Segers, E.C. (1886)

De rechtsbevoegdheid der bijzondere Gemeenten van de Nederlandsche Hervormde Kerk of der plaatselijke Kerken
Leiden
E.J. Brill
1886

 

O. nu, dat het geschiedkundig vaststaat, dat sedert de Hervorming het Staatsgezag in meerdere of mindere mate de aangelegenheden der Kerk heeft geregeld en daarover gezag heeft uitgeoefend . . . .

 

Arr. Hoogen Raad 20 Mei 1881.

Segers, E.C. (1886) Inl

|1|

 

 

De mensch heeft behoefte aan Godsvereering. Die godsdienstige aanleg is de adel der menschelijke natuur. Vanouds her heeft de mensch gevoeld, dat de bevrediging zijner godsdienstige behoeften ten nauwste samenhing met zijn tijdelijk en eeuwig geluk, maar ook dat de godsdienst niet uitsluitend een individueel belang is, maar te gelijk een maatschappelijk belang bij uitnemendheid. Nooit is er eene geordende maatschappij geweest, waarin geen wettelijke bepalingen aangaande den godsdienst gevonden worden. Strijd tegen en afwijking van het traditioneele werd dan ook meestal in alle landen, èn als eene aanranding der maatschappelijke orde zelf beschouwd, èn als overtreding der wettelijke verordening gestraft.

In het Boek der Oorkonden vindt men niet alleen van den aanvang des menschelijken geslachts af de sporen van godsdienst, maar ook, dat reeds in de dagen van Adam en zijne zonen men begon met den naam des Heeren aan te roepen (Gen. 4. 26), hetgeen, wat ook overigens de beteekenis dier geheimzinnige woorden wezen moge, althans insluit openbare, gezamenlijke godsvereering. Waar men gezamenlijk de Godheid wilde vereeren, moest uit den aard der zaak eene regeling getroffen worden, de dag wanneer, de plaats waar, de wijze waarop, de persoon door wien de aanbidding der Hoogste Majesteit zou worden geleid, diende wel bepaald te worden; en van dit oogenblik was er ook behoefte aan bijeenbrengen van stoffelijke goederen, en daardoor was van

|2|

zelf de godsdienst verbonden met de maatschappij en hare instellingen.

De geleidelijke ontwikkeling der onderscheidene volkeren en talen heeft ook op het ontstaan van onderscheidene wijzen van godsvereering invloed gehad; maar evenmin als zich het verschijnsel voordeed, dat één volk onderscheidene talen sprak, evenzoo kwam het in de oude tijden niet voor, dat men onderscheidene godsdiensten onder één volksstam aantrof. Eenheid van godsdienst, taal en oorsprong waren de banden der eerste maatschappij.

Dat zij, die in den strijd voor de waarheid belang stellen, goederen bijeenbrengen, zoowel tot persoonlijk gebruik, als tot verbreiding hunner denkbeelden en tot bevordering van het welzijn van anderen, moge geheel strooken met den geest en de denkbeelden der 19e eeuw, — dat echter als den historischen grond aan te geven voor het ontstaan van allerlei godsdienstige stichtingen, instellingen, vereenigingen en verbindingen, acht ik minder doeltreffend als men zich een objectieve voorstelling van den aard dezer goederen en der verplichtingen der beheerders wil vormen.

Gelijk op elk gebied verandering of verwisseling voorkomt, zoo zijn ook de godsdienstige overtuigingen en gezindheden der menschen niet altoos dezelfde gebleven; en nu schijnt het een voorrecht te zijn van de kinderen der 19e eeuw met hun scherpe onderscheidingsgave en fijn gevoel van recht en rechtvaardigheid, om in het onzekere te verkeeren, wien de door vroegere geslachten bijeengebrachte goederen bij verandering van overtuiging toebehooren.

Tweeërlei gevallen kan men zich daarbij denken, eene langzame, geleidelijke, bijna onopgemerkte wijziging, onder allerlei omstandigheden, niet het minst de aanraking met andere volksstammen en andere godsdiensten, of ook wel een zich meer plotseling openbarende, in het oog loopende

|3|

verandering. Dat het eerste geval geen invloed had op den rechtstoestand der tempels en der goederen voor den godsdienst bestemd, ligt voor de hand; de godsdienstige overtuigingen der Romeinen uit den Keizerstijd, waren niet geheel dezelfde als die bij den aanvang der Republiek, die wijziging bracht geen verandering in den rechtstoestand der tempels en priestercolleges; wel heeft het omgekeerde plaats, de wijziging der rechtsbeginselen, die de maatschappij regelen, brengen wijziging in den rechtstoestand der goederen voor den eeredienst bestemd.

In het tweede geval van meer plotselinge en radicale verandering, merkt men twee stroomen op. Soms zien wij dat de massa en hare leidslieden bij gemeenschappelijke, plotselinge verandering van overtuiging, uittredende uit de vroegere gemeenschap, alles prijsgeven, zich zelven opnieuw organiseeren en gaarne daartoe de noodige offers brengen; zonder nu reeds te willen beslissen, dat dat alleen zuiver christelijk en mitsdien alleen eerlijk en rechtvaardig is, mag ik toch niet verzwijgen, dat de Apostelen en de apostolische gemeente, en de gemeenten in de drie eerste eeuwen onzer jaartelling altoos alzoo hebben gehandeld, en mij is noch uit de H. Schrift noch uit de geschiedenis eenige aanwijzing bekend, dat men zich daarover beklaagde of verongelijkt achtte.

Een tweede geval dat bij hen die veranderden wel eens meer voorkomt, is, dat men, omdat de personen dezelfde bleven, ook gaarne het ongestoorde genot wenschte te behouden van hetgeen men vóór de verandering had bezeten.

Die vraag moest door „de politieke machthebbers” der wereld beslist worden. Dat deze daarbij over die wijziging zelve zouden geoordeeld hebben, en beslisten of deze iets nieuws was, dan wel de voortzetting, zuivering en natuurlijke ontwikkeling van de oude, en naar gelang deze beslissing uitviel, de goederen al of niet toewezen, moge als gedragslijn voor de machthebbers onzer

|4|

dagen aangeprezen worden, historisch is dat niet, en gelukkig misschien voor onze vaderen, dat men in de 16de eeuw er anders over dacht. Het al of niet toekennen van de goederen hing af, niet van de beslissing der overheid of de reformatie de ontwikkeling en voorzetting was van het oude geloof, al of niet, maar blijkens de geschiedenis eenig en alleen van het al of niet meegaan der overheid zelve in de verandering. De Gereformeerden der 16de eeuw zouden vreemd opzien, als zij konden lezen hoe door de Gereformeerden der 19de eeuw, de gezegende zuivering der kerk naar de beginselen van den Woorde Gods wordt voorgesteld als de voortzetting, zuivering en ontwikkeling van de oude gezindheid. Uit de belijdenis der Nederlandsche Kerken, waarin de vroegere Kerk kortaf de valsche Kerk genoemd wordt (art. 29), en der Overheid ten plicht gesteld het weren en uitroeien van alle afgoderij, en valschen godsdienst, het Rijk des Antichrists te gronde te werpen (art. 36), waarmede ongetwijfeld de Roomsche Kerk bedoeld werd, kan men moeilijk afleiden, dat de Gereformeerde vaderen hunne overtuiging als de voortzetting, zuivering en natuurlijke ontwikkeling daarvan beschouwden!

Indien er waarheid ligt in de woorden van Prof. Buys: „komt het heden of morgen tot een scheuring en beweren de twee scheidende deelen beide de Hervormde kerk te zijn, wordt aan den staat de beslissing opgedragen van een voor hem onoplosbaar raadsel,” (Gids. Jan. 1885) dan is het te voorzien dat de politieke machthebbers der 19de eeuw de aangeprezen gedragslijn niet gaarne zullen volgen, en de beslissing dus zal worden opgedragen aan de rechterlijke macht. Van haar mogen wij in Nederland vertrouwen dat zij naar wet en recht beslissen zal; maar wat is in deze wet en recht? Zou de geschiedenis ook niet hier licht moeten verspreiden?

Ter kwader ure is de strijd die, helaas, reeds zooveel onheil stichtte in de Nederlandsche Hervormde Kerk, nog meer

|5|

verward geworden door den strijd over de kerkegoederen. Wellicht brengt de aard der goederen, waarover de strijd liep, mede, dat men ook stoffelijke middelen aanwendde, maar het is onder het vele bedroevende, dat wij dezer dagen beleefden, een verblijdend teeken, dat het aanwenden van list en geweld zulke algemeene afkeuring heeft verwekt; doch indien dit ons oordeel mocht benevelen over de rechtskwestie zelf, zou dit zeer te betreuren zijn. Vergete niemand, dat wij over deze dingen schrijvende, waarlijk „teedere belangen” behartigen, die kalm en onpartijdig onderzoek vereischen en zoo objectief mogelijk moeten beoordeeld worden.

De heeren Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman en Dr. F.L. Rutgers hebben de vraag: aan wie behooren de goederen thans in gebruik bij de Hervormden en welke personen mogen over die goederen beschikken, aan een ernstig onderzoek onderworpen en de vrucht hunner geleerde studiën medegedeeld in eene korte, zaakrijke en helder geschrevene verhandeling, „De Rechtsbevoegdheid onzer Plaatselijke kerken.”

Volgens de geachte schrijvers moet men om daarover met juistheid te kunnen oordeelen deze vraag stellen:
„is er ééne Nederlandsche Hervormde Kerk, weliswaar verbeeld in locale afdeelingen met zeker zelfbestuur, dochalzoo, dat die afdeelingen onafscheidbare deelen zijn van de geheele corporatie, wier leden derhalve de individuen zijn, die, waardan ook behooren tot genoemde Kerk;
dan wel, zijn er onderscheidene plaatselijke kerken, weliswaar vereenigd tot een geheel met een zeker gemeenschappelijk bestuur, doch alzoo, dat dit geheel slechts de samenvoeging is van deelen, die eigenlijk ieder op zich zelven een geheel zijn, welk plaatselijk geheel dan gevormd wordt door de individuen die op die bepaalde plaats tot de Hervormde Kerk behooren?”

Hoewel wellicht op deze formuleering de aanmerking zou

|6|

kunnen gemaakt worden, dat zij, sprekende van plaatselijke kerken, eene uitdrukking bevat die officieel niet meer gangbaar is, en historisch waarschijnlijk niet altijd hetzelfde beteekent, iets wat in een rechtsgeleerd historisch onderzoek niet aan te bevelen is, willen wij toch, daar de bedoelde zin dier woorden genoegzaam blijkt, het debat aanvaarden op het terrein en in de termen door de Schrijvers zelf gesteld; dat alleen toch is de weg om tot toenadering en waarheid te komen. Van eigenliefde is hier immers geen sprake. Maar wat is rechten waarheid? dit is de groote vraag.

Dat deze vragen door den burgerlijken rechter zullen moeten beslist worden, is zeer waarschijnlijk; — daarover in de kerk te twisten zeker onnoodig; — maar daarom is het toch wel aan kerkelijken geoorloofd mede te deelen, wat zij na ernstig onderzoek meenen gevonden te hebben om de juiste beantwoording der vraag te bevorderen.

Onlangs zijn te Amsterdam een groot deel der kerkeraadsleden geschorst, enkel uit vrees, dat de beheerders der kerkelijke goederen met de kas zouden wegloopen; — zoo zeggen zij en hunne vrienden en aanvoerders; — omdat zij naar aanleiding van het Beheer bepalingen vaststelden, die met den plicht van elken kerkeraad om de kerkelijke verordeningen op te volgen en te eerbiedigen in strijd zijn, — zoo zegt de tegenpartij. — Wie zal dit uitmaken? Het komt mij voor dat deze vraag, die door het wettiglijk daartoe aangewezen college beslist moet worden, gerust kan ter zijde worden gesteld en uit het debat worden gelicht. Tot de kwestie zelf doet dit niets; en het belet wellicht een onbevooroordeeld onderzoek.

De bijdrage van de Heeren Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman en Dr. F.L. Rutgers heeft bij vernieuwing de principiëele vraag aan de orde gesteld; in hoever hunne oplossing met de geschiedenis en met de rechtsbeginselen overeenstemt, wordt

|7|

in de volgende bladzijden onderzocht, en daarom zal ook deze bijdrage dezelfde orde van behandeling volgen.

Segers, E.C. (1886) §1

 

§ 1. Toestand vóór de Hervorming.

Daar het bekend is dat vóór de Hervorming en geruimen tijd daarna, de beginselen van het Romeinsche recht, zoowel op het Canonieke recht als op het Staatkundige recht, van invloed waren, acht ik het niet overbodig, zoo kort en beknopt mogelijk mede te deelen, wat in deze materie recht was volgens deze twee rechtsbronnen, wellicht geeft dit eenig licht om beginselen in later tijd voorgestaan en toegepast beter te begrijpen.

De Romeinen hadden ook voor hunnen eeredienst zaken noodig, hieronder bekleedden de tempels de eerste plaats. Aan wie behoorden nu de tempels in eigendom? Sommigen zeggen aan den Staat en dit zal in de oudste tijden ook wel zoo geweest zijn: want eene stad ontstond meestal doordat eenige personen te zamen gingen wonen en al spoedig eenen tempel stichtten om de goden te dienen: deze tempel evenals de muren der stad was aan de hoede van allen gezamenlijk, dat is de Staat, nl. in den oud-romeinschen toestand, toevertrouwd. Bij de verdere rechtsontwikkeling begon men te onderscheiden tusschen de zaken die aan particulieren behoorden en die welke buiten het verkeer waren. De res extra commercium waren of res communes, of res juris divini of res publicae, van deze zaken was niemand eigenaar, zelfs van de res publicae was de Staat geen eigenaar, hij had hierover slechts een „hoheitsrecht,” en zoodra de zaak niet meer voor het publiek verkeer werd gebruikt, b.v. zoo een theatrum werd gesloopt, werd de grond eigendom van den Staat, werd hij res aerarii of later res fisci. Sommige schrijvers, zooals Dr. A. Pernice: Labeo, Th. 1 bladz. 255, meenen dat de Staat

|8|

van de res publicae en van de res juris divini eigenaar was in den meer gewonen zin des woords.

Wat de res juris divini betreft, zij waren buiten het verkeer, voor inbezitneming of usucapio onvatbaar, en mocht iemand er zich aan vergrijpen, de Staat zorgde er voor, dat hij als heiligschenner gestraft werd. Hij die zich aan een res sacra vergreep, wist dat zijn hoofd aan de goden gewijd was, met andere woorden, dat hij vogelvrij verklaard werd. De tempels, altaren, enz. nu vormden het belangrijkste onderdeel der res juris divini, het waren res sacrae. Hoe werd een zaak res sacra? Hiertoe was noodig dat zij gewijd werd aan de goden, „rite et per pontifices diis superis dedicata” en dat het Romeinsche volk hier zijn goedkeuring aan hechtte. (Zie Gajus II:5) sacrum quidem hoc solum existimatur, quod ex auctoritate populi Romani consecratum est, veluti lege de ea re lata, vel senatus consulto facto. Er was dus noodig een wet of senatus consult. Zoo ook Ulpianus: sacra loca ea sunt quae publice sunt dedicata. Wilde men nu een zaak aan een god geven, zoo beloofde men dit met een gelofte, votum, en droeg vervolgens de zaak over door dedicatie; om dit laatste te kunnen doen, was de toestemming van den Staat noodig.

