Jong, A. de (1902) HI

|5|

 

 

Hoofdstuk I.

Geschiedenis.

 

 

§ 1. De Perzen.

De idee van gratie, gelijk wij die aanstipten, treffen wij onder de volkeren der oudheid reeds aan bij de oude Perzen. Eisch is evenwel daarbij aanstonds te letten op tweeërlei. Vooreerst hierop, dat in de Aziatische monarchieën de vorst was opperste rechter. Wij vinden er op strafrechtelijk 1) gebied nog niet de in onze dagen welbekende onderscheiding tusschen de Overheid zelve, en de wel in haren naam rechtsprekende, maar toch ook van haar onafhankelijke, zelfstandige rechterlijke macht. Het was de vorst zelf, die in hoogere instantie persoonlijk de iurisdictie oefende. Zoo ligt voor de hand, dat het gebruik van gratie als een buitengewoon rechtsmiddel onnoodig was, waar in den gewonen weg reeds de invloed kon gelden van al wat in den loop der tijden als drangreden voor het verleenen van gratie zou worden genoemd. En in de tweede plaats was den lageren rechters eene vrijheid van beweging veroorloofd, veel onbeperkter dan de wettelijke ruimte tusschen minimum en maximum den rechter in onzen tijd biedt. Iets wal eenzelfde conclusie rechtvaardigt, als wij


1) Op privaatrechtelijk gebied was het wellicht anders. Zie Crommelin, blz. 29.

|6|

mochten afleiden uit het eerstgenoemde verschijnsel. Waar de rechter met alles mag rekenen, met te groote strengheid der wet, het voordeel van den staat, het belang van den kring, waartoe een aangeklaagde behoort, ja zelfs met diens verdiensten, daar springt het in het oog, dat in ’s rechters vonnis reeds lag besloten, wat in latere dagen alleen in den vorm van gratie kon worden verleend 1). Desniettemin is duidelijk, dat zoowel in de rechtspraak van den vorst, als in die zijner rechters, de idee van gratie haar zeggenschap deed gevoelen 2). In wat Diodorus Siculus ons meedeelt aangaande Tiribazus, bezitten wij ten deze een voorbeeld, dat ons zeer heldere aanwijzing verschaft. Zoowel rechters als koning zien op Tiribazus’ verdiensten en de unanieme vrijspraak der rechters wordt door Artaxerxes bevestigd 3).


1) Zie Crommelin, blz. 30.
2) Wanneer Crommelin, blz. 28 en elders, dan ook zegt, dat de antiquae gentes remedium illud extraordinarium niet hebben gekend en niet konden kennen, omdat die lijden dat remedium niet behoefden, moet deze bewering, hoewel strikt genomen juist, toch niet worden misverstaan. Op de beteekenis van extraordinarium komt daar alles aan.
3) Diodorus  Siculus, Lib. XV. Cap. 8-11. Editie Didot, Parijs, 1844, Dl. II. Tiribazus was door den najjverigen Orontes hij Artaxerxes II beschuldigd, Deze, aan de beschuldigingen geloof hechtende, schrijft aan Orontes, om Tiribazus in boeien geslagen terstond ever te zenden. Dit geschied zijnde, verzoekt Tiribazus gerechtelijk te werden gehoord, doch wordt in voorloopige hechtenis gehouden, eene custodia, die door eenen oorlog, waarin de koning werd gewikkeld, des te langer aanhield. Als deze oorlog ten eind is, wordt Tiribazus op last van Artaxerxes door drie rechters, mannen hij de Perzen in het hoogste aanzien, gehoord. Tiribazus verdedigt zich tegen de ingebrachte beschuldigingen, en beroept zich ten slotte ook op zijn vroegere verdiensten jegens den koning, verdienden van dapperheid, en weloverdachten raad, maar ook hierop, dat hij eens, toen op de jacht twee leeuwen den koning bedreigden, door het neervellen der leeuwen den koning het leven had gered. En toegekomen aan het vonnis, spreken de rechters hem nu bij unanieme sententie vrij, eene vrijspraak van te meer beteekenis, waar juist in dien tijd eenige andere rechters wegens het vellen van een onrechtvaardig vonnis levend waren gevild. Doch hiermee was de zaak nog niet ten einde. Artaxerxes doet de rechters één voor één tot zich komen, en vraagt hen naar de motieven, die elk hunner tot de vrijspraak hebben ➝

|7|

§ 2. De Grieken.

Eenzelfde verschijnsel wordt ons getoond in de geschiedenis der Grieken. De redevoeringen der Grieksche oratoren, vooral van Lysias en Demosthenes, strekken ons tot bewijs. De rechter heeft een zeer ruim veld van beweging. Demosthenes geeft zich dan ook in zijne oratie tegen Midias alle moeite om de rechters te doen inzien, dat met betrekking tot Midias, noch eigen verdiensten, noch eere zijner voorvaderen in aanmerking kunnen komen 1). Wanneer Epaminondas zijne verdiensten in herinnering heeft gebracht, is er niemand der rechters, die het waagt het schuldig over hem uit te spreken 2). En ook andere feiten toonen de werking der gratie-idee. Voor het terugroepen van degenen, die met ballingschap waren gestraft, behoeven slechts de namen van Aristides, Cimon, Alcibiades en Demosthenes te worden vermeld. Eveneens moet gelet op de amnestie. De amnestie van Thrasybulus blijft hier het oudst bekende exempel. Nadat de dertig tyrannen verdreven zijn, verleent hij bij eene wet


➝ geleid. De een antwoordt, dat de beschuldigingen van twijfelachtig karakter waren, maar de verdiensten van Tiribazus voor aller oog uitblonken; de ander zegt onomwonden, dat, ook al ware het ten laste gelegde bewezen, dan nog zijne misdaden door zijne verdiensten werden overtroffen; en de derde spreekt uit, dat hij de verdiensten van Tiribazus niet in aanmerking heeft genomen, daar de eere, die deze van den koning had ontvangen, nog veel grooter was, maar dat hij de beschuldigingen op zich zelf ongegrond had bevonden.
Zeer stellig komt nu hierin vooral het tweede antwoord niet overeen met wat naar onze begrippen een rechter voegt, en toch, we lezen bij Diodorus verder, dat de koning, de rechters gehoord, hen om hun rechtvaardig oordeel prees, en aan Tiribazus de hoogste eerbewijzen schonk.
1) § 143 v.v., zie bijv. § 153 en 158. In het scholion bij § 143 (editie M.H.E. Meier, particula prior, Halle hij Schwetschk, 1831) wordt gezegd: „αἰδοῦς γὰρ τυγχάνει τις ἣ διὰ λαμπρότητα γένους, ἢ διὰ στρατηγίας καὶ πράξεις οἰκείας, ἢ διὰ φιλοτιμίας τὰς περὶ τὴν πόλιν.”
2) Nepos, Epaminondas, Cap. 8.

|8|

volledige vrijstelling van strafvervolging en straf, en zorgt voor de nakoming van wat hij belooft 1). En hoe in lateien tijd de staatkundige gesteldheid van Griekenland zelve feitelijk menigvuldige amnestieën te voorschijn riep, blijkt wel uit wat Mommsen schrijft 2): „Mit berechtigter Verachtung sahen die Römer noch der spätesten republikanischen Zeit herab auf die impotente hellenische Kleinstaaterei, in der bei jedem politischen Wellenschlag die Cassirung der den neuen Tagesherren missliebigen Straferkenntnisse sich von selber verstand.”

 

§ 3. De Romeinen.

Omvangrijker stof verschaffen ons de gegevens der Romeinsche historie 3). Wij houden ons bij het criterium der indeeling niet te lang op. Met Lueder 4) zijn wij van oordeel, dat het trekken van scheidslijnen bij het begin en einde der quaestiones perpetuae, als voor ons onderwerp van geen wezenlijke beteekenis, ons niet baat. Maar ook komt ons voor, dat Lueder op zijne scheiding van Republiek en Keizertijd te veel den nadruk doet vallen. Ontegenzeglijk veranderde met den aanvang van den keizertijd zeer veel, en was met name de hoogere ontwikkeling der souvereiniteitsidee van grooten invloed; doch anderzijds mag ook niet worden voorbijgezien, dat er steeds een Overheid was, hetzij die Overheid voorkwam in het staatsverband der republiek, dan wel in dat


1) Nepos, Thrasybulus, Cap. 3: „. . . Praeclarum hoc quoque Thrasybuli, quod reconciliata pace, cum plurimum in civitate posset, legem tulit, ne quis ante actarum rerum accusaretur neve multaretur, eamque illi oblivionis appellarunt. Neque vero hanc tantum ferendam curavit, sed etiam ut valeret effecit.”
Zie ook Valerius Maximus, Lib. IV, Cap. 1, Ext. § 4.
Voorts A.D. de Vries, Onderzoek betrekkelijk vroegere en latere Amnestiën, blz. 1-7.
2Römisches Strafrecht, 1899, blz. 482.
3) Hälschner, P.S., II, blz. 544, 545; Lueder, blz. 15-51; Geib, II, blz. 158, 159.
4) Zie Lueder, blz. 88 v.v.

|9|

eener, eerst wel democratische, maar later zelfs despotische monarchie.

In den tijd der koningen en in dien der Republiek ia de idee van gratie reeds duidelijk kenbaar. Dit te betwisten komt voort uit gebrek aan onderscheiding tusschen wat groeit en wat reeds tot wasdom kwam. Het volk, bereikbaar door de provocatio, sprak in laatste instantie in causis capitalibus recht, doch was „Richter und begnadigende Gewalt in einer Person” 1). Reeds uit den oudsten tijd geeft het bekende wedervaren van Horatius 2) ons hier eenige aanduiding. Of daar „vrijspraak of gratieverleenen” plaats vond, is niet na te speuren 3). Voldoende was voor dien tijd, dat de doodslager zijner zuster vrijkwam 4). Een tweede voorbeeld treffen wij aan in betrekking tot Quintus Fabius 5). Eene geschiedenis eigenaardig om het verband, waarin het oordeel des volks


1) Lueder, blz. 37.
2) Livius, Lib. I, Cap. 24-26. Hij verhaalt ons daar, hoe onder Tullus Hostilius, den derden der zeven koningen van Rome, Horatius, na het verslaan der drie Curiatii, in toorn ontstoken, zijne zuster doodde met het zwaard, toen zij hem weenende over haren verloofde, eenen der Curiatii, tegemoet trad, in stee van te jubelen over den door haren broeder behaalden triomf. En wanneer nu straks Horatius, als hij door de duumviri is schuldig bevonden, zich op het volk, waaraan de koning, door het toelaten der provocatio, de eindbeslissing in handen had gegeven, beroept, zien we weldra den doodslager van zijne zuster, maar tevens den redder zijns vaderlands van de straffe des doods bevrijd.
3) Vooral niet wanneer de historische juistheid van het verhaal zoo dubieus is.
4) Zie Lueder, blz. 38.
5) Livius, Lib. VIII, Cap. 30-35. Uitgelokt door schoone krijgskansen had Quintus Fabius, tegen het bevel van den dictator L. Papirius in, de Samniten bevochten met zoo schitterend gevolg, dat een beter succes ook bij tegenwoordigheid van Papirius niet had kunnen worden bereikt. Toch zou de verbolgen dictator den magister equitum wegens zijne overtreding der krijgswetten straffen. Reeds werd hij voor Papirius geciteerd; zijn doodvonnis zou worden voltrokken. Niets baatte het smeekgeroep van het Romeinsche leger. Evenmin zou de betuiging, dat salvis legionibus Romanis aan Quintus Fabius geen kwaad zou geschieden, hem redden. En zoo ook, het gezag der Romeinsche senatoren, de pleidooien ➝

|10|

hier noodwendig staat tot de nog onbeperkte dictatuur 1). Het recht, de discipline wordt streng gehandhaafd; gratie op de


➝ van Fabius’ ouden vader, de aandrang van het volk te Rome en de invloed van het afwezige leger, niets legde bij Papirius eenig gewicht in de schaal. Q. Fabius, hoewel zoekende om uitkomst naar Rome gevlucht, zou wegens zijne overtreding sterven. Doch zie, als de spanning op het hoogst is, komen de Romeinsche tribunen met smeekgebeden tot den dictator, en werpen zoowel Q. Fabius zelf als zijn grijze vader zich op de knieën neer, gratie inroepende, waar alle andere poging had gefaald. En dit redde het bedreigde leven. L. Papirius sprak: „Quirites: vicit disciplina militaris, vicit imperii maiestas, quae in discrimine fuerunt, an ulla post hanc diem essent. Non noxae eximitur Q. Fabius, qui contra edictum imperatoris pugnavit, sed noxae damnatus donatur populo Romano, donatur tribuniciae potestati, precarium, non iustum auxilium ferenti . . .” Naar recht, naar den strengen rechtsregel had de overtreder moeten sterven; overwegingen liggende op het terrein der gratie deden hem het leven behouden.
1) Later was de dictatuur onderworpen aan de provocatio en intercessio. „. . . . nach dem Sturz des Königthums die Beseitigung der Dictatur das eigentliche Ziel der römischen Freiheitspartei geworden ist. — In der That hat sie ihr Ziel erreicht und die Dictatur späterhin unter die Provocation gebeugt. . . . . Aber die spätere abgeschwächte Dictatur ist wie der Provocation, so auch der Intercession unterworfen gewesen und in einzelnen Füllen haben die Volkstribune selbst einen Dictator gezwungen sich ihnen zu fügen”. In de geschiedenis van Quintus Fabius was hiervan echter nog geen sprake: „In dem Verfahren, das der Dictator L. Papirius Cursor gegen seinen Reiterführer Q. Fabius Maximus einleitet (Liv. 8, 33 35), sagt dessen Vater, als der Dictator den Angeklagten zu verhaften befiehlt (c. 33, 8): tribunos plebis appello et provoco ad populum eumque tibi . . . . iudicem fero, qui certe unus plus quam tua dictatura potest polletque; videro cessurusne provocationi sis, cui rex Romanus Tullus Hostilius cessit. Der Dictator wendet dagegen ein (c. 34, 6) optare, ne potestas tribunicia, inviolata ipsa, violet intercessione sua Romanum imperium neu populus in se potissimum dictatorem et ius dictaturae extinguat und erklärt endlich (c. 35, 5), dass Q. Fabius noxae damnatus donatur populo Romano, donatur tribuniciae potestati, precarium, non iustum auxilium ferenti. Hier wird also offenbar die Gestattung der Provocation behandelt wie in der Königszeit, als ein Recht, nicht als eine Pflicht des Magistrats. Als imperia militiae geführt kann dieser Prozess nicht betrachtet werden, da es sich wohl um ein militärisches Vergehen handelt, die Verhandlung aber in Rom stattfindet.” Mommsen, Römisches Staatsrecht, Bd. II, 2te Aufl. 1877, blz. 156-158 en 156 noot 5.

|11|

velerlei smeekingen verleend 1). Ook kan gewezen op Scipio Africanus. „Was war es anders als eine Abolition im heutigen Sinne, wenn Scipio Africanus von zwei Tribunen des Peculats und des Einverständnisses mit dem Antiochus angeklagt, sich begnügte, daran zu erinnern, dasz heute der Jahrestag sei, an dem er den Hannibal geschlagen, und den Triumph erlebte, dasz das Volk die Anklage vergasz, um seinen trefflichen Verfechter in die Tempel zu begleiten und den Göttern für seinen Sieg zu danken?” 2) Eene andere bijdrage vinden we in de ruime bevoegdheid ook bij de Romeinen den rechters vergund. Cicero’s oraties en verschillende der voorbeelden door Valerius Maximus 3) opgesomd toonen dit aan. De rechter mag bij de bepaling van zijn vonnis de aandacht vestigen op verdienste, staatsbelang, ja zich door medelijden doen bewegen 4). Voorts kan hier worden gewezen op het feit, dat eene gratieering eo ipso plaats greep, wanneer de veroordeelde ter executie heengeleid toevallig eene Vestaalsche maagd ontmoette 5). Eveneens zijn niet van belang ontbloot de talrijke


1) Zie nog wat Abegg, Kr. V., III, blz. 332 v.v. over deze gebeurtenis schrijft. „Niemand wird die schone Darstellung bei Livius ohne innere Befriedigung lesen.” Blz. 334.
2) Zirkler, in Weiske’s Rechtslexikon, I, blz. 811.
3) Lib. VIII, Cap. 1.
4) Zie ook Cicero, De Inventione, Lib. II, Cap. 35: „Oportebit igitur eum, qui sibi ut ignoscatur, postulabit, commemorare, si qua sua poterit beneficia, et si poterit, ostendere, ea maiora esse, quam haec, quae deliquerit, ut plus ab eo boni quam mali profectum esse videatur: deinde maiorum suorum beneficia, si quae exstabunt, proferre. Deinde ostendere, non odio, neque crudelitate fecisse, quae fecerit, sed aut stultitia, aut impulsu alicuius, aut aliqua honesta, aut probabili causa: postea polliceri, et confirmare, se et hoc peccato doctum, et beneficio eorum, qui sibi ignoverint, confirmatum, omni tempore a tali ratione abfuturum: deinde spem ostendere, aliquo se in loco, megno iis, qui sibi concesserint, usui futurum.”
5) Mommsen, Römisches Strafrecht, blz. 459, zegt hiervan: „Von der verwandten Vorschrift des alten Sacralrechts, dass wenn ein zur Richtstätte geführter Verbrecher auf dem Wege einer Priesterin der Vesta zufällig begegnet — dass die Begegnung nicht absichtlich ➝

|12|

restitutiones damnatorum na eene aquae et ignis interdictio 1). Ook abolitie is bij aanvang te zien, hoewel zeer onvolkomen, door de intercessio der tribuni plebis. En allesbehalve was de amnestie onbekend. De verwarring, welke vooral de latere tijden der Republiek kenmerkte, droeg vaak een daartoe dwingend karakter. Denken wij slechts aan de amnestie op Cicero’s voorstel verleend na den moord op Caesar 2). Bovendien, was het getal der delinquenten te groot, dan kenden de Romeinen reeds de sortitio, om niet door eene executie op groote schaal den ganschen staat te doen wankelen 3). Tegen


➝ herbeigeführt sei, muss dieselbe eidlich erhärten —, das Todesurtheil nicht vollstreckt wird, sind thatsächliche Anwendungen nicht überliefert.”
Over het ook door Rein, Das Criminalrecht der Römer, blz. 265, vermelde asylrecht schrijft Mommsen, dat het te Rome in den tijd der Republiek niet gold. „Den Tempelfrieden, die besondere Unverletzlichkeit des Gotteshauses und alles dessen, was in demselben sich befindet, kennt das römische Strafrecht wohl insofern, als die Beraubung des Tempels, das sacrilegium schwerer geahndet wird als diejenige des bürgerlichen und des Gemeindehauses; aber die Ausdehnung dieser ἀσυλία auf den Schutz der Person von der Strafgewalt, die Unzulässigkeit der Verhaftung eines Angeschuldigten, so lange er in dem Heiligthum verweilt, ist ein durch die dauernde Rechtsunsicherheit der griechischen Politien hervorgerufener Missbrauch, von dem die römische Republik sich frei gehalten hat.” Blz. 458, 459.
1) „In diesem Fall konnte das Volk, welches aquae et ignis interdictio ausgesprochen hatte, diesen Beschluss durch eine besondere lex wieder zurücknehmen (sowohl durch eine lex centuriata auf den Vorschlag eines höheren Magistratus, als durch ein Plebiscit in den Tributcomitien auf den Vorschlag eines Volkstribunen). Diese Aufhebung des Exils heisst restitutio, oder mil der legalen Formel in integrum restitutio”. Rein, blz. 265.
2) Zie hierover A.D. de Vries, blz. 7-11. Voorbeelden uit vroegeren tijd bij Rein, blz. 264.
3) Cicero, Pro Cluentio, Cap. 46: „ne . . . nimium multi poenam capitis subirent . . . . sortitio comparata est”.
Florus, Rerum Romanarum libri IV, Lib. IV, Cap. 6, i. f.: „Haec quoque nisi multa fuisset, otiam iusta caedes haberetur”; en de noot hierbij van Minelly: „Nam etiamsi iusta puniendi causa sit, praestat ➝

|13|

het einde der Republiek waren echter, ook wat het gratie verleenen betreft, de toestanden verdorven 1). Beluisteren wij Cicero’s klacht: „perditae civitates desperatis iam omnibus rebus hos solent exitus exitialis habere, ut damnati in integrum restituantur, vincti solvantur, exsules reducantur, res iudicalae rescindantur: quae cum accidunt, nemo est quin intellegat ruere illam rem publicam . . . .” 2).

