Fabius, D.P.D. (1900)

Schuld en Straf
Leiden
D. Donner
1900

Rede, gehouden bij het overdragen van het Rectoraat der Vrije Universiteit, den 20sten October 1900, door Mr. D.P.D. Fabius, Hoogleeraar in de Faculteit van Rechtsgeleerdheid.

Fabius, D.P.D. (1900) Vw

 

 

Voorwoord.

 

In zijn ten vorigen jare verschenen geschrift: Ueber Schuld, und Strafe der jugendlichen Verbrecher, bl. 10, zegt Zucker, dat hij de meeste beschouwingen, waarop hij zich beriep, woordelijk heeft meegedeeld, daar men niet van de lezers van een klein geschrift kan eischen, dat zij zich tal van werken aanschaffen om den gang der uiteenzetting te volgen, terwijl het ook aanbeveling verdient de meeningen van hen, tegen wie men zich richt, zooveel mogelijk in de uitdrukkingen dier schrijvers weer te geven.

Ik stem hiermeê volkomen in, en heb dan ook veelszins dienovereenkomstig gehandeld. Voorts zijn door mij meestal vermeld de bronnen, waaruit ik heb geput, met aanwijzing van de plaats, waar men de aangehaalde meeningen kon vinden.

Tot dusver zie ik het voordeel niet in van in een wetenschappelijk stuk de plaatsen, waarop men doelt, niet duidelijk te vermelden; soms zelfs de schrijvers niet anders dan met zekere algemeenheid aan te wijzen.

Daardoor wordt de contrôle bemoeilijkt; het werken uit de tweede hand bevorderd; noodeloos gevergd dat voor het vinden van een en ander twee- of meermalen dezelfde moeite wordt besteed. Als vreesde men, dat anderen zich zouden tooien met geleende veeren.

Voorts merk ik nog op, dat ik het Zeitschrift für die gesamte Strafrechtswissenschaft kortheidshalve op de vaak gevolgde wijze eenvoudig met Z heb aangeduid, en het Tijdschrift voor Strafrecht met T. v. S.

De Schrijver.

Fabius, D.P.D. (1900) [Inl.]

|1|

 

 

Hoogeerzame Heeren Directeuren onzer Vereeniging,
Hoogachtbare Heeren Curatoren dezer Hoogeschool,
Hooggeleerde Heeren Hoogleeraren,
Zeergeleerde Heeren Doctoren in de wetenschap,
Weleerwaarde Heeren Bedienaren des Woords,
Weledele Heeren Studenten,
En voorts gij allen, die opkwaamt om deze plechtigheid met uwe tegenwoordigheid te vereeren,
Zeer geachte toehoorders!

 

Wij leven in eenen praktischen tijd. De bespreking en de eisch van beginselen schijnen vaak nauwelijks belangstelling te vinden.

In het Rechtsgeleerd Magazijn kwam onlangs een overzicht voor van het aantal toehoorders op de colleges over wijsbegeerte des rechts in het laatstverloopen twintigtal jaren aan de openbare Hoogescholen in Nederland. Over het algemeen was dit gering. Te Groningen daalde het gemiddeld cijfer zelfs tot 1/20 student in het jaar 1).

Op de weinige beoefening van dit vak wees ten vorigen jare ook Mr. Levy 2). En als eene der oorzaken van dit droevig verschijnsel vond hij „de tegenwerking der theologiseerende rechtsscholen.” Zoodat in dit opzicht het onrecht met het eenzijdig bezetten van de voor allen bestemde Universiteiten door het vrijzinnigendom nog niet voldoende heeft gebaat.

En dat die tegenwerking bestaat, is fluks bewezen. Voor de theologiseerende scholen toch is recht kortweg „het bevel der overheid, deze laatste, jure divino ingesteld.” Wie het weet, moet het zeggen. En voorbeelden? „Zij zijn voor het grijpen.” Ook ik word gepakt, wijl ik „den zwaarwichtigen regel” stelde, „dat de Grondwet van den Koning emaneert.” De eenvoudige

|2|

opmerking, dat de Grondwet, als alle wet, formeel bindend gezag dankt aan de sanctie der Kroon, geldt als onloochenbare hulde aan het positivisme van het recht.

Inderdaad, is er niet reden om over gebrek aan wijsgeerig denken te klagen? Doch misschien juist uit vrees voor theologie.

Aan studie van de beginselen wordt weinig gedaan. Wellicht is ook daaraan toe te schrijven, dat, terwijl het buitenland in de laatstverloopen halve eeuw tal van Encyclopaedieën der rechtswetenschap verschijnen zag, in Nederland de Encyclopaedia iurisprudentiae van Den Tex, in 1839 verschenen, de eerste en de laatste was.

Op parlementair terrein achten velen afdoening van zaken hoogste beleid; bespreking van staatkundige beginselen tijd vermorsen.

Over den duur van algemeene beraadslagingen bij de behandeling van een wetsontwerp wordt spoedig eene verzuchting geslaakt. Doch met een college van honderd leden wekenlang peuteren aan wetsartikelen en amendementen, dat het levensbloed van het lichaam aftapt, en voor deugdelijke redactie weinig waarborg geeft, heet zeer nuttige bezigheid.

Gedurende zijn gansche leven streed Groen van Prinsterer voor politiek debat bij de behandeling van het ontwerp-adres van antwoord op de Troonrede. Een gezond constitutioneel leven verbood deze werkzaamheid als „formaliteit” te beschouwen 3). Dit was thorbeckiaansche richting. En den voorslag om het debat naar de begrooting te verschuiven achtte hij zeer geschikt om daaraan geheel te ontkomen 4). Toch werd deze wijze van handelen nog niet lang geleden opnieuw als staatkundige wijsheid aanbevolen, en vermoedelijk niet uit onbekendheid met het parlementair verleden, maar om de antithese met Groen op het scherpst te doen uitkomen, voorgesteld het adres van antwoord in den regel juist op te vatten bloot als „formaliteit” 5).

In 1894 moest Nederland het schouwspel beleven, strijdig met de eerste beginselen van constitutioneel staatsrecht, dat als, na het aannemen van een ingrijpend geacht amendement op een slecht toegelicht, luchtig opgezet, technisch onhoudbaar, krachtens het leerstuk der volkssouvereiniteit aangeprezen, ongrondwettig,

|3|

wetsontwerp 6), de formateur van het Kabinet was afgetreden 7), de hoofdelooze romp niet slechts bleef zitten, maar zich zelfs verstoutte in deze defectueuse gedaante eene Kamerontbinding te provoceeren.

En zoo is begrijpelijk, dat als drie jaar later een dezer Ministers zonder Ministerie de opdracht ontving een Kabinet te vormen, hij waande daaraan te voldoen door zeven heeren uit te noodigen om, zelfs trots zeer versche antecedenten 8), met hem aan de Ministerstafel een tableau vivant te geven van een der jongste desiderata van radicale onderwijzerspolitiek: de school zonder hoofd.

Sedert 1831, dus merkte Groen van Prinsterer vaak op, is allengs onverholen het ontchristelijkte, en daarmee beginsellooze, volkenrecht gehuldigd. Hij bestreed dan ook van 1863 af de staatkunde van Von Bismarck, die geen middel ontzag; naar oorlog dorstte om de herinnering aan vergoten broederbloed te smoren; Duitschland aan Pruisen onderwierp met den valschen schijn van eenheid des Rijks; daarmee een voortdurend gevaar voor den Europeeschen vrede schiep; en namelooze ellende over de wereld bracht. Toch is hij toegejuicht. Zelfs van christelijken kant. En toen deze Duitsche Chamberlain, twee jaar geleden, zijn laatgedolven graf inging, werd overvloedig reukwerk gebrand; gevraagd eerbiedig voor hem het hoofd te buigen. Maar als kort daarop Engelands Bismarck, geleerd hoe de volkeren onder invloed eener vrijzinnige beginselloosheid het succes lauweren, in het spoor der groote meesters voortgaat, zijn de natiën ontstemd, wijl de Regeeringen de met hun goedvinden meer dan eene halve eeuw lang gevolgde Kaïns-politiek der non-interventie niet verlaten, zelfs door Gladstone in 1870 het veiligst geacht, wijl vroegere tusschenkomst, gelijk hij zeide, „no great benefit to our fame” had gegeven 9).

Log conservatisme is nog een der voorname stutten van het „caesaropapistisch schepsel,” gelijk Groen van Prinsterer de synodale organisatie doopte, en die, nadat zij in 1886 en volgende jaren van de Kerken is losgemaakt, met dezer goederen en afgescheiden leden tot eene soort godsdienstig hervormd Staatsgenootschap is uitgegroeid.

Wie waagt op sociaal terrein krachtens eisch van beginsel

|4|

zich manlijk en vierkant tegen radicale en socialistische hervormingsplannen te stellen, loopt kans als lastig doctrinair voorbijgegaan, of weggeduwd te worden in den conservatieven hoek.

En Mr. Patijn, die de University-extension van De Gids op strafrechtelijk terrein in 1896 opende met zijn opstel over het type criminel, gaf, na verklaard te hebben, dat het vraagstuk over „het al dan niet bestaan van den vrijen wil bij den mensch op den bodem ligt van den strijd tusschen de voorstanders van de oude en van de nieuwe school”, den raad dit punt nochtans ter zijde te laten, wijl men het toch niet eens werd, en inmiddels saam te streven „het strafrecht te doen beantwoorden aan de taak, die zij (het?) in de maatschappij te vervullen heeft,” waartoe het derhalve in staat schijnt trots bodemloosheid, niet van diepte, maar van oppervlakkigheid 10).

Ja, telkens wordt zelfs principieel alle vragen naar principe geweerd. Het utiliteitsbeginsel is geen beginsel; veeleer de negatie van alle beginsel.

Omdat men een uitgangspunt mist, klampt men zich vast aan het nut. Als ware bij eenigszins ingrijpenden maatregel het overzien van alle gevolgen mogelijk 11), en niet ook voor de doelmatigheid, — zoo daaronder alle consequentie begrepen wordt, — het beginsel nog het veiligste richtsnoer.

Het beoordeelen alleen naar het nut leidt dan ook niet zelden tot wat hoogstens knutselen is.

Zoo bij Von Ihering. Het Zweck, het welzijn der maatschappij, is bij hem wortel van het recht. Toch meent hij daaruit te kunnen concludeeren, dat de Noord-Amerikaansche Staten, die onderricht aan slaven verboden, hierin geheel naar recht handelden, wijl anders de slavernij daar niet in stand kon blijven 12). Alsof niet juist daarmee de maatschappij wellicht het meest werd gebaat. Voor het welzijn van de maatschappij wordt eenvoudig in de plaats geschoven hare organisatie van zeker oogenblik.

Een voorbeeld van zeer recenten datum geeft Von Lilienfeld. Deze heeft onlangs verdedigd 13), dat het onmisbaar middel tot het bereiken van eene rechtsnoodzakelijkheid niet in strijd met het recht kan zijn. Hij ontkent daarmee te leeren dat het doel de middelen heiligt. Toch doet hij het, zij het al

|5|

slechts voor dat ééne middel, hetwelk tot het doel staat in de verhouding van adaequate causaliteit.

Maar op de vraag hoe die verhouding gevonden wordt, luidt het antwoord, dat dit „erfahrungsgemäsz” geschiedt. Waarbij vergissing zeker niet is uitgesloten. Zelfs acht hij als toepassing van zijn beginsel te kunnen stellen dat, zoolang de „pädagogisch vielleicht nicht unanfechtbare” meening heerscht, dat bij opvoeding lichamelijke tuchtiging niet altijd gemist kan worden, de opvoeder, die dit middel voor zijn doel gebruikt, niet wegens lichamelijke mishandeling strafbaar is.

Von Lilienthal. noemt zelve de meening dat hier adaequate causaliteit bestaat, dat lichamelijke tuchtiging wel eens noodig kan zijn, misschien niet onbetwistbaar. En al ware zij onbetwistbaar, zoo kon toch — dit valt niet te loochenen — in een gegeven geval de opvoeder in het aannemen dier causaliteit falen. Nochtans is hij altijd onstrafbaar, zoolang die wellicht onjuiste meening heerscht!

Zietdaar wat wordt van de adaequate causaliteit.

Von Lilienthal is te blij met de illusie van aan het schuldig handelen weêr een stuk ontwrongen te hebben, dan dat van ernstig, of eenig, rekenen met logica nog sprake kan zijn.

Van beginselen wil men niet hooren.

Dit laat zich begrijpen van wie den bodem waarop hij staat, liever niet ziet blootgelegd.

Groen van Prinsterer heeft opgemerkt, dat in het uit de Reformatie geboren Nederland de vrijzinnigheid gemeenlijk gesluierd voor den dag komt wegens het gevaar van nationale reactie.

Het terugvoeren van de vrucht naar den wortel dient zeker voorzichtig te geschieden. Maar veler afkeer van wat smadelijk de loketkast heet is anders niet dan vrees voor het ontdekken van verwantschap en grondslag; alzoo reeds met den eisch van wetenschap in strijd.

Van beginselen is men afkeerig.

Voor een deel wellicht door afmatting. Groen van Prinsterer stelde in 1834 de vraag: „Van waar het algemeen worden van beginselloosheid?” 14) „Het is aan God,” zoo merkte hij op, „dat, indien men zich dus uitdrukken mag, de geheele keten der

|6|

menschelijke kennis vastgehecht wordt.” Godverzaking leidde tot algemeene onzekerheid; „stelsel op stelsel zonk weder in de duisternis weg. Door vele valsche theorieën werd men van alle theorie warsch.” En zou datzelfde niet ook voor het heden gelden 15)?

De noodzakelijkheid om naar beginselen te vragen, doet zich in onze dagen niet het minst op het gebied der strafrechtswetenschap gevoelen.

Op treffende wijze wordt aan haar bevestigd, hoe voor opbouw, voor ontwikkeling van de wetenschap, het vasthouden aan God noodzakelijk is. Machtig is de beweging op dit terrein. Aan mannen van talent ontbreekt het niet. Edoch het geldt niet opbouw. Afbreken tot in de fundamenten is geen voortgang; of althans hervorming. Het strafrecht zelf wordt bedreigd.

Geen metaphysica in het strafrecht. Aldus zoowel Mittelstädt 16), als Von Liszt 17), en Benedikt 18). Daarom moeten, zegt de laatste, ook vrijheid van wil en zedelijke verantwoordelijkheid vallen, want dat is zedelijke methaphysica.

Eenerzijds zuigt men met het enkele begrip van criminaliteit wetenschap na wetenschap op, vergetende dat menig begrip zich tot hetzelfde leent. Naar veler voorstelling zou aanspraak op den naam van wetenschappelijk medicus missen wie niet de cultuur van alle geneeskrachtige kruiden kent, en diepgaande studie maakte over kippenvoêr in verband met eierenteelt.

Het schijnt wel alsof encyclopaedische indeeling miskenning is van het verband der wetenschappen.

En wischt men zoo eenerzijds allerlei grens uit, aan den anderen kant verwart men het in de eene wetenschap steunen op begrippen, die in den wortel tot eene andere wetenschap behooren, met het inlijven van die begrippen als vruchten van den bodem, waarop men er meê rekent.

Wie alles uit eene wetenschap bannen wil, wat niet op haar terrein gewassen is, levert straks slechts zonderling verschrompelde caricaturen.

En toch zoo gaat men op strafrechterlijk terrein te werk.

Wel is er onderscheid. Voor sommigen — hierin heeft Lévy-Bruhl gelijk 19) — komt het afweren van de metaphysica voort uit hun dogma van haar niet bestaan, terwijl anderen,

|7|

die hetzelfde doen, dit punt onbeslist laten, of wel methaphysica erkennende, alleen de scheiding tot in den grond willen doortrekken.

Het is hier hetzelfde verschil als bestaat tusschen wie het determinisme laten voortloopen tot levensbeschouwing als b.v. Klippel 20), en wie het beperken tot de sfeer der verschijnselen, als Von Liszt 21).

Maar al loochen ik deze schakeeringen niet, — toch zijn zij onverschillig wat aangaat het resultaat, dat het uitzuiveren van alle metaphysisch element ten slotte heeft.

Zij het al uit verschillend motief, — de metaphysica, in zeer ruimen zin genomen, wordt teruggedreven. In naam van de zelfstandigheid der strafrechtswetenschap. En inmiddels onthult zich de einduitkomst in steeds duidelijker zich toonende lijnen als het verdwijnen van die wetenschap, en haar ondergang in sociologie.

Zoo wordt in dit negatieve resultaat de valsche notie van die zelfstandigheid openbaar, en is ook hier van toepassing de gedachte in het woord van Riant: „Puisqu’il semble se creuser un abîme de plus en plus profond entre ce qu’on appelle la science et le bon-sens, on peut être sûr qu’il y a quelque part un malentendu, une question mal posée, un point de vue capital omis, une source de lumière négligée.” 22)

Overtuigd van de geheele omwerking, die het strafrecht eischen zou, om te beantwoorden aan de beginselen, die men tracht ingang te doen vinden, en wellicht ook om minder tegenstand op te wekken, wil men dien arbeid meer geleidelijk verrichten. En tevens de principieele vraag meer in de schaduw stellen. Op deze veranderde methode van strijdvoeren wijzen Mittelstädt 23), Birkmeijer 24), Schmidt, welke laatste schrijft: „Im Gegensatz zu der ursprünglichen Kampfweise wurde die Erörterung von der prinzipiellen Frage des leitenden Zweckgesichtspunktes möglichst losgelöst, in eine zusammenhangslose Reihen von Fragen nach der Praktikabilität der einzelnen Inrichtungen zersplittert,” enz. 25).

Deze wijze van doen wordt hervorming in tegenstelling van revolutie genoemd. Met weinig recht. Revolutie met eene langdurige periode van verwarring door naast elkaar te planten en

|8|

te plaatsen wat op zeer verschillenden wortel stoelt, is iets anders dan hervorming.

En Mr. Van Hamel, zelf voorstander van deze denkbeelden en deze methode, stippelde de lijn uit, waarlangs de beweging waarschijnlijk voort zou schrijden: „De ontwikkeling van nieuwe regelen en nieuwe instellingen voor de praktijk van het strafrecht schijnt mij toe op meer dan één punt haren aanvang te zullen nemen bij de behandeling van jeugdige personen en zich geleidelijk in dezelfde richting tot de behandeling van volwassenen te zullen uitstrekken.” 26)

Welke verwachting bevestigd is, nu de Minister van Justitie, nadat de Tweede Kamer onlangs het wetsontwerp in zake delicten door minderjarigen gepleegd heeft aangenomen, voorstellen heeft ingediend om de voorwaardelijke veroordeeling in te voeren en de voorwaardelijke invrijheidsstelling op ruimer schaal mogelijk te maken; of, in één woord, meer te straffen met niet-straffen.

Voorts ontbreekt het niet aan pogingen om in het licht te stellen, dat menig onderscheid bij scherper bezien zich oplost. De „Schutzstrafe”, die alleen bescherming van de maatschappij beoogt, is, zegt Von Liszt, juist de „richtig verstandene Vergeltungsstrafe.” Het quia peccatum en ne peccetur vormen slechts schijnbare tegenstelling 27). Zijne opvatting der straf kan worden aangeschroefd aan welke levensbeschouwing men wil, godsdienstige zoowel als ongodsdienstige.

Wat wil men meer? Immers — stel den drang tot behoud van de soort, waarin eigenlijk het wezen van de straf ligt, „in den Dienst einer höheren Macht, einer Idee, einer göttlichen Weltordnung: und die Brücken von unsrer Ansicht zur Metaphysik sind geschlagen für jeden, der die „Reise ins Reich der Dinge an sich” nicht scheut.” 28) Dus klinkt des vogelaars zoet gefluit tot geruststelling van de godsdienstige menschen, die, als nog vergund wordt, Gods Naam achter eene goddelooze wetenschap als onschadelijk toevoegsel te plaatsen, het nog zoo erg niet vinden.

En zoo dringen langs lijnen van geleidelijkheid beginselen door, die het strafrecht uitbreken tot in de fundamenten; ja, veel verder nog reiken; beginselen, die eene wereldbeschouwing

|9|

dragen, waarin voor God noch mensch meer plaats is, en blijft alleen het dier.

Over die beginselen wensch ik te spreken, en daarbij te doen zien hoe alle schuld wordt geloochend, en dienvolgens alle strafrecht verdwijnt.

Fabius, D.P.D. (1900) [SnS]

 

Men wil niet hooren van schuld; niet weten van straf.

Op allerlei manier wordt het schuldbegrip verflauwd en teruggedrongen.

Bekend is het woord: tout comprendre, c’est tout pardonner. Volgens Von Liszt weet ieder, die kinderen heeft opgevoed, beter 29). Modderman noemt het echter een „roerend en nooit genoeg te herhalen gezegde.” 30) En Lombroso acht dit het Evangelie van den tegenwoordigen tijd. 31) Ja zoo bedoelt het ook Modderman. Hij uitte toch de anti-christelijke gedachte: „Eén slechts is er, die alles begrijpt en daarom ook alles vergeven kan.” Zoo is Jezus’ offer onnoodig; niet de schulddelging in zijn bloed de blijde boodschap. Vergeven door begrijpen. Zietdaar het Evangelie van Modderman en Lombroso; het Evangelie voor den tijd, die van schuld niet hooren wil; en gelijk Mittelstädt opmerkt, „da es mit dem Alles Begreifen nicht so schnell gehen will, hilft man sich vorläufig mit den Alles verzeihen.” 33)

„Gij zult uwen broeder in uw hart niet haten; gij zult uwen naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen.” 34) Deze tweeheid leert Gods Woord. Maar anders de moderne wijsheid. Eenerzijds een aftrappen van den misdadiger, die eigenlijk buiten de menschheid staat. Gelijk Garofalo zegt, dat als men ons voorhoudt „un malfaiteur totalement dépourvu d’instincts moraux et partant complètement différent de nous au moral, nous ne pouvons voir en lui notre semblable et, par conséquent, ne pouvons éprouver pour lui cette sympathie qui rendrait possible la pitié.” 35) En Zürcher meent, „dass ein besonderer Aufwand fur diese uns wenig verwandten Kreaturen nicht gerade nothwendig sein wird.” 36) Of Taine schrijft, dat Lombroso orang-outangs deed zien met menschelijk voorkomen, die misdoen krachtens hunne natuur. „Raison de plus pour les détruire aussitôt qu’on a constaté qu’ils sont et resteront toujours des orang-outangs.” 37)

|10|

Aan den anderen kant vindt ge een medelijden, dat ook de schuld verslindt. Het medelijden, zegt Von Liszt 38), zullen wij ook den onverbeterlijke niet weigeren, dien wij voor het overige zijns levens opsluiten om het algemeen belang. Maar wat dit medelijden beteekent, blijkt uit wat voorafgaat en wat volgt. Vroeger, zoo heet het dan, werd de krankzinnige als schuldige gebrandmerkt. Dat is vervallen. Welnu, de Kriminalpolitik zal denzelfden weg gaan. „Die Begriffe „Schuld” und „Sühne” mögen in den Schöpfungen unsrer Dichter weiter leben wie bisher; strenger Kritik der geläuterten wissenschaftlichen Erkenntnis vermögen sie nicht stand zu halten.”

In gelijken trant Lévy-Bruhl 39) en Ferri 40). Ook Mr. Simons heeft een medelijden, dat in de plaats van afkeuring treedt. Zeer voorzichtig stelt hij in uitzicht, dat wij eenmaal „meer medelijden dan afkeuring zullen gaan gevoelen ten opzichte van den misdadiger, die wellicht niets anders is dan het slachtoffer van hereditairen aanleg en van maatschappelijke oorzaken.” 41)

Volgens Dr. Aletrino moet het uur nog aanbreken dat men den misdadiger beschouwt als iemand met wien men medelijden moet hebben 42). Mr. Van Hamel komt daartegen op 43). Terecht en ten onrechte. Dr. Aletrino bedoelt een medelijden, dat geen schuld erkent, eigenlijk beteekent de loochening van schuld.

Het moderne medelijden is een valsch begrip.

De afkeer van schuld te erkennen leidt ook tot het beschouwen hetzij van de misdadigers in het algemeen, hetzij van een deel, als ziek en krankzinnig. „Die begriffliche Scheidewand zwischen Verbrechen und Wahnsinn weicht und fällt” — roept Von Liszt uit 44). „De geboren misdadiger staat geheel gelijk met een krankzinnige,” zegt Dr. Jelgersma 45), „hij is door en door ziek.” En de Minister van Justitie verklaarde 7 Dec. l.l. in de Tweede Kamer zelfs algemeen, dat zij die veroordeeld worden, meestal behooren „tot de aan krankzinnigheid grenzenden.” 46) Zoodat men Mr. Van der Linden wellicht krankzinnigen Minister heeten moest. Ware het niet, dat Baer verklaarde: „Die heutige Psychiatrie weist die Identität zwischen Verbrechen und Geisteskrankheit mit Entschiedenheit zurück — Verbrechen und Irrsinn gehören durchaus nicht zusammen; sie schliessen sich vielmehr aus.” 47)

|11|

Men wil niet weten van schuld. Geen wonder, dat men zoo er toe komt haar van zich af te wentelen, en de oorzaak van het kwaad in factoren te zoeken, waardoor het ophoudt schuld te zijn.

Met vreugdegejuich is de leer begroet, dat het misdrijf uit ’s menschen organisme voortkomt, in onmiddellijk verband met zijn’ aangeboren natuurlijken aanleg staat.

Het is de crimineel-anthropologische school, als wier stichter Cesare Lombroso geldt, die heeft willen aantoonen, dat de misdadiger, inzonderheid de gewoonte-misdadiger, zich door bijzondere organische kenteekenen onderscheidt van de menschen in wier midden hij leeft, waardoor men van een bijzonder misdadigers-type, het type criminel, spreken kan, dat in zekere omstandigheden noodzakelijk tot misdrijf voert. In L’uome delinquente 48), wordt het anatomisch, physiologisch en psychologisch type beschreven, dat Lombroso meende ontdekt te hebben 49), hetwelk hij aanvankelijk vooral als atavistisch verschijnsel beschouwde; later ook met zedelijken waanzin vergeleek, en met epilepsie in verband bracht 50).

Voorts wees Sergi op de overeenkomst van den misdadiger met het dier, terwijl de Italiaansche school, en bepaaldelijk Lombroso, den misdadiger nog terugvindt in het kind, welks vermeende goede eigenschappen vooral uit vrees en groote zelfzucht zijn te verklaren 51).

In gewichtige bijzonderheden verschillen ook de leidslieden dezer school. Het atavisme is door Garofalo niet beslist aanvaard. Of men het type criminel verklaren wil, dus zeide hij op het Congres te Rome, „par l’atavisme ou par la dégénération: peu importe.” 52) De eigenaardigheid van het type bestaat voor hem bovenal psychisch, het zijn van „une sorte de monstruosité morale.” De anatomische kenteekenen zijn niet meer dan aanwijzingen. Ferri, die liefst spreekt van de positivistische school 53), stelt meer in het licht, dat behalve biologische ook physieke en sociale factoren meewerken tot het te voorschijn doen komen van het misdrijf, waarbij hij zich overigens op de instemming van Lombroso beroept 54). Gelijk deze ook in zijn ten vorigen jare verschenen werk aan de externe invloeden plaatst gunt 55).

Intusschen komt volgens de anthropologische school het

|12|

misdrijf toch niet uit die invloeden voort. Hierin komen hare aanhangers overeen, dat de eigenlijke bron ligt in ’s menschen aanleg. Niet alleen het „milieu social”, zeide Ferri te Genève 56), maakt den misdadiger; „nous avons toujours dit que le milieu social et physique pousse au crime les individus qui ont une certaine personnalité organique et psychique plus ou moins dégénérée.”

De anthropologische school beschouwt den misdadiger, gelijk Gretener terecht opmerkt, niet als ziek, veeleer als abnormaal. Als natuurverschijnsel, en in zoover kan Liepmann toch zeggen 57), dat zij het misdrijf op ééne lijn met ziekte stelt.

De anthropologische voorstelling heeft grooten opgang gemaakt. Wel mocht Mr. Patijn verklaren, dat het misoneïsme (afkeer van het nieuwe), hetwelk Lombroso bij mensch en dier meent aan te treffen, zich te zijnen aanzien niet bevestigd heeft 58). Getuige het in 1885 te Rome gehouden anthropologisch Congres.

Hoog was in het algemeen de toon. Aan Righi, die tegen het determinisme was opgekomen, verklaarde Moleschott, dat dit kortweg de basis was van het congres, en alzoo, — ja, alzoo, — onaantastbaar 59). Benedikt zeide van de voorstanders der klassieke school naar luid van het verslag: „le jour viendra où ils devront sortir du temple, a moins de se convertir à nous.” 60) Ook danste men als dronken om het type criminel. Aan Lacassagne, minder geneigd met de meerderheid in te stemmen, werd door Fioretti onder grooten bijval toegevoegd: „Le type criminel est un fait définitivement acquis à la science; la discussion ne me semble pas admissible sur ce point la.” 61)

Maar de kentering is spoedig gevolgd.

Was in Italië de scuola antropologica opgetreden tegenover de scuola classica, weldra werd zij op hare beurt, behalve door deze, ook bestreden door de terza scuola van Alimena, Colajanni, Vaccaro, Carnevale e.a.

De vermeende kenmerken zijn stuk voor stuk, vooral van Fransche zijde, afgebroken 62). De fossa occipitalis (zeker kuiltje in den schedel), van veel gewicht geacht, komt volgens Tarde nog meer bij Joden en Arabieren voor 63). Marro heeft de criminologische waarde van een terugliggend voorhoofd of

|13|

vooruitspringende wenkbrauwen ontkend; Lannois, die van anomaliën aan het oor; Topinard, die der asymmetrie, veeleer regel, evenals de hersenwindingen, waarin Benedikt eene eigenaardigheid zag, geen ongewoon verschijnsel zijn.

Verklaarde Lombroso, dat de misdadigers grooter en zwaarder dan anderen zijn, — Thomson en Lacassagne kwamen tot tegenovergesteld resultaat.

Féré schreef in 1888, dat het type criminel geenszins nauwkeurig omschreven was of gescheiden van wat als normaal mocht worden beschouwd 64).

Op het tweede crimineel-anthropologisch Congres, in 1889 te Parijs gehouden, kon Manouvrier zeggen, dat de anatomische onderzoekingen niet tot de ontdekking van één kenteeken hadden geleid, uitsluitend aan den misdadiger eigen, of ook slechts aan zekere meerderheid onder hen.

Dortel stelde in 1891 aan het hoofd zijner conclusiën: „Le criminel-né, tel que l’a congu et décrit Lombroso, n’existe pas; aucun caractère anthropologique nettement défini n’a pu lui être reconnu” 65),

Baer gaf in 1893 eene doorloopende kritiek op Lombroso’s stellingen in het aangehaalde uitvoerige werk, door Rieger een „Abräumungsarbeit” genoemd 66).

Debierre deed twee jaar later een weinig minder omvangrijk werk het licht zien. En na meer dan driehonderd schedels van misdadigers onderzocht te hebben en eenige honderden van anderen, verklaart hij: „il est impossible à l’oeil le plus exercé de dire: Ce crane est celui d’un scélérat, ce autre est celui d’un honnête homme.” 67)

„Le criminel-né est un mythe et le type criminel est une fiction.” 68).

Sernopf, hoogleeraar in de anatomie te Moskou, wees in 1896 er op, dat van de anatomen van het vak, die Lombroso’s stellingen hebben onderzocht, als Ranke en Weisbach in Duitschland, Tenchini en Mingazzini in Italië, Manouvrier en Debierre in Frankrijk, alleen Tenchini zich ten gunste van Lombroso heeft verklaard 69).

Kirn publiceerde twee jaar geleden in de Bibliothek der gesammten medizinischen Wissenschaften een zevental stellingen,

|14|

stuk voor stuk tegen Lombroso’s gewaande vonsten gericht 70).

En in de zitting van de Académie de Médecine van 21 Maart l.l. deelde Laborde mede, dat Vacher, beschuldigd van minstens 12 herdersknapen op gruwelijke wijs vermoord te hebben, een „cerveau supérieur” had, en aanleg om een groot redenaar en goed staatsburger te worden.

Von Liszt oefende in 1889 meer uit een ander gezichtspunt eene scherpe kritiek op Lombroso’s stellingen 71). Hij wees er op dat, terwijl Lombroso toegeeft het type criminel slechts bij de delinquenti nati gevonden te hebben, hij dit begrip niet preciseert, maar de geboren misdadigers nu eens met de gewoontemisdadigers, dan weder met de z.g. zedelijk-waanzinnigen, en ook wel met de epileptici verbindt. Vormden epilipsie en zedelijke waanzin de eigenaardigheden van den z.g. ur-mensch, dan ware de menschheid lang reeds vergaan. Er is niet één bepaald anthropologisch type van den misdadiger. Ook baat splitsing naar de gewone indeeling der delicten niet 72). De moordenaar is zoomin eene anthropologische eenheid als de misdadiger in het algemeen. En nog onlangs verklaarde Von Liszt, dat men bij den „Zustandsverbrecher” wel atypiën gevonden had, doch niet ééne zelfstandig type. „Damit” — zoo concludeert hij — „fallt die Lehre Lombroso’s und seiner Anhanger in sich zusammen.” 73) Volgens Rosenfeld was het Lombrosianisme reeds bezweken op het Congres te Parijs in 1889, en heeft het volgende te Brussel in 1892 het doodvonnis slechts kunnen bekrachtigen 74). Impallomeni meent, dat Lombroso zelf door zijne veelvuldige verandering van opvatting den homo delinquens prijs gaf 75). Mr. Simons schreef in 1897, dat het type criminel tot het verleden behoort, en daarmee ook de verklaringen aan atavisme of epilepsie ontleend 76).

Ook is opgemerkt dat het wat al te gemakkelijk is alle niet-misdadigers, die eveneens de kenmerken van het type criminel vertoonen, eenvoudig te beschouwen als latente misdadigers, en het verschijnsel, waarop Tarde wees, dat de criminaliteit veel grooter is bij den man dan bij de vrouw, te willen oplossen als Lombroso deed, door de prostitutie als debouché van het misdrijf voor te stellen, en zoo de rekening gelijk te maken.

Niet het minst is Lombroso aangevallen om het weinig

|15|

wetenschappelijke zijner methode. Hier te lande deed Mr. Pols streng recht daarover 77). In Duitschland merkte Mittelstädt op 78), dat het niet aangaat, wijl zedelijk en lichamelijk gedigereerde menschen, uit welke oorzaak ook, meer gepraedisponeerd voor misdaad zijn, gelijk voor andere buitensporigheden, daarom den misdadiger in het algemeen te beschouwen als behoorende tot den gedegenereerden levensvorm van een atavistisch ras. Onbegrijpelijk zoude hij Lombroso’s aanhang achten, ware het niet, dat elk bijgeloof en iedere dwaasheid methode en volgelingen vindt, vooral wanneer zij uit het laboratorium of van de snijtafel komen, en daardoor ter aanbeveling carbollucht bij zich hebben.

Aschaffenburg wees nog vóór eenigen tijd op de weinige kritische gave van Lombroso, en zijne neiging om uit toevallige waarnemingen en anekdoten vérgaande conclusiën te trekken 79). In gelijken geest Appelius 80). En veler lof beperkt zich dan ook hoofdzakelijk tot eene waardeering van den stoot, dien hij gaf voor uitgebreide nieuwe onderzoekingen, gelijk Tarde hem vergelijkt met koffie, die wel opwekt, maar niet voedt.

Het is inderdaad opmerkenswaardig, echter niet vreemd, hoe tot zekere hoogte samengaat het uitwisschen van de grens tusschen mensch en dier, en het graven van eene diepe kloof tusschen mensch en mensch. Het pantheïsme kent eenerzijds zelfs rechten toe aan het dier, en maakt aan den anderen kant in de menschheid eene scherpe scheidslijn tusschen hoogere wezens en lagere, gelijk dit treffend uitkomt in de minachting van Auguste Comte en Renan voor de breedere volksschaar. Ook op strafrechtelijk terrein wordt dit openbaar. Vruchteloos is het zoeken naar een type criminel. Wel mag en moet eenerzijds gedankt worden voor bewaring tegen ontwikkeling en uitbreken van het kwaad. Ruw-weg alle fijner onderscheid miskennen, is niet naar Gods Woord. Maar daarnevens leert dat Woord:
„Daar is niemand rechtvaardig, ook niet één;
„Daar is niemand die verstandig is; daar is niemand die God zoekt.
„Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; daar is niemand die goed doet, daar is ook niet tot één toe.” 81)

En deze waarheid dringt zich telkens op ook aan wie het licht van Gods Woord versmaden. Mittelstädt herinnert aan

|16|

Goethe’s uitspraak dat deze geene verkeerdheid wist, waartoe hij zich niet in eenig oogenblik van zijn leven in staat had geacht 82). En zelve komt hij tot de conclusie: „Jeder Mensch ist zum Verbrecher geboren.” 83) Wat Löffler in hoofdzaak beaamt, doch om voorts daaruit de conclusie te trekken, dat het misdrijf geene abnormaliteit is, „denn wir werden doch um Gottes willen nicht alle zusammen abnorm sein!” 84)

De realiteit van ’s menschen val werpt telkens de kaartenhuizen van ijdele theorieën omver. En wie evenwel weigert daarmee te rekenen, loopt gevaar in nog grooter duisternis te geraken.

