Appeltere, A.W. van (1837)

Het Staatsregt in Nederland, vooral met betrekking tot de Kerk, en de Handelingen der Regering ten opzigte der Afgescheidenen, nader toegelicht
In ’s Gravenhage en te Amsterdam
bij de Gebroeders van Cleef
1837

Appeltere, A.W. van (1837) Vr

|v|

 

Voorrede.

 

Hoewel de bekende brochure van den Heer Groen van Prinsterer mij tot het opstellen van dit geschrift aanleiding gegeven heeft, heb ik echter daarbij noch bedoeld, noch noodig geacht, die brochure op alle punten te beantwoorden, of de Regering daartegen opzettelijk te verdedigen.

De verspreiding van eenige meerdere bekendheid, zoo met de wezenlijke toedragt van zaken, als met de beginselen, door de Regering aangenomen en gevolgd, was, naar het mij voorkwam, al wal hoofdzakelijk werd vereischt, om den verkeerden

|vi|

indruk weg te nemen, dien het geschrift van den Heer Groen had kunnen maken; — want in de kennis van die daadzaken en beginselen, lag, naar mijn inzien, de beste beantwoording van den Heer Groen, de welsprekendste regtvaardiging van het Hoog Bestuur, van zelf als opgesloten. Ik heb mij durven vleijen, door eene langdurige gemeenzaamheid met dit onderwerp, reeds in mijne vroegere betrekking, daarvan eene genoegzame kennis te hebben verkregen, om met vrucht zoodanige taak op mij te kunnen nemen, en ik heb het mijnen pligt geoordeeld, niet achterlijk te blijven, waar ik, met eenigen grond, mogt hopen, dat mijne pogingen, om deze geheele aangelegenheid in het ware daglicht te stellen, door een gunstig gevolg zouden worden bekroond.

Uit het zoo even gezegde, zal men ligtelijk kunnen opmaken, dat ik mij de meeste eenvoudigheid tot pligt heb moeten stellen, en ik ontveins mij niet, dat zulks op den stijl en de wijze van voordragt niet zonder invloed zal gebleven zijn, evenmin als dat de spoed, waarmede ik verlangd heb mijnen arbeid ten einde te brengen, te midden van vele

|vii|

andere bezigheden, hier en daar zigtbare sporen zal hebben nagelaten. Op letterkundige verdienste maakt dit geschrift dan ook geene aanspraak; — mijne bedoeling is geweest, de publieke opinie, naar mijn vermogen in te lichten; en mogt ik hierin slechts geslaagd zijn, dan zal men wel, naar ik hoop, uit hoofde van dit doel, de gebreken, die men in mijn werk mogt aantreffen, gunstiglijk over het hoofd willen zien.

Eén woord moet ik hier nog bijvoegen. Welligt heb ik mijn smartelijk gevoel over de verregaande miskenning onzer geëerbiedigde Regering, niet altijd kunnen matigen, zoo als ik wenschte; welligt zijn er mij hier of daar, tegen mijnen zin, uitdrukkingen ontsnapt, waartegen het verwijt van te groote scherpheid zoude kunnen worden gerigt. Om alle verkeerde gevolgtrekkingen weg te nemen, acht ik mij verpligt, te verklaren, dat ik den Heer Groen van Prinsterer en zijn persoonlijk karakter zeer hoog schatte, en daaraan eene opregte achting toedraag.

Mogt ik dan ergens, bij de afkeuring der beginselen van den Heer Groen, eenige woorden gebezigd

|viii|

hebben, welke men van overdrevene hardheid mogt kunnen beschuldigen, dan zal, naar ik vertrouwe, deze verklaring bij een ieder, en vooral ook bij den Heer Groen zelven, de overtuiging te weeg brengen, dat geen persoonlijke aanval, veelmin eenige opzettelijke beleediging, van nabij of van verre mijne bedoeling geweest is, of heeft kunnen zijn.

Appeltere, A.W. van (1837) [Inl]

|1|

 

 

Gedurende vele jaren nadat Nederland deszelfs rang onder de volken had hernomen, viel aan deszelfs instellingen, deszelfs Regering, aan het karakter der Natie, de algemeene lof van Europa ten deel. Men prees de Wijsheid der instellingen, waarin eene gematigde en betamelijke vrijheid aan de ingezetenen, een voldoend en krachtvol gezag aan het Hoog Bestuur was verzekerd; — men juichte den geëerbiedigden Vorst toe, wiens regering bij iederen voetstap de edelste bedoeling van volksgeluk, de verlichtste inzigten om dat te bevorderen, deed uitblinken; — men roemde de Natie, die door eene wijze gematigdheid, door hare gehechtheid aan de milde beginselen der Grondwet, welke alleen door hare liefde voor haren Vorst werd geëvenaard, en door een verstandig vertrouwen op eene Regering, welker eenige zucht het heil van den Staat was, had getoond de ware vrijheid te begrijpen en die waardig te zijn.

Hetgeen echter bovenal eenparigen lof verwierf, was de echte Godsdienstigheid en de verlichte verdraagzaamheid, waardoor onze instellingen, iedere daad der Regering, en het geheele volkskarakter werden gekenmerkt. En deze

|2|

lof was wel verdiend. De vervlogene heerschappij van het ongeloof had den Godsdienstigen zin van Nederland niet doen verflaauwen, eene lange verdrukking had geene wederkeerige onverdraagzaamheid opgewekt. Godsdienstigheid en verdraagzaamheid, die voorvaderlijke deugden van Nederland, waren daarin evenzeer gevestigd als te voren: — ook anders denkenden erkenden volgaarne, dat in ons land de zetel was der ware Godsdienst-vrijheid.

Het is echter het lot van al wat menschelijk is, ook van het edelste, om aan laster, aan miskenning, aan verkeerde beoordeeling te zijn blootgesteld, en wij konden dat lot niet ontgaan. Toen eenige eer- en heerschzuchtige woelgeesten, alleen op eigene verheffing bedacht, het plan hadden ontworpen om Nederland het onderste boven te keeren, was de hatelijkste laster tegen al wat men vroeger geprezen had, aan de orde van den dag, en zoowel onze instellingen, als iedere daad der Regering, werden dagelijks op het schandelijkste verguisd.

Dat men hiermede in de zuidelijke provinciën zijn heilloos doel heeft bereikt; — dat men er in geslaagd is, om een deel der bevolking te misleiden en tegen den besten der Vorsten, de weldadigste Regering, op te ruijen, is bekend. Even bekend is het na weinige jaren reeds, dat al die zoogenaamde grieven, alleen door vooroordeel en dwaling aangedrongen, door leugen en laster verzonnen zijn geweest; — zelfs de onbeschaamdste drijvers der revolutie bloozen thans, om te herhalen, wat vroeger als onbetwistbare waarheid aan het volk werdt opgedrongen en ingeprent.

Niet minder bekend zijn de gevolgen der heillooze revolutie, waaronder België thans gebukt gaat. Waar men vroeger eene betamelijke vrijheid genoot, vindt men thans geweld en willekeur: — waar men te voren bij de ruimste godsdienstige vrijheid, over onderdrukking dorst klagen,

|3|

— heerscht thans, met het overwigt van het gemeen, priestergezag en onverdraagzaamheid; — en het onderwijs, welks geheele vrijheid men scheen te begeeren, heeft moeten bukken onder den ijzeren schepter der geestelijkheid.

Bij het Noord Nederlandsche volk, welks trouw door geene aanlokselen kon worden verleid, welks verlicht oordeel door geene leugens en lasteringen kon worden bedrogen, vonden al die schandelijke opraapsels geen ingang. De eenige uitwerking daarvan was, om de Natie nog sterker te hechten aan de Grondwet, aan de Regering, aan den geliefden Vorst; — en om voor het vervolg aan de Natie eene geduchte les te geven, van de noodzakelijkheid van een onverwinnelijk wantrouwen tegen ieder, die het ondernemen zou, die geëerbiedigde Regering, die beproefde instellingen, in overdrevene klagten aan te vallen en te beschuldigen.

Wat men echter, bij al de aanvallen der Belgische oproerstookers niet had aangeroerd, wat ongeschonden was gebleven, was de roem van Godsdienstigheid. De gebeurtenissen na 1830 hadden dien roem doen toenemen, in plaats van dien te doen verflaauwen, en geheel Europa heeft het gezien en bewonderd, hoe Vorst en volk in de benardste omstandigheden met ware Godsdienstigheid nederig hebben opgezien naar den Hoogen, hoe zij zich, door een onwankelbaar vertrouwen op God, bij den dreigendsten nood hebben bemoedigd gezien.

——

Nadat, ten gevolge van al het gebeurde, de gehechtheid der Natie aan de Grondwet, hare liefde voor en haar vertrouwen op s’ Lands hooge Regering kennelijk was bevestigd, ja verdubbeld, scheen men te kunnen gelooven, dat voortaan niemand dwaas genoeg zoude zijn, om opnieuw

|4|

te beproeven, aan het volk weerzin in te boezemen tegen die instellingen, welke het met zijn bloed had verdedigd, of wantrouwen tegen die Regering, wier trouwe zorg men in lief en in leed ondervonden had.

Bovenal konde men verwachten, dat hetgeen de Belgische lastertongen zelfs hadden gespaard, ook verder wel voor alle aanranding zoude veilig zijn, en dat de roem van Godsdienstigheid, die der Regering en het volk zoo lang en zoo wel verdiend was nagegaan, voortaan aan geen twijfel of tegenspraak meer konde onderhevig zijn.

——

Het tegendeel is echter maar al te waar, hetzelfde wat men vroeger onderstond met inzigten van staatkundig verraad, gebeurt thans ten gevolge van Godsdienstige woelingen; — evenzeer als vroeger, worden de Grondwet, de handelingen van het Hoog Bestuur en deszelfs bedoelingen op de ongerijmdste, op de hevigste wijze beschuldigd en aangevallen, even als toen worden de leugenachtigste daadzaken verzonnen, de onschuldigste en weldadigste op hel schandelijkste verdraaid en verminkt; — maar hetgeen toen zelfs niet ondernomen was, beproeft men thans, en de Grondwet, de Regering, de geheele natie worden openlijk, van ongodsdienstigheid, ja van ongodisterij beschuldigd en verdacht gemaakt.

Veelal geschiedt zulks op eenen toon, die afkeer verwekt, en wanneer men, gelijk in een adres nog zeer onlangs door den gewezen Predikant de Cock aan Zijne Majesteit gepresenteerd, en ook in druk uitgegeven, reeds in den aanhef lezen moet dat ons land is vervuld met de zonden, om welke Sodom en Gomorrha zijn ten onder gegaan, ja dat het land zijne inwoners om hunne bloedschuld moest uitspuwen, dan is een verachtend stilzwijgen het eenige antwoord, dat op zulke dwaasheden past.

|5|

Diezelfde beschuldigingen, ofschoon, gelijk van zelf spreekt, in meer betamelijken toon en met onmiskenbare redekunstige talenten voorgedragen, vindt men in het geschrift van den Heer Groen van Prinsterer, ten titel voerende: „De Maatregelen tegen de afgescheidenen aan het Staatsregt getoetst.”

Het is echter juist de schijnbare bezadigdheid en de grootere bekwaamheden, waarmede dit werkje is opgesteld, die aan de daarin voorkomende aantijgingen eenen schijn van gewigt zouden kunnen bijzetten, hetwelk door den naam en de hooge betrekking des schrijvers nog zoude worden verzwaard; en het zoude dus te duchten kunnen zijn, dat die aantijgingen thans eenen ingang en geloof mogten vinden, die men daaraan, bij de bespottelijke en dweepzieke taal van anderen, zoude hebben geweigerd.

Ik heb het mijnen pligt geacht, het mijne te beproeven ten einde den indruk te voorkomen, welken dit geschrift zoude kunnen maken; niet dat ik mij daarbij ontveinsde, dat de bekwaamheden van deszelfs geachten schrijver verre achter zich zullen laten al wat mijne pen zoude kunnen voortbrengen, maar ik dorst mij vleijen eenige bekendheid te bezitten met veel wat de afgescheidenen betreft, en wat aan anderen niet zoo algemeen en zoo naauwkeurig kon bekend zijn; vooral rekende ik daarbij op de kracht der waarheid, welke die der vernuftigste redeneringen overtreft, en werd ik gedreven door de inwendige, volle overtuiging van mijn gemoed, dat al wat men tegen de Hooge Regering, tegen onze instellingen, tegen de hoogstachtingwaardige Leeraren van de Hervormde Godsdienst had aangevoerd, ten eenemale of onwaar, of onnaauwkeurig, of ongegrond was.

Het is, gelijk men hieruit zal kunnen opmaken, geenszins mijn doel, om onze staatkundige en Godsdienstige instellingen, veelmin onze geëerbiedigde Regering bepaaldelijk

|6|

te verdedigen, of om alles te wederleggen, wat door den Heer Groen is aangevoerd: voorwaar de Regering behoeft mijne geringe krachten niet, noch eenige verdediging van wien het ook zijn moge, — maar ik heb gemeend, dat de zeer eenvoudige, ongekunstelde opheldering van eenige punten zoude kunnen dienen, om de publieke opinie in te lichten en voor afdwaling te behoeden: — mogt ik hiertoe kunnen medewerken, dan ware mijn doel bereikt, mijn schoonste wensen vervuld.

———

Appeltere, A.W. van (1837) HI

 

Algemeene beschouwing
omtrent het Nederlandsche Staatsregt en deszelfs beginselen.

 

Hetgeen bij de algemeene beschouwingen, waarmede het geschrift des Heeren Groen aanvangt, ongemeen verrast, is, dat hij juist dezelfde punten aanvoert, die bij het Belgische geschreeuw werden op den voorgrond gesteld. De staatkundige beginselen, de beginselen en handelingen der Regering in het Godsdienstige, en eindelijk het onderwijs, zijn thans het onderwerp der aangehevene klagten, even ais zulks vóór 1830 het geval was.

Niet minder verrassend echter is het te zien, dat de tegenwoordige beschuldigingen lijnregt aanloopen tegen die van vóór 1830. Toen klaagde men, dat de Grondwet aan de ingezetenen geene genoegzame vrijheid liet; — thans heet zij zelfs losbandigheid te begunstigen, zij wordt jacobijnsch en revolutionnair genoemd. Toen klaagde men luidkeels, dat de Regering alles aanwendde om België te protestantiseren; — thans legt men aan de Regering te last, dat zij jegens de Godsdienst in het algemeen, maar vooral jegens de Hervormde, geheel onverschillig, ja dat zij ongodistisch is. Toen eindelijk begeerde men het

|7|

onderwijs aan de zorg der Regering te onttrekken, omdat men de verbreiding der Protestantsche beginselen vreesde; thans klaagt men, dat het Godsdienstig onderwijs geheel van de scholen wordt geweerd.

Zoude men, bij zou geheel verschillende, lijnregt tegen elkander over staande klagten, niet meenen dat er van geheel verschillende zaken werd gehandeld?

En echter is het dezelfde Grondwet, dezelfde Regering, welke tot deze uiteenloopende klagten hebben aanleiding gegeven.

Bij zoodanige tegenstrijdigheid schijnt alle opheldering onnoodig, de eene klagt vernietigt de andere, en de overtuiging, dat beiden gelijkelijk overdreven en ongegrond zijn en zijn moeten, dringt zich als met geweld aan iederen onbevooroordeelden op.

De klagten over de staatkundige beginselen der Grondwet en der Regering, zijn vreemd aan het onderwerp, hetwelk wij behandelen, en ik kan die derhalve met stilzwijgen voorbijgaan. Maar ik mag toch mijne verwondering niet verbergen over hetgeen ik daaromtrent aangevoerd heb gezien. De Grondwet, (want men erkent openlijk dat het op deze gemunt is) de Grondwet is jacobijnsch en revolutionnair! hare beginselen zijn dezelfde waardoor de staatsschokken der voorgaande eeuw zijn veroorzaakt! Inderdaad, dit behoeft geene wederlegging. In het laatste tiental jaren der voorgaande eeuw, toen men toch wel wist, wat revolutionnaire beginselen waren en die in praktijk bragt, zou er wel niemand aan gedacht hebben, om in eene Grondwet gelijk de onze, het geringste spoor te vinden der beginselen, welke men toen huldigde; — en hij die toen eene zulke Grondwet had durven voorstellen, als overeenstemmende met den revolutionnairen geest, zoude of voor waanzinnig uitgekreten of als verrader beschuldigd zijn.

|8|

Het oproer van 1880, zegt de Heer Groen, was slechts het gevolg en de ontwikkeling van de beginselen der Grondwet; — maar is het dan niet overbekend, dat de opstand juist ten doel had om de banden los te rukken, waarin de revolutionnaire geest door de wijze instellingen der Grondwet gekluisterd was? Staatkundige losbandigheid. Godsdienstige overheersching, — wien is dit onbekend? dit waren de tegenstrijdige beginselen van de drijvers des oproers; — maar wie ziet ook niet, dat beiden lijnregt in strijd zijn met de ware gematigde vrijheid, die bij de Grondwet is gewaarborgd, en die van losbandigheid even ver verwijderd is als van dwingelandij.

Meer betrekking tot ons onderwerp heeft de beschuldiging, dat de Grondwet eene strekking zonde hebben tot verwerping van het Evangelie en tot ongodisterij, en dat de Hooge Regering door hare handelingen die strekking zoude begunstigen.

Die beschuldiging tegen de Grondwet echter, men vergeve mij dit woord, is inderdaad onzin. Wat is toch de Grondwet? Immers niets anders dan eene Wet, waarbij de staatkundige regten en pligten van alle Staatsburgers worden omschreven en bepaald, de vorm en het gezag der Hooge Regering vastgesteld, aangewezen en verzekerd.

Eén beginsel was er, dat bij zulk eene Wet nooit of nergens kon of mogt uit het oog verloren worden, dat reeds a priori alle verheffing van de eene Godsdienstige Gezindheid boven de andere onmogelijk maakte en moest doen verbannen, het was de burgerlijke en staatkundige gelijkheid van alle ingezetenen. Ieder ingezeten, van welke Godsdienstige Gezindheid ook, had als burger zijne pligten jegens den Staat te vervullen, maar daarentegen had hij ook met alle anderen, ten opzigte van den Staat, gelijke regten, want gelijke regten zijn van gelijke verpligtingen onafscheidbaar.

|9|

Dit beginsel van gelijkheid aller ingezetenen, de gulden vrucht van verlichting en ware verdraagzaamheid, steunde niet alleen op de eeuwige en onveranderlijke regelen der billijkheid, maar alle ingezetenen hadden daarop een verkregen regt. Bij de instelling der Grondwet bestond die gelijkheid sints lang, en zonder aan dat verkregen regt te kort te doen, was het niet mogelijk hierin verandering te brengen. De Heer Groen zelf schijnt dit toe te geven, want hij erkent, dat het Evangelie verkregene regten niet aanrandt, maar beschermt.

Aan dit beginsel van gelijkheid, op de billijkheid en op verkregen regt gegrond, moest de Grondwet in alles noodzakelijk getrouw blijven, ook, vooral niet minder dan in andere zaken, ten opzigte van de regten van iederen burger, met betrekking tot zijne Godsdienstige Gezindheid.

Ook in het Godsdienstige had ieder ingezeten gelijk regt op zorg en bescherming van de zijde van den Staat, en met die gelijkheid van regt was het volstrekt onbestaanbaar, om aan eenige Godsdienstige Gezindheid, boven andere de voorkeur te geven of slechts den voorrang toe te kennen, want ook dit zoude een staatkundig privilegie zijn geweest, en elks privilegie kwetst de gelijkheid van regten.

Gebonden aan het beginsel van de gelijkheid van regten aller Staatsburgers, een beginsel, steunende op de billijkheid en het verkregen regt, en door den Heer Groen zelf erkend, was het dus aan de opstellers der Grondwet volslagen onmogelijk, om bij de Grondwet eenige, ook de geringste voorkeur te betoonen, voor welke der bestaande Gezindheden het ook mogt zijn.

Met elke voorkeur, ook de geringste, was aan dat beginsel de bodem ingeslagen, en eenmaal daarvan ten voordeele van eene bijzondere Gezindheid afgeweken zijnde, bestond er geen de minste band meer, die zoude hebben verhinderd, dat men daarin niet verder zoude gaan; —

|10|

eenmaal het beginsel van gelijkheid hebbende verloochend, was er geen waarborg meer, dat men niet even goed alle andersdenkenden van alle staatkundige en burgerlijke regten zoude kunnen uitsluiten, en de belijders van alle andere Gezindheden, buiten de begunstigde, tot Iloten zonde kunnen vernederen.

Ik meen wel te begrijpen, hoe de Heer Groen den eerbied voor verkregene regten uitlegt. Zoo ik mij niet bedriege, wil hij zeggen, dat men de andere Gezindheden wel niet behoefde te weren, dat men die konde laten bestaan gelijk te voren, ja zelfs dat de Regering die, gelijk vroeger, kon blijven ondersteunen; — maar dat niettemin eene bijzondere zorg voor de Hervormde Godsdienst, eene bijzondere bescherming daarvan, aan de Regering ten pligt had kunnen worden gesteld.

Doch dit is niets anders dan eene drogrede. Het verkregen regt der Godsdienstige Gezindheden betrof niet slechts de voortduring van den staat, waarin zij zich bevonden, neen! gelijke zorg, gelijke bescherming van den Staat, dat was het wat de billijkheid vorderde, dat was het wat bij de invoering der Grondwet bestond en op welks voortduring de bestaande Gezindheden een verkregen regt bezaten.

Wat aan den Staat ten opzigte van de eene Godsdienstige Gezindheid werd ten pligt gesteld, daar moest hij ook ten aanzien van alle andere Gezindheden toe verpligt zijn, want zonder dat was het beginsel van gelijkheid verbroken, en de schending der billijkheid en van het verkregen regt was openbaar.

Ik heb doen zien, dat het onmogelijk was, ook al had men het gewild, in de Grondwet eenige voorkeur uit te drukken ten opzigte eener bijzondere Godsdienstige gezindheid; — maar al ware eene zoodanige voorkeur niet zoo volkomen onvereenigbaar geweest met het beginsel der

|11|

burgerlijke gelijkheid van alle ingezetenen, hetwelk den grondslag der Staatsregeling uitmaakt, zoo zouden nogtans de gewigtigste redenen verboden hebben, om aan zoodanig denkbeeld van voorkeur eenig gevolg te geven.

Het schoone, het verhevene doel der Grondwet was de meest volkomene vestiging en verzekering van Maatschappelijk geluk; — en daarom was het een der eerste pligten, de Maatschappij zoo veel mogelijk te beveiligen tegen die geweldige schokken, waardoor zoo menig Staatsgebouw zijnen val was nabij geweest, zoo menig in puin was ter neder gestort.

Van zulke schokken, dus leerde de geschiedenis, waren maar al te dikwerf Godsdienstige verschillen de oorzaak geweest, veelal ten gevolge van miskenning der grenzen van het Wereldlijk of van het Geestelijk gezag.

Die grenzen, hierin was de beste waarborg tegen de heillooze gevolgen van zulke verschillen en beroeringen, die grenzen moesten met naauwkeurigheid worden bepaald. Het moest buiten de magt der Regering zijn, om immer in zaken, het Godsdienstig geloof en het geweten rakende, tusschen beide te komen, maar daarentegen moest ook aan iedere Godsdienstige Gezindheid, hoe onafhankelijk ook in geloofszaken, de onderwerping aan de Regering, in alle maatschappelijke aangelegenheden, ten pligt worden gesteld.

Daardoor werd aan de eene zijde de onafhankelijkheid der Kerk verzekerd en de Godsdienst op de nadrukkelijkste wijze bevorderd, en aan de andere zijde de rust van den Staat en deszelfs welzijn, zoo veel doenlijk was, verzekerd, tegen alle gevaar, hetwelk daar aan door verschillen over geloofszaken, of door overdrevene begrippen in het godsdienstige, konde worden gedreigd.

Dit lag dan ook in de bedoeling der Grondwet en wordt daarin gevonden. Art. 190, het éérste van het hoofdstuk, waarborgt de volkomene vrijheid van Godsdienstig begrip;

|12|

Art. 196, het laatste der afdeeling, maakt gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat tot pligt voor iedere godsdienstige gezindheid; — de tusschen beide komende artikelen behelzen van die beginselen slechts de ontwikkeling.

Verder te gaan, anders te handelen, was onbestaanbaar met het welzijn van den Staat. Ik spreek hier nog niet eens van eene heerschende Godsdienst met al den aankleve daarvan: de ondergang van den Staat zoude het gevolg zijn geweest van de eerste poging daartoe. Maar zelfs de erkenning van eene Godsdienst, als Godsdienst van den Staat, was niet overeen te brengen met het heilzame beginsel, het éénige waarachtige tor vermijding van botsingen, dat de Staat, het wereldlijk gezag, zich nimmer in geloofszaken mengen mag. Bestond er eene Gezindheid als erkende Gezindheid van den Staat en ontstond er in den boezem dier Gezindheid eenmaal verschil over punten van geloof, kwam dit eens tot eene scheuring, dan zoude de Staat, de Regering, zich ook bij een der onderdeelen moeten voegen, en zich derhalve het oordeel moeten aanmatigen, welke van beide partijen in geloofszaken het regte voor had. Dan echter was juist de weg gebaand tot Godsdienstige vervolging; dan juist was het gedaan met de onafhankelijkheid der Kerk, en dat ook dan, bij de eerst ontstaande moeijelijkheid, het schip van Staat op de klip van Godsdienstige beroerten zoude verzeilen, behoeft geen betoog.

Hoe weinig voorts de Grondwet het verwijt van onverschilligheid omtrent de Godsdienst verdient, blijkt uit het woord bestaande, waarover zoo veel getwist is. Hierna zal ik de gelegenheid hebben meer in het breede te ontvouwen, hoe het met dat woord gegaan is; — thans zij het genoeg aan te merken, dat men, de verkregene regten van alle bestaande Gezindheden eerbiedigende, zich aan geene

|13|

banden heeft willen leggen, geene verpligting invoeren, om alle nieuwe sekten, die zich voortaan mogten opdoen, en die nog geen verkregen regt bezaten, toe te laten en te beschermen: daaromtrent wilde men aan de Regering het onderzoek en de beslissing overlaten; — en dat juist eene warme doch onbekrompene belangstelling in de bestaande Godsdienstige Gezindheden hierbij tot drijfveer heeft gestrekt, valt van zelf in het oog.

Ten slotte, en om van de Grondwet af te stappen, men moet er vooral wel op letten, dat het geenszins de bepalingen zelf van de Grondwet zijn, waar tegen de Heer Groen zich verheft, integendeel hij keurt die goed, hij acht die met het Christendom, ook in zijnen geest, bestaanbaar. Hij veroordeelt alleen de bedoeling, waarmede men die artikelen in de Grondwet heeft gesteld, want de bedoeling, zegt hij, was om ongodsdienstigheid te begunstigen.

Reeds heb ik aangetoond, dat ongodsdienstigheid de drijfveer der opstellers van de Grondwet (men vergeve het mij, dat ik zulks als eene mogelijkheid moest veronderstellen,) niet geweest is, niet heeft kunnen zijn, en daarmede is alle aantijging van dezen aard volkomen beantwoord en afgeweerd.

Maar mag men toch niet vragen, of het niet uitermate liefdeloos is, eene wet, die men zelf goedkeurt, te veroordeelen, enkel uit hoofde eener loutere vooronderstelling nopens de bedoeling, waarmede zij is ingesteld, en vooral, mag men niet vragen, of het niet vermetel is, de bedoelingen des menschen voor zijnen regterstoel te trekken en te veroordeelen, en of dat oordeel niet alleen toekomt aan den Alzienden, die alléén de harten kent en de bedoelingen doorgrondt?

——

|14|

Ook op de daden der Hooge Regering heeft men niet geschroomd den blaam van ongodsdienstigheid te werpen. Hier echter is ons standpunt verschillend. Waar het beginselen geldt, kan men die naar zijne begrippen goed- of afkeuren, maar waar het de uitwendige daden der Regering geldt, vorderen wij stellig bewijs. En wat is er nu bijgebragt tot staving eener zoo zware beschuldiging? Slechts twee punten, zoo ver ik weet: dat de naam van God, en Christus niet of slechts zelden in Staats-stukken zoude voorkomen, en dat de Zondag op eene ergerlijke wijze zoude worden ontheiligd.

Wij willen niet twisten over de waardij welke deze punten hier kunnen hebben: op derzelver waarheid komt het aan. Wat nu het eerste betreft, herinnert zich dan niet elk Nederlander de echt Godsdienstige taal, welke bij zoovele gewigtige aangelegenheden, van den Troon tot de Natie gerigt werd; — zijn er niet een aantal belangrijke stukken in het hart en het geheugen der Natie geprent, zoo vele bewijzen van de onwaarheid van dit gezegde? En nu de viering van den Zondag? Maar de wet van 1814 bestaat, bestaat in volle kracht. Het is onwaar, dat die niet zoude worden nageleefd, mijne eigene vrij langdurige ondervinding in vorige betrekkingen, menigvuldige correctionnele vonnissen tegen de overtreders, leveren daarvan het bewijs. Het moge waar zijn, dat op sommige plaatsen de waakzaamheid der Policie-bedienden grooter is dan op andere, dit is in alle zaken het geval. Maar om de schuld daarvan op de Regering te schuiven, de onachtzaamheid van eenen dienaar der Policie te doen strekken, om daarmede eene aanklagt van ongodsdienstigheid tegen de Regering te staven, is eene schroomelijke onregtvaardigheid.

——

|15|

Zal ik thans nog iets zeggen omtrent het openbaar onderwijs? Ook deze stof is aan ons onderwerp vreemd, en wij zullen er dus niet lang bij stil staan. Ook hier echter gelden dezelfde redenen als bij de Grondwet. De verpligting van den Staat om voor het Onderwijs te zorgen, betrof de ingezetenen van alle Godsdienstige gezindheden. Om daaraan te voldoen bestonden slechts twee wegen. Er moesten of afzonderlijke scholen voor iedere Gezindheid worden opgerigt, of het Openbaar Onderwijs moest zoo worden ingerigt, dat het voor alle Gezindheden toegankelijk was.

Het eerste was ondoenlijk. Daarenboven zoude de Regering, door zich het Godsdienstig onderwijs aan te trekken, zich juist in geloofs- en gewetens-zaken hebben gemengd, en het beginsel der onafhankelijkheid van Godsdienstig begrip zoude zijn verloochend.

Slechts de tweede weg bleef dus open. Maar men houde in het oog, dat er geen dwang bestaat om de openbare scholen te bezoeken. Ouders, die eene andere wijze van onderwijs voor hunne kinderen begeerden, hadden de volkomene vrijheid daarin, en zij die van de scholen gebruik maakten, zoo als die thans waren, gaven daardoor van zelf hunne toestemming tot de afscheiding van het Godsdienstig en het Wetenschappelijk Onderwijs.

Intusschen ontbreekt het ook thans, de Heer Groen erkent het, op de scholen niet aan eenige Godsdienstige opleiding. Alleen kon men hierin niet zoo verre gaan dat de scholen in eene geprivilegeerde inrigting voor ééne Gezindheid werden veranderd. Het onbepaalde gebruik des Bijbels reeds, zoude met de uitsluiting der Roomsen Catholijke jeugd van de scholen hebben gelijk gestaan; — en een onderwijs, waarbij ook aan kinderen van Israëliten de Hervormde Geloofsbelijdenis en de Catechismus werden ingeprent, kan, zelfs door den Heer Groen, naauwelijks worden teruggewenscht.

|16|

In hoe verre men er in geslaagd is, om het Godsdienstig Onderwijs op de scholen in dien geest te volmaken, durf ik niet beoordeelen. Zeker is het, dat het Gouvernement heeft gedaan wat het kon en waartoe het verpligt was, en dat ook hier de blaam van onverschilligheid en ongodsdienstigheid ten eenemale onverdiend op onze instellingen en op ’s Lands Hooge Regering geschoven wordt.

Eene belangrijke bijzonderheid mag ik hierbij niet onopgemerkt laten, omdat zij doet zien, hoe weinig het gevoelen van den Heer Groen omtrent hel gevaar der af-scheiding van het Godsdienstige en het wetenschappelijke onderwijs, door de bevoegdste beoordeelaars is gedeeld.

Toen in 1806 dit beginsel tot grondslag gestrekt had voor de alstoen aangenomene en ingevoerde schoolwet, is door den toenmaligen Secretaris van Staat H. van Stralen, (eenen man, door zijne gehechtheid aan de Hervormde Kerk algemeen bekend) aan de Provinciale Sijnoden over dat onderwerp geschreven; en de antwoorden op dien brief doen zien, dat de Sijnoden van dien tijd, wel verre, van eenig bezwaar te vinden in de afscheiding van Godsdienstig en wetenschappelijk onderwijs, wel verre van zich daarover te beklagen, zich allen hebben bereid verklaard om de werking der wet te bevorderen 1).

Bij deze algemeene beschouwingen zouden wij thans welligt moeten onderzoeken, wat men dan toch in de plaats zoude willen stellen van alles, wat men zoo hevig heeft aangerand. Die taak is niet zeer gemakkelijk, want met zorg worden alle denkbeelden van dien aard verborgen. Wij zullen echter later beproeven die te ontwikkelen: thans zij het genoeg aan te merken, dat wij bij den Heer Groen eene overhelling hebben bespeurd tot geheele vereeniging van Kerk en Staat, die zonder eene geheele


1) Men zie de bijdragen voor het schoolonderwijs van 1806. VI deel 6e en 10e stuk.

|17|

omkeering der maatschappij, zonder den Staat in de Kerk te plaatsen, in één woord, zonder eene heerschende Godsdienst, niet mogelijk is, en het zal ons later gewis niet moeijelijk vallen het onbereikbare, het gevaarlijke van zoodanig denkbeeld toe te lichten, en de rampen aan te wijzen, welke door de eerste poging tot deszelfs verwezenlijking, aan het Vaderland zouden worden voorbereid.

Appeltere, A.W. van (1837) HII

 

II.
Over de oorzaken der Afscheiding.

§ 1.
Over die oorzaken, met betrekking tot de Predikanten en de Sijnode.

 

Men zoude zich zeer bedriegen, en het zoude eene geheele onbekendheid met kerkelijke zaken en geschiedenis verraden, indien men de bestaande gisting in de Hervormde Kerk wilde aanmerken als een verschijnsel, aan onzen tijd in het bijzonder eigen, of zoo men daarvoor oorzaken wilde zoeken, die vroeger niet, of niet op die wijze als thans, zouden hebben bestaan. Reeds van de eerste tijden der Hervorming af, was er van tijd tot tijd of liever bij voortduring, en wel niet alleen in de Hervormde, maar in alle Protestantsche Kerken, tusschen derzelver leden, eenig verschil van gevoelen, of eigenlijk van inzigten, merkbaar, en altijd waren er eenigen onder hen, die zich door meer gestrenge begrippen onderscheidden, terwijl anderen meer gematigde en mildere beginselen waren toegedaan. Meermalen dreigde zoodanig verschil eene scheuring in deze of geene Protestantsche Kerk, enkele malen gaf het daartoe in de daad aanleiding. Te

|18|

betreuren was het veelal, dat bij zoodanige verschillen de Christelijke liefde uit het oog verloren werd, want bijna altijd gingen dezelve vergezeld van luide klagten over verval van Kerk en van Geloof, klagten, welker ongegrondheid of overdrevenheid, bij het bedaren der opgewekte driften, als van zelve in het oog viel. De aanleiding tot sommige dier verschillen was wel eens van geringe beteekenis, en de enkele kennis aan eenige der geschilpunten was genoegzaam om te doen zien, dat geen bederf in de Kerk of de Leer, hoezeer telkens daarbij op den voorgrond geplaatst, aan het ontstaan dier verschillen het geringste deel had.

Er was eene andere, eene dieper liggende oorzaak, waaruit onder de leden van dezelfde gezindheid, eenig verschil omtrent onderscheiden punten natuurlijk voort-vloeijen moest. Het Protestantismus zelve was alleen de vrije en redelijke ontwikkeling van den geest des Christendoms, en het hoofdbeginsel der hervorming zelf gaf zoo wel vrijheid als aanleiding tot een zoodanig verschil. Dat hoofdbeginsel toch was, de erkenning van de Heilige Schrift als de eenige bron van waarheid, en de erkentenis van een ieders regt en verpligting tot eigen vrij onderzoek der Heilige Schrift, en tot verwerping van alles wat men met deze onbestaanbaar vinden zou.

Hoe heilzaam de strekking, hoe onbetwistbaar de waarheid van dit grondbeginsel ook zij, verschil van inzigten en uitleggingen omtrent enkele punten, was daarvan onafscheidbaar. Dit noodzakelijke gevolg van het beginsel der hervorming openbaarde zich al ras, zelfs bij de eerste hervormers; — het heeft zich sedert in iedere Protestantsche gezindheid vertoond, en ook de Hervormde Kerk is daarvan niet bevrijd gebleven en kon zulks ook niet.

Hoe hoog de verdeeldheid in het laatst der 16 en het begin der 17 eeuw gestegen is, dat en hoe er toen eene

|19|

werkelijke scheuring heeft plaats gehad, is te bekend om dit te herhalen, en even bekend is het, dat het doel der Dordrechtsche Sijnode, om de éénheid in de Nederlandsche Kerk voor het vervolg te bewaren, nimmer geheel is geslaagd.

Ook na de Sijnode van Dordrecht, bleven er in den boezem der Hervormde kerk twee partijen bestaan, van min of meer strenge beginselen; — ook tusschen de Coccejaansche en Voetiaansche partijen, nam die verdeeldheid wel eens eenen dreigenden aard aan, en wederzijdsche klagten over en beschuldigingen van onregtzinnigheid en van verval in de Leer, werden ook toen maar al te zeer en te menigvuldig gehoord.

