Fabius, D.P.D. (1880)

Het Goddelijk karakter van het recht
Amsterdam
J.H. Kruyt
1880

Rede, uitgesproken door Mr. D.P.D. Fabius, op 21 October 1880, ter inwijding van den Leerstoel in het Staatsrecht, de Rechtswijsbegeerte en het Canonieke Recht aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Fabius, D.P.D. (1880) [Inl]

|5|

 

 

Zeer geëerde Heeren Directeuren dezer School.
Hooggeachte Heeren Curatoren.
Hooggeleerde Heeren Ambtgenooten.
Zeergeleerde Heeren Doctoren in eenige wetenschap.
Weleerwaarde Heeren Bedienaren des Goddelijken Woords.
En gij allen, die deze plechtigheid met uwe tegenwoordigheid vereert.
Zeer geachte Toehoorders!
Zeer gewenschte Toehoorderessen!

 

Niet zelden heeft onder de belijders van den Christus eene groote mate van schroomvalligheid bestaan, om zich te mengen in de dingen van den Staat. Wat de politiek aangaat, is dit zeer bekend. En hoezeer er al, de dagen, die we thans beleven, met vorige tijden vergeleken, ook in dit opzicht veeleer tot blijden danktoon dan tot droeve klacht aanleiding zij, toch behoeft daarom niet te worden verheeld, dat nog, zij het al met fluisterende stem, de vraag soms wordt herhaald, of het voor wie van Christelijken huize is en de plant, door Hooger Hand gepoot, in haar wasdom niet wil storen, niet raadzaam is te achten, zich van het Staatstooneel verre te houden; zooveel slechts doenlijk iedere beslommering van politieken aard te mijden; en zich een hoog-Christelijk standpunt te kiezen, waar men te zeer boven het gewoel der staatkundige partijen verheven is, dan dat het kleed nog zoude kunnen worden

|6|

bemorst door het slijk, dat opspat tegen een ieder, die deel neemt aan dien strijd.

En niet alleen de staatkunde, maar ook het recht; in wetenschap zoowel als in practijk; heeft het soms moeten verduren, onder beschuldiging van op anderen wortel te stoelen, dan waaruit het geestelijk leven zijne sappen trekt, ter poorte van het Christelijk erf te worden uitgeleid. Verwonderen mag dit niet; althans indien moet worden toegestemd, gelijk wel is beweerd geworden, dat verdediging der zelfzucht grondgedachte van het recht is, waardoor dit veeltijds machtiging verleent tot wat, naar het heiliger meetsnoer van zedelijkheid geoordeeld, de proef niet kan doorstaan; en dat, naar gelijken trant, wie aan de rechtspraktijk zich wijdt, zich liefst een doek voor de oogen moet doen binden, nu niet om zonder aanzien des persoons te spreken, maar om het vlammend schrift van Godes Wet te ontgaan.

De Universiteit, die vóór weinige uren werd ingewijd, en aan welke als buitengewoon hoogleeraar in staatsrecht, rechtswijsbegeerte en canoniek recht verbonden te worden, de eere was, voor mij weggelegd, is een protest van niet onzeker geluid tegen genoemde vruchten der onhelderheid. Van hen, die ook door hunne tegenwoordigheid te dezer plaatse van hunne belangstelling in die Stichting doen blijken, mag daarom worden voorondersteld, dat zij, wel verre van in die strikken te zijn verward, zullen instemmen met een Rennecke, waar deze de noodzakelijkheid voor den Christen bepleit, om niet ganschelijk onkundig te blijven van het leven van den Staat, zal hij niet grootelijks gevaar loopen om zich, uit gebrek aan liefde voor, telkens te stooten aan een door God Almachtig besteld instituut 1). En wel zou het Gereformeerde standpunt de breede opvatting verloochenen, daaraan immers eigen, zoo het niet ook aan het recht een plaats der eere gunde, wijl een plicht des verheerlijkens daaraan toeschrijvende.

Zoo moge ik dan, M.H., U uitnoodigen mij te volgen, waar ik,


1) C.H. Rennecke, Die Lehre vom Staate. 1850. S. 1 u. 2.

|7|

zij het ook slechts in vluchtigen trek, U zal pogen te wijzen op het verband, waarin het recht zich tegenover God den Heere heeft te weten. Een onderwerp, naar ik meen, aan deze ure passend. Aangewezen toch voor de inwijding van den leerstoel, die nog — zij het slechts kort! — de eenige is, die in de rechtsgeleerde faculteit dezer Stichting werd bezet, kwam zij mij voor te eischen de te behandelen stof binnen de grenzen dier wetenschap te kiezen, waarin, naar het Michelet van de rechtswijsbegeerte getuigt, de wetenschap des rechts in haar geheelen omvang tot den hoogsten bloei komt 1). En lettende levens op het karakter der Vereeniging, door wie deze School geslicht werd, alsmede op den nood, — het ontrukken van Staat en recht aan hooger beginsel, — die ook den mij toegewezen leerstoel vestigen deed, zoo geloof ik mij niet verre buiten den daardoor als van zelve getrokken kring van gedachten te bewegen, wanneer ik achtereenvolgens tracht te ontwikkelen,

ten eerste: het verheven karakter van het staatsgezag; het goddelijk recht dier heerschappij;

ten andere: hoe de wijding, die aan het positieve recht naar deszelfs bestemming toekomt, en die verkeerdelijk soms geacht is hierin te bestaan, dat dit recht kopie heeft te zijn van eene hoogere, z.g. natuurlijke of goddelijke, regeling der rechtsbetrekkingen welke, al mag zij dit niet openbaren, nochtans in zich zelve aan de voorwaarden van bindend aanzien voldoet; —

veeleer; en dit ten derde; hierin ligt, dat het positieve recht, eene zelfstandige vertolking van gedachten Gods, Diens Wet, en wel naar eigen trant, verkondigen moet.

Of; op eenigszins andere wijze uitgedrukt; dat, ofschoon wel een droit divin bestaat, er niet een goddelijk recht in den zin van een natuurrecht is, waarvan het dusgenaamde positieve recht afdruk zou moeten wezen, en daarom van verheven bestemming, maar dat dit deswege een heiligen stempel heeft, wijl zich Godes Wet, ofschoon die noch in haar vollen omvang, noch in hare eigenlijke diepte


1) C.L. Michelet, Naturrecht oder Rechts-philosophie, 1866. Bd. I. S. 1.

|8|

door den Staat kan worden afgedwongen, wel daarin afspiegelen moet en alzoo het recht aan de glorie des Heilands dienstbaar maakt, naar de uitspraak der Heilige Schrift, dat de Wet de tuchtmeesteresse is, die tot den Christus leidt.

Aan het geheel moge ik dan dezen titel geven: het goddelijk karakter van het recht.

Fabius, D.P.D. (1880) [I.]

 

Het „bij de gratie Gods”, zinrijke formule, waarmee Neerlands Souverein 1) telkens plechtiglijk den grond van zijn gezag omschrijft, drukt het wezen uit van iedere zelfstandige; in tegenstelling van bedienende; macht, en is eene leuze van hoog gewicht ook voor de onderdanen, „gelijk zij strekt,” dus sprak de christen-staatsman Groen van Prinsterer, „ter inscherping van pligten en regten, van regten, wier handhaving onder de rei der pligten behoort” 2).

Tot vleitaal leent zich deze formule uit haar zelve weinig, al meenen dit wellicht zij, in wier geest, als van een droit divin gesproken wordt, de schrikbeelden rijzen van een gezag, dat alle gebondenheid aan eene volksvertegenwoordiging, als niet te dragen teugel, zich afschudt; nergens paal of perk voor zijne willekeur ontmoet; dat het volk te


1) Tegenover hen, die de souvereiniteit van Oranje ook onder de thans bestaande grondwet verdedigen, is vaak aangevoerd geworden, dat de grondwet nergens van souvereiniteit spreekt, en bepaaldelijk in art. II dier wet alleen van kroon wordt gewaagd. Raadpleegt men echter de geschiedenis, dun blijkt, naar het mij voorkomt, zeer duidelijk dat, gelijk ook Mr. Groen van Prinsterer in zijn Verscheidenheden over Staatsregt en Politiek (1850) heeft aangetoond, de verandering van het woord souvereiniteit, hetwelk in de grondwet van 1814 voorkwam, in het woord kroon, gelijk in de grondwet van 1815, onder welke, herzien in 1840 en 1848, wij nog leven, — geschreven staat, geene andere bedoeling heeft gehad, dan uit te drukken, dat de Souverein een gekroond, en daardoor in luister verhoogd, Souverein was geworden. Het verblijdde mij daarom te zien, dat, nadat ik getracht had zulks uiteen te zetten in mijn akademisch proefschrift: De Leer der Souvereiniteit (bl. 477-491), de hoogleeraar Mr. J. baron d’Aulnis de Bourouill in zijne aankondiging van dat geschrift (Themis, 2de stuk, 1880. bl. 321) niet geschroomd heeft zich aldus uit te laten: „met het opdragen der Kroon aan Oranje werd, — Mr. Fabius bewijst het uitvoerig uit de geschiedbronnen van dien tijd — slechts bedoeld de souvereiniteit in praal en glans te verhoogen, door onzen Vorst te doen plaats nemen onder de gekroonde Hoofden van Europa.”
2) Ongeloof en Revolutie, 2de uitg., bl. 50.

|9|

dienen heeft als een slaaf zijn meester; en waaraan het hulde moet brengen, wijl het voeren van den scepter, bij von Haller nog slechts een gevolg van eigen rijkdom en anderer nood, veeleer aanwijzing zoude zijn van het bezit der uitnemendste eigenschappen, zoo van hart als van hoofd. Voor wie in één woord, — zelfs een von Holtzendorff schijnt nog tot hen te behooren 1), — het goddelijk recht der overheid den klank heeft, als sprak men van eene overheid, die recht heeft, wijl zij, zoo niet God, dan toch Hem meer dan anderen nadert.

En toch, hoe weinig recht heeft men zich zulk een beeld te vormen!

Geen volkssouvereiniteit en geen trias politica zijn noodig om voor de volksvertegenwoordiging eene macht te winnen tegenover de kroon. Evenmin als de voogd de goederen van het minderjarig kind in gemeenschap met den rechter verkoopt, wijl hij diens toestemming tot den verkoop behoeft, erlangt de volksvertegenwoordiging eene plaats op den troon, wanneer het staatsgezag in menig opzicht aan haar goedkeuring is gehouden 2). En wel is het moeielijk


1) Men zie zijn geschrift: Die Principien der Politik, 1869. S. 154.
2) Het voorbijzien van het belangrijk verschil, dat ook door den Hoogleeraar d’Aulnis t.a.p. geenszins wordt ontkend, tusschen het gemeenschappelijk verrichten eener daad, en het verrichten eener daad met goedkeuring van een ander, — heeft er wellicht toe geleid, dat in art 104 der grondwet de samenwerking van Koning en Kamers op deze, naar Mr. J.A. Levy’s oordeel (Cf. diens opstel: Een keerpunt in de wetenschap van het Staatsrecht, opgenomen in de Nieuwe Bijdragen voor Rechtsgeleerdheid en Wetgeving. 1880. N°. 1. bl. 94), „gedrochtelijke wijze” wordt uitgedrukt, dat de wetgevende macht door Koning en Staten-Generaal gezamenlijk wordt uitgeoefend. Althans dunkt mij een beroep op dit artikel een zeer zwak argument tegen de bewering, die ik in mijn academisch proefschrift (bl. 521-542) heb gepoogd te verdedigen, dat in onze grondwet de eenheid der souvereiniteit nog is bewaard gebleven. Bepaaldelijk staat art. 54 aan die bewering geenszins in den weg. Zelfs spreekt dat artikel ten gunste der ongedeeld den Koning toekomende souvereiniteit. Het is hier als wat in het Romeinsche recht werd bedoeld met het totus as in semisse (Instit. II. 14 § 5). In wezen is toch de uitvoerende macht onafscheidelijk van de wetgevende, gelijk al weder de wetgevende macht niets anders is dan de van eene zijde beschouwde souvereiniteit. Onder wetgevende macht wordt verstaan de bevoegdheid om bepalingen te ontwerpen, die met dwingend gezag zijn bekleed. Alzoo is uitvoering eenvoudig openbaring van wetgevende macht. En daarom is hij, die niet bloot de dienst van trechter bewijst, maar in wezen uitvoerende macht heeft, eo ipso wetgever. Ja, sterker nog, uitvoerende macht is eigenlijk eene ➝

|10|

met het „bij de gratie Gods” aan de overheid een macht van zóó ruimen omvang te achten toegekend, als Spinoza haar gaf, toen in den wijden kring, dien hij voor haar bevoegdheid trok, als het ware de droeve boodschap eener gansch onmondige menschheid weerklonk, — wanneer men bedenkt, dat dit goddelijk recht niet alleen aan het staatsgezag toekomt, maar evenzeer aan wie in eenigen anderen kring met de souvereiniteit is bekleed.

