Sillevis Smitt, P.A.E. (1910)

De Organisatie van de Christelijke Kerk in den Apostolischen Tijd
Rotterdam
T. de Vries Dzn.
1910

Academisch proefschrift
ter verkrijging van den graad van
Doctor in de Heilige Godgeleerdheid,
op gezag van den Rector
Dr. H. Bavinck,
Hoogleeraar in de Faculteit der Godgeleerdheid,
in het openbaar te verdedigen
op Vrijdag 9 December 1910, des namiddags ten 3 ure,
in het Gebouw van de Maatschappij voor den Werkenden Stand,
door
Petrus Abraham Elisa Sillevis Smitt,
geboren te ’s-Gravenhage,
dienaar des Woords van de Gereformeerde Kerk te Amsterdam.

 

|v|

 

 

Aan mijn ouders

en

mijn vrouw.

Sillevis Smitt, P.A.E. (1910) Dank

|vii|

 

 

Pleegt gemeenlijk het proefschrift, aan den eindpaal der academische studiën, verzeld te gaan van den traditioneelen afscheidsgroet aan het Corpus Docentium et Discentium, zoo kan dit moeielijk worden verwacht van mij, wien reeds een heel stuk leven, in den dienst der Kerk besteed, van de academiejaren scheidt. Het voor een wijle wederkeeren op het lang verlaten erf heeft eer iets verrassends dan gewoons. Maar een oude, schoon nog niet begraven begeerte, kan somtijds wonderlijk blijken de kracht te bezitten, om weer op te leven. Zoo was het bij mij met den wensch, aan de zoozeer geliefde Universiteit te mogen dingen naar den doctorsgraad. Dat eenige wilskracht is noodig geweest en zekere begrijpelijke schroom te overwinnen viel, om, langs het doctoraal-examen heen, nog op het schier uit het oog verloren doel af te gaan, wil ik niet ontkennen, nu ik met dankbaarheid in ’t hart dit doel nabij mag zien. Des te meer zal voor mij on vergetelijk blijven de dag van het vorige jaar, toen ik den moed greep, mij met mijn plan te wenden tot mijn voortreffelijken Raadsman, tot U, hooggeschatte Leermeester Rutgers, en Gij mijn voornemen meendet te mogen toejuichen, en mij ook van Uw Ambtgenooten in de Theologische Faculteit niets dan vriendelijke aanmoediging te beurt viel. Werkelijk, dat was een gelukkige dag

|viii|

 

 

in mijn leven En hoe deed het mij goed, bij de onverwijld ter hand genomen studie, te gevoelen, dat steeds sterker de indrukken werden verlevendigd van het onschatbaar onderricht, weleer aan onze Hoogeschool genoten van U, hooggeachte Professoren in de Faculteit der Godgeleerdheid, en ook daarbuiten, hetzij thans nog in functie, hetzij in ruste, en een . . . de Hartog, is ontslapen.

Dankbaar erken ik de welwillende hulpe mij betoond, mede door andere Hoogleeraren dan in de Theologische Faculteit, wanneer ik in eenig punt voorlichting vroeg, die ik behoefde bij de voltooiing van dit geschrift. En geen geringe winste acht ik het, dat mijn voortgezette studiën mij den persoonlijken omgang mochten ontsluiten met U, Hooggeleerde Bavinck, dewijl, waar immer uw arbeid (die mijn lof niet noodig heeft) door mij met hooge belangstelling gevolgd en met vrucht in mijn ambtelijk leven werd verwerkt, nu de waardeering voor uw persoon zich in hoogere mate kon paren aan de reeds lang gekoesterde waardeering voor uw werk.

U, Hooggeleerde Kuyper, mijn erkentelijkheid te betuigen, waar Gij bereid werdt gevonden, om als mijn Promotor op te treden, mag veel meer zijn dan een betamelijke vorm. Voor uw belangstelling, waarmede Gij in mijn onderwerp inleefdet; voor uw wijzen raad en opbouwende critiek, die mij zoozeer ten goede

|ix|

 

 

kwamen; voor de bereidvaardigheid, die U menig kostbaar werk uit uw boekenschat deed afstaan; voor den bekwamen spoed, waarmede Gij, zoodra ’t U doenlijk was, mijn voltooiden arbeid onder het oog hebt genomen; voor uw waardeering, waardoor Gij mij hebt gesteund; voor de gulheid, waarmede Gij mij immer tegentraadt, breng ik U mijn diep gevoelden dank.

De welwillendheid, die ik ondervond van de zijde van H.H. Bibliothecarissen van onderscheidene Biblotheken en van hen, die door hun tusschenkomst mij het ontvangen van menig boekwerk gemakkelijk maakten, wensch ik met oprechten dank te erkennen. Met name denk ik aan de Bibliotheek der Vrije Universiteit, der Gemeentelijke Universiteit en der Doopsgezinde Gemeente, alle te Amsterdam, der Rijks-Universiteiten te Leiden, Utrecht en Groningen, der Remonstrantsche Gemeente te Rotterdam en de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage.

Dat door deze studie, voor mijn Vader zeker nog een vriendelijke lichtstraal zal geworpen worden op een donker lijdenspad van jaren, is mij een liefelijke gedachte.

Boven alles — wat ’t best in stilte geschiedt — zij ootmoedig dank gebracht aan den God en Leidsman van mijn leven, Die onder den arbeid mij lust en kracht heeft verleend, en tot het volbrengen met liefdevolle hand mijn weg heeft willen effenen.

Sillevis Smitt, P.A.E. (1910) Inh

|xi| 

 

Inhoud.

 

Inleiding — 1

Hoofdstuk I.
De Organisatie in haar goddelijken oorsprong — 20

Hoofdstuk II.
Het Apostolaat — 41

Hoofdstuk III.
De Gemeente van Jeruzalem — 57

Hoofdstuk IV.
De Christelijke Gemeenten uit de Joden — 79

Hoofdstuk V.
De Christelijke Gemeenten uit de Heidenen — 83

Hoofdstuk VI.
Charisma en Ambt — 116

Hoofdstuk VII.
Apostelen, Profeten, Evangelisten, Leeraars — 130

Hoofdstuk VIII.
Diakenen — 143

Hoofdstuk IX.
Presbyters (Episcopen) — 158

Besluit — 196

Stellingen — 205

Sillevis Smitt, P.A.E. (1910) Inl

|1| 

 

Inleiding.

 

Wie zich voorneemt het vraagstuk onder de oogen te zien, hoe de Christelijke Kerk in de eerste jaren van haar intrede in het wereldleven was georganiseerd en zich op de hoogte stelt van het historisch-exegetisch onderzoek op dit terrein, verstaat de verzuchting, die Dr. Fr. Loofs aan het begin zijner verhandeling slaakt: „Eine neue Monographie über die Gemeindeverfassung des Urchristentums kann zunächst als ein zweifelhafter Gewinn erscheinen. Das Gewirr der Meinungen ist auf diesem Gebiete schon grosz genug.” 1) En met deze klacht staat hij niet alleen. Vooral door de uitgebreide nieuwere litteratuur over het „Urchristentum” is het probleem tot een doolhof geworden, waarin het niet gemakkelijk is met vastberaden gang den rechten weg te houden. Des te meer echter verdient nauwgezette studie aanbeveling, vooral hierom, wijl in ons vaderland, en met name van geloovig-protestantsche zijde, opzettelijke behandeling dezer stof maar schaars voorkwam. Ook zal op het standpunt der bijzondere Openbaring niet zoo groot gevaar voor moedeloosheid bestaan, waar men vaster grond onder de voeten heeft.

Wanneer, reeds in algemeenen zin, wordt gesproken van organisatie, denkt men aan een kring, waarin men zich tot georganiseerd optreden vrijwillig aaneensluit; die door organen, mede tot dien kring behoorende, zich uit, en tot actie komt, terwijl een onderlinge band de leden saamhoudt, de aanhoorigheid aan bepaalde voorwaarden is gebonden, en het gemeenschapsleven zich naar eigen aard en doel openbaart, en dit immer naar vastgestelden regel.


1) Dr. Fr. Loofs, Die urchristliche Gemeindeverfassung mit specieller Beziehung auf Loening und Harnack, i.d. Theol. Studiën und Kritiken, 1890, bl. 420.

|2|

Sprekende van de organisatie der Christelijke Kerk, kan natuurlijk niet anders bedoeld zijn dan de zichtbare Kerk, en bepaaldelijk gelijk zij als geïnstitueerde Kerk optreedt, in die bepaalde forma en door die organen haar functiën verricht, welke voor haar aangewezen zijn. Nu draagt de gestalte dier organisatie gedurende den tijd van het N. Testament, wil men, van de apostolische eeuw, een geheel bijzonder karakter onder inwerking van den supranatureelen factor, waardoor heel het leven der Kerk in den tijd der grondlegging gekenmerkt is. Maar neemt men aan (gelijk later nader zal worden aangetoond), dat niet de „Verfassung” der Kerk eerst later is ontstaan, maar veeleer voor de Kerk gereed lag, en als haar bestaanswijze, haar constitutie, niet van haar los te denken is, dan gevoelt men, hoe in dien eersten organisatie-vorm toch reeds de kiemen besloten lagen van de blijvende inrichting, gelijk deze na het ophouden der bijzondere Openbaring moest worden in stand gehouden.

De grenzen van ons onderwerp zijn hiermede afgeteekend. Buiten bespreking vallen punten als de sociale positie der geloovigen, de verhouding tot de heidenwereld en dergelijke, terwijl slechts zijdelings het oeconomische leven der Kerk, vooral in den cultus uitkomend, er mede in verband staat. Daarentegen brengt het ons onmiddellijk in aanraking met de diensten, die, hetzij ambtelijk, hetzij louter charismatisch, werden waargenomen, van haar organisatie onafscheidelijk en voor den verderen ontwikkelingsgang van beteekenis waren.

Het moeielijke bij de juiste vaststelling der gegevens blijkt wel hieruit, dat er, bij de huidige pluriformiteit, geen Christelijke Kerk is, die niet haar eigen inrichting dekken wil met de organisatie der eerste Christelijke Kerk, en niet staande houdt, dat althans de beginselen van haar stelsel in de schriften des N. Testaments te vinden zijn. Iets wat natuurlijk niet mogelijk zou zijn, wanneer de Schrift ons kant en klaar een stelsel van kerkregeering ontvouwde, maar wel, nu ons slechts zulke gegevens zijn verstrekt, die als de grondslag dienen, waarop moet worden voortgebouwd.

De strijd hierover is eerst ten volle ontbrand in de dagen der Reformatie. Want, wel moge telkens in den loop der eeuwen, van het reformatorisch streven van het Montanisme af, een teruggrijpen zijn waar te nemen naar de apostolische eeuw, doch de beschouwing

|3|

der Roomsche Kerk, belichaamd in een wel ineensluitend hiërarchisch stelsel, had zoo goed als de alleenheerschappij, totdat de Reformatie een breuke sloeg. Evenwel waren in den kring der reformatoren en hun epigonen ook te dezen opzichte de inzichten gedeeld. Van dien tijd dagteekenen de stroomingen, die alle saamhingen met den blik, dien men had op de organisatie der eerste Christelijke Kerk, en die Voornamelijk naar de Luthersche, de Gereformeerde en de Independentistische kunnen worden onderscheiden.

De Roomsche Kerk ziet de wortelen harer hiërarchie reeds liggen in het N. Testament. Die hiërarchie behoort „zoozeer tot het wezen der Kerk, dat men zich de eene zonder de andere niet denken kan . . . . Christus droeg zijn goddelijk gezag om te leeraren en te besturen op zijn Apostelen over. Hij zond ze uit met de volmacht, weer anderen uit te zenden, met dezelfde macht bekleed. Die zending geldt tot de verste eeuwen. Zoo leeft Christus’ goddelijk gezag, belichaamd in elkaar gestaag opvolgende gezanten, tot het einde der tijden voort . . . . De hiërarchie is als de slagader, welke één met het hart van den Heer zelf, aan diens mystiek lichaam, de Heilige Kerk, bloed en leven, en daarmede goddelijke levenskracht, altoos jeugdigen bloei en nimmer verwelkende schoonheid mededeelt.” 1) Door Christus is Petrus gesteld tot hoofd der Kerk; aan Petrus sluit zich het Apostolaat aan, en gelijk het primaat van Petrus’ opvolgers zich voortzet op den stoel van Rome, zoo zet het Apostolaat zich voort in de eenhoofdige bisschoppen, die de opvolgers der Apostelen zijn, terwijl een fundamenteele scheiding tusschen clerus en leeken in dit hiërarchisch systeem van zelf ligt opgesloten 2).

De Luthersche Kerk acht de ordeningen en inrichtingen in de H. Schrift, bijzonder van de Apostolische Kerk, niet als verbindend


1) A. Mertens, De hiërarchie in de eerste eeuw des Christendoms, Amsterdam 1908, bl. VII.
2) Zie Wetzer und Welte’s Kirchenlexicon s.v. „Apostolat” en „Episkopat” (Scheeben) en A. Harnack in Herzog’s Real-Encyclop.3 s.v. „Verfassung” dl. XX, bl. 509, waarvan een „erweiteter Abdruck” in zijn Entstehung und Entwickelung der Kirchenverfassung und des Kirchenrechts in den zwei ersten Jahrhunderten, Leipzig 1910, bl. 1 v.v. Uit dit laatste werk zal in het vervolg worden geciteerd, en kortheidshalve onder den titel „Verfassung und Recht”.

|4|

en meent, dat ze dit niet kunnen zijn, omdat de historische verhoudingen, waaronder ze ontstaan zijn, geheel zijn gewijzigd. Dit hangt saam met de eigenaardige positie, die de Luthersche Kerk inneemt tegenover de Schrift, waar ze alles als geoorloofd rekent, wat God in zijn Woord niet heeft verboden, terwijl de Gereformeerde den kring van hetgeen God welgevallig is, beperkt tot datgene, wat God in zijn Woord uitdrukkelijk geboden of veroorloofd heeft 1).

Zoo erkent de Luthersche Kerk wel Christus als het Hoofd der onzichtbare Kerk, maar zij huldigt voor de uitwendige regeering, voor de Kirchenleitung in de zichtbare Kerk, een menschelijk hoofd. Niet Gods Woord heeft regelrecht alle zeggenschap, maar de Verfassung wordt overwegend bepaald naar menschelijk goeddunken en gebleken doelmatigheid. Alleen het ambt van herder en leeraar wordt gerekend een goddelijke inzetting te zijn, en aan dit ambt wordt een buitensporige macht toegekend, zoozeer, dat de instelling noodzakelijk is voor het ontvangen van het geloof. Het geloof en de zaligheid der gemeente, d.i. het voortbestaan der Kerk, is gebonden aan het aanwezig zijn van dit ambt, en de gemeente wordt door dit ministerium ecclesiasticum gevormd en onderhouden. Er kan dus reeds een ambt zijn vóór er geloovigen zijn. De gemeente bezit zelve niets, maar staat louter ontvangend tegenover dit ambt. Het bedient het Woord en de Sacramenten, Christi vice et loco en treedt geheel plaatsbekleedend voor Christus op. Der Hirt mit seinen Schafe is het één en al. In zijn hand ligt alle macht tot geestelijke regeering en tuchtoefening door het Woord. Zoo komt het ambt der geloovigen van twee zijden in het gedrang en het algemeen priesterschap der geloovigen, door Luther krachtig op den voorgrond gezet, wordt in de practijk pro memorie uitgetrokken. Immers, van de regeering der Kerk, berustend in de hand der landsregeering, is de geloovige vanzelf uitgesloten. (Teekenend is in dit opzicht het spreken van praecipiua membra ecclesiae 2). Dat men later den status oeconomicus liet


1) Dr. Karl Rieker, Grundsätze reformirter Kirchenverfassung, Tübingen 1907, bl. 96.
2) Naar waarheid merkt Rieker op, a. w. bl. 184, 185, zelfs met verwijzing naar de Confessio Helvetica posterior Cap. XXX, (zie Die Bekenntnisse ➝

|5|

medespreken, is slechts een nabootsing, van verre, van de gereformeerde kerkregeering, en bracht geen principieele verandering). En waar het herders- en leeraarsambt verantwoordelijk is voor de enkele zielen en voor de Kerk in haar geheel, is geen lid verantwoordelijk voor zijn medelid, laat staan voor velen of voor allen 1).

Het independentistische of congregationalistische stelsel sluit zich nauw aan de Schriften des N. Testaments aan. Doch het wordt eenzijdig, in zoover het de oogen sluit voor de kiemen eener vastere ambtelijke organisatie, die reeds in de forma van de Kerk ten tijde van het N. Testament verscholen lagen. Zoo ontkent het de onderscheiding tusschen leer- en regeerouderlingen, kent aan het ambt alleen toe een uitvoerende macht van den wil der gemeente, die feitelijk zichzelve bestuurt, en breekt de kracht van het kerkverband door dit slechts adviseerend te laten optreden.

De meest principieele bestrijding is Rome aangedaan van gereformeerde zijde, met name door Calvijn 2). Het gereformeerde systeem dient zich aan als geheel uit Gods Woord opgebouwd. Het heeft ongetwijfeld het meest voeling met het laatstgenoemde stelsel. Het is niet geheel juist, het gereformeerde stelsel het


➝ der reformierten Kirche in authentischen Texten herausgegeben von E.F. Karl Müller, Leipzig 1903, bl. 220), dat ook van gereformeerde zijde deze en dergelijke kwalificatie van de Overheid wordt gegeven. Doch terecht leidt hij dit meer af uit de omstandigheid, dat Gereformeerden en Lutherschen niet door hermetischen muur van elkander waren gescheiden, maar een opgewekte geestelijke gemeenschap onderhielden, dan wel uit het gereformeerde principe: „so ist es nichts Auffallendes, dass lutherische Gedanken uns da und dort in reformierter Umgebung begegnen, wie das Umgekehrte ja auch zutrifft. Man kann deshalb doch behaupten das die Lehre von den drei Standen und der Obrigkeit als praecipuum membrum ecclesiae der kalvinischen Anschauung fremd ist.”
1) Zie Herzog’s Real-Encycl. 1 s. v. „Kirchenverfassung” von A. Hauber. A.F.C. Vilmar, Dogmatik Dl. II, bl. 271 v.v. Confessio Augustana (Die Ausburgsche Konfession lateinisch und deutsch von Th. Kolde, Gotha 1896), art. 5: „ut hanc fidem consequamur, institutum est ministerium docendi evangelii et porrigendi sacramenta. Nam per verbum et sacramenta tamquam per instrumenta donatur Spiritus Sanctus qui fidem efficit . . . .” zie ook art. 14, 28.
2) Rieker a.w. bl. 102: „die für den reformirten Protestantismus bis auf den heutigen Tag vorbildliche und massgebende Theorie hat Calvin hauptsachlich in seine Institutio Religionis christianae geliefert.”

|6|

presbyteriale te heeten, wijl deze naam niet genoegzaam uitdrukt wat erin ligt, en anderzijds veel zich als presbyteriaansch aandient (vooral in Engeland), wat van de gereformeerde beginselen afwijkt. Wanneer b.v. een congregationalist als Davidson 1) de „presbyterians” bestrijdt, zal een gereformeerde in veel opzichten zich meer geestverwant gevoelen van dezen uitnemenden canonicus, dan van de door hem bestredenen. Wie het gereformeerde stelsel verwarden met een averechtsch presbyterianisme, hebben dan ook den grootmeester van het gereformeerd kerkrecht, Voetius, wel een independentist genoemd. Dit is het kenmerkende van de gereformeerde Reformatie, dat ze niet alleen met vaste hand teruggreep naar de apostolische eeuw, en Christus erkende als Koning der Kerk, maar dit laatste ook consekwent doorvoerde voor de geïnstitueerde plaatselijke Kerk. Daarbij onderscheidde ze scherp tusschen het onmiddellijk opzicht van Christus door zijn Geest en Woord en het middellijke door zijn dienaren, terwijl bij deze de onderscheiding tusschen het leer- en regeerambt practisch werd doorgevoerd en de geloovigen als element in de regeering werden ingetrokken. Met kracht komt zij op voor de rechten en plichten der geloovigen, doch zóó, dat deze in het juiste verband worden gezet met de roeping van het speciale ambt. Het feit, dat het Calvinistisch systeem opkwam onder den invloed van de antithese tegen Rome en van de democratische strooming dier dagen, doet aan het schriftuurlijk karakter niets te kort, maar was veeleer tot een regressus ad Scripturam bevorderlijk. Wanneer Harnack zegt, dat „vom Calvinismus und in einem Teile des Luthertums bedeutende theocratische und klerikale Elemente, wenn auch latent, konserviert sind”,2) is zulks, hoezeer ook verklaarbaar op zijn modern spiritualistisch standpunt, evenwel (vooral in de vergelijking met het Lutherdom) niet met een billijke beoordeeling der gereformeerde beginselen in overeenstemming te brengen.

Sedert de vorige eeuw, die uitblinkt door tal van uitnemende werken op het gebied der kerkhistorie en waarin met veel


1) Sam. Davidson, The ecclesiastical Polity of the New Testament, London 1848.
2) A. Harnack, Verfassung und Recht, bl. 3.

|7|

genialiteit is ingedrongen vooral in de eerste drie eeuwen des Christendoms, is ook de vraag naar de organisatie der ,,Urkirche” sterk op den voorgrond gedreven. In den laatsten tijd is het een merkwaardig verschijnsel, dat veel juristen zich aan dit onderzoek wijden, (E. Loening, W. Kahl, K. Lübeck, P.A. Leder e.a.). In het middelpunt staat de vraag naar het ontstaan van het monarchisch episcopaat, en, in nauw verband daarmede, de vraag, of presbyters en episcopen identisch zijn. Over de lijn, die loopt langs de werken van den eersten rang van R. Rothe, A. Neander, F. Chr. Baur en A. Ritschl, gaat dan het historisch onderzoek voort, door theologen uit den jongsten tijd ingesteld. Het streven is daarbij, waar men alle onderzoek naar natuurwetenschappelijke methode wil doen geschieden, om ook op dit terrein naar „streng historische” methode te werk te gaan. Vooral op grond van vele ontdekte inscripties, meende men nauwe verwantschap te ontdekken tusschen de inrichting der Christelijke Kerk en de genootschappen voor heidensche eerediensten, of ook wel de stedelijke bestuur-organisaties in de Grieksch-Romeinsche wereld. En met loochening, of althans miskenning, van het origineel en specifiek christelijke, waardoor de Kerk in haar optreden gekenmerkt is, werd haar organisatie als een copie beschouwd van bestuursvormen uit de heidenwereld. In dit verband worde deze theorie nog slechts aangestipt In Frankrijk werd door Rénan 1) het eerst de voet op dezen weg gezet, straks gevolgd door Réville 2) e.a. In Duitschland werd dit streven gevolgd door C.F.G. Heinrici 3). In Engeland maakte vooral het optreden van Hatch 4) met zijn


1) E. Rénan, Histoire des origines du Christianisme, Livre deuxième, Les Apôtres, Paris, 1866 blz. 351.
2) J. Réville, Les origines de l’Episcopat, 1894, zegt bl. 12: „c’est à M. Rénan que nous devons l’initiative la plus féconde. Plus qu’aucun autre il a fait sortir l’histoire des origines du christianisme du domain réservé où la maintenaient trop volontiers les théologiens, pour la faire rentrer dans l’histoire générale de ce monde antique, où il se meut avec tant d’aisance.”
3) Zeitschrift für wissenschaftl. Theol. 1876, bl. 465 v.v.
4) E. Hatch, The organization of the early christian churches. Oxford, Bampton Lectures, 1881. De vertaling door A. Harnack: Die Gesellschaftsverfassung der christlichen Kirchen im Alterthum, 1883. Deze vertaling, wijl „vom Verfasser autorisiert”, wordt allerwege geciteerd.

|8|

Bampton-lezingen in het jaar 1880 te Oxford, grooten indruk. En diens theoriën werden in Duitschland overgeplant, toen Harnack deze lezingen vertaalde en met zijn „analecten” vermeerderde. De schrijver zelf was zich niet bewust in zijn arbeid een nieuwe vondst te hebben gedaan, maar eerst het licht dat Harnack er over schijnen deed, de gevolgtrekkingen, die deze er uit maakte en de enthousiaste maar overmoedige verklaring, dat door Hatch een strijdvraag van 5 eeuwen was opgelost, gaven aan zijn werk de groote beteekenis. Laat nu reeds gezegd mogen zijn, dat wezenlijk nieuw in dit boek is de beschouwing over het episcopaat in zijn verhouding tot het presbyteraat, en met name de scheiding tusschen beide 1).

Bij Harnack hangt de beschouwing omtrent de Verfassung saam met die van het dogma. Evenals hij in het dogma ziet een helleniseering van de oorspronkelijke ideeën, door Jezus verbreid en een verbastering van het wezen des Christendoms, zoo constateert hij dezelfde invloeden bij de ontwikkeling der organisatie en met name van het episcopaat. Aangezien de onderzoekingen van dezen in Duitschland thans meest gevierden Theoloog zich bij voorkeur richten op het tijdperk dat ons bezig houdt, zullen wij telkens met zijn theoriën in aanraking komen, en tegelijk de gelegenheid hebben, te zien, hoe gedurig hij zijn opinie heeft gewijzigd, zonder dit echter duidelijk aan te geven, en hoe hij met de bronnen menigmaal willekeurig handelde In zijn eerste periode is hij verrukt over de vindingen van Hatch; in een latere ziet hij zich nieuw licht toestroomen uit de Didache, die in 1883 door Bryennios werd gevonden; in zijn huidige is de invloed niet te loochenen, die van R. Sohm op zijn denkbeelden is uitgegaan, dien hij wel in diens spiritualiseerende excessen bestrijdt, maar wiens uitgangspunt hij van harte deelt 2). Beiden gaan feitelijk langs éénzelfde lijn. In die bestrijding laat Harnack voorafgaan: „da der Widerspruch (in


1) E. Hatch, a.w. i.d. Vorrede des Uebersetzers.
2) R. Sohm schreef in 1892 zijn Kirchenrecht Bd I, en in 1909 Wesen und Ursprung des Katholizismus in den 27en Bd. der Abhandlungen der philologisch-historischen Klasse der Königl. Sachsischen Gesellschaft der Wissenschaften. In zijn Verfassung und Recht der alten Kirche schreef Harnack (bl. 121-186) een Kritik der Abhandlung Sohm’s.

|9|

zijn critiek op Sohm) starker hervortritt als die Zustimmung, so sei auch an dieser Stelle ausdrücklich bemerkt, dasz m.E. Sohm in dem was er behauptet, wesentlich Recht hat, aber Unrecht in dem, was er ausschlieszt.” En, hetgeen Sohm „behauptet”, is kort gezegd (wat nader zal worden behandeld), dat alle rechtsorde in strijd is met het wezen der Kerk 1). Zoo is Harnack, blijkbaar onder Sohm’s bekoring, steeds sterker tegen alle erkenning van een vaste organisatie gekant 2).

Bijzonder in trek is in de gansche nieuwe litteratuur het spreken van „Urchristentum” („Urkirche,” „Urgemeinde”), en men verstaat dit dan „als geschlossenes Ganzes, welches abhebt von dem Kirchentum der späteren Zeit” 3). Toch meenen we tegen zulk een nomenclatuur bezwaar te moeten maken, in zoover op die wijze de organische band wordt afgesneden met het verleden en met de latere ontwikkeling, terwijl alle hoogere Potenz in het Christendom wordt geloochend.

Hoe toch stelt men zich van moderne zijde de ontwikkeling der Organisatie voor? Wat Seeberg zoo eigenaardig zegt van het kerkbegrip van Augustinus: „die besten und schlimmsten Elemente berühren sich in ihm, es ist evangelisch und katholisch, welterhaben und weltverflochten, himmlisch und irdisch, war und unwar in Einem, eine Fülle groszer Conceptionen und Antriebe, kein Organismus, aber ein Kessel voll gährender Elemente” 4), zou men kunnen overnemen met het oog op de beschouwing, die men algemeen heeft aangaande hetgeen het ,,Urchristentum” in den schoot droeg. Het N. Testament bevat de elementen van een monarchie, van een kerkelijke oligarchie, van een kerkelijke democratie; het sanctioneert een soort van episcopaat, het sanctioneert de presbyteriaal-Verfassung, het vordert een wetgevend regiment, het ondersteunt de aanspraken van de Montanisten en der latere Puriteinen 5). In één woord, allerlei, hoe tegenstrijdig ook, had


1) R. Sohm, Kirchenrecht I blz. X. (Einleit.); bl. 1, e.a.pl.
2) „Von hieraus ergibt sich, wie es scheint mit Notwendigkeit, die Unverträgligkeit von christlicher Religion mit Recht” (Kritik Sohm’s in a.w. bl. 144).
3) Aldus Ernst von Dobschütz, Die urchristlichen Gemeinden, bl. VII.
4) R. Seeberg, Lehrbuch der Dogmengeschichte.1 Dl. I, bl. 300, cf. 2e durchweg neu ausgearbeitete Auflage, Dl. II, bl. 430.
5) Hatch, a.w. bl. 15.

|10|

kunnen geboren worden: het „Urchristentum” toch is in zichzelf „ungemein vielgestaltig”. 1) En dat ten slotte gebaard werd wat de geschiedenis te aanschouwen geeft, moet uit allerlei historische invloeden worden verklaard. In elk geval wordt met een bovennatuurlijken factor niet gerekend. En daar ligt al het verschil met degenen, die zich plaatsen op het standpunt der bijzondere Openbaring.

Ook wij loochenen niet, dat er een ontwikkeling plaats had; dat er een groeien was. Maar wij belijden, dat de kiemen eener vaste organisatie van den beginne af gelegd zijn in die forma, waarin de N. Testamentische Kerk aanstonds tot aanzijn kwam. Gelijk uit een bloemzaad maar één bepaalde bloemsoort opkomen kan, zoo droeg het oorspronkelijke, dat God gaf, datgene in den schoot, wat Hij er in gelegd had, en iets anders kon er niet uit voortkomen. Ook hier geldt: „Gode zijn al zijn werken van eeuwigheid bekend”. En zoo er straks afwijkende vormen worden aanschouwd, zooals in het monarchische episcopaat, dan ontkennen wij, dat dit als een der vele mogelijkheden te beschouwen zij. Voor ons is de Christelijke Kerk in haar van God gewilden vorm, niet alleen de Kerk gelijk ze toen in het leven optrad, maar evenzeer gelijk ze zich openbaart, wanneer haar leven langs organischen weg tot ontwikkeling is gekomen 2). En de taak is ons opgelegd, om dien zuiver organischen weg der ontwikkeling, met afsnijding van allen vreemden uitwas, te zoeken.

Nu ging die ontwikkeling uiterst snel. Daarmede stemt ieder in. Ook wie niet in rekening brengen de buitengewone krachten, die er werkten in de apostolische eeuw. Al oordeelt men, dat het beeld der Verfassung, zooals dat in de Pastoraalbrieven geschetst wordt op religionsgeschichtliche gronden onbestaanbaar is in Paulus’ dagen en daarom behoort verzet te worden naar de tweede eeuw, toch ziet men in de na-apostolische litteratuur overigens een zoodanige teekening, die tot een snel verloop van den eenen toestand in den anderen doet besluiten 3). Natuurlijk wordt dit verloop nog sneller


1) E. v. Dobschütz, a.w. bl. VII.
2) Zie o.a. N. Bonwetsch in J.H. Kurtz’s Lehrbuch der Kirchengeschichte 14, 1906, bl. 31.
3) R. Knopf, Das nach-apostolische Zeitalter, Tübingen 1905, bl. 148: „Geht man von dem einem Quellendokumente zum andern über, so kann man ➝

|11|

voor wie die teekening wel stelt tijdens Paulus’ leven. Voor ons heeft dit geen bezwaar. Het is een nieuw bewijs voor de buitengewone kracht, waarmede de Christus uit den hemel het leven zijner Kerk tot ontplooiing bracht. En bovendien biedt niet elke organische groei een analogon? Klopt de pols van een kind niet sneller dan van een volwassene? Wordt niet steeds in de eerste beginselen een sneller aanwas waargenomen dan later?

Telkens wordt echter gevoeld, dat beslist uiteengaan wie zich stellen op het standpunt van de Heilige Schrift en wie dit gezag verwerpen.

Het toekennen van de boeken des N. Testaments aan de schrijvers wier namen ze dragen, komt, naar moderne zienswijze, in onverzoenlijken strijd met den historischen ontwikkelingsgang. Vóór de reconstructie, die men op het N. Testament in het begin der vorige eeuw heeft toegepast, zoo heet het, bleef de Verfassungs-ontwikkeling een raadsel. De heele Kerkinrichting werd toegeschreven aan Jezus en de apostelen, maar zoo stuitte men op onoplosbare bezwaren. Want nu scheen het bij het lezen der apostolische vaders, alsof er in de tweede eeuw stilstand of teruggang was. De schriften des N. Testaments toch gaven reeds het beeld van een wel georganiseerd kerkelijk leven. „De nieuwe critiek maakte hieraan een einde.” 1) Zoo neemt ook Harnack beslist positie in, zoowel tegen de Roomsche als tegen de oud-Protestantsche opvatting: „Beide Betrachtungen haben die ganze Entwicklungsgeschichte des apostolischen und nach-apostolischen Zeitaiters gegen sich, und auszerdem stehen und fallen sie bereits mit der Frage der Geschichtlichkeit einiger neu-testamentlicher Stellen”. 2)

Daarom zij van het Schriftgeloovig standpunt, waarop deze


➝ oft nur staunen über die ungemein rasche Fortentwicklung. deren Ergebnisse zu sehen sind, deren gesetzesmässiges Werden aber nur mit der gröszten Vorsicht und unter steter Unsicherkeit nachzuzeichnen ist.”
1) J.H. Maronier, De inrichting der christelijke gemeenten voor het ontstaan der Katholieke Kerk, in de Verhandelingen van Teyler’s genootschap, Haarlem 1874, bl. 3.
2) Harnack, Verfassung u. Recht bl. 3. Hij vervolgt: „Sieht man von ihnen ab — und nach allen Regeln geschichtlicher Kritik ist man dazu gezwungen —, so ist jedes direkte aüszere Band zwischen Jesus und der „Kirche” und ihren werdenden Ordnungen zerschnitten.”

|12|

dissertatie zich stelt, met beslistheid rekenschap gegeven. De schrijver gaat uit van de erkenning der boeken van het N. Testament, gelijk die tot ons gekomen zijn, elk in het bijzonder en als canon, als het onfeilbaar Woord van God, met goddelijk gezag bekleed, gegeven als bron en regel van ons geloof en als uitgangspunt bij alle te oefenen kritiek. Nadere ontvouwing van dit standpunt en bewijsvoering voor de echtheid der canonieke Schriften, die zullen worden aangehaald, valt buiten het bestek van deze verhandeling. Verwijzing naar wat de gereformeerde belijdenis leert aangaande de authenticiteit der Schrift als zoodanig, en hetgeen de gereformeerde dogmatiek uiteenzet, zij hier voldoende 1). En wat aangaat de echtheid der enkele boeken tegenover de bestrijding der historische critiek, mogen we met voldoening wijzen op den voortreffelijken arbeid van Theodor Zahn en anderen, waardoor het wetenschappelijk standpunt onbetwistbaar gehandhaafd is 2).