Was dat nu ongeoorloofde bemoeiing van den Staat? Geenszins, want 1° de godsdienst is een zaak van algemeen belang, 2° was de res sacra in zulken gepriviligieerden toestand, dat de goedkeuring van den Staat of hij dit privilegie wilde verleenen niet te veel gevergd was. Ontbrak de toestemming van het volk, of was men geen eigenaar van den grond, dien men aan den god wijdde, b.v. in de provincie, dan was de zaak niet res sacra, maar quasi res sacra, zie Gajus, II:7. Er kwamen echter langzamerhand zaken voor, die voor een godsdienstig doel bestemd waren en toch nog in het verkeer voorkwamen, dus niet sacrae res. Dat was het geval wanneer enkele

|9|

tempels door bijzonder privilegie van den Keizer de rechten van een juridisch persoon verkregen; — dat dit een bijzondere gunst was, blijkt uit de woorden van Ulpianus XXII:6: deos heredes instituere non possumus, praeter eos quos senatus consulto constitutionibusve prmcipum instituere concessum est, sicuti Jovem Tarpeium, Apollinem etc. Hier was dus een vermogen dat noch den Staat, noch eene corporatie behoorde, maar iets zelfstandigs, voor een godsdienstig doel bestemd, zooals tegenwoordig een weeshuis is.

Steunende op de leer dat een rechtspersoon ontstaat door een rechtsfictie en ze dus doordat het recht haar niet meer als persoon erkent, vervalt, trokken de latere christelijke Keizers de vroegere wetten, waarbij de testamenti factio passiva (het recht om te erven) aan die tempels gegeven was in en gaven de nu onbeheerd geworden goederen aan de Christenen of behielden ze voor zich zelven 1). In den christelijken Keizerstijd nu ontstaan van alle kanten de stichtingen, die vroeger hoogst zeldzaam waren in grooten getale. (Mommsen Zeitschrift für Geschichtliche Rechtswissenschaft XVI). Of de toestemming van den Staat noodig was of niet, is twijfelachtig, zeker is het, dat in het Romeinsch recht het doel kerkelijk moest zijn. Zeker ook dat bij het bouwen van een kerk of klooster de tegenwoordigheid van een bisschop noodig was, en dit invol-veert zijne toestemming, want anders bleef hij eenvoudig weg. (Zie novella 67 cap. 1). Illud itaque ante omnia fieri sancimus, ut nemini liceat neque monasterium, neque ecclesiam, neque oratorium incipere aedificare, antequam Dei amantissimus illius civitatis episcopus adsit et preces in loco fundat et publice ibi procedens crucem figat omnibusque rem notam faciat. Waarom dit alles? Opdat ketters geen kerk zouden


1) Enkele juristen, die meenen dat de staat eigenaar dier goederen was, verklaren natuurlijk nog eenvoudiger de handelwijze der Keizers.

|10|

kunnen bouwen. Multi enim cum oratoria aedificanda suscipiunt morbis suis inserviunt nec orthodoxarum ecclesiarum sed illicitarum speluncarum aedificatores fiunt. Overigens is de vraag of staatsinmenging bij ’t ontstaan van stichtingen noodig is, zeer verschillend beantwoord; sommigen zijn er voor, von Savigny en anderen; Windscheid ontkent die noodzakelijkheid. In den voorchristelijken Keizerstijd zullen de Christenen niet veel eigendommen als corporatie gehad hebben, zij vormden zelf eerder een collegium illicitum. Waar men het christen zijn met het amphiteater strafte, zal men een christelijke gemeente wel niet hebben toegelaten om in rechten op te treden. Factisch zal natuurlijk de gemeente wel wat bezeten hebben, juridisch wellicht eerst sedert Constantijn 1). Deze toch geeft het recht om eigendom en bezit te verkrijgen. Wie is nu van dit vermogen, (dat langzamerhand zeer groot werd, — men herinnere zich dat de emphyteusis, een soort erfpacht, in het Oosten is ontstaan, door dat Staat en Kerk vele woeste landerijen voor korter of langer tijd in erfpacht gaven, daar private personen beter dan zedelijke lichamen vermogen productief aanwendden) wie is van dit vermogen in het justiniaansche recht eigenaar? De christelijke kerken der onderscheidene plaatsen, niet de gansche christelijke Kerk in haar geheel, is de meest waarschijnlijke meening. Deze meening vindt steun in onderscheidene plaatsen van het Romeinsche recht, zoo lette men op de 41ste Constitutie van Just. Codex 1 Tit. III. de Episcopis. De Keizer zegt in § 1 dat men hem niet tot bisschop zal wijden die kinderen heeft, daar hij in plaats toch van te studeeren, door de zorg voor de kinderen gekweld wordt. In § 2 zegt hij, zij dan, die dit zijn, zullen geen recht hebben krachtens testament, over wat zij


1) Sommige schrijvers meenen sporen te vinden dat de Christenen onder den vorm van collegia funeraria vóór Constantijn goederen hadden.

|11|

gedurende hunne ambtsbediening verkregen uit testament of door schenkingen, te beschikken, behalve eenige uitzonderingen Const. 41 § 1 Cod. I 3. „Omnia vero, quae post ordinationem ex quavis causa, prout dictum est, non a memoratis personis ad eos perveniunt, ad sacrosanctam ecclesiam, cuius episcopi sunt pertinere et ab ea vindicari jubemus, neque ulla alia persona quicquam ex his in proprium lucrum auferre poterit”. Men ziet het: het is de kerk van de plaats, niet de plaatselijke Kerk in de nieuwere beteekenis die men nu aan dat woord wil geven, de kerk der plaats, waarvan men bisschop is, die de goederen verkrijgt. Dit is zelfs zoo, dat als men de Kerk in het algemeen iets geeft, de kerk van de plaats het krijgt. Pr. Const. 25 (26). Cod. I. 2. „Sancimus, si quidem dominum nostrum Jesum Christum heredem quis scripserit vel ex asse vel ex parte, directis verbis videri sacrosanctam ecclesiam ipsius civitatis vel vici velagri, in quo defunctus morabatur heredem institutam eamque hereditatem ex asse a religiosissimis ejusdem oeconomis exigi vel ex parte pro qua heres scripta est etc. Dat dit vermogen niet aan de leden behoorde, hiervoor zie men de 41e Const. Just. Cod. I tit. 3 boven geciteerd. Toch zou misschien een enkele tekst anders doen vermoeden, doch dit is meer schijn; over het algemeen is het de ecclesia, de kerk die optreedt in rechten, de ecclesia die contracten sluit, waarin ze bij uitstek geprivilegieerd wordt. Zie slechts 28 Codex I. II. Si quis reliquerit ecclesiis, daarom
treden ook de oeconomici voor iedere kerk in rechten op. Scheiding van Kerk en Staat was onbekend, de Kerk wordt geprivilegieerd, maar boet in van hare zelfstandigheid en vrijheid , hoewel op haar beurt de Kerk den Staat bezielt en naar haar geest inspireert.

Bij het Romeinsche recht sluit zich het Canonieke recht aan. Wil men over het tijdstip vóór de Hervorming dus bepalen wat de rechtsbevoegdheid was eener plaatselijke kerk, dan dient

|12|

eerst uitgemaakt wat toen onder plaatselijke kerk verstaan werd. Zegt men de gemeente met hare voorgangers, dan is het gemakkelijk zich van verder betoog te onthouden en zich op duizenden feiten te beroepen, maar daarover loopt juist de kwestie, en die is niet in eenige woorden op te lossen. Ik stem toe, dat vóór de 16de eeuw, die vraag geen praktische beteekenis had, daar toen èn de hiërarchie èn de overheid beiden het als een axioma beschouwden, dat ieder, hetzij geestelijke of leek of monnik, die het kerkverband verbrak, eo ipso alle aanspraak verloor. Na de 16de eeuw kreeg de vraag meer beteekenis. Sommigen hebben sinds de meening verdedigd dat de gemeenten zelf, of de Staat, of de armen, of God, of de Paus, of de ecclesia universalis eigenaars waren. Naar Romeinsch en Canoniek recht is dit onjuist, eigendom heeft de instelling zelf, het bisdom, de cathedraal, de parochiekerk, het klooster, enz. als rechtspersonen gedacht, maar nimmer de tijdelijke personen als zoodanig. Zoolang die instelling nu aan haar bestemming beantwoordde, bleef alles wat haar toekwam haar eigendom. Doch terecht moet opgemerkt worden, dat die bestemming allesbeheerschend is: de bestemming blijft ook dan, wanneer het instituut te niet gaat, en in de middeleeuwen gaf de kerkelijke overheid alsdan aan de goederen eene nieuwe bestemming. Niet de bisschop is eigenaar, maar wel het bisdom, en daarom heeft ook de bisschop geen vrije beschikking; de kerk is eigenares, niet de pastoor met de leden en daarom kunnen deze even weinig beschikken over het kerkegoed.

Doch daarbij dient opgemerkt dat ieder instituut, kerk, klooster, bisdom, kathedraal, bestaat slechts door, in en wegens zijn gemeenschap met het geheel; het heeft recht van bestaan, zoolang het medewerkt aan het algemeene doel. De verbinding met het geheel was onverbreekbaar en beheerschte de geheele zaak. Van Karel Martel af door de

|13|

gansche middeleeuwen tot in onze eeuw, zegt Prof. Schulte, de canonist 1), hebben deze beginselen gegolden.

Zegt men dus: vóór de Hervorming waren de plaatselijke kerken eigenaars, dan is het allereerst om misverstand te voorkomen, raadzamer te spreken van de kerken der plaats, niet van plaatselijke kerken, en bovendien in gedachte te houden, dat aan personen daarbij in het geheel niet mag gedacht worden, afgescheiden van de kerk, in materieelen zin: het kerkgebouw; in geestelijken zin: de Roomsche Kerk in haar geheel.


1) Dr. Friedrich Schulte, Lehrbuch des Katholischen Kirchenrechts 2e Ed. bladz. 498.

Segers, E.C. (1886) §2

 

§ 2. Toestand na de Hervorming.

Hoe de reformatie in de Nederlandsche Provinciën is doorgedrongen en welke gevolgen dit op het kerkegoed heeft gehad, hebben wij thans na te gaan.

„In elke stad, in elk dorp waar de hervorming doordrong verwierp de oude, bestaande gemeente datgene wat zij voor dwaling hield, beschouwde zich als de oude, voortbestaande, doch nu gereformeerde kerk en bleef in het bezit van de haar toekomende goederen, terwijl zij als haren vertegenwoordiger eenig en alleenlijk haar eigen leeraar of leeraars en opzieners, d.i. haren kerkeraad, beschouwde. Onderworpenheid aan priesters van hoogeren rang van welken aard ook, werd verworpen; de rechtmatigheid van elke priesterlijke hiërarchie, de bevoegdheid van hoogere geestelijken om kerkelijke besturen te ontslaan, uit beginsel en geloofsovertuiging ontkend. Soms ging de pastoor met de gemeente over, soms ook niet; maar in alle streken waar de Gereformeerde Overheid haar macht kon doen gelden werd de opvatting gehuldigd dat de oude gemeente of kerk, nu gereformeerd

|14|

naar den Woorde Gods, was blijven bestaan.” 1) Dat er een plaats geweest moet zijn, waar dit alles zich zoo liefelijk, zoo idyllisch heeft toegedragen, is natuurlijk boven allen twijfel verheven, nu zulke kundige geschiedschrijvers de zaak aldus voorstellen, jammer maar, dat zij ons geen plaatsen genoemd hebben en geen jaartallen hebben aangegeven. Het heeft den schijn alsof het overal zoo kalm en rustig is toegegaan. Wat leert nu de wezenlijke geschiedenis, behalve in de niet genoemde plaatsen en jaartallen, waarop de geleerde Hoogleeraren doelen? Dat, toen de Hervorming doordrong, de oude bestaande gemeente begon met zich buiten kerk en kerkedienst te houden, en wel verre van in het bezit te blijven van de aan de parochiekerk toekomende goederen, was zelfs persoonlijk goed en leven niet veilig. De placcaten van Karel V en Philips II, zagen die dan zoo lijdelijk de zuivering der kerkleer aan? Neen, verloochenen wij niet onze vaderen, die goed en bloed hebben prijsgegeven voor het zuivere Evangelie, om ons recht op een stukje kerkegoed te handhaven! Waar in Nederland van 1520 tot 1560 iemand iets in de Roomsche Kerk verwierp als dwaling, bleef hij niet alleen niet in het genot van de kerkegoederen, maar hij werd vogelvrij verklaard. Toen Claas van Berckel, kanunnik der St. Pancraskerk te Leiden, de nieuwere denkbeelden bleek aan te kleven, bleef hij niet rustig in het bezit van zijn kanunnicaat, maar werd gevankelijk weggevoerd naar den Haag, en daarvan zijn duizenden voorbeelden! En zou het waar zijn, dat waar de Gereformeerde Overheid haar macht kon doen gelden, de opvatting gehuldigd werd dat de oude gemeente of kerk nu gereformeerd naar den Woorde Gods, was blijven bestaan en dientengevolge jure in het genot bleef van het vroegere


1) De Rechtsbevoegdheid onzer Plaatselijke kerken door Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman en Dr. F.L. Rutgers, bl. 11.

|15|

kerkegoed? In de Acta der Synoden onder ’t Cruys, en in die van de Vergadering te Wezel en te Embden, is weinig licht te vinden over de kerkelijke goederen; om daarover eenig licht te krijgen moet men niet bij die echte Gereformeerden gaan, maar bij de Edel Mogenden, bij de Staten der Provinciën of de Staten Generaal. Zoo lezen wij in de Eerste Vergadering der Staten van Holland: dat om 500.000 caroliguldens aan den Prinche van Orangien beloofd bijeen te brengen „men zal moegen leenen de gereede penningen van den incomen van de kercken, cloesters, gilden ende broederscappen die men zal connen gevinden, ende voerts het goudt ende zilver van de Kercken en Cloesters ende andere Lichamen oft Collegien sulxs hebbende meer tot chiragie dan tot nodicheyt ende dat over sulxs by generale edicte bevolen zal worden dat alle de voers. kercken, cloesteren ende diergelicke goederen als boven gebracht zullen worden onder den magistraten ende Overicheid van de steden onder behoorlycke Inventaris ende recepisse. Doende altyts den dorpen d’selve gueden in heuren bedryve brengen in den naastgelegen steden omme des te beter verseeckert te zyn van de roovers ende vagebunden nyet geplundert maar ten gemeenen oerbaer inder noot geemployeerd te mogen worden (19 July 1572) 1)”.

