Anoniem (1816)

Vijf Brieven, ter Verdediging van het Plan van Organisatie der Hervormde Kerken, in de Noordelijke Provincien van het Koningrijk der Nederlanden
Amsterdam
bij W. Brave, Boekverkoper op den Nieuwendijk, bij de Ramskooy, Nº 200.
1816

Anoniem (1816) 1e

|1|

Brieven over het Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden.

 

Eerste Brief.

 

Gij verlangt, waarde Vriend! dat ik u mijne gedachten mededeelen zal over de nieuwe inrigting van het Bestuur der Hervormde Kerken in de Noordelijke Provincien van ons Koningrijk: en gij begint, met mij te kennen te geven, dat gij wel zoudt hebben mogen zien, dat men ten dezen geene verandering gemaakt; maar de oude vormen hersteld en gehandhaafd had. Gij schijnt eenigermate in het begrip te staan, dat ik het hierin met u eens zoude zijn. Vergun mij, dat ik begin, met u in een ander begrip te brengen. Ik sta, in der daad in de meening, dat de oude inrigting van ons Kerkbestuur alzins verbetering behoefde. Wat zeg ik? het belang van ons Kerkgenootschap vorderde deszelfs geheele vernietiging en het aannemen van andere beginselen, door welke aan het Kerkbestuur meer kracht en klem gegeven, deszelfs uitoefening in handen der besten overgegeven; en eene prompte behandeling en afdoening van voorkomende zaken verzekerd werd: en ik verheuge mij niet weinig, dat ik in het nieuwe Reglement de waarborgen gevonden heb, welke der Hervormde Kerk van Nederland zoodanig bestuur verzekeren.

|2|

Ik wil, om aan uw geuit verlangen te voldoen, u eerst openleggen, welke gebreken in het oude Kerkbestuur, naar mijn inzien, bestonden; en daar na u in de bijzonderheden aanwijzen, welke voordeelen het nieuw Reglement ons aanbiedt.

Het gene mij altijd voorgekomen is, zeer gebrekkig te zijn in onze vergaderingen van Kerkelijk Bestuur, was derzelver talrijkheid; onzekere wijze van zamenstelling, en de beperkte magt van hare leden.

Gelijk het schier algemeen geldt, dat eene talrijke vergadering veel minder uitrigt dan eene min talrijke; zoo geldt zulks, in het bijzonder van onze kerkelijke vergaderingen: veel hoofden, veel zinnen: zegt het oude spreekwoord teregt; maar hoe meer zinnen, hoe meer verwarring, en hoe minder geregelde werkzaamheid. Wie slechts eene Sijnodale vergadering van 40 a 50 leden, zoo Predikanten als Ouderlingen; of eene klassikale vergadering van 25 tot 50 of meer leden vlugtig overzag, moest, zoo hij eenige menschenkennis bezat, reeds uit de grootheid van dit getal, met vertrouwen, durven voorzeggen, dat deze vergadering niet veel goeds uitrigten zal. Hoogst onmenschkundig zoude het toch zijn, te gelooven, dat deze allen de noodige schranderheid en kennis; belangstelling en gematigdheid zouden bezitten, om juist te kunnen onderscheiden; met kennis van zaken te kunnen spreken; met ijver ter harte te nemen; en met afkeer van alle verliefdheid op eigene opinie, toegeven, wat toegegeven moet worden. De menschkunde gebiedt, om te onderstellen, dat in zoo talrijke vergadering er gevonden worden, wie het aan de vereischte mate

|3|

van natuurlijke schranderheid ontbreekt; die zich op de kennis der zaken, die daar behandeld moeten worden, niet hebben toegelegd; of geen belang in derzelver loop en uitslag stellen; of zoodanige gezetheid hebben op eigene opinie, dat het hun boven al te doen is, om deze doortedrijven. Ik beroep mij op de ondervinding, welke gij zelf van kerkelijke vergaderingen gehad hebt. Mijn Vriend! en kunt gij dan nalaten te erkennen, dat ik u dáár juist beschreef, zoo als de loop der raadplegingen u de bestanddeelen onzer Sijnodale en klassikale vergaderingen steeds heeft doen kennen? Ondertusschen hadden deze allen hunne stem en gelijk gezag; en behoeft gij de voorbeelden, door mij te doen opnoemen, welke bewijzen zullen, dat hier door dikwerf besluiten zijn in de wereld gekomen, over welken iemand van gezond verstand zich moet schamen, en over welken zij, die meerdere kennis van zaken hadden, doch die hunne stem tegen die der meerderheid niet konden doen gelden, zich grootelijks hebben bedroefd? Mag ik uit mijne ondervinding spreken? Dan zijn er op onze Sijnodale of klassikale vergaderingen, tien zaken slecht behandeld tegen dat er eene goed behandeld werd.

Hoe kon dit anders, daar de wijze van zamenstelling dezer vergaderingen zoo onzeker was? van de klassikale vergaderingen werden alle de Predikanten van zekeren omtrek leden, benevens een kleiner of grooter getal Ouderlingen, bij toerbeurten meestentijds gekozen. Noch knapheid en kennis; noch lust en ijver; noch met één woord, iets, hetwelk iemand geschiktheid gaf, om zijne plaats aldaar

|4|

waardiglijk te bekleeden, kwam in eenige aanmerking. De grootste ellendeling, door gewetenlooze toegeeflijkheid van eene of andere klassis tot den Predikdienst toegelaten, en door de stem der domheid of der dweeperij in eene of andere gemeente geroepen, voerde daar niet zelden het hoogste woord, en was althans in het geval van zich te kunnen doen gelden. Op zijne beurt, werd hij afgevaardigd naar de hoogste kerkelijke vergadering; werd daar (al naar mate de beurten uitvielen) Voorzitter, Scriba, Correspondens, Deputatus: wat niet al? en had de gelegenheid, en om zich overal bespottelijk te maken, en daardoor het gansche Kerkbestuur een bespottelijk voorkomen te geven; en het weinige goede, dat men nog konde doen, tegentewerken en in de war te helpen. Heugt het u niet meer, dat wij, door zulke aanleiding, eene Sijnodale vergadering hebben zien presideren door eenen der onnozelsten van alle de dienstdoende Predikanten; dat schier bij elk woord, hetwelk hij sprak, de gansche vergadering in een luid gelach uitbarstte? Heugt het u nog, hoe wij ons schaamden? En hoe men nog jaren daarna, tot schande van onze orde, ’s mans jammerlijke misslagen verhaalde als voorbeelden van de belagchelijkste onnozelheid? Kunt gij, in ernst, verlangen, dat eene inrigting zal blijven stand houden, welke aanleiding geeft tot zoo ergerlijke toneelen? Ik kan het niet gelooven.

Ik weet wel, dat dergelijk geval niet dagelijks bestond: maar erg genoeg, dat het bestaan kon. En dit zult gij mij toch wel willen toegeven, dat er, ten gevolge der ellendige gewoonte, om bij

|5|

toerbeurten te committeren, schier nooit eene Sijnodale vergadering bestond, op welke geene leden waren, die, om meer dan ééne reden geacht moesten worden, aldaar allerminst te voegen (*).

Maar ook dan, wanneer door een soort van zonderling geluk, eens eene hoogere kerkvergadering geheel zamengesteld was uit regt knappe lieden, waren deze niet in de mogelijkheid, om iets wezenlijks uitterigten; daar zij zich de handen gebonden zagen door lastbrieven van hunne Committenten; aan welke lastbrieven zij zich te houden hadden; moetende zij conform dezelve besluiten, schoon dit ook regelregt tegen hunne eigene opinie inliep: en zijnde zij verder gehouden, om alle voorstellen overtenemen ad referendum, om vervolgens in de klassis, welke zij vertegenwoordigen, overwogen te worden. Ik bid u wat kon men, bij zoodanige inrigting, uitvoeren? Dit mogen de Synodale acten u zeggen, wier facit, zoo als gij weet, doorgaans uitkwam op — nul.