Eene wijle bracht de keizertijd daarin eenig herstel. Niet meer het volk, of liever de woelende meerderheid der strijdende partijen, maar de keizer, in schijn eerst als ambtelijk factotum dienaar des volks, inderdaad echter weldra absoluut autocraat, zou gratie verleenen 3). De verschillende soorten van gratie


➝ ignoscere, cum magna delinquentium copia est, aut paucorum saltem supplicio contentum esse, quam acrioribus remediis, ac ipsa mala sunt, civitatem labefactare”.
Zie voorts, Van Staveren, blz. 70.
1) Lueder, hlz. 43, 44: „Es war nicht mehr das Volk in seinen verfassungsmäszigen Versammlungen, welches Gnade übte, sondern die rasch sich folgenden Machthaber, die das lnstitut des Begnadigungs-Rechtes zu ihrem und ihrer Parteien Besten miszbrauchten, indem sie ihre, von ihrem Vorgänger håufig in massenhafter Weise verbannten Partei-Gänger zurückriefen und das Volk dabei gar nicht oder nur zum Schein befragten.”
Zie ook Rein, blz. 266.
2In Verrem, Act. II, Lib. V, Cap. 6.
Zie ook Cicero, De Lege agraria contra Rullum, Or. II, Cap. 4, waar hij zegt: „Neque vero illa popularia sunt existimanda, iudiciorum perturbationes, rerum iudicatarum infirmationes, restitutio damnatorum, qui civitatum afflictarum, perditis iam rebus, extremi exitiorum solent esse exitus.”
3) Lueder, blz; 49: „Vom Volke war die Souveränetät auf den Kaiser übergegangen . . . .” En in noot δ: „Wenn auch zunächst dem Kaiser durch die lex regia nur Volks-Befugnisse zuerkannt wurden.”
Zie ook Mommsen, Römisches Staatsrecht, II, blz. 848, 920. „In der Kaiserzeit aber ist zwar das Recht der Begnadigung factisch immer und späterhin auch rechtlich dem Princeps zugekommen; doch ist es regelmässig der Senat, von dem sowohl die Rescission der criminellen Verurtheilungen ausgeht wie die gleichartige oftmals bei freudigen Anlässen verfügte Niederschlagung (abolitio) der schwebenden Untersuchungen, ➝

|14|

komen nu aanvankelijk in behoorlijker vorm voor. De abolitie veelvuldiger en met verder strekkend gevolg dan in den tijd der Republiek 1). Ook ontstaat er, althans in lateren tijd, eenige teekening der grenslijn tusschen de taak des rechters en het gratieverleenen van den souverein 2). Al spoedig echter werd de corruptie nog grooter dan ooit te voren. In stee


➝ und es ist wahrscheinlich, dass beides formell zu den Prärogativen des Senats gehört hat.” (blz. 848, 849)
Voorts Geib, Geschichte des römischen Criminalprocesses, 1842, blz. 673: „Blos im Anfange der Periode gestattete man hier auch dein Senate eine gewisse Concurrenz, oder, was freilich mehr eine Formalität war, es suchten wenigstens einzelne Kaiser ihre desfallsigen Entscheidungen zuerst noch durch die Autorität des Senats bestätigen zu lassen.”
Verder Seneca, De Clementia, Lib. I, C. V: „Occidere contra legem nemo [non] pelest, servare nemo praeter me.”
En ook l. 46, § 1 D. 42, 1; l. 4, 1. 9, § 11 D, 48, 19.
1) „Allerdings war diese Intercession (der Kaiser) in ihrem ersten Ursprunge nicht anderes als eine Folge der tribunicischen Gewalt, welche bereits den ersten Imperatoren verliehen worden war: allein ihre Wirkung für den Angeklagten war doch gleich anfangs eine bei weitem kräftigere und dauerndere als die der eigentlichen Volkstribunen, und im Laufe der Zeit, nachdem die ganze Stellung der Kaiser sich geändert hatte, und sie aus blosen Magistraten zu wirklichen Monarchen geworden waren, muszte dieses begreiflicher Weise noch mehr der Fall sein. Während nämlich die Intercession der Volkstribunen stets blos gegen die gerade erhobene Anklage, höchstens für die Dauer ihres Amtsjahres, den Angeklagten zu schützen vermochte, erstreckte sich die Intercession der Kaiser jedenfalls auf die ganze Regierungszeit derselben, und sie gewährte nicht blos eine Aufhebung der Anklage, sondern eine Niederschlagung der Untersuchung, eine förmliche Begnadigung (venia, indulgentia) wegen des Verbrechens selbst.” Geib, Geschichte des römischen Criminalprocesses, blz. 570, 571.
Zie ook Rein, blz. 268.
2) Symmachus, Epistolae, Lib. X, Epist. 70: „Alia est conditio magistratuum, quorum corruptae videntur esse sententiae, si sint legibus mitiores; alia Dominorum Principum potestas, quos decet acrimonium severi iuris inflectere.”
Zie ook Crommelin, blz. 34, 35 over het zooeven aangehaalde citaat uit Seneca.

|15|

van het sacrale karakter, dat aanvankelijk ook het Romeinsche strafrecht beheerschte 1), kwam de willekeur, de luim, de nuk van den alleenheerscher, die geen God boven zich gevoelde, maar zich zelf God waande te zijn. Het strafrecht en de straf als straf gingen goeddeels verloren. Niet alleen bij feestelijke gelegenheden toch en om redenen van gewichtigen aard, ob diem insignem, ob rem prospere gestam, ob laetitiam aliquam vel honorem domus divinae 2), vond de indulgentie in den vorm eener vaak zeer ruime abolitio generalis plaats, maar ook in tal van andere gevallen. In het bijzonder werd het gewoonte gratieering te doen plaats vinden, „wenn ein neuer Kaiser an die Regierung kam, und die etwaigen Ungerechtigkeiten seines Vorgängers wieder ausgleichen zu mussen glaubte” 3). Ja zelfs sterker. De princeps verleende zijne indulgentie „non solum ob aliquam probabilem causam, veluti ob vitae anteactae merita, ob insigne artificium, aetatis commiseratione, et si quae similis, verum etiam sine ulla causa” 4). Zoo werd gratie niets dan een gunst, zonder eenigen grondslag, en zonder eenig leidend motief. De willekeur vierde


1) Zie L. von Bar, Geschichte des Deutschen Strafrechts und der Strafrechtstheorien, blz. 5 en 6.
Ook Mommsen, Römisches Staatsrecht, II, blz. 49 v.v.
2) Lueder, blz. 22: „z.B. Regierungs-Antritte, Consuls-Wechsel, freudige Jahres- und Gedenktage, erfochtene Siege, Friedensschlüsse, Geburtstage, Hochzeiten u.s.w. der Imperatoren”.
3) Geib, Gesch. des röm. Criminalproc. blz. 673.
4) Matthaeus, De Criminibus, ad Lib. XLVIII, Dig. Tit. XIX, Cap. 5. Er volgt: „Est enim a multis pro regula traditum, principem de plenitudine potestatis suae gratiam cuiusvis poenae reo facere posse, nudumque motum eius pro legitima causa esse. Qui vero modestius sentiunt, ii fere dislinguunt, ut in quibus criminibus indulgentiam praecedere transactio debet, in iis non possit absque probabili causa princeps poenae gratiam facere, nisi transactum iam sit cum iis, ad quos iniuria pertinet: in reliquis possit liberrime de poena gratiave statuere. Sed hi quamquam modestius loquuntur, perperam tamen mores cum iure civili confundere videntur. Ad leges si aspicias, eae neque causae, neque transactionis faciunt mentionem: quin contra . . . . .”

|16|

haren teugel 1). En hoewel anderzijds, vooral onder de Christenkeizers, allengs bij sommige zware misdrijven gratie werd buitengesloten 2), en in het algemeen de regelen der Mozaïsche wetgeving weer in hooger mate hun invloed deden gelden 3), toch kwam het tot eene diep ingrijpende verbetering niet. Eigenaardig was ten slotte de abolitio Paschalis 4). Reeds het begin onzer jaartelling doet ons de gewoonte kennen van den Romeinschen stadhouder, om „den volke eenen gevangene los te laten, welken zij wilden” 5). Vooral later werd dit gebruik weer opgevat, in dien zin, dat de Christenkeizers met name het Paaschfeest als het tijdstip kozen om hunne gratie in meer of minder ruimen omvang 6) te verleenen. 7)

Saamvattende de verschillende aanduidingen, waarop wij wezen, blijkt ons dus, dat, zoowel in den tijd der Republiek


1) Trummer zegt, blz. 232: „Eben so wenig läszt es sich bestreiten, dasz Rechtsgründe, und nicht nach der Sitte der römischen Kaiser blosze Willkür die Begnadigung bestimmen dürfen und müssen.”
2) L. 3, C. 1, 4. Voorts Suringar, blz. 15 en 16. Ook Haus, II, blz. 232, noot 3: „A Rome, sous le régime impérial, le droit de grâce appartenait au prince qui avait le pouvoir illimité de réduire ou de remettre les peines prononcées. L. 45 § 1, D. de re judic. (42, 1). L. 4, L. 9 § 11, D. de poenis (48, 19). Les empereurs accordaient souvent, à l’occasion de quelque grand evenement, la remise ou une réduction de peine à tous les condamnés, en exceptant seulement ceux qui avaient commis les crimes les plus graves. Cod. de sentent. passis et restitutis (9, 51).”
3) Von Bar, blz. 49: „Ohne Zweifel begann es (das Christenthum) . . . . an die weltliche Gesetzgebung den Anspruch zu stellen, sich der mosaïschen Gesetzgebung und natürlich, so wie man letztere damals auffasste, zu conformiren.”
4) Zie bijv. Cod. Theod., Lib. IX, Tit. 38, § 3, 4, 6.
5) Matth. XXVII: 15.
6) Zie Lueder, blz. 23, noot aa.
7) De quaestie of de abolitio Paschalis eene ware gratieverleening was of niet kan hier ter zijde worden gelaten. Immers staat in elk geval vast, dat de idee van gratie in haar aan den dag trad. Zie Lueder, blz. 22, noot z, en Geib, II, blz. 159. Ook Vollgraff, blz. 32, noot 19.

|17|

als in den keizertijd, het verleenen van gratie inzooverre genoegzaam gekend werd, dat het ons eene bijdrage biedt voor de kennis van de werking en worsteling der idee 1).

 

§ 4. Het Germaansche Recht.

Veel minder ontkiemd is de gratie-idee in het oude Germaansche recht 2). Gelijk wij vooropstelden, bracht de connexiteit van gratie met de ontplooiing der begrippen strafrecht en souvereiniteit met zich, dat de ontwikkeling der gratie-idee de wordingsgestalten van die andere begrippen slechts kon volgen. En deze leidsvrouwen gingen hier met zeer langzamen tred. Aanvankelijk droeg de straf bij de Germanen bijna uitsluitend een privaatrechtelijk karakter. Wie misdeed vergreep zich aan het recht van den gekwetste 3), stond aan de wraak van dien beleedigde of diens naaste verwanten bloot, en had als uitweg zoo mogelijk met den gekwetste of diens familie den zoen te sluiten 4). Toch was spoedig aan dit wraak- en


1) Ten onrechte dus Rousseau, Du contract social, Liv. II, Chap. 5: „Sous la République Romaine jamais le Sénat ni les Consuls ne tentèrent de faire grâce; le peuple même n’en faisait pas, quoiqu’il révocat quelquefois son propre jugement.”
Zie ook Zirkler, blz. 811: „Es ist auch eine unrichtige Behauptung von Bach, dasz in der Zeit der Republik zu Rom nicht begnadigt worden sei, . . . .”
Voorts Abegg, Kr. V., III, blz. 332.
2) Hälschner, PS., II, blz. 545, 546.
Lueder, blz. 55-63.
Abegg, Kr. V, III, blz. 884 886.
3) Von Bar, blz. 68.
Zie ook L.P.C. van den Bergh, blz. 132 v.v.
4) Zie hierover Wilda, Das Strafrecht der Germanen, blz. 156 v.v. en 314 v.v.
Bij enkele misdrijven vinden wij, althans aanvankelijk, ook de religieuze opvatting, dat de Godheid er door was gekwetst; zie Lueder, blz. 56, 57; Von Bar, blz. 58, noot 242; blz. 59, noot 256.

|18|

compositiesysteem ook een meer publiekrechtelijke opvatting niet geheel vreemd. Niet louter werd gezien op den gekrenkten persoon en zijnen familiekring, maar naast deze werd ook het oog gevestigd op de vredebreuk met het geheel der levensgemeenschap. Niet alleen het individu, maar ook „das Gemeinwesen” oefende wraak of eischte zoengeld 1). Doch al droegen zoo de straf en het strafrecht ook een meer publiekrechtelijk karakter, en zou dit publiekrechtelijke element in latere tijden zelfs het vroegere privaatrechtelijke verdringen 2), niettemin was aanvankelijk het privaatrechtelijke ten eenenmale overwegend 3), en zou het ook bij zijn versterven nog eeuwenlang 4) zijn medezeggenschap doen bespeuren. Nu was zeer zeker ook in het wraak- en compositiesysteem een volledig of minder volledig afzien van wraak of kwijtschelden van weergeld of breuk door privaatpersoon of Gemeinwesen mogelijk 5). Doch waar het privaatrechtelijke element zoo overwegend was, bracht dit van zelf te weeg, dat de gratie-idee bij zulk eene


1) Suringar, blz. 38: „In quovis enim delicto duplex secundum Germanorum instituta noxiae elementum adesse credebatur: 1º laesio civitatis, pacis publicae, 2º laesio singuli hominis; delictum igitur publicum, delictum etiam privatum. Unde duplex satisfactionis necessitas, altera publica, (breuk, breuke) altera privata (zoengeld, werigeldus)” Beter ware geweest de orde om te keeren.
2) De weg daartoe werd voor een groot deel gebaand door den „Sieg des Inquisitions-Processes über den Akkusations-Procesz”. Lueder, blz. 61, in aansluiting aan Plochmann.
3) Zie behalve Hälschner, P.S., oook Geib, II, blz. 159.
Voorts Hugo de Groot, Inleydinge tot de Hollantsche Regtsgeleertheyt, Boek III, deel 32, editie Groenewegen, 1667, blz. 342: „. . . . ende vermoght den Graef van Holland niet te soenen met de misdadigen buyten de magen: nogte de magen buyten de Graef.”
4) Abegg, Kr. V., III, blz. 335.
5) „Das deutsche Begnadigungsrecht ist seinem Ursprunge nach nichts anderes als das Recht des zur Strafe oder zur Rache Berechtigten, über seine Straf- oder Rachebefugnis zu disponieren, darauf zu verzichten oder sie durch Vertrag gegen eine andere Leistung abzulösen und hierdurch dann den durch das Verbrechen gestörten oder aufgehobenen Friedenszustand mit dem Verbrecher wiederherzustellen.” Loening, blz. 228. Zie ook Van den Bergh, blz. 132; Sternberg, blz. 10.

|19|

transactie al zeer gering in het licht trad 1). Terwijl bovendien, ook wanneer de actie uitging van den kant van het Gemeinwesen, er toch geen resultaat kon worden bereikt zonder volkomen bevrediging der civielrechtelijke partij 2). En letten we dan nog op het feit, dat een ontwikkeld souvereiniteitsbegrip niet werd gekend 3), gelijk dat ons ook uit het karakter van het strafrecht bleek, dan zal het worden verstaan, dat van de doorwerking der gratie-idee in het oude Germaansche recht zeer weinig wordt gevonden 4).


1) Zie bierbij ook Frauenstädt, blz. 906.
Stockar, blz. 2: „Unter diesen Verhältnissen liess sich natürlich von einem Institut der Begnadigung, wie wir sie heute kennen, noch nicht reden; die Begnadigung batte damals eben nur die Natur einer Privatverzeihung.”
2) Zoo ook in Engeland in de Angelsaksische periode: „In diesem Gebiet (das Gebiet der Strafgewalt) endlich erscheint die königliche Gerichtshoheit auch schon als Begnadigungsrecht, doch nur so weit nicht ein Privatrecbt auf Genugtbuung entgegensteht.” Gneist, Englische Verfassungsgeschichte, blz. 20.
Slechts dan was het anders, wanneer het misdrijf slechts ééne der genoemde partijen betrof, zooals bijv. het misdrijf van landverraad en het crimen laesae maiestatis. Voorbeelden in betrekking tot het laatste zijn uit eenigszins lateren tijd o.a. het verleenen van gratie aan Tassilus II van Beieren door Karel den Groote, die het leven van Tassilus redde door verandering der doodstraf in de straf van opsluiting in een klooster. Zie voorts de gratie na majesteitsschennis verleend in 830 te Nijmegen door Lodewijk den Vrome, en andere gevallen bij Suringar, blz. 39. Zie ook Lueder, blz. 58, noot t.
3) Zie Hälschner, P. S., II, blz. 546.
Voorts Stockar, blz. 4: „Man kannte noch keine einheitliche öffentliche Gewalt; im Gegenteil durch Veräusserungen, Übertragungen u.s.w. waren die öffentlichen Rechte an sehr verschiedene Subjekte gelangt.”
4) „Von allen übrigen mitwirkenden Momenten abgesehen, stand der Entwickelung des Begnadigungsrechtes die Auffassung des Verbrechens entgegen, nach welcher es vorwiegend als Verletzung einer subjectiven Berecbtigung, und darum die Strafe als eine dem Verletzten schuldige Genugthuung erschien.” Hälschner, PS., II, blz. 545, 546.
„De landsheer had derhalve oudtijds geen ander regt van gratie, dan in zoover de beleedigde partij daarin toestemde, of bijaldien de misdaad alleen den vorst of den staat betrof.” Van den Bergh, blz. 134.

|20|

§ 5. De Christelijke Kerk.

De allengs grootere uitbreiding der Christelijke Kerk, weldra geconcentreerd om de zich steeds hooger verheffende macht van den Pauselijken stoel, deed zich ook wat de idee gratie aanbelangt duidelijk gevoelen. Eerst practisch, daarna ook stelselmatig, sloeg de Christelijke Kerk haren arm om het gansche leven. Vooral onder leiding der groote Pausen, eischte de Kerk principieel alle autoriteit op elk terrein des menschelijken levens voor zich op. Een kerkelijk strafrecht 1), buiten het forum internum, eerst vrijwel beperkt tot het recht van exemtie 2) en het asylrecht 3), spoedig zich al verder uitbreidende, vond zoo zijn plaats aanvankelijk naast het wereldlijke, straks worstelende met dat wereldlijke om de oppermacht 4). En die kerkelijke iurisdictie, ook veldwinnende in het land


1) Zie over den oorsprong van het kerkelijk strafrecht in verband met 1 Cor. VI, Richter en Dove, Het Katholieke en Evangelisch Kerkrecht, editie Van Toorenenhergen, 1876, blz. 613 v.v. en verder over het strafrecht der Christelijke Kerk, Wilda, Das Strafrecht der Germanen, blz. 525 v.v., en Von Bar, Geschichte des deutschen Strafrechts, blz. 71 v.v.
2) Von Bar, blz. 76: „Schon im VI. Jahrhundert sind die Häupter der Kirche von der weltlichen Gerichtsbarkeit so gut wie eximirt . . . . Clotar II eximirte durch eine Verordnung von 614 auch die gesammte niedere Geistlichkeit von der weltlichen Strafgewalt . . . .”
3) Zie Von Bar, blz. 80 en 81: „Der verfolgte Verbrecher, dem es gelang, eine Kirche zu erreichen, war einstweilen sicher”. Voorts Frauenstädt, blz. 903: „. . . . die Geistlichkeit das Recht . . . . die Auslieferung der Hineingeflüchteten so lange zu verweigern, bis deren leibliche Schonung zugesichert wurde . . . .” Verder uitgebreid Wilda, blz. 537 v.v. Zie ook Sternberg, blz. 57.
4) Deze worsteling op het gebied van het strafrecht werd vanzelf een onderdeel van den ganschen strijd, die door de Pausen om de oppermacht, werd gevoerd. Vooral de bul Unam Sanctam van Paus Bonifacius VIII werkte systematisch in de z.g. tweezwaardenleer de pauselijke theorieën uit. Maar bekend is ook de voortdurende weerstand door de wereldlijke overheden geboden, vooral door Filips den Schoone van Frankrijk. Zie Richter en Dove, editie Van Toorenenhergen, blz. 123, 126, 127. Eigenaardig de tweede helft van noot 2 blz. 127.

|21|

der Germanen, wist niet alleen van straffen wegens de vrede breuk met God 1), niet alleen van het sluiten van den zoen 2) en het geheele daarmee saamhangende poenitentiesysteem, maar kende ook gratie. Goed of verkeerd opgevat, de barmhartigheid Gods werd ten voorbeeld gesteld, en de clerus der Kerk oefende barmhartigheid, ook door het verleenen van gratie, meenende alzoo te doen wat welbehaaglijk was in de oogen Gods. Intusschen, die verheven opvatting van het tot uitdrukking brengen van de genade Gods was niet voortdurend de alles beheerschende. Tuk op wereldlijke macht, miskennende des Heeren Woord: „alzoo zal het onder ulieden niet zijn” 3), zocht de clerus het strafrecht en het daarmee verbonden gratierecht veelmeer uit te oefenen als ware hij kortweg wereldlijke overheid. Menig bisschop werd tevens wereldlijk heer. En waar zulk een optreden noodwendig vereischte een „uiterlijk gelaat” 4), en niet het minst in den splendor ecclesiae het symbool harer macht werd gezocht, was de satisfactio pecuniaria, gelegen in het sluiten van den zoen en het gansche


1) Waardoor de kerk zeer stellig de diepere beschouwing van straf en strafrecht bevorderde. Zie Wilda, blz. 537.
2) Zie Wilda, blz. 526 v. v. over het eischen van een drievoudig weergeld na misdrijven tegen een priester en krenking van het eigendomsrecht der kerk, omdat die golden als „erschwerte Missethaten”.
3) Matth. XX: 26.
„Heerschappij en macht kunnen in onze politieke en sociale verhoudingen niet gemist worden.
Maar, en ziet hier de tweede vraag, die ik u ga toelichten: „Hoort deze heerschappij en zulk een macht daarom nu ook thuis in de Kerk van Christus?”
En als we op deze, vooral thans zoo overgewichtige vraag bet antwoord zoeken, niet in een kerkelijk reglementenboek, noch bij menschelijke opiniën, maar hij den Koning der kerk zelven, hoort hier dan, hoe zijn antwoord luidt.
En dan zegt Hij u en mij: Heerschappij bij de oversten in den Staat, en Macht hij de grooten in de Maatscbappij, maar onder u, d.i. in mijn Kerk, zal het alzoo niet zijn.
En met dit ééne woord is de zaak beslist, . . . .” Dr. A. Kuyper, Alzoo zal het onder u niet zijn, 1886, blz. 12.
4) Luk. XVII: 20.

|22|

stelsel der poenitentie 1), voor den altoos om goud roependen buidel der hiërarchie wel zoo aanlokkelijk en baatbrengende als het verleenen van gratie. De corruptie deed ook hier evenzeer hare intrede als in den keizertijd van het Romeinsche recht.