Wat Mittelstädt zegt is waar èn onwaar. Gods Woord geeft de solutie. Er is niemand die goed doet; in het heden en onder de zonde. Eens gold echter: „God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet het was zeer goed.” Maar zij zijn afgeweken. Evenwel is er gemeene genade tot bewaring; en bijzondere genade tot bekeering, die in beginsel den mensch herstelt.

De eerste mensch, en in hem de menschheid, is goed geschapen. Thans echter wordt de mensch — ik zeg niet „zum Verbrecher,” maar — in zonde ontvangen en geboren. Toch is dat niet het laatste woord.

 

Naast hen, die de schuld ontkennen door de oorzaak van het misdrijf in het organisme te zoeken, staan anderen die veeleer de omgeving aansprakelijk stellen voor het kwaad.

Reeds in de vorige eeuw werd dit gedaan. Volgens Rousseau wordt de mensch, van nature goed, door de maatschappij bedorven. In gelijken zin Von Holbach en Diderot. Zoo ook later. Cabet noemt alle gebreken de misdaad van de maatschappij, en Büchner den misdadiger het slachtoffer van zijn toestand 85).

Maar thans vond deze meening ook onder criminalisten ruimer ingang, en wordt meer beslist getracht het strafrecht daarnaar te vervormen. In Italië legt de terza scuola, in onderscheiding van de anthropologische school, nadruk op de sociologische factoren. Alimena ontwikkelde de beteekenis van het milieu social op het Congres van 1889 te Parijs 86). Colajanni, die eenigszins eigenaardig standpunt inneemt door zijne leer van een moreel atavisme, rekent eveneens bijzonder met de

|17|

maatschappelijke, en bepaaldelijk de economische, factoren 87). Dit laatste werd vooral door Turati verdedigd. De misdadigers zijn volgens hem inzonderheid het product van slechte economische verhoudingen, en zoo spreekt hij de stellige verwachting uit, dat met verandering der maatschappelijke orde het misdrijf verdwijnen, en de gansche strafrechtspleging zal kunnen ophouden 88).

Nauw aan haar verwant is de école de Lyon, als wier hoofd geldt Lacassagne 89). Reeds op het Congres te Rome wees hij op het gewicht der sociale factoren in de vaak aangehaalde woorden: „Le milieu social est le bouillon de culture de la criminalité; le microbe, c’est le criminel, un élément qui n’a d’importance que le jour où il trouve le bouillon qui le fait fermenter.” 90) En „les sociétés ont les criminels quelles méritent.” 91)

Tegenover de anthropologische kent ook de Fransche school den voornaamsten invloed op de ontwikkeling der criminaliteit aan de sociale, in tegenstelling van de biologische, factoren toe.

In Duitschland wordt deze richting met talent en ijver door Von Liszt verdedigd. Het misdrijf is in de eerste plaats een maatschappelijk verschijnsel in dien zin, dat niet alleen „mit jeder Gesellschaft eine bestimmte Zahl von Verbrechen notwendig gegeben” is 92), maar het ook bovenal door maatschappelijke factoren bewerkt wordt 93).

Von Liszt sluit de biologische factoren niet uit. Nog ten vorigen jare schreef hij, als grond- en hoeksteen zijner „kriminalpolitischen” opvatting, dat ieder misdrijf het product is van de individualiteit des misdadigers en de maatschappelijke verhoudingen, waarin hij zich op het oogenblik van de daad bevindt 94). Maar niet alleen kent hij aan de sociale factoren het overwicht toe, — zij hebben „ungleich gröszere Bedeutung,” — ook zegt hij: „die biologische Eigenart des Verbrechers ist wieder durch die gesellschaftlichen Verhältnisse bestimmt, die 1. auf die Erzeuger des Thäters, 2. auf diesen seit seiner Geburt und 3. auf ihn im Augenblicke der That eingewirkt haben.” 95)

Deze richting is ook sterk vertegenwoordigd in de Internationale kriminalistische Vereeniging, gesticht door Von Liszt, Prins en Van Hamel, van welk drietal volgens eerstgenoemde de tweede iets meer dan hij tot de klassieke, en onze landgenoot meer tot de anthropologische school nadert 96).

|18|

Het kan niet geloochend worden, dat de in hoofdzaak sociologische opvatting van het misdrijf zeer verbreid is. En is het wonder? Zeker heeft het niet ontbroken, ook van den kant der anthropologische school, aan pogingen om te doen zien, bepaaldelijk dat de criminaliteit niet in rechte verhouding staat tot gebrek aan stoffelijke middelen, maar vaak juist uitbreekt in sociaal beteren toestand. Maar het meer algemeene, het minder grijpbare van de beschouwing doet haar gemakkelijk ingang vinden. Zij is zoo verleidelijk voor wie de maatschappelijke inrichting meer fundamenteel willen omzetten. Zelfs leent zij zich niet slecht voor de prediking van eene algemeene schuld, waarnaar velen hooren willen, — en die niets beteekent, — zonder erkenning van geheel persoonlijke schuld.

De anthropologische en de sociologische school verschillen ongetwijfeld. Reeds in het toekennen van den voornaamsten invloed door de eene aan de biologische, door de andere aan de sociale factoren.

Natuurlijk is dit onderscheid ook van beteekenis voor de maatregelen ten opzichte van den misdadiger te nemen en die, welke bedoelen meer algemeen de criminaliteit te bestrijden.

Voor de anthropologische school hebben sociale maatregelen althans ten opzichte van een deel der menschen alleen beteekenis om het te voorschijn komen van den misdadigen aanleg te verzwaren. Ook wordt de behandeling van den misdadiger eene andere. Zelfs laat zich begrijpen, dat velen aan beterschap van den geboren misdadiger weinig hechten. In L’uomo delinquente kent Lombroso niet veel gewicht toe aan de karaktergenezingen, die Galavardin beweert langs homoeopathischen weg verkregen te hebben 97). Maar te Genève, waar hij zeide, dat de geboren criminaliteit altijd uit epilepsie voorkomt, sprak hij met meer instemming over het medisch behandelen der misdadigers. Hij ried daar om als de allopathen geen baat brengen, de homoeopathen te hulp te roepen, die afzonderlijke geneesmiddelen hebben tegen zedeloosheid, neiging tot diefstal, neiging tot moord, en voor drankzuchtigen en hunne kinderen 98).

Zoo moeten doctor en apotheker de misdadigers genezen.

Maar ook onder de sociologische richting is verschil in waardeering van de tegen de criminaliteit in het algemeen aan te

|19|

wenden middelen. Misschien zouden niet allen, die dit spoor volgen, willen onderschrijven het bijna heftige optreden van Von Liszt 99) tegen Van Calker, omdat deze dorst zeggen: „Die wirksamste Bekämpfung der Verbrechen geschieht durch die Einpflanzung ethischer Grundsätze.” 100)

Intusschen naderen zelfs beide scholen elkander.

De sociologische sluit het biologische element niet uit, en de anthropologische is ook bereid tot maatregelen, die het misdrijf kunnen voorkomen. Lombroso komt, evenals hij te Genève deed, in Le Crime zelfs op tegen het verwijt, als had de anthropologische school de bestudeering van de economische en sociale factoren van het misdrijf verwaarloosd. Door de beoefening van de etiologie van het misdrijf 101) heeft zij juist den weg gebaand voor eene geheel nieuwe bestrijding, terwijl hij in dat werk die bestrijding verder uitwerkt.

Tot de middelen nu, die hij aangeeft, behoort bevordering van prostitutie: „la diffusion de la prostitution”; en „un passage graduel au libre amour serait le plus radical des préventifs.” 102) Zelfs de geboren misdadigers, op wie alle maatschappelijke geneeswijze afstuit, zijn ten deele nog te helpen. Voor de minder gevaarlijken, de criminaloïden, zal men meer en meer gelegenheid vinden ze aan te passen aan het leven. Vooral door ze te gebruiken voor arbeid in verband met hunne atavistische instincten. Zoo b.v. moordenaars voor het leger of de chirurgie; heelers en oplichters voor politie en journalistiek; vagebonden voor kolonisatie in wilde en ongezonde streken.

Zoo moet men de neigingen der misdadigers canaliseeren, zooveel mogelijk nog ten nutte der maatschappij doen komen. Dit heet de symbiose van het kwaad 103).

Maar bovenal is dit punt van overeenkomst tusschen beide scholen van gewicht, dat zij de schuld van den misdadiger loochenen. Dit is in zekeren zin zelfs hun dieper vereenigingspunt. De zedelijke schuld moet weg. En daarom, voorzoover maatregelen tegenover eenen delinquent genomen worden, dienen zij om te gaan buiten alle zedelijke toerekening, die hem schuldig rekent.

De schuld ligt niet in ’s menschen hart, zoo leert men. Waartegenover Gods Woord zegt: „Behoed uw hart boven al wat

|20|

te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.” 104) En „uit het hart komen voort booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen.” 105)

 

Het is zeker geen wonder dat bij het niet-willen weten van schuld het determinisme zoo grooten aanhang vindt. De strijd over de vrijheid van wil is in den laatsten tijd op breede schaal heropend. Von Bülow meent 106), dat dit verklaard moet worden uit den beperkten omvang van het strafrecht. De studie van het positieve strafrecht alleen kan niet bevredigen. Zoo kwam men er toe allerlei wijsgeerige vragen op te werpen. Deze voorstelling zal weinigen bevredigen. De hervatting van den strijd behoeft allerminst te bevreemden. En wel om het verband tusschen determinisme en schuld.

Het is eenigszins gevaarlijk over determinisme in het algemeen te spreken. Het zou den schijn kunnen geven, alsof men de ondergeschikte onderscheidingen miskent; physisch en psychisch determinisme verwart, wat Mittelstädt in minder gelukkige terminologie als het „vulgare” in het „aufgeklärte Determinismus” tegenover elkander stelt 107).

Intusschen zijn al deze verschilpunten niet zonder beteekenis, zij raken toch het wezen van het determinisme niet.

Evenmin doet het er voor het strafrecht toe, gelijk ik hierboven opmerkte, of men het determinisme tot de wereld der verschijnselen beperkt als Von Liszt, en ook Prins schijnt te bedoelen 108), dan wel het verder doortrekt.

Voorzoover wij kunnen oordeelen, is, zegt Von Liszt, de mensch onvoorwaardelijk en onbeperkt onvrij 109). Ook hij huldigt voor het strafrecht volstrekte onvrijheid van wil, het beheerscht worden van den wil, zonder zedelijke schuld.

In dezen zin wordt door mij van determinisme gesproken, aan welke opvatting in het algemeen de omschrijvingen der deterministen beantwoorden 110).

Daardoor wordt tevens de scheiding gemaakt tusschen determinisme en wat de Heilige Schrift leert over de onvrijheid van den mensch.

Bij dat laatste dient een oogenblik te worden stilgestaan.

Verwarring wordt gekweekt door determinisme te heeten

|21|

wat Gods Woord over de onvrijheid van den zondaar zegt.

Toch beroept men zich ten gunste van het determinisme ook op den Bijbel; worden Luther en Calvijn als aanhangers van dat stelsel opgeroepen 111).

Mr. Domela Nieuwenhuis verklaart, dat de vereenigbaarheid van vergelding met absoluut determinisme zelfs voor geen twijfel vatbaar is, en vervolgt dan: „Trouwens de apostel Paulus huldigde in zijn 13den brief aan de Romeinen uitdrukkelijk het vergeldingsbeginsel der Overheidsstraf.” 112) Dat in het 13de hoofdstuk van den Brief aan de Romeinen de vergelding geleerd wordt, is moeielijk te loochenen, maar predikt Gods Woord ook het determinisme? In het verband der woorden ligt dit; zóó alleen heeft het beroep op den Apostel Paulus ten betooge, dat vergelding en determinisme saam kunnen gaan, beteekenis. Echter spreekt zich Mr. Domela Nieuwenhuis elders juist als tegenstander van het determinisme uit 113). Hier is, naar mij voorkomt, verwarring.

Eenigszins uitvoerig bespreekt Von Bülow het verband tusschen determinisme en Christelijke waarheid, dat hij aanneemt.

Hij onderscheidt tusschen vrijheid van wil en causaliteit van de wilshandeling. Een en ander neemt hij aan: de wil is vrij; de wilsdaad gedetermineerd; en dit laatste meent hij ook te vinden bij Augustinus, Luther, zelfs in Gods Woord.

Wat beteek ent echter de wilsvrijheid bij Von Bülow? „Frei ist der Wille des Menschen”, zoo luidt het antwoord, „wenn er nicht äuszerem Zwange unterworfen ist, wenn der Mensch so handelt, wie es seinem Charakter, seinem inneren Wesen entspricht.”

Het zij zoo. Maar die vrijheid sluit niet uit de onvrijheid, welke de H. Schrift leert, en deze is weer niet de onvrijheid van het determinisme.

Zeker bestaat de zedelijke vrijheid niet in het kunnen doen van kwaad zoowel als goed.

Maar de vrijheid dient in verband te worden gebracht met den oorspronkelijken aanleg, en hierin — dit ziet Von Bülow voorbij kwam door de zonde verandering. De eerste mensch is geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid; geen element was in hem, dat streed met zijne bestemming. Door den val

|22|

kwam hij onder de macht der zonde; werd hij onvrij; wijl de zonde ingaat tegen ’s menschen aanleg, en hij niet in staat is hare kluisters te breken.

In dien zin wordt door Augustinus, Luther, Calvijn de onvrijheid gemeend 114). Eene onvrijheid evenwel, waarmee ’s menschen wil zich vereenigt. Hij heeft de zonde lief.

Echter kan de mensch weder tot vrijheid komen. Hij kan vrijgemaakt worden. Dien de Zoon zal vrij gemaakt hebben, is waarlijk vrij. De overheerschende macht der zonde is dan door den Heiligen Geest te niet gedaan. Inzoover is de mensch weder vrij geworden. Er is vijandschap gekomen tegen de zonde. En nu kunnen niet uitblijven de vruchten des geloofs en der bekeering, waarin de omgezette mensch een behagen heeft.

Mij zoo dicht mogelijk aansluitende aan de terminologie van het determinisme zeg ik: de noodwendigheid van zondigen door den onbekeerde, gelijk hij dit wil, is onvrijheid; de noodwendigheid der heiligmaking in den bekeerde, gelijk hij dit wil, is vrijheid.

Von Bülow noemt vrijheid het beantwoorden aan zijn innerlijk wezen, hoe dit ook zij. De H. Schrift noemt vrijheid het beantwoorden aan oorspronkelijken aanleg.

Von Bülow verwart de onvrijheid van het determinisme met de onvrijheid, die Gods Woord leert, welke bestaat in het overheerscht worden door de macht der zonde, die men wil, en niet kan opheffen.

De wet der zonde is niet de wet der causaliteit.

Met deze laatste bedoelt men den mensch niet te onderscheiden van de overige Schepping. In de wet der zonde ligt juist wèl het onderscheid.

In de wet der causaliteit is niet het element van den aanleg opgenomen. In de onvrijheid door de zonde wèl.

De onvrijheid der causaliteit duurt altijd voort; de onvrijheid der zonde kan worden gebroken.

De onvrijheid der causaliteit sluit schuld uit; de onvrijheid der zonde wordt tot schuld gerekend.

Het is verwarring het determinisme, de dusgenoemde wet der causaliteit, te vereenzelvigen met wat Gods Woord over de onvrijheid van den zondaar zegt.

|23|

Eveneens is verwarrend, zich determinist te noemen en daarnevens zich een stuk vrijheid of spontaneïteit te reserveeren. Zoo doet Mittelstädt. Eenerzijds noemt hij den mensch het „durch und durch unabhängige Glied einer unendlichen Kette vor uns über diese Erde dahin gegangener Wesen.” 115) Maar tevens zegt hij: „Die Macht und Kraft und Fähigkeit bei der Bildung unseres Innern, bei der Bildung unseres eigenen Charakters und der davon abhängigen Triebe mit zu wirken, den sittlichen Beweggründen eine stärkere Energie, als den sinnlichen Anreizen zu verleihen, bleibt unter all dieser causalen Nothwendigkeit unberührt bestehen.” 116)

Dit standpunt is een ander dan dat van Von Bülow, die wel eene verantwoordelijkheid voor het karakter aanneemt, maar niet eene daarachter liggende macht om op het karakter te werken.

Inderdaad klinkt dit ook vreemd voor wie zich onder de deterministen schaart. Waarschijnlijk toch weigert Mittelstädt het gevoelen van Garofalo te onderschrijven, dat men die krachten om het karakter te vormen, heeft te zoeken in de „qualités naturelles de l’organisme psychique.” 117) En ik begrijp dan ook dat, zoowel van den eenen kant Von Liszt 118), als van de andere zijde Von Buri 119), bezwaar maakt om Mittelstädt onder de deterministen te tellen.

De vrijheid door hem gepostuleerd, gaat niet met het determinisme samen.

Maar ook wordt door anderen van eene vrijheid gesproken, die door elk determinist aanvaard kan worden, en alzoo slechts schijnbaar de onvrijheid van het determinisme uitsluit.

Reeds is Von Bülow een voorbeeld daarvan. Binet noemt vrijheid eenvoudig „une activité conforme au caractère individuel.” 120) Van Calker schrijft: „Der menschliche Wille ist frei, . . . es heisst: Der Mensch entschliesst sich, der Mensch handelt in Gemässheit seiner Eigenart.” 121) Dit nu bedoelt het determinisme niet te loochenen. Von Liszt verklaart dan ook alles te beamen wat Van Calker over de vrijheid van wil schrijft 122).

Hoezeer er velen zijn, die het determinisme verwerpen, zoo valt toch niet te loochenen dat het zeer verbreid is.

Deterministisch is de anthropologische school. Eveneens de terza scuola. Alimena telt de verwerping der wilsvrijheid onder

|24|

de verdiensten van eerstgenoemde school 123). Hij en Carnevale hebben ze bijna als dogma der terza scuola geproclameerd. Turati verdedigde haar als met geestdrift 124). Tuozzi, die tot de scuola classica gerekend wordt, heeft dan ook bij den strijd over de bestaansmogelijkheid der terza scuola er op gewezen, dat althans de loochening der wilsvrijheid haar niet kenmerkt, wijl deze evenzeer bij de anthropologische school gevonden wordt 125). Garraud noemt insgelijks de Italiaansche positivisten in het algemeen determinist 126).

Dit is ook de Fransche sociologische school. Insgelijks zijn het de geestverwanten van Von Liszt. In de Internationale kriminalistische Vereeniging vormen de deterministen, gelijk veilig mag worden aangenomen, de meerderheid.

Ook wordt soms op luiden toon de overwinning van het determinisme uitgeroepen, welke triumfkreten niet zelden worden aangeheven, nadat men zich eerst door scheeve voorstellingen van anderer standpunt, als huldigden alle niet-deterministen een z.g. liberum arbitrium indifferentiae, eene gemakkelijke zege verzekerd heeft 127).

Ferri verklaart dat de physiologische psychologie de illusie der wilsvrijheid heeft verstoord 128).

Volgens Vargha heeft de psycho-physiologie geleerd, dat alle menschen „automatische Executoren ihrer impulsiv auftretenden Nerverregungszustände” zijn 129).

Bij Mr. De Roos kan men lezen: „Thans beslist de psychologie en de psychophysiologie den ouden strijd tusschen wilsvrijheid en determinisme ten gunste van het laatste.” 130)

En toen Dr. Aletrino als privaat-docent optrad, verzekerde hij: „’t is duidelijk en aan de hand van wetenschappelijke feiten onweêrlegbaar bewezen, dat het individu ontoerekenbaar, totaal ontoerekenbaar is.” 131)

Voor den tegenstander blijft geen duimbreed ruimte. Wie niet meedoet, heet het verder, toont „gebrek aan moed” om feiten onder de oogen te zien, of „angst” voor het loslaten van eene traditioneele opvatting of, wat meest waarschijnlijk is, „domme vrees,” dat zoo der moraliteit de bodem ingeslagen wordt. Men bedenke intusschen, dat „het individu” ontoerekenbaar, totaal ontoerekenbaar is.

|25|

Echter klinkt ook meer bescheiden toon. Mr. Simons, zelf voor het determinisme gewonnen, verklaart nochtans: „Geloof en hypothese zijn aan beide zijden der gevechtslinie,” enz. 132),

Intusschen baat de erkenning, dat in zekeren zin vrijheid gelaten wordt, het determinisme niet aan te nemen, dikwijls weinig. Immers wordt telkens daarbij uitgesproken, dat wijl alle niet-deterministische opvatting betwiste hypothese is, de basis van het strafrecht daarbuiten moet vallen. Zoo reeds in 1864 Modderman 133). Stelliger nog Tarde 134), Von Liszt 135), Vargha 136), Löffler 137), Ferri 138), Simons 139). Een instituut, dat zich praktisch in gewichtige aangelegenheden openbaart, zou niet op betwisten grondslag mogen rusten.

Ik versta dit niet. Geen gezag is naar Gods Woord bestaanbaar dan door God verordend, Wien als Schepper van hemel en aarde alle macht behoort. Maar velen verwerpen dit. Derhalve zou het gezag bij de gratie Gods hebben op te ruimen, ook wie belijdt, dat het moet bestaan.

Dat is ongeloofsterrorisme.

Het strafrecht mag niet steunen op een grondslag, die betwist wordt. Als ware het de eenvoudigste zaak een niet betwisten grondslag te vinden. En is het dan voor den opbouw onverschillig wat het fundament is?

Weinigen, die het beweren. Met de vriendelijke uitnoodiging ter wille der deterministen het dogma der wilsvrijheid weg te nemen, bedoelen zij dat dan tevens verdwijnt, al wat met die bestreden hypothese verbonden is. En dit verklaart maar al te goed, dat men zoo ernstig bezwaar heeft tegen een grondslag waarover niet allen het eens zijn. Men zal het determinisme niet opleggen. Men laat u vrij het te verwerpen, zoo ge slechts de consequentiën er van aanvaardt; zoo ge maar een strafrecht huldigt, waaruit het schuldbegrip is geëlimineerd. Want daarom gaat het ten slotte.

Men kan niet, — hoezeer ook Fonsegrive dit schijnt te beweren, — de wilsvrijheid alleen uit het strafrecht lichten, terwijl overigens alles hetzelfde blijft. Mr. Simons houdt dan ook den strafwetgever voor, dat hij het vraagstuk der wilsvrijheid ter zijde latende, „ook de gevolgen daarvan aanvaarden (moet) en met den vrijen wil ook den daarop steunenden grondslag der

|26|

zedelijke verantwoordelijkheid (moet) laten vallen,” en „elke gedachte aan eene vergeldingsstraf” prijs geven 140).

Niet allen stemmen hiermee in. Merkel waagde eene poging om determinisme met schuld en vergelding te verzoenen. Traeger huldigt wel het determinisme, en verwerpt straf als vergelding, doch meent nochtans aan schuld vast te houden. Janka en Druskowitz willen eveneens determinisme met schuld vereenigen. Schmidt is van oordeel, dat determinisme met vergeldende straf kan samengaan. Evenzoo Liepmann, die echter aan vergelding een anderen zin dan Schmidt hecht.

Tegenover de magistraten Proal 141) en Meerbeke 142), die zich niet kunnen denken eene veroordeeling zonder schuld, anders dan wat daarvan bij het determinisme overblijft, — staat Mittelstädt 143), die verklaarde in zijn praktijk trots zijn determinisme nooit behoefte gevoeld te hebben aan afdalen in wijsgeerige diepten, of moeite met het schuldbegrip gehad te hebben.

Waarschijnlijk als geestige parodie van al dergelijke vereenigingspogingen stelde Mr. Levy 144) onlangs allerlei gevolgtrekking, gewoonlijk aan de Zweckstrafe verbonden, voor als regelrecht uit het begrip van straf als zelfdoel afgeleid; eene grap niet minder guitig dan zijn Rechter en Wet als vervolg van Opzoomer’s arbeid.

Inderdaad ware de heftige strijd van deterministische zijde gevoerd, moeielijk te begrijpen, als de diepere antithese niet tot wijd uiteengaan in consequentiën leidde.

Klippel kon dan ook met recht stellen: „Dasz die Willensfreiheit die notwendige Voraussetzung der Schuld ist, wird von der überwiegenden Majoritat der Vertreter der Rechts wissenschaft anerkannt.” 145)

Birkmeyer zegt: „Schuld ist ohne Freiheit des Willens nicht zu denken.” 146) In gelijken zin Hälschner 147), Von Buri 148), Beling 149), Proal 150).

En niet alleen oordeelen zoo de tegenstanders van het determinisme, maar ook de aanhangers.

Volgens Appelius valt op deterministisch standpunt „die Schuld des Verbrechers in dem heute herrschenden und landläufigen Sinne, und damit musz dereinst die ganze Strafrechtspflege fallen, die auf der Idee der Schuld aufgebaut ist.” 151)

|27|

Von Liszt is niet minder beslist: „Der überlieferte Schuldbegriff ist unhaltbar . . . Ohne Wahlfreiheit weder Schuld noch Vergeltung. Für den folgerichtigen Determinismus bleibt einzig und allein die Zweckstrafe übrig.” 152)

Klippel schrijft: „Da Willensfreiheit nicht existiert, so gibt es auch keine Schuld . . . . Und da es keine Schuld gibt, so ist auch eine Strafe im eigentlichen Sinne des Wortes (Miszbilligung bzw. Vergeltung des schuldvollen Handelns) nicht möglich.” 153)

Sichart acht onbetwistbaar, dat „die Unfreiheit des Willens die Annahme einer Schuld, wie solche zum Wesen der Vergeltungsstrafe gehort, unbedingt ausschliesze.” 154)

Vargha leert: „Dasjenige, was Jemand wollte oder nicht wollte, kann man ihm offenbar nur dann mit Recht zum Vorwurfe machen, wenn ihm die Wahlfreiheit zustand, so oder auch nicht so zu wollen.” 155)

Ferri verklaart, dat zedelijke verantwoordelijkheid „sans libre arbitre est un non-sens;” etc. 156).

Mr. Simons oordeelt, „dat zonder vrijheid van wilsbesluit geen schuld bestaanbaar is, geene zedelijke afkeuring van den dader gerechtvaardigd mag heeten.” 157)

Wie heeft hier gelijk? Oefent het determinisme al dan niet zoo ver reikenden invloed op het strafrecht uit?

De oplossing is eenvoudiger dan zij schijnt.

Ten spijt der helderheid behouden velen op strafrechtelijk terrein de oude namen, na daarin eerst andere begrippen te hebben gelegd. Dit noemen sommigen dan evolutie. En slechts de kloeker geesten wijzen er op, dat ook de terminologie zich overeenkomstig de veranderde inzichten wijzigen moet 158).

Daardoor kunnen sommigen meenen schuld en vergelding gered te hebben, terwijl bij eenigszins nauwkeurige toetsing blijkt, dat wel het etiket hetzelfde is, maar de inhoud niet.

Zoo wordt schuld door Merkel aldus omschreven: „Schuld ist das an den geitenden Werturteilen gemessene und demnach in Anrechnung gebrachte kausale Verhalten selbst.” 159) Met recht verklaart Von Liszt, dat deze opvatting van schuld weinig met de gangbare strookt 160). Volgens Merkel is schuld het causaal verband tusschen eene door ons leelijk geachte daad met den dader, welk verband mag worden aangenomen als hij

|28|

met zijne handeling geïdentificeerd kan worden, zoodat de toerekening eigenlijk slechts inhoudt: de leelijke daad staat met u in verband; wij vinden u leelijk; „das bist Du”, „erkennt Dich im Spiegel deiner That.” 161)

Op gelijke wijze draagt ook hij wiens uiterlijk niet mooi is, in de eerste plaats de „schuld” van het welgelijkend, en evenwel niet mooi, portret.

In dien zin spreekt Merkel van schuld. Maar nooit is beweerd, dat determinisme met dergelijk schuldbegrip onvereenigbaar ware. Inderdaad is zijne meening het schuldbegrip gered te hebben, zooals Lammasch zegt, „eine gefährliche Selbsttäuschung.” 162)

En de vergelding is bij Merkel slechts de leedveroorzakende reactie van den Staat, waardoor eene verbindende wet geldend wordt gemaakt bij verzet tegen een’ hoogeren wil, wijl het recht uitwendige sanctie niet missen kan 163).

Maar dit aldus zich handhaven van het recht kan geen vergelding heeten.

Traeger vat schuld op als „Verursachung . . . durch ein Wesen, das Einsicht in die Rechts- und Pflichtsgebote und in deren Bedeutung für das Allgemeine hat.” 164)

En hij voegt er, geheel in overeenstemming met Merkel bij, dat de handeling toegerekend wordt, als zij ’s menschen zedelijk bestaan onthult. Dan is hij de oorzaak der handeling, wat echter geenszins zeggen wil, dat hij de eerste oorzaak is. Veeleer is ’s menschen innerlijk wezen ook weêr veroorzaakt.

Maar dan beteekent schuld anders niet dan dat de mensch de laatste schakel is in de wet der causaliteit, en geldt ook hier, dat dit schuldbegrip door het determinisme stellig niet wordt gewraakt.

Janka neemt schuld aan, zoo het intellect voldoende was om de beteekenis der rechtsbreuk te begrijpen, en daarom de handeling aan den dader mag verbonden worden. De voorstellingen, die uit het voorstellingsvermogen in het bewustzijn dringen, zijn tegen-motoren, als zich eene drijvende kracht openbaart. De sterkste wint het, en zoo ontstaat het besluit 166). Maar inderdaad blijkt niet, waarom het overwonnen worden van de tegen-motoren eene schuld is, zoo niet althans dat „intellect” uit de

|29|

keten van het determinisme wordt losgemaakt, en daarmee inderdaad het determinisme verzaakt.

Intusschen is te minder vreemd, dat Janka het zich met het schuldbegrip wat gemakkelijk maakt in verband met de beteekenis die hij aan de straf hecht, om bovenal te werken als generale preventie, als determineerend middel van afschrikking 167).

Volgens Druskowitz is de mensch niet alleen tusschenschakel, maar ook zelfstandige „Teilausdrück” der natuurkracht, en inzoover oorsprong zijner handeling. Daar hij bovendien zedelijk onderscheidingsvermogen heeft, is hij zedelijk toerekenbaar 168). Maar hij is dan toch een stuk natuurkracht, en Herold merkt niet ten onrechte op 169), dat de natuurkrachten op zich zelve noch goed noch kwaad zijn.

Schmidt leert de vergelding. Maar geeft op zijne beurt aan dit begrip eigenaardigen zin. Vergelding is bij hem de reactie van den Staat, die bij de goede burgers de liefde voor den Staat en de rechtsorde versterkt 170). Blijkbaar doelt Seuffert op deze theorie, als hij spreekt van de bescherming volgens welke de vergelding „Mittelglied für einen andern Erfolg ist.” 171) Bij Schmidt is wat vergelding heet maatregel van generale preventie, zoodat zij naar de opmerking van Lammasch, „Allen gegenüber Zwecke erfolgen” moet, juist „mit einziger Ausnahme dessen, der sie zu erleiden hat.” 172)

De straf is bij Schmidt het middel, waardoor de Staat toont, dat hij zich niet alles laat aanleunen. Eigenlijk moest de Staat dan wenschen, dat de misdadiger verborgen bleef, of over de grenzen kwam zonder mogelijkheid van uitlevering. Men kon den Staat dan niet gebrek aan flinkheid verwijten, en den ongelukkig gedetermineerden man werd geen leed gedaan.

Ook is met dit beginsel niet noodig altijd te straffen bij het plegen van eene misdaad. Men kan den naam van flink behouden, ook als men slechts zoo nu en dan van zich afslaat.

Te meer waar die enkele toch eigenlijk geen „partij” is voor den Staat.

In elk geval ligt het bewijzen van flinkheid geven op den rug van wie zonder schuld aanviel, ver van wat gemeenlijk onder vergelding wordt verstaan.

Liepmann neemt schuld aan als de daad in verband kan

|30|

worden gebracht met den „Grundstock von konstant wirkenden Apperzeptionsmassen”, dat wij als persoonlijkheid beschouwen, en die in het eene geval meer in het andere minder invloed op de daad heeft dan de „äuszere Reize”, zonder welke geene daad in het leven treedt 173).

Het is in hoofdzaak weder de ook bij anderen gevondene voorstelling. Maar het aantoonen van de zedelijke verantwoordelijkheid voor dien „Grundstock” blijft achterwege; waarom er schuld is, als die „Grundstock” den geringsten, of ook zelfs den voornaamsten, invloed heeft, blijkt niet.

Inderdaad verdedigt Liepmann alleen het niet gebonden zijn aan eene van buiten inwerkende macht. Maar als de persoonlijkheid toch slechts de resultante is van oorzaken langs de wet der causaliteit, dan heeft men ook hier — ik stem het Mr. Simons toe — „een schijn van vrijheid, welke in waarheid met volkomen gebondenheid gelijk staat.” 174)

Zeer gemakkelijk maakt het zich Mittelstädt, wiens determinisme intusschen, gelijk ik hierboven reeds opmerkte, weinig zuiver is. Wat het schuldbegrip aangaat, huldigt hij eenvoudig het meest absolute positivisme. Waarom pijnigt men zich toch met het schuldbegrip? De wet zegt immers, dat er schuld is. Het schuldbegrip wortelt alleen in het positieve recht 175).

De onhoudbaarheid van dit positivisme stelde Von Buri in helder licht. De strafwet vindt begrippen, waaraan het niet in staat is iets te veranderen; kan niet zeggen, dat een causaal verband bestaat, hetwelk niet bestaat. Zoo ware ook de slechte wet de hoogste wetenschap 176).

Inderdaad, de pogingen, aangewend om trots het determinisme de fundamenteele begrippen van schuld of vergelding te handhaven, hebben veeleer juist de onmogelijkheid daarvan in het licht gesteld.

 

Men wil van schuld niet weten.

Ook langs anderen weg wordt getracht het schuldbegrip uit het strafrecht weg te dringen, en wel door voor te stellen, alsof zij, die dit willen behouden, bedoelen in de straf zuiver en alleen subjectieve schuld uit te drukken. Dit aldus zuiver afwegen nu van de schuld, zoo wordt dan opgemerkt, is niet mogelijk.

|31|

In dien trant Fouillée 177), Seuffert 178), Simons 179), e.a..

Men begaat daarbij echter de fout van zijn’ tegenstander te plaatsen op absoluut subjectief standpunt, alsof deze alleen rekende met de subjectieve schuld, gelijk anderen met de subjectieve gevaarlijkheid.

Dit is onjuist, maar ook de voorstelling te vreemder, wijl even dikwijls van dezelfde zijde het tegenovergestelde verwijt vernomen wordt, dat men op het objectieve standpunt staat, alleen de daad, en niet den persoon bestraft, en de onjuiste antithese gemaakt wordt van objectief en subjectief.

De tegenstelling is veeleer deze: objectief + subjectief, en alleen-subjectief

Wie óók op het objectieve let, is niet uitsluitend objectief. En wie vraagt naar de schuld, en daarmee rekent, bedoelt daarom niet in de straf alleen de subjectieve schuld uit te drukken.

En dit rekenen met de schuld is mogelijk, daar het beweren geheel onjuist is, dat ook voor de voeten geworpen wordt, gelijk Vargha doet, alsof door de wet alle misdadigers „auf dasselbe Procrustusbett formalistischer Schuldabschätzung” worden gelegd 180).

Er is immers niets van waar. Gelijk ook Von Buri opmerkt 181). Ons wetboek laat zelfs het strafminimum dalen tot de laagste grens. En al doet men dit niet, waarvoor zeker veel te zeggen valt, dan blijft immers nog ruime mogelijkheid van speling.

In de eerste plaats komt bij alle straftoemeting het objectieve element aan de orde, in verband met de op het strafbare feit gemeenlijk binnen twee grenzen gestelde straf. En naargelang de subjectieve schuld zwaarder of minder zwaar geacht moet worden, zal de straf meer het maximum of het minimum naderen.

Zoo is de toestand. Van een zoeken naar de subjectieve schuld alleen, en naar deze tot in de laatste drijfveeren, om voorts eene straf op te leggen, waarin de subjectieve schuld geheel precies ligt uitgedrukt, zoodat de straf voor verschillende gevallen bijna nooit dezelfde kan zijn, — is geen sprake.

