Bos, F.L. (1950) Art. 8

Art. 8.

Men zal geen schoolmeesters, handwerkslieden of anderen die niet gestudeerd hebben, tot het predikambt toelaten, tenzij dat men verzekerd zij van hun singuliere gaven: godzaligheid, ootmoedigheid, zedigheid, goed verstand en discretie, mitsgaders gaven van welsprekendheid.
Zo wanneer dan zodanige personen zich tot de dienst presenteren, zal de classe hen — indien het de particuliere synode goedvindt — eerst examineren, en naardat zij het examen bevindt, hen een tijd lang laten in het privé proponeren, en dan voorts met hen handelen, zoals zij oordelen zal stichtelijk te wezen, volgens de generale regeling, daarvoor door de kerken vastgesteld.

Om de dienst des woords recht te kunnen vervullen, is de geschiktheid of bekwaamheid tot het ambt een eerste vereiste.
Deze bekwaamheid wordt doorgaans in de weg van wetenschappelijke vorming verkregen.

|41|

“De kerkenordening geeft genoeg te verstaan, dat de kerk van Christus het allerbest gediend wordt met personen, die benevens de vreze Gods en andere christelijke deugden ook wetenschap en geleerdheid hebben” (Utrecht 1620).

“Men wordt niet alleen bij toelating langs de weg van art. 8, maar ook langs de weg der academische vorming door den Heiligen Geest geroepen en bekwaamd; ja vooral niet minder” (Leeuwarden 1890).

De Heere is echter vrijmachtig om die bekwaamheid ook op buitengewone manier te verlenen.

“Na dezen zal (er) scherp (op) worden gelet, dat geen andere dan personen die gestudeerd hebben, tot de kerkedienst gepromoveerd worden, ten ware in een bijzonder en buitengewoon geval, hetwelk voorvallende, men zich evenwel precies aan het achtste artikel onzer kerkenordening zal hebben te houden, opdat hetzelve niet lichtvaardig gekwetst of door het slijk gesleurd worde” (Utrecht 1620).

“De bepaling van art. 8 der kerkenordening is geen uitvlucht, om in een tijdelijk gemis van leraren te voorzien, maar een eerbiedigen van Gods vrijmachtige genade, om ook zonder studie aan enkele personen zó bijzondere gaven van kennis des Woords, van kennis van geestelijke noden, van toepassing des Woords en van welsprekendheid te verlenen, dat Hij, buiten alle menselijke berekening om, dezulken blijkbaar aan zijn kerk schonk als getuigen en vertroosters der zielen, van wier aanzijn in de kerken deze alsdan profijt mogen en behoren te trekken” (Rotterdam 1887).

“Er moet ... ten zeerste op aangedrongen worden, om toch geen personen volgens art. 8 tot de bediening des woords toe te laten, van welke bij de onderzoeking niet deugdelijk gebleken is, dat de Heere God in zijn souverein bestel hen op buitengewone wijze gaven der geschiktheid tot dit heilig en gewichtig ambt verleend heeft, terwijl hij die aan anderen in de gewone en middellijke weg schenkt” (Utrecht 1888).

“De kerken, hoezeer zich in de regel houdende aan de gewone van God verordende weg, dat de toegang tot het predikambt alleen opensta na gewone en godgeleerde studiën, wensen niettemin in bijzondere gevallen, waar God de Heere blijkt langs andere weg personen voor het predikambt bekwaamd te hebben, zijn vrijmacht hierin te eren en Hem te danken voor zijn gaven” (Utrecht 1889).

|42|

“De Gereformeerde kerken erkennen geen andere weg tot de bediening des woords dan die der theologische studiën, behoudens alleen de zeer zeldzame gevallen, waarin, bij hoge uitzondering, de Heere, naar zijn vrijmachtig welbehagen, langs andere weg de nodige gaven verleent” (Dordrecht 1893).

Om die op buitengewone manier verleende bekwaamheid tot het ambt te kunnen erkennen, moet de aanwezigheid van singuliere gaven of buitengewone kwaliteiten blijken.

“In het vervolg zullen geen ongestudeerden tot de bediening worden toegelaten, tenzij zij bijzonder bedreven en door God begaafd zijn” (Harderwijk 1599).

“In het achtste artikel van de kerkenordening wordt wel expres gewaarschuwd, dat men werklieden of personen die niet hebben gestudeerd, niet tot de kerkedienst bevorderen zal dan met buitengewone of singuliere kwaliteiten en gaven van godzaligheid, ootmoedigheid, zedigheid, goed verstand en discretie, mitgaders gaven van welsprekendheid voorzien” (Utrecht 1620).

“Bij het onderzoek zal moeten blijken, dat een gelovige die zich hiervoor aandient, bevonden is godzalig van leven en ootmoedig van zin; onder de getuigenissen hiervoor over te leggen, zal in geen geval mogen ontbreken het getuigenis van zijn kerkeraad en eventueel van een classis, waaronder hij mocht hebben gearbeid. Ten tweede, dat hij „goed verstand” bezitte om recht de zin van Gods woord te vatten, en „discretie” om het toe te passen. En ten derde, dat hij zekere gave van welsprekendheid hebbe, die hem bekwaamt om zijn gedachten ordelijk, helder, in goede taal en op boeiende wijze voor te dragen” (Utrecht 1889).