 

§ 6. De Voortgang der Middeleeuwen.

In der Middeleeuwen voortgang bleef de reactie tegen het drijven der Roomsche hiërarchie niet uit. Zelfs is het in de worsteling, waarop wij wezen, aan de Kerk en het kerkelijk strafrecht nooit volkomen gelukt, zich in de Germaansche landen de oppermacht te verzekeren 2). De oud-Germaansche privaatrechtelijke opvattingen leefden voort 3), en lieten zich noch door een meer op den voorgrond komen van het Gemeinwesen, noch door de aanmatiging der Kerk verdringen. Trouwens ook de rechters, of liever de „Gerichtsherren”, verzetten zich met hand en tand tegen de ontrooving hunner


1) Vergelijk hierbij Wilda, blz. 536: „Und so sehen wir denn auch, wie nicht nur die Verwandlung der in den Kirchengesetzen und Pönitentialien vorgeschriebenen Fasten u.s.w., in Verrichtung anderer minder beschwerlicher frommer Werke, namentlich aber auch in Almosen, d.i. also in eine zugleich der Kirche zu Gute kommende Geldstrafe, bereits im 10. Jahrhundert sehr häufig geworden war, sondern auch schon oftmals zur Bereicherung der Kirche benutzt wurde. Die germanische Sitte, Leib und Leben durch Geld zu lösen, mag wohl zur Förderung und Verbreitung dieses zu einem wahren Sündenhandel entartenden Missbrauches beigetragen haben.” Zie echter ook verder.
2) Zie Richter en Dove, editie Van Toorenenbergen, blz. 136-138, over de reactie „van den kant van den staat”.
3) „. . . . das Volk doch viel fester . . . . an seiner eigenthümlichen Denkweise und seinen herkömmlichen Einrichtungen festhielt; . . . .” Wilda, blz. 537. „. . . . . so lange nicht blos bei Verübung eines Verbrechens, sondern eben so bei dessen Bestrafung nur der verletzte Einzelne, keineswegs aber der Staat resp. der Träger seiner Souveränetät, der Regent selbst, als betheiligt erschien, Unmöglichkeit einer wirklich fruchtbaren und durchgreifenden Entwicklung der ganzen Idee des Begnadigungsrechts.” Geib, II, blz. 159.

|23|

iurisdictie. Zoo zien wij in de Middeleeuwen zeer gecompliceerde verhoudingen. Privaatpersoon, Gerichtsherren Kerk, stonden tot op zekere hoogte naast elkander, wat ten aanzien van het verleenen van gratie schier noodzakelijk moest voeren tot een onderlingen wedijver om geld 1), of om eer, of om beide te saam, en leiden tot een willekeur en verwarring als in de latere Middeleeuwen werd aanschouwd 2). Toch was in de rechtspraak van den hoe langs hoe meer in één persoon vereenigden rechter en Gerichtsherr 3), naarmate deze


1) „lm Vordergrunde stand bei den Vögten und Gerichtsherren kaum jemals das öffentliche, sondern stets nur ihr persönliches Geldinteresse. Das konnte auch schwerlich anders sein in einer Zeit, in der das Königtum auch nicht das mindeste Bestreben zeigte, die Gerichtshoheit im Reiche an sich zu ziehen, in der die Gerichte jeder Kontrolle entbehrten, die Gerichtsbarkeit als nutzbares Recht von einer Hand in die andre ging, als Rente verkauft, verpfändet, zu Lehen gegeben wurde und in der zu allem Überflusz bei gewissen Friedensbrüchen ohnehin das bestehende Recht zahlungsfähigen Friedbrechern die Möglichkeit gewahrte, sich von der nach strengem Recht verwirkten Leibes- und Lebensstrafe loszukaufen. Von hier bis zur Gestattung des Loskaufs in andern Kapitalfüllen war unter diesen Umstanden nur ein Schritt, und dasz er nicht unterblieb, dafür sorgte schon die Habgier oder Geldnot der Gerichtsherrn, die von jeher die Gerichtsbarkeit als melkende Kuh behandelt hatten. Schon der Dichter der Dorfgeschichte vom Meier Helmbrecht vergleicht die Richter mit gierigen Wölfen, leicht bereit, gegen Empfang von Geld und Gut das Richtschwert ruhen zu lassen, . . . .” Frauenstädt, blz. 905. Zie voorts Loening, blz. 233, noot 56.
2) Zie wat Frankrijk aangaat Legoux, blz. 10: „Il arriva même que des ambassadeurs de la cour de Rome ne craignirent pas de faire grâce en France au nom du pape. Il y avait, dans un pareil acte, une manoeuvre politique qui tendait évidemment à attribuer au souverain pontife des droits régaliens en France, en concurrence avec ceux du roi lui-même. Aussi les hommes politiques du temps comprirent que, du jour où le droit de grâce serait reconnu au pape, il serail bien près d’exercer les autres droits souverains et pourrait battre monnaie, lever des troupes el élablir des impôts en France.”
3) „Von der Seite der Zuständigkeit betrachtet, war allerdings das Begnadigungsrecht als Attribut der Gerichtsbarkeit ein Vorrecht nicht des erkennenden Richters, sondern des Gerichtsherrn. Aber je öfter beide sich in derselben Person vereinigten, und das war ja namentlich bei allen Städten mit selbständiger Gerichtsbarkeit der Fall, da die Herren ➝

|24|

rechtspraak in aanzien klom, de werking der gratie-idee ook in gerechtvaardigden vorm kenbaar. Gelijk bij de Grieken en oude Romeinen, was er nog geen onderscheiding tusschen de wettelijke ruimte van beweging den rechter gelaten ten aanzien van de toemeting der straf, en de gratie van den gezagdrager boven hem. Zoo mocht dan ook hier de rechter bij de vaststelling van zijn vonnis letten op alles en allerlei, wat hij van belang achtte daarbij in aanmerking te nemen 1). In het vonnis zelf vond dus reeds toepassing wat, met name in onzen tijd, alleen in den weg van gratie door de Overheid, als zoodanig, zou mogelijk zijn. En zoo greep dan te midden van de „Barbarey des Mittel-Alters” 2) in het „Richten nach Gnade” de werking der gratie-idee plaats, hoeveel verschil over den juisten inhoud dezer uitdrukking er ook overigens moge bestaan 3). Evenwel niet alleen in ’s rechters iurisdictie


➝ vom Stadtregiment zugleich das Stadtgericht bildeten, um so schneller verdunkelte sich natürlich im Volke wie in den Gerichtskörpern selber das Bewusztsein, dasz nicht das Gericht als solches, sondern nur insofern es in sich gleichzeitig den Inhaber der Gerichtsbarkeit repräsentierte, die zur Begnadigung berechtigte Instanz sei.” Frauenstädt, blz. 907.
1) Zie Geib, I, blz. 197: „die Gerichte sollen jetzt das Recht nicht mehr nach einer ein-für allemal feststehenden Norm „sprechen”, sondern sie sollen es mit Rücksicht auf die Individualität jedes einzelnen Falles „schaffen” (schöpfen) oder „finden”.”
2) Vollgraff, blz. 16.
3) Zie bijv. Abegg, Kr. V., III, blz. 342, 343; Wahlberg, blz. 123; Von Wächter, blz. 301 en noot 6; Loening, blz. 230; Stockar, blz. 4. Abegg, blz. 342, zegt, zich aansluitende aan Osenbrüggen: „das Recht nach Gnade zu richten war ein Surrogat für das fehlende Institut der in den neueren Strafgesetzgebungen vorherrschenden relativ bestimmten Strafen.” En hij haalt dan aan de woorden van Osenbrüggen: „Das arbitrium judicis war anerkannt, nur in anderer Weise als heutzutage.”
Loening, blz. 229, 230, zegt echter: „Je nachdem sie nun hier sich mehr als eignes Recht oder mehr als verliehenes oder blosz der Ausübung nach übertragenes Recht gestaltete, nahm der Gerichtsherr bezw. der Ridder auch in gröszerem oder geringerem Umfange, beschrankt oder unbeschränkt die Disposition über die Strafe, die Begnadigung für sich in Anspruch; und eben hieraus erklärt sich dann auch die (von Kohler . . . . wie auch, nach Vorgang Osenbrüggens, von unserem Verf. (H. Sander) ➝

|25|

en in de beschikkingen van privaatpersoon en Kerk was de gratie-idee kenbaar; ook de vorsten verleenden gratie. Groot was hun macht in deze niet. Het schijnt, dat zij in don beginne hoogstens in sommige gevallen fungeerden als rechter in hooger beroep 1). En wel deden de Karolingische vorsten de souvereiniteitsidee klimmen 2), en kwam het verleenen van gratie in hunnen tijd tamelijk veelvuldig voor 3), maar, „fracta multis calamitatibus imperatoria auctoritate post Carolingicorum decessum” 4), verbrokkelde weer wat zij hadden geconcentreerd 5), en oefende in deze „vielhundertjährige


➝ miszverstandene) Erscheinung, dasz vielfach die Gerichte selbst im Prozesz die Begnadigung handhabten: das sog. Richten nach Gnade. Für die Ausübung der Gnade war dabei aber in allen Fallen zunächst allein maszgebend das persönliche Interesse und Belieben, die Mild- oder Hartherzigkeit des berechtigten Subjekts; daher die, eine ständige mittelalterliche Einrichtung bildenden Fürbitten angesehener Personen für verurteilte oder zu verurteilende Delinquenten, insbesondere seitens der Geistlichkeit, deren Einflusz auf die Bevölkerung seit den frühesten Zeiten mit auf diesem Geschäfte beruhte.”
En Stockar, blz. 4, weer: „In diesem Richten aus Gnade lag übrigens nicht nur ein Strafänderungsrecht, sondern auch ein Surrogat für die fehlende richterliche Befugnis, die Strafe innert einem gegebenen Strafrahmen bemessen.”
1) „initio, antequam auctoritatem in foris et judiciis jus Romanum acquisivisset, magis tanquam supremos judices, ad quos semper provocatio erat, quam quidem tanquam supremos imperantes, extra ordinem intervenientes, illos ita delinquentihus veniam concessisse, . . . . . .” Crommelin, blz. 46.
2) Zie o.a. Frauenstädt, blz. 887 en 906.
3) Zie de citaten bij Geib, II, blz. 159 en 160.
4) Crommelin, blz. 53.
5) „Den ersten und verhängnisvollsten Schrift hierzu hatten allerdings die fränkischen Könige selbst gethan, „indem sie den umfangreichen Grundbesitz der Kirchen und Klöster, sowie der weltlichen Groszen, soweit diese ihn von der Krone zu Lehen trugen, von der Amtsgewalt der Grafen befreiten. Weder der Graf noch seine Unterbeamten durften das befreite Gebiet (Immunität) in amtlicher Eigenschaft betreten, . . . . . Allmählich gelangten die Immunitätsherren auf Grund kaiserlicher Verleihung zugleich in den Besitz einer der gräflichen gleichstehenden Gerichtsbarkeit über ihre Hintersassen: und auch für ihren allodialen ➝

|26|

Periode der Zersplitterung” 1) schier elk wereldlijk en geestelijk heer, hooger of lager geplaatst, een gratierecht uit, voor zoover dat in verband met den privaatrechtelijken oorsprong van het strafrecht en al wat daarmee saamhing, kon geschieden 2). Gelijk vanzelf spreekt, was er zoo van eene juiste ontwikkeling der gratie-idee geen sprake, ja leidde het wederom tot oen willekeur, te grooter naarmate de verbrokkeling steeds voortging 3), en vaste criteria, waarnaar het gratieverleenen zich richtte, gansch niet werden gekend. „Jede nicht ganz unbedeutende Stadt hatte ihre eigne selbständige Gerichtsbarkeit, jedes Dorf seinen eignen Gerichtsherrn. Oft hatte sogar ein einziges Dorf deren verschiedene, wenn durch Verkauf oder


➝ Grundbesitz wuszten die weltlichen Groszen sich dieselben Privilegiën zu verschaffen”. Hierzu kam die Erschöpfung des Kronguts durch Schenkungen an geistliche und weltliche Würdentrager, welche damit die Gerichtsbarkeit in eben demselben Umfange zu vollem Eigentum erwarben, wie die Könige sie auf diesen Gütern ausgeübt hatten.” Frauenstädt blz. 888; gedeeltelijk door hem geciteerd uit Schröder, Deutsche Rechtsgeschichte.
Zie ook Crommelin, blz. 64, ook noot 43; en Legoux, blz. 10, noot 1.
1) Frauenstädt, blz. 906.
2) Zie l.oening, blz. 229; Frauenstädt, blz. 891 en 892. Vooral in geval van doodslag kwam dit uit. „Nichtsdestoweniger stand auch noch das spätere Mittelalter auf dem Standpunkte, dasz bei den Delikten gegen die Person und das Vermögen durch die Strafe in erster Reihe nicht der öffentlichen Rechtsordnung, vielmehr dem Verletzten Genugthuung zu verschaffen sei, was zur Folge hatte, dasz gegen den Willen des Verletzten eine Entbindung des Thäters von der öffentlichen Strafe nicht stattfinden konnte.
Am schärfsten ausgeprägt zeigt sich diese das Strafrecht des Mittelalters beherrschende Anschauung beim Totschlage. Im Falle der Verurteilung wurde der Totschläger der Familie des Getöteten zur Hinrichtung überliefert und entsprechend der obigen Rechtsanschauung konnte eine endgültige Begnadigung des Thäters nur unter ausdrücklicher Zustimmung der Verletzten erfolgen. Wenn also dem Gerichtsherrn daran lag, von dem Thäter die Todesstrafe abzuwenden, so konnte dies nicht anders geschehen, als dasz er diesen mit seinen „Feinden” auszusöhnen versuchte.” Frauenstädt, blz. 891.
3) „So bietet schon im 12. Jahrhundert die Gerichtsbarkeit das Bild einer ungeheuern Zersplitterung, welche allmählich immer gröszere Ausdehnungen annahm.” Frauenstädt, blz. 889.

|27|

Verpfändung eines Teils des herrschaftlichen Grundbesitzes zugleich ein aliquoter Teil der Gerichtsbarkeit in andre Hände übergegangen war” 1). De Fronbote had zoowel volgens den Sachsen- als Schwabenspiegel „bei Massenhinrichtungen das Recht auf den zehnten Mann . . . . der sich dann von ihm loskaufen konnte” 2); ja sterker, aan den scherprechter werd vaak „die Bestimmung über die Todesart” overgelaten 3), en „thatsächlich . . . gestaltete sich diese Funktion des Nachrichters nicht selten zu einer Art von Strafmilderungsrecht . . . .” 4). Zelfs bleef de uitoefening van het gratierecht niet beperkt tot den kring van personen, die „sei es in amtlicher  Eigenschaft oder als Partei beim Prozesse beteiligt waren” 5). Hooggeplaatste vrouwen konden gratie verleenen


1) Frauenstädt, blz. 889. En verder zegt hij dan: „Der Besitz der Gerichtsbarkeit schlosz allerdings nicht von selbst, vielmehr nur auf Grund eines besondern Titels das Recht in sich, über Leben und Tod zu richten, und es übten namentlich unter den Grundherren eine grosze Zahl nur die niedere Gerichtsbarkeit aus . . . . Gleichwohl übte jeder Inhaber einer Gerichtsbarkeit innerhalb des Umfanges seiner richterlichen Befugnisse der Regel nach zugleich das Begnadigungsrecht aus, da es von der herrschenden Rechtsanschauung als ein Attribut der Gerichtsbarkeit aufgefaszt wurde.”
2) Frauenstädt, blz. 893: „Leben und Freiheit des Verurteilten hingen sonach von der Willkür des Fronboten ab. Aus einer Stelle der dem 13. Jahrhundert angehörenden Dichtung vom Meier Helmbrecht wird sogar, wofern wir es hier nicht etwa nur mit einer dichterischen Licenz zu thun haben — gefolgert werden mussen, dasz der Fronbote nicht nur den Loskauf verweigern, sondern die Todesstrafe in eine Leibesstrafe umwandeln und hiermit ebenfalls eine Art von Begnadigungsrecht ausüben durfte.”
3) Frauenstädt, blz. 894.
4) Frauenstädt, blz. 895. In noot 20 zegt hij nog in verband met een aangehaald voorval: „Enthauptung war die einzige nicht entehrende Todesart, während alle andern einen beschimpfenden Charakter besaszen. Durch seinen Ausspruch rettete mithin der Nachrichter dem Thäter zwar nicht das Leben, aber die Ehre.”
Zie overigens over het verzet, dat tegen deze „Gerichtsgewohnheit”, om het oordeel over de soort van doodstraf aan den scherprechter over te laten, zich allengs verhief, blz. 896.
5) Frauenstädt, blz. 897.

|28|

door het lossnijden van den strik, waarmede de veroordeelden ter executie werden geleid 1). Personae illustres maakten aanspraak op hetzelfde recht 2). Over gansch Duitschland vond het gratieverleenen aan een ter dood veroordeelden boosdoener plaats, wanneer eene jonge dochter zich hem „zu Tisch und Bett als Ehewirth” 3) verkoos 4). En desgelijks wanneer een jonge man eene ter dood veroordeelde huwen wilde 5). Mislukte voorts de executie, dan kwam de misdadiger vrij 6). Om de meest zonderlinge redenen werd gratie verleend 7).


