Groen v.P., G. (1837) [III]

 

Het is deze vervolging, op naam en door de hand van het Gouvernement, waarvan ik trachten wil het onvereenigbare met Staatkunde en vooral met regtvaardigheid te betoogen. Mogt ik slechts half kunnen uitdrukken wat ik daarbij gevoel, mijn betoog zou niet krachteloos zijn.

——

Als ik van Staatkunde spreek, is er eene zwarigheid, waar ik, bij ieder woord, tegen stuit; namelijk dat het ondoeltreffende en het gevaarlijke van al wat Godsdienstvrijheid belemmert, reeds duizend- en duizendwerf,

|41|

door redenering en ervaring, is getoond; dat al wat ik zoude kunnen zeggen, veelmalen, en ook in onze dagen, en ook door henzelven die thans geweld tegen de Afgescheidenen verlangen, met nadruk is gezegd. Doch deze zwarigheid vervalt bij de gedachte dat, zoo lang de vervolging wordt herhaald, herhaling van de gronden er tegen niet ongepast, en zoo lang althans, geen overtolligheid is.

 

De vervolging is ondoeltreffend. Immers wat kan zij bedoelen? De scheiding te doen ophouden, de rust in de Kerk te herstellen. Maar, zoo lang hunne overtuiging niet verandert, is volharden voor de Afgescheidenen pligt; en door dwang, door straf die men als onregtmatig beschouwt, wordt men wel verbitterd, niet overtuigd. Bovendien de zucht naar scheiding neemt toe door de belangstelling en het medelijden dat men voor vervolgden gevoelt. Om het einde der scheiding, om waarlijk rust te verwerven in de Kerk, moet het middel aangewend worden dat zoo veel verwarring voorgekomen zou hebben; naauwgezette zorg in het Hervormd Kerkgenootschap voor het wezen van de leer althans van elke Christelijke Kerk. In den tegenwoordigen stand van zaken, al konden heden de laatste Afgescheidenen uitgeroeid worden, morgen zouden er wéér anderen zijn.

De vervolging is ontoereikend. Tot gewetensdwang is elke straf ongenoegzaam; van hier dat, ook wanneer men met de ligtste straf begint, men op dien weg, óf teruggaan, óf met verbanning en doodstraf eindigen moet. Vermits nu in onzen tijd eene regering tot het wederoprigten van den brandstapel geen vermogen bezit, veel minder nog, althans hier te lande, opgewektheid

|42|

gevoelt; vermits men evenmin Nederlanders, Christenen, om Godsdienstbegrippen, tot het kiezen van een ander Vaderland zal willen dwingen, volgt, dunkt mij, hieruit dat de volkomene vrijheid van Godsdienstoefening wel zal moeten worden verleend; een weinig vroeger, een weinig later; dit slechts is het verschil dat bij eiken stap vooruit, het te rugkeeren te gelijk, én noodiger, én moeijelijker wordt.

 

De vervolging is niet slechts nutteloos, zij heeft ook eene zeer nadeelige strekking.

Zij brengt bij zeer velen, die overigens met de Afgescheidenen niets gemeen willen hebben, verontwaardiging te weeg. Zij doet het vooral, ik zeg niet bij de slagtoffers zelven; dan ware de uitdrukking, hoe sterk ook, misschien te zacht; maar bij hen die, in het Kerkgenootschap gebleven, tot de Afgescheidenen in de naauwe betrekking van geloofs-eenheid staan; die evenzeer tegen afval en ontrouw, tegen de eigenmagtige daden van een Synodaal gezag, waarvan zij den wettigen oorsprong betwisten, in geschrift, in hunne gesprekken, of althans in hun gemoed, hebben geprotesteerd; en die tevens zeer wel inzien dat indien zij, even lastig, even verdacht, zoo al niet even gehaat, ongemoeid blijven, het ia, niet omdat zij worden gespaard, maar omdat zij nog niet kunnen worden bereikt. Door den voortgang der vervolging zou allengskens verflaauwing kunnen ontstaan der gehechtheid en liefde, zeker niet van het slechtste deel der bevolking; zeker niet van datgene welks invloed, als tegenwigt van ultra-liberale begrippen, óf het minst nuttig is geweest, óf in volgende tijden van gevaar, het minst nuttig zou kunnen zijn. Gehoorzaamheid in hetgeen

|43|

des Keizers is, onverzettelijkheid ten aanzien van hetgeen alleen aan God toebehoort, het gaat doorgaans gepaard; het zijn vruchten van denzelfden Christelijken stam.

De vervolging zou ook welligt langzamerhand meerderen tegenstand ontmoeten. Tot dus ver werd zij doorgaans beantwoord met geduld en lijdelijkheid; dit zou lang plaats kunnen hebben, maar niet altijd. Ten laatste verliezen ook de geduldigsten het geduld; zij worden ook op de grenzen der onderwerping bedacht; zij herinneren zich niet enkel pligten, maar ook regten te hebben; en te dikwerf alsdan worden die regten verdedigd op eene onregtmatige wijs. De menschelijke driften raken van wederzijde in het spel; en straks ziet men (zóó althans is de gewone loop der zaken geweest) feitelijkheden, verwonding, doodslag ontstaan. Dit zou, o ja! worden gestuit en gestraft; doch de raadslieden die voorstanders der onverdraagzaamheid zijn, mogen bedenken, van wie, zoo dit gebeurde, ik zeg niet door den menschelijken regter, maar door den Regter over allen, van wie het vergoten bloed, en of het niet van hen zou worden geëischt.