Dit standpunt maakt de tegenstelling absoluut met de moderne theoriën. Het resultaat moet noodwendig een gansch ander zijn, naar gelang men uitgaat van de authenticiteit der Schrift of niet. Van bevooroordeeling ons beschuldigen voegt allerminst van de zijde eener richting, die zoo bevooroordeeld mogelijk van het dogma der natuurlijke ontwikkeling uitgaat, zich immer aan petitio principii schuldig maakt, en aanstonds afgerekend heeft met elk historisch document, dat aan de heerschappij van dit dogma dreigt afbreuk te doen. Te voren wordt gedecreteerd: zoo en niet anders moet de ontwikkeling zijn geweest, en naar dezen maatstaf wordt weg-gecritiseerd elk getuigenis, dat storend zou inwerken 3). Toch behoeft niemand met zijn geloofsstandpunt


1) Conf. Belgica art. III-VI. Dr. H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek2, 1906, Dl. I § 13 blz. 406 v.v. Dr. A. Kuyper, Encyclopaedie der H. Godgeleerdheid2, 1909, Dl. I tweede Afdeel, Hfdst. II en Dl III eerste Afdeel § 3-7.
2) Met name wijzen we op de handhaving der echtheid van de Pastoraalbrieven, die van al de brieven van Paulus wel het meest en het hardnekkigst bestreden zijn, in Theodor Zahn’s Einleitung in das Neue Testament. 3e Auflage 1906, Dl. I, bl. 402 v.v.
3) Dat het wetenschappelijk resultaat naar het ingenomen standpunt geheel tegengesteld is, stemt men grif toe. Zoo Harnack in Expositor 1887, On the origin of the christian ministry (als antwoord op Dr. Sanday’s verhandeling): ,,who admits the genuiness of the Pastoral-epistles will reach ➝

|13|

beschaamd of verlegen te staan. Niet alleen, dat zulk een beschaamdheid aan het echte geloof vanzelf reeds vreemd is, en het Schriftgeloof een onschatbare vastigheid biedt bij het historisch onderzoek (dat om die reden geen zweem minder wetenschappelijk behoeft te zijn) tegenover de wankele en wisselende theoriën van elkaar verdringende critische scholen. Maar een reactie tegen het al te lichtvaardig optreden der historische critiek is allerwege merkbaar, ook bij wie zich tot de critische school rekenen 1).

Ook voor Rome kan de tegenstelling met de nieuwe richting, niet anders dan absoluut zijn. Het is evenwel te betreuren, dat Roomsche geleerden voor een deel de historische critiek in het gevlei komen, en b.v. afzien van de echtheid van de Pastoraalbrieven en van de Handelingen, of wel bij hun onderzoek het geschil hierover in het midden laten 2). Het blijkt in hoogere mate


➝ quite different conclusions from one who regards them as non-Pauline and relegates them to the second century. Hence the following collection of passages will have weight only with those, who take the same views with me about the date of the origin of the early christian writings”.
1) W.M. Ramsay, The Church in the Roman Empire before AD. 170, London 1907, 9th edition: „I fully accept their principle, that the sense of these documents can be ascertained only by resolute criticism”. Maar R. meent, dat de critiek te ver gegaan is, en het even dwaas is de boeken van het N.T. uit de 2de Eeuw te verklaren, als Horatius of Virgilius in den tijd van Nero te stellen.
Fr. Loofs, Die urchristliche Gemeindeverfassung in „Studiën und Kritiken,” 1890, bl. 649 . . . . Geringachtung einer historischen Quelle nirgend leichter verziehen, nirgend für selbstverständlicher gehalten wird als gegenüber den kanonischen Schriften”.
Zie ook Carl Clemen bij P. Biesterveld, De jongste methode voor de verklaring van het N. Testament, Kampen 1905, bl. 63.
2) S. von Dunin-Borkowsky S.J., Freiburg in Breisgau, 1900. Die neueren Forschungen über die Anfange des Episkopats. In den beginne wordt het dogma geponeerd: „Die katholische Wissenschaft steht seit Jahrhunderten geschlossen da mit dem Resultat, die Bischöfe seien die Nachfolger der von Christus mit voller Jurisdiktions- und Weihegewalt ausgerüsteten Apostel, und der monarchische Bischof sei als Institution auf Jesu Willen zurück zu führen”, — maar straks volgt de concessie bij het onderzoek: „um einen möglichst schweren und ungünstigen Standpunkt einzunehmen, gehen wir in der Kritik blosz von den allgemein anerkannten Voraussetzungen aus. Es wird z.B. von der Echtheid der Pastoralbriefe und der Apostelgeschichte abgesehen.”
H. Bruders, Die Verfassung der Kirche von den ersten Jahrzehnten der apostolischen Wirksamkeit an bis zum Jahre 175 n. Chr. Mainz, 1904, bl. ➝

|14|

het onveranderlijke Dogma der Roomsche Kerk, dan wel de autoriteit der H. Schrift te zijn, die de klove ondempbaar doet zijn. En nu moge het den schijn hebben, dat het dogma aangaande de kerkelijke organisatie te vaster staat, wanneer men het niettegenstaande deze concessies toch meent te kunnen staven, en als methodus disputandi het buiten rekening stellen van sommige deelen der Schrift geoorloofd acht, het komt ons evenwel voor, dat zulk een goedgeefsche „Voraussetzungslosigkeit” meer wijst op zwakheid dan op kracht in de bestrijding der historische critiek, en leiden moet tot een stuk voor stuk toegeven, dat straks tot prijsgeven wordt, en den weg baant tot een concessionalisme, dat als systeem wordt verheven. De gereformeerde theoloog staat bij zijn onderzoek anders. Hij aanvaardt het onbetwistbaar gezag van de H. Schriften; hij laat daar niet aan tornen, noch laat het een oogenblik in het midden. Van wat echter in dogmatiek of kerkrecht uit de H. Schrift is afgeleid, belijdt hij dit niet. Al kan hij den geestelijken band aan de belijdenis zijner Kerk niet verloochenen, op den bodem der Schrift staat hij vrij, niet gebonden. En zoo is ook de bedoeling van dit geschrift niet om een bepaalde organisatie met de Schrift te dekken, maar de Schrift zelve te laten spreken.

Bij een onderzoek naar de organisatie in den apostolischen tijd zullen, gelijk vanzelf spreekt, de N. Testamentische oorkonden hoofdbron zijn. Toch zal gedurig ook worden verwezen naar uitspraken uit bekende geschriften van den na-apostolischen tijd, vooral van de apostolische Vaders. Menigmaal werpen zij een helder licht naar achteren, waarvoor wij dankbaar mogen zijn. Overigens zijn zij met omzichtigheid te gebruiken, aangezien, parellel met de ontwikkeling van het dogma, ook die der Verfassung reeds zeer


➝ 30: „Es soll bei der naheren Behandlung der Urkunden sowohl die katholische wie die protestantische Datierung gelten, jedes strittige Datum als unbestimmt angesehen werden. Es ist dies gewisz eine grosze auszere Schwierigkeit für die Beweisführung, sofern aus jede Quelle nur das Minimum der Beweiskraft herausgezogen werden kann”.
Merkwaardig is hier ook de tegenstelling tusschen roomsche en protestantsche dateering, alsof het protestant-zijn vanzelf mede brengt de canonieke boeken op losse schroeven te zetten, en er geen protestanten meer waren, die uit de geloofsbeginselen der Reformatie leven!

|15|

spoedig elementen aanwijst, die afwijkend zijn van de beginselen, die aan de oorspronkelijke organisatie ten grondslag liggen; elementen, waarvan het N. Testament op enkele plaatsen de aanwezigheid ons doet vermoeden. 1) Voor een onbevangen oog is er dan ook een diepgaand verschil tusschen de boeken van het N. Testament, en de geschriften, die zelfs zeer kort daarna verschijnen. Ze ademen een anderen geest, ze missen den glans van schoonheid en majesteit, die door den H. Geest afstraalt van de H. Schrift. De moderne richting, die geen bronnenscheiding aanvaardt van wel en niet geïnspireerde oorkonden, maar alles op één hoop heeft geworpen, om voorts, zonder affiniteit aan Gods Woord, gelijk alleen ’t geloof die kent, te keuren, te schiften, te verheffen of naar omlaag te trekken, staat toch altijd bij de Schriftgeloovige richting achter. De hedendaagsche wetenschap ziet de dingen gansch anders liggen in de apostolische eeuw, dan ze alle eeuwen door gezien zijn door hen, die uit de krachten dier eeuw leefden door hun geloof. We zeggen dit niet, om de traditie als onfeilbaar te stempelen. De critiek heeft haar rechten tegenover de traditie, zoo goed als de traditie tegenover de critiek. Reeds op zich zelf is er plaats voor de vraag: zouden alle eeuwen het verkeerd hebben gezien en nu het licht dagen bij hen, die den geestelijken band aan de apostolische Kerk hebben doorgesneden? Terecht is opgemerkt: „Hoe weinig zin bezat niet de theologische wereld der 18e eeuw, om de eeuw der Reformatie te begrijpen; en hoe weinig geschiktheid bezitten niet de epigonen onzer groote philosophen, om terug te leven in de rijke naïeviteit van de wereld, waarin zich de heilige apostelen bewogen.” 2)

 

Onder de litteratuur die werd gebruikt, nemen de volgende werken de voornaamste plaats in: Calvijn’s Institutio en Commentarii, in het Corpus Reformatorum dl. 29 v.v. van Baum, Cunitz und Reuss, Joannis Calvini Opera quae supersunt omnia, Brunsvigiae 1863 v.v.; G. Voetius, Politica Ecclesiastica,


1) b. v. het optreden van Diotrefes in III Joh.
2) Dr. A. Kuyper, Encycl. d. H. godgeleerdheid2, Dl. III, bl. 266.

|16|

Amstelodami 1663-1676, sparsim; C. Vitringa, de Synagoga vetere, Franequerae, 1696; G.J. Planck, Geschichte der Entstehung und Ausbildung der christlich-kirchlichen Gesellschafts-verfassung im Römischen Staat. Hannover, 1803, Dl I; A. Neander, Geschichte der Pflanzung und Leitung der christlichen Kirche durch die Apostel, 5ste Aufl. Gotha 1862; N.C. Kist, Over den oorsprong van het bisschoppelijk gezag in de christelijke kerk, in verband met de vorming en den toestand der vroegste christengemeenten, in het Archief voor kerkelijke geschiedenis, inzonderheid van Nederland door N.C. Kist en H.J. Royaards, Leiden 1830; R. Rothe, Die Anfänge der christlichen Kirche und ihrer Verfassung, Wittenberg 1837; F.C. Baur, Das Christentum und die Kirche der drei ersten Jahrhunderten, Tübingen 1866 ; A. Ritschl, Die Entstehung der alt-katholischen Kirche, 2e Aufl. Bonn 1857; Th. Harnack, Der christliche Gemeindegottesdienst im apostolischen und alt-katholischen Zeitalter, Erlangen 1854; G.V. Lechler, Das apostolische und das nachapostolische Zeitalter, 3e Aufl., Karlsruhe und Leipzig 1885; K. Lechler, Die neutestamentliche Lehre vom heiligen Amte, Stuttgart 1857; Wilh. Pregel, Die Geschichte der Lehre vom geistlichen Amte, Nördlingen 1857; J.J.I. v. Döllinger, Christentum und Kirche in der Zeit der Grundlegung, Regensburg 1868; J.B. Lightfoot, The christian Ministry in St Pauls Epistle to the Philippians, London 1908; E. Rénan, Histoire des origines du Christianisme, Paris, 1866; A. Hausrath, Neutestamentische Zeitgeschichte, 3e Auflage 1875; W. Beyschlag, Die christliche Gemeindeverfassung im Zeitalter des N. Testaments, in de Verhandelingen uitgegeven door Teyler’s genootschap, Haarlem 1874; A. Hilgenfeld, Die Verfassung der christlichen Urgemeinde in Palastina; Die vorkatholische Verfassung der Christengemeinden, ausser Palastina; Die christliche Gemeindeverfassung in der Bildungszeit der katholischen Kirche, in Zeitschrift für wissenschaftliche Theologie 23e Jahrg. 1890; J.H. Maronier, De inrichting der christelijke gemeenten voor het ontstaan der kathol. kerk, in de Verhandelingen van Teyler’s Genootschap, Haarlem 1874; E. Hatch, Die Gesellschaftsverfassung der christlichen Kirchen im Altertum (mit Excursen von A. Harnack) Giessen 1883; A. Harnack, On the origin of

|17|

the christian Ministry in Expositor 1887 (en in denzelfden jaargang de verhandelingen van Dr. W. Sanday, J. Macpherson en C. Gore; A. Harnack, Die Apostellehre und die jüdischen beiden Wege, Leipzig 1896; idem, Die Mission und Ausbreitung des Christentums in den drei ersten Jahrhunderten, Leipzig 1902; idem, Entstehung und Entwickelung der Kirchenverfassung und das Kirchenrechts in den zwei ersten Jahrhunderten, Leipzig 1910; Carl Weizsacker, Das apostolische Zeitalter der christliche Kirche, 3e Aufl. Tübingen u. Leipzig 1902; E. Loening, Die Gemeindeverfassung des Urchristentums, Halle 1889; R. Seyerlen, Die Entstehung des Episkopats in der christlichen Kirche, mit besonderer Beziehung auf die Hatch-Harnack’sche Hypothese, in Zeitschrift für praktische Theologie 1887 (bl. 97-143, 201-245, 297-333); F. Loofs, Die urchristliche Gemeindeverfassung, in Theol. Studiën und Kritiken Jahrg. 1890; E. Schürer, Geschichte des jüdischen Volkes im Zeitalter J. Christi, 3e u. 4e Aufl., Leipzig 1907, 1909; Th. Zahn, Einleitung in das Neue Testament 3e Auflage, Leipzig 1906, 1907; idem, Skizzen aus dem Leben der alten Kirche, 3e Aufl., Leipzig 1908; F.J.A. Hort, The christian Ecclesia, London 1908; W.M. Ramsay, The church in the Roman Empire, 9th ed., London 1907; R. Seeberg, Lehrbuch der Dogmengeschichte, 2e Aufl., Leipzig 1910; N. Bonwetsch in J.H. Kurtz’s Lehrbuch der Kirchengeschichte, 14e Aufl., 1906; R. Sohm, Kirchenrecht I, Leipzig 1892; idem, Wesen und Ursprung des Katholizismus, in de Abhandlungen der philolog. histor. Klasse der königl. Sachsischen Gesellschaft der Wissenschaften, Leipzig 1909 ; Dr. F.L. Rutgers, Het kerkrecht in zoover het de Kerk met het recht in verband brengt, Amsterdam 1894; Jean Réville, Les origines de l’Episcopat, Paris 1894; O. Zöckler, Diakonen und Evangelisten, München 1893; W. Paterson, The church of the New Testament, London 1902; S. Davidson, The ecclesiastical Polity of the New Testament, London 1858; G.A. Jacob, The ecclesiastical Polity of the New Testament, London 1878; S.W. Louw, Het ontstaan van het Priesterschap in de christelijke kerk, Acad. proefschr., Utrecht 1892; R. Ruibing, De jongste hypothesen over het ontstaan van het Episcopaat,

|18|

Acad. proefschr., Groningen 1900; A. Mertens, De Hiërarchie in de eerste eeuw des christendoms, Amsterdam 1908; V. Ermoni, Les premiers ouvriers de l’Evangile, Paris 1908; F. Hupfeld, Die apostolische Urgemeinde, Berlin 1900; C.F. Heinrici, Das Urchristentum, Göttingen 1902; K. Rieker, Grundsätze reformierter Kirchenverfassung, Tübingen 1899; P. Wernle, Die Anfange unserer Religion, Tübingen u. Leipzig 1904; E. von Dobschütz, Die urchristlichen Gemeinden, Leipzig 1902; R. Knopf, Das nachapostolische Zeitalter, Tübingen 1905; H. Bruders, Die Verfassung der Kirche von den ersten Jahrzehnten der apostolischen Wirksamkeit an bis zum Jahre 175 n. Chr., Mainz 1904; P.A. Leder, Die Diakonen der Bischöfe und Presbyter und ihre urchristlichen Vorläufer, Stuttgart 1905; H. Weinel, Paulus als kirchlicher Organisator, Freiburg i.B. 1899; W. Kahl, Lehrsystem des Kirchenrechts und der Kirchenpolitik 1e Hälfte, Freiburg i.B. 1894; K. Lübeck, Reichseinteilung und kirchliche Hiërarchie des Orients bis zum Ausgange des 4en Jahrh., Munster i.W. 1901; S. v. Dunin-Borkowski, Die neueren Forschungen über die Anfänge des Episkopats, Freiburg i. Breisgau 1900; Dr. H. Bouwman, Het Ambt der Diakenen, Kampen 1907; E. Kühl, Die Gemeindeordnung in den Pastoralbriefen, Berlin 1885; H.J. Holtzmann, Die Pastoralbriefe, Leipzig 1880; P. Biesterveld, Dr. J. van Lonkhuizen, R.J.W. Rudolph, Het Diaconaat, Hilversum 1907; J. Wellhausen e.a., Die christliche Religion in die Kultur der Gegenwart, Berlin 1905 en 1909. Dr. B.J. Esser, Zending en Polygamie, acad. proefschrift, Baarn 1905; Erich Ziebarth, Das griechische Vereinswesen, gekrente Preisschrift der Jablonowskischen Gesellschaft. Leipzig 1896; Franz Poland, Geschichte des griechischen Vereinswesens, gekrönte Preisschrift der Jablonowskischen Gesellschaft, Leipzig 1909. Volledige litteratuuropgaaf in de jaargangen van het Theol. Jahresbericht von Krüger und Schian, en tot op het jaar 1900 in bovengenoemd werk van Dunin-Borkowski. Bovendien talrijke artikels in de Real-Encyclopaedie für protestantische Theologie und Kirche door I.I. Herzog 1e u. 3e Aufl. (de laatste door A. Hauck); in Wetzer und Welte, Kirchenlexicon 2e Aufl.; in de Encyclopaedia Biblica van Cheyne and Sutherland Black en in de Catholic

|19|

Encyclopaedia, New-York. Voorts de werken van Dr. A. Kuyper Sr. sparsim; Dr. H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, voorzoover verschenen, de tweede herziene en vermeerderde druk, Kampen 1906-1910; idem, Het Doctorenambt, Kampen 1899; De commentaren van Calvijn; van H.A.W. Meyer, Kritisch-exegetischer Kommentar über das Neue Testament, vrnlk. de door B. Weiss bezorgde 7e Aufl.; van Theod. Zahn, Kommentar zum N. Testament; H. Cremer’s Biblisch-theologisches Wörter-buch der Neutestamentlichen Gräcität. Voor het N. Testament vrnlk. de laatste uitgave van Tischendorf. Voor de apostolische Vaders de ed. van F.X. Funk, Patres Apostolici, Tübingae 1901. Voor Eusebius de uitgave van Dr. Eduard Schwarz in Die Griechischen christlichen Schriftsteller, Leipzig 1903.

Achtereenvolgens zal worden gehandeld over de organisatie in haar goddelijken oorsprong; over het Apostolaat als grond- en wortelambt; over de gemeente van Jeruzalem, waar de Christelijke Kerk in haar eerste gestalte optrad; over de Joodsch-Christelijke gemeenten, die in Palestina van Jeruzalem uit werden gesticht; over de Christelijke gemeenten onder de heidenen tot openbaring gekomen; over het onderscheid en verband van gave (charisma) en ambt; over de buitengewone diensten van Apostelen, Evangelisten, Profeten en Leeraars; over de blijvende diensten van Diakenen en Presbyters (Episcopen), om ten slotte in het „Besluit” de conclusiën saam te vatten, waartoe het onderzoek leidde.

Sillevis Smitt, P.A.E. (1910) HI

|20|

 

Hoofdstuk I.

De organisatie in haar goddelijken oorsprong.

 

Met opzet wordt in den titel van dit eerste hoofdstuk, waarin wij den oorsprong van de organisatie der N. Testamentische Kerk wenschen te onderzoeken, aanstonds die oorsprong aangeduid in zijn goddelijk karakter, om zoo pertinent mogelijk aan te geven het standpunt onzer beschouwing en alle misverstand af te snijden. Het zou te zwak wezen, te spreken van voorbereiding tot, of Ansätze voor of zelfs beginselen van de organisatie. Daarbij kon nog worden ondersteld, dat zij in haar verschijning vrucht was van menschelijke overwegingen of van natuurlijke ontwikkeling naar den aard van het wezen der Kerk, of product van allerlei invloeden. Van meet af moet het supranatureele van de Verfassung der Kirche op den voorgrond worden gesteld, geheel in overeenstemming met hetgeen beleden wordt van de Kerk zelve en van de H. Schrift. Daarmede is tegelijk het antwoord gegeven (en dit antwoord is onafscheidelijk van het geloofsstandpunt) op de dubbele vraag: was ze bedoeld of niet bedoeld, is ze naar menschelijken of goddelijken wil tot aanzijn gekomen? Namelijk: ze is wezenlijk bedoeld in den Raad Gods en tot stand gekomen naar goddelijken wil 1). In dit opzicht vindt de gereformeerde, de schriftuurlijke beschouwing een sterken bondgenoot in de belijdenis der Roomsche Kerk, hoe ver ook van dit gemeenschappelijk uitgangspunt voorts de lijnen uiteengaan.

Hierbij moet worden in het oog gehouden (wat reeds in de Inleiding werd gezegd), dat niet maar moet worden gedacht aan


1) Zie in verband met dit standpunt: Dr. A. Kuyper, Encycl. d. H. Godgeleerdheid2, Dl. III, bl. 468 v.v.

|21|

de Kerk als organisme, maar wel degelijk aan de Kerk als instituut, aan de Kerk gelijk zij onder haar Hoofd tot zichtbare, eigensoortige openbaring geroepen, van Hem de grond-ordinantiën voor haar bestaan heeft ontvangen, waardoor een rechtsorde in het leven geroepen wordt, rechten en bevoegdheden worden geboren, in den volsten zin des woords een kerkrecht ontstaat. En dit brengt ons in besliste tegenspraak met de richting, die in dezen tijd haar eminenten pleitbezorger vindt in Rudolph Sohm. Met een warmte en gloed van overtuiging, die eerbied afdwingt en geëvenaard wordt door een diep-wetenschappelijken blik, die tot principieele bestrijding dwingt, heeft Sohm in zijn reeds aangehaalde werken de theorie verdedigd: „das Wesen des Kirchenrechts steht im Widerspruch mit dem Wesen der Kirche.”

Zijn theorie, ontwikkeld in zijn Kirchenrecht I, een werk van hooge voornaamheid, heeft hij met groote scherpzinnigheid dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling eener oorspronkelijke hypothese betreffende het ontstaan van het Katholicisme, in zijn „Wesen und Ursprung des Katholizismus.” In onderscheidene hoofdstukken ontmoeten we Sohm dus vanzelf opnieuw, maar reeds nu moeten beide werken, om den nauwen samenhang, met elkander in verband worden beschouwd.

In korte trekken moge hier de ontwikkeling zijner gedachten worden weergegeven.

Het geestelijk wezen der Kerk sluit elke soort van kerkelijke rechtsorde uit, en in tegenstrijdigheid met het wezen der Kerk kon slechts een kerkrecht worden geboren, want het wezen der Kerk is geestelijk, het wezen van het recht is aardsch 1).

Sohm constateert voorts, wat volgens hem tot nu toe algemeen als waarheid wordt aangenomen: 1e. Het ambt in de Kerk was oorspronkelijk geen leerambt en dus geen geestelijk ambt, maar alleen bestuursambt. Het was dus in hoofdzaak een wereldlijk ambt, dat de organisatie dienen moest, terwijl het Woord door ieder gepredikt werd krachtens meegedeeld charisma. 2e. Er waren dus eigenlijk twee van elkander gescheiden organisaties, de eene charismatisch, betreffende de leer, de andere een


1) Kirchenrecht I, bl. X.

|22|

bestuursorganisatie, waarbij het ambt optrad. 3e. Die beide organisaties zijn saamgesmolten, omdat in verloop van tijd aan de bestuursorganen ook het leeren werd opgedragen.

Daarbij constateert Sohm, dat algemeen verlaten is het standpunt, dat de oudste organisatie synagogaal was (sedert E. Schürer’s onderzoekingen) en eveneens, dat ze ontleend was aan het heidensche vereenigingsleven: ,,es ist die Erkenntniss durchgedrungen, dasz die christliche Gemeindeverfassung ein ursprunglicher Erzeugniss des christlichen Geistes darstellt”; maar de meening blijft post vatten, dat ze naar haar wezen een „Vereinsverfassung” beteekende. Eveneens stelt hij als gangbare opinie, dat de organisatie locaal was, en dat uit die locale inrichting zich allengs het monarchisch episcopaat heeft ontwikkeld. Als georganiseerd verschijnt dus de locale, niet de organische kerk, die Einzelgemeinde, niet die Kirche, terwijl reeds in den apostolischen tijd de Kerk als rechtsvorm bestuursorganen had 1).

Wat nu Sohm’s eigen opvatting aangaat, is voor zijn gansche beschouwing normeerend zijn begrip van de ἐκκλησία des N. Testaments. Immer beduidt ἐκκλησία het heele volk van God, de gansche christenheid, en, wanneer er gesproken wordt schijnbaar van plaatselijke Kerken of zelfs huiskerken als organisaties, dan zijn dit echter nooit plaatselijke grootheden in empirischen zin, want die bestaan niet, maar dan vertegenwoordigen die ἐκκλησίαι slechts een dogmatisch „Werturteil”, want ze zijn niet anders dan verschijningsvormen van de heele Kerk. De idee eener locale Kerk bestaat ganschelijk niet voor de organisatie de Kerk. Gemeenten bestaan er niet, slechts verzamelingen, en die zijn als golven, op en nedergaande, komend en verdwijnend in den stroom van het kerkelijke leven. Alleen de Kerk bestaat, en derhalve ook alleen de Kerk is georganiseerd. Wat aan Verfassung te voorschijn treedt, moet in zich dragen het streven, Verfassung der geheele Kerk te zijn. Van corporatieve organisatie is geen sprake, en er zijn dan ook slechts oecumenische samenkomsten en organen. Wel heeft dus het organisme der Kerk organen, maar die behooren van nature niet tot een rechtsorde, want de organiseering van de ecclesia is een


1) Kirchenrecht, bl. 4-15.

|23|

organiseering van het Lichaam van Christus. In de plaats van alle wettelijke regeling staat de leer van het Woord des Heeren, waardoor alle organisatie charismatisch is. Door de charisma’s komt de διακονία op, als een van God opgelegde dienst, een ambt, maar dan voor heel de Kerk. De verdeeling dier charisma’s is de van God gegeven organisatie, en deze postuleert een vrije, geen wettelijke gehoorzaamheid, uit de liefde geboren: „es ist die Liebe das Höchste”. Nu heeft wel ieder christen charisma’s, maar sommigen munten uit boven anderen, en deze zijn πνευματικοί en heeten ἡγούμενοι, bovenaan de „Lehrbegabten”, de apostelen, profeten en leeraars. De kerkelijke tucht geschiedt alleen door de macht van het Woord, nl. door vermaning (νουθεσία); in allen tak van dienst beslist alleen de dienaar van het Woord, omdat het Woord alleen antwoord geeft op alle vragen 1).

Luther's diepe geest heeft het eerst die tegenstrijdigheid van alle rechtsverband met Christus’ Kerk gevat, want zijn uitgangspunt was het wezen der Kerk als religieuse grootheid 2).

Welnu, de onzichtbaarheid der Kerk ontrukt haar met noodwendigheid aan alle rechtsorde. 3) Daartegenover kenmerkte zich tot op Luther het Katholicisme hierdoor, dat het niet onderscheidde tusschen de Kerk in religieusen en geïnstitueerden zin (Rechtssin) 4); het kende maar één Kerk, de legitieme Kerk 5). Uit die gelijkstelling van de empirische Kerk met het door Gods Geest geregeerde Lichaam van Christus, is het recht opgekomen En dat kon nu eigenlijk ook niet anders, want het zit nu eenmaal in den mensch in, om het religieuse te willen veruitwendigen; het religieuse leven van de groote massa wil autoritair geregeerd zijn; de menschelijke ziel brandt van verlangen naar de zichtbaarheid van het onzichtbare. Maar, en dit verraadt de zwakheid in dat verlangen, daarmede is de geestelijke vrijheid prijsgegeven 6). Doch, zooveel is duidelijk, dit feit beduidt reeds in het oorspronkelijk christendom het punt, waaruit met noodwendigheid het Katholicisme resulteeren moest 7). Zeker, in den eersten tijd wist men van recht niets


1) Kirchenrecht I, bl. 16-38 en 66 v.v.
2) Wesen und Ursprung des Katholizismus, bl. 11.
3) idem, bl. 12.
4) idem, bl. 13.
5) idem, bl. 14.
6) idem, bl. 19, 20, 21.
7) idem, bl. 24.

|24|

af, maar alleen van de Christenheid als religieuse grootheid, maar men maakte aanstonds geen onderscheid tusschen de Christenheid in religieusen en in zichtbaren zin 1).

De eerste Kerk kende noch gemeenten noch rechtsorde; overal waar Gods Woord werd verkondigd, was de Kerk dezelfde ééne grootheid, alle functionarissen waren oecumenisch 2), ook de bisschoppen en diakenen 3); de organisatievorm was louter geestelijk, charismatisch, en het ambt was alleen geroepen tot religieus-zedelijk handelen 4). Evenwel, die charismatische organisatie leidde tot groote practische moeielijkheden, en levert het leven der Kerk aan pneumatisch anarchisme over. En, hoe wonderbaar het ook schijne, uit die anarchistische geestelijke inrichting is geboren het machtig kerkelijk lichaam, waarin het recht geheel domineert: de katholieke Kerk! En dat met ijzeren noodwendigheid. De kiemen lagen er in. Daarop te letten is de oplossing van het raadsel: reeds de eerste Kerk stelde de uitwendige zichtbare Kerk gelijk met de Kerk in religieusen zin. Zoo moest het tot wettelijkheid en formaliseering, ja tot vervalsching van het christendom komen 5).

Harnack’s bestrijding van Sohm is in den grond der zaak zwak, en kan niet anders dan zwak zijn, omdat Sohm’s standpunt te veel aan het zijne verwant is. Sohm dringt Harnack, hem bij zijn eigen uitspraken vasthoudende, waar hij niet wezen wil, omdat hij dan steen na steen ziet uitgebroken uit het gebouw, waaraan hij jaren heeft gearbeid. Met groote voldoening neemt Sohm er nota van, dat Harnack, onder den invloed van Sohm’s Kirchenrecht, zakelijk hem bijvalt 6), ja dat hij feitelijk zich op den bodem van zijn beschouwing heeft gesteld 7). Het valt aan Harnack uiteraard moeielijk dit geheel te logenstraffen, en zijn bestrijding van Sohm is eigenlijk dan het sterkst, wanneer deze hem in tegenspraak heeft zoeken te brengen met zichzelven 8).

Harnack wijst er eenerzijds op, en terecht, dat Sohm’s


1) Wesen und Ursprung des Katholizismus, bl. 25.
2) idem, bl. 26, 27.
3) idem, bl. 40.
4) idem, bl. 43.
5) idem, bl. 47, 48.
6) idem, bl. 7. Zie Harnack, Lehrbuch der Dogmengeschichte3 I. bl. 304, Anm. 1.
7) idem, bl. 33. Zie Harnack in Hauck’s Real-Encycl. für protest. Theol. und Kirche, Bd. 20, S. 508 v.v.
8) Harnack, Verfassung und Recht, bl. 133, 134 e.a.pl.

|25|

opvatting van ἐκκλησία niet deugt, aangezien, met verwijzing naar Mtth. 18: 20, het begrip Kerk zelf op aarde vordert een aaneensluiting en eigen organisatie 1). Anderzijds betoogt hij, dat kerkrecht, mits niet in den zin van het „goddelijk kerkrecht” der Roomsche Kerk, niet met het wezen der Kerk in strijd is. Maar hoe zwak is zijn eigen begrip van kerkrecht als het heet: „ein Kirchenrecht, welches z.B. behauptet, es könne und dürfe Regeln aufstellen, nach welchen Jemand aus der Kirche Jesu Christi aus zu schlieszen sei, behauptet damit offenbar eine frivole Absurditat, und vernichtet, wo es sich durchsetzt, das Wesen der Kirche”. 2) Hoe zwak wederom als hij zegt, dat de geloovigen wel degelijk gehoorzaamheid eischen aan de ordeningen, die voor het gemeenschapsleven zijn vastgesteld, maar er ver van zijn, om de handhaving dier rechten te stellen onder de autoriteit Gods 3). Overigens houdt hij staande, dat de Kerk niet kan blijven bij een louter charismatische organisatie (die ook Sohm toegeeft), hoewel ook daar reeds een beginsel van recht ligt 4).

Het ligt in den aard der zaak, dat onze verhandeling, waarin de institutaire organisatie tot Gods Woord teruggeleid wordt, geheel in tegenspraak is met Sohm’s theorie en daarvan, bijzonder in de verklaring der betreffende Schriftuurpiaatsen, een bestrijding zal zijn. In het algemeen zij reeds aanstonds het volgende opgemerkt:

1e. Het kerkbegrip, dat aan Sohm’s beschouwing ten grondslag ligt, moet leiden tot vreemde conclusiën. Onmiskenbaar is daarbij de invloed van de Luthersche leer van de onzichtbare en zichtbare Kerk, namelijk dat de onzichtbare Kerk alleen zichtbaar voortbestaat in de bediening van Woord en Sacramenten 5). Er ligt


1) Harnack, bl. 150, „das Genossenschaftliche, Korporative, kann auch vom sublimsten Begriff der Kirche nicht getrennt werden.”
2) idem, bl. 151.
3) idem, bl. 153.
4) idem, bl. 153 „Jedenfalls erkennt Sohm selbst an, dasz das Gemeinleben einer sichtbaren Menschengemeinschaft ohne irgend welche Form nicht sein kann, und dasz die gemeingültige Ordnung, die sie bedarf, sich grundsätzlich auch ohne die innere Zustimming des Betroffenen durchsetzen musz. Das ist aberRecht”.
5) Conf. August., art. VII, „Item docent quod una sancta ecclesia perpetuo mensura sit. Est autem ecclesia congregatio sanctorum, in qua evangelium recte docetur et recte administrantur sacramenta.
Door de verkondiging van het Evangelie, door het predikambt, waarin ➝

|26|

zeker wel een machtige waarheid ten grondslag aan de gedachte, dat iedere verzameling van geloovigen naar de idee een verzameling van de gansche Christenheid was. Het is namelijk ontegenzeggelijk waar, dat in organischen zin, als geestelijk Lichaam van Christus genomen, er eerst de eenheid, het geheel, is, en daarna de deelen er zijn, en dat elk deel evenzeer het volk Gods is als het geheel, maar de conclusies daaruit getrokken worden valsch, wanneer de deelen feitelijk gespiritualiseerd worden en als zichtbare corporaties worden geloochend. Sohm schijnt (met de juiste gereformeerde onderscheiding tusschen de zichtbare Kerk in organischen en in institutairen zin niet rekenende), niet anders te kennen dan een zichtbare Kerk in organischen zin. Hij maakt geen logische gevolgtrekkingen uit het feit, dat Christus Hoofd is, ook van de zichtbare locale Kerk, en dat daaruit voortvloeit een werking van Christus uit den hemel door middel van organen, waardoor vanzelf een organisatie met ordinantiën en regelen wordt in het leven geroepen.

2e. Sohm legt een vrees aan den dag voor het recht in religieuse dingen, die wijst op een bedenkelijke scheiding van natuur en genade, wereld en Kerk, schepping en herschepping. Hij beziet de Kerk niet van de souvereiniteit Gods uit, die beide terreinen omvat.

3e. Sohm ziet slechts een louter charismatische organisatie in heel het N. Testament. Reeds hetgeen verhaald wordt in Hd. 6 leert wel anders. Maar dit daargelaten, gaat het niet aan, de organisatie in den vorm waarin die optrad in den apostolischen, extra-ordinairen tijd, toen het charisma bloeide, als exempel te stellen voor alle tijden. Veeleer vinden we reeds in het N. Testament (denk aan de Pastoraalbrieven) de overgangen van het extra-ordinaire naar het ordinaire, van het meer charismatische tot het meer ambtelijke.


➝ de zichtbare Kerk ligt, moet. volgens de Lutherschen, de onzichtbare Kerk tot aanzijn komen. Het geloof in het Woord vereenigt met Christus. Zie o.a. Wilh. Preger, Die Geschichte der Lehre vom geistlichen Amte auf Grund der Geschichte der Rechtfertigungslehre, Nördlingen 1857, bl. 31: „Mann kann nur von einer sichtbaren Kirche sprechen, wo man darunter die mit der Sichtbarkeit des Zeugnisses Jesu verbundenen Menschen, und von einer unsichtbaren Kirche, wo man darunter die durch das sichtbare Zeugniss mit dem unsichtbaren Leben Jesu verbundenen Menschen versteht.”

|27|

4e. Het spiritualiseerend standpunt zou ten laatste ook leiden in perfectionistische paden, door weg te doezelen het verschil tusschen de Kerk in den hemel en op de aarde. In een gemeenschap van heilige menschen zou men het kerkrecht kunnen missen (het hoort dan ook niet tot het wezen, maar tot het welwezen der Kerk), maar in de ecclesia viatrix kan het Woord alleen effectief doorwerken, wanneer de werking niet tot het geestelijk leven beperkt blijft, maar in zichtbare kerkelijke handelingen de kracht van het Woord gehandhaafd wordt. Niet het feit, dat de Kerk aan rechtsvormen gebonden is, is voor haar vernederend, maar wel, dat die rechtsvormen zóó moeten zijn als met haar nog zondig leven op aarde strookt.