1) Frauenstädt, blz. 897, 898 vermeldt daarvan een interessant voorbeeld.
2) Frauenstädt, blz. 898.
3) Frauenstädt, blz. 899.
4) Frauenstädt, blz. 898. Voorts zegt hij: „Wann diese Sitte entstanden ist und wo sie ihren Ursprung genommen, hat sich bis jetzt nicht ermitteln lassen.”
Van Zurck noemde deze gewoonte „raillerie met het houwlijck, alsof iemand in ’t zelve grooter straf hadde te wagten, dan de dood zelf.” Zie Van den Brandeler, blz. 26.
5) Frauenstädt, blz. 899. Later verbond men aan beide gevallen verbanning, en schijnt overigens deze bijzondere reden om gratie te verleenen allengs op verzet te zijn gestuit. Zie blz. 900.
6) „Im Vordergrunde steht der Fall, wenn beim Hangen des Missethäters der Strick risz und der Delinquent lebend vom Galgen herunterfiel. Die Allgemeinheit der Begnadigung in einem solchen Falie bezeugt das Rechtssprüchwort: „Man hangt keinen zweimal”.” Frauenstädt, blz. 900, 901.
Dan vermeldt hij een voorbeeld van „zwei Frauenspersonen, die zum Tode durch Ertranken verurteilt waren und denen das Leben geschenkt wurde, weil sie der Strom lebend ans Ufer geworfen hatte”. Blz. 901.
Ook tegen deze reden om gratie te schenken werd de tegenstand zeer sterk. „Namentlich entstand über die Frage, ob es gestattet sei, dem vom Galgen gefallenen Diebe das Leben zu schenken, allmählich eine ganze Litteratur von Streitschriften und Dissertationen”. Blz. 901.
7) „Auf dieses subjektive Belieben der Gerichte in der Erteilung der Begnadigung sind dann auch zum Teil die vielen sonderbaren Strafmilderungsgründe des späteren gemeinen Rechts zurückzuführen, wie die vita anteacta, transitus Cardinalis, Reue, besondere Kunstfertigkeit . . . und auch die Verschonung des Delinquenten, den jemand zu heiraten sich erbietet, beruht auf diesem subjectiv-beliebigen Gnadenrecht.” Loening, blz. 230.

|29|

Ook het zeer uitgebreide „Fürbittenwesen” 1) had eerst zijn goeden 2), weldra echter zijn alle strafrecht verwoestenden invloed. Als ware de willekeur nog niet groot genoeg door de onderlinge concurrentie dergenen, die bevoegd waren, of zich bevoegd achtten, gratie te schenken; door de corruptie van het winstbejag; door het ontbreken van allen maatstaf, waarnaar het gratieverleenen zich richtte; zoo kwam nog daarbij, dat, oorspronkelijk op verzoek, op aandrang, straks vaak door directen of indirecten dwang 3) van de zijde van verschillende aanzienlijke en machtige personen en corporatiën, gratie werd verleend aan wie zulks waardig of ook onwaardig waren 4), zelfs tegen den zin van den verleener zelven. „Selbst der durchtriebenste Spitzbube konnte mit ziemlicher Sicherheit darauf rechnen, den Hals aus der Schlinge zu ziehen, wenn es ihm gelang, eine einfluszreiche Persönlichkeit zu gewinnen, die für ihn ein gutes Wort einlegte, und das hatte, namentlich bei zufälliger Anwesenheit von Prälaten und fürstlichen Herrschaften, gar keine besondern Schwierigkeiten, da besonders diese letztern das Losbitten von Galgen kandidaten als „noblen Sport” betrieben.” 5) Hoe ver zoo het zuiver houden van het ware karakter van straf en strafrecht verdwenen was, behoeft geen betoog 6). Eene gezonde ontwikkeling der gratie-idee werd


1) „Die Fürbitte besasz in ihrem Charakter manche Ähnlichkeit mit dem modernen Gnadengesuch . . . . . Im allgemeinen zeigt aber das Mittelalter mehr das Bestreben, durch Einlegen einer Fürbitte die Anwendung des strengen Rechts, wo nicht gar schon die Einleitung der Untersuchung von dem Schuldigen abzuwenden. Die Fürbitte ging daher der Urteilsfällung meistens voraus.” Frauenstädt, blz. 902.
2) „Mit Recht hat man die Fürbitte als ein notwendiges und heilsames Korrectiv gegen die Harte und Grausamkeit der mittelalterlichen Leibes-und Lebensstrafen bezeichnet, die häufig auszer allen Verhältnis zu der verübten Strafthat standen.” Frauenstädt, blz. 903.
3) Zie Frauenstädt, blz. 901; ook noot 43.
4) „Dennoch gestaltete sich . . . . die Fürbitte zu einem Unsegen für die öffentliche Sicherheit wie für die Unparteilichkeit der Rechtspflege.” Frauenstädt, blz. 903.
5) Frauenstädt, blz. 903, 904.
6) Zie over de bestrijding van het Fürbittenwesen Frauenstädt, blz. 904, 905.

|30|

in de Middeleeuwen niet gekend; daarvoor ontbrak het teveel aan de rechte erkenning der souvereiniteitsidee, en aan de juiste publiekrechtelijke beschouwing van strafrecht en straf 1).

 

§ 7. De Receptie van het Romeinsche Recht.

Met het thans nog de gansche intellectueele wereld verbazende 2) feit van de receptie van het Romeinsche recht 3), door de volkeren als eene hereditas iacens 4) aanvaard, brak voor de opbloeiing der gratie-idee een beter tijdperk aan 5).


1) „Auch im M.A. wird sie (die Begnadigung) selten erwähnt, was sich aus der eigenthümlichen Gestaltung des Gerichtswesens in der Feudalverfassung, wodurch es immer mehr dem unmittelbaren Einflusz der königlichen Gewalt entrückt wurde, aus dem Rückfall des Strafrechts in Fehde und Kompositionsrecht und andern Gründen erklärt, welche eine geregelte Entwicklung jenes Rechts verhinderten und derselben andre, sehr mangelhafte Mittel, die Härte des formellen Rechts abzuwenden, substituirten.” Köstlin, System, blz. 636.
2) „Das Ungewöhnliche liegt nur in der Massenhaftigkeit des fremden Stoffs, der hier mit einem Male aufgenommen ward . . . .” Von Ihering, Geist des römischen Rechts, I, 4te Aufl., 1878, blz. 12. Of dit „nur” niet ietwat te bescheiden is uitgedrukt, wagen wij eenigszins te betwijfelen. Men leze echter Von Ihering’s geheele betoog.
3) Zie o.a. Von Bar, blz. 112 v.v.
Over den invloed, dien de Romeinsche rechtsinstellingen hebben gehad, treffend schoon Von Ihering, t.a.p., I, blz. 1, 2: „Drei Mal hat Rom der Welt Gesetze dictirt, drei Mal die Völker zur Einheit verbonden, das erste Mal, als das römische Volk noch in der Fülle seiner Kraft stand, zur Einheit des Staats, das zweite Mal, nachdem dasselbe bereits untergegangen, zur Einheit der Kirche, das dritte Mal in Folge der Reception des römischen Rechts im Mittelalter zur Einheit des Rechts; das erste Mal mit äuszerm Zwange durch die Macht der Waffen, die beiden andern Male durch die Macht des Geistes. . . . . . Eine seltsame Erscheinung! Ein todtes Recht zu neuem Leben erwachend; ein Recht in fremder Zunge, zugänglich nur den Gelehrten, im Leben überall auf Widerstand stoszend und sich dennoch den Zutritt und den Sieg ertrotzend.”
4) Von Ihering, blz. 13.
5) „Das Begnadigungsrecht entstammt der römischen Kaiserzeit. Mit der Aufnahme der fremden Rechte dringt es nach Deutschland herüber.” Von Liszt, blz. 268. Dat dit evenwel te absoluut uitgedrukt is, is na onze voorafgaande uiteenzetting duidelijk.
Juister Van Hamel, blz. 481.

|31|

Niet dat het Romeinsche recht voor het verleenen der gratie een beteren grondslag bood. Immers was het juist dit gemis aan zulk een grondslag, waardoor ook dat recht zich kenmerkte. Wij kunnen dan ook volstaan met te zeggen, dat het, althans voorloopig, bleef bij een gratieverleenen „etiam sine ulla causa”. Gratie bleef kortweg louter gunst. Maar dit is de groote beteekenis, die de steeds bewonderde receptie van het „vreemde” recht voor de gratie droeg, dat hare opvatting als een recht van het hooge gezag, als een „souvereiniteitsrecht”, als een van ’s vorsten regalia, als „ein wesentlicher Bestandtheil der wahren Kriminalhoheit” 1), er door werd verdiept en verbreed, ja ten slotte tot heerschappij werd gebracht 2). Het behoeft nauwelijks vermeld, dat zulks met langdurigen, dikwerf hevigen strijd gepaard ging. De oud-Germaansche privaatrechtelijke beschouwingen waren diep in het volksleven geworteld 3). En ook de feitelijke ontrooving 4) van het gratierecht aan de dii minores, welke de


1) „Erst mit der Aufnahme des römischen Rechts und der Entwicklung der Landeshoheit tritt es unter den Rechten, welche letztere ansprach, bestimmter hervor und wird seitdem als ein wesentlicher Bestandtheil der wahren Kriminalhoheit betrachtet, sowohl in der Form der Begnadigung im e.S., als der Abolition.” Köstlin, System, blz. 637. Zie ook Crommelin, blz. 47.
2) „Im 16. und 17. Jahrhundert wird es als landesfürstliches Regal von den Landesherren in Anspruch genommen und mehr und mehr nach öffentlichrechtlichen Gesichtspunkten behandelt.” Von Liszt, blz. 268.
„La grâce, qui figure à Rome dans le droit impérial et qui, avec la réception du droit romain, pénètre dans notre ancienne législation, est, en Allemagne, comme en France, un privilege du souverain.” Prins, blz. 544.
3) „Gratiae jus illis temporibus jus non adeo regale dici poterat, ut summo Imperanti licuisset illo abuti spretis juribus privatorum; quod neque procedente tempore, aucta juris Romani auctoritate, penitus cessabat.” Suringar, blz. 88, wat ons vaderland aangaat. Zie voor Oostenrijk, Wahlberg, blz. 123 en 125. Voorts Hälschner, P. S., II, blz. 547.
4) „Mit der wachsenden Landeshoheit Hand in Hand geht seit der Mitte des 16. Jahrhunderts das Bestreben der Landesherren, ohne Rücksicht auf überkommenen Besitz und historischen Rechtstitel das Recht zur Begnadigung als ein staatliches Hoheitsrecht ausschlieszlich für sich in Anspruch zu nemen.” Frauenstädt, blz. 907. Zin ook Loening, blz. 232.

|32|

tijd der verbrokkeling in zoo rijk aantal had gebaard, en de beknotting van de macht der rechters, waren niet het werk van éénen dag. Desniettemin, waar het Romeinsche recht nu den stoot gegeven had voor de hoogere ontwikkeling van het souvereiniteitsbegrip, omvattende ook de publiekrechtelijke beschouwing van het strafrecht 1), werkte deze ontwikkeling, gesteund, eenerzijds zelfs door de centralisatie-ideeën der Kerk, anderzijds door de practische medewerking der iuristen 2), krachtig door, en zou zij voor de ontplooiing der gratie-idee van zeer belangrijken invloed blijken 3).


1) Geib, I, blz. 246.
2) „Wo immer ein Streit entstand zwischen dem Landesherrn und den die bisherige Rechtsübung verteidigenden Städten, sind die Juristen fast stets auf der landesherrlichen Seite zu finden . . . .” Frauenstädt, blz. 907, 908.
3) „die Begnadigung erhält, in Folge der jetzt immer stärker hervortretenden Anerkennung des öffentlichen Charakters des Strafrechts . . . . . und im engsten Zusammenhange mit dieser Anerkennung, eine ungleich höhere Bedeutung und zugleich einen fortwährend gröszern Umfang und praktischen Einflusz.” Geib, II, blz. 161.
„Nicht ohne Einflusz romanistischer Theorieën wird der Kreis der ihrer Natur nach dem Staat zukommenden Hoheitsrechte fixiert unter dem Namen der Regalien oder Majestätsrechte, und die Landesherren vindizieren sich diese Rechte, ohne Rücksicht auf überkommenen Besitz und auf historische Rechtstitel, nur auf Grund dieses für Deutschland neuen Begriffs der staatlichen Hoheitsrechte selbst, des Begriffs der Landeshoheit. Zu diesen Hoheitsrechten aber wird eben auch das Begnadigungsrecht, das Recht über die Strafe zu disponieren, und damit das Recht zur Strafe selbst gerechnet, und daher von den Landesherren überall ausschlieszlich für sich in Anspruch genommen, auch wenn es im Laufe der Geschichte an untergeordnete Autoritäten gelangt war. Indem aber die Landesherren das Begnadigungsrecht als ein Hoheitsrecht für sich beanspruchen, stellen sie dasselbe schärfer, als es bisher der Fall gewesen, als ein öffentliches Recht hin, für dessen Ausübung nicht mehr die privaten Interessen seines Inhabers, sondern die öffentlichen Interessen des Staatsganzen (freilich wie sie der Landesherr versteht) entscheidend sein sollen.” Loening, blz. 232, 233.
„Mit der Erstarkung der Landeshoheit daher tritt überall neben dem Bestreben, die nach allen Seiten hin zerstreuten öffentlichen Rechte wieder in einem Zentrum zu sammeln, auch der Versuch zu Tage, das Begnadigungsrecht als ausschliessliches Recht des Inhabers der Landeshoheit zu erklären.” Stockar, blz. 5.

|33|

§ 8. De Eeuw der Reformatie.

Zoo zag dan vooral de 16de eeuw, de eeuw der Reformatie, de eeuw van brandstapel en schavot, maar ook de eeuw van herleving, de eeuw der gezonde reactie op verschillend terrein, de veranderde, de nieuwere denkbeelden tot hoogeren wasdom, tot meerdere vastheid komen. De centralisatie der „überall hin zerstreuten öffentlichen Rechte” 1) was hare ernstige Sturm-und Drangperiode voorbij, het strafrecht had onder het publieke recht zijne plaats gevonden, en als essentiale der gratie-idee had zich, thans voor goed, reeds dit begrip ontwikkeld, dat de verleening van gratie alleen moest uitgaan van het „hooge gezag”. Op zich zelf reeds belangrijke winste. Wel ontbrak nog het indenken van de rechtsgronden, die voor het schenken van gratie als grondslagen moesten gesteld, wel bleef menig oud gebruik 2) en misbruik in stand 3), maar de willekeur, dat schier ieder man van eenige staatkundige beteekenis gratie schonk, naarmate het goed scheen in zijn oogen, was in beginsel gestuit 4). Bovendien kan niet ontkend, dat de publiekrechtelijke waardigheid van het strafrecht er toe moest dringen, ook voor het verleenen van gratie om te zien naar eene vaste gerechtvaardigde gedragslijn, zoodra maar een aanvang werd gemaakt met den denkarbeid betreffende het wezen en richtsnoer van dat publiekrechtelijke strafrecht


1) Loening, blz. 232.
2) Zoo bijv. het nog niet vermelde recht van den landsheer om bij zijne inhuldiging, en voorts vaak bij het bezoek aan eene stad alle ballingen, die zich aan zijn paard of wagen vasthielden, weer vrij binnen te brengen. Waarschijnlijk een gebruik van ouden datum. Zie o.a. Van den Bergh, blz. 134.
3) „Die Konzentration des Begnadigungsrechts in der Person des Landesherrn darf nicht zu der Meinung verführen, als sei damit zugleich die Abstellung der alten Miszbräuche verbunden gewesen.” Frauenstädt, noot 55, blz. 909.
4) Zie voor ons land ’s Jacob, blz. 8-10.

|34|

zelf 1). En kan het dan bevreemding wekken, dat toen de reformatorische worsteling der Kerk de volkeren had herboren, de gelouterd Christelijke beginselen ook hier hun invloed deden ondervinden? „Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geene macht dan van God, en de machten die er zijn, die zijn van God geordineerd; alzoo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie Gods wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zich zelven een oordeel halen. Want de oversten zijn niet tot eene vreeze den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vreezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben; want zij is Gods dienaresse, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zoo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienaresse, eene wreekster tot straffe dengene die kwaad doet. Zoo leerde het Rom. XIII 2). En in de door Guido de Brès opgestelde artikelen heette het: „Wij gelooven, dat onze goede God, uit oorzaak der verdorvenheid des menschelijken geslachts, Koningen, Prinsen en Overheden verordend heeft; willende dat de wereld geregeerd worde door wellen en politiën, opdat de ongebondenheid der menschen bedwongen worde en het alles niet goede ordinantie onder de menschen toega. Tot dat einde heeft Hij de Overheid het zwaard in handen gegeven tot straffe der boozen en bescherming der vromen” 3). Althans kwam legen de aloude willekeur, tegen het sinds eeuwen lang verleenen van gratie zonder dieper besef van bet al of niet geoorloofde der redenen, mi dit verzet te staan, dat de Overheid geacht werd geen recht te hebben tot het schenken van gratie in gevallen, waarvoor


1) . . . so giebt sich . . die höhere Auffassung der Strafe zu erkennen, deren Vollstreckung nicht blosz ein Recht, sondern eine um der Gerechtigkeit willen zu übende Pflicht des Landesherrn sei, und deren Erlasz darum folgerecht nicht um des Geldes willen von Klager und Richter, sondern nur vom Landesherrn unter Berücksichtigung seiner Regentenpflichten gewährt werden könne.” Hälschner, P. S., II, blz. 548.
2) Rom. XIII: 1-4.
3) Art. XXXVI.

|35|

men meende, dat de goddelijke wet zelve de straf had bepaald 1). Met name na moord, in casu homicidii, werd den vorst het verleenen van gratie, later ook door tal van schrijvers, beslist ontzegd 2). Langdurig en scherp is de strijd dienaangaande geweest 3). En al kan nu niet toegegeven, dat de verdedigers der „theologiserende Doctrin” 4) hier het geheel juiste standpunt innamen 5), toch wierp deze gansche strijd het groote voordeel af, dat de ware beteekenis van de Overheid en haar strafrecht er door in helderder licht werd gesteld 6).

 

§ 9. Na den Vrede van Munster.

Als echter in de 17de eeuw, na Munster’s vrede, allengs volk na volk aan de beginselen der Reformatie ontzonk, en de periode der verbastering en versteening op Christelijk erf intrad, verhief zich te meer de eigenwaan der vorsten, en won hun


1) Vooral beriep men zich op Gen. IX (de z.g. Noachitische geboden) en op Lev. XVIII.
2) „Der Landesfürst hat, gleich den römischen Imperatoren, das Recht von allen Arten der Begnadigung, namentlich auch von der Abolition, Gebrauch zu machen; hinsichtlich gewisser Verbrechen jedoch, insbesondere hinsichtlich der s.g. delicta iuris divini — Tödtung, Ehebruch, Sodomie, Blasphemie, Idolatrie etc. — soll dieses Recht ausgeschlossen sein.” Geib, II, blz. 162. Zie voorts over deze quaestie: Carpzovius, Practica nova rerum criminalium, Q. 150, n. 31 sqq., en in tegenovergestelden zin Boehmer ad Carpz. Q. 150, obs. 1. Uitgebreid Van Staveren, Cap. V, en Sternberg, blz. 40 v.v.
3) Zie bijv. wat Sternberg, blz. 52 v.v., uit Clüsener’s De jure aggratiandi principis evangelici et in causis de homicidio citeert.
4) Wahlberg, blz. 125.
5) Ten deele voerde de bekende misvatting van de beteekenis van Israel’s wetgeving hier op het dwaalspoor.
6) „Het gezag is van God; den mensch tot zegen; om der zonde wil; tot bescherming der goeden en „eene wreekster tot straf dengenen, die kwaad doet.” (Rom. XIII: 4) Hieruit, zegt Calvijn, kunnen de Overheden ook verstaan welke hunne roeping zij.” Mr. D.P.D. Fabius, Zonde en Recht, blz. 49.

|36|

zelfs absolutistisch drijven in kracht 1). Stellig, dat het verleenen van gratie tot de iura regalia behoorde, stond thans onomstootelijk vast 2), ook al kwam in de practijk des levens inbreuk op dit „landesfürstliches Regale, welchem kein weltlicher oder geistlicher Gerichtsherr oder Richter, aus Gnaden oder um des Geldes willen Abbruch thun dürfe” 3), nogal eens voor 4), en ook al was het private element nog niet geheel verstorven 5).