Nog meer. Er zou tegenstand kunnen ontstaan van anderen aard. Zonder buiten de wettelijke perken te gaan, uitgeoefend op een’ ruimere schaal. Een Godsdienstig beginsel, dal menigeen dweeperij en halsstarrigheid gelieft te noemen, maar in allen gevalle een drijfveer van Godsdienstige overtuiging, is voor als nog de eenige drijfveer der meeste Afgescheidenen. Zal zij op den duur de eenige zijn? Ja, zoolang eenvoudig en nederig geloof den boventoon over de menschelijke driften behoudt; doch men vertrouwe hierop niet al te zeer. Vervolging door het politiek gezag brengt, vroeg of laat, politieke terugwerking te

|44|

weeg. De onbedwingbaarheid van het geweten maakt een’ twist om der Godsdienst wille voor hen die uit onrust partij willen trekken, tot een’ hechten steun, tot een vruchtbaar element. Het doel, God naar zijn’ overtuiging te dienen, blijft niet onvermengd. Het gaat weldra met allerlei bijoogmerken gepaard. Hoe meer de zaak der onderdrukten gewigt verkrijgt, des te meer wordt het gevoel van geleden onregt door eigenbaat en eerzucht verhoogd; wordt het aangevuurd door hen die zich, tot eigen verheffing, aan het hoofd eener misnoegde partij wenschen te stellen. — Men loopt gevaar zich misrekend te hebben, wanneer men het oog uitsluitend op de Afgescheidenen vestigt, weinigen, ten minste niet zeer velen in getal, en, over ’t algemeen, uit onaanzienlijken stand. Dit onaanzienlijke op zichzelf bewijst niets tegen hen; de bewegingen waardoor de maatschappij, die vooral waardoor zij ten goede is geschokt, zijn doorgaans uit kleine beginsels en niet altijd uit de hoogere klassen ontstaan. Maar de Afgescheidenen staan, in sommige misschien, zeker niet in alle opzitten alleen. Zij zijn een, ook naar mijn inzien, afgedwaald gedeelte, eene, indien ik het dus uitdrukken mag, voorbarig en op verkeerd terrein handgemeen geraakte voorhoede der Gereformeerde gezindheid: in de hoofdzaak geheel eens met hen die in het Kerkgenootschap blijven aandringen op behoud of herstel van het wezen der Kerk. Daarenboven, zoodra de geschillen over de Godsdienst eene politieke kleur aannemen, is geloofseenheid voor eenheid van oppositie geen vereischte. Zeer ligt slaat men de handen in een; zeer ligt gaat men vereenigingen aan uit bestanddeelen die ongelijksoortig, die op den duur onvereenigbaar zijn; zamenspanningen, wier tijdelijke vastheid gegrond is op de eenheid van gevaar en belang. Ik

|45|

behoef geen’ zijdelingschen blik op het Rijk der Nederlanden, 1828-1830, te werpen; ook thans, ofschoon de naauwgezetheid der Afgescheidenen welligt nog lang ten waarborg tegen eigenlijke vereeniging zou strekken, ook thans worden van een’ anderen kant reeds eenige toebereidselen en voorteekens gezien. Het zou kunnen blijken door de vluchtige inzage van het weekblad de Catholijke Stemmen, hetwelk, zoo het heet, uit deelneming en om het hodie tibi, cras mihi, met nadruk en hevigheid partij voor hen neemt. Overigens: is hun de publike opinie niet gunstig, wat zegt het? Men weet hoe plotseling, vooral in onzen tijd, bij volslagen gebrek aan beginsels, hare wendingen zijn. Ook wordt zij, ofschoon ongunstig aan de Afgescheidenen, in een’ veel sterkeren graad ongunstig aan de maatregelen tegen hen gerigt. Van buiten ’s lands, uit Frankrijk en Zwitserland, uit Engeland en Pruissen, zijn reeds nadrukkelijke getuigenissen van afkeuring gehoord. Straks welligt zullen hier te lande ook de voorstanders der liberale begrippen (het zou het eerste voorbeeld niet zijn) met bitterheid berispen wat zij langen tijd met onverschilligheid, sommigen zelfs met blijkbare toejuiching, hebben aanschouwd. Indien het reeds gemakkelijk valt door voorgewenden grieven de gemoederen in beweging te zetten, hoeveel te ligter bij gegrondheid van bezwaar, en wanneer het, uit alle aangelegenheden, de meest teedere geldt. In zaken van dien aard bovenal, is het beter, al wat de billijkheid eischt, terstond en uit eigene beweging, dan het later en dikwerf te Iaat, uit noodzaak, te doen.

——

Al wat de billijkheid eischt. En dit brengt mij op het laatste deel van mijn betoog; de onregtmatigheid der

|46|

vervolging. Zij strijdt tegen de Staatkunde, om vele redenen, maar allermeest omdat zij onregt vaardig is. Zoo ik slagen mogt in het bewijs, waartoe dan nog langer gewag van Staatkunde gemaakt? geregtigheid is de zekerste grondslag van iederen Troon; men behoort het onregt, als onregt, te verwerpen; ook wanneer echte Staatkunde het aanraden, het voorschrijven kon.

Al wat de billijkheid eischt en niets meer. Regt, geene toegeeflijkheid; onpartijdig oordeel, geene regtstreeksche of zijdelingsche begunstiging wordt gevraagd. Men keure, zoo men wil, de gevoelens, de handelwijs der Gescheiden en af; men schrijve hun, zoo men er reden voor meent te hebben, bekrompenheid toe, hoogmoed, liefdeloosheid. Het moet zonder invloed zijn op de beslissing. Het kenmerk der onpartijdigheid, der regtvaardigheid (het kan niet te veel worden gezegd), is dat men zonder aanzien der personen beslist.