Doch ook biedt het goddelijk recht weinig voedsel aan wie uit eigen hoogheid met een stralenkrans wil prijken, gelijk het immers wordt uitgedrukt in het „Dei gratia”, oudtijds nog versterkt door het „etsi indignus peccator.” 1) En allerminst was het dan ook in


➝ anders uitdrukking voor wat ook wetgevende macht wordt genoemd; gelijk op haar beurt wetgevende macht kan worden gezegd eene andere uitdrukking te zijn voor het begrip van souvereiniteit. Derhalve wordt de souvereiniteit van Oranje, berustende op de historische opdracht in 1813, en uitdrukkelijk bevestigd in art. 11 der grondwet, ten gevolge van de ondeelbaarheid der souvereiniteit, ook geleerd in art. 54.
Aangenaam was het mij, korten tijd nadat ik in mijn proefschrift (bl. 97-172) de eenheid der souvereiniteit had gepoogd te bewijzen en (nl. 173 en volgg.) de stelling verdedigd had, dat ook de Koning in de constitutioneele monarchie zeggen kan: L’état c’est moi, wijl hij „de personificatie is der zelfstandige staatsidee, haar concrete verschijning” (t.a.p. bl. 177), voor een zeer belangrijk deel diezelfde gedachten terug te mogen vinden in het bovenaangehaalde opstel van onzen zeer kundigen landgenoot Mr. J.A. Levy.
Toch bestaat er nog eenig onderscheid tusschen de plaats, die deze schrijver aan de volksvertegenwoordiging in de constitutioneele monarchie toekent en die, welke zij naar mijn oordeel inneemt. Is zij naar mijne meening orgaan der maatschappij tegenover de Kroon, die de belichaming der staatsidee; het staatsgezag is; — bij Mr. Levy is zij echter met den Koning, die de drager der staatsmacht is, „één der organen van het Staatsgezag” (t.a.p. bl. 95). Naar het mij voorkomt is deze laatste qualificatie moeielijk overeen te brengen met de beteekenis, die de geachte schrijver aan het koningschap hecht. Drager der staatsmacht kan m.i. niemand anders zijn dan het staatsgezag. Het eene kan niet in wezen van het andere gescheiden worden. En van daar dan ook, dat elke macht die den drager der staatsmacht beperkt, uitteraard eene macht is buiten het staatsgezag. De Kroon — het staatsgezag; de volksvertegenwoordiging — orgaan der maatschappij; dunkt mij nog immer de zuiverste verklaring der constitutioneele monarchie, zij het al, dat de Russische geestelijkheid, van welke Thiersch spreekt (Ueber den christlichen Staat, 1875. S. 22) hierin wellicht eene bevestiging van haar gevoelen zou hebben gezien, dat iedere beperking der alleenheerschappij eene manichaeïstische ketterij is.
1) Cf. H. Schulze, Lehrbuch des deutschen Staatsrechts, Erste Lieferung, 1880. S. 194 noot 1.

|11|

tegenspraak met de belijdenis van een droit divin, toen, naar ons Voetius verhaalt 1), Frankrijks welbekende Koning Hendrik IV, na zich te hebben afgevraagd, wat Gode behagelijks er in hem mocht schuilen, dat hij zoo zeer verheven was boven de duizenden, ter zelfder tijd als hij geboren, erkende zijn voorrecht alleen aan Gods genade te danken, Wien hij dan ook, — dit sluit zich aan bij wat ik straks U aanhaalde van Mr. Groen van Prinsterer, — te ijveriger te dienen had, wetende dat niet klein zijn de gebreken der grooten.

Wie het goddelijk recht der overheid huldigt, verklaart daarmee te gelooven in een God, Die de bron is van alle gezag; ja Die, in wezen (wezenlijk is wat eeuwig bestaat), de eenige overheid is; Wien het echter heeft behaagd afbeeldsels Zijner heerschappij te scheppen in gezagskringen, binnen wier omtrek de souvereiniteit langs natuurlijken weg aan menschen is opgedragen, die nu, wijl niet lasthebbers, maar beelddragers van den regeerenden God, een zelfstandig gezag bezitten, zoodat, mits zij, — dit echter is stellige voorwaarde, — blijven binnen de grenzen van hun gebied, naar den Wille Gods, gehoorzaamheid moet worden betoond, zelfs wanneer het gebod bij Hem geoordeeld is, gelijk immers niet ééne wet geheel aan de bezoedeling door de zonde ontkomt.

En ligt in het geschapen zijn des gezags door God, en wel naar den beelde Zijner heerschappij, maat en regel voor de openbaring der macht, — zij, die met de souvereiniteit zijn bekleed, hebben dit niet als teeken hunner hoogheid, met hunne persoonlijkheid gegeven, maar immer geldt van hunne macht, gelijk het Bossuet den vorsten voorhield: „Elle vous est appliquée par le dehors.” Niet als bij God Almachtig, uit eigen wezen voortkomende, maar hun van buiten opgelegd, elle vous laisse, dus gaat Frankrijks kanselredenaar in zijne aanspraak voort: „elle vous laisse mortels; elle vous laisse pécheurs; etc.” 2)


1) Cf. het met zooveel teederheid geschreven boeksken: Proeve van de kracht der Godzaligheid, 1628. bl. 219.
2) Cf. Mr. Groen van Prinsterer, t.a.p., bl. 50 noot.

|12|

Alle aardsch gezag is als de gasdamp, in den luchtballon verzameld, die straks het scheepken wel verre aan de aarde kan ontvoeren, maar zonder den reiziger te herscheppen lot een wezen, dat van nature in de wolken woont; welke damp ook, daar de levensbron is afgebonden, allen verderen toevoer mist, en vermindert naar gelang er van haar ontsnapt. Ja, eenmaal, bij het schallen der laatste bazuin, barst alle aardsch gezag als-een zeepbel uiteen, en wordt het openbaar, dat er in eigenlijke werkelijkheid geen ander gezag is dan de Souvereiniteit Gods; alle menschelijke heerschappij tot haar zich verhoudt als de uit de fontein opgevangen waterdruppel tot den stroom, die in steeds even rijken overvloed uit de springader in stralen opwaarts wordt geperst. En evenmin als de beker, waarin de druppel wordt bewaard, op ééne lijn met de bronwel is te stellen, kan wie met aardsch gezag bekleed is, in wezen zich meten met den Almachtigen God.

Dit is het droit divin; het „bij de gratie Gods;” in tegenstelling van de souvereiniteit van het individu, het heilloos grondbeginsel der Fransche revolutie, dat op zijn scherpe spitse ieder gezag doet kantelen, en, gelijk het onlangs zelfs in de gehoorzaal van Leidens Hoogeschool naar waarheid is gezegd, „van regeeringloosheid tot Caesarisme en van Caesarisme tot regeeringloosheid 1)" heeft gevoerd; of wel, ditzelfde uitgedrukt in herinnering aan Groen van Prinsterer’s zoo menigwerf herhaalde woorden: vrijheid en gezag beurtelings heelt doen stranden op de Scylla der revolutie en op de Charybdis der reactie.

Voorts wordt door de erkenning van het droit divin tevens de grens getrokken tusschen het Gereformeerd beginsel en de Roomsch-Katholieke leer, die, naar het een harer aanhangers heeft uitgedrukt: „von der ächt und konsequent protestantischen Erfindung eines „göttlichen Rechts” der Fürsten nichts weisz” 2), de instelling van


1) Mr. W. van der Vlugt, De wetenschap der gerechtigheid, Redevoering bij de aanvaarding van het Hoogleeraarsambt aan de Rijks-Universiteit te Leiden, bl. 42.
2) Cf. Phillips’ en Görre’s Historisch-politische Blätter für das Katholische Deutsch-land, 30ster Band (1852) S. 402. Stahl, Der Protestantismus als politisches Princip, S. 14 noot.

|13|

het staatsgezag als een zelfstandig instituut Gods, met eigen bestemming, loochent; dit ondergeschikt maakt aan de Kerk; en het alzoo onder de opperhoogheid des pausen stelt, wien de drager van het staatsgezag zelfs zijne aanstelling dankt naar het: Petra (Christus) dedit Petro, Petrus diadema Rudolpho.

De leer van het droit divin is echter evenzeer tegenstelling van het meenen, als zoude voor de onderwerping aan het staatsgezag geen hooger beginsel zijn aan te voeren, dan de verplichting om te voldoen aan wat door de rede wordt geëischt, waarbij het recht op gehoorzaamheid van het buigen voor die eischen afhankelijk blijft, tenzij wellicht in den trant der welbekende woorden uit Rousseau’s Contrat social: „on le forcera d’être libre 1)” der overheid het recht wordt ingeruimd den mensch te dwingen om vernunftmässig te leven 2).

En eindelijk kant zich dit droit divin almede zoowel tegen elk eeren der overheid om haar zelve, hetzij gelijk in de Grieksche wijsbegeerte, hetzij op het voetspoor van Schelling en Hegel, — als tegen ieder pogen om de heerschappij der overheid uit haar natuurnoodwendigheid te rechtvaardigen, wat, gelijk het Stahl zegt, wel eene „gouvernementale Gesinning” kan kweeken, maar niet de „Gesinning der Legitimität” 3); wel het conservatisme bevredigen kan, maar in het antirevolutionaire staatsrecht niet te huis behoort, wijl het der overheid haar luister rooft en den onderdanen de wijding der gehoorzaamheid.


1) Liv. I. chap. VII.
2) Terecht zegt Stahl, Die Philosophie des Rechts, vierte Aufl., II. 2. S. 185 noot **: „Aus der menschlichen Vernunft läszt sich nicht der Staat selbst, seine Vollmacht und Gewalt über die Menschen, ableiten, sondern nur eine Aufforderung (ein „Postulat”) für die Menschen, den Staat zu errichten, bez. ihm zu gehorchen. Es bedarf danach immer erst noch, dasz sie sich (ein Jeder) von der Aufforderung überzeugen und zu ihrer Erfüllung frei entschlieszen.” Mijn akademisch proefschrift bl. 90 en volgg.
3) Die gegenwärtigen Parteien in Staat und Kirche, S. 300.

Fabius, D.P.D. (1880) [II.]

 

Dit goddelijk recht ook van de overheid, die staatsgezag heet, of ook wel staat (deze laatste benaming wordt tevens gebezigd voor

|14|

de gemeenschap van souverein en onderdanen) heeft, — dit gevoelt men, — een anderen zin, als wanneer van een goddelijk recht gesproken wordt, gelijk dit sommigen doen in de beteekenis van eene door God Zelven gegevene regeling der rechtsbetrekkingen, waaraan; gelijk, naar men meent, door de idee des gezags wordt geëischt; om den inhoud eigenlijk het bindend aanzien toekomt.

Bedoelen toch zij, die een goddelijk recht ook in dezen zin leeren dit als eene tegenstelling van het positieve, in de menschelijke samenleving feitelijk bestaande recht, — in de eerstbesprokene opvatting duidt het den grond van het gezag der overheid aan; den goddelijken grondslag juist van de positieve, in de maatschappij aanwezige, overheid; naar het Woord der Schrift: „de machten, die er zijn, die zijn van God verordend 1).”

En nauwelijks zoude ik in enkele woorden het onderscheid van beteekenis beter weten aan te geven dan door te wijzen op het verschil van zin, bekend aan ieder, die in de wijsbegeerte des rechts niet volstrekt vreemd is, tusschen het droit divin en het natuurrecht, onder welke laatste benaming dit andere goddelijk recht mede voorkomt 2).


1) Rom. XIII: 1.
2) Cf. Krug’s Dikäologie, 1817. § 9. Terecht wijst ook deze schrijver er op, dat soms het goddelijk recht in nog engeren zin is genomen, en bepaaldelijk als het mosaïsche recht. In die beteekenis echter is het goddelijk recht niet eene tegen[over] van, maar zelf positief recht. Eindelijk wordt de uitdrukking van goddelijk recht ook gebezigd in den zin van een recht, eene aanspraak Gods tegenover den mensch, gelijk door de Bonald, toen hij zeide: „la révolution a commencé par la déclaration des droits de l’homme, elle ne finera que par la déclaration des droits de Dieu.” Dit is dan een overbrengen van het begrip van recht in subjectieven zin op de verhouding van den mensch tegenover God. Door Krug wordt het gewraakt op die wijze van een recht Gods te spreken. Ook deswege, wijl zoodanig recht uitteraard onbegrensd zou moeten wezen, en er van een recht van den mensch tegenover den Heere geen sprake kan zijn. Naar het mij voorkomt, straalt hier eene miskenning van de Verbondsleer door. Recht eenvoudig bedoeld als eene aanspraak op iets tegenover een ander, kan er door het Verbond Gods van een recht van den mensch tegenover den Heere gesproken worden.
Voorts wijst Falck er op (Juristische Encycopädie, 1851. § 61 noot 10) dat, waar de kerkvader Augustinus van een jus divinum en Isidorus (b.v. in zijne Originum seu  Etymologiarum libri XX, V. 2) van leges divinae spreekt, dit niet in scherp juridischen zin mag worden verstaan.

|15|

Ook voor het bestaan van zulk een goddelijk recht is menige lans gebroken, en nog werd vóór enkele maanden door Alberl Stöckl, der Roomsche kerk getrouwe zoon, de erkenning van zoodanig recht als eisch gesteld aan ieder, die in den God der openbaring gelooft; die erkenning verdedigd als de eenvoudige doorwerking, de toepassing van het geloofsbeginsel op het gebied van het recht 1).