(*) Reeds vroeg heeft men dit anders gewild. In de acten van het Synode van Gelderland van de jaren 1639, 1643, 1644, kan men de bepaling vinden, dat „geene classicale of andere Commissiën zullen geschieden, per fortem, per vices, of op andere diergelijke wijze: maar per libera vota, en dat alzoo, dat men het oog werpe op de gequalificeerdste, en de geschiktste personen.” Maar dit heeft slechts stand gehouden tot 1692, want toen werd bij het Synode verstaan, dat Commissien ad Synodum bij toerbeurten of successie mogen geregeld worden. Zie Smetius, Synod. Ordonnantien, p. 71. § 55.

|6|

Neen! Het behouden van zoo gebrekkige inrigting kan ik niet verlangen. Herstelling en verbetering schijnen mij dringende behoefte te zijn. Ja! al bestonden alle deze in het oog vallende gebreken niet in die mate, als zij werkelijk bestaan hebben, zoo zou ik nogtans eene andere inrigting boven de oude verkiezen: al was het dan ook alleen, omdat deze zulk een volslagen gebrek aan éénheid had. Op het Nationaal Synode van Dordrecht onderstelde men een steeds wederkeerend Nationaal Synode, hetwelk het punt van vereeniging voor de Provinciale Synodes wezen zou. (*) Verschillende redenen bewogen nogtans de Regering dezer landen, om geene tweede kerkvergadering van deze soort te laten zamenkomen; en hierdoor werd veroorzaakt, dat de Provinciale Synodes, zonder punt van vereeniging, op zich zelve stonden. Men heeft getracht, dit gebrek te verhelpen, door het wederkerig zenden van Correspondenten, die besluiten of voorstellen van hun Synode tot dat van eene andere Provincie overbragten, wordende deze dan aldaar ad referendum bij de klassen overgenomen. Doch het is u niet onbekend, hoe onvoldoende deze inrigting steeds bevonden is. Ten uiterste zeldzaam was het geval, dat langs dezen weg, één en hetzelfde voorstel, bij alle de Synodes in een besluit veranderd werd. Meestal bleef hetzelfde voorstel


(*) Art. 50 der Kerkenorde bepaalt uitdrukkelijk, dat het Nationaal Synode om de drie jaren zal gehouden worden.

|7|

bij het ééne Synode zonder gevolg, terwijl het bij het andere reeds lange besloten was en kracht van wet had. Van daar zoo vele verschillende inrigtingen ten aanzien van examina; kerkvisitatien; bevestigingen enz. in verschillende Provinciën, en zulks bij hetzelfde kerkgenootschap! Het onvoegzame hier van heeft men lang ingezien, blijkens zoo vele instantiën, door zoo menige klassis en Synode, van tijd tot tijd gedaan, om dezen en dien maatregel algemeen te doen aannemen. Dit kwaad is alléén wegtenemen door middel van een opperst kerkelijk kollegie, uit niet te veel leden bestaande; met de noodige kennis van zaken voorzien; niet gebonden aan lastbrieven van Committenten, en welker besluiten kracht van wet hebben voor de gansche kerk.

Mag ik u nog één zeer wezenlijk gebrek herinneren? Ei! denk dan eens aan het gene de Commissarissen Politiek op de Synodale vergaderingen door den tijd geworden waren. Oorspronkelijk gezonden of op verzoek der kerken, om met de zaken op de Synodes behandeld wordende bekend te zijn, en de Synodes te ondersteunen; of, om toetezien, dat op het Synode niets ondernomen of behandeld wierd, strijdig met het belang van den Staat; doch zonder bevoegdheid, om zich te mengen in het gene zuiver kerkelijk en huishoudelijk was; waren zij allengs van den aard hunner oorspronkelijke zending afgeweken. De leden der Synodale vergaderingen gaven tot deze ontaarding zelve aanleiding, doordien zij, van tijd tot tijd, begonnen, in alle ter deliberatie komende zaken, ook dezulken, die het Gouvernement in het geheel niet aangingen, derzelven

|8|

hoog wijs praeadvis (zoo als men zich pleegde uittredrukken) te vragen: en dat praeädvis mogt dan zoo verkeerd zijn als het wilde, de meerderheid was ligt schroomvallig genoeg, om tegen hetzelve niet te durven adviseren: en men verschoonde het verkeerde van het genomen besluit, met te zeggen, dat de Commissaris Politiek het zoo had gewild! Zeg mij, lieve Vriend! wie hield dan toch, eigenlijk gezegd, Synode? De Hoog- en Wel-Eerwaarde Heeren, of de Commissaris Politiek?

Ik weet wel, dat men gevallen noemen kan, in welken de Commissarissen Politiek wezenlijk nut gedaan hebben. Maar dit neemt niet weg, dat het Synode houden onder hun toezigt een waar kinderspel geworden was; dat hunne advisen, door gebrek aan kennis van kerkelijke zaken, dikwerf verkeerd waren, en nogtans gevolgd wiedern; en dat derzelver handelwijze niet zelde despotiek en voor de eer der hoogste kerkvergadering beleedigend was. Ik ben er getuige van geweest, dat men op zeker Synode eenen Ouderling als lid toeliet op een credentiaal NB. van zijnen kerkeraad; terwijl de klassis, die alleen tot het Synode committeren kon, eenen anderen afgevaardigd had, die mede op het Synode toegelaten werd: en tot deze verkeerdheid besloot men, omdat men elkanderen in de oorden gefluisterd had, dat de Commissaris Politiek het alzoo verlangde. Niemand scheen te gevoelen, dat men, op dezen grond alleen, de nulliteit van alle de besluiten dezer Synodale vergadering, met een niet twijfelachtig gevolg, zoude kunnen sustineren. Op eenen anderen tijd, was ik er getuige van, dat

|9|

een Commissaris Politiek de deliberatiën stuitte over eene zuiver huishoudelijke zaak; over de eenvoudige kwestie, of zekere penningen al of niet aan het Synode behoorden verantwoord te worden? Van zulke verkeerdheden zijn de Synodale acten vol. Schreeuwt dit niet om herstel? Dat wij dit in het nieuw Reglement hersteld vinden, zoo goed als men dat verlangen kan, zal ik in het vervolg, ter zijner plaatse, doen zien. Voor het tegenwoordige meene ik, genoeg gezegd te hebben, om u te overtuigen, dat er geene redenen zijn, om de herstelling van de oude vormen van kerkbestuur te verlangen. En hier eindige ik dan ook dezen brief, met belofte, at ik eerlang mijne taak weder opvatten zal. Ik ben enz.

Anoniem (1816) 2e

 

Tweede Brief.

 

„Dien politieken invloed, door het nieuwe Reglement gewettigd, kan ik niet verdragen. De Christelijke gemeente is een godsdienstig genootschap, welks leden bedoelen onderlinge vorming tot volmaaktheid. Hetzelve heeft met de Politiek niets gemeens, en moet, uit dien hoofde, het regt hebben, om zijne zaken zelf te besturen, zoo als het wil, en tot het bestuur te roepen, die het wil.”

Deze uwe aanmerking, mijn vriend! is niet van schijn ontbloot. Het beginsel, hetwelk er bij ten grondslag ligt, schijnt eenvoudig, duidelijk, en daar door aannemelijk. Doch, in de gegevene

|10|

omstandigheden, kan hetzelve niet zonder beperking aangenomen worden. Het kan u niet verwonderen, deze aanmerking, door mij te zien maken. Hoe vele eenvoudige, op zich zelven ware en ontegenzeggelijke beginselen hebben wij niet gevonden in de voor meer dan twintig jaren afgekondigde Regten van den Mensch en Burger! Nogtans schrikten wij voor de toepassing derzelven op de burgermaatschappij: en de uitkomst heeft doen zien, dat onze vreeze maar al te gegrond was. Al is een beginsel dus op zich zelven waar; de omstandigheden kunnen niet te min vorderen, dat men hetzelve niet onbepaald toepasse: En zoo schijnt mij ook het geval te zijn, met de zaak, van welke wij thans spreken.

Wij moeten niet meer vragen, wat was de Algemeene Christelijke kerk oorspronkelijk? Maar wat is tegenwoordig de Hervormde kerk van Nederland? In welke omstandigheden is zij geplaatst? En dan is het onbetwistbaar, dat zij is in den Staat, en dat zij niet kan bestaan, zonder denzelven. In de eerste tijden van het Christendom bestond de gemeente door zich zelve; hare leeraars leefden van de liefdegaven der gemeente, en de kerk had alzoo voor haar bestaan geene verpligting aan den Staat. Van wien ontvangen thans Leeraars, en, op verschillende plaatsen ook andere kerkelijke beambten, hunne bezoldiging, anders dan van den Staat? En zal men van dezen vorderen, dat hij ons zal bezoldigen, en verder zich niet zal inlaten met of eenige inzage hebben in ons huishouden; zich alzoo te vrede stellende, met het voorregt van — te

|11|

betalen? Mij dunkt, mijn Vriend! bij eenig nadenken, zult gij mij toestemmen, dat deze vordering wat verre gaat.

