Bos, F.L. (1950) Art. 4c

Art. 4c.

Ten derde, in de approbatie en goedkeuring van de lidmaten der gereformeerde gemeente van de plaats, wanneer, de naam des dienaars de tijd van veertien dagen in de kerk afgekondigd zijnde, geen hindernis daartegen komt.

Ook de leden der gemeente bezitten het recht en de verantwoordelijkheid om den verkozene naar de maatstaf van Gods Woord te keuren.

“(Matthias) werd met aller instemming onder de elf apostelen opgenomen” (Hand. 1: 26).

“Of de beroeping van een prediker mag geschieden zonder vrije, openlijke toestemming van de gemeente...? Er wordt geantwoord, dat geen predikers zonder toestemming der gemeente ... enige pastorieën of kerkedienst mogen aanvaarden of betreden, en dat de roeping van hen die daartegen doen, van nul en gener waarde zal gehouden worden” (Groningen 1607).

Om deze keur te kunnen uitoefenen, ontvangt de gemeente gedurende veertien dagen de gelegenheid om eventuele, op Gods Woord gegronde bezwaren in te dienen bij de kerkeraad.
Opdat de afkondiging niet in een onbegrepen formaliteit ontaarde, behoort de bedoeling daarvan uitdrukkelijk te worden vermeld.

“Om het (kerk)volk bij zijn recht en vrijheid te handhaven, zullen de benoemde en geëxamineerde dienaren in de volle samenkomst der gemeente worden uitgeroepen, en gedurende vijftien dagen zullen zij die erkend zijn voor ten avondmaal gerechtigde leden der kerk worden opgewekt om oprecht en in goede conscientie te verklaren of zij enige billijke oorzaak weten ter verhindering dat de benoeming zou worden bekrachtigd en de benoemde personen hun als dienaars gegeven zouden

|30|

worden, wat geschieden moet voor de kerkeraad, aan het oordeel waarvan de redenen van bezwaar onderworpen zullen zijn.
En in geval er in de gemeente enig geschil over ontstaat, zal alles worden onderworpen aan de beslissing van classis of synode.
Als er geen bezwaren worden kenbaar gemaakt, zal het stilzwijgen van het (kerk)volk gehouden worden voor goedkeuring” (Waalse Syn. v. Dordrecht 1577).

“De dienaars aldus beproefd en verkoren zijnde, zullen ... aan de gemeente (gedurende) de tijd van veertien dagen voorgesteld worden, opdat, zo iemand iets had, (deze) hetzelve onverhinderd mocht naar voren brengen. Hetwelk hij in tijds bij de kerkeraad doen zal, opdat dezelve met sommigen uit de classe 1) daarvan rijpelijk oordelen moge. En zo niemand iets naar voren brengt, zal het zwijgen voor bewilligen geacht worden” (Dordrecht 1578).

1) De kerkeraad doet verstandig, het advies van den consulent in te winnen.