En gewis, wanneer men in zoo zoete tonen ons weet voor te zingen van de eigenlijke rechtsregeling, die achter de wolken woont, niet bindende slechts als wilsuiting van een gezag, maar veeleer van wege hare innerlijke voortreffelijkheid, en die aanschouwd zou worden, zoo slechts dat floers zich voor een wijle scheurde, flonkerende als een stad uit het edelste keurgesteente geslepen, badende in eene zee van licht en pralende in al den glans der smettelooze heiligheid, — o, wiens harte zou dan niet trekken om in dit lied des verrukkens mede te jubelen?

Weest echter op uwe hoede. Soms schuilt een adder, waar uw voet dien het minst zoude vreezen. Ook het der kerke alle vastigheid ontrukkende: niet quia maar quatenus, — heeft velen eisch geschenen van het beginsel des gereformeerden geloofs.

Reeds vroegtijdig was van een natuurrecht sprake. Door de Sophisten, de Cyrenaeïsche school en de Sceptici werd in het oude Griekenland het beslaan van zulk een recht betwist. Aristoteles neemt het echter aan, waar bij onderscheidt tusschen het natuurrecht, dat overal moet gelden en het positieve recht, hetwelk zijn bindend aanzien niet aan zich zelf ontleent, maar van buiten erlangt. En wordt Carneades telkens genoemd als een der duchtigste bestrijders, die het natuurrecht in de oudheid heeft ontmoet, aan Zeno daarentegen, het hoofd der Stoïcijnsche school, worden de woorden in den mond gelegd: „naturalem legem divinam esse, etc. 2)”

Ook in het Romeinsche recht, en, naar Hugo meent 3), wat de


1) Das Christenthum und die groszen Fragen der Gegenwart auf dem Gebiete des geistigen, sittlichen und socialen Lebens, 1880. Zweiter Band. S. 70 u. folgg.
2) Cicero, De natura deorum, I, 14.
3) Lehrbuch der Naturrechts, als einer Philosophie des positiven Rechts, besonders des Privat-Rechts. Vierte Ausgabe, 1819. § 16.

|16|

uitdrukking aangaat, in navolging der Grieksche wijsbegeerte, — komt een natuurrecht voor. Ja, nauwelijks had de jongeling den dorpel van Themis’ tempel overschreden en zich aan de beoefening van de „totius legitimae scientiae prima elementa” gezet, of hem werd de schier woordelijk aan Ulpianus ontleende begripsbepaling geleerd: „Jus naturale est, quod natura omnia animalia docuit 1).” Omtrent den zin dezer woorden is men niet immer eenstemmig geweest 2), en gewis heeft in de middeneeuwen als begripsbepaling van het natuurrecht meer ingang gevonden de omschrijving, die in de zekerlijk aan geen canonist onbekende decretalen van Gratianus wordt aangetroffen, als zijnde het natuurrecht dat recht, „quod in lege et evangelio continetur.” Dat voorts bij het aanbreken van den nieuweren tijd de stroom van het natuurrecht niet was gestelpt, weet ieder, die ook slechts enkele schreden op het terrein der rechtsphilosophie deed. Ja, konde al Leibnitz aan zijn ook om de kracht zijns geheugens niet onvermaarden tijdgenoot Antonio Magliabecchi schrijven: „multi quidem tractavere jus naturac 3),” toch meen ik het samenhoopen van den „mullorum camelorum onus”, waarvoor in onze dagen zich ziet


1) Instit. I. 2. Princ. Deze definitie wordt aldus nader verklaard: „Nam jus istud non humani generis proprium est, sed omnium animalium, quae in coelo, quae in terra, quae in mari nascuntur. Hinc descendit maris atque feminae conjugatio, quam nos matrimonium appellamus; hinc liberorum procreatio atque educatio: videmus etenim cetera quoque animalia istius juris peritia censeri.” Eene andere bepaling van het jus naturale, van Paulus afkomstig, vindt men in I. 11 Dig. princ. I. 1: „id, quod semper aequum ac bonum est, jus dicitur, ut est jus naturale,” etc.
2) Het redelooze vee, zoo werd ook gezegd, kan niet subject van rechten wezen. Cf. H. Grotius, De jure belli ac pacis, 1625, I. 1. XI. 1. Door anderen is bedoelde uitspraak in minder strengen zin opgevat. Aldus ook von Savigny, die van oordeel is, dat men in die bepaling geenszins de toekenning van rechtsbevoegdheid ook aan dieren heeft te lezen, maar dat onder het jus naturale, gelijk dit t.a.p. in de Instituten voorkomt, eenvoudig dat recht is te verstaan, waarvan de grondstof niet uitsluitend den menschen eigen is. Cf. zijn System des heutigen Römischen Rechts, Erster Rand. S. 416. Vering, Geschichte und Institutionen des Römischen Privat-rechts. 3te Aufl. S. 12. Stahl t.a.p., II. 1. S. 233. Warnkönig, Juristische Encyclopädie, 1853, S. 59.
3) Leibnitii Opera omnia stud. Dutens. Tom. V. p. 118.

|17|

gesteld, wie aan het natuurrecht zijne aandacht wijdt, voor het grootste deel op rekening van het laatste tweetal eeuwen te mogen stellen.

Althans, wanneer men natuurrecht in den engeren, meer juridischen zin verstaat, waarin die term eerst later is gebezigd; Grotius gemeenlijk de grondlegger der natuurrechtsleer wordt geheeten; en het door mij werd bedoeld, toen ik het goddelijk recht in de beteekenis, waarin dit, als eene tegenstelling van het positieve recht, o.a. door Stöckl wordt geleerd, ook natuurrecht meende te mogen noemen. 1)

Men versta mij wèl. Ik erken zonder aarzeling, dat het onbillijk zoude wezen mannen als Stöckl en Schilling, zelfs wat dit punt aangaat, geheel op ééne lijn te stellen met de natuurrechtsleeraars van de vorige en het begin dezer eeuw. Maar hierin toch stemmen zij met hen overeen; en dit in afwijking van Stahl; dat zij tegenover,


1) Warnkönig geeft, in zijn Rechtsphilosophie als Naturlehre des Rechts, S. 6 u. folgg., een viertal beteekenissen op, die destijds nog aan het woord natuurrecht werden gehecht. En wel: a. die van een „wirklich existirendes und alle Menschcn verbindendes Recht (ein jus constitutum a ratione, a natura hominis, wohl auch a Deo);” b. die van rechtsideaal; c. die van eene „philosophische Kritik des positiven Rechts”; en d. die van eene philosophische Erörterung der letzten Gründe, der nothwendigen Bedingungen und der Natur alles Rechts.” Het is echter duidelijk, dat alleen in den eerstbedoelden zin van een eigenlijk recht, eene bindende regeling sprake is en, gelijk men straks zal zien, is het gevaar niet denkbeeldig, dat zulk een natuurrecht wordt ingevoerd, eenvoudig door de wetenschap der rechtsphilosophie met denzelfden naam te doopen.
Bij Kant bestaat verschil van beteekenis tusschen „Naturrecht” en „natürliches Recht,” edoch is deze onderscheiding niet dezelfde als die, welke Mevius in zijn Prodromus jurisprudentiae gentium communis (1671) maakt tusschen jus naturae en jus naturale (Cf. Hinrichs, Geschichte des Natur- und Völkerrechts, 1848. Bd. II. S. 124). Kant heet Naturrecht dat recht, hetwelk „auf lauter Principien a priori beruht,” in tegenstelling van het positieve recht, „was aus dem Willen eines Gesetzgebers hervorgeht.” (Cf. Metaphysische Anfangsgründe der Rechtslehre, 2te Auflage, 1781. S. XLIV) Dit Naturrecht nu wordt verdeeld in natürliches en bürgerliches Recht, „deren das erstere das Privatrecht, das zweyte das öffentliche Recht genannt wird”. Verkeerdelijk, zoo zegt hij, is soms het gesellschaftliche tegenover het natürliche Recht gesteld. „Denn dem Naturzustande ist nicht der gesellschaftliche, sondern der bürgerliche entgegengesetzt; weil es in jenem zwar gar wohl Gesellschaft geben kann, aber nur keine bürgerliche (durch öffentliche Gesetze das Mein und Dein sichernde), daher das Recht in dem ersteren das Privatrecht heiszt”. (t.a.p. S. LII) Gelijk men hieruit ziet heeft bij Kant das öffentliche Recht een zeer bijzonderen zin.

|18|

als het ware boven het positieve recht zich eene andere regeling denken, die dit recht geheel of gedeeltelijk bedekt, maar die, althans voor zoo veel zij dit positieve recht overschaduwt, de eigenlijke rechtsregeling of bindende ordening der rechtsbetrekkingen is. Het positieve recht is dan, naar bestemming, ten minste in zooverre het door het natuurrecht wordt overdekt, bloot de verklaring, de mededeeling hoe dit laatste luidt, gelijk het dan ook oorspronkelijk èn naam èn kracht alleen aan de overeenstemming daarmede dankte; dies, in strengen zin, geen recht meer is; zijn aanspraak zoo op titel als op bindend aanzien heeft verbeurd; telkens wanneer het van die zwevende, de eigenlijke, rechtsregeling afwijkt, en dan nog slechts deswege geëerbiedigd moet worden, wijl zulks de goede orde eischt 1).

Aldus de verhouding van het positieve recht tot een natuurrecht gedacht, behoeft het ons gewis niet te bevreemden, dat, durfde men al niet zóóver gaan van, gelijk sommigen deden, aan het positieve recht alle autoriteit te ontzeggen, wanneer het met het jus naturae in botsing was 2),


1) Men hoede zich het natuurrecht, ofschoon het ook wel voorkomt als „die Theorie der rechtlichen Verhältnisse in einem Naturstande . . ., wie dieser ohne Voraussetzung einer bürgerlichen Gesellschaft seyn würde” (Falck, t,a.p., S. 80), toch geheel met de voorstelling van zulk eenen aan de staatsvorming voorafgeganen natuurtoestand te verbinden. De noodzakelijkheid om het eerste begrip niet eenvoudig als een corollarium van het andere te beschouwen, blijkt o.a. hieruit, dat soms, gelijk b.v. bij Schilling (Lehrbuch des Naturrechts, 1859. § 17), het staats- en het volkenrecht binnen de grenzen van het natuurrecht betrekken worden, en zoo ook daarbij de tegenstelling van natuurlijk en positief wordt geacht voor te komen. In dien trant zegt ook Moser, waar hij de macht van de Duitsche rijksvorsten, de door de ontbinding van het voormalige Duitsche Rijk ook formeel souverein gewordene domini terrae, omschrijft, dat zij alle bevoegdheden hadden, die uit het natuurrecht volgen. (Cf. Schulze. t.a.p., S. 184) Ook bij hem dus bevat het natuurrecht niet alleen voorschriften voor den gewaanden toestand buiten het staatsverband, maar ook voor dit verband zelf. Cf. voorts Warnkönig, t.a.p., S. 6.
2) Gelijke kracht is soms ook aan het mozaïsche recht toegekend geworden. Zoo bepaalde de Jenaische Hofgerichtsordnung, dat de goddelijke voorschriften steeds den voorrang boven alle andere bepalingen zouden hebben, en hield men zich in de geestelijke rechtbanken vaak liever onmiddellijk aan de H. Schrift dan aan het canonieke recht. In denzelfden trant vraagde de Koning van Denemarken in 1756 het oordeel van de rechtgeleerde faculteit te Kopenhagen over de vraag, of er naar goddelijk recht gratie mocht worden verleend bij onopzettelijken doodslag, en in 1770 omtrent dit punt, of dispensatie kunde worden gegeven tot het huwelijk met de weduwe van den stiefgrootvader van vaderszijde. Cf. Falck, t.a.p. § 60.

|19|

men toch dit heeft gevraagd, dat zoo zich in het eerste eene leemte voordeed, althans in dat geval het natuurrecht van kracht zoude wezen, gelijk dan ook door de Oostenrijksche wetgeving inderdaad aan het natuurrecht de beteekenis van subsidiair recht is toegekend geworden 1).

Het subjectivisme vaart, — dit is duidelijk, — bij zulk een denkbeeldig natuurrecht zeer wel. En zoo mag het dan ook geen verwondering baren, dat, toen in Rusland aan het natuurrecht gelijke plaats als in Oostenrijk werd ingeruimd, tevens, — zoo toch verhaalt men, — werd verordend, dat als natuurrecht moest worden aangemerkt, wat een zeker rechtsgeleerde, met name Nettelbladt, voor het natuurrecht hield, en de vrage dringt zich aan op ons, of de rechtspractizijn, van wien ons Hugo spreekt 2), en die aan de ééne zijde het Corpus juris Justianei, aan den anderen kant het Naturrecht van Chr. Wolf had gelegd, nooit heeft beseft, dat, was het eene een wetboek, het andere in den grond al zijn aanzien aan dien practizijn zelven ontleende.