1) „Quoi qu’il en soit, malgré les récriminations de certains jurisconsultes et les tendances des parlements qui cherchaient toujours à imposer des limites au pouvoir souverain en matière de grâce, les attributions du roi ne firent que s’étendre jusqu’ au moment où éclata la révolution française.” Legoux, blz. 14.
En wat Oostenrijk betreft, Wahlberg, blz. 125: „Die peinlichen Gerichtsordnungen für Oesterreich unter der Enns von 1656, und für Oberösterreich von 1675 sagten sich entschieden von den durch die theologisirende Doctrin des gemeinen Rechts postulirten Beschränkungen des weltlichen juris aggratiandi los. Die Landesherren behalten sich ausschliesslich und unbeschrankt alle Begnadigungen bei Todesurtheilen vor, auch in den delictis lege divina severe prohibitis.”
2) „Soli ergo dum Principi jus aggratiandi, reisque poenae veniam indulgendi competit, rectissime inter Regalia seu jura Majestatis hoc refertur, juxta veriorem ac communiorem tam politicorum, quam JCtorum sententiam.” Carpzovius, Q. 150, n. 14.
3) Wahlberg, blz. 125.
4) „L’ordonnance du 26 août 1670, qui régularisa la matière, ne reconnut qu’au roi seul le droit de faire grâce, et mit ainsi un frein aux empiétements journaliers de la noblesse et du clergé.” Legoux, blz. 11. „Aller Strenge in der Wahrung der landesfürstlichen Hoheitsrecht unerachtet, befanden sich die österreichischen Landesherren bis in die erste Hälfte des 18. Jahrhunderts in fortwährendem Kampfe mit dem zu grosser Milde und zu häufiger Ledigung der Stralen geneigten Gerichtsgebräuche. Es mussten die „Arrogirungen” des Begnadigungsrechts wiederholt durch Hofresolutionen gestraft werden an geistlichen Consistorien, ferner an den Gerichtsherren mit Geldbusse oder Einziehung des Landgerichts, an Richtern oder zu Rath beigezogenen Rechtsverstandigen mit Dienstesentsetzung, Verlust der Advocatur und anderen Zwangsmassregeln.” Wahlberg, blz. 126.
5) „. . . seit dem Anfange des 17. Jahrhunderts das Begnadigungsrecht von der strafrechtlichen wie staatsrechtlichen Doctrin zu den Regalien gezahlt wurde, obwohl es auch jetzt noch und selbst bis ins 18. Jahrhundert seinen historischen Ursprung nicht verleugnen konnte.” Hälschner, PS., II, blz. 548. Zie ook blz. 549. Ook Lueder, blz. 65.

|37|

Maar meer in naam dan in waarheid door de Christelijke levensprincipia beheerscht, bracht vorst na vorst, soms onder vromen schijn 1), weer de oude willekeur in zwang 2). Tot op zekere hoogte begrijpelijk, wijl de ontwikkeling der gratie-idee zich principieel nog niet aan de stelselloosheid van het Romeinsche recht en der Middeleeuwsche theorieën had welen te ontworstelen 3); anderzijds de groote strengheid der wetten in vele gevallen tot een verleenen van gratie op ruime schaal als ultimum remedium drong 4); terwijl ook de onderscheiding tusschen de mitigatio „ex justa causa” voortvloeiende „ex aequitate”, en de mitigatio „ex gratia principis” nog niet meer dan slechts een „Einschlag zu einer höheren Auffassung des Begnadigungsrechts” bood 6).


1) „. . . dass der Souverän an Gottes Stelle Gnade walten zu lassen habe von Gottes Gnaden.” Wahlberg, blz. 127.
2) „Au XVIIIe siècle, Beccaria, Filangieri, Bentham, Kant, Feuerbach combattant le droit de grâce comme un vice de la monarchie absolue . . .” Prins, blz. 545.
3) „Wenn zwar Carpzow, der das Begnadigungsrecht zuerst in wissenschaftliche Form zu fassen versucht, es aus allgemeinen politischen Gründen zu rechtfertigen bemüht ist, so erscheint doch auch bei ihm der Gnadenact vorwiegend als ein willkürlicher Verzicht auf die Ausübung einer dem Landesherrn zustehenden individuellen Berechtigung.” Hälschner, P. S., II, blz. 548.
4) Zij moest „der Schutz-Engel gegen die Barbarey der Gesetze seyn und bleiben, . . . .” Vollgraff, blz. 17. Zie ook Wahlberg, blz. 127, 128.
5) „Die Carpzovianer bildeten die Eintheilung der mitigatio ex justa causa und ex gratia principis aus, zahlten erstere zu der interpretatio, quae ex aequitate fluit, letztere zu den Dispensationen, welche nur demjenigen zustehen, qui legislatoria potestate gaudet. Jedenfalls war damit der Einschlag zu einer höheren Auffassung des Begnadigungsrechts gegeben, der falsche Gegensatz von Recht und Willkür in der Form der Gnade angefochten.” Wahlberg, blz. 127.
Zie Carpzovius zelven, Q. CXLII- GXLIX: „An et quando judex poenam alicujus delicti ordinariam mitigare, ac in mitiorem quandam poenam commutare possit?”, waar hij als causae bespreekt: aetas tenella (148): senectus et corsporis debilitas (144); furor et melancholia (145); ebrietas (146); stomheid, doofheid en calor iracundiae (147); transactio cum parte offensa inita, imbilitas rei delinquentis, et delicti incertitudo (148); promissio mitigationis supplicii ad extorquendam confessionem, ➝

|38|

§ 10. De Nadering en Uitbarsting van de Fransche Revolutie.

Evenmin kan daarom verwondering baren de heftige tegenstand, die in de dagen vóór het uitbreken der verderfelijke Fransche Revolutie gaandeweg tegen de gratieverleening, in haren vorm van misbruik van het vorstelijk regale 1), tegen haar karakter als louter gunst, en tegen hare aanwending als veiligheidsklep tegen het te wreede strafrecht 2) was ontstaan.


➝ spontanea confessio, diutina in carceribus detentio, intercessio puellae reum condemnatum in matrimonium petentis, et peritia vel insigne artificium delinquentis. En dan voorts Q. 150: „An et quatenus magistratus ex potestate absoluta, reis facinoris veniam dare possit”, waar hij dan eerst nog noemt als „causae aliae mitigationis poenae”: revelatio proditionis contra principem, sociorum criminis mani-festatio, spes emendationis; en dan voorts in n. 6 aanvangt met de bespreking over de „venia facinorosis a magistratu concessa”, op welke bespreking, wat het principieele der zaak betreft, het laatstvermelde citaat uit Hälschner het juiste licht werpt, ook al is aan Carpzovius de meer ernstige opvatting niet vreemd.
Wat Lueder zegt, blz. 133,134: „Was die alteren Schriftsteller, Carpzov und seine Nachfolger, betrifft, so begehen sie noch die grobe Verwechslung, Aufhebungs-Gründe der Zurechnung, wie Kindesalter, Trunkenheit, Wahnsinn, so wie culpa, also Gründe, die für die Milderung oder den gänzlichen Wegfall der Strafe schon der Richter beurteilen darf und musz und die vollständig in das Gebiet des richterlichen Urteilsprechens gehören, für Ausübungs-Gründe des Begnadigungs-Rechtes zu halten", is althans wat Carpzovius zelven betreft onjuist, gelijk uit het geciteerde blijkt.
1) Zie Köstlin, System, blz. 637.
2) Zie Vollgraff, blz. 16 en 17.
„Peines appliquées jusqu’en 1789. — Brûlé vif, roué vif, écartelé ou tiré à quatre chevaux, pendu, décapité, passé par les armes, traîné sur la claie, galères à perpétuité et à temps, reclusion à perpétuité et à temps dans une maison de force, bannissement à perpétuité et à temps, lèvre coupée ou fendue, poing coupé ou brûlé, jarret ou oreilles coupes, langue fendue ou coupée, fouet, fouet sous la custode (en prison), marque avec un fer chaud, pilori, carcan, pendu sous les aiselles, assister à la potence, promené par les rues sur un âne avec un chapeau de paille (contre les proxénètes), confiscation de corps et biens, être authentiquée (pour les femmes, c’est-à-dire être renfermée dans un monastère et rasée), ➝

|39|

Op zich zelf verschafte de heerschende stelselloosheid, en de willekeur als haar gevolg, voor de nieuwere „negirende, das Bestehende und historisch Berechtigte angreifende Richtung” 1), al tot den aanval gereed motief. Maar bovendien leidde de reactie tegen de barbaarsche straffen tot het aan de strafwetgeving stellen van ideale eischen. Terdege werd dan ook het „Begnadigungsrecht” als „Gegenstand der rechtsphilosophischen und criminalpolitischen Untersuchung” 2) aangevat 3).

De Montesquieu (1689-1755) schijnt 4) van de „das historisch


➝ amende, oeuvres serviles, dégradation de noblesse, privation d’office, privation de privilege, privation de benefice, interdiction d’officiers, suspension de leurs fonctions, abstention de certains lieux, aumône, condamné a brûler un cierge devant un autel, saisi du temporel des ecclésiastiques, peine du talion, blâme, admonition, libelles et écrits lacérés, brûlés ou supprimés par la main de l’exécuteur de la haute justice, condamnation à vider les lieux sinon à avoir ses meubles jetés sur le carreau, mort civile, confiscation, infamie, réparation honorable, condamnation à des interets civils, défense d’injurier ou de récidiver, etc.” Legoux, blz. 271.
1) Zie Lueder, blz. 67.
2) Hälschner, PS., II, blz. 549.
3) Zie Geib, II, blz. 152, 153, die als „unbedingte Gegner des Begnadigungsrechts” noemt: KantMetaphysische Anfangsgründe der Rechtslehre, editie Rosenkranz und Schubert, IX, blz. 188; Servin, De la législation criminelle, blz. 106-111; PastoretLes lois pénales, I, blz. 35-49; De DompierreExamen du droit de grâce, blz. 10-38; Kratzer, System I, blz. 467-483; en betrekkelijk ook Zacharia, Vierzig Bücher vom Staate (1te Aufl.) III, blz. 315 v.v. (zie echter ook 2te Aufl., IV, blz. 366 v.v.); — voorts als „bedingte Gegner”: Beccaria, Dei delitti e delle pene, § 46 (20), blz. 161-163; FilangieriScienza della legislazione, III, c 57, vol. IV, blz. 225-231; Bentham, Traites de législation civile et pénale, 2e ed. 1820, II, blz. 190-192; Feuerbach, Lehrbuch, § 63; VollgraffAbhandlungen, II, blz. 5-18, 51 v.v.
4) „Montesquieu was de afgod, Rousseau de schrik der inconsequenten. Is dit billijk? wat heeft Rousseau verrigt dan voortzetten wat Montesquieu begon? wat anders dan eenheid en volledigheid in het stelsel van een minder kloekhartigen voorganger te brengen? Beiden gaan uit van dezelfde premissen; ook Montesquieu verkondigt, of geeft te kennen, dat allen gelijk zijn, dat de wil des volks de hoogste wet is, dat het Gouvernement het goedvinden van de meerderheid behoort te volgen.” Groen van Prinsterer, Ongeloof en Revolutie, 2de ed. (1868), blz. 204.
„Die liberal-konstitutionelle Theorie (Locke, Blackstone, Montesquieu, ➝

|40|

Berechtigte angreifende Richting” de representant nog niet. Althans beoogt hij juist de aansluiting van den bestaanden toestand aan het nieuwere verschiet mogelijk te maken 1). Zoo ook wat aanbelangt de gratie. In zijn „travail de vingt années” 2), ten onrechte door hem aangediend onder het motto „prolem sine matre creatam” 3), ziet hij nog in „la Clémence”


➝ Delolme, Rousseau, Aretin, Rotteck u.s.w.) beruht auf dem Princip der Volkssouveränetät (Rousseau), d.i. dasz die oberste Gewalt der Gesammtheit der Einzelnen zustehe, und ist nur zum Theil (je nach der politischen Fraktion) modificirt durch das konstitutionelle Princip, d.i. das Postulat eines mechanischen Gleichgewichts der Gewalten (Montesquieu).” Stahl, Rechts- und Staatslehre, II, blz. 331 (ed. 1870). Zie de noot bij Groen van Prinsterer, blz. 204.
Ja, ook door zijn revolutionaire tijdgenooten werd hij misverstaan: „Aussi ne fut-il pas entendu. Les salons prononcèrent que c’était de l’esprit sur les lois. On prêta à Montesquieu les systèmes les plus bizarres; on s’imagina qu’il voulait justifier toutes les institutions dont il rondait les raisons historiques.” Lerminier, Introduction générale à l’histoire du droit, 1830, blz. 171, (Chap. XIV).
1) Zie L. Stein, Geschichte der socialen Bewegung in Frankreich, waarvan Bd. I, Der Begriff der Gesellschaft und die sociale Geschichte der französischen Revolution bis zum Jahre 1830, 1850, blz. 32, 33: „Diese ganze Richtung wollte vor allem den bestehenden Zustand mit dem künftigen vermitteln . . . . . .  Der Hauptvertreter dieser Richtung war Montesquieu.”
2De l’esprit des loix, préface, blz. II, (ed. 1749).
3) „Montesquieu prit pour épigraphe: Prolem sine matre creatam, donnant à entendre que son ouvrage était entièrement original, et qu’il n’en devait l’idée à personne. Mais tout homme est sous l’empire inévitable de ses antécédents; . . . . Tout grand homme est à la fois disciple et original; et Montesquieu, qui pensait n’avoir pas d’antécédents dans la carrière, en avait néanmoins plusieurs dont on retrouve même les traces dans son ouvrage: ce sont Bodin, Machiavel, Gravina et Vico . . . . Son érudition, plusieurs détails sur l’aristocratie de Venise, sa théorie du climat, le cadre même et l’esprit général de son ouvrage, ont été fort utiles à Montesquieu, qui, par Bodin, relève ainsi du seizième siècle . . . . Il avait beaucoup étudié les Origines de Gravina, et lui emprunta parfois, non-seulement quelque fait, mais même des pensées. Mais un homme qui, plus que Bodin et Gravina, inspira Montesquieu, c’est Machiavel. Le Florentin s’était demandé, à la fin du quinzième siècle, pourquoi on ne tirerait pas des leçons de la politique et de l’histoire des anciens; . . . . Cet esprit qui veut recueillir des faits observés en eux-mêmes, des leçons ➝

|41|

„la qualité distinctive des Monarques” 1), en in het gratie-recht „le plus bel attribut de la Souveraineté” 2), maar toch, anderzijds acht hij ze in eene republiek minder noodzakelijk 3), en wel is hij van oordeel, dat „ce pouvoir que le Prince a de pardonner . . . peut avoir d’admirables effets”, mits het maar zij „executé avec sagesse” 4).

Ook Rousseau (1712-1778), „der publicistische Prophet der französischen Revolution” 5), doet zich zeer gematigd hooren 6). Of hem eigenlijk de quaestie der gratie veel interesseert? Hij acht haar vrijwel overbodig. Immers, „dans un Etat bien gouverné il y a peu de punitions, non parce qu'on fait beaucoup de graces, mais parce qu'il y a peu de criminels . . . . . Les fréquentes graces annoncent que bientôt les forfaits n’en auront plus besoin, et chacun voit où cela mène. In een


➝ pour le présent et l’avenir, se retrouve à chaque pas dans Montesquieu . . . . . La division des gouvernements en trois espèces, monarchique, aristocratique et populaire, appartient parmi les modernes à Machiavel. Bodin l’a imitée, et des ouvrages de Machiavel et de Bodin elle a passé dans l’ Esprit des lois. Est-ce tout, et l’Italie n’a-t-elle pas encore fourni a Montesquieu un autre appui? . . . . Je crois volontiers que Montesquieu avait lu Vico, bien qu’il n’en ait pas parlé, comme on le lui a reproché en Italie . . . .” Lerminier, t.a.p., blz. 172 en 173.
1) L. VI, Ch. 21, blz. 150.
2) L. VI, Ch. 5, blz. 127.
3) „Dans la République où l’on a pour principe la Vertu, elle est moins nécessaire.” L. VI, Ch. 21, blz. 150.
„Il faut ajouter que, si Montesquieu voyait dans le droit de grâce le plus bel attribut de la souveraineté d’un monarque, il ne paraissait pas l’admettre dans les Républiques . . . .” Esmein, blz. 491.
4) L. VI, Ch. 16, blz. 147.
Zie overigens Beccaria, Fransche editie van Dufey, 1821, blz. 4: „L’immortel Montesquieu n’a fait qu’esquisser rapidement cette matière. En cherchant la vérité qui est une, j’ai du suivre les traces lumineuses du grand homme. Mais les penseurs pour qui j’écris sauront distinguer mes pas des siens.”
5) Schulze, I, blz. 27.
Zie ook Stahl, Rechts- und Staatslehre, ed. 1870, II blz. 359, 360; en Groen van Prinsterer, Ongeloof en Revolutie, 2e ed., blz. 192.
6Du contract social, L. II, Ch. 5, ed. Amst. 1762, blz. 47.

|42|

staat volgens zijn stelsel, komen misdrijven en straffen niet veel voor, en is er dus aan gratie geen bijzondere behoefte. En toch, hij vertrouwt zich zelven hierin niet: „Mais je sens que mon coeur murmure et retient ma plume; laissons discuter ces questions à l’homme juste qui n’a point failli, et qui jamais n’eut lui-même besoin de grâce.” 1)

Dan echter Beccaria (1735-1793), de toenmalige strafrechtspleging met schorpioenen kastijdende 2), sprak zich in zijne te hoog geloofde 3) verhandeling Dei delitti e delle pene 4), omtrent


1) Op welke uitspraak van Rousseau Garofalo, blz. 402, de woorden „flétri par plusieurs grands penseurs, tels que Rousseau . . .” grondt, is ons onbekend.
2) „. . . das kleine Werk des Marchese Caesar Beccaria De delitti e dille pene . . . . welches mit jugendlichem Feuer und sittlicher Empörung die grossen Mängel, welche damals, wie in Deutschland und Frankreich, so auch in Italien in der Strafrechtspflege herrschten, namentlich die nicht zu rechtfertigende Häufigkeit der Todesstrafen, überhaupt das grosse Missverhältniss zwischen Schuld und Strafe, und besonders die Tortur angriff und auch in Deutschland ungemeines Aufsehen erregte; . . . .” Von Wächter, Beilagen zu Vorlesungen über das Deutsche Strafrecht, blz. 139.
3) Beccaria . . . . fit, dans son traité Des délits et des peines, non un livre scientifique, mais un pamphlet chaleureux qui satisfit la juste effervescence de l’opinion: ce fut comme une pétition dont se saisit l’Europe pour la présenter aux souverains . . . . . Estimons Beccaria: il aimait l’humanité, mais il ignorait entièrement la science et l’histoire.” Lerminier, blz. 191 en 192.
4) Het eerst anoniem verschenen in 1764. Bekend is de opgang, dien dit geschrift door geheel Europa maakte. „Traduit bientôt dans presque toutes les langues vivantes de l’Europe, enrichi des commentaires des plus célèbres écrivains, il est devenu pour ainsi dire le Manuel de l’homme d’Etat.” Editie Dufey, blz. XXV.
„Ein äusserer Anlass setzte das glimmende Gebäude des alten Strafrechts in helle Flammen. 1762 war in Toulouse der protestantische Kaufmann Jean Calas wegen angeblicher Ermordung seines Sohnes unschuldig verurteilt und gerädert worden. Als der greise Voltaire in einer seiner zündendsten Schriften die französischen Gerichte des Justizmordes beschuldigt, zog er mit einem Schlage die öffentliche Meinung auf seine Seite. So kam es, dass Beccarias . . Schrift: Dei delitti e delle pene . . . ., welche die in der Strafrechtspflege herrschenden Missstände ➝

|43|

het instituut der gratie 1) beslister uit. Ongetwijfeld is hem het recht van gratie „la plus belle prérogative du trône, le plus honorable attribut de la souveraineté” 2), maar „l’exercice de ce droit” is te gelijk niet minder dan „une improbation tacite d’un code, qui, avec toutes ses imperfections, a en sa faveur Ie préjugé des siècles, ce volumineux et imposant cortége d’innombrables commentateurs, ce grave appareil d’interminables formalités, et les suffrages de cette foule d’apprentis légistes, plus courtisans que magistrats.” 3) Laat men den menschen weten „que les délits peuvent être pardonnés, que les peines n’en sont point la conséquence nécessaire”, dan maakt men de hoop op straffeloosheid tot een besmettelijk kwaad. Daarom, de wetten moeten „inexorables” zijn, en eveneens „les magistrats chargés de les faire exécuter”, maar de wetgever zelf zij „doux, indulgent et humain”, dan zal hij zijne toevlucht niet behoeven te nemen tot zulke „lois d’exception”, dan kan gratie worden gemist 4).