Verder wordt den volgenden dag bepaald dat de intentie van den Prins was vrijheid van religie, zoowel voor Gereformeerden als voor Roomschen, maar dat „een iegelyck in den zynen in ’t openbaar ende in eenige kercken ofte capellen, zoe dat gevouchelicste by de Overicheyt zal geordineert worden ende zal gebruycken vrye exercitie der zelven, zonder dat daer inne yemant empeschement hinder ofte moeyenisse gedaan zal worden ende dat de geestelyke personen in haeren staet ende onbecommert blyven zullen”. Ja, men voegt er toen reeds


1) Nederlandsen Rijksarchief, 1e deel, bl. 37 en vervolgens.

|16|

bij: „Ende dit al ter tyt ende wyle dat by advys van de gemeen Generale Staten der lande herwaertovere anders zal zijn geordineert.” De Staten-Generaal, die het volgende jaar te Leiden samenkwamen, besloten werkelijk, dat de Roomsche religie niet meer vrijelijk uitgeoefend mocht worden, en namen allerlei besluiten ten gunste der Gereformeerde religie 1). Niet alleen op de geestelijke goederen welke niet behoor-. den aan de plaatselijke kerk, op alle goederen deed de Overheid haar rechten gelden. Op alles werd beslag gelegd, en alles werd onder ontvangers gesteld, kerken, pastoryen, vicaryen, getyden, kloosters, Heilige-Geesthuizen en Huiszittenhuizen. Daarna werden de kerken aan de Gereformeerden gegeven, zoo deze die noodig hadden, anders werden zij eenvoudig gesloten. Op last van den Magistraat werden toen kerkmeesters aangesteld, de ontvangers stonden aan deze de kerken af en zooveel van de vroegere goederen en inkomsten tot onderhoud van de kerken en tot betaling der predikanten, als de magistraat oirbaar achtte. Dat de plaatselijke kerk of gemeente daarbij handelende zou zijn opgetreden en als souverein beschikkende, of ongemerkt als de oude gemeente in de oude rechten zou zijn getreden, is historisch moeilijk aan te wijzen. En geen wonder. Ik neem ten voorbeeld de stad mijner inwoning: de plaatselijke kerk te Leiden, in den zin der Hoogleeraren Lohman en Rutgers, is dan toch de gansche gemeente, de gezamenlijke gedoopten, maar zoodanige plaatselijke kerk bestond er immers vóór 1573 in Leiden niet; onder de Roomsche kerk waren er te Leiden wel parochiën, die elk haar kerk en bezittingen hadden, maar er bestond even weinig verband tusschen de bezittingen van de Pieterskerk en die der St. Pancraskerk, hoewel beide tot het gebied der stad Leiden behoorden, als er thans verband bestaat tusschen de


1) Hoe in Friesland hetzelfde geschiedde, zie Bijlage 1.

|17|

goederen door de Gemeente-Commissie te Leiden geadministreerd en die welke onder toezicht staan der kerkelijke Commissie te Amsterdam. Één plaatselijke Kerk in betrekking tot de kerkelijke goederen is eigenlijk eerst ontstaan, toen in 1577 de Magistraat van Leiden vijf kerkmeesters aanstelde over de drie, nu voor het eerst vereenigde hoofdkerken, ingevolge bevel van de Staten van Holland:

„Alsoo de Staten van Holland uyt verscheydene ende menigvuldige klachten verstaan, dat de ontvangers der geestelijke ende geannoteerde goederen, onder anderen hen onderwinden met de Kercken, Pastoryen, Comanderyen, Canonisyen, Memorien, Getyden, vicaryen, Heyligegeestweesen, binne Huiszitten, Oude Wyven ende andere Arme Huyzen ende goederen, soowel binnen de steden als ten plattelande, de Kerkmeesteren 1) en Regenten van dien niet toelatende eenigen handel of administratie van deselve goederen, mits ’t welck den Armen zeer kleyn onderhoudt gedaan werd, en meest alle de voors. Kerken en Huyzen t’ eenemaal vervallen ende daarenboven de uytschulden ende lasten mitsgaders derselver Kercken ende Dienaren ende Predikanten onbetaaldt ende ongeloondt blyven, alles tot groot achterdeel, schande en oneer van den lande ende Overigheden van dien.
Zoo is ’t dat voorzeide Staten geordonneert ende gestatueert hebben, Ordonneeren ende Statueeren by desen dat voortaan by de Magistraten ende Regeerders van alle Steden, Dorpen ende Vlekken in Holland alle jaar gestelt ende geordonneert sullen worden kerkmeesters, . . . . willende dat deselve ontvangers de voors. kerkmeesters, Huysen, ende Goederen van dien laten beworden, sulcks dat de voorschreven Burgemeesteren, ende Regeerders van de voorschreven steden kerken en dorpen oyrbaarlijk duncken sal, behoudelyk, dat een yegelyk elk in


1) De hier bedoelde Kerkmeesters waren de oude van uit het Roomsche tijdvak.

|18|

zyn reguard gehouden sal wesen alle jaars rekening te doen enz.” Resolutie van 2 Maart 1575 (van Mieris Beschrijving van Leiden Deel 1 bladz. 50).

Alzoo is geschied in Leiden, en op tal van andere plaatsen, behalve natuurlijk in die plaatsen waarop de geleerde schrijvers wijzen in hunne verhandeling bl. 11.

Dat elke kerk, met het goed zou hebben kunnen handelen naar welgevallen, zonder dat iemand het haar zou hebben kunnen beletten, is dan ook moeilijk te beweren, en wie had toen geduld dat zij daar eigenmachtig over beschikten?

Over den aard en den grond van het kerkverband der Gereformeerde Kerken en de wijze waarop dit is ontstaan, behoeven wij thans niet breedvoerig uit te wijden: in een ten vorige jare verschenen referaat hebben wij dit naar de officiële bronnen medegedeeld: onnauwkeurigheden zijn daarin niet aangetoond. Tegenover de stellingen van de heeren Lohman en Rutgers (bl. 28) 1° „de Kerken hebben geen gezaghebbend optreden van de Overheid in haar eigen zaken gedoogd”, meen ik te kunnen volhouden, dat dit het streven der kerkelijken steeds is geweest, maar sinds 1576 nooit volkomen verwezenlijkt, daar erkend moet worden, dat de Overheid de kerkelijke verordeningen eener publieke kerk zelve moest goedkeuren en afkondigen, en het feit niet weersproken wordt en ook niet te weerspreken is dat de Dortsche kerkenorde als zoodanig op louter gezag der Synode, zoo als de Gereformeerde beginselen eischen, nergens is ingevoerd 1).

2°. „Dat de Kerken, niet op grond van Overheidsmaatregelen, maar op grond van de gemeenschappelijke belijdenis, zich aan elkander verbonden”, is juist, mits men er aan toevoege, dat zonder de toestemming der Overheid evenwel zulke verbintenis nooit zou zijn tot stand gekomen.


1) De Provinciale Synode verwierp de Dortsche Kerkenorde in Friesland, en dat nog wel onder het voorzitterschap van Bogerman zelf.

|19|

3°. „Dat de Kerken juist op grond harer belijdenis, zoodra het op handhaving van Gods Woord aankwam de souvereine beslissing hadden”, kan ook worden toegestemd, mits erkend worde, dat zonder toestemming van de Overheid de uitvoering dier souvereine beslissing met de grootste moeielijkheden gepaard ging. Weten wij niet hoe te Leiden, in 1581, Pieter Cornelisz. door den Magistraat niet door de consistorie genoodzaakt is geweest zijnen dienst te verlaten, en hoe omgekeerd de Magistraat in de volgende jaren voor den geexcommuniceerden C.J. Coolhaas partij koos en hem poogde te handhaven in weerwil der kerkelijken? In andere plaatsen, dit kunnen de kerkeraadsboeken getuigen, is het evenzeer zoo geweest.

4°. „Dat de Kerken ook in andere zaken groote zelfstandigheid hadden, en geenerlei bestuur boven zich erkenden”; is moeilijk te vereenigen met het feit dat de Staten na 1597 geen nationale Synoden meer toelieten, en alzoo de zelfstandige handeling der Kerken belemmerden en de Staten van Holland, onder anderen in 1591, waar zij de Provinciale Synoden toelieten, uitdrukkelijk vermelden dat geene zaken de Synode-generaal rakende mogen behandeld worden, behalve na vele moeite in 1618.

5°. „Dat de kerkeraden de voornaamste kerkelijke collegies waren en de gemeente vertegenwoordigden”, kan ook worden erkend, mits men niet voorbij zie, dat „de artykelen tot behoorlijke ordeninge der gemeenten dienende, door onderlinge bewilliging gestelt, soo het der gemeenten nuttigheyt anders eischt, sullen mogen en moeten veranderd, vermeerderd, ofte vermindert worden. Nochtans sal dat niet eeniger Gemeenten ofte classen bysonder toestaan dit te doen: maar sullen arbeyden om die te onderhouden, tot dat in Generale ofte Provinciale Synode, anders verordineert sal wesen.” Synode te Dordrecht, 1574 art. XCI.

6°. „Dat de kerkelijke goederen aan de locale kerken

|20|

behoorden, al stonden zij onder toezicht en administratie der Overheid, welke zorgde dat zij aan hunne bestemming niet werden onttrokken”, mag worden toegestemd; mits men daarbij niet vergete, dat waar de Overheid behoefte aan geld had, zij wel eens de kerkegoederen aansprak en liet verkoopen zooals onder anderen in Friesland gebeurde.

Het komt mij voor dat de geprivilegieerde positie der Gereformeerde Kerken onder de Republiek, zij mogen uit de tijdsomstandigheden te recht te verklaren zijn, de Kerken aan hare vrijheid en zelfstandigheid heeft doen inboeten. En al ware door Dr. Kuyper niet overtuigend aangetoond, dat art. 36 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis moet gewijzigd als niet in den volsten zin des woords in alles conform den Woorde Gods, ook uit hoofde der vrijheid en zelfstandigheid der Kerk zou dit artikel grondige verandering behooren te ondergaan. Indien de Doopsgezinden in de 16e eeuw of de Remonstranten in 1619 hadden beweerd, wij zijn de oude gemeenten of althans een aanzienlijk deel daarvan, wij verwerpen slechts dat, wat wij als dwaling beschouwen, en hetzij de pastoor of de predikant met den kerkeraad met die meening instemde, en zij nu een deel van de goederen voor den eeredienst en de armen bestemd hadden willen behouden, zoo zou gewis noch door de kerkelijken noch door de Overheid de wettigheid dezer hunne aanspraak zijn erkend geworden. Zou dit negatieve bewijs niet een krachtige bevestiging zijn, van de stelling dat alleen krachtens het besluit en de toestemming der Burgerlijke Overheid de Gereformeerden in het genot zijn gekomen van een deel der goederen die vroeger aan de Roomschen kerken toebehoord hadden? Te meer daar de Roomschen zelf, die toch gewis met eenig goed recht konden beweeren de natuurlijke voortzetting en ontwikkeling te zijn der oude kerk, daar waar de Gereformeerde Overheid haar macht kon doen gelden, zoo al iets, dan toch zeer weinig hebben overgehouden

|21|

van hetgeen hun rechtens toekwam, en zij feitelijk bezeten hadden. Ja zelfs hunne kerken zagen zij gesloten blijven, als de Gereformeerden ze niet gebruiken wilden, zoo als de St. Walburgskerk te Arnhem, en de Kruis- of L.V.-kerk te Zwolle.

De toestand der plaatselijke Kerken onder de Republiek moet mijns inziens, aldus worden saamgevat:

Met medeweten en consent der Overheden waren in steden, dorpen en vlekken Gereformeerde gemeenten geconstitueerd, welke de Ned. Geloof belijdenis aanvaardende, zoowel uit eigen aandrang als door de bemoeiing der Overheden zich aan elkaar verbonden; aan deze nieuwgevormde of door de Regeering in het leven geroepen gemeenten is gelaten of geschonken een deel van de goederen door kerken, kloosters, en allerlei stichtingen uit de middeleeuwen afkomstig, om de inkomsten daarvan tot onderhoud van de kerk en tot belooning van den Predikant aan te wenden. Deze toegestane goederen stonden gewoonlijk onder beheer van kerkmeesters door den Magistraat benoemd en aan den Magistraat rekenplichtig.

Zoowel wat haar eigen zaken betreft, als hare verbinding met de naburige Kerken derzelfde Provincie stonden zij onder de suprematie der Overheid, en daar bij de Unie van Utrecht elk der Staten zich zijne vrijheid en zelfstandigheid had bedongen in zake der religie, hebben de Staten van iedere Provincie, in eigen territoir meestal een eigen kerkenordening ingevoerd. Daar evenwel de Belijdenis, de geestelijke en eenige ware grondslag van het kerkverband, daarin erkend werd, voelden alle Kerken en Provinciale Synoden van elke Provincie, evenzeer met consent der Overheden, zich als zusterkerken aan elkander verbonden. Dat de Gereformeerde theologen geen warme voorstanders waren van de dezer dagen hoog geprezen autonomie der bijzondere gemeenten blijkt ten overvloede uit dit ééne: Conventuum autem Ecclesiasticorum, adeoque et Synodi institutio, non est humani, sed divini

|22|

juris, habens fundamentum in verbis Christi. (Synopsis purioris Theologiae, per J. Polyandrum, A. Rivetum, A. Wallaeum, A. Thysium. Disp. XLIX. X). De instelling van Synode en kerkelijke samenkomsten eene goddelijke instelling, en dat leeren mannen die leefden onder kerkenordeningen door de Overheid „tot dienst en vorderinge der Kerken Christi geresolveert, verklaart, en geordonneerd” (Resolutie van de Ed. Gr. Mog. Heeren Staten van Holland en West-Friesland. 5 Sept. 1591). Behalve de goederen aan de plaatselijke gemeenten ter administratie en genot toegestaan waren er nog zoogenaamde geestelijke kantooren, die goederen van kloosters of andere vroegere Roomsche instellingen beheerden en aanwendden naar voorschriften van en onder toezicht der Overheid.

Segers, E.C. (1886) §3

 

§ 3. Toestand van 1795 tot 1816.

Is de toestand der Gereformeerde Kerken van 1795-1816 in rechtskundigen zin dezelfde gebleven?

Het komt mij voor, dat deze vraag niet met een enkel woord te beantwoorden is.

Wat de Kerken zelve betreft moet erkend' worden, dat in hare organisatie, hare onderlinge verhouding er geen ingrijpende veranderingen zijn geschied, althans tot aan 1809; Kerkeraden, Classen, Provinciale Synoden alles was blijven bestaan. Van de poging der Kerkelijke Commissie, die sinds 1797 te Utrecht samenkwam, om eene unificatie tot stand te brengen, langs zuiveren Gereformeerden weg, dat is uit den boezem zelf der bijzondere gemeenten, is niets gekomen, dan wellicht het idéé en het schema dat door de politici als grondslag is genomen, voor de door hen ontworpen organisatiën.

Doch hoe is de toestand tegenover den Staat geweest? Zou daarin in rechtskundigen zin geen verandering zijn gekomen? Is die altijd in dit tijdvak dezelfde gebleven?

|23|

Zou de verklaring der Constitueerende Vergadering, van 1 Augustus 1796, waarbij het stelsel eener heerschende of geprivilegieerde Kerk werd opgeheven, alle placcaten en resolutieën der gewezen Staten Generaal voor vernietigd verklaard werden, zou dit in den rechtstoestand der hervormde gemeenten geen verandering hebben gegeven? Al moge de organisatie der plaatselijke gemeente niet daardoor gewijzigd zijn geworden, al bleven de naburige Kerken in hetzelfde verband, de rechtstoestand was veranderd.

En waar de geestelijke goederen nationaal werden verklaard om er een fonds uit te nemen voor onderwijs en armverzorging, waar alle kerkgebouwen en pastoryen aan het plaatselijk Bestuur moesten overgegeven worden, om naar zielental, tusschen alle kerkgenootschappen verdeeld te worden, zou daardoor, in rechtskundigen zin, de toestand der Gereformeerde Kerken dezelfde gebleven zijn wat de haar geschonken goederen betreft?

Zou het niet weliicht meer overeenkomstig de waarheid zijn, als men zeide dat in rechtskundigen zin de toestand der Gereformeerde Kerken inzonderheid wat hare goederen betreft, in die jaren zeer gewijzigd is, meestal hoogst onzeker was, en in ieder geval een plaatselijke Kerk nooit eenig ander recht kon doen gelden, dan in zoover de zich snel opvolgende Constitutiën en Regeeringen dit toelieten?