Dit op den voorgrond gesteld zijnde, geloof ik dat mijne meening het voegzaamst in de drie volgende stellingen uitgedrukt wordt.

De Afgescheidenen zijn
- ingezetenen van Nederland; dus geene inlegeringen:
-
leden eener gezindheid die de openbare orde of veiligheid niet stoort; dus vrije Godsdienstoefening:
-
leden der Gereformeerde Gezindheid; dus hebben zij, even als de leden van het Kerkgenootschap, regt op de gelijke bescherming welke aan alle in het Rijk bestaande gezindheden toegekend is.

——

|47|

Dat de Afgescheidenen ingezetenen van Nederland zijn, kan wel niet in twijfel worden getrokken. Evenmin dus, dat zij de regten van Nederlanders hebben; anders zouden zij buiten de wet en, in zekeren zin, vogelvrij zijn verklaard. Dit kan niet; maar, zoo het niet kan, wat moet van de inlegering worden gezegd?

Hier ben ik verlegen, en deze verlegenheid is niet gering. Ik spreek van handelingen die haar oorsprong hebben in het goedvinden alleen van het politiek en administratief gezag. Ik wensch elke uitdrukking te vermijden die, hoe ook uit het onderwerp zelf onvermijdelijk gevloeid, een’ zweem van onvoegzaamheid zou kunnen hebben; en evenwel ik gevoel niets te mogen weglaten, niets te mogen verzachten, omdat ik hierdoor, in zeker opzigt, de zaak zou verraden, wier verdediging ik, uit volle overtuiging, pligtelijk acht. Om niets wat beter gezwegen ware, te zeggen; om tevens niets achter te houden van hetgeen behoort te worden gezegd, zal ik eenvoudig vragen: welke zijn
 de waarborgen der wet;
 de handelingen die ik nu bedoel;
 de gevolgtrekkingen, wanneer men aan die waarborgen deze handelingen toetst?

 

De Grondwet, in Art. 212, is niet dubbelzinnig. „De inkwartieringen, de transporten en leveranciën, van welken aard ook, kunnen niet ten laste van een of meerdere inwoners of gemeenten worden gebragt. Zoo door onvoorziene omstandigheden zoodanige transporten of leveranciën van bijzondere personen of gemeenten worden gevorderd, zal het Rijk dezelve te gemoet komen en op den voet bij de reglementen bepaald schadeloos

|48|

stellen.” De reglementen komen hiermede overeen. Art. 1 van het marsch-reglement (Bijv. op het Staatsblad II, bl. 243.) maakt terstond van eene billijke schadeloosstelling gewag. Art. 73 van het Reglement op de huisvesting der troepen (Bijv. op het Staatsblad II, bl. 216) voegt er de bepaling nog bij: zij zullen bij de inwoners, zonder onderscheid, uitzondering, of voorregt, moeten worden ingekwartierd. — Dus nooit inkwartiering dan waar, door onvoorziene omstandigheden, volstrekte noodzakelijkheid bestaat: nooit zonder vergoeding; nooit dan bij alle inwoners, beurtelings of te gelijk.

 

Aan geschrevene waarborgen ontbreekt het dus niet. En wat kan er tegen over worden gesteld? — Zoodanig is de theorie; hoedanig is, ten aanzien der Afgescheidenen, thans de praktijk?

Geene inkwartiering, zegt de Grondwet; — en er heeft gedurig, in sommige gemeenten, inkwartiering plaats. Zou vervolging om eene Godsdienstoefening die toch zeker niet onchristelijk is, onder de onvoorziene omstandigheden behooren door de Grondwet bedoeld? Is men er welligt ter rustbewaring toe gedwongen, of is het niet blijkbaar dat de maatregel moet strekken om, zoo mogelijk, de Afgescheidenen terug te brengen van hun opzet door hun het ongenoegen te doen gevoelen van het Gouvernement?

Schadeloosstelling, zegt de Grondwet; — en de schadeloosstelling wordt geweigerd. De adressen hiertoe aan de Gouverneurs en ook aan Z.M. ingezonden, waarvan sommigen reeds bijna vóór een jaar ingediend zijn, laat men zonder antwoord.

Geen onderscheid, geen uitzondering, geen voorregt,

|49|

zegt het Reglement, in den geest der Grondwet door den Koning gearresteerd; — en de inkwartiering had bij voorkeur, had uitsluitend bij de Afgescheidenen plaats. De voorbeelden zijn te menigvuldig, te bekend, om hier bijgebragt te worden. Vijf, zes, acht man in één huis gelegerd, is geene zeldzaamheid meer. Nu eens is het eene gemeente waar sommige Afgescheidenen tien en twaalf soldaten drie weken hebben gehuisvest; dan een predikant, wiens woning, bovendien, tot een wachthuis werd gemaakt; dan weder zond men een en dertig soldaten met een officier aan één afgescheiden persoon. Er is eene gemeente waar reeds voor de vijfde maal inlegering was; en altijd bij de Gescheidenen alleen (1).

