en tevens uit te spreken, dat, in stede van een of andere populaire of traditionele, doch niet confessioneel vastgelegde “verklaring” of “opvatting” als de eenig mogelijke te fixeeren, aan de wetenschappelijke exegese, die zich gebonden erkent aan het Woord en doordrongen is van geloovigen eerbied voor het Woord, volle vrijheid moet blijven om den zin van genoemde mededeelingen al zuiverder te trachten te vatten. Kortom, ook hier geldt, wat onze Geloofsbelijdenis zegt in haar 7de Artikel: “Men mag ook geener menschen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijk stellen met de goddelijke Schrifturen, noch de gewoonte met de waarheid Gods (want de waarheid is boven alles), noch de groote menigte,


15Memorie, p. 28.

|65|

noch de oudheid”’.16 Dit antwoord werd door Geelkerken ook uitgegeven.17

Op 8 juli werd de behandeling voortgezet. De classis sprak haar afkeuring uit over de publicatie van Geelkerken. Hierna bracht de commissie verslag uit.

De commissie stelde dat het kerkrechtelijk niet onjuist was om de vragen te stellen die gesteld waren. De vragen stonden in een duidelijk verband met de artt. 4 en 5 van de NGB. ‘... elck die dit artikel [5] onderschrijft, [is] gehouden, om de feiten, die God in Genesis 1-3 ons mededeelt ook te aanvaarden als historische feiten, die ook werkelijk alzoo zijn geschied’.18 Elke kerkelijke vergadering heeft dan ook de bevoegdheid, als er een verdenking kan bestaan, dergelijke vragen te stellen. Dit recht blijkt ook uit de (vergelijkbare) vragen die aan Netelenbos gesteld werden door de synode van Leeuwarden. Inhoudelijk stelt de commissie dat de vraag naar de ‘werkelijkheid’ van de genoemde elementen geen exegetische is. Dit is een vraag naar de opvatting over Gods Woord. ‘Wie er aan twijfelt, of de gebeurtenissen, die Gen. 1-3 ons meldt, eigenlijk wel waarlijk zouden zijn gebeurd, gelijk ze ons door Gods Woord zijn geboekt, die raakt in strijd met Art. 5 onzer Geloofsbelijdenis, want hij gelooft niet “zonder eenige twijfeling wat daarin begrepen is”’.19 De commissie stelde voor Geelkerken weer enige vragen voor te leggen waar een categorisch antwoord op moest volgen. Het betrof opnieuw vragen over de historische werkelijkheid van de in Gen. 2 en 3 genoemde zaken. De classis nam het advies over en verzocht Geelkerken voor 15 juli 1925 antwoord te geven. Sillevis Smitt en J.H. Schelhaas bleven tegen daar zij ook al tegen de verdenking waren. De voorgestelde bespreking op 15 juli kon geen doorgang vinden daar Geelkerken op 11 juli liet weten niet op deze korte termijn te kunnen antwoorden.

Pas op 7 september, later dan gevraagd, kwam de reaktie van Geelkerken binnen.20 Daar de commissie niet voldoende tijd had voor de bestudering van het antwoord, werd de zaak op 9 september verdaagd naar de vergadering van 23 september. Verder werd de commissie


16Memorie, p. 31.
17 J.G. Geelkerken, Vragen mij voorgelegd door de classis Amsterdam der gereformeerde kerken, en mijn antwoord daarop, Amsterdam 1925, verschillende drukken.
18Memorie, p. 35.
19Memorie, p. 41.
20 Ter zelfder tijd verschijnt de nieuwe brochure van Geelkerken. J.G. Geelkerken, Oude vragen en een nieuw antwoord, de classis Amsterdam der gereformeerde kerken nogmaals te woord gestaan, Amsterdam 1925, verschillende drukken.

|66|

gemachtigd ‘Geelkerken te citeeren om over den inhoud zijner missive met hem te spreken, indien zij [de commissie van advies] dit mocht nodig achten ...’.21

De bespreking van het antwoord van Geelkerken vond uiteindelijk plaats op 23 september. Geelkerken ging om te beginnen in op de kerkrechtelijke kant van de zaak. Het ondertekeningsformulier was ten onrechte in werking gesteld. Toen dat echter gebeurd was, heeft Geelkerken wel, conform aan zijn belofte, de nadere verklaring gegeven. Het beroep op de zaak-Netelenbos als rechtvaardiging voor de procedure getuigt van een grote vrijmoedigheid. Geelkerken bleef echter van oordeel dat de uitspraken die de classis hem wilde ontlokken, behoorden tot de exegese en niets te maken hadden met de binding aan de geloofsbelijdenis. Verder meldde hij dat het toezicht dat de kerkeraad van Amsterdam-Zuid uitoefende voldoende was en dat dit niet overgenomen behoefde te worden door de classis. Hierna nodigde hij de classis uit een helder standpunt in te nemen. ‘Wat ik thans — want er moet nu toch eindelijk een beslissing vallen — van Uwe vergadering verlang is, dat zij — want een tusschenweg is er niet — of mij ten volle rechtvaardige, óf den euvelen moed hebbe om mijn gevoelen als ketters te veroordeelen’.22

Krachtens de bevoegdheid, door de classis verleend, had de commissie gepoogd een gesprek te hebben met Geelkerken. Geelkerken echter liet weten geen kennis (formeel) te hebben van een commissie en niet te weten van het 'recht' van citatie. De commissie verstrekte enige toelichting en citeerde Geelkerken wederom. Geelkerken liet in een uitvoerig schrijven weten dat hij niet op de uitnodiging in kon gaan. Zo het citatie-recht al zou bestaan, was hij krachtens het ondertekeningsformulier slechts verantwoording schuldig aan de bestaande kerkelijke vergaderingen. Deze commissie had die status niet. Verder wraakte hij de leden van de commissie omwille van hun eerdere uitspraken, ondermeer in de kerkelijke pers.

De commissie stelde dat Geelkerken niet conform het ondertekeningsformulier gehandeld had. Hij zou de vragen beantwoord moeten hebben. Het niet verschijnen bij de commissie is afkeurenswaardig. De commissie zou gemachtigd moeten worden de theologische hoogleraren te consulteren en het moderamen zou Geelkerken moeten citeren voor de volgende vergadering van de classis. De kerkeraad van Amsterdam-Zuid verzette zich tegen het veronderstelde citatierecht. Met enige stemmen tegen, werd het advies van de commissie


21Memorie, p. 45.
22Memorie, p. 51.

|67|

door de vergadering overgenomen. Als reaktie schreef Geelkerken weer een brochure.23

Op 7 en 8 oktober 1925 vergaderden de theologische hoogleraren over de kwestie. Zij brachten een eenparig advies uit. Zij stelden dat het terecht was Geelkerken nader te willen ondervragen, dat de antwoorden van Geelkerken bedenkelijke elementen bevatten, dat diegene die de historiciteit van Gen. 2 en 3 aantast in strijd komt met de NGB en dat de classis de particuliere synode zou moeten verzoeken zich in verbinding te stellen met de synodale kerk van Assen opdat een buitengewone generale synode bijeengeroepen zou worden ‘ten einde over deze zaak in haar geheel een beslissing te nemen’.24 Op 13 oktober 1925 besliste de classis conform dit advies.

Een dag later vergaderde de particuliere synode van Noord-Holland. Gesproken werd allereerst over bezwaarschriften van Geelkerken en de kerkeraad van Amsterdam-Zuid. Deze bezwaarschriften betroffen de suspect-verklaring. Ze werden door de synode ongegrond verklaard. Besloten werd conform het verzoek van de classis de synodale kerk te vragen de synode bijeen te roepen. Naast de particuliere synode van Noord-Holland, verzocht ook de synode van Noord-Brabant en Limburg om een generale synode. Hierop riep de kerk van Assen, conform art. 50 DKO, de generale synode in buitengewone vergadering bijeen. De vergadering zou beginnen op 26 januari 1926.

In de tussentijd groeven beide partijen zich in. Vooral in de kerkelijke pers werd zeer veel geschreven over de zaak. Ook werden er zeer veel bezwaarschriften ingediend. De synode zou niet wettig zijn omdat een beslissing gevraagd werd, waarvoor de bevoegdheid niet bij de generale synode ligt. Veelal werd gesteld dat de generale synode in deze zaak nog niets te zeggen had, omdat de mindere vergaderingen geen uitspraak gedaan hadden. Gedacht werd aan art. 30 DKO. Gesteld werd hierbij dat de classis de zaak zelf had kunnen oplossen door Geelkerken af te zetten of dit nu juist niet te doen. De kerkeraad van Amsterdam maakte uitgebreid propaganda over dit punt. Nog voordat de synode begonnen was, publiceerde Geelkerken weer twee brochures.25

De eerste dagen van de zitting werden prealabele kwesties behandeld. Zo kwamen de


23 J.G. Geelkerken, Nadere mededeelingen inzake mijn kerkelijk geding, Amsterdam 1925.
24Memorie, p. 59.
25 Op 7 januari 1926: J.G. Geelkerken, Op weg naar de synode, Amsterdam 1926 en op 20 januari 1926: J.G. Geelkerken, Om het recht van mijn ambt, Amsterdam 1926.

|68|

bezwaarschriften aan de orde die stelden dat de samenkomst van de synode niet wettig was. Besloten werd dat art. 30 DKO spreekt over zaken die op een mindere vergadering niet konden worden afgehandeld. Daar classis en particuliere synode dit inderdaad niet gedaan hadden en het belang van de kwestie zeer groot was, trad de generale synode op. Er werden twee commissies benoemd die de zaken zullen voorbereiden. De commissie III zou zich bezig houden met de kerkrechtelijke kanten, terwijl de commissie IV de dogmatische kanten voorbereidde.26 Grote gedeelten van de synode-vergadering waren vertrouwelijk. Telkens werden de leden vermaand niet met de pers te spreken. De commissie-vergaderingen waren ook niet openbaar.

Aan de door de commissies voor te bereiden onderwerpen werden ook andere zaken toegevoegd die niet direkt volgden uit de discussie naar aanleiding van de preek van Geelkerken. Zo waren er ook bezwaarschriften binnengekomen naar aanleiding van artikelen van diens hand in de Overtoomsche kerkbode en uitspraken gedaan door hem tijdens lezingen over het boek Job. Dit betrof zaken die alleen in de kerkeraad gespeeld hadden en niet via de normale weg van art. 31 (beroepsprocedures) bij de generale synode gebracht waren. Deze konden in behandeling genomen worden, stelde de commissie III, omdat de particuliere synode gevraagd had de gehele zaak over te nemen, verder was er in de kwestie Netelenbos ook aandacht geweest voor andere feiten dan die in het begin van de procedure speelden. Op 9 maart diende de commissie IV haar dogmatisch rapport in.27 In dit rapport werd een zeer uitgebreide bespreking gegeven van de standpunten van Geelkerken. Het betrof hier niet alleen de standpunten die hij had geuit in zijn antwoorden en brochures, maar ook zijn reakties tijdens een samenspreking van deze commissie met hem. Aan die samenspreking was nog een negentiental vragen van de kant van de synode voorafgegaan. De commissie besprak die zaken. Als eerste kwam aan de orde de kwestie over Gen. 2 en 3. Aan een inhoudelijke beschrijving van de zaak zal hier voorbijgegaan worden. Samengevat kan worden dat de commissie Geelkerkens standpunt verwierp. Geelkerken stelde dat het slechts een kwestie van exegese betrof en dat de vrijheid van exegese vastgehouden moest worden. Zelf had hij geen


26 Dit systeem van het nummeren van commissies is een vast gebruik bij de vergaderingen van generale synodes binnen de GKN. Zo zijn de nummers van deze commissies ook telkens gelijk.
27Acta 1926, bijlagen, pp. 36-59.

|69|

moeite met de traditionele geloofsopvattingen. De commissie achtte elk opinie die afbreuk doet aan de zintuigelijke waarneembaarheid van alle elementen genoemd in Gen. 2 en 3 een schending van het gezag van de schrift. Het betrof geen kwestie van exegese, maar van schriftgezag. Naar aanleiding van de lezingen over het boek Job, stelde de commissie als tweede, kan onduidelijkheid bestaan over wat Geelkerken feitelijk had gezegd. Op dit punt werd derhalve voorgesteld geen uitspraak te doen. Ten derde besprak de commissie de activiteiten van Geelkerken voor de Overtoomsche Kerkbode. Geelkerken, die redacteur was, werd hier verweten dat hij in dit blad veel te veel ruimte had gegeven voor afwijkende standpunten. Hij liet anderen in dit blad schrijven die niet goed gereformeerd waren. Daarnaast schreef hij zelf ook stukken die minder gewenst waren. Vooral zijn lovende recensie van een prekenbundel van de ethische predikant H.T. Oberman (1883-1925) werd hem ernstig kwalijk genomen.

Een dag later werden de conclusies door de synode overgenomen. Met betrekking tot Gen. 2 en 3 achtte de synode het noodzakelijk dat Geelkerken ondermeer het volgende verklaarde: ‘dat de boom der kennis des goeds en des kwaads, de slang en haar spreken en de boom des levens naar de klaarblijkelijke bedoeling van het Schriftverhaal van Genesis 2 en 3 in eigenlijken of letterlijken zin zijn op te vatten en dus zintuigelijk waarneembare werkelijkheden waren;
en dat derhalve de meening van dr Geelkerken als zou men disputabel kunnen stellen of deze zaken en feiten zintuiglijk waarneembare werkelijkheden waren zonder met het in art. 4 en 5 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis beleden gezag der Heilige Schrift in strijd te komen, moeten worden afgewezen [...]’.28

Hierna deed de kerkrechtelijke commissie verslag van haar bevindingen.29 De conclusies van de commissie kunnen als volgt worden samengevat.

1. Dat de kerkeraad het protest van Marinus slecht behandeld heeft. De eerste uitspraak van de classis was geen uitspraak in definitieve zin. De classis had dan ook de recht en de plicht er nader op terug te komen.
2. Het was terecht dat Geelkerken nadere vragen gesteld werden. Hoewel het beter ware


28Acta 1926, p. 54.
29Acta 1926, bijlagen, pp. 60-85.

|70|

wanneer de commissie direkt bij ontvangst van de preekcoupure naar aanleiding daarvan vragen gesteld had, kon dit ook later pas geschieden. De beroepen tegen de besluiten over dit stellen van nadere vragen dienen dan ook afgewezen te worden.
3. Geelkerken was als dienaar des Woords verplicht verantwoording af te leggen aan de classis. Deze verplichting bestaat niet alleen tegenover de kerkeraad. Het is een recht dat iure suo toekomt aan elke kerkelijke vergadering. Deze verplichting is niet alleen gebaseerd op het ondertekeningsformulier. Het was niet aan Geelkerken om te beoordelen hoe deze ondervraging kon plaatsvinden. Hij had dus moeten antwoorden op alle gestelde vragen.
4. Daar Geelkerken beroep had ingesteld bij de particuliere synode was de classis, zo zij gewild had, niet bevoegd tot suspendering over te gaan.
5. Het citatie-recht van kerkelijke vergaderingen, en in afgeleide zin van commissies daartoe gemachtigd, moet als vaststaand beschouwd worden. Dit wordt onderbouwd uit de Schrift en het kerkelijk gebruik.
6. Het ware juister geweest wanneer classis en particuliere synode niet steeds dezelfde mensen als afgevaardigden benoemden.
7. Het was terecht dat classis en particuliere synode hun afkeuring uitspraken over de publicaties van Geelkerken.