Doch ook zonder van die meer algemeene verdeeldheden te gewagen, welke zich over Hoogleeraren, Predikanten en Gemeenten uitstrekten, waarvan deze het een, gene het andere gevoelen waren toegedaan, waren er nog andere verschillen van meer bijzonderen, meer individuelen aard.

Bijna in iedere gemeente vondt men lieden, wier overdreven strenge begrippen hen soms aan enkele Predikanten als alléén regtzinnig de voorkeur deed geren, soms allen gelijkelijk als onregtzinnig deed verwerpen, en meermalen was eene geheele afzondering daarvan het gevolg. Meermalen vondt het geval plaats, dat soortgelijke lieden zich van alle bijwoning der openbare prediking onthielden, en in de plaats daarvan, zich in bijzondere bijeenkomsten of zoogenaamde oefeningen vergaderden, veelal onder de leiding van geheel onbevoegde personen; en ook in die vergaderingen, hoorde men steeds de bitterste klagten over de onregtzinnigheid der Leeraars en over het verval der Kerk, vaak met de beledigendste aantijgingen tegen ’s lands Hooge Regering op eene ergerlijke wijze vermengd.

Dit gebeurde niet alleen in latere jaren; — ook in die dagen, welke sommigen thans noemen die der echte

|20|

regtzinnigheid bij voorkeur, had ditzelfde plaats, hoorde men men dezelfde klagten aanheffen, en menigvuldige Plakkaten op en tegen oefeningen en Conventiculen leveren daarvan het doorslaandste bewijs.

Zoo als het toen gegaan is, gaat het ook thans, en zal het welligt ook later gaan. Ook thans bestaat er eene afzondering, en worden de hevigste klagten gehoord over het verval der Kerk en der Leer. Maar indien vroeger geen zoodanig verval de oorzaak is geweest van afzondering, maar veeleer iedere afzondering steeds gelegenheid gegeven heeft tot, en vergezeld is geweest van die ongerijmde klagten over het bederf der Godsdienst, dan mag men ook thans gerustelijk aannemen, dat ook nn geen verval der Kerk, maar verschil van gevoelen, de vrucht van het eerste beginsel der Hervorming, de eigenlijke oorzaak der afscheiding is geweest, en moet men het alleen betreuren, zonder zich daarover te kunnen verwonderen, dat ook thans die afscheiding door de vorige bitterheid en overdrevenheid, door dezelfde verregaande beschuldigingen tegen Kerkelijke en Wereldlijke Overheden, wordt gekenmerkt, waarmede elke min of meer algemeene verdeeldheid, steeds is vergezeld geweest.

Schoon deze beschouwingen reeds op zich zelve voldoende zijn, om die hooggaande klagten op hare regte waarde te doen schatten, en het denkbeeld weg te nemen, als of de afscheiding door die oorzaken zoude zijn teweeg gebragt, welke men thans daarvoor opgeeft, neemt zulks echter de gebiedende noodzakelijkheid niet weg, om de waarheid der aangevoerde beschuldigingen nader en opzettelijk ten toets te brengen.

Allerhevigst zijn de aanvallen, welke tegen de geheele Kerk en al wat daarmede in verband staat, zijn gerigt geworden. Moest bij de algemeene beschouwingen omtrent het Nederlandsche Staatsregt, onze Grondwet,

|21|

onze geëerbiedigde Regering reeds aan de bitterste aantijgingen zijn blootgesteld; — in de meer bepaalde beschouwing van de aangelegenheden der Hervormde Kerk, klimt die bitterheid tot eene hoogte, welke den geest met ontroering, het hart met aandoening vervult. Zag men vroeger, in de Grondwet het Palladium onzer vrijheid, in ’s lands Hooge Regering het voorwerp van onzen eerbied en onzer innige liefde, met smart aangerand, thans deinst men onwillekeurig terug bij voorstellingen, waarbij over hetgeen men meest gewoon was te eeren en te achten, de grievendste smaad met volle handen wordt verspreid.

Uwe Leeraars, Nederlanders! die achtingwaardigc mannen, zoo gij meendet, die mannen, wier deugden, wier Christelijke wandel, wier echte Godsvrucht u eerbied inboezemden, die leerredenen, welke u zoo menigmalen den weg des heils verkondigden, u zoo menigmalen in tegenspoed vertroostteden, in voorspoed u tot den Gever van alles goeds verheften, dit alles wordt met eene ongehoorde hevigheid aangerand. Gij hebt gedwaald, Nederlanders! toen gij aan die mannen uwe hoogachting en uw vertrouwen schonkt: het zijn niet meer dan een hoop onchristelijke Neologen of Deïsten. — Gij hebt gedwaald, toen gij door hunne leeringen werd gesticht: het vergif des ongeloofs werd u toegediend; — Gij hebt gedwaald, toen gij met vreugde in uwe Kerkelijke Besturen en Instellingen de waarborgen vondt voor de Christelijke éénheid der Kerk; want die Bestuurders, zij hebben de vernietiging van het Hervormde Geloof ten doel, die Instellingen, zij zijn met uw Geloof onbestaanbaar en in strijd. — Gij hebt eindelijk gedwaald, toen gij met dankbaarheid ontvingt, wat de Regering op uw verlangen had gedaan, toen gij daarin de edele bedoeling zaagt om het welzijn der Kerk te bevorderen;:— overheersching der Kerk, onwettige

|22|

onderdrukking was die bedoeling, misbruik van gezag was daartoe het middel, gewetensdwang en vervolgzucht het eindelijke gevolg.

Bij zoodanige beschuldigingen staat het denkvermogen stil, en als in het duister grijpt men naar de eerste, die zich voordoet, nipt om die te onderzoeken of te wederleggen, neen! om den boezem lucht te verschaften en om die onzinnige aantijgingen aan de algemeene minachting prijs te geven.

Tot u dan, het eerst, achting waardige Leeraars van de heilige Godsdienst, edele rei van mannen, door Godsvrucht, geleerdheid en deugd evenzeer gekenschetst. In het algemeen, tegen velen uwer althans, wordt de beschuldiging gerigt, dat gij de grondwaarheden van het Christendom, de allereerste niet uitgezonderd, hetzij van den kansel, hetzij in uwe geschriften, loochent, of wat nog erger is, dat gij die bedriegelijk ondermijnt; — dat geen Evangelie, of slechts een verminkt en verwaterd, in uwe prediking gevonden wordt, — dat gij uwe duurste, uwe heiligste pligten verzaakt. Vreest niet, dat ik uwe eer beleedigen zal, door u te verdedigen tegen aantijgingen, welke mijne pen weigert neder te schrijven, of dat ik, door menigvuldige verwijzingen op zoo vele parels van uwen stand, wel het ontegensprekelijk bewijs van de onwaarheid dier aantijgingen geven zal, maar tevens voet geven aan het vermoeden, dat er daarvoor ten minste hier of daar grond ware. Neen! algemeen moet ik spreken, niet om uwe beleedigde eer te herstellen, daarvoor bestaat, God dank! geene noodzakelijkheid, maar om het u toe te roepen, dat men in Nederland aan zulke vermetele beschuldigingen niet het allerminste gewigt hecht; — dat die pijlen krachteloos afstuiten, zonder op de borst der Natie slechts de schaduw van eenen indruk achter te laten; — dat die aanvallen smelten als sneeuw voor de zon, bij den eersten blik, welken het

|23|

verlichte Nederlandsche Volk daarop werpt; dat zij door den wind worden weggevoerd als het nuttelooze kaf, dat door den ijverigen landbouwer veracht wordt.

Mijne stem is hier gewisselijk van luttel aanbelang, maar ik waag gewis niet te veel, door aan u in den naam van het geheele Volk de verzekering te geven, dat gij in des-zelfs eerbied en achting evenzeer gevestigd zijt, even hoog verheven staat als te voren; — dat ieder weldenkende in Nederland, met hetzelfde vertrouwen als te voren, uwe lessen, uwe prediking aanhooren, met dezelfde dankbaarheid uw onderrigt, uwe vertroostingen ontvangen en beloonen zal; — dat geen zweem van verdenking jegens uw heilig ambt in eenige regtgeaarde borst zal ontkiemen, veelmin. wortel schieten en opgroeijen; — en mogt dit alles niet genoeg zijn om het smartelijk gevoel weg te nemen, hetwelk deze onverdiende smaad in uw hart mogt hebben ingedrukt, dat dan toch die smart moge gelenigd worden door de ondervinding, dat grievende miskenning en liefdelooze yeroordeeling, bij alle weldenkenden door verdubbelde deelneming wordt vergoed.

En gij, mijne Landgenooten, in wier naam ik mij veroorloofd heb deze verzekering te geven, vergeeft mij indien ik mij hierin te veel mogt hebben aangematigd; — alleen de volle overtuiging, dat ik de gevoelens uitdrukte van de overgroote meerderheid uwer, heeft mij hiertoe kunnen bewegen. Mogt er onder u, het getal is gewisselijk klein, iemand gevonden worden, die aan eenen staat van verval in de Kerk, in de Leer, in de prediking, een ligtvaardig geloof mogt slaan, daarbij geleid het zij door hoogmoed, om zich te kunnen beroemen aan dat algemeen verderf alléén te zijn ontsnapt, hetzij door eene echt Christelijke nederigheid, en een welligt al te levendig besef zijner eigene onvolmaaktheid, hij wende gerust de oogen in het rood, hij proeve en toetse alles: zijne

|24|

ondervinding zal voor den hoogmoedigen beschamend, voor nederigen bemoedigend zijn.

——

Niet alleen de bijzondere leden van den achtingwaardigen Leeraarsstand, ook de Kerkelijke vergaderingen, en vooral de Synode worden met dezelfde bitterheid, en levens met dezelfde ongerijmdheid, aangerand. Ook hier zoude gewis alle wederlegging van onzinnige beschuldigingen overtollig, alle verdediging daartegen vernederend zijn. Het gevoel van hoogachting jegens eiken Leeranr in het bijzonder, kan zich niet verloochenen, waar het de uitgelezenen geldt, uit het midden van dien stand verkozen, om uit aller naam de aangelegenheden der Kerk te regelen, derzelver belangen te behartigen en voor te staan. Vrijheid heeft zeker de Protestant, om, zelfs van zoodanige hoogst achtbare en eerwaardige vergadering, van gevoelen te verschillen, schoon ook dit, bij zulk eene verzameling van door voortreffelijke kunde en rijpe ervaring, uitstekende mannen, niet ligtvaardiglijk; — om jegens hen aan eene verdenking van snoode bedoelingen voet te geven, om tegen hen beschuldigingen te durven uiten van dien aard als er thans echter worden aangevoerd, is niet, is nooit geoorloofd, is onregtvaardig, ja meer dan dit, het is liefdeloos en onbetamelijk.

Maar wat is het het dan nu in de daad, hetgeen tot al deze vinnigheid en bitterheid jegens de Synode aanleiding gegeven heeft? men zoude gewis in verzoeking geraken om te denken, dat eene aaneenschakeling van handelingen, alle listiglijk toegelegd op het verderf van het Hervormde Geloof, en om aan hetzelve tot aan de grond trekken van het Christendom te ontnemen, aan zoodanige beschuldigingen ten grondslag moest hebben gestrekt. En echter, wanneer men alles naauwkeurig onderzoekt, wanneer men

|25|

ter zijde stelt die algemeene, zoo gemakkelijke, maar tevens zoo onbewezene beschuldiging van gevaarlijke strekkingen bedoeling (wat men met eene aanklagt van dien aard, met eene aanklagt van tendance, niet al kan uitrigten, hebben onze naburen geleerd), in één woord, wanneer men de kern ontbloot van de ruwe en bittere schil, waarin die is gewikkeld, dan vindt men hoegenaamd niets anders ten laste der Synode aangevoerd, dan de verandering door dezelve gebragt in het Formulier der verklaring, door de Kandidaten voor de Heilige dienst, bij hunne toelating tot het Predikambt, te onderteekenen.

Dat is het eenige punt, waarop het aankomt, het eenige, dat tot het geheele geschrift van den Heer Groen en de daarin voorkomende opeenstapeling van beschuldigingen aanleiding gegeven heeft, alléén om die verandering wordt de Synode aangerand, alléén om die verandering als verderfelijk te kunnen schilderen, worden de Predikanten en hunne leeringen gehoond; alléén daarom worden de Kerkelijke Instellingen en de handelingen der Regering aangevallen; — men wil die verandering door alle middelen als onwettig doen voorkomen; dit en niets anders is het, wat men bedoelt.

Dat ik, na al hetgeen er omtrent deze verandering in het Formulier van onderteekening is gezegd, geschreven en gedrukt, nadat de bekwaamste en door hunne kennis van den loop der zaken daartoe meest bevoegde mannen, dit onderwerp in het helderste licht hebben geplaatst, deze stof op nieuw in den grond zoude behandelen, zal gewis niemand van mij verwachten, en is ook zeer verre van mijne bedoeling. Een kort verslag echter van hetgeen deze zaak betreft, meen ik mij te mogen veroorloven, en zal ook, dewijl dit punt, door den Heer Groen zoodanig op den. voorgrond wordt geplaatst, wel niet geheel overtollig of aan mijn werk al te vreemd worden geacht. Verschil van gevoelens omtrent sommige punten lag,

|26|

gelijk hierboven reeds is aangemerkt, in den aard van het Protestantismus; de vrije ontwikkeling van den geest des Christendoms, de onderscheidene begrippen omtrent de uitlegging des Bijbels, gaven daartoe noodwendig aanleiding. Bij een dieper indringen in die waarheid zoude gewis een ontstaand verschil van gevoelen omtrent deze of gene punten, nimmer scheuring, veelmin eene vijandige houding tegen eikanderen hebben kunnen te weeg brengen, dan daartoe was welligt, in den aanvang der Hervorming, de geest der eeuw niet volkomen genoeg van bekrompenheid en onverdraagzaamheid vrij, en eene scheuring tusschen de Lutherschen en Hervormden ontstond weldra.

Ook in de Hervormde Kerk ontstond er verschil van gevoelen, tusschen de navolgers van Kalvyn en van Zwinglius, meestal echter omtrent ondergeschikte punten, zoodat er aanvankelijk geene vrees voor scheuring bestond en zelfs de aangenomen Lithurgische schriften hij beiden gebruikt konden worden.

Na het treffen echter van het twaalfjarig bestand, ontbrandde het twistvuur met meerdere hevigheid, eene scheuring werd onvermijdelijk, en in de Dordsche Synode werd de zege van de aanhangers van Kalvijn over die van Zwinglius beslist.

Die Synode oordeelde geen beter middel te kunnen kiezen, om haar gevoelen ook voor het vervolg te bevestigen en te verzekeren, dan door het vaststellen eener verklaring voor alle Predikanten, welke alle afwijking onmogelijk scheen te maken:

Dezelve luidde aldus:

„Wij ondergeschreven, bedienaren des Goddelijken woords, ressorterende onder de Classis van . . . . . verklaren opregtelijk en in goede conscientie voor den Heere, met onze onderteekening, dat wij van harte gevoelen en gelonven, dat alle de artikelen en stukken der leer, in de belijdenis en kathechismus der Gereformeerde 

|27|

Nederlandsche Kerken begrepen, mitsgaders de verklaring over eenige punten der voorzeide leer in de Nationale Synodus anno 1619 tot Dordrecht gedaan, in alles met Gods woord overeenkomen: belooven, derhalve, dat wij de voorzeide leer naarstiglijk zullen leeren, en getrouwelijk voorstaan, zonder iet legen dezelve leer, ’t zij openlijk of heimelijk, directelijk of indirectelijk te leeren of te schrijven; gelijk ook, dat wij niet alleen alle dwalingen tegen deze leer strijdende, en met name ook die in de voorzegde Synodus zijn veroordeeld, verwerpen, maar, dat wij ook genegen zijn, dezelve te wederleggen, tegen te spreken en allen arbeid aan te wenden, om dezelve uit de kerken te weeren. En indien het zoude mogen gebeuren, dat wij na dezen eenig bedenken of ander gevoelen tegen deze leer kregen, belooven wij, dat wij hetzelve, noch openlijk noch heimelijk zullen voorstellen, leeren of verdedigen, met prediken of schrijven; dat wij hetzelve alvorens den Kerkeraad, Classis en Synode zullen openbaren, om daar geëxamineerd te worden; bereid zijnde ’t aller tijd ons het oordeel des Kerkeraads, Classis of Synode gewilliglijk te onderwerpen; op poene dat wij, hier tegen doende, met der daad van onze diensten gesuspendeerd zullen zijn. En indien de Kerkeraad, Classis of Synodus te eeniger tijd om gewigtige redenen van nadenken, om te behouden de eenigheid en zuiverheid der leere, goedvond van ons te eischen, nadere verklaring van ons gevoelen over eenigen artikel dezer belijdenis, van den Katechismus of verklaring der Nationale Synode, zoo belooven wij ook mits dezen, dat wij te aller tijd daartoe zullen willig en bereid zijn, op poene als boven, behoudens nog thans het regt van appel, ingeval wij misschien door sententie des Kerkeraads, der Classis of Synode meenden bezwaard te zijn: gedurende welken tijd van Appel, wij ons met de uitspraak en het oordeel van het Provinciaal Synode zullen te vrede houden.”

|28|

De onderteekening dezer verklaring werd algemeen ingevoerd (met uitzondering van Vriesland, waar men dezelve even weinig aannam als de Dordsche kerkregels), maar het voorgestelde doel word daarom niet bereikt.

Het twisten over allerhande punten hield niet op, en werp zelfs door toenemende scherpheid gekenmerkt. Het wapen der verkettering werd, ook in min beduidende taken, gretig aangegrepen, en naarmate men in een of ander Synodaal Gewest nieuwe ketterijen waande te bespeuren, werd de strenge Dordsche verklaring aangevuld met de afkeuring van die, zoo men zeide, onregtzinnige leeringen, zoo als dit onder anderen in de twisten met Becker en Roell het geval was.

Het behoeft geen beloog, dat de aard dar oorspronkelijke verklaring daardoor eene geheele verandering onderging, en dat men gewoon werd dezelve te beschouwen, als eene verzameling van veroordeelingen van bijzondere gevoelens, waarvan de meesten na verloop van eenigen tijd alras bijna geheel in vergetelheid waren geraakt.

Toen nu de vorige scherpheid van lieverlede door eenen milderen geest vervangen was, en vooral tegen het midden der achttiende eeuw die geest meer veld gewonnen had en de oude twisten voor een groot gedeelte waren vergeten, hield wel de onderteekening van het Formulier stand, maar was het niet te verwonderen, dat dezelve langzamerhand als eene bloote formaliteit werd beschouwd, alleen bedoelende eene verklaring omtrent punten van verschil, waaromtrent niemand zich meer bekommerde; — en het is eene daadzaak, dat vele Predikanten hunnen naam in het boek teekenende, niet eens bekend werden met de verklaringen, welke boven aan de groote naamlijst geplaatst waren, of ook die verklaring onderteekenden in de overtuiging, dat men zich daarmede niet zoo zeer aan de letter, als aan den geest der Formulieren verbond.

|29|

Deze uitkomst was onvermijdelijk, daar alleen bij het geloof aan kerkelijke onfeilbaarheid en eene overheerschende hiërarchie, die onveranderlijkheid in alle punten, kon gehandhaafd worden, welke de nakomelingen dwingt, te denken zoo als het voorgeslacht dacht, en waardoor de Christelijke Godsdienst, die Godsdienst vol leven en vrijheid, als ’t ware tot een versteend beeld wordt vernederd.

In alle Protestantsche Kerkgenootschappen, ontwaarde men dan ook hetzelfde verschijnsel, dat omtrent vroeger bestaan hebbende verschilpunten, geheel anders dan voormaals werd gedacht. Bij toenemende uitleg- en geschiedkundige kennis, leerde men de punten van verschil uit een ander oogpunt beschouwen, en aan de begrippen, die de Protestanten verdeelden, minder gewigt hechten, en de gevoelens omtrent verscheidene punten, bij Lutherschen en Doopsgezinden, zoowel als bij Hervormden, gaven daarvan het bewijs.

Zóó was het toen de omwenteling van 1795 de aloude Staats-inrigting der Vereenigde Nederlanden vernietigde, en alle banden tusschen Kerk en Staat verbrak, waardoor het oude Formulier, welks kracht vooral gelegen was in de Sanctie van den Souverein, noch dieper daalde in de opinie omtrent deszelfs verbindende kracht, en met de geheele Kerkelijke inrigting, die van den Politiek en toestand des Lands onafscheidelijk was, tot eene bloote schaduw verviel. Een blijk hiervan en tevens van de veranderde denkwijze, levert onder anderen het Kerkelijk Wetboek van Friesland, van den jare 1806, waar men in plaats van het oude onderteekenings formulier, in Artikel 11 het volgende vindt: „Het examen volbragt zijnde, zullen de Candidandi tot Kandidaten geëxamineerd zijnde, den Heidelbergschen Catechismus en de Nederlandsche Geloofsbelijdenis onderteekenen, ten bewijze, dat zij de wezentlijke

|30|

stukken van ons Hervormd genootschap toestemmen.

Het verdient intusschen opmerking, dat ook nadat de Provinciale Synoden hadden opgehouden te bestaan en het Kerkelijk bestuur alle klem had verloren, de voorbeelden, dat Hervormde Predikanten van de verkregene vrijheid misbruik maakten, hoogst zeldzaam waren. De neologie, of het met den Christelijken naam pronkende Deïsmus, ’t welk in andere landen de overhand nam, vondt bij ons geen ingang. Het bleek, dat niet in Formulieren en onderteekeningen, maar in den geest zelve der Leeraars, door en naar den Bijbel gevormd, de beste waarborg was gelegen voor de ware regtzinnigheid. In Leerredenen en geschriften werden, toen zoo als te voren, de hoofdwaarheden van het Evangelie getrouw verdedigd, en bediende men zich van de Christelijke vrijheid alleen, wanneer het de leeringen gold, waarmede menschelijke scherpzinnigheid het onderwijs van Jezus en de Apostelen had vermeerderd of uitgelegd.

In deze omstandigheden, na de wedergeboorte van den Nederlandscben staat 1) en de invoering eener geregelde Kerk-Orde, vergaderde de algemeene Synode, om de bijzondere Reglementen te ontwerpen, noodig, ten einde de nieuwe Organisatie in werking te brengen. Onder deze behoorde ook het Reglement op het examen en de toelating tot het Leeraarambt, waarbij de vraag voorkwam omtrent de verklaring, welke men van de Kandidaten zoude vorderen.

In die Kerkvergadering waren mannen tegenwoordig, wier regtzinnigheid ook door de strengste voorstanders van het oude nooit is verdacht geworden, en nogtans was er niemand hunner, die het niet ongerijmd achtte, het herstel en de handhaving te verlangen van het Dordsche


1) Hoe en waarom de invoering eener nieuwe Kerk-orde noodzakelijk geworden was en geschied is, zullen wij in de volgende § zien.

|31|

Verklarings-formulier, waaraan sints lang geene waarde meer gehecht werd, hetwelk in strijd was met de gevestigde denkwijze, en dat althans door de Friesche Predikanten, die zoodanigen band niet kenden, nimmer zoude zijn goedgekeurd.

Het Friesche Formulier over te nemen, werd daarentegen ontraden door de consideratie, dat daaruit eene verwerping van de geheele Dordsche Synode had kunnen afgeleid worden.

Na de overweging van een en ander besloot eindelijk de Synode met eenparigheid tot de vaststelling van een Formulier, hetwelk aan de eene zijde de Hervormde Kerk kenmerkte, en aan den anderen kant de Protestantsche vrijheid handhaafde, door naar den Bijbel als den eenigen grond des Geloofs te verwijzen. Er werd bepaald, dat de Kandidaten zouden verklaren: „Dat zij de leer, welke, OVEREENKOMSTIG GODS HEILIG WOORD, in de aangenomene formulieren van eenigheid der Hervormde Kerk is vervat, ter goeder trouw aannemen en hartelijk gelooven, en dat zij dezelve naarstig zullen leeren en handhaven.”

Dit is dan het Formulier van Onderteekening, hetwelk later met zoo veel verbittering is aangevallen, deze is de wijze, waarop de Synode tot de aanmerking van een nieuw Formulier gekomen is. Na dit eenvoudig geschiedkundig verslag van den loop der zaken behoeft het geen nader betoog, dat de Synode hierin geheel binnen den kring van hare wettige bemoeijingen gebleven is.

Het oude Formulier was bijna vergoten, hot bestond sints lang slechts in naam. De Synode had derhalve niet alleen het regt, maar zij was verpligt, om voor de instelling van een nieuw Formulier te zorgen, want anders ware er in het geheel geen geldend Formulier geweest. Ook dan, wanneer de Synode niets omtrent het Formulier van Onderteekening had bepaald, zoude toch het Oude Formulier zonder kracht geweest en gebleven zijn, en zelfs

|32|

wanneer men aan het oude Formulier de voorkeur had willen toekennen, zoude het noodzakelijk zijn geweest, dat hetzelve uitdrukkelijk werd hersteld en weder levend, gemaakt.

De bevoegdheid van de Sijnode, om een nieuw Formulier van onderteekening aan te nemen, kan derhalve niet worden betwijfeld. Nader aan te toonen en opzettelijk te bewijzen, dat het nieuwe Formulier geenszins met de Hervormde Kerkleer strijdig is, zoude vallen buiten den kring van dit werk en van mijne kennis. Genoeg is het te dien opzigte aan te merken, dat het Formulier niet inhoudt of inhouden kon eene verklaring, dat de kandidaten alles wat in de Formulieren voorkomt; met Gods woord overeenkomstig achten; — dan zoude de Sijnode zich de beslissing over de volkomene overeenkomst van dat alles met Gods woord hebben aangematigd, en daartoe was zij onbevoegd; — maar dat die kerkvergadering, zoo door dit voorschrift als door alle andere verordeningen den geest en het wezen der Hervormde Kerk heeft willen handhaven, blijkt bij uitnemendheid door de verordening volgens welke, door de Leeraars, in vereeniging met de geheele Gemeente, vóór elke viering van het Heilig Avondmaal, eene plegtige geloofsverklaring moet worden afgelegd, welke de Separatisten wel verwerpen, maar welker reine Evangelische waarheid en overeenstemming met de leer der Hervormde Kerk in hare wezenlijke grondtrekken, boven allen twijfel verheven is; — en dat de Sijnode, in de gegevene omstandigheden, welligt den eenigen weg is ingeslagen, waardoor het wezen der Hervormde Kerk en de ware eenheid des geloofs kon bewaard worden, zonder het vrije onderzoek en dus het beginsel der Hervorming zelve te vernietigen, is reeds door de bekwaamste mannen aangetoond, en zal, zoo ik vermeene, door iederen onbevooroordeelden worden toegestemd.

|33|

Een paar aanmerkingen moet ik hier nog bijvoegen, omtrent de aanleiding, welke de Sijnode tot de afscheiding zonde hebben gegeven, omdat ook daaromtrent de geschiedkundige waarheid uit het oog verloren is. De loop der afscheiding was, volgens den Heer Groen, de volgende: Er ontstond gebrek aan zielevoedsel, daarover werd geklaagd, doch die klagten werden niet gehoord; — het wantrouwen ten aanzien der formulieren opgewekt zijnde, vroeg men bescheidenlijk om verklaring, dan ook deze vraag bleef onbeantwoord: — toen zegt men, gaven sommigen den moed op en scheidden zich af.

Men ziet, dat het een noodzakelijk bestanddeel van deze voorstelling is, dat er aan de Sijnode vertoogen moesten zijn gedaan, vóór men tot de afscheiding kwam. Ware dit niet gebeurd, had men niet eerst den weg der overreding beproefd, dan sprak het van zelf, dat de afscheiding onberaden en overijld was. En echter, wien moet deze onnaauwkenrigheid niet verbazen! Nooit beeft de Sijnode eenig adres ontvangen, houdende klagten, dat er geene gelegenheid meer bestond, om voldoening te erlangen voor het gevoel van behoefte aan Godsdienstige waarheid. De Separatistische woelingen zijn geenszins niet zoodanige klagten aangevangen. Niet voor in den zomer van den jare 1834, nadat het vonnis der afzetting van den Predikant de Cock reeds door het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen was geslagen, en nadat er in Groningen en Drenthe reeds aanmerkelijke beroeringen hadden plaats gevonden, zijn er adressen aan de Sijnode gerigt, en het was er zoo verre van af, dat die op eenen bescheidenen toon zouden zijn gesteld geweest, dat de Sijnode juist uit hoofde van derzelver „ongepasten inhoud, als rustende gezamenlijk op onbewezene beschuldigingen en voor het grootste gedeelte, volgens de in dezelve uitgedrukte bedoeling, leidende tot het stichten van

|34|

wanorde en schade in de Hervormde Kerk, geoordeeld heeft, die niet te mogen aannemen, maar die te moeten seponeren.”

Niet beter is het gesteld met de naauwkeurigheid der voorstelling, als of het adres der Groningsche Predikanten aan de Sijnode, almede de afscheiding ware voorafgegaan.

Eerst in 1835 is dat adres ingediend, en het is aan iedereen bekend, dat reeds in 1834 de Separatistische woelingen aanvang genomen hebben, dat zij in 1835 hare volle hoogte reeds hadden bereikt.

Is door al hetgeen ik ten aanzien van de Predikanten en de Sijnode heb gezegd, de onwaarheid reeds gebleken, de volslagene ongegrondheid gestaafd van de klagten over het verval en de verslapping in het Geloof; — dan is het daarenboven nog eene tastbare ongerijmdheid, wanneer men daarin de oorzaken en de aanleiding der afscheiding vinden wil.

Ten einde dit ten duidelijkste te doen zien, is het genoeg eenen blik te slaan op de afgescheidenen zelf. Algemeen bekend is het, en de Heer Groen zelf moet het toegeven, hoe het met hun geschapen is. Bijna zonder uitzondering tot de lagere volksklasse behoorende, is alle wetenschappelijke opleiding aan het gros van hun ten eenemale vreemd; — tot het enkele bevatten reeds van eenigzins ingewikkelde verschilpunten, laat staan tot het redeneren daarover en het beoordeelen daarvan, zijn zij over het algemeen buiten staat; — en wanneer men hen ook van de gunstigste zijde moest beschouwen, dan zoude men aan hun wel Godsdienstig gevoel kunnen toekennen, maar gewis niet die Godsdienstige kennis, die Godsdienstige verlichting, zonder welke alle oordeel over de regtzinnigheid eener Predikatie, alle beslissing over de wettigheid of onwettigheid eener Sijnodale handeling onmogelijk en ongerijmd is 1).


1) Ex uno discite omnes. Bij een zeer achtingwaardig rustend ➝

|35|

En deze lieden zijn het dan, op welke de opgegevene oorzaken bij uitsluiting zouden hebben gewerkt. Te Ulrum en te Genderen zoude men het eerst een algemeen verval in de leer der Nederlandsche Predikanten hebben opgemerkt; — daar zoude men het eerst de Synodale handelingen naauwkenrig hebben nagegaan, derzelver wettigheid getoetst en beoordeeld; daar zoude men eindelijk het eerst opgeklommen zijn tot den aard der Kerkelijke instellingen, en tot de bevoegdheid der Regering, om die te arresteren en in te voeren; — voorwaar, om zoo iets te kunnen gelooven, om zoo iets ter neder te schrijven, moet men wel geheel en al door vooringenomenheid en partijdigheid bezield en verblind zijn.

Wat ten aanzien van Ulrum en Genderen waar was, is ook waar ten opzigte van de overige afgescheidenen, op welke plaatsen zij zich ook hebben vertoond, en het is het toppunt van ongerijmdheid, te vooronderstellen, dat deze lieden, wier onkunde men zelf erkent, tot hunne afscheiding bewogen zijn door redenen, door oorzaken, welke gewis niet eenmaal ter kennisse van den grooten hoop der afgescheidenen zijn gekomen, en tot welker beoordeeling bijna niemand onder hen slechts van verre in staat was.

Ook de uitkomst heeft het geleerd, hoe ver deze voordragt van de oorzaken der afscheiding van de waarheid verwijderd is. Gehechtheid aan de oude Formulieren zoude hunne drijfveer zijn geweest; — maar zij hebben zelf de


➝ Predikant van erkende regt zinnigheid vervoegden zich onlangs eenige leden der Gemeente, zelfs van den kerkenraad, zijner tegenwoordige woonplaats, luid klagende over de afwijkingen van hunnen Leeraar, zoo als zij het noemden, van het ware Geloof. De vrome man vroeg hun, waarin die afwijkingen bestonden? — hij herhaalde die vraag; — beschaamd zwegen zij stil; — alle antwoord bleven zij schuldig; — maar zij gingen heen en scheidden zich af, altijd omdat hun Leeraar van het ware Geloof afgeweken was. Voor de waarheid dezer daadzaak sla ik in. De personen zijn alle aan mij bekend.

|36|

Formulieren door de Dordsche Synode opgesteld, veranderd on verminkt; — tot de vorige Kerk-ordening zouden zij hebben willen terugkeeren; — maar zij hebben ook die naar hunne willekeur omgekeerd 1); handhaving van het echte


1) Wat men te denken hebbe van hunne onveranderlijke gehechtheid aan de Dordsche Synode en de Dordsche Kerken-orde, kan men zien in een adres, onlangs aan Zijne Majesteit aangeboden door de Cock en de zoogenaamde Opzieners in Vriesland, Groningen en Drenthe, waarin zij verklaren: dat zij ook wel genegen zijn zich te schikken naar de vroegere Synoden te Emden en Wesel gehouden! Hoeveel de afgescheidenen van de instellingen der Dordtsche Synode zijn afgeweken, wordt van punt tot punt aangetoond in eene te Amsterdam bij Brave gedrukte brochure, getiteld: de Verordeningen der hedendaagsche Separatisten getoetst aan onze oude Kerkelijke Instellingen, en bijzonder aan de Dordsche Synode.
Allerbijzonderst verdient daarin de opmerking, dat de Afgescheidenen zelf in het oude Formulier verandering hebben gebragt.
Volgens de in druk uitgegevene handelingen van de (zoogenaamde) opzieners der gemeente Jesu Christi, vergaderd te Amsterdam, den 2 Maart en volgende dagen A°. 1836, wordt door hen uit het oude Formulier weggelaten het geheele volgende gedeelte: „gelijk ook, dat wij niet alleen alle dwalingen, tegen deze leer strijdende, en met name ook die in de voorzegde Synodus zijn veroordeeld, verwerpen; maar dat wij ook genegen zijn, dezelve te wederleggen, tegen te spreken en allen arbeid aan te wenden, om dezelve uit de kerken te weeren. En indien het zoude mogen gebeuren, dat wij na dezen eenig bedenken of ander gevoelen tegen deze leer kregen, beloven wij, dat wij hetzelve noch openlijk noch heimelijk zullen voorstellen, leeren of verdedigen met prediken afschrijven: dat wij hetzelve alvorens den Kerkeraad, Classis en Synode zullen openbaren, om daar geëxamineerd te worden: bereid zijnde ’t allertijd ons het oordeel des Kerkeraads, Classis of Synode gewilliglijk te onderwerpen, op poene, dat wij, hiertegen doende, met der daad van onze diensten gesuspendeerd zullen zijn. En indien de Kerkeraad, Classis of Synode te eeniger tijd om gewigtige redenen van nadenken, om te behouden de eenigheid en zuiverheid der leere, goedvond van ons te eisenen nadere verklaring van ons gevoelen over eenigen Artikel dezer belijdenis, van den Katechismus of de verklaring der nationale Synode, zoo beloven wij ook mits dezen, dat wij ten allen tijde daartoe zullen willig en bereid zijn, op poene als boven; behoudens nogtans het regt van appel, ingeval wij misschien door de sententie des Kerkeraads, der Classis ➝

|37|

Hervormde Geloof was hunne eenige bedoeling — helaas! eene treurige ondervinding leert het tegendeel maar al te zeer. Liever had ik van dit onderwerp gezwegen, maar het is toch eindelijk tijd om eens ronduit te zeggen, hoe het met de Godsdienstige begrippen der afgescheidenen gesteld is, te lang heeft men met toegevendheid de waarheid bedekt. Wie de personen der afgescheidenen zijn is bekend. Bijna in iedere gemeente bestonden er, gelijk er, zoo als ik straks zeide, altijd bestaan hebben, eenige lieden, wier zoogenaamde gestrenge begrippen, hen afkeerig deed zijn van de openbare prediking, waarvan velen hunner zich dan ook voor lang hadden afgezonderd en onthouden. Dat deze menschen veelal met hardnekkigheid gehecht waren aan de zonderlingste begrippen, veelal de duisterste onderwerpen betreffende; — dat alle welgemeende pogingen van regtschapene Leeraars, om hen van hunne dwaalbegrippen af te brengen, steeds vruchteloos waren, weet een ieder; — niemand zal er schier zijn, die niet zoodanige voorbeelden in zijnen eigenen kring vinden en aanwijzen kan. Toen nu de vaan der openlijke afscheiding te Ulrum en te Genderen opgestoken werd, waren het deze lieden, toch reeds van de Hervormde Kerk afgezonderd, die zich alom en gretiglijk daarmede vereenigden, en hierdoor laat het zich zeer gemakkelijk verklaren, hoe de afscheiding op eens en als met eenen slag, tot eene zekere hoogte komen kon, terwijl, na dien eersten stap, in plaats van meerdere uitbreiding, alom


➝ of Synode meenden bezwaard te zijn: gedurende wellen tijd van appel, wij ons met de uitspraak en het oordeel van het Provinciaal Synode zullen te vrede houden.” en daarvoor wordt in de plaats gesteld het volgende: „dat wij in alle onze onderhandelingen het welzijn der Kerk naar ons vermogen zullen voorstaan en bevorderen, en alles doen, wat de Koning der Kerk onze hand zal doen vinden; biddende den Heere, dat hij ons uit genade in alles zijnen Heiligen Geest zal gelieven te schenken, tot verheerlijking van Zijnen naam, die te prijzen is in der eeuwigheid. Amen.”

|38|

eerder vermindering en verflaauwing waargenomen werd.