Bij dit alles komt nog dat de inlegering geschiedt op de meest kwellende wijs. Het valt niet moeijelijk na te gaan hoe dapper zich somtijds de krijgslieden houden die men, en niet altijd zonder heimelijk ze nog opgehitst te hebben, tegen de nieuwlichters te velde laat trekken. Geen wonder dat zij in ruwe bejegening, in mishandelingen zelfs, eene soort van verdienstelijkheid zien. Ook zijn dikwijls de ondergeschikte Ambtenaren ter ondersteuning van het Algemeen Bestuur maar al te bereid. Van daar, om slechts één voorbeeld te noemen, dat in een huis met ééne woonkamer door man, vrouw, en vijf kinderen bewoond, niet tegenstaande de bedlegerigheid der vrouw, acht soldaten werden gehuisvest. Doch het zij mij vergund hier in het algemeen opmerkzaam te maken op de smadelijke bejegeningen en den druk van allerhanden aard waaraan de Afgescheidenen niet zelden


(1) Alle deze en dergelijke opgaven zijn overgenomen uit bovengemeld Tijdschrift: zie bl. 1.

|50|

blootgesteld zijn. Waar een Gouvernement zich tegen eene bepaalde klasse van ingezetenen verklaart, daar ontbrak het nooit, noch aan laaghartige dienaren, volijverig in het uitvoeren en overgetrouw, noch aan twisten plunderziek gepeupel, dat door die vijandige houding opgewonden en opgeruid wordt. Van daar menige beleediging die door dezen en genen, met openbaar gezag bekleed, aan de Afgescheidenen, in woord of daad, toegevoegd is. Van daar de strenge invordering der boeten (ofschoon het hiertoe aan geene aanmoediging ook door hooger Ambtenaren schijnt ontbroken te hebben); eene gestrengheid somtijds zóó verre gaande dat men van de armoedigen huisraad, kleederen, en kindergoed verkocht. Van daar dat op sommige plaatsen de verkooping met opzet des Zondags geschiedde; ten einde Godsdienstig bezwaar de Afgescheidenen van het weder inkoopen te rug houden zou. Van daar, opdat er niets zou ontbreken, de gewelddadigheden door het graauw meermalen gepleegd.

 

En als nu hetgeen gebeurt, of gebeurd is (1), aan het geen gebeuren mag wordt getoetst, wat is het gevolg? Een volkomen contrast, met welks eenvoudige aanduiding ik meen, zonder verdere ontwikkeling, te mogen volstaan.

In een Constitutionelen Staat te beweeren dat eene stellige bepaling der Grondwet openlijk en meermalen overtreden is geworden, is geene ligte zaak, is eene beschuldiging


(1) Ik wil de mogelijkheid niet onderstellen dat de oorzaak dezer klagten (bl. 48-50) tot op heden in dezelfde mate voortgeduurd zou hebben. Doch, al had er slechts eenmaal inlegering plaats gehad, al was de schadeloosstelling slechts eenmaal geweigerd, nog zou het protesteren tegen zoodanig precedent, mijns inziens, pligtmatig en noodzakelijk zijn.

|51|

die, wanneer zij ongegrond en onbedacht is, van de grootste ligtvaardigheid getuigt. Maar het is mij, ofschoon ik dit wel in het oog heb gehouden, onmogelijk geweest de inlegeringen, ter bestraffing en zonder schadeloosstelling, met Art. 212 der Grondwet in overeenstemming te brengen. Ja, ik moet verdergaan en erkennen dat, mijns inziens, de overtreding zich niet tot één Artikel bepaalt.

Art. 171 schaft de verbeurdverklaring der goederen af. Door de inlegeringen wordt zij, op eene zijdelingsche wijze, hersteld. Voor menigeen, die weinig bezit, is het vrij onverschillig of de Regering hem dat weinige door verbeurdverklaring op eens, of door inkwartiering allengskens ontneemt. Het eerste is verkieslijker, en gaat met minder kwelling gepaard.

Art. 197 houdt in dat geene belasting dan uit kracht van eene wet geheven mag worden. Zoo de Regering naar willekeur bij de ingezetenen inlegering zendt, dan erken ik dat ook deze waarborg, naar mij voorkomt, weinig beduidt. Liever eene onwettige belasting, dan aan zoodanige plaag, naar goedvinden van hel Gouvernement, blootgesteld te zijn.

Art. 198 verbiedt alle privilegiën in het stuk van belasting. En evenwel dergelijk voorregt bestaat: of zou het geen voorregt wezen, wanneer sommigen van inkwartiering verschoond, sommigen, bij voorkeur en uitsluitend, met dien last en met die kosten worden bezwaard?

Art. 167 wil dat niemand van den regter worde afgetrokken dien de wet hem toekent. Wat baat het wanneer, gelijk hier, de ingezetenen, zonder eenige tusschenkomst, van den regter, overgeleverd worden aan het politiek gezag?

Art. 183 verlangt dat geene straf worde opgelegd dan door den regter. Wat baat het, indien het Gouvernement

|52|

de beslissing der regtbanken vooruitloopt! Doch het is geen vooruitloopen alleen, ten minste zoo het waarheid is, wat op zich zelf ongelooflijk zou wezen, maar op zoodanige wijs wordt verhaald en bevestigd dat het bijna ontwijfelbaar schijnt. Men zegt namelijk dat het beklagenswaardig gebruik van krijgsmagt tegen de ingezetenen plaats heeft ook daar waar de regter aan de Afgescheidenen uitdrukkelijk vrijheid van Godsdienstoefening toegekend heeft.

Art. 172 eischt dat in alle criminele vonnissen de misdaad uitgedrukt en de wetsbepaling waarop de uitspraak gegrond is, aangehaald zij. Geene straf zonder wet; heeft iemand tegen de wet gehandeld, dat hij naar de wet worde gestraft; zijn de bestaande wetten niet toereikend, dat er nieuwe wetten worden gemaakt. Maar men straffe den ingezeten niet zonder eenig vonnis, zonder eenige aanduiding van een misdadig feit, zonder eenige opgave van wet; men achte zich niet geregtigd tot willekeurige aanvulling van het Wetboek van Strafregt, en dat wel met eene straf die, nadat zij, lang of kort (naar mate van gegoedheid of armoede) geplaagd, verdrukt, en uitgemergeld heeft, eindelijk tot den bedelstaf brengt.