De synode neemt de conclusies van de commissie over.

Geelkerken antwoordt de synode op 10 maart. Naar zijn mening heeft de synode het gezag dat aan de Schrift toekomt feitelijk toegekend aan een kerkelijke vergadering. Hoewel hij zelf verklaart geen specifieke exegese te hebben, wijst hij deze vastlegging af. Hij wil wel verklaren zich op dit punt te voegen naar de synode als er een diepgaand onderzoek gestart zal worden naar de schriftopvatting. De synode acht dit niet voldoende en dringt aan op ondertekening. Geelkerken blijft dit weigeren en wordt op 12 maart 1926 voor drie maanden geschorst. In een vertrouwelijk gedeelte van de vergadering werden ook de volgende besluiten genomen.

1. Als Geelkerken zich niet aan zijn schorsing houdt, zal hij worden afgezet.
2. Als de kerkeraad van Amsterdam-Zuid Geelkerken wil handhaven, zullen de afzonderlijke leden die dit steunen afgezet worden.
3. Bij verlating van het kerkverband door de kerk van Amsterdam-Zuid zal, met behulp van

|71|

het getrouwe gedeelte van de kerkeraad, gepoogd worden zo snel mogelijk een nieuwe kerkeraad te vormen.
4. Wanneer in andere kerken predikanten zich zullen aansluiten bij Geelkerken zullen zij door de classes afgezet moeten worden. De synode benoemt een commissie van advies die de classes daartoe zal bijstaan.

De kerkeraad van Amsterdam-Zuid en Geelkerken besloten op 13 maart zich niet te conformeren aan het schorsingsbesluit van de synode. Op 14 maart ging Geelkerken gewoon voor in de kerkdienst op zondagmorgen. Op 17 maart 1926 besloot de synode de (geheime) besluiten van 12 maart uit te voeren. Geelkerken en zijn aanhangers in de kerkeraad werden wegens scheurmakerij afgezet.

In de periode hierna werd er door de classes jacht gemaakt op volgelingen van Geelkerken. Alle predikanten die uitten dat zij het niet eens waren met de synode, werden nader, met medewerking van de synodale commissie van advies, bevraagd. Verschillende predikanten werden afgezet. Aangezien deze procedures geen 'novum' meer zijn na de afzetting van Geelkerken, kan een verdere bespreking hier achterwege blijven.30 Na de afzetting van de predikant H.C. van den Brink van Zandvoort, ging de kerk van Zandvoort mee met Geelkerken en herstelden beide kerken eind juli 1926 het kerkverband. De Gereformeerde Kerken in Nederland (in hersteld verband) waren ontstaan.31

 

5.4 Het recht in de zaak Geelkerken

 

5.4.1 Inleiding

Zoals uit de beschrijving van de procedure tegen Geelkerken blijkt, is er op veel plaatsen bezwaar gemaakt tegen de gevolgde procedure. Gedurende de gehele procedure en ook er na heeft een hevige pennestrijd plaatsgevonden. Reeksen kranteartikelen werden gewijd aan


30 Voor een kort overzicht van deze procedures zie: De voormannen, pp. 291-306.
31 Voor uitgebreide informatie over de Gereformeerde Kerken in Nederland (in hersteld verband) zie: G.F.W. Herngreen, Een handjevol verkenners. Ontstaan en geschiedenis van het ‘H.V.’. de Gereformeerde Kerken in Nederland in Hersteld Verband, Baarn 1976.

|72|

de zaak. Geelkerken zelf heeft ook een blad een gestart dat als spreekbuis kan gelden voor zijn standpunten.32 Een zestigtal brochures is verschenen.33 Veel van deze publicaties gaan ook in op de kerkrechtelijke kanten van de zaak. Het zou ondoenlijk zijn alle bronnen hier afzonderlijk te bespreken. In deze paragraaf zal aan de hand van een beperkt aantal brochures verschenen in de periode kort voor of na de synode van Assen een overzicht gegeven worden van de door beide partijen gebruikte argumentatie. Hoofdstuk 6 beschrijft de ontwikkelingen die hierna volgen.34

Kernpunt bij de bespreking van de kerkrechtelijke kanten vormen de volgende vragen. In hoeverre was de classis bevoegd om op te treden zoals zij heeft opgetreden? Was een andere kerkelijke vergadering dan de kerkeraad van Amsterdam-Zuid bevoegd het initiatief te nemen tot afzetting van Geelkerken en de andere kerkeraadsleden. Waaraan kon de generale synode de bevoegdheid ontlenen om tot afzetting over te gaan?

Voor de bespreking van de standpunten van ‘synodale’ kant zal gebruik gemaakt worden van de Open Brief van de synode35 en een geschrift van Joh. Jansen.36 Voor de argumenten van de kant van Geelkerken wordt gebruik gemaakt van een publicatie van H.C. van den Brink37, van een publicatie van de kerkeraad van Amsterdam-Zuid38, een geschrift van J. van Lonkhuyzen39 en brochures van de hand van A.C.G. van Proosdij.40


32Woord en Geest, voor het eerst verschenen in september 1925.
33 De meest complete collectie is aanwezig in het archief ‘De kwestie Geelkerken’ (212) van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme te Amsterdam.
34 De bepaling of een publicatie direkt aansluit bij de procedure is tamelijk arbitrair. Voor de schifting is vooral gelet op de verschijningsdatum.
35 K. Fernhout (e.a.), Open brief van de buitengewone generale synode te Assen aan de Gereformeerde Kerken in Nederland, Kampen 1926 (hierna: Open brief).
36 Joh. Jansen, De beginselen van ons Gereformeerd kerkrecht in de zaak Geelkerken, Zutphen z.j. (hierna: Beginselen).
37 H.C. van den Brink, Aan zijn zijde, rede gehouden te Zandvoort op dinsdagavond 22 juni 1926, Baarn 1926.
38Schismatiek? Open brief van de raad der gereformeerde kerk van Amsterdam-Zuid aan het gereformeerde volk, Amsterdam 1926.
39Een ernstige fout.
40 A.C.G. van Proosdij, Dordt en Assen. Beschouwingen over de voorgeschiedenis en het wezen der Dordtsche Synode 1618, politiek en kerkrechtelijk, ter vergelijking met de op 26 januari 1926 te Assen aan te vangen synode, Amsterdam 1926 en A.C.G. van Proosdij, Recht in de zaak-Geelkerken, Amsterdam 1925.

|73|

Tegenstanders van ‘Assen’ stellen dat met deze besluiten feitelijk een ‘nieuw’ kerkrecht geïnaugureerd is. Men is afgeweken van het ‘oude’ doleantie-kerkrecht van Rutgers c.s. Met deze termen zal dit conflict ook de geschiedenis in gaan.

 

5.4.2 Argumenten pro ‘Assen’

In deze paragraaf zal een overzicht gegeven worden van de kerkrechtelijke argumenten van de voorstanders van de gevolgde procedure. Publicaties worden niet afzonderlijk besproken, maar er zal gepoogd worden een vrij volledig totaal overzicht van de gebruikte argumenten te geven.

Verschillende bronnen bespreken uitgebreid de tekst van art. 79 DKO. Deze auteurs stellen dat dit artikel zo geïnterpreteerd moet worden dat hier sprake is van een minimum eis.41 Maatregelen van tucht kunnen slechts genomen worden door tenminste kerkeraad en naburige kerk als het gaat om een ouderling of diaken en door de classis als het een predikant betreft. Niet uitgesloten wordt hier dat een meerdere vergadering dit ook doet. Het artikel regelt vooral dat de kerkeraad niet alléén bevoegd is. ‘In dit artikel worden de grenzen van de bevoegdheid niet van de meerdere, maar van de mindere vergaderingen inzake schorsing en afzetting van ambtsdragers nauwkeurig aangegeven’.42

Deze uitleg wordt ook met een beroep op de geschiedenis gelegitimeerd. Aangehaald worden voorbeelden als de afzetting van Caspar Coolhaes te Leiden. Ook ten tijde van de remonstrantse en contra-remonstrantse twisten hebben particuliere en generale synoden zelfstandig predikanten en kerkeraden afgezet. Dit artikel is ook niet slechts een vinding van de synode van Dordrecht, maar was al op eerdere synoden vastgesteld.

Dat de synoden deze bevoegdheden hebben, blijkt ook uit het kerkverband. Op zichzelf bestaan er geen bovenplaatselijke bevoegdheden, maar het kerkverband is zo dat op het moment dat enige kerken samen komen als classis of synode, de macht van al die kerken bijeengebracht wordt. Daarom kan ook gezegd worden dat de generale synode ‘meer autoriteit en aanzien’ heeft dan een mindere vergadering.43 ‘Want indien de sleutel der tucht


41Open brief en Beginselen.
42Beginselen, p. 8.
43Open brief, p. 32.

|74|

aan een particuliere of plaatselijke kerk gegeven is, waarom zou hij dan niet gegeven zijn aan een gemeenschap en eenheid van kerken en kerkeraden, in welke eenheid de kerkeraad der particuliere of plaatselijke kerk geïncorporeerd is’.44

Door middel van het kerkverband hebben de kerken zich verplicht te richten naar de meerderheid. Besluiten van een meerdere vergadering zijn dan ook bindend voor een kerk. Vanzelfsprekend is het gezag der synode niet onfeilbaar, het is echter wel bindend. Het zou independent zijn om aan de besluiten pas geldigheid te verlenen wanneer zij door de kerken geratificeerd zouden zijn. Een enkele kerk is ook niet bevoegd te bepalen dat een bepaald besluit strijdig is met Gods Woord of de kerkorde. Dit zal echter voor de meerdere vergadering aangetoond moeten worden. Over art. 31 wordt gezegd: ‘Maar dat wil niet zeggen, dat wanneer de kerkeraad van Amsterdam-Zuid maar uitspreekt: het schorsingsbesluit is in strijd met Gods woord, hij dan recht zou hebben het niet uit te voeren. Dan zou het gezag der meerdere vergaderingen denkbeeldig worden en het kerkverband krachteloos worden gemaakt’.45

Door tegenstanders van de beslissing van Assen is gesuggereerd dat de enige mogelijkheid die openstond voor de synode was gelegen in de verbreking van het kerkverband met de kerk van Amsterdam-Zuid. Deze oplossing is echter om twee redenen verwerpelijk. Ten eerste zouden dan de goeden onder de kwaden moeten lijden. Er zou sprake zijn van een vorm van tucht, ook over die leden van de gemeente die het eens waren met de synode. De tweede reden is dat er een te zware sanctie gesteld zou worden met betrekking tot de kerkeraadsleden. Bij een afzetting als kerkeraadslid blijven zij wel lid van de gereformeerde kerk, bij een verbreking van het kerkverband zouden zij daarbuiten staan.

Het beroep dat door tegenstanders van het synodale besluit gedaan wordt op Rutgers en dan met name op De Rechtsbevoegdheid moet om verschillende redenen afgewezen worden, ten eerste heeft Rutgers ook andere dingen gezegd. In de Verklaring wordt duidelijk aangegeven dat een optreden als de afzetting van een predikant in zeer bijzondere gevallen ook kan geschieden tegen de wil van de kerkeraad in.46De Rechtsbevoegdheid moet ook in zijn


44Open brief, p. 28.
45Open brief, n. 3, p. 8. In het licht van de geschriften van Rutgers en Jansen is deze uitspraak zeer merkwaardig. Deze beide auteurs stellen expressis verbis dat dit een onvervreemdbaar recht is van de plaatselijk kerk.
46 Deze passage wordt besproken in hoofdstuk 2.

|75|

context gelezen worden. Het is een civielrechtelijk betoog in de strijd met de NHK over de kerkelijke bezittingen. ‘Het was dus een juridisch betoog inzake de burgerrechtelijke gevolgen van het afwerpen van het juk der synodale organisatie, die in 1816 wederrechtelijk aan de kerken was opgelegd, met het oog op de kerkelijke goederen. Immers de onwettigheid van de afzetting der 80 kerkeraadsleden door het provinciaal kerkbestuur van Noord-Holland, volgt niet uit de onbevoegdheid van een particuliere synode om een onwettige kerkeraad af te zetten, maar uit de onwettigheid van het provinciaal kerkbestuur zelf’.47 Zelfs in De Rechtsbevoegdheid stelt Rutgers dat binnen het bestek van het kerkverband ruimte bestaat voor het optreden van meerdere vergaderingen.

 

5.4.3 Argumenten contra ‘Assen’

Een deel van de auteurs begint met te stellen dat de procedure tegen Geelkerken al onrechtmatig verliep bij de classis. Het is niet bezwaarlijk dat de classis het tweede beroepsschrift van Marinus behandelde. Er bestond echter geen grond voor het stellen van nadere vragen. Na de verklaring van de 18 kerkeraadsleden en de preekcoupure van Geelkerken, was het niet juist hem een nadere verklaring te vragen. ‘Juist is de formuleering der door Dr. G. voorgestelde verklaring, in zoover hij het verband met het feitelijk onderzoek, dat aan den gang was, handhaaft door alleen te spreken over hetgeen hij had gepredikt, niet over hetgeen hij buiten die prediking om misschien ook nog meende of bedoelde. Niemand had het recht, over dit laatste eene verklaring van hem te verlangen. En daarom meen ik, dat in de weigering niet een “gewichtige oorzaken van nadenken” gelegen kan zijn, die aanleiding kan geven, een nadere verklaring van gevoelen te eischen tot behoud van de eenigheid en zuiverheid der leer’.48 De classis had verder het recht verspeeld nog op de preekcoupure zelf in te gaan doordat er tenminste vijf classicale vergaderingen geweest waren waarin niets van een verdenking gesuggereerd is. Door te concluderen tot een verdenking op basis van de weigering een nadere verklaring af te leggen, werd de facto de bewijslast omgedraaid. Nu moest Geelkerken zijn onschuld aantonen. Dit zelfde bezwaar


47Beginselen, pp. 37-38.
48 A.C.G. van Proosdij, Recht in de zaak Geelkerken, Amsterdam 19252, p. 9.

|76|

bestaat overigens ook bij de manier waarop uiteindelijk de schorsing plaatsgevonden heeft.49 De zaak had dus al op classicaal niveau afgehandeld en ongegrond verklaard moeten worden. Verder was de doorverwijzing naar de generale synode onjuist. De zaak had door de classis afgewerkt kunnen worden en de andere meerdere vergaderingen waren derhalve niet bevoegd op te treden. Artikel 79 geeft heel helder aan dat de bevoegdheden liggen bij de kerkeraad en de classis. Een andere uitleg gaat gewoonweg tegen de tekst in. Voor zover de synode zich dus met deze zaak bemoeide, ging de bevoegdheid niet verder dan een adviserende. De synode had de classis kunnen adviseren tot afzetting, de feitelijke afzetting was haar bevoegdheid niet. Het beroep op de synode van Dordrecht als legitimatie van het besluit van de classis om de zaak in zijn geheel af te laten handelen door de generale synode is onjuist. Ook in de tijd van Dordt hebben verschillende classes al zelfstandig in vergelijkbare situaties opgetreden. Zij werden niet belemmerd door de importantie van de twisten om zelf te handelen.