5e. Sohm komt met zich zelf in tegenspraak, wanneer hij eenerzijds zegt, dat de Urkirche geen recht kende en daardoor nog geheel zuiver was en naar Jezus’ wil zich openbaarde, en anderzijds, dat in haar toch kiemen lagen, die met ijzeren noodwendigheid zelfs tot het katholicisme moesten leiden; wanneer hij zoowel betoogt, dat de eerste christenen geen plaatselijke Kerk kenden, maar slechts verschijningsvormen van het Lichaam van Christus, als dat juist identificeering van deel en geheel het katholicisme in den schoot droeg. Immers, waren de kiemen er, dan was in beginsel de zaak zelf er. Op die wijze is dan de „Verbildung des Christentums” er op hetzelfde oogenblik geweest met de „Bildung des Christentums.”

Sohm’s denkbeelden zijn echter niet nieuw, noch zeldzaam. Zoo o.a. bestreed K. Lechler reeds dergelijke gevoelens in Höfling 1). En Schmiedel gaat van dezelfde gewraakte grondgedachte uit in zijn breede verhandeling over ,,the Ministry” 2).


1) Zie K. Lechler, Die N. Testamentliche Lehre vom heiligen Amte in ihren Grundzüge dargestellt, Stuttgart 1857, bl. 79, waar hij de voorstelling van Höfling bestrijdt (in diens Grundzüge evangelisch-lutherischer Kirchenverfassung, Erlangen 1853), die leert, dat het ambt slechts een noodwendig gevolg is van de door Christus gestichte prediking en sacramentsbediening, welke oorspronkelijk aan alle geloovigen toekomt, maar op enkelen wordt overgedragen. Volgens Höfling is de onzichtbare kerk de oorspronkelijke bezitster van het heilig Ambt.
2) Zie in Encyclopaedia Biblica s. v. „Ministry” van P.W. Schmiedel: alle wettelijke regeling is vreemd aan de religie als bestaande in een betrekking van God tot den mensch; het zou een groote misvatting zijn te meenen, dat Jezus een godsdienstige gemeenschap had gesticht.

|28|

Onder de talrijke bestrijdingen, die Sohm’s sterk geprononceerde ideeën hebben uitgelokt, kenmerkt zich door diepte van opvatting de critiek van Dr. F.L. Rutgers in zijn rectorale oratie van 1894. Hij dringt daarin door tot den wortel der dwaling, die Sohm aankleeft, wanneer hij haar terugleidt tot het Anabaptisme; wanneer hij de grondgedachte van zijn stelsel een miskenning acht zoowel van het wezen der Kerk (die wordt opgevat als een organisme buiten en tegenover het bestaande organisme der menschheid, terwijl zij juist dat herschapen organisme zelf is), als van het wezen des rechts (dat, opgevat als in strijd met het wezen der Kerk, al naar gelang men het uit den mensch afleidt, van den Staat laat uitgaan, of tot een van het geestelijk leven afgescheiden kring voegt, wordt overgeleverd aan pantheïsme, positivisme en spiritualistisch dualisme); ja zijn beschouwing brandmerkt als een misvorming of terzijdestelling van de grondslagen zelf der christelijke belijdenis, daar zij niet wil weten van het natuurlijke leven, dat ook uit God is 1).

Men kan de bezwaren tegen het pneumatisch-charismatisch anarchisme, dat Sohm voor de Kerk opeischt, nog uit het oogpunt bezien van practische ongerijmdheid en onhoudbaarheid. De mensch is een sociaal wezen, maar ook een religieus wezen, en zoo ligt de stichting van een sociaal-religieusen dienst in de schepping zelve van den mensch. Eeredienst is niet mogelijk in de eenzaamheid, maar slechts met medemenschen. Maar hoe zouden dan


1) Dr. F.L. Rutgers, Het Kerkrecht in zoover het de Kerk met het Recht in verband brengt, Amsterdam 1894, bl. 27, 31-37.
Van Luthersche zijde is van bijzonder gewicht de waardeerende, maar principieele critiek van Dr. Wilhelm Kahl, Lehrsystem des Kirchen-rechts und der Kirchenpolitik, 1ste Hälfte, Freiburg i.B. und Leipzig 1894, zie vooral bl. 71-82. Hij schijnt echter niet met het bestaan van gereformeerde beginselen te rekenen, gelijk die door Dr. Rutgers tegen Sohm werden in oppositie gebracht, wanneer hij zegt (bl. 74), eenerzijds tegen het Katholicisme, anderzijds tegen Sohm: „Der Protestantismus lehrt, dasz Christus weder Rechtsordnung gegeben, noch Rechtsordnung entzogen habe. Christus hat das Reich Gottes auf Erden gebracht. Alle Menschen und Völker sollen ihm gewonnen werden. Als Mittel hierfür sind Wort und Sacrament gegeben. Das ist der einzige Inhalt des geoffenbarten göttlichen Stiftungswillens. Darüber hinaus besteht die unendliche Freiheit der menschlichen Organisation.” — Zoo toch spreekt wèl de Luthersche, maar niet de gereformeerde Protestant!

|29|

ooit rechtsverhoudingen zijn weg te denken1)? De Kerk, als gemeenschap van menschen, kan niet worden saamgehouden zonder ambten, instellingen, leiders, dienst. De ideale conceptie en de actueele realisatie zijn in zeker opzicht tegengesteld 2). Maar de organisatie der Kerk is niet overgelaten aan de conceptiën van den mensch zelven, maar gebaseerd op beginselen, die, in aansluiting aan de behoeften van de menschelijke gemeenschap, als grondslagen door God zelf zijn gelegd. Christus zelf heeft opzettelijk zijn Kerk georganiseerd met de bedoeling „om zijn zaak niet over te laten aan de natuurlijke werking van realiteiten en ideeën”. Ze vindt haar grondtype in de geestelijke associatie der belijders; haar strekking in de bediening van Woord en Sacrament en haar forma in de ingestelde ambten. Dit zijn de drie grondlijnen, waaruit een gezonde of ook wel een ongezonde ontwikkeling kan voortkomen 3).

 

De organisatie der Christelijke Kerk moet worden afgeleid uit den Christus. Hij is de Organisator van zijn Kerk op aarde. In deze grondgedachte is haar wortelbestaan aangegeven en haar karakter aangeduid èn als goddelijk-supranatureel èn als opzettelijk bedoeld

Deze grondgedachte nu vindt van alle mogelijke zijden bestrijding, en eigenlijk hangt die saam met een miskenning van het wezen des Christendoms: Jezus heeft religieuse ideeën uitgesproken en gepropageerd, en hoogstens daardoor een Koninkrijk der hemelen willen stichten (aan welk Koninkrijk dan echter alle realiteit wordt ontnomen, om in wazige beeldspraak te vervluchtigen), maar van een planmatig arbeiden tot kerkstichting en organiseering mag geen sprake zijn 4). Welke velerlei factoren dan wel buiten den


1) Volkomen juist wordt dit uitgewerkt door den nog wel congregationalistischen S. Davidson, The ecclesiastical Polity of the New Testament, London 1848, bl. 54.
2) J.B. Lightfoot, The christian Ministry in St. Pauls Epistle to the Philippians, London 1908, bl. 181, 182.
3) Dr. A. Kuyper, Encycl. III2, bl. 227, 228.
4) Slechts één greep uit vele.
Zoo reeds G.J. Planck in zijn „Geschichte der Entstehung und Ausbildung der christlich-kirchlichen Gesellschaftsverfassung im Römischen Staat, Hannover 1803, Dl. I. Planck gaat op de moeilijke problemen ternauwernood ➝

|30|

wil van Jezus op de Christelijke Kerk zouden hebben ingewerkt om haar die organisatie te geven, waarmede ze is opgetreden, zal


➝ in. Hij steekt niet hoog boven de Rationalisten uit, schoon zijn werk wel van wat dieper inzicht getuigt, en hij op het begin staat van den weg, die tot breeder onderzoekingen heeft geleid. Op bl. 13 stelt hij de vraag, of Jezus organisator was, en antwoordt dan, dat Christus zijn leer wilde verheffen boven het Jodendom, maar dat het onzeker is, of Hij wilde, dat de zijnen een zichtbare Kerk zouden formeeren. In elk geval (bl. 16) kan men niet zeggen dat de Kerk door Hem is gesticht.
J.H. Maronier, a.w. bl. 1: Jezus heeft geen Kerk gesticht, het eenig doel was de stichting van een Koninkrijk der hemelen op aarde. Blz. 132 „de latere verheffing van Christus tot Hoofd der gemeente was de weg tot het bisschoppelijk gezag.”
P. Wernle, Die Anfänge unser Religion, Tübingen u. Leipzig 1904. De hoofdgedachte van dit werk, dat zeer veel opgang heeft gemaakt en om zijn aanstootelijk cynische behandeling van wat tot het terrein der Openbaring behoort, het ultra der moderne richting doet kennen, wordt aldus aangegeven (bl. VIII): Jezus en Zijn Evangelie als maatstaf te nemen ten einde de geheele geschiedenis van het Urchristentum te keuren, terwijl hij de critiek der geschiedenis zal laten spreken in haar machtige objectiviteit (te voren wordt echter uitgemaakt welke schriften als echt of onecht zullen worden erkend). Van Jezus nu heet het (bl. 83) dat Hij de Kerk niet heeft gesticht, daar zich bij Hem niet de zin openbaarde tot het institutaire. Wel was er tijdens Jezus een christelijke gemeenschap in idealen zin, maar de aaneensluiting en organisatie ontbrak (bl. 89).
Jean Réville, Les origines de l’Episcopat, Paris 1894, bl. 24-26. Jesus de Nazareth a fondé une religion; il n’a pas créé d’Eglise nouvelle . . . . Les grands idéalistes comme Jésus ont confiance dans la puissance interne de la vérité qu’ils voient, lumineuse, dans leur esprit, et qui s’impose à leur conscience. Ils sèment le bon grain à pleines mains et laissent au Père céleste le soin de la faire germer. Qu’ importent à Jésus les formes extérieures du culte, qu’ importent les dispositions organiques de Ia société religieuse, pourvu que les coeurs soient remplis de l’amour pour Dieu et pour le prochain, pourvu que ses disciples aient faim et soif de justice, bref, pourvu qu’ils se pénètrent de son esprit?”
Harnack, Verfassung und Recht, bl. 10 v.v. H. ziet slechts een gradueel verschil tusschen de R. katholieke en de reformatorische beschouwing, wijl beide de organisatie tot Christus terugleiden. Hij stelt het principieele verschil. Beide beschouwingen staan of vallen volgens hem met enkele uitspraken van het N. Testament, vooral van Matth. 16 en 18, die naar het vonnis der critiek onwedersprekelijk onecht zijn! En daarmee is elke band tusschen Jezus en de Kerk met haar ordeningen doorgesneden! Blijft alleen de geestelijke band, ook wanneer Christus de Kerk noch gesticht noch gewild heeft. Blijft, dat het zijn jongeren als geloovigen zijn geweest, die de Kerk hebben gevormd; Hij heeft alleen de twaalf aangewezen als verbreiders van Zijn leer. Maar al wat geworden is, werd niet als gevolg van een plan, maar is ➝

|31|

bij de bespreking der ambten nader worden in het licht gesteld.

De erkenning van Christus als de Organisator zijner gemeente hangt op het innigst saam met twee dingen, waarvoor men alleen op de basis der H. Schrift oog kan hebben, n.l. de eenheid die er is tusschen zijn doen en den Raad Gods, en de eenheid tusschen de kerk des Ouden en des Nieuwen Verbonds.

Wat het eerste betreft, ligt die eenheid allerwege uitgedrukt, waar Christus zichzelf de Gezondene noemt. Want hiermede wordt gezegd, dat Hij door den Vader ambtelijk geroepen is, om voor een bepaald bestek op uitdrukkelijken last, met vaststaand doel een werk te werken. Gedurig noemt Hij den Vader ὁ ἀποστείλας με of ὁ πέμψας με (zoo b.v. Mk. 9: 37; Joh. 9: 4). En de strekking van dit zenden door den Vader is een zenden door Hem. Daarom noemt Hij de twaalven ἀπόστολοι (Lk. 6: 13). En de samenhang tusschen beide zendingen komt wel zeer duidelijk aan het licht, wanneer Hij zegt: καθὼς ἀπέσταλκέν με ὁ πατήρ, κἀγω πέμπω ὑμᾶς(Joh. 20: 21). Wanneer we nu bedenken, dat bepaaldelijk door de roeping tot het Apostolaat de Kerk de vastheid van haar organisatie heeft gekregen, dan gevoelen we, hoe, bij die correlatie der zending van Christus zelf en van de apostelen, de organisatie der Kerk langs de apostelen en Christus henen, in den Raad Gods haar eerste grondslagen vindt.

Wat het tweede aangaat, de eenheid tusschen de Kerk des Ouden en des Nieuwen Verbonds, is eenige nadere toelichting noodig. Bedoelde men met de bestrijding van Christus als Kerkstichter, dat Hij niet de Kerk als een nieuwe schepping heeft voortgebracht, er zou geen bezwaar zijn. De Kerk was er reeds en wel op zulk een wijze georganiseerd, als geschikt was, om zijn komst in het vleesch in alle opzichten te dienen. Maar ook in dit opzicht is met Hem al het oude voorbijgegaan en alles nieuw geworden. Hij staat op de scheidslijn der oude en der nieuwe bedeeling, en de Kerk ontvangt van Hem de grondlijnen


➝ vanzelf voortgekomen, onder invloed van de tijdsomstandigheden, uit een gemeenschap van broederen, die door Jezus God hadden gevonden en die stonden in de Joodsche Theocratie. In die beide lagen de beginselen voor een duale ontwikkeling, n.l. van een de menschheid omvattenden broederbond, maar ook van een Kerk, die zich tot het katholicisme heeft ontwikkeld.

|32|

eener inrichting, die aan het wezen der Kerk, als Lichaam onder haar Hoofd, beantwoorden moest. Daarom kon eenerzijds die inrichting niet vreemd zijn aan die van het Oude Testament, aangezien ook toen de Kerk er was en geen organisatie bezitten kon, met haar wezen in strijd, — dat is het oude. Maar toch moest die van Christus ontvangen organisatie een eigen, zelfstandig karakter dragen, omdat ze dienen moest voor de Kerk, gelijk nu haar centraal heiligdom niet meer op de aarde, maar in den hemel zou wezen, en niet meer als nationale maar als oecumenische Kerk zich openbaren zou, — dat is het nieuwe. Reeds vóór de formatie van Israël was de Kerk universeel geweest in haar patriarchale periode, maar miste toen nog elke zelfstandige organisatie. Met Israël’s formeering werd dit anders. Maar, al bezat toen de Kerk een wel belijnd instituut, zij miste een eigensoortig bestaan, omdat dit instituut was ingeweven in het nationale leven 1). Slechts op zekere hoogte kon er dus van een aansluiting sprake zijn van de N. Testamentische organisatie aan de Israëlietische. Maar dan van een aansluiting aan de institueering, gelijk die door God zelf opzettelijk in samenhang met heel Israël’s existentie was geschonken, terwijl daarbij moet worden in het oog gehouden, dat in nuce reeds de wereldkerk in Israël besloten lag. Niet aan de organiseering, zooals die zich in den na-exilischen tijd, toen Israël in de diaspora, het eigenlijke oude Israël, dat rondom Zion zich legerde, niet meer zijn kon, en in de synagogale inrichting in alle deelen der wereld een surrogaat zocht voor wat het had verloren. Christus deed zijn Kerk zijn een uitgroeiing van den qāhāl in Israël, niet een copie van de synagoge. Afgezien daarvan, dat ook in de synagoge een element school, dat voorbereidend heeft gewerkt met het oog op de nieuwe bedeeling, beteekende toch de organisatie door Christus gesticht, juist de losmaking van de synagoge en de voortzetting, nu oecumenisch, van den qāhāl. Ook in de taal heeft God dit willen vastleggen. Israëls gemeente werd genoemd met twee namen: ‘edāh en qāhāl. Soms werden beide saam gebruikt, zooals in Ex. 12: 6, in onze vertaling: „de gemeente der Vergadering in Israël.” Het


1) Zie o.a. Dr. A. Kuyper, Encycl. d. H. Godgl.2 III, bl. 226 v.v.

|33|

eerste duidt meer aan de vergadering der kinderen Israëls. Het tweede, Israël, gelijk het als gemeente des levenden Gods door Hem uit de twaalf stammen was opgebouwd, en geroepen was om als ‘edāh tot zijn God te naderen, en Hem te ontmoeten. In dat laatste woord was dus het karakteristieke van de Kerk des Heeren zeer duidelijk uitgedrukt. En nu is het eigenaardig, dat in de vertaling der LXX van Deutern. af, ἐκκλησία genomen is en niet συναγωγή als de gewone overzetting van qāhāl. (‘edāh wordt nooit anders vertaald dan door συναγωγή; qāhāl in Gen., Ex., Lev , Num. door συναγωγή, elders bijna altijd door ἐκκλησία). Waarschijnlijk om de gemeenschappelijke beteekenis in beide woorden van „oproepen” (Num. 10). En zoo was onder de Joden in de diaspora door de algemeen gebruikte Septuagint ἐκκλησία uitnemend bekend als de schriftuurlijke aanduiding van de Gemeente Gods. Wanneer dus straks Messias zou spreken van zijn ἐκκλησία, die Hij bouwen zou, dan werd aanstonds gevoeld, dat hier een continuïteit was. waarin de eenheid der Kerk door Hemzelf gewaarborgd was 1).


1) Van belang is wat hierover wordt verhandeld door F.J.A. Hort, The christian Ekklesia, London 1908, bl. 4 v.v.
Zie voorts: Dr. H. Bavinck, Geref. Dogm. IV, bl. 3 v.v.; Dr. A. Kuyper, Locus de Ecclesia, (college-dictaat) bl. 11, 12; E. Schürer, Geschichte des Jüdischen Volkes4 Dl. II, 498 v.v.
A. Harnack in Verfassung und Recht, bl. 12, acht het een gelukkige greep, dat de christenen zich ἐκκλησία noemden; evenwel later eerst, toen hun gemeenschap geen broederbond meer was, want aan Jezus is het woord niet ontleend, daar in Matth. 16 en 18 ἐκκλησία valschelijk Jezus in den mond is gelegd. Men had het woord door de Septuagint, waar wel „eeda” door συναγωγή was vertaald, maar het inniger woord „kahal”, waarin de betrekking tot God ligt uitgedrukt, door ἐκκλησία. De naam „λαός” hield geen stand, en omdat men eenmaal ἐκκλησία had, was het onnoodig zich συναγωγή te noemen. Men was ten aanzien van de Apostelen geen schola, ook geen synagoge, zooals die van de Libertijnen enz., maar de van God geroepen gemeente. Door zich ἐκκλησία te noemen onderscheidden zich de christenen scherp van het Jodendom in de diaspora. Paulus ging op dit thema dieper in en verbond er een Christus-Kerk-speculatie aan, op de basis van het oude Verbond met God, en daardoor werd de Kerk gemaakt tot een aardsch-hemelsch lichaam, waarvan alles kon gezegd worden wat van Christus kan gezegd, ja het werd Christus zelf.
Ons is het eerste meer dan een gelukkige greep; het laatste meer dan een speculatie!
Gousset, Lexic. ling, hebr. 1743 (bij Cremer, Biblisch-theologisches ➝

|34|

Voorbereidend tot dien overgang van het nationaal-symbolische instituut van Israël tot het oecumenisch-reëele van de Nieuw-Testamentische Kerk heeft in Israël gearbeid de wegbereider des Heeren, Johannes de Dooper, zelf nog hoorende tot de oude bedeeling, maar overleidende tot de nieuwe. Hij vergaderde rondom zich een kring, dien Jezus straks slechts had over te nemen uit zijn hand, en in dien eng gesloten kring van μαθηταὶ τοῦ Ἰωάννου, door den doop afgebakend, lagen reeds de elementen, in prediking, in sacrament, in gebed, die straks voor het nieuwe instituut constitueerende beteekenis zouden hebben 1). Johannes de Dooper deed vóór Christus, wat de apostelen deden ná Hem; hij trad organiseerend op tot Christus, om voor Hem den weg te effenen: zij traden organiseerend op van Christus uit, terwijl zij in den door Hem betreden weg den voet zetten. Tusschen Jezus en zijn wegbereider valt dit verschil in het oog, dat Johannes geen ambten instelt, maar Jezus wel, en dit ligt voor de hand, waar heel het optreden van Johannes slechts een voorbijgaand karakter droeg, terwijl al wat blijvend was zou worden ingesteld door zijn Heer, die na hem komen zou.

Wat Jezus deed als Organisator zijner gemeente, was niet het optrekken van het gansche gebouw zijner zichtbare Kerk. Dit behoorde tot zijn werk niet op aarde, maar uit den hemel door den Heiligen Geest, dien Hij als den Levensadem in zijne gemeente uitstorten zou. Maar wat Hij deed, was tot dien bouw de fundamenten leggen, de lijnen trekken, het kader leveren. Hij bereidde langzaam voor, wat met zijn dood en hemelvaart eerst kon worden voltooid: de breuk met het nationaal instituut, en waar deze, naar den aard van zijn werken, niet met één slag voldongen was, maar in een weg van geleidelijkheid werd voltrokken, kon het nieuwe instituut ook eerst langzaam, van stuk tot stuk, zijn


➝ Wörterbuch der Neutestamentlichen Gräcität s.v. ἐκκλησία) geeft aldus het verschil aan: qāhāl spectat compositionem coetus ex materia sua, quae consistit in hominibus prius distributive conceptis et nunc collectis; ‘edāh spectat formam conventus hominum tempore indicto ad locum indictum ex officio et ex voluntate ad rem aliquam agendam coeuntium, ac comitia legitima habentium”.
1) Zie mijn Johannnes de Dooper, Amsterdam 1908, bl. 171, 178.

|35|

gestalte vertoonen. Zijn institueerend werk begon met de verkiezing van de twaalf, van de zeventig, straks nog eens met de verbijzondering van een drietal uit de twaalf. Getallen, die (wat hier slechts wordt aangestipt) verband hielden met Israëls formatie en instellingen, en overduidelijk een organiseerende strekking hadden. Ook de doop, door Johannes bediend en aan de discipelen overgedragen, eerlang, na de opstanding verheven tot Nieuw-Testamentisch sacrament; ook het gebed, als bede der discipelen aan den kring verbonden; niet het minst de instelling van het tweede sacrament (weer in aansluiting aan Israël’s symbolische inzetting) in dien voor de organisatie der kerk zoo beteekenisvollen nacht van het laatste Paaschfeest met zijn jongeren; en eindelijk boven alles de instelling van het Apostolaat, voorbereid door de verkiezing en benoeming der twaalven (Luk. 6: 13), maar definitief bekrachtigd na de opstanding, mogen allen twijfel wegnemen, dat de Gezondene des Vaders, tot zenden, tot institueeren, tot scheppen van een levensforma zijner gemeente, zich van Godswege geroepen zag, en zoo zijn Kerk, door Hem vergaderd, heeft toebereid tot het ontvangen van den H. Geest, die zou voortbouwen, door zijn apostelen, op den door Hem gelegden grondslag.

Tot bewijs, dat Jezus heeft georganiseerd en geïnstitueerd is van buitengewoon gewicht, dat Hij Zelf tot tweemalen toe (alleen bij Matth. meegedeeld) het woord ἐκκλησία heeft gebezigd 1):


1) Hoe Harnack zich gedurig aan petitio principii schuldig maakt en lichtvaardig met de bronnen handelt, blijkt, waar hij door de volgens hem noodzakelijke verwerping dezer beide uitspraken als woorden van Jezus zelf allen band tusschen Jezus en Zijn Kerk met haar ordeningen ziet doorgesneden, Verfassung und Recht, bl. 3. Zoo er op los critiseerende kan men makkelijk gaan phantaseeren van een „Christus-Kirchen-Speculation” door Paulus (zie bl. 33, noot).
Vreemd, dat ook een Katholiek als A. Mertens (a.w. bl. 59) kan zeggen, dat hij over de vraag of Jezus het woord ἐκκλησία gebruikt heeft, niet zal twisten, maar zeker is alleen, dat Christus een gemeente heeft gesticht en die van den aanvang af heeft op het oog gehad. Ook hieruit blijkt weer hoe zwak Rome zich stellen kan tegenover de Schriftcritiek.
Deze beide plaatsen zijn der critiek een doorn in het oog. Maronier a.w. bl. 211-213 constateert, dat men hier vrijwel op den weg is van het kerkbegrip van later dagen, en stelt deze uitspraken in den tijd, toen men zich Jezus dacht als den Stichter der Kerk en Petrus als het fundament.

|36|

Mtth. 16: 18 κἀγὼ δέ σοι λέγω ὅτι σὺ εἶ Πέτρος, καὶ ἐπὶ ταύτῃ τῇ πέτρᾳ οἰκοδομήσω μου τὴν ἐκκλησίαν, en Matth. 18:17 ἐὰν δὲ παρακούσῃ αὐτῶν, εἰπὸν τῇ ἐκκλησίαᾳ ἐὰν δὲ καὶ τῆς ἐκκλησίας παρακούσῃ, ἔστω σοι ὥσπερ ὁ ἐθνικὸς καὶ ὁ τελώνης. (de eene maal sprekende van de Kerk als organisme onder haar Hoofd, de andere maal als locaal instituut.)

In Mtth. 16:18, „οἰκοδομήσω μου τὴν ἐκκλησίαν,” ligt het volgende, wat de aandacht verdient: 1°. het feit, dat Jezus het woord ἐκκλησία gebruikt, is, optredende in Israël, zeer natuurlijk, en verheft boven allen twijfel, dat, wat Hij stichten komt, niet is iets nieuws, maar de Nieuw-Testamentische voortzetting van den Oud-Testamentischen „kahal” (Am. 9: 11 cf. Hd. 15: 16); 2°. daarmede stelt Christus zijn Kerk tegenover de synagogen (cf. Hd. 2: 47); 3°. Hij spreekt van iets wat Hij in de toekomst doen zal, niet alsof niet reeds met Johannes den Dooper de bouw van de Nieuw-Testamentische gemeente was begonnen en door Hem aanvankelijk voortgezet, maar omdat eerst met den Pinksterdag het gebouw zijner Kerk zijn breeden grondslag in de wereld vinden zou; 4°. door te spreken van een οἰκοδομεῖν hecht Hij aan het organische begrip het institutaire; 5°. de wijze waarop Hij bouwen zal, ligt schoon uitgedrukt in ἐκκλησία (resp. „kahal”), nl. dooreen καλεῖν, een κηρύσσειν; 6°. Jezus brengt in innig verband met elkander de begrippen Kerk en Koninkrijk der hemelen, en het bouwen der gemeente met de sleutelen des Koninkrijks. De gemeente is de zichtbare representatie van het reëele, geestelijke Koninkrijk, waarin verondersteld worden wetten, gezag en gehoorzaamheid. Uit het oog te verliezen, dat Kerk en Koninkrijk der hemelen, hoezeer onderscheiden, innig saamhangen, leidt tot miskenning van het recht in de Kerk. Zonder Koninkrijk der hemelen als achtergrond, mist de Kerk de gegevens voor haar organisatie, en zonder de Kerk op aarde heeft het hemelsch Koninkrijk geen zichtbare realiseering. Vandaar de valsche tegenstelling in de huidige moderne Theologie tusschen beide: Jezus kwam een Koninkrijk stichten, niet een Kerk. 1)


1) Dit onderscheid kan hier niet breeder worden uitgewerkt. Zie hierover Dr. H. Bavinck, Ger. Dogm. IV, bl. 27. Dr. A. Kuyper, E Voto Dordraceno II, bl. 113 v.v. en III, bl. 270, en mijn Johannes de Dooper, bl. 141 v.v.

|37|

Bij Mtth. 18: 17 valt op te merken: 1e. dat Jezus op het oog heeft de locale vergadering zijner geloovigen als instituut, blijkens de disciplinaire acte waarvan hier sprake is 1); 2e. dat van organen en ambten nog geen gewag wordt gemaakt, daar deze eerst in het vervolg zouden opkomen; 3e. dat hij wel de Nieuw-Testamentische Kerk, gelijk die straks allerwege tot openbaring zou komen, bedoelt, maar toch reeds nu in zijn discipelen de kern en aanvang zijner gemeente aanschouwt, en ongetwijfeld, mutatis mutandis, zich aansluit aan de toenmalige instelling in de Joodsche gemeente, waar door de oudsten de tucht werd geoefend 2); 4e. dat van een uitsluiting der geloovigen van de regeering en van de oefening der discipline in de Kerk geen sprake mag zijn, en zulk een uitsluiting derhalve met een beroep op Mtth. 16: 19, waar aan Petrus de sleutelmacht wordt toegekend, niet kan worden verdedigd.

Alles saamgenomen blijken deze beide plaatsen voor het institueerend werk van Christus classieke waarde te bezitten.

De onderscheidingen bij het naamsgebruik ἐκκλησία komen eerst later duidelijk op. En dan is op te merken, dat het allereerst steeds


1) Hoezeer Sohm geen gewrongen exegese ontziet, om zijn miskenning van de locale kerk te staven, zelfs tegenover deze plaats, blijkt uit Wesen und Ursprung des Katholizismus, bl. 37 (noot): „mit dem Schlusz: εἰπὸν τῇ ἐκκλησίᾳ etc ist von einer „Gemeinde” als einer geschlossenen Grösze überhaupt keine Rede, sondern nur von der ,,Christenheit” d.h. der Christenversammlung, zu welcher der Sünder sich tatsachlich halt, mag sie grosz, mag sie klein sein. Dann aber wird gerade durch diese Stelle klar, dasz die Versammlung (die Ekklesia) in der Urzeit keine Strafgewalt übt, sondern nur ermahnt. Bleibt die Ermahnung fruchtlos, so erfolgt keine Regierungshandlung, kein „Bann”, überhaupt kein Vorgehen der Versammlung (Ekklesia), sondern dem einzeln Christen („dir”) liegt es ob, den, welcher die Stimme Gottes nicht horen will, als ipso jure aus der Christengemeinschaft ausgeschieden zu behandeln.”
Terecht wordt deze zonderlinge exegese door Harnack ontzenuwd, in Verfassung und Recht bl. 169 (noot). Reeds uit het 2 of 3 getuigen blijkt, dat er van een empirische corporatieve grootheid sprake is, en het enkelv. σοι is uit den ganschen opzet van het betoog te verklaren, en de disciplinaire acte is eerst effectief, wanneer anderen zich aan dit individueele oordeel aansluiten.
2) Er is verschil over, of Jezus de bestaande Joodsche gemeente op het oog heeft, of de christelijke gemeente. P.W. Schmiedel o.a. (s.v. ➝

|38|

blijft gebezigd als aanduiding van de geheele Kerk als lichaam van Christus. Dien zin heeft het ook in Hd. 9: 31, waar van de ἐκκλησίαι καθ᾽ ὅλης τῆς Ἰουδαίας gezegd wordt: εἶχον εἰρήνην, οἰκοδομοὐμεναι 1), waar het meervoud niet ziet op een geïnstitueerde landskerk (want daarvan is nimmer sprake), maar van de geestelijke openbaring van Christus’ Lichaam in al die plaatselijke Kerken. Maar dan wordt het ook gebruikt van de geïnstitueerde Kerk, steeds plaatselijk, hetzij zij vergaderd is of niet. En eindelijk eveneens van de huisgemeenten 2).

Voor de fundeering van de Nieuw-Testamentische Kerk door Christus zelf, zijn van hooge beteekenis de veertig dagen tusschen opstanding en hemelvaart. Met het oog op zijn sterven was aan den Paaschdisch de breuke met het instituut van Israël voorbereid; door zijn dood en opstanding was ze tot een feit geworden. Zijn dood scheen de apostelen, reeds te voren tot apostelen verkoren, voorgoed te hebben uiteengedreven, maar zijn opstanding is het sein tot verzameling naar Jeruzalem (1 Cor. 15: 4 v.v.). Zijn opstanding was als het verrijzen van het Apostolaat tot zijn nieuwe, oecumenische roeping. Ze is de triumf van het nieuwe over het oude 3).


➝ „Ministry” in de Encycl. Biblica) meent, dat gemeente alleen op de Joodsche gemeenschap ziet, maar in verband met zijn voorstelling, dat Jezus geen godsdienstige gemeenschap heeft gesticht. W. Beyschlag, a.w. bl. 1, daarentegen wil met het futur. οἰκοδομήσω in Mtth. 16: 18 en met Mtth. 18: 20, waar Jezus spreekt van een vergaderd zijn in zijn naam bewijzen, dat alleen van de toekomstige gemeente sprake is. Maar beide staan niet los van elkander. Zoo reeds Calvijn i.l.: „Sed quia tune nulla adhuc Ecclesia erat quae Christo nomen dedisset, nec talis ratio constituta, ipse autem Dominus tamquam de more usitato receptoque loquitur: non dubio est quin ad veteris Ecclesiae ordinem alludat, sicuti et aliis locis ad consuetudinem notam accomodat sermonem”.
In denzelfden zin ook F.J.A. Hort a.w. bl. 9 „Here our Lord is speaking not of the future but the present. The actual precept is hardly intellegible if the ecclesia meant is not the Jewish local community. The principle holds good in a manner for all time.”
1) Alzoo in den T. Rec. Tisschendorf echter geeft op goede gronden de lezing in singulare. Dan vervalt van zelf alle moeielijkheid.
2) Cf. Dr. H. Bavinck, Ger. Dogm. IV, bl. 6. Dr. A. Kuyper, Loc. de Eccl., bl. 169.
3) Treffend is het pleidooi, dat G.F. Heinrici in Das Urchristentum ➝

|39|

Tot het gewichtigste wat Jezus zich had voorgesteld te doen in die voor heel de Kerk onschatbare 40 dagen, behoort de bevestiging zijner discipelen in hun apostelschap, en wel, gelijk dit nu van een missie tot Israël tot een wereldmissie zich uitbreiden zou. Daarom, Joh. 20: 21 en 22, εἶπεν οὖν αὐτοῖς πάλιν˙ εἰρήνη ὑμῖν˙ καθὼς ἀπέσταλκέν με ὁ πατήρ, κἀγω πέμπω ὑμᾶς. καὶ τοῦτο εἰπὼν ἐνεφύσησεν καὶ λέγει αὐτοῖς˙ λάβετε πνεύμα ἁγιον. Het mededeelen van den H. Geest is niet een vooruitgrijpen naar het Pinksterwonder, hetgeen reeds blijkt uit het ontbreken van het artikel, maar een toerusting tot hun apostolisch beroep, blijkens vs. 21, en tot dit beroep, gelijk dit, na de opstanding, in Mtth. 28: 19 en Mtth. 16: 15 nader is omschreven. Hebben nu de apostelen Jezus naar den hemel zien varen, dan keeren ze, naar zijn aanwijzing (Hd. 1: 4, 8), van den Olijfberg naar Jeruzalem terug, en leven daar voort als een kleine gemeente, bestaande uit de apostelen, Maria, de moeder des Heeren, en andere vrouwen en uit de broederen des Heeren, in het geheel toen reeds een getal dat het tienvoud van de twaalven omvat, een getal, dat met het oog op de organisatie ongetwijfeld van symbolische beteekenis is. Blijkbaar treden de apostelen aanstonds, nu hun Heer weggenomen is, op met macht en autoriteit, en zijn zich zoozeer bewust van hun door den Heere geschonken ambtelijke positie, dat zij aanstonds op de bewaring van hun college, in het oorspronkelijk getal, bedacht zijn. Hierbij valt op te merken, dat van het eerste oogenblik af de Kerk niet zonder regeering is geweest; dat die regeering in het gemeenschappelijk optreden der apostelen reeds eenigermate de gestalte droeg van een Raad; dat evenwel aan de gemeente een groote mate van zelfstandigheid wordt toegekend in het kerkelijk handelen. Wat dit laatste


➝ houdt voor de waarheid der opstanding (hoewel hij toch aan het Pinksterfeit geen historische waarde toekent, bl. 45), bl. 36 v.v.: „die Tatsache wird nicht erschüttert, dasz ohne die Auferstehung Jesu das Evangelium Jesu ein Torso ist und das Christentum ein Räthsel bleibt. Das leere Grab Jesu ist durch geschichtliche Kritik nicht wegzudeuten . . . . Der Umschlag der Jünger aus Unglauben zum Glauben, aus Versagtheit zum unerschütterlichen Bekennermut, der auch das Leben einsetzt für den Glauben, bleibt eine Tatsache, die sich aus Illusionen nicht ableiten läszt. Und die Frucht dieses Glaubens ist das Christentum.”

|40|

aangaat, Petrus onderwerpt, niet zonder leiding aan de gedachten te geven, de aanvulling van de open plaats onder de apostelen aan het oordeel der vergaderden, en deze (vs. 23) stellen er twee, terwijl de beslissing uit dit tweetal in ’s Heeren hand wordt gelegd. Het instituut der Kerk is er; het ambt is er; het spreken in den naam des Heeren is er.