Maar toch heeft men niet genoeg gedaan, zoo men slechts iedere werking, elke toepassing aan het natuurrecht ontzegt, waarom zelfs een Schmalz, die onder de coryphaeën van het natuurrecht wordt geteld en ook de subsidiaire kracht van dit recht betwist, ons niet bevredigen kan. Het eigenlijke bezwaar treft hem evenzeer. En evenals een Groen van Prinsterer beurtelings door liberalen èn conservatieven in hun ouderlingen strijd kon worden uitgespeeld, wijl zijn scherpe blik het had gepeild, dat de bodem niet deugde, waarop zij beiden stonden, — zoo zoude ook een Stahl, in wiens stappen ik ten dezen treed, nu deze, straks gene groep van na-tuurrechtsleeraars een bondgenoot kunnen schijnen, en wel uit geene andere oorzaak, dan wijl hij ze allen bestrijdt; hun gemeenschappelijk uitgangspunt veroordeelt.

Neen, niet over de mate der kracht, waarop het natuurrecht


1) Die kracht wordt voor het natuurrecht ook gevraagd door Schilling, t.a.p. S. 33.
2) T.a.p., § 30 noot 1.

|20|

aanspraak kan maken, heeft de strijd te worden gevoerd. Tegen dat recht zelf dient de aanval gericht. Het is niet voldoende den boom wegens te weligen wasdom der kroon te besnoeien; hij moet worden uitgehouwen, wijl hun ganschelijk geene plaats toekomt. Met déze voorstelling heeft men te breken, als bestond er toch een natuurrecht, in den zin van eene regeling derzelfde betrekkingen, als waarvoor het positieve recht geldt, en die ten gevolge harer innerlijke waarde eigenlijk bindend aanzien moest hebben; dat alzoo deze misstand in de orde der dingen zou beslaan, dat wat naar aanleg moest heerschen, zijne kracht heeft in te houden, en dat gezag toekomt aan hetgeen, moge het al rechtmatiglijk eerbiediging eischen, die eerbiediging nochtans vraagt op een valschen grond: niet om den inhoud, maar om de bron.

Evenwel meene men niet, dat waar ik het bestaan van een natuurrecht loochen, dit denzelfden zin zou hebben als toen, gelijk ik U straks herinnerde, in Griekenland dat bestaan werd ontkend. Daar kwam men op, — vergunt mij zoo de tegenstelling te maken, — tegen het natuurlijke van alle recht, en wat ik waag te betwisten, is het rechtskarakter van het natuurlijke. Dáár was het een loochenen van de zelfstandigheid der rechtsbeginselen; bij velen het beweren, dat het recht zich oplost in utiliteit; en mijn bescheiden protest is gericht tegen liet huldigen als de eigenlijke, in zich zelve tot heerschen over den enkelen mensch bekwame, regeling, — wat slechts aanwijzing is, leiddraad voor den bouw van het recht.

Wat Schilling scheidt van Stahl is dan ook geenszins, dat de laatste niet zoude hechten aan onomstootbare beginselen en zelfstandige ideeën van recht, maar dit, dat Schilling die ideeën en beginselen stempelt tot recht. Dáár wringt de schoen 1).


1) Zoo zegt Schilling (t.a.p., § 13): „Die Summe der Rechtsgrundsätze und Rechtswahrheiten nun, welche aus der Natur und Bestimmung des Menschen und der menschlichen Lebensverhältnisse sich ergeben und nebst den daraus abzuleitenden Folgerungen durch die Vernunft erkennbar sind, heiszt das Naturrecht oder das natürliche Recht.” En geenszins is de benaming van recht hier eene min eigenlijke, ➝

|21|

Het gaat dus allerminst aan om aan Stahl te verwijten, zooals dit, blijkbaar door hem niet te begrijpen, door Stöckl wordt gedaan, van zich schuldig te hebben gemaakt aan het apotheoseeren van het positieve recht. Eene „Ehrenrettung des positiven Rechts”, deze titel van een in het jaar 1791 door Reinhold geleverd betoog, zou wellicht voor Stahl’s bestrijding van het natuurrecht niet ongepast zijn. Edoch niet met het oog op den inhoud van bedoeld recht te eeniger tijd of voor alle tijden, maar alleen wat het begrip, het eigenlijk karakter, dier rechtsorde betreft. Van het al te bescheiden standpunt om, naar bestemming, althans in hoofdzaak, slechts kopie eener hoogere, zwevende orde te wezen en, in normalen toestand, bindend aanzien alleen te kunnen eischen voor zoover de kopie getrouw is; dus blootelijk om het origineel; — verhief Stahl het positieve recht tot eene zelfstandige, eene oorspronkelijke regeling.

De klank der woorden doe geen misvatting geboren worden. Ware het zelfstandig karakter van het positieve recht in dien zin bedoeld, als waarin men spreekt van eene autonomie der moraal, dan ware het toekennen van zelfstandigheid niet de eere van het recht, maar deszelfs smaad. Aldus echter is zij te begrijpen, dat er wel aanwijzingen, ook duidelijke geboden Gods zijn voor den bouw van het recht, maar dat de eenige, aan de voorwaarden van bindend


➝ en gebezigd, gelijk sommigen dit doen, voor de wetenschap der rechtswijsbegeerte. Ten duidelijkste blijkt dit uit hetgeen Schilling onmiddellijk doet volgen. „Als Wissenschaft betrachtet is das Naturrecht: die systematische oder wissenschaftlich geordnete Darstellung jener ursprünglichen und allgemeinen Rechtsprincipien nebst den daraus abzuleitenden Folgerungen und Anwendungen.” Echter schijnt de schrijver zelve die tweeërlei beteekenis, welke hij aan natuurrecht hecht, moeielijk te kunnen vasthouden. Reeds de titel doet iets van die verwarring vermoeden. Lehrbuch des Naturrechts oder der philosophischen Rechtswissenschaft is de naam, dien Schilling aan bedoeld werkje gaf. En nog meer komt die verwarring aan het licht, waar de schrijver in § 14 zegt: „Das Naturrecht nach dem in § 13 angegebenen Sinne hat zur Aufgabe, die ursprünglichen, allgemeinen und wesentlichen Rechtsprincipien zu erforschen und darzustellen, u.s.w.” Hier schijnt de Leipziger Hoogleeraar geheel te zijn vergeten, dat hij in de vorige § tweeërlei beteekenis van natuurrecht heeft onderscheiden, en is natuurrecht eenvoudig rechtswijsbegeerte geworden. Op die wijze echter wordt een natuurrecht al te gemakkelijk binnengesmokkeld.

|22|

aanzien voldoende regeling, naar den Wil Gods, die, welke in de menschelijke samenleving tot stand komt 1).

Met die zelfstandigheid laat het zich zeker alleszins rijmen, dat Stahl zeer stellig ook deze meening verwerpt, als zouden die rechtsnormen, welke uit den boezem des volks te voorschijn komen, immer juist datgene zijn, wat aan de toestanden het meest passende is. Neen, ook het recht deelt in den val der zonde. Het zal ten allen tijde verre blijven beneden hetgeen het moest zijn, en het gezonkene der maatschappelijke toestanden spruit ten deele zelfs voort uit de misvorming van het recht; uit de sporen der zonde, die ook aan het recht niet ontbreken.

Maar toch is het niet noodig zich een natuurrecht te denken om een steunpunt buiten het positieve recht te vinden, van waar uit dit te beoordeelen zij, gelijk immers een maatstaf is gegeven in de geopenbaarde gedachten en de geboden Gods ten opzichte der rechtsorde. En bepaaldelijk moet aan zulk een natuurrecht het bestaan worden ontzegd door ieder, die erkent, dat de behoefte der maatschappelijke samenleving aan een dusgenaamd positief recht; eene langs geordenden weg daargestelde, en alleen om dien weg bindende, regeling der rechtsbetrekkingen; niet eerst in den tijd Gode is bekend geworden, maar dat Hij haar had voorzien, als alle dingen, van eeuwigheid her. Daarmede nu acht ik het onvereenigbaar, dat er desniettemin, ook voor het heden, nog eene andere regeling zou bestaan, in zich zelve aan alle vereischten om verbindbaar te zijn beantwoordende, maar die nochtans als achter de wolken verborgen zou moeten blijven, terwijl eene andere regeling


1) Cf. Stahl (t.a.p., II. 1, S. 218): „das Recht is positiv; aber es hat an den Gedanken und Geboten der Weltordnung Gottes ein höheres Gesetz, dem es entsprechen soll, nach welchem es die Menschen festsetzen sollen. So steht dem positiven Recht ein Gottgebotenes, Gerechtes, Vernünftiges gegenüber. Dieses Vernünftige, die Gedanken und Geboten der Weltordnung Gottes sind jedoch nicht selbst ein Recht — ein sogenanntes Naturrecht oder Vernunftrecht, denn das Wesen des Rechts ist es ja gerade, selbständig menschliche Lebensordnung, sohin positives Recht zu seyn. Sondern sie sind nur die bestimmende Macht im positiven Rechte, sein Urgrund und sein Urbild und das Maasz, an dem es gemessen und gerichtet wird.”

|23|

zoude gelden, die zich tot de eerste verhoudt als orde tot gezag 1).


1) De gedachtengang, dien Stöckl (t.a.p.. Bd II. S. 84 u. folgg.) volgt, is deze. De maatschappelijke samenleving is niet willekeurig, maar natuurlijk. De mensch is op haar aangelegd, en ook zal zij nimmer ontbreken. Die samenleving laat zich echter net denken zonder ordening. Anders ware ze een chaos. Die regeling nu is de rechtsorde. Zij is even natuurlijk als de maatschappij zelve en als het ware met deze gegeven. Mitsdien is er een natuurlijk recht. Dit nu is onafhankelijk van den Staat en heeft gegolden alvorens die was gevormd.
Tegen deze voorstelling zijn verschillende bedenkingen te maken. Het is waar, dat de maatschappelijke samenleving eene aan ’s menschen wezen beantwoordende, en alzoo eene natuurlijke, vorming is. Voorts is met liet begrip van maatschappij ook het begrip van rechtsorde gegeven, en zal overal, waar eene maatschappij wordt gevonden, zekere regeling der rechtsbetrekkingen aanwezig zijn. Maar de eerste, „uranfängliche” regeling zal allerminst de meest natuurlijke, de meest aan den aard der betrekkingen passende zijn. „Die der Gesellschaft eigenthümliche Ordnung”, als eene uitgewerkte, in de wereld der verschijnselen geldige, regeling, staat niet aan het begin der baan. „Cet état naturel,” zegt Ahrens (Cours de droit naturel, Sec. éd., 1844. P. 25.) „n’est pas derrière nous; il est devant nous.” De natuur der rechtsbetrekkingen is wel iets gegevens. Maar de uitwendige regeling moet juist steeds meer daarnaar worden gereformeerd. Stöckl maakt de fout van iemand, die wilde beweren, dat de zuiverste geloofsbelijdenis, in stêe van ons in liet verschiet te beiden, reeds langen tijd achter ons ligt. Neen, wel is de Schrift liet richtsnoer der belijdenis; ja de belijdenis slechts eene verklaring van wat men meent in die Schrift te moeten lezen, maar de in het leven, in de uitwendige wereld getredene; belijdenis kan eerst in de toekomst de echt-Christelijke worden, den inhoud der Schrift zuiver verklaren. En juist daarom is de naam gereformeerd, ook om de verplichting, die hij oplegt, tot gestaag op nieuw reformeeren, — zoo schoon, gelijk het mij voorkomt eene miskenning te zijn van het historisch beginsel, wanneer men zegt: „Christianus mihi nomen, Reformatus cognomen.” Met Gereformeerd bedoelt men juist, niet tegenover de Schrift zelve, want men heeft het volmaakte nog niet gegrepen, — maar tegenover andere cognomina, het „echte” Christendom te zijn (Cf. Dr. Kuyper’s Souvereiniteit in eigen kring, Bl. 27). In dien zin kan men zeggen, dat de weg, die tot het Christendom — dit onvervalscht en onverminkt; in al zijne diepte — leidt, de weg van geloofsverdeeldheid is. Sprak men aldus van het Christendom boven geloofsverdeeldheid, zoo had dit een gansch andere beteekenis dan die der zeer oppervlakkige bedoeling, die zich daarin gemeenlijk uit. Als raakte de geloofsverdeeldheid niet den kern, het eigenlijke wezen des Christendoms!
Zoo nu moet ook het z.g. positieve recht er naar streven steeds meer „der Gesellschaft eigenthümlich” te worden. Het is de met bindend gezag vastgestelde verklaring van wat men houdt, — niet voor het natuurrecht, — maar als de aan de natuur der rechtsbetrekkingen meest beantwoordende regeling.
Eindelijk moge ik er nog op wijzen, dat Stöckl een geordenden maatschappelijken toestand aanneemt vóór de vorming van den Staat. Maar juist die ordening is bewijs, dat er reeds een Staat is, al moge, gelijk ook Ahrens in zijn Juristische Encyclopädie

|24|

Voorwaar, een natuurrecht in den hier behandelden zin zou schier doen meenen, als hadde God de Heere aanvankelijk het plan gehad om ook op het gebied van den Staat den mensch onmiddellijk te regeeren, en, als ware de rechtsorde, die dan zou hebben moeten gelden, zelfs uitgewerkt geworden, welke echter later zou gebleken zijn niet van kracht te kunnen worden, zonder dat zij echter toen geheel is te niet gedaan, terwijl zij nu deze eere heeft, dat, naar den aard des gezags, zij eigenlijk moest binden, al kan dit om der orde wille niet worden gedoogd.