Het beroep op de geschiedenis is onjuist.50 Ten eerste wordt de uitleg van sommige historische gegevens betwist. Wat betreft de afzetting van predikanten en kerkeraadsleden in de tijd van de remonstrantse en contra-remonstrantse twisten en de afzetting van Coolhaes, dient gesteld te worden, dat het niet de meerdere vergaderingen waren die feitelijk tot afzetting overgingen. In de beschreven gevallen was het steeds de plaatselijke kerk, zij het bijgestaan en geadviseerd door de synode, die tot afzetting besloot. ‘Het getuigenis is in het algemeen precies als we konden verwachten. Men zoekt de gemeente zelve tot actie te brengen, en helpt de gemeente in afzetten van een onwilligen kerkeraad, en in het verkrijgen van een nieuwe. Maar daar is niet één voorbeeld waarin ge in de besluiten der meerdere vergadering leest: “De synode zet mits dezen af den kerkeraad daar of daar .... Of de ouderlingen en diakenen daar en daar, die en die....”. Met naam en toenaam vermeld. Niet één voorbeeld daarvan’.51 Ten tweede is het belangrijk om te zien hoe groot de invloed van de overheid was bij deze conflicten. De kerken waren in die tijd niet vrij om te handelen. De synode van Dordrecht en alle andere kerkelijke vergaderingen in die tijd werden zeer


49 P.G. Knibbe, Bezwaarschrift met toelichting aan de generale synode der gereformeerde kerken te Groningen, Leiden 1927, p. 18.
50 Deze argumenten worden vooral aangevoerd door Van Lonkhuyzen en Van Proosdij.
51Een ernstige fout, p. 47.

|77|

gestuurd door de overheid. Door dit optreden van de overheid is er niet altijd kerkrechtelijk juist gehandeld en kan de geschiedenis niet altijd maatgevend zijn. Ten derde is het zo dat ook Dordt niet onvoorwaardelijk maatgevend kan zijn. Sinds 1619 zijn de beginselen van het recht zo veranderd dat strak vasthouden aan Dordrecht onzinnig zou zijn. ‘Wil men ondanks dit alles rechtskwesties van heden vergelijken met rechtskwesties van toen, dan kan niet volstaan worden met de eenvoudige bewering dat ook toen op dezelfde wijze rechtsvragen opgelost zijn, doch zal men rekenschap ervan moeten geven, waarom de beslissing van toen ook voor het heden zou moeten worden aanvaard. En dat geldt niet ’t minst voor de tucht-procedure, die in het Onderteekeningsformulier wordt aangegeven, en die meer van de smaak der primitieve Germaansrechtelijke bewijsleer heeft, dan dat zij zou doen denken aan hetgeen thans onder ons als recht wordt aanvaard’.52

Het kerkverband is volgens de auteurs ook heel helder. En uit de geloofsbelijdenis en uit de kerkorde blijkt dat het primaat bij de zelfstandige, plaatselijke kerk behoort. Deze plaatselijke kerk zou evenzeer kerk zijn als de andere kerken niet bestonden. ‘Als er ook maar één kleine plaatselijke kerk op aarde ware, zoo was deze in wezen even compleet als dat er duizend zijn met allerlei. En als er duizend zijn, dan is die eene kleine plaatselijke kerk te midden van de duizend in wezen nog even zelfstandig en compleet alsof ze alleen ware’.53 Het kerkverband is een federatief verband van kerken. De enige oplossing bij problemen binnen de federatie is het uitstoten van het lid dat problemen geeft. Belangrijk is het om het onderscheid te zien tussen het uitzetten van een lid en het afzetten van bestuursleden van een lid. In een federatie van verenigingen, zo wordt de vergelijking gemaakt, is het toch niet aan het bestuur van een aantal verenigingen om het bestuur van een individuele vereniging af te zetten. In dat geval past slecht ontzetting uit de federatie. Dit alles blijkt ook uit art. 36 DKO. Het gezag van meerdere vergaderingen over een mindere vergadering staat niet gelijk aan het gezag dat de kerkeraad heeft over de gemeente. Het ingrijpen van de synode van Assen in de structuur van het kerkrecht wordt beschreven als een schending van de rechten verleend door de Koning der Kerk. 'Hoe schuldig een afdwalende kerk ook moge zijn, gij


52 A.C.G. van Proosdij, Dordt en Assen, beschouwingen over de voorgeschiedenis en het wezen der Dordtsche Synode 1618, politiek en kerkrechtelijk, ter vergelijking met de op 26 januari 1926 te Assen aan te vangen synode, Amsterdam 1926, pp. 29-30.
53Een ernstige fout, pp. 9-10.

|78|

zult om Gods wille de rechten eerbiedigen welke God aan een instelling gaf’.54 ‘Daarmede heeft de Asser synode zich vergrepen aan de rechten der plaatselijke kerk, haar door Koning Jezus verleend en dies zich ook vergrepen aan het gezag van onzen Koning zelf’.55

Dat deze uitleg van het kerkverband niet bijzonder is, blijkt uit het feit dat alle grote deskundigen van het gereformeerde kerkrecht op deze lijn zitten. Te denken valt hier allereerst aan Voetius, Hoornbeek en Rutgers. Verder is het zo, dat tot de synode van Assen alle contemporaine kerkrechtdeskundigen binnen de GKN, H. Bouwman, Joh. Jansen en H.H. Kuyper, duidelijk aanhanger waren van deze uitleg.56 De uitspraken van de synode van Assen dienen dan ook beschouwd te worden als een ernstige inbreuk op het tot nog toe heersende kerkrecht.

 

5.4.4 Conclusie

Door de verschillende partijen is rond de zaak-Geelkerken een uitgebreide reflectie gestart over het gereformeerde kerkrecht. Door beide partijen worden dezelfde bronnen gebruikt. Uitgebreid wordt gekeken naar de kerkorde en zijn ontstaansgeschiedenis. Ook de toepassing van deze kerkorde in de geschiedenis is onderdeel van de beschouwingen. Telkens komt verder aan de orde een bespreking van de teksten van de grote kerkrechtdeskundigen. Hierbij moet vooral worden gedacht aan Voetius en Rutgers. Daar een uitgebreide bespreking van deze bronnen te ver zou voeren voor dit onderzoek, zal hier nu aan voorbijgegaan worden. Niet onvermeld kan blijven, dat de toepassing van het gereformeerde kerkrecht aan synodale zijde duidelijk afwijkt van het gereformeerd kerkrecht zoals dat gegroeid is sinds 1880. Zoals blijkt uit de bespreking van het ontstaan van dit doleantie-kerkrecht in hoofdstuk 2 en de bespreking van de ontwikkeling van dit recht in hoofdstuk 3, vertoont het optreden van de synode van Assen een breuk met de traditie. De synode van Assen neemt duidelijk afscheid van de door Rutgers geïnaugureerde vorm van doleantie-kerkrecht. Lag in de jaren tachtig van de vorige eeuw naar gereformeerd besef het hoofdaccent bij de plaatselijke kerk, met Assen is dit verschoven naar het (landelijke) kerkverband.


54Een ernstige fout, p. 11.
55Aan zijn zijde, p. 16.
56Een ernstige fout, pp. 48-70.

|79|

De aanhangers van Geelkerken kan verweten worden dat de weergave van de geschiedenis voor 1886 vrij eenzijdig is. Uit tuchtprocedures rond Coolhaes en rond de synode van Dordrecht, blijkt dat in die tijd meerdere vergaderingen zich wel degelijk bevoegd achtten om plaatselijk op te treden. De subtiele onderscheiden die soms gemaakt worden bij de bespreking van deze procedures lijken meer spitsvondig dan overtuigend te zijn.

In een zekere zin kan gesteld worden dat beide partijen gelijk hadden. De synodale partij sluit aan bij de traditie die vanaf het begin van de reformatie in Nederland tot 1795 bestaan heeft, waarin het zeker mogelijk was dat bovenplaatselijk maatregelen genomen werden tegen plaatselijke ambtsdragers en predikanten. De tegenstanders van ‘Assen’ hier tegenover volgden strak het kerkrecht zoals dat geformuleerd werd door Rutgers. Vooronderstelling hierbij is dat Rutgers niet geheel in de lijn staat van het klassieke gereformeerde kerkrecht. De constatering van Van den Brink dat de besluiten van Assen in velerlei opzicht ‘buitengewoon’ zijn, is juist.57 In Assen is men teruggekomen van het kerkrecht van Rutgers. Tegelijkertijd is men daarmee teruggekeerd naar het gereformeerde kerkrecht uit de zestiende en zeventiende eeuw.

 

5.5 Conclusie

 

In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van wat de geschiedenis ingegaan is als de kwestie Geelkerken. Aangestipt is de dogmatische kant van de zaak, terwijl zeer uitgebreid is ingegaan op de kerkrechtelijke kanten. De gevolgde procedure heeft heel wat haken en ogen gekend. Door de synode van Assen zijn beslissingen genomen die van cruciaal belang waren voor het verstaan van het gereformeerde kerkrecht. De synode van Assen heeft, in strijd met de kerkrechtelijke traditie zoals die bestond vanaf het begin van de jaren tachtig van de negentiende eeuw, gekozen voor een vorm van kerkrecht waarin groter belang werd gehecht aan het kerkverband dan aan de plaatselijke kerk. Afgestapt is van het beginsel van de zelfstandigheid of autonomie van de plaatselijke kerk zoals die geleerd werd door Rutgers en zijn navolgers. Daar het middelpunt van de kerkrechtelijke gedachten van Rutgers gelegen was in de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk en de onmogelijkheid van ingrijpen door


57Aan zijn zijde, p. 23.

|80|

meerdere vergaderingen in de rechten van die kerk, moet gesteld worden dat men Rutgers in wezen verlaten heeft. Dat men daarna nog zeer veel gebruik gemaakt heeft van de werken van hem over andere zaken doet hier niets aan af. Deze stap is dan ook niet door iedereen als vanzelfsprekend geaccepteerd. Volgers van het klassieke doleantie-kerkrecht hebben uitgebreid geageerd tegen dit nieuwe kerkrecht. Vele brochures zijn geschreven om aan te tonen dat met deze handelswijze het wezen van de gereformeerde kerken werd aangetast. Kort na de synode zijn het voornamelijk de tegenstanders van ‘Assen’ die op deze discontinuïteit wijzen. In hoofdstuk 6 zal aandacht gegeven worden aan de reflectie die ontstond toen ‘Assen’ geïncorporeerd was in het kerkrechtelijke systeem van de GKN.

Barnard, Tj. (1994) H6

|81|

6 Onderbouwing van het nieuwe kerkrecht

 

6.1 Inleiding

 

Na de beslissingen van de synode van Assen en de afzetting van Geelkerken en de leden van de kerkeraad van Amsterdam-Zuid heeft deze kwestie de gemoederen nog lang bewogen binnen de GKN. In de voortgezette synode-vergadering en de daarop volgende generale synode zijn de zaken verder afgehandeld. Verscheidene predikanten zijn naast Geelkerken nog afgezet. Een kleine groep van gereformeerde kerken die het niet eens kon worden met Assen heeft het kerkverband ‘hersteld’ en vormde daarmee een concurrerend kerkverband. In de periode hierna, waarin een zekere stabilisatie plaatsvond, is men doorgegaan met de kerkrechtelijke discussie. Lange tijd heeft dit onderwerp nog de gereformeerde pers bewogen. In vele publicaties werd aan de ene kant gezocht naar een kerkrechtelijke rechtvaardiging van de besluiten van Assen, terwijl aan de andere kant men niet moe werd om het ontstane nieuwe kerkrecht te bekritiseren. In dit hoofdstuk zullen enige belangrijke publicaties besproken worden die in dit debat een rol gespeeld hebben. Aan de orde zullen slechts komen enige artikelen uit het GTT, brochures en boeken. Voorbijgegaan zal hier worden aan publicaties in kranten. Dit geschiedt enerzijds vanuit de overweging dat de hier gebruikte bronnen een vrij volledig beeld geven van de aan weerszijden gebruikte argumenten, terwijl anderzijds een bestudering van alle mogelijke journalistieke bronnen het onderzoek te uitgebreid zou maken. Een consequentie van deze werkwijze is dat het er op zal lijken dat aan de kant van het oude kerkrecht alleen gestreden is door J. van Lonkhuyzen. Dit is een misvatting. In vele artikelen hebben ook anderen vergelijkbare standpunten verdedigd.1

De hier te bespreken bronnen gaan op verschillende elementen van de zaak in. Na de uitspraken van Assen heeft er een hernieuwde reflectie plaatsgevonden op het gebied van de bevoegdheden van het kerkverband. Hiertoe is kerkhistorisch onderzoek verricht naar de gevallen van afzettingen van predikanten en kerkeraden in eerder tijden. Het werk van grote kerkrechtdeskundigen van de gereformeerde traditie is nader onderzocht op dit punt.


1 Te denken valt hierbij aan de artikelen van W.A. van Es in de Leeuwarder kerkbode, terwijl de hoogleraar S. Greijdanus van de Theologische Hogeschool te Kampen zich ook in artikelen in kranten niet onbetuigd liet.

|82|

Genoemd moeten hier worden de namen Voetius, Apollonius, Hoornbeek, Van Mastricht en Rutgers. Exegetisch onderzoek is verricht om te bestuderen in welke zin tekstplaatsen als Hand. 15 of Mat. 18 nadere helderheid zouden verschaffen over de kerkelijke organisatie. Naast al dit historische onderzoek, heeft er ook een systematische reflectie plaatsgevonden over de vraag hoe het gereformeerde kerkrecht er idealiter uit zou moeten zien. In dit hoofdstuk zal thematisch weergegeven worden wat de verschillende auteurs over deze zaken schrijven.

 

6.2 Argumenten ontleend aan de geschiedenis

 

Door beide partijen in het conflict wordt regelmatig een beroep gedaan op het verloop van kerkelijke afzettingsprocedures in vroeger tijden om de huidige praktijk te rechtvaardigen of te wreken. In De rechtsbevoegdheid vermelden Lohman en Rutgers al uitgebreid de casus Van Leenhof. D.J. de Groot schrijft een artikel waarin zeer uitgebreid ingegaan wordt op deze zaak.2 In dit artikel beschrijft De Groot de achtergronden en het precieze verloop van de procedure. Tijdens elke fase toont hij de invloed aan die de overheid van Zwolle gehad heeft op de procedure. Uit de grote invloed van de overheid concludeert hij dat de meerdere vergaderingen niet vrij waren om tegen Van Leenhof en zijn kerkeraad op te treden zoals zij wensten. Door het optreden van die overheid heeft men niet doortastender kunnen handelen dan over te gaan tot een ‘non-communio’, een verbreken van het kerkelijk verband, met de kerk van Zwolle. De uitspraken van de kerkeraad over zijn eigen autonomie verklaart hij ook uit de invloed van de overheid. Binnen de kerkeraad waren ook andere stemmen te horen. ‘Het is waar, dat er in den Zwolschen kerkeraad zeker theorieën zijn verkondigd over de rechten van kerkeraden, classes en synoden. Maar het is zeker niet te gewaagd om daarachter de invloed te veronderstellen van Van Leenhof zelf, die na het officieele schorsingsbesluit van 1704 [een schorsingsbesluit van de classis dat niet overgenomen is door de kerkeraad] natuurlijk goed begrepen had, dat een independentistische opvatting van het recht van den kerkeraad voor zijn veiligheid de beste kansen bood [...] In het licht van deze feiten [het optreden van de magistraat] is het independentisme, dat door den kerkeraad tegenover de


2 D.J. de Groot, ‘De procedure tegen Frederik van Leenhof’ in GTT (37) 1936, pp. 273-294, 325-350, 365-387, 487-502 en 545-563 (hierna: ‘De procedure’).

|83|

classis en de synode wordt volgehouden, niets anders dan een rol, die hij door menschenvrees genoodzaakt op vrij slechte manier heeft gespeeld’.3 Het is jammer dat De Groot deze stelling niet met bewijzen staaft. Hetgeen hij wil aantonen, dat de stellingen over de autonomie van de plaatselijke kerk alleen van Van Leenhof afstammen, is hier niet mee aangetoond. Daarnaast toont hij ook niet aan dat deze standpunten werkelijk independent waren.4

De Groot verwerpt de opvatting van Lohman en Rutgers dat, daar de invloed van de magistraat niet van grote betekenis was voor het optreden van andere particuliere synodes en dat er nooit een formeel verbod zou zijn geweest tegen het optreden tegen de kerkeraad van Zwolle, de synodes wel degelijk, als zij zich bevoegd geacht hadden, opgetreden zouden kunnen zijn tegen die kerkeraad.