Indien er inderdaad, door de inlegering, tegen deze artikels, waarbij nog andere zouden kunnen worden gevoegd, is gehandeld, dan zal er, zoodra dit ingezien wordt, spoedig en voor altijd, een einde aan die handelwijs zijn. De Koning wenscht, wie twijfelt er aan? getrouw aan de Grondwet te blijven; de Koning weet dat deze aan den Vorst zoo wel pligten opgelegd als regten toegekend heeft; de Koning heeft niet te vergeefs, in een’ plegtigen eed, verklaard „van de Grondwet, bij geene gelegenheid en onder

|53|

geen voorwendsel hoegenaamd, te zullen afwijken of gedoogen dat daarvan afgeweken worde; . . . de algemeene en bijzondere vrijheid en de regten van alle de onderdanen en van ieder derzelve te zullen beschermen en beveiligen:” Art. 53. — Wat de Grondwet voorgeschreven heeft, het eerbiedigen van vrijheden en regten, zou de Koning uit eigen beweging en gaarne hebben gedaan; ook bij Z.M. moet het weerzin verwekken dat tegen Nederlanders, in zijn’ naam, een middel wordt gebezigd, hetwelk, onder de gruwelen der omwenteling en de dwingelandij van Napoleon, en ook daar alleen op zijne plaats, steeds als een der vreeselijkste wapens van revolutionair geweld, van despotismus en overheersching aangemerkt is. Het zal ophouden dat onwaardig, dat onzalig overblijfsel van een’ tijd die in het geheugen van Vorsten en Volken, ten afschrik en niet ter navolging, moet bestaan; het brengt geen zegen, noch over Kerkgenootschap of Staat, noch over Vorst of Vorstelijk Huis. Niet instandhouding, het is de afschaffing die Nederland en Oranje voegt.

——

De Afgescheidenen hebben nog andere regten, behalve die welke zij met alle Nederlanders bezitten. Zij zijn leden eener Gezindheid die de openbare orde of veiligheid niet stoort. Dit is omtrent hunne leerstellingen, en dus omtrent datgene waarin het kenmerk en wezen eener Gezindheid bestaat, openlijk en ondubbelzinnig, in het Besluit van 5 Julij ll. erkend. En trouwens dit had, ook zonder die erkenning, hoe welkom deze voor de Afgescheidenen zij geweest, niet ligt betwijfeld kunnen worden.

Dus hebben zij, volgens Art. 193 der Grondwet, regt om in hunne openbare Godsdienstoefening niet te worden belemmerd. Het is zoo, meermalen reeds is de orde, bij

|54|

gelegenheid dezer oefening en om harentwege, gestoord. Maar de Grondwet eischt dat de wanorde uit den aard van die oefening zelve en niet uit vijandige gezindheid legen haar ontsta; en, wat er ook hier of daar moge zijn geschied, gelukkig heeft men niet tot regel gesteld dat de rustverstoorder aangemoedigd en het slagtoffer worde gestraft.

Waar geene verstoring is der orde, daar zij geene belemmering van hetgeen ter gezamenlijke Godsvereering geschiedt. Dit is zóó duidelijk, zóó stellig en eenvoudig, dat het, met bescheidenheid zij het gezegd, bij het verschil tusschen de Nederlandsche Regtbanken, voorzeker niet de vrijspraak is waarover men zich verwonderen moet.

 

Ik ga niet treden in een regtsgeleerd betoog, noch breedvoerig de gronden herhalen welke in eenige uitmuntende Pleitredenen en in de considerantia van sommige vonnissen aangevoerd zijn: ik tracht veeleer mijne denkbeelden, zoo kort mogelijk, zamen te dringen.

Tweeledig is de grond waarop de veroordeeling van de Afgescheidenen, als van leden eener nieuwe Gezindheid, wordt gebouwd: Art. 291 van het Wetboek van Strafregt en het woord bestaande in Art. 191 der Grondwet. Geene associatie zonder toestemming der Regering; geene bescherming dan aan Gezindheden die in 1815 bestonden of later erkend zijn geworden.

 

Art. 291 kan, noch naar de letter der wet, noch zoo men op den geest des wetgevers acht slaat, toepasselijk zijn. Gemeenschappelijke Godsdienstoefening is geene associatie, en het doel der Napoleontische wetsbepaling is blijkbaar geweest, niet het belemmeren van de

|55|

Godsdienst, maar het beletten van elke zamenspanning van politieken aard, welke gedaante zij ook aangenomen mogt hebben. Daarenboven, Art. 291 is door de Grondwet, indien deze vrijheid van Godsdienstoefening toekent, vervallen. Het beroep op het tweede der additionele artikelen bewijst te veel. Door zoodanige uitlegging zou een aantal onzer dierbaarste vrijheden weggenomen kunnen worden; qui nimis probat, nihil probat.

 

En nu de Grondwet; wat heeft deze bepaald, en welke zin moet aan de uitdrukking bestaande Gezindheden worden gehecht?

Hier geloof ik op eene eenvoudige onderscheiding te mogen drukken, welke mij voorkomt duidelijk en beslissend te zijn, en evenwel, bij hetgeen in de laatste jaren over dit onderwerp is geschreven, zelden in het oog te zijn gehouden.