Zelfs geen veroordeelde zal er aan denken om, als hem eene

|32|

gevangenisstraf van 4 jaar wordt opgelegd, te beweren, dat zijne schuld eigenlijk zou worden uitgedrukt in eene straf van 14 dagen minder.

Men maakt eerst eene onjuiste voorstelling, om daarna zich aan gemakkelijke kritiek over te geven.

Ja, nog meer. Het bezwaar van te willen beoordeelen meer dan waartoe men in staat is, kan met het volste recht gekeerd worden juist tegen hen, die het opwerpen.

Immers stellen zij zich in den regel op geheel subjectief standpunt, en moet de te nemen maatregel geheel passen bij de gesteldheid van den misdadiger, wiens daad eigenlijk slechts eene aanwijzing is van zijne innerlijke gesteldheid, die in haar geheel moet worden gekend.

Gelijk Janka het gevat uitdrukt: „Die Strafe soll dem concret zu bestrafenden Verbrecher auf den Leib zugeschnitten werden.” 182)

Het moeilijke der beoordeeling, tot welke categorie de misdadiger behoort, is immers reeds op zich zelf een gewicht, waaronder de geheele subjectieve theorie in den nieuweren vorm dreigt te bezwijken.

Vooral nu van het middel dat Lombroso aan de hand deed, om door kuiltjes van den schedel of knobbels aan het voorhoofd den aard van den misdadiger te bepalen, de betrouwbaarheid nog weinig stellig bleek.

 

Men wil van schuld niet weten.

Een ander middel om dit begrip ter zij te zetten is de voorstelling dat rekenen met schuld farizaeïsme is.

Het misdrijf is volgens Von Liszt „unverschuldetes Unglück.” 183) En den misdadiger schuldig te noemen farizaeïsme. Aldus worden de begrippen omgekeerd.

Zoo met het determinisme ernst gemaakt wordt, moet, zegt Von Liszt, vallen de „pharisäerhafte Ueberhebung über den Verbrecher.” En hetzelfde in eenigszins andere woorden bij Mr. Simons 184).

Met eene valsche tegenstelling wordt deze gedachte nader ontwikkeld. „Es ist nicht unser „Verdienst”,” zegt Von Liszt, „dasz wir nicht längst schon vor den Strafrichter gekommen

|33|

sind; und es ist nicht seine „Schuld”, dasz ihn die Verhältnisse auf die Bahn des Verbrechens getrieben haben.” 185)

Wie zoo spreekt, en op wien dergelijke redeneering vat heeft, toont wel de eerste beginselen van het Christendom niet te kennen.

Dat het niet tot misdrijf komen, ’s menschen eigen verdienste en roem niet is, was bekend eer Von Liszt het vertelde.

„Want zoo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zich zelven in zijn gemoed.” 186)

„Maar, Gode zij dank, dat gij wel dienstknechten der zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer, tot hetwelk gij overgegeven zijt;
„En vrij gemaakt zijnde van de zonde, zijt gemaakt dienstknechten der gerechtigheid.” 187)

Alle bewaring, ook zonder bekeering des harten, is genade alleen.

Met name de Gereformeerde religie heeft deze waarheden der Heilige Schrift met nadruk geleerd.

Maar het Woord van God, dat eenerzijds den eigenroem van alle bewaring afsnijdt, stelt daarnevens de schuld van den mensch.

Wie het vraagstuk van schuld in vollen omvang bespreken wil, dient te weten wat de Heilige Schrift leert, gelijk dit bij manier van tegenstelling openbaar wordt in Von Liszt.

 

Het begrip van schuld moet vallen.

En zoo wordt ook de toerekeningsvatbaarheid geloochend 188).

De ontwikkeling van dit leerstuk neemt een aanvang bij Von Feuerbach. Voor hem stond de toerekeningsvatbaarheid in nauw verband met zijne bedoeling om door de strafbedreiging psychologisch te werken, waarom hij in het begrip opnam het kennen van de wet, dat hij gemakshalve in den regel onderstelde. Men was toerekeningsvatbaar, omdat men de wet gekend had.

Verschillende gedaantewisselingen heeft dit leerstuk in verloop van jaren ondergaan, gelijk Zucker dit ten vorigen jare helder heeft uiteengezet 189). Maar heden ten dage neigen velen er toe het geheele begrip over boord te werpen.

|34|

Dally zou in later tijd de eerste zijn geweest, die dit deed, toen hij in eene zitting der Société Médico-physiologique te Parijs verdedigde, dat ieder ontoerekenbaar is voor zijne daden, en misdaad evenals krankzinnigheid een vorm is van organisch lijden 190).

Dr. Aletrino drukte de gedachte der ontoerekeningsvatbaarheid onlangs zoo scherp mogelijk uit, als hij zeide: „Evenmin als de zieke toerekenbaar is voor zijne ziekelijke uitingen, is de goede toerekenbaar voor zijne goede, de slechte voor zijne slechte uitingen.” 191) Zelfs acht hij dit onweerlegbaar bewezen.

Mr. Van Hamel drukt zich voorzichtiger uit, maar voor het strafrecht maakt dit geen verschil. Immers vraagt hij toch voor de praktijk „het begrip van toerekenbaarheid ten slotte uit elk systeem van practische behandeling te verwijderen, ook bij de rechtsbedeeling”; enz. 192).

Garofalo meent 193), dat de woorden mérite en démérite kunnen blijven, om daarmee uit te drukken het verband van goede en van slechte daden met iemands karakter, onverschillig waardoor dit ontstond. Waarom zal men een moedig soldaat niet prijzen, al weet men dat verachting van het gevaar erfelijk in zijne familie is? Men bewondert ook schoonheid en talent; voelt bij het omgekeerde weerzin, Zeer juist antwoordt Proal: „Sans doute, dans le système déterministe, la vertu reste belle, le vice reste laid, comme une difformité; mais le mérite de la vertu ne peut être attribué a l’honnête homme, nous n’avons plus à le louer, qu’à louer un rosier de porter de belles roses.” 194)

Fouillée tracht de schande van wege de misdaad zelfs te verklaren door de bewering, dat in tegenwoordigheid van anderen ook zekere schande aan sterk ontsierende lichaamsgebreken verbonden is 195). Insgelijks oordeelden de „kleine jongens” van Beth-El, die Elisa bespotten 196). Zoo kon Fouillée nog als bewijs van het atavisme gelden.

Men zoekt de oude woorden te behouden, doch legt daarin andere begrippen. Telkens moet daaraan herinnerd worden. Ook hier, niet alleen ten aanzien van Garofalo, maar nog meer met betrekking tot Von Liszt.

Deze heeft veel over toerekeningsvatbaarheid geschreven, en lang kon schijnen, alsof hij ze aannam. Hij geeft echter aan

|35|

het woord een anderen zin dan de gewone 197). Immers heeft hij toerekeningsvatbaarheid opgevat, niet in verband met daden, maar als vatbaarheid om door straf gedetermineerd te worden; „passive Straffähigkeit;” als „die Empfänglichkeit für die durch die Strafe bezweckte Motivsetzung”. 198) Als „Bestimmbarkeit durch den Strafvollzug” etc. 199). Van daar dat hij toerekeningsvatbaarheid aan onverbeterlijken ontzegt: „der unverbesserliche Verbrecher ist nicht zurechnungsfähig.” D.w.z: „die Empfänglichkeit des Thäters für die durch die Strafe bezweckte Motivsetzung fehlt.” Trouwens bedoelt de „Sicherungsstrafe”, die op dezulken moet worden toegepast, niet het inplanten van motiveerende voorstellingen. Zegt hij dan ook, dat de toerekeningsvatbaarheid niet eene grens is, die de menschen in twee klassen scheidt 200), zoo schijnt hij daarmeê te bedoelen, dat onder de misdadigers wel zijn, die voor geen Motivsetzung vatbaar zijn, terwijl juist aan krankzinnigen door de suggestie-therapie motiveerende voorstellingen kunnen worden ingeplant.

Daar de straf moet determineeren, en dit niet de ratio der maatregelen is tegen onverbeterlijken, zoo moest Von Liszt wel tot de conclusie komen, dat die maatregelen vallen buiten het strafbegrip 201). Daarentegen zijn krankzinnigen, voorzoover zij door straf bewerkt kunnen worden, wel toerekeningsvatbaar, d.i. „passiv-straffähig. Voorts zijn er ook veiligheidsmaatregelen, die bedoelen te motiveeren. Het principieele onderscheid tusschen die en straf kan dus, zegt Von Liszt, niet blijven. Zoo werd de grensverschuiving hoe langer hoe grooter, en sprak hij ten leste uit: „Der allgemeine Begriff der Zurechnungsfähigkeit entfällt.”

Als determinist heeft Von Liszt het eigenlijke begrip van toerekeningsvatbaarheid terzij gezet, en van de poging om in het oude woord een’ anderen zin te leggen, moest hij zelve voelen, dat zij leidde tot hopelooze verwarring, en strafrechtelijk niets meer gaf.

Ook Löffler verstaat onder toerekeningsvatbaarheid „passive Straffähigkeit. Maar deze term heeft bij hem weer andere beteekenis dan bij Von Liszt. Staat de laatste in hoofdzaak op het standpunt der speciale preventie, Löffler neemt dat der generale preventie in, en dienovereenkomstig schrijft hij: „Passiv straffähig

|36|

ist derjenige, den man strafen musz, damit die Übrigen an deri Ernst der Strafdrohung glauben.” 202) Hier doemt dus voor passive Straffähigkeit = toerekeningsvatbaarheid, eene nieuwe notie op.

Bij Mr. Simons vindt men Von Liszt en Löffler gecombineerd, als hij zegt, „dat bij dengene, tegenover wien de straf elke werking zal missen, niet alleen op hem zelf maar ook ten aanzien van de andere leden der maatschappij, wiens niet-bestraffing de autoriteit van het recht, de kracht van het rechtsvoorschrift niet zal verzwakken, de ontoerekenbaarheid mag worden aangenomen en van toepassing der straf mag worden afgezien.” 203)

Zoo hangt de toerekeningsvatbaarheid van den misdadiger ten deele, bij Löffler zelfs geheel, van den toestand van andere menschen af.

Dat gaat toch niet.

Het is tot schade van de wetenschap, als men de toerekeningsvatbaarheid in plaats van met de verrichte handeling in verband brengt met de straf, en dezen term gebruikt voor de vruchten, die men van haar verwacht. Zoo kweekt men verwarring in steê van helderheid.

De toerekeningsvatbaarheid als het zedelijk, met schuld, oorzaak kunnen zijn van eene strafbare daad, — zij het al tevens met invloed van andere, ook externe, factoren, — wordt door Von Liszt c. s. natuurlijk verworpen.

Op deterministisch standpunt is geene andere conclusie mogelijk.

Zelfs is de voorstelling gevaarlijk, die Gretener kon doen rijzen, als ware het alleen de Italiaansche school, die de imputabilita loochent, en de difesa sociale gevoerd wil zien onafhankelijk van de condizioni di mente.

Kloeker dan Garofalo spreekt Naquet dit uit, als hij zegt: „Il n’y a plus de démérite a être pervers qu’a être borgne ou bossu.” 204). En Laplaigne, die verklaart, dat er voor den mensch is „ni mérite ni démérite.”

„II y a seulement des êtres plus ou moins bien doués par la nature, plus ou moins bien favorisés par les circonstances.”

Wie dacht er ooit aan het strijdros des overwinnaars, dat had „les vertus du héros sans en avoir les vices”; dat gaf „tant de preuves de dévouement et avec un si complet

|37|

désintéressement qu'il ferait la gloire d'un mortel,” — daarvan het dier verdienste toe te kennen?

En ook is het even onrechtvaardig „à faire un démérite à un homme cruel ou pervers du mal qu’il fait à ses semblables, qu’à un cheval méchant ou vicieux du coup de pied qu’il donne saus cause à l’homme qui le soigne.” 205)

Het dier wordt hooger nog dan de mensch gesteld; en eigenlijk is de overwinning door het paard.

Daartoe komt men, omdat men weigert op te zien tot Hem, die zegt:
„Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door groote kracht;
„Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijne groote sterkte.
„Ziet des Heeren oog is over degenen, die Hem vreezen, op degenen, die op zijne goedertierenheid hopen;
„Om hunne ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.”

Voor toerekeningsvatbaarheid is geen plaats meer.

In plaats van toenemende verheldering van het begrip wordt het verworpen.

Men houdt slechts over een leeg, hol, „toerekenen”, inzoover men ook van den krankzinnige, die eene ruit stuk sloeg, zegt, dat dit door dezen is gedaan.

En alleen blijft nog het onderzoek, op welke wijze de onschuldige misdadiger of het onschuldige publiek voor zoover noodig het best gedetermineerd worden, ten einde dergelijke sociaal niet gewenschte handelingen in de toekomst te voorkomen.

 

Ook de verantwoordelijkheid wordt uit het strafrecht weg gedrongen, hetzij men haar als eisch van het determinisme beslist ontkent, hetzij men althans daarmeê niet rekenen wil 206).

Laat men al maatregelen tegen een’ misdadiger nemen, het geschiedt toch niet op grond van zedelijke verantwoordelijkheid.

Duidelijk stelde Drill op het Congres te Genève in het licht, dat op het standpunt der anthropologische school dit begrip ter zijde moet blijven. En hij had verder kunnen gaan, inzoover

|38|

het eigenlijk voor alle aanhangers der hedendaagsche Zweckstrafe geldt. Hij merkte toch op, dat de anthropologische school de straf alleen beschouwt als maatregel tot verbetering van den misdadiger.

Daardoor nu — „la question de la responsabilité pénale et de l’imputabilité de tel ou tel individu se trouve elle-même supprimée.” 207)

Toch wordt ook onder voorstanders dier denkbeelden nog vaak voor het vasthouden aan verantwoordelijkheid gepleit, hetgeen wederom de helderheid niet bevordert.

Zoo wordt eene verantwoordelijkheid voor het zijn geleerd, die in de plaats treedt van die voor de daad. Inderdaad heeft men hier dus met een ander begrip te doen. Deze opvatting hangt samen met de wijze, waarop Kant en Schopenhauer het samengaan van noodzakelijkheid der enkele handeling en vrijheid des menschen hebben getracht te vereenigen. Men vindt deze eigenaardige leer van verantwoordelijkheid bij verschillende schrijvers. Eigenlijk komen daarop neder de toerekening van Merkel en Van Calker. Ook de voorstelling van Tarde, die haar slechts eenen bijzonderen vorm geeft 208). Volgens hem moet de kwestie der wilsvrijheid geheel terzij gelaten, de zedelijke verantwoordelijkheid nochtans basis van de strafrechtelijke blijven, en die eerste nu is er bij identiteit van den misdadiger met zich zelf tijdens en na de misdaad (identité personnelle), en overeenkomst met degenen onder wie hij leeft, met hen door wie hij geoordeeld moet worden, en vooral met zijn slachtoffer (similitude of homogénité sociale). Waar dit laatste ontbreekt, behoorde de dader op het oogenblik zijner handeling eigenlijk niet tot de maatschappij 209). Aan de persoonlijke identiteit hecht Tarde blijkbaar het meeste gewicht 210), waarmee hij echter vrij zonderling te werk gaat. Zoo houdt de verantwoordelijkheid bij verbetering op; — de moordenaar aan het kruis had dus moeten zijn afgenomen; — de berouwhebbende is een ander mensch geworden 211). Ook wie aan bedwelmende middelen verslaafd raakte 212). Evenzeer is er bij den krankzinnige „désindividualisation” 213). Maar voor den geboren krankzinnige geldt dit toch niet. En hij neemt dan ook voor dezen verantwoordelijkheid aan; hoezeer zelfs in dit geval de „similitude

|39|

sociale” ontbreekt, doch, gelijk wij reeds zagen, deze staat op den achtergrond 214).

Natuurlijk moest op grond van het ontbreken der „simititude sociale” ook de z.g. geboren misdadiger vrij komen. Uit die moeielijkheid helpt zich Tarde door de verklaring, dat men toch niet kan aannemen bij den geboren misdadiger „une dissemblance radicale” met andere menschen 215).

Ferri heeft over deze geheele beschouwing, die in den grond op de imitatie-theorie rust 216), eene scherpe kritiek geveld, wat overigens niet moeielijk was 217).

Zürcher is intusschen over Tarde’s beschouwing verrukt, en roept uit: „Das ist wol der richtige Ausweg, der bestialisch geborne Mensch ist dann eben strafrechtlich verantwortlich für sein bestialisches Wezen”; enz. 218). Waarbij hij echter schijnt te vergeten, dat naar eisch der „similitude sociale” dan ook de andere menschen beestachtige wezens moeten zijn. Kortweg eene verantwoordelijkheid voor het zijn te stellen, onafhankelijk van de vraag of men in staat was daarop in te werken, gaat niet aan. Dan, zegt Klippel, „müsste der Mensch selbst schöpferisch sein eignes Wesen gestaltet haben”. 219) En — merkt Mr. Simons terecht op — de „similitude sociale” moge verklaarbaar maken, dat de omgeving iemand verantwoordelijk stelt, maar bewijst niet dat hij het is 220).

Wat verantwoordelijkheid voor het zijn geheeten wordt, is dikwijls heel wat anders. Duidelijk komt dit uit, in wat, hierin met Garofalo overeenstemmende 221), Van Calker zegt: „Jedem Lebewesen ist beschieden, die Vorteile zu genieszen und die Nachteile zu erdulden, die sich unter vorhandenen Verhältnissen aus seiner konkreten Eigenart ergeben.” 222) Maar — de conclusie voor het strafrecht nog daargelaten — dit is geen verantwoordelijkheid. Het lijden van den kranke is wel een gevolg van, maar toch niet krachtens verantwoordelijkheid voor zijn ziekelijk gestel.

Wordt door sommigen, die de zedelijke verantwoordelijkheid voor het doen loochenen, daarvoor eene verantwoordelijkheid voor de persoonlijkheid, het karakter, het zijn, in de plaats gesteld, anderen bepleiten eene z.g. objectieve, maatschappelijke, verantwoordelijkheid.

|40|

Niet echter als verantwoordelijkheid van, maar veeleer als verantwoordelijkheid aan de maatschappij, zij het al dat velen tevens den mensch, den misdadiger, juist als product van de maatschappij, van het milieu social, als Objekt der Verhältnisse, voorstellen.

Lévy-Bruhl heeft een uitvoerig betoog geleverd om de zedelijke verantwoordelijkheid in het strafrecht door eene objectieve te vervangen.

Hij ontkent de zedelijke verantwoordelijkheid niet. Doch met haar valt niet te rekenen, wijl zij niet tot het gebied der ervaring behoort. Welke voorstelling dan wordt aangedrongen op de maar al te gewone wijze door de bestreden opvatting te vervalschen; in casu als ware het rekenen met die verantwoordelijkheid een volkomen willen afwegen van de zedelijke schuld 223). Na haar op deze gemakkelijke manier aan een kant te hebben geschoven, wordt bepleit het „dédoublement de la notion de responsabilité.” In de plaats der subjectieve verantwoordelijkheid moet voor het strafrecht de objectieve, of wettelijke, komen, die „ne s’applique pas du tout à l’homme, personne morale, mais seulement à l’homme unité sociale.” 224) Wie in staat is zijne handelingen te begrijpen en de gevolgen er van te overzien, is verantwoordelijk tegenover de maatschappij, die in haar belang de misdadigers straft, „quelle que puisse être leur condition aux yeux de la justice absolue.” 225)

De mensch is verantwoordelijk, zoo hij in staat is zijne handelingen te begrijpen en de gevolgen er van te overzien. Maar de mensch, die door den stormwind wordt voortgeduwd, begrijpt in den regel maar al te goed wat zijn loopen is, en dat hij, als gevolg daarvan, straks in de gracht terecht komt. Wiens paarden op hol gaan, kan zelf, al doen de beestjes wat abnormaal, nog wel voorzien, dat zijn blijven zitten in het rijtuig, hoezeer hij dit boven het uitspringen verkiest, hem met een ernstig ongeval dreigt. Maar Lévy-Bruhl vlecht dan ook vrij onverwacht er nog een ander element in. Na gezegd te hebben, dat krankzinnigheid is, „un malheur répugnant”, gaat hij dus voort: „Le crime aussi est un malheur, et un malheur plus répugnant encore, paree qu'il est volontaire.” 226) Dit is heel wat anders dan, ja, eigenlijk de ontkenning van het

|41|

„unverschuldetes Unglück” van Von Liszt. Zoo komt de zedelijke verantwoordelijkheid, de schuld, weer terug.

Bij anderen is de maatschappelijke of objectieve verantwoordelijkheid niet anders dan het moeten dragen van de gevolgen zijner handelingen omdat men tot de maatschappij behoort, onafhankelijk van individueelen toestand, en terwijl de reactie van de maatschappij ook slechts is een choc de retour, Rückschlag, contraspinto, gedetermineerd als de handeling van den misdadiger. Eene verantwoordelijkheid, die alzoo ook de krankzinnigen treft; „tous les criminels sont responsables devant la société, qu’ils soient aliénés, passionnés ou criminels-nés.” Aldus Ferri op het Congres te Genève 227). De anti-sociale daad noodzaakt of prikkelt de maatschappij tot reactie, die alleen in vorm verschillen zal naar de persoonlijke gesteldheid der antisocialen. „C’est fatal”, zegt Hamon 228), „inévitable. L’activité individuelle ou collective engendre la réactivité individuelle ou collective.”

„Allen verschiedenen Formen socialer Sanktion oder Reaktion”, verklaard Ferri 229) „ob sie sich auf dem Gebiete der Konvention, der Sitten oder der gesetzlichen Bestimmungen bewegen, ist der einfache, aber wichtige Umstand gemeinsam, dass sie von dem Vorsatze und der sittlichen Verschuldung des Individuums unabhängig sind.”

In gelijken trant anderen 230), Deze objectieve verantwoordelijkheid sluit alle subjectief, zedelijk, element van schuld uit 231).

Hier van verantwoordelijkheid te spreken heeft nog minder zin dan bij de z.g. verantwoordelijkheid voor het karakter. Dat men tegenover den gevaarlijken krankzinnige maatregelen neemt, wordt door niemand gewraakt. Evenwel wordt niet van verantwoordelijkheid gesproken. Deze veronderstelt toch, dat men bij verkeerde handelingen iets zal moeten doen, wat men liever niet deed; een lijden zal hebben te ondergaan. In deze objectieve verantwoordelijkheid ligt dit niet. De krankzinnige wordt eenvoudig verpleegd. Voor deze objectieve „verantwoordelijkheid;” buiten alle subjectief element op, past heel andere naam.

Doch men wil ten koste van wetenschappelijke helderheid de oude termen behouden met verandering der begrippen. Dit

|42|

heet dan evolutie, en reeds die naam is voor velen wetenschappelijk.

Enkele kloeker geesten, of enfants terribles, protesteeren tegen dat geknutsel. En zoo komt Hamon met kracht er tegen op, het bloot staan aan maatschappelijke reactie verantwoordelijkheid te heeten; in plaats van „responsabilité sociale” neme men „reactivité sociale.” 232)

De zedelijke verantwoordelijkheid van den mensch voor zijne daden wordt geloochend. Tot zelfs met een beroep op Gods Woord. Dat Woord dankbaar te waardeeren als een licht op het pad, en een lamp voor den voet, — men denkt er niet aan. De duisternis buiten dat Woord is veel wetenschappelijker. Maar het kan daarom nog wel dienst doen. Voor Kappeijne’s ongekuischte spotternij 233). Voor Van Houten’s ontzettend profaneeren 234). Of om geheel tegen dat Woord ingaande leeringen wat op te tuigen, al verraadt het ook groote oppervlakkigheid. Zoo spreekt Prins van „de legende, dat Izaak geofferd is” 235). Ja waarlijk eene legende! En Lombroso, die in de besnijdenis bij de Israëlieten bewijs ziet, dat de menschenoffers veelvuldig waren, als voorbeeld daarvan behalve Izaak ook Jephta’s dochter aanhaalt 236). Hoe komt men er aan? Modderman wil zijne straftheorie steunen met te zeggen, dat de eerste straf in de Heilige Schrift was het opleggen van den arbeid 237). Een kind moet beter weten. En zoo voert Laplaigne zelfs des Heilands kruiswoord: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen”, als bewijs aan „d’une bouche autorisée”, dat er geene zedelijke verantwoordelijkheid is 238).

Ja, die moet weg. Of althans pro memorie worden uitgetrokken. Inderdaad mag er niet meê gerekend worden. En ook kan zij op naturalistisch en deterministisch standpunt niet blijven. Hamon zegt het wat kras, maar toch is het de consequentie van wat men in den grond ook bij anderen vindt: „II est en effet contre la raison humaine de considérer comme responsables des automates, des êtres invinciblement obligés d’être comme ils sont. On n’estime pas responsable le roc qui, en s’écroulant, écrase ce qui est sur son passage. On n’estime pas responsable le tigre qui attaque et tue un homme. On ne doit pas estimer responsable l’homme qui agit, car il est aussi automate que le

|43|

tigre, que le roc. L’irresponsabilité générale, telle est la vérité scientifique.” 239)

Zelfs behoeft niet een vreemdeling het ons te zeggen.

Mr. Hamaker heeft reeds in 1888 uitgesproken, dat zoo iemand anders handelt dan hij had gehoopt, „in zijn gemoed voor berouw in den zin van zelfverwijt geen plaats (is). Wat gebeurd is, moest gebeuren en hij heeft geen schuld.” Men moet erkennen dat, „in eene wereldbeschouwing, die de causaliteit ook voor de menschelijke handelingen aanneemt, van ’s menschen verantwoordelijkheid voor zijne handelingen, van zelfverwijt en berouw, geen sprake zijn kan,” enz. 240).

 

Men wil van schuld niet weten.

Het meest radicale middel om de schuld te loochenen, is de ontkenning van het kwaad.

De menschen worden nog wel liever niet bestolen, en vermoord. Maar in ieder geval God moet er buiten blijven. De relatie wordt alleen bepaald met betrekking tot den mensch. Finger schrijft: „Keine That is an sich gut oder schlecht; vielmehr wird sie dies nur in Beziehung auf den Menschen.” 241)

Mr. Hamaker leert: „Het recht legt geene verplichting op, maar constateert wat gewoonlijk plaats heeft. Men kan van hem, die het overtrad (eene uitdrukking, die zelve eigenlijk reeds onjuist is, maar die ik gemakshalve gebruik) zeggen, dat hij anders handelde dan men pleegt te doen, dat hij eene verplichting schond kan men hem evenmin ten laste leggen als b.v. den boom, die anders groeit, dan men het van zulk een boom gewoon is en verwacht.” 242)

Von Lilienthal heeft onlangs verdedigd, gelijk ik in den aanvang herinnerde, dat een misdrijf geoorloofd is, als dat het eenige middel is om eene rechtsnoodzakelijkheid te bereiken; dat het daardoor ophoudt misdrijf te zijn.

Had reeds Schopenhauer het recht tot liegen gepredikt, en in verband daarmee den eed verdedigd 243); — Tarde heeft betoogd, dat voor sommige gevallen en verhoudingen van het maatschappelijk leven de leugen noodzakelijk is, en het niet gewenscht is, dat die gevallen, die verhoudingen verdwijnen of verminderen 244). Godsdienst, gezag, vaderlandsliefde, — zij

|44|

hebben allen de leugen noodig. Er is nog geen ernstig succes in de liefde geweest zonder bedrog, of in den godsdienst zonder huichelarij.

Nog verder gaat Lombroso in zijn ten vorigen jare verschenen werk 245). Blijven volgens het Darwinisme alleen de organismen bestaan, die belang hebben voor de soort, zoo moet men reeds uit het langdurig voortleven van het kwaad besluiten, dat het is van maatschappelijk nut. Maar ook valt op andere wijze aan te toonen, dat dit zoo is. Ondeugd is bijna noodzakelijk voor den parlementairen regeeringsvorm. De leugen is voor geneesheeren en advokaten de basis van hun bedrijf. Prostitutie voorkomt tal van misdrijven tegen het geslacht. De toegefelijkheid jegens misdadigers in den nieuweren tijd laat zich verklaren door de neophilie, die zij bevorderen in nijverheid en politiek, van welke liefde voor het nieuwe de middelmatige menschen geheel afkeerig zijn. Trouwens munten de misdadigers vaak uit door genialiteit, en wordt bij hen het gewone misoneïsme (afkeer van het nieuwe) door hun organische anomalie vernietigd. Uit het nut, door het kwaad gesticht, laat zich de zwakke reactie in vele gevallen begrijpen. Inderdaad moet een misdadiger wel arm en onbekwaam wezen, die zijne verdiende straf geheel ondergaat. De strafprocessen dienen dikwijls slechts om in de zakken der advokaten het door de misdadigers gestolen geld te laten vloeien; de publiciteit der rechtsgedingen en de uitvoering van de doodstraf werken hoogst schadelijk, zoodat de straf zelve en de middelen van uitvoering slechts een andere vorm van misdrijf zijn, waarvan de kosten door de eerlijke menschen worden gedragen.

Wat dan te doen? Onder meer het utiliseeren van de kwade, of beter: van de anti-sociale, neigingen.

Dit is mogelijk. Zoo verhaalt hij van een athleet, die best was, zoolang hij zijn energie gebruiken kon in den arbeid, en die gevaarlijk werd toen ziekte hem dit belette. „C’était le type du meurtrier par surabondance de force qu’il déchargeait sur autrui, surtout contre la police.”

Zoo zijn dus moordenaars dikwijls slechts menschen, die lijden aan, of neen, die uitmunten door overmaat van kracht.

Trouwens leert ook Ferri eenvoudig 246), dat de strijd voor

|45|

het bestaan gevoerd kan worden met normaal krachtsbetoon, d.i. in verband met de bestaansvoorwaarden van andere individuen en de maatschappij, of wel op abnormale wijze, d.i. in strijd met die bestaansvoorwaarden.

Ja, reeds bij Schopenhauer is het onrecht niet anders dan het opbruisen, het zich uitbreiden van den wil om te leven tot over de individueele grenzen, wat door dien wil om te leven in anderen wordt afgeweerd, waarin het recht bestaat.

De anti-sociale neigingen moeten dan volgens Lombroso worden geütiliseerd.

Wijl evenals het genie ook de zedelijke waanzin, — wat eigenlijk slechts is het verstompt zedelijk gevoel in een misdadiger juist zonder eenig teeken van krankzinnigheid, — uit epilepsie ontspruit, zoo laat zich begrijpen dat die „waanzin” uitnemend kan werken. Hij drijft soms den geboren misdadiger tot uitersten van altruïsme. Velen zijn misdadiger alleen door overmaat van kracht, die hen even onweerstaanbaar naar het goede drijft als naar het kwade. Die krachten kunnen nuttig worden aangewend, zelfs om de apathieke massa te hervormen.

En deze gruwelijkheden worden dan besloten met de verklaring, dat zoo in vervulling zal gaan het vooruitzicht van den grooten Verlosser en de profeten: „De wolf en het lam zullen te zamen weiden, en de leeuw zal stroo eten als een rund, en stof zal de spijze der slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderven op mijnen ganschen heiligen berg, zegt de Heere”. (Jes. LXV: 25). Of wat „devinait cette sainte des nouveaux temps — Madame de Staël — lorsqu’elle déclarait: Comprendre c’est pardonner.”

Tot dusver Lombroso. In deze crimineel-antropologische wetenschap kan ik in waarheid niets anders zien dan vergiftige oppervlakkigheden tot verheerlijking van het kwaad.

Nog ééne proeve ten slotte om te doen zien welke afschuwelijkheden worden opgedischt, waaraan men zich niet ontziet den naam te geven van moderne wetenschap.

Op het eerste crimineel-anthropologische Congres, dat in 1885 te Rome bijeenkwam, werd ook eene voordracht gehouden door Prof. Albrecht van Hamburg. Deze nu bestreed in de eerste plaats, dat de mensch zou afstammen van den aap. Wel

|46|

neen, we zijn nog aap, de simia homo. Zelfs geen aap van hooger soort. Vergelijkende anatomie noopt onweerstaanbaar (irrésistiblement), te verklaren dat uit morphologisch oogpunt de mensch de laagste apensoort is (le plus inférieur des singes). De oogen van den aap zijn dichter bij elkaar dan die van den mensch. Dit toont dat de mensch op den weg der cyclopisatie eerder dan de aap tot stilstand kwam; dat hij is „un singe arrêté”, een achterlijke aap.

Voorts kwam hij op tegen de leer der anthropologische school, dat de misdadiger een abnormaal wezen zou zijn. Deze beschouwing laat zich hieruit verklaren, dat men te veel anthropologisch is geweest, alleen menschen heeft bestudeerd. Inderdaad staat het vlak omgekeerd. De misdadiger is normaal, de eerlijke mensch abnormaal. Het is weer aanstonds bewezen. Alle organismen rooven en moorden in hun eigen belang, zonder er op te letten of dit wellicht schadelijk is voor de organismen, die hen omringen. Hetzelfde nu doen dieven en moordenaars. Noemt men hen abnormaal, dan zou hierin liggen dat alle organismen abnormaal zijn, met uitzondering alleen van den eerlijken mensch. Dat kan natuurlijk niet. De normale menschen, of misdadigers, worden dan ook juist gestraft, omdat zij zich niet willen laten anormaliseeren (parce que ceux-ci ne veulent pas se laisser anormaliser) 247).

Dit heet nu wetenschappelijk; hoog-wetenschappelijk. Het is zuivere ervaringswetenschap. Straks dondert men weer met onweerlegbaar bewezen.

Is het niet veeleer dat, hoe goddeloozer de beweringen zijn, hoe dunner laagje wetenschap volstaat om haar als wetenschappelijk te begroeten?

En inmiddels bespeuren velen niets er van, hoe onvrij het ongeloof maakt, en hoe oppervlakkig de voorstelling is, dat het feiten verzamelen buiten alle dogma omgaat 248).

 

Men wil van schuld niet weten.

Geen wonder dan ook dat voortdurend, en met veelheid van wapenen, het begrip der vergelding bestreden wordt.

De aanval is langen tijd niet openlijk tegen het strafbegrip gericht geweest. Zoo maar dat der vergelding ontworteld werd.

|47|

Het is niet genoeg, dat reeds het determinisme alle vergelding uitsluit. Evenals men het rekenen met schuld ook zelfstandig heeft aangegrepen, wordt insgelijks de vergelding nog regelrecht van verschillenden kant bestookt. En ook hier geldt weder, dat men telkens goedkoope triumfen viert door eerst het begrip vervalscht te hebben.

Voor Von Bar is het begrip van straf slechts dat der „sittlichen, oder wenn man den Ausdruck vorzieht, der socialen Miszbilligung der That durch die Gesellschaft.” 249) Het daaraan verbonden zijn van een bijzonder leed is niet noodwendig; volgt niet uit het begrip. Hij is tegen alle vergelding, „welche der christlichen Moral des Verzeihens geradezu widerstreitet” enz. 250).

Von Bar maakt zich hier aan de verwarring schuldig, die wel dikwijls voorkomt, en evenwel notoir is. Men mag niet wat voor de verhouding der menschen onderling geldt, kortweg overbrengen als plicht der Overheid. Ja, wat meer zegt, de christelijke vergevensgezindheid sluit in het minst niet uit het overleveren van den misdadiger in handen des rechters. Dit kan gepaard gaan met bereidheid tot vergiffenis voor de persoonlijke beleediging in de daad. Voor dit element in de daad. Want — ook hieraan dient gedacht te worden — de misdaad tegen een persoon betreft toch niet alleen de particuliere verhouding.

Mr. Simons voert tegen vergelding aan, dat daarin ligt de eigen, of maatschappelijke zelfverheffing. Eigenlijk hetzelfde als Von Liszt vroeger opmerkte over het farizeïsme van rekenen met schuld, en reeds hierboven door mij besproken.

Vooral maakt men zich de bestrijding gemakkelijk door het handhaven van vergelding voor te stellen als lust in het lijden des misdadigers.

O.a. 251) handelt dus Seuffert, die hierop meer uitvoerig ingaat in een referaat voor den Duitschen Juristentag over voorwaardelijke veroordeeling 252). Wie vergelding verlangt, kan, — zoo zegt hij dan, — dit instituut niet aanvaarden. Wie toch naar wraak dorst, is ontevreden als den schuldige geene gevoelige straf treft. Het anti-sociale doen verwekt bij den mensch onlust. Dit nu schijnt te worden weggenomen door het

|48|

gevoel van lust, dat het lijden des misdadigers verwekt. Maar dit gevoel van lust kan de rede niet billijken. Daarmee wordt niets in de wereld der realiteiten of der ideeën bevorderd. Doch, zoo gaat hij voort, men kan beweren, dat vergelding noodig is krachtens hooger wereldorde. Het zij zoo; toch moeten wij, menschen, niet Voorzienigheid willen spelen. Wij kunnen de schuld niet volkomen afwegen.

