Prins, J.J. (1859)

Korte Schets van het Hedendaagsche Kerkregt der Nederlandsche Hervormde Kerk, ten gebruike bij de akademische lessen
Leiden
P. Engels
1859

Prins, J.J. (1859) V

|3|

 

 

 

Terwijl ik deze korte Schets ten dienste mijner leerlingen in het licht geef, opdat zij hun tot leiddraad verstrekken moge bij mijn onderwijs, breng ik haar onder het oog van allen, die belang stellen in de kennis en ontwikkeling van ons Kerkregt, met den wensch, dat de historisch-kritische beoefening daarvan, op de hoogeschool en elders, onder Gods zegen dienstbaar moge zijn aan de wezenlijke belangen der Nederlandsche Hervormde Kerk.

P.

 

|4|

 

 

 

Waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid.

Paulus.

 

 

Prins, J.J. (1859) Wv

|5|

 

Lessen

over

het Hedendaagsche Kerkregt der Nederlandsche Hervormde Kerk.

 

Een woord vóóraf,

Strekkende tot aanbeveling dezer Akademische lessen, op grond
a. van de plaats, die de Ecclesiastiek, d.i. de wetenschap van het Kerkregt, bekleedt in de Practische Godgeleerdheid;
b. van de hooge belangrijkheid der beoefening van het Kerkregt voor den godgeleerde, met het oog op zijne kerkelijke roeping;
c. van den tijd, dien wij beleven.

Prins, J.J. (1859) Inl

|6|

 

Inleiding.

 

§ 1.
Over het Kerkregt in ’t algemeen.

a. Begrip van Kerkregt.

Verschillende beteekenis der woorden kerk en regt. — Bepaalde beteekenis van Kerkregt in den zin van kerkelijke wetgeving. — „Der Inbegriff der Normen, durch welche die Rechtsverhältnisse der Kirche als eines Ganzen und der Menschen als Glieder derselber bestimmt werden” (richter).

b. Omvang van het Kerkregt.

Verschillende soorten van Kerkregt. — Jus Canonicum en, in onderscheiding daarvan, het Roomsch-Katholieke en Protestantsche Kerkregt, in verschillende landen verschillend gewijzigd. — Het zuivere Kerkregt of Jus Ecclesiasticum in sacra, waartoe behoort jus confessionis, jus sacrorum, jus regiminis, jus sacerdotii, jus reformationis en jus disciplinae et excommunicationis, en het Staatskerkregt of Jus Majestaticum circa sacra, bestaande in jus reformandi territoriale, jus inspectionis saecularis met het placetum regium en jus cavendi, en jus advocatiae sive tuitionis.

c. Geschiedenis van het Kerkregt.

1. Vóór de Hervorming.

Canones Apostolorum en Constitutiones Apostolicae. Codex Justinianeus en Theodosianus. De Pseudo-lsidorische Decretalen. Concordantia discordantium canonum of Decretum Gratiani. Decretales Gregorii IX. Constitutiones Clementinae, extravagantes cet.

|7|

2. Na de Hervorming.

Verschillende vormen van kerkbestuur onder de Protestanten. — De episcopale, consistoriale, presbyteriaal-synodale, demokratische kerkvorm. — De betrekking van den Staat tot de Kerk. Het episcopaal-, territoriaal- en collegiaalstelsel in Duitschland.

d. Bronnen van het Kerkregt,

vooral van het Nederlandsche Kerkregt, zoowel van het oudere als van het nieuwere en hedendaagsche Kerkregt bij de Hervormden.

 

§ 2.
Over de beoefening van het Nederlandsche Kerkregt in ’t bijzonder.

a. Geschiedenis dier beoefening.