Men kwelt zich met allerlei uitlegging van het woord bestaande, en in zeker opzigt niet ten onregte, dewijl men inziet dat de wetgever onmogelijk eene noodelooze en hatelijke beperking der vrijheid van Godsdienst kan hebben gewild. Doch men late de eenvoudige beteekenis aan het woord, en lette slechts op de plaats waar het zich bevindt; namelijk in Art. 191. Dit, gelijk mede Art. 194 en 195, heeft uitsluitend betrekking op de Gezindheden welke bestonden toen de Grondwet afgekondigd werd; en heeft ten waarborge moeten strekken, geenszins tegen belemmering van Godsdienst, want daarvoor werd in andere artikels gezorgd, maar tegen den mogelijken voorrang van eenige, bepaaldelijk van de oudtijds heerschende Gereformeerde Kerk. Aan Lutherschen, aan Remonstranten, vooral aan de

|56|

Roomsch-Catholijken, bij hunne vereeniging met Protestanten en onder een’ Protestantsch Vorst, werd gezegd: Vreest niet; er zal geene begunstiging van den eenen boven den anderen zijn; gelijke bescherming. De regten, na 1795 verkregen, worden aan de onderscheidene Gezindheden gewaarborgd; de tractementen, pensioenen, en andere inkomsten die zij genieten, zullen bij voortduring worden betaald.

Evengemelde artikelen moeten tot waarborg tegen den onderlingen naijver der bestaande Gezindheden dienen; Art. 190, 192, 193, 196 zijn tegen alle vervolging om der Godsdienst wille gerigt.

Het woord bestaande kan dus geen den minsten invloed hebben op deze laatste artikels, als die tot een geheel verschillend onderwerp betrekkelijk zijn. De vraag is dus alleen naar die artikels op zich zelven, en het is onmiskenbaar dat de Grondwet op de meeste ruimte van uitdrukking, op het tegengaan van elke fijn gesponnen beperking bedacht is geweest.

Art. 190 waarborgt vrijheid, volkomene vrijheid van Godsdienstige begrippen. Één van beide; of het sluit in zich het regt om overeenkomstig die begrippen de Godheid te dienen; of, zoo het enkel beteekent, „de gedachten zijn vrij,” is het eene ijdele vertooning van vrijheidszin, eene vrij-verklaring van hetgeen door niemand kan worden aan banden gelegd.

Art. 192, dat de benoembaarheid tot ambten en bedieningen vastgesteld heeft, is onbeperkt; want, zoo de woorden „belijders der onderscheidene Godsdiensten” eenigen twijfel mogten overlaten, deze verdwijnt bij het inzien van den Franschen tekst: „sans distinction de croyance religieuse.”

|57|

Art. 193, dat onbelemmerde Godsdienstoefening verleent, laat geenerlei uitzondering toe. Er wordt gesproken, niet van bestaande, niet van erkende, maar van alle Gezindheden. „Geene openbare oefening kan worden belemmerd;” „l’exercice d’aucun culte ne peut être empêché.” — Art. 196 drukt zich op dezelfde wijs uit.

 

Al wat ik, kortheidshalve, slechts aangeduid heb, komt hierop neder: de Fransche strafwet heeft op Godsdienstoefening geene betrekking, en, al mogt zij het kunnen hebben, dan nog zou zij krachteloos worden tegenover eene Grondwet, die, ten aanzien der Godsdienstvrijheid, inderdaad een’ overvloed van waarborgen vastgesteld heeft.

Doch zou dit alles niet, bij uitsluiting, de zaak van de regtbanken zijn? Moet het niet aan haar worden overgelaten? — Mij dunkt dat het, althans evenzeer, de zaak van den wetgever is, de zaak van het Bestuur, de zaak van elk die, door raad en invloed, eenig deel aan regerings-maatregelen heeft.

De regtbanken zijn onderling in strijd. Dezelfde daad is onder het eene ressort strafbaar, onder het andere vergund. Van den wetgever hangt het grootendeels af om, zonder inbreuk op de zelfstandigheid der regterlijke magt, de middelen te bespoedigen waardoor aan zoodanigen strijd een einde kan worden gemaakt. Bij zulk eene tegenspraak in de regtspleging wordt de noodzakelijkheid van den Hoogen Raad dubbel gevoeld.

De zaak wordt door het Gouvernement niet, althans niet geheel, niet in den volsten zin, aan de regtbanken overgelaten. De houding die de Regering tegen de Gescheidenen aangenomen heeft, toont genoeg dat zij de

|58|

bijeenkomsten als strafwaardig beschouwt. Nu wil ik voorzeker niet tekort doen aan de regters en aan de onafhankelijkheid van hun karakter; maar ik geloof echter dat de betamelijke zucht om het Gouvernement te ondersteunen wel eens, ook waar slechts de schijn van wederspannigheid is, tot vooringenomenheid zou kunnen leiden; en de ervaring heeft altijd geleerd dat vooringenomenheid, dikwijls ook zonder dat men het wil of weet, tot onjuiste beschouwing, tot onbillijkheid en onregtvaardigheden brengt.

Bovendien de meeste regters betuigen dat de strafwet, die zij meenen geldig te zijn en waarop het Publiek Ministerie zich grondt, met weerzin door hen toegepast wordt. Wetgevers, zouden zij afkeuren wat hen, als regters, verbindt. Van het Bestuur hangt het af een artikel dat omtrent zoo vele, ook schadelijke, ook onzedelijke vereenigingen nooit ingeroepen is, omtrent Godsdienstige vereenigingen in het vervolg slapend te houden. Van den wetgever hangt het af de wettelijke vernietiging te bewerken. Zoo het waarlijk nog toepasselijk is, heeft het veel te lang reeds bestaan. Het zwaard dat de Godsdienstvrijheid bedreigt, behoort niet slechts in de schede gehouden , maar verbroken te worden. — Het is bepaaldelijk aan de Regering dat de Grondwet de handhaving van de dierbaarste aller vrijheden opgelegd heeft: „de Koning zorgt dat geen godsdienst gestoord worde in de vrijheid van uitoefening die de Grondwet waarborgt:” Art. 196.