Is daarom alles onzeker in dit tijdvak? Gewisselijk, neen. Er is toch een uitdrukkelijke bepaling, waarop inzonderheid moet gelet worden. In de Staatsregeling van 1798 werdt bepaald dat „elk kerkgenootschap voor het onderhoud van zijn eerediensten, deszelfs dienaren en gestichten zorgt”; en, na de bepaling der wijze hoe de nationaal verklaarde goederen zullen worden verdeeld, volgt deze beschikking:

„De alzoo genaaste kerken en pastoryen blijven, te allen tijde onder de bezitting, beheering en het speciaal onderhoud

|24|

dier kerkgemeenten, aan welke dezelfde, volgens het hier voorgaand onderling contract, zijn toegewezen.”

Evenzeer is van gewicht wat in de Staatsregeling van 1801, art. 13 te lezen is: Ieder kerkgenootschap blijft onherroepelijk in het bezit van hetgeen met den aanvang dezer eeuw door hetzelve werd bezeten. Hoewel wellicht door de opvolgende regelingen en Regeeringen deze beginselen niet altijd strikt zijn geëerbiedigd, zoo meen ik toch dat deze bepalingen de juridieke grondslag moeten geacht worden van het tegenwoordigen recht van elke bijzondere gemeente op hare kerkgebouwen, goederen en fondsen. Slechts twee vragen moeten daarbij beantwoord worden. De eene: wat verstaat men daar door kerkgemeente of kerkgenootschap?

Ook mij komt het voor, dat, al moge in die dagen, het woord kerkgenootschap gebruikt zijn geweest in den zin van Kerk, als eenheid der kerken of leden der kerken gedacht, hier deze beteekenis geheel is uitgesloten, hier kan en mag aan niets anders gedacht worden dan aan de plaatselijke Gemeente, deze en niemand anders werd bedoeld. Volkomen in harmonie hiermede acht ik het dan ook, dat ingevolge Kon. Decreet van 2 Aug. 1808 n°. 26 de Burgemeester van Amsterdam d.d. 11 December 1809 schreef aan den Kerkeraad dat „zoodanige kerkgebouwen als thans onder de beheering van het plaatselijk Bestuur mochten zijn, zullen worden overgegeven en in administratie gelaten aan de kerkelijke gemeenten, welke daarvan op den 1 January aanstaande het gebruik en bezit zullen hebben, mitsgaders dat zoowel het onderhoud als de inkomsten dier gebouwen overgelaten worden aan de genoemde kerkgenootschappen, behoudens nadere schikkingen, voor zooverre onder die gebouwen mochten gevonden worden, waarover thans reclames aanhangig zijn en deze reclames onverhoopt op den 1 Jan. aanstaande niet mochten zijn beslist.” Alleen vestig ik de aandacht op de daarin voorkomende

|25|

uitdrukking inkomsten der kerkgebouwen, waarom niet gesproken van inkomsten der gemeenten? Had dit ook een juridischen grond? Als wij letten op hetgeen wij aangaande de beginselen van het Romeinsch en van het Canoniek recht mededeelden, is die uitdrukking verklaarbaar; wanneer reeds eeuwen de gemeente als eigenares der kerkgoederen in rechten was beschouwd geworden, dan is die uitdrukking vreemd. En zou ook bij eene nieuwe verdeeling, gesteld zij ware wettig mogelijk, zou deze uitdrukking dan ook niet nog rechtsgevolgen moeten hebben?

Erken ik dus zonder eenige aarzeling dat de plaatselijke gemeente wettig en grondwettig eigenares is geworden, de tweede vraag mag daarbij niet worden uit het oog verloren: welke was die gemeente? Die plaatselijke gemeente bestond die op zichzelf, geheel afgezonderd van de overige kerken? Of gelden hier de woorden van Schulte: „Die Verbindung mit der Gesammtkirche ist eine ebenso feste und dieselbe wie die des einzelnen Instituts mit Ihr. Das einzelne Institut existirt nur durch, in und wegen der Gesammtkirche, hat nur ein Recht auf Existenz, so lange es diesen Zwecke dient und die Gesammtkirche es in dieser Form belassen will” (Lehrbuch des Katholischen Kirchenrechtes p. 498). Stelt nu in de plaats van Gesammtkirche, waarvan op Protestantsch standpunt en in de jaren 1798, 1801 en wellicht zelf nog in 1810 rechtens nog geen spraak kan zijn, Gesammtkirchen, de gereformeerde Kerken in deze landen, zou dan het door Schulte voor de Roomsche kerk zoo zuiver en juist geformuleerde rechtsbeginsel, voor de plaatselijke Gereformeerde gemeenten niet evenzeer gelden? De plaatselijke gemeente zeer zeker, maar de plaatselijke gemeente in het verband der Gereformeerde Kerken in den lande.

Of waar is na 1575, eene plaatselijke gemeente erkend en in het genot gesteld of gebleven van kerken en goederen, die zich had afgescheiden van het kerkverband, of uit het

|26|

kerkverband was uitgestooten? Zal men zich beroepen op de Zwolsche geschiedenis van Fredericus Leenhof? Maar zouden de kerkeraad en de predikant in het bezit van hunne macht en bedieningen gebleven zijn, ware niet de Overheid van stad en Provincie op hunne hand geweest? Wil men uit dit feit afleiden dat de politieke Overheid haar gezag willekeurig handhaafde, dat zij tegen de door haar zelf uitgevaardigde kerkenordeningen handelde, het gezag der door haar zelf als wettig erkende Synoden miskende, tegen de Gereformeerde beginselen zondigde, ik zal het geenszins ontkennen, maar uit dit geïsoleerde feit, dat overigens zeer korte jaren duurde iets meer af te leiden, acht ik hoogst gewaagd. Al wat de Overheid van 1575 af heeft bepaald ten gunste van de Gereformeerde Kerken, werd bedoeld en toegepast op de lokale gemeenten, gewis, maar in verband met de gemeenten dezer landen. Geen bewijs van het tegenovergestelde is nog ooit aangevoerd.

Dat in het begin dezer eeuw zoowel bij de politici als bij de kerkelijken het woord kerkgenootschap, zij het ook, dat het aanvankelijk de plaatselijke gemeente bedoelde, verbonden evenwel met soortgelijken, langzamerhand in zwang is gekomen om een complex van gelijkgezinde kerken als een geheel gedacht uit te drukken, is boven allen twijfel verheven. Lees slechts art. 7 van het Concept tot Reorganisatie van 1809, met zooveel woorden staat daar geschreven: „Alle die afzonderlijke gemeenten van Hervormde belijderen en gedoopten binnen al de departementen van het Rijk maken te zamen het Hervormd kerkgenootschap van dit Rijk”.

Het is dan ook niet te verwonderen dat in de Grondwet van 1814 het woord kerk „in den zin van algemeene Kerk” niet van locale gemeente gebruikt wordt. Maar evenzeer is het ontwijfelbaar dat in die Grondwet gezindheden gelijkluidend is met Kerk en Kerkgenootschap als eenheid. Men kan

|27|

wel zeggen aan een complex van kerken zijn nooit toelagen toegestaan 1), maar de toelagen tot in 1809 toegestaan tot het houden der Provinciale Synode, wat waren zij anders?

En als art. 138 spreekt van de behoeften der gezindheden, die of geene of niet toereikende toelage hebben genoten, is het niet moeilijk om den zin dier woorden na te vorschen, die gezindheden dat zijn de Remonstranten, de Lutherschen, de Israëlieten, de Roomsch-katholieken, enz.

En als in art. 139 sprake is van inzage en beschikking omtrent de inrichtingen van die gezindheden, gaat het niet aan daaronder de locale gemeenten te verstaan, alsof bij die alleen toelagen te pas komen, daar onder die inrichtingen bedoeld zijn de seminariën en kweekscholen van die gezindheden, die van de aloude Academiën geen gebruik konden maken voor de opleiding harer leeraren.

Was in de Grondwet van 1814 gezindheid synoniem met Kerk, hetzelfde geldt van die van 1815. Voorzeker als men ten koste van alles overal slechts locale kerken wil zien, dan geeft de Fransche vertaling van art. 194: „les différents cultes et leurs ministres” geenerlei licht, dan kan men zelf de vertaling onnauwkeurig noemen, wijl zij niet zeer letterlijk is; maar toch ook alleen in dit geval. Neemt men daarentegen gezindheden, zooals het werkelijk bedoeld was in die dagen, als kerkgenootschap, dan geeft de Fransche vertaling van culte niet alleen veel licht, maar zij maakt dat het pleit beslist is, en waar ik vroeger schreef: als men let op de geschiedenis der Grondwet van 1848, art. 168 vergelijkt met den tekst van 1814 en 1815, dan komt het mij boven allen redelijken twijfel verheven voor dat gezindheden volkomen gelijk staat met kerkgenootschappen 2); thans door de


1) De Rechtsbevoegdheid onzer Plaatselijke Kerken p. 85.
2) De verhouding van de Locale Gemeente tot de Ned. Herv. Kerk in haar geheel, door E. César Segers, bladzijde 42.

|28|

Heeren Lohman en Rutgers op den Franschen tekst opmerkzaam gemaakt, zou ik haast zeggen dat het niet alleen boven allen redelijken twijfel verheven is, maar er zelfs weinige punten zijn, waarin wij zoo absolute zekerheid kunnen erlangen. Vooral als men let op de woorden: thans genoten, (jouir actuellement) en men bedenkt wie genoten, dan zal ook hier gezindheid alleen kunnen verstaan worden in den zin van locale kerk? Neen, nimmer in den zin van locale kerk, want deze genoot niet, deze geniet niets en heeft ook nooit iets genoten, wel zijn algemeene kosten van Bestuur door toelagen gedekt, wel hebben leeraars genoten, maar nimmer, ook nu niet, de lokale gemeente, zij kon dus allerminst bedoeld zijn.

Segers, E.C. (1886) §4

 

§ 4. Toestand sedert 1816.

Van het hoogste gewicht is de beteekenis en de geldigheid van hetgeen in 1816 is geschied. Bij Besluit van 7 Januari 1816 n° 1, vaardigde Koning Willem I het Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden uit. Was de Koning daartoe bevoegd?

Onkerkelijk geboren, ongereformeerd in wezen en strekking, volledige toepassing van het recht door de Staatkundige Overheid sinds 1576 gevindiceerd, is dit reglement door de aanneming der Kerken, rebus ipsis et factis, kerkelijk verbindend geworden. (De verhouding van de Locale Gemeenten enz. p. 39).

Na aandachtige overweging van hetgeen de Heeren Lohman en Rutgers hebben in het midden gebracht, voelen wij geen rede om onze overtuiging in deze te wijzigen.

Zijn wij het met hen eens wat de twee eerste punten betreft, niet alzoo wat de twee laatste aangaat. Op het gevaar af van voor oppervlakkig historiekenner gehouden te worden, meen ik dat de geschiedenis wel degelijk leert, dat de bevoegdheid

|29|

van den souverein om diepingrijpende maatregelen te nemen in kerkelijke zaken, ten krachtigste is betwist door de Gereformeerden, maar of dit met goed gevolg is gedaan, meen ik dat aan gegronden twijfel onderhevig is. Prof. Gooszen schreef in de Kerkelijke Courant van 20 Maart 1886: „Zeer spoedig toch is in ons Vaderland de overheid, de Prins, de Staten, de magistraat in de Reformatie der kerken gemoeid. Sedert 1573 treedt de overheid zelve handelend op, de uitoefening der Roomsche godsdienst verbiedend, op de kerkelijke goederen hare hand leggende, door haar steun in Holland, Zeeland, Utrecht en Gelderland aan de verandering van de kerk meer of min indirect medewerkend, — door haar gezag in Friesland, Groningen, Overijssel en Drenthe de hervorming van de kerk gebiedend en doorzettend . . . . .
Hierdoor wordt niets te kort gedaan aan de waarheid, dat er duizenden in steden en dorpen, in het geheele land, voor de zaak der Hervorming in beginsel waren gewonnen. Er moet alleen worden vastgesteld dat de Hervorming zelve, en daarmede de inrichting van gemeenschap, de vorming van bestuur over deze, enz. in verreweg de meeste gevallen is insgelijks ingevoerd en op zijn minst haar beslag heeft gekregen, niet door inwendigen drang alleen, maar door de werkzaamheid van hoogere machten; van den stadhouder, de staten, den magistraat.” Dat leert onpartijdig onbevooroordeeld onderzoek der geschiedenis onzer Gereformeerde Kerken.

Ik betreur ze ten hoogste, en wij dragen er nu nog de jammerlijke gevolgen van, maar met het oog op de geschiedenis is de daad van Willem I in Nederland niet onbegrijpelijk.

Zoolang niet wordt aangetoond dat in één der Provinciën vóór 1816 eene kerkenordening is van kracht geweest, die door de Kerken zelf was geconcipieerd, gearresteerd en ingevoerd, zal ieder historiekenner blijven volhouden, dat een zuiver kerkelijke kerkenordening in Nederland nimmer had bestaan.

|30|

Wij behoeven dientengevolge niet langer stil te staan bij de bewering „dat immers in deze dagen er geen rechtsgeleerde van naam meer is, die, ook na de critiek van mannen als Mr. Thorbecke, Mr. Hingst, Mr. Heineken om van tal van anderen niet te spreken, die bevoegdheid nog van Koning Willem I verdedigt” 1). Toch mogen wij de opmerking niet achterwege houden, dat de Heer Mr. O.W. Star Numan juist naar aanleiding van het geschrift van Mr. Heineken, nog in 1870, een poging heeft aangewend om, niet van het standpunt der Gereformeerde beginselen, maar wel van het standpunt van het historisch recht, de bevoegdheid des toenmaligen Konings te rechtvaardigen. Nu komt het mij voor, dat men zich van zulk ernstig en grondig betoog niet mag afmaken, door een beroep op rechtsgeleerden van naam, te meer daar het mogelijk is. dat de mannen van naam zich meer laten leiden de rechtsbegrippen die nu gelden, dan wel door het historisch recht van die dagen.

Doch de vierde opmerking die wij maakten is van meerder gewicht en beheerscht het geheele vraagstuk: de organisatie van 1816 is door de aanneming der kerken, rebus ipsis et factis, kerkelijk verbindend geworden. Dit wordt ten krachtigste ontkend, en uitvoerig bestreden. Geen wonder, de uitspraak is afkomstig van het hoogste rechterlijk college in Nederland, den Hoogen Raad, in een Arrest van 2 Jan. 1840. Aan te nemen dat dit rechtscollege de juiste toedracht der zaak niet kende, en in de meening verkeerde dat het feit zelf buiten redelijk contest was, zonder dat daartoe eenige grond bestond, is gewis een zeer gewaagde stelling: toch aarzelen de geleerde schrijvers niet deze meening vol te houden. Op welke gronden? In hunne verhandeling wijden zij hierover ampel uit en beroepen zich op tal van bijzonderheden, zooals daar zijn dat


1) De Rechtsbevoegdheid onzer Plaatselijke Kerken bl. 43.

|31|

de commissie, die het Reglement van 1816 ontworp, geen kerkelijke was, dat geen kerkelijk college officieel werd geraadpleegd, dat de uitvoering aan den Commissaris Generaal, niet aan de Kerk werd opgedragen; dit alles moge gereedelijk worden toegestemd, maar doet dit iets ter zake? Wie beweert dat de geldigheid van de organisatie afhangt van de wijze van voorbereiding? Dat de bezwaren door de Classis Amsterdam en enkele andere ingediend, hooghartig van de hand werden gewezen, wordt thans wel door iedereen erkend, maar ontneemt dit iets aan het feit door Groen van Prinsterer zelf, zeker een historiekenner en rechtsgeleerde van naam, en wiens onpartijdigheid niet in twijfel is te trekken, geconstateerd, dat de organisatie met bijna algemeene goedkeuring en lijdelijkheid is ontvangen?