Maar al ware het zelfs, dat de Staat aan de kerk niet eenen enkelen penning betaalde, zoo zoude ik nogtans aan den zelven het regt tot het uitoefenen van invloed op het kerkbestuur noch kunnen, noch willen betwisten. Het oog van het landsbestuur moet gaan over alles, waardoor de rust zoude kunnen worden verstoord. En is het nu, op zich zelven beschouwd, niet mogelijk, dat er in eene vergadering van kerkelijken, geheel tegen het doel van derzelver instelling aan, iets wierde gesmeed, bij welks kennis en beteugeling de Staat belang heeft? Levert de geschiedenis er geene voorbeelden van op? In der daad! het ware onstaatkundig van elk Gouvernement, het uitoefenen van eenen welbepaalden invloed op het kerkbestuur zich zelven te ontzeggen.

Hoe veel ligt, daarenboven, den Staat, als zoodanig, niet gelegen aan een en ander, hetwelk op zich zelven beschouwd, geheel kerkelijk is; maar tegelijk als een staatsbelang moet behartigd worden: ten zij men alle zedelijkheid, en met deze het ware geluk des volks in de waagschaal stellen wil! Of men al of niet wake, dat geene andere personen, dan die van beproefde kunde en deugd zijn, tot den predikdienst worden toegelaten: of men al of niet werkzaam is, ter weering van domme en dweepzieke katechiseermeesters en oefeninghouders: of men al of niet toezie op de zuiverheid der Christelijke leer en de reinheid der zeden: dit alles, en

|12|

meer van dezen aard, is op zich zelven beschouwd, zuiver kerkelijk; want wien, (zoude men kunnen zeggen) gaat het eigenlijk aan, of ik mij in den godsdienst door eenen halven Professor laat onderwijzen, of door eenen halven weetniet? Of ik mij wil laten stichten, door iemand, die de deugd zelve is; of door eenen anderen, die dag aan dag, met zijn gedrag omverre stoot, wat hij met zijnen mond predikt? Of mijne begrippen en zeden Evangelisch rein zijn? Is het voor den staat niet genoeg, wanneer ik maar zorge, dat ik de burgerlijke wetten niet schende? Voorlang heeft men het schadelijke van zoodanige meening in de toepassing reeds erkend: ook heeft het de ondervinding te duidelijk geleerd, dan dat men hieromtrent nog in twijfel zoude kunnen staan. De kennis en de deugd van den Leeraar des Evangeliums is van te erkender invloed op de denk- en handelwijze der gemeenten; de weering van dweeperij; de voortplanting van zuivere Christelijke begrippen; de bevordering van Evangelisch reine zeden, is van te grooten invloed op het burgerlijk bestaan en gedrag der leden van de maatschappij, om te kunnen in twijfel trekken, of de zorg voor de weering van het ééne en de bevordering van het andere wel belang van den staat zoude wezen, en dus door denzelven behartigd zoude mogen en moeten worden. Maar hoe zal dit belang ter harte genomen kunnen worden, ten zij, door de uitoefening van eenen, naar billijke beginselen en regelen gewijzigden invloed op het kerkbestuur?

Het zij mij vergund, u te vragen, of gij u wel

|13|

een kerkbestuur denken kunt, hetwelk eenige kracht en klem heeft, en dus, inderdaad een bestuur is, zonder verband van hetzelve met het Politiek Bestuur? Verbeeld u het Kerk- en het Politiek Bestuur, zonder verband, en het laatste zonder invloed op het eerste: en wat zal uw kerkbestuur zijn? Hetzelve censureert of ontzet eenen predikant, om bewezene onchristelijke gevoelens of ergerlijken wandel: deze stoort zich aan dit besluit niet; gaat voort te prediken, en zijne gemeente is daarmede wél te vreden. Hij bespot de kerkvergadering, die hem veroordeelde: en van waar haalt deze het vermogen, om haar besluit ten uitvoer te leggen? Zij kan zulks niet, ten zij het Burgerlijk bestuur haar met zijn gezag ondersteune. Dat is, met andere woorden gezegd, een kerkbestuur zonder verband met, en ondersteuning van het burgerlijk bestuur, is een klank zonder beteekenis; een — niet.

Maar, opdat ik nader kome! Wat wil men toch, met nu te schermen tegen politieken invloed, nadat dezelve reeds zoo lange jaren bestaan heeft? Men zal mij toch niet willen tegenspreken, dat de tegenwoordigheid van eenen Commissaris Politiek op elk Synode iets politieks; dat het politieke invloed was: ja, in sommige gevallen ruim zoo sterk werkende, als die bij dit Reglement vastgesteld is. Men denke slechts aan zoodanige gevallen als ik in mijnen voorgaanden brief heb bijgebragt, en aan honderd anderen van soortgelijken aard! En wat zijn toch politieke ordonnantien op het houden van oefeningen, het doen van kerkenrekeningen en dergelijken, anders dan bewijzen van zeer beduidenden

|14|

invloed van het burgerlijk bestuur op kerkelijke zaken? Ja, wilt gij meer? Wat is de bepaling bij Art. 37 der kerkenorde van 1619? „En zal ook de Magistraat van de plaats respectivelijk, indien het haar gelieft, een ofte twee van den Haren; wesende Litmaten der Gemeente, bij den kerkeraad mogen hebben om te aanhoren, ende N.B. mede van de voorvallende zaken te delibereren.” Wat is Art. 10 derzelfde kerkenorde? houdende, dat geen Predikant een beroep naar eene andere gemeente mag aannemen, zonder bewilliging van den Magistraat? Is het u onbekend, dat men in Gelderland geene kerkenraden durfde aanstellen in plaatsen, waar die niet waren, zonder toestemming van de Heeren Staten, die „zulks toestonden, zoo verre zulks niet strijdig was met het Reglement van Aº. 1683” (*); Ja, dat bij het kwartier van Veluwen ten dien opzigte, nog in 1681 (dus 60 jaren na de invoering der kerkenorde) Resolutien bestonden, ten dezen opzigte strijdig met de kerkenorde (✝)? Is het u vergeten, dat de Raad van Staten, in Staats Braband Kerkeraden aanstelde; en dat dezelve Raad van Staten bepaalde, „dat geene kerkeraden in het ressort van de Generaliteit onder het Synode van Gelderland gehoorende, zullen zijn, waar geene tien mansledematen zullen gevonden worden” (§)? Ja! dat


(*) Smetius, Syn. ordonn. p. 64. § 33.
(✝) Ibid. § 34.
(§) Id. p. 65. § 35.

|15|

dezelve uitspraak deed, in geschillen, gerezen over de verkiezing van leden van den kerkeraad (*)? Dat de Staten van Holland en Westvriesland gelastten, in wat maniere voor de Overheid te bidden, en het Synode aanschreven, om geene Correspondenten te admitteren, dan die vooraf zouden verklaren, geenerlei voorstel tegen deze ordonnantie te zullen doen (✝)?  Dat de Staten, den Commissarissen Politiek in last gaven, om geene deliberatie op het Synode te dulden over de geschillen, betreffende het vieren van den Sabbath (§)? Waar vond ik een einde, zoo ik alle de voorbeelden wilde bijbrengen, welke bewijzen, dat de Politieke invloed op het kerkbestuur steeds zeer beduidend was; ja in vele opzigten sterker dan die, welke door het nieuw reglement vastgesteld is.

Hoedanig toch is volgens het nieuw Reglement, de Politieke invloed? De Koning begeeft de hoogste kerkelijke posten, voor de eerste maal, onmiddelijk, en in het vervolg, uit eene aan hem aantebieden nominatie: met uitzondering nogtans van de leden van het tweede en de volgende Synodes, als welke bestaan uit afgevaardigden der Provinciale kerkbesturen. Voorts: het Synode wordt door den Commissaris Generaal en deszelfs Secretaris, of, zoo deze niet van den Hervormden Godsdienst is, door


(*) Zie kerkelijk Plakaatboek van Wiltens I.D. bl. 203 v.v.
(✝) Ibid. bl. 39-47.
(§) Wiltens en Scheltus, kerkel. Plakaatb. 2.D. bl. 377.

|16|

Commissarissen Politiek, en dóór den Koning te benoemen bijgewoond. Eindelijk: geene Synodale verordeningen hebben kracht van wet, zonder de sanctie van den Koning. Laat ons elk stuk gezet nagaan!