Hij noemt ook het feit dat de synode van Noord-Holland zich afgevraagd heeft wat er tegen Zwolle gedaan zou kunnen worden. Als het antwoord zo eenduidig geweest zou zijn, zou de vraag niet gesteld zijn.5

De Groot besluit zijn artikel met de volgende conclusies:

‘Er is geen twijfel aan, dat de classis Zwolle en de synode van Overijssel zich volkomen bevoegd beschouwden om Van Leenhof te suspendeeren en te deporteeren en dat alle provinciale synoden in de zeven provinciën er zoo over dachten. Is het nu denkbaar, dat vergaderingen, die geen enkel bezwaar hadden om met de scherpste tuchtmaatregelen tegen een dienaar des Woords op te treden, zich door principiële bezwaren zouden laten weerhouden om tegenover een dezer tolereerenden en zich daardoor dezelfde zonde deelachtig makenden kerkeraad hetzelfde te doen? De afzetting van Van Leenhof riep als consequentie om die van den kerkeraad. Vooral deze laatste overweging laat geen andere eindconclusie toe dan deze, dat aan de troostelooze geschiedenis der procedure tegen Frederik van Leenhof geen enkel deugdelijk wapen kan worden ontleend om het recht der meerdere vergaderingen om tegen den Raad eener plaatselijke kerk met schorsing en afzetting op te treden te bestrijden’.6 De Groot stelt dus dat als men zich bevoegd achtte om een predikant


3 ‘De procedure’, p. 557.
4 Als het handelen van de kerkeraad van Zwolle independent zou zijn, dient dit ook gezegd te worden van de opvattingen van o.m. Lohman en Rutgers.
5 ‘De procedure’, p. 562.
6 ‘De procedure’, pp. 562-563.

|84|

af te zetten, dat het vervolg, de afzetting van een kerkeraad logisch volgt. Dat dit niet zo helder is, wordt duidelijk uit de geschriften van H. Bouwman en Joh. Jansen waarin aangetoond wordt dat het een niet uit het ander volgt.7

In aansluiting op zijn artikel over de procedure Van Leenhof, schrijft De Groot ook nog over een andere procedure te Zwolle.8 Hier beschrijft De Groot een procedure tegen Barend Hakvoort, voorzanger en godsdienstonderwijzer te Zwolle. In deze zaak laat de kerkeraad zich in zijn besluiten om Hakvoort onder de tucht te stellen en daaronder te houden beïnvloeden door de synode. Dit gebeurt echter wel ‘nogtans salvo jure consistorii et sine consequentia’.9 De Groot concludeert het volgende.

Uit het feit dat in deze zaak de kerkeraad wel degelijk het oordeel van de meerdere vergadering volgt, juist ook waar het een zaak betreft zonder inmenging van de overheid, blijkt dat de kerkeraad bepaald niet consequent independent handelde. Hieruit volgt dat uit het voorbeeld van Zwolle geen argumenten ontleend kunnen worden voor het standpunt dat de meerdere vergaderingen niet kunnen ingrijpen in de plaatselijke kerk.10

Ditzelfde standpunt over de casus Van Leenhof was ook al eerder door Jansen verdedigd. ‘Want — nog eens — de reden waarom de classis Zwolle en de particuliere synode toen tegen den kerkeraad van Zwolle machteloos stonden, lag niet daaraan, dat men toen geen bestuursbevoegdheid tegen zulk een kerk had, zooals Prof. Rutgers schreef, maar aan het feit dat de overheid het optreden tegen den kerkeraad met bedreiging van straf verbood’.11

Naast de zaak Van Leenhof worden in de literatuur ook andere afzettingsprocedures beschreven. Veel genoemd wordt de procedure tegen Coolhaes. Verder komen zaken rond de synode van Dordrecht aan de orde. Dit betreft allemaal zaken waarin de afzetting heeft plaatsgevonden door een meerdere vergadering en soms tegen de wil van de kerkeraad in. Verder hebben er rond ‘Dordt’ ook afzettingen gespeeld van hele (remonstrantse) kerkeraden.


7 Zie hoofdstuk 3. Het feit dat zij hun mening later hebben herzien, doet niets af aan het feit dat de gevolgtrekking van De Groot bepaald niet evident is. Hij gaat uit van wat hij probeert aan te tonen.
8 D.J. de Groot, ‘Nog een kerkelijke procedure in Zwolle in het begin der 18e eeuw’ in: GTT (38) 1937, pp. 222-241 (hierna: ‘Nog een kerkelijke procedure’).
9 ‘Nog een kerkelijke procedure’, p. 238.
10 ‘Nog een kerkelijke procedure’, pp. 240-241.
11 Joh. Jansen, ‘Het tuchtrecht der meerdere vergaderingen verdedigd tegen de bezwaren van Dr van Es in de Leeuwarder Kerkbode’ in GTT (30) 1929-1930, p. 491.

|85|

Nieuw in de discussie is de vermelding door Jansen van afzettingen die binnen de Christelijk Gereformeerde Kerk gespeeld hebben. Jansen geeft enige voorbeelden. Zo werd ds. Joh. van Rhee te Veen door de eerste synode van de afgescheiden kerken wegens de in Rom. 1: 27 genoemde zonde afgezet.12 Deze voorbeelden geven aan dat synodes bevoegd geacht moeten worden tot afzetting over te gaan. Tegenstanders reageren aanvankelijk op deze voorbeelden door te stellen dat in deze casus het toch uiteindelijk de gemeente was die met hulp van de meerdere vergadering tot de tucht over ging.13 Later gebruikt Van Lonkhuyzen deze voorbeelden om aan te geven hoe ten eerste de invloed van de overheid het rechte gebruik van het kerkrecht verhinderde en ten tweede hoe snel men al afdwaalde van dit recht. ‘Dit alles poneert met klem de vraag: wie zou de praktijk der vaderen zonder meer tot leidraad durven nemen? Tenzij eerst aangetoond is, dat die praktijk berustte op de beginselen gegeven in Gods Woord, de Geloofsbelijdenis en de Dordtsche K.O.? Deze beslissen. Ik heb vroeger reeds uitvoerig aangetoond [...] hoe èn door overheidsbemoeiing èn door willekeur der regenten èn door de slapheid der kerken en een groote verwarring heerscht in de praktijk der vaderen, zoodat deze zeker niet normatief voor ons geacht kan worden’.14 En ook voor zover het gaat om de onjuiste invloed van de overheid: ‘Door het “verzetten van de wet” werd tegenstand gefnuikt. Zóó ging het nu ook op kerkelijk gebied. Maar — en ziedaar mijn antwoord — NOEM MIJ EEN KROMMEN STAF OP KERKRECHTELIJK GEBIED, WELKEN OOK, EN IK ZAL DIEN MET EEN BEROEP OP DE PRAKTIJK DER VADEREN VERDEDIGEN’.15 Hij gaat zelfs nog verder: ‘Juist die praktijk der vaderen moet ons in haar hiërarchisch verloop een waarschuwend voorbeeld zijn. Terug mijn broeders, via Dordrecht naar Embden en Wezel’.16


12 Joh. Jansen, Oud of Nieuw Kerkrecht, Wierden 1938?, pp. 2-6 (hierna: ‘Oud of nieuw’).
13 Zie Een ernstige fout. Uit de bestrijding van Van Es door Jansen blijkt dat Van Es ook deze uitleg volgt.
14 J. van Lonkhuyzen, ‘Een belangrijk boek, een nieuw geval en een reeks onhoudbare argumenten, benevens een inleiding’ in GTT (32) 1931-1932, p. 422 (hierna: ‘Een belangrijk boek’).
15 J. van Lonkhuyzen, ‘Debat niet mogelijk’, in GTT (33) 1932-1933, p. 534.
16 ‘Een belangrijk boek’, p. 425.

|86|

6.3 Argumenten ontleend aan kerkrechtdeskundigen

 

6.3.1 Inleiding

Een ander terrein waarop de discussie gevoerd wordt is de interpretatie van het gedachtengoed van de grote kerkrechtdeskundigen in de geschiedenis van de gereformeerde traditie. In deze paragraaf zullen respectievelijk de canonisten Voetius, Apollonius en Rutgers besproken worden. Vanzelfsprekend worden ook andere geleerden in de bronnen aangehaald, maar de discussie spitst zich toe op deze personen.

 

6.3.2 Voetius

Zoals al bleek bij de beschrijving van De rechtsbevoegdheid in hoofdstuk 2 geldt Voetius als groot kenner van het gereformeerde kerkrecht. Hij wordt door alle auteurs aangehaald. In het tweede hoofdstuk is beschreven hoe Lohman en Rutgers hem aanhalen om hun doleantie-kerkrecht te funderen. De uitleg die zij geven is die van het oude kerkrecht. Na Assen vindt er een herbezinning plaats en worden de werken van Voetius aan een nieuw onderzoek onderworpen. Vroegere aanhangers van een kerkrecht met grote nadruk op de eigen bevoegdheden van de plaatselijke kerken met haar kerkeraden nemen nu nadrukkelijk afstand van de Voetius-uitleg van Lohman en Rutgers. ‘Ook ik heb, evenals Prof. Dr H.H. Kuyper, afgaande op het gezag van Prof. Rutgers, meermalen in dien geest [een grote nadruk op de rechten van de zelfstandige kerk] geadviseerd. Doch door de nadere bestudeering van de canonici, vooral van Voetius, en van de handelingen der Synode ben ik tot het inzicht gekomen, dat deze voorstelling niet juist was, en enigszins independentistisch gekleurd, en de autoriteit der meerdere vergaderingen niet genoegzaam tot haar recht liet komen’.17 H. Bouwman, Joh. Jansen en H.H. Kuyper leggen bepaalde teksten nu zo uit dat Voetius wel degelijk de bevoegdheid kent van meerdere vergadering om, ook tegen de wil van de plaatselijke kerkeraad, tot afzetting van predikanten en kerkeraadsleden over te gaan.


17 H. Bouwman, Gereformeerd kerkrecht. Het recht der kerken in de practijk, II, Kampen 1934, p. 80 (hierna: Gereformeerd kerkrecht). In deze zelfde zin laat Jansen zich uit: Joh. Jansen, Korte verklaring van de kerkenordening, Kampen 19372, p. 360 (hierna: Korte verklaring 1937).

|87|

Diepgaand onderzoek naar Voetius’ opvattingen is verricht door M. Bouwman.18 Bouwman poogt in Voetius over het gezag der synoden een samenvattend overzicht te geven van Voetius’ denkbeelden over de macht der meerdere vergaderingen. Hij toont aan dat Voetius de synoden bevoegd acht om in bijzondere gevallen, bij onmacht van een kerkeraad of bij wanbestuur, te doen wat des kerkeraads is. Daarnaast is een synode bevoegd tucht toe te passen in een plaatselijke kerk, eventueel tegen de wil van de kerkeraad in. Bouwman geeft toe dat Voetius nergens expressis verbis spreekt over de afzetting van een gehele kerkeraad. Bouwman meent echter wel te mogen concluderen uit enerzijds de teneur van de teksten over de bevoegdheden van de meerdere vergaderingen en anderzijds uit de persoonlijke betrokkenheid van Voetius bij afzettingen door meerdere vergaderingen, dat een meerdere vergadering dit recht bezit.

‘De tuchtoefening en de bekendmaking der censuur kan ook geschieden in de plaatselijke kerk zonder dat daartoe door den kerkeraad besloten is, of buiten de kerkeraad en krachtens besluit der meerdere vergadering. [...] De meerdere vergadering heeft de bevoegdheid om haar besluit tot het censureeren, hetzij van één of meer predikanten hetzij van een groot deel van den kerkeraad of van de gemeente, te voltrekken en effect te verleenen, door een dienaar des Woords aan te wijzen, die krachtens synodaal mandaat en voorzien van synodaal gezag in die plaatselijke kerk voorgaat in den dienst des Woords, en daarbij aan de gemeente mededeeling doet van de censuur (IV, 871 [van de Politica Ecclesiastica])’.19

Dit is volgens Bouwman de centrale gedachte bij Voetius. Hij bewijst dit verder door aan te tonen dat volgens Voetius de verschillende kerkelijke vergaderingen, kerkeraad en meerdere vergaderingen, niet principieel verschillen. De teksten van Voetius die door aanhangers van het oude kerkrecht en Rutgers aangehaald zijn, beschrijven helemaal niet de gevoelens van Voetius. Voetius volgt hier slechts de zogenaamde ‘middle-way-men’. Hun standpunt kan gekarakteriseerd worden door de uitspraak dat de synode bevoegd is tot het uitspreken van een afzettingsvonnis, maar dat de afzetting feitelijk dient plaats te vinden door de plaatselijke kerk. Voetius beschrijft dit standpunt, maar gaat zelf niet over tot dit kerkrecht.


18 M. Bouwman, Voetius over het gezag der synoden, (diss.), Amsterdam 1937 (hierna: Voetius).
19Voetius, p. 315.

|88|

Van Lonkhuyzen gaat niet akkoord met deze interpretatie van Voetius.20 Hij kiest zijn uitgangspunt in die uitspraken van Voetius die de bevoegdheden van de plaatselijk kerk bevestigen. Naar zijn mening leert Voetius vooral dat het beginsel der kerkleiding is gelegen in de plaatselijke kerk. Deze is primair, terwijl de meerdere vergaderingen secundair zijn. Bouwman heeft zich laten misleiden door het enigszins onheldere taalgebruik van Voetius. Voetius leert echter dat alle macht van synodes slechts afgeleid is en dus beperkt. Dat van de kerkeraad is primair.