Zulk een voorstelling nu dunkt ons met het wezen Gods in strijd. Is de gedachte der Staatsvorming, gelijk het wel niet twijfelachtig wezen kan, van eeuwigheid bij God aanwezig geweest, dan moet ook de van het Staatsbegrip niet te scheiden, door menschenhanden uit te werken rechtsregeling, als eene oorspronkelijke orde gelden. 1) Niet als eene volmaakte. Dat zij verre. En ook zal voor het Goddelijk bewustzijn openleggen, uitgewerkt tot in de fijnste onderdeden, naar den maatstaf van het goddelijke, d.i. der volkomenheid, — het plan van iedere rechtsorde, gelijk zij behoorde te wezen. Doch in steê dat er nu eene tweede, en deze de eigenlijke, regeling zoude zijn, waarvan dit positieve recht alleen kopie heeft te wezen is de orde eer eene omgekeerde, en in God de kennis hoe het positieve recht heeft te wezen, wanneer het naar Zijn


➝ opmerkt, aanvankelijk vaak in één bolster zijn, wat later in verschillende looten uitloopt; m.a.w. velerlei gezag nog in eenzelfde hand bijeen gehouden zijn.
En voorts vergeet Stöckl aan te toonen, waarom dat recht, dat in dien gewaanden „vorstaatlichen” toestand zou hebben gegolden en dat hij, wat al te handig, de „der Gesellschaft eigenthümliche Ordnung” doopt, ook na het vormen van den Staat van kracht zou zijn gebleven. Misschien juist om dien mooien, edoch voor de eerste tijden der maatschappij volstrekt geüsurpeerden, titel.
1) De vraag, in hoever de Staat eerst door de zonde noodig is geworden, doet hier niets ter zake. Immers was de val van den mensch toch van eeuwigheid voorzien. — In vroegeren tijd is ook hierover gestreden, welk verband er zou bestaan tusschen het feit der zonde en het natuurrecht. Volgens Van der Muelen zou dit recht een gevolg zijn van de zonde; Musaeus acht het echter reeds vóór dien tijd aanwezig. Eindelijk leeren Thomasius en Osiander, dat er in den staat der rechtheid wel een natuurrecht was, edoch niet van denzelfden inhoud als na den zondeval. (Cf. Hinrichs, t.a.p., Bd. II. S. 152. u. folgg.)

|25|

bedoelen wordt opgetrokken; door de gedachte Gods der z.g. positieve rechtsordening is er in God een beeld, hoe de mensch die ordening moet maken.

Die kennis echter, dit ideaal, is niet eene eigenlijke regeling voor de maatschappij, die wellicht naast het positieve recht zou moeten gelden, waar dit eene leemte vertoont. 1)

Gewis bestaat er een gebied, alwaar de mensch onmiddellijk aan hooger gebod is onderworpen. En dringt het aardsch gezag, met overschrijding zijner grenzen, ook daar binnen, dan zal het wellicht ras ervaren, dar het zich buiten den kring heeft begeven, waarin alleen het op eerbiediging aanspraak konde maken, gelijk met het oog op zoodanige machtsaanmatiging geschreven staat: „Gij zult Gode meer gehoorzamen dan den mensch.” 2)

Echter behield zich God niet overal dit onmiddellijk gezag voor. Ook is er een deel des levens, waar het oog, wanneer het opwaarts ziet, stuit tegen de zoldering eener menschelijke overheid; waar de geboden Gods niet direct komen tot den enkelen mensch, zoodat hij zoude mogen en moeten weerstaan al wat tegen die geboden indruischt.


1) Ditzelfde is van kracht ten aanzien der huisorde, die in een gezin geldt. Niet alleen bestaan er ook voor de huisorde in het algemeen geboden Gods en zijn er voorts in het bijzondere van elk gezin elementen, waarmee bij het ontwerpen en veranderen dier orde is te rekenen, maar ook moet in God de wetenschap worden gedacht, hoe elk gezin in het bijzonder moet worden bestuurd. Evenwel is er niet daarom voor de kinderen tweeërlei huisorde: eene, van God gegeven, en de andere; geheel of gedeeltelijk dezelfde onderwerpen regelende als de eerste; van hunne ouders afkomstig. Er is alleen de laatste, die moet worden gemaakt overeenkomstig de. tot de ouders gerichte, geboden Gods.
2) Stöckl acht (t.a.p. Bd. II. S. 94) deze woorden van toepassing bij iederen strijd, die zich tusschen eene z.g. positieve wet „mit den Gesetzen der religiös sittlichen Weltordnung oder mit den Grundsätzen der Naturrechtes” voordoet En hoever dit natuurrecht reikt wordt ons geleerd op bl. 92, alwaar de schrijver zegt: „es schlieszt alle Principien und Rechtsnormen in sich, welche für die Ordnung der menschlichen Gesellschaft erforderlich sind.” Naar het mij voorkomt, ziet Stöckl hier voorbij, dat de geboden Gods ten aanzien van de vorming des rechts, en die de schrijver natuurrecht noemt, geenszins immer geboden zijn onmiddellijk tot den enkelen mensch gericht, waarom het dezen allerminst vrijstaat met een beroep op bovenaangehaalde Schriftwoorden aan iedere wet gehoorzaamheid te weigeren, die afwijkt van wat Stöckl het „natuurrecht” heet.

|26|

De stralen, die voor dien levenskring van het Eeuwig Licht uitgaan, zijn niet bedoeld verder door te dringen dan tot de bovenzijde dier door Gods Hand zelve tusschengeschoven zoldering. Het goddelijk gebod gaat daar uit tot wie het recht vormen en voor den enkelen mensch is straks — ik herhale: mits binnen de door God gestelde perken — de rechtsorde de te eeren regeling; gehoorzaamheid daaraan een gebod Gods.

Buiten het gebied des rechts is er eene onmiddellijk tot den enkelen mensch komende wilsopenbaring Gods, juist om zich aan dat recht te onderwerpen, waardoor ook die gehoorzaamheid een zedelijke plicht wordt. 1) Gebrekkig zal dit recht zijn; voor Gods Oog onheilig broddelwerk, en in Hem zal zekerlijk de voorstelling van eene betere, van de volmaakte, orde zijn, maar die gebrekkige regeling is toch de eenige, naar aanleg tot heerschen bestemde; de uitsluitend bestaande; ordening. Verbindt men den bouw der rechtsorde op deze wijze aan de menschelijke samenleving, zoo kan men zeggen, dat in de uitdrukking van een goddelijk rech t,— dit als natuurrecht bedoeld, — eene tegenspraak schuilt, aangezien de rechtsorde eerst in en door de menschelijke samenleving tot stand komt, gelijk, waar God onmiddellijk wil heerschen, eene aan aardsch gezag ontsproten, geldige regeling niet kan bestaan 2).


1) Stöckl spreekt (t.a.p., Bd. H. S 71) alleen van een zedelijken plicht om aan het z.g. natuurrecht, wat eigenlijk het rechtsideaal is, te gehoorzamen. Maar wordt men niet juist daardoor, aan hetgeen de schr. alleen door dat vermeende natuurrecht gelooft te kunnen ontkomen, de onderwerping aan het z.g. positieve recht vaak; te weten waar het van dit z.g. natuurrecht afwijkt; eenvoudig „Zwangspflicht”?
2) Warnkönig (Juristische Encyclopädie, S. 60) maakt de opmerking, dat, waar men voorschriften Gods met het karakter van rechtsnormen bekleedt, in de overtui-ging, dat dit ook van Godswege is bedoeld, het bindend aanzien dier bepalingen, zelfs onder het oude Israël, toch slechts schijnbaar in den Wil Gods ligt, en metterdaad in de volksovertuiging, dat die bepalingen goddelijk recht zijn. Deze voorstelling dunkt mij niet in allen deele juist. Reeds om de miskenning van den gansch exceptioneelen toestand, waarin het Bondsvolk als natie tegenover den Heere was geplaatst. Voor Israël toch ontleenden inderdaad de in de Schrift voorkomende bepalingen tot regeling des maatschappelijken levens hare verbindende kracht hieraan, dat zij door God waren gegeven. Daar toch was niet alleen de meening; wellicht zonder daaraan beantwoordende werkelijkheid; van het bestaan eener theocratie, maar Israël werd ook waarlijk theocratisch geregeerd, al bleef het erkennen van dit feit eene ➝

|27|

Alleen in deze beteekenis, waarin het ook natuurrecht wordt geheeten, is er, naar mijn meenen, voor een goddelijk recht geen plaats, en, is het verschil in zin, zooals ik straks herinnerde, tusschen droit divin en natuurrecht wel zeer groot, zoo heeft Stöckl ook gansch ten onrechte aan Stahl verweten, dat hij met zulk een natuurrecht ook het goddelijk recht der overheid zou hebben prijs gegeven.

Tot wat eindelijk aan het onjuiste begrip van zoodanig natuurrecht voedsel geboden heeft, behoort, naar het mij voorkomt, de ook op het gebied des rechts ingeslopen dwaling, dat voorschriften, bepalingen, uit zich zelve binden. Wel heeft de kanker van het subjectivisme zeer diep ingevreten. Bekend is de strijd van vorige eeuwen over de heiligheid van den Goddelijken Wil, waarbij men van den eenen kant de voorstelling van eene heiligheid boven dien Wil trachtte te verdedigen, die slechts deswege heilig zoude zijn, wijl hij voldeed aan den eisch dier schijnbaar boven-, in waarheid beneden-goddelijke, heiligheid. En dweept, naar gelijken trant, een ongeloovig idealisme van de waarheid, die God is 1), — de Christen belijdt, op het gezag van den Heiland Zelven, een God, Die de waarheid is. 2)


➝ daad des geloofs. En zoo dankten bedoelde rechtsbepalingen hare kracht; geheel onafhankelijk van het meenen des volks; uitsluitend aan den Wille Gods. Waar echter in lateren tijd door andere volken aan zulke bepalingen der Schrift datzelfde gezag is toegekend, daar grondde zich dit inderdaad — aan een onmiddellijke beteekenis der H. Schrift als wetboek van privaat of publiek recht ook voor andere volkeren als het Israelietische geloof ik niet — op menschelijke vaststelling, op de voorstelling van de in dezen bevoegde macht, dat die bepalingen als rechtsnormen moesten hinden. Niet, gelijk Warnkönig met nadruk zegt, als normen van goddelijk recht. Men achtte die voorschriften wel goddelijk recht, edoch hun bindend aanzien, waardoor zij zouden hebben verplicht ook wie die meening niet deelde, lag hierin, dat zij door het bevoegd gezag — op welken grond dit zulks deed, is hier onverschillig — als rechtsregeling in acht te nemen waren geboden Men maakte ze wel tot z.g. positief recht, omdat men in haar zag een goddelijk recht, maar hij de vraag, waarin het bindend aanzien ligt, heeft men alleen met het eerste te rekenen.
1) Zoo zegt de Heilige Schrift ook elders: „de Heere God is de waarheid” (Jeremia X: 10). Met het oog op die plaats verkrijgt des Heilands uitspraak: „Ik ben de waarheid” nog te meer beteekenis.
2) Insgelijks de Grieksche wijsbegeerte in tegenstelling van wat de Schrift ook in het O.T. leert. Cf. Stahl, Geschiehct der Rechtsphilosophie, 4te Aufl., S. 37: „Nach ➝

|28|

Op het gebied van het recht geldt ditzelfde. Voorwerpelijk recht, dus resumeert ook onze landgenoot de Wal het gevoelen van Warnkönig 1). is er niet. En evenals de overheid niet op de grondwet kan rusten, maar omgekeerd, iedere wet, en dus ook de grondwet, op eene aan haar anterieure overheid wijst 2), zoo stamt ook elk rechtsvoorschrift van een persoonlijk gezag, en bindt het om dat gezag. Voor het gebied des rechts nu, waarop God den mensch door een intermediair wil doen regeeren, bestaan geene den mensch onmiddellijk bindende voorschriften Gods en is; niet in strijd met; maar overeenkomstig het wezen des gezags, de wilsuiting dezer persoonlijke macht als zoodanig bindende.

Ja, blijft zij binnen de grenzen van haar gebied, dan heeft die wil autoriteit, ook voor zooverre hij niet met de geboden Gods overeenstemt, die, gelijk ik reeds opmerkte, degenen raken, die met de vorming des rechts zijn belast 3).