➝ schonungslos geisselte und in tönenden Worten Reform an Haupt und Gliedern forderte, in allen Ländern lauten Widerhall fand.” Von Liszt, blz. 27.
Zeer trok de aandacht Beccaria’s bestrijding van de doodstraf. Zie over dit punt Mr. D.P.D. Fabius, Schuld en Straf, blz. 69, 70: „De natuurrechtsleeraars van de laatste twee eeuwen zochten, in verband met het maken van den Staat door het individu, den rechtsgrond voor het straffen ook in diens wil . . . . . Rousseau grondt de straf, tot zelfs de doodstraf, op het goedvinden der menschen. Beccaria heeft dezelfde basis, al komt hij daardoor juist tot uitsluiting van de doodstraf, wijl een mensch geen recht heeft over zijn leven te beschikken . . . . . Kant heeft tegen dit subjectivisme getoornd. Met name Beccaria’s oppervlakkigheid in het bestrijden van de doodstraf gestriemd. „Alles Sophisterey und Rechtsverdrehung.” Straf kan niet rusten op den wil”.
1) § 20.
2) In zooverre dus aansluiting aan de Montesquieu.
3) Editie Dufey, blz. 98.
4) „Beccaria . . . findet in derselben einen unpassenden und schädlichen Tadel des Gesetzes durch das Staatsoberhaupt”. Von Mohl, II, blz. 637. Toch is duidelijk, dat Beccaria terecht niet wordt gerangschikt onder degenen, die als absoluut bestrijder van het gratierecht optreden. (Zie Vollgraff, blz. 15; Geib, II, blz. 168). In de Duitsche vertaling van Bergk, ➝

|44|

In schier gelijken geest als door Beccaria werd het gratie-instituut bestreden door zijnen vroeggestorven 1) land- en tijdgenoot Gaetano Filangieri, (1752-1788). In zijn onvoltooid gebleven werk 2) toont ook hij zich geen opponent in absoluut onverzoenlijken zin 3). Met een beroep op Plato en Cicero acht hij het gratie schenken een „an sich verwerfliche Massregel” 4). Hij komt in verzet tegen de Montesquieu, die „en justifiant la clémence du Prince, a favorisé le despotisme sans s’en appercevoir”. Wanneer de Montesquieu zegt: „la clémence du prince est nécessaire dans les monarchies”, dan antwoordt Filangieri: „Dans ce gouvernement, comme dans tous les autres, les lois doivent être douces et modérées; le souverain doit être inexorable. Quand le droit de faire grace aux coupables ne seroit pas abusif de sa nature, l’exercice de ce droit seroit presque toujours une injustice envers la société.” Hij is van oordeel, dat de ware clémence „sert à corriger les lois injustes et féroces, et non à éluder la sanction dos lois justes. Toute grace accordée à un


➝ 1798, toont deze dan ook veel scherper te staan dan Beccaria zelf. Heftig wordt door hem, in zijne aanteekening op blz. 208-211, het verleenen van gratie bestreden. Zoo zegt hij: „Es giebt gewisse Einrichtungen, die in einem Gesetzsysteme gefährlicher sind als selbst die gröszten Verbrechen und darunter gehört auch die Begnadigung: Denn spricht man einmal den groszen Haufen von der Strafe einer Gesetzübertretung frei, so wird es kein Gesetz mehr als existirend ansehen, sondern ohne Scheu und Schaam das thun, wozu ihn seine regellosen Begierden und unbändigen Leidenschaften reizen. . . . . . Und was ist das für eine Gesetzgebung, wenn derjenige, der Gesetze giebt, dessen Uebertreter er mit Strafen belegt, willkührlich davon wieder entbinden kann? . . . . . Das Begnadigungsrecht ist die Quelle zahlloser Verbrechen.” Voorts verzet hij zich ook tegen de uitzondering, die door Kant wordt gemaakt. Zie critiek op Bergk bij Buma blz. 28 v.v.
1) „Mais Filangieri est mort trop tot, avant d’être parvenu à la force et à la maturité.” Lerminier, blz. 190.
2La scienza della legislazione, Napels, 1780 v.v., Franschc vertaling, 2de ed., An VII, Cap. 33, blz. 219 v.v.
3) Zie Vollgraff, blz. 15; Suringar, blz. 72; Geib, II, blz. 153.
4) Von Mohl, II, blz. 638.

|45|

coupable est une dérogation à la loi. Si la grace esl juste, la loi est mauvaise; si elle est bonne, la grace est une violation de la loi. Dans le premier cas, il faut abolir la loi; dans le second refuser la grace.” Slechts kan op dezen regel in twee gevallen eene uitzondering worden gemaakt: „1°. lorsque le coupable est distingué par des talens et des vertus qui ont été utiles à la patrie ou qui peuvent l’être; lorsque son délit annonce plutôt l’impétuosité de la passion que la perversité du coeur; lorsque les magistrats qui l’ont jugé, et le peuple qui a été l’objet ou le témoin de ses vertus, sollicitent sa grace et la suspension momentanée de la loi; en un mot, lorsque l’impunité, loin de l’enhardir au crime, doit l’encourager à être bon et honnête 1). 2°. Lorsqu’un grand nombre de citoyens est entrainé par un homme fougueux et inquiet; lorsqu’une ville ou un village se rend complice d’un crime; en un mot, toutes les fois que la peine portée par la loi laisseroit un vide funeste dans la population, dans l’agriculture, ou dans l’industrie; . . . .” 2) In alle andere gevallen kan hij niet inzien, dat een „législation criminelle, formée d’après les vrais principes de la justice, ait besoin d’admettre des moyens d’impunité”.

Al deze beschouwingen werden in den tijd, dat het uitgestrooide zaad der Revolutie al hooger opschoot, in verschillenden vorm herhaald 3). Voltaire vatte de ideeën van Beccaria gretig aan, verbreidde en ontwikkelde die verder 4), en de Felice


1) Zie hierbij Vollenhoven, blz. 43.
2) „In hisce ipsi instituti nostri adversarii acerrimi usum gratiae laudant.” Suringar, blz. 72.
3) „Et haec quidem de Gallorum et Italorum contra omne jus gratiae objectionibus sufficiant, nam catalogum exhibere omnium, qui deinde argumenta haec ad fastidium usque repetierunt neque lubet, neque utilitatem haberet.” Crommelin, blz. 80. In eene noot noemt bij dan behalve Bentham, Jean Paul Marat, Plan de législation criminelle, p. 125 en Pastoret, Loix pénales, I. Ch. 4.
4) Warnkönig, Rechtsphilosophie als Naturlehre des Rechts, blz. 112.
Voltaire schreef een „commentaire” op Beccaria’s boek. Zie editie Dufey, blz. 184 v.v.

|46|

nam in zijn Code de l’humanité Beccaria’s uiteenzetting schier ongewijzigd op 1). De Revolutie, d.w.z. de „Revolution in ihrem Abschlusz” 2) kwam. Moordend spotte zij mei Beccaria’s prediking der humaniteit en het bekampen van de doodstraf. Maar het recht van gratie schafte zij af 3). Althans ten deele 4), zelfs kan gezegd althans in schijn 5). Het was slechts voor


1) De Felice, Code de l’humanité, VII, 1778, blz. 232, onder „Grace”.
2) „Die Denkart von 1789 enthalt die Revolution in ihrem Abschluss. Mit ihr kam ein mehr als hundertjähriger Gang der Gedanken zu Vollendung und Erfolg, . . . .” Stahl, Die gegenwärtigen Parteien in Staat und Kirche, blz. 12.
3) „Les hommes qui siégeaient dans nos premières assemblées lui [le droit de grace] furent nettement hostiles. Ils y voyaient un empiètement du pouvoir exécutif sur Ie pouvoir législatif (ce qui était vrai en partie) ou plutôt sur le pouvoir judiciaire (ce qui était inexact puisque Ie juge, qui n’a pour mission que de rendre la sentence, a prononcé la condamnation, et que celle-ci est maintenue). Ils craignaient aussi que le pouvoir exécutif n’en abusât pour empêcher en fait l’application d’un grand principe qui venait d’être proclamé, celui de l’égalité des peines à raison des mêmes faits; et l’usage que l’ancien régime faisait des lettres de grâce rendait en 1789 cette crainte naturelle.” Esmein, blz. 491.
Beknopter en o.i. meer afdoend, hoewel niet volkomen juist, (de uitdrukking „prérogatives royales” verdient afkeuring), Legoux, blz. 14 (zie ook blz. 152): „Dans la lutte qui s’engagea alors entre le nouveau régime et l’ancien, toutes les prérogatives royales furent successivement attaquées et renversées; le droit de grâce périt comme les autres. Le Code pénal du 25 septembre 1791 déclare: „L’usage de tous actes tendant à empêcher ou à suspendre l’exercice de la justice criminelle, l’usage des lettres de grâce, de rémission, d’absolution, de pardon et de commutation de peines (sont) abolis pour tout crime poursuivi par voie de jurés.” (Ch. 1, titre VII, article 13.)”
4) „Quant à l’amnistie, les assemblées de la Revolution en décrétèrent plusieurs.” Esmein, blz. 491. Vergelijk hierbij blz. 492 onderaan.
5) „La loi qui venait de briser ainsi une des institutions les plus nécessaires servit du moins à prouver que le droit de grâce ne pouvait être aboli sans danger. „Aussi fut-il exercé sous différentes formes: celle d’une loi, celle d’un arrêt de cassation, celle d’un sursis accordé par le corps législatif, sous tel pretexte ou sous tel autre.” (Reuter D. C., n°. 860.) Légalement, le droit de grâce n’existait donc plus alors, et pourtant son utilité le faisait revivre dans la pratique.” Legoux, blz. 15.
„In regionibus enim, in quibus illa (gratia) abrogata fuerat, variis rationibus ➝

|47|

korten tijd. De practische verwezenlijking der ideeën van Rousseau had den „état bien gouverné”, waar het verleenen van gratie vrijwel onnoodig zou zijn, blijkbaar niet gebracht. Het gratie-instituut deed in Frankrijk zijn „réapparition constitutionelle” 1) door het sénatus-consulte van den 16den thermidor, an X, waarvan art. 86 luidde: „Le Premier Consul a le droit de faire grâce” 2). Aanvankelijk was de uitoefening wel beperkt 3), maar „devenu empereur, Napoléon usa, comme les autres souverains, en toute liberté et sans contrôle, du droit de grâce” 4).

 

§ 11. Bentham.

In Engeland vond het gratie-instituut een tegenstander in Jeremy Bentham (1748-1832) 5). Of echter na de volledige


➝ sive potius cavillationibus minime laudandis rigori legis succurrebatur. Sic Codex Criminalis A. 1791, tit. VII, art. 13 in Gallia jus gratiae ac poenarum remissionem sustulerat. Curia cassationis, ubi poena nimis dura pronuntiata videretur, studebat vitium aliquod, quo rescindendae sententiae locus esset, invenire.” Suringar, blz. 69; waarbij hij dan een noot voegt met dit citaat uit Rauter, Traité du droit criminel, Brux. 1837, p. 495, adn. 6: „La nécessité de cette conciliation est si impérieuse, que dans tous les pays où le droit de grâce est rejeté, l’on y supplée par toutes sortes de ruses. Parmi nous, autrefois, le tribunal de cassation s’en était investi à quelques egards. Il cherchait, dans les jugements qui semblaient infliger des peines trop rigoureuses, un vice de forme qui en autorisât l'annulation; et pour y parvenir, il avait fréquemment recours a des formalités tres minutieuses.”
1) Esmein, blz. 492.
Reeds op 23 nivôse, an III, werd het hersteld voor „politieke misdrijven”. Zie Prins, blz. 545.
2) Esmein, blz. 492.
3) „Il l’exerce, après avoir entendu, dans un Conseil privé, le grand-juge, deux ministres, deux sénateurs, deux conceillers d’Étate et deux juges du Tribunal de cassation”. Zie Esmein, blz. 492.
4) Legoux, blz. 15.
5) De ideeën van Bentham’s geschriften en manuscripten zijn het eerst bewerkt in het Fransch door Dumont in 1802. Later naar deze bewerking ook in bet Duitsch door Beneke. Een meer volledige editie verscheen eerst van de hand van Bowring in het Engelsch in 1843.

|48|

uitgave zijner manuscripten het gewoonlijk over hem gestreken vonnis niet eenige revisie vereischt?

Bentham leidt zijne bespreking 1) met deze stellingen in: „It is necessary to increase the magnitude of a punishment in proportion as it is wanting in certainty. The less certain your punishments are, the more severe they must be; the more certain your punishments are, the more yen may reduce their severity.” Al aanstonds voert hem dit er toe, de „power of pardoning” te karakteriseeren als een „power expressly established for rendering them uncertain”. Deze „power of pardoning” heeft „cruelty for its cause”, en „cruelty for its effect”. Het verleenen van „unmerited pardons” door den vorst kan „without cruelty” niet plaats vinden, immers, „an enlightened love of the public welfare does not engage him in undoing with one hand what he had done with the other. If the punishments have not had, for the cause of their establishment, cruelty towards individuals, it is cruelty towards the public to render them useless — to violate his promise, the engagement which he has made to the laws to pui them in execution.”

Echter zegt hij uitdrukkelijk, hier te spreken van „gratuitous pardons, such as all pardons have hitherto been”. Er zijn gevallen „in which the power of pardoning is not only useful, but necessary”. In al zulke gevallen waarin, „if the punishment were inflicted, the evil produced would exceed the good, and, in some cases, almost infinitely”. En dan herinnert hij er aan, dat de wet uiteraard een algemeen karakter draagt, waaronder vaak ten onrechte „certain individual cases” al of niet zijn begrepen, welke gevallen, waren zij door den „legislator” voorzien, niet onder den algemeenen regel zouden zijn vervat. Bentham gispt vervolgens de feitelijke gratieering door particuliere personen, gelijk die in het Engelsche procesrecht voorkomt. Zoo bestaat in het Engelsche recht


1The Works of Jeremy Bentham published under the superintendence of his executor, John Bowring, ed. 1843, Vol. I, blz. 520, 521.

|49|

„one method by which the law gives to a party injured, or lather to every prosecutor, a partial power of pardon” hierin, dat hem wordt gegeven „the choice of the kind of action which he will commence. On this or on the difference between the actions, depends a difference between the punishments: so far, as the happening of this difference is concerned, the lot of the offender depends not on the gravity of his offence, but on some other foreign circumstances; such as the degree of the ill-will of the party injured, or other prosecutor, or of the knowledge of his legal advisers. The judge is a puppet in the hands of any prosecutor, which he can cause to move at his pleasure and caprice.”

Eveneens laakt hij de menigvuldige doodstraffen. „The frequency of capital punishment is one of the most probable causes of the popularity of pardons. In England, it may therefore admit of debate, whether the legislature has done most evil by appointing so many capital punishments, or the sovereign, by exercising his power of remitting them.” Het wezen van deze macht is „to act by caprice. The king, as it is falsely said, — the deputy of the king, as it ought to have been said — does not act judicially: he does not act from a knowledge of the matter; he has not the power of doing so; he has not even the power of compelling the attendance of witnesses. Is a lie told before this powerless despot? it is an unpunishable lie.”

Het is er dan ook verre van af, dat hij de Montesquieu’s gevoelen zou deelen. Integendeel, Bentham zegt: „The power of pardoning is often said to be one of the brightest jewels in the royal crown: it is burdensome as it is bright, not only to those who submit to the crown, but still more so to him also who wears it.” Zeker, „many cases have occurred in England, in which the counsellors of the crown have, from more or less praiseworthy motives, made use of this lawful despotism of the king, to soften the tyranny of the laws. Never was power so undoubtedly legal, though undue, employed for a mere legitimate purpose; the result, however,

|50|

has been, not that the minister has been applauded as he deserved, but that he has become the object of clamour, libels, and threats. The most correct and legitimate exercise of the powers impolitically attached to his character, has only served to draw down upon the king, that treatment which a tyrant would have merited.” En bij besluit dan: „How much discontent and fear would have been spared, if a right, legally abusive, had given place to an enlightened and well-ordered law!”

Sterker en duidelijker nog blijkt Bentham’s meening over het gratie-instituut uit wat hij schreef in latere jaren. Als hij pleit voor de afschaffing van de doodstraf 1), zegt hij 2): In de „pardon-power” bezit de koning „an instrument, with which, if death has place in the list of punishments, it depends upon him (unless restrained by conditions which will presently be brought to view) — yes, upon him it does depend, for the gratification of whatever may at any time be his desires, to produce evil without stint. Take for example murder: applying to murder this same power, — it depends upon him — to murder any man, — and as many men, as, at any time or times, it pleases him so to deal with; to apply to that purpose — not his own hands only, but any hand or hands, which, by remuneration, he can engage to lend themselves to this service. In a word, in this same power he possesses an instrument, which (always supposing death to have place on the list of punishments,) is, in the very nature of it, a perennial source of delusion corruption, and misrule, in every imaginable shape.” Voorts: „In the import of the word mercy is included, the supposition of the existence of a power of producing pain and pleasure — of producing it in cases, in which the production of it is not required by justice; or, on any other score, by the greatest-happiness principle.” In dit woord „mercy” ligt opgesloten, dat „the God which is in


1) In 1831.
2Works, I, blz. 529.

|51|

heaven” zijn „partner” heeft in den koning, „the god upon earth”.

En toch kan niet worden gezegd, dat de gratie door Bentham wordt bestreden in absoluten zin. Reeds zagen wij, hoe hij vroeger melding maakte van het geval, dat de wet kon zijn te generaal van aard. Hij geeft nu nog uitdrukkelijk deze „proper grounds for pardon” aan: „I. Multitude of the delinquents. This applies, of course, not to any one separately considered, but to a part of the number: — a part, greater or less, according to the circumstances of the individual case. II. Since the conviction, discovery made of the convict’s non-guiltiness. III. On condition of receipt of the pardon, and not otherwise, special service in any shape rendered, or on adequate grounds expected to be rendered, by the convict; such service not being otherwise obtainable on such good terms. IV. Special service, in the particular shape of indication made, — of not less maleficent delinquency on the same occasion, or on any other occasion, on the part of some other individual; or needful evidence afforded, such as is not extractible from the delinquent himself. V. In case of infliction, apprehension of displeasure at the hands of the people. VI. In case of infliction, apprehension of displeasure at the hands of this or that foreign power”. 1) En als men de vraag stelt, of deze laatste twee gronden wel kunnen zijn „compatible with the dignity of the government”, en niet eene erkenning van zwakheid zouden toonen, dan is zijn antwoord: „Against this evil, such as it is, the door might be shut without difficulty. Whether it has place or no, depends on the complexion given to the discourse, which on this occasion is employed: in the case where the people were in question, a tone of sympathy, or say of paternal condescension, would be the tone proper to be assumed: in the case where a foreign power was in question, a tone of civility and genera! desire of amity.” Eene gratieverleening,


1) Zie ook IX, blz. 600.

|52|

niet gemotiveerd door eene der genoemde beweegredenon, acht hij echter een verderf. „From pardon-power unrestricted, comes impunity to delinquency in all shapes: from impunity to delinquency in all shapes, impunity to maleficence in all shapes: from impunity to maleficence in all shapes, dissolution of government: from dissolution of government, dissolution of political society.” 1)

Bentham’s aanvallen op het gratie-instituut richten zich dan ook veeleer, gelijk elders wordt bevestigd, tegen de gratie opgevat in de beteekenis van gunst. Tegen „mercy” zooals die zoo vaak werd bewezen in eene monarchie. Hij acht het eene dwaasheid, „when the monarch, having no more than a share in the exercise of the legislative power, so called, has in his own single hand the power of frustrating the effect of any enactment, howsoever salutary, howsoever necessary to public security” 2). Het woord „mercy” behoort „to the vocabulary of tyranny” 3). „The idea expressed by this word is a sort of appendage to, and antagonzes with the idea designated by the word justice. . . . . If, in either case justice 4) is administered, no such thing as mercy is exercised in either case. Under a government which has, for its actual end, the greatest happiness of the greatest number, thus it is that mercy is unknown. Mercy unknown — and why? Only because tyranny is unknown. . . . . . Where mercy is most heard of, be assured there is most tyranny. The making a ground for the exercising of tyranny under the mask of clemency, is


1) I, blz. 530.
2) III, blz. 283.
3) IX, blz. 36.
4) „The word justice, as but too commonly employed, matches with the word deserved, as applied to punishment. In this sense, penal justice is exercised by the application of punishment on the occasion on which, and in the quantity in which, it is deserved. In this case, if mercy be exercised, it is in opposition to, and at the expense of, justice: in so far as mercy is exercised, justice is not done.”

|53|

one purpose for which punishment without limit or measure is anywhere by law established; the making a ground for the praise of benevolence, and thus providing malevolence and tyranny with a mask, is another purpose.” Wel is de plaats voor „mercy” in de „limited monarchy” niet zoo groot als onder eene absolute monarchie, maar toch ook onder de beperkte monarchie „room for it, however, always exists, and is always occupied in enormous superabundance”. Wanneer in Engeland, „while men are condemned to death by hundreds, death is inflicted on them by units: the difference between the unit and the hundred has for its cause the purposes above-mentioned”. 1) Voor „remission of punishment” kan er zeer zeker bij verschillende gelegenheden eene goede reden bestaan, maar die gelegenheden zijn alle „capable of being, and all of them ought to be, specified. In one word, mercy and justice are incompatible. In a government where there is room for mercy, it is because justice is overruled bij cruelty. As mercy is a subject of praise, the more cruel the tyranny, the greater is the room made for praise.” Daarom „pardon, to pardon, mercy, to show mercy” 2), aan geen van deze woorden kent Bentham eene plaats in zijn „Constitutional Code” toe 3). „Power of pardon supposes tyranny in the same hand”. Immers, „where without obligation to exercise it, power of punishment is exercised, tyranny is exercised.” En „exercise of the power of pardon is occasional relaxation of the habitual tyranny, habitually exercised by the same hand”. „To pardon is to be an habitual tyrant: to show mercy is to have exercised tyranny.” 4) „Tyranny is itself without a mask; pardon and mercy are tyranny under a mask.”