Mr. Levy vond dit betoog destijds prachtig. Seuffert, zoo riep hij uit, maakt „korte wetten met den vergeldingswaan.” Der vergelding wordt „het masker afgenomen, neen afgerukt, waarachter zij, veelal onbewust, een gevoel van laag allooi pleegt te verbergen.” 253)

Of wordt haar juist een leelijk masker voorgehangen?

Mij komt het redebeleid van Seuffert tamelijk oppervlakkig voor. Vergelding zou gewenscht worden alleen om het behagelijke gevoel van den overtreder te zien lijden. Gesteld al, dat menschen uit dit weinig verheven motief aandringen op „vergelding , wordt nu ook het begrip daardoor bepaald? Wijl menschen pleizier in „vergelding” smaken, wordt niet de vergelding om het pleizier der menschen 254).

Wellicht door Seuffert geïnspireerd, heeft Löffler hetzelfde als hij gezegd 255). De vergeldingstheorie zou het wezen der straf „in dem Kultus eines Triebes erblicken, die wel groote beteekenis gehad heeft, „heute aber von vielen als unsittlich und unchristlich bekämpft wird.” Opmerkenswaard is, dat Löffler juist over dien Trieb zelf met zekere reserve spreekt, maar al ware deze nog zoo voortreffelijk, — de vergelding is toch niet om bij het groote publiek wat te bereiken; om in hen een Trieb aan te kweeken.

Dat op zich zelve vergelding heel wat anders is dan onheilig leedvermaak, toont reeds Gods Woord. God straft ter vergelding den onbekeerden zondaar met den eeuwigen dood. En in Hem kan geen onheiligheid wezen.

En het tweede deel, dat zoo al vergelding in hooger wereldorde ligt, daarom toch niet de mensch Voorzienigheid moet willen zijn, — staat niet steviger.

Vergelding wordt door hooger wereldorde geëischt. Concedo. En dus? daar gaat Seuffert aan het hollen.

|49|

God vergeldt het kwaad. Ook de aardsche Overheid moet het kwaad vergelden krachtens ordinantie Gods. Op het kwaad, dat binnen het terrein der aardsche Overheid valt, moet vergelding volgen. Gelijkheid is er, wat het strafbegrip aangaat. Maar die gelijkheid wil niet zeggen, dat nu kortweg de Overheid straft in de plaats van God, en alsof zij God ware.

Inderdaad mag worden gezegd, dat indien zelfs iemand als Seuffert geen betere middelen heeft om een standpunt aan te vallen, dit door den aanval eer in kracht wint dan lijdt, en dat het ongeloof moeielijk de onbekrompenheid schijnt te geven, die ook anderer meening ongeschonden binnen den horizon der wetenschappelijke beschouwing opneemt.

Inmiddels houdt de strijd niet op. En geen wonder. Maar al te zeer toch blijkt de juistheid van hetgeen Merkel zegt, dat de strijd tegen de vergeldingsstraf samenhangt met een loslaten van de ethische „Selbstherrlichkeit”, des menschen, van zijne verantwoordelijkheid; van verdienste en schuld; dat alle bestrijders van de idee der vergelding daarin eenen vorm vinden, waarin de individueele verantwoordelijkheid hare praktische uitdrukking vindt 256).

 

Men wil van schuld niet weten.

Het toerekenen van de daad in verband met het vrije zedelijke leven moet ophouden.

De individueele zedelijke verantwoordelijkheid moet weg; mag althans zich niet doen gelden.

Vergelding tracht men te bannen.

Zoo moet voorts ook het begrip van straf vervallen.

Wel ken ik de bewering, o.a. door Modderman herhaald, dat juist alleen op deterministischen grondslag straf zich denken laat 257), maar deze voorstelling is eigenlijk valsch.

Men schuilt dan eerst in het strafbegrip de deterministische opvatting van middel om te determineeren in de toekomst, en verbindt daarmee, dat wie het determinisme loochent, eene vrijheid van wil leert, die allen invloed van buiten, ook door straf, ontkent.

Men laat eerst voorkomen alsof een eigenaardig strafbegrip door ieder gehuldigd wordt; geeft voorts eene teekening van

|50|

den tegenstander, waarin deze zich geenszins herkent, en waant dan zeer stevig te staan.

Wat innerlijk losgemaakt van het gepleegde, in het verleden liggende kwaad, slechts beteekenis heeft om iets in de toekomst te bereiken, als inenting om crimineele pokken te voorkomen, — wordt niet door mij bedoeld wanneer ik zeg, dat met het begrip van schuld ook wegvalt dat van straf.

Dan toch versta ik straf als een wegens toerekenbaar kwaad verdiend en opgelegd leed.

De samenhang tusschen schuld en straf, en het begrijpen van een lijden in de straf, kan naar de algemeene opvatting moeielijk geloochend worden; en schijnt ook door de etymologie te worden gestaafd 258).

Met opzet voeg ik beide kenmerken — schuld en lijden — saam. Immers allen, die de straf geheel of ten deele als middel van generale preventie beschouwen, moeten daarin wel opnemen het element van leed 259), wat bij wie alleen aan speciale preventie denken, zelfs niet altijd noodig is.

Maar het leed aangedaan om anderen af te schrikken rust niet op schuld. Veeleer zijn het juist, die de schuld loochenen, en evenwel een leed willen opleggen, die tot de generale preventie hun toevlucht nemen.

In waarheid ontbreekt het begrip van straf reeds lang in allerhande theorie.

Het wordt gemist in de theorie van Von Feuerbach (1775-1833), volgens Stahl den „Repräsentant des neuern philosophischen Kriminalrechts,” 260) en wiens theorie ook in onze dagen zoo verbreid is. Von Feuerbach laat de straf los, voorzoover hij, — en dit staat bij hem op den voorgrond, — de strafbedreiging wil laten werken als middel om af te houden van het kwaad, en de straf noodig acht om der wet deze kracht te doen behouden, zoodat de straf inderdaad bedoelt het voorkomen van het nadeel der straffeloosheid onder het publiek.

Eigenlijk had de strafbedreiging het kwaad moeten beletten. Het is in zekeren zin hinderlijke misrekening, als het kwaad nochtans uitbreekt; een lastig geval. In den grond was niet bedoeld te straffen. Maar wordt het bedreigde leed niet toegepast, waarvoor op zich zelf weinig reden is, dan gaat het als in zoo

|51|

menig verward gezin, waar men alleen met dreigementen wil regeeren. De Overheid treedt nu op om den prikkel der wet voor afstomping te bewaren. Waren er geen menschen, van wie te duchten was, dat straffeloosheid verkeerd op hen werken zou, dan kon de straf achterwege blijven.

Von Feuerbach en allen, die hem volgen, keeren de orde om. Zij beginnen met de strafbedreiging, en nemen dan, als sequeel daarvan, — en zelfs niet als noodzakelijk gevolg, maar om het gevaar van straffeloosheid, — de straf. Inzoover wordt de bedreiging de grond der straf. Maar de straf wordt niet door de strafwet, door de bedreiging gerechtvaardigd. Terecht zegt Stahl, dat men alleen dan recht heeft met eene straf te dreigen, als het recht bewezen is haar toe te passen 261). Strafbedreiging rust op strafrecht, en als nu strafrecht rust op strafbedreiging, — dan rust inderdaad niets, maar zweeft alles in de lucht.

De straf van Von Feuerbach, als middel om het mogelijke nadeel van straffeloosheid bij anderen te voorkomen, en waarvoor de delinquent gebruikt wordt, — is geen straf.

Evenmin is straf de speciale preventie, door Von Grolman (1775-1829) geleerd, en die men heden ten dage, zij het al met anderen achtergrond en minder diepe werking, bij zoo velen aantreft 262). In den heftigen strijd tusschen Von Feuerbach en Von Grolman heeft de eerste terecht opgemerkt, dat een maatregel tot het voorkomen van waarschijnlijke misdrijven geen straf is. Maar evenmin is straf het voorkomen van eventueele gevaren door straffeloosheid.

En zoo ook, als hij terecht aan Von Grolman voorhield, dat deze niet meer straffen kon, als zeker ware, dat de misdadiger niet meer zoude overtreden, — zou toch in gelijken trant aan hem zijn te vragen, hoe hij nog straf verdedigen zou, als bij de andere menschen de zekerheid van niet-vallen bestond, of ook geheele onbekendheid met het bedrijven van het kwaad.

De straf ontbreekt aan de vergoedingstheorie van Welcker en anderen, later door Herold bepleit 263), ten onzent door Mr. Gratama geleerd 264), ook al wordt daarmee herstel van ideeële schade bedoeld. Wie alleen het aangerichte nadeel herstelt, komt vrij van straf. Terecht zegt Pfenniger 265), dat de verschillende „Entschädigungstheorien” „eine starke civilrechtliche

|52|

Tendenz haben.” En voorts: „Die Strafe civilrechtlich construiren, heiszt unausgesprochen die Strafe in ihrer strafrechtlichen Bedeutung aufheben.”

Geen straf is er in de theorie van zelfbehoud, door Schulze (1763-1833) ontwikkeld; noch in die van noodweer, door Martin (1772-1857) verdedigd; en die zoowel Franck 266) als Ferri 267) terecht ineen laten vloeien.

De Staat, of maatschappij, zoo wordt gezegd, heeft het recht den aanval af te weren; zich te verdedigen als ieder ander wezen.

Maar nog terzij gelaten de voorstelling, dat elk misdrijf een aanval is op Staat of maatschappij, toch wordt niet, als eene Mogendheid den aanval eener andere Mogendheid poogt af te slaan, van straf gesproken; en evenmin wordt noodweer onder dat begrip gerangschikt.

Het is, hoe hoog in zekeren zin ook opgezet, en als vergelding voorgesteld, toch geen straf wat Hegel daarvoor uitgeeft. De substantielle wil poneert zich eerst als recht, stelt zich daarna met innerlijke noodwendigheid, krachtens het dialectisch moment als het tegendeel; om in de straf, als het speculatieve moment, tot zich terug te keeren. De straf, als derde voorstelling, houdt in èn de negatie van het recht door het onrecht, èn die van het onrecht door het recht. Vloeien eenerzijds, pantheïstisch, onrecht en straf voort uit het recht, aan den anderen kant, en evenzeer pantheïstisch, heft de straf het onrecht op; delgt zij het onrecht uit. Kan in de verbeteringstheorie gezegd worden, dat de bekeering de noodzakelijkheid der straf doet vervallen, — omgekeerd kan bij Hegel, als de straf er is, de bekeering worden gemist. De straf is het middel om het onrecht, zelfs absoluut, weg te doen. De mensch zou na en om het lijden van Christus geen vergiffenis meer behoeven.

Het is geen straf meer wat als zoodanig voorgesteld wordt in de verbeteringstheorie van Röder, door Krause, Ahrens 268) e.a. gevolgd. Immers is hier straf bloot het middel om de innerlijke zedelijke vrijheid te doen verkrijgen, en zoo tot het gebruik van de uitwendige vrijheid bekwaam te worden, alzoo op des misdadigers innerlijk te werken dat het bepalen van zijn wil overeenkomstig het recht hem wordt tot eene tweede natuur.

|53|

Leed is geen vereischte van de straf 269). Evenmin als het geneesmiddel per se niet lekker smaakt.

Geen wonder echter dat hij zoo spreekt; veeleer consequent. Immers wordt ook bij Röder schuld vergeefs gezocht 270).

De straf, die geen leed behoeft te zijn, en losgemaakt van de daad, welke slechts bewijs is bij hem, die haar pleegde, van eene bedenkelijke stoornis „des vernünftigen Gleichgewichts seiner Krafte” 271), rust alleen op de behoefte aan verbetering. In beginsel is in dit stelsel eene strafbare daad onnoodig. En de strafmaat wordt afhankelijk van des patiënts zedelijke gesteldheid; of beter van den duur, dien zijne verbeteringskuur eischt. Natuurlijk kan die tijd niet vooraf worden vastgesteld, evenmin als de dokter zich tot eene genezing op vasten termijn verbindt. Röder heeft dan ook reeds afschaffing van eene vaste strafmaat bepleit, wat door Kraepelin nader aan de orde werd gesteld 272), en het station is, dat ook ten onzent vermoedelijk het eerst volgen zal, als dat der voorwaardelijke veroordeeling zal zijn voorbijgestoomd.

De z.g. onbepaalde vonnissen, waarvan zeer consequent Mr. Van Hamel warm voorstander is, zijn, gelijk ook hij erkent 273), logisch uitvloeisel van alle verbeteringstheorie. Zij zijn dan ook waarlijk geen nouveauté. En verwijst hij naar de verdediging dezer gedachte door Lucas in 1827, ik meen dat men nog verder terug kan gaan. Immers vindt men haar, zooals alleszins begrijpelijk is, reeds bij Fichte 274), die echter aan den misdadiger zelf wil overlaten den tijd te bepalen, waarin hij verbeterd zal zijn met bevoegdheid éénmaal den termijn te verlengen, als hij oordeelt de kuur nog wat te moeten voortzetten.

Mede vindt men bij Röder verdedigd gelijkheid van straf voor voleindigde poging en de voltooide daad 275). Ook dit volgt logisch uit het geheel subjectieve standpunt, daar niet gezegd kan worden, dat de gezindheid des daders in het eerste geval beter was dan in het laatste.

Inderdaad ontbreekt straf in de verbeteringstheorie. Volkomen terecht schrijft Sontag: „Besserung ist nicht Strafe.” En „an die Stelle des Uebels tritt die Wohlthat.” 276)

De straf wordt kostelooze verbeteringskuur, en gelijk Röder

|54|

zelf erkend heeft, dat zij geen lijden behoeft te wezen, bestaat er geen enkele reden om, al zou men de celstraf, zij het ook, dat het geloof aan hare verbeterende kracht minder sterk wordt, behouden met het oog op het besmettelijke gezelschap, het verblijf niet zoo aangenaam mogelijk te maken in een geriefelijk ingericht vertrek met canapé en parkje. Evenals de heden ten dage door velen gevolgde isoleerkuur niet per se in een hol vertrek geschiedt.

En hoever men reeds in die richting gaat, doet ons het Elmirastelsel zien, waarbij de hoogste van de drie misdadigers-klassen een nette blauwe uniform draagt met marine-pet, eet aan tafels van 8-12 personen, met tafellaken en porseleinen servies; terwijl van tijd tot tijd ook dessert gegeven wordt van ingelegde of gedroogde vruchten 277).

Inderdaad moge al eenerzijds de werking van de gevangenisstraf onderschat zijn, ook door het streven om die straf, als alle straf, te doen vervallen, toch valt moeielijk te loochenen, dat wie het wezen van de straf in betering zoekt, niet alleen het geloof aan de eeuwige straf Gods in den wortel raakt, èn de doodstraf moet loslaten, maar ook de gevangenisstraf op vrij losse schroeven stelt.

Men zou verbeteren. Het was de tijd der humanitaire oppervlakkigheid. Totdat men de ervaring opdeed, dat van de hooggeloofde verwachtingen in de uitkomst minder bleek 278).

Onder de moderne criminalisten wordt door velen de gedachte voorgestaan, dat de straf het middel is tot bescherming van de maatschappij.

Von Liszt heeft die gedachte uitvoerig ontwikkeld, en daar hij in dezen door velen gevolgd wordt, sta ik bij die uiteenzetting nader stil 279). Aanvankelijk is de straf bloot instinctmatige reactie der maatschappij tegen uitwendige stoornis van de levensvoorwaarden der enkelen en der groepen. Allengs verandert dit, inzoover als met de reactie ook bepaalde werkingen verbonden worden, die men zich van de straf voorstelt, wat geschiedt, als de reactie uit handen der direct bij het ondergane leed betrokkenen overgaat in die van onpartijdige organen. Hij noemt dit objectiveering van de straf; welke voorts door de bijzondere werkingen, waaraan zij bewust dienstbaar wordt,

|55|

Zweckstrafe wordt. Nu krijgt zij maat en doel. De Strafgewalt wordt Strafrecht.

Intusschen verandert zoo toch de diepste grond der straf niet, welke blijft reactie van de maatschappij, die zich voelt gewond. En het strafrecht ontstaat niet, wijl aan die reactie een welbewust doel verbonden wordt. Zal de straf met recht kunnen worden gericht op dit of dat doel, dan moet er strafrecht zijn. Het strafrecht komt niet uit de strafmacht voort. De orde is omgekeerd. En zoo alleen kan de strafmacht blijven strafrecht.

Ook komt mij onjuist voor, als Von Liszt de onmiddellijke werking, die welbewust met de straf beoogd wordt, voorstelt als het doel 280), hoezeer daarnevens telkens de zin van Zweckstrafe als Schutzstrafe wordt aangeduid.

Van stonde aan beschermde zich de maatschappij, de soort, zij het al instinctmatig, door de reactie. Allengs echter wordt die reactie meer bewust. Men stelt zich bewust voor de bescherming der maatschappij, welke blijft het doel. Straks komt men daarbij meer tot het inzicht van wat daarvoor noodig is; waarmee kan worden volstaan; dat het belang der maatschappij niet eischt het dooden, zelfs niet voor goed uitstooten, van alle misdadigers; dat soms met minder genoegen kan worden genomen; dat echter in andere gevallen juist niet een kortstondig leed, een enkele stoot of slag voldoende is.

Maar bij dit alles blijft hetzelfde doel: bescherming van de maatschappij. En in het algemeen daarvoor hetzelfde middel: onschadelijk-maken, ongevaarlijk-maken; slechts verschillend in de wijze, waarop men dit tracht te bereiken: nu eens door afschrikking; bij anderen door verbetering; en soms door voortdurend aan de maatschappij onttrekken.

Zelfs al zou men deze verschillende werking der straf, inzoover daarop onmiddellijk geviseerd wordt, doel noemen, dan kan dit toch niet op ééne lijn met het instinctmatige doen van vroeger worden gesteld.

Voor de instinctmatige bescherming van de soort — komt de welbewuste bescherming.

En wat men welbewust in den misdadiger zoekt te bereiken — voor het wild er op los slaan.

Ja, maakt men van de verschillende werkingen die de straf

|56|

onmiddellijk moet oefenen, het eigenlijke doel, dan gaat reeds zoo alle eenheid in het strafbegrip te loor.

Von Liszt heeft aanvankelijk als werking van de straf gesteld, dat zij moet zijn het onschadelijkmaken der onverbeterlijken; het verbeteren van wie aan verbetering behoefte hebben; en het afschrikken van wie aan verbetering geen behoefte hebben, ofschoon zij toch zoo heel best niet zijn.

Ook heeft Von Liszt later erkend, zich verheugende dat Löffler hetzelfde deed, dat toch het onschadelijkmaken van de onverbeterlijken in den grond niet verschilde van de bewaring van krankzinnigen, en dus eigenlijk geen straf meer heeten kon 281).

Is echter het eigenlijke wezen der straf een maatregel tot bescherming van de maatschappij, dan eischt de consequentie ook wat men ten opzichte der krankzinnigen doet, straf te noemen, en wordt zoo reeds openbaar, dat het niet aangaat voor dat begrip van bescherming het woord straf te bezigen.

Ook had Von Liszt nog een stap verder kunnen gaan en erkennen, dat de behandeling van wie aan verbetering behoefte hebben, eigenlijk op ééne lijn komt met de behandeling van krankzinnigen, die goede hoop op genezing bieden, en dus evenmin eene straf is. Want het enkele element der Motivsetzung kan moeielijk iets tot straf maken. Gelijk hij trouwens moet erkennen, dat dit element ook in vele maatregelen van politie niet ontbreekt; eveneens op krankzinnigen determineerend gewerkt kan worden; en hij daardoor weer tot de conclusie kwam, dat principieel onderscheid tusschen straf en politiemaatregel niet streng gehandhaafd kan worden.

De straf als maatregel tot bescherming van de maatschappij is geen straf. Zij treedt dan in de rij der maatregelen van politie, en verliest elk eigenaardig karakter.

Toch is inderdaad deze de voorstelling, die men zoowel bij de anthropologische als bij de sociologische richting voortdurend aantreft.

De straf is een maatregel in het belang der maatschappij. Den menschen, die het „unverschuldetes Unglück” hadden van een misdrijf te begaan, moet zoo mogelijk belet worden dit te herhalen. Op dit standpunt wordt geheel begrijpelijk, dat de een, zooals Ferri, klaagt over te zwakke, een ander, als Vargha,

|57|

juist over te zware straf; dat men eenerzijds groote strengheid, of beter wellicht: gevoelloosheid vindt, en anderzijds groote slapheid.

Het laatste meer, naar gelang de gedachte overheerscht, dat er in het geheel geen schuld is; het eerste meer als gelet wordt op de bezwaren, verbonden aan het kosteloos langer of korter, soms levenslang, liefst wat aangenaam, verplegen van zoo vele patiënten.

Willen sommigen de ergsten elimineeren door ze ter dood te brengen, — anderen willen zelfs bij dit verwijderen toch het leven sparen. En in het algemeen wil men zooveel mogelijk trachten de menschen, die bleken bij ongeluk wat anti-sociaal te zijn, weer aan te passen aan de maatschappij. Met het oog daarop zijn door Von Liszt en anderen de misdadigers ververdeeld op de zoo even genoemde wijze, in wie alleen eene herinnering ter afschrikking (Denkzettel) noodig hadden, maar geen verbetering; wie verbetering behoefden en daarvoor vatbaar waren; en wie wel verbetering eischten, maar bij wie ze niet te verwachten was (de onverbeterlijk en).

Reeds werd op deze wijze, zoo de rechter aanstonds dienovereenkomstig maatregelen moest verordenen, van hem iets gevorderd, waartoe alleen oppervlakkigheid in staat kon achten 282).

De consequentie moet op dit standpunt dan ook wel wezen, dat elk veroordeelde voorloopig in observatie genomen wordt, reeds om de soort van den maatregel te bepalen, die op hem zal worden toegepast, waarover dan later beslist zal worden, wanneer het echter vaak niet minder moeielijk wezen zal de indeeling te maken.

Ten andere, dat degenen voor wie verbetering noodig is en van wie zij ook gehoopt kan worden, zelfs als hun toestand, de categorie, waartoe zij behooren, is vastgesteld, — toch niet voor bepaalden tijd veroordeeld kunnen worden, en alleen een in dezen onbepaald vonnis kan worden geveld.

Maar ook wordt de moeielijkheid gevoeld, om zelfs na eenigen tijd van observatie de onverbeterlijkheid vast te stellen. Inderdaad blijkt dan ook telkens, dat aan dit begrip niet wordt vastgehouden; dat men ook de onverbeterlijk geachten poogt te

|58|

genezen; dat de grens tusschen de tweede en derde groep verflauwt of wegvalt 283).

Trouwens behoeft de verbetering niet zoo diep te gaan. Nog onlangs verklaarde Mr. Van Hamel, dat alleen reclasseeren beoogd wordt 284).

Intusschen wordt meer en meer ingezien, dat van welken aard de maatregelen ook zijn, hetzij streng hetzij slap, — hun aard als middelen om de maatschappij te beveiligen tegen min of meer gevaarlijke menschen, welke dat zelfs zijn geheel buiten hunne schuld, ze juist ontstempelt als straf. Naquet zegt: „De même qu’on éloigne un bossu de l’armée, de même on doit, au nom de la conservation sociale, exclure de la société un pervers qui pratique.” 285)

Ja, zelfs al is er schuld, zoo wordt daardoor de handeling voor de algemeene veiligheid nog niet tot straf. Wie de schuld van den dronkaard niet loochent, zal toch het wegbrengen van den zoodanige door de politie, als hij op straat zich bevindt én daardoor gevaarlijk is ook voor anderen, — niet aanmerken als straf.

Klippel heeft met moeielijk te loochenen juistheid uitgesproken, dat het begrip van straf op dit standpunt vervalt, als hij zeide: „An die Stelle der Straf en gegenüber schuldvollen Handlungen treten so die Schutzmittel zur Verhütung gemeinschädlicher Handlungen.” 286)

Hamon, insgelijks voorstander der réactivité sociale, schrijft: „La réactivité sociale a pour produit nécessaire, au lieu des peines et châtiments, un traitement préventif, une hygiëne et une thérapeutique sociales”, enz. 287).

Lévy-Bruhl erkent het, als hij den wensch uitspreekt naar eene wet: „n’ayant plus pour objet de punir le mal et ne se proposant plus en aucune manière d’en faire justice, mais uniquement de réprimer les actions que la société a cru nécessaire de condamner,” etc. 288).

Puglia gaf in 1889 zijn Prolegomeni allo studio del diritto repressivo in het licht 289).

Havelock Ellis wijst er op, dat velen het woord bestraffen vermijden, en spreken van sociale reactie, gelijk ook hij aanbeveelt, „mit diesem antiquirten Begriffe der Strafe aufzuräumen.” 290)

|59|

Ferri, sprekende van straffen, voegt er veelbeteekenend bij: „comme dit le vieux mot”, etc. 291). Dit woord moet verdwijnen. „Cette fonction sociale défensive est inexactement appelée encore „droit de punir”, non seulement parce qu’elle s’exerce aussi, et je dirais même surtout, avec des mesures qui ne sont pas pénales, mais aussi parce que le mot peine implique toujours un résidu mystique d’expiation et de châtiment.” Ook spreke men niet langer van misdaad, van crime en délit. „Et de même toutes les actions antisociales, qui déterminent une réaction défensive individuelle ou collective, sont inexactement appelées crimes et délits; non seulement parce que entr’elles les actions commises par les fous ou sans intention mauvaise ne sont pas de vrais crimes et délits suivant le sentiment commun, mais aussi parce que le mot délit implique toujours l’idée d’une volonté libre qui abandonne (du latin derelinquere) le chemin de droit.” 292) Hij beveelt daarom aan om, gelijk Berenini deed, het voorbeeld te volgen door Carmignani gegeven, die niet meer spreekt van misdrijf en straf, maar van aanval en verdediging.

Wat men toepast is geen straf meer. En zoo is het geheel begrijpelijk, dat men de inrichtingen, waar de anti-sociale menschen verbeterd of bewaard worden, niet langer gevangenis wil noemen. Gelijk dan ook van het Elmira-instituut gesproken wordt.

Von Liszt beschouwt als de voornaamste antithese heden ten dage die van generale of speciale preventie. Mr. Simons acht dit niet geheel ten onrechte 293). Reeds klinkt dit vreemd met het oog op de velen, bij wie men beide gedachten vereenigd vindt, waaronder Mr. Simons zelve 294). Maar ook acht ik de tegenstelling veel dieper. Die van schuld en niet-schuld; die van straf en preventie; die van straf en niet-straf. Ja, als men den eigenlijken strijd tot de tegenstelling der twee wijzen van preventie beperkt, is daarmee reeds het eigenlijke strafbegrip verwijderd, en vervangen door een ander begrip, waartoe velerlei behoort, waaraan niemand denkt den naam van straf te geven.

Men wil slechts preventie. En voorzoover speciale preventie wordt bedoeld, waaraan de meesten denken, al voegen sommigen ook een element van generale preventie er bij, — wordt dienovereenkomstig bij den misdadiger naar sociale gevaarlijkheid

|60|

gevraagd. Mede geheel naar eisch van dezen politiemaatregel, en waarvoor schuld onnoodig is, als bij wie aan besmettelijke ziekte lijden.

 

Men wil van schuld niet weten.

Het toerekenen van de daad in verband met het vrije zedelijke leven moet ophouden.

Zedelijke verantwoordelijkheid mag niet de basis zijn van de straf.

In plaats van de schuld komt bij de meesten, die haar ter zijde zetten, de sociale gevaarlijkheid, de temebilita.

Men wordt gestraft, gelijk Löffler het uitdrukt, als „sozialer Schädling” 295).

De schuld is zoo moeielijk te bepalen. Als gold het een absoluut afwegen van schuld. En men zal vragen naar sociale gevaarlijkheid, die men wèl bedoelt in allen deele uit te rekenen. En dit waant men niet zoo moeielijk te zijn.

Men wil op de gevaarlijkheid van den misdadiger letten, en daardoor de straf bepalend, zich stellen op uitsluitend subjectief standpunt.

Het is eigenlijk deze laatste gedachte, welke ten grondslag ligt aan de telkens herhaalde, misleidende tegenstelling, dat het object van de straf niet de misdaad is maar de misdadiger. De fout van het verleden, en nog te zeer van het heden, zoo zegt men, is dat gestraft wordt het objectieve, een begrip, eene abstractie. Daarvoor moet komen het straffen van den mensch.

Volgens Von Liszt, een dergenen bij wie men deze gedachte telkens terugvindt 296), komt de prioriteit er van echter geenszins, zooals Gretener zegt 297), aan de Italiaansche school toe, gelijk dit de geheele Duitsche strafrechtslitteratuur der vorige eeuw bewijst, maar heeft genoemde school alleen de waarheid weder herinnerd, als zij onder invloed van Kant en Hegel, Fichte en Herbart, Schopenhauer en Von Hartmann vergeten was 298).

Eene tegenstelling, die tweeërlei opvatting bedoelt uit te drukken, maar waarvan één der termen door ieder en de tweede door niemand aanvaard wordt, kan moeielijk zuiver wezen.

Men verschilt niet hierover, of een begrip, dan wel een

|61|

mensch, het misdrijf dan wel de dader, bestraft moet worden. Maar de kwestie is deze, of iemand gestraft wordt om wat hij met schuld heeft gedaan, of wel om de gevaarlijkheid, waarvan hij blijk gaf.

Herhaaldelijk is dan ook tegen deze valsche formuleering opgekomen.

Nooit, zegt Wach, heeft men de handeling bestraft, maar altoos den handelende om zijne handeling 299). Jn gelijken zin Binding 300). Hälschner, stellig tegenstander van het determinisme, schrijft juist: „Aber nicht die That, sondern der Thäter wird bestraft und zwar notwendig unter Berücksichtigung seiner in der That kundgewordenen Willensbeschaffenheit.” 301) Ortloff spreekt niet anders 302). Saleilles zegt, dat de neo-klassieke school juist het eerst eene wetenschappelijke poging deed om het subjectieve element op het strafrecht toe te passen. Tagantzeff neemt het eveneens in dezen voor de klassieke school op. Insgelijks Mr. Simons 303). En juist bij Traeger, determinist en voorstander van de Zweckstrafe, leest men, dat niet de mensch, maar de daad gestraft wordt, opdat zij zich niet herhale. „Der Verbrecher ist, wie Schopenhauer es ausdrückt, bloss der Stoff, an dem die Tat bestraft wird.” 304)

De tegenstelling is valsch. Èn in wat men aan den ander toedicht, èn in de voorstelling, die men van eigen standpunt geeft, hetwelk eenvoudig hierop neerkomt, dat men de straf geheel subjectief laat afhangen van de gezindheid des daders, gebleken in zijne handeling 305).

Het is dit naar mijn oordeel geheel onhoudbare, uitsluitend subjectieve standpunt in de toemeting van de straf, dat men verbergt achter den fraaien schijn, dat een mensch wordt gestraft, en niet eene daad of een begrip.

Op dit standpunt is de daad alleen symptoom van de maatschappelijke gevaarlijkheid. Zij heeft slechts beteekenis als opening, waardoor men een blik krijgt in het inwendige leven des misdadigers. Zooals Blanchemanche het uitdrukt: „l’acte délictueux ne doit entrer en ligne de compte que comme un des moyens de détermination de l’anomalie du délinquant; c’est d’après celle-ci que l’étendue de la répression doit être mesurée.” 306)

Bij het geldende strafrecht sluit zich dit subjectivisme niet aan,

|62|

gelijk duidelijk blijkt uit de gewichtige conclusiën, waartoe het leidt.

Waarvan wel de eerste is, dat met straffen niet gewacht moet worden, totdat eene daad is gepleegd, zoo de gevaarlijkheid ook op andere wijze blijken kon.

Hierop wijzen Sontag 307), Stenglein 308), Schmidt 309), Von Bar 310), Merkel 311), Birkmeijer, van welken laatste de bekende uitdrukking is, dat eigenlijk in de plaats van alle strafwetten deze bepaling moest komen: „Jeder gemeingefährliche Mensch ist im Interesse der Gesammtheit unschädlich zu machen.” 312)

Von Liszt heeft vroeger getracht deze consequentie van zich af te schudden met de vergelijking, dat men niet gezonden geneest, maar zieken 313). Dit houdt echter geen steek. Terecht zeide Von Buri, dat iemand van wien het plegen van een misdrijf te vreezen is, niet tot de gezonden behoort, en er evenveel reden is om hem te straffen als wie eene strafbare daad gepleegd heeft, voorzoover dit straffen geschiedt uit vrees voor herhaling 314). Von Liszt heeft dan ook later een ander antwoord gegeven. Het strafrecht is, zoo zeide hij toen 315), de „rechtlich begrenzte Strafgewalt des Staates.” De „Strafgewalt nu is alzoo begrensd in het belang der invidueele vrijheid. Het strafrecht toch is de magna charta voor den misdadiger, dat hem waarborgt slechts op wettelijke voorwaarde en binnen wettelijke grens gestraft te worden. Op gelijke wijze in zijn Lehrbuch 316), waar hij zegt, dat de vrijheid van den enkele niet zonder eenige beperking aan het algemeen belang mag worden prijs gegeven. In den rechtsstaat kan iemand slechts gestraft worden, als hij zijne vijandige gezindheid door eene bepaalde, wettelijk nauwkeurig omschreven, daad heeft getoond. Men mag niet in de plaats van de individueele schuld stellen het maatschappelijk gevaar.

Om met het laatste te beginnen, — acht ik de daar gemaakte tegenstelling onjuist. In het maatschappelijk gevaarlijk zijn ligt toch ook bij Von Liszt de grond van de straf; van wat hij, met den op zijn standpunt vreemden term, noemt de individueele schuld.

De kwestie komt hierop neer, dat Von Liszt in de wet bepaald wil zien hoe van die gevaarlijkheid blijken moet; dat hij den rechter aan bepaalde uitingsvormen van het kwaad binden

|63|

wil. Hierin ligt — dit spreek ik niet tegen 317) — eenige waarborg voor de vrijheid der burgers. Maar evengoed als eene daad zou kunnen worden geëischt een vreemd voorhoofd, of iets dergelijks, als zulke anatomische verschijnselen waren gebleken goede uitwendige criteria te zijn. En door de gestelde beperking offert men van de gaafheid van het beginsel iets op, dat op zich zelf stellig het zuiverst wordt uitgedrukt zooals Birkmeijer het formuleert. Ook is wel eenigszins vreemd, om op dit punt voor de vrijheid zulke waarborgen te verlangen, terwijl men straks voor den duur van de straf met de onbepaalde vonnissen aan de autoriteiten zoo ruime bevoegdheid wil geven. Dan wordt voor het in veiligheid en in bewaring brengen van krankzinnigen toch niet zulk eene daad vereischt. Voorts waar de daad bij Von Liszt c.s. toch slechts criterium voor de strafbaarheid is, moet ook de uitdrukking „strafbaar feit”, die onze wet heeft, op dat standpunt te eer vervallen. Het „strafbaar feit” blijft toch de gevaarlijkheid; de daad slechts wettelijk criterium. En eindelijk ware wel vreemd, als de daden, die alleen als blijk der gevaarlijke gezindheid mogen worden aangenomen, juist dezelfden waren als de in de tegenwoordige wetten naar geheel andere gedachte gestelde „strafbare feiten.”

En zoo is dan ook de tweede consequentie uit het beginsel der maatschappelijke gevaarlijkheid, dat daarmee eenerzijds de kring van wat strafbaar is, sterk kan worden uitgebreid, en aan den anderen kant op bedenkelijke wijze ingekrompen. Wat de uitbreiding betreft, zoo wijst Merkel er op 318), dat b.v. de sociaal-revolutionaire groepen gevaarlijk voor de bestaande maatschappelijke orde zijn. En door het eischen van eene daad ontkomt men aan de moeielijkheid niet. Een enkel pers-artikel kan duidelijk blijk van de gezindheid geven. Voorts omvat de gevaarlijkheid ook de krankzinnigen 319), En aan den anderen kant wordt, gelijk ook Merkel opmerkt, zeer dikwijls gestraft, waar van sociale gevaarlijkheid geen sprake is.

Eene derde consequentie ligt hierin, dat moet wegvallen het verband tusschen straf en objectief resultaat. Garofalo kan dan ook niet zeggen, of zwaarder gestraft moet worden voor het stelen van 1000 francs dan voor dat van 20 centimes 320). En zeker ware toevallig als, gelijk Zürcher beweert 321), — en in

|64|

dien zin ook Modderman 322), — de schakeering in de straf naar de waarde van het aangevallen rechtsgoed in den regel juist overeenkwam met die naar de misdadige Potenz.