Wel bestaat zonder twijfel de schoonste wijding, die aan eenig menschelijk gebod te beurt kan vallen, hierin, dat het in harmonie is met de gedachten Gods, maar deze wijding is, — zoo zoude men wellicht kunnen zeggen, — van eene andere orde, als die welke het behoeft om met dwingend gezag Ie zijn bekleed; dit kan het, naar het


➝ jüdischer Vorstellung ist es der persönliche Gott, der, durch nichts beschrankt, nach seinem freien Willen die Schicksale regiert und den Menschen ihr Ziel setzt. Auszer seinem Willen giebt es keinen Grund der sittlichen Gebote. Alle Einrichtungen und Vorschriften tragen den Stempel der Machtvollkommenheit.” „Ihr sollt nicht fälschlich unter einander handeln, denn ich bin der Herr!” Gut und bös ist es nur, weil er es wollte oder verbot, denn Sein allein ist die Herrlichkeit. Es hat sich also bei den Griechen dieser Glaube völlig in den entgegengesetzten umgekehrt, wie das in Platons Eutyphron einmal entschieden ausgedrückt ist: „Das Fromme ist nicht das Fromme, weil die Götter es lieben, sondern die Götter lieben es, weil es das Fromme ist.””
1) Prijsverhandeling over het beslaan, den aard en de behandeling van het natuur-regt, 1833. blz. 126.
2) Uitvoeriger besprak ik dit punt in mijn akademisch proefschrift: De leer der Souvereiniteit, bl. 215 en volgg. Cf. ook bl. 460-166.
3) Hierin ligt de verklaring van wat aan Stöckl (t.a.p. Bd. II. S. 83) onverklaarbaar voorkomt, hoe het recht, wanneer dit zijn grondslag en richtsnoer in de geboden Gods heeft, toch binden zal, ook wanneer het daarmee niet overeenstemt.

|29|

raadsbesluit van God Zelven behouden, ook wanneer die wijding op grond van den inhoud niet kan bestaan.

Fabius, D.P.D. (1880) [III.]

 

Neen, niet hierin is het heilig karakter van het zoogenaamd positieve recht gelegen, dat het kopie heeft te wezen van eene andere ordening, die liefst zou moeten heerschen, doch niet heerscht, terwijl het positieve recht heerscht ook voor zooverre het geen getrouwe afdruk is. In onderwerping aan het Goddelijk gezag; met inachtneming Zijner geboden; eene zelfstandige orde te vestigen, zietdaar de hooge eere, waartoe de mensch in de vorming des rechts is geroepen; in verwerking van het door God geboden materiaal, overeenkomstig de door Hem aan de dingen gegevene bestemming, eene nieuwe orde in het leven te roepen; op zijne beurt te mogen schepping, te weten de voor de rechtstoestanden geeischte vertolking van de gedachten Gods. En het heilig karakter van het positieve recht, naar deszelfs bestemming, is dit, dat daarin te ruischen heeft de Wet Gods, juist gelijk zij buiten dat recht en onmiddellijk tot den enkelen mensch komt, waardoor alzoo ook het recht een factor wordt in de verkondiging dier Wet, en daarmee dienstbaar is aan de verheerlijking van den Heiland, tot Wien de Wet als tuchtmeesteresse leidt.

Het recht, een schakel in het geheel der Wetsprediking, voerende tot den Christus, — bij de ontwikkeling dezer gedachte wensch ik, M.H., U in de laatste plaats te bepalen.

Een’ enkele bevreemdt het wellicht, deze hooge roeping aan het recht te zien toegekend. Immers is, gelijk ik in den aanvang mijner rede herinnerde, aan het recht zelfs verweten geworden het onheilig karakter te dragen van eene bescherming van het egoïsme te zijn; eene verdediging van het zelfzuchtig streven, dat door geen wet der liefde zich beteugelen laat. Non omne quod licet, honestum est, zoo zeiden ook de ouden 1). Geenszins, dus spreekt men dan, wordt de


1) L. 144 Pr. D. de regulis juris (L. 17).

|30|

vrijbrief, door het recht uitgereikt, altoos door de zedelijkheid gecontrasigneerd 1).

Deze voorstelling komt uit een misverstand voort, en wel van gelijken aard, als dat, hetwelk somtijds aanleiding heeft gegeven tot de bewering, dat op zedelijk terrein goed en kwaad niet onmiddellijk aan elkaêr grenzen, maar dat er nog een kleurloos tusschenvak is, dat den overgang uit het eene naar het andere vormt. Het is immers, zoo wordt dan gevraagd, niet mogelijk iedere daad òf als zedelijk te loven, òf als onzedelijk te laken, en dies moet men wel een derde aannemen voor wat noch het een noch het ander is. — De praemisse is juist, maar de conclusie deugt niet. Gewis verdient niet iedere handeling uit zedelijk oogpunt òf prijs òf blaam, edoch, — en dit vergeet men, — niet iedere handeling is vatbaar om naar zedelijken maatstaf te worden gemeten. Wat buiten het gebied des zedelijken levens ligt, naar daaraan ontleende tegenstelling te beoordeelen, is als wilde men de lichtkleur eener symphonie bepalen of wegen de geur van eene bloem.

Dezelfde feil nu wordt begaan door hen, die in straks bedoelden trant een strijd meenen te ontdekken tusschen recht en zedelijkheid. Tal van daden vallen niet binnen den kring van het recht en kunnen mitsdien ook niet door het recht worden gewraakt, maar dit stilzwijgen geeft niet de vrijheid hier het qui tacet consentire videtur toe te passen. Zeer juist wordt omtrent dit punt door Ahrens opgemerkt: „on dit quelquefois que le droit permet ce qui est defendu par la morale. Mais l’expression est impropre, car le mol de permission implique une connexité entre le droit et une action moralement défendue. Or le droit ne se trouve dans aucun rapport avec elle, il lui est étranger, l’action n’est pas pour le droit. 2)”

Geen strijd dan in beginsel van recht en zedelijkheid. Veel meer het eerste aan het laatste diensthaar. En dit niet slechts, gelijk het door von Savigny 3) en anderen wordt gezegd, wijl het recht de


1) Ook Falck (t.a.p., S. 81) merkt op „dasz mehrere Rechte mit dem Sittengesetze im Widerspruch stehen, und also durch dieses nicht gegeben seyn können.”
2) T.a.p., p. 95.
3) T.a.p., Bd. I. S. 332.

|31|

mogelijkheid van het zedelijk leven waarborgt, maar ook in nog praegnanter zin, wijl daaruit de geboden Gods ook voor het persoonlijk leven den mensch moeten tegenblinken; Zijne heilige Wet zich daarin heeft af te spiegelen.

Dit beslaat niet in het inlasschen van enkele zedelijke voorschriften. In China is het, naar ons Hegel mededeelt 1), bij Staatswet den man gelast zijne eerste vrouw meer te beminnen dan de andere, met wie hij buitendien in echt vereenigd is. En zou men dan niet denken aan wat door een spottend buitenland over een China ook in dit werelddeel gezegd is, wanneer men in ons wetboek van burgerlijk recht de echtgenooten ziet vermaand elkaêr weerkeeriglijk hulpe te bewijzen en trouw te betoonen, of den kinderen daar hoort leeren, dat zij, van welken leeftijd ook, eerbied en ontzag hunnen ouders schuldig zijn 2)?

Neen, eene proclamatie wordt niet nationaal door haar te omlijsten met de vaderlandsche kleuren, en het recht wordt in wezen niet veranderd door het te „lardeeren” met lessen van moraal.

Evenmin echter is dit het verband tusschen recht en zedelijkheid, dat, gelijk sommigen leeren, het eerste het onbetwiste deel van het laatste is; het recht dat stuk der zedelijkheid, waarover geen geschil meer wordt gevoerd, en dat daarom met dwang gehandhaafd zou mogen worden 3). Het recht zou dan datgene wezen, wat aan aller opvatting van zedelijkheid gemeen is, in den trant van wat op ander gebied door Rousseau het intérêt commun genoemd wordt, te weten: de samenvoeging van die belangen, welke bij allen worden teruggevonden.

Liever zou ik de bedoelde verhouding aldus willen uitdrukken, dat de zedelijkheid als het voltooide borduurwerk is, en het recht de aanvankelijk afgewerkte hoek, waardoor men zich reeds een vrij


1) Grundlinien der Philosophie des Rechts, S. 276.
2) Artt. 158 en 353 B.W.
3) Van deze meening schijnt C.A. Schmidt blijkens zijn geschrift: Der principiejle Unterschied zwischen dem römischen und germanischen Rechte, S. 57. Cf. Falck t.a.p., S. 82.

|32|

juiste voorstelling van het geheel kan vormen; of beter nog, dat het recht is als de enkele bakens, die zijn uitgezet bij het aanleggen van een weg, maar die toch het plan van den koers — dit dan de zedewet — zeer duidelijk doen zien.

Reeds gaat van de overheid als zoodanig eene stem des hoogeren levens uit. Onder wat is aangevoerd geworden om den republikeinschen regeeringsvorm voortreffelijk te doen achten boven het monarchaal gezag; geoorloofd is naar antirevolutionair staatsrecht zoowel de eene als de andere vorm; — behoort ook dit, dat de republiek eene zuiniger huishoudster is, waartegenover men dan, in gelijke oppervlakkigheid, meende dat het, zou het pleit niet verloren wezen, noodzakelijk was dit verschil in kosten zoo klein mogelijk te maken. Voorzeker, van de hofstoet blijkt ook op het budget. Maar, — en dit wordt voorbijgezien, — die staatsie is geenszins een ijdel vertoon. Zij is niet minder dan eene openbaring van de hoogheid des gezags. Het volk, dat in de scholen der geleerden niet komt en met diepzinnige bespiegelingen zich niet onledig houdt, wordt ook door die praal, die den troon omgeeft, onderwezen van de eere, die toekomt aan de overheid. En Ge houdt het toch niet voor eene onverschillige zaak, of ook, in conservatieven geest, alleen voor de goede orde in de maatschappij van belang, dat er een levendig besef van het verhevene der souvereiniteit in de harten der burgers woont. Alle menschelijk gezag is immers, — straks reeds wees ik hierop, — schaduw; de naar de zwakheid van het menschelijk oog berekende, en om de zwakheid van ons wezen gegeven, afbeelding van het hoog gezag Gods. En mitsdien, naar gelang beter wordt verstaan, dat de koning als koning op hooge eere aanspraak heeft, zal men ook te dieper zich leeren buigen voor Hem, die der heeren Heer, de Koning der koningen is.

Daarom zeide Calvijn te recht, dat de schattingen en belastingen ook, voor zoover de waardigheid des Rijks dit vordert, voor den luister der hofhouding mogen worden besteed 1). En mag nimmer het


1) Institutio, Lib. IV. cap. 20. 13.

|33|

weren van alle staatsie als bewijs, of ook slechts als eisch, van Christelijken eenvoud gelden, zelfs zouden wij, wel verre van het wierookvat des lofs te zwaaien voor den burgerkoning, die allen luister uit zijne omgeving zocht te bannen en zijn civiele lijst voor kerk en armen uitgaf, hem eer te gispen achten wijl hij blijken deed het ambt niet te begrijpen, waartoe hij werd geroepen, en, in strijd met de bedoelingen der barmhartigheid Gods, aan de natie het voordeel rood eener practicale predicatie over de hoogheid van het gezag.

Voorts kan ook van de wijze, waarop de overheid de takken van publieken dienst heeft ingericht, eene sprake van meer dan gewoon gewicht tot het volk uitgaan, en wel in zooverre soms als door de poriën en naden dier organisatie de gehoorzaamheid aan of wel de veronachtzaming van den Woorde Gods heendringt.

Het gebod den Sabbathdag te heiligen is in den wijden omvang, dien het ook blijkens den profeet Jesaja heeft, niet toepasselijk op de overheid. Daadwerkelijke heiliging van dien dag laat zich bij haar als zoodanig niet denken.

Wel echter is bedoeld gebod ook voor haar van kracht wat de uitwendige zijde des levens, den negatieven zin van het voorschrift, betreft, weshalve de eerbied voor dit bevel heeft te spreken in en hetzelve alzoo moet gepredikt worden door het op den dag des Heeren zooveel doenlijk staken van elken arbeid in de publieke werkplaatsen, en het weren van de openbare erve wat met de heiliging van dien dag niet is overeen te brengen.

Zoo straalt er ook eene beschouwing ten aanzien der hoogere wereld; omtrent de natuur van den mensch en de beteekenis van den Christus; in die regeling door, welke de overheid ten onzent; met instemming — o vergeet het niet! — van het wettelijk orgaan des Nederlandschen volks; voor het lager onderwijs vastgesteld heeft. Die wet toch, prospectus tevens niet slechts van het leerplan maar ook van de opvoeding in de door het publiek gezag op te richten scholen, spiegelt de opleiding voor tot alle Christelijke deugd, ook zonder dat de noodzakelijkheid van levensgemeenschap met den Heiland wordt geleerd, en weerspreekt alzoo Diens woord, dat zonder

|34|

Zijne hulp niets gedaan kan worden, veelmin de schoonste deugd bereikbaar is te achten, zoolang de mensch niet Hem als zijn Heer en zijn Koning belijdt.

