Bos, F.L. (1950) Art. 4d

Art. 4d.

Ten laatste, in de openlijke bevestiging voor de gemeente, dewelke met behoorlijke stipulatiën en afvragingen, vermaningen en gebed en oplegging der handen van den dienaar die de bevestiging doet — en van de andere dienaren, die mede tegenwoordig zijn — toegaan zal, naar het Formulier daarvan zijnde.

Ofschoon de roeping principiëel in de verkiezing en beproeving besloten ligt, en een formele installatie niet in Gods Woord is voorgeschreven en ook in de zestiende eeuw meermalen werd nagelaten, is voor de goede orde een officiële indienststelling noodzakelijk.

“Wij oordelen dat de onderzochte en door de stemmen van het volk goedgekeurde dienaren, hetzij alleen met plechtige gebeden of ook met oplegging der handen — wat wij vrij laten — voor de gehele gemeente op apostolische wijze moeten worden bevestigd. Die bevestiging geschiede hetzij door den dienaar van de kerk zelf, als er een is, of door die van een naburige kerk, wiens autoriteit bij de verkiezing en het examen is ingeroepen” (Wezel 1568).

|31|

“Is besloten, dat men de dienaars, die elders in de dienst geweest zijn en van nu voortaan opnieuw in de kerk aangenomen zullen worden, na de onderlinge stipulatie (= afgevraagde belofte) Gode met den gebede en der gemeente met een kleine vermaning bevelen zal, gelijk als men ook doen zal met hen die voor het eerst in de dienst opgenomen worden, waarbij echter een bredere vermaning en stipulatie zal plaats vinden” (Dordrecht 1574).

De vroeger wel voorkomende praktijk om de bevestiging uit te stellen totdat gebleken was dat de predikant goed beviel, is afkeurenswaardig.

“Niemand zal tot de openbare evangelieprediking en sacramentbediening worden toegelaten zonder ... wettig in de dienst bevestigd te zijn” (Kampen 1593).

De bij de bevestiging plaatsvindende handoplegging is naar de Schrift een symbolisch gebaar, waardoor de verlening van een taak of gave wordt beduid. Elke gedachte aan directe ambtsoverdracht of magische mededeling van ambtsgaven moet daarbij worden vermeden.

“De dienaren zullen met plechtige gebeden en oplegging der handen bevestigd worden, doch zonder bijgelovigheid en noodzaak” (Emden 1571).

“Zij zullen met oplegging der handen, waar het met stichting geschieden kan, of anders met het geven van de rechterhand der gemeenschap tot de dienst der kerken aangenomen worden, en met den gebede Gode bevolen” (Dordrecht 1578).

De bevestiger handelt hierbij als vertegenwoordiger van de roepende kerk, die van Godswege de bevoegdheid bezit om het ambt op te leggen.
Elke gedachte, alsof dienaren des woords als zodanig het recht zouden hebben tot de symbolische overdracht van het ambt, is onjuist.
Daarom is de in 1905 ingevoerde mogelijkheid om de handoplegging te doen geschieden door meerdere aanwezige dienaren des woords bedenkelijk.
Beter is de oude, van 1586 tot 1905 bestaande redactie:

|32|

“Ten laatste, in de openlijke bevestiging voor de gemeente, dewelke met behoorlijke stipulatiën en afvragingen, vermaningen, gebed en oplegging der handen van den dienaar die de bevestiging doet — of enigen anderen 1), daar meer dienaren zijn — toegaan zal, naar het Formulier daarvan zijnde” (’s-Gravenhage 1586).

1) Dit is géén meervoud.

Nog beter is, de gehele tussen-opmerking te laten vervallen. Zoekt men meerdere plechtigheid: laat dan de ganse ouderlingschap, de kerkeraad der roepende gemeente, nader treden en aan de handoplegging deelnemen.

“Veronachtzaam de gave in u niet, die u krachtens een profetenwoord geschonken is onder handoplegging van de gezamenlijke ouderlingen” (1 Tim. 4: 14).