Reeds hier, vóór het Pinksterwonder, bestaat derhalve de gemeente georganiseerd, hetgeen ook blijkt uit Hd. 2: 41, waar van een προσετέθησαν wordt gesproken.

De uitstorting van den H. Geest op de ἅπαντες, die ὁμοῦ ἐπὶ τὸ αὐτό verzameld waren (de apostelen met de μαθηταί), raakt den achtergrond der organisatie in het innerlijke leven der gemeente. Eerst was, op aarde, Jezus middelpunt; thans ontvangen ze met den H. Geest het ware Levensbeginsel van Christus’ Kerk. En reeds aanstonds is dit voor de organisatie van gewicht, omdat in die geestelijke formeering tot tempel des Geestes de onvermijdelijke losmaking lag besloten van den zichtbaren tempel te Jeruzalem, terwijl de energie des Geestes in de apostelen, Petrus voorop, zich openbaart in een getuigen met het Woord (2: 14 v.v.), en nu door de prediking van het Woord tot de aanwezige volken, de Jeruzalemsche Kerk de mater wordt van de Katholieke Kerk.

Sillevis Smitt, P.A.E. (1910) HII

|41|

 

Hoofdstuk II.

Het Apostolaat.

 

Het Apostolaat, dat de schakel vormt tusschen Christus en de normale ontwikkeling der Kerk, eischt om zijn exceptioneele, grondleggende beteekenis voor de organisatie afzonderlijke bespreking.

Het woord ἀπόστολος komt van ἀποστέλλω, van zich weg zenden, waarin ligt uitgedrukt 1°. dat de zender eerst met den gezondene saam was, maar hem nu van zich afzendt, 2°. dat dit geschiedt met een bepaalde bedoeling om hem een last te doen volbrengen. Bij de opneming in den levenskring der Christelijke Kerk behield het volkomen de beteekenis, die het naar zijn natuurlijke afleiding eigen is 1).

Onder het latere Jodendom kwamen wel apostelen voor. Ze waren ambtenaren, die in de diaspora geld verzamelden voor den tempeldienst. Eusebius verhaalt, dat ze encyclische berichten hadden over te brengen uit Jeruzalem in de diaspora. De beide andere functionarissen uit het bekende trias: apostelen, profeten, leeraars, waren echter het Jodendom meer bekend, en de apostelen hebben door hun geheel eenige positie voor de Christelijke Kerk een naam gekregen, waarbij ternauwernood van eenige analogie meer sprake is 2).


1) Zie hierover o.a. H. Bruders S. J., Die Verfassung der Kirche von den ersten Jahrzehnten der apostolischen Wirksamkeit an bis zum Jahre 175 n. Chr., Mainz 1904, bl. 18 v.v.
Biblisch-theologisches Wörterbuch der Neutestamentlichen Gräcität von H. Cremer, s.v. ἀπόστολος.
2) Eusebius (in Jes. 18: 1 v.v.) ἀποστόλοι δὲ εἰσέτι καὶ νῦν ἐθος ἐστὶν Ἰουδαίος ὀνομάζειν τοὺς ἐγκύκλια γράμματα παρὰ τῶν ἀρχόντων αὐτῶν ἐπικομιζομένους, bij A. Harnack, Die Mission und Ausbreitung des Christentums in den ersten drei Jahrhunderten, Leipzig 1902, bl. 238.
Zie ook V. Ermoni, Les premiers ouvriers de l’Evangile3, Paris, bl. 34.

|42|

In het N. Testament wordt de naam toegekend 1e. aan Christus zelf, Hebr. 3: 1: κατανοήσατε τὸν ἀπόστολον καὶ ἀρχιέρα τῆς ὁμολογίας ἡμῶν, Ἰησοῦν, 2e. aan evangelisten en andere missionairen (1 Thess. 2: 6. Silvanus en Timotheus 1); 2 Cor. 8: 23, ἀπόστολοι ἐκκλησίων. 3e. aan personen tot een bijzonder doel afgezonden, zooals Fil. 2: 25, Epafroditus, (ὑμῶν δὲ ἀπόστολον καὶ λειτουργὸν τἠς χρείας μου); soms in gansch algemeenen zin Joh. 13: 16 (οὐδὲ ἀπόστολος μείζων τοῦ πέμψαντος αὐτόν). 4e. aan de twaalven, die Christus als apostelen in engeren zin aan zijn Kerk heeft geschonken 2).

Hieruit blijkt, dat tusschen een breeder en enger begrip wel te onderscheiden is, en het is duidelijk, dat wij in dit verband slechts denken aan den afgesloten kring, dien wij als het Apostolaat aanduiden, genomen als terminus technicus. Van den beginne af vinden we den naam in die beperking in de Schriften des Nieuwen Testaments. Niettemin is het een gangbare voorstelling geworden, dat oorspronkelijk ἀπόστολος gebruikt werd in meer algemeenen zin en dat eerst later, vooral door den invloed van Paulus, het begrip begrensd geworden is, en de gedachte zich heeft ontwikkeld van „twaalf apostelen” 3). Toch is het juist bij Paulus, dat het tweeërlei


1) Het gaat niet aan bij de woorden ὡς Χριστοῦ ἀπόστολοι te denken aan Petrus, Jacobus etc, om zoo Paulus van het gesloten Apostolaat te doen spreken: 1e om het ontbreken van het lidwoord, 2e om vs. I, waar Paulus spreekt van τὴν εἴσοδον ἡμῶν, met wie hij geen anderen kon bedoelen dan de 1: 1 genoemden. Anders is het met Rom. 16: 17, waar, als er van Andronicus en Junius staat: οἵτινές εἰσιν ἐπίσημοι ἐν τοῖς ἀποστόλοις, evengoed deze beiden in den kring der apostelen kunnen begrepen worden als niet. In ’t eerste geval wordt ’t gebruikt in breederen, in ’t tweede in engeren zin.
2) Zoo ook Voetius, Politica Ecclesiastica, Pars II, Lib. II, tract. II, Cap. II, bl. 352, 353, waar echter Epafroditus ten onrechte onder de evangelistae wordt gerangschikt Hij moge Evangelist zijn geweest, maar als zoodanig wordt hij in Fil. 2: 25 niet ἀπόστολος genoemd.
3) A. Harnack, Die Mission und Ausbreitung des Christentums, bl. 233 zegt, dat de beperking tot de XII bij Paulus alleen (en dan nog waarschijnlijk) wordt gevonden: 1 Cor. 9: 5 (waar de Apostelen naast de broeders des Heeren worden genoemd) en Gal. 1: 17. Harnack komt tot dit Ergebnis: „P. hält den weiteren Apostelbegriff fest, aber die zwölf Jünger sind ihm der Urstock des Apostolats”. In zijn Verfassung und Recht, bl. 5, zegt hij, dat de jongeren eerst den naam Apostelen hebben gekregen (door Petrus), wanneer ze zich bewust zijn geworden, Jesus als Κύριος te hebben gezien en door den H. Geest tot verkondiging te zijn geroepen. ➝

|43|

begrip naast elkander loopt, en wanneer hij sensu praegnante de apostelen noemt, is dit slechts naar eisch van den besloten kring, dien hij vond, en die, naar luid der Evangeliën, van den beginne af, heeft bestaan. Dat hij den naam bezigt in meer algemeenen zin, bleek uit plaatsen als de hierboven geciteerde. Naar het ons voorkomt heeft men echter ten onrechte het breeder begrip ook willen leggen in Gal. 1: 19 „ἕτερον δὲ ἀποστόλων οὖκ εἶδον, εἰ μὴ Ἰάκωβον τὸν ἀδελφὸν τοῦ Κυρίου”. ἕτερον moet niet betrokken worden op het εἰ μὴ Ἰάκωβον dat volgt, maar op den éénen Apostel Petrus, die te voren genoemd is. De bedoeling is niet, dat hij nog een anderen Apostel zag, en daarom moet εἰ μὴ niet worden vertaald door behalve, terwijl dan zou moeten worden aangevuld εἶδον τὸν ἀπόστολον, maar door „doch slechts”. De gedachte is deze: van de Apostelen zag ik niemand behalve Petrus, doch bovendien zag ik slechts Jacobus, die echter geen apostel, maar de broeder des Heeren is 1). Eveneens schijnt hij sensu praegnante alleen aan de XII te denken, wanneer hij b.v. I Cor. 9: 5 zich zelven rekent met „de andere Apostelen”, en dezen plaatst naast en dus onderscheidt van de broeders des Heeren, terwijl dan aan het slot Cephas nog uit den Apostelkring opzettelijk met name wordt aangeduid 2).


E. Loening, Die Gemeindeverfassung des Urchristentums, Halle 1889, bl. 34: „Auf einen engern geschlossenen Kreis von Personen war der Name ursprünglich nicht beschrankt. Apostel ist ein jeder, der im Auftrage und Namen des Herrn auszieht, um das Evangelium zu verkünden.”
Wernle, a.w. bl. 281 zegt, dat na het verdwijnen der reizende leeraars men begon te spreken van de XII als van een gesloten kring, en dat zich toen de legende ging vormen van een Gründungszeit met buitengewone charisma’s.
Th. Zahn, Skizzen aus dem Leben der alten Kirche3 1908, bl. 56 zegt, dat de naam „Apostel” in den apostolischen en daarop volgenden tijd nog niet gekregen had dien engen zin, dien wij er aan toekennen. Dan zou Paulus zich dien naam niet hebben kunnen aanmatigen. Maar Paulus zou zich met vrijmoedigheid zoo hebben genoemd, omdat ook anderen dien naam droegen en omdat hij in alles dezelfde merkteekenen droeg als de XII.
1) Zie Fr. Sieffert in Meyer’s Kommentar ü.d. N.T. i.l.
Voor dezelfde beteekenis van εἰ μὴ, zie Joh. 17: 12, waar Judas, die door εἰ μὴ, van de andere discipelen wordt onderscheiden als degene, die verloren gegaan is, niet tegelijk kan gerekend worden tot degenen die door den Vader aan Christus gegeven zijn en door Hem zijn bewaard gebleven. Evenals in Gal. 1: 19 wordt ook hier met εἰ μὴ een positieve aanduiding aan het voorafgaande toegevoegd.
2) Ook Dr. H. Bavinck (Ger. Dogm. IV, bl. 66) wijst er op, dat waarschijnlijk reeds in Jeruzalem, maar dan vooral door Paulus, het woord ➝

|44|

Wel is waar worden de apostelen in de Evangeliën meestal genoemd οἱ δώδεκα of οἱ δώδεκα μαθηταί, maar toch zijn er enkele plaatsen, waar ze ook „apostelen” heeten. In Mtth. 10 wordt in vers 1 gesproken van de twaalf discipelen, maar in vers 2 wordt wel niet gezegd, dat Jezus hen „apostelen” heette, maar worden ze aangediend als een kring met dien naam bekend: „τῶν δὲ δώδεκα ἀποστόλων τὰ ὀνόματά ἐστι.” Verder wordt in Matth. de naam niet aangetroffen In Mk. 3 : 13 —16 vinden we de roeping der twaalf met de dubbele bedoeling: ἵνα ὦσιν μετ᾽ αὐτοῦ καὶ ἵνα ἀποστέλλῃ αὐτοὺς κηρύσσειν. In cap. 6: 7 v.v. wordt hun uitzending beschreven, en bij den terugkeer 6: 30 heet het weer „καὶ συνάγονται οἱ ἀπόστολοι πρὸς τὸν Ἰησοῦν." Markus kent dus alleen het exclusief begrip. Zeer pertinent is wat we vinden in Lk. 6: 13 „. . . . προσεφώνησεν τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ, καὶ ἐκλεξάμενος ἀπ᾽ αὐτῶν δώδεκα, οὑς καὶ ἀποστόλους ὠνόμασεν . . .” In cap. 9: 1, 10 wordt de uitzending en de terugkeer verhaald onder dezelfde benamingen als in Mark. Lukas spreekt bovendien meermalen van de „apostelen”, terwijl het exclusief begrip dan voor de hand ligt: 11: 49; 17: 5; 22: 14; 24: 10. Johannes gebruikt het nimmer, dan alleen 13: 16 in algemeenen zin, niet als ambtsnaam; hij spreekt constant van „de twaalven”, 6: 67, 70, 71, enz. 1).

Hieruit blijkt, dat in de Evangeliën de gewone naam is „de twaalven”, en dat ze met het oog op de missie in Israel’s steden ook wel „apostelen” werden genoemd, en dat dan die naam alleen aan hen wordt gegeven, dus voorkomt in zijn technische beteekenis, sensu praegnante.

Daarom moet worden onderscheiden tusschen hun discipelschap en hun apostelschap. 2) In Mk. 6 zagen we duidelijk het tweeërlei doel van hun roeping:


➝ apostel in ruimer zin is gebezigd. Evenals Jezus de 70 had uitgezonden, en gelijk een Filippus als evangelist optrad, zoo had Paulus zijn σύνεργοι, 1 Thess. 3: 2, die hij wel apostelen noemde. Al waren ze niet rechtstreeks door Christus geroepen, dan toch werden ze in wettigen weg uitgezonden tot verkondiging van het Evangelie.
1) De namen der twaalf apostelen (de zgn. apostel-cataloog) worden ons op vier plaatsen medegedeeld: Mtth. 10: 2-4; Mk. 3: 16-19; Lk. 6: 14-16; Hd 1: 13 Steeds gaat Petrus voorop en wordt de rij met Judas den verrader gesloten, of deze wordt weggelaten, wanneer van de elven sprake is (Hd. 1).
2) Zoo ook Dr. H. Bavinck, Geref. Dogm. IV bl. 64, 65. F.J.A. Hort, The Christian Ecclesia, bl. 28, 29.

|45|

1e. om met Jezus te zijn. Uit al de μαθηταί, die Jezus volgden, koos Hij deze twaalf uit (Lk. 6: 13), om in zijn onmiddellijke omgeving te zijn; zelfs uit die twaalf nog een drietal, om nog inniger aan Hem verbonden te wezen. Dit discipelschap kon natuurlijk slechts tijdelijk zijn. De naam μαθηταί, waarin lag uitgedrukt de band aan den διδάσκαλος in de schola, verdween allengs. Er lag te weinig in; want sedert de hemelvaart was de gemeenschap aan den Christus een hoogere geworden en te véél, inzoover van een kennen naar den vleesche geen sprake meer kon zijn 1).

2e. om te worden uitgezonden. Deze missie valt nu weer in tweeën uiteen, voorzoover ze vóór Kruis en Opstanding zich slechts uitstrekte tot Israël, maar na de Opstanding uitbreiding kreeg over heel de aarde. In dit opzicht is de Paaschmaaltijd in den nacht toen Jezus verraden werd van centrale beteekenis. Daar hadden overgangen plaats van het allergrootste gewicht, en de discipelen zaten daar aan als de apostelen des Nieuwen Verbonds, ja, zij waren die Kerk des Nieuwen Testaments zelf.

Toch staan discipelschap en apostelschap met elkander in nauw verband. Ze hadden het laatste niet kunnen bezitten zonder het eerste. Daarom moest dat discipelschap doorloopen tot den berg der hemelvaart toe, tot op het laatste oogenblik van des Heilands verkeer op aarde.

Met het oog op de uitbreiding der missie zijn van classieke beteekenis de woorden in Mtth. 28: 16-20 en in Joh. 20: 19-23.

Geen wonder dat in het boek der Handelingen de terminologie aanstonds een andere wordt. Slechts drie malen wordt van „de twaalven” (resp. „de elven”) gesproken (Hd. 1: 26; 2: 14; 6: 2).; Overigens wordt de naam „apostelen” allerwege gebezigd. Trouwens onder de Evangelisten was het ook Lukas geweest, die had gezegd, dat Jezus zelf reeds hun dien naam gaf (6: 13). En op een enkele uitzondering na (Hd. 14: 4, 14 in verband met


1) Ter aanduiding van de geloovigen moge een tijdlang de naam μαθηταί nog bewaard gebleven zijn (in de Acta sparsim), toch traden meer op den voorgrond de namen ἀδελφοί en ἅγιοι, hetgeen in den aard der zaak ligt, waar de Spiritus communionis in het Lichaam van Christus was uitgestort.

|46|

13: 2, waar ook Barnabas „apostel” genoemd wordt) komt in dit boek „apostel” sensu praegnante voor 1).

Naast de uitbreiding van hun taak behoorde ook dit tot den overgang in hun roeping, dat zij als getuigen van Christus, bijzonder van zijn opstanding, moesten optreden: „καὶ ἔσεσθέ μου μάρτυρες ἔν τε Ἰερουσαλὴμ καὶ ἐν πάσῃ τῇ Ἰουδαίᾳ καὶ Σαμαρίᾳ καὶ ἕως ἐσχάτου τῆς γῆς.” (Hd. 1: 8). En dat niet alleen Jezus met het verkoren twaalftal een afgesloten kring op het oog had, maar ook de apostelen zelf begrepen, dat de afval van Judas niet mocht verhinderen, dat het Apostolaat als een dodecaat de wereld inging, blijkt uit de verkiezing van Matthias „μαρτύρα τῆς ἀναστάσεως αὐτοῦ σῦν ἡμῖν γενέσθαι ἕνα τούτων” (Hd. 1: 22). Vandaar dan ook, dat Matthias verkozen werd tot het λαβεῖν τὸν τόπον τῆς διακονίας ταύτης καὶ ἀποστολῆς. (vs. 25). Christus zelf werd nu het machtig onderwerp hunner prediking, terwijl de H. Geest als Doctor internus hen zou leeren en indachtig maken.

Wat nu aangaat de geheel buitengewone roeping van het Apostolaat, wordt dit door Voetius kort en zakelijk weergegeven: „Apostolus est minister Novi Testamenti infallibilitate in doctrina et variis charismatis praeditus, ad primam et universalem quarumcumque ecclesiarum plantationem, formationem et reformationem, a Christo immediate vocatus.” 2)


1) Paulus spreekt nooit van „de twaalven”, uitgezonderd alleen 1 Cor. 15 : 5, waar de verschijning aan „de twaalven” dient te worden onderscheiden van die aan „al de apostelen”, waarvan in vs. 7 sprake is.
Evenzeer worden de twaalven bedoeld in 2 Petr. 3: 2 „μνησθῆναι τῶν προειρημένων ῥημάτων ὑπὸ τῶν ἁγίων προφητῶν καὶ τῆς τῶν ἀποστόλων ὑμῶν ἐντολῆς τοῦ Κυρίου τοῦ Σωτῆρος”, en in Jud. 17: „Ὑμεῖς δὲ, ἀγαπητοί, μνήσθητε τῶν ῥημάτων τῶν προειρημένων ὑπὸ τῶν ἀποστόλων τοῦ Κυρίου ἡμῶν Ἰησοῦ Χριστοῦ.” Hetzelfde geldt van Op. 18: 20 en 21: 14. Ook Clemens spreekt van geen andere dan van de door Christus gekozen apostelen, c. 42 ; 1 „οἱ ἀπόστολοι ἡμῖν εὐηγγελίσθησαν ἀπὸ τοῦ Κυρίου Ἰησοῦ Χριστοῦ, Ἰησοῦς ὁ Χριστὸς ἀπὸ τοῦ θεοῦ ἐξετέμφθη ὁ Χριστός οὖν ἀπὸ τοῦ Θεοῦ καὶ οἱ ἀπόστολοι ἀπὸ τοῦ Χριστοῦ.”
2) Voetius, Politica Ecclesiastica, Pars II, Lib. II. tract. II, cap. II, bl. 351. Voetius noemt 11 zaken, waardoor ze onderscheiden waren van andere dienaren, met wie ze de bediening van Woord en Sacramenten gemeen hadden: 1. ze vormden een gesloten twaalftal; 2. ze worden met name genoemd; 3 ze waren genere et gente Israëlitae; 4 erant testes oculati et auriti vitae, doctrinae, resurrectionis Chri; 5. immediate a Chro electi, vocati, missi et facti mandatarii; 6. praeparati ad hoc munus sub immediata Chri disciplina; 7. homines Dei in scripturis et doctrina salutis sufficienter ➝

|47|

Voegt men bijeen hun roeping door Christus, de instrueering, die ze ontvingen tot hun taak en de bijzondere gaven door Jezus beloofd, met den Pinksterdag medegedeeld en in hun teekenen en wonderen aan het licht getreden, dan is het onloochenbaar, dat zij hierin al de kenmerken hadden, die hun dienst tot een ambtelijken dienst maakten. Het Apostolaat is ambt, den eersten tijd zelfs het éénig ambt in de Kerk van Christus, het hoogste, alles omvattende, nooit wederkeerend ambt. Dit neemt niet weg, dat de twaalven charismatici waren, want charisma en rechtsorde sluiten elkaar niet uit. ’t Apostolisch ambt zelf was een charisma, en men moet niet vergeten, dat in de eerste eeuw van buitengewone mededeeling van gaven en krachten niemand begreep, dat deze slechts voor dien tijd waren, en het woord charisma zijn technische beteekenis nog niet kon bezitten 1). Dat de twaalven een ambt hadden, wordt ten overvloede bevestigd door het optreden van ψευδαπόστολοι (2 Cor. 11: 13), die alleen konden trachten zich te handhaven door de roeping voor te wenden, die de ware apostelen hadden ontvangen.

En in dit ambt oefenden zij een buitengewone macht uit: 1 Cor. 11: 34 τὰ δὲ λοιπὰ ὡς ἂν ἔλθω διατάξομαι. 1 Cor. 4: 21 τί θέλετε; ἐν ῥάβδῳ ἔλθω πρὸς ὑμᾶς; 2 Cor. 13: 2 . . . ὅτι ἐὰν ἔλθω εἰς τὸ πάλιν οὐ φείσομαι; 2 Thess. 3: 6-10 παραγγέλλομεν δὲ ὑμῖν, ἀδελφοἰ, ἐν ὀνόματι τοῦ Κυρίου ἡμῶν Ἰησοῦ Χριστοῦ. En die macht werd in de gemeente erkend. Wanneer er partijen waren, zooals in Corinthe, dan liep de vraag niet over de apostolische macht als zoodanig, maar of aan Paulus i. c. die apostolische macht toekwam. Niet het Apostolaat, maar de persoon van Paulus als apostel moest gerechtvaardigd. I Cor. 9 : I, 2 οὐκ εἰμὶ ἐλεύθερος;


➝ instructi atque infallibiles doctores facti in die Pente-Costes; 8. instructi quibusvis charismatis, etiam potestate et dono per manuum impositionem tamquam sigillo seu sacramento extraordinario alios confirmandi de charismatis divinitus collatis; 9. primi ecclesiarum N.T. architecti sunt; 10 ministri fuerant universales et ministerium eorum universale: tum ratione actuum et functionum, tum ratione locorum et ecclesiarum; 11. ministerium et munus apostolicum τῶν δώδεκα, et Pauli supernumerarii est singulare et solitarium, est ἀπαράβατον.
1) Zie Dr. P.A. Leder, Die Diakonen der Bischöfe und Presbyter und ihre urchristlichen Vorlaufer, 23 und 24 Heft v. d. kirchenrechtliche Abhandlungen, herausgegeben v. Dr. K. Stutz, Stuttgart 1905, bl. 24 v.v.

|48|

οὖκ εἰμὶ ἀπόστολος; οὐχὶ Ἰησοῦν τὸν Κύριον ἡμῶν ἑδρακα; οὐ τὸ ἔργον μου ὑμεῖς ἐστὲ ἐν Κυρίῳ; εἰ ἄλλοις εἰμὶ ἀπόσολος, ἄλλα γε ὑμῖν εἶμι˙ ἡ γὰρ σφραγίς μου τῆς ἀποστολῆς ὑμεῖς ἐστε ἐν Κυρίῳ. Uit Hd. 8: 6-17 blijkt, dat ook de handoplegging allereerst een apostolisch praerogatief was.

Nooit treedt echter de apostolische macht op als een autocratische tirannie, die over de gemeente wordt uitgeoefend. Van de absolute autoriteit van het apostolische woord gaat niets af, maar, wanneer Paulus de gemeente vermaant, dan doet hij het als een vader zijn kinderen (1 Cor. 4: 14). Tegenover de gemeente van Rome, niet door hem gesticht, handhaaft hij dezelfde apostolische rechten, maar bescheidenlijk treedt hij haar tegen: Rom. 15: 15 τολμηρότερον ἔγραψα ὑμῖν. Immer leeft hij onder den indruk, dat hij schrijft aan de gemeente des Heeren, die zelve in de conscientie zich van de waarheid van het apostolische woord moet bewust zijn. Daarom is zijn spreken menigmaal radend, leidend, 1 Cor. 5: 1 v.v. Wanneer hij een uitdrukkelijk woord des Heeren heeft ontvangen, gebiedt hij: 1 Cor. 7: 10 τοῖς δὲ γεγαμηκόσιν παραγγέλλω, οὐκ ἐγὼ ἀλλὰ ὁ Κύριος, γυναῖκα ἀπὸ ἀνδρὸς μή χωρισθῆναι. Indien niet, dan geeft hij zijn γνώμη, vs. 25 γνώμην δὲ δίδωμι, maar die γνώμη is van bindende kracht, want hij geeft haar ὡς ἠλεημένος ὑπὸ Κυρίου πιστὸς εἶναι, vs. 25. En ongetwijfeld doelt hij op de onfeilbare leiding van den Heiligen Geest, wanneer het heet vs 40 δώκω δε κὰγὼ πνεῦμα θεοῦ ἔχειν. Diezelfde bindende kracht legt hij ook in zijn woord 1 Cor. 14: 37.

Met deze buitengewone macht bekleed, waren zij geroepen, om de Kerk des Nieuwen Testaments te stichten, haar te regeeren en te leeren. Daarin ligt vanzelf opgesloten, dat hun ambt een generaal karakter droeg, voor héél de Kerk. Gelijk ook blijkt uit het mandaat dat Christus hun verstrekt, gegrond op zijn macht in den hemel en op de aarde: Mtth. 28: 19 πορευθέντες μαθητεύσατε πάντα τὰ ἔθνη, Mtth. 16: 15 πορευθέντες εἰς τὸν κόσμον ἅπαντα κηρύξσατε τὸ εὐάγγελιον πάσῃ τῇ κτίσει. Jezus zag in hen het beginsel van zijn heele Kerk en bad daarom Joh. 17: 20 οὖ περὶ τούτων δὲ ἐρώτω μόνον, ἀλλὰ καὶ περὶ τῶν πιστευόντων διὰ τοῦ λόγου αὐτῶν εἰς ἐμέ.

Daarmede hangt dan ook saam, dat met de stichting der Kerk

|49|

het apostolaat zijn taak heeft volbracht. Vóór den Pinksterdag moet de opengevallen plaats worden aangevuld, maar na den dood van Jacobus denkt niemand aan de verkiezing van een anderen apostel.

Dit generale karakter neemt niet weg, dat zij daarom ook als ambtsdragers in de plaatselijke Kerk konden optreden, daar toch alle ambtelijke bevoegdheid in het Apostolaat begrepen is, dus ook die, welke straks, bepaaldelijk in den dienst van Woord en Sacramenten, in regeering en armenzorg aan de gewone ambten zou toebehooren 1). Reeds aanstonds komt dat uit in de Kerk van Jeruzalem, die dan ook in den eersten tijd de dubbele positie had van generale Kerk, moederkerk van al de gemeenten en locale Kerk. De Apostelen stonden aan het hoofd dier gemeente in beiderlei zin. Zoo zegt ook de Apostel Paulus, dat hij niet is gezonden om te doopen, maar om het Evangelie te verkondigen (hij bedoelt de missie voor heel de Kerk), 1 Cor. 1: 17. Maar daarom had hij toch ook tot doopen in de gemeenten de bevoegdheid en gebruikte die wanneer het oorbaar was (vs. 14).

Men verzwakt de geheele eenige positie van het Apostolaat, wanneer de bevoegdheden worden beperkt, of wel, door het miskennen van het ambtelijk karakter, de band aan Christus eenerzijds en aan de Kerk aller eeuwen anderzijds wordt losser gemaakt, of ook door het voorbijzien van hun saamhoorigheid, de onderlinge band tusschen de apostelen zelven wordt geloochend.


1) K. Lechler, Die Neutestamentliche Lehre vom heiligen Amte, Stuttgart 1857, bl. 87, 88 doet, gelijk meer van Luthersche zijde geschiedt, te kort aan het bijzonder karakter van het Apostolaat, wanneer hij zegt, dat de latere ambtsdragers dezelfde rechten en plichten hebben als de apostelen, uitgenomen die alleen, welke slechts bij de eerste uitoefening van het ambt konden worden waargenomen: „Findet sich, fragen wir, im N. Test. eine einzige Stelle, über die den Aposteln zukommenden Rechte und Pflichten, welche nicht heutzutage noch von jedem, auch den geringsten unter den Knechten Gottes in Anspruch genommen werden könnten?” Reeds de apostolische macht in de gemeente uitgeoefend, zegt genoeg om dit te weerleggen. In zooverre ligt er echter aan deze beschouwing een waarheid ten grondslag, dat het niet aangaat, aan de ééne zijde te plaatsen Christus en de apostelen en aan de andere zijde de gemeente met de gewone ambstdragers. Er is wel degelijk samenhang tusschen het apostolisch ambt en de ambten, die er straks, als takken uit een boom, zullen uitgroeien.

|50|

Weizsäcker maakt zich in deze drie opzichten schuldig 1).

Hij ziet in het Apostolaat geen ambt voor heel de Kerk, maar slechts een dienst ter verkondiging van het Evangelie. Toch ligt in het mandaat van Christus Joh. 20: 22, 23 καὶ τοῦτο εἰπὼν ἐνωφύσησεν καὶ λέγει αὐτοῖς˙ λάβετε Πνεῦμα Ἁγιον˙ ἄν τινων ἀφῆτε τὰς ἁμαρτίας, ἀφέωνται αὐτοῖς˙ ἄν τινων κρατῆτε, κεκράτηνται, meer dan bevel tot missie, immers ook tot machtsoefening. Ook ziet hij in het Apostolaat geen gesloten college, geen raad, en meent, dat dit door Paulus uitgesloten is. Toch wijst het getal twaalf in verband met Israël’s existentie, duidelijk op een eenheid, en treden bij allerlei gelegenheden de apostelen, Petrus vooraan, als aaneengesloten kring op. Natuurlijk dat straks het practisch samenstemmen verbroken was, toen ieder zijn missionairen arbeid aanving. Hoezeer al de apostelen saam en elk in het bijzonder van Christus een ambt hebben ontvangen voor héél de Kerk, krijgt toch straks ieder zijn missie-terrein, waarop hij arbeiden zal. Weizsäcker ziet in de twaalven slechts persoonlijkheden, geen college, en meent, dat dit vooral blijkt uit het feit, dat Paulus in Jeruzalem een en andermaal slechts met mannen: Petrus, Johannes en Jacobus samenspreekt, en dat hij hen niet met den ambtsnaam Apostel aanduidt, maar naar hun persoonlijkheid en aanzien als zuilen-apostelen 2). Hiertegenover staat echter, dat hij in Gal. 1: 17


1) C. Weizsäcker, Das apostolische Zeitalter der Christlichen Kirche, Tübingen und Leipzig 1902, bl. 584 v.v. „Der Apostolat ist von Jesus selbst gegründet, nicht als ein Kirchenamt sondern als der Dienst der Verkündigung. Die Wahl der Zwölfmanner bedeutete auch nicht blosz den Beruf dieser Personen, sondern zugleich die Bestimmung Israels . . . Rang und Würde eines Amtes sollte damit nicht verbunden sein . . . Die Stellung, welche sie in Jerusalem einnahmen, ist im Anfang auch als Missionsarbeit zu beurteilen, denn die Gemeinde ist im allmählichen werden begriffen.
Die Annahme, dass die Zwölf erst eine Aufstellung der Urgemeinde, ein Rat der Zwölf sein könnten, ist durch den Apostel Paulus ausgeschlossen . . . .
Das zweite ist, dass die Zwölf keineswegs als ständige und geschlossene Körperschaft in Betracht kommen, sondern als einzelne Personen, und daher das Gewicht auch überwiegend nur in bestimmten Personen liegt.”
2) idem bl. 585. „Alles dies ist doch nur möglich, wenn es sich nicht um ein Amt, sondern um den Dienst der Mission und die Leistung in denselben handelt.”
Daartegenover G.V. Lechler, Das apostolische und das nach-apostolische Zeitalter”, Karlsruhe und Leipzig 1885, bl. 13, „offenbar haben wir sie uns als einen geschlossenen Kreis, als ein mit Auktorität begabtes Collegium ➝

|51|

spreekt van degenen, die voor hem apostelen geweest waren (dus van allen) en vs. 19, dat hij bij zijn wederkomst geen anderen zag van de apostelen, dan Jacobus, den broeder des Heeren. Ze waren er dus waarschijnlijk niet. Bovendien zegt Hd. 15 uitdrukkelijk, dat de deputatie uit Antiochië zou opgaan tot de apostelen en ouderlingen van Jeruzalem (vs. 2), terwijl ze dan ook door de apostelen werd ontvangen, terwijl (vs. 5) de apostelen en de ouderlingen saam vergaderden.

Op grond van Jezus’ woord Mtth. 23: 8 ὑμεῖς δὲ μὴ κληθῆτε ῥαββεί˙ εἶς γάρ ἐστιν ὑμῶν ὁ διδάσκαλος, πάντες δὲ ὑμεῖς ἀδελφοί ἐστε wordt wel betoogd, dat de apostelen, althans tegenover de geloovigen, niet als διδάσκαλοι mochten optreden 1). Ze zouden dan feitelijk missen, wat straks in het herders- en leeraarsambt werd geëischt. Daargelaten nog, dat Jezus gedurig op onderricht heeft aangedrongen (Matth. 28: 19; Joh. 17: 20), de H. Geest hen ook leeren zou (διδάχει πάντα Joh. 14: 26), en de apostelen die ons geschriften hebben nagelaten, het wel hebben getoond, hoe ook het διδάσκειν hun roeping was. En was de eerste gemeente niet aanstonds volhardende in de leer der apostelen? Het is duidelijk, dat Jezus met dit woord niet uitsluit het leeren in zijn naam door de apostelen en daarmede niet veroordeeld is het later optreden van leeraren in de Christelijke Kerk, maar dat hij verbiedt, dat zij zullen optreden als de γραμματεῖς in Israël, die een overdreven vereering van hun discipelen ontvingen 2), welke niet strooken zou met het algemeen priesterschap in de Kerk van Christus. Niemand hunner mocht zich een naam of rang laten toekennen, waardoor de broederband, de κοινωνία, zou worden geschaad. Allen, die het Woord aannamen, moesten niet discipelen van den een of anderen apostel, maar discipelen van Christus worden.