En daarom, ook al beseft men, dat men, waar zulk een overmoedig beweren als opschrift boven de deur der school is gesteld, geen vrijheid heeft te pogen als ter sluiks de waar, die daar wordt uitgereikt, te zuiveren van wat zou kunnen schaden, en te mengen met de medicijn, die alleen bate brengen kan; reeds om niet straks, juist wat zoo nog werd gekweekt, als bewijs te zien aangevoerd, hoe toch ook de school, waar ’s Heeren Naam niet aangeroepen wordt, de Christelijke deugd kan doen ontluiken en mitsdien het zedelijk leven blijkbaar niet in Christus wortelt; — toch is met het stichten van betere kweekplaatsen alleen nog niet genoeg gedaan. Leg u oor slechts te luisteren en hoor dan hoe er, o niet met schel misbaar, — eer stillekens, gelijk de druppel zachtkens valt, maar die toch door het dikwijls vallen ten leste zelfs den steen een holte boort, zoo ook van dag tot dag op nauwelijks merkb’ren toon als van der scholen gevels den volke wordt gepredikt: ook voor de reinste deugd is Jezus Christus niet onmisbaar. En zoude het dan niet voor wie eenigszins den invloed weet te weten eener dus tegen des Heeren woord ingaande prediking; ja niet om de eere des Heilands Zelven geboden zijn, geene poging onbeproefd te laten, dat aan dezen de slagorden des levenden Gods honenden Filistijn de mond worde gesnoerd, en althans die ergernis uit ons midden worde weggedaan, dat de Christelijke deugd als vrucht van zulk eene ontchristelijkte school wordt toegezegd? 1)


1) Eere daarom aan den heer Jhr. J.L. de Jonge, lid van de Tweede Kamer onzer Staten-Generaal, die bij gelegenheid van de beraadslaging over de wet van 17 Augustus 1878 (Stbl. n°. 127) een daartoe strekkend amendement heeft voorgesteld, dat echter met 53 tegen 28 stemmen verworpen is geworden. (Cf. Handd. 1877-78, bl. 1222-1251) Terecht schreef ook wijlen de Hoogleeraar Jhr. Mr. J. de Bosch Kemper: „Wanneer onder opleiding tot Christelijke deugden zoo iets verstaan wordt, dat de meest rechtzinnige Israëliet er geen aanstoot aan nam, dan zou voorzeker het woord Christelijk in de wet slechts een leuswoord zijn, inderdaad een schandelijk, een onheilig bedrog.” Op het eerste deel dezer zinsnede teekent ➝

|35|

Maar niet alleen van de overheid door het optreden als zoodanig, of van de organisatie van den openbaren dienst, — ook van elders moet uit het geheel der voor de maatschappelijke samenleving noodzakelijke, uitwendige, ordening eene taal worden gehoord, die tot der menschen zedelijk bewustzijn spreekt, waarin hem 's Heeren Wet voor oogen wordt gesteld. En dit niet slechts in zooverre als, gelijk ook Maurice in zijn Social Morality opmerkt, het recht op de vooronderstelling van persoonlijkheid, van een zich zelf bewust wezen berust 1), doch ook, en bovenal, deswege, wijl de idee der betrekkingen maatgevend voor den rechtsnorm zijn moet, en alzoo het rechtskleed dier betrekkingen, welke eene zedelijke bestemming hebben; waarin eene zedelijke bedoeling ligt; die bedoeling ook zal afspiegelen, als in enkele trekken teekenen zal 2).

Dit laten zien nu van de Wet Gods door die zedelijke bedoeling, welke als op den achtergrond der rechtsbepalingen zichtbaar wordt, is eene prediking van gelijken aard als uit zoo menigen vorm des maatschappelijken levens kan worden opgevangen.

Zoo vaak wordt het vergeten, dat inderdaad een vorm nooit dood is, maar dat daarin steeds eene gedachte woont, die zich op die wijze uitspreekt, en zich alzoo tevens verder den weg zoekt te banen. Deswege reeds is een vormendienst, zoo het beginsel niet deugt, dat zich daarin belichaamt, geenszins onschuldig te achten.


➝ M.D. van Otterloo in zijne uitnemende Bijdragen ter toelichting van de school-kwestie, 1874. bl. 229 aan: „En juist dat wil de wet; zij brengt de kinderen van Christenen en Joden samen, niet om den laatsten het Evangelie te verkondigen, maar om dat Evangelie feitelijk en rechtens aan de eersten te onthouden.” Ook de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen wilde in de door haar destijds aangeboden schets van een wetsontwerp de woorden Christelijke deugd behouden en gaf daarvan deze opmerkenswaardige toelichting: „De uitdrukking is aldus ruim en onbepaald genoeg, om zelfs door Israëlieten geadmitteerd te worden. Zij is geruststellend voor hen, die het Christelijk beginsel in de wet gehandhaafd, althans erkend wenschten te zien.”
1) T.a.p., p. 138. Cf. ook Luthardt, Die modernen Weltanschauungen und ihre praktischen Konsequenzen, 1880. S. 87. Uitmuntend noemt zoo ook Trendelenburg (Naturrecht, § 60) de straf „das Recht des Thäters und keine Verletzung, sondern eine Anerkennung seiner Persönlichkeit.”
2) Cf. Walter, Naturrecht und Politik, 1863. § 83.

|36|

Ja, daarom moet de vorm verbroken worden, waarin eene onware gedachte zich afbeeldt.

Edoch, wel moogt ge waken tegen overijling. Niet immer toch schuilt de fout in den vorm, wanneer we ons daardoor voelen gedrukt, wijl hij, niet in harmonie met ons innerlijk is. De wanverhouding kan ook ónze schuld zijn, doordien wij verkeerdelijk ontzonken aan het leven, dat in dien vorm zich uit.

En daarom niet te ras aan den vorm getornd. Soms moet de klove, die er tusschen innerlijk en uiterlijk gaapt, eene stemme ter Uwer verootmoediging zijn.

Waar straks een Uwer verwanten ten grave wordt uitgedragen, en Gij, niet uit des harten aandrang, maar slechts om den gebruikelijken vorm in acht te nemen, U in het rouwgewaad hult, — o, laat dan niet uit afkeerigheid van schuldbelijdenis dat gebrek aan harmonie tusschen de stemming van Uw hart en de kleur van Uw kleed te spoedig een prikkel worden om tegen dien vorm U aan te dringen. Vroor U niet een ijskorst op het hart? Ja, laat Uwe ziel veeleer in tegenovergestelde richting uitgaan en het oor leenen aan de stille prediking, die, in barmhartigheid aan U den onbarmhartige, uit de plooien van dat gewaad nog wordt toegefluisterd: ge hadt moeten minnen voor wie Uw hart, wellicht zelfs ongevoelig voor hun eeuwigen nood, in zelfzucht zich toesloot.

Den vorm, die ons te ruim is, in te plooien, kan goed zijn, maar ook kan het wezen, dat het leven moet worden uitgezet en zoo het kleed weer pasklaar gemaakt. Ontdekt te worden aan onze inzinking, kan de heilzame vrucht zijn van het voldoen aan den vorm, die zich ons in den weg stelt.

Gelijke spiegel nu, waardoor de mensch tot kennis zijner onreinheid kan komen, wordt hem ook voorgehouden in tal van rechtsbepalingen, die uitgaan van eene zedelijke gedachte, welke hem tevens is een zedelijke plicht.

Zoo legt ieder voorschrift, waaraan de levenseenheid van man en vrouw ten grondslag strekt, aan het geweten van ieder hunner deze ernstige vraag voor: en gij, was in u nooit iets wat bij het opwassen

|37|

die levenseenheid had kunnen verstoren, en daarom u reeds nu schuldig heeft gesteld aan overtreding van Gods gebod: „Gij zult niet echtbreken”?

In iedere toepassing van het beginsel, dat de man het hoofd is in den echt, wordt het der vrouwe herinnerd, dat zij tot haar man; den koning, profeet en priester in het huisgezin; heeft op te zien naar het de Schrift ons leert, als de gemeente des Heeren tot haar verheerlijkt Hoofd.

Ook zonder, en beter dan, dat het wetboek van burgerlijk recht den kinderen uitdrukkelijk den plicht tot ontzag jegens hunne ouders poogt in te scherpen, schijnt door zoo menig artikel van dat wetboek het: „Eert uwen vader en uwe moeder” heen, welk gebod eveneens ieder schuldig stelt.

In de opsomming der graden, waarin het huwelijk niet, of slechts noode, wordt gedoogd, leest Ge van de innigheid, waarmee de naaste verwanten elkaêr moeten minnen, en die juist eischt, dat de mogelijkheid des huwelijks uitgesloten wordt of beperkt.

Zoo berust de bevoegdheid, om zich soms van het geven van getuigenis in rechten te verschoonen, voor een deel op de overweging, dat vaak de stem des bloeds zoo luide spreken kan, dat de mensch niet in den tweestrijd tusschen die stem en den eisch der waarheid mag worden gebracht, maar deswege brengen bedoelde bepalingen ook deze vraag tot Uwe conscientie: was er nooit in U een wortel der bitterheid, waardoor die stem des bloeds allengs had kunnen worden verstikt; en zoo ja, — maar wie zal zich onschuldig weten? — die zijn broeder haat, heeft volgens de uitlegging van het Bijbelwoord zelf dit gebod overtreden: „Gij zult niet doodslaan”.

Deze voorbeelden, hoe de Wet Gods tot den enkelen mensch ook op dat gebied spreekt, waarop de Heer hem juist niet onder Zijne onmiddellijke heerschappij gehouden en hem onder anderer wet heeft gesteld, zouden zonder moeite nog vermeerderd kunnen worden. Doch genoeg reeds, naar ik vertrouw, om mijne bedoeling kenbaar te maken. Laat mij U daarom nu nog slechts mogen wijzen op eene soortgelijke prediking, die ons tegenklinkt uit wat met de

|38|

rechtsorde onafscheidelijk verbonden is: de strafoefening aan wie zich in het schenden der rechtsorde tegen de overheid heeft verzet.

Evenals deze, alleen reeds door haar bestaan, eene heilige prediking doet hooren, wijl in haar het beperkte beeld van den Heere God is te eeren, zoo is ook de strafoefening op haar zelve, het bestaan van een gericht, niettegenstaande de zelfstandigheid der straf 1), afschaduwing en profetie van een deel der hoogere wereld, gelijk zij ook gemakkelijk tot het besluit kan leiden, dat, gedoogt reeds de heiligheid van het aardsch gezag niet, dat deszelfs geboden straffeloos overtreden werden, veel minder God Almachtig de schennis Zijner Wet ongewroken kan laten, en het ontzettend gericht voor de hemelsche vierschaar wel toeven kan, maar toch eenmaal staat te komen.

En gewaagde ik straks van de zegenrijke werking, die een vorm kan oefenen, eerst ter verootmoediging, om daarna tot verhooging van het gedaalde levenspeil te voeren, ditzelfde geldt ten aanzien van het strafvonnis, ook al raakt dit niet ons zelve.

Neen, — veroordeelt niet te spoedig de strafwet van naar onjuisten graadmeter te zijn besteld, of klaagt niet te ras den rechter van hardvochtigheid aan, waar een straf U in evenredigheid tot het bedreven kwaad bovenmatig zwaar toeschijnt. Dat Gij eene wanverhouding meent te bespeuren, kan ook hierin zijn’ oorsprong hebben, dat U de voelhorens van het zedelijk bewustzijn te zeer zijn afgestompt en het kwaad, helaas, maar al te zwak in Uw binnenste reageert. De bevreemding over het vonnis moet wellicht worden omgezet in een bedekken van het gelaat wegens zoo groote vereenzelviging met de zonde, dat ook zeer gruwelijke boosheid ons weinig strafbaar dunkt. En ziet dit, door de straf te worden onderwezen omtrent de hoegrootheid van het bedreven kwaad, en zoo tot


1) Evenals er wel een gebod Gods is om de rechtsorde in haar geheel te gehoorzamen, maar niet daarom elke rechtsbepaling op zichzelve een gebod Gods is, — zoo is ook het schenden der rechtsorde wel zonde voor God, maar treft de straf den misdadiger niet onmiddellijk, wijl hij gezondigd heeft, maar omdat hij zich tegen een aardsch gezag heeft verzet. Dit is de zelfstandigheid van het strafrecht.

|39|

belijdenis van zonde te worden gebracht, is de genade, die er — o majestueuse ordening Gods! — nog voor den booswicht schuilen kan in de veroordeeling, die hem treft. Ja, wordt als wapen ter bestrijding van het recht lot de doodstraf soms ook dit aangevoerd, dat aan geen mensch de mogelijkheid van het bereiken zijner ethische bestemming zou mogen benomen worden, — daartegenover waag ik te beweren dat, acht men ’s menschen eigenlijke bestemming deze, zich kennende als verloren zoon, zich tevens uit genade een kind van God te weten 1), — somtijds wellicht die bestemming niet anders meer kan worden verwezenlijkt, dan juist door het schavot, wanneer alleen de veroordeeling tot zoo ontzettende straf de laatste vonk kan aanblazen, die reeds zeer diep onder de asch bedolven was 2).