Dat de Koning, voor de eerde maal, alle de hoogde kerkelijke ambten, en wel onmiddelijk begeeft, zonder correspondentie met, of voorkennis van eenig kerkelijk bestuur, schijnt, ik erken het, wat sterk: maar toch in alle gevallen ook niet sterker, dan het aanstellen van kerkeraden door den Raad van Staten, straks door mij vermeld. Daar komt bij, dat ik niet doorzie, hoe de eerde keuze anders zoude kunnen geschieden: want wie zal hem aanstellen, zoo het de Souverein niet doet? Zult ge daartoe Synodale vergaderingen op den ouden voet te zamen roepen? Dan krijgt gij een Chaos van verwarring; zet eene wijde deur open voor allerlei intrigues en kuiperijen, en gij hebt geen waarborg, dat het nieuwe kerkbestuur zal bezeten worden door zoodanige personen, welke tot het waardiglijk bekleeden van hetzelve de noodige geschiktheid hebben. Het is even goed, of gij de gansche keuze aan het lot overliet, en misschien nog erger. Het zelfde geldt van het kiezen der klassikale Moderatoren door de tegenwoordige klassen. Hoe oneindig veel beter is het dan niet, dat de Commissaris Generaal voor de zaken der Hervormde kerk, die in dezen volstrekt onzijdig is, en geen ander belang: kan hebben, dan dit, dat hij geene andere leden in het kerkbestuur brenge, dan die volgens het algemeen gevoelen waardig zijn, in hetzelve te zitten,

|17|

dezelve aan den Koning voordrage! Zoo iets, dan is voorzeker deze maatregel geschikt, om op eens een kerkbestuur daartestellen, hetwelk is, zoo als het behoort te zijn.

Voor het vervolg kieze de Koning uit eene nominatie. Het formeren dezer nominatiën blijft geheel kerkelijk. Wat kan men meer verlangen? Alle personen, op dezelve gebragt, worden even daardoor, van wegen het kerkelijk kollegie, hetwelk dezelve formeert, tot het kerkelijk bestuur geschikt en verkieslijk verklaard. Wat zwarigheid, dat de keuze daaruit geschiede door den Koning? Ik zie er steeds dit voordeel in, dat deze aanstelling aan het bestuur meerder aanzien zal geven, en meerderen klem. Of zou ooit het Gouvernement zijn gezag kunnen weigeren, ter handhaving van het gezag van hen, die het zelf aangesteld heeft? En moet niet hij, die anders wel lust zoude hebben, om zich aan de verordeningen en uitspraken eener kerkelijke vergadering te onttrekken, zulks nu vreezen, daar hij in derzelver leden niet slechts ziet gekwalificeerden van eenige magtelooze predikanten; maar, door of van wegen den Koning zelven, tot het kerkbestuur geroepene mannen?

Het Synode zal door het hoofd van het Departement, aan hetwelk de zaken van de Hervormde kerken zijn aanvertrouwd, benevens deszelfs Secretaris, worden bijgewoond. Ik verzoeke uwe bijzondere attentie op de uitdrukkingen, in dit Artikel vervat. Gij vergist u, mijn Vriend! Zoo gij hier de voormalige Commissarissen Politiek geheel meent terug te vinden. Ten zij ik, tegen alle

|18|

waarschijnelijkheid aan, wilde onderstellen, dat de woorden van dit Reglement, ter dezer plaats, juist het tegendeel beduiden van het gene er staat; moet ik, in dit Artikel iets anders lezen, en vinde ik in hetzelve alleenlijk, dat gemelde Magistraats persoon des verkiezende, met zijnen Secretaris, het Synode zal bijwonen. Dat is gezegd: Hij neemt daar zijne plaats, en hoort, wat er verhandeld wordt: en zoo gaat het ook met de Commissarissen Politiek, welke de Koning benoemt in het hoogst onwaarschijnelijk geval, dat het hoofd van het Departement voor de zaken der Hervormden niet van den Hervormden Godsdienst is. Welk een verschil bij de diepe ondergeschiktheid van onze voormalige Synodale vergaderingen aan de Commissarissen Politiek!

De bepaling, dat het Synode zal worden bijgewoond, door den Commissaris Generaal voor de zaken der Hervormde kerken, geeft, mijnes inziens, wederom een niet onbelangrijk voordeel. Dit, namelijk, dat men zeker is, dat de deliberatiën worden aangehoord door iemand, die met den loop der kerkelijke, zaken bekend is. Hoe geheel anders was dit weder met de. Commissarissen Politiek, die veelal zich met kerkelijke zaken nooit bemoeiden; er niets van wisten, en juist daardoor zoo dikwerf verkeerdheden, hebben in de wereld gebragt! Ik moet u daarenboven doen opmerken, dat daar men voorheen bij elk Provinciaal Synode eenen Commissaris Politiek had, nu integendeel, bij de Provinciale kerkbesturen, (welke de Synodes in de Provinciën vervangen) geen Magistraats persoon, tegenwoordig

|19|

is, en dus ten dezen eene vrijheid bestaat, welke, tot hier toe, onder ons onbekend was.

Geene Synodale verordeningen hebben kracht van wet zonder de sanctie van den Koning. Zulks staat wel niet in het Reglement met ronde woorden; doch ik stem u toe, dat het nogtans de geest van het Reglement is. Het 23 Art. bewijst dit duidelijk genoeg, daar het bepaalt, dat „Het Synode algemeene kerkelijke reglementen en verordeningen ontwerpt (niet vaststelt) en dezelve voordraagt aan het Departement, belast met de zaken der Hervormde kerken, ten einde daarop de goedkeuring des Konings te erlangen.”

Welke zijn die hier bedoelde „algemeene kerkelijke reglementen en verordeningen?” Het vervolg wijst dit duidelijk uit: een Reglement op de Examina; op het godsdienstig onderwijs; eene algemeene manier van Procederen in kerkelijke zaken; een reglement op de predikantsberoepingen; op de kerkeraden; de kerkvisitatien, en de klassikale onkosten.

Deze alle zijn, zoo ik niet geheel mis zie, wezenlijke bestanddeelen onzer kerkelijke organisatie. Deze reglementen zullen met het algemeen reglement één geheel uitmaken. En als alle deze eens in de wereld zijn, denk ik, dat er eeuwen verloopen kunnen, eer er weder eenig reglement noodig is: Ik kan ten minste niet bedenken, waar op men dan nog een reglement verlangen zoude. Dat deze nu, door den Koning goedgekeurd moeten worden, is niet vreemd; maar conform met het gene plaats heeft gehad met de kerkenorde, die op het Synode

|20|

van Dordt werd geärresteerd. Gij zoudt u toch grootelijks bedriegen, wanneer gij meendet, dat deze ingevoerd wierd en kracht van wet had zonder politieke goedkeuring. Neen! mijn Vriend! de Staten der Provincien, destijds Souvereinen in den haren, hebben wel degelijk deze kerkorde onderzocht, somtijds ten aanzien van een en ander artikel veranderd; en daarna goedgekeurd. Ik geve u alleenlijk ten bewijze het besluit der Landschaps vergadering in Gelderland van den 21 Julij 1620, bij welke dezelve kerkenorde voor de Provincie Gelderland aangenomen wordt. Dezelve luidt woordelijk als volgt:

Wy met rype overlesinghe ende examinatie derzelver kerken ordeninghe, gedaen door Cantzler ende Raden met toedoen van onze speciale daer toe Ghecommitteerden uytte respective quartieren, ende op alles ghelet hebbende, ende vindende dat deselve kercken-ordeninghe niet langher uytstel en can verdraegen, hebben goetgevonden tot ruste ende eenigeheyt der kercken in desen Furstendomb ende Graefschap deselve kercken ordeninghe te approbieren, ratificieren, ghelyck wy deselve approbieren ende ratificieren by desen, uitghenomen de cleyne veranderinghe ende duydelycke interpretatie: So wy na de constitutien van partiuliere kercken, Classen, Synoden, mede ooge genomen hebbende op de constitutie ende regeringe van desen Furstendomb ende Graefschap bevonden hebben het sticht ende oirbaerste te zyn. Ordonneren daerom ende bevelen hiermede de Dienaren des Godtlycken Woorts, kerckenraeden, Classen ende Synodale vergaderingen, ende voorts

|21|

allen anderen van wat qualiteyt ende conditie die syn, ende dese eenicksins aangaen magh, hem in desen na de voors. kerckenordeninghe haer in haere respective kerckenbedieninghe te regulieren, alles by provisie ter tydt ende tot dat anders over deselve kerckenordeninghe by de samentlicke unieerde Provincien of by ons nader ende speciaalder geordonneert sal syn, ooc mede ongekrencket deser Lantschaps resolutie voor desen op ’t stuck ende beleyt der kercken genomen.”