“Om dit te weten, zal de particuliere synode van hen, die zich hiertoe aanmelden, allereerst de nodige attesten van kerkeraad en classis onderzoeken ten aanzien van de in art. 8 K.O. geëiste eigenschappen. Vervolgens zal zij zelve te dien aanzien nader onderzoeken. Alleen indien de aanwezigheid daarvan boven alle billijke twijfel verheven blijkt, zal zij hen toelaten tot het praeparatoir examen” (Dordrecht 1893).

“Zoals uit de wording van art. 8 K.O. blijkt, zijn met de uitdrukking „singuliere gaven” de daarna genoemde gaven bedoeld, en wil de uitdrukking te kennen geven, dat wie zonder gestudeerd te hebben tot het predikambt wenst toegelaten te worden, deze gaven in bizondere mate bezitten moet” (Utrecht 1923).

|43|

“Uit de reeks bestaande bepalingen blijkt, dat men zich bij de examinatie naar art. 8 K.O. dient te richten op het onderzoek, of de aldaar genoemde gaven of kwaliteiten inderdaad zo bijzonder aanwezig zijn, dat de gaven of geschiktheden tot het predikambt zonder wetenschappelijke studie voorhanden zijn” (Aanbevolen rapport, Groningen 1947).*

“Het spreekt wel vanzelf, dat de zekerheid van de aanwezigheid der singuliere gaven van godzaligheid, ootmoedigheid en zedigheid meest zal moeten berusten op het getuigenis van de kring, waaruit degene, die zich aanmeldde, voortkomt. Maar de gaven van welsprekendheid — wat iets anders is dan welbespraaktheid —, van goed verstand — bevattingsvermogen — en niet het minst van discretie — vermogen om goed te onderscheiden — zullen door het onderzoek van de particuliere synode duidelijk moeten uitkomen.
Bij het onderzoek doen naar de gave der discretie zal er bijzonder aandacht aan moeten worden gewijd, dat deze gave dusdanig aanwezig is, dat blijkt, dat de broeder die onderzocht wordt, een diep inzicht heeft in de Heilige Schrift, waardoor hij de juiste zin ziet en waarheid van dwaling nauwkeurig kan onderscheiden.
Van àl de in art. 8 genoemde gaven geldt het, dat de aanwezigheid ervan boven alle billijke twijfel verheven moet zijn” (Aanbevolen rapport, Groningen 1947).*

De wijze waarop het onderzoek naar de vereiste gaven door de particuliere synode — gelijk ook tevoren door kerkeraad en classis — plaats vindt, en de eventuele herhaling van zulk een onderzoek, staat aan de betrokken vergadering geheel vrij.

“De vraag, of afgewezenen naar art. 8 later kunnen verklaard worden die „singuliere gaven” te bezitten, wordt toestemmend beantwoord. Deze afwijzing zegt alleen, dat de aanwezigheid van zulke gaven niet gebléken is” (Leeuwarden 1890).

“Bij gebleken totale ontstentenis van singuliere gaven worde aan een afgewezene bij zijn afwijzing medegedeeld, dat hij niet tot een hernieuwd examen kan toegelaten worden” (’s-Gravenhage 1891).

“De synode acht het niet nodig aangaande het getal keren van onderzoek van éénzelfden persoon bepalingen te maken, omdat de provinciale synoden ten deze zelve te beslissen hebben” (Dordrecht 1893).

|44|

“Op de vraag, of een particuliere synode gehouden is, zo menigmaal een onderzoek naar art. 8 der kerkenorde ... gevraagd wordt, dit in te stellen, ook in die gevallen, waarin de broeder die begeert onderzocht te worden, door haar of door een andere particuliere synode eenmaal of meerdere malen na onderzoek is afgewezen, antwoordt de synode, dat elke particuliere synode geheel vrij is en blijft in de beoordeling van de toelating van iemand, die naar art. 8 wenst onderzocht te worden, en er dus geen reden is, hieromtrent nadere bepalingen te maken” (Utrecht 1905).

Indien de uitslag van het aldus naar de aanwezigheid van singuliere gaven ingestelde onderzoek gunstig is, vangt de arbeid van de classis tot onderzoek van zijn kennis en tot leiding bij en contrôle van de nadere ontwikkeling van dien bijzonder begaafden broeder aan.

“Zodra de candidaat voor de classis verschijnt, voorzien van het bewijs van toelating ... zal de classis zich vergewissen van de mate zijner kennis …
Naardat de classis dezen broeder nu in dit examen bevindt, zal zij aan een of meer dienaren de nadere leiding en voorlichting bij zijn studie kunnen opdragen, totdat de mate dier kennis voldoende zal worden bevonden.
Daarna zal de classis voortschrijden om hem in ’t privé te laten proponeren en aan deputaten opdragen hem te leiden bij het opstellen van predikatiën en hem nu en dan een dier predikatiën in hun bijzijn te doen voordragen.
En dan volge ... het eindoordeel der classis, waarbij zal worden vastgesteld, of hij ... beroepbaar zal kunnen gesteld (worden)” (’s-Gravenhage 1891).

“Het praeparatoir examen zal (na toelating daartoe door de particuliere synode) den examinandus worden afgenomen door de classis zijner woonplaats, die het overige deel van art. 8 K.O. zal uitvoeren; en wanneer hij aan ’t einde van de oefeningstermijn voldoende zal zijn bevonden, hem beroepbaar zal stellen; waarna hem dan het peremptoir examen wacht.
Deze beide examina onderscheiden zich van die der theologisch opgeleiden alleen door het niet onderzoeken in de oude talen” (Dordrecht 1893).