Thans van de Hervormde Kerk afgescheiden, en aan hunne eigene zonderlinge begrippen overgelaten, waren daarvan bij die lieden de droevige gevolgen maar al te ras en te algemeen zigtbaar. Reeds bij den aanvang kwamen er veelvuldige voorbeelden tot mijne kennis van de ergerlijke dwaasheden, waartoe de geestdrijverij der afgescheidenen aanleiding gaf. Men noemde dit destijds uitzonderingen, die niets bewezen, en ik heb dat niet betwist. Integendeel, lang heb ik mij verdedigd tegen het denkbeeld, dat het alom, dat het algemeen zoo gesteld was, tot dat eindelijk eene gedurige en gestadige ondervinding mij daarvan, mijns ondanks, de bedroevende overtuiging gegeven heeft. Vele gelegenheid heb ik gehad om dienaangaande inlichtingen in te winnen, met vele der achtingwaardigste, der bekwaamste en onbevooroordeeldste mannen van allerlei rang en stand, uit verschillende oorden van ons Vaderland, heb ik mij daarover onderhouden, en nagevorscht hoe het bij hun gesteld was; — altijd, en van overal kreeg ik hetzelfde antwoord.

Eene wanhebbelijke geestdrijverij, een geloof aan dagelijksche verschijningen, gezigten, ingevingen, de toepassing daarvan, zelfs bij gewone voorvallen van het huisselijk leven, dit alles was overal bij de afgescheidenen aan de orde van den dag; — dat waren hunne zoogenoemde gestrenge begrippen, dat was het verschil tusschen hen en de Hervormde Kerk.

Op eenige plaatsen was het reeds zoo ver gekomen, dat men de eigenlijke auteurs der afscheiding reeds achter zich gelaten had, en dat aan de zoogenaamde geïnspireerde predikatien van daglooners en wevers, de voorkeur gegeven werd boven alle andere Godsdienstige leering, ook dan wanneer die in den geest der afgescheidenen verkrijgbaar was.

|39|

Honderde van voorbeelden der erbarmelijkste dwaasheden zijn mij medegedeeld, en men zoude, wanneer ik die verhaalde, gewis van verbazing de handen in een slaan 1); genoeg zij het, dat ik de waarheid daarvan, bij sommige, waartoe ik de gelegenheid had, heb onderzocht en dat ik die maar al te zeer bevestigd gevonden heb.

Men geloove niet, dat ik deze mijne overtuiging aan anderen zoude willen opdringen, of vorderen, dat men die op mijn woord bundeling zal aannemen: — zoodanige aanmatiging is zeer verre van mij. Ik heb alleen willen waarschouwen, tegen het even blinde geloof aan het zeggen van sommigen, die de afgescheidenen als enkel vrome, eenvoudige, onschuldige Christenen hebben beschreven; — ik heb een ieder willen opwekken, om zelf onderzoek te doen, en daarom heb ik aangewezen, hoe ik zelf ben te werk gegaan en welk resultaat ik verkregen heb. Mogten anderen, mogten velen, dit voorbeeld volgen, gewis zoude dan alle begoocheling ras verdwijnen, en de waarheid ware dan spoedig in hare geheele naaktheid zigtbaar.

Uit dit alles volgt zonneklaar, dat datgene wat men de oorzaken der afscheiding noemt, geene oorzaak van afscheiding geweest is, of heeft kunnen zijn, en ook omtrent de zoogenaamde aanleiding tot de afscheiding geldt hetzelfde, ook daaromtrent spreken de daadzaken sterker dan de vernuftigste redenering.

Geene wanhoep aan herstel van zoogenaamde grieven is hij de eerste afscheiding in aanmerking gekomen. Nergens anders is het met de allereerste afscheiding om te


1) Op grond van een gezigt, waarbij hem was verkondigd, dat menschelijke hulp overtollig was, liet een arbeider zijne vrouw in barensnood aan haar lot over.
Door eene ingeving werd een ander bewogen, zich te begeren naar zekere eenige uren verwijderde plaats, om zelf aldaar één glas water te drinken, wanende dat daardoor het herstel van een zijner zieke huisgenooten zoude worden veroorzaakt.

|40|

doen geweest, dan om aan twee afgezette Predikanten de gelegenheid te verschaffen om verder de predikdienst te blijven waarnemen.

De Predikanten de Cock te Ulrum en Scholten te Genderen, de beide plaatsen waar de afscheiding een begin genomen heeft, zijn door het Kerkelijk Bestuur gesuspendeerd en vervolgens afgezet. Aan deze uitspraak hebben zij geweigerd zich te onderwerpen, en beproefd om even als te voren het leeraar-ambt te blijven waarnemen. Via facti hebben zij dit onderstaan door middelen van geweld, zoodat de tusschenkomst van het Hoog Gezag ter beteugeling is noodzakelijk geweest.

Wat het regt aangaat, moest er een middel worden opgezocht, een voorwendsel uitgedacht, om deze blijkbare wederspannigheid eenigzins te kleuren. Dit viel echter moeijelijk. De Kerkelijke uitspraken waren regelmatig en van de bevoegde kollegien afkomstig; — de bevoegdheid dier kollegien zelf kon niet worden betwist, want die stond in de sints lang geldende Reglementen geschreven; — en die Reglementen zelve, zij waren van het Hoog Bestuur afkomstig, immers door hetzelve bekrachtigd.

In deze verlegenheid lag men de bijl aan den stam, en ontkende stout weg de bevoegdheid der Regering om zoodanige Reglementen te maken, want dan hielden die op eene verbindende kracht te hebben; — was dit het geval, dan verviel ook alle gezag van de Sijnode en andere Kerkelijke Kollegien uit die Reglementen ontleend; — en dan was immers hunne uitspraak fundamenteel nietig; en waren de afgezette Predikanten per se in hunne bediening hersteld, en daarom was het alleen te doen.

Zóó is het gegaan met de eerste tegenspraak tegen de bevoegdheid der Regering, en zóó is het ook gegaan met de afscheiding. Men vertrouwde namelijk niet geheel op de juistheid der redenering, welke men had uitgedacht,

|41|

althans men zag rond naar een middel, om zich, ten minste voor het vervolg, tegen alle Kerkelijke uitspraken te dekken, en om in weerwil van dezelve voort te kunnen varen met de bediening van het Predikambt. Daartoe moest de afscheiding dienstig zijn: kon men niet meer in den boezem der Kerk prediken, wel nu, men zoude het daar buiten doen, men zoude zich afscheiden, want dan hadden noch Kerkelijke Reglementen, noch Kerkbesturen, eenig het minste gezag meer.

Dit is de ware toedragt der zaak. Geene bezwaren over de handelingen der Sijnode in het algemeen, geene bedenkingen tegen de Kerkelijke instellingen, veel min al-gemeene doch onverhoorde klagten over gemis aan zielevoedsel en over de algemeene laauwheid der Predikanten in het geheele Vaderland, (zoodanige klagt zoude van Ulrum en Genderen zijn uitgegaan!) is daarbij in aanmerking gekomen, alléén de zucht om twee leeraars te behouden, die zich op die Gemeenten invloed hadden weten te verwerven, is de éénige, de waarachtige oorzaak geweest van het openlijk tot stand brengen der afscheiding. Later, ja, hebben de afgescheidenen, opmerkzaam gemaakt op den nietigen en onbeduidenden grond hunner scheuring, wel begonnen meer algemeene beschuldigingen en aantijgingen te doen hooren, later hebben zij gretiglijk de redeneringen herhaald, welke men hun gedienstiglijk in den mond heeft gelegd; — maar wat later gebeurd is, kan den aard der eenmaal gevestigde afscheiding niet veranderen, noch te weeg brengen, dat die zoude toe te schrijven zijn aan oorzaken, die niet alleen nimmer hebben bestaan, maar waaromtrent zelfs in der tijd bij de afgescheidenen geen denkbeeld heeft kunnen opkomen of opgekomen is.

——

Hiermede eindig ik mijne beschouwingen over de

|42|

zoogenaamde oorzaken der afscheiding, voor zoo ver dezelve ten laste van de Predikanten en de Sijnode worden gebragt. Ik wensch en vertrouw, dat dezelve zullen kunnen medewerken, om al die hooggestemde klagten over het verval der Kerk en der Leer in hare wezenlijke nietigheid te doen zien; — maar bovenal vertrouw ik, te hebben aangetoond, dat die zoogenaamde redenen, waaraan men de afscheiding toeschrijft, geene redenen van, geene aanleiding tot die afscheiding zijn geweest, noch hebben kunnen zijn, en dat even zoo ver als de roman verschilt van de Geschiedenis, even ver ook de voordragt van de wijze, waarop de afscheiding zou hebben stand gegrepen, verwijderd is van hetgeen er in de daad heeft plaats gehad.

 

§ 2.
Over de voorgewende oorzaken der Afscheiding, met betrekking tot de Handelingen der Regering.

 

Uit de oppervlakkigste beschouwing van hetgeen ten opzigte der gewaande oorzaken van de afscheiding is aangevoerd, blijkt het middagklaar, dat de handelingen der Regering en de aard der tegenwoordige kerkelijke instellingen, met hoeveel scherpheid een en ander ook worden veroordeeld, daarbij slechts in de tweede of derde plaats, slechts als van verre en bij terugkaatsing, in aanmerking komen. Welke moeite men zich ook gegeven hebbe, om door scherpheid van uitdrukking te vergoeden, hetgeen de zaak aan kracht mist, overal straalt het door, dat het alleen is ter gelegenheid van de Sijnodale handelingen, of liever van de quaestie over het Formulier, dat het alleen is om die handelingen te kunnen laken, dat ook de daden der Regering in het spel zijn gemengd. Geen wonder in de daad, dat dit zoo duidelijk in het oog valt. Alle zaken hebben haren tijd, waarop zij kunnen worden

|43|

voorgedragen, eenen tijd waarin het bijna belagchelijk wordt daarop terug te komen; — en voorwaar, nadat er twintig jaren verkropen zijn,. zonder dat er eenige twijfel is geopperd omtrent de wettigheid der nieuwe Kerkelijke Organisatie, of der verpligting om zich daarnaar te gedragen, is zeker het oogenblik niet zeer gunstig gekozen, om aan te vallen, wat men zoo langen tijd althans met stilzwijgende toestemming had goedgekeurd.

Des te meer echter moet men zich verwonderen en bedroeven, ’s Lands geëerbiedigde Regering ook hier wederom aangevallen te zien op eene wijze, die de verwijtingen tegen de kerkelijke personen in bitsheid evenaart, zoo niet overtreft. Dit had althans wel kunnen wegblijven; — waar het enkel om het beginsel te doen is, is de bijgevoegde beschuldiging van heerschzuchtige bedoelingen en van onderdrukking, eene nuttelooze, eene louter gratuite beleediging.

De beschuldiging zullende toelichten, als of de Hooge Regering in 1816 door hare bemoeijingen ten opzigte der Kerkordening, de grenzen van haar gezag zoude zijn te buiten gegaan, is het geenszins mijn voornemen eene wetenschappelijke verhandeling te leveren over de grenzen van het Wereldlijk Gezag in kerkelijke zaken. Zeer veel is daarover geschreven, en wie alles begeert te kennen wat dienaangaande is geredeneerd, moge het in die boeken zelf naslaan.

De grondbeginselen echter van het Protestantsche kerkregt ten opzigte van den Staat zal ik mij veroorloven kortelijk uiteen te zetten, omdat die algemeen zijn erkend en aangenomen, en omdat reeds uit die grondbeginselen met genoegzame naauwkeurigheid volgt welke de regten zijn van den Staat ten opzigte der Kerk. Alleen dit moet ik bierbij nog opmerken, dat de grenzen van het Staatsregt met nog meerdere onbekrompenheid zijn uitgelegd, sedert

|44|

men, bij eene meer nauwkeurige beschouwing, in de Kerk twee deelen heeft begonnen te onderscheiden, het eene betreffende de inwendige Kerk, indien ik mij zoo mag uitdrukken, het geloof en de leer zelve; — het andere betreffende de uitwendige Kerk, de Kerk in hare maatschappelijke betrekkingen, en sedert men heeft begonnen te erkennen, dat eene Godsdienstige Gezindheid uit het laatstgenoemde oogpunt beschouwd, een burgerlijk zedelijk ligchaam, een civiel corpus moralis uitmaakt, hetwelk even als ieder ander Staatsburger, zijne regten bezit, maar ook even als ieder ander burger aan de algemeene wetten van het Staatsregt onderworpen is.

Wat het Protestantsche Kerkregt betreft 1), zoo is hetzelve geheel gebouwd op het beginsel der vrijheid van geweten, en onafhankelijkheid des geloofs van alle menschelijk gezag: — want gelijk daaruit aan den eenen kant volgde, dat in zaken, het geweten of het geloof betreffende, geene magt hoegenaamd, van Geestelijke of Wereldlijke Gezagvoerders mogt tusschen beide treden, zoo volgde daaruit aan den anderen kant ook, dat zulks enkel het geval was niet zaken het geloof rakende, en dat daarentegen alles, waaromtrent door Christus en de Apostelen geene voorschriften waren gegeven, vatbaar was, om op onderscheidene wijzen te worden geregeld, zoodat er, van den kant van het Geloof of de Leer, geen hinderpaal bestond tegen het toekennen van een minder of meerder aanmerkelijk gezag daaromtrent aan de Wereldlijke Regering.

Dit Wereldlijke Gezag had derhalve dezelfde grenzen, waarmede het gezag van den Staat, ook met betrekking tot andere onderwerpen, was beperkt, en bepaalde zich


1) Hetgeen hier door mij omtrent het Protestantsche Kerkregt wordt aangevoerd, is grootendeels overgenomen uit eene zeer belangrijke verhandeling over dat onderwerp, in het 2de Deel 2de Stuk der Bijdragen van de Heeren den Tex en van Hall voorkomende.

|45|

dus in het algemeen tot die regten, welker uitoefening door het belang der Maatschappij volstrektelijk werd gevorderd.

Drie verschillende hoofdpunten waren er, waarbij de maatschappij een onmiskenbaar, een volstrekt belang had, en onder even zoo vele hoofden kan ook het Kerkelijke Staatsregt worden gebragt.

Het eerste dier punten betreft de vestiging van nieuwe en in den Staat nog niet aangenomene Eerediensten. De Maatschappij kan niet onverschillig zijn omtrent de Zedelijke en Godsdienstige beginselen, welke openlijk geleerd worden, en de Souverein heeft uit dien hoofde het regt, om zich te verzekeren, dat de beginselen der nieuwe Gezindheid met de algemeene Zedewet en de Maatschappelijke orde niet strijdig zijn. Ook bij de uitoefening der Eeredienst, den tijd wanneer, de wijze waarop en de personen door wie dezelve zal gevierd worden, heeft de Staat belang, en niet minder om zich te verzekeren, dat in het Bestuur van het nieuwe Kerkgenootschap voor den Staat niets gevaarlijks gelegen is.

Ten gevolge van deze ontegensprekelijke belangen der Maatschappij heeft de Souverein dan het regt, om de vestiging eener nieuwe Eeredienst en de erkenning van een nieuw Kerkgenootschap te weigeren of toe te staan, mitsgaders om, in het laatste geval, wanneer het algemeen belang zulks vorderen mogt, daaraan voorwaarden te verbinden.

Dit regt van erkenning en toelating wordt dan ook algemeen aan den Souverein toegekend, en wordt in het Kerkelijke regt gewoonlijk genoemd met den (evenwel min voegzamen) naam van Jus reformandi.

Het tweede hoofdpunt is gelegen in het noodzakelijke oppertoezigt van den Staat over de bestaande Kerkgenootschappen. Ook daarbij heeft de Staat een onmiddellijk

|46|

belang, en uit dien hoofde houdt de Souverein een wakend oog op Kerkbesturen, Kerkvoogden en Leeraars; weert alle misbruiken van Geestelijk gezag in burgerlijke aangelegenheden; neemt hij kennis van nieuwe verordeningen en beoordeelt die in het belang van den Staat, altijd zich onthoudende van alle inbreuk op de vrijheid van de Godsdienst en het Geloof.

In de derde plaats komt aan den Souverein toe het regt, van oppervoogdijschap over de Kerkelijke goederen. Het belang van den Staat vordert gebiedend, dat aan denzelven gezag worde toegekend over alle bezittingen in de doode hand, zoowel als over alle instellingen van openbaar nut. In beide opzigten moet de Staat dit gezag over Kerkelijke goederen doen gelden.

Daar het belang der Maatschappij, gelijk wij gezien hebben, in alle drie deze hoofdpunten de grondslag is van het regt des Souvereins, volgt daaruit van zelve, dat die regten met meerdere uitgebreidheid moeten worden uitgeoefend, ten aanzien van de Gezindheden, welke van het Gouvernement ondersteuning ontvangen of daarop aanspraak hebben, want ten aanzien van deze heeft de Staat er nog een meer onmiddellijk belang bij, dat zoodanige Gezindheden op goede grondslagen worden gevestigd, en dat zij, gevestigd zijnde, op eene regelmatige wijze worden beheerd en bestuurd.

Deze zijnde regten, welke aan den Staat als zoodanig op eene absolute wijze toekomen, en daarvan zijn alleen twee afwijkingen mogelijk, wanneer er namelijk daarvan uitdrukkelijke uitzonderingen bij het Staatsregt gemaakt zijn.

Zoodanige uitzonderingen kunnen bestaan, of, wanneer een of meer dier regten door de politieke Constitutie, aan den Staat worden ontzegd, gelijk in Noord-Amerika het geval is, en in zekere mate onder de Bataafsche Constitutie

|47|

Van 1798 het geval was; — of wanneer in den Staat eene heerschende Godsdienst wordt erkend; — dan beide die uitzonderingen bestaan niet ten aanzien van het Rijk der Nederlanden, en de gestelde beginselen zijn derhalve hier te lande van volle kracht.

Ons Gouvernement was dus bevoegd en verpligt, omtrent de Protestantsche Kerkgenootschappen te handelen, volgens deze algemeen erkende beginselen van het Protestantsche Kerkregt, en zijn gezag te doen gelden daar, waar zulks door de belangen der Maatschappij uitdrukkelijk werd gevorderd, en dit en niet anders is geschied, gelijk wij straks zullen zien.

Vooraf echter moet ik mij nog eenen blik veroorloven op hetgeen in vroegere tijden heeft plaats gehad, want uit de opgave van den Heer Groen zoude men moeten ge-looven, dat de volslagene onafhankelijkheid der Kerk, waar het op hare Reglementen, op de Kerk-ordeniug aankwam, vroeger nimmer zelfs betwijfeld zoude zijn.

Wat er dienaangaande in andere landen, en sints de eerste vestiging van het Christendom is gebeurd, behoort minder tot ons bestek; — genoeg is het op te merken, dat de Kerkelijke Geschiedenis ontelbare voorbeelden oplevert van de tusschenkomst van het Wereldlijk gezag, en dat, in het bijzonder door de Protestanten, de bevoegdheid der Regering, om in reglementaire zaken tusschen beide te komen, zeer algemeen is erkend.

Ons bepalende tot hetgeen ons de Nederlandsche Geschiedenis dienaangaande oplevert, vinden wij in menigvuldige Plakkaten de stelligste en onwedersprekelijkste bewijzen, dat de Souverein dat regt van tusschenkomst, dat gezag in reglementaire zaken nimmer heeft laten varen, maar hetzelve gestadig en bij ontelbare verschillende gelegenheden heeft gehandhaafd.

Ik zoude de Plakkaatboeken moeten uitschrijven,

|48|

indien ik daarvan de bewijzen wilde opzamelen, maar een paar sprekende blijken mag ik niet voorbijgaan, omdat dezelve eene dadelijke betrekking hebben, bepaaldelijk tot de Kerkordening, het punt waarin men zich thans over misbruik van gezag aan de zijde der Regering beklaagt.

Van de Kerken-orde van 1591, door eene Commissie uit de Staten van Holland en den Hoogen Raad ontworpen, en welke door den Heer Groen als een non plus ultra van misbruik van wereldlijk gezag schijnt te worden beschouwd, zal ik alleen in het voorbijgaan gewagen, omdat die nimmer is ingevoerd, niet omdat die tegenstand ontmoette, maar omdat de Staten die niet hebben aangenomen. Maar ik moet toch aanmerken, dat de rede, waarom eenige leden der Staten daartegen waren gezind, hierin bestond, dat er bij dezelve aan de Kerkdijken te veel gezags gegeven werd, en dat de Kerkelijken zich alleen stieten „aan eenige punten, met name aan een, waarbij aan de overheid eenige kennis over de Kerkelijke tucht en ban werd toegestaan.” Overigens begeerde men wel, dat die Kerken-orde, alvorens te worden ingevoerd, door de Provinciale Synoden zoude worden goedgekeurd 1). Maar de oorsprong derzelve, en mitsdien het regt van het Politiek Gezag om die te arresteren en in te voeren, schijnt ook toen niet te zijn betwist.

Merkwaardig echter is de Resolutie der Staten van Holland, van den 22 December 1615, waarbij de Kerken-orde van 1591 is geinhaereerd, omdat in deze Resolutie niet alleen uitdrukkelijk voorkomt de stelling, dat het maken van Wetten en Ordonnantien in Kerkelijke zaken aan de Hooge Overigheid toekomt, maar die stelling daarbij zelfs nader wordt toegelicht en eenigermate verdedigd.


1) Wagenaar, 8e deel, pag. 363.

|49|

Ik begrijp wel, dat dit door den Heer Groen zal worden gerangschikt onder de „aanmatiging van heerschzuchtige Magistraten,” waarvan hij op bladz. 14 gewaagt, maar wanneer hij daartegen overstelt de bescherming van het Huis van Oranje, dwaalt hij ten eene male, want in de Resolutie van 22 December 1615, beroept men zich uitdrukkelijk op het gevoelen van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Willem den I, en op diens voornemen, om eene Kerken-orde in te voeren, alleen door zijnen dood verhinderd; — en in het Proöemium der Kerken-orde van 1591 zelf wordt vermeld, dat die met deliberatie van Prins Maurits aangenomen is.

Doch laat ons eene autoriteit zoeken, welke de Heer Groen gewisselijk niet wraken zal, die van de Dordsche Synode zelf.

Die Synode, het is waar, heeft de later vigerende Kerk-ordening ontworpen, maar het is er zoo ver van af geweest, dat die Kerk-orde enkel uit kracht der autoriteit van de Synode zoude hebben bestaan en zijn ingevoerd, dat de Synode zelf, hare handelingen aan de Staten Generaal aanbiedende, in het eerste punt van haar adres zich aldus heeft uitgedrukt:

„Doch nademael dese Ordonnantie des Synodi, sonder goedtvinden, approbatie en de toestemminge van U Hoogh Mog. onse hooge Overigheyt, in de Kercken dezer Provinsien, niet en konnen, gelijk se niet en behooren, ter executie gestelt en onderhouden werden, soo versoeckt ende bidt dese Synodus met alle ootmoedigheyt, dat het U Hoogh Mog. goede geliefte zij, de handelingen deses Synodi, naar dat se deselve, doorgelegen en geëxamineert sullen hebben, met hare Christelijke approbatie ende toestemming te verstercken, ende door hare authoriteit te gebieden, dat deselve tot vreede en stichtinge van de Kercken deser Landen overal onderhouden werden.”

|50|

Bovenal echter is opmerkelijk § III van hetzelve adres, luidende aldus:

„Daar en boven, dat U Hoogh Mog. gelieven de Kercken-Ordeninge, soo als deselve in deze Synodus geëxamineert ende in sommige Articulen tot meerdere vreede en stichtinge vermeerdert is, te approberen, ende te belasten dat ze overal in de Kercken dezer Landen, voor zoo veel sulcks geschieden kan, eenparighlyck werden onderhouden.”

De gevolgtrekkingen van alle deze opmerkelijke woorden van de Dordsche Synode, anders gewis niet al te geneigd tot overgroote onderwerping aan de Politieke Overheid, noch onbekend met de kracht en den zin van ieder woord, door haar gebezigd, laat ik gaarne aan mijne lezers over op te maken. Dat in de Republiek der Vereenigde Nederlanden, alle verbindende kracht der Verordeningen voor de Hervormde Kerk, alleen van het Wereldlijk gezag kon worden ontleend; dat zelfs de Kerken-orde niet op last van de Synode, met goedkeuring der Overheid, maar alleen op last van de Overheid zelve, kon en moest worden nageleefd, is daarin met ronde woorden gezegd.

Over den vorm moge dan nog eenig verschil kunnen blijven bestaan; maar het wezen der zaak, de suprematie der Hooge overheid in zaken van Kerk-ordening, de stelling, dat alle executive kracht van Kerkelijke verordeningen, alleen van het Hoog Gezag uitgaat en uitgaan kan, is hier door de autoriteit van de Dordsche Synode zelf, ten duidelijkste bevestigd.

Laat ons thans, na gezien te hebben, hoe men vroeger over dit onderwerp heeft gedacht, onderzoeken, op welke wijze het Hoog Bestuur in 1816 is te werk gegaan, en door welke handelingen hetzelve zich het verwijt van heerschzucht en onderdrukking heeft op den hals gehaald; — het enkele

|51|

verhaal van het gebeurde, is hier, even als elders, volkomen genoegzaam, om daarvan de ongerijmdheid aan te toonen, en te doen blijken, dat de Regering zich gehouden heeft binnen de grenzen, uit het algemeen Protestantsch Kerkregt voortvloeijende.

De Kerk-regeling, welke in vroegere tijden had stand gegrepen, was in vele opzigten onafscheidelijk verknocht aan den Politieken toestand des Lands, en in het bijzonder stond ook een van derzelver hoofdbestanddeelen, de inrigting der Provinciale Synoden, met de Souvereiniteit der Provinciën in een onmiddelijk verband. Bij de verandering der staatkundige gedaante van ons Land, was dan ook de oude Kerk-ordening in de daad geheel en al vervallen en onbruikbaar geworden, en in datgene, wat voor behoud vatbaar was, waren zoo vele misbruiken ingeslopen, dat ook daarin noodwendig op nieuw moest worden voorzien.

Voor en na bragt dan ook de algemeene overtuiging daarvan te weeg, dat er pogingen werden aangewend, om tot eene verbeterde Kerk-ordening te geraken, welke echter door de staatkundige omstandigheden buiten gevolg gebleven zijn.

Reeds in 1806 werd in Vriesland een nieuw Kerkelijk Wetboek vastgesteld, doch ten gevolge der toen bestaande Staatsregeling, alleen van wege het Kerkelijk Bestuur zelve. In de overige Provinciën gevoelde men wel dezelfde behoefte, maar vond men geene gelegenheid om daaraan te voldoen, en bleef men verwachten, dat het Gouvernement het initiatief zoude nemen.

Toen zulks onder Koning Lodewijk in 1809, werkelijk plaats had, door de bijeenroeping eener consulerende Commissie uit Predikanten en notabele leden bestaande, vond zulks algemeen veel bijval en geene de minste tegenkanting. Door deze Commissie werd eene nieuwe Kerkelijke organisatie ontworpen, en deze zoude, na in den Staatsraad

|52|

te zijn onderzocht, werkelijk gearresteerd en ingevoerd zijn, zoo niet de geweldadige inlijving dezer landen in het Fransche Rijk aan alle overwegingen een einde had gemaakt.

Het is waar, de Heer Groen beweert, dat men toch de oude Hervormde Kerk-orde hoogelijk geroemd en alle verandering daarin volstrektelijk afgekeurd zoude hebben. — De Schrijver blijkt te bedoelen zekere nota, aan eenige leden der Staats-Commissie, die in 1810 naar Parijs vertrok, ter hand gesteld, en volgt daarin het spoor van Doctor Capadose en de stellers van de in druk uitgegevene adressen der afgescheidenen, die hierin evenzeer van de waarheid afdwalen als de Heer Groen zelve.

In de bedoelde nota werd niet aangedrongen op het behoud der oude instellingen in het algemeen, maar op het behoud dier instellingen „gewijzigd naar het bovengemeld ontwerp der Consulerende Commissie,” hetwelk in vele opzigten overeenstemde met de thans bestaande Kerk-orde, en waarin onder anderen ééne Sijnode, eenmaal ’s jaars vergaderende, op den voorgrond was gesteld.

Het doel was dus den geest onzer Kerk-orde te handhaven, en behoed te worden tegen het opdringen van de Fransche, die voor ons Vaderland geheel ongeschikt was. Eene kopij dezer nota, voor zoo veel de Hervormden betreft, mij ter hand gesteld zijnde, voege ik dezelve als bijlage hier achter, om aan deze zoo dikwijls herhaalde aantijging een einde te maken.

Toen eindelijk de gezegende ommekeer van zaken ’s Lands rampen was komen lenigen, en de dierbare Vorst, welken wij thans nog het geluk hebben te bezitten (moge God nog lang Zijne Regering zegenen!), in ons midden was teruggekeerd, zag ieder tot Hem op en verwachtte dat Hij aan de bestaande verwarring een einde zou maken. Geen wonder in de daad, dat men hier alles van den kant der Regering verwachtte, want men was wezenlijk gewoon,

|53|

de bevoegdheid der Regering met betrekking tot Kerkelijke Reglementen onbetwist te erkennen, echter niet, zoo als de Heer Groen meent, uit gewoonte aan overheersching van latere jaren, maar omdat dit beginsel altijd en ook onder de Republiek was erkend en vervolgens alleen gewijzigd naar de plaats hebbende orde van zaken.

In de gegevene omstandigheden was het ook volstrekt noodzakelijk, dat de Regering het initiatief nam, de werkzaamheden leidde, de invoering bestuurde en de nieuwe Kerk-orde door hare bekrachtiging wettigde.

Aan Kerkelijke grondvergaderingen toch was niet te denken, het was blijkbaar, dat er op die wijze niets tot stand konde worden gebragt, evenmin als door de groote menigte van Kerkenraden of Classis, aan welke bovendien, zelfs naar de meening van den Heer Groen, zonder magtiging der Gemeenten zelve, daartoe de bevoegdheid zoude ontbroken hebben. Er bleef dus niets over dan de Provinciale Sijnoden, doch indien deze nog bestaan hadden, hetwelk geen plaats meer had, dan nog konden door deze van elkanderen onafhankelijke ligchamen, wel zoo vele gelijkluidende Kerk-ordeningen als Sijnoden, maar niet ééne algemeen geldende, worden opgesteld. Tot een Nationaal Sijnode was eindelijk reeds van zelf de medewerking der Regering benoodigd, en het opstellen eener Kerken-orde aan een zoo uitgebreid ligchaam toe te vertrouwen had ook vele zwarigheden in.

Aan den vurig geuiten wensch, dat ’s Lands Regering derhalve dit werk zoude ondernemen, toonde zich de Koning, altijd bereidvaardig waar het de wenschen zijner onderdanen geldt, — gereed om te voldoen: alleen rees er twijfel aangaande de wijze, waarop zulks het best konde worden bewerkstelligd en eene geschikte Kerk-ordening tot stand gebragt.

Allereerst kwam men op het denkbeeld, om hiertoe een

|54|

Nationaal Sijnode bij een te roepen, onder zoodanige bepalingen als de bereiking van het groote oogmerk het best zonden verzekeren. 1) Doch bij den Raad van State ontmoette dit denkbeeld vele zwarigheden, en het is hiertegen en niet tegen het later aangenomen algemeen Reglement, dat gerigt was het advies van den Raad, waarvan door den Heer Groen op bladz. 18 wordt gewaagd.

Dit denkbeeld werd hierop ter zijde gesteld, en er werd besloten eene Consulerende Commissie te benoemen, ten einde het Gouvernement voor te lichten omtrent den vorm, welke aan het Kerkbestuur, overeenkomstig de behoeften der bijzondere gemeenten, voor het vervolg konde gegeven worden.

Dit geschiedde, maar men zie nu eens, op welk eene wijze, en hoe valsch de vergelijking van deze Commissie is, met de Politieke Commissie door welke de Kerk-orde van 1591 ontworpen was.

De laatste Commissie bestond, gelijk wij hier voren zeiden, grootendeels uit politieke leden, en het Kerkelijk Gezag was daarin naauwelijks vertegenwoordigd, en nu de Consulerende Commissie?

Geen enkel politiek lid nam daarin deel, behalve de Commissaris-Generaal en de Secretaris en Adviseur voor de zaken der Hervormde Kerk. Zij bestond uit elf leden, allen Predikanten van erkende braafheid en kunde, en hetgeen vooral de opmerking verdient, zij waren door den Koning gekozen uit elk der vroegere Synodale Ressorten en uit de Waalsch-Fransche Kerkgemeenschap; — en zulks met het kennelijke doel, dat bij dit belangrijke werk, alle onderdeelen der Hervormde Kerk behoorlijk mogten worden vertegenwoordigd, daar de bijeenroeping van een grooter aantal leden tot deze vertegenwoordiging bij wege van een Nationaal Synode, en nog veel meer


1) IJpeij en Dermout, 4e deel, pag. 651.

|55|

eene bijeenroeping van Classikale of Gemeentelijke vergaderingen, ondoelmatig en onuitvoerbaar geschenen was.

Het was deze Commissie, welke, na rijpe beraadslaging, een Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk ontwierp, en na de meest zorgvuldige overweging, ook eener daartoe uit den Raad van State benoemde Commissie, werd dit Reglement aan Zijne Majesteit aangeboden, en door Hoogstdenzelven bekrachtigd, en in een Besluit veranderd.

Méér heeft het Gouvernement nimmer gedaan; — na deze eerste instelling zijn het de Kerkelijke Besturen, welke al het overige hebben verrigt; — de Hervormde Kerk heeft, volgens de voorschriften van het Reglement, zich zelve bestuurd, en de Koninklijke bekrachtiging is alleen gegeven geworden aan zoodanige stukken, welke op het uitwendig beheer der Kerk en hare maatschappelijke betrekking van invloed konden zijn.

Waar is hier nu eene enkele, ook de geringste spoor van aanmatiging of onderdrukking? Waar is het mogelijk te miskennen, dat de Regering alleen een onbetwistbaar regt heeft uitgeoefend, maar dat tevens de Kerk zelve hierin is gehoord, ja dat die, om voor hare belangen te kunnen zorgen, in de beraadslagingen heeft gedeeld, of liever, dat die alléén heeft beraadslaagd; — waar is het mogelijk te ontkennen, dat de regten der Kerk met de uiterste naauwgezetheid zijn geëerbiedigd en gehandhaafd?

De wijze, waarop die Instellingen door de Natie ontvangen zijn, is op deze vragen de beste beantwoording. Want welk was dan het gevoel, waarmede deze thans zoo gesmaadde Kerk-ordening door de Gemeente ontvangen werd, en welke waren daarvan de gevolgen? Bespeurde men eenigen wrevel daarover, eenigen onwil, als of die Instelling onwettiglijk aan de Hervormde Kerk werd opgedrongen? Was men afkeerig van die Instellingen zelve, en werd men daardoor

|56|

tot wantrouwen aan de Kerk zelve geleid? Men leze slechts wat daarvan in het werk der Heeren Ypey en Dermout, 4e Deel, blz. 667 voorkomt. „Blijdschap was er”, zoo leest men daar, „algemeene blijdschap over een volkomen, naar eene meer ruime denkwijze ingerigt, herstel van het Kerkwezen, voornamelijk bij de Hervormden, welke het meest de wrange vruchten van al de Staatsverwisselingen geproefd hadden. Blijmoedig begon bij het gansche volk, de Godsdienst te herleven, die onder dat alles wel niet bezweken, maar toch verflaauwd was. Een Vorst op den troon, geliefd bij het volk, bragt aan de Godsdienstige stemming alle veerkracht toe. Hij zelf toonde reinen eerbied te hebben voor al wat Godsdienst heet, en de geheiligde regten des volks op vrijheid van geweten te willen handhaven. Aan den eenen kant eenen afkeer hebbende van alle hierarchij, onder welke gedaante zij zich ook moge voordoen, en aan den anderen kant echt Christelijk verdraagzaam, was hij allen genegen, die naar hunne verstandelijke en zedelijke vermogens, hoe onderscheiden ook, God openlijk dienden. Daarvan gaf hij vele doorslaande bewijzen, en onder die vooral door terstond de hooge nooddruft van derzelver leeraars te vervullen en te doen vervullen, welker lot onder het vorig bestuur zoo ondragelijk hard was geweest. Gewisselijk waren in dezen de beweegredenen van den Vorst geene andere, dan ten einde de Goddelijke leer der waarheid, die naar de Godzaligheid is, eenen onbelemmerden ingang bij allen vinden, zedelijkheid en deugd zich meer onder alle Christenen verspreiden, en in den burgerstaat algemeen zich vestigen mogt voorspoed, heil en geluk.”