Wat wilt gij meer? De Staten ordonneren hier de observantie van de kerkenorde; niet alleen aan Predikanten, kerkeraden, klassen; maar ook aan het Synode, nadat zij die eerst hebben onderzocht, en, waar dezelve hun niet geviel, veranderd, en dan nog maar provisioneel, en tot dat zij zouden goedvinden nader en speciaalder te ordonneren.

Vroeger was ook reeds alzoo gehandeld met de kerkenorde van 1586, van welke gij de approbatie van den Grave van Leycester, na ingenomen goedvinden van de Staten der Provinciën, vinden kunt in het bekende kerkelijk handboekje bl. 229, 30.

Daarenboven zijn de kerkelijke Reglementen op de stricta Examina enz. alle politiek gesanctioneerd. Zie hetzelfde kerkelijk handboekje, bl. 232-36. Trouwens, het Nationaal Synode van Dordrecht was, volgens deszelfs uitdrukkelijke verklaring, van meeninge, dat dese Ordinantien des Synodi, sonder goetvinden, approbatie ende toestemminge van H.H. Mog. onse Hooge Overigheyd in de kerken deser Provinciën, niet en konnen, gelykse niet en behooren ter executie gestelt ende onderhouden

|22|

werden.” Zie hetzelfde handboekje bl. 326, 27. Geen wonder, daar men reeds op den 24 Febr. 1582, op zeker verzoek van Pred. had geapostilleerd., „De Staten van Holland — — verklaaren, dat in het Synode geene nieuwe saecken sullen werden te werck gestelt, nog geëffectueert, sonder voorgaande consent van de Staaten.” (*)

Nu zal de Koning de kerkelijke Reglementen en verordeningen moeten goedkeuren, zullen zij kracht van wet hebben: vrage: wat doet dan nu de Koning in dezen, het gene de Souverein van het land niet, reeds voor twee eeuwen, ook deed?

Ik zie, dat ik te uitvoerig geworden ben. Ik besluit des, na u verzekerd te hebben enz.


(*) Zie Wiltens en Scheltus, kerkel. Pl. Boek, II D. bl. 38. Men zie de Resolutie van den 11den Junij 1583 ald. bl. 43.

Anoniem (1816) 3e

 

Derde Brief.

 

Ik meene, waarde Vriend! in mijne twee voorgaande brieven, genoeg gezegd te hebben, om u te doen zien, dat ons kerkbestuur verbetering noodig had, en dat de politieke invloed, bij het nieuwe Reglement vastgesteld, althans niet grooter is dan die, welke vroeger ook reeds bestaan heeft. Ik ga voort met u thans, bij de stukken, aantetoonen, dat het nieuwe Reglement de hoofdgebreken van het oude kerkbestuur verbetert.

Ik deed u, in mijnen eersten brief, opmerken,

|23|

dat de talrijkheid onzer klassikale en Synodale vergaderingen een wezenlijk gebrek derzelven was. Dit gebrek is weggenomen, door de bepalingen, in het nieuwe Reglement gemaakt. Zoo ik goed geteld heb, zal het Synode, in alles, bestaan uit zeventien leden, waarvan veertien eene concluderende stem hebben. Een Provinciaal kerkbestuur kan bestaan, ten hoogste uit acht leden, ten minste uit vijf, de Secretaris medegerekend. Het klassikaal bestuur of Moderamen bestaat uit ten hoogsten acht, ten minsten zes leden. De klassis vergadert alleen, om hare finantieele zaken aftedoen, en, in geval van vacatuur in het klassikaal Moderamen, nominatie te maken.

Deze geheele inrigting komt mij uitnemend goed voor. Uit een aantal van eenige honderde Predikanten, kan men zeer gemakkelijk twaalf vinden (want meer dan twaalf Predikanten komen er op het Synode niet) die hunne plaats aldaar waardig-lijk bekleeden: in eene vergadering van veertien concluderende stemmen, kan men geregelder en betere behandeling van voorkomende zaken verwachten, dan in eene grootere. Hetzelfde geldt van de Provinciale kerkbesturen en van het klassikaal Moderamen. En daar alle hoofdelijk stemmen, en niet gebonden zijn aan lastbrieven, houdt alle hindernis eener prompte afdoening van zaken, en belemmering in de gezagsuitoefening bij de leden van het kerkbestuur; welks tot dus verre bestond, geheel en al op. Dit beschouwe ik als een wezenlijk voordeel.

Uwe vreeze voor aanmatiging en hiërarchie, waaneer het kerkbestuur in handen van zoo weinigen

|24|

is, komt mij geheel ongegrond voor. Trouwens: het zijn geene permanente posten, tot welke zij geroepen worden, wie het kerkbestuur wordt aanvertrouwd. Zij wisselen behoorlijk af. Bij de Provinciale kerkbesturen treedt Jaarlijks, zoo na mogelijk, een derde der leden af; en bij de Moderatoren der klassis, indien het getal der Gecommitteerden vier is , treden twee, en anders treedt één Jaarlijks af. De nieuwe keus moet geschieden 1º. voor het Provinciaal kerkbestuur, uit eene nominatie van zes leden, door de klassikale Moderatoren, wie de vacature betreft, te formeren, en tot een drietal te verminderen door het Provinciaal kerkbestuur zelve. 2°. Voor het klassikaal Moderamen, uit eene nominatie van zes leden, te formeren door de klassis, en tot een drietal te verminderen door de klassikale Moderatoren zelven. Ik bid u, hoe kan hier hiërarchie ontstaan? Verbeeld u het geval, dat eenig lid uit de klassikale Moderatoren zich te veel air’s geve, zal dat niet aanstonds het gevolg zijn, dat men hem, zoodra de beurt, om aftetreden aan hem gekomen is, niet weder op de nominatie brengt, en dus, buiten de mogelijkheid stelt, om zijner heerschzucht bot te vieren? Zoo doende komt men veel gemakkelijker van het juk der hiërarchie af, dan tot hier toe. Gij zult het toch ook wel weten, dat onder de leden onzer klassen ook ware Pausen gevonden wierden, die overal den mond in hadden; hun gevoelen wisten doortedrijven, en die het eindelijk zoo ver wisten te brengen, dat zij het magnificat alleen in handen hadden, terwijl de overigen niets hadden intebrengen. En die Heeren

|25|

regeerden jaar uit jaar in, zonder dat er ander uitzigt op verlossing van het hatelijk juk was, dan — beroeping naar elders, of de dood!

Dat men de leden zoo van de Provinciale kerkbesturen, als van de klassikale moderature, telkens weder verkiesbaar stelt, is alzins wijs en goed. Ik heb mij zelven wel eens afgevraagd, van waar het kwame, dat men zoo weinige Predikanten vond, die regt geschikt waren ter behandeling van voorkomende zaken; en dat men zelfs lieden, anders door geleerdheid en talenten respectabel, in klassikale en Synodale vergaderingen, zoo jammerlijk hoorde adviseren, en, over het geheel, zulk een ellendig figuur zag maken? Ik heb vele redenen gevonden, om dit te verklaren. Eéne voorname echter vond ik daarin, dat de gestadige afwisseling der kerkelijke Commissien onder zoo vele leden, en daaruit ontstaande, eensdeels zeldzame, andersdeels kortstondige bekleeding van eenig emplooi in het kerkbestuur, het der moeite onwaardig deed achten, om zich op de regte behandeling van kerkelijke zaken toeteleggen. Deze reden, welke ten minste het hare heeft bijgebragt, om ons langen tijd een goed aantal knappe kerkbestuurders te doen missen, valt nu weg. Wie in het Provinciaal kerkbestuur of in een klassikaal Moderamen geplaatst zijnde, eenigermate begeerte heeft, om in deze betrekking gecontinueerd te worden, zal zich in de noodzakelijkheid gebragt zien, om zich zelven bekwaam, en daar door noodzakelijk te maken. Wie nog in geen bestuur geplaatst werd, zal zich behooren te bekwamen, opdat, bij het formeren der nominatien,

|26|

de aandacht, als op een geschikt competiteur, ook op hem valle: en alle zullen hebben te zorgen, dat zij neit door hoogmoed en heerschzucht gehaat maken bij hunne Broederen: zijnde dit de onfeilbare voorlooper van hunnen val.

