Bos, F.L. (1950) Art. 12

|62|

Art. 12.

Dewijl een dienaar des woords, eens wettelijk als boven beroepen zijnde, zijn leven lang aan de kerkedienst verbonden is, zo zal hem niet geoorloofd zijn zich tot een andere staat des levens te begeven, tenzij om grote en gewichtige oorzaken, waarvan de classe kennis nemen en oordelen zal; welk oordeel de classis niet zal uitspreken zonder kennis en approbatie van de deputaten der particuliere synode.

Wat geldt van een ambtsdrager die elders beroepen wordt, dat hij zijn ambt niet eigenmachtig mag neerleggen, geldt in versterkte mate als iemand tot een andere staat des levens zou willen overgaan. Over het algemeen kan met dit doel geen ontheffing worden verleend, omdat de dienaar des woords zich voor zijn leven aan de dienst heeft verbonden.

“Want Demas heeft mij uit liefde voor de tegenwoordige wereld verlaten” (2 Tim. 4: 10).

Uiteraard geldt die levenslange verbondenheid niet voor hen, die buiten dienst geraakt (zie art. 11), niet elders beroepen worden.

“Dewijl de dienaars hun leven lang aan hun dienst verbonden zijn, zo is het niet geoorloofd dat zij zich tot een andere staat des levens begeven of ook hun dienst onderlaten, ten ware dat zij geen gemeente hadden om te bedienen” (Dordrecht 1578).

Er kunnen echter ook andere klemmende redenen zijn, die ontheffing wettigen. Over het gewicht der redenen daartoe dient, om misbruik te voorkomen, het kerkverband mede te oordelen.

“Een dienaar des woords, wettelijk beroepen zijnde, is aan de kerk van Christus zijn leven lang verbonden, alzo dat hij, zolang de gemeente welke hij dient bestaat, zijn dienst niet onderlaten noch enige andere beroeping des levens aanvaarden mag, zonder het oordeel van de particuliere synode” (Middelburg 1581).

“Dewijl een dienaar des woords eens wettelijk, als

|63|

boven, beroepen zijnde, zijn leven lang aan de kerkedienst verbonden is, zo zal hem niet geoorloofd zijn zich tot een andere staat des levens te begeven, tenzij om grote en gewichtige oorzaken, waarvan de classe kennis nemen en oordelen zal” (’s- Gravenhage 1586; Dordrecht 1618/19).

“De kennis en het oordeel der classis heeft deze betekenis, dat de classe de redenen moet weten om welke enig dienaar zich tot een andere staat des levens begeven wil, en meteen oordelen over de gewichtigheid van die redenen, ten einde dat zodanig oordeel gevolgd worde” (Veere 1610).

“De generale synode wenst onverzwakt te handhaven het beginsel, in art. 12 K.O. uitgesproken, dat een dienaar des woords, eens wettelijk beroepen zijnde, zijn levenlang aan de kerkedienst verbonden blijft, waarom het hem niet geoorloofd zal zijn zich tot een andere staat des levens te begeven zonder grote en gewichtige oorzaken.
De generale synode, gelet hebbende op het droeve feit, dat in de laatste tijd meermalen dienaren des woords, niet alleen buiten, maar ook in onze kerken hun ambt hebben neergelegd, om een beroep te kiezen dat financiëel voor hen voordeliger was, bindt den dienaren des woords met name op het hart, dat het hun niet geoorloofd is om dergelijke redenen het heilig ambt, door Christus hun toevertrouwd, te verlaten, waaraan zij echter evenzeer de vermaning toevoegt tot de kerken, om niet door te karige bezoldiging van haar dienaren tot zulk een zondige daad aanleiding te geven.
De generale synode vermaant de classen, die naar art. 12 K.O. geroepen zijn om haar oordeel uit te spreken over de grootte en het gewicht van de oorzaken, die zulk een overgang tot een andere staat des levens alleen wettigen, om aan dit artikel streng de hand te houden, en zodanig verzoek om uit de kerkedienst ontslagen te worden niet anders toe te staan, dan wanneer naar haar oordeel daartoe dringende gronden aanwezig zijn.
De generale synode kan aan het verzoek om nader te omschrijven, wat onder deze grote en gewichtige oorzaken te verstaan zij, opdat in dezen meer uniformiteit kome, moeilijk voldoen, omdat de gevallen daarvan te onderscheiden zijn en elk geval afzonderlijk moet behandeld worden.
De generale synode is echter van oordeel, dat in het vervolg het verlof om tot een andere staat des levens over te gaan niet zal geschonken worden door de classis alleen, maar dat daarbij moet gevraagd worden approbatie van de deputaten der particuliere synode,

|64|

weshalve de synode besluit art. 12 K.O. aldus aan te vullen, dat daarbij gevoegd worden de woorden: welk oordeel de classis niet zal uitspreken zonder kennis en approbatie van de deputaten der particuliere synode” (Leeuwarden 1920).