1) Ook Z. Exc. de Minister van Justitie heeft onlangs als zijne meening verklaard, „dat voor den mensch het zwaartepunt ligt niet in deze, maar in de toekomende wereld,” enz. (Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1880/81, bl. 124). Op denzelfden grond meenen de voorstanders van het Christelijk onderwijs, dat als volksschool niet kan dienen; ja, dat ook geenszins onzijdig is; de school, waar door den onderwijzer niets mag worden gezegd in strijd met de overtuiging dergenen, die het zwaartepunt wél in dit leven leggen.
2) Men versta mij wél. Evenzeer als ik met beslistheid de meening verwerp, als lag de grond voor de straf in de noodzakelijk geblekene verbetering van den misdadiger, zou ik ongaarne de doodstraf verdedigen „als een uitnemend middel ter bekeering.” (Woorden van den Min. v. Just., die ook daartegen opkomt). Dit ware m.i. eene miskenning van het zelfstandig karakter der straf. Maar evenmin komt mij klemmend voor; het zij met de meeste bescheidenheid gezegd; het navolgend betoog, waarmede onder meer Zijne Exc. de Minister van Justitie, wiens scherpzinnigheid en kunde mijnen lof niet behoeven, in de Kamerzitting van 26 October II. de doodstraf heeft bestreden. „Van twee dingen één;” aldus sprak de Minister volgens het Bijblad bl. 121. „òf de moordenaar is, zooals men het uitdrukt, ,,bekeerd”, òf hij is dat niet. In het eerste geval, met welk recht eisenen wij, als Christenen, den dood van iemand, van wien in de Schrift staat, dat er over hem meer vreugde is, dan over tal van rechtvaardigen, die de bekeering niet van noode hebben? En indien de man niet bekeerd is, hoe kan men zich dan als Christen geroepen achten, hem aan eene voor hem onzekere toe komst prijs te geven?” Naar mijne meening is de straf niet eenvoudig een „middel ter bekeering”, zoodat de grond der straf zou ontbreken, zoodra dit doel langs anderen weg was bereikt. De schennis der rechtsorde, de opstand tegen het aardsch gezag, waaronder men is gesteld, wordt door de bekeering niet ongedaan gemaakt. Op dit standpunt is er dan ook geene plaats voor wat de Christen omtrent den zoendood des Heeren belijdt, gelijk hij de schuldvergeving niet op de bekeering doet rusten.
En wat den ,,niet-bekeerde” aangaat, — de gereformeerde althans gelooft, dat de bekeering een werk Gods is, en ook hier mag het wel herinnerd worden, „dat God ➝

|40|

Zoo wordt dan door bet recht op organische wijze de Wet Gods verkondigd; op dat gebied, waar menschelijk gezag over ons gesteld is, de Wet vernomen, die geldt binnen dien kring, waar dat menschelijk gezag juist niet mag komen. En is er geen goddelijk recht in den zin van natuurrecht, waardoor nochtans het droit divin geenszins wordt uitgesloten, op beteren, den laatstbesproken’, grond meen ik van een goddelijk karakter van het recht te mogen spreken en de liefde der gemeente voor het recht te mogen vragen.

Maar, — en hiermede besluit ik, — zal het recht aan die hooge roeping beantwoorden, dan dient het ook de Wet Gods ten grondslag te hebben, gelijk het zelfs veelal, waar een ander uitgangspunt is gekozen, met die Wet in strijd, het zedelijk bewustzijn der natie vervalschen en het volk van God vervreemden zal.

„Tot de Wet en het Getuigenis”, dit moet een levensleus ook voor den rechtsgeleerde zijn. Niet minder dan den theoloog moet hem de Schrift de bodem zijn, waarin hij wortelt; maatstaf van critiek ten allen tijde; nooit voorwerp van critiek 1).


➝ zijn rechten zelf wel weet te handhaven. (Woorden van den Minister van Justitie) Zekerlijk, — ik erken het gereedelijk, — mag ook de inrichting van den Staat als een weg worden geëerd, waarlangs de Heere God ter bekeering werkt. Dit mag echter niet daartoe leiden, te trachten de bekeering als het ware te berekenen, reeds wijl de Geest is als de wind, van welken men niet weet van waar hij komt. In zelfstandigheid bouwe de mensch de rechtsorde, overeenkomstig de geboden, die daarvoor gelden. Aan God Almachtig verblijve liet dan achter den ondoordringbaren sluier de bekeering van zondaars te bewerken, ten aanzien waarvan de mensch zich niet te zeer bezorgd make, dat hij Gode niet den voldoenden tijd zoude laten.
Op bovenbedoelde wijze zou men wellicht ook hier toe kunnen komen iedere gevangenisstraf te veroordeelen, wijl, naar die berekening, den misdadiger daardoor de middelen ter bekeering zeer verminderd wierden en dit niet Christelijk zoude wezen.
1) De oppervlakkige lezer zal zich aan deze uitspraak lichtelijk stooten en tegenover haar aanstonds gereed staan met de banale opmerking, dat dit uitsluiten van critiek zekerlijk geschiedt, wijl bedoelde materie die het minst kan lijden, het „kritiekste” is. Dezulken mogen in hun gewaand vernuft ook den Hoogleeraar Dr. S. Hoekstra wel gaan terecht wijzen omtrent diens scherpzinnige ontkenning van de mogelijkheid, om over de waardij van het heelal te oordeelen. (November-aflevering van de Gids). Genoemde Hoogleeraar verklaart het onzin, en ik vereenig mij gaarne daarmee, te zeggen, dat het beter ware, zoo het heelal niet geschapen ware, wijl het heelal zelf voorwaarde van ons aanzijn, van ons denken is. In gelijken trant nu meen ik, dat op ethisch gebied ’s menschen verhouding is tegenover de H. Schrift. Zij is het richtsnoer van waarheid en recht. En daarom ➝

|41|

En is die bestemming der rechtsorde eene hoogheilige, — des te grooter dan ook de verantwoordelijkheid voor wie bij de vorming des rechts bevoegdheid tot meespreken werd gegund. Gewis het bestaan van een volkstribunaat, waardoor de maatschappij der overheid zelfs het uitvoeren harer voornemens kan beletten, is, zijn de toestanden daarvoor rijp, een hoog te waardeeren voorrecht. Maar dit voorrecht brengt tevens zeer dure verplichting met zich. Volk van Nederland, waar de rechtsorde van haar waren bodem vervreemdt, den goddelijken grondslag mist, en zoo der glorie des Gekruisigden niet dient, daar staan, mede om het in de Staten-Generaal ons geschonken orgaan, ook wij daaraan schuldig.

Recht en politiek neen, geenszins zijn zij uitteraard aan den Christen vreemd. De verheerlijking van den Heiland toch is beiden het einddoel.


➝ is het logisch onmogelijk hare innerlijke waarheid te bewijzen, d.i. hare overeenstemming aan te toonen met de waarheid. Zij is de levensbodem, waarin de mensch staat.
De erkenning hiervan is een daad des geloofs, en alleen door dat geloof is het mogelijk in de juistheid van wat men gelooft bevestigd te worden. Dit geldt ook elders en wordt daar toegepast door dezelfden, die meenen, dat het vooropstellen van den eisch van zulk een geloof den mensch onwaardig is. In de overtuiging van de liefde zijner vrouw verstrekt worden, kan alleen hij, die in die liefde gelooft. Wie in ernst beginnen wilde met dat geloof, gelijk alle geloof, als aan den mondigen mensch niet passende, ter zijde te stellen, om die liefde eerst te erkennen, wanneer zij was gebleken, zou waarschijnlijk tot weinig bevredigende slotsom komen. Eveneens is bij het kind reeds de twijfel aan de liefde zijner ouders veroordeeld. Het is groote oppervlakkigheid, waar het als eisch van het redelijk bestaan wordt voorgesteld, eerst aan alles te twijfelen, om daarna slechts dat aan te nemen, wat zich weet te bewijzen. Veel kan zich juist alleen voor zoover mogelijk bewijzen, op voorwaarde, dat alle twijfel worde tegengegaan.
Het is die eenzijdigheid van voor alles dezelfde wetten te willen doen gelden, die zich ook hij den sterrekundige uit, welke verklaart met zijn kijker het gansche heelal te hebben doorvorscht en nergens God te hebben gevonden, of van den anatoom, die de zelfstandigheid van den geest loochent, wijl hij bij het ontleden van den mensch wel longen en lever, maar niet den geest gevonden heeft.

Fabius, D.P.D. (1880) [Toe]

 

Zeer geëerde Heeren Directeuren dezer School. Wel is de taak zwaar, die Gij mij hebt opgelegd, en zijn de schouders, die dien last te torschen hebben, weinig geoefend. En

|42|

toch heb ik met vreugde deze ure begroet. Niet het minst echter, wanneer ik den blik afwendde van hem, die tot het bekleeden van dezen leerstoel door U geroepen werd, en alleen op den leerstoel zelven lette.

Ik sprak straks van de breede opvatting, aan het Gereformeerde standpunt eigen. Zij spiegelt zich af ook in het aan mij opgedragen ambt. Het Koningschap van Jezus Christus moet op ieder gebied worden ingedragen. Dal is het vast geraamte voor elken kring, voor ieder instituut. Ook de ordening van Staat en recht moet van de zalvende olie des Heiligen Geestes doortrokken worden, en eene prediking doen hooren ter eere van Hem, Wiens troon in de hemelen is. Dan eerst is de bezieling mogelijk, die ook daarvoor moet bestaan, en wordt het ontfermend bedoelen onzes Gods verwezenlijkt, Die ook door Staat en recht de eere van Zijn’ Naam verkondigen wil.

Moge aan het kweeken dier bezieling in ruime mate bevorderlijk zijn ook de leerstoel, aan mijne zorge toevertrouwd. En toch het kan wel niet vreemd worden geheeten, dat ik, ziende hoe ambtsgewaad en leerstoel mij zoo ruim nog zijn en als „op den groei” gemaakt, ik U tevens de bede brenge, dat het U moge geschonken worden door den in al milder sympathie van de zijde onzes volks en ook in het beschikbaar worden van krachten zich openbarenden zegen Gods welhaast den eenling der rechtsgeleerde faculteit ook in dien kring ambtgenooten ter zijde te stellen.

 

Hooggeachte Heeren Curatoren. De eere is mij ten deel gevallen van op Uwe voordracht tot het in deze ure aanvaarde ambt te worden geroepen. Ook dit legt mij eene niet geringe verantwoordelijkheid op. Gij meent mij toegerust met die gaven, welke Gij noodig acht om anderen in te leiden en voor te gaan in de mij toegewezen vakken van wetenschap. De talenten zijn van God, en ook hier geldt het, dat niemand zelfs het minste aan zijne mate kan toedoen. Maar het begraven of op winste uitzetten, — is dat niet van den mensch? Gij nu hebt vertrouwd, dat ik naar dit laatste

|43|

zou trachten, en daartoe maant mij dan ook met ernst reeds die goede meening.

En toch is waarlijk zelfs deze prikkel de eenige niet. Of werd mij niet afgebakend een kring van werkzaamheid, die reeds op zich zelven de toewijding mijner krachten eischen kan? Gewis, het is ten slotte alleen om de practijk te doen. Maar, was ik al niet zeer lang in wat men noemt een practische betrekking, toch lang genoeg om het weder meer te verstaan, dat iedere practijk de toepassing is van eene theorie; de waardij der eerste daarom in hoofdzaak door de deugdelijkheid der laatste wordt bepaald, en geene goede practijk duurzaam mogelijk is, zoo zij zich niet telkens late indompelen in de frissche wateren der wetenschap.

En eindelijk mag wel niet het minst de ernstige toewijding mijner krachten aan de mij opgedragen taak worden verwacht met het oog op de zeer hooge beteekenis, die ook ik aan het antirevolutionaire beginsel zoeken. Dit beginsel voor anderen te mogen ontvouwen, zoo in wezen als toepassing, — bekoorlijk verschiet. En wel kan ik er dankbaar voor zijn, dat dit beginsel zich mij in den weg heeft gesteld aan eene, zij het al niet door eene, van ’s Lands Hoogescholen. Nu toch zou ik mij schuldig houden aan een verzoeken Gods, zoo ik niet daarnaar streefde de wegen, die tot de kennis van het antirevolutionaire Staatsrecht leiden, meer te effenen, en het liet aankomen op eene samenvoeging der omstandigheden, zoo kennelijk door Hooger Hand bewerkt, als die, welke voor mij de schatkameren van dat Staatsrecht heeft ontsloten.

Moge de zegen Gods, mij op den arbeid geschonken, U, Mijne Heeren, een blijk zijn van ook bij het doen dezer voordracht op een Gode welgevalligen weg te zijn gegaan.

 

Ten laatste wende ik mij lot U, hooggeachte ambtgenooten. Niet zonder schroom neem ik onder Ulieden zitting. Mijne meerderen toch zijt Gij, zoo in jaren als in wetenschap. Maar wat mij aarzelen doet ter eenre zij, is aan den anderen kunt juist steun.

Van U, zeer gewaardeerde ambtgenoot, voor dit jaar met het

|44|

rectoraat dezer School bekleed, genoot ik de vriendschap straks reeds een lustrum. En welwillendheid werd mij door U allen mildelijk betoond. Zij die genegenheid te mijwaart het kanaal, waarlangs mij bij voortduring toekomt de hulpe Uwer rijker ervaring, Uwer meeromvattende kennis, alsook van Uw dieper inzicht in de ordeningen Gods.

En moge het dan mij gegeven worden in het thans aanvaarde ambt langen tijd met U te arbeiden in eenigheid des geestes, ten zegen van ons volk, en ter verheerlijking van Godes eeuwiglijk te prijzen Naam.

Ik heb gezegd.