Het zonder invloed blijven van het objectieve resultaat doet zich eveneens, gelijk in alle subjectieve theorie, bij de poging gelden. Voleindigde poging moet dan strafbaar zijn als het voltooide delict 323), en, zooals Mr. Van Hamel te recht opmerkt 324), aanwezig worden geacht, niet wanneer de dader alles deed wat zijnerzijds te doen noodig was, maar als hij verrichtte wat hij noodig hield; terwijl, met verwerping van Mitermaier’s onderscheiding tusschen absolute en relatieve ondeugdelijkheid, in beginsel voor alle gevallen van ondeugdelijke poging strafbaarheid moet worden aangenomen, onverschillig of de ondeugdelijkheid het middel dan wel het voorwerp betreft 325).

Ten vierde, en in nauw verband met het voorafgaande, moet, gelijk ook Nicoladini betoogt 326), de deelname geheel zelfstandig worden opgevat, en niet als medeschuld aan de daad van een ander.

Ten vijfde kan het instituut der verjaring niet buiten invloed van het beginsel blijven. Zoowel wat betreft de vervolging als wat de straf aangaat. De gevaarlijkheid houdt niet per se door zeker tijdverloop op 327).

Ten zesde laat zich begrijpen, dat van die zijde het gratierecht met ongunstig oog wordt aangezien. Het verleenen van gratie bij het voortbestaan van de gevaarlijkheid laat zich op dit standpunt kwalijk rechtvaardigen 328).

In de zevende plaats moet de leer der verzachtende omstandigheden geheele omwerking ondergaan. Wat in de geldende wetten tot vermindering van straf leidt, wordt ten deele juist tot verzwaring. Verminderde toerekeningsvatbaarheid toch houdt niet gelijken tred met afnemen van gevaarlijkheid 329).

Als achtste conclusie is rationeel de aandrang tot verandering van het strafproces. Ferri bestrijdt het uitstel in de uitvoering van eene rechtsgeldige veroordeeling door cassatie; het dikwijls op vrije voeten laten van de aangeklaagden.

In de negende plaats, — en dit punt is zeker niet het minst gewichtig, — moet men komen tot geheel andere inrichting van het strafstelsel.

|65|

De misdadiger is een min of meer gevaarlijk anti-sociaal wezen. Hij moet onschadelijk worden gemaakt, en liefst verbeterd, althans gereclasseerd. Natuurlijk brengt dit meê de noodzakelijkheid van geheel individueele behandeling der patiënten. Echter wordt telkens voorgesteld 330), alsof ook aan het hedendaagsche strafstelsel dezelfde gedachte ten grondslag strekte, waarom men zich dan — zeer goedkoop voorwaar — vroolijk maakt over zoo groote oppervlakkigheid, dat betrekkelijk weinig verschil in inrichting van de straf bestaat, als kon een geneesheer met enkele recepten voor alle zieken volstaan.

Men schoeit eerst het bestaande strafstelsel op eene daarbij niet passende leest, om dan luide uitteroepen, dat de schoenmaker weinig bekwaam bleek voor zijn vak.

Maar wil men de subjectieve theorie toepassen, de straf alleen laten bepalen door de subjectieve gesteldheid van den misdadiger, dan — dit lijdt zeker geen twijfel — moet het strafstelsel geheele omwerking ondergaan, ook in de richting van volstrekte individualiseering. Mede wat het inwendige der gevangenissen betreft, dat, gelijk ook Gretener opmerkt 331); tot dusver nog weinig strookt met de opvatting van het misdrijf als „unverschuldetes Unglück” 332).

De geheele strafmaat wordt eene andere. Terecht vraagt Von Bar of met een uit geheel bijzondere motieven gepleegde moord ongestraft moet blijven, als het volstrekt onwaarschijnlijk is dat de dader op nieuw een moord zal plegen, omdat het motief zich moeielijk herhalen kan 333). Immers heeft weinig zin de opgeschroefde voorstelling van Franck, dat ieder die een moord gepleegd heeft „sera . . . prèt à recommencer si l’occasion s’en présente;” dat wie op eens anders vrijheid inbreuk heeft gemaakt, „nie le droit qui protégé la liberté,” en wie zich aan eens vreemden goed vergreep, „nie le devoir qui nous ordonne de nous abstenir de tout acte de violence, d’oppression, ou de spoliation”; enz. 334).

Tot dergelijke gemaniëreerde beschouwingen wordt begrijpelijkerwijs geleid wie voor alle misdaad gevaarlijkheid van den dader in de plaats wil stellen; daarom en daarnaar wil straffen, of beter maatregelen nemen tot beveiliging van de maatschappij!

Maar genoeg. Voldoende blijkt uit het vorenstaande wel tot

|66|

welke vreemde resultaten men komt, en hoe men tot geheele omwerking van strafrecht en strafrechtspleging zal moeten overgaan om het beginsel toe te passen, dat de straf moet vervangen worden door maatregelen van preventie, in elk geval overeenkomstig den aard van den delinquent, bij wien men slechts met anti-sociale neigingen heeft te doen, die zich buiten zijne schuld hebben gevormd en geopenbaard.

Het bestaande strafrecht rust op anderen grondslag. Rümelin 335) en Birkmeyer 336) wijzen daarop eenerzijds, Klippel 337) en Nicoladini 338) erkennen het van den anderen kant. Appelius insgelijks voor Duitschland 339). Ook op het gebied van het strafrecht bevestigt zich het uitnemende woord van Mr. Cort van der Linden: „Terwijl de liberale partij alles bij elkaar genomen nog slechts zeer weinig heeft gewrocht, terwijl de maatschappij naar liberale beginselen bestuurd nog nergens, althans nergens op groote schaal, werd aangetroffen, kan de partij van het gezag bogen op duurzame ervaring.” 340)

Inmiddels verheugen velen zich in de ruime strafmaat en het lage minimum, waardoor heerlijke gelegenheid bestaat in de rechtspraak beginselen toe te passen, waaraan bij het vaststellen van de wet niet is gedacht, gelijk Mr. Hamaker zelfs in het algemeen, in verband met zijne opvatting, dat recht bloot is het doen van de maatschappij, en het wetboek hare beschrijving, het terzijde zetten van de wet door den rechter voor betere kennis van het leven aanprees 341). De rechter, die de wet tegenover den wil der maatschappij toepast, doet onrecht, en wie haar daarvoor zwichten doet, recht!

Op het voordeel van het lage minimum wijst Mr. Van Houten, als middel „om des wetgevers bedoelingen zoo goed als illusoir” te maken 342). Dat een rechterlijk college dit niet doen zal, zoo gaat hij voort, „acht ik geenszins zeker. Integendeel schijnt het mij in menig geval plichtmatig.” Mr. Van Hamel schrijft, dat de strijdvraag tusschen het objectieve en het subjectieve standpunt in zake strafbaarheid der poging „in wetgevingen die bij de straftoemeting den rechter groote ruimte laten, veel van hare beteekenis (heeft) verloren.” 343)

Inderdaad niet vreemd. Vrijzinnigheid is geen vrijheidszin, schreef Mr. Groen van Prinsterer, maar vrij zijn van hooger

|67|

gezag. Op den duur moet daarvoor breken ook de band der wet. En het staat te vreezen, dat een welgemeend protest als Seuffert onlangs daartegen hooren deed 344), niet veel zal vermogen. Tot God terug, — geeft ook hier, voor het toepassen van de wet, de eenige vastigheid.

 

De straf wil men niet. Men beijvert zich in het zoeken naar wat de straf vervangen kan; naar sostituvi penali; waartoe ook de voorwaardelijke veroordeeling behoort 345). Franck wijst er op, dat spoedig wellicht niet alleen de doodstraf zal kunnen vervallen, maar nog meer. „Que savons-nous? la prison elle-même, si l’instruction se répand, si les moeurs continuent de se polir, si le sentiment de l’honneur devient plus commun, la prison elle-même pourra peut-être faire place à la souffrance morale de la honte ou à la perte d’une partie de nos droits civils et politiques.” 346) is het niet, als heeft de Minister van Justitie ten deele daaraan zijne aanbeveling van evengenoemd instituut ten onzent ontleend?

Men tracht zelfs allerlei maatregel te doen vervallen, die tot misdrijf aanleiding kon geven. Zoo de invoerrechten, wijl dan ook smokkelhandel zal ophouden. Men wil den huwelijksband losser maken om zoo het misdrijf tegen het huwelijk aan het oog te onttrekken. In gelijken trant bevelen de anarchisten afschaffing van den eigendom aan. „Quant aux ci-nommés „crimes”, aux attentats contre les personnes,” zegt Kropotkine, „il est connu que les deux tiers et souvent même les trois quarts de tous ces „crimes” sont inspirés par le désir de s’emparer des richesses appartenant à quelqu’un. Cette catégorie immense de ci-nommés „crimes et délits” disparaitra le jour où la propriété privée cessera d’exister.” 347)

Moge al ten slotte nog een ingrijpen in iemands rechtssfeer noodig wezen, — het mag toch geen straf meer zijn. En voor wat noodig wordt geacht, behoeft naar recht niet gevraagd te worden.

Inderdaad het strafrecht gaat in dubbelen zin te loor; in elk der deelen van het woord.

Men spreekt van de hooge vlucht, die het strafrecht neemt, en den grooten vooruitgang op dit terrein, — maar is het meer dan schijn?

|68|

Wel worden veelomvattende onderzoekingen met betrekking tot de misdadigers ingesteld 348), wat aan Mittelstädt eene geestige bladzijde heeft ontlokt over de belangrijkheid, waartoe iemand stijgt door eene misdaad te begaan 349); veelvuldig zijn de beschouwingen over maatregelen om de criminaliteit te bestrijden, — maar daarom is er nog niet vooruitgang in de wetenschap van het strafrecht.

De uitgestrektheid van de crimineel-anthropologische en de sociologische onderzoekingen betwist ik niet, — maar het is alsof gelijken tred daarmee houdt de inkrimping, het op den achtergrond raken, van het strafrecht.

De z.g. nieuwe leer is bij uitstek eenvoudig. Ook daarvan kan, naar wat zij bij velen werd, worden gezegd, dat zij op een stuivertje kan; zelfs op de ééne zijde; terwijl de andere kant nog dienen kan voor het radicale staatsrecht met algemeen stemrecht als basis, de Staten-Generaal als trechter, en de Kroon als „ornament” of „vliegwiel.”

Het „strafrecht” wordt zoo eenvoudig. De maatschappij heeft voor haar behoud noodig het tegengaan van anti-sociale daden. Wie dergelijke daad beging, heeft zich aan de maatregelen te onderwerpen, geschikt geacht om herhaling te voorkomen. En verder verdiept men zich dan in den aard des misdadigers, in de keuze der middelen, die het best bij ieder passen. Geen wonder, dat juist dergelijke beschouwingen vooral onder jeugdigen gemakkelijk ingang vinden. „Ce ne sont en général”, zegt De Tocqueville, „que les conceptions simples qui s’emparent de l’esprit du peuple. Une idéé claire et précise, mais fausse, aura toujours plus de puissance dans le monde, qu’une idéé vraie, mais complexe.”

Het strafrecht verdwijnt. Wat men wil toepassen, is geen straf. En naar het recht om die maatregelen op te leggen, wordt weinig gevraagd, of niet. Een opstel, als Herold gaf 350), hoezeer niet bevredigend, is toch eene zeldzaamheid, en in de besliste uitspraak dat tusschen belang der maatschappij en haar recht onderscheiden moet worden, eene verkwikking in de woestijn. Van een strafrecht der Overheid is in het geheel geen sprake. Van de Overheid vindt men schier nimmer onder de z.g. moderne criminalisten gerept. Het is de maatschappij die

|69|

tegen het misdrijf optreedt; en wordt nog wel van Staat gesproken, dan is het in den regel ongeveer gelijkluidend met maatschappij. Binding heeft dan ook opgemerkt, dat in dit systema het eigenlijk aan de maatschappelijke kringen toekomt om het kwaad te vervolgen. Ja, ook is gevraagd, of wel rationeel was bij dit optreden de nationale grenzen te laten werken, wijl dezen toch niet kortweg ook gelden voor de maatschappij.

De maatschappij dan wordt het eigenlijke subject der bevoegdheid om tegen het kwaad maatregelen te nemen.

Maar vanwaar heeft zij die bevoegdheid? Op een Goddelijk recht mag natuurlijk niet beroepen worden. Dit ware metaphysica. Trouwens weet de Heilige Schrift wel van een Goddelijk recht der Overheid, en leert zij dat aan deze door Hem, Wien alle macht in hemel toekomt en op aarde, het zwaard in handen is gegeven, maar van een recht, dat der maatschappij in dezen verleend zou zijn, spreekt ook Gods Woord niet.

Maar waaraan ontleent zij dan het recht?

Löffler zegt. „Wenn der Staat als Inhaber der Strafgewalt die schwersten Eingriffe in die Freiheit seiner Unterthanen verübt, so muss er sich die ernste Frage vorlegen: „Was autorisiert mich zu einem Thun, das auf den ersten Bliek die Summe jener Übel, welche die Menschheit heimsuchen, beträchtlich zu vermehren scheint?”
„Die Antwort auf diese Frage ist die Grundlage für jede weitere strafrechtliche Forschung.” 351)

In vroeger dagen stond dit punt op den voorgrond. De natuurrechtsleeraars van de laatste twee eeuwen zochten, in verband met het maken van den Staat door het individu, den rechtsgrond voor het straffen ook in diens wil. In dien zin Hugo Grotius 352). Insgelijks Hobbes, volgens wien de souverein de macht heeft, omdat de burgers van hunne kracht afstand deden, en beloofden wie gestraft mocht worden niet te zullen bijstaan 353). Locke leert, dat de burgers hun natuurlijk strafrecht in handen der gemeenschap hebben overgebracht 354) Rousseau grondt de straf, tot zelfs de doodstraf, op het goedvinden der menschen 355). Beccaria heeft dezelfde basis, al komt hij daardoor juist tot uitsluiting van de doodstraf, wijl een mensch geen recht

|70|

heeft over zijn leven te beschikken 356). Ook Fichte laat het strafrecht eenvoudig opkomen uit den individueelen wil, met de eigenaardige constructie, dat wie het burgerverdrag schendt, eigenlijk buiten het recht komt, doch dat het „Abbüszungsvertrag” andere straffen kan stellen in plaats van geheele uitsluiting uit de maatschappij 357).

Kant heeft tegen dit subjectivisme getoornd. Met name Beccaria’s oppervlakkigheid in het bestrijden van de doodstraf gestriemd. „Alles Sophisterey und Rechtsverdrehung.” 358) Straf kan niet rusten op den wil. Echter weet Kant zelf om het verband te maken tusschen de objectieve wet, die straf eischt, en zijn ideëel-subjectief uitgangspunt, geen ander middel dan eene splitsing tusschen het ik, dat de straf dicteert (den homo noumenon), en het ik, dat haar lijdt (den homo phaenomenon).

Bij Hegel is de rechtsgrond gegeven of verdwenen met de voorstelling van den staat als openbaring der sittlichen Idee, en in zekeren zin doet zich hetzelfde voor bij de aan hem verwante, zij het ook in opvatting zooveel lagere, organische theorie.

Schmidt heeft nog onlangs betoogd, dat de vraag naar den rechtsgrond zeer vereenvoudigd is door de organische opvatting van den Staat. De Staat is een organisme; het organisme heeft recht tot afweer van alles wat zijn leven bedreigt. Of ook wel op alles wat voor zijn leven noodig is 359).

Bij Von Liszt vindt men eenvoudig: „Die Rechtfertigung (der Rechtsgrund) die (der?) Strafe liegt mithin in ihrer Notwendigkeit und Zweckmässigkeit für die Aufrechterhaltung der Rechtsordnung und damit des Staates. Die Strafe ist gerecht, wenn und soweit sie notwendig und zweckmassig ist.” 360)

In gelijken trant Mr. Simons: „De rechtsgrond van den Staat is ook de rechtsgrond van de staatsstraf;” enz. 361).

Hiermede wordt inderdaad gezegd, dat rechtsgrond voor de straf onnoodig is. De straf is nuttig, noodig voor den Staat; en daarmeê uit 362). Wie echter naar een rechtsgrond van de straf vraagt, bedoelt juist een zelfstandigen rechtsgrond daarvoor.

Op deze wijze wordt staatsabsolutisme geleerd.

Anderen, die wel erkennen, dat een mensch zelfstandige rechten heeft, waarmee de straf overeen moet stemmen, maken het zich gemakkelijk door aan het misdrijf de chemische kracht

|71|

toe te kennen om alle recht op te lossen. Zoo heeft men eenerzijds het recht van den mensch erkend, en toch staat het niet in den weg, omdat het verdwijnt zoodra men er mee rekenen moet. Reeds Rousseau heeft voor het „strafrecht” ook dezen grond gegeven, dat ieder, „attaquant le droit social devient par ses forfaits rebelle et traitre à la patrie, il cesse d’en être membre” enz. 363). Bij Fichte hetzelfde. In beginsel is ieder, die het burgerverdrag schendt, daardoor rechteloos. Wat beteekent: „der Verurtheilte wird erklärt für eine Sache, für ein Stück Vieh.” 364) in gelijken trant Von Bar. De misdadiger vervalt door zijne daad der „diskretionaren Disposition” der maatschappij 365) Ook Franck, volgens wien de misdadiger alle recht verliest, en wordt tot „la bête humaine”, „une force que la société peut comprimer dans l’intérêt de sa conservation.” 366) en Garofalo: „On pourrait même dire, metaphoriquement, que l’individu ne représente qu’une celluie du corps social; par conséquent lorsqu’il est nuisible à ce corps, il ne peut pas prétendre ` continuer d’en faire partie.” 367)

Alle misdrijf maakt in beginsel rechteloos. Eene solutie, waarbij wellicht wat sterk aan het simplex sigillum veri is gedacht. Laplaigne beperkt de rechteloosheid nog tot den onverbeterlijk geachte, maar te zijnen aanzien heeft de maatschappij dan toch dezelfde rechten als „appartiennent au propriétaire d’un cheval intraitable, outre le droit de le châtier, celui de le supprimer.” 368)

Waar kortweg de straf als de choc en retour, de contraspinto, voorgesteld wordt, is natuurlijk zelfs het vragen naar eenen rechtsgrond ongerijmd. Evenals bij de opvatting van Mr. Hamaker, volgens wien het strafvonnis bloot is „de daad, die aan ieder duidelijk maakt, hoe gevaarlijk het is van den regel af te wijken, hoe slecht dergelijke afwijkingen worden geduld.” 369) En het is dan ook weinig logisch aanhangsel, als hij daarop nog volgen laat, dat de zoodanige valt als „offer voor het heil” der maatschappij. Voor heil is in zijne beschouwing geene plaats. De menschen dulden niet, dat iemand van de mode afwijkt. Dat is de gedachte van den Schrijver. Het recht is mode van doen.

Van recht is al minder sprake.

|72|

Het strafrecht wordt niet ontwikkeld, maar opgelost.

Alle recht wordt ten slotte ondergeschikt aan of vereenzelvigd met maatschappelijk belang.

Is de straf een maatregel in het maatschappelijk belang, dan, zegt Mr. Simons, treedt de dader van het misdrijf naar den voorgrond, en zijne daad „wordt naar de tweede plaats teruggedrongen” enz. 370). Neen, de maatschappij komt op den voorgrond, en de dader op den achtergrond. Ja, deze wordt straks aan het belang der maatschappij ten offer gebracht. Hij zelve sprak dit rondweg uit, de straf vooral als middel van generale preventie verdedigende. Hij vraagde toch, of zoo een mensch, bij wien Mr. Simons, als determinist, geen schuld aanneemt, „niet als schuldeloos middel gebruikt (wordt) om anderen van strafbare feiten af te houden?” En gaf daarop dood bedaard ten antwoord: „Ik zie het gewicht dezer dikwerf gemaakte tegenwerping niet in. De handhaving der maatschappelijke ordening is de eerste plicht der staatsgemeenschap; indien zij dien plicht niet kan vervullen zonder strafbedreiging en straftoepassing, dan is zij niet alleen gerechtigd maar zelfs verplicht die maatregelen te treffen, ook al geschiedt dit ten koste van het individu, waarop die maatregelen worden toegepast.” 371)

Inderdaad het is geen wonder, dat tegen „een te rechtskundige beschouwing van het misdrijf” wordt gewaarschuwd 372).

Het recht verdwijnt meer en meer.

Schuld wordt ontkend; het leerstuk der toerekeningsvatbaarheid terzij geschoven; zedelijke verantwoordelijkheid uit het strafrecht gebannen; de vergeldingsgedachte dood verklaard; de straf vervangen door maatregelen van preventie; en het recht verzwolgen in de omnipotentie van de maatschappij.

Eilieve is dit vooruitgang der strafrechtswetenschap, of wel haar ondergang?

Von Liszt schreef destijds van de anthropologische school: „sie bestreitet dem Strafrecht den Charakter einer juristischen Disziplin und verwandelt es in einen Zweig der Gesellschaftswissenschaft; . . . . sie nimmt dem Strafprozesse seine juristische Gestaltung und verwandelt ihn in eine fachmännische psychiatrisch-anthropologische Untersuchung des Verbrechers; sie erblickt ihre Hauptaufgabe in der Erforschung der Ursachen des

|73|

Verbrechens, und ihre medizinischen wie juristischen Anhänger wetteifern in statistischen und anthropometrischen Untersuchungen.” 373)

Aan de toen van het encyclopaedische standpunt der anthropologische school gegeven schets beantwoorden maar al te zeer de hedendaagsche beschouwingen ook van wie niet tot die school gerekend willen worden.

Seuffert gebruikt het woord Strafwissenschaft, gelijk in Frankrijk van pénalogie, en in Engeland van penalogy gesproken wordt. Van deze strafwetenschap zal dan de wetenschap van het strafrecht een onderdeel zijn naast de strafpolitiek 374).

Von Liszt heeft ten vorigen jare bij zijn optreden te Berlijn 375) de verdeeling gemaakt, dat de taak der strafrechtswetenschap was ten eerste paedagogisch, de vorming „des künftigen kriminalistischen Praktikers”, waartoe dan ook behoort „die Fiille der Rechtssätze nach logisch-juristischer Methode zu übermitteln”. Maar waar Von Liszt zelf herhaaldelijk betoogt, dat de rechtvaardiging van de straf ligt in het belang van den Staat, zijn waarschijnlijk de „strafrechtlichen Grundbegrifïe und Grundsätze” niet anders dan grondbegrippen en grondstellingen over straf.

Trouwens noemt hij de tweede taak der strafrechtswetenschap de wetenschappelijke verklaring van misdrijf en straf, en is zij dus criminalogie en penalogie.

Terwijl zij eindelijk de leermeesteres van den wetgever moet zijn in den strijd tegen de criminaliteit, en als zoodanig wordt Kriminalpolitik.

De verdeeling is vreemd. Het onderscheid tusschen de paedagogische en de wetenschappelijke taak van de wetenschap schijnt eigenlijk te beteekenen, wat ik niet loochen, — dat de toekomstige practicus nog meer behoeft dan alleen beoefening van de strafrechtswetenschap, terwijl deze zelve bij Von Liszt eenvoudig is criminalogie + penalogie, en ten dienste van de Kriminalpolitik, waarvoor vereischt wordt kennis van het misdrijf, en van de straf, en van de andere middelen, die naast de straf kunnen dienen tot bestrijding van de criminaliteit.

Ook Mr. Van Hamel schreef onlangs een opstel in De Gids 376), dat den indruk gaf alsof het strafrecht eigenlijk bestond in crimineele etiologie, het onderzoek naar de oorzaken

|74|

van de criminaliteit, en naar de daaruit af te leiden middelen, waaronder ook de straf, om de criminaliteit tegen te gaan.

Ferri, die meer tot de sociologische school nadert, wil het strafrecht vervangen door de crimineele sociologie, en wel tracht de terza scuola in Italië de zelfstandigheid van het strafrecht tegenover de sociologie nog te handhaven 377), maar Colajanni vat toch het recht bloot op als deel der sociologie 378), en de zelfstandigheid van het strafrecht bij anderen schijnt vaak niet anders te zijn, dan de ontkenning dat het misdrijf zou wezen onontwijkbare fataliteit.

Von Ihering stelde reeds vroeger het schema op, waarin hij de ethiek tot deel der sociologie verklaarde, en hare tweelingzusters noemde alle vakken, die met haar op denzelfden bodem der historisch-maatschappelijke ervaring staan als rechtswetenschap, statistiek, economie, politiek 379).

Trouwens is het niet alleen de strafrechtswetenschap die men in sociologie tracht op te lossen. — het staatsrecht wordt met hetzelfde gevaar bedreigd.

Worms en Balicki, Bertiielot en Letourneau, Gumplowitz Duguit en Combothecra beijveren zich om aan te toonen, dat de staatswetenschappen zich moeten voegen onder het sociologische dak; ja, zoo alleen echte wetenschap kunnen zijn; terwijl ook daarbij weer de methode van het positivisme als de alleen mogelijke wordt gesteld, en naar de opvatting juist van de meest gezaghebbenden de maatschappij een organisme is, waarin de individuen slechts bestaan als ondergeschikte elementen, als maatschappelijke cellen.

De opvatting van den mensch en van zijne uitwendige verhoudingen, gelijk zij bij zoovele der moderne criminalisten gevonden wordt, reikt veel verder dan het strafrecht alleen.

De tegenstelling van het individu en de soort, de opvatting van den mensch kortweg als lid van het maatschappelijk organisme, als „atome infinitésimal dans l’océan de la vie universelle” 380), terwijl daarbij de enkele, gelijk hij geacht wordt alleen door het geheel te bestaan, ook voor het geheel moet wijken en zoo noodig daaraan opgeofferd worden, — is voor andere deelen des rechts van niet minder beteekenis dan voor het strafrecht, en maakt den mensch in iedere verhouding tot wat

|75|

maatschappij, gemeenschap, staat, geheeten wordt, in den grond rechteloos.

 

In menig opzicht bevatten de criminalistische beschouwingen, die als nieuwe richting verkondigd worden, weinig nieuws.

Het aansprakelijk stellen van de maatschappij en hare instellingen voor het kwaad vindt men, gelijk ik opmerkte, juist in Frankrijk reeds bij de woordvoerders van de Revolutie in het einde der vorige eeuw.

Rousseau verheerlijkt den mensch als niet-maatschappelijk wezen.

Diderot schrijft: „Je crois qu’on ne me contestera pas que la où il n’existerait aucune propriété, il ne pourroit exister aucune de ses pernicieuses conséquences.” 381)

Bij von Holbach leest men: „La société est une marâtre pour le peuple, qui se venge par le vol et l’assassinat.” 382)

Onder degenen, die eene der vele prijsvragen beantwoordde in het eind der vorige eeuw over strafrechterlijke hervormingen uitgeschreven, was ook Marat met zijn Plan de la législation en matière criminelle, waarin wordt betoogd, dat de maatschappij de schuld draagt van alle misdrijven, die zij straft 383).

Juicht Ferri, dat de geocentrische illusie gevallen is, als ware de aarde het middenpunt van het heelal, en de antropocentrische illusie, dat de mensch koning der schepping is 384), — reeds von Holbach leerde, dat de mensch op dezelfde wijze aan de wetten der natuur onderworpen is als het dier: „L’homme n’a pas de raisons pour se croire un être privilégié dans la nature.” 385)

La Mettrie verklaart, dat er geen soortelijk onderscheid is tusschen mensch en dier: „la nature n’a employé qu’une seule et même pate dont elle a varié les levains.” Het misdrijf is geene schuldige handeling, te wijten aan verkeerden wil, maar het noodzakelijk gevolg van het organisme 386).

En ook Von Holbach zegt, dat de goede en de kwade mensch alleen verschillen door hunne organisatie en de voorstelling, die zij zich maken van het geluk. Kwaaddoeners zijn menschen, wier geestvermogens voortdurend of tijdelijk verstoord zijn 387).

|76|

Mr. Pols heeft in 1889 uitgesproken, dat de Fransche revolutie noodig was om van het oude strafrecht te verlossen. Hij zeide toen van zijn voornemen te hebben afgezien om ook over de wetenschappelijke beweging op het gebied van het strafrecht sedert 1789 te spreken 388). Meer dan hij zelf wist, deed hij het, ja, over de beweging van 1789, als hij in 1894 over de nieuwe richtingen in het strafrecht handelde.

De brand, die eene stad vernielt ruimt ook de krotten op. Maar oppervlakkigheid is het alleen op het laatste te zien. De Fransche revolutie heeft niet maar van het oude strafrecht verlost, maar het gansche strafrecht ondermijnd.

Tusschen Cesare Beccaria en Cesare Lombroso is meer overeenkomst dan in voornaam alleen.

De slang heeft haar kop voor eene wijle teruggetrokken, maar het dier was niet dood.

Groen van Prinsterer schreef in 1840: „Het Nationaal geloof is het Christelijk geloof, het Nationaal onderwijs is het Christelijk onderwijs, de Nationale wetgeving is de Christelijke wetgeving. In Nederland dus mag men ons niet langer eene gelijkheid opdringen, waardoor de Openbaring op ééne lijn met den Koran en de Zendavesta wordt gesteld; eene opvoeding die eene Heidensche zedeleer tot grondslag heeft; eene strafwet, waarbij enkel op het nut en de veiligheid der Maatschappij, en niet op de handhaving van Gods eer en van Zijne algemeene voorschriften wordt gelet.” 389)

Stahl liet in 1847 zich aldus uit: „Man wird auf dem Gebiete der Strafrechtsplege den Gedanken der Gerechtigkeit über Bord werfen und ein sentimentales Besserungssystem oder einen mechanischen Schutz der Gesellschaft einführen, man wird damit beginnen, die Todesstrafe abzuschaffen gegen die göttliche Ordnung, dasz wer Blut vergieszt, dessen Blut wieder vergossen werden soll, bald aber, — wie sich die Spuren in der Presse bereits zeigen — das Verbrechen nicht mehr als eine Schuld des Verbrechers, sondern als eine Schuld der socialen Einrichtung betrachten, in welcher nicht jeder seine Bedürfnisse und Wünsche erreicht sieht.” 390).

Inderdaad kwam het uit gelijk hij voorzegde, en zijn ook de heden ten dage verbreide meeningen over bescherming der

|77|

maatschappij, en het verbeteren of aanpassen of reclasseeren van de misdadigers in den grond niet veel anders dan saamvoeging van twee of meer der vroegere relatieve theorieën.

Straf is een leed tot vergelding wegens schuld. Wie deze beginselen loochent, heeft de straf prijs gegeven, gelijk vergeefs zoekt naar het punt om de strafbevoegdheid vast te hechten, wie ontkent, of buiten het strafrecht bant, de waarheid, dat God Almachtig der Overheid het zwaard heeft in de handen gelegd; recht en plicht tot straffen gaf.

Straf is leed tot vergelding. De straffende gerechtigheid door het aardsch gezag mag niet kortweg in ieder opzicht gelijk gesteld worden met de straffende gerechtigheid door God zeiven te oefenen, — maar het beginsel van de straf is toch, en moet zijn, één 391).

Ontzaggelijk is het oordeel Gods. Daar zal zijn weening en knersing der tanden; een worm, die niet sterft, en een vuur dat niet gebluscht wordt 392).

Als vergelding voor het kwaad dat is gedaan. „Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.” 393)

En „die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft” enz. 394)

Het is recht bij God „verdrukking te vergelden dengenen die u verdrukken;” enz. 395).

En zoo is de Overheid, door God ingesteld, „Gods dienares, eene wreekster tot straf dengenen die kwaad doet.”

De strijd die gevoerd wordt, de beweging die met kracht voorwaarts dringt, raakt de grondslagen van het menschelijk bestaan.

Waarom gaat het?

Is het om op den invloed van biologische en sociale oorzaken te wijzen, daarop licht te doen vallen?

Waarlijk niet. Maar om aan dien invloed het misdrijf toe te schrijven; daarin de oorzaak van het kwaad te zoeken; den zedelijken factor uit te sluiten; de zonde te loochenen.

Men zal naar de oorzaken van het misdrijf zoeken; men tracht den misdadiger te begrijpen. Edoch met dit apriorisme, dat van schuld geen sprake is, tengevolge waarvan men niet

|78|

bereiken zal wat men beweert te zoeken, en een schijnbeeld ontwerpen zal voor werkelijkheid.

Zoo uitnemend schrijft De Baets: „Le criminel se révèle à l’expérience bien autrement que comme un être poussé nécessairement au crime.
„Devant ces manifestations d’une vie autre que la vie organique, les maîtres de l’école nouvelle se contentent de hausser les épaules, en murmurant un sarcasme a l’adresse du libre arbitre, de „la vieille théorie metaphysique”!
„Certes c’est le procédé le plus commode.
„Mais rendent-ils compte de ce qu’est le crime. La conçoit on sans la faute?
„La faute, pour eux, est une chimère, un préjugé. II est impossible qu’ils l’expliquent.
„Qu'est-ce pour eux que d'être criminel: c’est manifester, par ces actions, un organisme incomplet ou dégénéré.
„Ce n’est pas expliquer le crime, c’est en nier l’existence.” 396)

De Gereformeerde is allerminst afkeerig van het rekenen ook bij het misdrijf met invloeden van lichamelijken en maatschappelijken aard.

Van eenzijdig spiritualisme is de Gereformeerde warsch. Maar erkennende allen invloed van vleesch en bloed, en wereld, handhaaft hij de schuld.

En juist daarom is hij beter in staat de criminaliteit te begrijpen, dan zij die wel op biologische en sociologische factoren letten, echter niet met de zonde, en het gewicht der zonde op die factoren overbrengen, waardoor dezen weer komen in onjuiste proportie.

De grond van alle misdrijf ligt in de zonde. Ook openbaart zich schuldbesef onder misdadigers. O, zeker, alle onnuchterheid zij geweerd. De oppervlakkigheid van de sentimenteele verbeteringstheorie is een baken in zee. Er is bewaring door Gods hand; en er is verharding in het kwaad; een toegeschroeid zijn van het geweten; een weigeren om schaamrood te worden; een hoerenvoorhoofd als van koper.

Maar toch ontbreken niet, gelijk Proal zoo treffende voorbeelden aanhaalt, de aangrijpende ervaringen van levendig berouw, dat zelfs de uitvluchten van onweerstaanbare macht der omstandigheden kent en wegwerpt.

|79|

Ervaringen van een schuldbesef, waartegenover de determinist niets heeft te zeggen, dan dat het eene vergissing is, — alsof dat het geweten stillen kon, — terwijl ook dan de Christen door op den troost des Evangelies te wijzen, op het bloed van Christus, dat van alle zonden reinigt, inderdaad aan den ontzaggelijken eisch der werkelijkheid kan voldoen, en eene barmhartigheid bewijzen anders dan die der goddeloozen, welke wreed is.

Men wil van schuld niet weten.

Nadat de mensch aan de Paradijsbelofte der slang had geloofd: „gij zult als God zijn,” — openbaarde zich aanstonds de zonde in loochening van schuld, als hij op des Heeren vraag: „Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?” zeer deterministisch en sociologisch ten antwoord gaf: „De vrouw, die Gij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten.”

En zoo komt, nadat het eind der vorige eeuw de souvereiniteit des menschen, het: gij zult als God zijn, — openlijk heeft uitgeroepen, het laatst van deze eeuw stouter nog dan de vorige alle schuld ontkennen.

De mensch heeft geen schuld. Voorzoover die wezen kan, ligt zij buiten hem.

Waartegenover Gods Woord, omgekeerd, niet slechts den mensch wèl schuldig verklaart, maar ook op hem de schuld laadt voor alle gebrek en iederen misstand in Gods heerlijk scheppingswerk.

„Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods.
„Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen; niet gewillig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft;
„Op hope dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods.
„Want wij weten dat het gansche schepsel te zamen zucht en te zamen als in barensnood is tot nu toe.” 397)

De heerlijkheid van de kinderen Gods zal zijn de heerlijkheid der Schepping, gelijk deze thans om der zonde wil in de dienstbaarheid der verderfenis is.

|80|

Niet de mensch heeft de Schepping, zijne omgeving, aan te klagen. Maar zij klagen hem aan, waar zij niet gewillig, maar om zijnentwille der ijdelheid onderworpen zijn.

In de diepe opvatting van de schuld staat de Gereformeerde lijnrecht tegenover allen, welke haar pogen uit te wisschen of te verzwakken.

De schuld moet weg. Daaraan wordt zelfs het menschelijke wezen opgeofferd.

Met onheiligen wellust spant men alle kracht in om den mensch neer te trekken van de hoogte, waarop hem God gesteld heeft als heer en hoofd der schepping.

Men wil niet rusten vóór men den mensch heeft ingeschakeld in de wet der causaliteit, en hem naast dier en plant, of daar onder, gesteld.

Aan God onttrokken, wordt de mensch beurtelings tot God verheven, en aan het dier gelijk gemaakt.

Men wil van schuld niet weten.