Hij, aan wien aldus ontheffing uit zijn ambt is verleend, verliest zijn radikaal als predikant.
Bij wijze van uitzondering wordt tegenwoordig aan hen, die overgaan tot ander kerkewerk of zodanige geestelijke arbeid die met de roeping tot verkondiging van het evangelie in verband staat, naar analogie van art. 13 K.O. het voorrecht vergund, de naam en de eer van een dienaar te behouden.
Indien enigszins mogelijk handele men in deze gevallen liever naar art. 6.

“Het behoud van de naam en ere van een dienaar des woords komt rechtens volgens art. 13 K.O. alleen toe aan zulke dienaren, die door ouderdom, ziekte of anderszins onbekwaam geworden zijn tot hun dienst, en behoort in geval een dienaar des woords de kerkedienst verlaat om zich aan een ander levensdoel te wijden alleen als vóórrecht en bij wijze van uitzondering door de kerken te worden geschonken” (Leeuwarden 1920).

“De classen zullen niet lichtvaardig de naam en ere van een dienaar des woords laten behouden aan dienaren, die hun ambt verlaten om naar een ander beroep over te gaan, maar zullen zich houden aan de regel, dat zulk een voorrecht alleen behoort geschonken te worden aan zulke dienaren, die geroepen worden tot een andere dienst ten bate der kerken in het gemeen of tot een zodanige arbeid, die een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het evangelie in verband staat” (Leeuwarden 1920).

“De synode besluit bij de kerken er op aan te dringen, dat ze geen voormalige dienaren des woords, welke tot een andere staat des levens zijn overgegaan, uitnodigen om voor te gaan in de kerkedienst” (Arnhem 1930).

Eventuele nieuwe beroepbaarstelling staat ter beoordeling van de instanties, die aan de ontheffing uit het ambt hebben medegewerkt.

“De generale synode acht het op zichzelf niet onmogelijk,

|65|

aan het verzoek van een predikant, die vroeger op grond van art. 12 K.O. tot een andere staat des levens is overgegaan en nu begeert in het ambt van dienaar des woords hersteld te worden, te voldoen, maar oordeelt dat de vraag of het geraden en wenselijk is, afhangt van de staat des levens waartoe hij overging, en van de motieven die hem daarbij geleid hebben. Voorts spreekt zij uit, dat de beoordeling van zulk een geval niet bij de generale synode thuis hoort, maar bij de classis, met wier medewerking het ontslag uit de dienst verleend is” (’s-Gravenhage 1914).

Wie eigenmachtig zijn ambt neerlegt, maakt zich schuldig aan trouweloze verlating van de dienst, en worde, wijl schorsing en afzetting onmogelijk is, onwaardig verklaard tot de kerkedienst.

“Zoveel zijn misbruiken en ergernis, bij hem door het verlaten van zijn dienst gegeven, aangaat, zal de classis bij hem ernstig met vermaningen aanhouden tot zijn beterschap, en bij gebreke daarvan (overgaan) tot ontzetting en onbevoegd verklaring tot de kerkedienst” (’s-Gravenhage 1591).

“In geval hij in zijn ergernis evenwel nog zal voortgaan zonder de vermaning aan te nemen en na te komen, zo zal de classe ... hem onbevoegd verklaren tot de kerkedienst en dat hij voortaan voor geen kerkedienaar zal erkend worden, en bij gebreke van nog verdere beterschap met hem handelen gelijk met een particulier persoon der gemeente behoort” (Leiden 1592).

“De synode, aanmerkende zijn ... trouweloze verlating van zijn dienst, dewelke hij evenals alle andere dienaren niet mocht verlaten zonder wettige redenen, door de classe of synode gewichtig bevonden, ... heeft den voorszeiden persoon verklaard mits dezen vervallen te zijn van alle kerkelijke diensten en bediening, ter tijd toe, dat hij ... de kerk behoorlijke genoegdoening zal hebben gegeven en met dezelve waarlijk en ten volle zijn verzoend” (Utrecht 1619).

“De synode besluit dat aan iemand, die moedwillig zijn ambt neerlegde zonder bewilliging en tegen het advies van de kerkeraad en de classis, niet anders dan om zeer bijzondere redenen — d.i. redenen niet in den betrokken persoon, maar buiten hem in het kerkelijk leven gelegen, b.v. wanneer uit de kerken de begeerte zou opkomen hem weer als dienaar des woords hersteld te zien of wanneer er groot gebrek aan dienaren des woords

|66|

zou zijn of om andere redenen — weder de weg tot het ambt behoort te worden geopend” (Arnhem 1930; Middelburg 1933).