Voorzeker de nieuwe Besturen werden door den Koning benoemd, maar neemt dit weg het feit dat zij met vreugde en dankbaarheid werden ontvangen?

Dat de oude classikale en provinciale samenkomsten niet meer konden plaats hebben, is zeer zeker waar (het Koninklijk Besluit dat spreekt van kerkelijke collegies en Bestuurders is misschien nauwkeuriger, want Provinciale samenkomsten, waren er sinds 1809 niet meer, wel een soort Bestuur onder den naam van Coetus of Deputati Extraordinarii) maar is er ééne clasis behalve die van Amsterdam, welke eenig bezwaar heeft ingediend? en is de kalme en lijdelijke wijze, waarop allen, ook die van Amsterdam, hunne werkzaamheden, zij het dan in voldoening aan den hun gegeven last, hebben getermineerd, niet een accepteeren metterdaad van de nieuwe organisatie? Maar, zegt men, het volk bemerkte daar weinig van, omdat de kerkeraden in functie bleven. De kerkeraden bleven in functie, behalve die van Arnhem en Nijmegen, die op 15 November 1817 door den Koning werden benoemd, en die van ’s-Hertogenbosch, Breda, Bergen-op-Zoom, Schiedam,

|32|

Gorkum, den Briel, Naarden, Vlissingen, Zierikzee, Deventer, benoemd bij Koninklijk besluit, van 21 Jan. 1818; en die van Gouda, Vianen, Goes, Tholen, Veere, Oostburg, Groede, Kampen, benoemd bij koninklijk Besluit van 25 Maart 1818.

De kerkeraden bleven in functie, maar tot hoe lang? De Synode besloot reeds, 30 Juli 1816, dat de Klassikale Besturen bepalen zullen het getal kerkeraadsleden in iedere gemeente, en op 14 Juli 1817, dat, ten einde de verkiezingen van Ouderlingen, in overeenkomst met art. 85 van het Alg. Reglement gemakkelijk te maken allerwege, ook zoodanigen mochten benoemd worden, die geen diakenen geweest waren, en waar dit dusver in sommige gemeente gebruik is, zal dit worden afgeschaft en vernietigd, eindelijk dat nergens en in geen geval deze verkiezing naar een vastgestelden rooster zal mogen geschieden.

Voeg daar nu bij, dat art. 85 Alg. Regl. uitdrukkelijk vermeldt dat de plichten van leeraren, ouderlingen en diakenen worden bepaald door het Synodaal Reglement op de Kerkeraden; waar blijft dan de beteekenis van dit in functie blijven der kerkeraden? Die leden nu, die in op nieuw georganiseerde kerkeraden optraden, hebben zij de organisatie geaccepteerd rebus ipsis et factis? Ja of neen? Dit beslist hier, en terecht oordeelde de Hooge Raad, „rebus ipsis et factis is de organisatie aangenomen”, althans door allen die eene kerkelijke functie aangenomen hebben! En zou het hier toch ook in het voorbijgaan niet moeten worden aangestipt, dat van nu aan alle leeraren, ouderlingen en diakenen onder de Synodale organisatie optredende, in hunne rechten en verplichtingen geheel bepaald zijn door de Synodale Reglementen? Wat Formulier ook worde voorgelezen, welke vragen ook gedaan worden: ouderlingen en leeraren zijn gebonden aan, en hunne bevoegdheid is begrensd door de bestaande kerkelijke verordeningen. Zij die dit weten, moesten niet zooals heden ten

|33|

dage geschied, den schijn aannemen alsof de zaak anders gesteld ware, en daardoor minder kundigen in ijdelen waan brengen! En gelukkig! want wat zouden wij anders moeten oordeelen over zoovele vrome en vroede mannen, die in de laatste 50 jaren de gemeente met eere gediend hebben in alle bescheidenheid en liefde, indien wij hunne ambtelijke werkzaamheden naar een anderen maatstaf gingen beoordeelen? Neen, waar het een feit is, dat overal, met uitzondering van Axel en wellicht eenige andere ongenoemde plaatsen in een hoek van Zeeland, de nieuwe organisatie werd geaccepteerd en nageleefd, daar mag en moet gezegd worden, dat zij rebus ipsis et factis is aangenomen en onderhouden, en meent men dat de uitdrukking „door het zedelijk lichaam zelf,” welke de Hooge Raad gebruikte, aan bedenking onderhevig is, stel dan daarvoor de zedelijke lichamen of plaatselijke kerken, juridisch neemt dit de kracht dier aanneming niet weg.

Ongemotiveerd en onbillijk is de aanmerking dat van den aanvang af de bedoeling van het toenmalige art. 9 thans art. 11 van het Alg. Reglement, een andere was of zou worden dan de handhaving der leer. De zonde en schuld van het tegenwoordige geslacht moge ten gevolge der omstandigheden bijna onvermijdelijk zijn geworden, ik acht het eerlijker en Christelijker eigen zonde en schuld ootmoedig te belijden, dan aan anderen een bedoeling toe te schrijven, die geheel in tegenspraak is met hunne uitdrukkelijke verklaringen. (Zie de verklaring der Synode van 1816. Rapport Rooyaards 16 Juli).

De vraag zou kunnen gedaan worden of die aanneming volkomen vrijwillig was? Daar te recht wordt aangemerkt: „dat verzet of tegenstand onmiddellijk het recht op tractement en andere uitkeeringen als gebruik van de kerkgebouwen zou hebben doen verliezen”. Voorzeker met schaamte en leedwezen moet erkend worden, dat de koninklijke organisatie aanvaard

|34|

is geworden, grootendeels misschien om de flnantiëele voordeelen, maar zij is dan toch aanvaard geworden.

Aangenomen dat het natuurlijk is, zooals de heeren Lohman en Rutgers verklaren, dat in 1816 verzet of tegenstand zoo duur was komen te staan, blijft dit dan niet evenzeer het geval in 1886?

Wat in 1816 natuurlijk was, waarom is het dit niet evenzeer in 1886?

Nog andere gronden worden aangehaald uit de jaren 1827 tot 1852 om het feit der aanneming in 1816 krachteloos te maken; deze latere feiten kunnen het vroegere niet te niet doen. Ik erken gaarne dat, ware ik toen in de heilige Bediening geweest, mijne sympathieën en overtuigingen mij hadden geplaatst aan de zijde van Molenaar, Moorrees en Banier ten deele zelfs aan de zijde der Afgescheidenen, maar geen latere gebeurtenis kan het feit der aanneming in 1861 te niet doen.

Zie hier, hoe de hoogleeraar B.J. Gratama (de heer de Savornin Lohman erkent, ik ben er zeker van, in dezen zijnen leermeester eenen „rechtsgeleerde van naam”) zich in 1871 heeft uitgesproken: „Op de macht van het feit, en van den dat feit bevestigenden tijd, wil ik ook hen wijzen, die de bestaande inrichting der hervormde kerk als onwettig en ongeldig beschouwen, omdat de overheid, van wie het besluit van 1816 uitging, daartoe onbevoegd was. Die onbevoegdheid erken ik, als is zij niet onbetwistbaar. Ik neem aan, dat de begrippen die destijds hier te lande en elders heerschten, dat de bij de mannen van gezag aangenomen uitlegging van de artikelen der grondwet, die over den godsdienst handelen, dat besluit niet kunnen wettigen en rechtvaardigen, maar alleen verschoonen. Maar dat die inrichting tot stand kwam is een feit en weinig of geen was de tegenspraak, in alle geval verstomde zij spoedig, algemeen en jaren voortdurend was de toejuiching. En die inrichting bestond

|35|

na meer dan een halve eeuw, vindt in dat langdurig bestaan eene bevestiging door den tijd, die alle gebreken dekt, die haar eerste ontstaan en geboorte mochten aankleven. Indien bevestiging zoo door den tijd, als de macht ook van het feit zelf worden ontkend, dan zou ik wel eens willen weten welke staat of staatsinrichting de geheele wereld door, op hechten grondslag rust. Met onze grondwet althans zou het dan zeer treurig gesteld zijn. Ik moet erkennen, dat die bewering omtrent de onrechtmatigheid der bestaande inrichting der hervormde Kerk mij vooral vreemd toeklinkt uit den mond van hen, die zich heeten te behooren tot de christelijk-historische richting. Dat „historische” ten minste mogen zij voortaan wel uit hun vaandel wisschen. Het bestaande, het gewordene, wiens wording en ontstaan dus is afgeloopen, door den tijd gedekt, te aanvaarden zonder naar de wijze van ontstaan te vragen, dit acht ik juist het kenmerk der historische beschouwing. Zeker geen berusting vordert die beschouwing, hervorming, krachtige hervorming, bevordering, krachtige bevordering van verdere ontwikkeling is met haar bestaanbaar, of liever eischt zij. Maar nu wordt aan het bestaande recht van bestaan ontzegd, nu wil men handelen, alsof vijftig jaren hun werk niet hadden verricht, nu wil men als van meet af op nieuw beginnen. Dat is niet hervormen maar omwentelen. Dat is niet de school van v. Savigny en Stahl, maar van Marat en Danton. „Il n’y a pas de droit contre le droit” door Bossuet van het goddelijk recht gezegd, op de leer van vrijheid, gelijkheid en broederschap in de Fransche omwenteling toegepast, zal nu gelden van de kerkinrichting die men wenscht.” Ik wensch geenszins mijn hooggeachten vriend B.J. Gratama bovenmate te verheerlijken, wat met zijn bescheiden karakter en degelijke geleerdheid zou in strijd zijn, maar het woord van dien rechtsgeleerde en tevens vromen hoogleeraar geldt mij meer

|36|

dan het academisch proefschrift van Mr. Heineken, hoe ook deze door Dr. A. Kuyper en anderen moge geprezen worden.

Segers, E.C. (1886) §5

 

§ 5. Toestand na 1852.

Van het herziene reglement van 1816 door de Synode in 1852, geldt mijns inziens, wat de Hooge Raad van het Reglement van 1816 aannam rebus ipsis et factis wettig, en dit te meer daar van dit reglement niet kan gezegd worden onkerkelijk geboren; of zou dit reglement onwettig zijn omdat aan de Kerken niet de keuze gelaten werd tusschen de voorgestelde en een door haar zelve vastgestelde ordening, doch alleen tusschen de voorgestelde en de aan haar opgedrongen bestaande kerkorde? Indien eene kerkorde alleen langs dien weg wettigheid verkrijgen kan, dan zou ik vragen, waar is er ooit in een gevestigde Kerk eene wettige organisatie geweest? Wij zijn geen revolutionnairen, die beginnen willen met tabula rasa te maken. Te recht wordt door Dr. Vos gezegd: „de herziene organisatie is zonder protest der kerkeraden aanvaard, door de dienstdoende predikanten gehuldigd en door onderscheidene stemmingen der gemeente gesanctionneerd. Wat daarin gewijzigd moet worden mag alleen langs den weg van getrouwheid aan eenmaal plechtig afgelegde beloften, gesloten overeenkomsten en daadwerkelijk goedgekeurde beginselen begeerd worden, tenzij men, naar den aelouden regel met een goed geweten voor God, ingebondenheid aan zijn woord dat in alles kenbron en richtsnoer zij, een of ander punt daarmede in onverzoenlijken strijd achtende, zich om des Heeren wil tot verbreking en overtreding gedrongen voelt 1).” Doch ziehier, waarin ik van de zich noemende gereformeerden verschil; als ik in dit geval overtreed, en ik word kerkrechtelijk


1) De tegenwoordige Inrichting der Vaderlandsche kerk. Dr. G.J. Vos, bladz. 15.

|37|

gestraft, zoo zal ik de vervolging lijdzaam en onderworpen dragen, geen goedkeuring afbedelen, en de vrijwillig betoonde sympathie dankbaar maar zwijgend aanvaarden; en al mocht ik meenen zelfs te moeten uittreden, dan zal ik alles verlaten om de stem des gewetens, om de gehoorzaamheid aan Gods Woord, steunende op de beloften des Heeren, wiens waarachtigheid in deze ik reeds eenmaal mocht ondervinden!

In menig opzicht is door de heeren Lohman en Rutgers juist aangetoond, dat het Reglement van 1852 de voortzetting en ontwikkeling is van het Reglement van 1816. Evenwel komt het mij voor, dat zij uit een wezenlijke verbetering van het Reglement van 1852 te veel afleiden. Wij merkten ten vorige jare op dat het thans vigeerend Reglement begint met de gemeente, om van onder af op te klimmen tot aan de Synode, in plaats, van zoo als in 1816, met de Synode aan te vangen en af te dalen tot de gemeente of plaatselijke Kerk. Hieruit leiden zij af dat de Kerken de eenheden zijn, waaruit het genootschap de Nederlandsche Hervormde kerk bestaat; ik merk daartegen op dat hier behendig het woord genootschap wordt bijgebracht, dat in den tekst van het Reglement niet voorkomt. Maar nog grooter bezwaar heb ik tegen hetgeen de geachte schrijvers daarop laten volgen: „sterker nog spreekt het feit, dat niemand lid der Kerk kan worden maar alleen eener bepaalde Kerk:” dit nu dient bepaald ontkend, men wordt lid en dit is een grief, die ik heb tegen dit Reglement, als zich niet aansluitende aan de gereformeerde traditie, men wordt lid der Kerk, niet eener plaatselijke gemeente: Zie art. 38 Regl. Godsdienst-onderwijs: „Zij, die als lidmaten der Kerk wenschen te worden aangenomen, melden zich daartoe aan bij den predikant hunner gemeente, enz.” dat de toestemming, medewerking van den kerkeraad eener bijzondere gemeente daartoe vereischt wordt, is gewis, maar een feit is het, dat met het oog op het Reglement vaststaat, men wordt

|38|

lid der Kerk en als zoodanig wordt men bij een bijzondere gemeente aangenomen (art. 2). Dit wordt bevestigd door de duidelijke woorden van art. 3 Alg. Regl. „Deze allen blijven tot de Nederlandsche Herv. Kerk behooren, zoolang zij niet door woord of daad ten duidelijkste toonen, zich van haar af te scheiden of door haar van hunne betrekking tot de Kerk vervallen zijn verklaard”.

Wat door de geleerde schrijvers aangaande de kerkelijke goederen wordt in het midden gebracht is over het algemeen met heel veel juistheid en kennis van zaken uiteengezet.