‘Nu moet men niet zeggen, zooals Dr Bouwman doet, dat Voetius zoo spreekt om de Independenten te winnen. Een goedkoop argument. Ik zou straks met meer grond kunnen zeggen, dat Voetius sommige beschouwingen en redeneeringen geeft om de presbyteriaal-synodalen te behagen of te winnen’.21

Bouwman legt volgens Van Lonkhuyzen te veel nadruk op die plaatsen die afwijken van de gereformeerde leer, waar Voetius ook van zichzelf afwijkt. ‘Dr Bouwman heeft zich door den schijn laten misleiden. En door eenzijdig op de klank van sommige redeneeringen van Voetius af te gaan, en door niet genoeg te onderscheiden zich op een dwaalspoor laten brengen. Zooals het soms kan gebeuren met boomen — mijn geachte collega vergunne mij dit beeld — dat zij zelfs door een schutting of hek gescheiden, in de toppen door een kunnen strengelen, maar toch de aard der beide boomen blijft verschillend, hoe dooreen gestrengeld ook, een eik blijft een eik en een beuk blijft een beuk, ieder heeft zijn eigen stam en eigen wortel en eigen aard, en eigen leven. Zóó is het hier met Voetius en Bouwman en het presbyteriaal-synodale kerkrecht. De zaak is, dat Bouwman in die toppen daarboven niet juist onderscheidde, en verward werd, en nu langs den verkeerden boom naar beneden komt. Aan de andere zijde van het hek. Aan den verkeerden kant! Op voor Gereformeerden verboden terrein! Op dat van de hiërarchisch-synodalen. Voetius bleef aan deze kant. Het schijnt soms of hij in de hogere regionen er over heen zal raken, maar hij komt toch, dank zij zijn eigen oorspronkelijk systeem, dat hem vast hield, op Geref. bodem weer terecht’.22

Geconcludeerd kan worden dat de discussie handelt over de vraag of sommige passages in


20 J. van Lonkhuyzen, ‘Dr M. Bouwman’s dissertatie nader getoetst’, in GTT (38) 1937, pp. 513-531 en 569-620 (hierna: ‘Dr M. Bouwman's dissertatie’).
21 ‘Dr M. Bouwman’s disseratatie’, p. 572.
22 ‘Dr M. Bouwman’s dissertatie’, pp. 598-599.

|89|

de Politica Ecclesiastica het standpunt van Voetius bevatten of dat van anderen. In het kader van deze scriptie is niet uit te maken wie hier gelijk heeft.

 

6.3.3 Apollonius

De tweede kerkrechtdeskundige die uitgebreid in deze polemiek is bestudeerd is de Zeeuwse predikant Willem Apollonius (1603-1657) In zijn oratie bespreekt D. Nauta kontakten van gereformeerden met independenten in de zeventiende eeuw.23 Naar aanleiding van de discussie over het kerkrecht is hij tot deze onderwerpskeuze gekomen. Een belangrijke rol speelt hier een geschrift van Apollonius. Op verzoek van de classis bespreekt hij, ten behoeve van de zusterkerken in Engeland, het Nederlandse gereformeerde kerkrechtelijke systeem. Apollonius schrijft voornamelijk tegen independenten.

Apollonius hangt een standpunt aan waarin geldt dat synodes grote bevoegdheden hebben. Op de vraag af synodes op autoritatieve wijze kunnen beslissen en weigerende kerkeraden met censuur kunnen dwingen, antwoordt hij bevestigend.24 Volgens Apollonius bezitten synodes ‘ex jure Dei’ macht. Hij verwerpt het standpunt van hen die leren dat de synode slechts een adviserende bevoegdheid heeft. Ook het standpunt dat de synode wel een beslissende leermacht heeft, maar zelf de leertucht niet kan toepassen, moet afgewezen worden.25 Met betrekking tot de afzetting van kerkeraden is Apollonius ook helder. ‘Aan haar [de synode] komt eveneens de bevoegdheid toe — en hier haal ik Apollonius’ woorden letterlijk aan —, om den geheelen kerkeraad van een plaatselijke kerk, wanneer deze door een verwerpelijke dwaling de gemeente in beroering brengt of door het zuurdeeg van grove zonden haar bezoedelt, met de kerkelijke censuur te straffen en bijaldien de kerkeraad in zijn zondige leer en in zijn verdorven wandel mocht volharden, zelfs, in overeenstemming met de hoedanigheid en de grootheid der zonden, door het schrikkelijk oordeel der excommunicatie buiten de geestelijke gemeenschap der kerken te werpen en aan den satan over te


23 D. Nauta, De Nederlandsche gereformeerden en het independentisme in de zeventiende eeuw, Amsterdam 1936 (hierna: De Nederlandsche gereformeerden).
24De Nederlandsche gereformeerden, pp. 23-24.
25De Nederlandsche gereformeerden, p. 25.

|90|

leveren. Want, aldus wordt in den breede betoogd, de aard eener meerdere vergadering brengt met zich mee, dat zij over een dergelijke bevoegdheid beschikt. Op dezen zelfden grond is het dan ook geweest, dat in de tijd der Remonstrantsche moeilijkheden geheele kerkeraden door de macht van classen en synoden zijn afgezet. Afgewezen moet daarom de opvatting, als zou uitsluitend de plaatselijke kerk in het bezit van de macht der excommunicatie deelen; afgewezen evenzeer de gedachte dat de meerdere vergaderingen, wat de uitoefening der kerkelijk censuur aangaat, niet verder zouden mogen gaan, dan tot het weren van de broederlijke gemeenschap, de dusgenaamde “non-communio” der independenten’.26 Apollonius verdedigt duidelijk dus een kerkrecht met grote bevoegdheden van meerdere vergaderingen.

In GTT reageert Van Lonkhuyzen op deze oratie.27 Hij betoogt dat het recht zoals beschreven door Apollonius principieel onjuist is. Derhalve kan dit geen norm zijn voor de huidige tijd. Apollonius leefde in een tijd waar het kerkrecht niet meer recht verstaan werd. Onder meer door de mogelijkheid van het ingrijpen van de overheid, waren er slechte elementen in de toepassing van het kerkrecht ingeslopen. ‘Zoo verdween reeds twee jaren na Dordt het Geref. kerkrecht uit de Geref. kerken van Nederland, trots de waarschijnlijke tegenstribbeling, gevolgd door berusting, van Gijsbertus Voetius, die ook lid dezer synode was. Door der Staten invloed. En zóó verdween het Geref. kerkrecht steeds meer. En toch meenden de menschen evenzeer als de Zeeuwen, “Gereformeerd” ook in hun kerkrecht te zijn. Art. XXXVI [van de NGB] bleef hun parten spelen. Men ziet uit het medegedeelde, dat men voorzichtig moet zijn en niet alles wat zich als “Geref. kerkrecht” aandient als zoodanig moet aanvaarden. Toen niet, en nu niet!’28

Anders dan bij de behandeling van Voetius, vindt hier geen discussie over de interpretatie plaats. Van Lonkhuyzen volstaat met een algehele afwijzing van het systeem van Apollonius. Hij blijft bij zijn principiële uitspraken, en constateert expliciet dat reeds in de zeventiende eeuw ernstige kerkrechtelijke dwalingen aangewezen kunnen worden.


26De Nederlandsche gereformeerden, pp. 26-27.
27 J. van Lonkhuyzen, ‘Apollonius’ uitspraak geen bewijs’, in GTT (38) 1937, pp. 19-40 (hierna: ‘Apollonius’).
28 ‘Apollonius’, p. 27.

|91|

6.3.4 Rutgers

Zoals uit § 5.2.2 blijkt, is de strakke navolging van Rutgers ten einde gekomen. Terwijl hiervoor de opvatting van Rutgers het begin en het einde van het kerkrechtelijk denken was, is men van hem losgekomen. Als eerste blijkt dit bij de interpretatie van Voetius. Tot 1926 twijfelt er niemand binnen de GKN aan zijn opvattingen. Eerst wordt nog getracht slechts enkele passages van hem te wraken, maar later valt hij compleet van zijn voetstuk en probeert men het kerkrecht, tegen zijn standpunten in, opnieuw op te bouwen. Dit kan en moet zo scherp gesteld worden daar de kern van het kerkrechtelijk denken van Rutgers gevormd wordt door zijn beschouwingen over de verhoudingen binnen het kerkverband. Hierboven zijn enige typerende citaten opgenomen. Jansen en H. Bouwman halen vooral die teksten uit bijvoorbeeld De rechtsbevoegdheid aan die nog passen in de vernieuwde opvattingen. Verder worden zij niet moe om aan te geven dat ditzelfde boek gezien moet worden als civiel-rechtelijk werk en niet direkt toepasbaar is als bron voor het kerkrecht. M. Bouwman daarentegen breekt duidelijk met Rutgers. Vanzelfsprekend zijn er ook nog die Rutgers trouw blijven. Zo citeert Van Lonkhuyzen de predikant J.D. v.d. Velden naar aanleiding van één van zijn brochures. ‘Grootendeels lezen we met instemming het krachtig opkomen voor de autonomie der plaatselijke kerk zonder te vervallen in de fout van het independentisme. We dachten bij het lezen aan de pracht-colleges van Prof. Rutgers in “Kerkrecht”. Wat kon hij krachtig opkomen voor het recht en de plicht der plaatselijke kerk, terwijl hij in de tweede plaats wees op het noodzakelijke van het kerkverband. En nu heeft een paar jaar geleden wel een Professor durven schrijven, dat we toen bij de oprichting van de Vrije Universiteit nog maar een “halve Rutgers” hadden; toch houden we ons liever bij den “halven” dan bij den gefingeerden heelen’.29 Hieruit blijkt dat het gedachtengoed van Rutgers nog zeker op steun kon rekenen binnen het predikantencorps.


29 J.D. v.d. Velden in Kralingsche Kerkbode, 19-12-1931, gec. bij J. van Lonkhuyzen, ‘Een belangrijk boek’, pp. 405-406, n. 1.

|92|

6.4 Argumenten ontleend aan exegetisch onderzoek

 

6.4.1 Inleiding

Er zijn ook pogingen geweest om de ene of de andere vorm van kerkrecht te gronden op nieuwtestamentische teksten. Het Nieuwe Testament wordt dan geacht de voorschriften te bevatten die de Koning der Kerk zelf verstrekt heeft voor de organisatie. Vooral Handelingen 15 (het apostelconvent), Matteus 18 (over de onderlinge vermaning) en enige paulinische teksten over tuchtoefening worden aangehaald. Hier zal nader ingegaan worden op de eerste tekst.

 

6.4.2 Handelingen 15

In de beschrijving van het apostelconvent zien veel auteurs een beschrijving van de eerste synode. Bijna alle kerkrechtdeskundigen in vorige eeuwen fundeerden het bestaan van synodes op Hand. 15.30 Reden hiervoor is dat er sprake is van een vergadering van kerken die afgevaardigde ambtsdragers (apostelen en ouderlingen) sturen. Deze vergadering heeft bindende uitspraken gedaan. Het gezag van deze uitspraken is enerzijds ontleend aan de onfeilbaarheid van de apostelen, maar anderzijds ook aan het bindende karakter van synodale uitspraken. Voor Jansen is de synode duidelijk een ‘ius divinum positivum’. ‘Van een apostolisch voorschrift voor het houden van synoden altijd en overal lezen wij niets. Alleen staat er in Hand. 15 het voorbeeld van de synode te Jeruzalem. En dit voorbeeld is nu het Goddelijk voorschrift voor alle eeuwen’.31

Van Lonkhuyzen stelt hier echter tegenover dat het gezag en het bindende karakter van de uitspraak van Jeruzalem slechts is gelegen in de aanwezigheid van de apostelen.32 Wel gaat hij ermee akkoord dat Hand. 15 een voorschrift voor het houden van synodes bevat. Zij hebben echter geen gezag boven de kerkeraad of tegen hem in. Zij hebben een eigen soort van gezag. ‘De meerdere vergaderingen hebben dus een goddelijk recht voor haar soort van gezag, al is dit geen ambtelijk gezag’.33


30 ‘Oud of nieuw’, p. 12.
31 ‘Oud of nieuw’, p. 16.
32 J. van Lonkhuyzen, Is het nieuwe kerkrecht niet een ernstige dwaling?, Franeker 1939 (hierna: Een ernstige dwaling?).
33Een ernstige dwaling?, p. 27.

|93|

6.5 Kerkordelijke teksten

 

6.5.1 Inleiding

Zoals te verwachten is, wordt er ook uitgebreid gediscussieerd over de uitleg van bepalingen uit de kerkorde. Vooral gesproken wordt over de artt. 31, 36, 79 en 80 en 84. Hier zal ook een artikel over het ondertekeningsformulier besproken worden.

 

6.5.2 31

Naar aanleiding van dit kerkorde artikel vindt een discussie plaats over de vraag of de besluiten van meerdere vergadering bindend zijn en ter bepaling van wie het is of de uitzonderingsbepalingen van toepassing zijn.

Van Lonkhuyzen hangt het traditionele standpunt aan dat een meerdere vergadering geen bindend besluit kan nemen tegen de kerkeraad in. Een meerdere vergadering kan een besluit van een mindere vergadering niet vernietigen. Het gereformeerde standpunt is dat de meerdere vergadering de mindere overtuigt en dat de mindere dan het besluit intrekt. Zo blijft de autoriteit van de plaatselijke kerk erkend.34 Van Lonkhuyzen is ook heel helder over wie er bepaalt of iets strijdig is met Gods Woord of de kerkorde. ‘Dat overtuigen ligt voor de kerkeraad — is zijn roeping — maar of dit overtuigen al of niet geschiedt dit geeft de synode geen recht om iets te doen wat niet in haar bevoegdheid ligt, in dit geval een kerkeraad af te zetten’.35 Bij H. Bouwman is het aan de mindere vergadering om de meerdere vergadering te overtuigen. Voor zover dat niet lukt en beide partijen vasthoudend blijven, kan de meerdere vergadering maatregelen nemen.36 Ook Jansen is op dit punt van mening veranderd. ‘In de eerste uitgave van de Korte verklaring van de Kerkenordening schreef ik op blz. 145, dat een meerdere vergadering de door haar ongegrond verklaarde besluiten eener mindere vergadering niet mag casseeren (vernietigen). [...] Bij verdere studie bleek mij echter, dat deze ontkenning van het recht van cassatie niet te handhaven was. Vandaar dat ik in mijn latere brochures en artikelen dan ook de vroegere ontkenning van het


34 J. van Lonkhuyzen, ‘In eigen rechte lijn’ in GTT (32) 1931-1932, p. 264 (hierna: ‘In eigen rechte lijn’).
35 ‘Een belangrijk boek’, p. 456.
36Gereformeerd kerkrecht, pp. 56-57.

|94|

recht van cassatie achterhaalde en uitdrukkelijk verklaarde, dat de meerdere vergaderingen niet alleen bevoegd zijn de ongegronde besluiten der mindere vergaderingen te vernietigen, maar ook de executio (uitvoering) te doen plaatshebben’.37

 

6.5.3 36

Art. 36 regelt de verhouding tussen de verschillende ambtelijke vergaderingen. Van Lonkhuyzen insisteert op verschillende plaatsen in zijn brochures op het feit dat niet aangevuld kan worden ‘zoals de kerkeraad over de gemeente’. Voor hem blijft het daarmee duidelijk dat de kerkelijke vergaderingen niet die zeggenschap over elkaar hebben als een kerkeraad over de gemeente.38 H. Bouwman stemt hier mee in. Voetius daarentegen, in de beschrijving van M. Bouwman, trekt de lijn wel door. Hij wijst ook op parallelle Franse teksten die spreken van ‘authorité’ en ‘soumission’. ‘De meerdere vergaderingen zijn dus naar het beginsel van art. 36 bevoegd om de uitvoering van haar besluiten aan de mindere op te dragen, zoo noodig onder bedreiging van censuur’.39

 

6.5.4 79 en 80

In deze artikelen wordt gesproken over de censuur met betrekking tot ambtsdragers. Deze censuur wordt opgedragen aan primair de kerkeraad, maar daarbij ook de genabuurde kerk en de classis.