Dat onder de apostelen Petrus een plaats bekleedt, die hem doet


➝ zu denken. Wie sehr das mit den Berichten der Apostelgeschichte harmonirt, bedarf eines eingehenden Naschweises nicht.
1) Zóó A. Harnack, Verfassung und Recht, bl. 7 „Die Zwölfe waren also Regierer und Missionare zugleich, aber den Messiasgläubigen gegenüber sollten sie nicht die Autorität von Lehrern geitend machen: denn nur einer ist Lehrer” (Mtth. 23: 8).
2) cf. E. Schürer, Geschichte des jüdischen Volkes4 dl. II, bl. 377, 378.

|52|

vooraan staan als primus inter pares, is met het oog èn op den viervoudigen Apostel-cataloog, die steeds met hem aanvangt, èn op zijn optreden vóór en na den Pinksterdag, èn op Paulus’ verkeer met den apostelkring (Gal. 1 en 2) èn niet het minst met het oog op Jezus’ woorden Mtth. 16: 17-19 en Joh. 21: 15-19, niet te loochenen. Dat men van protestantsche zijde te ver ging, door in de woorden Mtth. 16: 18: λέγω ὅτι σὺ εἶ Πέτρος, καὶ ἐπὶ ταύτῃ τῇ πέτρᾳ οίκοδομήσω μου τὴν ἐκκλησίαν, de πέτρα niet te verstaan van Petrus, maar van de Christologische belijdenis, wordt door alle onbevooroordeelde exegese toegegeven 1). Petrus als belijder (dus niet buiten verband met zijn belijdenis) wordt als de rots der gemeente gesteld, waarop Christus als Bouwheer zijn werk voltooien zal; als belijder houdt hij zijn eigen plaats onder de apostelen. Hijzelf wordt dan ook Κῆφας genoemd. Maar het eerste gedeelte van Jezus’ uitspraak, „gij zijt petra”, geschiedt ter wille van het tweede. Dat echter alle gevolgtrekking hieruit tot een primaat van Petrus in de Kerk ongegrond is, zullen we hier nu niet nader betoogen 2). Afgezien toch van de door Christus aan Petrus toegekende plaats onder de apostelen, is de voorstelling, alsof de bisschoppen van Rome opvolgers zouden


1) Zoo ook zegt Dr. Bavinck van de keus of Petrus of zijn belijdenis met πέτρα bedoeld zou zijn: „er is hier geen dilemma; de woorden „deze petra” kunnen niet anders zien dan op den persoon van Petrus” (Ger. Dogm. IV, bl. 71).
2) De Roomsche Kerk leert, dat het Apostolaat een buitengewone en voorbijgaande vorm is van het episcopaat, namelijk gelijk deze voor de grondlegging der Kerk noodzakelijk was. Slechts in één apostel die als eerste en eeuwig princiep van de eenheid der Kerk, haar fundament zou wezen, was het Apostolaat blijvend. De overige apostelen waren een verveelvoudiging van de macht van het primaat, die bepaald was door de behoeften, die de stichting der Kerk medebracht. En daaruit volgt, dat de opvolgers van Petrus in zijn primaat ook opvolgers van hem zijn in zijn Apostolaat, en dat hei Apostolaat in hem in zijn gansche volheid voortleeft. Verschil tusschen den stoel van Petrus en diens eigen Apostolaat bestaat alleen in Petrus’ onmiddellijke zending en de onfeilbaarheid der leer, (welke nl. nu niet bestaat door een doordringende, voortdurende vervulling met den H. Geest, maar door assistentie des H.G’s.)
De bisschoppen zijn de opvolgers der apostelen, inzoover het episcopaat de blijvende orde is, door de apostelen zelf ingezet, en die na hun dood in hun plaats getreden is. Hier ligt het verschil in vier zaken, nl. de onmiddellijke roeping bij de apostelen, de onbeperktheid en algemeenheid van hun zending, hun onbeperkte volmacht en de onfeilbaarheid der leer. (Zie Wetzer und Welte’s Kirchenlexicon2 dl. I, s.v. „Apostolat” und „Episkopat” (Scheeben.)

|53|

zijn van Petrus, die bisschop van Rome zou zijn geweest, geen Schriftleer maar Kerkleer 1).

Niet minder eervol is wat Jezus volgen laat vs. 19: δὠσω σοι τὰς κλεῖδας τῆς βασιλείας τῶν οὐρανῶν, καὶ ὃ ἔαν δήσῃς ἐπὶ τῆς γῆς ἔσται δεδεμένον ἐν τοῖς οὐρανοῖς. Zooals in een vorig hoofdstuk werd opgemerkt, gaat hier het beeld over van de gemeente in het Koninkrijk der hemelen, dat in de Kerk op aarde zichtbaar tot openbaring komt. Gelijk Petrus één voor allen de belijdenis had afgelegd, zoo wordt hem één voor allen de macht gegeven tot sluiten en openen, en zulk een verband wordt gelegd tusschen hetgeen de Kerk op aarde, hier optredend in het in Petrus verpersoonlijkte Apostolaat, in getrouwheid aan de Christus-belijdenis doet bij dat sluiten en openen, en wat Christus doet, dat op dit getrouw binden en ontbinden, op dit houden van de zonde en het vrijmaken in Christus’ naam, het zegel in den hemel te wachten is. Christus doet in den hemel niet anders dan zijn Kerk, in gebondenheid aan Hem doet op aarde 2).


1) Calvijn in zijn commentaar op Mattheus is van oordeel, dat het eervol getuigenis aangaande Petrus saamvat, wat Christus in het vervolg van alle geloovigen zeggen wil: „Quamquam hoc ad omnes fideles extenditur, quorum singuli sunt Dei templa et fide inter se compacti, unum templum simul efficiunt: eximia tamen Petri inter alios excellentia notatur, quemadmodum, quisque suo ordine pro donatione Christi mensura, plus vel minus accipit”.
Zakelijk stemt daarmede overeen, wat Th. Zahn in zijn Evangelium des Matthäeus3 1910 i.l. zoo schoon opmerkt: „Nicht als ein felsiger Baugrund, welcher die Festigkeit des auf denselben erbauten Hauses verbürgt, ist Pt dadurch bezeichnet, sondern als ein Felsstein, der als erster Baustein dienen soll . . . . er ist der erste Baustein, an welchen alle weiterhin zu dem Bau des Hauses zu verwendenden Steine sich anschlieszen werden”.
2) Velen, o.a. B. Weiss in Meyer’s Kommentar über das N Test., meenen, dat niet van een opnemen en uitsluiten in het Kon. d. hem. sprake is, omdat die bevoegdheid niet aan den οἰκόνομος, aan den Huisbewaarder, die leiding en opzicht heeft, kan worden toegekend. Maar hij stemt toe, dat het analoge gebruik van het beeld Mtth. 23: 13 (Luk. 11: 52) de verklaring aanbeveelt, dat van de prediking van het Evangelie wordt gehandeld, waardoor dan geopend en gesloten wordt. Toch vindt hij daarmede weer tegenspraak in het binden en ontbinden, wat hij naar het hebr. āmar en himmir van verbieden en veroorloven verstaat (zoo reeds Lightfoot en Wetstein). Doch waarom zou de huisbewaarder niet allereerst de bevoegdheid hebben van openen en sluiten? Ook Zahn denkt niet aan den deurwachter, maar aan den huisbewaarder, die de schatten des huizes mededeelt en regelen als huisorde stelt aangaande wat verboden en geboden is. Hierbij wordt beslist ontkend de parallel met Joh. 20: 23 ἄν τινων ἀφῆτε τὰς ἁμαρτίας, ἀφέωνται αὐτοῖς˙ ἄν τινων κρατῆτε, κεκράτηνται. Het is echter juist die onmiskenbare ➝

|54|

Wat Paulus aangaat, moet zijn aanhoorigheid aan het Apostolaat in engen zin, buiten allen twijfel worden gesteld. Op welke wijze men zijn volkomen gelijke bevoegdheid met de XII, als Apostel van Jezus Christus, verklaren wil, zonder te kort te doen aan den afgesloten kring van het dodekaat, waarvan hierboven werd gehandeld; hetzij men de verkiezing van Matthias (Hd. 1) beschouwt als feitelijk niet naar den wil des Heeren te zijn geschied, omdat Hij Paulus had verkoren om in Judas’ plaats te vallen 1), (een gedachte, waartegen o.i. een onbevangen lezing van Hd. 1 wel eenigszins reageert); hetzij men met Voetius zegt „duodecim illis qui etiam discipli dicuntur postea supernumerarius accessit Paulus” 2), de conclusie blijft dezelfde, dat hij stond in al de rechten en praerogatieven van de verkozen twaalven. In elk geval moet worden in het oog gehouden, dat Paulus’ onmiddellijke roeping, zijn aanschouwing des Heeren en instrueering door den Heere Zelf, (noodzakelijke vereischten tot het apostelschap) hem langs anderen weg waren geschonken dan aan zijn mede-apostelen, en dat zijn taak ook van de hunne onderscheiden was. Vandaar dat hij, met allen eerbied voor de anderen, toch een zeer vrije houding tegenover hen bewaart (Gal. 1 en 2), zelfs tegenover wie hij noemt de ὑπερλίαν ἀπόστολοι, (2 Cor. 11: 5; 12: 11) zelfs tegenover Petrus (Gal. 2). Er blijft dus altijd zeker onder¬scheid bij gelijkheid. Hij was geroepen, om het fundament der XII te leggen in de heidenwereld, en zoo hun werk te bevestigen, uit te breiden, te volmaken. 3) Hij was niets zonder hen; zij


➝ parallel, die ons noopt in Joh. 20: 23 een epexegese te vinden van Matth. 16: 19, en noch dat het object van binden en ontbinden in het neutrum staat (cf 1 Cor. 1: 27, 28), noch dat het binden aan het ontbinden voorafgaat, schijnt ons een overwegend bezwaar, om aan de bekende oude exegese vast te houden, waarbij aan het houden en vergeven der zonden gedacht wordt (nl. in den zin van binden en ontbinden der straffen) zie Calv. i.l. en Institutio IV. 11:1. Het οἰκοδομήσω τὴν ἐκκλησίαν geschiedt toch ongetwijfeld door het toevoegen en weren van personen, niet door het stellen van regelen aangaande wat geoorloofd en geboden is. Heel de gedachtengang wordt anders verzwakt. Trouwens het binden en ontbinden is ondergeschikt aan het dragen der sleutels, en dit laatste ziet niet op een wetgevende, regelende, maar op een rechterlijke macht (cf. Jes. 22: 22). Ten overvloede blijkt ook uit den contekst van Matth. 18: 17 (cf. Joh. 20: 23) dat bij binden en ontbinden van een binnen- en buiten zijn gehandeld wordt.
1) Dr. A. Kuyper, Loc. de Ecclesia blz. 151.
2) Voetius, Politica Ecclesiastica. Pars. II, Lib. II, tract. II, cap. II, bl. 352.
3) Dr. H. Bavinck, Ger. Dogm. IV, bl. 64 v.v.

|55|

waren niets zonder hem, hoezeer ze, wat roeping betreft, vrij tegenover elkander stonden. (Gal. 1: 12; 2: 6). Hij erkende hen, zij erkenden hem (Gal. 1: 23, 24). Dit baande den weg tot een verstandige taakverdeeling tusschen Paulus en de anderen. (Gal. 2: 7-10). Zoo zouden we liever Paulus niet supernumerarius willen noemen, maar in hem van de eenheid en volheid van het Apostolaat den machtigen vertegenwoordiger willen zien. Dat hij inderdaad de merkteekenen eens apostels bezat, betuigt hij met gloed aan Corinthe (1 Cor. 9: 1-5) 1). Zelf heeft hij er nooit aan getwijfeld, en met de erkenning stond of viel voor hem zijn werk. Hij stelt zich niet op gelijke lijn, met wie hij zelf in breeder zin als zijn σύνεργοι, wel „apostelen” noemt, maar met de éérste apostelen 2). Hij noemt zich dan ook steeds ἀπόστολος Ἰησοῦ Χριστοῦ: Rom. 1: 1; 1 Cor. 1: 1; 9: 1,2; 2 Cor. 1: 1; Gal. 1: 1; Ef. 1: 1; Col. 1: 1; 1 Thess. 2: 6; 1 Tim. 1: 1; 2: 7; 2 Tim. 1: 1, 11 ; Tit. 1: 1.

Ten slotte nog dit. In den kring, waarin de apostelen gearbeid hebben, treden ze als leiders van dien kring op. Dit op te merken is hierom van zooveel gewicht, wijl daarin de overgang ligt, reeds tijdens het leven der apostelen tot het gewone, blijvende ambt. Ze bleven in volle rechten apostelen, maar in hun personen en arbeid teekenen ze zelf den overgang af van den extra-ordinairen tot den ordinairen toestand in het kerkelijk leven. De grens valt niet nauwkeurig aan te geven, waar hun arbeid als missionairen en stichters ophoudt, maar, had de Kerk van Christus ergens voet gekregen, dan vormde zich een centrum, en zij waren van dien kring de ziel. Zoo Johannes in Efeze (2 Joh.: 1): ὁ πρεσβύτερος ἐκλεκτῇ Κυρίᾳ. Zoo noemt Petrus zich ὁ συμπρεσβύτερος. (1 Petr. 5: 1)


1) A. Harnack, Die Mission und Ausbreitung enz. bl. 233 beweert, dat Paulus niet valt onder de beschrijving, die geldt voor het Apostolaat naar Hd. 1: 21. Dit kan alleen betoogd, wanneer men ontkent, dat Paulus op den weg naar Damaskus en bij andere openbaringen van den opgestanen Heer een opzettelijke vergoeding heeft ontvangen voor wat hij tegenover de andere apostelen miste.
2) cf. Weizsäcker a.w. bl. 588.
Allerwege heeft Paulus zoo duidelijk een gesloten Apostolaat, waartoe hij zichzelf rekent, aanvaard, dat de meening van Dr. F. Hupfeld, dat Jezus door de roeping van Paulus, Petrus’ engere opvatting van het Apostolaat zou hebben gedesavoueerd, nauwelijks weerlegging behoeft. (Die apostolische Urgemeinde, Berlin, 1900, bl. 12).

|56|

Juist zooals nu nog een missionair in de heidenwereld, nadat zich een Kerk heeft geformeerd, dienaar van die Kerk kan worden en van daaruit arbeiden zal. De reizende apostel wordt herder. De Pastoraalbrieven doen ons dien gang van zaken kennen ook bij de Evangelisten. Zoo ging er van de apostelen een bevruchtende werking uit voor het latere leven der gemeente, en de ambten, die, blijvend, uit de gemeente opkomen, zijn op deze wijze door het saamgroeien van Apostolaat en gemeente tot bloei gekomen. 1)


1) cf. K. Lechler, Die Neutest. Lehre v. heil. Amte, bl. 166-171.
Th. Zahn, Skizzen enz. bl. 43.
A. Ritschl, Die Entstehung der altkatholischen Kirche2, Bonn. 1857, bl. 358 miskent dien wortelsamenhang van het Apostolaat met het blijvend ambt ten onrechte: „Das Ambt der Gemeindevorsteher war ursprünglich nicht berechnet auf eine Abzweigung speciell apostolischer Befügnisse, sondern erscheint auf ein Bedürfnisz der christlichen Gemeinde gegründet”. Hij acht het kerkelijk ambt „in einem polaren Gegensatze gegen dem Apostolat.” Verder bl. 363: „Die Apostel sind nicht die Quelle des Amtes, sondern die Organe für dessen Einsetzung; in ihnen liegt nicht das Princiep des Amtes, sondern sie begründen nur den Anfang desselben.” — Nu, van een „Quelle” te spreken zou zeker te sterk zijn; de bron ligt in Christus, zoowel voor het gewone ambt als voor het Apostolaat. Maar er is organische samenhang, in dien zin, dat het Apostolaat het wortelambt is, waaruit de andere ambten bij wijze van vertakking en spreiding zich ontwikkelen.

Sillevis Smitt, P.A.E. (1910) HIII

|57|

 

Hoofdstuk III.

De gemeente van Jeruzalem.

 

Aan het slot van het eerste hoofdstuk zagen we, hoe met de grondslagen door Jezus zelf gelegd, de bedding gegraven was, waarin de stroom des Geestes van uit het Hoofd in den hemel zou nederdalen. Planmatig was alles toebereid tot de zelfstandige openbaring der Kerk als Lichaam van Christus in de wereld. Verre er vandaan, dat de Kerk zou zijn ontstaan uit enthousiasme en in haar eerste beginselen aan alle orde vreemd zou zijn geweest. Trouwens de Heilige Geest is de Geest, die werkt uit den Vader en uit den Zoon en in het rijk der genade orde schept. Gelijk Hij in den Middelaar werkt, zoo ook in de gemeente. Het was de Geest van Hemzelven als het Hoofd, dien de apostelen van Hem ambtelijk ontvingen, toen Hij op hen blies 1). Het spreekt vanzelf, dat niet aanstonds de Nieuw-Testamentische Kerk daar staat met haar vaste, blijvende vormen. En evenzeer, dat de buitengewoon krachtige openbaring van het leven des Geestes, dat voor een wijle verre boven de maat van het gewone uitbrak, een geweldigen indruk maken


1) Er ligt een cynische trek in de beschouwing van P. Wernle, Die Anfänge unser Religion, Tübingen und Leipzig 1904: dat kort na Jezus’ dood het enthousiasme uitbrak in de „Urgemeinde” (bl. 87); voorts: de Christelijke Kerk is uit „Begeisterung” ontstaan, want geloof is „Begeisterung” en heeft een minimum van vorm noodig (bl. 91); wat de eerste gemeente saambond was „Zungenreden” en meer nog het martelaarsbloed, „aber was war das für eine Organisation!”; bedenk dat onze eerste christelijke voorvaders „sectirer” waren, revolutionairen, als de wederdoopers, die door „constante Auflehnung gegen die Staatskirche ihre Existenz retteten”; ’t nieuwe was alleen de naam Jezus, maar daarmede was geen cultus gegeven, want Jezus stichtte geen Kerk, enz.
Zie ook J. Réville, a.w. bl. 45: de eerste geloovigen waren „un état inorganique”.

|58|

moest. Maar evenals het leggen van de fundamenten van een gebouw heel wat anders is dan het bouwen der vertrekken, die straks zullen worden bewoond, waar toch de fundeering van den aanvang af is aangelegd op al wat op haar verrijzen moet, zoo was het met de geboorte der Christelijke Kerk in de wereld. Niet genoeg kan het extra-ordinaire en het ordinaire èn in onderscheid èn in samenhang worden beschouwd. En niet genoeg kan er de aandacht op worden gevestigd, dat van nu af aan de Kerk voor het eerst een organisatie zou ontvangen, die, als geheel origineel, hoewel in het leven der wereld indringende, toch van het wereldleven essentieel onderscheiden was.

Het leven der gemeente van Jeruzalem wordt duidelijk in die sporen geleid. Wanneer de Geestesstroom bezonken is, vertoonen zich spoedig de vastere vormen, waarin het leven zich gaat openbaren. Trouwens, de machtige toevloed maakte vanzelf reeds organisatie noodzakelijk, zou niet heel de gemeente in reddelooze verwarring ondergaan. Gewoonlijk maakt men zich van den snellen aanwas der Kerk een te zwakken indruk.

Wel waren in de opperzaal na de hemelvaart slechts 120 personen bijeen, maar uit hetgeen Paulus (1 Cor. 15: 6) mededeelt, dat de Verrezene door 500 broeders op éénmaal is gezien, blijkt, dat het discipelental veel grooter was. Op den Pinksterdag werden 3000 toegedaan (Hd. 2: 41). Dagelijks nam dit getal toe (2: 47) en groeide na de vervolging van Petrus en Johannes aan tot 5000 (4: 4). En steeds meer werden toegevoegd (5: 14; 6: 1, 7). In 21: 20, dat was ongeveer in het jaar 58, wordt gesproken van duizenden (πόσαι μυριάδες εἰσὶν τῶν πεπιστευκότων). Een zeer gemengde schare uit allerlei kring en van allerlei sociale positie: mannen, vrouwen, (5: 14), welgestelden (2: 54; 5: 1), armen (4: 34), dienstbaren (12: 13), priesters (6: 7), farizeën (15: 5), toegevloeid uit Palestijnsche joden, joden uit de diaspora en heidensche proselieten. 1) Al die elementen werden in één lichaam door den nieuwen band der christelijke ἀδελφότης zóó saamgesnoerd, dat ze ὁμοθυμαδὸν hun geloofsleven openbaarden. Op welke wijze dit geschiedde, wordt ons geteekend in 2: 42-47, woorden, die voor de organisatie der


1) Zie F. Hupfeld, Die apostolische Urgemeinde2, Berlin 1900 bl. 23, 24.

|59|

Kerk van Jeruzalem de grootste waarde bezitten: ἦσαν δὲ προσκαρτεροῦντες τῇ διδαχῇ τῶν ἀποστόλων καὶ τῇ κοινωνίᾳ 1), τῇ κλάσει τοῦ ἄρτου καὶ ταῖς προσευχαῖς. Ἐγένετο δὲ πάσῃ ψυχῇ φόβος˙ πολλὰ δὲ τέρατα καὶ σημεῖα διὰ τῶν ἀποστόλων ἐγινετο ἐν ῾Ιερουσαλήμ, φόβος τε ἦν μέγας ἐπὶ πάντας, καὶ πάντες δὲ οἱ πιστεύσαντες ἦσαν ἐπὶ τὸ αὐτὸ καὶ εἶχον ἅπαντα κοινά, καὶ τὰ κτήματα καὶ τὰς ὑπάρξεις ἐπίπρασκον καὶ διεμέριζον αὐτὰ πᾶσιν, καθότι ἄν τις χρείαν εἶχεν˙ καθ᾽ ἡμέραν τε προσκαρτεροῦντες ὁμοθυμαδὸν ἐν τῷ ἱερῷ, κλῶντες τε κατ᾽ οἶκον ἄρτον, μετελάμβανον τροφῆς ἐν ἀγαλλιάσει καὶ ἀφελότητι καρδίας, αἰνοῦντες τὸν θεὸν καὶ ἔχοντες χάριν πρὸς ὅλον τὸν λαόν. ὁ δε κύριος προσετίθη τοὺς σωζομένους καθ᾽ ἡμέραν ἐπὶ τὸ αὐτό.

Vooraf zij opgemerkt, dat de grens van dezen heiligen kring als eigen organisatie afgebakend was door den doop. Als eisch van aanhoorigheid stellen de apostelen naar de geestelijke zijde de bekeering, vs. 38 μετανοήσατε, naar de zichtbare zijde den doop: καὶ βαπτισθήτω ἕκαστος ὑμῶν ἐπὶ τῷ ὀνόματι Ἰησοῦ Χριστοῦ; den doop, reeds aan den kring door Christus als sacrament gegeven, maar die nu eerst in de volle sacramenteele beteekenis optreedt als teeken en zegel der aanhoorigheid aan het σῶμα, waarin de H. Geest als Spiritus communionis is uitgestort. In dien weg ontvingen de toevloeienden deel aan den Pinksterzegen: καὶ λήψεσθε τὴν δωρεὰν τοῦ Ἁγίου Πνεύματος. Terwijl uit de toevoeging, vs. 39, καὶ τοῖς τέκνοις ὑμῶν blijkt, dat de Jeruzalemsche Kerk niet anders wilde zijn dan de vergadering der geloovigen met het zaad, tot de geloovigen gerekend 2).

Reeds in die bediening van den doop treedt onwedersprekelijk aan het licht, dat de Jeruzalemsche gemeente van meet af was


1) καὶ in den Rec. vóór τ. κλασ. zal moeten wegvallen volgens א ABCD*. Zie Wendt in Meyers Comm. N.T. 1899.
2) Wernle, a.w. bl. 93, zegt, dat door den doop (geen inzetting van Christus, maar van huis uit een „fremdes Gewachs” uit Babyion naar het Spätjudentum overgekomen) de Schlagworte „gläubig und ungläubig” in de Kerk kwamen (bl. 96). In den kring der broeders werd heel spoedig het Evangelie tot wet; zoo ook met het Avondmaal (bl. 97), dat Jezus nooit als inzetting had bedoeld (sic!) Men kwam uit de vrijheid tot de secte; ’t werd „Annäherung an das Sablonerhafte”. Volgens Wernle c.a. was dus reeds in die allereerste dagen de Christelijke Kerk, met haar cultus en organisatie ver afgeweken van Jezus, die slechts religieuse Bergrede-ideën had gepredikt!

|60|

georganiseerd. Te meer waar van de toediening van den doop geen sprake kon zijn, zonder dat in voorafgaande, openlijke belijdenis van het gemeenschapsbesef aan dien heiligen kring getuigenis was afgelegd; een belijdenis, die natuurlijk als betrouwbaar moesten worden gekeurd. Men begon maar niet willekeurig mede te leven in spiritualistische ongebondenheid; maar wel degelijk werd in het zichtbare een formeelen band aangelegd, die vanzelf stipulatiën met zich bracht. Men onderwierp zich daardoor aan het opzicht en de tucht, in dien kring geoefend. En in niets komt zoozeer dan in die vrijwillig aangegane verbintenis het georganiseerd karakter uit.

Laat ons nu zien, hoe in het vs. 42-47 beschreven leven alle voorwaarden besloten liggen voor een zelfstandige organisatie. Er ligt orde in die beschrijving 1): vs. 42 zegt, hoe de nieuw bekeerden zich aan het gemeenteleven aansloten 2); vs. 43 deelt mede wat de apostelen deden; vs 44, 45 hoe de geloovigen in broederlijke liefde saamwoonden; vs 46 neemt de saamvatting van het christelijk leven, wijzende op het bindend en scheidend element van Israël.

In vs. 42 worden vier bestanddeelen genoemd, nl. de διδαχή τῶν ἀποστόλων, de κοινωνία, de κλάσις τοῦ ἄρτου en de προσευχαί.

In de διδαχή ontving de gemeente een norm naast en in aansluiting aan het O. Testament. Reeds hier vinden we aanstonds het christelijk geloof (in objectieven zin) aangegeven, waarop later in de apostolische schriften, vooral in de Pastoraalbrieven, zooveel nadruk wordt gelegd 3). Wat de inhoud was, blijkt uit 5: 42 οὐκ ἐπαύοντο διδάσκοντες καὶ εὐαγγελίζόμενοι τὸν Χριστὸν Ἰησοῦν, dus Christus-prediking, geheel overeenkomstig Jezus’ opdracht 1 : 8 ἔσεσθέ μου μάρτυρες (cf. 1: 22, 25), en voor alle apostelen gelijk, 1 Cor. 15: 11 εἴτε οὖν ἐγὼ εἴτε ἐκεῖνοι, οὕτως κηρύσσομεν καὶ οὕτως ἐπιστεύσατε.


1) Zie Th. Harnack (niet te verwisselen met den zoon, Adolf; de vader is streng, geloovig Lutheraan), Die christliche Gemeinde-Gottesdienst im apostolischen und altkatholischen Zeitalter, Erlangen 1854, bl. 78 v.v.
2) Wij nemen met G.V. Lechler, Das apostolische und das nachapostolische Zeitalter, Karslruhe und Leipzig 1885, bl. 38; met Wendt, Meyers Komm. N.T. 1899 i.l., vs. 42 in nauw verband met vs 41, zoodat nog alleen gesproken wordt van de nieuw-bekeerden; vs. 44 wordt dan het leven geteekend van de gezamenlijke gemeente.
3) Tit. 1: 9; 2 Joh. 9; Rom. 6: 17, e.a.pl.

|61|

De gemeente liet zich bouwen ἐπὶ τῷ θεμελίῳ τῶν ἀποστόλων (Ef. 2: 20). Op welke wijze die opbouwing geschiedde, is niet vermeld. Dat echter de apostelen zelf leidend en leerend optraden, mag worden geloofd in verband met des Heilands gebod: διδάσκοντες αὐτοὺς τηρεῖν πἀντα ὅσα ἐνετειλάμην ὑμῖν (Mtth. 28: 20). Van de apostelen zelf moesten zij die διδαχή ontvangen, zoodat daardoor als vanzelf hun autoriteit in de gemeente bevestigd was, gelijk later, bij het tot stand komen van den canon des N. Testaments de apostolische herkomst de maatstaf was. Van een stichtelijk gezelschap zonder ambtelijke leiding was derhalve geen sprake, al zal ook naar den aard der bijzondere bedeeling des Geestes het ambt der geloovigen in onderlinge opbouwing wel op den voorgrond zijn getreden. Waarschijnlijk was dit echter, waar apostolische leiding gegeven was, niet in die mate als later b.v. in de gemeente voor Corinthe. Althans trekt het de aandacht, dat we van geen profetie lezen (het eerst 11: 27, Agabus). Deze gave zal daarom toch wel in Jeruzalems’ Kerk aanstonds hebben gebloeid, waar voor haar allereerst Joël’s profetie was in vervulling gegaan (2: 14), maar school nog weg achter het overwegend woord der apostelen 1). In elk geval zal de samenkomst den vorm hebben gehad van de ὁμιλία. Teekenend voor de organisatie is het vooropgaan van de διδαχή in den cultus. Niet het Sacrament maar het Woord ontvangt in den dienst de eerste plaats, zonder hetwelk het Sacrament niet bestaat. En, waar de geloovigen προσκαρτεροῦντες waren in die διδαχή d.i. zich volstandig onder het gehoor der apostelen stelden om te worden opgebouwd, zien we daarin het beginsel van de bediening des Woords, die in de gemeentelijke samenkomst de eerste heilige handeling is.

Aan die διδαχή neemt positie hun κοινωνία, hun broederlijke gemeenschap onder elkander, niet maar ideëel, maar gelijk die bepaaldelijk uitkwam in de saamvergadering tot het hooren van de verkondiging der apostelen en tot verdere handelingen tot de gemeenschap behoorende. Die κοινωνία was de openbaring van de ἀδελφότης, waaraan ze in haar wezen verwant is (1 Petr 2: 17; 5: 9). Het ontbreken van alle nadere bepaling verbiedt dit woord te


1) Zie ook Weizsäcker, a.w. bl. 41.

|62|

verbinden met τῶν ἀποστόλων uit het vorige, of te nemen bij het volgende als de gemeenschap des avondmaals, en eveneens om te denken aan mededeeling van gaven aan de armen (dus com-municatio in plaats van communio). Het moet in algemeenen zin verstaan van de gemeenschap aan hetzelfde geloof 1),

De κλάσις τοῦ ἄρτου behoeft op zichzelf nog niet het broodbreken in het Avondmaal te zijn (cf. Lk. 24: 35, Hd. 27: 35), maar meermalen wordt het van het Avondmaal gebruikt (1 Cor. 10: 16 cf. 11: 24; Luk. 22: 19 διδόμενον.) Hier wordt het geplaatst tusschen de volharding in de leer en in de gebeden in, en waar nu in de apostolische eeuw het Avondmaalvieren niet gescheiden was van den gewonen maaltijd, en de woorden van Jezus bij het laatste maal voortleefden onder de discipelen, hebben we te denken aan den gemeenschappelijken maaltijd, waaraan de eucharistie verbonden was (cf. 20: 7) 2).

Als integreerend deel van het gemeentelijk saamleven worden nog de προσευχαί genaamd, in het mv., ziende op de gedurige gemeenschappelijke saamkomsten tot het gebed.

Inderdaad liggen in deze vier zaken de kenmerken van het georganiseerd instituut. Voegen we de διδαχή en de προσευχαί saam als innig verbonden, en bedenken we, dat op den duur de κοινωνία in haar zuiverheid en haar gebondenheid aan de διδαχή niet kon bewaard blijven zonder discipline (zij het ook in den eersten tijd op extra-ordinaire wijze geoefend, Hd. 5: 1-11), en herinneren we ons, gelijk hierboven werd opgemerkt, dat de doop den toegang ontsloot, dan vinden we hier in het saamwonen der eerstbekeerden de elementen van bediening des Woords en der Sacramenten, zuiver gehouden door de handhaving der tucht.

De slotverzen geven een blik in de openbaring der κοινωνία in onderling verkeer en hulpbetoon en in de verhouding tot degenen


1) Treffend zegt Weizsäcker a.w. bl. 37: „Das Wort ist überdies durch Paulus Gal. 2: 9 bestimmt erklärt. Wenn dort die Apostel der Juden und der Heiden einander die Hand geben, um ihre κοινωνία zu erklären, so kann das nichts anderes, heissen, als dass die sich wechselseitig als Genossen desselben Glaubens anerkennen.
2) Aan een bepaalde wijze van aalmoes geven te denken, in verband met een gelijke, maar eveneens onjuiste verklaring van κοινωνία, gaat niet aan met het oog op Hd. 20: 7, 11; 27: 35.

|63|

die buiten stonden. Ze waren allen, πάντες οἱ πιστεύσαντες (hier is niet slechts sprake van de eerstbekeerden) ἐπὶ τὸ αὐτό, hetgeen alleen locaal bedoeld kan zijn, en wel op het verkeer in den tempel zien moet, aangezien het groot getal geloovigen het bezitten van één vergaderlokaal van genoegzamen omvang onwaarschijnlijk doet zijn. Natuurlijk aanvaarden we niet met Wendt e.a. dat de groote getallen op sterk overdreven overlevering berusten. Maar niets verhindert om aan te nemen, dat de geloovigen in meerdere huizen saamkwamen, wat de woorden κατ᾽ οἶκον vs. 46 wel niet behoeven te beduiden, maar zeer goed kunnen beteekenen

Nu hadden de geloovigen alle goederen gemeen. Op de algemeenheid dier goederengemeenschap mag niet worden afgedongen met Baur, Wendt e.a. Het εἶχον ἅπαντα κοινά vs. 44 en het οὐδὲ εἷς τι τῶν ὑπαρχόντων αὐτῷ ἔλεγεν ἴδιον εἶναι 4: 32 en het ὅσοι γὰρ κρήτορες χωρίων ἤ οἰκιῶν ὑπῆρχον πωλοῦντες ἔφερον τὰς τιμὰς τῶν πιπρασκομένων καὶ ἐτιθουν παρὰ τοὺς πόδας τῶν ἀποστόλων, vs. 34, laat geen keuze. Ook bewijst het noemen, alleen van Barnabas, niets tegen het feit, dat allen het deden (Wendt), want hij wordt ongetwijfeld genoemd om zijn later beteekenisvol optreden in te leiden. Ook mag het niet worden verzwakt tot een „groszartiges Almosen geben” 1). Er is werkelijk een algemeene gemeenschap geweest, maar geen opgelegde, zoodat er van het opheffen van het recht op persoonlijk bezit geen sprake was. Ook over het verkochte hield men macht, om te geven, hoeveel men wilde


1) Zoo Hupfeld, a.w. bl. 26, die aan geen goederengemeenschap denkt, maar aan een vrijwilligen „Ausgleich des Besitzes”, aan iets wat wel in graad, maar niet in wezen verschilt met wat later evengoed geschiedde.
Ook Heinrich, a.w. bl. 52 denkt aan geen gemeenschap, omdat die niet zonder dwang zou kunnen geschieden. Het karakteristieke was hier echter juist: geen dwang en toch gemeenschap.
E. von Dobschütz, Die urchristliche Gemeinden, Leipzig, 1902, bl. 105 gaat verder nog dan Wendt en denkt aan Idealzüge van Lukas, die „schwärmt wie viele seiner Zeitgenossen für den Kommunismus”.
Ook Hort, a.w. bl. 48 denkt niet aan een gemeenschap van goederen, maar aan een vrijwillige, ongelijke mededeeling op grooten schaal. Overigens is zijn opmerking treffend: „The ecclesia was a society in which neither the community was lost in the individuals, nor the individuals in the community.”
Eveneens Weizsäcker a.w. bl. 45, 46.

|64|

(5: 4), maar men zag van die macht af en gaf alles. Evenwel geen gemeenschap in dien zin, dat er een gelijke verdeeling plaats had onder allen, maar door de handen der apostelen, waarin de ééne kas bewaard bleef, werd uitgedeeld aan de nooddruftigen. Het was dus niet om iemand rijk te maken, doch om armoede te keeren 4: 34. Het doel was niet een regeling van het bezit, maar het weren van ellende. Intusschen was die gemeenschap beperkt tot Jeruzalem; was geheel vrijwillig; duurde slechts kort, gelijk ze dan ook alleen mogelijk was bij de hooggespannen kracht des geloofs en der liefde; ze was als een breede schilderij van wat reeds in de gemeenschap tusschen Jezus en zijn jongeren op aarde was aanschouwd, en een voorproef van de Paradijs-heerlijkheid, wanneer alle zonde zal zijn te niet gedaan; ze behoorde dan ook niet tot het georganiseerde leven der Kerk en mag daarom in geenen deele worden aangemerkt als een christelijk communisme, dat zou behooren te blijven bestaan 1). Maar, de vorm, waarin zich het liefdeleven toen openbaarde moge voorbijgaand zijn geweest, het wezen is niettemin onafscheidelijk aan de gemeente verbonden; en het is die beweging der barmhartigheid, onafscheidelijk van de Kerk op aarde, die straks in den vasten vorm van het Diaconaat den weg vindt, om zich blijvend te ontsluiten.