Zóó dacht, zóó gevoelde men toen in het algemeen, zóó gevoelden ook de Kerkelijke personen en vergaderingen, gewisselijk bevoegde en onverdachte beoordeelaars van hetgeen de Regering doen mogt en gedaan had.

|57|

Alleen in drie uit het groot aantal Classikale vergaderingen werden bedenkingen geopperd, en de Classis van Amsterdam alléén gaf eenige bezwaren te kennen aangaande de bevoegdheid der Regering; — doch ook dit diende uitnemend, om de algemeene goedkeuring van het Reglement nog te bevestigen, want daardoor werd gelegenheid gegeven tot het bekende, voortreffelijke, verre boven mijnen lof verhevene antwoord, namens Zijne Majesteit aan die Classis gegeven door den Heer Commissaris-Generaal, provisioneel belast met de zaken der Hervormde Kerk, waarin de bevoegdheid der Regering op eene zoo onwederlegbare wijze is verdedigd en toegelicht, dat zelfs de Heer Groen ook dit stuk wel met bitterheid heeft aangetast, maar deszelfs wederlegging niet eenmaal heeft beproefd,

Gaarne wenschte ik dit uitmuntende Staatsstuk, waaraan ik zoo veel te danken heb gehad, in zijn geheel hier over te nemen, doch daartoe heeft hetzelve al te zeer eene verdiende bekendheid verworven, gelijk het daartoe ook te uitgebreid is; — alleen kan ik mij niet wederhouden bijzonderlijk te wijzen, op de edele en rondborstige verklaring, op last van Zijne Majesteit daarin opgenomen, en waaruit met den schitterendsten glans blijkt, van den hoogen en on veranderlijken eerbied, waarmede Hoogstdezelve steeds heeft gehandhaafd de hoofdbeginselen van ware Godsdienstige vrijheid, de beginselen der Grondwet, welke ik reeds heb geschetst; — onveranderlijke vrijheid van geloof en geweten voor alle Godsdienstige Gezindheden, — maar ook, voor iedere Gezindheid, in het maatschappelijke, onderwerping aan het wettige Gezag der Regering en aan de Wetten van den Staat.

Wien zwelt na dit alles niet de borst, wanneer hij hier van heerschzucht en misbruik van gezag hoort gewagen, en de edele bedoelingen van de beste der Regeringen, als machiavellistische pogingen tot overweldiging en

|58|

onderdrukking ziet afschilderen? Hoe is het mogelijk, dat men bij zulke sprekende bewijzen, nog ter goeder trouw zoude kunnen twijfelen, ik zeg niet aan de eerbiedwaardige bedoeling der Regering, want daaromtrent is elke twijfel stellig onmogelijk en beledigend; — maar aan de volkomene wettigheid van alle hare daden, aan de volledige eerbiediging van de regten en behartiging van de belangen der Kerk?

Wil men dan niet zien, dat alleen de Regering tot het bevorderen van het werk der nieuwe Kerk-ordening bevoegd, in staat en verpligt was? — en wil men bovendien niet zien, dat het zoo afgekeurde Reglement, in de daad uit den boezem der kerk gesproten is, dat de geheele Kerk bij de opstelling daarvan is vertegenwoordigd, en dat de Regering eigenlijk niets gedaan heeft, dan na door haren invloed de zaak ordelijk te hebben aan den gang gebragt, hare bekrachtiging te verleenen, op hetgeen door die vertegenwoordigers goedgevonden was?

Waarlijk, om dit niet te zien, na zoo vele onwederlegbare blijken, moet men willens blind zijn, maar dan is ook alle tegenspraak overtollig, iedere poging tot overtuiging onnut.

Maar geen nood! wat men in Nederland gedurende twintig jaren heeft goedgekeurd en vereerd, zal men thans niet beginnen af te keuren en te verachten; — het gevoel, dat gedurende twintig jaren heeft gegloeid, kan thans niet worden uitgebluscht, en welke pogingen er dan ook mogen worden aangewend, om den eerbied voor de Kerkelijke instellingen, en het vertrouwen der Natie op de wettigheid van de daden der Regering te doen verflaauwen of uit te dooven, gewis, zij zullen alle schipbreuk lijden op de algemeene, door eene reeks van jaren bevestigde goed-keuring, waarmede die zijn bezegeld, en van welke goedkeuring nog de late nakomelingschap de waarde bevestigen zal.

|59|

Eindelijk blijft ons nog overig iets te zeggen, van den aard der tegenwoordige kerkelijke instellingen, want dat ook deze de berisping van den Heer Groen niet konden ontgaan, lag in den aard der zaak. Nergens echter is het gebrek aan stof tot berisping meer zigtbaar dan hier, en wanneer men de redekunstige wendingen en figuren ter zijde stelt, waaronder men getracht heeft dit gebrek te verbergen, dan staat men verbaasd over het weinige dat er over blijft. De Kerk is geadministreerd, zij is eene Staatsmachine geworden, een Departement van Algemeen Bestuur, zoo wordt er gezegd. Bedoelt men hier enkel mede, dat Zijne Majesteit het noodig heeft geoordeeld, eenen zijner Ministers, bij uitsluiting, met de zorg voor de zaken de Hervormde Kerk betreffende, te belasten, dan vindt men daarin niets anders, dan een bewijs van ’s Konings bijzondere zorg, van den ernst waarmede Hij verlangde, dat de belangen der Kerk met naauwgezetheid zonden worden voorgestaan en behartigd. — Wil men er mede zeggen, dat de instelling van dat Departement ten doel of ten gevolge zoude gehad hebben, eene aanmatiging van meerder gezag over Kerkelijke zaken, dan zegt men eene onwaarheid, of men herhaalt wat men reeds met andere woorden had gezegd. In de Kerkelijke Reglementen was de grens van het Wereldlijk Gezag aangewezen, buiten die grens is men niet gegaan en heeft men niet kunnen gaan. Overeenkomstig de Reglementen heeft, gelijk ik reeds eenmaal zeide, de Kerk zich zelve bestuurd, en noch de Regering, noch het Departement, heeft daarin verder de hand gehad, dan de Reglementen zelve medebragten.

In het reeds aangehaalde voortreffelijke antwoord aan de classis van Amsterdam, vindt men dan ook reeds op de ontegensprekelijkste wijze bewezen, dat alle vrees voor te grooten invloed van het Ministerieel Departement

|60|

hersenschimmig, en de onafhankelijkheid der Kerk volkomen verzekerd is; en ik kan het niet genoeg aanbevelen aan hen, bij wien deze bedenking van den Heer Groen nog van eenig gewigt mogt schijnen, om dat staatsstuk in zijn geheel te lezen en te herlezen, waarin de ongegrondheid van deze klagt reeds a priori zoo levendig is betoogd.

Waarom men hier de woorden van administratie, organisatie, centralisatie gebezigd heeft is niet onduidelijk. Die woorden zijn in de laatste jaren menigmalen ongunstiglijk gebezigd, en hebben tot menigerlei aanmerkingen op den vorm van ons inwendig beheer van zaken aanleiding gegeven. Maar die aanmerkingen betroffen de staatshuishoudkunde, zij hebben op ons tegenwoordig onderwerp geene betrekking hoegenaamd, en het bezigen dier woorden heeft ligtelijk den schijn, als of men door het gebruik van gehaatte benamingen, de zaak zelve welke men behandelt, hatelijk maken of doen schijnen wil.

De Kerk, zegt men, is georganiseerd; en onder deze rubriek treft men nu het éénige aan, wat in de daad tegen de Kerkelijke instellingen wordt aangevoerd. De gelijkheid der Leeraars, de verwerping van al wat naar voorrang en gezagvoering zweemde, zoude zijn verloren gegaan; — Concentratie en Centralisatie zoude door de instelling van één algemeen Sijnode op eene met de inrigting der Kerk onbestaanbare wijze zijn bevorderd; en door de instelling eener permanente Sijnodale Commissie zoude daartoe de laatste stap zijn gedaan.

Wat het eerste aangaat, deze klagt is zóó ongegrond, dat ik langen tijd zelfs getwijfeld heb of ik die wel regt begreep, want nergens in alle de tegenwoordige instellingen, vindt men het geringste spoor, dat de eene Leeraar of de eene Gemeente boren de andere zonde verheven zijn, aan den eenen eenig gezag over den anderen zoude zijn toegekend. Bedoelt men het gezag der Kerkelijke

|61|

Kollegiën, en in waarheid ik zie niet wat er anders kan bedoeld zijn, dan is de geheele klagt immers ongerijmd, want dat gezag is niet aan de Leeraars gegeven, maar aan de Kollegiën; en dit gezag heeft altijd bestaan en moet bestaan. In Art. 86 der Kerken orde van 1619 vindt men dit met zoo vele woorden uitgedrukt: „Hetzelfde zeggen, zoo leest men daar, heeft de Classis over den Kerckenraedt, hetwelk de particuliere Sijnode heeft over de Classe, ende de generale Sijnode over de particulieren.”

De instelling van één algemeen Sijnode voor geheel het Rijk, is in de tweede plaats veroordeeld, als eene centralisatie, onbestaanbaar met den geest der Kerk. Dan het is hiervoren reeds gezegd, van de éénheid van Souvereiniteit was de éénheid van Kerkelijk Gezag onafscheidelijk. Toen elke Provincie een Souverein gezag bezat, eenen Staat op zich zelve uitmaakte, was er ook in elke derzelve een opperst Kerkelijk Kollegie, eene onafhankelijke Sijnode noodzakelijk. Ook om de betrekking der Sijnoden tot het Wereldlijk Gezag was dit noodzakelijk, want onder het toezigt van den Wereldlijken Souverein moesten de Sijnoden plaats hebben; zonder zijne toestemming konden de Sijnodale Besluiten niet worden ingevoerd. Eén algemeen Sijnode kon derhalve toen geen voortdurend bestaan hebben, want elke Provincie bleef meester, om in den haren, de Besluiten van de Sijnode te volgen of niet, gelijk dan ook zelfs de Besluiten van het Nationaal Sijnode van Dordrecht omtrent het Kerkbestuur nimmer in Friesland zijn in werking gebragt, — en dit is dan ook waarschijnlijk eene der redenen waarom, in weerwil van den aandrang van de zijde der Kerk, de toen bepaalde bijeenkomst van een Nationaal Sijnode om de driejaren, nimmer heeft plaats gehad.

Met de éénheid van Souvereiniteit verviel dit alles. Toen bestond er niet alleen, niet meer zoo als vroeger, de noodzakelijkheid van Provinciale Sijnoden, maar deze

|62|

inrigting hield op bestaanbaar, ja mogelijk te zijn. Waar toch zoude het toe geleid hebben, indien eene en dezelfde Regering hare Politieke Commissarissen had moeten zenden bij acht of meerdere van elkander onafhankelijke Sijnoden, en de Besluiten van alle deze Kollegien had moeten onderzoeken, en aan hare goed- of afkeuring onderwerpen, Hetgeen de Regering op de eene plaats goedkeurde, moest zij op de andere natuurlijk ook goedkeuren, en het geval zoude dus hebben bestaan, dat of alle Sijnoden eenstemmig moesten denken, of dat derzelver Besluiten wel op de eene maar niet op de andere plaats de goedkeuring van de Regering moesten verkrijgen en worden uitgevoerd, waarvan eene stagnatie in de zaken het onvermijdelijke gevolg zoude geweest zijn.

Éénheid van betrekking met den staat, éénheid ook in het Kerkelijke, was dan het noodzakelijke, maar tevens onmiskenbaar heilzame doel, waarmede tot de instelling van één Algemeen Sijnode besloten werd, en deze éénheid is er zoo verre af, van op zich zelve een kwaad te zijn, dat men daarnaar altijd op de vurigste wijze heeft gestreefd, dat ook de Heer Groen daaraan zijne goedkeuring niet weigeren kan.

Alleen dan, wanneer aan die eenheid de noodige onafhankelijkheid zoude worden opgeofferd, aan het enkele Kollegie een gezag toegekend, dat der vroegere gedeelde Kollegien te boven gaande, dan ware de klagt over centralisatie gegrond; — maar hoe verre is daarvan niet de instelling van ons Synode verwijderd!

Beter dan ik dit immer zoude kunnen doen, is de geheele Kerkelijke Instelling in dit opzigt toegelicht en verdedigd in het reeds meermalen geprezene antwoord aan de Classe van Amsterdam, en men zal het mij dus wel vergeven, wanneer ik daaruit overneme het uitstekende betoog, hetwelk tot dit onderwerp betrekking heeft.

|63|

„De magt van het Synode, over het rijk en het algemeen, is althans niet grooter, dan die, welke aan de onderscheidene Provinciale Synoden, over hunne Provinciën, pleeg toegekend te worden.
„Het gezag van deze Kerkelijke Vergadering heeft dus op zich zelf niets, hetwelk de vrees der Adressanten kan billijken; de eenige redenen dan ook, welke zij daarvoor aanvoeren, is het gering getal van derzelver leden, en dat dezelve niet gebonden zijn aan lastbrieven van Klassicale vergaderingen.
„Over de weinige talrijkheid van de leden der Kerkbesturen, in het algemeen, kan men echter niet klagen, vermits meer dan drie honderd Predikanten, en dus veel meer dan een vijfde van allen, daarin zitting hebben. Het Synode zelf bestaat, wel is waar, maar uit zeventien leden; maar deze mindere talrijkheid levert eerder eenen waarborg, tegen den geest van veranderen en verwarren. Wanneer men toch de Kerkelijke Jaarboeken raadpleegt, ziet men steeds, dat talrijke Kerkvergaderingen de oorzaak geweest zijn van twisten, verwarringen en scheuringen. — Dit was niet ligt de vrucht van vergaderingen, uit weinige personen bestaande, waarin men de orde meer gemakkelijk kan handhaven, en de driften min gemakkelijk den meester spelen.
„De leden der Synodale vergadering zijn, evenmin als die der overige Kerkbesturen, aan lastbrieven gebonden; omdat men, welligt nog meer in de Kerk dan in den Staat, het schadelijke heeft ondervonden van eene inrigting, die alles verlamde, altijddurende deliberatiën ververoorzaakte, en alle afdoening van zaken belette. Maar deze noodzakelijke verandering kan zeker geene redelijke aanleiding geven, om misbruik van magt te vreezen, van eene inrigting, gewijzigd zoo als het nieuw Kerkbestuur. De leden van het Synode worden (het eerste jaar alleen

|64|

uitgezonderd) door de Provinciale Kerkbesturen vrij benoemd; voor de laatste wordt de nominatie gemaakt door de Klassikale Moderatoren, welke op hun beurt, door de gezamenlijke leden der Klassen genomineerd worden. En alle deze keuzen zijn slechts temporair; na verloop van korten tijd keeren de Bestuurders in den gewonen kring hunner Ambtgenooten terug: het staat dus aan de Leeraars zelve, thans door geene toevallige rangorde of tourbeurten gehinderd, aan de Kerk waardige bestuurders te geven.
„Er is dus eene opeenvolging daargesteld, welke de onderscheiden hoogere en lagere besturen, en eindelijk alle de Leeraars en Gemeenten, zoo zeer onderling verbindt, dat de geest en gevoelens van het eene gedeelte een’ noodwendige invloed op het andere moeten uitoefenen.
„Maar daarenboven, het Synode wordt thans niet opgeroepen, om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de Kerk te besturen. Wat de leer zelve betreft, zijn de verpligtingen van deszelfs leden, en die van alle andere Kerkbesturen, begrepen in het 9de Artikel van het Algemeen Reglement, hetwelk met ronde woorden van hen vordert, de handhaving van de Leer der Hervormde Kerk.”

Eindelijk, door de instelling eener permanente Synode Commissie, zoude die gehaatte concentratie zijn voltooid. Maar tot wederlegging hiervan is één enkel woord genoegzaam, want deze instelling is geene uitvinding van onze dagen, maar is eene bloote navolging van hetgeen in den ouden Kerkvorm, onder den naam van deputaten der Synoden bestond, terwijl aan dat Kollegie bovendien, bij deszelfs instelling, geen gezag hoegenaamd opgedragen is.

Zoo heb ik dan achtereenvolgende, naar ik vertrouwe, onze Grondwet, onze geëerbiedigde Regering en Hare beginselen, onze Kerkelijke Besturen en Instellingen en de edele bemoeijingen van het Hoog Bestuur, met betrekking

|65|

tot dezelve, in het ware, weldadige, onzen eerbied en vertrouwen vorderende licht gesteld, hetgeen dezelve zoo zeer verdienen: — zoo heb ik de ongegrondheid, de overdrevenheid, de ongerijmdheid aangetoond van alles wat daar tegen is ingebragt. Met een ligt gemoed ga ik thans over tot het verdere gedeelte mijner taak, tot dat gedeelte, waarop het eigenlijk aankomt, waardoor het geschrijf van den Heer Groen is uitgelokt, of hetgeen daarvan althans het hoofd-onderwerp uitmaakt, tot de beschouwing van de handelingen der Hooge Regering, met betrekking tot de afgescheidenen; — met een ligt gemoed trede ik daartoe, want indien het reeds gezegde heeft kunnen dienen, om den eerbied voor en het vertrouwen op ’s Lands Hoog Bestuur, op deszelfs daden en bedoelingen, in zoo vele opzigten te verhoogen en to bevestigen, dan zal men ook thans niet ligt genegen zijn om te gelooven, dat die Regering eensklaps haren aard, hare geheele strekking, hare edele en onwankelbare getrouwheid aan ’s Volks regten en welzijn zoude hebben kunnen verloochenen;, — en indien ik de eenzijdigheid van inzigten des Heeren Groen, de onwaarheid der ingebragte beschuldigingen, de liefdeloosheid en ligtvaardigheid in de veroordeeling van de handelingen en bedoelingen der Regering, heb aangetoond, dan zal men daardoor ook voor het vervolg daartegen zijn gewapend, en tot het wedervinden van gelijke eenzijdigheid, onwaarheid van aantijgingen, liefdeloosheid en ligtvaardigheid zijn voorbereid.

Appeltere, A.W. van (1837) HIII

 

III.
Over de Handelingen der Regering, ten opzigte der afgescheidenen.

 

Zonderling is het inderdaad te zien, welke geweldige sprongen en wendingen men zich al niet veroorlooft bij

|66|

redeneringen, door overdrevenheid ingegeven en door eenzijdigheid bestuurd. Straks schetste men de Regering als ultra-liberaal, men verweet haar dat zij de beginselen van 1789 toepaste; — thans noemt men haar vervolgziek en onverdraagzaam in het Godsdienstige; — zoo even beschuldigde men de Regering van ongodisterij, immers van volslagene onverschilligheid jegens alle Godsdienst; — thans zoude men willen doen gelooven, dat de afgescheidenen om hunne Godsdienstige begrippen worden vervolgd, en dat de Regering ten doel zoude hebben, hen tot eene hereeniging met de Hervormde Kerk te dwingen; — zoo even eindelijk werd de Regering aangevallen, omdat zij de al te ruime beginselen der Grondwet, in eenen even ruimen zin toepaste; — thans legt men haar te last, dat zij uit bekrompene begrippen van onverdraagzaamheid, van de Grondwet zoude afgeweken zijn.

De lijnregte tegenstrijdigheid van deze aanvallen, derzelver geheele onvereenigbaarheid is wel is waar voldoende, om een ieder daar tegen te wapenen, en niet minder is daartoe overgenoegzaam, de herdenking, aan hetgeen onze geëerbiedigde Regering zich sedert twintig jaren heeft getoond; want dat deze zelfde Regering, welk zich gedurende eene reeks van jaren, ook in de moeijelijkste omstandigheden, heeft doen bewonderen, door hare onveranderlijke getrouwheid aan de mildste en onbekrompenste beginselen, en door de zorg, waarmede zij de regten en en vrijheden des Volks heeft gehandhaafd en geëerbiedigd; — dat deze zelfde Regering eensklaps van regel en gedrag zoude veranderen, eensklaps tot de hatelijkste van alle verdrukkingen, die om Geloof en geweten, zoude kunnen vervallen, is zóó ongeloofelijk, zóó ongerijmd, zóó strijdig met de beginselen zelfs eener gewone menschenkennis, dat alle betoog dienaangaande ten eenemale overtollig kan worden geacht.

|67|

Niettemin bestaan er redenen, om vooral dit punt tot in de geringste bijzonderheden op te helderen. Luidkeels en onophoudelijk toch heeft men van de zijde der afgescheidenen over vervolging geschreeuwd, en, gelijk ik het elders heb gezegd, de ondervinding leert maar al te zeer, hoe een langdurig geschreeuw eindelijk bij sommige ligtgeloovigen ingang vinden kan. Men heeft dat luide beklag ook gestemd op verschillende toonen, — men heeft ook bij do meest verschillende gemoederen weerklank willen verwekken. Hier heeft men geklaagd, dat de Grondwet wordt overtreden door de maatregelen, ten aanzien der afgescheidenen genomen; — daar heeft men die klagt van onwettigheid laten varen, en alleen beweerd, dat de Regering, onstaatkundig had gehandeld, en beter zoude gedaan hebben, door de afgescheidenen slechts hunnen gang te laten gaan; — bij dezen heeft men voorgewend, dat het der Regering slechts te doen was, om het Geloof der afgescheidenen te onderdrukken, de afscheiding tegen te gaan en om tot eene hereeniging te dwingen; — bij anderen heeft men getracht medelijden te verwekken, door eene gezochte voorstelling van het leed, dat de afgescheidenen zonden hebben moeten ondergaan.

Voegt men nu nog bij deze zoo geheel verschillende beschouwingen, welke men heeft uitgestrooid, dat er in de daad geene vrijheid is, aan het Nederlandsche volk meer dierbaar, dan die van geloof en geweten; — dat er in de daad geene vervolging meer hatelijk en afschuwelijk is, dan die, welke in verschil van Godsdienstig begrip haren oorsprong heeft, dan zal men het ligtelijk met mij, eens zijn, dat het van gewigt is, alle die verschillende punten toe te lichten en geenen zweem van vermoeden ten aanzien van derzelver gegrondheid te laten bestaan. Dit is dan ook thans mijne bedoeling, en ik vertrouw in het helderste licht te zullen stellen, dat al wat door de Hooge

|68|

Regering is verrigt, met ’s Lands wetten in volkomene overeenstemming is; — dat de Regering daarbij niet ligtvaardiglijk of buiten noodzaak is te werk gegaan, maar door de gebiedendste redenen gedwongen is geweest te handelen, zoo als zij gehandeld heeft; — dat de Regering nimmer ten doel heeft gehad, de afscheiding te stuiten, of de afgescheidenen tot hereeniging te dwingen, maar alleen om aan de openlijke vestiging der afgescheidenen die waarborgen te verbinden, welke door de zorg voor het welzijn van den Staat en door de Grondwettige bescherming der bestaande Gezindheden werden gevorderd; — en dat eindelijk, wel verre dat de afgescheidenen het voorwerp zouden geweest zijn van beleediging of aanranding, hunne regten even als die van alle andere burgers op de nadrukkelijkste wijze zijn beschermd en tegen allen overlast beveiligd.

——

Bij het onderzoek omtrent de wettigheid van de daden der Regering, is er ééne vraag, welke alles omvat, en waarin alle andere begrepen zijn. Zij is deze:

„Heeft eene nieuwe Gezindheid, om zich in den Staat te kunnen vestigen, de toelating van het Gouvernement noodig?” Zoo ja, dan hebben al de handelingen van het Hoog Bestuur eenen wettigen grondslag; — zoo neen, dan waren de afgescheidenen geregtigd tot de vordering om zich ongestoord en onbelemmerd te mogen vestigen.

De ontkennende beantwoording dier vraag is dan ook door de afgescheidenen met de meeste vasthoudendheid verdedigd, en het is niet ongepast, hoe bekend ook hunne redeneringen zijn, kortelijk te herhalen, waarin die hebben bestaan.

Vooreerst kwam in aanmerking, of de noodzakelijkheid dier toelating niet in het geschrevene regt, in Art. 290

|69|

en volgende van het vigerend Wetboek van Strafregt te vinden was? Dit heeft men ontkend, zeggende, dat Godsdienstige Gezindheden niet behoorden onder de Associatien, bij die Artikelen bedoeld. Mogt dit niet opgaan, zoo voegde men in de tweede plaats er bij, dan zoude dit Artikel door de Grondwet zijn afgeschaft, want bij Art. 190 werd de vrijheid van Godsdienstig begrip gewaarborgd, en daaronder was per se de vrijheid van uitoefening van Godsdienst begrepen, bovendien, in Art. 191 werd aan bestaande Gezindheden bescherming verzekerd, dat is, niet alleen aan diegene, welke bij de oprigting der Grondwet bestonden, maar aan alle, die een bestaan zouden hebben verkregen. Ook in eenen anderen zin werd dat Art. 191 uitgelegd, zoodat alleen de bestaande Gezindheden op bescherming staat konden maken, terwijl anderen slechts behoefden te worden geduld.

Eindelijk zeide men, de werking van het Gouvernement kwam volgens Artikel 103 der Grondwet eerst dan te pas, wanneer de openbare orde of veiligheid door eenige openbare oefening van Godsdienst zoude worden gestoord; een nieuw bewijs, zoo men meende, dal er geene voorafgaande toelating noodig was.

Ten slotte beriep men er zich op, dat men de rust niet gestoord had, en dat de afgescheidenen in allen gevalle geene nieuwe Gezindheid uitmaakten, maar behoorden tot de sints lang gevestigde en erkende Gereformeerde Kerk.

——

Na deze korte herinnering zal het meer gemakkelijk vallen, de kracht wel te gevoelen van hetgeen ik van mijnen kantten aanzien van de bevoegdheid der Regering, ten opzigte van ontstaande nieuwe Gezindheden, hier zal laten volgen.

Dat de vestiging van nieuwe Gezindheden in den Staat,

|70|

van eene voorafgaande toelating der Regering afhankelijk is en wezen moet, volgt in de eerste plaats uit de algemeene en onveranderlijke pligten van ieder welgeordend Staatsbestuur. In alles, wat het wezen en bestaan der maatschappij regtstreeks aangaat, is iedere Regering, uit kracht van het allereerste beginsel, dat ’s Volks heil de hoogste Wet is, noodwendig en uit haren aard, bekleed met het toezigt, met de zorg, ne respublica damnum capiat, met de magt om tusschen beide te treden in alle zaken, waar zulks door het belang der maatschappij gebiedend wordt gevorderd. Nu zal wel niemand het wagen, om te ontkennen, dat er van alle de belangen der Maatschappij geene gewigtiger en heiliger zijn, dan die van Godsdienst en Zedelijkheid, dat dáárin de ware steunpilaren van het maatschappelijk gebouw gevonden worden, en dat iedere aanranding daarvan de maatschappij in hare grondvesten aantast en schokt. Het is derhalve de heilige pligt der Regering, om met de zorgvuldigste naauwkeurigheid acht te geven, op al wat met de Godsdienst en Zedelijkheid der Natie in verband staat, en dat zoodanig verband in de hoogste mate aanwezig is, wanneer het de vestiging geldt van nieuwe Godsdienstige Gezindheden of Secten, behoeft wel geen betoog.

Uit die algemeene zorg van den Staat, voor de Godsdienst en zedelijkheid, ontstaat dus voor de Regering, afgescheiden van alle bepalingen van het stellige en geschrevene Staatsregt, niet alleen de bevoegdheid, maar de dure verpligting, om nieuwe Godsdienstige Gezindheden te onderzoeken en te toetsen, zich te overtuigen of dezelve ook aan den Staat, aan de Godsdienst of zedelijkheid gevaar zouden kunnen dreigen, te weren al wat daarmede strijdig is, en alleen die Gezindheden toe te laten, welker vestiging met de algemeene burgerlijke en zedelijke belangen van den Staat bestaanbaar is.

|71|

De waarheid hiervan is dan ook zoo diep gevoeld, dat bij de menigvuldige gelegenheden, waarin het regt der Regering, om over de toelating van nieuwe Gezindheden te beschikken, door de afgescheidenen is ter sprake gebragt, niemand hunner die bevoegdheid regtstreeks en algemeen aan het Hoog Bestuur heeft durven betwisten, of beweren, (hetwelk toch de onvermijdelijke gevolgtrekking van een tegenovergesteld beginsel zoude zijn,) dat alle sekten van St. Simonisten en Adamiten en andere buitensporige en zedelooze geestdrijvers, wat zeg ik, heidenen en afgodendienaars zich ongestoord hier te lande zouden mogen vestigen, zonder dat het Hoog Bestuur bij magte zoude zijn die vestiging tegen te gaan.

Zulk eene alles verwoestende stelling is dan ook in lijnregten strijd met de Hervormde Geloofsbelijdenis, waarin met zoo vele woorden wordt verklaard, dat het ambt der Overheid is te weren en uit te roeijen alle afgoderije en valsche Godsdienst, terwijl op dezelfde plaats, door de opnoeming van hetgeen behoort te worden verworpen, juist wordt aangetoond, hoezeer die leer overeenstemt met het beginsel door mij zoo even ontwikkeld. Men heeft wel beproefd zich uit deze tegenstrijdigheid te redden, door de gewrongene uitlegging, als of de Regering alleen tot het weren van schadelijke sekten zoude bevoegd zijn, zonder dat de onschadelijke de toelating van de Regering zouden behoeven, doch dit is, men vergeve mij deze uitdrukking! een bloot woordenspel.

Tegen weren staat het toelaten ontegenzeggelijk en onmiskenbaar over. Is de Regering bevoegd, om schadelijke sekten te weren, dan moet zij ook bevoegd zijn, om te onderzoeken en te beoordeelen, welke sekten al, welke niet, voor schadelijk te houden zijn, en wanneer zoodanig onderzoek nu plaats heeft, dan is daarvan het onafscheidelijke gevolg, dat de schadelijke Gezindheden worden geweerd

|72|

en de niet schadelijke toegelaten, en hoe men hiervan eenen uitweg mogelijk acht, verklaar ik niet te begrijpen.

——

In de tweede plaats vloeit het uit de maatschappelijke betrekkingen van alle Godsdienstige gezindheden voort, dat zij zich zonder de tusschenkomst en de toelating van het Hoog Bestuur niet kunnen vestigen. Reeds te voren heb ik aangemerkt, dat de Godsdienstige Gezindheden zoo vele zedelijke ligchamen, personae morales zijn, ten opzigte van den Staat. Als zoodanig hebben zij maatschappelijke en burgerlijke regten, maar ook verpligtingen, waaraan zij op zich moeten nemen te voldoen, zal hunne vestiging met het welzijn van den Staat bestaanbaar zijn. Zoo heeft, om slechts iets te noemen, de Staat er een onmiddelijk belang bij, een belang dat algemeen erkend en ook door de burgerlijke Wet is bevestigd, om een zeker gezag, een oppertoezigt te behouden ten aanzien van de verkrijging en het beheer van alle bezittingen in de zoogenaamde doode hand, — zoo rust op iedere Gezindheid de verpligting, om voor hare armen te zorgen, en wat er van dien aard meer zij; — zoo behoort er gezorgd te worden, dat aan de verkregene regten van andere Gezindheden niet worde te kort gedaan. Nu is er echter geen bijzonder nadenken toe noodig, om zich te overtuigen, dat alle deze punten vooraf moeten Worden onderzocht en geregeld. De Regering moet de zekerheid hebben, dat de nieuwe Gezindheid aan hare maatschappelijke verpligtingen zal voldoen; — dat is de eerste voorwaarde, waarop haar maatschappelijk bestaan kan worden toegelaten. Zoodra eene nieuwe Gezindheid in den Staat optreedt, bestaan er tusschen haar en de Regering wederzijdsche maatschappelijke regten en verpligtingen, en zoude het nu niet de ongerijmdheid zelve zijn, van de Regering te vorderen.

|73|

dat zij op zich nam, de Gezindheid in alle hare regten te beschermen en te handhaven, zonder zich tevens te hebben verzekerd, dat ook de Gezindheid wederkeerig bereid en in staat is, om ook aan hare verpligtingen te voldoen.

Zelfs in min gewigtige zaken rekent ieder bijzonder persoon zich geregtigd, wanneer het op wederzijdsche verpligtingen tusschen hem en eenen anderen aankomt, eenen waarborg te vorderen, dat ook zijne partij aan hare verpligtingen zal voldoen, eer hij zich tot het praesteren der zijne verbindt, en op welken grond zal men nu, in eene zoo hoogst belangrijke zaak, aan den Staat een regt weigeren, hetwelk ieder voor zich zelf boren alle tegenspraak verheven acht?

Ik moet hierop nog te meer drukken, omdat het juist deze regeling van wederkeerige regten en verpligtingen is, welke, zoo als wij straks zullen zien, de Regering van de afgescheidenen verlangt, en omdat de Regering, zoo als nader blijken zal, aan de afgescheidenen meermalen uitdrukkelijk heeft te kennen gegeven, dat aan de toelating, om zich tot eene afzonderlijke Gezindheid te vestigen, niets zal in den weg staan, wanneer slechts vooraf de maatschappelijke of liever burgerlijke belangen en be-trekkingen zullen geregeld zijn, welke er tusschen die Gezindheid, den Staat en de overige Gezindheden zullen moeten bestaan.

——

De bovenstaande redenen zijn het hoofdzakelijk, welke hebben te weeg gebragt, hetgeen hier in de derde plaats in aanmerking komt, dat algemeen en zonder tegenspraak, bij alle schrijvers over het Kerkelijk Staatsregt, bij de Protestanten is erkend en aangenomen, dat het regt van toelating, toestemming of erkenning van nieuwe of in eenen

|74|

Staat nog niet aangenomen Eerediensten, absolute en afgescheiden van de meer bijzondere betrekkingen tusschen de bijzondere Regeringen en Gezindheden, als een stellig Landsheerlijk Regt aan den Souverein toekomt; — terwijl uit de evenzeer algemeen erkende Landsregten van oppertoezigt, en van oppervoogdijschap over Kerkelijke goederen, de noodzakelijkheid van eene voorafgaande regeling der daartoe betrekkelijke punten vanzelve voortvloeit. Daar echter deze beginselen reeds vroeger zijn ontwikkeld, acht ik het thans minder noodig, daarbij op nieuw stil te staan, en bepale ik mij te dien opzigte tot de aanmerking, dat uit de algemeene erkenning dezer beginselen, door de Protestanten, ten volle blijkt, dat de toekenning van een regt van erkenning en toelating van nieuwe Gezindheden aan het Gouvernement, in geenerlei opzigt met de geloofsleer der Protestanten in strijd of onbestaanbaar is.

——

Maar van hoeveel belang ook het bereids aangevoerde is, het moet daarin toch wijken voor hetgeen wij hier, in de vierde plaats te zeggen hebben, omtrent de Grondwet die ons regeert. Die Grondwet behelst de vaste regelen van ons Staatsregt, en wanneer daarin het regt der Regering, om nieuwe Gezindheden te weren of toe te laten, geschreven staat, is het overbodig voor dat regt eenen anderen grond te zoeken, en is hetzelve daardoor alléén boven alle mogelijke bedenking verheven.

Van hier dan ook, dat men zich alle moeite gegeven heeft, om te beweren, dat dit regt met de Grondwet in strijd zoude zijn, maar hoe verre men daarbij van het ware spoor is afgeweken, hoop ik thans overtuigend te kunnen aantoonen.

De gunstige mededeeling, welke ik van eenen zeer

|75|

achtingwaardigen kant heb bekomen, omtrent een en ander wat er bij de deliberatien over de Grondwet is voorgevallen, heeft mij in staat gesteld, om deswege eenige allerbelangrijkste bijzonderheden hierin te voegen, door welke deze menigmaal geopperde vraag boven alle bedenking wordt beslist, terwijl de authenticiteit dezer bijzonderheden boven iedere, ook de geringste, aanmerking zeer verre verheven is.

Het is bekend, dat aan de Commissie, benoemd tot ontwerping der Grondwet, bij besluit van den Souvereinen Vorst van den 21 December 1813, tot leiddraad is aanbevolen de schets eener Grondwet voor de Vereenigde Nederlanden, van den Heere Gysbert Karel, Grave van Hogendorp, en dat die Commissie in de daad hare beraadslagingen daarnaar heeft geregeld. Minder bekend is de inhoud dier schets, en nog minder, dat ook de Commissie, benoemd bij Zijner Majesteit Besluit van den 22 April 1815 tot herziening der Grondwet, nadat daartoe door de vereeniging met België, de noodzakelijkheid geboren was, zich bij haren arbeid meer dan eens van die schets heeft bediend.

Uit de geschiedenis van hetgeen er in die Commissiën is verhandeld, vloeit al dadelijk eene zeer belangrijke opheldering voort van het 190e. Artikel van onze tegenwoordige Grondwet, en de stellige wederlegging van het gevoelen, als of aan de vrijheid van Godsdienstige begrippen ook noodwendig de vrijheid van uitwendige Eerediensten zoude verbonden zijn. Hoezeer dat artikel niet in de Grondwet van 1814 gevonden wordt, bestond hetzelve echter in de schets van den Heer van Hogendorp, echter met deze hoogst opmerkelijke bijzonderheid, dat daarin uitdrukkelijk gesproken werd van vrijheid van denken. Dit woord toch sluit wel geheel en al de gedachte uit, als of ook de vrijheid van uitwendige Eeredienst mogt bedoeld zijn.

Nog nader werd deze bedoeling toegelicht in een opstel,

|76|

hetwelk door den Heer van Hogendorp aan de Commissie werd medegedeeld, en behelzende eene korte opgave der beginselen, waarvan ieder artikel uitging, want in dat opstel werd als beginsel van dit Artikel opgegeven: vrijheid van conscientie.

Uit de evengemelde schets is dat Artikel in onze tegenwoordige Grondwet overgenomen, en schoon daarin de woorden, vrijheid van Godsdienstige begrippen, gelezen worden in de plaats van vrijheid van denken, is het echter ontwijfelbaar, dat hierbij alleen eene grammaticale naauwkeurigheid is bedoeld, en dat het systema hetzelfde gebleven is met datgene, wat door den Heer van Hogendorp in de woorden vrijheid van denken omschreven was.

Nog van doorslaander gewigt is de geschiedenis der Art. 191 en 192 der tegenwoordige Grondwet, geheel overeenstemmende met Art. 134 van die van 1814, en ziehier wat daaromtrent voorgevallen is.

In Art. 61 van de schets van den Heer van Hogendorp werd het woord bestaande, niet aangetroffen.

Dat Artikel luidde aldus: „alle ANDERE Godsdiensten (het 60 Artikel betrof alleen de Christelijke Hervormde Godsdienst) „genieten de bescherming der Regering.”