Van Lonkhuyzen verdedigt een letterlijke interpretatie van deze artikelen zodat slechts de hier genoemde organen bevoegd zijn. Anderen stellen dat deze artikelen een minimum voorschrijven. De kerkeraad mag niet alles zelf doen, maar dient hulp te vragen binnen het kerkverband. De meerdere vergaderingen worden dus niet uitgesloten; uitgesloten wordt dat een kerkeraad het alleen doet.


37Korte verklaring 1937, p. 353.
38 ‘In eigen rechte lijn’, p. 268.
39Voetius, p. 381.

|95|

6.5.5 84

Dit artikel is een van de grondbeginselen van het gereformeerde kerkrecht. Al bij de vroegste synodes van de gereformeerden in Nederland. Van Lonkhuyzen stelt dat het vernietigen van besluiten (zie ook bespreking art. 36) een vorm van heerschappij voeren is die in art. 84 verboden wordt. M. Bouwman toont aan dat Voetius dit idee afwijst. Voetius stelt dat dit artikel uitsluit dat afzonderlijke plaatselijke kerken een bijzondere plaats hebben. Iedereen dient zich derhalve gelijkelijk te onderwerpen aan het synodale gezag. Wie dat niet doet, handelt tegen dit artikel.40

 

6.5.6 Ondertekeningsformulier

In de procedure tegen Geelkerken (en ook die tegen Netelenbos) heeft het ondertekeningsformulier een grote rol gespeeld. De meeste auteurs gaan in dit stadium hier niet meer op in. Een uitzondering hierop vormt een artikel geschreven door de predikant A.J. Fanoy.41 Fanoy beschrijft hoe de verschillende synodes in de zestiende en zeventiende eeuw ondertekeningsformulieren vastgesteld hebben. Fanoy wijst de uitleg af dat het slechts aan de kerkeraad zou zijn om dit formulier te gebruiken. (Dit werd gesteld door onder meer de kerkeraad van Amsterdam-Zuid.) Daar in dit formulier de verschillende vergaderingen nevenschikkend genoemd worden, hebben zij ook ieder afzonderlijk de rechten die daarbij horen.42

Overigens heeft men in de praktijk van het kerkelijk leven de uitspraken van Assen ook toegepast op het ondertekeningsformulier. Zo heeft de classis Goes een nieuwe formulering vastgesteld. ‘Ik verklaar van ganscher harte met de Belijdenisschriften der Gereformeerde Kerken — nader voor wat betreft Art. 4 en 5 der Ned. Geloofsbelijdenis overeenkomstig de uitspraak der Generale Synode van 1926 — in te stemmen en beloof niet te zullen leren, wat niet in overeenstemming is met die Belijdenis’.43


40Voetius, p. 377.
41 A.J. Fanoy, ‘Het onderteekeningsformulier van de dienaren des Woords’ in GTT (28) 1927-1928, pp. 477-502 en 583-605 (hierna: ‘Het onderteekeningsformulier’).
42 ‘Het onderteekeningsformulier’, pp. 593-594.
43De Heraut, 2032, 01-05-1932, p. 3.

|96|

6.5.7 Conclusie

In de discussie over specifieke plaatsen uit de kerkorde vindt de kristallisatie plaats van wat op andere momenten in de discussie al gesteld is. Veelal staat, wat betreft de geraadpleegde bronnen, Van Lonkhuyzen alleen. Bij H. Bouwman is nog sprake van een gematigd vasthouden aan kerkrechtelijke ideeën uit de periode 1880-1926, de anderen betogen, naar eigen zeggen in overeenstemming met Voetius en andere vroege grote canonisten, anders dan tot 1926. De verschillen tussen het oude en het nieuwe kerkrecht blijken zeer duidelijk uit de verschillen tussen de eerste en de tweede druk van de Korte verklaring van Jansen die in deze scriptie besproken zijn.

 

6.6 Principiële stellingname

 

6.6.1 Inleiding

Vooral door Van Lonkhuyzen is in veel publicaties royaal gebruik gemaakt van argumenten die niet in een hierboven vermelde rubrieken vermeld konden worden. Het betreft voornamelijk ‘a priori’ argumenten. Dat wil zeggen dat Van Lonkhuyzen een bepaald vast idee heeft hoe het gereformeerde kerkrecht georganiseerd zou moeten zijn. Aan de hand van dit model legt hij de kerkorde uit, geeft commentaar op andere auteurs en beoordeelt of kerkrechtdeskundigen (zeer duidelijk bij zijn bespreking van Apollonius) in een goed gereformeerde traditie staan. Hier zal gepoogd worden zijn standpunt kort weer te geven.

 

6.6.2 Het gereformeerde kerkrecht volgens Van Lonkhuyzen

Voor Van Lonkhuyzen ligt de basis van het gereformeerde kerkrecht in het begrip federatie. Voor hem is het kerkverband een federatie van kerken die alle principieel hun zelfstandigheid en autonomie behouden. Zij hebben zich verbonden, verplicht door de wil van Christus, maar behouden hun eigen bevoegdheden. Het is dus duidelijk welk kerkrechtelijk model wordt afgewezen. ‘Het gaat er over, of de meerdere vergaderingen onzer kerken niet meer, als tot nu toe, een afgeleid, opgedragen, saamgebracht, confoederatief gezag hebben — zooals in elke foederatie, zij het hier een foederatie, die niet door willekeur is ontstaan, maar door

|97|

innerlijke drang der eenheid in Christus en door de leering der H. Schrift — dan wel of zij een eigen, oorspronkelijk, primair, ambtelijk gezag, soortgelijk gezag als de kerkeraad bezitten, maar dan een hooger gezag, zoodat zij kerkeraden kunnen afzetten, of in den boezem van kerkeraden of over den kerkeraad heen in een gemeente ambtelijk kunnen optreden, censureeren, casseeren, de plaats innemen van den kerkeraad en in de gemeenten doen wat des kerkeraads is’.44

Van Lonkhuyzen ontleent zijn model aan zijn uitleg van nieuwtestamentische teksten, geschriften van Calvijn, kerkordelijke teksten en geschriften van canonisten (vooral Voetius en Rutgers). In alle hierboven beschreven publicaties gaat Van Lonkhuyzen uit van dit model. In de vroegere publicaties probeert hij aan te tonen dat de historische gegevens hierbinnen passen. In latere publicaties is dat niet meer zo duidelijk aantoonbaar. Hier veroordeelt hij apodictisch iedereen die niet in dit model past.

 

6.6.3 Conclusie

Hoewel het gedachtengoed van Van Lonkhuyzen een grote consistentie vertoont en in een duidelijke continuïteit staat met het oude kerkrecht, kan niet aan de indruk ontkomen worden dat hij bepaalde historische gegevens modelleert naar zijn aprioristische beschouwingen over het kerkrecht. Zijn uitleg van Voetius en zijn beschouwingen over de toepassing van tucht in vorige eeuwen overtuigen niet. Het overwicht van de argumenten door de aanhangers van het nieuwe kerkrecht is daarvoor te groot.

 

6.7 Conclusie

 

In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van argumenten zoals die gebruikt zijn door beide partijen in deze polemiek. De uitspraken van de synode van Assen hebben aanleiding gegeven tot hernieuwd kerkrechtelijk onderzoek. Uit dit onderzoek is voor velen gebleken dat de kerkrechtelijke gedachten van het begin van de Doleantie niet juist waren. Bijna iedereen neemt afscheid van de gedachten van Rutgers en de zijnen.


44Een ernstige dwaling?, p. 5.

|98|

Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de marge ook de discussie gespeeld heeft of de invoering van dit nieuwe kerkrecht niet de rechtvaardiging aan de Doleantie ontnam. Hier wordt slechts zeer zijdelings op ingegaan. Van Lonkhuyzen en de zijnen gaan ervan uit dat een nieuw kerkrecht is ingevoerd dat de facto grote gelijkenis vertoond met het kerkrecht van de NHK. Hun opponenten echter claimen dat er toch grote verschillen gebleven zijn. Zij stellen vast dat de hervormde organisatie onder het Algemeen Reglement in elk geval afgewezen moet worden. Verder zien zij een groot verschil tussen de besluiten van de hogere besturen in de NHK ten tijde van de Doleantie, die onrecht waren, en de besluiten van Assen die conform Gods Woord waren. Vanzelfsprekend kan hier geen definitief oordeel over geveld worden. Voorzover het echter gaat om de gelijkenis met betrekking tot de kerkorganisatie, moet geconcludeerd worden dat de GKN na 1926 veel dichter bij de NHK staan dan de mannen van de Doleantie ooit bedoeld hebben.

Barnard, Tj. (1994) H7

|99|

7 Slotbeschouwing

 

7.1 Inleiding

 

In dit afsluitende hoofdstuk zullen twee zaken aan de orde komen. Als eerste zal in een concluderende slotbeschouwing ingegaan worden op wat in de voorgaande hoofdstukken naar aanleiding van de vraagstelling van deze scriptie duidelijk is geworden. Hierna zullen enige opmerkingen gemaakt worden over de ontwikkelingen na de in deze scriptie besproken periode.1 Hier zullen ook enige opmerkingen gemaakt worden over mogelijk vervolg onderzoek.

 

7.2 Samenvatting en conclusie

 

In het tweede hoofdstuk heeft een uitgebreide beschrijving plaatsgevonden van het kerkrechtelijk denken van F.L. Rutgers. Hij kan gelden als de grondlegger van het kerkrecht van de GKN. Besproken zijn drie verschillende publicaties. Uitgangspunt is voor hem bij de tuchtmacht de plaatselijke kerk. Wanneer een meerdere vergadering door bijvoorbeeld appèl bij een zaak betrokken wordt, is de kerkeraad, behoudens het gestelde in art. 31 DKO verplicht dit uit te voeren. Het is echter niet zo dat de meerdere vergadering de mindere kan dwingen. Dit kan in geen geval. De enige weg die dan openstaat is de verbreking van het kerkverband. In die zin zijn de rechten van een plaatselijk kerk bijna absoluut. Op één plaats in de uitgave van de colleges van Rutgers geeft De Jong een andere gedachte weer. Het ware interessant nader te onderzoeken of hier sprake kan zijn van een fout van De Jong of een inconsequentie van Rutgers. Dit zou nader te onderzoeken zijn via eventueel aanwezige aantekeningen van Rutgers of aantekeningen door andere studenten bijgehouden.

Het derde hoofdstuk beschrijft hoe de ontwikkelingen in het denken over het kerkrecht, meer


1 Deze bespreking vindt slechts plaats aan de hand van bestudering van secundaire literatuur. G. Dekker, De stille revolutie. De ontwikkeling van de Gereformeerde Kerken in Nederland tussen 1950-1990, Kampen 1992, idem en J. Peters, Gereformeerden in meervoud. Een onderzoek naar levenshouding en waarden van de verschillende gereformeerde stromingen, Kampen 1989, P. Jongeling (e.a.), Het vuur blijft branden. Geschiedenis van de gereformeerde kerken (vrijgemaakt) in Nederland, 1944-1979, Kampen 1979 en J. Plomp, Een kerk in beweging. De Gereformeerde Kerken in Nederland na de tweede wereldoorlog, Kampen 1987.

|100|

specifiek over het centrale punt van de bevoegdheden van meerdere vergaderingen ten opzichte van die der mindere vergaderingen met het oog op de tucht, ontwikkeld zijn in de kerkrechtelijke literatuur na Rutgers en voor de kwestie Geelkerken. Gebleken is dat hier al sprake is van een zekere verwijdering van Rutgers. Alle geraadpleegde auteurs stellen dat een meerdere vergadering de bevoegdheid mist om een plaatselijke kerkeraad af te zetten. Wel kunnen predikanten afgezet worden tegen de zin van een kerkeraad in. Beslissingen van meerdere vergadering worden niet als absoluut bindend voor een plaatselijke kerk beschouwd. De uitzondering van art. 31 DKO blijft onaangetast gelden. Hier echter is het ook aan de mindere vergadering om te bepalen of er sprake is van een strijdigheid. Er heeft in deze periode nog geen uitgebreide reflectie plaatsgevonden over wat er dient te gebeuren indien een kerkeraad een tuchtoefening over een predikant niet accepteert. In de marge is in dit hoofdstuk melding gemaakt van discussies binnen de Christian Reformed Churches in de Verenigde Staten in die periode. Een nader onderzoek van de zaak daar en de beschrijving er van in de gereformeerde pers in Nederland zou de moeite van de bestudering waard zijn. Het vierde hoofdstuk beschrijft uitgebreid de tuchtprocedure tegen de predikant Netelenbos. Hoewel er op allerlei momenten in deze zaak gehandeld wordt in strijd met het kerkrecht, wordt de zaak uiteindelijk opgelost binnen de grenzen van het oude kerkrecht. Uiteindelijk is er geen conflict tussen de plaatselijke kerkeraad en de meerdere vergaderingen. Eerder in de procedure schendt de classis wel de rechten van de kerkeraad zoals die volgens het oude kerkrecht golden. Hier wordt echter tegen geprotesteerd o.a. door H.H. Kuyper. Ook spreken meerdere vergaderingen, particuliere en generale synode, hun afkeuring uit.

Het middelpunt van deze scriptie wordt gevormd door het hoofdstuk over de kwestie Geelkerken. Door de besluiten van de synode van Assen met betrekking tot de schorsing van Geelkerken, zijn afzetting en die der kerkeraadsleden van Amsterdam-Zuid zijn de grenzen van het oude kerkrecht overschreden. Men kan moeilijk aan de indruk ontkomen dat het ten val brengen van Geelkerken hogere prioriteit had dan een kerkrechtelijk juiste procedure. Van de kant van de aanhangers van Geelkerken is steeds gewezen op het nieuwe van wat er te Assen gebeurde. Zoals Van Lonkhuyzen terecht stelt, is in Assen de wissel van het gereformeerde kerkrecht verlegd. In strijd met alles wat er in de periode tot Assen geschreven is binnen de GKN bleek het nu opeens mogelijk om predikant en kerkeraad af te zetten. Dat de aanhangers van het nieuwe kerkrecht een gerechtvaardigd beroep konden

|101|

doen op de geschiedenis voor 1886 doet hier niets aan af. Het kerkrecht van de Doleantie ging uit van de gegevenheid van de bijna autonomie van de plaatselijke kerk. Het afstappen van dit principe door de synode van Assen kan niet als minder dan revolutionair beschouwd worden. De opinie dat het hier ‘slechts’ het tuchtrecht betreft, dient afgewezen te worden. Zoals hierboven gesteld, wordt het middelpunt van het Doleantie-kerkrecht gevormd door de gedachten over de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk. Assen verlaat deze lijn. Het is heel goed verklaarbaar dat dit gebeurde en ook rechtvaardigbaar uit de bestudering van alle bronnen, toch blijft het een radicale koerswijziging die niet als continu proces beschreven kan worden.

Het zesde hoofdstuk beschrijft de kerkrechtelijke discussie nadat het besluit van Assen eenmaal genomen was. Er vindt een geheel nieuwe reflectie plaats over het kerkverband. Aan de hand van de geschiedenis, de exegese en de bestudering van de grote canonisten wordt het besluit van Assen gerechtvaardigd. Tegelijkertijd wordt het afscheid van het kerkrecht van Rutgers steeds duidelijker. Aanhangers van het oude kerkrecht pogen eerst nog aan de hand van dezelfde feiten hun standpunten te verdedigen. Waar dit steeds moeilijker wordt, richten zij zich meer op aprioristische uitspraken over hoe het gereformeerde kerkrecht idealiter georganiseerd zou moeten zijn.

