Appeltere, A.W. van (1837) Vr

|v|

 

Voorrede.

 

Hoewel de bekende brochure van den Heer Groen van Prinsterer mij tot het opstellen van dit geschrift aanleiding gegeven heeft, heb ik echter daarbij noch bedoeld, noch noodig geacht, die brochure op alle punten te beantwoorden, of de Regering daartegen opzettelijk te verdedigen.

De verspreiding van eenige meerdere bekendheid, zoo met de wezenlijke toedragt van zaken, als met de beginselen, door de Regering aangenomen en gevolgd, was, naar het mij voorkwam, al wal hoofdzakelijk werd vereischt, om den verkeerden

|vi|

indruk weg te nemen, dien het geschrift van den Heer Groen had kunnen maken; — want in de kennis van die daadzaken en beginselen, lag, naar mijn inzien, de beste beantwoording van den Heer Groen, de welsprekendste regtvaardiging van het Hoog Bestuur, van zelf als opgesloten. Ik heb mij durven vleijen, door eene langdurige gemeenzaamheid met dit onderwerp, reeds in mijne vroegere betrekking, daarvan eene genoegzame kennis te hebben verkregen, om met vrucht zoodanige taak op mij te kunnen nemen, en ik heb het mijnen pligt geoordeeld, niet achterlijk te blijven, waar ik, met eenigen grond, mogt hopen, dat mijne pogingen, om deze geheele aangelegenheid in het ware daglicht te stellen, door een gunstig gevolg zouden worden bekroond.

Uit het zoo even gezegde, zal men ligtelijk kunnen opmaken, dat ik mij de meeste eenvoudigheid tot pligt heb moeten stellen, en ik ontveins mij niet, dat zulks op den stijl en de wijze van voordragt niet zonder invloed zal gebleven zijn, evenmin als dat de spoed, waarmede ik verlangd heb mijnen arbeid ten einde te brengen, te midden van vele

|vii|

andere bezigheden, hier en daar zigtbare sporen zal hebben nagelaten. Op letterkundige verdienste maakt dit geschrift dan ook geene aanspraak; — mijne bedoeling is geweest, de publieke opinie, naar mijn vermogen in te lichten; en mogt ik hierin slechts geslaagd zijn, dan zal men wel, naar ik hoop, uit hoofde van dit doel, de gebreken, die men in mijn werk mogt aantreffen, gunstiglijk over het hoofd willen zien.

Eén woord moet ik hier nog bijvoegen. Welligt heb ik mijn smartelijk gevoel over de verregaande miskenning onzer geëerbiedigde Regering, niet altijd kunnen matigen, zoo als ik wenschte; welligt zijn er mij hier of daar, tegen mijnen zin, uitdrukkingen ontsnapt, waartegen het verwijt van te groote scherpheid zoude kunnen worden gerigt. Om alle verkeerde gevolgtrekkingen weg te nemen, acht ik mij verpligt, te verklaren, dat ik den Heer Groen van Prinsterer en zijn persoonlijk karakter zeer hoog schatte, en daaraan eene opregte achting toedraag.

Mogt ik dan ergens, bij de afkeuring der beginselen van den Heer Groen, eenige woorden gebezigd

|viii|

hebben, welke men van overdrevene hardheid mogt kunnen beschuldigen, dan zal, naar ik vertrouwe, deze verklaring bij een ieder, en vooral ook bij den Heer Groen zelven, de overtuiging te weeg brengen, dat geen persoonlijke aanval, veelmin eenige opzettelijke beleediging, van nabij of van verre mijne bedoeling geweest is, of heeft kunnen zijn.