Bij de beraadslagingen over dat 61e. Artikel verlangden onderscheiden Leden der Commissie eenige toelichting omtrent deszelfs eigenlijke strekking en bedoeling; — men meende dat hetzelve, naar den letter, verder en veel verder ging, dan hetgeen immer hier te Lande, zelfs gedurende de laatste jaren, ten opzigte der Godsdienstige aangelegenheden had plaats gehad, onder het bestaan van Staatsregelingen of Constitutiën, welke, zoo men meende, geene bekrompenheid van denkbeelden omtrent het Godsdienstige behelsden; doch niet verder waren gegaan 1), dan om


1) Artikel 4 der Staatsregeling van 1805 luidde aldus:
„Er bestaat geene Heerschende Kerk. Het Gouvernement verleent ➝

|77|

gelijke bescherming toe te zeggen aan alle Kerkgenootschappen, in den Staat bestaande.

Hoe ook, vroeg men, zoude de Grondwet bescherming kunnen toezeggen aan iets, dat nog niet bestond, en onbekend was.

Al aanstonds echter bleek het uit de toelichtingen, welke op die gemaakte bedenkingen werden gegeven, dat de bedoeling en strekking van dat 61e. Artikel der schets geene andere was, dan het uitdrukken van het beginsel, bij de laatste Staatsregelingen omtrent dit onderwerp aangenomen, en dat men voorzeker aan den eenen kant de nu eenmaal verkregene regten van alle bestaande Gezindheden moest eerbiedigen, maar ook aan den anderen kant zich wel behoorde te wachten, om zich te verbinden tot de onbeperkte toelating van alle Sekten, die zich in het vervolg zouden kunnen opdoen, en dat de zorg, om dienaangaande na behoorlijk onderzoek te beslissen, aan de Regering verblijven moest; — en dien ten gevolge werd in overeenstemming met het gevoelen van al de leden der


➝ gelijke bescherming aan alle Kerkgenootschappen, binnen dit Gemeenebest bestaande. Het handhaaft dezelve bij de ongestoorde uitoefening van hunne Kerkelijke instellingen, geschikt ter verbreiding van Godsdienstige beginselen en goede zeden, mitsgaders tot handhaving der goede orde. Het neemt de noodige maatregelen, welke de bijzondere omstandigheden van deze Kerkgenootschappen, met betrekking tot de openbare rust en algemeene welvaart vereischen.

Artikel 6 der Publicatie van den 7 Augustus 1806, houdende de Constitutie voor het Koningrijk Holland onder Lodewijk, was van den volgenden inhoud:
„De Koning en de Wet verleenen gelijke bescherming aan alle de Godsdiensten, welke in den Staat worden uitgeoefend, door hun gezag wordt bepaald al hetgeen noodzakelijk geoordeeld wordt, betreffende de organisatie, de bescherming en uitoefening van alle Eerediensten.
„Alle uitoefening van Godsdienst wordt binnen de muren van de Kerken der verschillende Gezindheden bepaald.”

|78|

Commissie, eene verduidelijking van het Artikel in dien zin noodzakelijk geoordeeld.

Daartoe werd nu voorgesteld om te lezen: „Aan alle erkende Gezindheden wordt gelijke bescherming verleend.” Dan ook hiertegen rezen bedenkingen, omdat men twijfelde, of wel alle Gezindheden, ook de minder uitgebreide, gelijk bij voorbeeld, het Genootschap Christo Sacrum, eene stellige erkenning zouden hebben bekomen, terwijl ook deze echter op een voortdurend bestaan een verkregen regt bezaten. Om ook hieraan te gemoet te komen, werd nu het woord bestaande, dat reeds in Art. 4 der Staatsregeling van 1805 gebezigd was, voorgeslagen en aangenomen, omdat daarin aan de eene zijde alle facto een aanzijn hebbende Gezindheden begrepen waren, terwijl aan de andere zijde daardoor waren uitgesloten al de Sekten, welke nog niet met de daad bestonden, en deze aan de voorafgaande toelating der Regering werden onderworpen.

Onmogelijk is het, om de bedoeling der Grondwet in een helderder daglicht te stellen, dan door dit eenvoudige geschiedkundige verhaal, onmogelijk om stelliger aan te tonnen, dat eene onbeperkte toelating van nieuwe Godsdienstige Gezindheden, nimmer aan de Ontwerpers der Grondwet in den zin gekomen is, en ik achte daarmede de geheele quaestie over den zin der Grondwet volkomen en eens voor altijd beslist.

——

Eindelijk, met hoeveel minachting men ook gewoon is te spreken, van de Artikelen 290 en volgende van het nog vigerend Wetboek van Strafregt, zoo is het niettemin waar, dat ook die Artikelen als nog eene wet van den Staat zijn, en dat ook daarin de bevoegdheid der Regering, om over de toelating van nieuwe Godsdienstige Gezindheden te beslissen, met ronde woorden geschreven

|79|

staat. Hieromtrent in nadere bijzonderheden te treden, zoude overbodig zijn, daar alle redeneringen te dien aanzien volkomen bekend zijn, en vooral ook omdat de eenstemmige uitspraak van alle Regtbanken daaraan het zegel heeft gehecht. Men zal zich verwonderen, dat ik hier het woord eenstemmig bezige, en echter heb ik het met opzet gebruikt. Altijd heb ik moeite gehad eenen glimlach te onderdrukken, wanneer ik dezen of genen met een veel beduidend gelaat hoorde gewagen, van een bedenkelijke verdeeldheid in de gevoelens der Regtbanken omtrent dit onderwerp, en onwillekeurig rees by mij de gedachte, of het bijv. wel ooit aan iemand in het hoofd zoude kunnen komen, om over verdeeldheid van gevoelen bij de Staten Generaal te klagen, wanneer eene Wet slechts eene of twee stemmen tegen zich had gehad. Zoo is echter het geval, indien niet de eenparigheid nog grooter moet worden geacht. Niet alleen bij de Nederlandsche, maar ook bij de Fransche Regtbanken, is algemeen de toepasselijkheid der bewuste Artikelen op Godsdienstige Gezindheden aangenomen, en het opperste Fransche Geregtshof heeft in eene reeks van arresten, waarvan sommige nog zeer onlangs gewezen en bijzonder merkwaardig zijn, dat beginsel, voor Frankrijk, boven allen twijfel gesteld. Dat er nu ééne enkele Regtbank in ons Vaderland is, welke van dezen regel afwijkt (van die van Heerenveen zal ik niet spreken, omdat hare vonnissen worden te niet gedaan) kan wel gewis tegen eene zoo groote eenstemmigheid niets afdoen, noch veroorzaken, dat men te denken hebbe aan eene verdeeldheid van gevoelen, welke, hoe breed men daarvan heeft opgegeven, én de daad niet beslaat. Het moge te betreuren zijn, dat in het ressort van ééne Correctionnele Regtbank van Appèl (welker gevoelen ik overigens eerbiedige) de Wet niet de toepassing vindt, welke zij naar het oordeel van

|80|

alle anderen zoude moeten hebben, maar dit levert alleen stof op, om te verlangen naar de invoering van Regterlijke Instellingen, waardoor de eenheid van jurisprudentie zal worden verzekerd; zonder dat daarom echter het gevoelen der Correctionnele Regtbank te Amsterdam iets anders wordt, dan hetzelve wezenlijk is, namelijk ééne enkele afwijking van het algemeen aangenomene Systema, eene afwijking, welke op de daadzaak, dat dit Systema alom en algemeen aangenomen en erkend is, geenen invloed hoegenaamd heeft.

Zoo heb ik dan, naar ik vertrouwe, overtuigend bewezen, dat geene nieuwe Gezindheden zich in het Rijk kunnen of mogen vestigen, zonder dat zij door de Hooge Regering zijn toegelaten, en zonder dat de betrekkingen der nieuwe Gezindheid in en tot de maatschappij, zijn geregeld; — thans blijft mij nog over om de uitvlugt te beantwoorden, waarmede de afgescheidenen zich aan de toepassing van dien regel willen onttrekken, als of zij eigenlijk slechts de oude en ware Hervormde Gezindheid zouden uitmaken, en dus geene toelating of erkenning meer zouden behoeven.

Hierbij moet ik echter waarschouwen, tegen de speling met het woord Gezindheid, waarmede men deze quaestie heeft getracht te verwarren. Men behoeft slechts het oog te slaan op de redeneringen van den Heer Groen, op bladz. 60-62 van zijn geschrift, om zich te overtuigen, dat hij door Gezindheid hetzelfde verstaat als door Geloof. Grammaticaal moge het waar zijn, dat Gezindheid eigenlijk iets inwendigs, een gevoel, eene geneigdheid beteekent, maar in de Grondwet of elders, waar het op de betrekkingen van den Staat, en speciaal, waar het op de toelating van ontstaande Sekten aankomt, daar hebben de woorden: „Godsdienstige Gezindheid,” naar het algemeene spraakgebruik, de beteekenis van eene uitwendige vereeniging

|81|

tot uitwendige Eeredienst, van een zedelijk ligchaam in den Staat, een corpus morale, hetwelk in de maatschappij de regten en pligten van eenen Staatsburger heeft.

Het Geloof, het inwendige, heeft geene autorisatie, erkenning of bescherming noodig: de geheele vrijheid van Godsdienstig begrip is uitdrukkelijk gewaarborgd. Maar het uitwendige, het Kerkgenootschap, daarbij heeft de Staat belang; daarvoor wordt om maatschappelijke redenen, erkenning en toelating vereischt. In dien zin heeft de Grondwet het woord Gezindheid alleen gebezigd, en alleen kunnen bezigen, omdat erkenning of bescherming van het Geloof buiten haar bereik lag.

Wanneer men dit wel in aanmerking neemt, is de redenering van den Heer Groen bij uitnemendheid geschikt, om te doen zien, dat de afgescheidenen het verlof der Regering tot hunne vestiging behoeven. Niet voor hun Geloof, want dat kan hetzelfde wezen als dat van de Hervormde Kerk; — daarvan kan het zijn dat zij zich niet hebben afgescheiden. Het ligt ook buiten het bereik der wet, en om hun Geloof, worden noch de afgescheidenen, noch iemand anders verontrust. Maar zij hebben, de Heer Groen zelf dringt er op aan, zich van het Hervormd Kerkgenootschap afgescheiden, zij willen een afzonderlijk Kerkgenootschap oprigten, als zoodanig willen zij openbare Godsdienstoefeningen houden, Kerken bezitten, Leeraars en Opzieners aanstellen, fondsen beheeren, armen verzorgen, en daarvoor, al geeft men toe dat zij nog belijders zijn van het Hervormde Geloof, voor die maatschappelijke inrigting, behoeven zij de toelating der Regering.

Tot het bestaande Hervormde of Gereformeerde Kerkgenootschap, kunnen de afgescheidenen gewis niet meer worden gerekend te behooren; hun voorgeven, dat zij slechts hetzelfde Hervormde Kerkgenootschap zouden zijn, hetwelk vóór 1816 bestond, is geheel ongegrond.

|82|

Zoowel vóór als nà 1816 heeft er, onder den naam van de Gereformeerde of Hervormde Gezindheid, slechts één Kerkgenootschap, één corpus morale in den Staat bestaan. In 1816 heeft dit Kerkgenootschap eene nieuwe regeling bekomen, en die regeling is door het geheele Kerkgenootschap aangenomen, door allen met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming goedgekeurd; — niemand heeft er zich tegen verzet of daartegen geprotesteerd, en allerminst hebben er sedert dien tijd twéé uitwendige ligchamen in den Staat bestaan, waarvan het eene de Kerk vóór, het andere de Kerk na 1816 zoude zijn geweest.

Op het wezen en op het bestaan van het uitwendige Kerkgenootschap, van dit uitwendig ligchaam, was die regeling zonder eenigen den minsten invloed; zoo vóór als nà is alles bij het oude gebleven, de Kerkelijke bezittingen, personen, ledematen, staatkundige regten en betrekkingen zijn dezelfde gebleven als te voren, en er bestaat derhalve onder den naam der Hervormde Gezindheid, slechts één erkend corpus morale, één Kerkgenootschap in den Staat, hetzelfde, dat daarin reeds bij de instelling der Grondwet aanwezig was, hetzelfde dat toen een verkregen regt bezat op de voortduring van deszelfs bestaan.

Van dat Kerkgenootschap, van dat maatschappelijk ligchaam, hebben zich nn de afgescheidenen losgerukt, en wel op de meest volkomene wijze. Zij hebben niet blootelijk geweigerd hunne toestemming te geven tot de regeling die in 1816 had plaats gehad (daartoe bestond er ook voor hen na twintig jaren geene gelegenheid), maar zij hebben zich van het geheele Kerkgenootschap afgescheiden, en door de verlangde schrapping uit doop- en lidmaten-boeken, hebben zij de afscheiding op de allervolkomenste wijze voltooid.

Wanneer dan nu de afgescheidenen een afzonderlijk Kerkgenootschap willen oprigten, dan zal daarvan het

|83|

gevolg zijn, dat er in den Staat een maatschappelijk ligchaam zal ontstaan, een corpus morale het aanwezen zal verkrijgen, hetwelk vóór de afscheiding niet bestond en op dit oogenblik nog niet bestaat, en hetwelk dus noodzakelijk als nieuw moet worden beschouwd, want al wat eerst ontstaat is per se nieuw.

Nu moge het waar zijn, dat men voor heeft, dit nieuwe Kerkgenootschap in te rigten naar oude regelen; niet te min blijft het waar, dat het een nieuw ontstaand zedelijk ligchaam zijn zal, waaraan men het aanwezen geeft.

En nu lette men wel op, wat de Grondwet heeft bedoeld. Deze heeft wel de bestaande Gezindheden of corporatiën, indien ik die eens zoo noemen mag, gehandhaafd in hun bestaan en verkregene regten, maar zonder die handhaving te verbinden aan oenen zekeren vorm en eene bepaalde inwendige regeling, van welke de Gezindheden niet zouden mogen afwijken; en allerminst is er uit de Grondwet te lezen, dat voortaan nieuwe of afzonderlijke Kerkgenootschappen zich vrijelijk zullen kunnen vestigen, wanneer zij slechts dezelfde grondslagen aannemen, als de Gezindheden, die bij de invoering der Grondwet hebben bestaan.

Wanneer men de onbepaalde vrijheid van afzonderlijke vestiging op vorige grondslagen, als beginsel aannam, en vooral wanneer men toe gaf, dat de afgescheidenen, niettegenstaande hunne afscheiding, nog tot de Hervormde Kerk behooren, dan zoude men welligt al spoedig op vele plaatsen zoodanige afscheidingen, om de beuzelachtigste redenen zien tot stand brengen, bij voorbeeld, om zich te onttrekken aan al te drukkende Kerkelijke lasten, een al te groot bezwaar van armen en dergelijke; — dan zoude een ieder kunnen zeggen, ik scheide mij af, en vestige mij op nieuw, op dezelfde grondslagen als het Hervormde Kerkgenootschap had in 1816, of welk ander jaar men zoude verkiezen te noemen; — dan zoude het Rijk als overstroomd kunnen

|84|

worden met een aantal afzonderlijke Hervormde Kerkjes, maar dat het dan met alle eenheid der Kerk gedaan zoude zijn, behoeft geen betoog, evenmin als dat daardoor de betrekkingen van het Hoog Bestuur tot al die Gezindheden, welke hetzelve gehouden zoude zijn te beschermen, tot eenen chaos van verwarring zouden worden gebragt.

Een afzonderlijk Kerkgenootschap te vestigen op oude grondslagen is in de daad wat de afgescheidenen, althans naar hun voorgeven, willen doen. Zij willen een afzonderlijk ligchaam vormen, hetwelk thans niet bestaat, en zij zeggen, dat zij daarbij zullen volgen de regeling, welke het Hervormde Kerkgenootschap vóór 1816, heeft gevolgd; — maar schoon dan die regelen vroeger hebben bestaan, hun afzonderlijk Kerkgenootschap bestaat thans nog niet, moet nog gevormd worden, en zal dus nieuw zijn; — hun voorwenden, dat hun Kerkgenootschap reeds oud is, is onwaar, want zelfs op dit oogenblik bestaat het niet, en hetgeen zij dus willen doen, is niets anders dan een nieuw Kerkgenootschap te vormen op oude grondslagen.

Zoodra dit echter slechts is toegestaan, volgt daaruit van zelf, dat er eene toelating van dat nieuwe Kerkgenootschap door de Regering noodzakelijk is, want de aanneming van de oude grondslagen is niet genoegzaam, om die overbodig te maken. Drie punten komen bij het verleenen of weigeren van zoodanige toelating in aanmerking: vooreerst, of de instellingen van een nieuw Kerkgenootschap ook met de openbare orde en zedelijkheid in strijd zijn, ten tweede, of er ook aan de verkregene regten van andere Gezindheden wordt te kort gedaan, en ten derde, of het nieuwe Kerkgenootschap bereid is, om aan al deszelfs maatschappelijke verpligtingen te voldoen.

De toelating der Regering kan alleen worden gegeven, wanneer op alle drie deze vragen een voldoend antwoord gegeven wordt.

|85|

Wanneer nu de afgescheidenen, een Kerkgenootschap willende vestigen, hetgeen thans niet bestaat, daarbij zeggen, dat zij het Geloof aankleven en de Kerkregeling volgen zullen, welke de Hervormde Kerk vóór 1816 volgde, dan voldoen zij alleen aan de eerste der voorwaarden van toelating, dan doen zij blijken, dat er in hunne leer en instellingen niets gevonden wordt dat op zich zelf schadelijk is, maar dan moet er nog blijken van de twee andere punten, dat namelijk, door de vestiging van hun afzonderlijk Kerkgenootschap, aan de regten der andere reeds bestaande Kerkgenootschappen niet wordt te kort gedaan, en dat de nieuwe Gezindheid bereid zal zijn, om aan hare pligten jegens den Staat te voldoen.

Zoodanig is dan ook de uitgedrukte zin van het Koninklijk Besluit van den 5 Julij 1836. Van den kant der orde en zedelijkheid bestaat er geene zwarigheid tegen de toelating der nieuwe Gezindheid, maar de regten van anderen moeten verzekerd worden, de regten van den Staat moeten worden gewaarborgd: — die verzekering en waarborg moet uitdrukkelijk gegeven worden, en wanneer er Reglementen worden aangeboden, waarin die voldoende te vinden zijn, zal de toelating niet worden geweigerd, ziedaar den eenigen, den onmiskenbaren zin van dit Besluit, met de weldadigste bedoeling uitgevaardigd.

Een laatste argument, waarmede men aan de Regering het regt van voorafgaand onderzoek en toelating van nieuwe Gezindheden heeft willen betwisten, heeft men gezocht in Artikel 193 der Grondwet, hetwelk men in dien zin heeft uitgelegd, dat nieuwe Gezindheden zich vrijelijk zouden kunnen vestigen, zonder eenige voorafgaande toestemming te behoeven, en dat de Regering geene andere bevoegdheid zoude hebben, dan om tusschen beide te treden, wanneer door de Godsdienstoefeningen der nieuwe Gezindheid de openbare rust mogt zijn verstoord.

|86|

Ik zoude dit argument met stilzwijgen kunnen voorbijgaan, want de wederlegging daarvan is reeds opgesloten in het geen ik ten aanzien van het regt van toelating heb gezegd. Ik heb aangetoond, dat zoo wel volgens de algemeene beginselen, als volgens de Grondwet, het regt van toelating of erkenning van nieuwe Gezindheden, onbetwistbaar aan de Regering toekomt, en derhalve is ook eene uitlegging van Art. 193, volgens welke dat regt zoude worden ontkend, noodzakelijk onjuist, moet die onjuist zijn. Maar ik moet toch nog aanmerken, dat men bij die uitlegging de attributien van het Regterlijk Gezag en die van de Hooge Regering, op eene zonderlinge wijze verwart. De Regterlijke magt begint pas te werken, wanneer er iets kwaads bedreven is, en straft de daders; — de verhevene pligt der Regering is, om reeds vooraf te zorgen, dat er aan de maatschappij, aan de Ingezetenen, geen leed overkome, hare werking is uit den aard preventief. Drie punten, gelijk ik straks zeide, komen er bij de toelating van nieuwe Gezindheden in aanmerking, de algemeene zedelijkheid, de bescherming der bestaande Gezindheden en de verzekering van de maatschappelijke regten. Maar wat zoude men nu van een Gouvernement zeggen, hetwelk met zijne zorg voor de zedelijkheid des Volks zoude wachten, tot dat die zedelijkheid was besmet, en welligt reeds onherstelbaar was aangetast? Of moet dat bescherming heeten, wanneer men eerst wacht tot dat de beschermeling is beleedigd, en dan naderhand den aanrander verdrijft? Neen! reeds vooraf zorgen, dat er geen leed gebeure, dat heet beschermen, en gewis zoude de klagt van achteloosheid gegrond zijn tegen eene Regering, welke, in eene zaak aan hare zorg toevertrouwd, eenig kwaad liet ontstaan, zonder dat er pogingen waren aangewend om hetzelve te voorkomen.

Tot wegneming van allen twijfel omtrent den zin der

|87|

Grondwet, zijn mij ook hier de hoogst belangrijke mededeelingen, van welke ik vroeger gewaagde, op de uitnemendste wijze te stade gekomen. Uit de deliberatien toch, welke omtrent het 193e Artikel der Grondwet hebben plaats gehad, blijkt het allerduidelijkst, dat men daarbij alleen het oog heeft gehad, op het noodzakelijke toezigt der Regering over de uitwendige Godsdienstplegtigheden der bestaande Gezindheden. Er is begrepen, dat het voor de openbare rust gevaarlijk zoude kunnen zijn, om alle plegtigheden, van welken aard ook, onbepaald toetelaten; en zonder nu, hetgeen ook in eene Grondwet niet te pas kwam, te bepalen, welke plegtigheden al, welke niet konden worden gedoogd, heeft men het oordeel daarover aan de Regering willen overlaten, daarbij alleen tot algemeenen regel stellende, dat slechts diegene zullen mogen geweerd worden, waardoor de openbare rust in gevaar zoude kunnen worden gebragt.

Eene enkele bijzonderheid uit de deliberatien over de Grondwet, is overgenoeg om dit op te helderen. Bij de beraadslagingen over de Grondwet van 1813, was van de Artikelen tot de Godsdienst betrekkelijk, een eerst ontwerp in de Fransche taal opgesteld. In dat ontwerp luidde Art. 136 aldus: L’exercice de tous les cultes est libre, il se fera conformément aux usages et règlemens existans.

Hiertegen rezen bedenkingen, vooral omdat men vreesde zich hierdoor te binden aan gebruiken en Reglementen, welke men niet kende, en welke, wat de Roomsch Catholijke Godsdienst aanbelangt, in de onderscheidene Bisdommen en distrikten van België konden verschillen; — maar het beginsel zelf, hetwelk al weder een gevolg was van de eerbiediging van bestaande regten, werdt aangenomen, alleen werd in de plaats van de oude gebruiken en reglementen nu alleen de openbare orde tot rigtsnoer aangenomen. Dat echter, niettegenstaande deze geringe

|88|

verandering, ook hier en in het naar deze bedenkingen geredigeerde Artikel 193 der Grondwet, wederom aan niets anders gedacht is, noch heeft gedacht kunnen worden, dan aan de plegtigheden der toen bestaande Gezindheden, is boven alle bedenking, en de woorden van het ontwerp usages et règlemens-éxistans, sluiten alle denkbeeld van nog niet bestaande Gezindheden volstrektelijk uit.

——

Dan het wordt tijd, dat ik van het, zoo ik meen, ten overvloede bewezene regt van toelating afstappe, en mij begeve tot het onderzoek, wat er door de Regering, met betrekking tot dit regt, is verrigt.

Hierop komt het aan, want men wijt het aan de Regering, dut de afgescheidenen niet zijn toegelaten, en men klaagt, dat de Regering alzoo van haar regt van toelating geen gebruik heeft gemaakt, of liever, dat zij er misbruik van gemaakt zoude hebben, om de vestiging der afgescheidenen te verhinderen en te weren.

Ik wensch hierbij mij uit te drukken met dien hoogen ernst, welke mij, zoowel door den aard der zaak en het gewigt der beschuldigingen, welke men tegen ons geëer-biedigd Bestuur heeft durven uiten, als door mijne volle overtuiging van derzelver ongegrondheid, en door mijne smart over de ongehoorde miskenning, welke de Regering heeft moeten ondervinden, wordt ingeboezemd, — Ik wensch, dat ieder met denzelfden ernst lezen moge hetgeen ik thans ter nederschrijven en door daadzaken bevestigen zal.— Mogt ik hierbij harde woorden bezigen, men vergeve het mij, maar zij worden door de zaak gevorderd.

Het is onwaar, het is laster, wanneer men beweert, dat de Regering immer den wil zoude hebben gehad, om de afzonderlijke vestiging der afgescheidenen te verhinderen; — het is onwaar, dat de Regering immer zoodanige

|89|

bedoelingen zoude hebben aan den dag gelegd; — het is onwaar, dat de Regering immer tot sijstema zoude gehad hebben, dat de afgescheidenen in de Hervormde Kerk moesten worden terug gedreven, of dat eene enkele van de handelingen der Regering, zoodanige bedoeling heeft gehad of doen zien.

Van den aanvang af, is de Regering bereid geweest, om de vestiging der afgescheidenen te veroorloven, wanneer er slechts voldaan werd aan de drie voorwaarden, zonder welke de Regering dat verlof niet geven mogt, waarborging namelijk van de openbare zedelijkheid, van de regten der overige Gezindheden, en van de regten van den Staat.

De Regering heeft nimmer getracht aan de afgescheidenen de voldoening aan deze voorwaarden moeijelijk te maken, integendeel, zij heeft gedaan al wat in haar ver-mogen was, om de afgescheidenen daartoe den weg aan te wijzen, zij heeft daartoe, als het ware, zelf het spoor gebaand.

De Regering, ja, heeft het betreurd, dat er in de Hervormde Kerk eene scheuring ontstaan is; zij heeft kunnen wenschen, dat de ontstane verdeeldheid mogt ophouden of worden bijgelegd; — maar zij heeft dit betreurd en gewenscht, gelijk alle weidenkenden dit hebben betreurd en gewenscht; — zonder dat Zij, die over leerstellingen geen oordeel velt of grondwettelijk kan vellen, daarom de afscheiding zelve uit een Godsdienstig oogpunt heeft veroordeeld, en vooral zonder dat zulks van eenigen den minsten invloed op hare handelingen is geweest.

En echter, wien moet eene zoo verregaande partijdigheid niet smartvol aandoen! ook dit is aan de Regering tot misdaad aangerekend. Zij had die scheiding niet mogen betreuren, zij had niet mogen wenschen, dat die geene plaats had gehad, zoo heeft men gezegd; want daardoor

|90|

gaf zij hare bedoeling te kennen, om die scheiding te weren en te doen ophouden, en in dien zin moeten hare daden worden uitgelegd! Welk eene onregtvaardigheid! Men geeft breed op van de bedenkelijke gevolgen, welke de afscheiding voor de Kerk en den Staat hebben kan, men schildert met zwarte kleuren de gevaren, welke daardoor worden gedreigd, en men neemt het aan eene Regering, welker vurigste bedoeling ’s Lands heil is, kwalijk, dat zij die afscheiding betreurt, dat zij den wensch heeft gekoesterd, dat de ontstane verdeeldheid mogt worden bijgelegd!

Hoe verre van de waarheid verwijderd het is, dat de Regering geneigd zoude zijn geweest, om de scheiding te weren, zullen wij thans op het overtuigendste doen zien. Met eene bewonderenswaardige langmoedigheid heeft zij telkens de hoogst ongepaste verzoeken der afgescheidenen, niet alleen beantwoord, maar hun zelfs den weg aangewezen, dien zij te volgen hadden, indien zij bij hun voornemen volhardden, om eene afzonderlijke Gezindheid te vestigen.

Hier spreken de daadzaken luide, en bij de enkele herinnering daaraan moet gewis iedereen blozen, die aan de Regering heeft ten laste durven leggen, dat zij de afgescheidenen om hun Geloof vervolgd heeft, of dat het haar te doen was, om hen weder in de Hervormde Gezindheid, al ware het dan met geweld, te doen terugkeeren.

——

De eerste pogingen der afgescheidenen, om zich tot eene bijzondere Gezindheid te vormen, zijn geenszins voorafgegaan of vergezeld geweest door éénig verzoek om erkenning of toelating.

Het is door geweld, en in weerwil van het Kerkelijk en Wereldlijk Gezag, dat zij zich hebben willen vestigen, en

|91|

zich in het bezit stellen der Kerken en Kerkelijke goederen. Het is bekend, welk eene hoogte hunne gewelddadigheden hebben bereikt, en hoe de tusschenkomst van het Openbaar Gezag is noodzakelijk geworden. Toen eerst, toen zij zich gestuit zagen in hunnen toeleg, om door geweld te verkrijgen, hetgeen zij volgens de Staatswetten van de Regering hadden moeten verzoeken, hebben zij begonnen Adressen aan Zijne Majesteit in te dienen.

De toon en de uitdrukkingen dier Adressen 1) waren uiterst onbetamelijk, voor de Regering honend en dreigend, zoo zelfs, dat ieder bijzonder persoon, aan wien zoodanig stuk ware gerigt geweest, hetzelve met onwil zoude uit de hand geworpen, en hetzelve geene beantwoording waardig zonde hebben geacht. Maar boven deze beleedigingen was onze edele Regering verre verheven, en zonder daarop te letten, onderzocht men het onderwerp der Adressen met dezelfde zorg, alsof zij in den betamelijksten vorm waren voorgedragen en opgesteld.

Maar wat behelsden nu die Adressen? Niets dan eene op hoogen toon gestelde verklaring van personen, die zich kwalificeerden te zijn Leeraars, Ouderlingen, Diakenen en Gecommitteerden van wettig bestaande Gemeenten van afgescheidenen, dat zij zich van de Hervormde Kerk afgescheiden en eene afzonderlijke Gezindheid gesticht hadden, die dan de eigenlijke, de ware Gereformeerde Kerk zoude zijn, met eene dreigende vordering, om uit dien hoofde in het vredig bezit der Kerken en Kerkelijke goederen en in de ongestoorde uitoefening van de Godsdienst te worden gehandhaafd.


1) Deze Adressen, zoowel als die, waarvan ik hierna gewagen zal, zijn in druk uitgegeven, en daardoor ook bij mij bekend geworden. Het is wel eenigzins jammer, dat zoo weinigen de moeite genomen hebben, om die te lezen; men zoude daardoor met de wezenlijke stellingen der afgescheidenen, en gewis niet tot hun voordeel, meer algemeen bekend geraakt zijn.

|92|

Aan zoodanige verzoeken kon en mogt de Regering geen gehoor geven. Wat den vorm aanbetreft, kon daarop, behoudens de regten der Regering, naauwelijks regaard worden geslagen, want zij waren ingediend door of uit naam van Kollegiën, welke alleen door de toelating der Regering een wettig bestaan konden verkrijgen, en de kwalificatien der Adressanten konden mitsdien niet worden erkend. Wat den inhoud aangaat, zoo behoeft het geen betoog, dat zulke ongerijmde eischen niet konden worden toegestaan, maar alleen konden dienen, om de Regering te herinneren aan hare dure verpligting, om bij eene eventuele toelating der nieuwe Gezindheid, te zorgen, dat op de regten der overige bestaande Gezindheden geen inbreuk zoude worden gemaakt, en dat ook de regten van den Staat daarbij zouden worden verzekerd.

Op deze onbetamelijke en beleedigende Adressen had de Regering gewis kunnen volstaan met een afwijzend antwoord te geven, maar, wie moet hier niet het geduld, de edele zachtmoedigheid der Regering bewonderen? zonder in het minste zich gestoord te toonen over den hoogen toon, waarop men verklaard had, de bevoegdheid der Regering alleen te erkennen, voor zoo verre zulke niet streed met Gods woord, of over de grove beleedigingen, waarmede de Adressen waren doorzaaid, of over de dreigementen, waarmede zij waren opgevuld, werden de afgescheidenen op de bescheidenste wijze te regt gewezen en opmerkzaam gemaakt op de redenen, waarom hun verzoek niet konde Worden toegestaan, ja werd hun zelfs den. weg aangewezen, dien zij hadden in te slaan, wanneer zij hunnen wensch wilde verwezenlijkt zien.

De eerste der beschikkingen, waarbij dit alles aan de afgescheidenen werd te kennen gegeven, viel op het Request van de afgescheidenen te Doeveren, Genderen en Gansoijen, en was van den volgenden inhoud:

|93|

„De Minister van Staat, belast met de Generale Directie voor de zaken der Hervormde Kerk enz.
„Bij missive van den Heer Secretaris van Staat, van den 23 November ll. n.° 81, door Zijne Majesteit den Koning gelast zijnde, om op de wijze daarbij voorgeschreven te beschikken, op het verzoek, van J. Branderhorst c.s., zich noemende Ouderlingen en Diakenen der Gereformeerde gemeente van Doeveren, Genderen en Gansoijen; strekkende om voor zich en de personen, die zich met hen hebben afgescheiden van het Nederlandsche Hervormd Kerkbestuur, vrijheid te erlangen tot Godsdienstoefening en om te worden gehandhaafd in het bezit der kerken en kerkelijke goederen.
„Geeft dien ten gevolge van wege Zijne Majesteit te kennen aan voornoemde J. Branderhorst c.s.
„Dat hun Predikant H.P. Scholte, niet om zijne predikwijze of leerstellige gevoelens, maar wegens inbreuk op de Kerkelijke verordeningen, en verzet tegen de Kerkelijke besturen is gesuspendeerd geworden; en dat dus de supplianten het geheel verkeerdelijk doen voorkomen, als of de afscheiding, waartoe zij met zoo veel overijling besloten hebben, noodig was geweest tot bewaring van hunne gewetensvrijheid.
„Dat zij in deze scheuring volhardende, niet langer als Hervormden of Gereformeerden kunnen worden aangemerkt, vermits er geen ander Hervormd Kerkgenootschap in dezen lande erkend wordt als datgene, welks organisatie is geregeld door de reglementen en verordeningen, welke door den Koning zijn bekrachtigd, en bestuurd wordt volgens de voorschriften daarin vervat.
„Dat door een toegeven aan hunne aanmatiging, de Hervormde Kerk werkelijk zoude ontbonden worden, vermits daaruit zoude voortvloeijen, dat elke gemeente zich verordeningen en bestuur naar willekeur zoude mogen verkiezen;

|94|

„Dat de Kerken en Kerkelijke goederen te Doeveren en Genderen behooren aan het Hervormd Kerkgenootschap, en dat zij, zich van dat genootschap afscheurende, alle regt van aanspraak daarop verliezen.
„Dat voorts de Grondwet aan hun geenszins het regt geeft tot Godsdienstoefening, vermits dezelve wel aan elk de volkomene vrijheid van Godsdienstige begrippen waarborgt, maar alleen aan de, in het Koningrijk bestaande gezindheden bescherming verleent.
„Dat zij derhalve geen aanspraak hebben op vrijheid tot uitoefening van Godsdienst, voor en al eer, de Secte, welke zij door hunne scheuring willen vormen, door den Koning erkend en daaraan met de bestaande Gezindheden, regt op gelijke bescherming verleend mogt zijn.
„En dat op grond van al het aangevoerde, de verzoeken door de supplianten gedaan, door Zijne Majesteit worden gedeclineerd en gewezen van de hand, met vermaning om terug te keeren, tot de gehoorzaamheid aan het door Hoogstdezelve erkend Hervormd Kerkbestuur.
„Zullende afschrift dezes tot informatie en narigt gezonden worden aan J. Branderhorst c.s.
„’s Gravenhage, den 27 November 1834.
 „De Minister van Staat voornoemd,
 „Get.) van Pallandt van Keppel.

En dit stuk, hetwelk eene zoodanige zachtheid ademt, waarin aan de afgescheidenen wordt aangewezen, in welke opzigten zij dwalen, en welken weg zij moeten inslaan, wordt door den Heer Groen aangehaald als een doorslaand bewijs, dat de Regering ten doel had, de afgescheidenen, te dwingen, om tot de Hervormde Kerk terug te keeren! En waarom? enkel om de vaderlijke vermaning in het slot voorkomende, en welke des te gepaster was, omdat de Adressanten, althans eenigen onder hen, leden waren van den Kerkenraad der Hervormde Gemeente, en als

|95|

zoodanig, bij ongehoorzaamheid aan het Kerkelijk Gezag, aan censuur en afzetting konden blootgesteld zijn.

Na dien tijd, en gedurende den loop van het jaar 1835, werden er op nieuw successivelijk onderscheidene Adressen aan Zijne Majesteit gerigt, in de meeste opzigten met de hiervoren bedoelde overeenkomende, speciaal ook daarin, dat zij waren gepresenteerd, als uit naam van gevestigde Kerkenraden, even als of de Gezindheid der afgescheidenen reeds wettiglijk bestond, gelijk dan ook in geene derzelve, om erkenning of toelating werd verzocht, maar alleen, in meer of min gebiedende bewoordingen, werd gevraagd, dat hunne Eeredienst niet mogt worden belemmerd, maar zij integendeel in de vrije uitoefening van dezelve mogten worden gehandhaafd.