Voor het gansche leven zijn de strafrechtelijke beschouwingen, die de schuld ontkennen van het hoogste gewicht.

De salons der Fransche aristocratie hadden jarenlang met de leeringen gespeeld, die, straks doorgedrongen in dieper lagen, de eeuwig te vervloeken revolutie hebben voortgebracht.

Groen van Prinsterer wees er op, dat de beginselloosheid van het diplomatiek beleid niet alleen op zich zelve, om dat terrein, was te wraken, maar ook om den verderfelijken invloed, die daarvan uitging over geheel het volksleven, tot verslapping van alle eerlijkheid en trouw ook in de particuliere verhoudingen.

En niet minder wordt het leven in den ruimsten omvang, het hoogste en het heiligste inbegrepen, bedreigd door een strafrecht, dat de schuld verwerpt.

Heeft eene verslapte, in dubbelen zin bloedelooze, Godgeleerdheid het recht Gods verdonkerd, de juridische verzoening door het bloed van Christus verworpen, en de schuld van den mensch verflauwd, — het deterministische strafrecht zal het vernielingswerk voltooien.

Strafrecht zonder schuld gaat niet samen met zielen, die haar zonden beweenen voor Gods aangezicht, beven voor Gods eeuwige straf, en de verzoening zoeken in het bloed des Middelaars.

|81|

Strafrecht zonder schuld verhardt den mensch tegenover zijnen God, gelijk het strafrecht op schuld gebouwd eene prediking is, die heenwijst op het heilig recht des Heeren, en daarin een tuchtmeester wordt tot Christus.

Strafrecht zonder schuld gaat in tegen wat niet het minst in deze dagen een der eerste behoeften is van de enkelen, groot en klein, en van de volkeren in het geheel: de prediking van schuld, en het neerwerpen van de zielen voor den Heere Heere, „wiens toorn tegen de zonde zóó groot is, dat Hij die (eer Hij ze ongestraft liet blijven) aan zijnen lieven Zoon Jezus Christus met den bitteren en smadelijken dood des kruises gestraft heeft.” 398)

Opdat „een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.” 399)

Fabius, D.P.D. (1900) [Fata]

|82|

 

Het vierde lustrum onzer Hoogeschool is op den dag van heden door ’s Heeren goedheid voltooid.

En vergelijkende het laatste jaar daarvan, waarover hier kortelijk verslag heeft te geschieden, met de jaren, waarin ik vroeger aftrad als Rector, is er bijzondere stoffe tot dank.

Had ik in 1884 het overlijden van één der Directeuren, den Heer J.J. Glinderman te gedenken; in 1890 dat van den Curator Dr. W. van den Bergh; en in 1895 dat van den Regent, Dr. A.H. de Hartog, één uit den kring der Hoogleeraren, over het jaar, dat nu ten einde is, viel dergelijke schaduw niet.

Het College van Heeren Directeuren, wien dank zij gezegd voor wat door hen ten goede der Stichting ook in het afgeloopen jaar verricht werd, bleef ongewijzigd. De Heer Seefat, dit jaar aan de beurt van aftreden, werd op de algemeene Vergadering der Vereeniging herbenoemd.

Het Curatorium, waarmee de Senaat door zijne vergaderingen in geregelde en gewaardeerde ontmoeting mag verkeeren, zag wel de nog steeds openstaande vijfde plaats niet bezet, maar bleef toch voor verder slinken bewaard.

En de kring van Hoogleeraren heeft niet alleen geen verlies te betreuren, doch mocht zich zelfs in uitbreiding verheugen.

Juist één jaar geleden, als verjaringsgeschenk, ontving de Senaat bij schrijven van dien dag bericht, dat door Heeren Directeuren tot gewoon Hoogleeraar in de Faculteit der Godgeleerdheid benoemd was Dr. H.H. Kuyper, Bedienaar des Woords bij de Gereformeerde Kerk van Leeuwarden, die den 26sten Januari l.l. zijn ambt heeft aanvaard met het houden van eene rede: Het Gereformeerde beginsel en de Kerkgeschiedenis 1).


1) In den zomer van 1899 meldden eenige bladen, dat Dr. H.H. Kuyper tot buitengewoon Hoogleeraar was benoemd. Toen later alleen van die tot gewoon Hoogleeraar gesproken werd, heeft dit bevreemd. Daarom zij hier de eenvoudige toedracht meegedeeld, dat Dr. Kuyper aanvankelijk door H.H. Directeuren tot buitengewoon Hoogleeraar was benoemd. Ten gevolge van misverstand, inzoover het Curatorium aanstonds eene benoeming tot gewoon Hoogleeraar had bedoeld. Zoodra dit misverstand gebleken was, hebben H.H. Directeuren de benoeming veranderd.
Aan den Senaat is zelfs officieel alleen de laatste meegedeeld.

|83|

Aan den nieuwen Hoogleeraar is opgedragen het onderwijs in de ambtelijke vakken en de geschiedenis der bijzondere Openbaring; zoomede tijdelijk dat in de Encyclopaedie der Godgeleerdheid en in de Vaderlandsche kerkgeschiedenis.

In verband daarmede is de Hoogleeraar A. Kuyper tijdelijk ontheven van het onderwijs in de Encyclopaedie der Godgeleerdheid, en de Hoogleeraar Rutgers van dat in de Vaderlandsche kerkgeschiedenis; terwijl, in plaats daarvan, de tijdelijke waarneming van het onderwijs in de uitlegging van het Nieuwe Testament met de daaraan verbonden hulpvakken, die aan den Hoogleeraar Geesink blijft toevertrouwd, mede is opgedragen aan den Hoogleeraar A. Kuyper, en aan den Hoogleeraar Rutgers tijdelijk is opgedragen bij de uitlegging van het Oude Testament ook de daaraan verbonden hulpvakken meer bijzonder voor zijne rekening te nemen, en aan de propaedeutici eenige leiding te geven bij de studie van de Hebreeuwsche Antiquiteiten.

Was het eene gelukkige ure, toen de Senaat door het optreden van den nieuwen Hoogleeraar welkome aanwinst ontving, — zoo zij bij voortduring den Heere gebeden, dat het Hem behagen moge de mannen te verwekken en te doen uitkomen, in staat eenen leerstoel te vervullen.

Overbodig toch mag ik achten bij het Curatorium, aan welk College de dank toekomt voor zijn’ arbeid ook in het afgeloopen jaar, er op aan te dringen, daartoe stappen te doen. Zelfs kon dit verkeerde gedachte wekken. Ja, doen verflauwen in het veeleer steeds te prikkelen besef, dat ook in dezen ’s Heeren gunste alleen bereiden kan wat onze Hoogeschool behoeft.

Het aantal studenten, door mij in den loop des jaars gerecenseerd, bedraagt 115, waarvan 70 zijn ingeschreven voor de theologische studiën; 21 voor de litterarische; 20 voor de juridische; 3 voor de studie van theologie en letteren; en 1 voor die van theologie en rechtswetenschap.

Voorts werden in den nieuwen cursus door mij ingeschreven 11 studenten, waarvan 6 voor de theologische, en 5 voor de juridische Faculteit. Twee hunner uit Zuid-Afrika, met dispensatie van art. 16 van het Reglement der School.

Het aantal studenten kan alzoo, in rekening gebracht die in

|84|

den loop des jaars van ons gingen, ongeveer gesteld worden op het cijfer der gerecenseerden.

Van de studenten werd ook dit jaar één hunner weggenomen door den dood. Den 27sten Februari dezes jaars overleed te ’s Gravenhage de student Henricus Antonius Bor, candidaat in de Faculteit van rechtswetenschap, en toegelaten tot de promotie. Dubbel weemoedig stemt het te zien heengaan, wie zoo dicht genaderd was aan het bereiken van den doctoralen graad. Maar de Heere kent eens ieders tijd. En voor wie ontbonden mag worden „om met Christus te zijn”, is dat toch „zeer verre het beste”, enz. (Phil. I: 23).

In de Juridische Faculteit werd in den loop des jaars met gewenschten uitslag door twee studenten het candidaats-examen afgelegd, en door drie het doctoraal-examen.

In de Theologische Faculteit werd door 11 studenten het candidaats-examen afgelegd, waarvan door 10 met goed gevolg.

In de Litterarische Faculteit werd doctoraal-examen gedaan door één student; candidaats-examen door 3; en propaedeutisch examen door 13. Voor allen met gelukkigen afloop.

Voorts is mij aangenaam te mogen vermelden, dat de student V.H. Rutgers, candidaat in de Faculteit van rechtswetenschap, eene eervolle vermelding mocht ontvangen voor zijn antwoord op de door de Faculteit van rechtsgeleerdheid van de Universiteit te Leiden uitgeschreven prijsvraag: Over den overgang der procedure per legis actiones tot die per formulas in het Romeinsche recht, met aanwijzing van den tijd waarin en de wijze waarop deze overgang heeft plaats gevonden en van zijne gevolgen voor den algemeenen gang der ontwikkeling van het privaatrecht. En dat een eervol teeken van anderen aard, ook in een strijd, ten deel viel den student H. Bijleveld, candidaat in de Litterarische Faculteit, door lanssteken in het gevecht bij Elandslaagte, tevens teekenen van ’s Heeren bijzondere goedheid, Die toen en later

hem in het bedreigde leven spaarde.

Maar ik heb meer te zeggen. De schijn mag niet bestaan, als vermoedde ik zelf niet van ernstig strijden buiten wat meer openbaar werd. De student komt over het algemeen nog in het openbare leven niet. Hij is in den tijd der voorbereiding. Maar, daarom wil ik, als Rector, uitspreken, dat ik weet van velen

|85|

onder U, Mijne Heeren Studenten, die zich hunner roeping ernstig bewust zijn; zich met ijver en gebed toerusten om eenmaal de oorlogen des Heeren te krijgen, en daartoe reeds nu aan worstelingen niet vreemd zijn.

Als geheel zie ik U voor mij als een corps van jonge mannen, dat zich oefent om eenmaal met eere te dienen in de legerscharen Gods.

Jonge mannen, leeft hoog, door U diep te buigen voor Uwen God.

Het Calvinistische volksdeel — heeft Groen van Prinsterer gezegd — is nationale kern.

Mevrouw de Wed. A.C.E. Mond, geb. Kuyper, bleef ook dit jaar, als Directrice van het Hospitium, hare gewaardeerde zorgen wijden ten goede van de in het Universiteitsgebouw gevestigde studenten, waardoor Haar de erkentelijkheid toekomt van allen, die de Stichting liefhebben.

De Bibliotheek, onder de onmiddellijke hoede van Dr. Joh.C. Breen, mocht in den loop des jaars verschillende bijdragen ontvangen, waarvoor ook hier aan de gevers dank zij betuigd.

In de lokaliteiten ten dienste der Universiteit kwam dit jaar geene verandering. Toch schijnt wijziging in uitzicht. Althans meldt het laatstverschenen Verslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag, bl. XXVI, het volgende: „Het gebouw onzer vereeniging beantwoordde tot nog toe aan de eischen die èn het verblijf der studenten en het houden der colleges mag stellen.
„Toch zal zich in elk geval de behoefte aan meer ruimte eerlang doen gevoelen, waarom Directeuren niet aarzelden, toen het huis belendend aan het gebouw onzer vereeniging voor matigen prijs verkregen kon worden, van deze aanbieding gebruik te maken.”

Waarschijnlijk zullen wij dus binnen niet langen tijd van bouwplannen vernemen in verband met den gesloten koop, ten einde in genoemde behoefte te voorzien. Echter is de Rector niet in staat hieromtrent nadere mededeeling te doen, daar de Senaat geen behoefte aan meer ruimte heeft doen kennen, en tot dusver ook geheel buiten deze zaak gelaten is.

|86|

Op een bestaan van twintig jaar mag de Universiteit heden terugzien.

En let ik op de vele ervaringen in dat tijdvak verkregen, dan treft mij niet het minst hoe het verleden de beteekenis van den grondslag onzer Stichting in helder licht heeft gesteld en God is te danken, dat Hij de overleggingen en inzichten aldus heeft willen richten, om dat fundament te kiezen voor den bouw.

Wie de geboorte der Universiteit van nabij mocht aanschouwen, herinnert zich hoe toen velerlei bedenking tegen de basis geopperd werd, en bepaaldelijk uitgesproken, dat het terrein breeder had moeten zijn afgepaald, waardoor medewerking van Christenen in ruimer kring kon verkregen zijn.

Evenwel is daarna uit de rijen van wie toen heetten mee te willen werken om tegenover de wetenschap des ongeloofs eene Christelijke wetenschap te stellen, hoezeer de behoefte daaraan stellig niet is verminderd, maar wel dringender geworden, van eenig ernstig pogen tot dusver niets des noemens waard gebleken, en kan dan ook nu veilig worden gezegd, dat algemeener formuleering een beslist verzet in kracht met gesterkt, stellig hopeloos verzwakt zou hebben.

Ook is in dit opzicht, mede voor de toekomst, zoo leerrijk een geschrift, dat ten vorigen jare verscheen, en waarop ik meen te moeten wijzen, zij het ook niet anders dan met de geheel zakelijke soberheid, waartoe meer dan ééne reden maant.

De Commissie van Enquête, benoemd in de algemeene vergadering der Vereeniging in het jaar 1895, was tot de eenparige conclusie gekomen, dat op het standpunt van Prof. Jhr Mr. A.F. de Savornin Lohman, nader toegelicht in zijn geschrift: De aanval- op Seinpost en mijn antwoord, de Gereformeerde beginselen naar den eisch van art. 2 der Statuten als grondslag van zijn onderwijs niet tot hun recht komen; met welke conclusie de in het volgende jaar te Leeuwarden gehouden vergadering zich vereenigde, waarna de Heer De Savornin Lohman, overeenkomstig het reeds een jaar te voren door hem meegedeeld besluit, zijn eervol ontslag als Hoogleeraar heeft gevraagd.

Afwijking van den grondslag der Vereeniging laat zich natuurlijk moeielijk op zulk eene wijze denken, dat niemand meer één oogenblik aarzelt over de onverenigbaarheid van standpunt

|87|

en Statuten. En zoo zal vaak over een geval als hier zich voordeed, eerst het verloop van tijd het volkomen wegnemen van allen nevel kunnen geven.

In zoover nu is van belang te achten, — men gunne mij geen ander woord te bezigen dan dit, — dat de oud-hoogleeraar Lohman ten vorigen jare, als in antwoord op Dr. Kuyper’s Band aan het woord, in het licht gaf: De Waarheid Bovenal, waarin hij verklaarde: „Een Universiteit enkel uit Christusbelijders bestaande is vooralsnog onmogelijk. Ik zou ze ook niet noodig of wenschelijk achten.” (blz. 14) En besloot met de betuiging, niet te „willen onderschrijven, dat het onderwijs aan eene Universiteit moet staan op den grondslag hetzij van de gereformeerde, hetzij van andere beginselen; evenmin, dat de grondslag van dat onderzoek is te „zoeken in de heilige Schrift zonder eenige nadere bepaling,”” — daarentegen te wenschen, „dat, zoo mogelijk aan alle Universiteiten, door Christenen leerstoelen voor enkele vakken werden opgericht, in te nemen door hen die belijden: dat de hoogste wetenschap uitgaat van Jezus Christus, den Zoon Gods en den Zoon des Menschen.” (blz. 66)

De grondslag der Vereeniging is niet een willekeurig gekozene, maar door God zelf in de geschiedenis van ons volk gelegd.

Uit den strijd voor de Gereformeerde religie is de Nederlandsche Staat geboren. God heeft aan het volk van deze eeuw door den historieschrijver Groen van Prinsterer die heilige waarheid op nieuw doen vernemen. Uit den strijd voor de Hervorming in Calvinistischen geest is ons zelfstandig volksbestaan ontsproten. Wie op dien grondslag staat, heeft den nationalen wortel. Wat in veler schatting eng begrensd is, omvat inderdaad het gansche nationale leven. De Vrije Universiteit voert de hooge pretentie van te zijn de bij uitnemendheid Nederlandsche Hoogeschool. Zij strekt daardoor hare armen verder nog uit dan naar wie van Gereformeerden huize zijn. Ja, verder nog dan de grenzen der belijdende Christenheid. Wie Gereformeerd is in Nederland, kan zich niet bepalen tot het schuilen in een hoek; moet wezen militant in den heiligen zin des woords. Wel verre van tevreden te zijn, zoo maar eigen kring in goede banen wordt geleid, om het overige des volks zich niet bekommerend, gaat zijn hart uit naar de Natie in haar geheel.

|88|

De Vrije Universiteit moet zegenen het gansche volk van Nederland; dat volk door haar terugroepen tot God, en zoo tot zich zelf.

Daarvoor is noodig niet allereerst steun van de Overheid, veelmin het worden van openbare Stichting, maar het vasthouden aan de scherp-begrensde, en even daarin nationaal-breede, basis.

 

Eindelijk overgaande tot de meest gewichtige taak van deze ure, draag ik volgens besluit van Heeren Directeuren, genomen overeenkomstig de voordracht van den Senaat, de rectorale waardigheid over aan U, mijn hooggeachten ambtgenoot Dr. Jan Woltjer.

En ik doe zulks met sterk vertrouwen. U toch sieren gaven, voor de rectorale waardigheid van bijzondere waardij.

Ik denk daarbij niet aan Uwe wetenschappelijke verdiensten, waarover het oordeel beter aan meer bevoegden gelaten zij. Maar wèl aan Uw leven voor de Universiteit, niet verzwakt door den veelvuldigen arbeid, dien Gij daarbuiten verricht. Wèl aan de met Uwe persoonlijkheid saamgeweven liefde voor de Gereformeerde waarheid, waarin Gij van kindsbeen werdt opgevoed, en welke liefde te edeler in U blinkt door het uitgaan van Uw hart naar saambinding in de ruimste mate, die het beginsel gedoogt. Wèl aan het hoog, hoog stellen van Uwe eischen in Uwen manlijk-wetenschappelijken zin, naast de vriendelijke waardeering van ieder ernstig pogen.

Stiere de Heere U ook bij de vervulling der U thans overgedragen waardigheid; zij Zijne gunste in het jaar dat aanbrak gespreid over de Stichting; en worde zoo verwezenlijkt onzer aller bede op dezen dag:

Vivat, floreat, crescat, Academia!

Ik heb gezegd.

Fabius, D.P.D. (1900) Aant

|89|

 

Aanteekeningen.

 

1) Mr. Seerp Gratama, Het onderwijs in het oud-vaderlandsch recht en zijne geschiedenis, enz., 19de; jaarg. (1900), bl. 97 en volgg. Volgens de bij dit opstel gevoegde tabel kwam het gemiddeld aantal hoorders te Utrecht niet hooger dan tot het 1/5 der voor de faculteit van rechtsgeleerdheid ingeschrevenen; was het in de laatste jaren ongeveer het 1/8. In de hoofdstad werden de colleges zeer schaarsch bezocht, totdat de Hoogleeraar, die ze geeft, en ook het strafrecht onderwijst, ze schier onafgebroken in nauw verband bracht met dat vak. Te Leiden was het percentage zeer gering; in 1896/’97, toen voor de faculteit van rechtsgeleerdheid waren ingeschreven 256 studenten, het gemiddeld aantal toehoorders 2, waarvan nog één theologant. Te Groningen was één toehoorder in het gansche twintigjarig tijdvak.

2) De vorming van den rechtsgeleerde, in Themis, dl. LX, bl. 488 en volgg..

3) Adviezen in de Tweede Kamer der Staten-Generaal in dubbelen getale (1840), bl. 5/6. Men leest daar: „De beraadslaging is zeer gewigtig. De Aanspraak des Konings, welke gerekend wordt als ’t ware het programma der Zitting te bevatten, geeft eene ongezochte gelegenheid om het voornaamste dat aan de Kamer zal voorgelegd worden, bij een voorloopig en tevens voorbereidend onderzoek, ter sprake te brengen.” Dit, wat bij elke zitting voorkomt, staat bovenaan. En voorts: „Het is eene officiele kennismaking der Kamer, door verkiezingen of omstandigheden gewijzigd, zoo van de leden onderling, als van de Kamer met het Gouvernement. Het is eene Inleiding op het werk.” Maar ook dit. „Het behoort tot dien geleidelijken en regelmatigen gang, waardoor eene gepaste en wenschelijke deelneming der Natie wordt gaande gehouden.” Vele voordeelen dus. „Alle deze voordeelen gaan te loor, wanneer dit gewigtig deel der werkzaamheden, gelijk hier te lande, neêrkomt op eene nietsbeduidende formaliteit.”
Belangrijk is ook de rede, 10 Aug. 1840 over dit onderwerp gehouden. Men kan haar vinden t.a.p., bl. 7 en volgg.. Ook Adviezen, dl. I, bl. 7 en volgg.. Nog citeerde Groen uit dat betoog in Sept 1875. Zie Ned. Ged., 2de serie, dl. VI, bl. 16.
In 1869 schrijft Groen: „Uit den aard der zaak ligt het program

|90|

der zitting in de discussie over het Adres”. (T.a.p., dl. I, bl. 33.) Over de adres-discussie in 1871, t.a.p., dl. III, bl. 249, en over die van 1892, dl. IV, bl. 345 en volgg..
De discussie werd meer en meer het nec plus ultra van thorbeckiaanschen geest.
„Eene Kamer zonder eenig verband tot de kiezers.
„Afdoening van zaken, geen bespreking van beginsels.”

4) In de zitting van de Tweede Kamer van 29 Sept. 1863 zeide Groen van Prinsterer: „Er is gesproken van de stelselmatige onbeduidendheid der ministeriele, dat is, der met het Ministerie eensgezinde drukpers. Die houding is allezins verklaarbaar. Maar daaruit volgt dat juist het tegendeel aan de oppositie betaamt. Men verwijst ons van het adres naar de begrooting. Doch het gebeurt wel eens dat zij, die in het adres eene formaliteit zien, daarna, als de begrooting daar is, geen voorstanders zijn van algemeene beschouwing. Tegenwoordige slapheid, zwakte, is geen voorteeken van toekomstige kracht”. (Handd., 1863/64, II, bl. 24).
In 1865 komt Groen op het twee jaar te voren gezegde terug. Ook schreef hij toen: „het zwijgen bij het Adres is geen nonchalance, maar taktiek Een eigen taktiek, misschien een wetenschappelijke, een diep doordachte taktiek, doch waarvan ik het beginsel nooit gevat en de goede uitkomst nooit gezien heb.”
„Ook in 1865 hield de politiek zich schuil bij het Adres. Straks bij de Begrooting komt ze met des te meer glans voor den dag.
„De heer van Nierop gelooft het niet.
„Waarom niet?
„Waarschijnlijk om dezelfde reden waarom ook door mij in 1863 aan voorspiegelingen desaangaande luttel waarde gehecht werd”. (Parl. Studiën en Schetsen, dl. I, n°. 1, bl. 26/27)

5) De Nederlander van 3 Nov. 1898. Men leest daar: „Een nieuwe Kamer waarvan de leden elkaar nog niet kennen, is niet geschikt voor het voeren van een politiek debat.” (Zie het hiervoren aangehaalde van Groen van Prinsterer uit het jaar 1840).
„De volgende jaren van het vierjarig tijdperk staat men voor een bestaanden politieken toestand, waarin vóór de aftreding der Kamer meestal weinig verandering zal te brengen zijn.”
„Omstandigheden zijn denkbaar, dat reeds van den aanvang af de Kamer tegen de optreding van een Kabinet haar bedenkingen moet kunnen kenbaar maken aan de Kroon.
„Telkens evenwel, als die omstandigheden niet bestaan, wordt de wisseling van Troonrede en Antwoord niet meer dan eene formaliteit.”
De Redactie meent dat dit met name moet gelden, nu de Kamer in haar geheel aftreedt.
Echter wordt zij daarom niet geheel in de leden vernieuwd. En ware dit zoo, dan ware er slechts reden te meer voor debat. Groen van Prinsterer stelt dit juist op den voorgrond als middel van kennismaking.

|91|

Voorts geldt voor ieder jaar, wat Groen over de Troonrede als programma der zitting zeide.

6) Ik schreef daarover destijds (zie N. Rott. C. v. 22 April 1894): „Volgens art. 80 G.W. worden de leden der Tweede Kamer gekozen „door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die de door de kieswet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten” enz.
„Art. 3 van het ingetrokken ontwerp luidde: „Deze wet houdt voor kenteeken van geschiktheid en voor kenteeken van maatschappelijken welstand het voorzien in eigen onderhoud en in dat van het huisgezin.”
„Heeft men hier een kenteeken? iets van „gemakkelijk, helder, overtuigend, materieel, dadelijk in het oog vallenden aard”, zooals de regeering bij de grondwetsherziening te recht voor een kenteeken eischte? (Arntz., dl. VI, bl. 330)
„Veeleer wordt, in de plaats van het door de Grondwet voor het kiesrecht aangenomen, — thans door mij niet te waardeeren — beginsel (geschiktheid en (of) welstand), een andere grondslag gekozen: het voorzien in eigen onderhoud en dat van het gezin.
In de plaats van het door de Grondwet gewilde komt hetgeen, gelijk Mr. Tak van Poortvliet 21 Februari ll. zeide, „reeds voor een tiental jaren” — toen dus de nu bindende tekst der Grondwet nog niet bestond — „door den tegenwoordigen minister van binnenlandsche zaken werd aangewezen als de meest gewenschte grondslag van het kiesrecht.”
In de plaats van het door de Grondwet gewilde komt hetgeen de heer Heldt destijds als amendement daartegenover voorstelde, dat de leden der Kamer zouden gekozen worden „door de meerderjarige ingezetenen, tevens Nederlanders, die in het onderhoud van zich en hun gezin, zonder hulp van anderen voorzien.” (Arntz., dl. VI, bl. 320)
„Het ingetrokken wetsontwerp strekte feitelijk om de Grondwet te lezen, als ware in 1887 het amendement van den heer Heldt aangenomen.
„Daar art. 3 niet gaf kenteekenen van den door de Grondwet gestelden grondslag, maar een anderen grondslag, moest nu art. 4 kenteekenen van dien nieuwen grondslag bieden.
„Van die kenteekenen stond het meerendeel (het zich onttrekken aan militaire  plichten; het niet-inleveren van eene schriftelijke aanvrage) geenszins, gelijk het ontwerp voorgaf, in wezenlijk verband met het voorzien in eigen onderhoud en dat van het gezin.
„Uit dit gebrek aan logica volgde, dat velen (b.v. wie geen aanzoek deden) van het kiesrecht werden uitgesloten, hoezeer zij in hun onderhoud voorzagen; hoezeer zij dus bezaten het in de wet gestelde kenteeken van geschiktheid en welstand; hoezeer dezen volgens art. 80 der Grondwet („die de door de kieswet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten”) kiesgerechtigd zijn.
„Art. 4 zou, althans formeel, voegen bij eene grondwetsbepaling, die inhield, dat stembevoegd zijn wie voldoen aan de door de kieswet te stellen kenteekenen van te voorzien in eigen onderhoud en dat van het gezin.

|92|

„Reeds om deze twee redenen dunkt mij het ingetrokken wetsontwerp niet in overeenstemming met de Grondwet.”
Abusievelijk was bij het zetten van het advies in al. 5 een viertal jaren gekomen voor een tiental. En in de voorlaatste alinea ware beter te lezen, in plaats van „althans formeel”, zij het ook slechts formeel.

7) In 1861 is dit ook gedurende enkele dagen het geval geweest na het aftreden van Mr. Van Hall op 23 Februari. Over dezen inconstitutioneelen toestand werd toen den volgenden dag een ernstig politiek debat in de Tweede Kamer gehouden. Zie Mr. W.J. van Welderen baron Rengers, Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland sedert 1849, dl. 1 (1889/91), bl. 221 en volgg..
Mr. Keuchenius herinnerde aan het toen gebeurde, als hij 21 Februari 1867 dezelfde feil aan de Ministers van toen, na het aftreden van Mr. Myer verweet: „Dit Ministerie, ontbloot van zijn hoofd, zijne ziel, zijn levensbeginsel, kan, in constitutioneelen zin, evenmin als het Ministerie-Van Hall in 1861, een Ministerie meer heeten.” (Handd., 1867, II, bl. 155)

8) Mr. W.H. de Beaufort verklaarde in zijn in het voorjaar van 1897 verschenen vlugschrift: De liberale partij en de verkiezingen, blz. 12, dat, terwijl de vooruitstrevend-liberalen meer en meer in het vaarwater kwamen van den Radicalen Bond, hij „regelrecht” tegenover radicalen en socialisten stond. Er was niet slechts verschil van schakeering, maar verschil van beginsel: „Tusschen liberalen en radicalen en socialisten bestaat . . . . een verschil in beginsel, dat het zelfstandig optreden op staatkundig gebied van beide rechtvaardigt.” (bl. 12)
En Mr. Goeman Borgesius beaamde dit van tegenovergestelde zijde in een opstel in de Vragen des Tijds van Mei 1897: De Liberale Unie en de verkiezingen. Zoo schreef Mr. Borgesius daar. „Gelijkheid van tempo verlangt niemand, maar er is groot verschil tusschen het aannemen van een meer bedaarden stap tot bereiking van hetzelfde doel en principieele afkeuring van ’t geen door de vooruitstrevenden verlangd wordt. Mannen als b.v. Bastert, Van Delden, Rutgers, de Beaufort, zij zullen de eersten zijn om te erkennen, dat het verschil tusschen hen en de voorstanders van de Liberale Unie veel dieper gaat, dat zij niet van staatswege willen „ingrijpen”, niet van staatswege willen meewerken, om de klove tusschen arm en rijk minder groot te maken”, (bl. 133)
De „vooruitstrevend-liberalen” moesten voor hun staatkundig programma staan; ja, zij hadden daarvoor „te lijden en te strijden (bl. 160).
Enkele maanden later namen beide Heeren zitting in hetzelfde „Ministerie”.

9) Zie met betrekking tot het voorafgaande mijn Voortvaren (1898), bl. 240 en volgg..

10) De Gids, (1896), dl. I, bl. 347/48. Dit strijdpunt moet men ter zijde laten. Maar de „zedelijke verantwoordelijkheid kan men niet

|93|

loslaten.” (bl. 349) Dat wie zoo schrijft, de diepere geschilpunten liefst ter zijde laat, is zeker niet vreemd.

11) Wat toch noodig is. Gelijk een voorstander van het Utilitarisme, Von Ihering, schrijft: „Das Gesammtresultat sämmtlicher Wirkungen sowohl in der Gegenwart wie in der Zukunft entscheidet darüber, ob etwas nützlich oder schädlich ist.” (Der Zweck im Recht, dl. II, 1e dr., (1883), bl. 210)

12) T.a.p., dl. I, 2de dr. (1884), bl. 446/7.

13) Z., dl. XX, bl. 440 en volgg..

14) Proeve over de middelen waardoor de waarheid wordt gekend en gestaafd, 1e dr., bl. 4.

15) Biederlack, Die modernen Strafrechtstheorien vom Standpunkte der christlichen Staatsauffassung (1898), bl. 1, wijst ook op de groote onzekerheid en verwarring, sedert Hugo Grotius het recht scheidde van godsdienst en moraal, welke verwarring er toe leidt, dat men voor de heerschende meeningen zwicht als ware het wetenschappelijk inzicht eene zaak van mode.

16) Gerichtssaal, dl. XLVI, bl. 391 en volgg..

17) Z., dl. III, bl. 7.

18) Actes du premier congres intern, d’anthr. crim., bl. 321 en volgg..

19) L’idée de responsabilité (1884), bl. 233 en volgg..

20) Determinismus und Strafe (1890), bl. 11.

21) Z, dl. XIII, bl. 337/38.

22) Les responsables devant la justice (1888), bl. 268.

23) Gerichtssaal, dl. XLVI, bl. 251.

24) Z., dl. XVI, bl. 309.

25) Die Aufgaben der Strafrechtspflege (1895), bl. 269.

26) T. v. S., dl. XII, bl. 395.

27) Z., dl. III, bl. 44. Hij stelt dan als bewijs de vraag: zwem ik, omdat ik in het water ben gevallen, of opdat ik niet verdrinke? Het sofistische van de redeneering is goed uiteengezet door Von Buri, als hij schrijft: „es gelangt hierbei die Eigentümlichkeit des quia und ne nicht zum Ausdruck, weil ein Aquivalent für die Norm nicht erkennbar gemacht wird. Der Norm würde etwa das Gebot entsprechen: Du solist nicht in das Wasser fallen, und das Schwimmen würde die angedrohte Strafe darstellen. Falie ich dann doch ins Wasser, so begründet es allerdings keinen Unterschied, ob ich schwimme, weil ich hinein gefallen bin, oder weil ich mich retten will. Jedenfalls aber musz ich nicht schwimmen, damit ich nicht in das Wasser falle”. (Z., dl IV bl. 170)

28) Z., dl. III, bl. 11.

29) Z., dl. XIII, bl. 344.

|94|

30) Straf — geen kwaad, (1864), bl. 46.

31) L’homme criminel, 2e dr. der Fr. vert. (1895), dl. I, bl. XXXVII.

32) T.z.p. . (Zie pag. 9. reg. 16 van boven, achter de woorden: „geven kan.”)

33) Gegen die Freiheitsstrafen (1879), bl. 26.

34) Leviticus XIX: 17.

35) La Criminologie, 4e dr. (1895), bl. 15. Zie ook bl. 265.

36) Die neuen Horizonte im Strafrecht (1892), bl. 13. Zie ook Zürcher's referaat over die wichtigsten Grundlagen eines einheitlichen Strafrechts in de Verh. des Schweiz. Juristenvereins (1892), bl. 22.

37) Zie Lombroso’s aangehaald werk, dl. I, bl. III.

38) Z., dl. XVII, bl. 84.

39) T.a.p., bl. 199: „Le jour viendra peut-être où l’humanité éprouvera, à l’égard de ses criminels, des sentiments analogues à ceux que lui inspirent aujourd’hui ses idiots et ses aliénés. Tout en laissant la loi pénale accomplir son oeuvre nécessaire, on ne verra dans l’homme qu’elle atteint qu’un malheureux et un deshérité”; maar geen schuldige.

40) Das Verbrechen als sociale Erscheinung, uitg. v. Kurella (1896), bl. 286: „Die öffentliche Meinung wird dazu führen, dass sie sich den Verbrechern gegenüber ebenso ändert wie den Geisteskranken gegenüber.”

41) T. v. S., dl. X, bl. 22.

42) Over Ontoerekenbaarheid (1899), bl. 39.

43) Crimineele aetiologie in De Gids (1899), dl. IV, bl. 514.

44) Z,, dl. XVII, bl. 84.

45) T. v. S., dl. VI, bl. 99.

46) Handd. der S. G., 1899/1900, II, bl. 659. Dat dit standpunt leidt tot het onttrekken van het gevangeniswezen aan den Minister van Justitie ligt voor de hand. En zoo wordt dan ook in Frankrijk de voorwaardelijke invrijheidstelling toegepast door den Minister van Binnenl. Zaken. Zie Mr. Van Hamel, T. v. S., dl. XII, bl. 407.

47) Der Verbrecher in anthropologischer Beziehung (1893), bl. 4.

48) In 1876 verscheen het als één geheel, nadat het van 1871 tot 1876 bij gedeelten was opgenomen in de Atti dell’ Istituto Lombardo.

49) De beweerde kenmerken zijn in het kort vermeld door Mr. Patijn, t.a.p., bl. 324; en Dr. C.J. Wijnaendts Francken, De Misdadiger, T. v. S., dl. XII, bl. 376. Von Liszt stelde deze lijst samen: „Der Verbrecher ist grosz und schwer, besitzt lange Arme, ist häufig Linkshändler; der Schädel-Inhalt bleibt hinter dem Durchschnitt zurück; Schlafenfortsätze am Stirnbein, Entwicklung der Stirnsinus, Grösze der Jochbögen, Vorspringen der Augenbrauen, Häufigkeit der Hinterhauptsgrube zeichnen seinen Schädel aus. Das Gesicht zeigt uns verbildete, henkelförmig

|95|

abstehende Ohren, schief gestellte, schielende Augen, krumme Nase, eine fliehende, enge Stirn, reiches Haupthaar, spärlichen Bartwuchs, gewaltige Kinnlade, Erkrankungen des Gehirns, der Leber, der Lungen, des Magens, des Herzens sind häufig. Das Schmerzgefühl ist herabgesetzt (daher die Todesverachtung, die Grausamkeit, das Tattowieren, die gröszere Lebensdauer); Tastgefühl, Gehör, Gesicht, Muskelsinn sind vermindert, dafür der Geruch und die Empfindung für magnetische und metereologische Einflüsze gesteigert. Bewegungs- und Funktionsstörungen werden vielfach beobachtet. Der Verbrecher ist moralisch stumpf, mitleidslos, kennt weder Reue noch Gewissen. Ausgesprochene Irreligiositat kann man ihm nicht vorwerfen. Aber er ist eitel, faul, unbeständig, leichtsinnig, abergläubisch, den Weibern, dem Wein, dem Spiel ergeben; die Orgiën vertreten ihm unsre gesellschaftlichen Unterhaltungen. Der Verstand ist gering, die Perception verlangsamt; der Verbrecher ist mehr schlau als klug, mehr Nachahmer als Erfinder. Er hat besondere Neigung zu geheimen Verbindungen, besitzt seine eigentümliche Sprache, seine besondere Litteratur und schreibt seine eigne Handschrift, die bei den Mördern ganz andere Züge aufweist als bei den Dieben und Betrügern.” (Z., dl. IX, bl. 465/66)
Gelijktijdig merkte Manouvrier op in een rapport voor het crimineel-anthropologisch Congres van Parijs: „le nombre de ces caractères se multiplie de jour en jour, si bien qu’il n’y aura plus bientôt un seul honnête homme sur lequel on ne puisse relever une demi-douzaine de caractères criminalisés”; etc.. (Actes, bl. 34)

50) Intusschen stelde Lombroso zelf het cijfer der epileptischen niet hooger dan 5 pct.