Uit dit alles blijkt ons dus, dat Bentham stellig in de


1) IX, blz. 37.
2) IX, blz. 605.
3) Hij vat hier „pardon” op in de beteekenis van „mercy”.
4) IX, blz. 606.

|54|

allereerste plaats den strijd voert tegen de gratie als gunstbetoon, als „mercy”, als willekeur, gelijk die ook in Bentham’s dagen in zwang was. Ook wordt onder zijn betoog de grootst mogelijke volkomenheid en vaste toepassing der strafwetten bepleit. Maar voorts kent hij, ondanks zijn ernstig protest tegen gratie opgevat als „mercy”, ook gratie als een „remission from punishment” in eene reeks van gevallen, die ons doen zien, dat Bentham, in den grond der zaak, toch niet anders dan een zeer voorwaardelijk tegenstander van het gratie-instituut kan worden genoemd. 1)


1) Opzettelijk citeerden wij Bentham’s meeningen over de gratie wat uitvoerig, omdat het ons voorkomt, dat verschillende schrijvers vaak door de editie van Dumont op eenigszins verkeerd spoor zijn gebracht. Het slot van het hoofdstuk „Du pouvoir de pardonner” luidt in de editie van Dumont van 1829, 1830, I, blz. 185: „Résumons les idées. Si les lois sont trop dures, le pouvoir de faire grâce est un correctif nécessaire; mais ce correctif est encore un mal. Faites de bonnes lois, et ne créez pas une baguette magique qui ait la puissance de les annuler. Si la peine est nécessaire, on ne doit pas la remettre; si elle n’est pas nécessaire, on ne doit pas la prononcer.” Stellig komt wie dat leest tot de beoordeeling van Bentham, welke Von Mohl, blz. 640, noot 1, geeft, wanneer hij zegt, nadat hij er op gewezen heeft hoe de wet steeds noodzakelijk een algemeen karakter moet dragen: „Diese einfachen Erwägungen widerlegen denn namentlich auch die heftigen Angriffe Bentham’s auf das Begnadigungsrecht, (s. Principes de législation, brüssl. Gesammtausg., Bd. I, S. 185) welches er durch eine Verbesserung der Gesetze überflüssig machen zu können glaubt. Mit der Alternative: entweder ist die Straf nöthig, dann soll die nicht erlassen werden; oder sie ist nicht nöthig, dann muss man sie auch nicht aussprechen, kommt man nicht durch. Eine Strafe kann im concreten Fall nöthig, und doch sittlich unzulässig sein, ferner ein Gesetz im Ganzen gut, in bestimmten Verhältnisse aber unzureichend.” Daartegenover staat, gelijk uit de Engelsche editie van Bowring blijkt, dat Bentham reeds in zijne vroegere jaren op dit noodzakelijk algemeene karakter der wet heeft gewezen. Evenmin mag voorbijgezien, dat zoowel in de editie van Dumont als in die van Bowring vermeld wordt, hoe Bentham het uitoefenen van de „power of pardon” nuttig en noodzakelijk oordeelt in gevallen, waarin de straf meer kwaad zou aanbrengen dan goed. Eindelijk specificeert hij op het eind van zijn leven de verschillende gronden, waarop gratie, mits niet opgevat in den zin van „mercy”, kan worden verleend.

|55|

§ 12. Kant.

Wenden wij thans ons oog van Engeland af naar Duitschland heen, dan zien wij, dat ook in het land der Germanen het verzet niet ontbrak. Inzonderheid was daar belangrijk de theorie der Kantiaansche school 1). De groote Königsberger wijsgeer (1724-1804) bestrijdt in zijn abstract, levenloos strafrechtelijk systeem 2) het verleenen van gratie „op absoluten rechtsgrond onbepaald” 3). Wel klinkt ons als praeludium zijne erkenning tegemoet, dat zich een „Nothfall” kan voordoen, waarin het geboden kan zijn in den weg der gratieering de straf des doods door eene andere te vervangen. „So viel also der Mörder sind, die den Mord verübt, oder


1) Eigenaardig Crommelin, blz. 80, 81: „Necessarium vero omnino est, ut his quaedam addamus de difficultatibus, quae in Germania contra omne hoc institutum motae sunt, cum negari nequeat, auctoritatem illas difficultates habuisse apud multos quos convincere levior Gallorum eloquentia non potuerat.”
2Metaphysische Anfangsgründe der Rechtslehre, 1797, blz. 196, v.v.: „Das Strafgesez ist ein categorischer Imperativ, und, wehe dem! welcher die Schlangenwindungen der Glückseligkeitslehre durchkriecht, um etwas aufzufinden, was durch den Vortheil, den es verspricht, ihn von der Strafe, oder auch nur einem Grade derselben entbinde, nach dem pharisäischen Wahlspruch: „es ist besser, dasz ein Mensch sterbe, als dasz das ganze Volk verderbe;” denn, wenn die Gerechtigkeit untergeht, so hat es keinen Werth mehr, dasz Menschen auf Erden leben. . . . . Nur das Wiedervergeltungsrecht (ius talionis) aber, wohl zu verstehen, vor den Schranken des Gerichts (nicht in deinem Privaturtheil), kann die Qualität und Quantität der Strafe bestimmt angeben; . . . . Selbst, wenn sich die bürgerliche Gesellschaft mit aller Glieder Einstimmung auflösete, (z.B. das eine Insel bewohnende Volk beschlösse auseinander zu gehen, und sich in alle Welt zu zerstreuen), müszte der lezte im Gefängnisz befindliche Mörder vorher hingerichtet werden, damit jedermann das wiederfahre, was seine Thaten werth sind . . . .”
„. . . . notus est scolae Kantianae rigor in omni de poenis disputatione. Qui . . . .  tantum poenas infligi disputabat, quoniam justum erat, puniri, qui poena dignum aliquid commisisset; is profecto gratiam admittere non poterat Kantius.” Crommelin, blz. 81, 82.
3) Van Hamel, blz. 481.

|56|

auch befohlen, oder dazu mitgewirkt haben, so viele mussen auch den Tod leiden; so will es die Gerechtigkeit als Idee der richterlichen Gewalt nach allgemeinen a priori begründeten Gesezzen. — Wenn aber doch die Zahl der Complicen (correi) zu einer solchen That so grosz ist, dasz der Staat, um keine solche Verbrecher zu haben, bald dahin kommen könnte, keine Unterthanen mehr zu haben, und sich doch nicht auflösen, d.i. in den noch viel ergeren, aller äuszeren Gerechtigkeit entbehrenden Naturzustand übergehen (vornehmlich nicht durch das Spectakel einer Schlachtbank das Gefühl des Volks abstumpfen) will, so musz es auch der Souverän in seiner Macht haben, in diesem Nothfall (casus necessitatis) selbst den Richter zu machen (vorzustellen) und ein Urteil zu sprechen, welches, statt der Lebensstrafe, eine andere den Verbrechern zuerkennt, bey der die Volksmenge noch erhalten wird; dergleichen die Deportation ist: Dieses selbst aber nicht als nach einem öffentlichen Gesez, sondern durch einen Machtspruch, d.i. eipen Act des Majestätsrechts, der, als Begnadigung, nur immer in einzelnen Fällen ausgeübt werden kann.” 1) Maar als hij toekomt aan de opzettelijke bespreking van het „Begnadigungsrecht”, dan schrijft hij: „Das Begnadigungsrecht(ius aggratiandi) für den Verbrecher, entweder der Milderung oder gänzlichen Erlassung der Strafe, ist wohl unter allen Rechten des Souveräns das schlüpfrigste, um dan Glanz seiner Hoheit zu beweisen, und dadurch doch im hohen Grade Unrecht zu thun. — In Ansehung der Verbrechen der Unterthanen gegen einander steht es schlechterdings ihm nicht zu, es auszuüben; denn hier ist Straflosigkeit (impunitas criminis) das gröszte Unrecht gegen die letztern 2). Also nur bey einer Läsion, die


1Metaphysische Anfangsgründe der Rechtslehre, blz. 201, 202.
2) Trummer, blz. 220, 221 hierover: „Das Recht, eine Criminalstrafe zu verlangen, bat ohne Weiteres keine Privatperson, als solche, da es ein ausschlieszliches Recht des Staats ist . . . und eben so ➝

|57|

ihm selbst wiederfährt (crimen laesae maiestatis), kann er davon Gebrauch machen. 1) Aber auch da nicht einmal, wenn durch Ungestraftheit dem Volk selbst in Ansehung seiner Sicherheit Gefahr erwachsen könnte. — Dieses Recht is das einzige, was den Nahmen des Majestätsrechts verdient.” 2).

Zoo vatte hiermee Kant de oude, schier verstorven privaat-rechtelijke theorieën van het vroegere Duitsche recht weer op 3), en stelde hij zich dus „vollständig auf den längst überwundenen, oben besprochenen Stand-Punkt, der die Strafe als eine Privat-Genugtuung betrachtet und ein wahres, fortgeschrittenerer Auffassung der Strafe und des Verbrechens unentbehrliches, Begnadigungs-Recht nicht auf kommen, sondern nur eine Privat-Verzeihung zuläszt.” 4)


➝ wenig hat sie in der Regel ein solches Klagrecht . . . . Eine Straflosigkeit (impunitas criminis) in dem hier aufgefaszten Sinne kann also niemals, wie doch Kant gemeint hat, ein Unrecht gegen die Unterthanen seyn.”
Hoe anders Kant door dit motief feitelijk in strijd komt met zijn eigen stelsel toont ook Trummer, wanneer hij blz. 213 zegt: „Am wenigsten aber läszt sich einsehen, wie Kant’s Argumentation sich mit seiner Strafrechtstheorie verträgt, wo ja nicht um der Unterthanen willen, sondern zur Satisfaction der öffentlichen Gerechtigkeit der Verbrecher bestraft wird, nicht, weil er die Rechte seiner Mitbürger verletzt, sondern, weil er seine eigenen verwirkt und zu der Anwendung derselben Regel, die er gegen jene sich erlaubte, berechtigt hat.”
1) Terecht wordt dienaangaande opgemerkt door Crommelin, blz. 96,97: „Quod autem porro addit Kantius, publica quidem delicta remittere imperantem posse non privata, illud . . . principiis a Kantio propositis de justitia inflexibili parum conveniens est.”
2) Blz. 206.
3) „Bemerkenswerth ist es, dasz Kant, seiner Auffassung von Recht und Staat entsprechend, auf den Standpunkt des ältern deutschen Rechts zurückkehrt . . . .” Hälschner, P. S„ II, blz. 549.
Zie ook Köstlin, Revision, blz. 921.
4) Lueder, blz. 104. En bij vervolgt dan: „Eine solche Auffassung von Verbrechen und Strafe hat aber die Wissenschaft als ganz irrig verworfen und ist langst hinweggeschritten über den, von Kant wiedereingenommenen Stand-Punkt des älteren deutschen Rechtes.”

|58|

§ 13. De negentiende Eeuw.

Hoe abstract ook geconstrueerd, de gansche bestrijding 1)


1) Ook door andere schrijvers dan de genoemde, werd het verleenen van gratie in meer of minder ruimen omvang bestreden. Bijv. Grolman verklaart zich in zijn Grundsätze der Criminalrechts-Wissenschaft, (1te Aufl., 1797) tegen abolitie(amnestie uitgezonderd) en tegen de kwijtschelding van de geheele straf. Hij zegt § 101, 4te Aufl., 1825: „Es werden jedoch auch bey der vollkommensten Strafgesetzgebung sich immer einzelne Fälle ergeben, in welchen die gesetzlichen Strafbestimmungen der Strafwürdigkeit nicht ganz entsprechend erscheinen werden, weil aus den näheren Modificationen der Individualiteit eines einzelnen Verbrechers Gründe erhellen können, welche das, nach allgemeinen psychologischen Rücksichten, bestimmte Strafmass in Hinsicht seiner als zu gross, oder als zu klein darzustellen vermögen.” In het laatste geval verklaart hij zich tegen „Schärfung der Strafe”. „Dagegen wird in dem ersteren Felle die Regierung sich sehr wohl bewogen finden können, durch einen Begnadigungsact eine Abweichung von der gesetzlichen Bestimmung für den Individuellen Fall zu gebieten. Dieser Begnadigungsact kann in der Form eines, selbst die Untersuchung niederschlagenden Befehls (Abolition) erscheinen, eine Form, welche jedoch, die Amnestien ausgenommen, eben so, wie die Form der gänzlichen Straferlasse, eine höchst selten aus genügenden Gründen wird gerechtfertigt werden können, er kann aber auch, was in der Sache am leichtesten zu rechtfertigen seyn dürfte, in der Form partieller Begnadigungen (mitigatio poenae ex capite gratiae) oder von Verwandlungen der Strafe aus Gnade erscheinen, jedoch wird auch hier die Rücksicht auf das nothwendig zu erhaltende Ansehen des Gesetzes immer zu der grössten Vorsicht bestimmen müssen.”
Eveneens wordt Feuerbach, Lehrbuch des gemeinen in Deutschland gültigen Peinlichen Rechts, 1te Aufl., 1801, gewoonlijk als bestrijder aangevoerd. Wat echter Visser, blz. 11, opmerkt, dat ook Feuerbach zou „meenen dat wegens de grootere volkomenheid der strafwetten en de minder strenge straffen het recht van gratie overtollig is geworden”, komt ons volkomen onjuist voor. Hoogstens zouden wij ons willen vereenigen met wat Zirkler zegt, blz 795: „Feuerbach betrachtet es (das B) wenigstens als zweifelhaft”. Immers Feuerbach zegt § 63, editie Mittermaier, 1847, blz. 121: „Das Begnadigungsrecht mag von der Philosophie, nicht von dem positiven Rechte bezweifelt werden, weil dasselbe in allen Staaten dem Oberherrn verfassungsmässig zukommt. Doch ist es so auszuüben, dass noch die Gerechtigkeit selbst als Zweck und Grund seiner Ausübung gedacht werden kann, folglich nur I. um einen Widerspruch ➝

|59|

van het gratie-instituut was betrekkelijk in haar recht 1). De feitelijke karakteriseering der gratie als eene beschikking uit louter gunst, en de daarmee verband houdende willekeur bij het gratieverleenen, had in dit geval tot het aandurven van de stelling „abusus tollit usum” geleid. Bovendien, de toenmalige wreedheid van het strafrecht 2), uiteraard door gratie dikwerf op den voet gevolgd, had zoowel tegen dat wreede strafrecht zelf, als tegen de gratie als haar sequeel, den heftigen weerstand verwekt. Niettemin kon dit alles het te gelijk met die euvelen aangevallen rechtsinstituut niet van hare gerechtvaardigde positie verdringen 3). Wel was verbetering


➝ des förmlichen (geltenden) Rechts mit dem materiellen (gültigen) auszugleichen, II. um den rechtlichen Zustand gegen dringende Gefahren zu erhalten, gegen welche die Hülfe der ordentlichen Mittel mit Sicherheit nicht zu erwarten ist, endlich III. um die abschreckende Autorität des Gesetzes aufrecht zu erhalten, wenn die volle Strenge des Rechts in Grausamkeit übergehen und dadurch moralischen Abscheu gegen das Gesetz oder Gleichgültigkeit gegen dessen Strafe hervorbringen müsste.”
1) „Diese Anfeindungen des Begnadigungsrechtes erschienen aber allerdings wohl berechtigt gegenüber dem historischen Ursprunge und der bisherigen Auffassung desselben, wonach seine Uebung als ein der Handhabung der Gerechtigkeit entgegengesetzter Act grundloser Willkür, als Verzicht auf ein Recht sich darstellte, dessen Ausübung seiner Natur nach zugleich rechtliche und sittliche Pflicht sei.” Hälschner, P. S., II, blz. 549, 550.
2) „Aehnliche Geständnisse enthalt eine Motion des Parlaments-Mitglieds Mackintosh vom Juni 1822, worin er anführt, „dasz die ausschweifende Strenge der englischen Gesetzgebung so grosz sey, dasz von 10 zum Tode Verurtheilten kaum einer hingerichtet werde, weil die englischen Gesetze 220 Verbrechen mit dem Hangen bestraften, wahrend der französische Code pénal nur 6 Todes-Verbrechen kenne.” Vollgraff, blz. 4, noot. Zoo ook het slot van de noot op blz. 8: „Auch in England ist es gebräuchlich, dasz. der Recorder vor Vollziehung eines Todes-Urtheils erst beim Könige anfragt, ob er begnadigen wolle, das hat aber dort seinen Grund in der auszerordentlichen Härte der Strafen. Man würde fast täglich Hinrichtungen wegen unbedeutender Diebstähle sehen, übte der König dieses Rechts nicht.”
3) „Sobald ein Regent in der Gnade nicht dem Rufe der Pflicht, sondern den Locktönen des Gewinnes, den verführenden Lauten der Sinnlichkeit oder des Günstlingslebens folgt, ist die höchste Regentenmacht ➝

|60|

dringend eisch. De negentiende eeuw bracht dan ook, door de ervaring geleerd, veel goeds tot stand. Zij toonde, dat ook in een welgeordend staatsverband de gratie niet kan worden gemist 1). Door haar werd de strafwetgeving „so eingerichtet . . dass sie in der Regel der Fälle die Gnade entbehrlich macht” 2). En in deze negentiende eeuw bereikte de ontplooiing van het gratiebegrip haar hoogsten wasdom. Vaststaan bleef, dat het verleenen van gratie eene daad was van uitoefening der souvereiniteit. Die uitoefening zou tegenover zich vinden, als hechtsten waarborg tegen machtsoverschrijding, de ministerieele verantwoordelijkheid 3). Het publiekrechtelijk karakter van het strafrecht


➝ hinabgezogen in den Staub, und das Wuchergeschwür gemeiner Corruption nagt an den Grundvesten des Staatswesens. Gegen solch furchtbares Unwesen konnten sich die Gegner der Begnadigung, wie Filangieri, mit beredter Zunge erheben: es wäre der furchtbarste Hohn auf das Recht, wenn die Gnade mit Geld oder mit den Reizen eines Weibes erkauft werden könnte. Aber nur solche heillose Missverhältnisse, nicht die Begnadigung selbst wird von den Worten des grossen Italieners betroffen, und das Institut der Gnade selbst besteht über jede Anzweiflung und Anfechtung erhaben.” Kohler, Shakespeare vor dem Forum der Jurisprudenz, blz. 110, 111.
1) Het positieve recht van alle landen kent dan ook het gratie-instituut.
2) Zie Wahlberg, blz. 132.
Toch is ook opmerkenswaardig, dat nog na 1838, met het oog op het recht hier te lande, werd geschreven door Jolles, blz. 728: „Zoo herinneren wij ons, om een voorbeeld te noemen, een persoon, die op den openbaren weg eens anders parapluie ontnam, en zulks na vroegere veroordeeling wegens misdaad: de Regter vermogt niet anders dan het doodvonnis tegen den schuldigen uitspreken. Grenst zoodanige veroordeeling niet aan het belagchelijke?”
Men leze ook het uiterst krasse artikel in het Weekblad van het Recht van 14 November 1844.
3) Schoon, kort en kernachtig wordt de beteekenis der ministerieele verantwoordelijkheid aangegeven door Groen van Prinsterer, Le parti anti-révolutionnaire et confessionnel, blz. 86, waar hij schrijft: „. . . . le Roi doit régner et gouverner par l’intermédiaire d’un ministère homogène et responsable, qui lui sert d’organe pour agir avec efficacité, et qui en même temps devient une barrière contre les imprudences ou les emportements monarchiques.” Zie ook Groen van Prinsterer’s ➝

|61|

recht werd bevestigd, zelfs werd menig oud overblijfsel als privaatrechtelijk onkruid gewied 1). Daarbij voegde zich nog de onderscheiding en de steeds juistere afbakening der grenzen, tusschen de bevoegdheid van de, aan het „nulla poena sine lege” gebonden, zelfstandige, onafzetbare rechterlijke macht, om tusschen de wettelijk gestelde maxima en minima de strafmaat te bepalen 2), en de gratie van den souverein, te