Ook aan deze verzoeken kon het Hoog Bestunr geen gunstig gehoor geven, zóó om de gebreken in den vorm, als om den aard van het verzoek, want door daaraan op dien voet, gelijk verzocht was, gehoor te geven, zoude de Regering hebben afgezien van haar regt van toelating, en zich buiten de mogelijkheid hebben gesteld, om de regten der bestaande Gezindheden te beschermen, gelijk zij volgens de Grondwet verpligt was te doen; alsmede om de verzekering te verkrijgen, dat de regten van den Staat, bij de oprigting der nieuwe Gezindheid, zouden worden gewaarborgd. Beiden was te noodzakelijker, omdat, ook in deze Adressen, geenszins werd afgezien van de bewering, dat de afgescheidenen tot het bezit van de. Kerken en goederen der Hervormde Gezindheid geregtigd waren, maar zulks veeleer betoogd en aangedrongen werd, met te kennen geven, dat zij alleen voor onregt en geweld in dat opzigt zonden bukken; — terwijl hun wederstand aan de Wetten van den Staat, die inmiddels meer en meer toegenomen was, en hunne herhaalde verklaringen, dat zij zich alleen naar ’s Rijks Instellingen wilden gedragen,

|96|

voor zoo ver die niet zouden strijden met Gods woord, het bedenkelijk maakte, of zij wel zouden geneigd zijn, zich te onderwerpen aan de bepalingen van het burgerlijke regt, ten aanzien van de goederen, welke de nieuwe Gezindheid zoude verkrijgen; — aan hunne verpligting tot onderhoud hunner armen, en aan zoo vele andere punten, waarbij de Staat een onmiddellijk belang had.

Intusschen werd de geheele staat dezer zaak met de meeste naauwkeurigheid onderzocht, en nadat er rijpelijk was beraadslaagd over hetgeen door de Regering op die Adressen zonde worden ten antwoord gegeven, werd eindelijk de Minister van Staat, belast met de Generale Directie voor de zaken der Hervormde Kerk, door Zijne Majesteit belast met de uitvaardiging eener kennisgeving, uit welker inhoud aan den eenen kant wèl blijkt, hoe ongunstig alle door het Hoog Bestuur met zoo veel zorg ingewonnen informatien, ten opzigte van de gesteldheid der afgescheidenen waren uitgevallen; maar tevens aan den anderen kant, dat de Regering met de meeste bereidwilligheid zich beijverde, om hen op nieuw den weg te wijzen, dien zij tot verkrijging hunner vestiging te volgen hadden; — want die aanwijzing maakt juist den voornamen inhoud dezer kennisgeving uit.

Dezelve was van den volgenden inhoud:

„De Minister van Staat, belast met de Generale Directie der zaken van de Hervormde Kerk enz.
„Bij aanschrijving van den 10 dezer n.° 71, ontvangen hebbende Zijner Majesteits beschikking op de adressen van onderscheidene personen, welke verklaren, zich op de daarbij aangegevene gronden, van de gevestigde Hervormde Kerk te hebben afgescheiden; en dienvolgens verzoeken ’s Konings goedkeuring, autorisatie en bescherming, ten einde in hunne Eeredienst niet te worden

|97|

belemmerd, maar integendeel in de vrije uitoefening van dezelve te worden gehandhaafd.
„Geeft, overeenkomstig gemelde Koninklijke aanschrijving, bij deze, aan de adressanten te kennen:
„Dat Zijne Majesteit met het hoogste leedwezen vernomen heeft hun voornemen, om de gevestigde Hervormde Kerk te verlaten en afzonderlijke genootschappen te vormen; daar zoodanige scheuring van veruitziende gevolgen is, en aanleiding geeft tot onverdraagzaamheid, twisten en partijschappen, den nadeeligsten invloed uitoefenende, op de rust der huisgezinnen en de opvoeding der kinderen; terwijl deze afscheiding voor hen zelven, van zeer bedenkelijke gevolgen zoude wezen, daar zij er wel op bedacht moeten zijn, dat zij alsdan zelve geheel en al zouden moeten zorgen voor hunne Kerken, voor hunne Leeraars, en voor het onderhoud hunner behoeftigen.
„Dat in allen gevalle, de door hen ingediende verzoekschriften, voor geene gunstige beschikking vatbaar zijn, maar zoo als zij zijn liggende, moeten worden gewezen van de hand.
„Dat, indien zij onverhooptelijk mogten blijven volharden bij hun voornemen, om afzonderlijke nieuwe Godsdienstige genootschappen te vormen, de Koning aan hen geene toelating en grondwettige bescherming kan verleenen, dan nadat Zijner Majesteit zal zijn gebleken, dat de openbare orde of veiligheid daardoor niet gestoord kan worden; dat Hoogstdezelve dus zal afwachten de nadere daartoe in te dienen adressen, welke verzeld zullen moeten zijn van hunne reglementen en statuten, ten einde daarop finaal te beschikken, na dat een en ander in het belang eener goede politie zal zijn onderzocht, en daarin niets gevonden, dat de publieke orde en rust zoude kunnen storen, met de goede zeden strijden, of eenige inbreuk maken op de bezittingen, inkomsten, regten of

|98|

titels van de gevestigde hervormde (gereformeerde) Kerk of eenig ander, reeds in dit rijk bestaande Kerkgenootschap, als welke Zijne Majesteit, volgens de Grondwet, verpligt is te beschermen.
„Dan dat inmiddels, zoo lang zoodanige toelating door Zijne Majesteit niet zal zijn verleend, de adressanten geen aanspraak kunnen maken op de vrijheid van Godsdienstoefening en de bescherming, alléén aan de bestaande Kerkgenootschappen bij de Grondwet verzekerd; en dat mitsdien voorloopig de door hen, zonder verkregene toelating, feitelijk opgerigte gemeenten, als onwettig, niet kunnen worden geduld.”
„’s Gravenhage, den 11 December 1885.
 „De Minister van Staat voornoemd,
 „Get.) van Pallandt van Keppel.

Hier is nu wel alle twijfel onmogelijk. Eene bepaalde en opzettelijke aanwijzing en uiteenzetting, van hetgeen er voor de afgescheidenen te doen viel, om tot eene vestiging te geraken; — en tevens eene stilzwijgende, maar daarom niet minder volkomene toezegging, dat de toestemming der Regering niet achterwege blijven zou, wanneer er aan de gevorderde voorwaarden werd voldaan; dat was het, wat den opmerkelijken inhoud van dit belangrijke stuk uitmaakt.

——

Het was nu te verwachten, dat de afgescheidenen zich dankbaar deze teregtwijzing zouden hebben ten nutte gemaakt, en dat zij zich zouden gehaast hebben, om aan het Gouvernement de inlichtingen te verschaffen, welke hetzelve verklaard had noodig te hebben, om de vestiging der afgescheidenen te kunnen toestaan, — maar hierin vond men zich geheel bedrogen.

Welke de redenen zijn geweest, waarom de afgescheidenen

|99|

niet aan deze voorwaarden hebben willen voldoen, is mij niet geheel duidelijk; — te minder, omdat er, buiten eenigen twijfel, niets van hen gevraagd werd, dat, zelfs van verre, met hun Geloof of hunne Godsdienstige begrippen strijdig konde zijn, en zij er toch, na zich geheel van de Hervormde Kerk te hebben afgescheiden, geene zwarigheid in konden maken, om eene verzekering te geven, dat zij aan de regten dier Kerk niet zouden te kort doen; veel minder nog zich bezwaard konden achten, om zich te verbinden, tot het voldoen aan die verpligtingen jegens den Staat, welke de nieuwe Gezindheid, gevestigd zijnde, met alle andere Gezindheden zoude gemeen hebben.

Ik vermoed echter, dat men thans heeft beginnen te begrijpen, dat men met de afscheiding zelve eenen verkeerden stap had gedaan, dat men zich daardoor, gelijk de Heer Groen het vergoelijkende uitdrukt, op een verkeerd terrein had geplaatst; dat men de gevolgen daarvan thans heeft beginnen in te zien, en dat men heeft willen beproeven zich daaraan te onttrekken. De noodzakelijke uitwerkselen van dezen belangrijken stap, aan welke men zich dan wilde onttrekken, waren ook in de daad van zeer veel gewigt. Alle betrekking hoegenaamd, tusschen de afgescheidenen en de Hervormde Gezindheid werd daardoor verbroken, en schoon, ten gevolge daarvan, de eerste nu niet meer aan de Synode en aan de Kerkelijke Reglementen onderworpen waren, zoo moesten zij het nu daarentegen ook aanzien, dat die bij voortduring in de Hervormde Gezindheid als wettig en geldig werden aangemerkt, en hadden zij geen belang meer, om de wettigheid te betwisten van iets, dat omging in eene Kerk, waarvan zij zich hadden afgescheiden, die aan hun vreemd geworden was. Door de daad der afscheiding was alle denkbeeld vervlogen van eene zoogenaamde hervorming in de Kerk,

|100|

want zij hadden zich daarvan afgescheiden, zij waren thans buiten de Kerk, en zonder eenigen invloed op hetgeen er binnen die Kerk plaats had.

Van niet minder belang was hunne afscheiding ten aanzien der Kerkelijke regten en bezittingen, want, na hunnen vrijwilligen en beslissenden stap, hadden zij ongetwijfeld geene aanspraak op eenig verder deelgenootschap daaraan. Het is welligt tot opheldering hiervan niet ongepast, hier eene bewering aan te halen, welke door de afgescheidenen zelve, menigmaal gebezigd is, om te doen gelooven, dat zij nog steeds tot de Hervormde Gezindheid moeten gerekend worden, en welke door den Heer Groen bepaaldelijk aangedrongen is. Zij beweerden namelijk, dat zij zich niet van de Hervormde Kerk, maar alleen van het Hervormd Kerkgenootschap hadden afgescheiden. Ik laat deze onderscheiding voor hetgeen zij is, mij daaromtrent bepalende, tot hetgeen daarvan reeds vroeger is gezegd, maar zij is juist geschikt om hier de gevolgen der afscheiding te beter te doen uitkomen, want het is niet de Kerk, maar het Kerkgenootschap, hetwelk burgerlijke eigendommen en regten bezit. Niet de Kerk, die onstoffelijke vereeniging zoo men dan wil; maar alleen het Kerkgenootschap is het corpus morale, hetwelk in de maatschappij eigendomsregten kan doen gelden, en bij eene afscheiding daarvan, vervalt buiten twijfel alle deelgenootschap aan de regten en bezittingen, waartoe de afgescheidenen slechts, als tot dat corpus morale behoorende, mede geregtigd waren geweest.

Wanneer zij, gelijk ik vermoede, dit alles te voren zoo niet hadden bedacht, on thans eerst hebben beginnen in te zien, dat deze de noodzakelijke gevolgen der afscheiding waren, laat het zich eenigzins verklaren, waarom zij achterlijk zijn gebleven, om tot het verkrijgen van toelating, het weinige te doen, dat daartoe werd vereischt.

|101|

Welke nu echter de redenen daarvoor mogen zijn geweest, zoo veel is zeker, dat de afgescheidenen niet hebben verkozen te voldoen, aan hetgeen de Regering aan hen, met onmiskenbare goedwilligheid, als het ware in den mond gegeven had.

Geheel en al hebben zij echter niet kunnen stilzitten, want dan was het ligt te begrijpen, dat voortaan iedereen hunne klagten, met een verwijzing aan de inlichtingen door de Regering gegeven, zoude beantwoorden.

Maar wat hebben zij nu gedaan? Zij hebben te kennen gegeven, dat zij aan het verlangen der Regering niet konden voldoen, want dat zij geene Reglementen of Statuten hadden, dan alleen de Formulieren van eenigheid. Dit geleek echter zeer veel naar spotternij, want niemand kon er aan twijfelen, en het bleek uit de gegevene inlichtingen bij ieder woord, dat dit niet was hetgeen de Regering had bedoeld, maar dat het te doen was, om de regeling der maatschappelijke betrekking, welke het nieuwe Kerkgenootschap in den Staat verkrijgen zoude.

Later zijn zij dan ook, naar ik meen, nog een’ stap verder gegaan, en hebben te kennen gegeven, dat zij zich in het algemeen gedragen zouden volgens de oude Kerk-ordening.

Door deze kennisgeving, in verband met de verklaring, dat zij zich aan de Formulieren zouden houden, kon nu wel één van de punten, bij de toelating in aanmerking komende, als beslist worden aangemerkt, want dat de Hervormde Formulieren of Kerk-ordening niets konden bevatten, wat tegen de orde en rust in den Staat stellig zoude aandruischen, had geen verder onderzoek noodig. Maar er bleven nog twee andere punten over, van welke de Regering niet mogt afzien, namelijk de waarborging der regten van de andere Gezindheden, welker bescherming bij de Grondwet aan den Staat was opgelegd, en de

|102|

verzekering, dat de nieuwe Gezindheid aan hare maatschappelijke verpligtingen zoude voldoen.

Reeds bij de kennisgeving van den 11 December 1885, was dit alles duidelijk genoeg uitgedrukt, maar de Regering wilde aan de afgescheidenen, zoo als men het noemt, de maat vol meten. Zij konden zich hebben bedrogen, en eene nadere teregtwijzing konde derhalve, ook uu nog tot hunne inlichting dienstig zijn.

Deze laatste teregtwijzing werd dan gegeven, bij het hoogst merkwaardige Koninklijke Besluit van den 8 Julij 1836. Dit Staatsstuk is door deszelfs opneming in de open-bare dagbladen, en door de plaatsing in het Staatsblad, zoo algemeen bekend geworden, dat het onnoodig is deszelfs inhoud hier te herhalen. Niettemin acht ik het van belang, bij den geheelen loop der denkbeelden, in dat besluit voorkomende, eenigzins stil te staan, omdat daardoor de weldadige strekking van hetzelve in een helder daglicht voorkomt.

Het Besluit dan vangt aan met eene herinnering, dat aan de afgescheidenen, bij de zoo even aangehaalde beschikking van den 11 December 1835, het spoor was aangewezen, hetwelk zij hadden in te slaan, indien zij volhardden bij hunnen wensch, om zich afzonderlijk te vestigen, en dat zij daarbij tevens waren gewaarschouwd, dat de eigenmagtige oprigting van een afzonderlijk Kerkgenootschap, door de Regering, volgens de Grondwet, niet konde worden gedoogd.

Niettegenstaande deze teregtwijzing en waarschouwing, zoo vervolgt het Besluit, zijn de afgescheidenen voortgegaan met de oprigting van hun Kerkgenootschap, zonder zich aan het gezag der Regering te willen onderwerpen; — zij hebben daardoor onrust verwekt, en zij hebben inbreuk gemaakt op de regten van het erkende Hervormde Kerk genootschap.

|103|

Dit kan niet worden gedoogd, omdat Zijne Majesteit, door de Grondwet, tot de bescherming van dat Kerkgenootschap verpligt is.

Intusschen, (zoo is de merkwaardige zin van het Besluit, en dit verdient eene bijzondere opmerking,) is er, door het overleggen der Formulieren, welke de afgescheidenen, zoo wel als het Hervormde Kerkgenootschap, erkennen, reeds genoegzaam gebleken, dat hunne Leer niets bevat wat tegen de openbare orde strijdig is, en van dien kant staat dus aan hunne toelating niets in den weg, maar zij moeten bovendien, door het overleggen hunner Reglementen en Kerkelijke organisatie doen blijken, dat ook aan de beide andere vereischten wordt voldaan, dat namelijk de regten der overige Gezindheden geen gevaar zullen loopen, en dat de nieuwe Gezindheid hare verpligtingen jegens den Staat opvolgen zal.

Verder wordt er rede gegeven, waarom op hunne verzoeken, zoo als die zijn liggende, geen acht kan worden geslagen, omdat namelijk de bestuurders van het met de daad opgerigte Kerkgenootschap, zich in deze adressen hoedanigheden toeschrijven, welke zij niet bezitten, en welke niet kunnen worden erkend.

Na deze praemissen, waarbij nog gevoegd wordt eene herhaalde waarschouwing, dat, zoo lang aan die voorwaarden niet zal voldaan zijn, hunne wederstreving van het openbaar Gezag, en aanranding van de regten eener gevestigde Kerk niet kan of zal worden gedoogd, volgen nu de eigenlijke bepalingen van het Besluit.

——

Daarin vindt men nu vooreerst, de verklaring, dat het facto bestaande Kerkgenootschap onwettig is en ontbonden wordt, met verbod van verdere zamenkomsten, en nadere waarschouwing, tegen alle verdere aanranding van de regten

|104|

der Hervormde Kerk, als welke ook voor het vervolg, alle toelating en bescherming, of het reguard slaan op eenige nadere vertoogen der Adressanten ondoenlijk zoude maken.

In de tweede plaats vindt men daar eene omstandige aanwijzing, wat de afgescheidenen te doen hebben, wanneer zij eene toelating als gemeente of Kerkgenootschap door de Regering zullen willen verkrijgen.

Hun verzoek moet individueel zijn, want zoogenaamde Kerkelijke Kollegien, in strijd met de Wet en met het Gezag der Regering ingesteld, kunnen door de Regering niet erkend worden, en op de verzoeken door zoodanige Kollegien ingediend, kan om de hiervoren aangehaalde redenen geen acht worden geslagen.

Hunne naamteekeningen moeien gelegaliseerd zijn, want de Regering begeert niet zich te laten misleiden door soortgelijke kunstgrepen, als er bij het beruchte petitionneren hebben plaats gegrepen 1).

Zij moeten hunne Reglementen en Kerkelijke Organisatie overleggen, want daaruit zal moeten blijken: 1.° dat zij op de regten der bestaande Gezindheden, in het bijzonder op die der Hervormde Kerk, geen inbreuk zullen maken; — 2.° dat zij aan hunne verpligtingen jegens den Staat zullen voldoen, door te zorgen voor de behoeften van hunne Eeredienst en armen, en door de verzekering te geven, dat het Rijk aan hun geenen onderstand zal behoeven te verschaffen.

Nog verder eindelijk gaat het Besluit; — indien zij verlangen mogten, ook zonder eene uitdrukkelijke erkenning en vestiging, Godsdienstig te zamen te komen, mits


1) Dat deze voorzorg niet nutteloos was, is zóó waar, dat één’ der ingediende adressen zelfs tot een geregtelijk onderzoek, wegens vermoeden van valschheid, heeft aanleiding gegeven, en dat er onder de naamteekeningen, waarvan een ander adres was voorzien, zelfs namen zijn aangetroffen van lieden, van meer dan tachtigjarigen ouderdom, sints lang bedlegerig en bijna geheel kindsch.

|105|

niet als Gemeente, maar als bijzondere personen, zoo wordt hun ook daartoe onder zekere bepalingen de gelegenheid opengesteld.

——

Is het nu wel mogelijk, bij deeze bloote ontleding van den zin van ’s Konings Besluit, daarvan de strekking te miskennen? Is het wel mogelijk nog verder staande te houden, dat de Regering tot de toelating der afgescheidenen ongeneigd zoude zijn? Of wordt er dan van hen iets te veel gevorderd? Immers neen! niets anders dan hetgeen waartoe de Regering volgens de Grondwet en door Hare zorg voor den Staat stellig verpligt was; niets anders dan een waarborg voor de regten van den Staat en van de Hervormde en andere Gezindheden.

Is dan echter de ontbinding en onwettig verklaring van het facto opgerigte Kerkgenootschap te misbillijken? Al wederom neen! daarvan wordt immers de rede opgegeven, omdat de eigenmagtige vestiging van zoodanig Kerkgenootschap tegen de Wetten van den Staat streed; — omdat de afgescheidenen de openbare rust hadden verstoord, omdat zij de regten der Hervormde Kerk hadden aangerand; — en dit was maar al te waar.

Over dit zoo hoogst belangrijke Besluit, over dit ontegensprekelijke blijk van ’s Konings vaderlijke bedoeling, waardoor al de aangevoerde klagten op eene zoo luisterrijke wijze worden tegengesproken, Iaat de Heer Groen zich dan ook slechts in zeer weinige woorden uit, en ik zal ook op mijne beurt slechts zeer weinige woorden noodig hebben, om hetgeen daarover gezegd wordt te beantwoorden.

De ontbinding der Gemeenten wordt door hem afgekeurd, omdat er geene voorafgaande toelating derzelve noodzakelijk zoude zijn. Ik heb hiervan, zoo ik vertrouwe, op eene overtuigende wijze het tegendeel betoogd.

|106|

Er worden, zegt hij, voorwaarden opgelegd, die niet in de Grondwet zijn genoemd. Die voorwaarden zijn wel in de Grondwet: — Art. 191 verpligt den Koning om de bestaande Gezindheden bij hunne regten te handhaven; — Art. 196 legt Hem de verpligting op, om alle Kerkgenootschappen te houden bij de gehoorzaamheid aan de Wetten van den Staat, en meer dan een waarborg voor de ongeschondenheid van de regten der andere Gezindheden en van den Staat is er noch gevorderd, noch bedoeld.

Het laatste lid van het Besluit, de bijzondere bijeenkomsten tot Godsdienstige einden betreffende, zoo zegt hij almede, is door uitleggingen beperkt. Het is niet beperkt geworden, maar men heeft de ware bedoeling daarvan kenbaar gemaakt, en men heeft moeten waken tegen de pogingen der afgescheidenen, die al dadelijk en op verschillende wijzen beproefd hebben, om onder den dekmantel dier zoo welwillend toegestane vergunning, eene aanvrage om toelating te ontwijken en te ontduiken, en om zich, ook zonder dezelve, tot eene Gemeente en tot een Kerkgenootschap te vestigen; maar meer is er, ook in dit opzigt niet gedaan.

Eindelijk, de afgescheidenen zouden hebben getracht aan deze bepalingen te voldoen. Ook dit is onnaauwkeurig. Nooit hebben zij zich anders geadresseerd, dan, hetzij als Kerkenraden, hetzij als Ledematen eener reeds gevestigde Gemeente; — en deze aanmatiging was met alle verzoek om toelating in lijnregten strijd. Nooit hebben zij uitdrukkelijk erkend, geen regt of aanspraak te hebben op de bezittingen van het Hervormde Kerkgenootschap; — het uiterste wat zij gedaan hebben, bestond daarin, dat zij den schijn hebben aangenomen, van te dien aanzien, onder het geweld te zullen bukken, en het laatste adres, van de Cock c.s., behelst nog een opzettelijk betoog over hun vermeend regt, op de Kerkelijke eigendommen.

|107|

Nooit hebben zij afgezien van hunne aanmatiging, om zich te noemen de ware Gereformeerde Kerk, integendeel, zij heb-ben uitdrukkelijk verklaard daarvan niet te willen afzien.

Maar zij hebben, en dit alleen is waar, den schijn aangenomen, als of zij aan de gestelde voorwaarden niet konden voldoen. En welke was nu hunne uitvlugt? Zij zeiden, dat het hun niet geoorloofd was bijeen te komen, en dat zij derhalve ook niet over hunne Reglementen en Organisatie konden beraadslagen. Dit is onwaar, want niets stond hun in den weg om tot deze beraadslagingen bijeenkomsten te houden, zoo als, in alle andere gevallen door personen geschiedt, die eenig Genootschap willen vormen. De Reglementen konden dus zeer wel worden ontworpen; — de onderteekening derzelve door de individu’s konden dan gemakkelijk volgen, even gemakkelijk als met hunne, door velen onderteekende Requesten is geschied.

Al verder zeiden zij, dat de Kerkelijke Reglementen alleen door de Leeraars en Opzieners, tot het Kerkbestuur bevoegd, konden ontworpen worden, en dat derhalve eene vestiging de opstelling van Reglementen moest voorafgaan. Doch hier zijn zij in tegenspraak met hetgeen werkelijk is geschied. Zij hebben zich Reglementen gemaakt, zij hebben eene Kerken-ordening aan Zijne Majesteit aangeboden, en nu staat er hun niets in den weg, dat zij die Reglementen en Kerken-ordening beschouwen uit zoodanig oogpunt als zij verkiezen, dat zij die aannemen en onderhouden, om zoodanige reden en op zoodanigen voet als zij begrijpen te behooren, mits die slechts niet aan de goedkeuring der Regering worden onderworpen als de uitvloeiselen eener reeds bestaande Gezindheid, maar als een ontwerp, hetgeen thans nog geene kracht hebben kan, maar alleen kracht zal verkrijgen, wanneer de Gezindheid wettiglijk zal zijn geconstitueerd.

|108|

Daarenboven, zij zeggen zich te willen gedragen naar de Dordsche Kerken-orde, en is dit waar, dan hebben zij geene deliberatie, geene aanneming, of wat het ook zij, ten opzigte van dat onderwerp meer noodig, dan behoeven zij daar toe slechts te verwijzen, want dat stuk is bekend.

Was het dan zoo moeijelijk, om te voldoen aan hetgeen de Regering voorschreef? In geenen deele, niets was, naar mijn inzien, meer gemakkelijk. Een of twee artikelen zoude voldoende kunnen zijn. Eene verklaring dat men geene aanspraak maakt op datgene, wat tot de regten en bezittingen der overige Gezindheden betrekkelijk is; — eene andere verklaring, dat men voor de behoeften van Eeredienst en armen zal zorgen, zonder onderstand van den Staat te vorderen; — daarbij verwezen tot de Dordsche of eenige andere Kerken-orde, welke men mogt begeeren, of zoodanig stuk als ontwerp overgelegd, ten blijke dat de zaken der nieuwe Gezindheid op eenen ordelijken voet zullen worden beheerd, eindelijk dan daarbij een verzoek om toelating, gedaan en onderteekend door de individu’s, en niet als leeraars, opzieners of ledematen eener reeds bestaande Gezindheid; — dit zoude, in mijn oog, alles zijn wat er noodig was, om aan ’s Konings meergemeld Besluit geheel te voldoen.

——

Het schijnt mij toe, na deze alles afdoende blijken van de gezindheid der Regering, om de vestiging der afgescheidenen toe te laten en gemakkelijk te maken, onmogelijk te zijn, dat daaromtrent nog eenige redelijke twijfel zoude kunnen bestaan. Vraagt men nu, waarom ik gemeend heb hieraan een bijzonder gewigt te moeten hechten, waarom ik dit tot in de bijzonderheden heb aangetoond? dan antwoorde ik, omdat daarmede in het niet verzinken alle

|109|

klagten en aantijgingen, als of de afgescheidenen om hun Geloof zonden worden vervolgd.

Straks zullen wij zien, dat dit hatelijk woord van vervolging ten eenenmale zonder toepassing is op de maatregelen, tot welke de afgescheidenen hebben aanleiding gegeven, thans is het genoeg als onomstootelijk bewezen te kunnen aannemen, dat hun Geloof daarbij niet in aanmerking gekomen is. Uitdrukkelijk heeft Zijne Majesteit het verklaard, dat er in hun Geloof geene beletsel tegen hunne vestiging gelegen is, uitdrukkelijk is de toezegging gedaan, dat zij zullen worden toegelaten, wanneer er aan de gevorderde voorwaarden voldaan wordt.

Maar dan is het ook zonneklaar, dat er met geene mogelijkheid aan vervolging om des Geloofswille, aan Conscientie-dwang, hoe luidkeels men daarover ook geschreeuwd hebbe, kan worden gedacht; dan is het zonneklaar, dat de Regering niet anders heeft begeerd, dan hetgeen bij de Grondwet geboden was; en dat al wat er geschied is, te wijten is aan de hardnekkigheid, waarmede de afgescheidenen hebben geweigerd of nagelaten te voldoen aan de billijke voorwaarden, welke de Regering hun aangewezen had, en aan den stouten overmoed, waarmede zij de Wetten en het Regterlijk Gezag, zoowel als het Hoog Bestuur, hebben getrotseerd.

——

En nu de maatregelen welke door de hardnekkige wederspannigheid der afgescheidenen zijn noodzakelijk gemaakt? — Ook deze worden misprezen, in deze wordt de grond gevonden voor de meeste beschuldigingen tegen het Hoog Bestuur.

Wij hebben, naar ik meen, reeds eenen grooten stap gedaan, om tot het regte standpunt van beschouwing dier maatregelen te geraken, door het ontegenzeggelijke betoog,

|110|

dat de Regering niet in het geringste ten doel heeft, de vestiging der afgescheidenen te verhinderen, dat alle klagten over vervolging om des Geloofswille, over onderdrukking in gewetenszaken, volslagen ongegrond zijn.

Maar wat is dan de strekking dezer maatregelen? Zij zijn niets anders dan het noodzakelijke en onmisbare gevolg van de halstarrige overtredingen der Wetten, waaraan de afgescheidenen zich sedert zoo lang hebben schuldig gemaakt eu waarmede zij nog steeds voortgaan.

Ook dit punt nader zullende toelichten, moet ik op den voorgrond stellen, dat men, aan de Regering het regt van toelating van nieuwe Gezindheden toekennende, aan haar ook de middelen niet ontzeggen kan, om de Gezindheden te weren, aan welke die toelating niet heeft kunnen worden verleend. Het zoude de ongerijmdheid zelve zijn, wanneer men zeggen wilde, dat de toelating moest worden gevraagd, maar dat, zoo de Regering begreep, die niet te kunnen toestaan, de nieuwe Gezindheid zich des niettemin, in weerwil van de Regering, zoude kunnen vestigen, zonder dat het Hoog Bestuur bij mag te zoude zijn, zulks te keer te gaan.

Dit is het intusschen juist wat er met de afgescheidenen gebeurt. Zij hebben gevraagd om toelating; — de Regering heeft begrepen, die niet te kunnen toestaan, voor dat er aan zekere voorwaarden voldaan was, en nu gaan de afgescheidenen niettemin voort met hunne vestiging, en gedragen zich op dezelfde wijze, als zij na eene wettige erkenning slechts hadden kunnen doen.

Indien het de vraag was, of in zoodanige omstandigheden, zelfs buitengewone maatregelen niet zouden worden gewettigd, dan zoude ik geen oogenblik aarzelen, om die vraag toestemmend te beantwoorden: — indien het Hoog Bestuur ongestoord en onbelemmerd mag worden verguisd en vertrapt, indien het niet bij magte is, om zijn miskend

|111|

gezag te doen gelden, en de naleving te vorderen van hetgeen uit krachte der Grondwet en om het welzijn van den Staat is verordend, dan is er geene Regering mogelijk, dan staat de anarchie voor de deur.

Maar ik heb deze redenering niet noodig, want er zijn geene buitengewone middelen aangewend; — er is niets anders gebeurd, dan hetgeen door ’s Lands geschrevene Wetten stellig is bevolen en gelast.

Ik zal, na al wat er, hiervoren, over den zin der Grondwet en van het Wetboek van Strafregt is gezegd, zoo ik hoop, niet op nieuw behoeven te betoogen, dat de Art. 290 en volgende van dat Wetboek in geenen deele met de Grondwet in strijd zijn, noch ontoepasselijk op de vergaderingen der niet toegelatene Gezindheid van de afgescheidenen.

Wat is er nu in die Artikelen te lezen? Dat de overtreders daarvan met geldboeten zullen worden, gestraft, en dat de onwettige bijeenkomsten zullen worden ontbonden. En wat is er meer gebeurd? Hoegenaamd niets. Al de klagten over vervolging en verdrukking hebben hoegenaamd geenen anderen grond, dan dat de afgescheidenen door de Regtbanken zijn veroordeeld, en dat hunne vergaderingen door het Hoog Gezag ontbonden, zijn.

Daartoe echter was in de Strafwet niet slechts de bevoegdheid gegeven, de stellige verpligting daartoe was aan de Overheden opgelegd, en deze mogten zich daarvan, behoudens eed en pligt, niet ontslaan.

Als ambtenaren van Geregtelijke Politie moesten de Plaatselijke Overheden de overtredingen der wet constateren, als administratieve ambtenaren, moesten zij tot de ontbinding der onwettige bijeenkomsten overgaan, wilden zij niet wegens pligtverzuim worden beschuldigd en gestraft.

Maar het gebruik der Militaire magt tot de ontbinding,

|112|

zal men vragen, is dit niet iets buitengewoons, iets dat niet in de wet gegrond is? Neen gewis niet; — men dwaalt ten eenemale in de voorstelling, welke men zich daarvan heeft gevormd. Het is niet de Regering, welke uit zich zelve de Militaire magt overal heen zendt, om de vergaderingen, welke zich mogten vertoonen, te verstrooijen en te doen uiteengaan: — de Militaire magt heeft zich nergens vertoond, dan ter requisitie en tot ondersteuning van het Burgerlijk Gezag waar dit te kort schoot.

Wanneer de Burgerlijke Overheden, in den kring hunner ambtsbetrekkingen, niet bij magte zijn, om gehoorzaamheid aan de Wet te verzekeren, dan hebben zij het regt, om den sterken arm tot hulp in te roepen, dat regt staat almede in de Wetten geschreven, en het Gouvernement mag niet weigeren aan die inroeping gehoor te verleenen, indien hetzelve zijne eerste pligten niet miskennen wil.

Dit is het, en niets anders, wat er gebeurd is. Nergens heeft de Militaire magt op zich zelve gewerkt, nergens is zij anders verschenen dan om de Burgerlijke Overheden bij te staan, en waar die bij magte geweest is, om aan hare wettige verpligtingen te voldoen, en de Wet te doen eerbiedigen, heeft zich geen enkel soldaat vertoond.

Maar het is er, helaas! zeer verre van af, dat de eerbied voor de Wet en voor het Burgerlijk Gezag overal zouden in het oog gehouden zijn. Op zeer vele plaatsen, waar de Burgerlijke Overheid zich in de vergaderingen der afgescheidenen vertoonde, werd zij bespot en gehoond, en er is zelfs een tijd geweest, dat men tot een vast gebruik scheen aangenomen te hebben, om de aanmaning om uitéén te gaan, te beantwoorden met de uitnoodiging aan den Burgemeester, om onder het gehoor plaats te nemen, en aan den Veldwachter, om als Kerkendienaar te zorgen voor de openbare rust.

|113|

Aan de bevelen om uitéén te gaan werd nergens gehoor gegeven, en zelfs werd hier en daar de persoonlijke veiligheid der Burgerlijke Ambtenaren aangerand of bedreigd. Zich gehoond, hun gezag veracht ziende, hebben de Overheden hunnen nood aan het Gouvernement te kennen gegeven, en het Hoog Bestuur, indachtig aan zijne verpligting om het wettig gezag te ondersteunen, en getrouw aan de verhevene spreuk: Je maintiendrai; heeft zich bereid getoond, om de noodige bescherming te verleenen, waar zulks zoude gevorderd worden.

Van toen af aan hebben dan ook de Burgerlijke Overheden gebruik gemaakt van hun regt, om de bescherming en hulp der Militaire magt in te roepen, en die is verleend; maar het behoeft geen betoog, dat er daardoor niets is geschied, dan hetgeen door de Wet was geauthoriseerd, ja hetgeen daarbij stellig bevolen was; — en, ik moet het herhalen, de Regering heeft hare bescherming aan het Burgerlijk Gezag niet kunnen weigeren, zonder hetzelve aan openbare verguizing prijs te geven, niet mogen weigeren, zonder eene stellige overtreding van haren pligt en van de Wet.

——

Hoe luide men dan ook geschreeuwd heeft over verdrukking, heeft men echter niet kunnen tegenspreken, dat er tusschen al de bemoeijingen van het Administratief, Militair en Regterlijk Gezag, een noodzakelijk verband bestond, en dat, zoo lang als de Regering van oordeel was, hare toestemming tot de vestiging der afgescheidenen niet te kunnen geven, er ook noodzakelijkheid bestond, om Art. 290 en volgende van het Wetboek van Strafregt na te leven; en dat mitsdien ook het constateren der overtredingen en de ontbinding der vergaderingen, des noodsmet behulp van den sterken arm, aan de Burgerlijke

|114|

Overheden, — de veroordeeling tot de bij de Wet gestelde straffen, aan den Regtbanken, ten onvermijdelijken pligt was.

——

Maar men heeft gevraagd, of de Regering niet van de geheele gestrengheid der voorwaarden van toelating eenigzins had kunnen afzien, en hare vergunning tot de vestiging der afgescheidenen verleenen, op den voet zoo als zulks door hen werd verlangd; — men heeft gevraagd, of het in allen gevalle niet beter ware geweest, de Strafwet buiten toepassing te houden, en de afgescheidenen slechts, zoo als men zegt, te laten begaan. Deze vragen zijn te meer van gewigt, omdat zij ook wel eens gedaan zijn door lieden, overigens van de waarheid der door mij voorgedragene beginselen geheel overtuigd; — omdat in onzen tijd nog meer dan anders, een flaauwharlig laissez faire, altijd zijne voorstanders vindt.

Neen, voorwaar! dit mogt de Regering niet doen. Men verlieze toch nooit uit het oog, dat de afgescheidenen zich den naam aanmatigen van de Ware Gereformeerde Kerk, dat zij beweren, de regte eigenaars te zijn van de Kerkelijke goederen en bezittingen der Hervormde Gezindheid; — dat deze bewering nog altijd door hen, zelfs in Adressen aan den Koning wordt verkondigd, schoon dan ook hunne pogingen, om die met geweld in praktijk te brengen, zijn gestuit.

Wat zoude nu bij zoodanige aanmatiging, bij zulke stellingen, het onmisbare gevolg zijn geweest van eene erkenning of toelating der Regering, op de wijze, door de afgescheidenen gevorderd? Dat zij daarin een bewijs zouden hebben gevonden, voor de gegrondheid hunner overdrevene en ongerijmde eischen; — dat zij die alom zouden willen hebben doen gelden, en daartoe zelfs het Gezag der Regering zouden hebben ingeroepen; — dat zij

|115|

al spoedig aan de Hervormde Gezindheid haren naam zouden hebben betwist, en dezelve, waar zij maar konden, uit hare regten en bezittingen zouden hebben verdreven: — en waar zoude het dan heengegaan zijn met de rust van den Staat, waarheen met de Grondwettige bescherming, welke de Regering aan de Hervormde Gezindheid verschuldigd is?

Maar, zegt men, de Regering had aan hare erkenning zoodanige voorschriften kunnen verbinden, waardoor alle gevaar van dien kant, en tevens alle gevaar voor ongehoorzaamheid aan de maatschappelijke instellingen zoude voorgekomen zijn. —Om dit echter te kunnen zeggen, om te kunnen gelooven, dat hierin een uitweg ware gevonden geweest, moet men volslagen onbekend zijn met al wat de afgescheidenen betreft.