Dat de Synode geen beschikkingen kan maken aangaande het beheer, is thans genoegzaam algemeen erkend, de gevoelens van de Heeren Mr. Buma, Mr. Boeles, Mr. van der Laan, en anderen zijn thans door niemand meer betwist, doch waarom? Omdat de colleges van Bestuur nooit dienaangaande eenig recht hebben gehad vóór 1795; omdat de Koning in 1816 zich het recht van toezicht op het Beheer heeft voorbehouden, en omdat de Regeering in 1869 dit toezicht niet aan de Synode heeft opgedragen, maar aan de gemeenten zelf heeft overgelaten. Hierover dus geen verschil. In de laatste jaren heeft de Synode dan ook steeds zich buiten allen invloed op het beheer der kerkelijke goederen gehouden en de zelfstandigheid der plaatselijke gemeenten geëerbiedigd, en de vrees dat de Synode ooit de hand naar de kerkelijke goederen zal uitstrekken, durf ik gerust hersenschimmig noemen; en mocht in den strijd der partijen ooit een lager Bestuur in deze zijne bevoegdheid te buiten gaan, dan zal de Synode wel de laatste zijn, die daaraan hare goedkeuring zal verleenen. De Synode heeft gewis veel op hare verantwoording, maar dat zij er thans nog aan denken zou om het beheer onder haar toezicht te brengen, is geen ernstige wederlegging meer waard. De kerkelijke goederen behooren aan de plaatselijke gemeente, dit wordt door ieder

|39|

erkend, maar heeft daarom de plaatselijke gemeente recht met haar goederen uit het verband te treden, ziedaar een andere vraag? Op die vraag heeft de Synode indirect haar gevoelen uitgesproken, doch niet in dien zin, alsof zij zou meenen dat nu per se de goederen der uittredende gemeente aan de Kerk, als een geheel gedacht, zouden ten deel vallen, maar wel dat de leden der plaatselijke gemeente, wier kerkeraad eigendunkelijk het verband verbreekt, nu niet van alle rechten zouden verstoken zijn: op die vraag en op geen andere is de Synode verplicht de uitspraak van den bevoegden rechter in te roepen. En welke weldenkende zou niet te recht de Synode van plichtverzuim beschuldigen, indien zij voor die minderheden die bij de kerk willen blijven, niet ware in de bres getreden! Is het waar, wat door de Heeren Lohman en Rutgers zelf als natuurlijk erkend wordt, dat in 1816 verzet of tegenstand onmiddellijk zoowel recht op tractement en andere uitkeeringen als op het gebruik van kerkgebouwen had na zich gesleept, dan zijn de gemeenten slechts onder die beperking als eigenaars van die goederen te beschouwen, en zijn de beheerders gebonden, hoe vrij en onafhankelijk overigens, ten behoeve der gemeente in voortdurend verband met de Kerken dezer landen en haar wettig bestuur de Synode, te beheeren, en de vruchten van het alzoo vrijelijk beheerde ter beschikking te stellen. Of nu een kerkeraad onder de Synodale organisatie gekozen en opgetreden, aan deze organisatie gebonden is, is nog meer een kwestie van goede trouw en eerlijkheid, dan een zuivere rechtskwestie. Maar dat voor den burgerlijken rechter, de rechtsbevoegdheid, de rechten en plichten van een kerkeraad in de Eed. Herv. Kerk uitsluitend en alleen bepaald, beperkt en omschreven zijn door het Synodaal Reglement op de Kerkeraden en de andere Reglementen dier Kerk, is, dunkt me, onbetwistbaar; en het komt mij voor, dat welke bepalingen een kerkeraad ook maken mocht, om als

|40|

kerkeraad gehandhaafd te blijven, ook wanneer hij opgehouden heeft reglementair wettige kerkeraad te zijn, per se nietig en van onwaarde zijn, en door ieder burgerlijke rechtbank als nietig zullen worden verklaard.

Is dan het kerkverband onverbreekbaar? Ook deze vraag wenschen wij ten slotte te onderzoeken. Ik acht dit in de eerste plaats te zijn eene zedelijke geestelijke vraag, maar hoe gewichtig ook, deze blijft buiten opzettelijke bespreking. Is kerkverband blijkens de geschiedenis verbreekbaar, en zoo ja, door wie kan het kerkverband verbroken worden en wat zijn de gevolgen der verbreking?

Naar Gereformeerd-kerkrechtelijke beginselen behooren de Kerken onder bepaalde voorwaarden en met behoud van eigen zelfstandigheid, zich tot één geheel te vereenigen. Dit zal wellicht door een vergelijking met art. 32 der Ned. Geloofsbelijdenis, eer te sterk dan te zwak moeten geacht worden. Maar uit het historisch onderzoek, dat voorafging, is ons gebleken, dat wat de kerkenordening en de verhouding tot de kerkegoederen aangaat meer de handelingen der Burgerlijke Overheid dan wel de zoo schoone beginselen van het Gereformeerd kerkrecht onze vaderlandsche Kerken hebben beheerscht.

Het is een feit: het algemeen Hervormd kerkgenootschap bestaat wettig, Mr. Kappeyne van de Copello moge zeggen, „zij het dan ook met behulp van erbarmelijke sophismen;” wij merken in het voorbijgaan op, dat het zeker eigenaardig mag geacht worden, dat de Heeren Lohman en Rutgers bij voorkeur op die rechtsgeleerden zich beroepen, die juist het volkomenst met de kerk hebben gebroken. Het Kerkgenootschap bestaat wettig, en de Algemeene Synode der Ned. Hervormde Kerk is de wettig bestaande kerkelijke autoriteit, (Zie Kon. dispos. 1 Juli 1842 n°. 42).

Wie mag zich onttrekken aan dit genootschap? De leden

|41|

natuurlijk, en dat het Algemeen Reglement dit openlijk erkent, blijkt uit art. 3 zoo duidelijk mogelijk.

Zij, die leden zijn, mogen uittreden, maar zegt men, „de individu’s, leden van de locale kerken zijnde kunnen alleen de locale kerk verlaten; terwijl de Nederlandsche Herv. Kerk eene vereeniging van kerken is, zijn het alleen kerken, die de vereeniging vaarwel kunnen zeggen.”

Het eerste nu, hebben wij reeds aangestipt, is zoo onjuist mogelijk: zie art. 3 Alg. Regl., art. 38 Regl. Godsdienst-onderwijs, art. 39 van hetzelfde Reglement, art. 4 Reglement voor kerkelijk O. en T. waar de hoogste straf luidt: ontzetting van het lidmaatschap der Nederlandsche Hervormde Kerk.

De reglementen, blijkens de artikelen waarnaar wij verwijzen, gaan uit van de veronderstelling, dat iemand lid is van het geheel en dientengevolge lid eener plaatselijke gemeente. In de reglementen wordt duidelijk onderscheiden het lidmaatschap der Ned. Hervormde Kerk en het lidmaatschap eener plaatselijke gemeente, of liever, want dit woord komt, zoo ver ik weet niet voor, het als lidmaat der (plaatselijke) gemeente erkend zijn, tot de bijzondere gemeente te behooren. Het lidmaatschap der Kerk primeert in alle reglementen het als lidmaat bij een bijzondere gemeente erkend zijn, al is de kerkeraad het aangewezen college om de geloofsbelijdenis af te nemen, en al wordt, volgens art. 38 Regl. van Opzicht en Tucht, „de ontzetting van het lidmaatschap opgeheven, na raadpleging met het collegie, dat haar uitsprak, door den kerkeraad der gemeente, onder welke de van het lidmaatschap ontzette woonachtig is.” Ware het lidmaatschap der plaatselijke gemeente de hoofdzaak, dan zou gewis dit art. moeten luiden: „door den kerkeraad onder wiens ressort de van het lidmaatschap ontzette ter tijd woonde, of althans na dezen gehoord.” Wil men nog een bewijs: waarom wordt bij de aanneming niets gevraagd noch beloofd aangaande de plaatselijke

|42|

gemeente? Ook hier is alleen sprake van de Nederlandsche Hervormde Kerk en hare verordeningen.

Ging de bewijsvoering der Heeren Lohman en Rutgers op, dan zou men met evenveel recht beweren dat een vreemde geen Nederlander worden kan, maar alleen burger eener plaatselijke gemeente; immers al wordt hem door de wet de naturalisatie verleend, hij moet toch nog binnen 6 maanden bij het plaatselijk Bestuur der gemeente, waarin hij woonachtig is, zich doen erkennen; verzuimt hij dit, dan verliest zelfs de wet hare kracht. Al kan geen vreemdeling dus Nederlander worden zonder tusschenkomst van een plaatselijk Bestuur, daarom zal toch niemand zeggen, gij kunt geen Nederlander worden, maar alleen lid van eene plaatselijke gemeente?

Ik twijfel dan ook niet, of de geachte schrijvers zullen erkennen op dit punt, meer op de toestanden van vóór 1816, dan op die van dit jaar het oog te hebben gehad.

Hieruit volgt, dat de bewering dat het alleen kerken zijn, die de vereeniging kunnen vaarwel zeggen, evenzeer moet gewijzigd worden, en althans het woord alleen moet vervallen. Waar art. 3 van het algemeen Regl. zoo duidelijk spreekt, is alle bewijs overbodig, ieder die wil kan zich van de Kerk, als geheel gedacht, afscheiden.

Vergelijk ten overvloede de jongste besluiten der Synode, in zake Voorthuyzen en Kootwijk. De personen, die aan de Synode kennis gaven, dat zij uit het Synodaal verband waren getreden, zijn vervallen verklaard niet van het lidmaatschap der Nederlandsche Hervormde Gemeente te Voorthuyzen of Kootwijk; maar van het lidmaatschap der Nederlandsche Hervormde Kerk.

Maar kunnen de plaatselijke gemeenten uittreden? Dat de Synodale Reglementen daarover niets bevatten is zeer verklaarbaar, daar tot voor weinige jaren niemand daaraan gedacht heeft, het zijn de twee uiterste richtingen der Kerk, de

|43|

geavanceerde modernen uit Noord-Holland en de Gereformeerden, die deze kwestie hebben opgeworpen, een kwestie, die thans den geheelen kerkelijken strijd beheerscht; en al moge men de zaak zelf betreuren, hulde moet men brengen aan de hoogleeraren der Vrije Universiteit, die de kwestie zoo rond en open behandeld hebben. Dat het juist van die zijde kwam, behoeft ons, daarom alleen, het betoog nog niet als een oratio pro domo te doen beschouwen!

Kan eene plaatselijke gemeente uit het verband treden? Het komt mij voor dat tot de juiste beantwoording dier vraag, er behoort onderscheiden te worden: mag een gemeente uittreden? Door wie wordt die uittreding tot stand gebracht? En welke zijn de gevolgen der uittreding met het oog op de kerkgebouwen, pastory en verdere bezittingen dier voormalige Nederlandsche Nederlandsche Hervormde Gemeente?

Mag een gemeente uittreden? Dat de leden eener gemeente gezamenlijk, hoofd voor hoofd, mogen door woord of daad verklaren, dat zij niet langer tot de Nederlandsche Hervormde Kerk willen blijven behooren, dit komt mij voor niet te mogen betwist worden. Wat elk lid afzonderlijk mag, dit mogen alle leden gezamenlijk.

Te recht is opgemerkt, dat de belofte van medewerking aan den bloei der Ned. Hervormde Kerk met opvolging van hare verordeningen, slechts bindt zoo lang iemand in het bestaande kerkverband blijven wil. Wat evenwel niet mag toegegeven worden is, dat zoodanige verbintenis alleen geldt die lidmaten die deze sinds 1862 uitdrukkelijk verlangde belofte, bij hunne aanneming en bevestiging hebben afgelegd: ook allen die vóór 1862 lid der Ned. Herv. Kerk zijn geworden, zijn aan de verordeningen dier Kerk gebonden, en de duizenden, die men beweert dat sinds 1862 als lidmaten zijn aangenomen, zonder dat die belofte is afgevraagd, zijn evenzeer daaraan verbonden: dit ligt immers in den aard der zaak zelf, — van

|44|

welke vereeniging ter wereld kan men lid zijn, en dan nog wel vrijwillig lid worden, zonder aan de verordeningen dier vereeniging gebonden te zijn?

Laat het waar zijn, dat Paulus, in Romeinen 13, het oog had op de burgerlijke overheid, dan meen ik, dat indien de Apostel vermoed had, dat men zijn woord, wat den geest betreft, had willen beperken zooals men thans doet, hij zeker er zou hebben bijgevoegd, „en dit des te meer aan de machten en verordeningen der gemeente”! Wat zou het anders baten dat Hij vermaande dat men „de gaven die ons gegeven zijn moet besteden, hetzij profetie, naar de mate des geloofs, hetzij bediening in het bedienen; hetzij die leert in het leeren, hetzij die vermaant, in het vermanen, die uitdeelt in eenvoudigheid, die een voorstander is in naarstigheid, die barmhartigheid doet in blijmoedigheid?” Wil men tot elken prijs volhouden, dat volgens den Apostel onder de machten, die van God zijn en door Hem verordend, alleen staatkundige machten mogen verstaan worden, het zij zoo; maar men erkenne dan ook de machten en overheden en verordeningen der gemeente als gaven, die ons naar de genade gegeven zijn; en welke dus evenzeer door alle ziel moeten geëerbiedigd worden!

Maar door wie moet die uittreding worden uitgesproken?

„Indien de geheele gemeente mag uittreden, moet dit dan natuurlijk door den kerkeraad geschieden die immers de gemeente vertegenwoordigt? Blijft die bevoegdheid des kerkeraads niet onverkort, ook al stemt een deel daarmede niet in?” Geenszins, ik zeg niet alleen, het is royaal en eerlijk als al de leden hoofd voor hoofd dit verklaren, maar ik voeg er bij, dat een verklaring van den kerkeraad nul en van geener waarde is, tenzij de leden der gemeente door woord of daad toonen, dat zij instemmen met de daad en de verklaring van den kerkeraad. De genootschappelijke

|45|

wil, zoo als de Duitschers dien noemen, waarop men zich beroept, is door de Statuten van het genootschap begrensd. Ik laat, evenzeer als de Heeren Lohman en Rutgers de theologische en zedelijke zijde van het vraagpunt buiten bespreking; ik vraag alleen naar recht, zuiver recht, ook al moest er van gelden summum jus, summa injuria!

Welke is de bevoegdheid van den kerkeraad en welke zijn de verplichtingen van kerkeraadsleden?

Alle thans bestaande kerkeraden zijn gekozen volgens de reglementen door de Synodale Besturen in het leven geroepen. Verklaarde reeds het Reglement van 1816 dat de „pligten van de leeraren; de ouderlingen en de diakenen worden omschreven en bepaald door de Synode bij het Reglement op de kerkeraden,” art. 13 van het thans vigeerende Reglement zegt nadrukkelijk: „De kerkeraad zorgt voor de belangen der gemeente, gedraagt zich in alles naar de kerkelijke reglementen en verordeningen en ziet toe dat zij opgevolgd worden.” Artikel 13 Algemeen Reglement luidt: „De kerkelijke besturen bepalen hunne werkzaamheden binnen de grenzen hunner bevoegdheid.” Voorzeker „kerkeraden waren er van oudsher,” maar ook van oudsher werden de bevoegdheden en rechten der kerkeraden bepaald en omschreven, en van oudsher waren alle besluiten van kerkeraden, buiten hunne bevoegdheid genomen, nul en van geener waarde. Wat de kerkeraden van oudsher konden, was door de wetten van oudsher begrensd en omschreven en wat de kerkeraden nu vermogen is door de tegenwoordige verordeningen omschreven en begrensd. De aanneming rebus ipsis et factis berust niet op de aanneming der kerkeraden, er zal wel nergens in eenig kerkeraadsboek van eenig kerkeraadsbesluit op dit punt melding zijn gemaakt; immers het rebus ipsis et factis duidt juist aan, dat hier niet aan eenige formeele verklaring moet gedacht worden, maar wel aan een feitelijk en metterdaad

|46|

aannemen van de verordeningen, aan hunne invoering metterdaad medewerken, ze in uitvoering brengen, en ze zonder zweem van protest of verzet navolgen en dat niet door kerkeraden alleen, maar door allen die daarbij betrokken waren.