Hugo Grotius, Joh. Uytenbogaart, Trigland, Gisb. Voetius, dan. v. Alphen, F.A. van der Marck, Ypeij en Dermout, W. Broes, Gerh. v.d. Tuuk, N.C. Kist, H.J. Roijaards, C. Hooijer, W. Muurling, anderen.

b. Waarde en nut daarvan,

zoowel voor regtsgeleerden en staatslieden als vooral voor godgeleerden en kerkelijken.

c. De historisch-kritische beoefening van het Nederlandsche kerkregt,

voor het Akademisch onderwijs meest gepast en vruchtbaar.

Prins, J.J. (1859) HI

|8|

 

Het hedendaagsche Kerkrecht

der

Nederlandsche Hervormde Kerk.

 

Hoofdstuk I.

Het hedendaagsche Kerkregt der Nederlandsche Hervormde Kerk, zoo als het allengs ontstaan is.

 

§ 1.
Het Kerkregt der Nederlandsche Hervormde kerk in zijne eerste wording.

a. De Hervormde kerk in Nederland heeft zich allengs zelfstandig gevestigd, onafhankelijk van den Staat.
b. Die vestiging is geschied onder telkens meer overwegenden Kalvinistischen invloed.
c. Ten gevolge daarvan is het Presbyteriaal-Synodaal stelsel van kerkbestuur alhier inheemsch geworden.
d. De nadere regeling echter is grootelijks bemoeijelijkt door den onafgebroken’ strijd van den Staat met de Kerk over de suprematie.

|9|

§ 2.
De vroegere organisatie der Nederlandsche Hervormde kerk, van de Synode, in 1618 en 1619 te Dordrecht gehouden, tot op 1795.

a. Ofschoon de kerkorde, te Dordrecht in 1618 en 1619 ontworpen, niet algemeen is ingevoerd, zoo is toch de organisatie der kerk in haren geest allengs tot stand gekomen in de onderscheidene gewesten des lands.
b. Die organisatie had in menig opzigt hare goede zijde, maar was en bleef toch ook in menig ander opzigt hoogst gebrekkig.
c. Tot heerschende of Staatskerk verheven, genoot de Hervormde kerk in Nederland groote voorregten, maar zij ondervond daarvan ook niet geringe nadeelen.
d. De vroegere strijd tusschen Staats- en Kerkgezag bleef gedurende dit tijdvak voortduren en veroorzaakte vele botsingen.

 

§ 3.
De toestand der Nederlandsche Hervormde kerk gedurende het tijdperk van overgang, waarin zij van 1795 tot 1816 verkeerde.

a. Ten gevolge van de staatsomwenteling van 1795 hield de Nederlandsche Hervormde kerk op Staatskerk te zijn en werd zij met de overige kerkgenootschappen gelijkgesteld.
b. De oude banden, daardoor op eens losgescheurd, werden echter allengs weder aangeknoopt, en het kerkbestuur bleef inmiddels voortbestaan, grootendeels op den ouden voet.
c. Eene en andere poging tot organisatie der kerk

|10|

vruchteloos beproefd zijnde, deed zich de behoefte aan meer doortastende maatregelen tot regeling harer belangen telkens levendiger gevoelen.

 

§ 4.
De organisatie der Nederlandsche Hervormde kerk in 1816.

a. Onder medewerking eener consulerende commissie, uit kerkelijken bestaande, ging de nieuwe organisatie der Nederlandsche Hervormde kerk van den Staat uit en kwam niet zonder tegenspraak tot stand.
b. Haar karakter, beoordeeld naar de beginselen, die haar beheerschen, hoeveel lofwaardigs daarin ook te prijzen zij, is niet boven vele en gewigtige bedenkingen verheven.
c. Ofschoon hare werking, jaren achteréén, gunstig mag genoemd worden, zijn toch hare leemten en gebreken allengs duidelijker aan het licht getreden, totdat de wensch naar herziening zich allerwege hooren deed.