51) Eene onderafdeeling der anthropologische school vormt de psychische school, vertegenwoordigd in Engeland door Maudsley; in Oostenrijk door Krafft Ebbing en Benedikt; in Zwitserland door Forel en Delbrück; in Frankrijk door Magnan en Garnier. Zij houdt zich vooral bezig met de overgangsgroepen tusschen krankzinnigen en niet-krankzinnigen (de mattoïden). Zij constateert bij sommige misdadigers psychische abnormaliteit, die het geestelijk evenwicht verstoort, zonder tot krankzinnigheid te leiden. Deze psychische gebrekkigheid is nu eens physische neurasthenie (aangeboren zwakheid of vroegtijdige uitputting van het zenuwstelsel), dan weder zedelijke neurasthenie (onvermogen om aan verkeerde neigingen weerstand te bieden). Zie Prins, Science pénale et droit positif (1899), bl. 18.

52) Actes du premier congres international d’anthropologie criminelle, bl. 175. En bl. 176: „L’atavisme n’est pas prouvé, soit!”

53) La Sociologie criminelle (1893), bl. 25.

54) Zoo op het 4de congres van crimineele anthropologie, in 1896 te Genève gehouden: „Nous avons, nous, toujours dit que le crime est la resultante d’un ordre trés complexe de facteurs anthropologiques, physiques et sociaux” etc.. (Compte rendu, bl. 204)

|96|

55) Le Crime. Causes et remèdes.

56) T.a.p., bl. 204.

57) Z., dl. XIV, bl. 456.

58) T.a.p., dl. I, bl. 321.

59) Actes, bl. 320.

60) T.a.p., bl. 322. Het verslag is in het Fransch gesteld. Benedikt sprak echter hoofdzakelijk Italiaansch. — De exclusivistische toon wordt van positivistische zijde meer vernomen. Maurice Deslandres wijst in zijn opstel: La crise de la science politique in de Revue du droit public et de la science politique, 7de jaarg., n°. 2 (Maart-April 1900), bl. 246 en volgg., er op, hoe de sociologen hen, die weigerachtig zijn de staatswetenschap als deel der sociologie op te vatten, kortweg buiten het wetenschappelijk erf plaatsen. „Quiconque ne pratique pas la pure méthode sociologique et se permet de douter de ses mérites n’appartient pas à la science.” (bl. 252)

61) Actes, bl. 169.

62) Benedikt had in 1879 in het licht gegeven Anatomische Studiën an Verbrechergehirnen. Op grond van 22 onderzoekingen had hij gesteld, dat het voorhoofd bij den misdadiger eene afwijking vertoonde, dat hij noemde het Typus der konfluierenden Furchen. Deze bewering is bestreden door Meynert, Rüdinger, Binswanger, Flesch, Bardeleben, Giacomini, Tenchini, Hanot, Ferrier e.a.. Ook schijnt Benedikt zelf zijne meening gewijzigd te hebben. Zie Z., dl. IX, bl. 462.

63) Zie over de schedels de aanteekening van Mr. Patijn, t.a.p., bl. 341 noot. 1.

64) Dégénérescence et criminalité, bl. 80. Een tweede druk is van 1895.

65) L’anthropologie criminelle et la responsabilité médico-légale (1891), bl. 180.

66) Zie Gretener, Die Zurechnungsfähigkeit als Frage der Gesetzgebung (1899) bl. 47.

67) Le crane des crimmels, bl. 461.

68) T.a.p., bl. 463.

69) Die Lehre Lombroso’s und ihre anatomischen Grundlagen im Lichte moderner Forschung (Sonderabdruck aus dem „Biologischen Centralblatt”) (1896), bl. 309.

70) Volgens Gretener, t.a.p., bl. 48, komt Kirn tot deze conclusiën: „1. Das Verbrecherthum beruht nicht auf Atavismus; 2. Ein charakteristischer Verbrechertypus existirt nicht; 3. Wir können auch nicht von einem geborenen Verbrecher reden; 4. Das Verbrecherthum als solches ist nicht vererbbar; 5. Der habituelle psychische Zustand des Verbrechers entspricht durchaus nicht dem Krankheitsbilde der Moral-Insanity; 6. Degenerationszeichen haben nur, wenn mehrfach vorhanden, eine gewisse Bedeutung, sie beweisen aber auch dann nicht

|97|

mehr, als eine gewisse Minderwerthigkeit höhern oder geringem Grades; 7. Die angeborenen Abweichungen im Bau von Schädel und Gehirn der Verbrecher entsprechen vollkommen denjenigen, welche bei ehrbaren Menschen aus psychopathischen Familien und bei Idioten beobachtet werden.”

71) Z., dl. XII, bl. 466 en volgg..

72) Op het Congres te Parijs verklaarde Lombroso, dat men niet meer één type criminel moest aannemen, maar verschillende, als van dieven, moordenaars etc..

73) Lehrbuch des deutschen Strafrechts, 10de dr. (1900), bl. 60

74) Z., dl. XIII, bl. 162.

75) Mitt. der Intern. krim. Verein., dl. IV, bl. 16. Een rapport door Lombroso voor het Congres te Genève gesteld, vangt aldus aan: „Il y a des criminels-nés qui resistent à tous les soins, pour lesquels tous es changements dans le milieu ambiant sont inutiles. Cependant, puisqu il est donné que ce sont des épileptiques et des alcooliques héréditaires on peut essayer de les soigner” etc.. (Compte rendu, bl. 143) Gardeil vestigt op die verklaring, waaraan het atavisme ontbreekt, de aandacht. (Mitt. der Intern. krim. Verein., dl. VI, bl. 195) Ook liet Lombroso zich op dit Congres aldus uit: „Comme la base de la criminalité innée est toujours l’épilepsie, c’est par ce côté-là qu’on doit tacher d’ entreprendre la cure somatique”. (Compte rendu, bl. 321)
Toch stelt Lombroso het atavisme naast de epilepsie weder op den voorgrond in Le Crime, Causes et remèdes (1899), bl. 443 en volgg..

76) T. v. S., dl. X, bl. 15. Van het atavisme als algemeene verklaring wilde ook Dr. Jelgersma niet weten. Zie T. v. S., dl. VI, bl. 106.

77) Over de nieuwe richtingen in het strafrecht (1894). Hij zegt daar van L’uomo delinquente: „Afgescheiden van het wellicht verdienstelijke van dat werk op antropologisch gebied, van de pathologisch-anatomische, anthropometrische, biologische en psychologische onderzoekingen, waarover ik mij geen persoonlijk oordeel aanmatig, is de rechtsgeleerde kennis van Lombroso blijkbaar nul, zijne opvatting van strafrecht en straf, van misdrijf en misdadiger, volkomen fictief, zijne kennis van geschiedenis en van ethnologie meer dan primitief, zijne methode van onderzoek en zijn betoog, althans waar hij het zuiver gebied der natuurwetenschappen verlaat, zoo gebrekkig en onsamenhangend dat ze m.i. op den naam van wetenschappelijk kwalijk aanspraak kunnen maken. Zijne zoogenaamde onderzoekingen betreffende de geestelijke eigenschappen van den mensch en de typische verscheidenheid daarvan bij verschillende categoriën of klassen van menschen zijn niets dan fantasiën, geïllustreerd door anecdotes hier en daar bijeengegrabbeld, blijkbaar alleen met het oog op haar nut voor het betoog met de meest volmaakte minachting voor het al of niet zuivere of betrouwbare van de bronnen waaraan hij die als feiten voorgestelde anecdotes ontleende. Waar hij z.g. conclusiën trekt, strekken deze

|98|

voorzeker tot bevestiging zijner stellingen, maar zijn in den regel niet gerechtvaardigd door de premissen, soms daarmede in strijd en meestal volkomen willekeurig, terwijl hij van de eene conclusie tot de andere pleegt over te springen, zonder herkenbaar of duidelijk aangewezen verband met eene lichtheid en gemakkelijkheid die meer verwondering dan bewondering wekken”. (bl. 14/15)

78) Gerichtssaal, dl. XLVI, bl. 240.

79) Z., dl. XVIII, bl. 358.

80) Centralblatt f. Rechtsw., Bd XIX, bl. 62, bij de bespreking van Ferriani’s Schlaue und glückliche Verbrecher.

81) Psalm XIV: 3; LIII: 4; Rom. III: 10-12.

82) T.a.p., dl. XLVI, bl. 241.

83) T.a.p., dl. XLVI, bl. 408.

84) Z., dl. XVIII, bl. 243/44. In gelijken trant schrijft Dr. Jelgersma: „Wanneer men aanneemt dat de groote meerderheid der menschen, dat de moreele middelmaat, bij gelegenheid tot misdadige handelingen kan komen, indien de uitwendige omstandigheden maar in voldoende mate ongunstig zijn, dan sluit deze definitie van den gelegenheidsmisdadiger zijne psychische gezondheid in, alleen om deze reden, dat de groote meerderheid, de middelmaat, in eene gezonde maatschappij per se niet ziek is.” (T. v. S., dl. VI, bl. 100) Volgens hem is de gelegenheidsmisdadiger gezond, de geboren-misdadiger ziek.
Dr. Jelgersma spreekt van eenen gezonden misdadiger en eene gezonde maatschappij. Wordt het woord beide malen in denzelfden zin gebezigd? Men spreekt wel eens, meer figuurlijk, van de gezondheid der maatschappij. Intusschen kan wellicht worden gevraagd, waar deze geheel gezonde maatschappij is. Ik zal geenszins den misdadiger, hetzij den „gewoonte-”, hetzij den „gelegenheidsmisdadiger”, als ziek, d.i. zedelijk niet-schuldig beschouwen. Zelfs is alle mensch geneigd ten kwade. Evenwel blijft de maatschappij — ik zeg niet: gezond, maar toch in stand. Reeds door de gemeene genade Gods, die kwaad stuit. Evenwel ondergaat de maatschappij den invloed van den verkeerden wortel. Zoo doen zich wel in de maatschappij de gevolgen der zonde voelen, die, doorwerkende, zelfs tot geheele ontbinding van de samenleving leiden zou, maar door bijzondere genade tot bekeering, en gemeene genade tot bewaring, wordt het leven der menschheid bewaard, waarin Gods raad volvoerd moet worden.

85) Zie Louis Proal, La Criminalité politique (1895), bl. 71.

86) Actes, bl. 274 en volgg.; Archives de l’Anthrop. Crim., dl. IV, bl. 560/61.

87) Dit moreel atavisme in onderscheiding van het physieke leert Colajanni aldus. In ’s menschen karakter zijn 2 elementen: een geërfde grondslag en een in het individueele leven verworven massa

|99|

voorstellingen. Beide bestaan uit verschillende lagen, naar gelang van den tijd, waarin zij zich zetten. De oudste lagen hebben de meeste kracht van weerstand. Maar ten slotte kunnen ook die worden weggedrongen; alzoo verdwijnen dan vóór lang verkregen zedelijke voorstellingen. En zoo wordt de toestand gelijk aan die van een vroeger maatschappelijk bestaan. Op het moeielijk vereenigbare van beide elementen wijst Rosenfeld, Mitt. der Intern. krim. Ver., dl. IV, bl. 33.

88) T.a.p., dl. IV, bl. 17/18.

89) Eene korte opgaaf omtrent deze school, t.a.p., dl. IV, bl. 19/20. Zij heeft haar voornaamste orgaan in de Archives de l’Anthropologie criminelle et des sciences pénales. In dl. VI, bl. 565-568, gaf Lacassagne een Programme d’ études nouvelles en Anthropologie criminelle, dat strekt om de noodzakelijkheid in het licht te stellen van historisch crimineele studie, ten einde het misdrijf recht te begrijpen, en het antwoord te vinden op de vraag, hoe de evolutie van den zedelijken mensch tot stand kwam; in hoever daarop kosmologische, biologische, sociologische factoren hebben ingewerkt.

90) Actes, bl. 166.

91) T.a.p., bl. 167.

92) Das Verbrechen als sozial-pathologische Erscheinung (1899), bl. 11. Vandaar zegt hij: „Die Kriminalität an sich ist also eine sozial-pathologische Erscheinung nicht. Aber sie kann pathologische Züge aufweisen, die den in die Zukunft blickenden Staatsmann beunruhigen.” En die zijn er in Duitschland sedert 1882 door de toename der misdadigers, de meerdere recidive, en de veelheid van jeugdige delinquenten.

93) Deze opvatting ligt niet in den titel van Ferri's werk: Das Verbrechen als sociale Erscheinung (Duitsche uitgaaf door Kurella), (1896).

94) T.a.p., bl. 8. Zie ook Z., dl. XVIII, bl. 260.

95) Mitt. der Intern. krim. Ver., dl. IV, bl. 133.

96) Z., dl. XIII, bl. 329. In de Statuten der Vereeniging werd vroeger gezegd, dat zij uitging van de overtuiging, dat „Verbrechen und Strafe ebensosehr vom soziologischen wie vom juristischen Standpunkte aus ins Auge gefasst werden müssen.” Intusschen had toen de Fransche tekst reeds voor „Verbrechen und Strafe” de woorden „la criminalité et la répression.” In 1897 is te Lissabon eene wijziging aangebracht. Thans wordt niet meer van „Verbrechen und Strafe” gesproken, maar van „Verbrechen” en de „Mittel zu seiner Bekämpfung”, en wordt naast het sociologische ook het anthropologische standpunt genoemd.

97) L’homme criminel, 2de Fr. druk (1895), dl. I, bl. 129, noot 1.

98) Compte rendu, bl. 321/22. Zie ook Gretener, Die Zurechnungsfähigkeit als Frage der Gesetzgebung (1899), bl. 12.

99) Z., dl. XVIII, bl. 262.

|100|

100) Strafrecht und Ethik (1897), blz. 16.

101) Den laatsten tijd wordt van etiologie of leer der oorzaken van het misdrijf gesproken. Zoo op het Congres te Genève (Compte rendu, bl. 266); ook bij Lombroso vindt men den term; bij Hamon: Déterminisme et responsabilité (1898), bl. 237.
Ten vorigen jare bezigde Mr. Van Hamel het woord op de vergadering der Juristenvereeniging, en als titel voor een opstel in De Gids.

102) Bl. 314/15.

103) Le Crime. Causes et remèdes (1899), bl. 547 en volgg..

104) Spreuken IV: 23.

105) Mattheüs XV: 19.

106) Z., dl. XVI, bl. 582.

107) Gerichtssaal, dl. XLVI, bl. 391 en volgg..

108) Science pénale et droit positif (1899), bl. 158.

109) Z., dl. XIII, bl. 337/38.

110) Von Liszt noemt alle handeling „das notwendige Ergebnis aus der teils angeborenen, teils erworbenen Eigenart des Thäters einerseits, der ihn im Augenblicke der That umgebenden gesellschaftlichen, insbesondere wirtschaftlichen Verhältnisse anderseits. (Z., dl. XIII, bl. 361. Zie ook dl. XVIII, bl. 260)
Klippel zegt: „Des Menschen Wesen bildet sich nach deterministischer Anschauung notwendig aus den ererbten Anlagen und den auf diese mehr oder minder modifizierend einwirkenden äuszeren Verhältnissen, in denen sich der Mensch notwendig befindet. (T.a.p., bl. 11)
Appelius omschrijft tegenover de bestrijders het determinisme aldus. „Der Mensch ist das Produkt seiner Abstammung, seiner Erziehung und der wechselnden Lebenskreise und Lebensweise, in denen sich sein Dasein abspielt, und das so sehr, dasz diese Einflüsse seine Handlungen mit zwingender Gewalt bestimmen, ohne dasz es ihm vergönnt und möglich ware, dieser Gewalt durch eigne unabhängige und freie Entschlieszung zu widerstehen.” (Z., dl. XII, bl. 13)
Mr. Simons acht alle handelen „de noodzakelijke resultante van aangeboren aanleg en omgeving, het noodwendig gevolg van de werking der van buiten komende voorstellingen in verband met den aangeboren, onveranderlijken natuurlijken aanleg van het bepaalde individu, door wiens zinnen die voorstelling wordt opgenomen.” (De Gids (April 1900), bl. 56)
Vargha spreekt van de „Willensunfreiheit, wonach wir unser Thun . . . als nothwendiges Ergebniss der momentan in uns vorherrschend wirksamen Nervenenergieen auffassen,” enz.. (Die Abschaffung der Strafknechtschaft (1896), dl. I, bl. 343) Volgens hem zijn de menschen „automatische Executoren der in ihnen vorherrschenden Vorstellungsenergieen” (dl. I, bl. 350. Zie ook bl. 285, 288), en de misdrijven „naturnothwendige

|101|

Entladungen gewisser, durch sociale Prämissen erzeugter Erregungszustände einzelner Bürgergruppen” enz..
Von Bülow noemt determinisme de beschouwing, dat „die Handlung die notwendige Folge aus dem gegebenen Charakter, den äuszern Umstanden und den durch diese hervorgerufenen Vorstellungen (Motiven) ist.” (Z., dl. XVI, bl. 583)

111) Zie o.a. Klippel, t.a.p., bl. 38; Dr. Aletrino, Over Ontoerekenbaarheid (1899), bl. 17/18; Von Bülow, Z., dl. XVI. bl. 587 en volgg..

112) Het wezen der straf, (1899), bl. 24.

113) T. v. S., dl. IX, bl. 397.

114) zie ook Dr. Bavinck, Beginselen der psychologie (1897), bl. 175.

115) Gerichtssaal, dl. XLVI, bl. 408.

116) T.a.p., dl. XLVI, bl. 395.

117) La Criminologie, 4de dr. (1895), bl. 333.

118) Z., dl. XIII, bl. 340/41.

119) Gerichtssaal, dl. XLVII, bl. 243.

120) Zie bij Ferri, La Sociologie criminelle (1893), bl. 383.

121) T.a.p., bl. 11.

122) Z., dl. XVIII, bl. 260.

123) Mitt. der Intern. krim. Ver., dl. IV, bl. 5.

124) T.a.p., dl. IV, bl. 30.

125) T.a.p., dl. IV, bl. 21.

126) T.a.p., dl. VI, bl. 332.

127) Zoo leest men bij Dr. Wijnaendts Francken, T. v. S., dl. XII, bl. 360: „Het klassieke recht ging uit van een vrijen wil en van dé onderstelling dat de misdadiger, begaafd met dezelfde psychische vermogens als anderen, desverkiezende zijn daad evengoed had kunnen nalaten” (door mij gecursiveerd) Tegen dergelijke beschouwingen komt ook op Proal, t.a.p., bl. 405.

128) Das Verbrechen, bl. 286.

129) Zie Mr. Simons in De Gids (April 1900), bl. 58.

130) De strafmiddelen in de nieuwere strafrechtswetenschap (1900), bl. 16.

131) T.a.p., bl. 36. Als inleiding op dit geschrift vindt men een opgaafje van litteratuur, die de Schrijver wellicht verstandig gedaan had achterwege te laten.

132) T.a.p., bl. 56.

133) Straf — geen kwaad, bl. 47.

134) La Philosophie pénale, 4de dr. (1895), bl. 84.

135) Z., dl. XVII, bl. 73/74.

136) T.a.p., dl. I (1896), bl. 359.

|102|

137) Die Schuldformen des Strafrechts, dl. I, 1, (1895), bl. 3, en Mitt. der Intern. krim. Ver., dl. VI, bl. 387.

138) Compte rendu v. h. Crim. anth. Congres te Genève, bl. 308.

139) T. v. S., dl. X, bl. 13, 19. Ook in De Gids (April 1900), bl. 58.

140) T. v. S., dl. X, bl. 19.

141) T.a.p., bl. 402.

142) W.v.h.R., n°. 7376.

143) Gerichtssaal, dl. XLVI, bl. 392/93.

144) In De Amsterdammer, Weekbl. v. Ned., n°. 1208.

145) T.a.p., bl. 10.

146) Z., dl. XVI, bl. 97/98. Zie ook van hem Ueber Ursachenbegriff und Kausalzusammenhang im Strafrecht (1885) bl. 21 volgg., bl. 67 en volgg., en Kritische Vierteljahresschrift, dl. XXXI, bl. 549 en volgg..

147) Gemeines deutsches Strafrecht dl I, (1881), bl. 183.

148) Gerichtssaal, dl. XLVI, bl. 323; dl. LII, bl. 285.

149) Grundzüge des Strafrechts (1899), bl. 32.

150) T.a.p., bl. 397, 411.

151) Z., dl. XII, bl. 13.

152) Z., dl. XIII, bl. 346. In gelijken zin Mitt. der Intern. krim. Ver., dl. IV, bl. 156: „Für die deterministische Auffassung entfällt aber freilich dem Zurechnungsfähigen wie dem Nicht-Zurechnungsfähigen gegenüber der von der klassischen Schule überlieferte, von der Willensfreiheit untrennbare Schuldbegriff, und mit ihm der Begriff der Vergeltung.”

153) T.a.p., bl. 40/41.

154) Z., dl. XVIII, bl. 307.

155) T.a.p., dl. I (1896), bl. 272.

156) La Sociologie criminelle (1893), bl. 382. Zie ook Das Verbrechen (1896) bl. 275, 285.

157) De Gids (April 1900), bl. 61/62.

158) Zoo Klippel, t.a.p., bl. 40 noot 75: „Auch ist es keineswegs ausgeschlossen, dasz der Sprachgebrauch in allmählicher Entwicklung die Bedeutung des Wortes „Strafe” modifïziert, vielleicht den Strafbegriff von der Schuldfrage loslöst. Nur hat der Einzelne nicht das Recht dazu, einen vorhandenen Wortbegriff beliebig zu modifizieren.”

159) Uit het Lehrbuch aangehaald Z., dl. XIII, bl. 345. In gelijken zin Gesammelte Abhandlungen, dl. II, 2, (1899), bl. 554.

160) Z., dl. XIII, bl. 345.

161) Z., dl. I, bl. 566.

162) Gerichtssaal, dl. XLIV, bl. 157.

|103|

163) Vergeltungsidee und Zweckgedanke im Strafrecht (1892), bl. 10-13; bl. 24.

164) Wille, Determinismus, Strafe (1895), bl. 213 en volgg..

166) Die Grundlagen der Strafschuld (1885), bl. 33.

167) T.a.p., bl. 56.

168) In zijn geschrift: Wie ist Verantwortung und Zurechnung ohne Annahme der Willensfreiheit möglich? (1887). Zie daarover Z., dl. XII, bl. 577, noot 10.

169) Z., dl. XII, bl. 578.

170) T.a.p., bl. 44, 51, 79. De Schrijver komt, bl. 44 noot 1, tegen Kleinfeller op, die de vergeldingsgedachte met den rechtsgrond der straf in verband brengt.

171) Was will, was wirkt, was soll die staatliche Strafe? (1897), bl. 25.

172) Z., dl. XV, bl. 657.

173) Einleitung in das Strafrecht (1900), bl. 161.

174) De Gids (April 1900), bl. 61.

175) Gerichtssaal, dl. XLVI, bl. 399.

176) Gerichtssaal, dl. XLVII, bl. 245/46.

177) La Science sociale, 3de dr. (1897), bl. 305: „cette appréciation est impossible, parce qu’une foule de données nous manquent pour résoudre le problème.” En zoo spreekt hij, bl. 291, van eene „prétention de sonder les coeurs et les reines” etc..

178) Verhandlungen des Einundzwanzigsten Deutschen Juristentages (1890), Bd. I, bl. 250: „Wir kennen das Masz der Schuld nicht, für das wir vergelten wollen”; enz..

179) T.a.p., bl. 68. De rechter moet er van afzien „hier op aarde eene schuld te willen vergelden, waarvan hij, zoo zij bestaat, toch de juiste maat nooit zal kunnen bepalen.”

180) Aangehaald bij Mr. de Roos, t.a.p., bl. 76.

181) Z., dl. IV, bl. 176.

182) T.a.p., bl. 49.

183) Z., dl. XIII, bl. 346.

184) T. v. S., dl. X, bl. 22: „de eigen, of wil men de maatschappelijke zelfverheffing, die ten grondslag ligt aan de vergeldingsstraf, zal plaats maken voor het besef dat de eene mensch niet gerechtigd is den ander te oordeelen, omdat hij niet in staat is diens handelen te verklaren en zijne verantwoordelijkheid te bepalen.”

185) Z., dl. XIII, bl. 344.

186) Galaten VI: 3.

187) Romeinen VI: 17 en 18.

|104|

188) Mij komt beter voor met betrekking tot den persoon te spreken van toerekeningsvatbaarheid, gelijk de Duitschers hebben Zurechnungsfähigkeit, en niet van toerekenbaarheid. Dit woord past meer voor de daad, die toegerekend kan worden.

189) Ueber Schuld und Strafe der jugendlichen Verbrecher (1899), bl. 11 en volgg..

190) Riant, t.a.p., bl. 20; Dr. Aletrino, Over Ontoerekenbaarheid(1899), bl. 28/29.

191) T.a.p., bl. 20.

192) Crimineele aetiologie in De Gids (1899), dl. IV, bl. 523.

193) La Criminologie, 4de dr., (1895), bl. 330/331.

194) T.a.p., 2de dr., bl. 418.

195) Revue des Deux Mondes (15 Jan. 1889), bl. 794.

196) 2 Koningen II: 23.

197) Dit komt bij Zucker, bl. 32/33, niet voldoende uit. Ook zegt hij, bl. 9, dat hem de kwestie van determinisme en indeterminisme „mit der Frage der Zurechnungsfähigkeit in gar keinem Zusammenhange zu stehen scheint.”
Wat eenigszins vreemd aldus gemotiveerd wordt: „Auf jedes Thun und Nichtthun wirken äuszere, umgebende Verhältnisse in geringerem oder stärkerem Masze ein, und darum gibt es weder eine absolute Freiheit noch eine absolute Unfreiheit des Handelnden; selbst der Irrsinnige handelt nicht vollständig unfrei.”
Omdat Zucker het determinisme niet aanvaardt, — heeft het daarom voor de toerekeningsvatbaarheid geen beteekenis?

198) Z., dl. XVII, bl. 81.

199) Z„ dl. XVIII, bl. 258.

200) Z., dl. XVIII, bl. 237/38.

201) Z., dl. XVIII, bl. 253.

202) Z., dl. XVIII, bl. 249.

203) De Gids (April 1900), bl. 66. Ik acht het dan ook niet juist, als Mr. Simons wat hij zijne voorstelling noemt, stelt naast of tegenover het standpunt van Mr. Van Hamel. Inderdaad betreffen de opvattingen niet hetzelfde begrip.

204) Zie Proal, Le crime et la peine (2de dr.), 1894, bl. 411.

205) La morale d’un égoïste (1900), bl. 57/58.

206) Tusschen toerekenbaarheid en verantwoordelijkheid, welke twee woorden vaak dooreen worden gebruikt, meen ik te moeten onderscheiden. Het eerste begrip duidt iets passiefs aan; in het tweede ligt een actief element, en eene betrekking tot anderen. De Baets, Les bases de la morale et du droit (1892), bl. 293/94, drukt dit m.i. goed aldus uit: „L’imputabilité comporte seulement cette attribution de l’acte à

|105|

son auteur, qui fait dire que cet acte est sien, cette plénitude de causalité, par laquelle la bonté ou la malice de l’acte peuvent être attribuées à l’agent, comme à la cause déterminante.
„La responsabilité dit quelque chose de plus que l’imputabilité. On est responsable devant quelqu’un; ce qui ajoute une relation à autrui; à quelqu’un qui a un pouvoir, non seulement d’appréciation théorique, ce qui est loisible à tout être raisonnable, mais un pouvoir comportant une conséquence pratique.”

207) Compte rendu, bl. 74.

208) La philosophie pénale, 4de dr. (1895). Eenige overeenkomst met hem zou Poletti hebben. Zie Mitt. der Intern. krim. Ver., dl. IV, bl. 17.

209) T.a.p., bl. 178, 180.

210) T.a.p., bl. 88.

211) Op bl. 212/13 leest men echter, dat de straf onnoodig is „»pour le converti, qui n’a plus besoin de cette menace pénale.”

212) Hij aarzelt hier nochtans. Wel acht hij den alcoholist in een spoor gedreven, maar die drang kwam toch voort uit een „nécessité principalement interne”, in tegenstelling van krankzinnigheid, die het gevolg is van eene „nécessité essentiellement extérieure, c’est-à-dire pathologique” etc. (bl. 187). Eene onderscheiding, die zeker moeielijk houdbaar is. Ook kon men vragen, of het gebrek aan similitude sociale den alcoholist niet onverantwoordelijk moest maken.
Als proeve van de zonderlingheden, die men bij Tarde aantreft, geldt ook wat hij omtrent de onverantwoordelijkheid der koningen zegt. Zij is een overblijfsel van die der despoten, die men onvergelijkbaar met hunne medemenschen achtte, en onfeilbaar. Hier ontbrak de similitude sociale. Bl. 211/12.

213) T.a.p., bl. 186. En voor wat hij nu voortaan in zijne krankzinnigheid doet, — hij blijft nu toch dezelfde, — helpt, dat er geen similitude sociale is. Bovendien is hij „peu identique” met zich zelf (Bl. 210)

214) T.a.p., bl. 186.

215) T.a.p., bl. 180/81.

216) Schijnbaar zijn de eisch van persoonlijke identiteit —imitatie van zichzelf en die van sociale assimilatie — imitatie van de omgeving  met elkaar in strijd. De eerste veronderstelt toch zekere onafhankelijkheid, en de laatste juist afhankelijkheid van de omgeving. Toch, zegt Tarde, is er in den grond overeenstemming. De persoonlijke identiteit is niet anders dan opgestapelde en ontwikkelde ervaring. Zoo is de vatbaarheid voor imitatie van anderen in direct verband met de vatbaarheid voor zelf-imitatie. Zie bl. 91/92.

217) La Sociologie criminelle (1893), bl. 38, en volgg.. Deze heeft o.a. gezegd, dat een moordenaar, die berouw over zijn bloedvergieten

|106|

heeft, maar daarop neiging toont tot verkrachting of vervalsching, — wel een ander mensch werd, en nochtans gevaarlijk blijft.
Eenerzijds klinkt de opmerking wat vreemd. Maar zij raakt toch een van de hoofdgebreken der theorie. Hoe diep moet de verandering gaan? En meent men waarlijk, dat het zoo gemakkelijk is, wezenlijke bekeering te constateeren?
Ja, het dezelfde blijven, om verantwoordelijk te zijn, — hoever gaat dit? Ferri zegt dat de gelegenheidsmisdadiger en de misdadiger uit hartstocht na hunne daad niet geheel dezelfden zijn als daarvóór.
Gelijk ook is opgemerkt, dat vooral wie uit hartstocht misdreef, zoo gemakkelijk schijnen kan, verbeterd te wezen. (Prins, Science pénale et droit positif (1899), bl. 17)
Niet vreemd is voorts, dat Ferri, op zijn meer anthropologisch standpunt, ook tegen het vereischte der similitude sociale opkomt. Immers acht hij de misdadigers min of meer abnormaal, „c’est-à-dire plus ou moins dissemblables à leurs compatriotes normaux.” (bl. 390)
Meer een overzicht van Tarde’s werk geeft Eugen Wilhelm, in Z., dl. XV, bl. 357 en volgg.. Hij verwijst ook naar eene kritiek van Brunetière in de Revue des Deux-Mondes van 1 Juli 1890.

218) Referat über die wichtigsten Grundlagen eines einheitlichen Strafrechts (1892), bl. 15.

219) T.a.p., bl. 11.

220) T. v. S., dl. X, bl. 20. Zie ook Mr. Van Hamel, Inleiding t. d. studie v. h. Ned. St., dl. I (1895), bl. 253 noot 11.

221) La Criminologie, 4de dr. (1895), bl. 331 en volgg..

222) Strafrecht und Ethik (1897), bl. 22.

223) L’idée de responsabilité (1884), bl. 189/90, 192, 193, 195, 196.

224) T.a.p., bl. 180.

225) T.a.p., bl. 199.

226) T.z.p..

227) Compte rendu, bl. 309.

228) Déterminisme et responsabilité (1898), bl. 236.

229) Das Verbrechen (1896), bl. 279. Zie ook La Sociologie criminelle (1893), bl. 329.

230) Zie b. v. Dr. Aletrino, Twee opstellen over crimineele anthropologie (1898), bl. 62/63, en Over Ontoerekenbaarheid (1899), bl. 63; voorts Dr. Wijnaendts Francken, T. v. S., dl. XII, bl. 389.

231) Inzoover klinkt eenigszins vreemd als Mittelstädt zegt, dat hem niet duidelijk is. wat men onder deze maatschappelijke verantwoordelijkheid, „als eigentliche Substanz der subjectiven Seite des Delicts” te denken heeft. (Gerichtssaal, dl. XVI, bl. 414)

232) T.a.p., bl. 237.

233) Zitting v. d. Tweede Kamer der S.-G. van 26 Juni 1878.

|107|

234) Das Causalitäts-Gesetz in der Socialwissenschaft (1888), bl. 16: »Ich möchte die Mutter sehen, die ihrer Tochter Glauben schenkte, wenn diese sich in gewissen Umstanden auf ein Wunder beriefe.”

235) T.a.p., bl. 23.

236) L’homme criminel, 2de Fr. dr. (1895), dl. I, bl. 47.

237) Straf — geen kwaad (1864), bl. 62. De eerste straf — de eeuwige dood — lag reeds in Gen. I: 17. En geenszins is de arbeid opgelegd, maar als straf verzwaard. Voorts wordt nog de moedersmart verheerlijkt. „Zonder haar zou noch de moederliefde, noch de eerbied voor de huisvrouw geworden zijn wat ze zijn en wezen moeten.” Wat is de zonde toch eene weldaad!

238) T.a.p., bl. 48.

239) T.a.p., bl. 230.

240) Het recht en de maatschappij, bl. 150/51. In gelijken trant Dr. Jelgersma op het derde intern. Congres van crim. anthr. te Brussel: „La responsabilité objective nous parait imcompréhensible au point de vue déterministe. II ne pourrait en être question que si nous étions d'accord avec l’école métaphysique, qui prétend que quelqu’un aurait pu agir autrement qu’il ne l’a fait.” (Actes, bl. 35) Dr. Jelgersma sprak hier van responsabilité objective niet in den zin van Lévy-Bruhl, maar slechts in tegenstelling van wat hij de responsabilité subjective noemde, te weten „un sentiment de douleur, de mécontentement, que l’on éprouve après avoir commis une mauvaise action.” (bl. 34)

241) In Zur Begründung des Strafrechts vom deterministischen Standpunkte (1887), aangehaald bij Klippel, t.a.p., bl. 32 noot 50.

242) T.a.p., bl. 108/9. De vergelijking met den boom vindt men ook bij Littré. Zie Hamon, t.a.p., bl. 232.

243) Parerga (ed. Grisebach), dl. II, hoofdst. IX, bl. 273-’75. Wie den eed aflegt, spreekt daarmee uit, dat hij zich niet in de gevallen bevindt, die recht tot liegen geven.

244) La Criminalité comparée, 2de dr. (1890), bl. 194-211.

245) Le Crime. Causes et remèdes; bl. 535 en volgg..

246) La Sociologie criminelle (1893), bl. 575/76.

247) Actes du premier congres intern, d’anthr. crim., bl. 105 en volgg. — Het verslag meldt, dat de voordracht „est salué, à la fin, par des applaudissements unanimes.”

248) Het vijfde congres (na het tweede te Parijs in ’89; het derde te Brussel in ’92; het vierde te Genève in ’96) staat in 1901 gehouden te worden te Amsterdam. De Regeering heeft voorgesteld daaraan eene subsidie te verleenen. In het W. v. h. R. wordt de vraag gesteld, of verbreiding der crimineele anthropologie dan een belang is te achten.