Dit leidt mij van zelf, om u oplettend te maken op een ander voordeel, hetwelk het nieuw Reglement vooruit heeft boven onze oude inrigting: Ik bedoel het afschaffen der verkiezing bij toerbeurten, en de invoering van het verkiezen per libera vota; uitgebragt bij beslotene billetten. Tot hiertoe had men het niet in zijne magte, om te beletten, dat zelfs de allerongeschiktste voorwerpen tot de eerste Commissiën werden benoemd. Niemand kon hen keeren, wanneer hunne beurt gekomen was. Thans moet men ongeschikte lieden praefereren, of men kan ze niet krijgen: en wie kan gelooven, dat men dezulken uit verkiezing nemen zal? Deze verordening waarborgt derhalve der kerke een goed bestuur; zoo zeer als dat gewaarborgd kan worden. Ja! neme ik hierbij in aanmerking, dat het te voorzien is, dat een nieuw Reglement op de Examina, het ontwerpen waarvan aan het Synode opgedragen is, de deur zal toesluiten, door welke Pseudo-studiosi, als Predikanten, der kerk plegen ingedrongen te worden; zoo heb ik niet alleen hope; maar ook een vast vertrouwen, dat het Rijk van verwaande Weetnieten in onze kerk heeft opgehouden te bestaan: immers geen nieuwen toevoer van onderdanen krijgen zal.

Ik moet hier bijvoegen, dat het gebrek aan éénheid in ons voormalig kerkbestuur, mede door dit

|27|

Reglement opgeheven is. Het Synode is het middelpunt, in hetwelk zich het gansche bestuur der kerk vereenigt. Hetzelve is bij het nieuwe kerkbestuur, wat het Nationaal Synode bij het oude kerkbestuur zoude geweest zijn, bij aldien dat Synode, gelijk de kerkenorde bepaalde, van tijd tot tijd ware herhaald geworden. Deszelfs besluiten en verordeningen zijn van verbindende kracht voor de gansche kerk in de Noordelijke Provinciën: waarvan gelijkheid van vormen en reglementen een noodwendig gevolg wordt.

Het artikel nopens de Commissarissen Politiek zal ik hier niet nader aanroeren; daar ik u boven reeds heb doen opmerken hoe aanmerkelijk het verschil is tusschen het gene eertijds ten dezen opzigte bestond, en het gene nu vastgesteld is. Ik besluit uit al het gezegd, dat de hoofdgebreken van het vorige kerkbestuur, door het tegenwoordige reglement hersteld zijn: en dat reeds uit dien hoofde elk onbevooroordeeld, en die het wél meent met ons kerkgenootschap, reden heeft, om zich te verblijden, dat deze nieuwe verordening zoo goed uitgevallen is.
Bovendien bevat het nieuwe Reglement verschillende heilzame bepalingen, die niet anders dan tot welzijn der kerk verstrekken kunnen; doch op deze wil ik uwe aandacht vestigen in eenen afzonderlijken brief.

Als altijd blijve ik enz.

Anoniem (1816) 4e

|28|

Vierde Brief.

 

Waarde Vriend! Ik ga, mijner belofte getrouw, er mij toe zetten, om u te bepalen bij verschillende heilzame verordeningen, die in het nieuwe Reglement gevonden worden.

Het vijfde Artikel reeds, waarborgt de executie van alle besluiten, door een hooger kerkelijk kollegie gegeven: zelfs in geval het mindere kollegie vermeent, door zoodanige besluiten bezwaard te zijn; zoodanig dat het zich daarover bij nog hooger kerkbestuur vermeent te moeten beklagen. Een maatregel van orde, bij elk bestuur aangenomen, doch bij onze kerkelijke kollegiën, zoo als gij weet, niet bekend, of althans zeer slecht nagekomen. Ook was hierin bij de kerkenorde niet voorzien; bepalende deze alleenlijk, Art. 31, dat men, in geval van beklag over de uitspraak eener mindere kerkvergadering, zich op eene hoogere konde beroepen: Maar verder zwijgende van de gehoudenheid, om inmiddels te gehoorzamen.

In naauw verband hiermede staat de bepaling, vervat in Art. 7, dat er van alle kerkelijke zaken appel valt; doch nooit meer dan één appel. Ook hieromtrent was bij de kerkenorde niet voorzien, en het natuurlijk gevolg daarvan, dat dezelfde zaak, die ter eerster instantie gediend had voor den kerkeraad; eene tweede instantie had gehad bij de klassis; nog eenmaal werd gebragt aan het Synode. Alles noodelooze omslag, poging, om de zaken op

|29|

de lange baan te schuiven: en welke men toch maar niet verhinderen kon.

Hiermede is weder ten naauwste verbonden de bepaling, dat het eerste Synode zal hebben te ontwerpen eene manier van behandeling van kerkelijke zaken. Een waar desideraat, en hetwelk wij toch maar niet bezaten: van waar zoo vele onzekerheid in de behandeling van kerkelijke zaken, en — als ik het zeggen mag — zoo vele misslagen, over welken regtsgeleerden, niet zonder reden, de handen in elkanderen geslagen hebben.

Gij weet, mijn Vriend! hoe dikwerf de meer en meer toenemende slapheid in het examineren het onderwerp van onze gesprekken is geweest, en hoe wij zulks betreurden, als een zeker middel, om het ongeloof en de ongodsdienstigheid in de hand te werken en voortteplanten in onze kerk. Hoe toch, vroegen wij ons dikwerf, kan de man van verstand en studie, uitgelokt worden, om de kerk te bezoeken, wanneer hij weet, dat hij eenen man zal hooren, wiens taal, slag voor slag, het gezond menschenverstand beleedigt, en die toont noch studie, noch smaak te hebben? Hoe zal het ongeloof afnemen, zoo lang Predikanten, in het openbaar, blijken geven van onkunde, welke tot onderwerpen van spotternij worden? En wij besloten, dat, terwijl zij onverantwoordelijk handelden, die Weetnieten door het examen hielpen; het belang van den godsdienst ten dezen opzigte nieuwe en betere maatregelen gebiedend vorderde: maatregelen, welke der domheid en onkunde, voor altijd den weg tot den kansel toesluiten, en het allen, wien eene kwalijk geplaatste

|30|

barmhartigheid bezielt, onmogelijk maakt, om dezelve ten aanzien van examinandi intevolgen. Kunt gij nalaten u te verblijden, dat ook het ontwerpen van een Reglement op de examina aan het eerste Synode is opgedragen? Hoe veel zullen wij niet gewonnen hebben, zoo dit goed uitvalt! En daar aan kunnen wij toch wel niet twijfelen.