 

§ 5.
Hare herziening in 1852.

a. De herziening der kerkelijke organisatie, langzaam voorbereid, werd wel door toevallige omstandigheden bespoedigd, maar kwam toch eerst den 23sten Maart 1852 tot stand, toen het herzien Algemeen Reglement door Z.M. den Koning, onder eenige reserven, met goedkeuring bekrachtigd was.
b. Ofschoon door die herziening van het Algemeen Reglement geene nieuwe organisatie der kerk tot stand gekomen is, zijn toch de veranderingen, die zij daardoor ondergaan heeft, hoogst belangrijk.

Prins, J.J. (1859) HII

|11|

 

Hoofdstuk II.

Het hedendaagsche Kerkregt der Nederlandsche Hervormde Kerk, zoo als het thans is.

 

§ 1.
De tegenwoordige staat van zaken, in ’t algemeen beschouwd.

a. De Nederlandsche Hervormde kerk maakt slechts een deel uit van de Christelijke Kerk op aarde, en wel, getrouw aan haar historisch karakter, dat gedeelte, hetwelk door den naam, dien zij draagt, duidelijk genoeg wordt aangewezen.
b. Door haren oorsprong en hare allengs voortgezette ontwikkeling worden de beginselen bepaald, die haar, ook in den tegenwoordigen vorm van haar bestaan, noodwendig beheerschen.
c. In overeenstemming met deze beginselen treedt zij als genootschap zigtbaar op, in den vorm eener kerkelijke republiek, welgeordend en door vaste, ofschoon niet onveranderlijke, wetten bestuurd.
d. De vorm van haar bestuur is alzoo in den grond demokratisch, met dien verstande echter, dat door den Presbyteriaal-Synodalen vorm van haar bestuur de demokratie aristokratisch gewijzigd is.
e. In het bezit van hare autonomie, maakt zij daarvan ook tot handhaving en uitoefening van hare regten gebruik; — terwijl de kerkelijke Statistiek haren omvang en hare sterkte kennen doet.

|12|

§ 2.
Het kerkbestuur.

a. Het bestuur der Nederlandsche Hervormde kerk wordt uitgeoefend over gemeenten door kerkeraden; over meer gemeenten vereenigd door klassikale besturen en Provinciale kerkbesturen; over al de gemeenten te zamen door de Synode, bij wie, onder verschillende waarborgen, de hoogste wetgevende, regtsprekende en besturende magt berust.
b. De ringsvergaderingen oefenen geen eigenlijk gezegd bestuur uit; de klassikale vergaderingen zijn meerendeels enkel kerkelijke kieskollegiën; de algemeene synodale commissie behartigt, onder verantwoording aan de Synode, gedurende den tijd, dat deze niet vergaderd is, de algemeene belangen der kerk; de commissie tot de Oost- en West-Indische kerken staat meer onmiddellijk in betrekking tot den Staat en de ministeriëele Departementen.
c. Het beheer der algemeene kerkelijke fondsen berust bij de Synode; dat der bijzondere kerkelijke goederen en fondsen is deels aan kerkvoogden toevertrouwd, deels aan predikanten of diakenen, onder behoorlijk toezigt en verantwoording.

 

§ 3.
Kerkelijke personen, zaken en handelingen.

a. Al kent de Nederlandsche Hervormde kerk geene geestelijken, in onderscheiding van leeken, zij noemt toch allen, die aan de dienst der kerk verbonden of daarin tijdelijk werkzaam zijn, kerkelijke personen.

|13|

b. Tot kerkelijke zaken behooren niet slechts kerkelijke goederen, gebouwen en geldmiddelen, maar ook kerkelijke boeken, schriften en papieren, benevens het gewijde huisraad.
c. De kerkelijke handelingen, hier bedoeld, hebben betrekking op het godsdienst-onderwijs, de openbare godsdienstoefeningen, de uitoefening van de herderlijke zorg, het kerkelijk opzigt en de tucht, voor zoover daaromtrent kerkelijke voorschriften bestaan.

 

§ 4.
De betrekking der Nederlandsche Hervormde kerk tot andere kerkgenootschappen.