 

Vernietigd, ik zeg het vrij uit, behoort de Fransche wetsbepaling te worden, in zoo ver zij op Godsdienstoefening toepasselijk is. Wat heb ik, om dit te bewijzen,

|59|

met omslagtige redenering, met de spitsvindigbeden der regtsgeleerdheid en de angstvallige uitlegging der wetten te doen! Is Art. 291 van het Wetboek van Strafregt, een waarborg tegen slaven voor een’ tijran, is het waardig overgenomen te worden waar tusschen Vorst en onderdanen, meer welligt dan in eenig Rijk der aarde, wederzijdsche gehechtheid bestaat? Betaamt het, dat, in Nederland en onder een’ Vorst uit een bij uitnemendheid Godsdienst- en vrijheidlievend Geslacht, geen twintig menschen zonder toestemming van het Gouvernement een gebed, een lofzang tot God mogen heffen? Is dit, in 1814 en 1815, toen de lof van milde en vrijzinnige begrippen geheel Europa doorklonk, de meening der Grondwet geweest? Zou deze inderdaad hebben bedoeld dat, Christenen nergens dan in de tempelgebouwen der kerkgenootschappen Godsdienst zouden mogen houden, en dat, zoo gemoedelijk bezwaar hen van die uitwendige kerk tot onderlinge bijeenkomsten dreef, hun Godsdienstoefening niet slechts belemmerd, maar met boete en gevangenis zou worden bestraft? Is dit de geest der Grondwet en had Z.M. daarop het oog, toen Hoogstdezelve aan de dubbele Vergadering der Staten-Generaal, bijeengekomen om over deze Grondwet te beraadslagen, heeft verklaard dat de gewetensvrijheid gewaarborgd was in den volsten zin? Zou men in 1815 veroordeelingen als die wij thans beleven, mogelijk hebben geacht? Stemmen zij overeen met hetgeen de Koning zelfs toen gewild, bevorderd, vastgesteld heeft ? Ik beroep mij op de herinnering aan dien heugelijken tijd; ik beroep mij op elk waarheidlievend hart!

——

Voorafgaande erkenning heeft de Grondwet niet

|60|

verlangd. Elke Secte, nieuw of oud, heeft een volkomen regt op een onbelemmerd bestaan; een regt hetwelk niet dagteekent, noch afhankelijk is van de toestemming van het Gouvernement, en slechts in één geval uitzondering lijdt; wanneer zij namelijk, of de rust en veiligheid heeft gestoord, of, door haar beginsel, de zaden van rust verstoring bevat. — Maar de Afgescheidenen zijn geene nieuwe secte; zij zijn leden der Gereformeerde Gezindheid. Als zoodanig, hebben zij, met de leden van het Hervormd Kerkgenootschap, aanspraak op die gelijke bescherming, welke aan alle bestaande Gezindheden toegezegd is. Dit is het wat, bij het beoordeelen van de plaats hebbende vervolging, wel voornamelijk in aanmerking komt, en waarvan mij thans het beloog nog overig blijft.

Het betoog! Behoeft het te worden betoogd? Is het niet bekend en overbekend dat zij Gereformeerden zijn; Gereformeerden bij uitstek, en dat hierin juist de grond der afscheiding ligt? Afvalligen welligt van het Kerkgenootschap, maar voorzeker getrouwe leden van de Gezindheid, van de kerk. En het is niet aan het kerkgenootschap van 1816, het is aan de in 1815 bestaande Hervormde Gezindheid dat bescherming door de Grondwet toegekend wordt.

De belijdenis, de uitdrukking van het gemeenschappelijk geloof, kenteekent de Gezindheid. De Afgescheidenen, wel verre van de Hervormde belijdenis te laten varen, klemmen zich veeleer, indien ik het dus uitdrukken mag, er aan vast.

De Kerkelijke inrigting is, in veler oog, eene zaak van eenigzins ondergeschikt belang. Doch, zoo men hieraan grooter waarde wil hechten, ook dit zou in het voordeel der Afgescheidenen zijn; dewijl zij juist die

|61|

Kerkorde ingevoerd hebben, welke met de Calvinistische denkwijs en met de gewoonte der Gereformeerde Kerken meer bijzonder overeenstemmend is.

Op welken grond zou de naam van Gereformeerd hun worden betwist? — Het Gouvernement, ziedaar het antwoord, kent buiten het Hervormd Kerkgenootschap geene Hervormde, geene leden der Hervormde Kerk.

Maar wie gaf het regt dien cirkel te trekken, wie gaf het regt om de vormen van een Kerkgenootschap tot kenmerk der Gezindheid te stellen?

Hoe zou de aard en het wezen der zaak door zoodanige beschikking verandering kunnen ondergaan? Hoe zou iemand die der belijdenis van de Hervormde Kerk hartelijk genegen, die in nadruk Gereformeerd-gezind is, van de Gereformeerde gezindheid uitgesloten zijn? Het deel nemen aan een Kerkgenootschap kan worden belet, maar nooit het behooren tot eene gezindheid; dit is eene zaak van het hart.