Het is ongerijmd, te gelooven, dat de afgescheidenen de voorwaarden, tot welke zij uit zich zelven niet willen overgaan, zouden willen aannemen, wanneer die hun door de hand der Regering waren opgelegd. Dan eerst zonde het geschreeuw over verdrukking regt zijn opgegaan, dan eerst zonde men geklaagd hebben over misbruik van gezag, en misschien dit laatste niet zonder eenig regt. De Regering toch heeft wel het regt om de toelating te weigeren, wanneer aan de gestelde voorwaarden niet wordt voldaan, maar zij heeft niet de bevoegdheid, om, hare toestemming gevende, daarbij voorwaarden op te leggen, onder welke de toelating niet was gevraagd, noch zoude worden begeerd.

Zoodanige daad der Regering zoude ook niets gebaat hebben, want de afgescheidenen zouden, even als thans, de bevoegdheid der Regering, om hun eenige voorschriften te geven, hebben ontkend, zij zouden op denzelfden voet als thans, in hunne beweringen hebben volhard, en het éénige gevolg van zoodanigen maatregel zoude zijn geweest, dat de Regering van het ware standpunt, waarop

|116|

zij zich thans bevindt, van namelijk de toelating toe te zeggen, wanneer er aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, zoude verplaatst zijn in de valsche stelling, om eene toegelatene Gemeente te dwingen tot het nakomen van voorwaarden, onder welke de toelating niet was verlangd, of om uit hoofde van het niet nakomen der opgelegde voorwaarden, op nieuw de Gemeente te weren, welker vestiging men reeds toegelaten had.

Tot het geven van voorschriften, ten doel hebbende om de Artikelen der Strafwet buiten werking te stellen, was, het zij met allen eerbied gezegd, de Regering niet bevoegd. Die Artikelen maken een deel uit van eene Wet, welke nog steeds in ons Land geldig is en eene verbindende kracht bezit, en zoodanige Wet kan, naar de beginselen van ons Staatsregt, alleen door eene andere Wet en met gemeen overleg der Staten-Generaal worden afgeschaft of buiten werking gesteld.

Indien er thans sommigen gevonden worden, die begrijpen, dat de werking dier Artikelen, door een Besluit of door eenigen anderen administratieven maatregel had kunnen en behooren te worden gestuit, het zoude daarentegen, had de Regering zulks beproefd, gewis niet ontbroken hebben aan anderen, die hierin, en met goeden grond, eene openbare verkrachting der Grondwet zouden hebben gezien.

Maar al ware het Gouvernement bevoegd geweest tot het nemen van zoodanigen maatregel, waarvan echter in den geheelen loop der Regering geen enkel voorbeeld te vinden is, of al ware men van de medewerking der Staten-Generaal daartoe verzekerd geweest, dan nog zoude de afschaffing der bedoelde Artikelen ten uiterste onraadzaam, onstaatkundig en gevaarlijk voor de openbare rust zijn geweest.

Ik zal hier nog niet eens gewagen, dat men die Artikelen toch wel niet speciaal, ten voordeele der afgescheidenen

|117|

zoude hebben kunnen afschaffen, dat die afschaffing algemeen zoude hebben moeten zijn, en dat men daardoor alle toezigt op de vestiging van nieuwe Godsdienstige corporatien, alle middel tot wering van velerlei zedebedervende en goddelooze Sekten, mitsgaders tot bescherming van de beslaande Gezindheden, zoude hebben vernietigd.

Met betrekking tot de afgescheidenen zelf, was die afschaffing onstaatkundig en gevaarlijk.

Ik laat al wederom nog dáár, dat de openbare zedelijkheid en de algemeene orde, door zoo vele bijeenkomsten van geestdrijvende aanhangers der afscheiding werkelijk zijn gestoord of in gevaar gebragt; — ik heb meer bijzonder het oog op de onberekenbare gevolgen, welke de onbelemmerde vestiging der afgescheidenen, zonder gegeven waarborg, voorden Staat in het algemeen, zoude hebben gehad.

Men verlieze toch niet uit het oog, wat er al met de afgescheidenen is gebeurd, welke tooneelen van geweld hunne eerste verschijning hebben gekenschetst. Wettige Predikanten der Hervormde Gezindheid zijn gehoond, uit de Kerk geweerd, zelfs mishandeld; — geheele Gemeenten kwamen in de wapenen, om hunne wettige Predikanten tegen overlast te beveiligen; — een Provinciaal Kerkbestuur verklaarde de Predikanten in hunne dienst diligent, tot dat het Gouvernement de Grondwettige bescherming zoude hebben verleend.

Ook deze voorvallen echter, hoe zorgelijk ook, hoe ook de volste aandacht der Regering verdienende, konden nog worden beschouwd, als van voorbijgaanden aard te zijn. Maar hetgeen niet voorbijgaande was, hetgeen eene blijvende uitwerking hebben moest, was de aanmatiging der afgescheidenen, dat zij eigenlijk alléén de ware Gereformeerden waren, dat de eigendom der Kerken en Kerkelijke goederen aan hun alléén toekwam.

|118|

Dit was een blijvend beginsel, en wel een beginsel, ik moet het herhalen, dat nimmer is verloochend, dat ook nu nog door de Cock openlijk wordt voorgestaan, een beginsel, hetwelk, naar het gevoelen der afgescheidenen, alleen door onregt en geweld kan worden miskend.

Het was ten gevolge van dit beginsel, dat de afgescheidenen te Ulrum en te Genderen hebben getracht, zich met geweld van de Kerken of Kerkelijke goederen meester te maken, en hoe weinig het te verwachten is, dat dezelfde oorzaak niet steeds en bij voortduring dezelfde gevolgen zoude hebben, kan nog daaruit blijken, dat, zoo ik wèl onderrigt ben, nog onlangs te Bunschoten, in de Provincie Utrecht, een toeleg zoude hebben bestaan, om met geweld de Kerk der Hervormden in te nemen.

Deze geweldadigheden zijn, waar zij zich vertoond hebben, beteugeld, en dank zij de krachtdadige zorg, waarmede de Regering het gezag der Overheden en der Wetten heeft beschermd: men heeft het niet durven onderstaan, om die op andere plaatsen te herhalen; — maar ik laat het aan ieder ter beoordeeling over, welke vreesselijke gevolgen er niet te duchten zouden zijn geweest, wanneer de afgescheidenen aan hunne, reeds in den aanvang zoo teugellooze driften, aan de dolzinnige inblazingen van geestdrijvende ijveraars, ongestoord waren overgelaten geweest.

Bij de verhitte taal van eenen de Cock, die bij voorkeur uitwendige wapenen en strijd als gelijkenis bezigt, zelfs dan, wanneer hij zegt alleen het inwendige te bedoelen; — bij de nog hooger opgewondene geestdrijverij van dweepers uit de geringste volksklasse, die in zoo vele vergaderingen der afgescheidenen, als woordvoerders en als leiders optreden, kan het niet twijfelachtig zijn, of de hartstogtelijke prediking van het beginsel, dat de afgescheidenen alléén de ware Gereformeerden zijn, dat aan hun de Kerken en Kerkengoederen toebehooren, zoude,

|119|

op een onbeperkt getal van toehoorders, in groote massa’s te zamen gevloeid, de schromelijkste uitwerking hebben gehad.

In het gezigt der geweldadigheden, welke al dadelijk het gevolg zijn geweest van dit beginsel; — bij de overtuiging, dat dit zelfde beginsel nog steeds wordt verkondigd en aangekleefd, kon de Regering zich niet ontveinzen, dat deze gevolgen zich, en met meer geweld, zonden herhalen, wanneer men, zonder eenigen waarborg daar tegen te bezitten, aan de bijeenkomsten der afgescheidenen den vrijen teugel liet, dat deze herhaling niet alleen mogelijk, maar zelfs hoogst waarschijnlijk zoude zijn.

En deze mogelijkheid, deze waarschijnlijkheid was genoeg, om het denkbeeld, zelfs aan eene proefneming om de afgescheidenen ongestoord hunnen gang te laten gaan, geheel te doen verbannen. — Wanneer die proefneming gelukkig geslaagd ware, en de gevreesde daden van geweld eens niet hadden plaats gegrepen, dan zoude daarvan nog het gevolg zijn geweest, dat de Regering zich zoude beroofd hebben gezien van het noodzakelijke toezigt over de vestiging van nieuwe Gezindheden; — maar wanneer zij eens ongelukkig ware uitgevallen, indien de afgescheidenen eens overal, gelijk te Ulrum en te Genderen, hun beginsel omtrent den eigendom der Kerkelijke goederen in praktijk hadden gebragt, dan was de openbare rust en veiligheid afhankelijk gesteld van het regt van den sterksten.

Het is waar, het getal der afgescheidenen is gering; welke moeite zij zich geven om hunnen aanhang als zeer talrijk te doen voorkomen, staan zij, volgens de naauwkeurigste berigten, tot de overige bevolking slechts in de verhouding van 1 tot 500; maar men weet tot welke dolle ondernemingen een geestdrijvende hoop kan worden verleid, en het is immers bekend, met welk een gemak de afgescheidenen gewoon zijn, als op een gegeven wachtwoord,

|120|

zich in een aanmerkelijk getal, dan hier, dan daar te verzamelen, en hoe op die wijze ook thans tot hunne vergaderingen veelal plaatsen worden uitgekozen, waar men hen het minst verwacht, of waar zij den minsten tegenstand te schromen hebben.

Hadden zoodanige vergaderingen, veelal van menschen die niets te verliezen hadden, veelal bovendien van lieden uit verschillende meer of min afgelegene Gemeenten, en welker persoonlijke onbekendheid hen op straffeloosheid kon doen hopen, ongestoord kunnen vermenigvuldigen, en zich als het ware, het terrein kiezen, om hunne leer ten aanzien der Kerkelijke goederen door daden te ondersteunen, dan zouden op die plaatsen, waar de afgescheidenen de overhand hadden gehad, de Hervormden zich alras uit de Kerken en Kerkelijke bezittingen hebben verstooten gezien; — op de plaatsen, waar de beide afdeelingen nagenoeg tegen elkanderen overstonden, zoude welligt moord en doodslag te betreuren zijn, en alleen daar, waar het getal der. Hervormden de zege ontwijfelbaar had gemaakt, zoude de rust, schoon ook slechts in schijn, zijn bewaard, of liever het vuur onder de asch gedekt, tot dat zich de gelegenheid zoude hebben aangeboden, om het in ligte laaije vlam te doen uitbarsten.

Met eene volle overtuiging maak ik hier de woorden van den Heer Groen, bladz. 43 tot de mijne. „Gewis zouden dan de menschelijke driften in het spel zijn geraakt, gewis zoude men, naar den gewonen loop van zaken, feitelijkheden, verwonding, doodslag hebben zien ontstaan. Dit zoude, o ja, worden gestuit en gestraft; doch de raadslieden, die tot zulk eene gewaagde proefneming hadden durven raden, zouden hebben mogen bedenken, van wien het vergoten bloed, en of het niet van hen zou worden geëischt.”

Men verwijte mij niet, dat ik de zaken te zwart inzie.

|121|

Ik beroep mij op de ondervinding, op hetgeen dat werkelijk gebeurd is, op de onloochenbare waarheid, dat gelijke oorzaken in gelijke, of nog meer tot derzelver ontwikkeling geschikte omstandigheden, tot dezelfde, of tot nog ergere gevolgen moeten aanleiding geven. Wil men echter nog nader bewijs, men lette slechts op de heftige taal der afgescheidenen, ook thans nog, wanneer van hunne hoedanigheid van uitsluitende Gereformeerden, van hun regt op de Kerken en Kerkengoederen de reden is. Evenmin werpe men mij tegen, dat ook bij den tegenwoordigen loop van zaken, volgens den Heer Groen, gewelddadig verzet zou te duchten zijn. Het onderscheid tusschen ons is te groot: de beroeringen welke ik meest te vreezen acht, hebben zich reeds vertoond, de krachtdadige tusschenkomst van het Hoog Gezag is daardoor reeds noodzakelijk gemaakt; — die waarvan de Heer Groen gewaagt, zijn althans nog niet uitgebroken, zij zijn voorgekomen, welligt, en zoo ik hopen durf, ook voor het vervolg, door de ernstige houding, welke de Regering aangenomen heeft.

Maar al mogt er ook thans vrees kunnen bestaan voor dezelfde geweldige opschuddingen, als, naar mijne meening, het onfeilbare gevolg zouden geweest zijn eener onvoorwaardelijke toelating der afgescheidenen, dan nog zoude het standpunt der Regering in beide gevallen verschillend zijn. Thans, wat er gebeuren moge, zal de Regering zich kunnen troosten met de overtuiging, dat zij naar haren pligt en volgens de Grondwet gehandeld heeft; dat zij alles heeft gedaan, wat in haar vermogen was, om ongeregeldheden voor te komen, en om, door aanbieding van toelating op aannemelijke voorwaarden, daarvan zelfs de bron weg te nemen; — in het tegenovergestelde geval, zoude de Regering zich zelve het bittere verwijt moeten doen, dat zij de Grondwettige bescherming der bestaande Gezindheden, ten gevalle van eenen woesten hoop, zoude

|122|

hebben prijs gegeven, en dat zij, alleen om het ongegronde geschreeuw van eenige driftige ijveraars te stillen, de rust van het Land aan eene onberadene proefneming zoude hebben opgeofferd.

——

Zoo meen ik dan op eene overtuigende wijze te hebben betoogd, dat de beschuldiging als of de Regering de afgescheidenen om des Geloofswille zoude vervolgen, ten eenemale ongerijmd en onregtvaardig is; — dat de Regering niets anders heeft begeerd, dan hetgeen, waarvan zij, volgens de Grondwet en haren pligt, niet mogt afzien; — dat zij al het mogelijke gedaan heeft, om de toelating der afgescheidenen te bevorderen en mogelijk te maken; — dat het alleen de onwil van dezen is, om aan billijke voorwaarden te voldoen, welke de werking van het Openbaar Gezag en van de Regterlijke magt hebben noodzakelijk gemaakt; — dat daarbij niets gebeurd is, dan hetgeen volgens de Wet kon en moest gebeuren; — dat het niet in de magt der Regering stond, om de werking dezer Wetten te stremmen, en dat al ware zulks hét geval geweest, eene gegronde vrees voor schromelijke ongeregeldheden zulks zoude hebben verboden.

Hiermede is dan ook alles vervallen wat in het geschrift van den Heer Groen over dit onderwerp wordt voorgedragen. De zoogenaamde vervolging, eigenlijk de noodzakelijke werking der wet, wordt verkeerdelijk ondoelmatig genoemd, want de Regering heeft nooit het doel gehad, hetwelk men aan haar toeschrijft; zij is niet onwettig, want het is integendeel alleen uit kracht en uit hoofde van de Grondwet en van het Strafregt, dat er is gehandeld; zij is eindelijk niet onstaatkundig, want bij eene andere handelwijze zoude de rust en veiligheid van den Staat in het dreigendste gevaar zijn gebragt.

|123|

Moest ik mij reeds te meermalen bedroeven over ongegronde en onbillijke beschuldigingen, bovenal zwelt mij de borst van verontwaardiging, wanneer men door de afgescheidenen hunnen toestand zoodanig ziet voorstellen, als of ervoor hen, niet alleen wat de Godsdienst betreft, maar zelfs in het dagelijksche burgerlijke leven, geen regt of bescherming te hopen was, als of zij aan straffeloozen moedwil en baldadigheid zouden prijs gegeven zijn.

Beter welligt dan iemand anders, ben ik in de gelegenheid geweest, om de overtuiging te verkrijgen, met hoeveel ernst en nadruk, niet alleen de Hooge Regering, maar ook de Regterlijke Magt en het Openbaar Ministerie, steeds de afgescheidenen in hunne burgerlijke regten, bij de veiligheid hunner personen en eigendommen hebben gehandhaafd.

Vorderen het welzijn van den Staat, de Grond wet en ’s Lands Wetten, (zóó was het onveranderlijke beginsel der Regering), dat de bedreigde straffen en de wettige maatregelen van voorzorg op de vergaderingen der afgescheidenen worden toegepast, zoo moeten zij ook aan den anderen kant zorgvuldig beschermd worden tegen allen overlast en willekeur; zelfs tot den schijn van onderdrukking of vervolging moet er geene aanleiding bestaan. Met klem is dit beginsel, overal waar het pas gaf, aangedrongen, met naauwgezetheid is het overal nageleefd.

Het is waar, de lagere volksklasse, niet misleid door de voorspiegelingen, waarmede men anderen heeft zoeken te blinddoeken, en met de afgescheidenen, die tot hunnen stand behoorden, van nabij en persoonlijk bekend, vond in die nadere bekendheid, op meer dan eene plaats reden om zeer tegen de afgescheidenen ingenomen te zijn, en enkele malen heeft zich die ongunstige stemming door dadelijkheden, schoon, over het algemeen, van gering aanbelang, geopenbaard; maar altijd is het Openbaar en Regterlijk Gezag krachtdadig opgekomen, om allen moedwil

|124|

te keer te gaan of te beteugelen; en waar er werkelijk iets strafbaars bedreven was, is er met de meeste naauwgezetheid naar de daders onderzoek gedaan, en zijn zij bij ontdekking met gestrengheid gestraft.

Zelfs afgescheidenen hebben de zorg der Politie voor hunne veiligheid geroemd; zelfs afgescheidenen hebben zich dankbaar betoond voor de hulp en bescherming, welke aan hen was verleend.

En zoodanige leugenachtige beschuldigingen worden evenwel in het openbaar van de zijde der afgescheidenen voorgedragen, ja wat meer is, met eene onbegrijpelijke ligtvaardigheid, ook door eenen man als de Heer Groen, in zijn geschrift opgenomen.

Die daadzaken, zegt hij, zullen wel waar zijn, want anders zoude het blad, de Reformatie, waaruit zij geput zijn, wel in regten zijn betrokken. Voorwaar, dit is de echte logica van partijgeest. Indien tegen het blad eene regterlijke veroordeeling was gevorderd, zou men niet nagelaten hebben ook daarin een nieuw bewijs van vervolgzucht te zien; thans, nu men het pamphlet met verachting voorbijgaat, vindt men in deszelfs straffeloosheid een bewijs voor de waarheid der daarin voorkomende verdichtsels!

Niet naar alles, wat tot staving dezer beschuldiging wordt bijgebragt, heb ik onderzoek gedaan; sommige punten lagen buiten het bereik van het Openbaar Gezag, van andere, was het uit den aard der zaak onmogelijk, de valschheid overtuigend te doen blijken.

Maar sommigen zijn er, van welker leugenachtigheid ik mij de volle overtuiging heb kunnen verschaffen. Daartoe behoort in de eerste plaats, dat de Politie aan de afgescheidenen bescherming zoude weigeren. Plegtig verklaar ik, dat er stellige lastgevingen zijn uitgevaardigd, om de personen en bezittingen der afgescheidenen, waar het

|125|

noodig mogt zijn, te beschermen; geene enkele klagt is immer tot mijne kennis gekomen, dat die last niet stiptelijk zoude zijn opgevolgd; wel eenige blijken, dat de afgescheidenen over deszelfs vervulling zijn te vrede geweest.

De reclames om schadeloosstelling voor huisvesting van militairen blijven onbeantwoord. Dit is eene stellige onwaarheid: ik heb naar deze omstandigheid in het bijzonder naauwkeurige inlichtingen ingewonnen, en het is mij gebleken, dat de bij de Reglementen daarvoor bepaalde schadeloosstelling overal door het Rijk, op de gewone wijze, wordt betaald; en dat wel, niettegenstaande men de overtuiging heeft bekomen, dat er vergaderingen van afgescheidenen zijn gehouden, enkel met het doel, om zich die zoo gehaatte inlegering op den hals te halen, ten einde zich, door de schadeloosstelling voor het onderhoud der militairen, te bevoordeelen.

Geene de minste zwarigheid is er door het Rijk, tegen de uitkeering der gewone schadeloosstelling gemaakt; en dit is zóó waar, dat, toen zeker Burgemeester, meenende dat die schadeloosstelling niet bij inlegering te pas kwam, geweigerd had derzelver bedrag uit handen van den kommandant van het Detachement te ontvangen, het Departement van Oorlog, daaromtrent geraadpleegd, onverwijld de uitbetaling dier gelden als nog, en zonder daartoe door eenige reclame aanleiding te hebben, uitdrukkelijk heeft gelast, gelijk zij ook geschied is.

Een gescheidene wordt in de gevangenis buiten toegang gesteld. Dit zal dan wel een afgescheidene zijn geweest, die om eene of andere misdaad in hechtenis was; de regterlijke veroordeelingen hebben niet anders dan geldboeten, geene gevangenis, kunnen opleggen, want de Wet laat geene zwaardere straf dan die van geldboete toe.

Bij Rhenen is een huis, terwijl er Godsdienstoefening

|126|

in gehouden werd, in brand gestoken. Dit is waarheid: op den 29 Maart 1837 is het huis van Arie van de Waard te Kesteren, in brand geraakt, terwijl daar eene Godsdienstoefening van afgescheidenen werd gehouden. Maar, hetgeen men er niet bij zegt, is, dat de hevigste vermoedens gerezen zijn, dat van de Waard zelf aan die brandstichting schuldig zoude zijn, en dat er deswege tegen hem eene geregtelijke Instructie bij de Regtbank te Tiel is aangevangen, welke nog niet is afgeloopen.

Naar deze zaak heb ik naauwkeurig onderzoek gedaan, en mogt ik de bijzonderheden en indiciën mededeelen, die mij uit die Instructie bekend geworden zijn, dan zoude men verbaasd staan over de onbeschaamdheid, waarmede men dit voorval heeft durven voorstellen als een bewijs van verdrukking der afgescheidenen.

Het verdriet mij, na zoo verregaande blijken van onwaarheid, die zoogenaamde grieven nader te onderzoeken. Slechts twee punten zijn er, welke ik nog wil aanroeren.

Het eene betreft de voortzetting der regterlijke instantien, ook dáár waar vrijspraak volgt. .

Bij de stellige overtuiging van de gegrondheid dier vervolgingen, was het Openbaar Ministerie ongetwijfeld tot derzelver voortzetting verpligt; eene Regtbank toch doet slechts uitspraak in ieder bijzonder geval, een systema heden door haar aangekleefd, kan morgen door haar worden verworpen, en welligt is niet alle hoop vervlogen, dat de éénige Regtbank, welke zich in oppositie heeft gesteld met het gevoelen van alle andere Vaderlandsche Regtbanken en met het Hoogste Fransche Geregtshof, door nadere bewijzen en inlichtingen van haar gevoelen zal worden teruggebragt. Daartoe bij voortduring pogingen aan te wenden, is pligt, is noodzakelijk.

Eveneens is het gelegen met de ontbinding der vergaderingen en de hulp der Militaire magt. Deze

|127|

ontbinding behoort aan het Administratief Gezag, hetwelk daartoe volgens de Wet verpligt is; het Militair Gezag komt slechts ter ondersteuning van het Burgerlijk Gezag in aanmerking. Maar wat zal men nu van het Hoog Bestuur, het centrum van het geheele Administratieve Gezag, verlangen? Dat hetzelve op de eene plaats wel, op de andere niet, de bepalingen der Wet als toepasselijk zal erkennen en doen uitvoeren, en aan de Ambtenaren in die uitvoering bescherming verleenen, naar mate van de uitspraken der Correctionnele Regtbanken? Maar dan was het Rijk gedeeld in zoo vele Administratieve onderdeel en, als er Correctionnele Regtbanken van Appèl bestaan, en dan zoude het gemis van éénheid, hetwelk in het Regterlijke gevoeld wordt, ook op het Administratieve worden voortgeplant. Of zoude men verlangen, dat het Gouvernement zijne overtuiging en die van zoo vele andere Regtbanken zoude opofferen, om zich alom te gedragen naar een systema, hetwelk door ééne enkele Regtbank is aangenomen? Dit ware in de daad het toppunt van ongerijmdheid.

Het tweede punt, hetwelk ik moet toelichten, betreft de inlegeringen, waartegen de Heer Groen zich met zoo veel ijver uitlaat. Ik heb mij in de daad moeten verwonderen over de allerzonderlingste argumenten, waarmede de onwettigheid der inlegeringen wordt aangedrongen, en waarbij die met verbeurdverklaring, belasting, privilegie, criminele vonnissen en wat niet al, worden vergeleken en gelijk gesteld. Armoede van deugdelijke gronden is alles, wat mij bij die zonderlinge argumenten in het oog gevallen is. Maar aan al wat er op bladz. 48 en volgende, van het geschrift van den Heer Groen voorgedragen is, wordt op eenmaal de bodem ingeslagen door de enkele aanmerking, dat hij bij al die wonderlijke vergelijkingen is uitgegaan van het begrip, dat voor de huisvesting der

|128|

militairen geene schadeloosstelling door het Rijk wordt verstrekt; — en dit, ik heb het reeds gezegd, en ik moet het herhalen, is eene volstrekte onwaarheid.

Het eenige bezwaar, dat er dan overblijft, is dit, dat de militairen op sommige plaatsen alléén bij de afgescheidenen worden gehuisvest; maar hier heeft de Heer Groen zelf, door de keuze van het woord inlegering (hetwelk hier in de daad gepast is,) het bewijs geleverd, dat het door hem aangehaald Artikel 212 der Grondwet, mitsgaders de geciteerde Artikelen uit de Militaire Reglementen, welke alle van inkwartiering, niet van inlegering spreken, hier niet van toepassing zijn.

Tusschen inkwartiering en inlegering is een zeer groot, een zeer aanmerkelijk onderscheid, en wel van denzelfden aard als er bestaat tusschen enkel marscherende, en tusschen expeditionnaire troepen. Bij eenen gewonen marsch van troepen, is huisvesting het eenige, wat voor dezelve noodzakelijk is; — daartoe worden de troepen in de kasernen gelegerd, of in de woningen der burgers verdeeld; — dat heet inkwartiering, de huisvesting der soldaten is daarvan het eenige doel, en deze inkwartiering moet gelijkelijk bij alle burgers plaats hebben, juist omdat huisvesting het eenige doel is, en dit doel bij allen gelijkelijk kan worden bereikt.

Geheel anders is het gelegen met troepen, welke hier of daar worden heengezonden, waar de werking van de militaire magt noodzakelijk is, het zij tot beteugeling van eenen uit- of inwendigen vijand, het zij tot wering van oproer, zamenrottingen, of waardoor anders het gebruik der Militaire magt noodzakelijk kan worden gemaakt. Dan is de bedoeling, waarmede de troepen op zekere plaats verblijven, niet enkel om uit te rusten en huisvesting te bekomen; dan hebben zij een ander doel, de volbrenging namelijk van den last, die hun gegeven is,

|129|

en daaraan is al het overige ondergeschikt. In zoodanig geval is de Kommandant van den troep, of de persoon onder wiens orders de troep gesteld is, belast met een zeker discretionnair gezag, om ten aanzien zijner onderhebbende manschappen, en ter vervulling van den aan hem opgedragen last, te zorgen ne damnum capiat, en dan kan hij, wanneer de omstandigheden zulks vorderen, zijne manschappen doen kamperen, bivouacqueren, onder huisdak brengen, bijeenhouden of uiteen laten gaan, zonder in het minst gebonden te zijn aan de Reglementen, welke hem anders voorschrijven, hoe en naar welke regelen de dienst moet worden waargenomen.

Dit vindt eene volkomene toepassing bij de troepen, welke tot ondersteuning van het Burgerlijk Gezag, bij de ontbinding van onwettige vergaderingen der afgescheidenen, zijn gedetacheerd. Hun verblijf in de Gemeente hunner bestemming, had niet blootelijk ten doel, om zich huisvesting te bezorgen, zij hadden een ander doel te bereiken, en boven alles moest dáárvoor worden gezorgd. Honderderlei omstandigheden kunnen er nu bestaan, naar welke de orders in zoodanige gevallen kunnen en moeten worden gewijzigd. Bij vrees voor aanval, of wanneer er aan eene onverwachte noodzakelijkheid, om zich van de troepen te bedienen, kan gedacht worden, kan het noodzakelijk zijn de manschappen bijeen te houden; — indien de tegenwoordigheid van den troep op meer dan eene plaats mogt kunnen gevorderd worden, kunnen deszelfs Afdeelingen op verschillende plaatsen worden gestationneerd; — indien er ontwapening of geweld binnenshuis te duchten mogt zijn, kan het noodig wezen de manschappen in meer aanmerkelijk getal te zamen te legeren; — waar het noodig kan zijn, op eenige bewegingen een wakend oog te houden, kan het dienstig wezen, de manschappen te doen blijven op de plaatsen daar-toe het best geschikt. Het is onmogelijk al de

|130|

omstandigheden op te geven, welke hierbij in aanmerking kunnen komen, maar uit de weinige voorbeelden, welke ik heb aangehaald, volgt reeds van zelve, dat het om vele redenen, zoo wel uit hoofde van de veiligheid der troepen, als in het belang van de dienst, welke van hen wordt verwacht of gevorderd, noodzakelijk zijn kan, dezelve niet volgens de gewone regelen van inkwartiering te huisvesten, maar om dezelve op eene of meer bepaalde plaatsen in te legeren, waar hunne tegenwoordigheid in meer of minder groot aantal mogt worden vereischt.

Al verder volgt hieruit, vooreerst, dat al de gewone regelen van inkwartiering van geene toepassing zijn; — ten andere, dat het onmogelijk is, bepaalde en algemeene voorschriften te geven, omtrent de plaatsing van troepen, welke met een bepaald doel afgezonden zijn. Dat derhalve de afgezondene manschappen hier en daar, bij uitsluiting, in meerder of minder getal in de huizen der afgescheidenen zijn ingelegerd, is op zich zelven volstrekt niet onwettig, maar het heeft van de omstandigheden, dikwijls van de lokale positien moeten afhangen, waar zulks al, waar zulks niet noodzakelijk mogt zijn.

In dien geest is dan ook deze zaak, zoo ver mij bewust is, en, naar mijn inzien, met het hoogste regt, door de Regering beschouwd; want, men lette hierop wel, er zijn geenerlei bevelen uitgevaardigd, om de afgezondene troepen bij de afgescheidenen te huisvesten, maar het is, in den geest der hiervorenstaande beschouwingen, aan de Plaatselijke Overheden, onder wier bevel de troepen zich stellen moesten, overgelaten, om aan dezelve zoodanige verblijfplaatsen aan te wijzen, als door het belang van de gevorderde dienst van het expeditionnair detachement en van de veiligheid der manschappen konde worden vereiseht.

De Plaatselijke Overheden, zijn alzoo daarin naar omstandigheden te werk gegaan, en even als het onmogelijk

|131|

is, al die omstandigheden op te tellen, even onmogelijk is het, om, anders dan voor ieder bijzonder geval, te beoordeelen, of de Plaatselijke besturen hierbij met de noodige omzigtigheid zijn te werk gegaan. Dat ik dan hier in een onderzoek zal treden, welke redenen de Besturen in de plaatsen, waar zulks geschied is, bewogen kunnen hebben, om de manschappen bij de afgescheidenen te huisvesten, zal wel niemand van mij verwachten, en is mij ook uit den aard der zaak onmogelijk; — maar ik acht het toch niet overbodig, hier op te merken, dat het mij gebleken is, dat, op sommige dier plaatsen, de veiligheid der manschappen en de verzekering tegen ontwapening, daarbij wel degelijk in aanmerking genomen is.

——

Zoo valt dan ook de laatste beschuldiging, welke tegen het geëerbiedigd Hoog Bestuur gerigt was, terug in het niet, waaruit men dezelve nimmer te voorschijn had moeten trekken; en blijmoedig wende ik den blik op de baan, reeds door mij afgelegd.

Indien ik toch mij durf vleijen, dat de algemeene beschouwingen onzer Staatkundige beginselen zullen kunnen dienstig zijn, om den geest onzer Grondwet en Instellingen, door iederen onbevoordeelden, uit het ware oogpunt te doen beschouwen; indien ik hopen mag, de ongegrondheid van alle klagten over het verval en de onderdrukking der Kerk in een helder daglicht te hebben gesteld, en de volkomene ontoepasselijkheid op de afgescheidenen te hebben aangetoond, van al wat er aangaande de zoogenaamde oorzaken van en aanleidingen tot de afscheiding was aangevoerd; bovenal durf ik vertrouwen, te zijn geslaagd in hetgeen mij het meest van allen ter harte lag, om namelijk door opheldering en toelichting van den zin der Grondwet en van de handelingen der Hooge Regering, een

|132|

ontegensprekelijk bewijs te leveren, dat dezelve in al hare daden, door de naauwgezetste zorg voor de Grondwet, voor het welzijn van den Staat en voor het belang der Ingezetenen is bestuurd; dat de Regering alles gedaan heeft, wat in haar vermogen was, om, behoudens haren pligt en haar regt, aan de afgescheidenen genoegen te geven; dat al wat er ten opzigte der afgescheidenen is geschied, niets anders is geweest dan het wettig en noodzakelijk gevolg van hunne onverzettelijkheid; en dat de Regering, hoezeer betreurende, dat die onverzettelijkheid by voortduring de gestrengheid der Wet blijft uitlokken, buiten magte is geweest, om de werking der Wet te belemmeren en .te beperken, zonder overtreding der Grondwet, en tevens zonder den Staat bloot te stellen aan beroeringen en verwarringen, welke men alleen door de uiterste inspanning zoude hebben kunnen beteugelen, en waarvan onberekenbare rampen het heillooze gevolg zouden zijn geweest.

Appeltere, A.W. van (1837) HIV

 

IV.
Algemeene bedenkingen omtrent het geschrift van den Heer Groen van Prinsterer, en de beginselen daarin voorkomende.

 

Ik zoude meenen mijne taak niet geheel en al naar behooren te hebben vervuld, indien ik mij niet veroorloofde eenige algemeene bedenkingen voor te dragen, omtrent het geschrift van den Heer Groen, en eenen waarschouwenden blik te werpen, op de onberekenbare gevolgen, welke de toepassing zijner beginselen en de verwezenlijking zijner wenschen zouden hebben op den maatschappelijken toestand van ons Vaderland.

Van den vorm van zijn geschrift wil ik thans zwijgen: ik heb reeds te dikmaals de gelegenheid gehad om te betreuren, dat de daarin heerschende scherpheid meer is dan een enkele

|133|

wanklank; dat die den grondtoon uitmaakt, waarin het geheele geschrift is gestemd. Evenzeer zal ik zwijgen van deszelfs strekking, om op de gemoederen van het algemeen te werken, en afkeuring te verwekken tegen de daden van het Hoog Bestuur, schoon ik het ook daaromtrent moet bejammeren, dat, waar herstel van vermeende grieven van de Regering wordt verlangd, in eene openlijke veroordeeling van derzelver handelingen het middel gezocht is om dat herstel te verkrijgen.

Omtrent den inhoud van hetzelve, heb ik slechts ééne algemeene aanmerking te maken, zij betreft de ongeloofelijke gemakkelijkheid, laat ik liever zeggen, de blijk-bare vooringenomenheid, waarmede de Heer Groen alles heeft ontvangen, wat men van de zijde der afgescheidenen heeft uitgestrooid en geredeneerd. Van deze betreurenswaardige gemakkelijkheid draagt zijn geschrift maar al te duidelijke en te menigvuldige blijken. Zoo steunt een groot gedeelte zijner redeneringen, op zoogenaamde daadzaken, waarvan ik de onwaarheid heb doen zien, en van welker valschheid ook de Heer Groen, bij eenig onderzoek, zich ligtelijk had kunnen overtuigen. Zoo heeft hij zich laten verleiden, om tot ondersteuning zijner beschouwingen, als waren het de gevoelens van vreemdelingen, sommige artikelen uit buitenlandsche dagbladen aan te halen, schoon het naauwelijks aan eenigen twijfel onderhevig is, dat die artikelen van hier waren opgezonden, en ook daarvan de blijken ligtelijk te vernemen waren geweest; terwijl bovendien de onpartijdigheid zoude gevorderd hebben, om niet geheel van andere zeer geachte buitenlandsche dagbladen te zwijgen, waarin de zaken uit een geheel ander oogpunt worden beschouwd.

Het ware te wenschen geweest, dat de Heer Groen, met meerdere naauwkeurigheid alles hadde onderzocht; dan zoude gewis veel, wat ik niet heb kunnen goedkeuren,

|134|

door hem zijn weggelaten; — welligt zoude alsdan zijn geheele geschrift achterwege gebleven zijn; — ja nog meer, indien de Heer Groen ten opzigte van den toestand der afgescheidenen niet bij uitsluiting ware afgegaan op de berigten, van enkele geslepene Hoofden der afscheiding afkomstig, welken het te doen was, om zich den vermogenden bijstand van den Heer Groen en deszelfs vrienden, te verzekeren; indien hij zelf had rondgezien, vooral in de zoogenaamde Land-Provinciën, hoe het met de afgescheidenen gesteld was, dan betwijfele ik het ten hoogste, of hij wel immer voor die lieden het harnas zoude hebben aangegespt, en vooral ook, of hij dan wel ooit zoude vervallen zijn tot de dwaling, dat er, tusschen zijne Godsdienstige denkwijze en begrippen, en die van de afgescheidenen, geen onderscheid zoude bestaan.

Maar het is vooral omtrent hetgene in het werk van den Heer Groen niet gevonden wordt, of daarin slechts is aangestipt, — omtrent de wijze, waarop zijne beginselen zouden moeten worden toegepast, en de gevolgen, welke daaruit zouden voortvloeijen, dat ik wensch, hier nog een enkel woord te zeggen.