Ten slotte is in het leven der jeugdige Kerk karakteristiek een bindend en een scheidend element ten opzichte van Israël. Het eerste ligt in καθ᾽ ἡμέραν τε προσκαρτεροῦντες ὁμοθυμαδὸν ἐν τῷ ἱερῷ; het tweede in κλῶντες τε κατ᾽ οἶκον ἄρτον. Volstrekt geen radicaal breken met den schaduwdienst van Israël, evenmin als Christus dit had gedaan, maar een uitgroeien uit de windselen der oude bedeeling. De nieuwe organisatie breekt van zelf de oude af, totdat straks de oude zich beslist antithetisch stelt tegenover de nieuwe en de apostelen den tempel worden uitgeworpen. En dan mag voor het civiele leven de autoriteit erkend blijven (Hd. 23: 5), voor het godsdienstige vervalt ze. De geloovigen hebben hun huisgemeenten, en ze gaan niet meer tot den nationalen hoogepriester, maar tot den Hoogepriester in den hemel, in Wien hun eenheid ligt.

Tot zoolang echter gaan ze dagelijks met hun volksgenooten


1) In dien geest ook Meijer i.l. in Meijer’s Kommentar ü. d. N.T.

|65|

op, waarschijnlijk op de drie gebedsuren, de derde ure (2: 15), de zesde ure (10: 9), de negende ure (3: 1; 10: 3). Evenwel is er ook bij dat opgaan iets nieuws. Ze komen in den tempel als gedoopten. Ze zijn er ὁμοθυμαδόν, één van ziel als ἀδελφοί, en daarin ligt het bewustzijn van hun zelfstandig bestaan als Christelijke Kerk in Israël. En ze komen er als getuigen van Christus. Vandaar het bevel tot de Apostelen 5: 20: πορεύεσθε καὶ σταθέντες λαλεῖτε ἐν τῷ ἱερῷ τῷ λαῷ πάντα τὰ ῥηματα τῆς ζωῆς ταύτης. Edoch, in den tempel geen διδασκαία en ὁμιλια, maar μαρτυρία, κήρυγμα, εὐαγγελία.

Daarnaast evenwel hun samenkomsten κατ᾽ οἶκον. Hierin lag de openbaring, de ontwikkeling, de zelfstandige ontplooiing naar den eigen aard van haar leven als Christelijke Kerk 1). En het is eigenaardig, hoe de eigen organisatie van het Christelijke leven haar natuurlijke basis vindt in het huisgezin. Zoodat er eigenlijk drie factoren zijn, die de openbaring der eerste Christelijke Kerk beheerschen: het huiselijk familieleven, de band aan Israël’s heiligdom, en het nieuwe, waarin de kiemen der organisatie lagen, belichaamd in het Apostolaat.

Toen de bloem zich ging openen, deed Israël nog een wijle als schutblad dienst, maar voor de zich ontsluitende kelk moet het schutblad vallen, en de bloem van Jezus’ gemeente ontplooit zich in haar schoonheid tot een eere van haar Koning, die haar heeft geplant, en tot een vreugde der aarde, die door haar wordt gezegend.

 

In den eersten tijd berustte de leiding der Jeruzalemsche Kerk, in alle takken van dienst, uitsluitend in de handen der apostelen. Het didactisch leeren in (2: 42) en het missionair optreden buiten de gemeente (3: 12, 5: 20), bestuur en tucht (5: 1-11), verzorging der armen (4: 34, 35), — al deze lasten droegen dezelfde schouders. Daarbij deden ze teekenen en wonderen (2: 43; 3: 6; 5: 12). Hierin nu moest spoedig verandering komen. En deze kwam naar aanleiding van de eerste misstanden, die in de gemeente openbaar werden, Waarschijnlijk in verband met zekere spanning tusschen


1) Ten onrechte zegt R. Rothe, Die Anfänge der Christlichen Kirche, Wittenberg, 1867, bl. 142: „Die ersten Christengemeinden hatten zunächst noch kein selbstständiges Dasein”.

|66|

de Palestijnsche en Hellenistische Joden uit de diaspora, kwam er oneenigheid, wijl de weduwen der Hellenisten in de dagelijksche bediening werden achtergesteld bij de Hebreeuwsche. Het kan wel zijn, dat de apostelen bij administratie en uitvoering van de armenverzorging op zoo groote schaal, zich bedienden van vrijwilligers, aan wie misschien, bij het gemis van de noodige ambtelijke verantwoordelijkheid, wel de oorzaak der ongeregeldheden was toe te schrijven. 1) Hoe het zij, de ambtelijke roeping en instelling der zeven, Hd. 6: 2-6, is, uit de behoefte zelve der gemeente geboren, als een loot aan den stam van het Apostolaat uitgeschoten, en deze voortschrijding op den weg eener vaste organisatie doet zich in alle opzichten als een normale ontwikkeling kennen. De problemen, die zich hier voordoen in verband met het presbyteraat en vooral met het diaconaat, zullen ter plaatse onder de oogen worden gezien. In elk geval dient Lukas hen niet aan met den naam „diakenen”, maar van „οἱ ἕπτα”, gelijk de apostelen in dit verband οἱ δώδεκα worden genoemd. Thans zij het genoeg te wijzen op enkele momenten voor de ontwikkeling der organisatie van gewicht: 1e. Hier wordt ons de eenige beschrijving geboden van het ontstaan van een blijvend ambt; 2e. de zeven worden verkoren op initiatief en onder leiding der twaalven, terwijl de bepaling van bevoegdheid, aantal en vereischten tot het nieuwe ambt, naar hun aanwijzing geschiedt; 3e. de gemeente wordt, waar zij zelve kiest, in haar volle autonomie erkend en handelt met bewustheid. Of de Hellenistische namen, die alle zeven dragen, wijzen op personen alleen uit den kring der ontevredenen, en of daarin dus een zeker beleid bij de verkiezing valt te constateeren, laten we in het midden,


1) Zie hierover o.a. G.V. Lechler, a.w. bl. 79; R. Rothe, a.w. bl. 146, 163.
Dat de apostelen zich van helpers uit de gemeente bedienden, blijkt uit het optreden der νεώτεροι bij het uitdragen van Ananias en Saffira. Er is geen reden om aan deze νεώτεροι zekere ambtelijke bevoegdheid toe te kennen; reeds niet omdat zij, die 5: 6 νεώτεροι worden genoemd, vs. 10 eenvoudig νεανίσκοι worden geheeten. Evenmin is er grond om, deze νεώτεροι als zekeren stand aanmerkende in de gemeente, dienovereenkomstig in de straks optredende πρεσβύτεροι ook slechts een stand te zien en niet een ambt (Würde en geen Bürde). (In dien geest bestrijdt dit ook Bonwetsch in Kürz’s Lehrbuch der Kirchengeschichte bl. 35).

|67|

omdat ook Palestijnsche Joden zeer wel Hellenistische namen kunnen hebben gedragen; 4e. hun ambt wordt nauwkeurig omschreven als betreffende den dienst der barmhartigheid: ἐπὶ τῆς χρείας ταύτης (vs. 3), nl. διακονεῖν τραπέζαις (vs. 2); 5e. ze worden na de verkiezing gesteld voor de apostelen, in wier handen dus feitelijk de beroeping wordt gelegd, terwijl deze hen inzetten in het ambt met gebeden en handoplegging (vs. 6); 6e. al deze handelingen van gemeente en apostelen saam, wijzen uit, dat de functie der zeven een ambtelijke functie is; 7e. de scheiding der ambten, die hier een aanvang neemt, mag niet zóó absoluut worden opgevat, alsof — vooral in dien eersten extra-ordinairen tijd — de diensten niet wederkeerig elkander de hand mochten reiken: Stefanus doet wonderen en teekenen (6: 8) en treedt straks als prediker op; Filippus wordt evangelist (21: 8); de presbyters, alsof de zorg der armen de hunne ware, nemen eerlang de gaven aan (11: 30). Trouwens de eenheid der ambten in het Apostolaat maakt zulk een wisselwerking (natuurlijk binnen grenzen en niet zonder noodzakelijkheid) mogelijk.

Merkwaardig, dat wel van het diaconaat, maar niet van het presbyteraat ons het ontstaan wordt medegedeeld. De presbyters in Jeruzalem treden opeens op (11: 30), waar zij de gaven in ontvangst nemen, die van de gemeente van Antiochië ten dienste van de broederen in Judea door de hand van Barnabas en Saulus waren gezonden. Nog tweemaal komen ze voor: op het convent, met de Apostelen saamvergaderd, om te oordeelen over het geschil in Antiochië (Hd. 15), en bij het bezoek van Paulus aan Jacobus, toen ook zij medevergaderden (Hd. 21: 18). Wanneer ze het eerst verkozen zijn, is niet met zekerheid te zeggen; het kan zijn, toen de apostelen bij de vervolging van Herodes, na Jacobus’ (Zebedeus’ zoon) dood Jeruzalem moesten verlaten (Hd. 12, hoewel ze gedurig wederkeerden). Het kan ook zijn, (en dit komt ons ’t waarschijnlijkst voor) dat zij reeds aanstonds zijn ingesteld, om te dienen in de huisverzamelingen, tot op zekere hoogte naar het voorbeeld der synagogen Overigens ligt het in den aard der zaak, dat wèl de instelling der zeven, maar niet die der presbyters opzettelijk is meegedeeld, omdat de laatste veel meer als een onmiddellijk dringende behoefte zich moest doen gevoelen. Dat de

|68|

presbyters (Hd. 11: 30) de gaven uit Antiochië in ontvangst nemen en men van de zeven daarbij niets verneemt, kan zijn verklaring hierin vinden, dat tengevolge van de verstrooiing der gemeente na Stefanus’ dood, de zeven hun werk hebben moeten staken. De presbyters zouden dan zijn opgetreden in een aangelegenheid, waarbij men het fungeeren van de zeven zou hebben verwacht. Doch met zekerheid valt hier niets te zeggen 1).

 

Een brandende vraag is, in hoeverre de organisatie der Christelijke Kerk zich aansluit aan de synagoge.

Over de synagogale instelling in het kort het volgende 2).

Ze is een schepping uit den na-exilischen tijd (ps. 74: 8, hoewel het latere Jodendom het ontstaan terugleidt tot den tijd van Mozes), vooral met het oog op de bewaring en verbreiding van kennis onder het volk door gestadig onderricht. Ten tijde van Christus op aarde werden ze menigvuldig gevonden (Hd. 15: 21 Μωυσῆς γὰρ ἐκ γενεῶν ἀρχαίων κατὰ πόλιν τοὺς κηρύσσοντας αὐτὸν ἔχει ἐν ταῖς συναγωγαῖς κατὰ πᾶν σάββατον ἀναγινωσκόμενος).

De vergaderplaats heette bēt-hakkenēmet, συναγωγή, vergadering. Behalve deze waren er ook nog bidplaatsen in de open lucht. (Hd. 16: 13.) Elken sabbath kwam men saam tot gebed, door een der leden uitgesproken en door de gemeente met „amen” besloten en tot lezing van een deel der wet en der profetie, in Palestina in het Hebreeuwsch, in de Grieksche steden in het Grieksch, waarna ook wel het woord werd gevoerd (Hd. 13: 15). Bovendien kwam men ook saam op den 2en en 5en dag der week. De synagogen dienden niet alleen tot religieuse doeleinden, maar ook voor handelingen, die behoorden tot het burgerlijk leven ; zoo werden b.v. in de synagogen de geeselingen voltrokken, Mtth. 10: 17, 23-24; Mk. 13: 9; Lk. 21: 12. In elke plaats waren ze zelfstandig georganiseerd. Met


1) Weizsäcker betwijfelt (a.w. bl. 606) het optreden der oudsten en meent (natuurlijk in verband met de critische beschouwing van het boek der Hand.), dat ze daar door den schrijver in navolging van het Sanhedrin en als vóórloopers van de latere Episcopen en Presbyters uit zijn tijd in dien vroegeren zijn ingedragen. Dan zal ook moeten vallen de aanstelling van presbyters door Paulus te Lystre Hd. 14: 23!
2) Zie E. Schürer, Geschichte des Jüdischen Volkes4, Leipzig 1907, Dl. II § 27 II bl. 497 v.v.

|69|

het oog hierop moet vooral onderscheid gemaakt. In steden met overwegend niet-Joodsche bevolking, organiseerden de Joden zich naast de burgerlijke gemeente; ze regelden hier zelf het religieuse leven en oefenden rechtspraak uit. Maar in de bijna uitsluitend Joodsche gemeenten van Palestina, waar de heidenen waarschijnlijk geen burgerlijke rechten hadden, waren de oudsten van stad en dorp gesteld voor beide terreinen, en was geen afzonderlijke regeering voor het burgerlijke en religieuse leven.

De synagogen hadden opzieners, de oudsten (zekēnim), die feitelijk in alle aangelegenheden beslisten, b.v. het recht hadden van den ban.

Naast deze oudsten waren er beambten, wien de leiding en het toezicht bij de samenkomsten was opgedragen. De godsdienstige handelingen zelve (gebed, lezing, prediking) geschiedden niet door aangestelde personen, maar door leden der gemeente, die daartoe de bekwaamheid hadden. Ook Jezus sprak wel in de synagogen, Mtth. 4: 23; 9: 35; 12: 19; 13: 54; Mk. 1: 21; 1: 39; 3: 1; 6: 2; Lk. 4: 15 v.v.; 4: 44; 6: 6; 13: 10.

Aan het hoofd dezer beambten stond de Overste der synagoge (rōš-hakkenēmet, ἀρχισυνάγωγος.), Mk. 5: 22, Lk. 8: 49; 13: 14; Hd. 13: 15, 18: 8, 17. Deze had de leiding, noodigde uit tot gebed, lezing, spreken (Hd. 13: 15), en zorgde, dat gebouw en inboedel in goeden staat bleven. Al werd hij meestal uit de oudsten gekozen, toch droeg zijn ambt een ander karakter. In de tweede plaats hoorden tot de beambten de armverzorgers, nak’ei ṣedāqah tot inzameling en verdeeling der aalmoezen. In de derde plaats een of meer dienaren der synagogen, de ḥaṣān hakkenēmet, die slechts geringe diensten bewees, als koster, het aangeven en bergen der rollen (Lk. 4: 20), het voltrekken der straffen enz.

Over de aansluiting der Christelijke Kerk aan deze synagogale instelling zijn de inzichten ten zeerste verdeeld, meestal naar het standpunt, van waaruit men de Kerk beschouwt. Zoo zullen Roomschen en ten deele ook Lutherschen meer aansluiting zien aan den tempel met zijn centralen offerdienst, en de moderne richtingen, die, blind voor alle supranatureele inwerking, allerwege zoeken naar analogiën en copieën, een natuurlijke ontwikkeling uit de synagogen verdedigen.

Het is merkwaardig, dat van gereformeerde zijde, C. Vitringa

|70|

in zijn standaardwerk „de Synagoga Vetere” 1), tot in de kleinste bijzonderheden toe de organisatie der Kerk uit de synagoge afleidt, reeds blijkens de omschrijving van den titel: Iibri tres quibus praecipue formam regiminis et ministerii synagogarum in ecclesiam christianam translatam esse, demonstratur 2).

Te dezen aanzien moet evenwel de grootste voorzichtigheid worden in acht genomen. In een tijd, waarin niet zoozeer de polemiek tegen Rome op den voorgrond treedt, maar krachtig moet worden gestreden tegen de nieuwe Theologie, die liever de begrippen van het N. Testament terug leidt tot den na-exilischen tijd van Philo en de Apocryphen dan tot Mozes en de profeten, zou Vitringa waarschijnlijk voor meer eenzijdigheid zijn bewaard gebleven. Het komt hier zoozeer op de rechte onderscheiding aan tusschen wezen en vorm.

Op den voorgrond staat, dat Jezus zelf zich wel van de synagoge, zelfs stelselmatig (Joh. 18: 20), heeft bediend als een der vormen van het godsdienstig leven van zijn volk, maar als Hij sprak van wat Hij fundeeren kwam, dan sprak hij van zijn ecclesia. Bij de eerste christenen in Jeruzalem vinden we geen poging, om een synagoge op te richten tegenover of naast de bestaande synagogen, wat toch zeer wel had kunnen geschieden (in Jeruzalem waren er een 480 3)). Ook noemen ze zich nooit synagogen, maar Kerken. Evenzeer Paulus, Gal. 1: 22 spreekt van ταῖς ἐκκλησίας τῆς Ἰουδαίας ταῖς ἐν Χριστῷ. Alléén Jacobus (2: 2) zegt: ἐὰν γὰρ εἰσέλθῃ εἰς συναγωγὴν ὑμῶν ἀνὴρ χρυσοδακτύλιος, maar volstrekt niet om de georganiseerde Kerk als zoodanig dien naam te geven, want


1) Franequerae 1696.
2) Blijkbaar is Vitringa’s werk een doorloopende bestrijding van de Roomsch-hiërarchische idee, die aansluiting zoekt in den tempeldienst, proleg. Cap. VI pag. 75 v.v.
Allicht is het onder den invloed van den tijd, dat ook Calvijn nog al sterk de aansluiting aan de Synagoge bepleit. Institutio, in het Corp. Reform. Vol. XXX, Lib. IV, II, 6, „Praedixit, inquam, Christus apostolis suis, fore ut a Synagogis propter nomen suum ejicerentur. Illae porro Synagogae de quibus loquitur, tune habebantur legitimae Ecclesiae”.
Lib. IV, XI, I, sprekende over Mtth. 18: 18: ,,Observent lectores, non agi illo loco de generali doctrinae auctoritate, sicuti Matthaei cap. 16 et Joannis 20, sed jus synedrii in posterum transferri ad Christi gregem. Ad illum usque diem Judaeis sua fuerat gubernandi ratio, quam in Ecclesia sua stabilit Christus quoad puram institutionem atque in gravi sanctione”.
3) Vitringa, proleg. pag. 28.

|71|

5: 14 spreekt hij niet, en kan hij niet spreken, van de πρεσβυτέρους τῆς συναγωγῆς, maar τῆς ἐκκλησίας.

Dat de Christelijke Kerk in haar inrichting een copie zou zijn van de synagoge, stuit op onoverkomelijke bezwaren. 1e. Het zou in strijd zijn met het wezen van het Christendom zelf; de Kerk vindt haar wortelen in Israëls qāhāl, maar niet in een menschelijke na-exilische instelling; van een schematische gelijkheid in vorm kan sprake zijn, van een groeien nimmer, zelfs niet van een bewuste nabootsing. 2e. De analogie van de ambten der synagoge met die der Christelijke Kerk ontbreekt. Heel de organisatie der synagoge lag gebonden niet alleen in het religieuse maar ook in het burgerlijke leven. In de Kerk draagt alles een geestelijk karakter. De presbyters (zekēnim) hadden geen geestelijk ambt, maar burgerlijke bevoegdheid. Nog sterker komt dit uit bij de andere beambten, bij wie alle analogie ontbreekt. De Kerk kent geen overste, en ook de nak’ei ṣedāqāh heeft evenveel van den diaken als de tegenwoordige leden van een stedelijk armbestuur, en de ḥazān van een kerkelijk ambt als de koster. Wel daarentegen is er analogie tusschen die beambten en het Hellenistisch communaal bestuur 1). 3e. Van den ἀρχισυνάγωγος en den ὑπηρέτης wordt doorgaans gesproken in het enkelvoud, van de christelijke ambtsdragers in het meervoud.

Of er dan gansch geen anologie bestaat? Zeker meer dan met den tempeldienst 2). Er was ongetwijfeld historische samenhang. In Damascus schijnen de Christenen met de synagoge in


1) In de Grieksche gemeenten had men de ἄρχοντες, den magistraat; de βουλή den raad en de δῆμος, de gemeente. Zoo ook in de Joodsche gemeenten van de diaspora: ἄρχοντες, γερουσία en gemeente, (bij R. Seyerlen, Die Entstehung des Episkopats in der Christlichen Kirche, mit besonderen Beziehung auf die Hatch-Harnacksche Hypothese, in Zeitschrift für praktische Theologie 1887, bl. 207). Zie ook E. Schürer4 a.w. Dl. II, bl. 95 v.v.
2) Vitringa, a.w. pag. 75 (proleg.), van Rome sprekende: . . . „ut maxima haec conformitas inter Templum et ecclesiam et utriusque λειτουργίαν, ut apud Pontificios obtinet, certissima nota sit ecclesiae corruptae.”
Het is ook de fout van Lutherschen, zooals Th. Harnack, dat ze meer gelijkheid zien met tempeldienst dan met synagoge, in verband met de Luthersche offertheorie (a.w. bl. 122-123 „Ueberhaupt ist es nicht einzusehen, weshalb der urchristliche Cultus, eine innigere Beziehung zur Synagoge als zum Tempel gehabt haben solle”.)

|72|

betrekking te hebben gestaan (Hd. 9: 2). Er lag ook in de synagoge een praeformatie van het N. Testamentisch kerkelijk instituut. Er waren vormen van eeredienst, die zich aanbevalen, maar alles onderging een wedergeboorte in dienst van den Koning der Kerk. Waren de Joden in de diaspora ver van het heiligdom te Jeruzalem, de Christenen zijn ver van het hemelsche, zoodat èn synagoge èn Christelijke Kerk locaal zich openbaren. En ook in den gebedsdienst, de praelectuur, de prediking, lagen elementen, die gelijkheid vertoonden, hoewel, cum duo faciunt idem, non est idem. Een schema lag er in de synagogale inrichting voor de organisatie der Christelijke Kerk, maar meer ook niet 1).


1) Zeer sterke analogie wordt beweerd o.a. door Calvijn, Vitringa, (zie boven). Het zal wel mede in aansluiting aan deze oude Theologen zijn, dat Rieker, in zijn Grundsätze reformirter Kirchenverfassung zegt (bl. 101, 102), dat hij in de geref. kerkenordeningen merkt, hoezeer de gereformeerden hun kerkregeering aansluiten aan de synagoge.
Ook R. Rothe, a.w. bl. 146 „Sie ist nach der Analogie der jüdischen Gemeinde- oder Synagogenverfassung gestaltet geworden.”
A. Hilgenfeld, Die Verfassung der christlichen Urgemeinden in Palestina, Zeitschr. für Wissensch. Theologie 1890, bl. 100, zegt, dat de Joodsch-Chr. kerken zulk een Verfassung hadden, die zich aansloot aan de Joodsche presbyters en archisynagogen en aan de Esseërs, nl. presbyters, episcopen en diakenen.
Ook R. Ruibing, De jongste hypothesen over het ontstaan van het Episcopaat. Groningen 1900, bl. 41.
Voorts J.B. Lightfoot, The Christian Ministry, bl. 192, wijst op de plooibaarheid der Synagoge ook voor de Christenen.
W. Beyschlag, Die christliche Gemeindeverfassung im Zeitalter des N.T.’s, Haarlem, Verhand. v. Teyler’s genootschap bl. 82: Paulus hield zich aan het voorbeeld der synagogen.
W. Paterson, The Church of the New Testament, Londen, 1902, bl. 35: de eerste Chr. gemeenschapsvormen zijn geleidelijk ontstaan naar het voor de hand liggend voorbeeld der Synagoge.
J. Réville, a.w. bl. 95. ,,Les origines de l’Eglise chrétienne sont dans la synagogue judéo-hellénique.”
Daarentegen krachtig bestreden o.a. door E. Schürer. In Theol. Litt. Zeit. 1879 No. 23 Sp. 546 (bij R. Seyerlen a.w. bl. 209) ontkent hij alle verwantschap: „Die Entwicklung der Christliche Gemeindeverfassung ist durchaus ihre eigenen Wege gegangen. Auf Grund ihrer eigener Bedürfnisse und nach eigener Gesichtspunkten hat sich die christliche Gemeinde, von den einfachsten Verhältnissen ausgehend, allmählig ihre eigene Organisation in selbständiger Weise geschaffen. Denn, um auch dies noch in Kürze zu berühren, auch die Anlehnung an die Verfassung der heidnischen Kultvereine ➝

|73|

De gemeente van Jeruzalem heeft in haar eerste jaren tweemaal een hevige crisis doorstaan. De eerste, toen na den dood van Stefanus door de vervolging allen verstrooid werden, en de apostelen alleen te Jeruzalem bleven. De tweede, toen Herodes Jacobus sloeg en ook Petrus wilde dooden. Sedert schijnen de apostelen niet meer geregeld hun stede te Jeruzalem te hebben gehad. De beteekenis van die crisis voor de organisatie wordt echter door velen veel te overdreven voorgesteld. Het feit, dat van toen af Jacobus, de broeder des Heeren, op den voorgrond trad en van presbyters wordt gewag gemaakt, deed het vermoeden ontstaan van een algeheele ommekeer in de orde van zaken. Harnack denkt aan „eine totale Veranderung der Verfassung” 1), maar stemt toe, dat Hand. die ommekeer niet aangeeft. Ze moet in drieërlei hebben bestaan: in het op den voorgrond treden van Jezus’ bloedverwanten; in de verdwijning van het pneumatisch-messiaansch element; in de nabootsing van de Joodsche organisatie. Misschien werden die bloedverwanten van Jezus wel nieuwe rivalen


➝ ist nicht grösser als die an die jüdische Synagogengemeinde. Auch sie beschrankt sich auf das Allgemeinste und Selbstverständlichste”.
Voorts Th. Harnack, zie boven bl. 71 noot 2.
Bonwetsch in Kurz’s Kirchengesch.: geen bewuste aansluiting aan het presbyter-college en alle analogie ontbreekt met de ambten van ἀρχισυνάγωγος en ὑπηρέτης.
C. Weizsäcker, a.w. bl. 39 „man darf immerhin aus der Vermeidung des Namens Synagogen, welche doch von den jüdischen leicht durch einen Zusatz unterschieden werden könne, den Schluss ziehen, dass sie auch in der Form nichts mit den Synagogen gemein halten.”
R. Seyerlen, a.w. bl. 201 „die christlichen πρεσβύτεροι sind auf dem Boden der christlichen Gemeinde selbst und unabhängig von der Verfassung der jüdischen Synagogengemeinden erwachsen”. Het joodsche spraakgebruik is overgenomen, maar niet de zaak.
S. Davidson, a.w. bl. 48 bestrijdt Vitringa, en verwijt dezen, dat hij als ,,presbyterian” het oligarchische van de synagoge als voorbeeld voor de Chr. Kerk stelt.
Bemiddelend in hun oordeel zijn: o.a. Dr. H. Bavinck, die, Ger. Dogm. Dl. IV, bl. 73, spreekt van „eenigen, hoewel zeker niet zeer sterken invloed”; Dr. A. Kuyper, Gemeene Gratie Dl. III, bl. 102, ziet veel sterker spoor van de synagoge dan van het Sanhedrin; Encycl. d. H. Godgel. dl. III. bl. 217; kahal is een organisch, synagoge een louter institutair begrip ; het organische begrip van kahal leefde in het N.T. weer op door de ecclesia, en niet dat van de Synagoge. Zie ook Loc. de Eccl. bl. 186 v.v.
1) A. Harnack, Verfassung und Recht, bl. 24 v.v.

|74|

van de twaalven, evenals de zeven vroeger waren geweest In elk geval, zoo ingrijpende verandering kon niet geschieden zonder machtigen schok. Doch, zoo moet Harnack zelf toegeven: ,,Wir wissen nichts Näheres”, en ook moet hij erkennen, dat de apostelen na Hd. 12 nog niets van hun autoriteit hebben ingeboet!

Maar was nu inderdaad de wijziging zoo ingrijpend en verrassend ? Laat ons zien. Aangaande de presbyters hebben we reeds ondersteld, dat ze er van den beginne waren. En Jacobus, de broeder des Heeren? Hij treedt in Hand. drie maal op: 12: 17 beveelt Petrus, dat men zijn bevrijding zal verhalen aan Jacobus en de broederen. Waaruit blijkt, 1e. dat Jacobus hoog aanzien genoot, 2e. dat Petrus dat aanzien erkende 1). Voorts in Hd. 15 op het convent. Eindelijk in Hd. 21: 18 waar Paulus hem en de Presbyters ontmoet, en van hem den raad ontvangt (vs. 24), om zich te heiligen tot een gelofte om der Joden wil. Ook Paulus, die zoo hoog zelfbewust was, geeft Jacobus de plaats der eere. Gal. 2: 9 noemt hij hem onder de pilaren met Cefas en Johannes, (οἱ δοκοῦντες στῦλοι εἶναι), en doet hem zelfs voorop gaan. Gal. 1: 19 vermeldt hij, dat hij hem in Jeruzalem heeft ontmoet; ἕτερον δὲ τῶν ἀποστόλων οὐκ εἶδον εἰ μὴ Ἰάκωβον, τὸν ἀδελφὸν τοῦ Κυρίου, hoewel uit deze woorden niet volgt, dat hij hem onder de Apostelen rekent (zie bl. 43). Vooral echter leeren wij zijn voorname positie kennen uit zijn rede op het convent: Jacobus heeft de oplossing gevonden vs. 13: μετὰ δὲ τὸ σιγῆσαι αὐτοὺς ἀπεκρίθη Ἰάκωβος λέγων. Met waardigheid vangt hij aan: ἄνδρες ἀδελφοὶ, ἀκούσατέ μου. Heel zijn optreden teekent autoriteit en zijn advies wordt straks besluit. 2).


1) Dit weerspreekt de gedachte, alsof Jacobus hoofdrepresentant zou zijn geweest van een reactie, en een overgang zou hebben gevormd naar het Farizeïsme (Dobschütz a.w bl. 110). En eveneens de phantasie van Harnack (op grond dat in het Hebr. Evang. Jacobus als de eerste wordt genoemd, die den Opgestane heeft gezien), als zou er een spanning hebben bestaan tusschen Petrus en Jacobus, waarbij de eerste het onderspit delfde, nog wel met de vraag: „hatte sich Petrus durch sein Eintreten für die Heidenmission bei den strengen Judenchristen diskreditiert?” (laatst a.w. bl. 26).
2) Over het Jeruzalemsche convent zelf zal in hoofdstuk V worden gehandeld, omdat het vooral beteekenis heeft voor het leven van de Christelijke Kerken uit de heidenen. Toch mag bij de beschouwing van de Jeruzalemsche gemeente niet onopgemerkt blijven, hoezeer dit convent bewijs levert voor ➝

|75|

Waaraan nu Jacobus die autoriteit dankte? 1°. aan zijn eminente persoonlijkheid en gaven. Suo jure was hij primus inter pares, gelijk in critieke tijden immer geboren leiders naar voren gedrongen worden. 1) 2°. door zijn hoogstaand karakter en zeldzamen tact, gepaard met een sterken trek in zijn ziel naar het oude volk, had hij het benijdenswaardig voorrecht de uitersten te kunnen vereenigen. De apostelen achten hem hoog hoewel hij zelf niet tot de twaalven hoort, en evenmin praeses van het convent was, (ook Paulus!) en luisteren naar hem, en den Joden dwong hij eerbied af. Een man, de Rechtvaardige bijgenaamd, te Jeruzalem volkomen op zijn plaats. 3°. Met het scheiden der apostelen van Jeruzalem ging de beteekenis van Jeruzalem’s Kerk als generale Kerk onder voor die als locale Kerk. Wel hield Jeruzalem voor de Palestijnsche Kerken een praedomineerende beteekenis. En in zooverre kan er waarheid liggen in de opinie van Th. Zahn, dat, zoolang de christenheid nog slechts bestond uit gemeenten in Palestina, en Antiochië nog niet de moedergemeente voor de heidenchristenen was, het vanzelf sprak dat de man aan het hoofd der moedergemeente, een autoriteit voor heel de christenheid was 2). Maar toch meenen we veelmeer nadruk te moeten leggen op de locale beteekenis van zijn persoon, in een geheel bijzondere locale Kerk, waar hij allereerst een locale taak


➝ de organisatie dezer gemeente. Haar leven is volkomen op de regelmatige behandeling van een onderwerp, als aan haar oordeel van de zijde van Antiochië’s Kerk wordt onderworpen, ingericht. De afgezanten van Antiochië komen niet tot een ongeregelden groep van geloovigen, gelijk men aldaar dan ook wel wist, want hun zending was tot de Apostelen en Ouderlingen te Jeruzalem (Hd. 15: 4). Ze worden in een wel geconstitueerde vergadering van Gemeente, Apostelen en Ouderlingen ontvangen (vs. 5). De Apostelen en Ouderlingen vergaderen voorts, als ambtsdragers, om het geschil nauwkeurig onder de oogen te zien (vs. 6). Ten slotte wordt de beslissing genomen door de Apostelen en de Ouderlingen, intusschen niet buiten de gemeente, maar met de gemeente (vs. 22), die derhalve gehoord werd. En op deze wijze, naar vaste beginselen, acht men het besluit te zijn tot stand gekomen onder de leiding des H. Geestes (vs. 28).
1) Treffend is wat A. Hausrath van Jacobus zegt in Neutestamentliche Zeitgeschichte2, 2e Bd., bl. 358: „ein jener scharfgeprägten Persönlichkeiten, die, weil sie sich selbst vertrauen, auch bei andern Vertrauen finden, und deren feste Haltung den Einflusz übte, den die Entschiedenheit überall über die erlangt, die nicht wissen, was sie wollen, oder nicht wollen, was sie wissen.”
2) Th. Zahn, Einleitung in das N. Testament3 Dl I, bl. 73.

|76|

had te vervullen. Wij vinden hem steeds met de presbyters, en ongetwijfeld als mede-presbyter; immers Paulus en Barnabas (Hd. 15) worden gezonden tot de Apostelen en Ouderlingen naar Jeruzalem (niet naar Jacobus) en toch voert Jacobus het beslissende woord. Zoo moet hij dan wel, waar hij geen apostel was, onder de ouderlingen hebben zitting gehad. De brief wordt verzonden, niet in naam van Jacobus, maar, vs. 22: ἔδοξε τοῖς ἀποστόλοις καὶ τοῖς πρεσβυτέρους σὺν ὅλῃ τῇ ἐκκλησίᾳ.

Zoo verwerpen wij alle gedachte aan een hiërarchische positie, die Jacobus zou hebben ingenomen. Of niet sommigen bovenmate hem hebben verheven, is zeer wel mogelijk; vergoding van menschen is er steeds geweest; maar bij Jacobus zal die toch het sterkst geweest zijn na zijn dood, toen de legende zich van hem meester maakte, en eenerzijds het Ebionitisme in hem een Christelijken Hoogepriester wilde zien 1), en anderzijds de opkomende hiërarchische richting in de Kerk in hem den eersten bisschop van het Oosten wilde begroeten. Dat hij inderdaad monarchisch bisschop van Jeruzalem was, verhalen alle kerkvaders van Clemens Alexandrinus af 2). En bij velen vindt de gedachte ingang, ter oplossing van het moeielijk probleem van het ontstaan van het monarchische episcopaat, dat het denkbeeld en de verwerkelijking op joodsch-christelijk gebied en in verband met Jacobus het eerst ontstond 3). De plaats, die men aan Jacobus toekent, grondt zich vooral op de verhalen van Eusebius in zijn Historia Ecclesiastica en op de berichten van Hegesippus door Eusebius meegedeeld. Hegesippus toch zegt, dat Jacobus met de apostelen


1) Harnack, Verfassung und Recht, bl. 27: „Er ist der Papst der ebionitischen Phantasie.”
2) Eusebius, H.E. II, I, 2 τοῦτον δὴ οὖν αὐτὸν Ἰάκωβον, ὃν καὶ δίκαιον ἐπικλην οἱ πάλαι δι᾽ ἀρετῆς ἐκάλουν προτερήματα, πρῶτον ἱστοροῦσιν τῆς ἐν Ἱεροσούμοις ἐκκλησίας τὸν τῆς ἐπισκοπῆς ἐνχειρισθῆναι θρόνον.
Rothe, a.w. bl. 264 haalt vele plaatsen aan uit onderscheidene kerkvaders.
3) Harnack, laatst a.w. bl. 27.
Zahn, Einleitung in das N. Testam.3 Dl I, bl. 77 acht het geloofwaardig, wat Eusebius zegt II. 1:2, dat Jacobus na den dood van Stefanus bisschop zou zijn geworden.
Lightfoot, a.w. bl. 197: Jacobus was de eerste monarchische bisschop, maar met presbyters naast zich, in nog voorloopigen vorm.

|77|

de zorge voor de gemeente heeft op zich genomen 1). Jacobus alleen zou hebben mogen gaan in het heilige der heiligen (dus als een hoogepriester) 2) Hij verhaalt voorts allerlei, wat hem als heilige verheffen moet. Van den moederschoot af zou hij heilig geweest zijn, nimmer wijn hebben gedronken, de knieën zouden geheel vereelt zijn geweest, als bij een kameel, doordien hij in den tempel immer geknield lag, biddende voor het volk. Zijn troon werd nog in de vierde eeuw vertoond 3).