De eisch van het Kerkgenootschap, om als eenzelvig met de Hervormde Kerk te worden beschouwd, zou, hoewel onbillijk, toch meer begrijpelijk zijn, indien het, evenzeer als de Afgescheidenen, op het kenmerkende der gezindheid prijs had gesteld. Doch juist het tegendeel is waar. Het Kerkgenootschap is, wat geloofs-eenheid betreft, facto opgelost geworden; ten aanzien van inwendig beheer, heeft het de beginsels der Gereformeerde Kerk geheel ter zijde gelegd. Het Genootschap heeft zich, dunkt mij, facto afgescheiden van de Gereformeerde Kerk; zij daarentegen die men afgescheidenen noemt, hebben, dewijl zij deze feiten (mijns inziens zeer ten onregte) onherroepelijk achten, zich buiten het Genootschap begeven om te kunnen blijven in de Kerk.

|62|

Waar de uiterlijke vormen blijven bestaan, dáár en dáár alleen ziet het Gouvernement de Kerk: zou deze regel altijd toepasselijk zijn? Ook wanneer de ergste dwaalbegrippen werden geduld, de regtzinnigheid verbannen, het Evangelie verzaakt, het Deïsmus verkondigd, en de zedeloosheid, in de plaats van pligtbetrachting, geleerd? Wat is die regel anders dan stelselmatige verwarring van het wezen met den schijn! Evenzeer zou men uit de eenzelvigheid van het kleed tot de eenzelvigheid van den persoon kunnen besluiten, evenzeer zich met uithangbord en opschrift te vrede kunnen stellen, ook wanneer de aangeduide en beschrevene zaak weggenomen was. Evenzeer kan men beweeren dat hij altijd is de alleen wettige Monarch die zich van kroon en schepter heeft meester gemaakt.

Neen, waar het geloof is, daar is de gezindheid. De Afgescheidenen zijn Gereformeerd, en, zoo dit twijfelachtig kon zijn, het Gouvernement zou niet eigendunkelijk partij mogen kiezen. Het geschil in de Kerk, de twisten over de leer zouden niet door het Gouvernement of degenen aan wie het een uitgestrekt gezag toevertrouwd heeft, beslist moeten worden: het zou het onderwerp van eene waarlijk algemeene Kerkelijke beraadslaging moeten zijn. Doch er bestaat hier geen twijfel. De eenige vraag is of de Afgescheidenen Gereformeerd zijn of niet, en deze hoedanigheid kan hun niet in goeden ernst worden betwist. Maar dan ook schijnen zij, ten minste evenzeer als de leden van hel Kerkgenootschap, aanspraak op dien onderstand te hebben, welke door bescherming in Art. 191 aangeduid wordt.

Die aanspraak evenwel behoeft niet nader te worden onderzocht. Zij zien er van af. Des te meer mogten zij

|63|

verwachten ten minste aan geene vervolging blootgesteld te zijn. De oorzaak der afscheiding, ik meen het aangetoond te hebben, ligt in den beklagelijken toestand der Kerk. Jaren achtereen heeft men geweigerd eenig gehoor te geven aan het regtmatigste verlangen, het verlangen naar handhaving althans der meest kenmerkende stukken van de Christelijke leer. Sommigen zijn moedeloos geworden; zij hebben het strijdperk verlaten; hunne tegenstanders hebben getriumfeerd; en, nu zij buiten de Kerk den waarborg van getrouwe Evangelieprediking zoeken, dien zij daar binnen hebben gemist, nu zij slechts wenschen ongestoord de Hervormde leer, gelijk zij die belijden, ook door Godsvereering in toepassing te brengen; nu is het als of zij opstandelingen en misdadigers zijn. De Regering, na hunne tegenpartij in het Kerkgenootschap te hebben ondersteund, heeft ook thans daar builen het gansche gewigt van haar magt en invloed in de schaal tegen hen gelegd. Is het niet genoeg hen, in hetgeen zij dierbaarst achten, beleedigd te hebben? Niet genoeg hun de handhaving der Hervormde leer te ontzeggen in een Kerkgenootschap, dat zich het Hervormde Kerkgenootschap noemt? Is het noodig dat zij, gedeeltelijk althans, door onchristelijke prediking er uit gedreven, nu weder, om tegen wil en dank die prediking te hooren, als het ware naar binnen worden gejaagd (1)?

——


(1) Het Besluit van 5 Julij 1836 (Staatsblad, N°. 42) toont dat de Koning verlangt aan deze noodlottige twisten een einde te maken; en echter het heeft, naar mij voorkomt, niets veranderd in den eigenlijken stand van de zaak.
In hetgeen sub b is bepaald, wordt alle eigenlijke Godsdienstoefening [64] buiten gesloten. Zoo er eene andere opvatting kon zijn, strenge circulaires hebben al spoedig voor het wegnemen hiervan gezorgd.
Hel lid a heeft enkel tot de toekomst betrekking en handhaafd inmiddels de vervolging. Het vernietigt en ontbindt de Gemeenten, als of deze eerst door de autorisatie van het Gouvernement en van het oogenblik af dier autorisatie konden bestaan. Het onderwerpt de toekenning van Godsdienstvrijheid aan voorwaarden die in de Grondwet niet zijn genoemd. Van een onbetwistbaar regt maakt het eene gunst welke de Regering verleenen of ook weigeren kan.
Des niet te min hebben de Afgescheidenen getracht aan deze bepalingen te voldoen. De Regering heeft die voldoening ongenoegzaam geacht. Zij daarentegen vermeenen al wat hun mogelijk is, gedaan en toegegeven te hebben: zij beweeren dat omtrent het overige niet kan worden getransigeerd. Ik laat die zaak in het midden; dit alleen zeg ik: zoo zij Gereformeerden of ten minste leden eener niet rustverstorende Gezindheid zijn, zoo dit uitgemaakt is, dan hebben zij regt, niet om na langdurige beraadslagingen, niet om na eenigen tijd toegelaten te worden, maar om terstond in hunne Godsdienstoefening onbelemmerd te zijn.