Maar al leerde ook de uitkomst tegen alle verwachting aan, dat het nieuwe Reglement op de Examina weinig of niet beter dan het oude beantwoordde aan de behoeften van onzen tijd; zoo heeft ons nogtans het Reglement op het kerkbestuur reeds een waarborg gegeven, dat het te toegevend examineren een einde hebben moet. Het is eene oude opmerking, dat de beste wetten, zonder geschikte handen, die dezelve volvoeren, niets baten; en dat, omgekeerd, eene gebrekkige verordening onder de uitvoering door eenen wijzen, eene heilzame strekking erlangt. Zoo iets is ook buiten twijfel waar ten opzigte der examina van Kandidaten der Godgefeerdheid. Maak de beste verordeningen op dezelve, die in tien jaren uitgedacht kunnen worden; geef dezelven ter executie aan onze gewone klassikale vergaderingen; en gij zult niets gewonnen hebben! De Ezels zullen hun paadje even gebaand vinden als te voren, en langs hetzelve even gemakkelijk binnen komen als altijd. Want hoe zou het gaan? De man, die naar de orde examineren moet, zal met den Examinandus te voren afspreken, wat hij vragen en wat deze antwoorden zal. Onder de toehoorders zult gij er hebben, die het examen verveelt, en als het maar aan een einde

|31|

is, gaarne ja! willen zeggen; anderen, wie het onverschillig is, of er een Weetniet min of meer onder de Predikanten geteld wordt; anderen, die denken: „hij weet wel wat weinig; maar hij is toch een goede jongen:” nog anderen, die denken: „hij weet toch, in alle geval, nog meer dan die en die, en die zijn er wel doorgekomen;” nog al anderen, die toelaten, omdat hij discipel is van Professor N.N. en hij welligt een brief over hem had ontvangen; nog al anderen, die denken: „hij kan nog aanleeren! Wijst men hem af, zoo is hij welligt geheel verloren:” nog al weder anderen, die denken: mij is ook barmhartigheid geschied! Daar gaat de Ezel al met de meerderheid door! Of staken de stemmen, zoo beslist misschien het lot, of hij bekwaam genoeg is of niet?!! Ik beroep mij op uwe ondervinden!

Maar hoedanig er het toekomstig reglement op de examina ook moge uitzien, voor zulke ergernissen zijn wij reeds bewaard! Trouwens de werkzaamheden van de klassikale vergaderingen zijn reeds bepaald, en het is niet meer van hare taak, te examineren. Zulks moet derhalve geschieden, of door de klassikale Moderatoren, of door het Provinciaal kerkbestuur. Zie hier onze waarborg! Noch bij de eersten, noch bij de laatsten zal de zwakheid of de onkunde de meerderheid van stemmen halen. Ik moet mij in het goed vertrouwen, hetwelk ik op de benoemde leden heb, grof bedriegen, of zij zullen toonen, dat zij het belang der kerk kennen, en ter harten nemen. Wat zeg ik? Dat zij eerbied hebben voor den stand, welken zij bekleeden, en

|32|

dat zij zich zelven de schande zullen sparen van naast weetnieten geplaatst te worden.

Het is maar al te zeer bekend, dat men even schuldige toegevendheid gebruikte ten aanzien van de zedeloosheid als van de onkunde. Wanneer het al gebeurde, dat, na langdurige ergernis, een zedeloos mensen van den Predikstoel werd geweerd, was het nogtans niet alleen niet zeker, dat men hem nooit weder in de bediening zoude zien herstellen; maar het tegendeel kan men, bijna met gewisheid , vooraf vaststellen. De gedeporteerde hield zich eenige maanden stil; vroeg eene verklaring van den kerkeraad der plaats, waar hij zich intusschen onthield, dat hij zich onbesproken had gedragen; vervoegde zich daarmede bij de klasfis, die hem gedeporteerd had, en verzocht de intrekking van zijn vonnis. Nu kwam het kwalijk geplaatste medelijden boven. Men moest broederlijk handelen: en als een broeder berouw heeft en beterschap betoont, moet de straf opgeheven worden. Het vonnis werd ingetrokken, en — het schandaal weder beroepelijk gesteld, om straks daarna nieuwe ergernis te geven, en te toonen, hoe weinig hij deze barmhartigheid had verdiend.

Ook voor deze ergernis zijn wij in het vervolg bewaard, door de bepaling, vervat in Art. 47, dat een Predikant, of Kandidaat, wegens zedelijk wangedrag eenmaal afgezet zijnde, nooit weder als zoodanig aangenomen kan worden. Zeg niet, dat deze bepaling te streng is! Zij is allerheilzaamst. Wie zich aan zoodanig wangedrag heeft schuldig gemaakt, dat hij van zijne bediening; vervallen heeft

|33|

moeten verklaard worden, moge berouw krijgen, en zich verbeteren; dies te beter voor hem: elk Christelijk hart zal er zich over verheugen. Maar als Leeraar der gemeente kan hij niet meer dienen. De zonde, waarin hij zich eenmaal zoo grof verloopen heeft, kan hij niet in anderen bestraffen: en de gansche klasse van Godsdienstleeraren mag niet in gevaar gebragt worden van, om zijnen wil gelasterd te worden, en de haar zoo noodige achting te verliezen. Wat hier met den naam van broederlijke vergeving werd bestempeld, was in den grond, verwaarloozing van het belang der gemeente. De thans tot wet gemaakte gestrengheid is zorg voor de eer van het koningrijk van onzen Meester.

Een ander stuk van belang, hetwelk ten gevolge van dit Reglement tot stand moet komen, is eene verordening op de klassikale onkosten. Zoo iets; gewisselijk dit is van de dringendste noodzakelijkheid. Gij hebt het meermalen met mij erkend, dat het inderdaad ongehoord is, zoo als men bij sommige klassen, Proponenten, inkomende en uitgaande leden, gemeenten, die kerkelijke approbatie van beroepingen vroegen, liet betalen, en dat bij vele klassen ten dien opzigte volstrekte willekeur bestond. Ik zoude er u kunnen aanwijzen, waar het laatstgenoemde artikel steeds een stuk was van onderhandeling en beding tusschen den kerkeraad, die eenig beroep had gedaan, en een lid der kJassis, daartoe gecommitteerd, welke, er dan maar op uit was, om zoo veel geld te bedingen als hij magtig worden kon. En hoe werd dat geld dan nog besteed? . . . . Ik zal er niet meer van zeggen. Ik danke God,

|34|

dat mijn oog de zoo dringend noodige verbetering nog mag zien.

Eene Synodale vergadering vergaderde niet meer dan eenmaal Jaarlijks. Men weet hoe dit den loop van zaken vertraagde. De Provinciale kerkbesturen, welke deze Synodes vervangen, hebben ten dezen opzigte een groot voordeel. Zij vergaderen zeker driemalen in elk jaar: en boven dien kan de Voorzitter nog buitengewone vergaderingen beleggen. Welke verordening zeker de gelegenheid, om alle zaken met den vereischten spoed aftedoen, zoo ruim laat als men verlangen kan.

Ik behoef slechts te noemen, het brengen van alle kerken onder één bestuur; het te maken reglement op de beroepingen; op de oefeningen en katechisatien (godsdienstig onderwijs); de bepaling, dat alle stemming moet geschieden bij beslotene billetten; de uitnodiging der Predikanten tot het zamenkomen ter onderlinge oefening en behartiging van de belangen der gemeenten, om u ten laatsten te overtuigen, dat wij, inderdaad op den weg zijn, om, door middel van dit Reglement, veel goeds tot stand te zien brengen.

Ik eindig dezen brief, met de verzekering enz.

Anoniem (1816) 5e

 

Vijfde Brief.

 

Het geeft mij geen gering genoegen, Waarde Vriend! van u te vernemen, dat gij tot mijne gunstige gedachten over het Algemeen Reglement van bestuur der Hervormde kerk begint overtegaan. Alleen zijn u nog twee stukken over, op welke gij

|35|

bedenking blijft maken. Op dat ik mijne belofte geheel vervulle, ga ik ook deze twee, u bedenkelijke, stukken bespreken.

Veel schijnt gij te hebben tegen de bestanddeelen van het Synode. „Hier vinde ik Hoogleeraren; Predikanten, Onderling, Quaestor: hoe bont!” Zoo roept Gij uit, en ik verwonder mij daar over te minder, vermits ik, bij het eerste lezen van Art. 17, juist hetzelfde gevoel ontwaar werd. Gij schijnt vooral veel te hebben tegen die drie Professoren, en van begrip te zijn, dat men dezelven niet wel tot het Synode roepen kan, zonder verloochening der beginselen, aan welken men zich, bij de zamenstelling van het Synode te houden heeft.