249) Probleme des Strafrechts (1896), bl. 12. Als van zelf wordt men aan Von Bar herinnerd door de Memorie van toelichting op de dezer

|108|

dagen door de Regeering ingediende voorstellen tot herziening van het 1ste, 2de en 3de Boek van het W. v. Sr., waarin de invoering der voorwaardelijke veroordeeling zoo onschuldig, bijna zoetvoerig, bepleit wordt. O.a. aldus: „Eene theoretische bedenking tegen de voorwaardelijke veroordeeling is deze, dat door het wegblijven der straf het misdrijf niet wordt geboet. Men vergeet daarbij echter, dat het leed dat den schuldige door het veroordeelend vonnis wordt aangedaan, meestal waar men niet te doen heeft met boosdoeners van aanleg of gewoonte, veel intenser is dan het verblijf in de gevangenis. Het is eene krenking van de ieder mensch aangeboren schaamte, een ontnemen van de achting zijner medemenschen, waaraan hij als maatschappelijk wezen behoefte heeft. Het uitspreken van het vonnis geeft reeds zonder het bijkomende physieke leed een groot moreel leed, en dit te dragen is, met behoud van de beste drijfveeren des menschen, eene waarachtige boete, een prikkel tot berouw, een middel tot verzoening met die zedelijke orde die de schuldige had verstoord.” (Bijlagen, 1900-1901. n°. 100. 3. bl. 13)
De voorwaardelijke veroordeeling wordt hier zelfs in zeer antiek of klassiek kleed gehuld. Met boeten, en berouw, en zedelijke orde.
Wat zullen onze moderne criminalisten doen? Wellicht zwijgen, wetende dat dit alles vrij onschadelijk apparaat is; zelfs niet ongeschikt om het door hen gewenschte instituut te laten binnenglijden.

250) T.a.p., bl. 5.

251) Zoo Janka in zijne Grundlagen der Strafschuld, bl. 46: „im Innern steckt immer das alle Erbstück der Mutter Natur, der sinnliche Reiz.” Aangehaald bij Schmidt, t.a.p., bl. 69 noot 3.
In gelijken trant Mr. Vorstman, Begrijpen en Vergeven (1899), bl. 19, alwaar het heet, dat „van den delinkwent verzoening te eischen . . . . eigenlijk neêrkomt op de zucht naar wraak,” enz..

252) Verhandlungen des Einundzwanzigsten Deutschen Juristentages, Bd. I (1890), bl. 247, 249, 250.

253) Voorwaardelijke veroordeeling — und kein Ende in het W. v. h. R., n°. 5918. Seuffert zelve kent de eer der volkomen overwinning, waarin men tegenover elkaar jubelt, aan de Intern. krim. Ver. toe. Zij heeft, dus verklaarde hij op hare vergadering te Christiania, „den Vergeltungsgedanken allmählig bis in die hinterste Ecke treten lassen.” (Zie Merkel, Zweckgedanke, bl. 5) Dan ziet men haar niet meer, of wellicht in wat vreemden vorm.

254) De bestrijding van Seuffert door Merkel (t.a.p., bl. 4/5) komt mij niet voldoende voor, hoezeer ik beaam wat hij over het onjuiste van de voorstelling zegt.

255) Mitt. der Int. krim. Ver., dl. VI, bl. 387.

256) T.a.p., bl. 44.

257) Zie hierover Proal, t.a.p., bl. 404/05.

|109|

258) Volgens Von Liszt vindt men het woord eerst sedert het begin der 14de eeuw, en is de etymologie zeer onzeker. (Lehrbuch, 10de dr. (1900), bl. 229 noot 1) Uitvoerige mededeelingen geven Löning (Z., dl. V, bl. 546 noot 18), en Günther (Die Idee der Wiedervergeltung, 1e Abt. (1889), bl. 5 noot 9). De afleiding van straff als gelijk, strak, acht de eerste onhoudbaar. Ook blijkt hij niet te deelen de verklaring door Von Bar, tot steun van zijn eigenaardig strafbegrip gegeven, en die Von Liszt reeds vroeger twijfelachtig had genoemd (Z., dl. II, bl. 619), maar Klippel nog in 1890 als onbestreden vermeldt (t.a.p., bl. 6), als zoude straf oorspronkelijk slechts scherpe afkeuring inhouden zonder verdere toevoeging van leed.
Volgens Löning wordt het woord straf in de oudste rechtsbronnen parallel met boeten gebruikt, en is het door anderen gewilde verband met στρέφειν (keeren, wenden) mogelijk.
Door Littré, Lombroso, Lubbock, Le Bon, Fouillée, is beweerd, dat het woord peine oorspronkelijk slechts compensatie beteekende, zonder eenige gedachte aan bedreven zedelijk kwaad, evenals het Grieksche woord τοινὴ en het Latijnsche poena. Proal tracht (t.a.p., blz. 324 en volgg.) aan te toonen, dat τοινὴ ook den zin van boete heeft; wijst op de meening van Pictet en Pott, die τοινὴ afleiden van het sanscrietsche punia, met den wortel pü (punati) purificare, en vestigt er de aandacht op, dat Littré later althans ook dit gevoelen als dat van andere geleerden meedeelt.
Zoo is dus zeer nauw zinsverband tusschen straf en poena in de richting van boete doen verre van onwaarschijnlijk.

259) Zoo doet dan ook Mr. Simons in De Gids (April 1900), bl. 65/66. Volgens hem moet de straf altijd „een ernstig leed” zijn.

260) Rechts- und Staatslehre, 4de dr., dl. II, bl. 692 noot *.

261) T.a.p., dl. II, bl. 686.

262) Direct gericht als de theorie van Von Grolman is op het veranderen van den wil, behoort ook in zijne theorie geenszins het leed tot de vereischten van straf.

263) Z., dl. XII, bl. 572 en volgg.. Hij verdedigt daar als rechtsgrond van de Zweckstrafe de verplichting tot herstel van de vroegere, rechtens zonder gevaar geachte, betrekking tusschen misdadiger en maatschappij. „Die Restituierung des frühern, rechtlich gefahrlosen Verhältnisses zwischen dem zum Verbrecher gewordenen Individuum und der Gesellschaft ist nur dadurch möglich, dasz die durch das Verbrechen konstatierte abnorme Macht der antisozialen Motive entweder durch in Minderung dieser oder durch Einpflanzung von Gegenmotiven gebrochen wird.” (bl. 587)

264) Ik wees hierop in Voortvaren (1898), bl. 249. Uitdrukkelijk zegt Mr. Gratama, dat de straf geenszins als „vergelding” beschouwd mag worden.

|110|

265) Der Begriff der Strafe, 2de dr. (1897), bl. 218. Binding stelt de begrippen van straf en vergelding aldus scherp tegenover elkaar: „Endlich soll die Strafe nicht heilen, sondern eine Wunde schlagen, der Ersatz aber eine Wunde heilen, womöglich ohne eine andere zu schlagen.” (Grundriss des gemeinen deutschen Strafrechts), I (1897), bl. 169.

266) Philosophie du droit pénal, 4de dr. (1894), bl. 84 en volgg..

267) Sociologie criminelle (1893), bl. 312 en volgg..

268) Zoo schrijft hij, Cours de droit naturel, 8e dr. (1892) dl. I bl. 235, dat de straf moet bereiken „un but humain, en remettant le coupable, par rapport à sa volonté et à toute sa condition morale, qui était la cause du crime, dans l’étal de droit, c’est-à-dire dans l’état moral de vouloir le juste et le bien, qu’elle doit lui rendre la vraie liberté juridique et morale et, avec elle, la liberté extérieure.”

269) Die herrschenden Grundlehren von Verbrechen und Strafe (1867), bl. 107.

270) T.a.p. bl. 105. Hij zegt daar, „ dasz der Mensch im Ganzen das zu sein pflegt, wozu die äuszeren Umstände, also auch Beispiele im Bösen, Gelegenheit und Versuchungen dazu ihn machen.”

271) T.a.p., bl. 113.

272) Die Abschaffung des Strafmasses (1880).

273) T. v. S. dl. XII, bl. 393. Ik zie zelfs de noodzakelijkheid niet in om, gelijk Mr. Van Hamel, bl. 394, doet, naast de behoefte aan verbetering als tweeden pijler voor dit instituut te nemen die aan veiligheid. De verbetering geschiedt ter wille van deze. Uit de verbeteringstheorie volgt, dat wie niet beter is, blijft.
Men moet niet loslaten zonder verbetering. Maar ook niet vasthouden daarna. De voorwaardelijke vrijlating past, gelijk ook Sontag (Beiträge zur Lehre von der Strafe (1881), blz. 24) heeft opgemerkt, geheel bij dit stelsel, en sluit zich insgelijks, zooals Mr. Van Hamel schrijft (blz. 397 en 406), bij de onbepaalde vonnissen aan.
En daar eene verbetering in enkele weken moeilijk verwacht kan worden, is reeds deswege verzet tegen korte vrijheidsstraffen begrijpelijk. Slechts ware de vraag te stellen, of verlenging van straf niet meer consequent ware dan voorwaardelijke veroordeeling, of niet-toepassen van straf.

274) Grundlage des Naturrechts, dl. II (1797), bl. 118.

275) T.a.p., bl. 110.

276) T.a.p., bl. 17.

277) Zie daarover het opstel van Jhr. Mr Engelen, Iets over het Elmira-stelsel in het Rechtsgeleerd Magazijn, 19de jaarg. (1900), afl. 3, bl. 250 en volgg. Ook Wach, Die Reform der Freiheitsstrafe (1890), bl. 45 en volgg..

278) Over de toename der criminaliteit zie o.a. Von Liszt, Das

|111|

Verbrechen als sozial-pathologische Erscheinung (1899), bl. 12 en volgg.; Prins, t.a.p., bl. 24/25; Mr. Simons in De Gids (April 1900), bl. 74 en volgg..
Mr. Pols waarschuwde echter in 1894, t.a.p., bl. 30 en volgg., tegen veler voorstelling in dezen, blijkbaar berekend op agitatie tegen het bestaande strafstelsel. Echter erkende hij, dat in sommige landen toename is. Bepaaldelijk in Frankrijk, waar het door de crimineel-anthropologen aangeprezen deportatiestelsel is aangenomen, en in België, waar de nieuwe richting overheerschend werd.

279) Z., dl. III, bl. 1 en volgg..

280) Z., dl. III, bl. 21.

281) Z., dl. XVII, bl. 80 en volgg.; dl. XVIII, bl. 253.

282) Hierop wijst ook Von Bar, Probleme des Strafrechts (1896), bl. 10 en volgg.. Hij zegt daar o.m.: „So ist die neue Theorie eine auf Allmacht des Staats und Unfehlbarkeit seiner Beamten gegründete Combination von Abschreckungs- und Sicherungstheorie, eine Combination, welche die Theorie nicht selbst ausarbeitet, sondern in jedem, einzelnen Falie ziemlich unbeschrankt dem Richter, dem Beamten überlasst: diese unterscheiden hier Abschreckung (Denkzettel), da Sicherung, da Beides!”

283) Zie Gretener, Die Zurechnungsfähigkeit (1899), bl. 18. Mr. Simons in T. v. S., dl. X, bl. 23/24. Van Calker noemt, t.a.p., bl. 34, onverbeterlijken, wie „durch die bisher angewandten Mittel nicht gebessert worden sind.”
Zie over dit punt ook Ferri, La Sociologie criminelle (1893), bl. 544 en volgg., die de gedachtenwisselingen over incorrigés en incorrigibles vermeldt, en zelf aan den laatsten term wil vasthouden.

284) T. v. S., dl. XII, bl. 408.

285) Aangehaald bij Hamon, t.a.p., bl. 232.

286) T.a.p., bl. 41.

287) T.a.p., bl. 237.

288) L’idée de responsabilité (1884), bl. 193.

289) Zie daarover De Baets, t.a.p., bl. 317.

290) Verbrecher und Verbrechen; vert. door Kurella (1894), bl. 255/56.

291) T.a.p., bl. 313.

292) T.a.p., bl. 334/35. Ook zegt hij, bl. 337: „Certes il n’y a plus le droit de châtier et de punir dans le sens mystique du mot; mais il y a toujours le droit de l’État à se défendre.”
De voorstelling van Hamon, t.a.p., bl. 236, alsof eigenlijk de Sociologie van Ferri nog het recht van straffen verdedigt, acht ik dan ook minder nauwkeurig. En juist vond ik in het Compte rendu van Genève niet de woorden door Hamon geciteerd: „la société n’a pas le droit de punir.” Overigens doet dit er weinig toe. De uitspraken van Ferri zijn duidelijk genoeg.

|112|

293) De Gids (April 1900), bl. 57.

294) Volgens Mr. Simons, t.a.p., bl. 64/65, is de „functie der straf bescherming en handhaving der ten behoeve der rechtsordening gestelde voorschriften” enz.. Dus om, in den zin van Von Feuerbach, aan de wet kracht bij te zetten. Dit doel kan echter alleen door „eene vereeniging van speciale en generale preventie” volkomen verwezenlijkt worden. De generale preventie, inzoover de straftoepassing „allereerst de kracht der strafbedreiging (moet) verzekeren” enz. En de speciale preventie, door „in de tweede plaats” de „onvoldoend gebleken bedreiging” aan den dader in te scherpen.
Echter leest men in hetzelfde opstel, bl. 57: „Alzoo wordt het allereerste doel, dat bij de straf in aanmerking komt, hare werking op den dader, en speciale preventie is het machtwoord geworden der nieuwe richting in hare verschillende schakeeringen.” Waartoe ook Mr. Simons behoort.
Ik kan niet anders zien, dan dat de Schrijver op de eene plaats het „allereerste” noemt, wat hij op de andere juist achterstelt.
In T. v. S., dl. X, bl. 23, wordt zonder uitdrukkelijke vermelding van prioriteit geschreven, dat het „optreden der overheid op strafrechtelijk gebied,” — en hier schijnt bepaaldelijk aan de straf gedacht te zijn, — „ten doel heeft te voorkomen, zoowel dat de persoon die zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, in het vervolg daarmeê voort zou gaan, als dat door anderen misdrijven worden gepleegd.”
In het aangehaalde Gids-artikel schrijft Mr. Simons ook, dat tegenover de nieuwe richting, die speciale preventie beoogt, „de aanhangers der geldende beginselen de generale preventie” in het volle licht plaatsen.
Voorstanders van generale preventie als hoofdzaak zijn Alimenena (Mitt. der Intern. krim. Ver., dl. IV, bl. 8), Carnevale (t.a.p., dl. IV, bl. 14), Löffler (Z., dl. XVIII, bl. 248/49), Janka; ja Mr. Simons zelf op de eerst aangehaalde plaats.
Zijn dezen nu aanhangers der geldende beginselen?
Voorts leest men: „enkelen hunner vereenzelvigen zelfs het vergeldingsbeginsel met het principe dier generale preventie.” Vermoedelijk slaat dit althans ook op Schmidt. Ik heb hiervoren gepoogd aan te toonen, dat hij met weinig recht vergelding noemt wat hij daaronder verstaat.
De aanhangers der geldende beginselen zouden de generale preventie in het volle licht stellen?
Veeleer meen ik, dat de gansche strijd tusschen generale en speciale preventie geheel buiten hen omgaat; gevoerd wordt in hoofdzaak onder de tegenstanders der geldende beginselen; onder hen, die eigenlijk van geen straf willen weten; en daarom heil zoeken in een of anderen vorm van preventie.
Vergelding voor bedreven kwaad en maatregel tot preventie van toekomstig kwaad, hetzij dan bij den dader (speciale) hetzij dan bij anderen (generale), staan juist tegenover elkaar.

|113|

295) Die Schuldformen des Strafrechts, dl. I, afd. 1 (1895), bl. 5.

296) Zie o.a. Z., dl. XVI, bl. 477.

297) Die Zurechnungsfähigkeit als Gesetzgebungsfrage (1897), bl. 16 noot 20.

298) Z., dl. IX, bl. 468.

299) Die Reform der Freiheitsstrafe (1890), bl. 42.

300) Grundriss des gemeinen deutschen Strafrechts (1897), bl. 172.

301) Das gemeine deutsche Strafrecht, dl. I (1881), bl. 551: „Aber nicht die That, sondern der Thäter wird gestraft . . .” enz..

302) Z., dl. XIV, bl. 305. Zelfs voegt hij er het in dit verband bedenkelijke bij: „unsre Thaten sind nur die Schlüssel zu unserm Wesen.”

303) De Gids (April 1900), bl. 78/79.

304) T.a.p., bl. 263.

305) Veel beter drukt Francis Wayland de tegenstelling uit in toepassing op de straf: „The character of the offender, not the character of the offense should determine the duration of the imprisonment” (aangehaald bij Ashrott, Aus dem Strafen- und Gefängniszwesen Nordamerikas (1889), bl. 31).
Ook geeft Mr. De Roos, t.a.p., bl. 91, zuivere voorstelling van het standpunt zijner tegenstanders: »het klassieke strafrecht motiveert de straftoemeting door de daad, haar zwaarte, de mate van schuld van den dader.”
Zie over de tegenstelling ook Von Bar, t.a.p., bl. 8, 10, 14; Binding, t.a.p., bl. 172.

306) Aangehaald bij Ferri, t.a.p., bl. 410.
Ook Mr. De Roos schrijft, t.a.p., bl. 91: „Het moderne strafrecht beschouwt de gepleegde daad, benevens de antecedenten van den dader, slechts als aanwijzing van zijn gevaarlijk karakter” enz..

307) T.a.p., bl. 14.

308) Gerichtssaal, dl. XLIX, bl. 152/53.

309) Ta.p., bl. 139.

310) T.a.p., bl. 7, 10, 11.

311) T.a.p., bl. 37.

312) Z., dl. XVI, bl. 117.

313) Z., dl. III, bl. 45.

314) Z., dl. IV, bl. 171. Toch heeft Herold later nog het antwoord van Von Liszt treffend genoemd — wijl de misdadiger, „erst durch seine That eine Gefahr für die Gesellschaft wird”, enz. (Z., dl. XII, bl. 575). Zeker, stond het zoo, — dan ging de redeneering op. Maar het staat anders. Bresci werd niet eerst gevaarlijk, nadat hij Koning Humbert vermoord had.

|114|

315) Z„ dl. XIII, blz. 357 en volgg.. In gelijken zin Mr. Simons, T. v. S., dl. X, blz. 27/28.

316) 10de dr. (1900), bl. 66. Zie ook Von Lilienthal, Z., dl. XIV, bl. 696 en volgg..

317) Ik zou daarom niet onderschrijven de meening van Schmidt, t.a.p., bl. 139, dat hier eene willekeurige grens is. Het vaststellen van een bepaalden dag voor de meerderjarigheid — ook het binden van het beginsel (voldoende geestelijke rijpheid) aan een uitwendig criterium — is niet iets willekeurigs.

318) Vergeltungsidee und Zweckgedanke, bl. 38.

319) Garofalo, La Criminologie, 4de dr. bl. 307/8, wil dan ook evenals Ferri de criminels-aliénés onder de misdadigers rangschikken. Alleen verschilt de methode van behandeling, wat trouwens overeenkomt met het beginsel van individualiseering van de straf.

320) T.a.p., bl. 328.

321) Grundlagen eines einheitlichen Strafrechts, bl. 32.

322) Straf — geen kwaad, bl. 43.

323) In dezen geest o.a. Nicoladini, Mitt. der Intern. krim. Ver., dl. V, bl. 336 en volgg..

324) Inleiding tot de studie van het Ned. Sr., dl. I (1895), bl. 319.

325) Mr. Van Hamel wil, t.a.p., dl. I, bl. 332, alleen eene uitzondering voor het geval, dat de dwaling van den dader omtrent deugdelijkheid van middel of voorwerp zoo groot onverstand verraadt, dat niet alleen de dader volkomen ongevaarlijk is, maar ook zijn handelen naar buiten geen indruk van gevaarlijkheid maakt.

326) T.a.p., dl. V, bl. 343 en volgg..

327) Mr. Van Hamel, die, t.a.p., dl. I, bl. 474/5, met het oog op de rechtszekerheid minder wenschelijk acht in nieuw gevestigde toestanden door vervolging en straf na ettelijke jaren in te grijpen, zou toch de onverjaarbaarheid van sommige zware misdrijven, en van misdrijven, door habitueele misdadigers begaan, willen zien uitgesloten.
Dat hierbij het beginsel der gevaarlijkheid geheel zuiver is toegepast, acht ik twijfelachtig. De gevaarlijkheid wordt toch niet alleen door de zwaarte van het misdrijf bepaald; en ook kan de man ongevaarlijk zijn geworden.
In 1897 kwam op den Duitschen Juristentag de vraag aan de orde, of voor verjaring in het strafrecht nog meer noodig is dan zeker tijdsverloop. Twee prae-adviezen verschenen daarover. Het eene van Högel (Verhandl. des Vierundzwanzigsten Deutschen Juristentages, dl. II, bl. 134 en volgg.), die de vraag ontkennend beantwoordde; het andere van Lammasch (t.a.p., dl. II, bl. 104 en volgg.), die den eisch wilde zien gesteld, dat ook in den tusschentijd geen misdrijf zij gepleegd.
Vonachten (Die Verjährung im Strafrecht (1895), bl. 2) meent, dat ook bewijs van positieve beterschap gevorderd mag worden. Te meer,

|115|

daar het niet-gepleegd hebben neerkomt op het niet-bekend geworden zijn van eenige strafbare daad. Terwijl Bühler (Die Verjährung im Strafrecht mit bes. Berücksichtigung der schweiz. Strafgesetze (1893), bl. 34/35) en Aug (Die Verjährung der Strafverfolgung (1900), bl. 10) er nog op wijzen, dat het voortduren der slechte gezindheid zou kunnen blijken uit handelingen, die niet onder de strafwet vallen.

328) Garofolo verklaart (t.a.p., bl. 400) niet te begrijpen, hoe gratie gegeven kan worden zelfs in geval van een delict in strijd met de natuurlijke wetten der maatschappelijke organisatie. De Regeering moest volgens hem aansprakelijk worden gesteld voor de latere misdrijven, bedreven door boosdoeners, die zij begenadigd heeft.

329) Hoe abnormaler het individu, zoo wordt gezegd, hoe gevaarlijker. Ferri wraakt het, dat de verantwoordelijkheid juist wordt opgeheven, waar zij het minst noodig is; „c’est-à-dire dans les cas d’intelligence anormale et partant plus dangereuse!”
In gelijken trant Zürcher.
Men spreekt daarbij echter, alsof het beperken en uitsluiten van straf geheel hetzelfde is als terzijde zetten van eiken maatregel van anderen aard. Men straft den krankzinnige niet; men stelt hem niet verantwoordelijk. Dat wil echter niet zeggen, dat men hem verder onbelemmerd laat gaan. Op deze eenvoudige waarheid wijst ook De Baets, t.a.p., bl. 318 en volgg..

330) O.a. door Mr. Simons in De Gids (April 1900), bl. 80. Ook door Mr. de Roos, t.a.p., bl. 103: „Opsluiting schijnt de panacee voor alle misdaad.”

331) Die Zurechnungsfähigkeit (1899), bl. 23.

332) In dit opzicht is merkwaardig wat Von Liszt, Z., dl. XVII, bl. 82-84, schrijft. Na verklaard te hebben, dat de onverbeterlijke niet vatbaar is voor de inplanting van motieven, en dat er eigenlijk geen onderscheid moet wezen tusschen de behandeling derzulken en die van ongeneeslijke en voor anderen gevaarlijke krankzinnigen, — betoogt hij dan, dat men in de toepassing van dat wetenschappelijke resultaat voorzichtig moet zijn. Het oordeel van het volk wordt nog in de eerste plaats bepaald, niet door de anti-sociale beteekenis der daad, maar door de overgeleverde individueel-ethische beschouwingen. Waarom het geraden is voorloopig eene uiterlijke scheiding te houden tusschen tuchthuis en asyl voor die krankzinnigen, terwijl voorts binnen de inrichtingen dezelfde geest kan heerschen; „der Geist wohlwollender Milde, fürsorgender Pflege.” Alleen het etiket moet verschillen. Zoo wordt het publiek gefopt.

333) Probleme des Strafrechts (1896), bl. 6.

334) Philosophie du droit pénal, 4de dr. (1894), bl. 91.

335) Reden und Aufsätze. Neue Folge (1881), bl. 41.

336) Z., dl. XVI, bl. 125.

|116|

337) T.a.p., bl. 14.

338) Mitt., dl. V, bl. 346.

339) Z., dl. XII, bl. 17. Hij komt, blz. 14/15, op tegen de bewering van Ashrott, dat de wet niet uitdrukkelijk zegt, welk doel de straf beoogt, en daarom zonder bezwaar daarbij de denkbeelden van afschrikking en verbetering verwezenlijkt kunnen worden.

340) Richting en beleid der liberale partij (1886), bl. 9.

341) T.a.p., bl. 100 en volgg.. Misschien zou bij iemand eenige vrees kunnen ontstaan voor de gevolgen van dit ter zijde zetten van de wet door den rechter. Doch Mr. Hamaker stelt gerust. „Voor willekeurige rechtspraak behoeft daarbij geen vrees te bestaan. Het zijn alleen bekwame rechters, die door de wet heen de maatschappij zelve weten te zien en dat, wat zulk een rechter stelt in de plaats van de gebrekkige wet, is niet een hersenschimmig meenen, maar eene betere wetenschap.” Is dit ernst?
Tot dusver werd juist hoog geacht de rechter, die aan de stroomingen en invloeden der maatschappij weerstand wist te bieden, en daartegenover zich hield aan de wet.

342) Staats- en Strafrechtelijke Opstellen (1897), bl. 5.

343) Inleiding tot de studie van het Ned. Strafr., dl. I (1895), bl. 330.

344) Was will, was wirkt, was soll die staatliche Strafe? (1897), bl. 21: „Mögen die Richter dieser oder jener Grundauffassung von der Strafe huldigen, sie dürfen keine Gedanken in das Gesetz hineintragen, die nicht Gedanken des Gesetzgebers sind, sie sollen den erkannten Willen des Gesetzes ganz zur Ausführung bringen.”

345) Zie ook Zürcher, Grundlagen eines einheitlichen Strafrechts (1892), bl. 38.

346) T.a.p., bl. 91.

347) Paroles d’un révolté, blz. 241 (aangehaald bij Proal, La criminalité politique (1895), bl. 50/51.

348) In verband daarmee staan ook de nieuwe indeelingen van misdadigers.
Wahlberg is begonnen met de verdeeling te maken van gelegenheids- en gewoonte-misdadigers.
De Duitsche afdeeling der Intern. krim. Ver. splitst in gelegenheidsmisdadigers en toestand-misdadigers; de laatsten onderverdeeld in verbeterbaren en onverbeterbaren. Evenzoo Von Liszt (Lehrbuch, bl. 60); Medem (zie Ferri, Sociol. crim., bl. 122 noot 4).
Prins onderscheidt in drieën: gelegenheidsmisdadigers, gewoontemisdadigers en anormale misdadigers, welke laatsten eigenlijk tot de tweede categorie behooren, maar afzonderlijk worden gesteld, omdat op hen afstuit alle poging tot verbetering, gegrond op normale gevoelens, en hun daarom eenvoudig belet moet worden kwaad te doen. (Science pénale et droit positif, bl. 19/20)

|117|

Minzloff in vieren. Ferri heeft eene vijfledige groepeering, volgens hem door de overgroote meerderheid der Italiaansche positivisten aangenomen, en waarmee ook Dr. Wijnaendts Francken instemt (T. v. S., dl. XII, bl. 365): gelegenheidsmisdadigers; misdadigers uit hartstocht, krankzinnige misdadigers, geboren misdadigers, en misdadigers uit verworven gewoonte. Colajanni heeft als zesde soort nog den politieken misdadiger. (Ferri, bl. 127) Dr. Wijnaendts Francken verwerpt dit. De politieke misdadiger is òf een normaal mensch met van de groote menigte afwijkende overtuigingen, of behoort onder eene der genoemde categoriën thuis.
Nog tal van andere verdeelingen vindt men bij Ferri, t.a.p., bl. 119 en volgg..
Deze verdeelingen raken in hoofdzaak meer de misdadigers naar de bron, de oorzaak van het misdrijf, voorzoover hun persoon betreft.
Die in verbeterbaren en onverbeterbaren meer de misdadigers met het oog op het effect, dat van de „straf” verwacht wordt.

349) Gerichtssaal, dl. XLVI, bl. 25/6 Hij schrijft aldaar: „will ich mir das Bild der von einigen Zeitgenossen geträumten künftigen Rechtsentwicklung einigermaszen anschaulich machen, so treten mir etwa folgende nebelhaftige Gestaltungen vor die Seele. Eine delictische Handlung als solche, das Verbrechen als concrete That hat an sich seine besondere rechtliche Bedeutung verloren. Was geschehen ist, ist geschehen, und läszt sich eben nicht mehr ungeschehen machen. Aber das Delict behalt seine anthropologisch-sociologische Bedeutung. Das Geschehnisz beweist symptomatisch, dasz in der Gesellschaft etwas nicht in Ordnung ist. Ein Individuum, das sich bisher in der grauen gleichgültigen Masse verloren hat, ist plötzlich durch normwidriges Handeln zu einem sociologisch interessanten Phänomen geworden. Also wird es ergriffen und vivisecirt. Man untersucht genau, woran es ihm fehlt, ob an physischer oder an psychischer Kraft, an geistigen oder an sittlichen Defecten, an der Lange des Hinterhauptlappens oder an Eisen im Blut, an Arbeitslust oder an Arbeitsgelegenheit; wesz Geistes Kind die Eltern gewesen, wie die Erziehung beschaffen war, von welcher Art seine Aufführung in Haus und Familie. Nachdem man solchergestalt sich eingehend mit dem „Verbrecher” beschäftigt und seine Charakteristik oder Krankheitsgeschichte, oder wie dieser „soziologische” Thatbestand sonst heiszen wird, festgestellt hat, schreitet man zur Fällung des Urtheils. Dem allweisen Gebieter, welcher die „sociologische” Entscheidung abzugeben hat, stehen eine Reihe der verschiedenartigsten, sinnreichsten Heilanstalten und wohlthätigsten Kurorte zur Verfügung, die einen mehr zur Kräftigung der intellectuellen Organe, andere Sanatorien für Aberziehung sittlicher Defecte, bedenklicher Temperamentsfehler u. dgl., wieder andere für Anerziehung der eigentlich socialen Tugenden, des Gemeinsinns, des Altruismus u.s.w. Danach verordnet er dem verbrecherischen Patienten diese oder jene Kur für kurze oder lange Zeit. Da sich der Erfolg derartiger Heilversuche

|118|

niemals mit Sicherheit vorausbestimmen läszt, wird fernere Beobachtung und erneute Untersuchung durch die Experten unumgänglich sein. Davon wird es dann abhangen, ob und wann endlich von maszgehender Instanz das Schluszurtheil dahin ergeht, der „Verbrecher” sie als geheilt zu entlassen, oder als unheilbar dort oder dorthin zu verweisen.”

350) Het hiervoren aangehaalde, onder het opschrift: Bemerkungen über das Rechtsprinzip der Zweckstrafe, in Z., dl. XII, bl. 573 en volgg..

351) Mitt. der Intern. krim. Ver., dl. VI, bl. 387.

352) De Jure belli ac pacis, lib. II, cap. 20 en 21.

353) De Cive, cap. 6 en cap. 13; Leviathan, cap. 28.

354) Two treatises of Government, II, § 87.

355) Du Contrai social, boek II, cap. V: „C’est pour n’être pas la victime d’un assassin que l’on consent à mourir si on le devient.

356) Dei delitti e delle pene, § XXVII.

357) T.a.p., dl. II, § 20.

358) Metaphysische Anfangsgründe der Rechtslehre, bl. 202.

359) T.a.p., bl. 37/38.

360) Lehrbuch, 10de dr. (1900), bl. 56. En zoo ook in de rede, waarmede hij 27 Oct. l.l. het hoogleeraarsambt te Berlijn aanvaardde: „Eine philosophische Betrachtung aber, die sich nicht damit begnügt, die Rechtfertigung der Strafe in ihrer Notwendigkeit für die Aufrechterhaltung der Rechtsordnung und damit des gesellschaftlichen Lebens selbst zu erblicken, die vielmehr jenseits von Staat und Recht im Absoluten nach dem festen Punkt sucht, auf den sie den stolzen Bau einer aprioristischen Strafrechtswissenschaft stützen möchte, eine solche Betrachtung lehne ich schlankweg ab.” (Z., dl. XX, bl. 172)
Toch doet niet het minst wat Von Liszt schrijft de vraag rijzen, of niet dit z.g. apriorisme voor het bestaan der strafrechtswetenschap onmisbaar is. Von Liszt wil niet gaan buiten Staat en recht. Maar juist van dat recht wordt zoo weinig gevonden.

361) De Gids (April 1900), bl. 63.

362) Herold wijst er op, dat, zoo alleen speciale preventie wordt bedoeld, om de maatschappij te beveiligen, geen strafmiddelen van „intensiver Härte” noodig zijn; „die reine Schutzstrafe genügt, um die Begehung schädlicher Handlungen unmöglich zu machen.” (bl. 579)

363) T.a.p., boek II, cap. 5

364) T.a.p., dl. II, bl. 122.

365) Handbuch des deutschen Strafrechts, dl. I, bl. 317 en volgg. (aangehaald Z., dl. XII, bl. 581).

366) T.a.p., 4de dr., bl. 88.

367) T.a.p., 4de dr., bl. 259.

|119|

368) T.a.p., bl. 59.

369) T.a.p., bl. 109.

370) De Gids (April 1900), bl. 57.

371) T. v. S., dl. X, bl. 25. De cursiveering is door mij gedaan.
In gelijken trant liet Mr. Simons zich uit in De Gids (April 1900), bl. 73, waar hij van hen, die als hij de straf beschouwen als een middel, dat de Staat voor zijne taak behoeft, schrijft: „Door het hoogere gemeenschapsbelang offeren zij, noode, individueele belangen op.”

372) Mr. Simons in De Gids (April 1900), bl. 78.

373) Z., dl. III, bl. 5.

374) Was will, was wirkt, was soll die staatliche Strafe? (1897), bl. 3 noot 1.

375) Z., dl. XX, bl. 161 en volgg,.

376) Jaarg. 1899, dl. IV, bl. 515 en volgg..

377) Mitt. der Intern. krim.-Ver., dl. IV, bl. 8, 15, 19.

378) Mitt., t.a.p., bl. 15.

379) Der Zweck im Recht, dl. II (1e dr.), bl. 123.

380) Ferri, La Sociologie criminelle, bl. 590.

381) Aangehaald door Proal, La Criminalité politique (1895), bl. 51.

382) Système de la nature, 1e ged., hoofdst. XII (aangehaald door Proal, t.a.p., bl. 71).

383) Zie over dit geschrift Hertz, Voltaire und die Französische Strafrechtspflege im achtzehnten Jahrhundert (1887), bl. 448 noot 2; Günther, Die Idee der Wiedervergeltung, afd. II (1891), bl. 194.

384) T.a.p., bl. 392.

385) T.a.p., hoofdst. VI (aangehaald door Proal, Le crime et la peine, 2de dr. (1894) bl. 5).

386) L’homme machine, blz. 60 (aangehaald door Proal, t.a.p., bl. 6).

387) Système de la nature. 1e ged., bl. 237, 230 (aangehaald door Proal, t.a.p., bl. 6).

388) Strafrecht en strafrechtspraktijk vóór de Fransche Revolutie, bl. 23 en 30.

389) Bijdrage tot herziening der Grondwet in Nederlandschen zin, bl. 71/72.

390) Der christliche Staat und sein Verhaltnisz zu Deismus und Judenthum, bl. 17.

391) De gedachte, dat de Heilige Schrift de vergelding leert als beginsel der straf wordt in het licht gesteld door Mr. J. Domela Nieuwenhuis, De verhouding van den Christen tot het vergeldingsbeginsel der straf, in Stemmen uit de Luthersche Kerk in Nederland, 3de jaarg (1897) bl. 1 en volgg..

|120|

392) Matth. VIII: 12; XIII: 42 en 50; XXII: 13; XXIV : 51; XXX : 30. Lukas XVI: 19 en volgg..

393) Galaten III: 10.

394) Colossensen III: 25.

395) 1 Thessalonicensen II: 6.

396) T.a.p., bl. 333/34. Hij maakt ook omtrent het leeren kennen van den misdadiger deze opmerking, blz. 342: „Si l’on commence par le soumettre à des mesures anthropométriques, pour examiner le crâne et ses déformations, par le soumettre à une étude dont il est humilié et vexé, on peut être certain que l’on n’obtiendra plus de lui que de la dissimulation.”

397) Romeinen VIII: 19-22.

398) Formulier van de Gereformeerde Kerken voor het Heilig Avondmaal.

399) Joh. III: 16.