Men vergete niet, de kerkeraad bestaat uit leden der Nederlandsche Hervormde Kerk. Bij hunne bevestiging als leden van den kerkeraad leggen zij de belofte af aan de gemeente en ten behoeve der gemeente, voorzeker; maar het zijn leden der Kerk die die beloften doen, en aan eene gemeente in het kerkverband, dat zij gedaan worden.

Geen bijzondere gemeente kan de leden van haar kerkeraad noch den kerkeraad jure ontslaan van de verplichtingen, die als leden der Kerk op hen rusten, noch hun bevoegdheden toekennen, die de verordeningen der Kerk zouden opheffen. Of het kerkverband verbreekbaar is of niet, de reglementaire kerkeraad kan reglementair dit verband nimmer wettig opzeggen.

„De juistheid onzer beschouwing zal, dunkt mij gevoeld worden, wanneer men zich het geval voorstelt, dat de gemeente, evenals zij vroeger met haren pastoor van roomsch gereformeerd werd, thans weer met haren leeraar tot de Roomsch Katholieke kerk terugkeerde” 1). Of iemand daarin verbreking van beloften, meineed of diergelijken zien wil, kunnen wij veilig onbeslist laten; maar of iemand die God wil blijven dienen, overeenkomstig het Evangelie van den Heer Jezus Christus, door dit besluit des kerkeraads gebonden is, of de zoogenaamde genootschappelijke wil, iemand Roomsch zou kunnen maken, zie, dat is de kwestie! Leeraar, ouderlingen, diakenen, zij kunnen allen, elk voor zich Roomsch worden, wie zal dit niet toestemmen? Ook de geheele gemeente, ongetwijfeld, dat wordt door niemand betwist; maar wel of een besluit dat zoo in aller belang ingrijpt door enkelen mag genomen worden. Mij dunkt hierover kan geen twijfel zijn. Als


1) De Rechtsbevoegdheid enz. bladz. 81.

|47|

onze nazaten volgens Voetius geen slaafsch en redeloos vee zijn, (serva et αλογα pecora) die door de besluiten der thans levenden worden gebonden, de gemeente nu is ook geen slaafsch en redeloos vee, dat zij door een besluit des kerkeraads in deze zou gebonden worden. Neen, uittreding komt mij dus voor, iets zuiver persoonlijks te zijn, en de verklaring van een kerkeraad dat hij de gemeente afscheidt, niets anders te beteekenen, dan dat de leden des kerkeraads zich afscheiden, met die leden der gemeente, die door woord of daad, toonen dat zij daarbij den kerkeraad willen volgen. Men vergete toch nimmer dat de vraag, die wij behandelen geenszins geldt, welke beginselen wij zouden moeten in acht nemen, indien wij een nieuw kerkgenootschap wilden in het leven roepen; maar veeleer wat in de historisch gewordene Nederlandsche Hervormde Kerk de rechten en bevoegdheden zijn der leden en der Besturen.

Nu moge het volkomen juist zijn dat in 1869 de gemeenten volkomen vrij waren, wat het beheer harer goederen betreft, zich met elkander te verbinden en onder het algemeen College van Toezicht zich te plaatsen, en tevens zich daarbij het recht konden voorbehouden om wanneer het haar goeddunkt tot het zoogenaamd Vrij Beheer over te gaan. Maar in 1869 is aangaande het Beheer, door de macht, die het tot nu toe onder zijn toezicht had gehouden, het recht, het jus constitutum opgeheven, het gold nu in 1869 het jus constituendum, en dat de gemeente daarbij onafhankelijk was, en alleen aan de algemeen geldende rechtsbeginselen gebonden, spreekt van zelf: maar waar het geldt de bevoegdheden van een kerkeraad in 1886, hebben wij geen kwestie de jure constituendo maar zijn eenvoudig gebonden aan het jus constitutum in 1886; bij twijfel of onzekerheid mag men zich op de vroegere toestanden, waaruit de tegenwoordige geboren zijn beroepen, doch ook alleen in dit geval. Nu moge Voetius zich

|48|

de vraag stellen of een locale kerk het verband met classis voor zich en hare nazaten ten eeuwigen dage kan aanvaarden, en dan antwoorden: Neen! Noch de Gereformeerde Kerken onder de Republiek noch de Nederlandsche Hervormde Kerk van 1816 en 1852 zijn door Voetius in het leven geroepen.

Is dan de genootschapsband onverbreekbaar? Wij moeten in het voorbijgaan opmerken dat wel in de Staatswetten (Grondwet, de Wet regelende het toezicht op de onderscheidene kerkgenootschappen, Staatsbl. n° 102. 10 Sept. 1853 enz. enz.) het woord genootschap voorkomt; maar in de Reglementen der Nederlandsche Hervormde kerk niet; doch met die reserve willen wij onderzoeken wat in het midden wordt gebracht. „Elk genootschap, zegt men, heeft een doel, dit is een wezenlijk vereischte voor zijn bestaan. Het doel eener kerkelijke vereeniging is steeds geweest, en was ook in 1816, drieerlei: a wederkeerige hulp en steun, b gemeenschappelijk scheidsrechterschap voor geschillen en bezwaren van allerlei aard, c handhaving van de leer.”

Wij zouden in de eerste plaats willen vragen, of die oude gemeente, tijdens de Hervorming, die datgene wat zij voor dwaling hield verwijderde en in het bezit bleef van hare vroeger bezetene goederen, wel de leer gehandhaafd heeft? Of is zuiveren, dwaling uitwerpen, meer in overeenstemming brengen met Gods Woord van de Belijdenis der Kerk ook handhaven van de leer? Zoo dit wordt toegestemd, zou ik wel wenschen, dat er in Nederland op dit oogenblik een bevoegde macht was, die kon uitmaken wie het best de leer handhaven of de Irenischen, die met Groen van Prinsterer, in geest en hoofdzaak, ondubbelzinnig en onbekrompen met de formulieren van Eenigheid en geheel en onvoorwaardelijk met Gods Woord instemmen of de zich noemende Gereformeerden, die de Drie Formulieren, die geen hunner zonder gravamen aanvaardt, als accoord van kerk gemeenschap stellen? En

|49|

nochthans verklaarde Dr. A. Kuyper, het eminente hoofd der Gereformeerde partij, tot mijn innig leedwezen, met de Irenischen geen kerk meer te kunnen houden.

Ten tweede is het juist, dat de handhaving der leer in den bedoelden zin het doel der kerkvereeniging is?

Is de kerk er dan niet voor de bevrediging der godsdienstige behoeften van ieder persoon en van het gansche volk? Heeft de kerk ook niet ten doel de verheerlijking Gods? De prediking van het Evangelie van Gods genade in Jezus Christus? Heeft zij niet ten doel „ons en onze kinderen en allen die daar verre zijn, zoovelen als de Heer onze God er toe roepen zal” te vergaderen tot die ééne kudde onder dien éénen Herder, waarvan onze gezegende Heiland, de zachtmoedige en barmhartige Zoon des menschen gesproken heeft?

En als wij nu in Artikel XI Algemeen Reglement lezen: „de zorg voor de belangen, zoo van de Christelijke Kerk in het algemeen als van de Hervormde Kerk in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering der godsdienstige kennis, de bevordering van Christelijke zeden, de bewaring van orde en eendracht en de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland moeten steeds het hoofddoel zijn van allen, die, in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast zijn”, gaat het dan aan, waar zooveel onderscheidene dingen als hoofddoel zijn aangewezen, er één als het hoofddoel bij uitnemendheid uit te lichten? te meer daar een onbevooroordeelde beschouwing van dit artikel toch leeren moet, hoe handhaving der leer, daar niet beteekenen kan, de leer om de leer, maar de handhaving der leer als het middel, het voorname middel, het onontbeerlijke middel, het eenig geschikte middel om de andere doeleinden te bereiken?

O gewis, men wijst en te recht op de verklaring der Synode van 1816 dat „de belofte onverbreekbaar is om de leer te handhaven, welke overeenkomstig het Woord Gods vervat is in

|50|

de Formulieren van Eenigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk"; evenwel, indien de verklaring der Synode eenige autoriteit heeft, volgt er uit, niet dat een kerkeraad de macht had de oude kerkorde voor een andere te verwisselen, maar dat de zaak (de oude kerkorde) aan welke men verbonden was, niet meer bestaat en dat het bestuur eene meer algemeene richting heeft bekomen, die tot nu toe altijd ontbroken heeft en waaraan men thans gebonden is.

Met het oog op die verklaring der Synode kan en mag men voor „woord- en belofteschenders” houden, hen die wel aan de bestaande orde getrouw blijven, doch met terzijdestelling van de handhaving der leer, overeenkomstig Gods Woord in de Formulieren van Eenigheid vervat, zonder eenigen twijfel; maar evenzeer de leeraars en ouderlingen en diakenen, die met terzijdestelling van beloften eene nieuwe kerkorde aanvaarden.

Voorzeker men moet het betreuren, dat dit handhaven van de leer zoo geheel de facto is verzuimd geworden; meent men dat daaruit rebus ipsis et factis de verplichting om samen te blijven is vervallen, dan zou men moeten kunnen aantoonen, dat men zelf althans ernstig beproefd heeft de leer te handhaven, binnen den kring zijner bevoegdheid. Waar en door wie is dit geschied? Indien de kerkeraad van Amsterdam in 1871 op advies van Dr. A. Kuyper, „den tijd eerst dan gekomen achtte voor doortastende maatregelen, wanneer het zedelijk gezag van den kerkelijken rechter hersteld, de maatstaf ter beslissing bewust geworden was, en de drang tot klagen vaster wortel geschoten had in het geloofsleven der gemeente”; waarom is nu op eens dit niet doortasten naar het doel der vereeniging, een verloochenen van het doel zelf geworden?

Wat Dr. A. Kuyper in 1871 meende nog te mogen nalaten, en de kerkeraad van Amsterdam met hem, waarom mogen de overige leden der Ned. Herv. Kerk en de overige

|51|

kerkeraden dit niet nog in 1886 uitstellen? Of zijn de omstandigheden werkelijk zoo veranderd? Zouden allen, die in de laatste jaren de Drie Formulieren teekenden, ze werkelijk hebben gelezen en verstaan?

Maar het zij zoo, de redenen om langer bijeen te blijven zijn vervallen. Wie kan dan het kerkverband opheffen? „De macht, die het invoerde?” De Koning dus? Zou men dit willen? Natuurlijk niet. De macht, die rebus ipsis et factis aannam? Dat zijn de leden der Hervormde Kerk, zij en niemand anders.

Men moge het betreuren, het afkeuren, het veroordeelen, dat in 1816 noch aan de Provinciale Coetus, noch aan de Classen, noch aan de kerkeraden, noch aan de leden der kerk de goedkeuring is gevraagd; het is een feit, dat die goedkeuring werkelijk door niemand en aan niemand is gevraagd; maar die allen hebben zwijgend, of juichend, (slechts een Classis, en enkele predikanten hebben een bescheiden klacht gewaagd) dit doet niets af; lijdelijk of met goedkeuring, dit verandert niets aan de zaak, een feit is het, die allen hebben de organisatie aanvaard met al de voordeelen en privilegiën daaraan verbonden; desniettegenstaande handhaven wij het recht voor elk lid om de vereeniging, waartoe hij behoort, te verlaten, maar met verlies, dit spreekt vanzelf, van zijn recht op alle genootschappelijke goederen.

En zoo komen wij aan de derde vraag: welke zijn de gevolgen wat het kerkegoed betreft, bij zoodanige uittreding?

Twee gevallen zijn daarbij denkbaar: òf al de leden treden uit, òf slechts een deel, zij het dan het grootste.

Nemen wij het eerste geval, alle leden treden uit. Zeer juist is opgemerkt, dat het meeste wat de Synodale Besturen vermogen, is, alle leden en dienaren der gemeente als lidmaten der Nederlandsche Hervormde Kerk te ontzetten. „Na die daad, zegt men, is hunne macht uitgeput.” Maar zijn daarom geen juridieke gevolgen van die daad te wachten? Als de Regeering hiervan op wettige wijze in kennis is gesteld,

|52|

zal zij het Rijkstractement niet inhouden? Zal de Directie van het Grootboek niet ophouden de rente voor kerk en armen te betalen? Acht men ook dat gering? Dat in dit geval een proces onvermijdelijk is, spreekt wel van zelf, dat de kerkvoogden het misschien zelf niet zullen aanvangen, moge waarschijnlijk zijn, maar is daarmede iets gewonnen? De zaak kan toch niet in de lucht blijven hangen?

Gaat slechts een gedeelte mede, dan is het recht der scheidenden nog veel onzekerder, want die niet medegaan, die leden der Ned. Herv. Kerk willen blijven, hun recht op het kerkegoed, op welken grond zou dit worden ontkend? Er moet dan iemand zijn, die de actie instelt. Natuurlijk, maar die zal wel niet moeilijk te vinden zijn, en waar het een zaak geldt, waarbij ongetwijfeld het algemeen belang der Kerk betrokken is, zal de Synode wel zorgen dat èn door de bevoegde personen èn op de door de wet gevorderde wijze de actie worde ingesteld. Zou in dit geval de uitspraak der rechterlijke macht zoo hoogst onzeker zijn?

Is het bekende Arrest van den Hoogen Raad d.d. 2 Januari 1846 misschien het eenige, dat rust op de veronderstelling dat de Hervormde Kerk wettig bestaat, en haar organisatie rebus ipsis et factis aangenomen wettig verbindend is?

En om slechts nog één te noemen: in het Arrest van den Hoogen Raad, van 20 Mei 1881, zegt dat Hoogste Rechterlijk college daar niet als de slotsom zijner overwegingen: „dat uit een en ander volgt, dat de regeling op gemelde wijze en op verschillende tijden onder de elkander opgevolgd hebbende staatsvormen tot stand gekomen, als aangenomen en onderhouden door het zedelijk lichaam zelf, uitgemaakt heeft het statuut van deszelfs bestaan?”

Of zou in 1881 de Hooge Raad nog niet bekend zijn geweest met de juiste toedracht der zaak? Het schijnt dan toch wel dat de invloed van de rechtsgeleerden van naam op

|53|

dit Hooge college, waarin alleen rechtsgeleerden van grondige kennis en rijpe ervaring en hooge onpartijdigheid zitting hebben nog niet groot is geweest. De Heeren Lohman en Rutgers erkennen zelf dat zij tegen zich hebben de communis opinio hoewel zij toch vertrouwen op een uitslag in hunnen geest.

Mochten de geleerde schrijvers ons nogmaals eene vrucht hunner studiën voorleggen, dan zou ik bescheidenlijk willen vragen, dat zij eens duidelijk uiteenzetten, wat volgens de tegenwoordig in Nederland geldende rechtsbeginselen, eene Nederlandsche Hervormde Gemeente is. Een eenvoudige vereeniging? Een stichting? Een zedelijk lichaam op openbaar gezag ingesteld of een gewoon zedelijk lichaam? En dan tevens in hoever de oorsprong en het doel, waarmede de kerkegoederen, zijn bijeengebracht, op hunne bestemming bij ontbinding, oplossing, uitsterven der gemeente van invloed moeten wezen? En ook wat de verhouding der gemeente is tegenover art. 168 der Grondwet, zoo vóór als na de uittreding? alsmede de vraag, of diaconiegoederen het lot der kerkegoederen in den eigenlijken zin per se moeten volgen? Ik maak volstrekt geen verwijt aan de schrijvers, dat zij deze punten niet hebben behandeld, maar van hunne hand, zou toch een bijdrage daarover hoogst welkom wezen. Hoewel ik geen rechtsgeleerde ben, meen ik toch nog op enkele punten te mogen wijzen. Dat dit voor deskundigen natuurlijk zonder waarde is, erken ik gaarne; voor velen die geen deskundigen zijn, kan het misschien van nut wezen, om .de moeilijkheden die aan de oplossing der vragen verbonden zijn, althans te begrijpen.