Na Jacobus zouden nog zijn neef Symeon 4) en 13 bisschoppen geregeerd hebben vóór de verwoesting. De phantastische kleur, waardoor die verhalen geteekend zijn, doen genoeg het legendarisch karakter vermoeden. De berichten van het N. Testament komen beslist met de positie van een monarchisch bisschop in strijd. Maar wat Hegesippus verhaalt, dat Symeon zijn opvolger, en dus de tweede bisschop van Jeruzalem zou zijn geweest, kan in zoover waarheid bevatten, dat reeds tijdens het leven van Jacobus de voorstelling post vatte, dat een bloedverwant van Jezus de leiding der Kerk hebben moest. En daardoor was feitelijk een toestand ingetreden, die door de zich ontwikkelende ideeën van het episcopaat bevestigd werd. Zoo kan worden toegestemd, dat de afwijking in de organisatie, zooals die in het monarchische episcopaat aan het licht treedt, niet is opgekomen buiten de geschiedenis om ook van de Jeruzalemsche gemeente in haar latere periode, zonder dat daarom nog die abnormale


1) Eusebius, H.E. II, 23:4 de woorden van Hegesippus citeerende: διαδέχετας τὴν ἐκκλησίαν μετὰ τῶν ἀποστόλων ὁ ἀδελφὸς τοῦ Κυρίου Ἰάκωβος.
2) Idem, II, 23, 6: τούτῳ μόνῳ ἐξῆν εἰς τὰ ἅγια εἰσιέναι etc.
3) Idem VII, 19,1: τὸν γὰρ Ἰακώβου θρόνον, τοῦ πρώτου Ἱεροσολύμων ἐκκλησίας τὴν ἐπισκοπὴν πρὸς τοῦ σωτῆρος καὶ τῶν ἀποστόλων ὑποδεξαμένου, ὅν καὶ ἀδελφὸν Χριστοῦ χρηματίσας οἱ θεῖοι λόγοι περιέχουσιν, εἰς δεῦρο πεφυλαγμένον οἱ τῆδε κατὰ διαδοχὴν περιέποντες ἀδελφοὶ σαφῶς τοῖς πᾶσιν ἐπιδείκνυνται οἷον περὶ τοὺς ἁγίους ἄνδρας τοῦ θεοφιλοῦς ἕνεκεν οἵ τε πάλαι καὶ οἱ εἰς ἡμᾶς ἔσῳζόν τε καὶ ἀποσῳζουσιν σέβας.
4) Idem IV, 22,4: καὶ μετὰ τὸ μαρτυρῆσαι Ἰάκωβον τὸν δίκαιον, ὡς καὶ ὁ Κύριος, ἐπὶ τῷ αὐτῷ λόγῳ, πάλιν ὁ ἐκ θείου αὐτοῦ Συμεὼν ὁ Κλωπᾶ καθίσταται ἐπίσκοπος.

|78|

ontwikkeling in de eerste plaats uit die geschiedenis te verklaren is *).

Het eind der Jeruzalemsche gemeente valt saam met de catastrophe van het jaar 70. Daarmede verdwijnt ze uit de geschiedenis.


1) Er wordt ongetwijfeld te veel afgeleid uit de positie van Jacobus, wanneer men met A. Ritschl, Die Entstehung der altkatholischen Kirche2, Bonn 1857, bl. 416, tot de conclusie komt: „. . . scheint zugestanden werden zu mussen, dasz in dem jüdischen Kreise der christlichen Kirche der Episkopat festgestanden hat, wahrend er in den heidnischen Gebiet noch nicht zur Entwickelung gekommen war.”

Sillevis Smitt, P.A.E. (1910) HIV

|79|

 

Hoofdstuk IV.

De Christelijke Gemeenten uit de Joden.

 

Reeds spoedig bloeiden tal van christelijke gemeenten, uit de Joden vergaderd, vooral in Judea, Galilea en Samaria, maar ook buiten de grenzen van Palestina. Ongeveer ten tijde der roeping van Paulus vinden we dit getuigenis: Hd. 9: 31: ἡ μὲν οὖν ἐκκλησία καθ᾽ ὅλης τῆς Ἰουδαίας καὶ Γαλιλαίας καὶ Σαμαρίας εἶχεν εἰρήνην, οἰκοδομουμένη καὶ πορευομένη τῷ φόβῳ τοῦ Κυρίου, καὶ τῇ παρακλήσει τοῦ Ἁγίου Πνεύματος ἐπληθύνετο 1). Tot de stichting van al die Kerken was geleidelijk de grond gelegd. Hoe was reeds door Jezus zelf het zaad des Evangelies gestrooid in Judea, Galilea en Samaria. Onder de 3000 bekeerden op den Pinksterdag zullen velen zijn geweest, die naar hun woonplaats buiten Jeruzalem wederkeerden. Na den dood van Stefanus, trokken de vervolgde geloovigen uit Jeruzalem, op de apostelen na (8: 1), en deze evangeliseerden den Joden tot over de grenzen 11: 19: οἱ μὲν οὖν διασπαρέντες ἀπὸ τῆς θλίψεως τῆς γενομένης ἐπὶ Στεφάνῳ διῆλθον ἔως Φοινίκης καὶ Κύπρου καὶ Ἀντιοχείας μηδένι λαλοῦντες τὸν λόγον εἰ μὴ μόνου Ἰουδαίοις. Vooral in de Hellenisten brandde het missievuur. Filippus (21: 8 evangelist genoemd) ging naar Samaria, 8: 5; Petrus trok alom door en kwam te Lydda, 9: 32. In Damascus waren μαθηταί, 9: 10, 25. Paulus, Gal. 1: 22 en 1 Thess. 2: 14, spreekt van de ἐκκλησίαι τῆς Ἰουδαίας, en stelt die zelfs tot voorbeeld. Van Jeruzalem uit waren alzoo tal van dochtergemeenten gesticht.

Ongetwijfeld nu waren deze Kerken georganiseerd. Eigenlijk ligt dit reeds in den aard der zaak, al wordt ons de institueering niet opzettelijk meegedeeld. In Jeruzalem waren de apostelen de


1) ἡ μὲν οὖν ἐκκλησία, met volg. sing. verbi te lezen naar א ABC en enkele Min. en Vertal. (Tisch.) De T. Rec. heeft het plur.

|80|

aangewezen leiders, maar hoe zou er van geregelden cultus in die Kerken sprake zijn geweest zonder leiding en opzicht? 1) Maar zegt het niet genoeg, dat deze kringen ἐκκλησίαι waren, Hd. 9: 31, Gal. 1: 19, 1 Th. 2: 14? En indien de brief aan de Hebreën gericht is aan de Christenen in Palestina 2), dan ligt in Hebr. 13: 7, μνημονεύετε τῶν ἡγουμένων ὑμῶν een bewijs. In elk geval kon Jacobus (Jac. 5: 14), die aan de Christen-Joden in Palestina schreef, niet gezegd hebben ἀσθενεῖ τις ἐν ὑμῖν; προσκαλεσάσθω τοὺς πρεσβυτέρους, indien er geen ouderlingen in de Kerken waren.

Die Kerken in Palestina stonden niet independentistisch naast elkander, maar leefden in onderling verband 3). Dat verband kon toen nog steeds belichaamd zijn in het werk der apostelen, die de eenheid en saamhoorigheid en uniformiteit der Kerken door hun dienst bewaarden. Zoo werden Petrus en Johannes door de apostelen naar Samaria gezonden, toen daar het Woord Gods aangenomen was, opdat de geloovigen met oplegging der handen den H. Geest (den Spiritus communionis) ontvangen zouden. Bij al hun missie hadden de apostelen maar niet de individueele geloovigen, maar de ecclesia op het oog. Van beteekenis is ook in dit opzicht de visitatie-reis door Petrus ondernomen, Hd. 9: 32, natuurlijk om de eenheid te bevestigen. Uit alles blijkt, dat Jeruzalem als sedes apostolica en ecclesia generalis zekere autoriteit uitoefende. Wanneer dan ook eenige Cyprische en Cyrenische mannen van de verstrooiden uit Jeruzalem, vurige Hellenisten, aan de Griekschen (heidenen) den


1) E. Loening, Die Gemeindeverfassung des Urchristentums, Halle 1889, die meent, dat ook het bericht in Hand. 11: 30 aangaande presbyters in Jeruzalem te verwerpen is om de bekende tegenstrijdigheid, welke men acht te bestaan tusschen Hd. 15 en Gal. 2 (alsof het niet noemen van de presbyters in Gal. 2 de aanwezigheid uitsloot), stelt het voor, alsof de Joodsch-christ. kerken van Palestina zonder eenige organisatie waren. A. Hilgenfeld bestrijdt opzettelijk Loening in zijn „Die Verfassung der christ. Urgemeinden in Palestina”, Zeitschr. für Wisschensch. Theologie 1890, bl 104 v.v., maar laat de Verfassung dier kerken te veel een copie zijn van de synagogale instelling (zie boven bl. 72).
2) Volgens de jongste hypothesen: aan de Hebreën in Rome. Zoo Zahn i.l.
3) Rothe, a. w., bl. 278, ontkent dit, en meent dat eerst langzaam de behoefte aan zeker verband ontstaat, en dat de dienst der apostelen en van hun συνεργοί niet zelf een verband legde, maar alleen een surrogaat leverde. Terecht wordt dit door G.V. Lechler, Das Apost. in nachspost. Zeitalter, bestreden, bl. 85 v.v.

|81|

Heere Jezus verkondigen en het gerucht van den verkregen zegen tot de ooren der gemeente van Jeruzalem komt, wordt Barnabas ter controleering uitgezonden, om te onderzoeken, of het als een werk Gods beschouwd mocht worden en gemeenschap met de nieuwbekeerden oorbaar was, Hd. 11: 19-24. Toch is het opmerkelijk, dat dikwijls de Kerken van Judea en de andere landschappen van Palestina, en dat met eere, worden genoemd, waar men de gemeente van Jeruzalem verwachten zou, Gal. 1: 19; 1 Thess. 2: 14; Hd. 11: 1, 29; 15: 1 1). Overigens is ons van de Kerken in Palestina slechts weinig bekend.

In tegenstelling met de gemeenten, onder de heidenen tot openbaring gekomen, was kenmerkend voor haar de band niet alleen aan de apostelen, maar ook aan het oude volk van Israël en ten deele ook aan de Mozaïsche instellingen. Ze waren christenen uit de Joden. Er lag hier voor deze Kerken een onloochenbaar gevaar. Jacobus was het type van die richting, welke van de Wet uitzag op het Evangelie, in tegenstelling met de Paulinische, die van het Evangelie uit, terug zag naar de Wet. Waar eenzijdigheid vermeden werd, kwam in die schakeering te meer uit de veelvuldige wijsheid Gods. We moeten niet vergeten, dat het Evangelie, als de ééne kracht Gods tot zaligheid, kwam als tot twee werelden, gansch onderscheiden: de joodsche wereld en de helleensche wereld. Gelukkiger kon het dan ook niet geleid worden, dan dat Jacobus op het convent voor de heiden-christenen in het krijt kwam, en dat Paulus beloofde de armen van Jeruzalem in de heidenwereld te gedenken. Gal. 2: 10. Maar het eigenaardig verschil tusschen de geloovigen ἐκ περιτομῆς en ἐκ τῶν ἔθνων bleef bestaan. De geschiedenis der Handelingen leert ons , dat de joodsch-christelijke Kerken aan het gevaar van eenzijdigheid niet ontkomen zijn. Dat er althans een richting opdook, wier wettisch, anti-evangelisch streven, naarmate het zich vermeteler openbaarde, met te grooter kracht moest onderdrukt Eerst werd twijfel geopperd aangaande persoonlijke bekeeringen. Zoo het twisten met Petrus, naar aanleiding van hetgeen te Caesarea was geschied, 11: 2. Daarna wierpen zich sommigen als leeraars op en zochten de Kerk van Antiochië te doen


1) A. Harnack, Verfassung und Recht, bl. 22.

|82|

wankelen met de leer: zonder besnijdenis geen zaligheid, 15: 1. En aan de bestrijding daarvan danken we het Jeruzalemsche convent. Paulus noemt hun streven een Ἰουδαϊκῶς ζῆν en ἰουδαΐζειν, Gal. 2: 14. Als later Jacobus aan Paulus verhaalt van de μυρίαδες τῶν πεπιστευκότων, dan teekent hij hen: καὶ πάντες ζηλωταὶ τοῦ νόμου ὑπάρχουσιν. Hd. 21: 20. En tegen de niet maar judaïseerende maar judaïstische richting, die in de heiden-christelijke Kerk de genadeleer ondermijnde, is Paulus op niet sparende wijze te velde getrokken.

De heele geschiedenis nu van de Palestijnsche Kerken valt saam met de geschiedenis der losmaking van de Christelijke Kerk van Israël. Die losmaking was geenszins bedoeld. De bewustheid, dat het daartoe komen moest, leefde er niet. Maar zou niet de kracht van het Woord des Kruises als wereld-evangelie gebroken worden, dan moest het daarheen, en vandaar dat God zelf het leidde tot een crisis, waartoe de gemeenten het niet konden brengen De vleeschelijke band aan het Jodendom bood een te sterk tegenwicht tegen die ἀδελφότης, waardoor jood en heiden in één Lichaam vereenigd waren. Het ging, zooals zij zelven het niet hadden gedacht; gelijk zoo menigmaal in de geschiedenis een goed begonnen actie, maar die dreigt in paden te worden gevoerd, die van het beginsel afwijken, door ongedachte gebeurtenissen in zulk een spoor wordt geleid, waardoor haar kracht bewaard blijft. De verhoudingen werden omgekeerd, en de haat der Joden ontbrandde in den strijd voor het behoud van wat afgedaan had, nog meer tegen de christenen dan tegen de heidenen. Na 70 is het christendom uit de Joden „heimatlos”; het mist zijn middelpunt, en de volksgenooten zijn geheel van hen vervreemd. Ze zien zich geplaatst voor het dilemma: zich van heeler harte aansluiten aan de christenen uit de heidenen, of zich sectarisch als joodsch-christendom handhaven, maar om dan in haeresie te ontaarden. Beide, zoowel de saamsmelting met het heiden-christendom, als het hardnekkig vasthouden aan eigen vleeschelijke denkbeelden, zijn in de geschiedenis gezien; het eerste vooral in de diaspora, het tweede in Palestina onder Ebionieten en Nazareërs 1). In elk geval, het zwaartepunt werd verlegd van Jeruzalem naar de heidenwereld, en het joodsch-christendom, als eigen type, verdwijnt.


1) Zie o.a. G.F. Heinrici, Das Urchristentum, Göttingen 1902, bl. 62.

Sillevis Smitt, P.A.E. (1910) HV

|83|

 

Hoofdstuk V.

De Christelijke Gemeenten uit de Heidenen.

 

De Kerk van Christus was bestemd, als het herboren menschengeslacht, zich als wereldkerk te openbaren en heel haar inrichting was hierop aangelegd, eenerzijds als vergadering van menschen zich aan het scheppingsleven aansluitend, anderzijds, als herboren menschengeslacht in heel haar openbaring niet een aardsch maar een hemelsch karakter dragend, van het wereldleven onderscheiden. Hier lag de verborgenheid, die van alle eeuwen verborgen was geweest 1). Toch lagen de kiemen der wereldkerk in Israëls leven besloten, in zijn historie, in zijn profetie, in zijn heiligdom. En, om de Kerk uit de heidenen in haar eersten oorsprong te leeren kennen, moeten we gaan tot de Jeruzalemsche gemeente. Dáár wordt zij geboren op den Pinksterdag evengoed als de Christelijke Kerk uit de Joden, want de gemeente van Jeruzalem is de moeder van heel de christenheid. En van belang voor de organisatie der Christelijke Kerken uit de heidenen is de omstandigheid, dat, gelijk toen in Jeruzalem, zoo overal, twee elementen in één Lichaam moesten samenwonen: Joden en Heidenen. Iets wat niet gold voor de Kerken in Palestina.

De gemeente van Antiochië (de hoofdstad van Syrië, de derde groote stad van het Romeinsche Rijk), de dochtergemeente van Jeruzalem 2), werd de moedergemeente van de heiden-christenen. Merkwaardig is, dat hier de discipelen het eerst „christenen” werden genoemd (Hd. 11: 26). Zelven noemden ze zich μαθηταί, ἀδελφοί, ἅγιοι. Door de Joden werden ze geheeten ἡ τῶν Ναζωραίων


1) Rom. 16: 25; Ef. 3: 6, 9; Col. 1: 26.
2) Hoewel niet door een apostel gesticht, Hd. 11: 19, 20.

|84|

αἵρεσις, maar nu χριστιανοί, waarschijnlijk eerst als schimpnaam 1). Het lag in den aard der zaak, dat deze naam van de zijde der heidenen kwam. Voor heidenen was een Messias-, een Christus-geloof het kenmerkende in de discipelen. Maar de Joden, voor wie niet het Messias-geloof het kenmerkende was, maar wel dit, dat Jezus van Nazareth als de Messias werd aanvaard, noemden hen naar Jezus van Nazareth 2).

Met verschillende namen worden de geloovigen dezer gemeente aangeduid. Behalve met de genoemde, ἀδελφοί Hd. 15: 1, 32: 33; μαθηταί 11: 26, 29; 14: 28; ook: τὸ πλῆθος 15: 30; ἐκκλησία 11: 26, 13: 1, 14: 27. Voorts wordt medegedeeld, dat er eenige profeten en leeraars waren, met name genoemd (onder wie ook Barnabas en Saulus), 13: 1, die wel de gemeente dienden, maar in die kwaliteit geen plaatselijk ambt in de gemeente hadden 3); doch van presbyters wordt geen gewag gemaakt. Toch was ongetwijfeld de gemeente ook ambtelijk georganiseerd. Immers er wordt medegedeeld, dat zij, op aanwijzing van den H. Geest, Barnabas en Saulus uitzonden: λειτουργούντων δὲ αὐτῶν τῷ Κυρίῳ καὶ νηστευόντων εἶπεν τὸ Πνεῦμα τὸ Ἅγιον˙ ἀφορίσατε δή μοι τὸν Βαρνάβαν καὶ Σαῦλον εἰς τὸ ἔργον ὃ προσκέκλημαι αὐτούς. τότε νηστεύσαντες καὶ προσευξάμενοι καὶ ἐπιθέντες τὰς χεῖρας αὐτοῖς ἀπέλυσαν. Wij merken bij deze plaats op: 1°. dat wij bij het „den Heere dienen” hebben te denken aan den dienst der gebeden, als N. Testamentische offerande; 2°. dat het subject van λειτουργοὐντων dient te worden genomen uit ἐκκλησία, vs. 1. Zulk een verwisseling van subject komt menigmaal voor. Want met het medeleven der gemeente, gelijk ’t ons allerwege wordt geteekend, en niet ’t minst in Antiochië, zou het zich niet laten overeenbrengen, dat dit dienen en vasten, en die aanwijzing des Geestes buiten haar om geschiedde, al openbaarde de H. Geest ook door middel van een der profeten. Die uitzending was haar zaak, en niet die van enkele profeten


1) Tacitus, Ann. 15:44 „quos vulgus christianos appellabat.”
2) Zie Heinrici, a.w., bl. 59.
3) Onnoodig is het om in de partikel-plaatsing τε-καὶ, τε-καὶ een aanduiding te zien, dat de eerste drie van de vijf, profeten waren, de laatste twee, leeraars, en ongewenscht, omdat Paulus zeer zeker ook de gave der profetie bezat, 1 Cor. 14: 6.

|85|

en leeraars; 3°. dat de H. Geest op extra-ordinaire wijze aanwijst en roept, maar de gemeente daarna de missionairen moet afzonderen en bestemmen tot den dienst; 4°. dat de uitzending geschiedt met vasten en bidden en door handoplegging. Deze laatste kon niet geschieden door de profeten en leeraars zonder nadere aanduiding, want dan vielen er Barnabas en Paulus zelf onder; ook niet door de geheele gemeente, ’t Ligt dus voor de hand, dat de gemeente het deed door haar vertegenwoordigers, door haar gesteld, de presbyters. En hoe zouden deze niet in Antiochië zijn geweest, waar ze 11: 30 in Jeruzalem worden genoemd, en waar de van Antiochië uitgezonden Paulus ze aanstonds instelt in de door hem gestichte gemeenten, 14: 23?

 

In Antiochië heerschte van den aanvang af een geest van christelijke vrijheid, die christenen uit Joden en heidenen innig saambond, en die in Jeruzalem niet werd gekend. Niet alleen de heidenen, maar ook de Joden leefden hier vrij van de Mozaïsche wet (Gal. 2: 12). Ook ging de dochtergemeente verder dan de moedergemeente, daar zij onder de heidenen missie dreef. Die vrijheid stelde haar echter te meer bloot aan de belaging van Judaïstische geesten uit Judea, die de valsche leer binnenloodsen wilden: „Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zoo kunt gij niet zalig worden.” Dit was; en daarom kon de ergernis en wederstand bij Barnabas en Paulus slechts te bitterder zijn; juist na den blijden terugkeer van de eerste missiereis. Aan die actie danken wij echter de afvaardiging, door de gemeente, van Paulus en Barnabas met eenige anderen tot de Apostelen en de Ouderlingen naar Jeruzalem, om te handelen over deze brandende vraag, en danken wij het daar gehouden convent, dat, hoogst gewichtig in zijn consequentiën, een machtig keerpunt vormt in den apostolischen tijd. Daarom over dit convent, vooral in zijn beteekenis voor de organisatie, een enkel woord.

Hand. 15: 1 v.v. en Gal. 2: 1 v.v. handelen van dezelfde gebeurtenis, maar beide malen op andere wijze belicht. Paulus in Galaten schrijft met een bijzonder doel. In Galatië overkomt hem hetzelfde, wat eens te Jeruzalem geschiedde, toen sommigen de besnijdenis van Titus wilden, nl. ook in de Kerken van deze landstreek gingen

|86|

stemmen op, die eischten, dat de besnijdenis zou worden verplichtend gesteld. En gelijk toen in Jeruzalem, wordt hem in Galatië de autoriteit der eerste apostelen voor de voeten geworpen. Vandaar, dat hij tegenover die apostelen (genoemd Gal. 1: 17, 19 en 2: 2, 6, 9), hoewel ze geacht waren wat te zijn, zijn autoriteit handhaaft, als apostel, die het Evangelie niet van een mensch heeft ontvangen (1: 12). „Hoedanigen ze eertijds waren”, d.w.z., al waren ze ook vóór Paulus apostelen en hebben met den Heiland mogen omwandelen op aarde, — dit doet niets af aan het apostolisch gezag, waarvan Paulus, in naam van zijn Zender, de erkenning voor zich opeischt 1). In den brief aan de Galaten treedt Paulus dan ook op auctoritate sua, als apostel gaande naar Jeruzalem en met de apostelen handelende over zijn zending. In Handelingen daarentegen verhaalt Lukas de geschiedenis van Antiochië, en hij laat Paulus optreden als afgevaardigde (wat het gaan naar Jeruzalem op eigen autoriteit echter volstrekt niet uitsluit), en hij deelt mede, hoe de aanhangige zaak op de vergadering met Apostelen, Ouderlingen en Gemeente (15: 6, 22) is afgehandeld. Doch Lukas vermeldt niet wat Paulus nog particulier met de apostelen, die vóór hem waren, te vereffenen had. Gelijk Paulus niet gewaagt van de vergadering met de Ouderlingen, omdat dit in Galaten ter zake niet diende. Het blijkt dus, dat er twee samenkomsten zijn geweest, één privaat onder de Apostelen en één publiek met de Ouderlingen en de Gemeente. Beide leidden tot een bevredigend resultaat, de eerste tot de hand der gemeenschap (Gal. 2: 9), de andere tot den brief naar Antiochië. 2)


1) Met ὁποϊοί ὁτε ἦσαν, Gal. 2: 6, en met τοὺς πρὸ ἐμοῦ ἀποστόλους, Gal. 1: 17, duidt Paulus op dezelfde omstandigheid, nl., dat de oudere Apostelen de omwandeling met Jezus hadden genoten.
2) Het is bekend, hoe Baur en anderen strijd zoeken tusschen Hand. en Gal., en wel op grond hiervan, dat in Gal. de „urapostelen” zouden voorkomen als tegenstanders van Paulus en Barnabas, maar in Hand. als scheidsrechters. Intusschen, de tegenstelling in Gal. is tusschen Paulus en de ingekropen valsche broeders (2: 4) maar niet tusschen hem en de eerste Apostelen. De partijen in Hand. en Gal. zijn dus dezelfde. De oorzaak der bewering ligt in een petitio principii, nl. dat er een dubbel Evangelie zou wezen: een van Paulus en een van de andere apostelen. Juist de twist echter, dien Paulus daarna met Petrus had (Gal. 2: 11 v.v.), bewijst, dat beiden ééns geestes waren. Indien Paulus niet had geweten, dat Petrus het in zijn hart ➝

|87|

Het resultaat der Jeruzalemsche vergadering geeft een blik in het kerkelijke leven dier dagen en is van principieele beteekenis. Uit den brief blijkt 1° dat de indringers in Antiochië worden gedesavoueerd, als gehandeld hebbende zonder opdracht (15: 24 „welken wij dat niet bevolen hadden”); 2°. dat Paulus en Barnabas worden teruggezonden met betuiging van het volste vertrouwen (vs. 25, 26); 3°. dat hun een officieele deputatie in Judas en Silas wordt medegegeven, om mondeling het geschrevene te adstrueeren; 4°. dat het besluit geacht wordt tot stand te zijn gekomen onder de leiding des H. Geestes: ἔδοξεν γὰρ τῷ Πνεύματι τῷ Ἀγίῳ καὶ ἡμῖν; 5°. dat het besluit genomen is met gemeen goedvinden ook der gemeente. Noch in Antiochië, noch in Jeruzalem beslist de gemeente; maar de apostelen met de wettige ambtsdragers in Jeruzalem , de gemeente gehoord. 1)

Over den naam aan deze vergadering te geven, zullen we niet twisten; een synode in den eigenlijken zin was ze niet; evenmin een Apostel-concilie; ze was een vergadering, een convent van geheel buitengewoon karakter, gelijk toen alleen plaats hebben kon. Maar deze samenkomst zelve is van onsterfelijke waarde voor het leven der Kerk. En door alles heen blinkt de grootsche gedachte van den heiden-apostel, die zijn gansche leven aan de besluiten getrouw gebleven is, dat hij begeert één gemeente van Christus, gesticht over heel de aarde, in saamwerking van het gansche Apostolaat. En wat aangaat het beding, bij de taakverdeeling tusschen hem en de anderen (Gal. 2: 9, 10), dat hij de armen zou gedenken (te Jeruzalem), inderdaad, Paulus mocht zeggen, dat hij zich heeft benaarstigd dit te doen. Die afspraak


➝ met hem eens was, zou hij hem geen verwijt hebben gedaan; wat hij bestrafte, was Petrus’ veinzen met degenen die van Jacobus gekomen waren. En wat Jacobus en de zijnen deed verschillen van Petrus en Paulus te Antiochië, lag niet in het stuk der vrijheid der heidenen; Jacobus had zelf in dien zin zijn overtuiging uitgesproken; maar in het stuk der vrijheid van de Joden. Dat ook de Joden zich mochten vrijmaken van de ceremonieele wet, was in Jeruzalem nog niet tot aller conscientie doorgedrongen. Of ook de Joden-christenen de wet moesten houden, daarover had het convent zich niet uitgelaten.
1) Zie o.a. G.V. Lechler, a.w. bl. 164 v.v.; F. Hupfeld, a.w. bl. 52, v.v.; C. Weizsäcker, a.w. bl. 146 v.v.; Dr. F.W. Grosheide, Geref. Tijdschr. Mei 1910, bl. 16.

|88|

is gebleken te zijn een heerlijk middel der gemeenschap tusschen de twee machtige stroomingen uit Jood en Heiden in de christenheid; en schooner naam kon Paulus aan die schuld der dankbaarheid van de zijde der heiden-christenen (Rom. 15: 27; 2 Cor. 9: 12) niet geven dan haar te stempelen als κοινωνία (Rom. 15: 26; 2 Cor. 8: 4; 9: 13).

 

Bij de planting der Kerk in de heidenwereld gingen missie en organisatie hand aan hand. Die dubbele taak kon op geen uitnemender schouders gelegd dan van Paulus Als baanbreker voor het Evangelie niet geëvenaard, is hij als stichter, leider, organisator der Kerken onovertroffen 1). Het laatste lag hem niet minder aan het hart dan het eerste. Op de vier deelen van zijn missionair gebied, Galatië, Macedonië, Achaje, Azië, heeft hij dit getoond. De geloovigen waren hem broeders, een familie, een kring van heiligen, maar ook een lichaam met organen en saamvoegselen; een gebouw, in orde opgetrokken; een gemeenschap met onderscheidingen, gaven, ambten, waarin het Hoofd organisch werkt en handelt. Zijn levensarbeid was de eenheid zoeken van Christus’ Kerk onder Joden en Heidenen, en hij hield zich daarbij stipt aan de ordonnantiën, die door de Apostelen en Ouderlingen te Jeruzalem goedgevonden waren, en gaf die aan de Kerken over. Ze waren hem een dogma (Hd. 16: 4) Daardoor reeds ontvingen ze een denkbeeld van ordelijk kerkelijk leven, terwijl hij zelf in de gemeente presbyters aanstelde. Wat we daarvan lezen Hd. 14: 23 is van overwegende beteekenis: χειροτονήσαντες δὲ αὐτοῖς κατ᾽ ἐκκλησίαν πρεσβυτέρους, προσευξάμενοι μετὰ νηστειῶν παρέθεντο αὐτοὺς τῷ Κυρίῳ


1) H. Weinel, Paulus als kirchlicher Organisator, Freiburg i.B. 1899. Zie G.V. Lechler, a.w. bl. 128; G.A. Jacob, The ecclesiastical Polity of the New Testament, London 1878, bl. 39; G.F. Heinrici, a.w. bl. 80; Bonwetsch in Kurz’s Kirchengesch. bl. 40.
Wernle, a.w. bl. 146, verheerlijkt ook Paulus als organisator, maar ziet in de organisatie die hij schiep, een loslating van Jezus, die geen cultus kende , omdat Hij geen gemeenschap grondde. Paulus ontleende den godsdienst aan de synagoge, doop en avondmaal aan de Urgemeinde, bevorderde de gedachte aan een magische werking, waarbij 1 Cor. 11: 29, 30 van natuurlijke krankheid en zwakheid worden verstaan, en verzucht dan: „Und dann denke man zurück an die Bergpredigt Jesu.”

|89|

εἰς ὃν πεπιστεύκεισαν. Hieruit blijkt 1°. dat Paulus en Barnabas, op hun terugreis naar Antiochië de gestichte Kerken bezoekende, reeds haar van een vaste regeering hebben voorzien, waarvoor de kring bij het eerste bezoek nog niet rijp kon worden geacht; 2°. dat dit geschiedde met medewerking der gemeente; χειροτονήσαντες. (dat alleen nog 2 Cor. 8: 19 voorkomt) zou eenvoudig kunnen beteekenen, dat Paulus en Barnabas verkoren, omdat de oorspronkelijke gedachte van door opsteken met handen niet meer naleeft in het woord. Ziende echter op de groote autonomie, die Paulus steeds aan de gemeente toekent, en met de verkiezing van Hd. 6 voor oogen, verstaan we het liever van een verkiezen door de geloovigen ter wille van hen (αὐτοῖς); 3°. dat juist die verkiezing aan de presbyters een ambtelijke positie geeft; 4°. dat hij het deed κατ᾽ ἐκκλησίαν, in elke Kerk, en dus voor Paulus een vasten regel beteekende, dien hij zeker in alle Kerken heeft gevolgd. Gelijk ook niet anders te rijmen is met zijn opdracht in de Pastoraalbrieven om ouderlingen aan te stellen, aan zijn missionaire delegaten gegeven.

Reeds aanstonds merken we op, hoe waardeloos tegenover dit getuigenis het argumentum e silentio is, dat telkens weer wordt gebezigd 1). Paulus spreekt nergens in zijn gemeentelijke brieven van presbyters; ze komen alleen voor in Handelingen en in de Pastoraalbrieven.


1) Niet te sterk kan worden protest aangeteekend tegen de lichtvaardige gevolgtrekkingen, door Harnack c.s. gemaakt uit hetgeen verzwegen wordt. Reeds op wetenschappelijken grond. Het concludeeren uit het feit, dat iets niet wordt vermeld tot het niet bestaan, is het volgen van een valsche historische methode. Trouwens zoo wordt de deur geopend voor alle mogelijke hypothesen, die, omdat het silentium de meest deugdelijke grond is, waarop ze steunen, van alle waarde zijn ontbloot. Wanneer het vrij staat, om uit het niet noemen van presbyters door Paulus in de gemeentelijke brieven het besluit te trekken, dat er dus geen ambtelijke leiding in die gemeenten was, maar alle organisatie louter charismatisch is geweest, dan staat het evenzeer vrij, om uit al die brieven, waarin van geen charisma’s gesproken wordt (en dat zijn bijkans alle van Paulus op die aan Corinthe na) te concludeeren, dat er in die gemeenten dan ook geen charisma’s waren, omdat ze niet worden genoemd. En dat zullen zeker zij, wier lievelingsdenkbeeld is, dat het in den eersten tijd onder de christenen een pneumatisch-charismatische anarchie was, nimmer toegeven! Maar waarom dan wel kracht toegekend aan het argumentum e silentio, waar het het ambt geldt?

|90|

Wordt nu over deze beide bronnen het banvonnis der critiek gestreken en hun ontstaan verlegd naar het eind der eerste of het begin der tweede eeuw, wat is dan makkelijker dan de conclusie: in de Paulinische gemeenten zijn geen presbyters geweest! 1).

Laat ons dit nader onder de oogen zien. Met nadruk wordt gewezen op de groote zelfstandigheid en het democratisch karakter der gemeenten , met name van Corinthe. En dit geschiedt tot op zekere hoogte met recht, al is de conclusie valsch, dat daarom van een plaatselijke regeering dier Kerken geen sprake kon zijn.

Wat de sterke autonomie der gemeente betreft, zij allereerst herinnerd aan de wijze, waarop de Kerk van Jeruzalem haar eigen zaken behandelde, Hd. 1: 23; 6: 5; 11: 22; 11: 1-4; 15: 12, 22; 21: 22. Toch mag niet worden voorbijgezien, dat dit alles geschiedde onder leiding der apostelen en ten deele der presbyters.

Wat de Kerken uit de heidenen betreft, leeren we het autonome leven, dat de Apostel zelf niet inbindt, maar aankweekt, uit allerlei kennen: Paulus richt zijn brieven steeds tot de gemeenten zelven. Evenwel, dit is zeer natuurlijk, daar de ambtsdragers niet boven de gemeente staan, maar broeders onder de broeders zijn. Hoewel het van zelf spreekt, dat Paulus toch steeds een adres moet hebben gehad, en hij ook wel uitdrukkelijk opdraagt voor de lezing te zorgen (1 Thess. 5: 27). Voorts, de gemeente kiest haar vertegenwoordigers en geeft brieven van aanbeveling, 2 Cor. 8: 18; 2 Cor. 3: 1. Maar hoe kan er van zulke aanbevelingsbrieven sprake zijn zonder leidende regeering in de gemeente? Ze oefent tucht, Gal. 1: 6; 1 Cor. 5: 1 v.v., maar hoe kan de tucht effectief worden, wanneer er geen regeermacht is, die voor de handhaving en uitvoering instaat? Trouwens, welk lichaam, hoe autonoom, hoe democratisch ook ingericht, heeft waarborg voor zijn bestaan en functioneering, zonder bestuur?