Het is mij evenwel, bij herlezing en overdenking van dit zelfde Artikel, voorgekomen, dat deze bedenking hier niet gelden kan. Werden deze Hoogleeraren tot het Synode gecommitteerd door de Theologische Faculteit hunner Hoogeschool, om daar als leden geconsidereerd te worden en te stemmen, zoo hadt gij regt: want de Hoogleeraren, geene kerkelijke kwaliteit hebbende, kunnen geene leden zijn van een Synode. Maar, met verlof! in; Art. 17 staat niet, dat zij worden gezonden, om op het Synode als leden te fungeren: maar, om het Synode bij te wonen. En, op dat er niets aan ontbreke, zoo wordt er, met zoo vele woorden, bijgevoegd, dat „deze Hoogleeraren eene praeadviserende, doch geene concluderende stem hebben.” Daar ik nu vast in het begrip sta, en vertrouwen mag, dat gij het met mij daarin eens zult zijn, dat tot het radikaal van een lid eener vergadering be-.

|36|

behoort, dat men aldaar eene concluderende stem hebbe; zoo kan ik niet zien, dat hier, strijdig met de aangenomene beginselen, gehandeld of bepaald is.

Bedriege ik mij niet, dan vinden wij hier bevestigd, en eenigermate uitgebreid een eerwaardig gebruik, hetwelk reeds bestond. Gij weet, hoe men gewoon was, wanneer Synodale vergaderingen in Akademie steden gehouden wierden, de Professoren van de godgeleerde Faculteit op dezelven niet alleen te admitteren; maar ook hun advis te vragen. (In het voorbijgaan! Is dit ooit als eene verloochening van beginselen aangemerkt?) En het komt mij voor, dat men dit gebruik heeft willen behouden, en dat men het daartoe verder uitgebreid heeft. Welke redenen daar voor kunnen geweest zijn, kan ik niet dan gissenderwijze zeggen. Welligt heeft men, op deze wijze, aan het Synode meerderen luister trachten bijtezetten. Welligt heeft men gemeend, dat er gevallen konden voorkomen, in welke de Professorale voorlichting den leden van het Synode noodig en hoog belangrijk konde zijn. Welligt heeft men in het begrip verkeerd, dat de verstandhouding tusschen de Theologische Faculteiten der drie Hooge Scholen, en het kollegie van opperst kerkbestuur hier door bevorderd zoude worden, en hield men zoodanige correspondentie voor nuttig en wenschelijk.

Hoe dit zij: ik ben het met u eens, dat het mij voorkomt verkieslijker te zijn, dat deze Hoogleeraren niet op het Synode kwamen. Groot nut toch kan ik er nooit in zien: want in het enkele geval, dat welligt in 25 jaren niet eenmaal bestaan zal, in  het

|37|

welk het Synode eigenlijk gezegde voorlichting van de godgeleerde Faculteiten behoeft, kon het Synode dezelve even goed schriftelijk vragen: en het schijnt niet noodig, dat de Professoren, ter rigtige behandeling van verdere kerkelijke zaken, alle jaren op het Synode zitten. De meeste zaken zullen den Predikanten, die op het Synode zitten, beter dan hun bekend zijn, en kunnen dus ook door dezen beter beoordeeld en behandeld worden. Hier krijgt ik zelfs min of meer medelijden met die Professoren: want ik besef al het pijnelijke van den toestand van iemand, die moet praeädviferen 1°. in eene zaak, die minder van zijnen smaak, van zijn beroep, van zijne kennis is; 2°. dat te moeten doen in tegenwoordigheid van lieden, van welken hij denken moet, dat zij van de zaak denkelijk meer weten dan hij, en hem gaarne op eenen misslag zullen achterhalen, en dus 3°. te praeadviseren met het vooruitzigt van zijne, bij praeadvis geuite meening, met eenparigheid der concluderende stemmen te zien afkeuren! Indien ik er maar geen nadeel van meende te moeten vreezen! Maar denk nu eens Professor leermeester daar zittende als praeadviseur, en het Synodaal lid leerling tegen hem over: kan dit ook nu en dan aanleiding geven tot kwalijk geplaatst ontzag en zeer nadeelige inschikkelijkheid van den laatsten ten aanzien van het praeadvis van den eersten? Ik kan niet zeggen, dat ik ten opzigte van dit stuk zonder bezorgdheid ben. Misschien evenwel denke ik er te zwaarmoedig over, en zijn er voor de tegenwoordigheid dezer Heeren op het

|38|

Synode redenen, welke ik niet ontdekt heb. Ik hope dit van ganscher harte.

De overige bestanddeelen van het Synode kunnen niemand bevreemden, uit Predikanten en Ouderlingen bestonden steeds alle Synodale vergaderingen. Dat een der Ouderlingen Quaestor is, bevat niets vreemds. Dat daar toe bepaaldelijk een Ouderling of Oudouderling van Amsterdam bestemd werd, is kennelijk het gevolg van bijzondere, zeer bekende omstandigheden. Men weet, welke diensten de reeds benoemde Quaestor en wijlen zijnen vader, door den ontvangst der gelden voor de noodlijdende kerken en de overmaking derzelven, aan de verschillende Synodes, jaren lang, belangeloos bewezen heeft: en het zoude niemand kunnen verwonderen, zoo men reeds bij het stellen van dit Artikel, op het behouden van deze belangrijke diensten had gedacht.

Gij schijnt een zwaar hoofd te hebben in de Ringsvergaderingen. Ik zoude dit desgelijks hebben, zoo de gansche Afdeeling, betreffende dezelven minder voorzigtig (als ik dit woord gebruiken mag) gesteld was. Indien het houden van vergaderingen tot onderlinge opscherping aan alle Predikanten als eene verpligting opgelegd was, zoude ik er geen’ raad mede weten. Maar nu het enkel gebleven is bij eene uitnoodiging, zullen van zelf de lieden, die zich min geschikt hiertoe gevoelen, zich aan deze zamenkomsten onttrekken, en de meer geschikten zullen dies te ijveriger werkzaam zijn, te broederlijker en te nuttiger te zamen komen kunnen. De zaak zelven zal toch wel wenschelijk zijn in uwe schatting? Of hebben wij niet dikwerf

|39|

de aanmerking gemaakt, dat er te weinig verband en zamenwerking tusschen de Leeraren van den godsdienst is; dat zij te weinig met elkanderen spreken over het belang van hunne gemeenten en over de maatregelen, onderling aantewenden ter bevordering van hetzelve? Men heeft dit allerwege gevoeld en erkend, en van daar zoo vele voorstellen als van tijd tot tijd gedaan zijn, om der klassikale vergaderingen dergelijke inrigting te geven, en daar door inderdaad nuttig te maken. Gij herinnert u, wat Westendorp daartoe voorsloeg, en wat men, nog niet lang geleden, in de Classis van Schouwen en Duiveland, op voorstel van den Heer Le Sage ten Broek, heeft tot stand gebragt. Gij herinnert u zoo menig ander voorstel ter nuttige inrigting van predikanten vergaderingen. Gij kent de Prediger Conferenzen in Duitschland, ook hier en daar in ons vaderland nagevolgd. Moeten wij dan niet trachten, dit goede meer algemeen te maken? Is het niet iets goeds, dat ook daarop in dit reglement acht geslagen is? Wie dergelijke zamenkomsten te onbelangrijk acht, blijve vrij te huis: zijne tegenwoordigheid zoude daar denkelijk van weinig nut zijn. Wie broederlijken raad noodig heeft, en aan broederlijke mededeeling behoefte gevoelt — en ik hope met u, dat er vele zulken gevonden worden — dien staat de gelegenheid om een en ander te ontvangen, voortaan wijder open dan ooit te voren. Laat ons, in plaats van zwaar te tillen, en op bijzonderheden die men anders zoude ge-wenscht hebben, te vitten, ons verheugen mijn

|40|

Vriend! over het goede, hetwelk tot stand gebragt is, en verder staat te worden. Ik althans wil mij daarin verheugen, en doof zijn voor het redeloos gemor van eenige bekrompene lieden, die meenen, dat het heil der kerk met de oude vormen van bestuur staat of valt, en die geene grootere zaligheid kenden, dan in eene ellendige klassikale vergadering over allerlei nietigheden lang te praten, en aan den, dikwerf ontstichtenden maaltijd rijkelijk, op kosten der gemeenten, de maag te vullen. Zoo min de advisen van zulke wezens aan het heil der kerk ooit bevorderlijk waren; zoo min zal hun gebrom het nut belemmeren, hetwelk men thans bezig is te stichten, en dat door God, zoo mijn wensch verhooring vindt, rijkelijk zal worden gezegend.

Ik vermeen, mijne belofte vervuld te hebben, en blijve met vorige achting en bestendige vriendschap enz.