De Nederlandsche Hervormde kerk, met alle andere door den Staat erkende kerkgenootschappen in gelijken rang geplaatst, stelt, vooral tegenover de Roomsch-Katholieke kerk, op hare onvervreemdbare regten, maar niet minder, vooral met opzigt tot de overige Protestantsche kerkgenootschappen, op den band der onderlinge broederschap hoogen prijs.

 

§ 5.
De betrekking van de Nederlandsche Hervormde kerk tot den Staat.

a. Uit de Grondwet blijkt, dat de scheiding tusschen Kerk en Staat niet tot stand gebragt is, zonder dat de regten zoowel als de pligten van den Staat jegens de Kerk naauwkeurig omschreven zijn.
b. In overeenstemming hiermede kennen dan ook thans de kerkelijke Reglementen aan den Staat geen’ anderen invloed toe dan die bestaanbaar is met hare vrijheid en zelfstandigheid.

Prins, J.J. (1859) HIII

|14|

 

Hoofdstuk III.

Het hedendaagsche Kerkregt der Nederlandsche Hervormde Kerk, zoo als het bij voortgaande regelmatige ontwikkeling worden moet.

 

§ 1.
Beoordeeling van de beginselen, die bij ons hedendaagsche Kerkregt ten grondslag liggen.

Zij zijn drieërlei:

a. Het beginsel van vrijheid der Kerk, met betrekking tot den Staat.
b. Het beginsel van de zelfstandigheid der kerk, met opzigt tot haar bestuur.
c. Het beginsel van Presbyteriaal-Synodaal kerkbebestuur, met handhaving van de gelijkheid der kerkedienaren onderling.

 

§ 2.
Onderzoek naar de bestaande (werkelijke of vermeende) gebreken en leemten, vooral met opzigt tot de toepassing der beschreven beginselen.

a. Met opzigt tot de erkende vrijheid der kerk komt hier in aanmerking:

1. De afhankelijke toestand, waarin de Oost-en West-Indische kerken nog verkeeren.

|15|

2. De betrekking, waarin de godgeleerde Faculteiten aan de drie hoogescholen staan tot de kerk.
3. De verhouding, die er is tusschen de kerkelijke armenzorg, door middel van diakenen, en de burgerlijke, zooals zij bij de wet op het Armbestuur geregeld is.
4. De administratie der kerkelijke gebouwen en fondsen, in betrekking tot het bestuur der kerk.

b. Met opzigt tot het kerkbestuur verdient hier overwogen te worden:

1. De regtstreeksche benoeming van de leden des kerkeraads door de gemeente, volgens Alg. Regl. art. 23.
2. Het getal van ouderlingen (en diakenen?), zitting hebbende in de collegiën van kerkbestuur.
3. De benoeming van de leden der collegiën van kerkbestuur door de klassikale vergaderingen.
4. Het examineren van de kandidaten tot de h. dienst door de respectieve Provinciale kerkbesturen.
5. De zamenstelling der Algemeene Synode.
6. De algemeene Synodale Commissie.

c. Met opzigt tot allerlei andere belangen moet hier gelet worden op:

1. De bestaande behoefte aan vermeerdering van het getal der leeraars en godsdienstonderwijzers in de gemeente en aan verhooging van hunne bezoldigingen.
2. Het al of niet verbindend gezag der kerkleer, uitgedrukt in hare aangenomen formulieren van eenigheid.
3. Den staat van het schoolonderwijs, in verband met de uitvoering der wet op het lager onderwijs.
4. De middelen tot opwekking van het kerkelijk leven in de gemeente.

|16|

5. Het bestaan en de werking van verschillende genootschappen en vereenigingen tot bevordering van Christelijke belangen.
6. De betrekking der Nederlandsche Hervormde kerk met buitenlandsche kerken.

 

§ 3.
De weg, die tot verbetering en volmaking leidt.

 

BESLUIT.