In de beschreven periode is het kerkrechtelijk denken over de bevoegdheden van de meerdere vergaderingen belangrijk veranderd. Voor 1926 was er niemand die meende dat meerdere vergaderingen bevoegdheden hadden tot het afzetten van kerkeraden. Na 1926 wordt het tegenovergestelde standpunt ingenomen en later uitgebreid verdedigd. Hiermee is de rechtvaardiging van de Doleantie onder spanning komen te staan. De Doleantie is voor een belangrijk deel gebouwd op een kerkrechtelijk fundament. Dit fundament is ernstig ondergraven door de uitspraken van de synode van Assen. Vanuit het oogpunt van het kerkrecht zou geconcludeerd kunnen worden dat de nieuwe standpunten van Assen het bestaansrecht van het kerkverband ernstig in gevaar brengen. De spaarzame uitspraken die hierover gedaan worden door de aanhangers van het nieuwe kerkrecht zijn niet overtuigend. Een nadere bestudering van deze kwestie zou zeer boeiend zijn. Dan zou mede onderzocht moeten worden hoe over deze zaak geschreven wordt van hervormde zijde.

Met enige ironie en een klein gebrek aan nuancering zou gezegd kunnen worden dat de gereformeerde kerken in de vorige eeuw de NHK verlaten hebben door een zeer specifieke

|102|

uitleg van het kerkrecht te volgen. Hierna hebben zij dit standpunt sterk afgezwakt door de besluiten van de synode van Assen. In deze tijd keren zij met het Samen-op-weg proces terug tot een hervormd kerkrecht.

 

7.3 Nieuwe ontwikkelingen

 

Het hierboven beschreven onderzoek betreft de periode tot ongeveer 1940. Rond 1940 heeft er zich een stabilisatie voorgedaan in het kerkrechtelijk denken. De standpunten van het oude kerkrecht werden nog door sommigen aangehangen, de hoofdstroming was het nieuwe kerkrecht.

Gedurende de Tweede Wereldoorlog deed zich een nieuw geschil voor binnen de GKN. Hier zal op deze plaats niet uitgebreid ingegaan worden. De zaak werd op leerstellig niveau door de generale synode in 1942 beslist. Een van de hoogleraren van de theologische hogeschool te Kampen, prof. dr. K. Schilder kon niet akkoord gaan met het besluit. Hij bleef zich openlijk verzetten tegen de genomen besluiten. In 1944 werd hij door de generale synode, wegens scheurmakerij, eerst geschorst en later afgezet als hoogleraar aan de theologische hogeschool en als emeritus-predikant van Delfshaven. Een zelfde oordeel trof een andere Kamper hoogleraar prof. dr. S. Greijdanus. Geconstateerd kan worden dat de synode hier de bevoegdheden van tuchtmacht toepast zoals in de zaak Geelkerken en later uitgebreid verdedigd. Het toepassen van deze bevoegdheden is ook niet meer dan logisch. Schilder c.s. richtten zich niet naar de synode. De synode moest bevoegd geacht worden in zulke gevallen tucht toe te passen. De synode gebruikte dan ook deze bevoegdheid. Schilder c.s. maakten zich vrij en continueerden het kerkverband als Gereformeerde Kerken in Nederland (vrijgemaakt, onderhoudende art. 31 DKO). In dit kerkverband bleef het oude kerkrecht functioneren. Zoals Dekker en Peters in het algemeen schrijven over de vrijgemaakten, geldt het in het bijzonder voor het kerkrecht. ‘Enigszins zwart-wit geredeneerd zou men kunnen zeggen: zo ingrijpend als de synodaal-gereformeerden de laatste 40 jaar zijn veranderd, zo rechtlijnig en orthodox zijn de vrijgemaakt-gereformeerden gebleven, zowel in hun leer als

|103|

in hun kerkelijk leven’.2

Binnen het kerkverband van de synodalen is de lijn van Assen doorgetrokken. Deze kerken hebben hoe langer hoe meer de nadruk gelegd op het landelijke kerkverband in plaats van de plaatselijke kerk. Dit wil niet zeggen dat dit kerkverband nu het principe van de opbouw vanuit de plaatselijke kerk heeft laten varen, geconstateerd moet wel worden dat dit principe veel minder sterk van kracht is dan in de besproken periode. Dit blijkt onder meer uit de steeds belangrijker wordende landelijke organisaties.3

Met betrekking tot de tucht hebben er zich twee geruchtmakende zaken voorgedaan. In de jaren zestig en zeventig wekten eerst uitspraken van de VU-hoogleraar prof. dr. H.M. Kuitert beroering op. In de jaren zeventig promoveerde de studentenpredikant H. Wiersinga op een omstreden proefschrift over de verzoening. Met betrekking tot de laatste heeft de generale synode de leerstellingen beslist afgewezen. De synode is hierbij echter niet zelf overgegaan tot een tuchtoefening. Zij verwees deze zaak door naar de kerk van Amsterdam-Zuid. De kerkeraad is het gesprek met Wiersinga aangegaan, maar heeft geen maatregelen van tucht toegepast. Toen Wiersinga naar Leiden vertrokken was, is het gesprek voortgezet door de kerk van Leiden. Hier zijn ook geen maatregelen van censuur genomen. Uit het feit dat de generale synode de zaak doorverwezen heeft naar de plaatselijke kerk kan niet de conclusie getrokken worden dat zij zich niet bevoegd meer achtte om hier zelf met haar tuchtmacht op te treden. Geen der verdedigers van het nieuwe kerkrecht in de hierboven beschreven publikaties heeft gesteld dat met Assen de plaatselijke kerk de tuchtmacht verloren had. Wel is het zo dat het op synodaal niveau toepassen van de tuchtmacht bepaald traumatiserend gewerkt heeft. De manier waarop in de jaren zestig geschreven wordt over de intrekking van de leeruitspraken van 1926 en de manier waarop geschreven wordt over de vrijmaking, maakt duidelijk dat men niet licht meer over zal gaan tot toepassing van tucht op synodaal niveau. Dit alles zegt echter niets over een niet meer bestaan van deze bevoegdheden.


2 G. Dekker en J. Peters, Gereformeerden in meervoud. Een onderzoek naar levensbeschouwing en waarden van de verschillende gereformeerde stromingen, Kampen 1989, p. 27.
3 Zie hiervoor bijvoorbeeld: P. van Oosterhoudt, ‘Op weg naar een algemeen secretaris en een dienstencentrum’ en E. Eikerbout, ‘Organisatorische veranderingen in de laatste twintig jaar’ in L.C. van Drimmelen e.a. (ed), Kerk in orde. Opstellen voor E. Hazelaar, pp. 13-33 en 34-54.

|104| 

Het ware wenselijk dat er nader onderzoek zou plaatsvinden naar uitspraken over de bevoegdheden van synoden in procedures met betrekking tot de tucht na de hier beschreven periode. Op dit gebied heeft nog niet veel onderzoek plaatsgevonden. Daarnaast zou onderzocht moeten worden hoe op andere gebieden dan de tuchtmacht, de bevoegdheden van meerdere vergaderingen vergroot zijn.

Barnard, Tj. (1994) Bijl

|105|

Bijlage Kerkordelijke bepalingen

 

De hieronder opgenomen artikelen uit de kerkorde zijn ontleend aan een editie van De Moor en Jansen uit 1923.1

Art. 11

Aan de andere zijde zal de Kerkeraad, als representeerende de gemeente, ook gehouden zijn hare Dienaars van behoorlijk onderhoud te verzorgen, en hen niet uit hun dienst te ontslaan zonder kennis en approbatie van de Classe en van Deputaten der Particuliere Synode.

Art. 29

Vierderlei kerkelijke samenkomsten zullen onderhouden worden: de Kerkeraad, de Classicale vergaderingen, de Particuliere Synode, en de Generale of Nationale.

Art. 30

In deze samenkomsten zullen geene andere dan kerkelijke zaken, en dezelve op kerkelijke wijze, verhandeld worden. In meerdere vergaderingen zal men niet handelen, dan ’t gene dat in mindere niet heeft afgehandeld kunnen worden, of dat tot de Kerken der meerdere vergadering in ’t gemeen behoort.

Art. 31

Zoo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, dezelve zal zich op eene meerdere kerkelijke vergadering beroepen mogen; en ’t gene door de meeste stemmen goedgevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden. Tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods, of tegen de Artikelen in deze Generale Synode besloten, zoo lang als dezelve door geene andere Generale Synode veranderd zijn.

Art. 36

’t Zelfde zeggen heeft de Classe over den Kerkeraad, ’t welk de Particuliere Synode heeft over de Classe, en de Generale Synode over de Particuliere.


1 J.C. de Moor en Joh. Jansen, Kerkenordening van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Wageningen 1925.

|106|

Art. 41

De classicale vergaderingen zullen bestaan uit genabuurde Kerken, dewelke elk een Dienaar en een Ouderling, ter plaatse en tijd bij hen in het scheiden van elke vergadering goedgevonden (zoo nochtans, dat men het boven de drie maanden niet uitstelle), daarhenen met behoorlijke credentie afvaardigen zullen; in welke samenkomsten de Dienaars bij beurte, of anderszins die van dezelve vergadering verkoren wordt, presideeren zullen, zoo nochtans, dat dezelve tweemaal achtereen niet zal mogen verkoren worden. Voorts zal de praeses onder anderen een iegelijk afvragen, of zij in hunne Kerken hunne kerkeraadsvergadering houden; of de kerkelijke discipline geoefend wordt; of de armen en scholen bezorgd worden; ten laatste, of er iets is, waarin zij het oordeel en de hulp der Classe tot rechte instelling hunner Kerk behoeven. En eindelijk zullen in de laatste vergadering vóór de Particuliere Synode verkoren worden, die op deze Synode gaan zullen.

Art. 44

De Classe zal ook eenige harer Dienaren, ten minste twee, van de oudste, ervarenste en geschiktste, autoriseeren, om in alle Kerken, van de steden zoowel als van het platte land, alle jaar visitatie te doen, en toe te zien, of de Leeraars, Kerkeraden en Schoolmeesters hun ambt getrouwelijk waarnemen, bij de zuiverheid der leer verblijven, de aangenomene orde in alles onderhouden, en de stichting der gemeente, mitsgaders der jonge jeugd, naar behooren, zooveel hun mogelijk is, met woorden en werken bevorderen; teneinde zij diegenen, die nalatig in het een of ander bevonden worden, in tijds mogen broederlijk vermanen, en met raad en daad alles tot vrede, opbouwing, en het meeste profijt der Kerken en scholen helpen dirigeeren. En iedere Classe zal deze visitatoren mogen continueeren in hunne bediening, zoo lang het haar zal goeddunken, ten ware dat de visitatoren zelven, om redenen, van dewelke de Classe oordeelen zal, verzochten ontslagen te worden.

Art. 49

Iedere Synode zal ook eenigen deputeeren, om alles wat de Synode geordonneerd heeft, te verrichten en in voorvallende zwarigheden aan de Classen de hand te bieden, waarbij voor de onderscheidene belangen zooveel mogelijk afzonderlijke groepen van deputaten te benoemen zijn, en om, althans ten getale van twee of drie, over alle peremptoire examens

|107|

der aankomende predikanten te staan. En alle deze deputaten zullen van alle hunne handelingen goede notitie houden, om de Synode rapport te doen, en zoo het geëischt wordt redenen te geven. Ook zullen zij niet ontslagen wezen van hunnen dienst, voor en aleer de Synode zelve hen daarvan ontslaat.

Art. 50

De Nationale Synode zal ordinaarlijk alle drie jaren eens gehouden worden, ten ware dat er eenige dringende nood ware, om den tijd korter te nemen. Tot deze zullen twee Dienaren en twee Ouderlingen uit elke Particuliere Synode afgezonden worden. Voorts zal de Kerk, die last geeft om den tijd en de plaats der Generale Synode aan te wijzen, zoo dezelve naar het oordeel van ten minste twee Particuliere Synoden binnen de driejaren te beroepen ware, met advies of onder goedkeuring van hare Particuliere Synode van den tijd en de plaats besluiten.

Art. 71

Gelijkerwijs de Christelijke straf geestelijk is, en niemand van het burgerlijk gericht of straf der Overheid bevrijdt, alzoo worden ook, benevens de burgerlijke straf, de kerkelijke censuren noodzakelijk vereischt, om den zondaar met de Kerk en zijnen naaste te verzoenen, en de ergernis uit de gemeente van Christus weg te nemen.

Art. 72

Wanneer dan iemand tegen de zuiverheid der leer of vromigheid des wandels zondigt: zooverre als het heimelijk is, en geene openbare ergernis gegevens heeft, zoo zal de regel onderhouden worden, welken Christus duidelijk voorschrijft in Matth. 18.

Art. 73

De heimelijke zonden, waarvan de zondaar door één, en in ’t bijzonder, of voor twee of drie getuigen vermaand zijnde, berouw heeft, zullen voor den Kerkeraad niet gebracht worden.

Art. 74

Zoo iemand, van eene heimelijke zonde door twee of drie personen in liefde vermaande zijnde, geen gehoor geeft, of anderszins eene openbare zopnde bedreven heeft, zal zulks den

|108|

Kerkeraad aangegeven worden.

Art. 75

Van al zulke zonden, die van haar nature wege openbaar, of door verachting der kerkelijke vermaningen in het openbaar gekomen zijn, zal de verzoening (wanneer men genoegzame teekenen van boetvaardigheid ziet) in zulken vorm en manier geschieden als tot stichting van iedere Kerk door den Kerkeraad bekwaam zal geoordeeld worden. Of zij in bepaalde gevallen openbaarlijk geschieden zal, wordt, wanneer daarover in den Kerkeraad verschil is, in Kerken, waar maar één Dienaar is, met advies van twee genabuurde Kerken beoordeeld.

Art. 76

Zoo wie hardnekkiglijk de vermaning des Kerkeraads verwerpt, en desgelijks wie eene openbare of anderszinds eene grove zonden gedaan heeft, zal van het Avondmaal des Heeren afgehouden worden. En indien hij, afgehouden zijnde, na verscheidene vermaningen geen teeken der boetvaardigheid bewijst, zoo zal men ten laatste tot de uiterste remedie, namelijk de afsnijding, komen, volgens de forme naar den Woorde Gods daartoe gesteld. Doch zal niemand afgesneden worden, dan met voorgaand advies der Classe.

Art. 77

Aleer men, na de afhouding van het Avondmaal en de daarop nog gevolgde onderscheidene vermaningen, tot de afsnijding komt, zal men de hardnekkigheid des zondaars der gemeente openlijk te kennen geven, de zonde verklarende, mitsgaders de naarstigheid aan hem bewezen, in het bestraffen, afhouden van het Avondmaal, en menigvuldige vermaningen, en zal de gemeente vermaand worden hem aan te spreken, en voor hem te bidden. Zoodanige vermaningen zullen er drie geschieden. In de eerste zal de zondaar niet genoemd worden, opdat hij eenigszinds verschoond worde. In de tweede zal met advies der Classe zijn naam uitgedrukt worden. In de derde zal men de gemeente te kennen geven, dat men hem (tenzij dat hij zich bekeere) van de gemeenschap der Kerk uitsluiten zal, opdat zijne afsnijding, zoo hij hardnekkig blijft, met stilzwijgende bewilliging der Kerk geschiede. De tijd tusschen de vermaningen zal aan het oordeel des Kerkeraads staan.

|109|

Art. 78

Wanneer iemand, die geëxcommuniceerd is, zich wederom wil verzoenen, met de gemeente door boetvaardigheid, zoo zal hetzelve vóór de handeling des Avondmaals, of anderszins naar gelegenheid, tevoren der gemeente aangezegd worden, teneinde hij ten naastkomende Avondmale (zooverre niemand iets weet voor te brengen ter contrarie) openbaarlijk met professie zijner bekeering weder opgenomen worde, volgens het Formulier daarvan zijnde.