Van welken aard deze beginselen zijn, zal niet ligt worden miskend. Sedert eenigen tijd heeft zich door geheel Europa bij sommigen een geest van reactie doen opmerken, die, gelijk aan alle terugwerking eigen is, door de overdrevenste begrippen en stellingen is gekenschetst. Ook in ons Vaderland hebben zich de sporen van dien geest vertoond: de lessen van een beroemd, maar hoogst zonderling vernuft, hebben niet weinig toegebragt, om eene zekere verspreiding dier begrippen en stellingen te bevorderen, en ook op de denkwijze van den Heer Groen blijken dezelve niet zonder invloed te zijn gebleven. De beginselen dier school, welker invloed zich uitstrekt op het Staatkundige, zoowel als op het Godsdienstige, hier te ontwikkelen, zoude

|135|

overbodig zijn, daartoe zijn zij te algemeen bekend. Nog minder zoude het met mijn bestek overkomen, om dezelve te bestrijden; — op de gevolgen van derzelver toepassing te verwijzen, is het eenige wat ik mij heb voorgesteld.

——

Naar aanleiding dier bekende beginselen, kan het wel niet twijfelachtig zijn, dat, wanneer de Heer Groen de Grondwet veroordeelt als revolutionnair, de reden daarvan is, dat dezelve ook bij de Natie eene zekere vrijheid van wil, zekere absolute regten heeft voorondersteld. Maar wanneer men dit beginsel uit de Grondwet wegneemt, dan is ook aan onze geheele maatschappelijke inrigting, de bodem ingeslagen; — dan behoort aan het Volk alle aandeel in de behandeling der openbare aangelegenheden te worden ontzegd; — dan moet alle denkbeeld vervallen van éénigen volks-invloed op zoodanige onderwerpen, welke thans Grondwettelijk zijn aangeduid, en daarmede ook het geheele zamenstel van Regering, van de Staten-Generaal af, tot aan de Platte Lands-Besturen toe; — dan moet eindelijk zelfs de geheele Grondwet worden vernietigd, welke met de beginselen van de School, die ik heb gekenmerkt, geheel en al onbestaanbaar zoude zijn.

Meer heb ik wel niet noodig, om te waarschouwen tegen eene overijlde goedkeuring van de stellingen dier School, ten opzigte van het Staatkundige, want ik beschouw het als volslagen onmogelijk, dat zoodanige begrippen, de strekking hebbende om ons geheel maatschappelijk bestaan om verre te werpen, en deszelfs eerste bestanddeel, de vertegenwoordiging der Natie, te vernietigen of krachteloos te maken, immer eenigen ingang zullen vinden, veel min eene zoodanige uitbreiding bekomen, dat de toepassing dier begrippen, ooit door eenig aanmerkelijk gedeelte des Volks zoude kunnen gewenscht worden.

|136|

Hoezeer de voorstanders dier overdrevene stellingen in het Staatkundige, het willen doen voorkomen, als of zij, uit hoofde van hunne begrippen, eigenlijk en bij uitsluiting de ware en getrouwe vrienden van den Vorst zouden zijn, zoo staat hun gewis, ook van de zijde des Troons, het non tali auxilio te wachten; — de verhevene verklaring, door onzen geëerbiedigden Vorst bij de aanvaarding der Souvereiniteit afgelegd, van zulks alleen te willen, onder waarborging eener wijze Constitutie, welke de vrijheid tegen mogelijke volgende misbruiken konde verzekeren, levert het ontegensprekelijke bewijs op, hoe oneindig verre de edele gevoelens van Zijne Majesteit verschillen van die van hen, die zich zoo gaarne als de ware steunpilaren van het Koninklijk Gezag zouden willen voordoen.

——

Niet minder gevaarlijk, laat ik liever zeggen, onmogelijk, zoude de toepassing zijn der beginselen van den Heer Groen op onze instellingen, ten opzigte der wederzijdsche betrekking van den Staat en de Kerk. Zoodanige toepassing zoude onmiddellijk leiden tot de instelling eener heerschende Kerk, en het denkbeeld, om enkel eene naauwere verbindtenis tusschen den Staat en de Hervormde Godsdienst tot stand te brengen, zonder deze tot eene heerschende Godsdienst te verheffen, is niet veel meer dan eene hersenschim.

Omtrent de betrekkingen van den Staat tot de Kerk, zijn er slechts twéé beginselen mogelijk, het eene van gelijkheid van alle Gezindheden voor de Wet, het andere, dat van ongelijkheid: — een derde is niet denkbaar.

Het eerste beginsel, hetwelk ook dat van onze Grondwet is, steunt op den grondregel, dat alle burgers gelijke Staatkundige regten bezitten: — een dadelijk gevolg van dezen grondregel is, dat allen gelijk regt hebben op eene

|137|

gelijke bescherming van en zorg voor hunne Godsdienstige Gezindheid. Elke voorkeur aan de eene of de andere Gezindheid betoond, kwetst deze gelijkheid, en is derhalve met liet beginsel van gelijke Staatkundige regten voor alle burgers onbestaanbaar.

Het andere beginsel, dat van ongelijkheid, heeft tot grondslag het begrip, dat deze of gene bepaalde Godsdienstige Gezindheid boven alle andere de voorkeur verdient. Waar dit beginsel, deze voorkeur, in de Staatswet opgenomen is, kan nog wel de rede zijn van de ruimere of engere toepassing van deszelfs gevolgen op alle de onderdeden van het Staatsregt, maar het beginsel zelf, dat de Staat aan eene bepaalde Godsdienst de voorkeur geeft, is hetzelfde, waaruit eene heerschende Kerk ontstaat.

Zal dus, gelijk de Heer Groen verlangt, onze Regering tot de Hervormde Godsdienst in een meer naauw verband gebragt worden, dan tot de overige Gezindheden, dan moet in de eerste plaats uit de Grondwet verdwijnen het beginsel van gelijkheid van Staatkundige regten voor alle burgers; — maar dat de verwerping van dezen hoeksteen onzer Staatsregeling het geheele gebouw zoude doen instorten, valt terstond in het oog.

Ik heb het reeds in den aanvang gezegd, die gelijkheid van regten en de daaruit ontstaande gelijkheid van verpligtingen, is de grondslag, waarop onze Staatkundige instellingen zijn opgetrokken, waaruit alle bijzondere bepalingen der Grondwet zijn afgeleid; — waarmede ieder deel der Wetgeving in overeenstemming is. Wanneer men dezen grondslag verwerpt, dan zal men bij iedere afzonderlijke bepaling vervallen, tot eene discussie de commodo et incommodo, maar de vaste regel van Regt, waarnaar zich onze Grondwet heeft geregeld, zal ontbreken, en eene meerdere of mindere kwetsing en vermindering van de regten van hen, die niet tot de bevoorregte Kerk

|138|

behooren, zal daarvan het onvermijdelijke gevolg zijn.

Dit zij genoeg, ten aanzien van het Staatkundige Regt, en om te doen zien, dat de wenschen van den Heer Groen niet kunnen verwezenlijkt worden, zonder aan onze Staatkundige inrigting geheel andere grondslagen te geven; — om te doen zien, dat die verwezenlijking ook in andere opzigten, dan enkel met opzigt tot de Godsdienstige aangelegenheden, eenen uitgebreiden invloed zoude uitoefenen.

Maar nu de uitvoering daarvan! Zoude men gelooven, dat het zoo aanmerkelijk gedeelte der bevolking, hetwelk niet tot de Hervormde Godsdienst behoort, het zonder ontevredenheid zoude aanzien, of zijne toestemming er toe geven, dat de Regering meer onmiddellijk aan die Godsdienst werd verbonden, dat aan die Godsdienst boven andere eene meer uitgebreide bescherming werdt verzekerd? of zoude men meenen, dat de andersgezinden zich zouden laten misleiden door eene voorstelling, als die van den Heer Groen, dat men hen bij hunne verkregene regten zoude handhaven; — dat zij niet zouden inzien, dat zij op volkomene gelijkheid van bescherming een verkregen regt bezaten, en dat dit regt, door een naauwer verbond van den Staat met eene enkele Gezindheid, zoude worden verkort? Voorwaar, om zulks te gelooven, moet men noch de scherpzinnigheid der Natie, waar het op hare belangen aankomt, noch hare gevoeligheid, bijna had ik gezegd, hare jaloerschheid, waar het op de Godsdienst aankomt, kennen of op den waren prijs schatten. Zoude men ook bovendien gelooven, dat vreemden eene zoo schoone gelegenheid om onrust te stoken, om de ontevredenen te ondersteunen, zouden laten voorbijgaan? Zoude de gesteldheid van geheel Europa, eene zoodanige fondamentele verandering in den aard onzer instellingen gedoogen? Zonden zelfs de met vreemde Mogendheden geslotene traktaten hier aan niet in den weg staan?

|139|

Doch, wat behoef ik dergelijke vragen te vermenigvuldigen? Het is uit het antwoord, dat men op iedere derzelven geven moet, blijkbaar, dat in de betrekkingen van den Staat tot de Kerk, in den zin van den Heer Groen, geene verandering kan worden gebragt, zonder eene geheele omkeering te bewerkstelligen, zonder het Vaderland aan de uiterste gevaren te zien blootgesteld.

——

Maar wat zoude er dan wel, in de plaats der thans aangenomene beginselen, in ons Staatsregt moeten worden bepaald, en zouden de echte Gereformeerden, wanneer zij de zaak wel inzagen, zoo veel reden hebben, om te vrede te zijn, wanneer onze instellingen in den geest van den Heer Groen werden veranderd? Ik betwijfel het zeer. Men lette wel op, dat ik alleen dezulken bedoel, aan welken de gedachte vreemd is, om in hun Geloof een middel tot verkrijging van uitwendige voordeelen en eerambten te zien; dat ik alleen het oog heb op de waarlijk vrome menschen, welken het alleen te doen is, om hun Geloof en hunne Godsdienst in de voor de Leer zoo noodige onafhankelijkheid te bewaren en te kunnen uitoefenen.

Voor deze laatsten levert, in de daad, het denkbeeld eener heerschende Kerk niets aanlokkelijks op. Thans geniet de Hervormde Kerk eene vrijheid in het Geloof, ja in al hare betrekkingen, die zij wel is waar met de andere Gezindheden gemeen heeft, maar door welke niettemin de tegenwoordige toestand der Kerk, in onafhankelijkheid verre te boven gaat den toestand, waarin dezelve in de zoo hoog geroemde tijden der oude Republiek, toen de Hervormde Godsdienst de heerschende, de eenige erkende was, immer heeft verkeerd.

Men zal dit welligt wonderspreukig noemen, omdat men er aan gewoon is geraakt, om die vorige tijden te hooren

|140|

roemen, als degene, waarin de betrekking van den Staat tot de Kerk op het uitmuntendste is geregeld geweest. Maar over het algemeen vormt men zich van die tijden een geheel verkeerd denkbeeld. In het tijdelijke, ja, werd er door de Regering meer gedaan voor de belijders der Hervormde Godsdienst, maar het wederkeerig gevolg daarvan was, dat de Hervormde Kerk ook aan het Gezag der Regering onderworpen was in honderderlei opzigten, waarin men thans niet zonder de grootste bevreemding eenige inmenging der Regering bespeuren zou. De Plakkaat-boeken vloeijen over van bewijzen, hoe de Regering altijd het opperste Gezag heeft uitgeoefend, het zij wanneer er verschil bestond tusschen Kerkelijke Besturen onderling, het zij tusschen deze en andere personen; hetzij zelfs wanneer er geschil ontstond over de Kerkelijke tucht; — en heeft niet zelfs de Bijbelvertaling op last der Staten plaats gehad? is die vertaling niet door de Staten geapprobeerd?

Dit alles echter, hoe gewigtig ook op zich zelf, hoezeer verschillende van hetgeen de tegenwoordige Regeringsbeginselen medebrengen, was slechts van een betrekkelijk gering aanbelang, in vergelijking met de magt, welke de Regering zich toen aanmatigde, om ook het Leerstellige, het Geloof, te onderzoeken en te beoordeelen, en daarover uitspraak te doen.

Twijfelt men hieraan? men sla slechts de menigvuldige Plakkaten na, waarbij deze of gene geschriften over de Godsdienst zijn veroordeeld en verboden, en men zal bevinden, dat die veroordeeling en dat verbod in meer dan één geval daarop wordt gemotiveerd, dat de Leer, in de verbodene boeken onderwezen, strijdig was met de Leer der Hervormde Kerk. Doch wat behoef ik daarvan vele voorbeelden aan te halen, de uitspraak der Dordsche Synode zelf, waarbij de gevoelens der Remonstranten worden veroordeeld, is immers bij Resolutie der Algemeene

|141|

Staten van den 3 Julij 1619 geëxamineerd en geapprobeerd, en bij die Resolutie is immers gelast, dat de voorschriften der Synode omtrent de Leer overal zullen moeten worden gevolgd en onderhouden? Het is waar, die uitspraak is in de Synode voorgelezen, zonder dat die nog door de Staten was goedgekeurd, maar dit is geschied zonder de toestemming der Politieke Commissarissen bij de Synode, die begrepen dat de approbatie der Staten moest worden gewacht; — maar dat de voorlezing der Sententie, zonder voorafgaande approbatie, ook toen voor eenen misslag gerekend moest worden, blijkt uit de evengemelde Resolutie zelve, waarin die misslag eenigermate wordt hersteld, door het zeggen, dat de voorlezing met voorkennis en toestemming der Staten was geschied.

Dit regt der Regering, om uitspraak te doen over het Geloof, is niet alleen zoodanig in strijd met al de tegenwoordige denkbeelden omtrent het Maatschappelijk Gezag, maar ook zoo geheel onbestaanbaar met de onafhankelijkheid der Kerk, in datgene, waarin zij op het volkomenste onafhankelijk behoort te zijn, dat ik naauwelijks begrijpen kan, hoe zoodanige staat van zaken, het zij uit een Maatschappelijk, het zij uit een Godsdienstig oogpunt kan worden gewenscht.

Men zal wel zeggen, dat dit een uiterste is, hetwelk alleen bij de geheele aanneming van het svstema eener heerschende Kerk plaats grijpen kan, maar dit is zoo niet; — bij iedere verbinding van den Staat aan eene bepaalde Gezindheid, wordt de Staat in zeker opzigt Regter over Geloofszaken, en dit is juist de reden, waarom ik eene naauwe verbinding van den Staat met de Hervormde Godsdienst, zonder echter eene Heerschende Godsdienst aan te nemen, eene hersenschim genoemd heb.

Wil men het bewijs? Men stelle zich slechts het geval voor, waarvan ik reeds vroeger gewaagde, dat er eene

|142|

scheuring ontstaat in de Gezindheid, welke de Regering; volgens de Staatswet, zoude moeten toegedaan zijn. Beide partijen, zoo gaat het altijd, beweren, dat zij het regte voor hebben, beiden beweren, dat hunne tegenpartij van de regte Leer is afgeweken. Wat zal nu de Regering doen? Zij zal immers verpligt zijn, zich bij ééne van de beide partijen te voegen, en deze aansluiting is immers hetzelfde als de goedkeuring van de Leer dergenen, welke men volgt, en de veroordeeling van hen, die anders gezind zijn? Nog meer: wat zal de Regering in zoodanig geval doen, wanneer dan de partijen over en weder beweren, gelijk veelal geschiedt, dat de tegenpartij, uithoofde van hare gevoelens, niet tot de Hervormde Kerk kan worden gerekend, dat die daaruit moet worden geweerd? Dan zal immers de Regering, partij kiezende, ook tevens verpligt zijn, ten aanzien der andersdenkenden met deze veroordeeling in te stemmen, en die te handhaven; — en wie ziet niet in, dat dan de Regering volkomen op hetzelfde standpunt zoude geplaatst zijn, als de vorige Regering was, bij het ontstaan der geschillen tusschen de Remonstranten en Contra-Remonstranten, onder den vollen invloed van het beginsel eener Heerschende Kerk.

Ik herhale, wat ik hiervoren reeds gezegd heb, wanneer men de Regering aan eene bepaalde Godsdienst verbindt, kunnen de gevolgen daarvan in het maatschappelijke wel worden uitgebreid of beperkt, maar het beginsel, waaruit eene Heerschende Kerk ontstaat, wordt dan aangenomen, en eene dadelijke werking van het Hoog Bestuur in Geloofszaken, is daarvan het onmiddellijk gevolg.

——

Nu reeds gezien hebbende, van welken uitgebreiden invloed eene toepassing van de beginselen des Heeren Groen zoude zijn, op onze Staatkundigen toestand en op de

|143|

betrekking tusschen den Staat en de Kerk, zal men zeker verwachten, dat zulks nog veel meer het geval zal moeten zijn, ten aanzien van het inwendige der Kerk, de Leer die er zoude worden gepredikt, den vorm waarin de Kerkelijke Zaken zouden worden beheerd. Naar mijn inzien echter, is het daar zeer verre van daan, en daaruit blijkt volkomen, hoe overdreven het belang is, hetwelk er gesteld wordt in die punten, waarover met zoo veel hevigheid wordt getwist, namelijk, het Formulier van onderteekening en de Kerken-Orde.

Ik heb het reeds gezegd, dat ik de beschuldiging tegen de Leeraars der Hervormde Godsdienst, als of zij in hunne prediking van de ware Leer der Hervormde Kerk zouden afwijken, beschouw als ten eenemale ongegrond; — maar al kon het eens aangenomen worden, dat er omtrent sommige punten verschil van gevoelen bestond, zoude men dan meenen, dat zulks door het aannemen van het oude Formulier van onderteekening zoude worden voorgekomen? Gewis zoude dit het geval niet zijn. Onder de volle werking van de beginselen der Dordsche Synode, heeft dat Formulier niet kunnen verhinderen, dat er verschil van gevoelen bestond, dat er aan sommige punten, bij de openbare prediking, verschillende uitleggingen werden gegeven; — en zoude dan nu het Formulier eene uitwerking bekomen, die het nimmer, die het reeds in de eerste tijden na de Dordsche Synode niet heeft gehad? Het ware dwaas zulks te vooronderstellen, en de geheele verandering, welke men bedoelt, zoude naar alle waarschijnlijkheid, op den algemeenen toestand der Kerk, en op de prediking der Leer, zoo al niet geheel zonder invloed, dan toch zeer verre blijven van eene zoo doorslaande uitwerking, welke men thans daarvan verwacht, en waarom die verandering met zoo veel ijver wordt begeerd.

Maar ten opzigte der Kerk-Ordening zoude dan welligt

|144|

het verschil grooter zijn? Ik betwijfel het zeer. Wanneer men in aanmerking neemt de vorderingen, welke men sedert 1619 heeft gemaakt in het stuk der wetgeving, waardoor thans veel in de Reglementen zijne plaats vindt, wat vroeger aan de gewoonte overgelaten werd, en het oog tevens houdt op de tegenwoordige meerdere naauwkeurigheid bij alle administratien, dan zoude ik overhellen om te gelooven, dat de Dordsche Kerk-ordening niet zoo veel als men wil doen gelooven, verschilt van de tegenwoordige, die ook slechts eene wijziging van het vroeger bestaande bevat; en dat men in vele schijnbaar nieuwe bepalingen slechts eene geschrevene aanvulling vinden zou van hetgeen vroeger als eene gewoonte werd gevolgd.

Indien men daarbij nog bedenkt den invloed, welken de veranderde Politieke gesteldheid van den Staat in dit opzigt noodzakelijk en onmisbaar hebben moet, dan zoude ik bijna gelooven, dat eene herstelling van de Oude Kerken-Orde hoofdzakelijk op eene verandering van woorden en benamingen zoude nederkomen; — dat de Provinciale Kerkbesturen den naam van Synoden zouden verkrijgen, dat de algemeene Synode den naam van Nationaal zoude voeren, en in plaats van eens in het jaar, slechts eens om de drie jaren zoude bijeenkomen; — dat men aan de Synodale Commissie, even als te voren, den titel van Deputaten zoude geven, en dat deze Kerkelijke Kollegien in talrijkheid van leden zouden toenemen; maar voor het overige schijnt het mij toe, dat die verandering van zeer gering belang zoude zijn, en dat vooral in de betrekking van de Kerk tot den Staat en tot het Departement van de Hervormde Eeredienst, mitsgaders in de uitgekretene administratie en centralisatie, slechts zeer geringe wijzigingen zouden te bespeuren zijn.

——

|145|

Ik heb deze ontwikkeling hier te meer noodig geacht, omdat de voordragt der klagten, omtrent de afgescheidenen, als het ware tot een voertuig, tot een vehiculum gediend heeft ter verspreiding van de beginselen zelf, waarvan ik de gevolgen heb aangetoond, en omdat het te vreezen konde zijn, dat ook na het betoog omtrent de ongegrondheid der bittere verwijtingen, waarmede men de Regering heeft overladen, de zaden dier beginselen hier of daar mogten achterblijven en wortel schieten. Thans echter, nu het bij de geringste ontwikkeling dier beginselen, zonneklaar geworden is, dat iedere poging om dezelve in toepassing te brengen, zoude moeten worden voorafgegaan door eene afbreking en vernietiging van het geheele Staatsgebouw, tot aan deszelfs eerste grondslagen; — dat die toepassing zoude vergezeld gaan van het verlies der dierbaarste regten van het Nederlandsche Volk, eener betamelijke vrijheid in het Staatkundige, eener geheele onafhankelijkheid in het Geloof; — nu ik heb doen gevoelen, dat elke poging tot die toepassing, tot een onmiddelijk gevolg zoude hebben, om het dierbare Vaderland van binnen en van buiten aan de dreigendste gevaren, ja aan eenen gewissen ondergang bloot te stellen; — thans, zeg ik, acht ik ook in dit opzigt mijne taak volbragt.

Waar het op de handelingen der Regering aankwam, heb ik slechts noodig gehad die handelingen uit het ware oogpunt te doen beschouwen, om alle klagten te doen wegzinken; want de Natie is te verlicht, om de juistheid en gegrondheid van hetgeen men haar voorstelt, niet te kunnen beoordeelen; — te regtschapen en te vreemd aan alle partijzucht, om niet gereedelijk voor overtuiging vatbaar te zijn, — te zeer door liefde en vertrouwen aan hare Regering verknocht, om niet met welgevallen de zekerheid aan te nemen, dat bevordering van het welzijn

|146|

van den Staat, getrouwheid aan de Grondwet en zorg voor de vrijheden des volks, steeds de eenige en onveranderlijke drijfveren dier geërbiedigde Regering geweest en gebleven zijn. — Waar het op de wederlegging van schoonschijnende theorien aankwam, heb ik slechts op derzelver gevolgen te wijzen gehad, want de liefde voor ware en gematigde vrijheid, de gehechtheid aan eenen beproefden regeringsvorm, de afkeer van alles wat de maatschappelijke orde en rust zoude kunnen verstoren, is al te onuitwischbaar in den boezem van den Nederlander gegrift, dan dat het noodig zoude zijn nader te waarschouwen tegen beginselen, waardoor de vrijheid der Natie, de Grondwet en de maatschappij met eene geheele omkeering zouden worden bedreigd.

——

Laat ons, ten slotte, nog een oog slaan op den geheelen omvang van het onderwerp, hetwelk wij hebben behandeld, en op den staat van het Vaderland, met betrekking tot de afscheiding.

Meer dan eenmaal heb ik menschen, die het opregtelijk met het Land meenen, hunne bedenkingen hooren opperen, hunne vrees hooren te kennen geven, of niet de tegenwoordige gisting in het Godsdienstige, zoude eindigen met het Vaderland in gevaar te brengen, of niet eene ontbranding van het vuur der tweedragt, zelfs wel opschudding en binnenlandsche onlusten daarvan het gevolg zouden zijn.

Tot dezen, zal een bemoedigend woord niet ongepast zijn, en ik mag dit woord te minder terughouden, omdat, naar mijne volle overtuiging, hunne bezorgdheid geheel ongegrond is en alleen aan overdrevene berigten haren oorsprong verschuldigd is.

Het is waar, de afscheiding bestaat, en is te betreuren;

|147|

het ware te wenschen, dat die onberaden stap nimmer ware gedaan, maar welk is het gevaar voor het algemeen, dat daaruit zoude kunnen ontstaan?

Is het de groote uitbreiding, welke die afscheiding verkregen heeft, welke tot bezorgdheid zoude kunnen aanleiding geven? Voorzeker niet. Het is wel waar, dat de afgescheidenen zich niet ontzien, hun getal verre boven de waarheid op te vijzelen, maar ik ben thans op nieuw in de gelegenheid, om volgens de naauwkeurigste berigten te verzekeren, dat hun getal, over het geheele Vaderland te zamen genomen, grijsaards vrouwen en kinderen daaronder begrepen, geen 6000 te boven gaat.

Maar zal dat getal niet steeds toenemen, en eindelijk zoodanig aangroeijen, dat hetzelve vrees of bezorgdheid zoude kunnen inboezemen? Ook dit meen ik gerustelijk ontkennend te kunnen beantwoorden. Noch de oorsprong der afscheiding, noch de bestanddeelen derzelve, noch de begrippen en stellingen der afgescheidenen, zijn van dien aard, dat eene verdere uitbreiding van hunnen aanhang denkbaar is.

Wat den oorsprong betreft, zoo moet men de afscheiding niet verwarren met, noch aanzien als een gevolg van de terugwerkende beweging, welke zich door geheel Europa heeft vertoond. Die beweging moge zich doen opmerken bij sommigen, die door meerdere kennis in staat zijn, om de oorzaken na te gaan van al de onheilen, welke sedert het laatst der voorgaande eeuw Europa hebben getroffen; en die uit vrees voor die oorzaken, in een tegenovergesteld uiterste vervallende, zelfs het goede schuwen en verwerpen, hetwelk in de stormen des tijds zijne ontwikkeling bekomen heeft. Met zoodanige algemeene terugwerking heeft de afscheiding niets gemeens. Zij is veeleer iets individueels, zij is te weeg gebragt door de woelingen van enkele wargeesten, die door eerzucht verteerd, zich eenen naam hebben willen maken,

|148|

al ware het dan ook ten koste van de rust en de eenheid in de Kerk; zij heeft navolgers gevonden, doch meestal slechts onder de persoonlijke aanhangers dier Hoofden, en vooral slechts onder lieden, tot het inzien van den stap dien zij deden, zelfs buiten staat.

De bestanddeelen van dien aanhang doen zien, dat eene verdere uitbreiding van denzelven niet te vreezen is. Te Ulrum en te Genderen, waar zij ontstaan is, waren het enkel de persoonlijke volgelingen van de Predikanten de Cock en Scholte, die daaraan deelgenomen hebben. Maar wie hebben zich op andere plaatsen daaraan aangesloten? Ik heb het reeds gezegd, menschen, die toch reeds in de daad van de Kerk afgezonderd waren, zoo als er altijd geweest zijn, en wel altijd zijn zullen.

Toen deze ontevredenen zich bij de afscheiding voegden, deed die op eens eenen grooten stap voorwaarts, maar sedert is zij stil blijven staan en heeft geene noemenswaardige vermeerdering erlangd. Waarom? Omdat, indien ik mij zoo mag uitdrukken, de stof voor verdere uitbreiding ontbrak. De zoo evengemelde ontevredenen waren daarvoor het gereede voedsel geweest, maar toen deze zich hadden afgescheiden, was er voor verdere uitbreiding geen voedsel meer, want het gros der Natie is te bedachtzaam en te verlicht, om op eenmaal, en zonder onderzoek, het Kerkgenootschap, waarin men is opgevoed, waaraan men zich uitdrukkelijk heeft aangesloten, ligtvaardiglijk te verlaten en af te schudden, gelijk men eenen versleten handschoen uittrekt

Bedachtzaamheid was genoeg, om iedereen van deelneming aan de afscheiding terug te houden, want hoe meer de begrippen en stellingen der afgescheidenen bekend werden, hoe minder ware Godsdienstigen daaraan hun zegel konden hechten, en de waarheid hiervan doet zich van dag tot dag meer gevoelen. Zelfs onder de bewerking van dit geschrift zijn mij daarvan de sprekendste blijken onder het

|149|

oog gekomen. Slechts ééne zaak is er, welke de afgescheidenen onderling gemeen hebben, en dat is de afscheiding; omtrent de redenen daar van, en vooral omtrent hetgeen er thans door hen zal moeten worden gedaan, bestaan er honderderlei verschillende gevoelens bij hen. Wil men het bewijs, hoe verre het er van af is, dat er tusschen hen eensgezindheid van gevoelen en bedoelingen zoude bestaan? Het wordt thans reeds door hen zelf erkend, dat zij in drie hoofddeelen zijn gesplitst.

De afgescheidenen te Amsterdam willen onafhankelijk blijven, onder eene regeling, door hen zelven ontworpen;, die in Vriesland, Groningen en Drenthe, voor zoo verre die nog éénige Kerkelijke vereeniging begeeren, en niet geheel tot eene teugellooze geestdrijverij vervallen zijn, willen, met de Cock, zich de oude instellingen van ons Land tot rigtsnoer stellen, of ook wel die van Wezel, of ook wel die van Emden! Een schoon blijk voorwaar, van hunne opgehemelde gehechtheid aan hetgeen door de Dordsche Synode was vastgesteld! Voor Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Braband zoude eindelijk wederom eene andere Kerk-ordening gelden, onder de voorzitting van Scholte in zoogenaamde Provinciale Synoden opgesteld.

Het is dit laatste stuk, hetwelk bijzondere aandacht verdient, omdat hetzelve volkomen bevestigt, hetgeen ik ten aanzien van den dweepzieken aard der afgescheidenen heb aangevoerd, en als een staaltje daarvan moge dienen, dat onder de Kerkelijke ambten of bedieningen door hen ook Evangelisten en Profeten zullen worden aangesteld, door welke laatsten verstaan zullen worden al die lidmaten der Gemeente, welke de noodige geestelijke gaven ontvangen, om in de Gemeente bekwamelijk het Woord te voeren; — zoodat in de daad de prediking naar zoogenaamde ingevingen, even als bij de Kwakers, zal zijn tot stand gebragt en georganiseerd.

|150|

En zoude men nu gelooven, dat eene Sekte, welke tot zoodanige dwaasheden vervalt, ja dezelve door hare instellingen wettigt; — dat zoodanige Sekte immer eenige aanmerkelijke uitbreiding mogt kunnen bekomen? Ik zoude meenen aan de ware Godsdienstigheid mijner Landgenooten, zoowel als aan hun gezond verstand, te kort te doen, indien ik hiervan de mogelijkheid slechts voor een oogenblik konde vooronderstellen.

De lezing van de door mij bedoelde, en in druk verschenen zoogenaamde Kerke-Ordening, levert vele bijdragen van dien aard, en zelfs tot aan de onderteekeningen derzelve, zijn niet van eenig belang ontbloot; want: als men daarin leest van de Classis van Sprang, die van Genderen, die van Almkerk en die van Veen (dorpen, kort bij elkanderen in Noord-Braband gelegen) dan ziet men daarin gewis een blijk, hoe zij zich door alle middelen den schijn van eene zeer groote uitbreiding willen geven, maar dan zweeft mij ook de schertsende uitdrukking van zeker iemand, die dit alles noemde: Synodetje spelen, onwillekeurig voor den geest.

Maar de voornaamste reden, waarom ik vertrouwe, dat de rust des Vaderlands geen gevaar loopt, en dat men, al mogt die ook onverhoopt door eenig voorval in meerdere of mindere mate gestoord worden, voor de gevolgen daarvan geene vrees behoeft, te koesteren, bestaat hierin, dat, naar mijne vaste overtuiging, van de afgescheidenen niets wordt verlangd, dan hetgeen de billijkheid en ’s Lands Wetten medebrengen; — dat er van de zijde der Regering niets hoegenaamd is verrigt of beoogd, hetwelk niet door de Grondwet en door het welzijn van den Staat geboden was. Waar billijkheid en eerbied voor de Wet zich op eene zoo schitterende wijze paren aan de weldadigste bedoelingen, en aan de naauwgezetste zorg voor ’s Lands welzijn, daar moet en kan er bij de Natie slechts ééne

|151|

stem zijn, die van eene onbeperkte goedkeuring op al wat door de Regering is gedaan; — slechts één gevoel, dat van vernieuwde gehechtheid aan die Regering en aan dien Vorst, wiens vaderlijke zorg men op nieuw zal hebben leeren waarderen; — en mogten dan, hetgeen God verhoede! eenige verdoolden in hunne verblindheid, of derzelver aanvoerders in hunnen overmoed, zich verre genoeg vergeten, om de Wetten, of het Gezag der Hooge Regering te miskennen, en de openbare rust door daden van geweld aan te randen en te schenden, ook dan zoude de Regering en het Volk, bemoedigd, aan de beteugeling dier pogingen om de Maatschappij om verre te werpen, de handen kunnen leenen; — want de zaak van het regt en der billijkheid behoudt, vroeg of laat, altijd de zege; — en waar de Regering enkel op de Wetten en op ’s Volks heil steunt, daar is het ook zeker, dat de Natie zich om dezelve scharen zal, en eenen onwankelbaren voormuur zal tegenstellen, aan elk, die het wagen dorst eene schendige hand te slaan aan de instellingen van den Staat, aan de regten der Ingezetenen, en aan de Maatschappelijke orde en rust.

Maar weg met alle bezorgdheid van dien aard! Weg met alle vrees voor onlusten of beroeringen! Iedere spanning heeft eenen tijd, waarin zij het toppunt heeft bereikt, eenen tijd, waarna het gestoorde evenwigt zich van lieverlede herstelt, en, bedriege ik mij niet, zoo duiden alle voorteekenen een zoodanig herstel, als nabij zijnde aan. Niet op ééns welligt zal dit geschieden, niet op éénmaal legt zich de door storm bewogene zee; — maar al mogt ook thans nog deze of gene omstandigheid bekommering kunnen wekken, zoo bedenke men, dat juist op het oogenblik, wanneer de golf zich schuimend omkrult, juist dan wanneer zij het dreigendste aanzien heeft, haar spoedige val het meest nabij is. Eerlang, ik zeg het met

|152|

een vol vertrouwen, eerlang keert in de Kerk en in den Staat de nooit genoeg gewaardeerde orde en rust volkomen terug; — eerlang heldert zich de gezigteinder op, ook daar, waar die thans nog beneveld mogt zijn, en wanneer dan alles met kalmte en bezadigdheid zal zijn overzien, dan houde ik mij verzekerd, dat al het gebeurde alleen zal dienen, om op nieuw, alle de handelingen en bedoelingen der Regering en van den geëerbiedjgden Vorst, die ons regeert, in het zuiverste en koesterendste daglicht te doen verschijnen, en om de liefde, den eerbied en het vertrouwen nog te verhoogen op Hem, aan wien nog de late nakomelingschap, den welverdienden roem zal schenken; dat getrouwheid aan Zijne verhevene pligten Zijn onveranderlijke regel, bevordering van ’s Lands heil Zijne eenige zucht is geweest.

——

Appeltere, A.W. van (1837) Bijl

|153|

 

Bijlage.

 

EXTRACT uit eene nota, ter hand gesteld aan eenige leden van de in 1810, naar Parijs bestemde Commissie. 1810.

 

§ 2.
De Hervormden.

De Hervormde gemeenten zijn verdeeld onder zekere Kerkelijke ressorten, Classen genaamd. De Predikanten en eenige Ouderlingen of andere Kerkeraads-Leden vormen de Classikale Vergaderingen; die eenige malen in het jaar, tot behandeling harer huishoudelijke zaken bijeenkomen. Gecommitteerden uit de Classen, vormen de Synodale of hoogste Vergaderingen, van welke men in elke provincie eene vond, en twee in het gewest Holland. Gedurende den tijd van de eene Classikale of Synodale Vergadering tot de andere, is het bestuur in handen van Gedeputeerde leden of Deputatie.

Bij het aangeboden, en reeds bij den Staatsraad behandeld ontwerp eener nieuwe organisatie, werd deze grondinrigting behouden, maar in vele opzigten vereenvoudigd en verbeterd. Ééne Synode eenmaal ’s jaars bijeenkomende, een minder getal Classen, — een uitgebreider invloed van het Gouvernement op de benoeming der Deputaten en Leden, — meerdere energie en orde inde behandeling van

|154|

zaken. Verbetering van met den geest en verlichting onzer eeuw min strokende formen en inrigtingen — waren de hoofd-doeleinden van dit plan.

Het belang, zoowel als de wensch van de Hervormde Kerk in Holland zou zijn, hare oude inrigting, overeenkomstig dit onderwerp verbeterd, te mogen behouden, en niet geheel en al op den Franschen voet te worden gebragt.

1°. Omdat de tegenwoordige inrigting altijd heeft plaats gehad, door de ondervinding is gelouterd, met den geest der Hollandsche Kerk overeenkomt, aangenaam is aan derzelver leden.

2°. Omdat vele locale en andere omstandigheden een onderscheid tusschen de Hollandsche en Fransche Kerkorde reeds vroeg hebben veroorzaakt en nog schijnen te vorderen; b.v. in Frankrijk zijn eenige Hervormde Gemeenten over eene groote uitgebreidheid, te midden van een veel talrijker Kerkgenootschap verspreid.
In Holland vormen zij bijna overal digt bij elkanderen, de geheele of het grootste deel der bevolking.

3°. Omdat eene geheele omverwerping der Oude Kerk-regeling vele nadeelige gevolgen, verwarringen en onaangenaamheden kan na zich slepen, b.v. er bestaan verscheiden Synodale en Classikale financiële instellingen, weduwebeursen, enz.

Wanneer men nu hierbij voegt, dat, schoon een verschil in de hoofd-inrigting werd toegestaan, dezelve echter door zekere modificatien in meerdere overeenstemming met den Franschen vorm kan gebragt worden, dat de geest der Protestantsche Kerk, verschillende vormen toelaat, en dat de Hollandsche vorm, wel ingerigt, den invloed van het Gouvernement niet vermindert, maar vermeerdert, schijnt er grond te hopen, dat de Keizer in deze voor het belang van Frankrijk, voor het overige onverschillige zaak, wel een voor de Hervormden aangenaam besluit zal willen nemen.