➝ Nederlandsche Gedachten, 2e Serie, Dl. I, blz. 77-80, waar hij o.a. zegt op blz. 77: „Welnu! hierin juist ligt de voortreffelijkheid van het constitutionele koningschap, dat de persoonlijke wil des Konings, in een homogeen en verantwoordelijk ministerie, naar mate ’s Lands welzijn het eischt, of steun ontvangt, of weerstand ontmoet.”
Guizot, wanneer hij de afschaffing van het recht van gratie door de Fransche Revolutie heeft vermeld, zegt: „Il est rétabli, et avec grande raison, comme tant d’autres droits dont la révolution imprévoyante avait dépouillé le pouvoir royal; mais en même temps, et comme tous ces droits, il est rentré sous l’empire du principe qui est la condition permanente et tutélaire de ce pouvoir. Le roi, conseillé et inviolable en toutes choses, l’exerce sous le contre-seing d’un ministre qui en revêt dès-lors la responsabilité”, blz. 165.
Toch moet niet worden gezegd, dat door den waarborg tegen machtsoverschrijding, gelegen in de ministerieele verantwoordelijkheid, het recht van gratie zelf wordt beknot of beperkt. Te spreken van vele „Beschränkungen”, die het „Begnadigungsrecht” in den nieuweren tijd zou hebben moeten ondervinden, is onjuist. Zoo bijv. Wahlberg, bl. 127: „Erst in später Zeit gestattete das Ministerverantwortlichkeitsgesetz eine Beschränkung desselben “
1) Dat ook heden ten dage nog het privaatrechtelijke element doorwerkt, blijkt bijv. uit wat Berner zegt, blz. 334: „Mit groszer Zurückhaltung musz das Recht des Straferlasses ausgeübt werden bei Beleidigungen; der an seiner Ehre Gekränkte hat einen natürlichen Anspruch auf die ihm durch die Bestrafung des Beleidigers zu gewahrende Genugthuung.”
Voorts zegt Stockar, blz. 47: „Es muss nämlich gesagt werden, dass das Strafrecht auch heute noch nicht ganz zu der Stellung eines ausschliesslich öffentlichen Rechts durchgedrungen ist; es hat sich immer noch nicht völlig von privatrechtlichen Einflüssen losgerissen. Eine Privatstrafe besteht allerdings nicht mehr, wohl aber haben sich noch einige Überreste davon erhalten.”
2) Iets dat, evenals het tot stand komen van een minder wreede strafrechtspleging, vanzelf leidde tot juister en zachter straffen. Hoewel toch ook nooit moet vergeten, dat het z.g. „humanistische” strafrecht, hetzij ➝

|62|

verleenen op gronden waarvoor het oog van den rechter zich niet mag ontsluiten 1). Voorts werd de gratie zelve meer en meer aangetast in haar oude karakter van gunst: althans werd, hoe men ook haar begrip mocht bepalen, door het zoeken van hare rechtvaardiging een welbewuste strijd tegen de eeuwenlang geduurd hebbende willekeur ondernomen 2). Voorwaar geen geringe vooruitgang.

 

§ 14. Het Heden.

Of daarmee het begrip gratie zich dan nu eindelijk heeft gevormd? Het vele verschil van meening over dit onderwerp toont het anders. Stellig moet gewaardeerd de onvermoeide ijver, waarmee velen zich in de negentiende eeuw, ook op dit terrein der wetenschap hebben bezig gehouden 3). Doch het oordeel over de fundamenten van het strafrecht en het


➝ uit den wreeden tijd of uit den tegenwoordigen, feitelijk of in principe wreeder is dan het strafrecht, dat de „Mozaïsche” wetgeving ons toon. „Das Mosaische Strafrecht . . . verbindet Milde mit strenger Gerechtigkeit. Seine Strafen sind einfach, ohne jene grausame Verschärfung, sie stehen in geeignetem Verhältnisse zu dem Verbrechen.” Saalschütz, Das Mosaische Recht, 2te Aufl., 1853, blz. 438.
1) Dat ook deze grensafbakening eene historie doorliep, blijkt ons bijv. uit wat Wahlberg ons zegt, blz. 131 en 132.
2) „Die älteste Anschauung ist diejenige, welche in der Begnadigung ein Geschenk, eine blosse Gunstbezeugung sieht. Von diesem Standpunkt aus ist einerseits die alte Sitte des Gnadebittens . . . . . zu erklären und anderseits die Sitte, Begnadigungen und namentlich Amnestien anlässlich freudiger Ereignisse zu erteilen. Dass diese letztere Sitte auch heute noch fortbesteht, ist ein Zeichen dafür, dass das Wesen der Begnadigung immer noch nicht überall zu einer richtigen Würdigung gelangt ist.” Stockar, blz. 33.
3) „Das Verdienst der neuern Doctrin ist es dagegen gewesen, dasz sie sich bemühte das Begnadigungsrecht durch Lösung des vermeintlichen Gegensatzes der Bestrafung als eines Actes der Gerechtigkeit, und der Begnadigung als eines Actes rechtloser Willkür, wissenschaftlich zu begründen. Es ist dies in verschiedener Weise versucht worden, . . . .” Hälschner, P. S., II, blz. 550.

|63|

wezen en doel der straf beheerscht hier alles 1). En aan strafrechtstheorieën in de negentiende eeuw geen gebrek, wat met zich voert eene groote verscheidenheid in de argumenten tot verdediging van het door ons besproken instituut. Tot verdediging; immers verdedigd wordt, zoo oppervlakkig bezien, zijn bestaansrecht schier algemeen 2), hetzij op gronden verband houdende met eene zeer verschillend opgevatte „gerechtigheid”, hetzij op gronden van politieken aard. Dat gratie een onrecht zou zijn tegen de beleedigde partij, wordt bijna niet meer vernomen; evenmin dat de boosdoeners juist daardoor tot het misdrijf zouden worden verlokt. Dat de strafwet kortweg volmaakt kan zijn, wordt door niemand in ernst meer


1) Dit wordt ook uitgesproken door Abegg, Kr. V., III, blz. 350: „Dagegen mag kurz die Frage berührt werden: wie sich das Begnadigungsrecht zu den verschiedenen Auffassungen über Grund und Zweck der Strafe verhalte?”
2) „Die neuere Doctrin kommt, wenn auch in verschiedener Weise der Begründung, darin überein das Begnadigungsrecht als eine nothwendige und in sich gerechtfertigte Institution zu betrachten.” Hälschner, P. S., I, blz. 723.
„. . . . auch für die philosophische Seite dürfen wir die Ansicht als widerlegt und den Standpunkt als überwunden nehmen, wonach überhaupt das Begnadigungsrecht bezweifelt oder für unbegründet ausgegeben wird.” Abegg, Kr. V., III, blz. 346. Of hij niet wat te optimistisch oordeelde?
In 1870 werd het gratierecht nog bestreden door Ruf: „In der neueren österreichischen Literatur is nur eine Stimme im Anschluss an Kant, Beccaria, Filangieri u.A. gegen das Begnadigungsrecht laut geworden, und zwar von P. Ruf, in seinen criminal-psychologischen Studiën über „Criminaljustiz” . . . Nichts untergrabe das Ansehen der Strafgesetze mehr als die Begnadigung, welche, wie Ruf meint, eigentlich gar nicht dem Rechte angehöre. Lächerlich sei es, wenn Köstlin die Begnadigung einen höheren Art der Gerechtigkeit nenne, da es puncto Gerechtigkeit keine Vergleichungsstufen gäbe. Den Verbrecher begnadigen, heisse in vielen Fällen nichts anderes, als ihm zum Nachtheile der Gesellschaft begünstigen. Man habe die Begnadigung eine Ergänzung des richterlichen Ermessens genannt; allein sie zeige sich vielmehr als eine Annullirung desselben . . . .  Die Gerechtigkeit fordere nicht Gnade für Recht, sondern Recht für Gnade!” Wahlberg, blz. 136.

|64|

bepleit 1), en eveneens heeft het argument, dat slechte wetten op zulk eene wijze blijven bestaan, zijn waarde reeds lang verloren. En last not least, de willekeur bij de uitoefening schijnt in de toongevende staten door zoovele waarborgen beteugeld, dat ze niet meer mogelijk is. Slechts de Italiaansche school vormt eene duidelijke uitzondering; zij blijft alle gratie, in welken vorm ook, bestrijden. En voorts vindt de eenvoudige abolitie nog bij menig schrijver, ook heden ten dage den krachtigsten weerstand 2). Onaangevochten blijft gewoonlijk de amnestie 3).


1) Het klonk wel eenvoudig te zeggen: „maak slechts de strafwet volledig en gratie wordt overbodig”. Maar zoo gemakkelijk was de oplossing niet. Bekend is het feit, dat verkeerde beschouwingen vaak in eenvoudig kleed zijn gehuld, In betrekking tot het hedendaagsche staats- en strafrecht wijst hierop Mr. D.P.D. Fabius, Schuld en Straf, blz. 68, alwaar ook wordt geciteerd het woord van De Tocqueville: „Ce ne sont en général les conceptions simples qui s’emparent de l’esprit du peuple. Une idée claire et précise, mais fausse, aura toujours plus de puissance dans le monde, qu’une idée vraie, mais complexe.”
2) Die weerstand tegen de abolitie was niet gering. Meestal achtte men haar een bedenkelijk „ingrijpen in den geregelden gang der gerechtelijke vervolging”. Aan den beschuldigde ontneemt zij die niet gering te schatten gelegenheid, dat door een vrijsprekend vonnis zijn onschuld officieel kan blijken. Om die reden wordt zij verworpen door Geib, II, blz. 156. Zie ook Elsas, blz. 16, noot 17. Op anderen grond wordt de abolitie bestreden door Von Lint, blz. 269. Zie ook Berner, blz. 334; enz. Oudere bestrijders der abolitie worden genoemd door Von Mohl, II, blz. 664, noot 1, en Geib, II, blz. 156. Verdedigd wordt zij o.a. door Oersted, blz. 463, 464; Buma, blz. 80 v.v. (tamelijk uitvoerig); Abegg in Die Gegenwart, 1849, blz. 717, 718 en Kr. V., III, blz. 520; Zirkler, blz. 806, 807; Köstlin, Revision, blz. 929 v.v., System, blz. 642; Lueder, blz. 209 v.v., en Von Mohl, blz. 668-670.
3) De amnestie is ten allen tijde door bijna iederen schrijver verdedigd. Zelfs tijdens de Fransche Revolutie kwam zij, zoo wij zagen, voor. „Und in der That, wo jemals eine Amnestie und eine allgemeine Niederschlagung des Verfahrens, dem namentlich bei politischen Verbrechen oder Anschuldigungen eine grosze Anzahl von Individuen hatte unterworfen werden mussen oder unterworfen wurde, stattgefunden: da hat man das als eine Handlung der Staatsweisheit und der mit der Gerechtigkeit nicht im Widerspruch stehenden Menschlichkeit gepriesen.” Abegg in Die ➝

|65|

En toch, zoo men waarlijk mocht meenen, dat, dank zij de vrij groote eenstemmigheid omtrent het bestaansrecht van het verleenen van gratie in het algemeen, de twintigste eeuw ons nu practisch de rijpe ontwikkeling van het gratiebegrip bieden zal, dan oordeelt men onjuist. Te verschillend wordt dat bestaansrecht verdedigd. Of juister, de eenstemmigheid is slechts schijn. Werken de nieuwere strafrechtelijke beschouwingen, zoowel van de anthropologische als van de sociologische school 1) door, dan wordt ook practisch, gelijk vanzelf spreekt, met het ware karakter der straf, of wil men met de straf zelve, tevens het begrip gratie verworpen. De deterministische beschouwingen voeren eenerzijds tot eene zachtheid, die niet op gratie wacht, maar den rechter reeds bij zijn oordeel tot het „tout comprendre c’est tout pardonner” dringt, of anderzijds consequent tot een systeem van „maatregelen”, die geen „straf” mogen heeten, maar toch zoo streng zullen zijn, dat het systeem van den tijd der menigvuldige doodvonnissen daartegenover heilig zal zijn te achten. Waar men de schuld zelve, van hem die misdeed, als motief der straf ontkent, en daarvoor andere beweegredenen tot straffen, of wel tot het nemen van „sociale maatregelen” in de plaats stelt, moet men ten slotte eindigen met de meest


➝ Gegenwart, III, 1849, blz. 718. Zie bijv. ook Lueder, blz. 211; Ortloff, blz. 246; Esmein, blz. 490. De amnestie vindt dan ook in verband met oorlogen en andere politieke verwikkelingen nogal eens plaats. „In dem letzten Jahrhunderte is von unserem Landesherrn das Begnadigungsrecht hauptsächlich als Strafänderung oder Strafnachsicht geübt worden, seltener als Urtheilsverhinderung in den Formen der Abolition und der Amnestie. Letztere hat in Folge der wiederholten politischen Bewegungen in Italien, Galizien, Ungarn, insbesondere seit 1849 viel häufiger stattgefunden.” Wahlberg, blz. 133, 134.
1) Zie over deze nieuwere strafrechtstheorieën Mr. D.P.D. Fabius, Schuld en Straf, in welk geschrift helder en klaar wordt aangetoond, hoe deze nieuwere of vernieuwde leeringen alle straf en strafrecht ondermijnen, en ter zijde zetten alle grondbegrippen waarop het hedendaagsche strafrecht nog is gebaseerd, om alles te doen ondergaan in sociologie.

|66|

cynische en koelbloedige wreedheid 1). Mr. Simons verklaarde doodbedaard: „De handhaving der maatschappelijke ordening is de eerste plicht der staatsgemeenschap; indien zij dien plicht niet kan vervullen zonder strafbedreiging en straftoepassing, dan is zij niet alleen gerechtigd maar zelfs verplicht die maatregelen te treffen, ook al geschiedt dit ten koste van het individu, waarop die maatregelen worden toegepast.” 2) Onder een zoodanig schrikbewind moet men dan ook ten slotte wel bijna onvoorwaardelijk alle denkbeeld van gratie verwerpen 3). Reeds noemden we ook de Italiaansche school. Garofalo acht het gratierecht volkomen onvereenigbaar met zijne theorie 4). Immers voor hem „le jugement pénal c’est la désignation du type du délinquant qu’on examine, la peine c’est le moyen de défense sociale exigé par les cas.” Wil men „une révision du proces de la part d’une haute cour de justice ou de la part du chef de l’Etat lui-même”, voor het geval dat het niet onwaarschijnlijk is, dat er eene vergissing heeft plaats gevonden en de publieke opinie overtuigd is van des veroordeelden onschuld, of ook wanneer de straf buitensporig streng blijkt, „cela pourra être équitable et utile”. Maar toelaten „que le chef de l’Etat ait le droit de priver la société de ses moyens de défense contre ses ennemis naturels”, acht hij ongehoord. „La grâce d’un grand criminel, c’est la violation du droit des citoyens d’en être délivrés pour toujours. Un


1) Eenerzijds „een medelijden, dat ook de schuld verslindt”, anderzijds ,,een aftrappen van den misdadiger, die eigenlijk buiten de menschheid staat”. Zie Mr. D.P.D. Fabius, t.a.p., blz. 10 en 9.
2) Mr. D. Simons, De Strafrechtstheorie van Von Liszt, in het Tijdschrift voor Strafrecht, Dl. X, blz. 25. (De cursiveering is van ons).
3) Het „laat zich begrijpen, dat van die zijde het gratierecht met ongunstig oog wordt aangezien. Het verleenen van gratie hij het voortbestaan van de gevaarlijkheid laat zich op dit standpunt kwalijk rechtvaardigen.” Mr. D.P.D. Fabius, t.a.p., blz. 64.
4) Blz. 402.
Prins acht deze stelling te absoluut, hij zegt, blz. 547, noot 2, betreffende Garofalo: „Il va toutefois trop loin en soutenant que le droit de grâce est tout à fait incompatible avec la théorie moderne.”

|67|

individu a été reconnu insociable, et voila que le gouvernement lui a fait cadeau de la sociabilité!” Zoo komt het „gouvernement” in strijd met wat verboden is „par les lois naturelles de l’organisation sociale dont il est appelé a être le défenseur” 1). „En bonne justice” moest het „gouvernement” verantwoordelijk worden gesteld voor de nieuwe misdrijven „commis par les malfaiteurs graciés par lui” 2). Het is hem „presque invraisemblable que ce droit de grâce ait pu survivre à toutes ces autres prérogatives irrationnelles abolies graduellement par le progrès des institutions” 3). En in hetzelfde systeem acht hij dan ook niets vreemder, dan „l’amnistie pour les délits communs, c’est-a-dire la grâce faite en masse a toute une classe de délinquants, auxquels on dit: „Ce qui était hier un délit et ce qui le sera demain, ne l’est pas pour aujourd’hui seulement.” Car l’amnistie abolit le délit lui-même; une formule assez humoristique, mais qui sert cependant à détruire dans les casiers judiciaires toute tracé du méfait, de sorte que le récidiviste n’en est plus un parce que le gouvernement en a décidé ainsi!” Het is daarom zeer gelukkig, zoo roept hij uit, dat men heden ten dage in de meest verlichte staten van dit recht van amnestie zoo weinig misbruik maakt, en het is te wenschen, dat na eenigen tijd „il n'en sera plus question” 4).

In denzelfden geest spreekt Lombroso 5). Hij handelt over gratie onder het hoofdstuk: Absurdités et contradictions juridiques, en zegt 6): „Le droit de grâce et, pis encore, celui de l’amnistie, qui efface toute action pénale et admet comme non avenu un fait réel, sont des droits de cachet à rebours. La grâce est entièrement fondée sur la supposition que le droit de punir n’existe que dans la volonté d’un régent. — „Mais


1) Blz. 400.
2) Blz. 401.
3) Blz. 400.
4) Blz. 400.
5Le Crime, 1899.
6) Blz, 434, 435.

|68|

nous l’usons pour mitiger la justice, quand elle est trop sévère! répond Friedreich” — Eh bien, s’il en est ainsi, c’est que vous n’avez pas la vraie justice; et vous devez chercher d’en changer les méthodes. Grâce veut dire pitié, miséricorde; mais comment pouvez-vous en user envers qui vous croyez essentiellement mauvais. Selon Filangeri: „Toute grâce accordée à un criminel est une dérogation a la loi; car, si la grâce est équitable, la loi est mauvaise: et si la loi est juste, la grâce est un attentat contre la loi; dans la première hypothese il faut abolir la loi, et dans la seconde, abolir la grâce”. Nous ajouterons comme dernière considération que la grâce est contraire à l’esprit d'égalité qui anime la société moderne; car, lorsqu’elle favorise les riches, comme cela n’arrive que trop souvent, elle laisse soupçonner aux pauvres que pour eux il n’y a pas de justice. Rappelons à ce sujet les paroles de Jean Jacques Rousseau: „Les fréquentes grâces annoncent que bientôt les forfaits n’en auront plus besoin et chacun stil où cela mène”.”

De definitieve ontplooiing van het gratiebegrip mag dan ook practisoh In onze nieuwe eeuw niet worden verbeid. Zelfs is theoretisch, althans van ongeloovige zijde, deze ontwikkeling niet te verwachten. Voortdurend heviger wordt de aanval, die stelselmatig tegen het „classieke strafrecht” wordt ondernomen, allengs driester wordt het ware wezen der Overheid geloochend en miskend. Bovendien breekt binnen het terrein der ongeloovige wetenschap de eene bouwmeester eerst af, wat de endere met zorg optrok. Het ware fundament wil men niet, en elkanders fundamenten critiseert men terecht. Moge het in den kring der geloovigen anders worden aanschouwd. Vast moet allereerst staan een recht begrip van het wezen der Overheid, en eene juiste opvatting van het strafrecht, wil er van eene goede beschouwing der gratie sprake kunnen zijn. Welnu, dit is in elk geval onze besliste overtuiging, dat alleen de Christelijke wetenschap ons die eenig goede beschouwingen kan bieden. Zij het ook in het zweet haars aanschijns, toch ga zij voort te arbeiden aan

|69|

hare schoone, haar van Godswege opgelegde taak. Ziende op den loop der historie, en geleid door het licht van Gods Woord. Steeds en onwrikbaar vasthoudende aan het: „Uw Woord is eene lamp voor mijnen voet, en een licht voor mijn pad”.

Eene bescheiden poging om tot eene goede aanwijzing van het gratiebegrip te komen, moge in de volgende bladzijden worden beproefd.