Art. 79

Wanneer Dienaars des Goddelijken Woords, Ouderlingen of Diakenen eene openbare grove zonde bedrijven, die der Kerk schandelijk, of ook bij de Overheid strafwaardig is, zullen wel de Ouderlingen en Diakenen terstond door voorgaand oordeel des Kerkeraads derzelver en der naastgelegene gemeente in hunnen dienst geschorst of daarvan afgezet worden, maar de Dienaars alleenlijk geschorst worden. Of deze geheel van den dienst af te zetten zijn, zal aan het oordeel der Classe staan, met advies van de in Art. 11 genoemde Deputaten der Particuliere Synode.

Art. 80

Voorts onder de grove zonden, die waardig zijn met opschorting of afstelling van den dienst gestraft te worden, zijn deze de voornaamste: valsche leer of ketterij, openbare scheurma-king, openlijke blasphemie, simonie, trouwelooze verlating zijns dienstes of indringing in eens anderen dienst, meineedigheid, echtbreuk, hoererij, dieverij, geweld, gewoonlijke dronkenschap, vechterij, vuil gewin; kortelijk, alle de zonden en grove feiten, die den bedrijver voor de wereld eerloos maken, en in een ander gemeen lidmaat der Kerk der afsnijding waardig zouden gerekend worden.

Art. 84

Geene Kerk zal over andere Kerken, geen Dienaar over andere Dienaren, geen Ouderling of Diaken over andere Ouderlingen of Diakenen eenige heerschappij voeren.

 

Ondertekeningsformulier voor de Dienaren des Woords

Wij ondergeschreven Bedienaren des Goddelijken Woords ressorteerende onder de Classis

|110|

van N.N. verklaren oprechtelijk in goeder conscientie voor den Heere, met deze onze onderteekening, dat wij van harte gevoelen en gelooven, dat alle de Artikelen en stukken der Leer, in de Belijdenis en den Catechismus der Gereformeerde Nederlandsche Kerken begrepen, mitsgaders de Verklaring over eenige Punten der voorzeide Leer in de Nationale Synode Anno 1619 te Dordrecht gesteld, in alles met Gods Woord overeenkomen. Beloven derhalve, dat wij de voorzeide Leer naarstelijk zullen leeren en getrouwelijk voorstaan, zonder iets tegen deze Leer, ’t zij openlijk of heimelijk, directelijk of indirectelijk te leeren of te schrijven. Gelijk ook, dat wij niet alleen alle dwalingen daartegen strijdende, en met name ook die in de voorzeide Synode zijn veroordeeld, verwerpen, maar ook zullen tegenstaan, wederleggen en helpen weren. En indien het zou mogen gebeuren, dat wij na dezen eenig bedenken of ander gevoelen tegen de voorzeide leer of eenig punt derzelve kregen, beloven wij, dat wij het noch openlijk noch heimelijk zullen voorstellen, drijven, prediken of schrijven; maar dat wij het vooraf den Kerkeraad, Classis of Synode zullen openbaren, om door deze geëxamineerd te worden, bereid zijnde ’t aller tijd ons aan het oordeel derzelve gewilliglijk te onderwerpen; op poene dat wij hiertegen doende metterdaad (ipso facto) van onze diensten gesuspendeerd zullen zijn. En indien de Kerkeraad, Classis of Synode ’t eeniger tijd om gewichtige oorzaken van nadenken zou goedvinden, tot behouding van de eenheid en zuiverheid der Leer, van ons te eischen nader verklaring van ons gevoelen over eenig Artikel der voorzeide Belijdenis, van den Catechismus of van de verklaring der Nationale Synode; zoo beloven wij ook mitsdezen, dat wij ’t aller tijd daartoe bereid en willig zullen zijn, op poene als boven, behoudens het recht van appèl, ingeval van bezwaarnis, gedurende welken tijd van appèl wij ons naar de uitspraak der Particuliere Synode zullen regelen.

Barnard, Tj. (1994) Lit

|111| 

Geraadpleegde literatuur

 

- A.J. van der Aa, Biografisch woordenboek der Nederlanden, Haarlem z.j..
- G.CH. Aalders, ‘Prof. Dr. F.L. Rutgers’ in Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, Kampen, 18 (1917-1918), pp. 9-10 (hierna: GTT).
- Acta der buitengewone generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, gehouden te Assen van 26 januari tot 17 maart 1926, Kampen 1926?.
- Acta der generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland gehouden te Leeuwarden van 24 augustus — 9 september 1920, Kampen 1920?.
- G.C. Berkouwer, Zoeken en vinden, herinneringen en ervaringen, Kampen 1989.
- J.P. de Bie en J. Loosjes, Biografisch woordenboek van protestantse godgeleerden in Nederland, dl 5, ’s-Gravenhage 1943.
- H. Bouwman, Gereformeerd kerkrecht. Het recht der kerken in de practijk, II, Kampen 1934.
- H. Bouwman, De kerkelijke tucht naar het gereformeerde kerkrecht, Kampen 1912.
- M. Bouwman, Voetius over het gezag der synoden, (diss), Amsterdam 1937.
- R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen 1966.
- H.C. van den Brink, Aan zijn zijde, rede gehouden te Zandvoort op dinsdagavond 22 juni 1926, Baarn 1926.
- J.J. Buskes, ‘Johannes Gerardus Geelkerken’ in Jaarboek van de maatschappij der Nederlandse letterkunde te Leiden (1960-1961), Leiden 1961, pp. 52-56.
- J. Charité (ed), Biografisch Woordenboek van Nederland, dl 1, ’s-Gravenhage 1979.
- D. Deddens, ‘Het congregationalisme’ in W. van ’t Spijker en L.C. van Drimmelen, Inleiding tot de studie van het kerkrecht, Kampen 1988?, pp. 106-109.
- D. Deddens, ‘Het Doleantiekerkrecht en de Afgescheidenen’ in D. Deddens en J. Kamphuis (ed), Doleantie — wederkeer. Opstellen over de Doleantie van 1886, Haarlem 1986, pp. 57-150.
- G. Dekker, De stille revolutie. De ontwikkeling van de Gereformeerde Kerken in Nederland tussen 1950-1990, Kampen 1992.
- G. Dekker en J. Peters, Gereformeerden in meervoud. Een onderzoek naar levenshouding en waarden van de verschillende gereformeerde stromingen, Kampen 1989.
- E. Elkerbout, ‘Organisatorische veranderingen’ in L.C. van Drimmelen (ed e.a.),

|112|

Kerk in orde. Opstellen voor E. Hazelaar, pp. 34-54
- H.C. Endedijk, De Gereformeerde Kerken in Nederland deel 1. 1892-1936, Kampen 1990.
- A.J. Fanoy, ‘Het onderteekeningsformulier van de dienaren des Woord’ in GTT (28) 1927-1928, pp. 477-502 en 583-605.
- K. Fernhout (e.a.), Open brief van de buitengewone generale synode te Assen aan de gereformeeerde kerken in Nederland, Kampen 1926.
- J.G. Geelkerken, ‘In memoriam J.B. Netelenbos’ in H.C. Briët (ed), Jaarboek voor de Nederlandsche Hervormde Kerk, xix, Zutphen 1935, pp. 441-444.
- J.G. Geelkerken, Machteloosheid en krachtsontplooiing der kerk. Predicatie naar aanleiding van het “Getuigenis” van de generale synode der geref. kerken in Nederland, Amsterdam 1920.
- J.G. Geelkerken, Nadere mededeelingen inzake mijn kerkelijk geding, Amsterdam 1925.
- J.G. Geelkerken, Om het recht van mijn ambt, Amsterdam 1926.
- J.G. Geelkerken, Op weg naar de synode, Amsterdam 1926.
- J.G. Geelkerken, Oude vragen en een nieuw antwoord. De classis Amsterdam der gereformeerde kerken nogmaals te woord gestaan, Amsterdam 1925.
- J.G. Geelkerken, Vragen mij voorgelegd door de classis Amsterdam der gereformeerde kerken, en mijn antwoord daarop, Amsterdam 1925.
- A. Groenendijk, Vasthoudend en voortvarend. De achtergronden van het conflict rond dr J.G. Geelkerken, onuitgegeven doctoaalscriptie VU, 1986. (Deze scriptie is aanwezig in het archief ‘Het conflict Geelkerken’ (212) van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme te Amsterdam.)
- D.J. de Groot, ‘Nog een kerkelijke procedure in Zwolle in het begin der 18e eeuw’ in GTT (38) 1937, pp. 222-241.
- D.J. de Groot, ‘De procedure tegen Frederik van Leenhof’ in GTT (37) 1936, pp. 273-294, 325-350, 365-387, 487-502 en 545-563.
- Joh. de Haas, Gedenkt uw voorgangers, dl 2, 3 en 4, Haarlem 1984-1985.
- G. Harinck, De Reformatie. Weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven 1920-1940, Baarn 1993.

|113|

- De Heraut van de Gereformeerde Kerken in Nederland, jaargang 1919 en 1932.
- G.F.W. Herngreen, Een handjevol verkenners. Ontstaan en geschiedenis van het ‘H.V.’. de Gereformeerde Kerken in Nederland in hersteld verband, Baarn 1976.
- G.P. van Itterzon, Kerkgeschiedenis en kerkrecht in onderling verband, Wageningen 1958.
- Joh. Jansen, De beginselen van ons gereformeerd kerkrecht in de zaak Geelkerken, Zutphen z.j.
- Joh. Jansen, De bevoegdheid der meerdere vergaderingen (Schild en pijl 1924, afl. 9-10) Kampen 1924.
- Joh. Jansen, De kerkenordening. Van de tucht (op titelpagina De kerkelijke tucht. Handleiding ten dienste der gereformeerde kerken). Nijverdal 1913?.
- Joh. Jansen, Korte verklaring van de kerkenordening, Kampen 1923 en 19372.
- Joh. Jansen, Oud of nieuw kerkrecht, Wierden 1938?.
- Joh. Jansen, ‘Het tuchtrecht der meerdere vergaderingen verdedigd tegen de bezwaren van Dr van Es in de Leeuwarder Kerkbode’ in GTT (30) 1929-1930, pp. 480-495 en 525-547.
- J. de Jong, Verklaring van de kerkenordening van de nationale synode van Dordrecht van 1618-1619. College-voordrachten van Prof. Dr. F.L. Rutgers over gereformeerd kerkrecht, dl 4, Artt. 71-86 Van de censuur en kerkelijke vermaning, Rotterdam 1918.
- P. Jongeling (e.a.), Het vuur blijft branden. Geschiedenis van de gereformeerde kerken (vrijgemaakt) in Nederland. 1944-1979, Kampen 1979.
- P.G. Knibbe, Bezwaarschrift met toelichting aan de generale synode der gereformeerde kerken te Groningen, Leiden 1927.
- C.J. de Kruijter, ‘De erfenis niet geweigerd. Ds. Jan Bernard Netelenbos (1879-1934)’ in D.Th. Kuiper (ed), Jaarboek voor de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland, vi, Kampen 1992, pp. 83-129.
- D.Th. Kuiper, De voormannen. Een sociaal-wetenschappelijke studie over ideologie, konflikt en kerngroepvorming binnen de gereformeerde wereld in Nederland tussen 1820 en 1930, (diss), Meppel/Kampen 1972.
- J. van Lonkhuyzen, ‘Apollonius’ uitspraak geen bewijs’ in GTT (38) 1937, pp. 19-40.

|114|

- J. van Lonkhuyzen, Een ernstige fout. Het besluit der generale synode te Assen inzake de afzetting van een of meer kerkeraden gewogen en te licht bevonden, Chicago 1926.
- J. van Lonkhuyzen, ‘Een belangrijk boek, een nieuw geval en een reeks onhoudbare argumenten, benevens een inleiding’ in GTT (32) 1931-1932, pp. 401-425 en 449-463.
- J. van Lonkhuyzen, ‘Debat niet mogelijk’, in GTT (33) 1932-1933, pp. 529-543.
- J. van Lonkhuyzen, ‘Dr M. Bouwman’s dissertatie nader getoetst’ in GTT (38) 1937, pp. 513-531 en 569-620.
- J. van Lonkhuyzen, ‘In eigen rechte lijn’ in GTT (32) 1931-1932, pp. 257-288.
- J. van Lonkhuyzen, Is het nieuwe kerkrecht niet een ernstige dwaling?. Franeker 1939.
- Memorie der classis Amsterdam van de Gereformeerde Kerken in Nederland betreffende de zaak-Dr J.G. Geelkerken, en den Kerkeraad van Amsterdam Zuid, memorie van de particuliere synode van Noord-Holland van de Gereformeerde Kerken in Nederland betreffende de genoemde zaken, Kampen 1925?.
- D. Nauta (red.), Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme, dl 1 en 2, Kampen 1978 en 1983.
- D. Nauta, De Nederlandsche gereformeerden en het independentisme in de zeventiende eeuw, Amsterdam 1936.
- J.B. Netelenbos, Ben ik gereformeerd, Baarn 1920.
- J.B. Netelenbos, De grond van ons geloof, Utrecht 1919.
- P. van Oosterhoudt, ‘Op weg naar een algemeen secretaris en een dienstencentrum’ in L.C. van Drimmelen (e.a.), Kerk in orde. Opstellen voor E. Hazelaar, pp. 13-33.
- J. Plomp, Een kerk in beweging. De Gereformeerde Kerken in Nederland na de tweede wereldoorlog, Kampen 1987.
- A.C.G. van Proosdij, Dordt en Assen. Beschouwingen over de voorgeschiedenis en het wezen der Dordtsche synode 1618, politiek en kerkrechtelijk, ter vergelijking met de op 26 januari 1926 te Assen aan te vangen synode, Amsterdam 1926.
- A.C.G. van Proosdij, Recht in de zaak-Geelkerken, Amsterdam 19252.
- J.C. Rullmann, Dr. F.L. Rutgers in zijn leven en weken geschetst, Rotterdam 1918.

|115|

- F.L. Rutgers, Kerkelijke adviezen, 2 dl, (H.C. Rutgers ed.), Kampen 1921-1922.
- F.L. Rutgers en A.F. de Savornin Lohman, In hoeverre geeft de genootschappelijke band, die sedert 1816 aan de Ned. gereformeerde kerken is opgelegd, voor de bijzondere kerken die daarin geplaatst zijn eene bindende kracht?. Amsterdam 1882.
- A.F. de Savornin Lohman en F.L. Rutgers, De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken, Amsterdam 18872.
- J. Schelhaas, De val van Assen, Vlaardingen 1968.
- Schismatiek? Open brief van de raad der gereformeerde kerk van Amsterdam-Zuid aan het gereformeerde volk, Amsterdam 1926.
- W. van ’t Spijker en L.C. van Drimmelen, Inleiding tot de studie van het kerkrecht, Kampen 1988?.
- Woord en Geest, jaargang 1925-1926.