Uitgaande van het feit dat elke bijzondere gemeente eigendomsrecht heeft op haar kerkegoed, wat beteekent dan het uittreden der gemeente uit het Kerkverband? Wordt dan althans feitelijk de Nederlandsen Hervormde Gemeente, en aan haar was het eigendom der goederen toegekend, niet opgeheven?

|54|

Wat dan? Sommige rechtsgeleerden, onder anderen Mr. Telting en Mr. Nienhuis, beweren dat dan de goederen moeten bewaard blijven voor een toekomstige Hervormde gemeente.

Is hetgeen wij over de bevoegdheid van een kerkeraad in het midden brachten, niet geheel ongegrond, dan geloof ik, dat het advies van die heeren niet verzwakt wordt, door dat de uittreding, waar zij volgens den raad van den Heer de Savornin Lohman geschiedt, door den Kerkeraad wordt uitgesproken. En als dan eens een rechterlijk vonnis allereerst de onbevoegdheid van den kerkeraad uitspreekt, welke verantwoording zal dan op die leden rusten?

En zou hier toch in elk geval niet moeten gelet worden op art. 1699 van het Burgerlijk Wetboek? „Het zedelijk lichaam op openbaar gezag ingesteld wordt niet vernietigd door den dood of den afstand van het lidmaatschap van alle leden, maar blijft als zoodanig bestaan, tot zoolang hetzelve wettiglijk is ontbonden?”

Zegt men de plaatselijke gemeente is geen zedelijk lichaam op openbaar gezag ingesteld; moeten wij dan niet letten op art. 1700: „alle andere zedelijke lichamen blijven bestaan totdat zij uitdrukkelijk zijn ontbonden, volgens hunne instellingen, reglementen en overeenkomsten, of totdat het doel, het voorwerp der vereeniging ophoudt?” Dat de eerste onderstelling door onze Reglementen uitgesloten is, behoeft toch zeker geen betoog meer, en deze reglementen zijn, volgens den Hoogen Raad 1) onbetwist van geheel statutairen aard, waarvan geen schending of verkeerde toepassing kan worden ingeroepen. Maar volgt daar dan niet uit, dat de uittredenden ook alle aanspraken verliezen? De Regeering eischte in de jaren 1836 en vervolgens, eene verklaring van de Afgescheidenen, die als gemeente wilden erkend worden, dat zij alle


1) Arrest van den Hoogen Raad van 20 Mei 1881.

|55|

aanspraak lieten varen op kerkgoederen, fondsen en rechten van elke erkende gezindheid; later heeft de Regeering terecht dezen eisch ingetrokken, overwegende, „dat het niet afleggen van zoodanige verklaring, geene de minste inbreuk kan maken op de rechten welke het Hervormd of eenig ander kerkgenootschap krachtens welken titel ook bezit.” (Kon. Besluit van 17 October 1852, Staatsbl. n° 184).

Mocht men meenen dat nu er slechts een of weinige leden overblijven, het doel vervallen is, zou dan mogen gelden art. 1702, waarbij bepaald wordt dat de overblijvend en het voordeelig slot kunnen verdeelen of zich persoonlijk toeëigenen of op hunne erfgenamen overdragen? Zou dit nu ten slotte de toekomst zijn die de kerk- en armen-goederen der Nederlandsche Hervormde Gemeenten wacht?

En dan zoovele stichtingen, als weeshuizen, diaconiescholen, hofjes, en zooveel andere ten behoeve der Nederlandsche Hervormde Kerk thans bestemd? Zal dan voor ieder afzonderlijk de oorsprong hunner bezittingen moeten onderzocht, alsmede van elk in het Grootboek ingeschreven legaat in het bijzonder? Of zal één vonnis over alle deze dingen te gelijk beslissend zijn?

Fiat justitia, pereat mundus! Dit is een verheven spreuk voor den rechter, zeggen twee Hoogleeraren der Vrije Universiteit op Gereformeerden grondslag. Vivent les principes, périssent les colonies! Zoo vertolkte men in Frankrijk deze aloude spreuk, en wij weten hoe de koloniën te gronde gingen, en welke zee van jammeren, die mannen over hun Vaderland en Europa gebracht hebben!

Hoe meer ik er over nadenk, hoe meer ik mij bewust word, dat het stellen van de vraag „is het kerkverband verbreekbaar” de verreikendste gevolgen in zich sluit!

Volkomen beaam ik daarom de vraag der Heeren Lohman en Rutgers: zou het dan niet beter zijn voor alle partijen

|56|

de beslissing der wereldlijke macht niet in te roepen? en antwoord daarop van harte: zeer zeker, en ik betreur daarom des te meer dat reeds op drie plaatsen de beslissende stap is gedaan, en zoo er mogelijkheid op was, zou het zeker te wenschen zijn, dat men kon terugkeeren tot den toestand van 1 Januari 1886. En dus „liever tot een minnelijke deeling over te gaan?”

Hoe ook mij de vrede lief is, hoe weinig ik ook waarde hecht aan een uitwendige eenheid, waar innerlijke verdeeldheid heerscht, op die vraag zoo als zij daar gesteld is, kan en mag ik niet zonder voorbehoud bevestigend antwoord geven.

Het is niet de vraag in de allereerste plaats, willen wij deelen? maar kunnen en mogen wij deelen? Zijn wij tot deelen gerechtigd? Wat aan het geheel behoort, mogen de tijdelijke personen daarover vrij beschikken?

Is het dan zoo geheel ongegrond, wat de Minister Modderman in 1880 verklaarde? „Zij die meenen dat de Synode het daarheen kan leiden, dat in de Ned. Herv. Kerk ten behoeve harer leden, boedelscheiding kan plaats hebben, maken zich eenvoudig eene illusie. Van boedelscheiding spreekt het Burgerlijk Wetboek met het oog op erfenissen. Erfgenamen hebben ’t recht een nalatenschap, die hun gezamenlijk toekomt, onderling te verdeelen. Elke Vereeniging (Societas) kan met verdeeling van het gemeenschappelijk eigendom uiteengaan. Maar de Nederlandsche Hervormde Kerk in haar geheel en iedere bijzondere Gemeente is zulk eene Vereeniging niet. Zij is een zedelijk lichaam (Universitas). De Kerk, de Gemeente bestaat niet eenvoudig uit de som van hare tijdelijke leden. Ook waar die leden ontbreken „stat nomen Universitatis.” Aan de goederen van het zedelijk lichaam wordt, wanneer het geacht kan worden, niet meer te bestaan, door den Staat eene bestemming aangewezen, zoo na mogelijk overeenkomende

|57|

met de oorspronkelijke bestemming 1)”. En zoo wij aan het deelen mochten gaan, zullen dan de Christelijk Gereformeerden geen aanspraak maken, althans op een deel der goederen van vóór 1834?

Of: „Aan alle kerken de volledige vrijheid laten”, met andere woorden: de Nederlandsche Hervormde Kerk ontbinden? Kan en mag dat? En hoe is dit te verkrijgen, wie kan daartoe wettig besluiten? En zoo er Besturen en gemeenten zijn, die dit niet willen? Wat zullen dan de rechtsgevolgen zijn? Zou men dan den rechter ontgaan kunnen? En als zelfs een gedeelte in de enkele gemeente van geen deelen wil weten?

Hoe gaarne ik den strijd over de organisatie en de belijdenis zag opgegeven, toch geloof ik niet dat het aangeprezen middel doeltreffend zou wezen, ik vrees wij zouden vallen van Scylla in Charybdis, en komen van kwaad tot erger!

Wat dan? Den tegenwoordigen toestand laten voortduren? Voorzeker neen! Ik ben meer dan ooit bevestigd in mijne overtuiging ten vorigen jare uitgesproken, „onze Kerk is een geheel, dat geheel anders is dan de Gereformeerde Kerken der 16e en 17e en 18e eeuw waren, en ook anders dan een Christelijke kerk als openbaring van het lichaam van Christus behoorde te zijn”. Doch vergeten wij het niet:

„De Kerk is nu vrij haar organisatie te wijzigen en zoo zij wil tot een gezonden toestand terug te keeren. Als leden der Kerk zijn wij geroepen en verplicht daartoe mede te werken”. Laat ons vergeten, wat achter ons is en ons uitstrekken naar hetgeen vóór ons is! Vergeten de twisten en krakeelen tusschen de belijders van Jezus Christus en dien gekruisigd; ons uitstrekken naar een hervorming, langs wettelijken weg, der Ned. Herv. Kerk. Laat allen, die naar het grondbeginsel der Christelijke Kerk in het algemeen en der


1) Vergelijk bovendien Mr. O. Asser en Mr. Ph. van Heusde. Handleiding tot de beoefening van het Ned. Burgerlijk recht art. 1099 pag. 502. 1e Deel. Zwolle 1885.

|58|

Hervormde Kerk in ’t bijzonder, Gods heilig Woord in de Schriften des O. en N. Verbonds vervat, van ganscher harte aannemen en daaraan oprechtelijk gelooven, dienen geest en de hoofdzaak in de aangenomen Formulieren van Eenigheid vervat, willen handhaven, en mitsdien den ganschen Raad Gods inzonderheid Zijne Genade in Jezus Christus als den eenigen grond der zaligheid willen verkondigd hebben in de gemeente, laat die zich als Broeders aaneensluiten; acht men dit niet positief genoeg en wil men nog meer: de drie Formulieren van Eenigheid? mits er uitdrukkelijk bijgevoegd worde, dat men gravamina hebbende zich verbonden acht, die te bekwamer tijd aan het oordeel eene bevoegde Synode te onderwerpen en zich bij haar uitspraak te zullen nederleggen; ik kan ook dit accepteeren. En nu moge wellicht die toevoeging het vermoeden wekken of er zooveel gravamina zullen ingebracht worden, — heeft het boek van Prof. Doedes b. v. niet duidelijk aangetoond dat de bezwaren die algemeen gedeeld worden, waarlijk niet uit de lucht zijn gegrepen, evenmin als de bezwaren van de Heeren Kuyper en de Savornin Lohman tegen art. 36?

Laat ons beginnen elkander te vertrouwen. En dan gezamenlijk, in de kracht Gods, uit onze Synodale Reglementen wegnemen wat strijdt tegen het recht der Belijdenis en de onbepaalde heerschappij van Gods Heilig Woord, en dan art. XI op eerlijke en Christelijke wijze en in heel zijn omvang toepassen!

Waar men bereid is aan de modernen zelfs een deel van het kerkegoed af te staan, zou het daar zoo moeilijk zijn eenige overgangsmaatregelen te beramen om wettelijk, zij het dan ook niet wettig, verkregen rechten te eerbiedigen?

Dan behoeft de landskerk, geen schijnkerk meer, niet te vallen; want waarlijk zij heeft het in de jaren van haar bestaan aan ons volk niet verdiend, dat wij haar zouden omverwerpen.

|59|

„Maar zijn dan alle bezwaren opgeheven?” vragen de Hoogleeraren aan de Vrije Universiteit.

Bij goeden wil en gezamenlijk overleg kunnen de grootste moeilijkheden uit den weg worden geruimd: belijders van den Heer, die waarheid en liefde willen betrachten, zullen aan broeders gaarne de hand willen reiken. Dat de Irenischen geen principiëele tegenstanders zijn van de vrijheid van onderwijs, heeft de ervaring geleerd. Hebben wij niet te samen de vrije lagere school voor ons volk in het leven geroepen, en tot op den huidigen dag met gelijke warme liefde gesteund? Op dit gebied hebben de Gereformeerde Broeders geen bezwaar den wettelijk geordenden weg te volgen, welnu, laten zij dit ook op het hooger gebied althans beproeven!

Mocht het blijken, dat langs dien weg het doel niet kan bereikt worden, welnudan zal het uur gekomen zijn, om gezamenlijk alles te verlaten, — de Heer onze God leeft nog! De vrije Schotsche Kerk en de Christelijk Gereformeerde Kerk in Nederland en zoo vele vrije Kerken in andere landen, zijn het bewijs, dat Kerken kunnen leven en bloeien, ook zonder het goed door de voorgeslachten nagelaten!

 

Leiden, 27 Maart 1886.

Segers, E.C. (1886) Bijl

|60|

 

Bijlage.

 

Ziehier eenige besluiten in 1581 door de Staten van Friesland genomen.

Art. 1. De Roomsche eeredienst, heimelijk of in ’t openbaar, was voortaan in dezen lande afgeschaft en verboden.
Art. 2. Alle Roomsche geestelijken werden van hun ambt vervallen verklaard.
Art. 3. Alle goederen en bezittingen der oude kerk moesten terstond uitgeleverd worden, desnoods met geweld (art. 4), en op straf van verlies van pensioen (art. 5).
Art. 6. De oude huurcontracten zouden alle vervallen bij het einde des jaars.
Art. 7. Alle bezittingen moeten op nieuw verhuurd worden.
Art. 8. De opbrengsten zouden worden bestemd tot onderhoud van predikanten, schoolmeesters en armen „ende ad alias pias causas, sonder dat die zeluige in privatum et secularem usum zullen worden gedistribueert”.
Art. 9. Tot die verhuring en aanwending zullen door de gemeente „die notabelste personen in elcke Dorpe, zijnde guede Patrioeten ende liefhebbers van de waere Gereformeerde Religie”, worden benoemd tot genoegen van den grietman.
Art. 10-13. De aldus benoemden moesten jaarlijks verantwoording doen; ook mocht niemand weigeren de administratie

|61|

aan te nemen; doch dit alles was bepaald behoudens de rechten van hen, die jus patronatus van prebenden bezaten; priesters die zulke leenen verkregen hadden, mochten ze behouden, mits zij afstand deden van hun dienst.
Art. 14. Elke gemeente moest in haar dorp overgaan tot verkiezing van bekwame, Gereformeerde predikanten en onderwijzers.
Art. 15. Naar gelang van zaken konden twee, drie, vier of meer dorpen zich tot ééne gemeente samenvoegen op ad vies van de grietluiden of Gedeputeerden.
Art. 16. Afgezette priesters mochten niet gekozen worden dan na een examen doorgestaan te hebben.
Art. 17. De grietmannen moesten alle verschillen over de verkiezingen behoorlijk bij den Hove ende Gedeputeerden inleveren, en voorts (art. 18) zorgen, dat hun kerken gezuiverd werden van alles, wat tot de Roomsche afgoderij gediend had.
Art. 19-21. Met opzicht tot het onderhoud der afgezette priesters werd besloten, dat zij, die van eigen middelen leven konden, en zij, die vijanden waren van de gemeene zaak, geen toelage zouden genieten; maar de goedgezinden, die zich rustig hielden, zouden levenslang een jaargeld of een zekere som in eens ontvangen naar bevind van zaken.

Charterboek v. Friesland,

Dl. IV, 139, 145, 146.

Segers, E.C. (1886) Inh

|63|

 

Inhoud.

 

Inleiding — 1.
§ 1. Toestand vóór de Hervorming — 7.
§ 2. Toestand na de Hervorming — 13.
§ 3. Toestand van 1795-1816 — 22.
§ 4. Toestand sedert 1816 — 28.
§ 5. Toestand na 1852 — 36.
Bijlage — 60.