Men kan nog een stap verder gaan, en zeggen, dat het autonome leven der gemeente de grondslag is van alle regeering. Wij


1) Zoo b. v. zeer sterk Maronier, a. w. bl. 137: waren er Presbyters geweest, dan zou Paulus ze een enkel maal hebben genoemd (natuurlijk wordt Hd. 14: 23 verworpen!); bl. 140 „er bestond in Paulus’ tijd nog geen ambt van opzieners en diakenen; bl. 141 „omdat hij er niet van gewaagt.”

|91|

kennen geen ambten zonder geloovigen, wel, desnoods, geloovigen zonder ambten, zooals in de kerken van Lycaonië vóór Paulus’ terugreis. De Roomsche en Luthersche Kerk mogen meenen het ambt buiten de geloovigen, met de gegevens der Schrift te kunnen rijmen, de gereformeerde vermag dit niet. Elk ambt in de gemeente wordt bezeten in verband met de gemeente. Maar, — behoort dan ook tot haar normale organisatie 1). De vrees die men heeft, om aan de diensten in het N. Testament ambtelijke bevoegdheid toe te kennen hangt veelszins saam met een verkeerde beschouwing van het kerkelijk ambt, als heerschappij.

We zullen nu nagaan, welke gegevens de gemeentelijke brieven van Paulus ons bieden voor de kennis der organisatie.

Een eerste plaats neemt de eerste brief aan Corinthe in 2). In verband met de misstanden, die in deze gemeente waren ingeslopen, wordt ons een ruime blik gegund in de wijze, waarop de eeredienst in de samenkomsten der gemeente was ingericht (1 Cor. 11: 1—14: 40). En aangezien deze samenkomsten zoozeer in rapport staan met de organisatie, mag hierover een enkel woord niet ontbreken 3).


1) Weizsäcker, a.w. bl. 600 „Die Annahme eines regierenden Amtes widerspricht allen Wahrnehmungen in unsern Quellen. Jedes etwaiges Gemeindeamt kann im strengsten Sinn nur eine Dienstleistung bedeuten.”
E. Loening, Die Gemeindeverfassung des Urchristentums, Halle 1889, bl. 33, van Paulus’ brieven: „sie zeigen dass die Fragen der Organisation der Gemeinden den Apostel wenig beschäftigen. . . . die Ordnung der äussern Verhältnisse überliess er den Gläubigen, wie auch Jesus hierüber keine Vorschriften gegeben hatte.” bl. 43, 44 idem: Paulus geeft wel vermaningen, geen voorschriften voor de organisatie.
A. Harnack, Verfassung und Recht bl. 35, als Weizsäcker, maar minder sterk. Bl. 32: „An ein verantwortliches lokales Amt über die Gemeinde denkt und wendet er sich zunächst nicht.”
Daartegenover bestrijdt A. Hilgenfeld Loening in „Die vor-katholische Verfassung der christen-Gemeinden ausser Palästina in Zeitschr. für wissensch. Theol. 1890, bl. 228 v.v. — Later hierover meer.
2) Een nauwkeurige beschrijving van de stad Corinthe geeft E. von Dobschütz, a.w. bl. 17 v.v.
3) Blijkens Hd. 18: 4 trad Paulus eerst in de synagoge op, en na de breuk met de Joden, in het huis van Justus naast de synagoge. Gedurende de anderhalf jaar, dat Paulus er bleef, heeft hij overvloedig gelegenheid gehad de gemeente naar eisch te organiseeren. Dat hij dit deed, blijkt hieruit, dat hij hen prijst, omdat zij de inzettingen heeft behouden, die hij overgeleverd ➝

|92|

Een technischen naam, die heel den cultus aanduidt, had de Christelijke Kerk niet. Ook de samenkomst der gemeente wordt eenvoudig ἐκκλησία τοῦ θεοῦ genaamd 1 Cor. 10: 32. Maar dit zegt genoeg. De geloovigen vergaderen met elkander, om God en om elkander te ontmoeten. In uitwendige vormen mag er zekere gelijkheid zijn geweest aan andere samenkomsten, met name in de synagoge, — in wezen en strekking waren deze samenkomsten een schepping Gods, met niets te vergelijken. In elk geval was het gemeentelijk leven in absolute tegenstelling met het heidensche leven, zoowel met het burgerlijke als met het godsdienstige.

De tijd, waarop men vergaderde, was de Zondag, Hd. 20: 7; 1 Cor. 16: 10; Op. 1: 10. De overgang van den Oud-Testamentischen Sabbathdag tot den eersten dag der week, als Dag des Heeren, zal te gemakkelijker gevallen zijn, waar de eerste christenen in Jeruzalem καθ᾽ ἡμέραν ὁμοθυμαδόν in den tempel waren, en de eerste dag der week als die der opstanding en verschijning van Christus en der uitstorting des H. Geestes zich van zelf aanbeval. Ongetwijfeld bestond hier geen verschil tusschen christenen uit joden of heidenen, en bestaat er geen reden voor Neander's hypothese, dat de viering van den Zondag van heiden-christelijke herkomst is 1).


➝ heeft, 1 Cor. 11: 2. De gemeente was jong en krachtig; veel gaven bloeiden er; maar zij was aan den overmoed der jeugdige kracht niet ontkomen. Er was gevaar voor wanorde, bijzonder in de samenkomsten, voor een overschatting van het exceptioneele werk des Geestes in de gemeente tegenover de meer zich aan het gewone en bewuste leven aansluitende werkingen. Het wonderbare trok aan, omdat het iets buitengewoons was. Het kerkelijk bewustzijn was nog zwak, hoewel er geestelijke krachten in overvloed waren, om tot een gezond kerkelijk leven te komen, indien ze maar in rechte sporen werden geleid. In een brief, die verloren is gegaan, heeft de Apostel haar reeds vermaand (1 Cor. 5: 9). Nu zijn drie vertegenwoordigers van de gemeente, Stefanus, Fortunatus en Achaïcus, tot den Apostel gereisd, om hem namens de gemeente in onderscheidene dingen mondeling advies te vragen. Zij brengen den brief als antwoord mede (1 Cor. 16: 17).
1) A. Neander, Geschichte der Pflanzung und Leitung der christliche Kirche durch die Apostel5, Gotha 1862, blz. 212. Natuurlijk kon wel onder de heiden-christenen, waar men zich vrijer gevoelde tegenover de Mozaïsche wet, de Zondag gemakkelijker ingang vinden. De practijk kan in den beginne ook nog wel verschillend zijn geweest. Dat er over de dagen strijd gevoerd ➝

|93|

Er waren tweeërlei samenkomsten in de gemeente, overeenkomstig de twee hoofddeelen van den eeredienst, n.l. tot het Woord en tot het Avondmaal. Trouwens al de handelingen waarvan gesproken wordt, 1 Cor. 14, konden zeker niet in één samenkomst geschieden. Het onderscheid lag echter vooral hierin, dat bij de avondmaals-bijeenkomsten, wat Paulus noemt 1 Cor. 11: 33 συνερχόμενοι εἰς τὸ φαγεῖν, alleen de geloovigen tegenwoordig waren, 10: 16; 11: 20, terwijl bij die tot het Woord, ook de ἰδιῶται, 14: 16, 23, de ἀπιστοί, vs. 23 konden aanwezig zijn.

De samenkomsten tot het Woord.

Deze hadden drie deelen: de lezing, de homilie en het gebed 1).

Om met de voorlezing 2) te beginnen, waarover weinig gesproken wordt, wijl hier weinig aanleiding was tot afwijking, zoo laat zich alleszins vermoeden, dat aan haar een belangrijk deel der samenkomst was gewijd. In dit opzicht kon zeker de synagoge tot voorbeeld dienen. Het blijkt uit de kennis, die de Apostel gedurig onderstelt van het O. Testament. Mededeelingen betreffende het leven en de woorden van Christus, brieven des Apostels, 1 Thess. 5: 27, 2 Cor. 1: 13, en vooral ἐπιστόλαι συστατικαί als waarvan sprake is 1 Cor. 3: 1 zullen de gereede stoffe tot voorlezing hebben geleverd. Ook het „πρόσεχε τῇ ἀναγνώσει”, 1 Tim. 4: 13 en het μακάριος ὁ ἀναγινώσκων, Op 1: 3, geeft een aanduiding.

Voor hetgeen er verder in de vergadering tot het Woord geschiedde, geeft ons een leiddraad de resumtie in 1 Cor. 14: 26: ὅταν συνέρχησθε, ἔκαστος ψαλμὸν ἔχει, διδαχὴν ἔχει, ἀποκάλυψιν ἔχει, γλῶσσαν ἔχει, ἑρμενειὰν ἔχει˙ πάντα πρὸς οίκοδομὴν γινέσθω.

In deze opsomming vertegenwoordigen de διδαχή, de ἀποκάλυψις (= profetie), de γλώσση met de ἑρμενεία de drie elementen van de homilie.

De διδαχή was onderscheiden van de προφητεία blijkens 14: 6, 12: 28, Rom. 12: 6, 7. De leer droeg het karakter van


➝ werd (waarin Paulus wilde, dat ieder naar zijn conscientie zoude handelen), blijkt o. a. uit Rom. 14: 4, 5. Zie Th. Harnack, a.w. bl. 140 v.v.
Zie over de viering van den Zondag: Th. Zahn, Skizzen aus dem Leben der alten Kirche, Leipzig 1908, bl. 160-209.
1) Zie R. Knopf, Das nach-apostolische Zeitalter, Tübingen 1905, bl. 231.
2) Weizsäcker, a.w. bl. 571.

|94|

onderwijzing, behoorende tot het terrein van de γνῶσις. Daaronder moet waarschijnlijk worden gebracht de λόγος σοφίας en de λόγος γνώσεως, die door denzelfden Geest weer onderscheiden gegeven wordt 1).

Wel was de profetie nauw aan de leer verbonden, maar toch hierin onderscheiden, dat ze in enger zin hoorde tot het terrein der openbaring, gelijk dan ook vs. 26 voor de profetie haar inhoud: de ἀποκάλυψις genomen wordt. Dat deze beide met elkaar verwisseld worden, blijkt uit vs. 29 saamgevoegd met vs. 30: dat twee of drie profeten spreken. . . . doch indien een’ ander, die daar zit, iets geopenbaard wordt.” Toch moet niet uit het oog worden verloren, dat alle openbaring en profetie, ook in den apostolischen tijd, niet dezelfde is. Openbaringen, als Paulus zelf ontving, profetie, die een voorzeggend karakter droeg, was nog weer iets bijzonders in dien exceptioneelen tijd. En blijkens 14: 1, 5, 39 heeft Paulus met de profetie op het oog een regelmatig bestanddeel van den dienst. Van de profetie, hier bedoeld, kan worden gezegd: 1°. dat ze haar grondslag vindt in de ἐνεργεία en ἀποκάλυψις des Geestes (12: 10); 2°. dat ze werd ontvangen en uitgesproken met volle bewustheid en klaar besef van den inhoud (14: 3, 19, 22, 24, 31, 32, 39); 3°. dat zij geschikt was om anderen te stichten en zoo de gemeente te bouwen (vs. 3, 19, 22, 31, 39); 4°. dat er een sterk verschil was met de glossolalie.

De glossolalie was een spreken in klanken en over dingen, die boven het aardsch niveau en de verstandelijke bevatting uitgingen, een verschijnsel van geheel buitengewonen aard. Hoezeer dan ook een zeer hooge werking des Geestes in haar te erkennen viel, stelt Paulus haar voor dit aardsche leven der gemeente met zijn banden aan het zienlijke, met zijn eischen tegenover anderen, beneden de profetie. Persoonlijk mag zij groote waarde hebben voor den door den Geest aangevuurde, maar voor Paulus staat steeds de opbouwing der gemeente boven hetgeen den enkele verheft, ἵνα ἡ ἐκκλησία οἰκοδομὴν λάβῃ (vs. 5). De glossolalie toch is hierdoor gekenmerkt: 1°. Ze was een werkzaamheid van het πνεῦμα, maar niet van den νοῦς, vs. 14; 2°. ze was onverstaanbaar, tenzij


1) Zie hierover o.a. Weizsäcker, a.w. blz. 559-563, G.V. Lechler, a.w. bl. 333.

|95|

verbonden met de gave der ἑρμενεία, vs. 5, 13, door den persoon zelf, of door een ander, beoefend, 12: 10. De ἰδιώτης, de ongedoopte, kon er zelfs geen amen op zeggen vs. 16, daarom ontbrak de stichting, en toch, liever vijf woorden gesproken met het verstand, dan tienduizend in een vreemde taal, vs. 19! 3°. ze is daarom, in tegenstelling met de profetie, een teeken niet den geloovigen, maar den ongeloovigen.

Wat het derde bestanddeel betreft van den dienst des Woords, het gebed, — met een dankgebed, een lofzegging, schijnt de samenkomst te zijn aangevangen; het eerste toch wat genoemd wordt, is de ψαλμός. (14: 26). Aan een bepaalden persoon was het niet opgedragen en van formuliergebeden wordt niet gesproken, ook van het „Onze Vader” niet. Wanneer echter de Didache 1) leert, dat het „Onze Vader” driemaal daags moet gebeden worden, dan moge dit eenerzijds bewijzen, hoe toen een meer wettisch-formalistische geest reeds ingeslopen was, doch anderzijds zooveel licht terugwerpen op den apostolischen tijd, dat, ook in die dagen reeds, wel des Heilands bede een plaats in de vergadering der geloovigen zal hebben gehad. Nauw verbonden met het gebed was het gezang. Bijzonder rijk voor de psalmodie is vooral de Apocalypse: Op. 4: 8, 11 ; 5: 9, 10, 12, 13 enz. 2).

De samenkomsten tot het Avondmaal.

Deze tweede samenkomst was wel met den gewonen maaltijd verbonden, maar beslist daarvan onderscheiden, zooals blijkt uit de instelling des Heeren den maaltijd, Matth. 26: 26, 1 Cor. 11: 25 en uit 1 Cor. 11: 20, 21 3). Het samen maaltijden was tegelijk een zeer natuurlijke wijze van hulp aan de armen verstrekt 4).


1) Did. 8: 2, 3: μηδὲ προσεύχεσθε ὡς οἱ ὑποκριταί, ἀλλ᾽ ὡς ἐκέλευσεν ὁ Κύριος ἐν τῷ εὐαγγελίῳ αὐτοῦ, οὑτω προσεύχεσθε . . . . τρὶς τῆς ἡμέρας οὕτω προσεύχεσθε.
2) Dat doxologiën bekend waren blijkt uit Rom. 1: 25; 9: 5; 11: 36; 16: 27; 2 Cor. 11: 31; Gal. 1: 5; Fil. 4: 20 e.a.pl. Dat het uitspreken van den zegen niet onbekend was, mag worden aangenomen op grond van het O. Testament en worden afgeleid uit de apostolische zegenbeden.
3) Zie Dr. H. Bavinck, Ger. Dogm. IV. 216 v.v.
4) Het bestek gedoogt niet verder hier in te gaan op alles wat met het Avondmaal en de agapé’s saamhangt. Voor de laatste verwijzen we o.a. naar Th. Harnack, a.w., blz. 88, v.v.
Over de wijze van het Avondmaal vieren is overigens weinig bekend ➝

|96|

Ten opzichte van het Avondmaal was in Corinthe tweeërlei misbruik ingeslopen: de rijken aten afzonderlijk, 11: 21, en het avondmaal werd door het indringen van het oude heidensche kwaad, ontheiligd, vs. 22.

Daarnaast liepen de ongeregeldheden in de samenkomsten tot het Woord.

Nu is het Paulus’ bedoeling daarin orde te scheppen. Wat het Avondmaal betreft, beveelt hij, de armen niet te krenken, vs. 22, den disch des Heeren niet gemeen te maken, en daarom, hongerig zijnde, eerst thuis te eten, vs. 34; en elkander aan den disch te wachten, vs. 33. Dit voor het oogenblik. Met apostolische bewustheid zegt hij vs. 34 τὰ δὲ λοιπὰ ὡς ἂν ἔλθω διατάξομαι. Wat aangaat den dienst des Woords wil hij, dat in den regel twee of drie slechts zullen profeteeren, de anderen oordeelen, 14: 29 1); dat iemand niet voortga, wanneer een ander tijdens zijn spreken een openbaring ontvangt, vs. 30; dat de vrouwen in de gemeente zwijgen vs. 34 2).

Voor het gemeenschapsleven der christenen was derhalve kenmerkend de bijzondere charismatische bedeeling des Geestes en in verband daarmede het deelnemen van alle geloovigen aan den eeredienst. Het verband tusschen die beide voorbij te zien, leidt tot allerlei misvatting. Het gemeenschappelijke en het individueele kwam in rijke harmonie tot uitdrukking, maar het rustte alles op één basis: de διδαχὴ τῶν ἀποστόλων, of zoo ge wilt, de ἀναλογία τῆς πίστεως.

Dat zelfs toen echter, al wordt dit niet uitdrukkelijk vermeld, ambtelijke leiding bestond, volgt vanzelf uit het karakter der samenkomst, als ἐκκλησία τοῦ θεοῦ. Door de schakel van het ambt komt in de openlijke samenkomst de presentia Dei in bijzonderen


➝ Ook hier moge de Didache eenig licht verspreiden over den vroegsten tijd (Did. 9, 10, 14). Zij zegt, dat eerst een belijdenis werd uitgesproken; daarna een dankgebed afzonderlijk over brood en beker; voorts had de maaltijd zelf plaats, terwijl met een dankzegging de viering werd besloten.
1) Dat beproeven der profetiën leert Paulus ook 1 Thess. 5: 21, waar, blijkbaar in verband met „veracht de profetiën niet”, onmiddellijk volgt: „Beproeft alle dingen; behoudt het goede.”
2) Het bidden en profeteeren met gedekten hoofde, waarvan sprake is 11: 5 moet dan bedoeld zijn niet in de publieke samenkomsten, maar in de huizen. Zoo ook Th. Zahn’s Kommentar i.l.

|97|

zin eerst recht uit, en kan een bediening plaats hebben van Gods wege. Vandaar de goddelijke instelling van het ambt. Daarenboven, de cultus publicus roept van zelf onderscheidingen in het leven. Maar ook, wat zouden al de apostolische regels baten, indien niet door verantwoordelijke ambtelijke leiding de bewaring en opvolging gewaarborgd was 1)? Doch ook over die leiding laat Paulus’ brief niet geheel in het duister.

Het optreden van bepaalde personen geeft dikwijls meer blik in het milieu van het gemeenteleven, dan opzettelijke uitspraken. Ook hier plaatst de H. Schrift ons midden in het leven, en wil, dat wij dat leven in zijn organische geledingen zullen beschouwen. Zoo ook in de brieven aan Corinthe. Wie leeren we daar als leiders in de gemeente kennen? Sosthenes, medesteller van den brief (1: 1), die vroeger met Paulus te Corinthe heeft gearbeid, toeft thans als helper bij Paulus. Van de zijde der gemeente zijn bij Paulus de drie genoemde deputaten, de Kerk vertegenwoordigende, dus met bepaalde roeping en opdracht van de gemeente. Paulus vermaant de gemeente ten opzichte van hen: ἐπιγινώσκετε οὖν τοὺς τοιούτους. (16: 17, 18). Of ze als ambtsdragers in Corinthe's Kerk Paulus op zijn reizen hebben begeleid, wordt niet uitdrukkelijk gezegd, maar evenmin weersproken Met het oog op het huis van Stefanus, den eersteling van Achaje (ἀπαρχή), herinnert Paulus, dat zij τοῖς ἁγίοις ἔταξαν ἑαυτούς, (vs. 15). Zeer zeker dus een gansch vrijwillige ten-dienst-stelling. Maar, dat Stefanus eenmaal in die positie, hetzij bij formeele aanstelling, hetzij bij stilzwijgende erkenning, een verantwoordelijke plaats inneemt, waarbij hem gezag was geschonken, en jegens hem gehoorzaamheid moest betoond, blijkt uit de vermaning, die ook met het oog op andere leiders gegeneraliseerd wordt: ἵνα καὶ ὑμεῖς ὑποτάσσησθε τοῖς τοιούτοις καὶ παντὶ τῷ συνεργοῦντι καὶ κοπιῳντι. (vs. 16).

In den tweeden brief treedt Titus op als een reizend helper


1) Terecht merkt A. Ritschl op, Die Entstehung der altkatholischen Kirche, 1857, bl. 365, dat de regelmatige eeredienst slechts daardoor aan de gansche gemeente toebehoort, dat hij door den voorganger wordt geleid. En met betrekking tot den doop, bl. 368, dat de natuurlijke ordening in de gemeente vanzelf vordert, dat de doop alleen door den voorganger wordt bediend.

|98|

van Paulus, die wegens de moeielijkheden door Paulus gezonden wordt, en deze Titus „overdenkt hun aller gehoorzaamheid” (2 Cor. 7: 15).

Wij vinden als resultaat in de beide brieven, dat met Corinthe in contact staan: 1°. reizende helpers: Sosthenes I. 1: 1; Apollos I. 3: 5; I. 16: 12; Titus II. 8: 23; II. 2: 13; II. 7: 15; Timotheus I. 4: 17; I. 16: 10; II. 1: 1; 2°. plaatselijke helpers: Stefanus, Fortunatus, Achaïcus I. 16: 15, 16, 17, 18; 3°. dat in het midden der gemeente optreden tal van charismatici, die geen leiding geven en niet met name worden genoemd, maar wier geestesgaven aan strenge tucht worden onderworpen 1).

Voorts is 1 Cor, 12: 28 een locus classicus voor de organisatie: καὶ οὓς μὲν ἔθετο ὁ θεὸς ἐν τῇ ἐκκλησίᾳ πρῶτον ἀποστόλους, δεύτερον προφήτας, τρίτον διδασκάλους, ἔπειτα δυνάμεις, ἔπειτα χαρίσματα ἰαμάτων, ἀντιλήψεις, κυβερνήσεις, γένη γλώσσων. Wij merken ten aanzien van deze plaats op: 1°. Paulus spreekt in dit hoofdstuk over de χαρίσματα, de gaven, cf. vs. 4 v.v. en in het onmiddellijk verband over de organische werkingen en krachten in de Kerk als lichaam, vs. 27. Die charismata zijn de basis, waarop de ambtelijke dienst steunt. Voorzoover hij in de reeks van charismata, die hij noemt, ook zulke aanduidt, die tevens ambten zijn (wat b.v. bij de ἀπόστολοι boven allen twijfel verheven is) wil hij die ambten beschouwd zien als aan een charisma beantwoordend. (Zie Calvijn i.l.). 2°. De Apostel geeft geen volledige opsomming; de bijeenvoeging met andere loei geeft eerst een volkomen beeld van heel de organisatie van het lichaam der Kerk. 3°. Met ἔθετο wijst hij op het souvereine machtbestel Gods, gelijk ἔδωκε, Ef. 4: 11, meer ziet op een daad van genade ten opzichte der gemeente, terwijl met de gemeente volstrekt niet bedoeld wordt alleen de Kerk van Corinthe, maar heel de Kerk van Christus. 4°. De genoemde diensten vertegenwoordigen ten deele tijdelijke en voorbijgaande, ten deele blijvende (ἀντιλήψεις en κυβερνήσεις). 5°. Ze kunnen worden ingedeeld als leergave (ἀπόστολοι, προφῆται,


1) Zie H. Bruders, Die Verfassung der Kirche von den ersten Jahrzehnten der apostolischen Wirksamkeit an bis zum Jahre 175 n. Chr., Mainz 1904 , bl. 50 v.v.

|99|

διδάσκαλοι,) als wondergave (δυνάμεις, χαρίσματα ἰαμάτων), als gave ten dienste voor het practisch beleid in de plaatselijke Kerk (ἀντιλήψεις, κυβερνήσεις), als ekstatische gave (γένη γλώσσων). 6°. ἀποστόλους moet genomen niet in den breeden, maar in den beperkten zin als de door Christus persoonlijk geroepenen cf. 4: 9 en 9: 1) 1); 7°. de ἀντιλήψεις en κυβερνήσεις kunnen alleen als locale diensten zijn bedoeld en duiden aan de hulpe aan ellendigen te betoonen en de regeering en tuchtoefening, waartoe straks (cf. Pastoraalbrieven) met name diakenen en presbyters (episcopen) worden aangewezen. Treffend, dat Paulus bij de repeteering in vragenden vorm, vs. 29 en 30, juist deze beide weglaat. Wel een bewijs, dat ze onder al de anderen een eigenaardige plaats innemen. Over de organisatie als zoodanig hadden dan ook de afgevaardigden aan Paulus geen vragen voor te leggen. Mogen we hieruit niet besluiten, dat die zaak in Corinthe wèl geregeld was? En waar nu Paulus in Corinthe bestrijden moet het jacht maken op bijzondere wondergaven, ligt het voor de hand, dat hij deze beide uitzondert, die als blijvende bedieningen in de gemeente zouden beklijven. 8°. Oudere exegeten mogen wel eens te veel in loci als deze hebben willen leggen zonder steeds nauwkeurig onderscheid te maken tusschen wat de apostolische Schriften als beginselen voor kerkregeering geven, en wat later uit die beginselen in de kerkregeering terecht is opgebouwd, 2) hun opvatting getuigt zeker van dieper blik en zij geven aan de Schrift een verdere strekking, dan die nieuwe Theologie, welke van de minste aanduiding van eenig locaal ambt in het N. Testament niet weten wil. 3)


1) Over de andere hier genoemde diensten voor de geheele Kerk wordt ter plaatse gehandeld.
2) Voetius, Politica Ecclesiastica Pars II, Lib. II tract. III Cap. IV bl. 445 v.v. In loco: „ubi voce κυβερνήσεις, gubernationes, indicatur ministerium a doctoribus et adjutoribus distinctum.” Sterker nog in zijn exegese op Rom. 12: 8 t.z.pl.
Calvijn i.l. zegt, dat Paulus het eerst over de gaven had, en nu over de ambten, waarbij hij bij de profeten en leeraars feitelijk zonder meer denkt aan de dienaren des Woords en de doctores (hoewel hij onder deze laatsten hier ook herders meent te kunnen verstaan). Bij ἀντιλ. en κυβ. denkt hij aan diakenen en ouderlingen.
3) A. Harnack, Verfassung und Recht, bl. 41, 42. „Neben den Aposteln, ➝

|100|

Rom. 12: 6, 7, 8: ἔχοντες δὲ χαρίσματα κατὰ τὴν χάριν τὴν δοθεῖσαν ἡμῖν διάφορα˙ εἴτε προφητείαν, κατὰ τὴν ἀναλογίαν τῆς πίστεως˙ εἴτε διακονίαν, ἐν τῇ διακονίᾳ˙ εἴτε ὁ διδάσκων, ἐν τῇ διδασκαλίᾳ˙ εἴτε ὁ παρακαλῶν, ἐν τῇ παρακλήσει˙ ὁ μεταδιδοὺς ἐν ἁπλότητι, ὁ προϊστάμενος ἐν σπουδῇ, ὁ ἐλεῶν ἐν ἱλαρότητι. Men lette op het volgende: 1°. Paulus spreekt ook hier van de gemeente als lichaam met onderscheidene leden, om zoo de bedieningen in haar organischen samenhang en onderlingen dienst voor het lichaam der Kerk te doen kennen; 2°. nog minder dan 1 Cor. 12: 28 wordt hier gestreefd naar volledigheid, noch naar juiste afbakening der grenzen tusschen de onderscheidene functies; 3°. wat de constructie betreft, zouden we niet het woord ἔχοντες uit vs. 6 telkens willen denken vóór elk der accusativa en vóór de zich daarbij aansluitende praeposities 1), maar we zouden telkens den zin willen voltooien in dezer voege: indien iemand heeft de gave der profetie, zoo zal hij die beoefenen naar de norm des geloofs enz. 2); 4°. wel lokt het uit, om κατὰ τὴν ἀναλογίαν τῆς πίστεως in den zin van vs. 3 te verstaan, dus zakelijk hetzelfde als μέτρον πίστεως, maar om de gebondenheid der profetie aan het Woord, waaraan ze beproefd moest worden, verstaan we het liever in objectieven zin van den regel en de norm des geloofs 3); 4°. de διακονία kan niet in engen


➝ Propheten und Lehrern sind nur in der Gemeinde wirksame Charismen (I. 12: 28 f.) aufgeführt, unter ihnen ἀντιλήψεις und κυβερνήσεις. Ihre Inhaber erscheinen somit nicht in der persönlichen (relativen) Ueberordnung über der Gemeinde, wie jene λόγον λαλοῦντες . . . . Die Organisierung des Leibes der Gemeinde kommt lediglich durch Charismen zu stande. Toch moet hij er aan toevoegen: „Immerhin ist aber die Unterscheidung einer hilfleistenden, also diakonalen Funktion und einer leitenden von Wichtigkeit.”
Niettegenstaande de Apostel ook in den brief aan Corinthe uitdrukkelijk de κυβερνήσεις een dienst noemt, waarin toch de functie van regeeren onwedersprekelijk ligt aangegeven, vindt men vooral in de gegevens van dezen brief steun voor het gevoelen, dat in de eerste Christelijke Kerk van een ambtelijk ingestelde orde geen sprake was, maar een pneumatische anarchie heerschte. Maar grenst het niet schier aan het riducule, om aan een anarchie te moeten denken bij het bestaan van κυβερνήσεις? Wat moet beteekenen: „regeeringenin een stelsel van regeeringloosheid?!
1) Weiss in Meyer’s Komm. i.l.
2) Zahn, i.l.
3) Weizsäcker, a.w. bl. 567 „die sichere Lehre des Glaubens” tegen Weiss, Zahn e a.

|101|

zin als terminus technicus opgevat, om de beide laatste gaven, die juist op dit terrein liggen. Ze omvat alle diensten, die nog volgen, en is dus breeder dan de ἀντιλήψεις in 1 Cor. 12; 5°. de διδάσκων komt naast de volgende diensten hier reeds voor als behoorend tot een stand in de gemeente, al wordt ook de διδασκαλία nog niet gebonden aan een vast ambt; 6°. met den προϊστάμενος wordt dezelfde aangeduid als de προϊστάμενοι 1 Thess. 5: 12, de προεστῶτες 1 Tim. 5: 17, de ἡγοὐμενοι Hebr. 13: 7, de ἐπίσκοποι of πρεσβύτεροι Jac. 5: 14; 1 Petr. 5: 12; Tit. 1: 5, 7; Hd. 20: 17, 28, alzoo degenen, bij wie de regeering stond.

Het is duidelijk, dat Paulus hier spreekt van een regelmatig dienen in de gemeente door onderscheidene personen naar onderscheidene gaven en erkenning dier gaven door anderen. En nu mogen de grenzen nog niet scherp zijn afgeteekend tusschen de diensten onderling en tusschen wie ze beoefenen, hetzij in het ambt der geloovigen, hetzij door wie uit de geloovigen geroepen zijn tot een bijzonder ambt, — ook hier is een ontwikkelingsgang niet te loochenen. Zooveel is zeker, dat ook in dit borduursel drie draden duidelijk te onderkennen zijn, die steeds scherper het beeld der organisatie gaan afteekenen: de diaconia van het leeren, van het voorstaan (regeeren) en van het barmhartigheid oefenen1).

Gal. 6: 6. Bieden de beide eerste hoofdstukken van den brief aan de Galaten ons een rijk materieel voor de kennis der organisatie in den eersten tijd, inzoover ze ons een blik geven in de onderlinge verhouding tusschen de Apostelen, iets waarvan we overigens zoo uiterst weinig weten, — Gal. 6: 6 bevat nog een gegeven voor den gemeentelijken dienst: κοινωνείτω δὲ ὁ κατηχούμενος


1) Voetius geeft deze indeeling: Pol. Eccl. Pars II, Lib. II, tract. III, cap. IV. bl. 445: „Depromit liturgia nostra ex Rom. 12: 8 ubi per προιστ. a reliquis ministris distinctis innuitur praefectura aliqua ecclesiastica. Distribuerat enim omnes functiones eeclesiasticas in duo genera, quorum alterum ad institutionem pertinebat, quod vocat prophetiam, alteram ad regimen et disciplinam qnod vocat διακονίαν, id est ministerium. Ad illud refert doctrinam et exhortationem, ad istud 1. distributionem diaconorum 2. gubernationem seu prostasiam seniorum, 3. commiserationem eorum (etiam faeminarum seu viduarum, 1 Tim. 5,) qui speciali ratione peregrinos, aegrotos etc. curabant.” Het komt ons echter voor dat de hoofdverdeeling in profetie en διακονία eerst dan bewaard blijft, wanneer men niet de doctrina en exhortatio onder de profetie brengt, maar onder de διακονία.

|102|

τὀν λόγον τῷ κατηχοῦντι ἐν πᾶσιν ἀγαθοῖς. Hierbij zij opgemerkt, 1°. dat, waar de geheele brief aan de Kerken van Galatië is gericht , het κατηχεῖν niet van de missionaire prediking is gezegd, maar van de onderrichting der geloovigen in de gemeente; ook niet van het voorbereidend onderwijs tot den doop, want daarvoor wordt het woord eerst gebezigd in de 2e eeuw 1); 2°. dat het κοινωνεῖν ziet op het onderhoud dezer leeraars met tijdelijke goederen uit de hand der onderwezenen; 3°. dat door dit laatste duidelijk een bepaalde kring wordt aangewezen met verplichtingen en rechten 2).

Efeze 4: 11: καὶ αὐτὸς ἔδωκεν τοὺς μὲν ἀποστόλους, τοὺς δὲ προφήτας, τοὺς δὲ εὐαγγελιστάς, τοὺς δὲ ποιμένας καὶ διδασκάλους. Wij vestigen op het volgende de aandacht: 1°. Ook deze plaats, die veel overeenkomt met 1 Cor. 12: 28, leidt de diensten terug tot de instelling van Christus, zoodat ze niet vanzelf uit de gemeente zijn opgekomen, maar van Christus zijn geordineerd: ἔδωκεν. 2°. Apostelen, profeten en evangelisten komen voor als diensten voor heel de Kerk en wel tot haar stichting en organiseering; apostelen genomen, immers naast evangelisten, in den beperkten zin. 2°. Uit het noemen van evangelisten blijkt, dat er naast de Apostelen nog andere missionairen waren met mindere dan apostolische waardigheid. Misschien worden ze wel opzettelijk in Efeze genoemd, omdat er onder de Kerken, aan wie dit rondschrijven is gericht, waren, die niet door apostelen, maar door niet-apostolische missionairen waren gesticht 3). 3°. Met de herders en leeraars worden ontegenzeggelijk dezelfde personen bedoeld en niet twee verschillende klassen aangegeven, blijkens het ontbreken van het artikel bij διδασκάλους, en de saamvoeging aan ποιμένας


1) Th. Zahn, i.l.
2) Wij verstaan niet, hoe Zahn, die toestemt dat bepaalde personen worden bedoeld, die zich tot dat onderricht gaven, hier, gelijk bij de reeds behandelde loci, bezwaar kan hebben, aan een ambt te denken. Terecht heeft reeds Hilgenfeld opgemerkt contra Loening, a.w. bl. 226, dat die mededeeling van uiterlijke goederen wijst op een inrichting. Calv. i.l. neemt ’t als waarschuwing, dat de dienaren des Woords niet vergeten worden in hun onderhoud.
3) A. Harnack, Die Mission und Ausbreitung des Christentums enz. bl. 246.

|103|

met καὶ 1). 4°. De herders en leeraars staan tegenover het vorige trias als dienaren van de locale Kerk, en als blijvende ambtsdragers 2). Het gaat bij hen niet om het mededeelen van een nieuwe kennis, als bij de apostelen, profeten, evangelisten, maar om het aanwenden en toepassen van de waarheid, die het bezit der gemeente geworden is 3). 5°. De leeraars, die ook als dienaars voor de geheele Kerk genoemd worden (1 Cor. 12: 28), worden hier verbonden aan de plaatselijke Kerk, terwijl hun ook de regeering wordt opgedragen (ποιμαίνειν), waaruit volgt, dat het leeren en regeeren in dezelfde personen vereenigd was 4). 6°. De scheiding tusschen leer- en regeerambt, gelijk die geconstateerd wordt in 1 Tim. 5: 17, wordt te dezer plaatse niet met zooveel woorden aangeduid, maar kan daarom wel reeds hebben bestaan. Ook hier richt men met het argumentum e silentio niets uit. 7°. Tot recht verstand van de positie van deze herders en leeraars moet Ef. 4: 11 worden beschouwd in saamvatting met Hd. 20: 17, 28 en 1 Petr 5: 1, 2, vooral omdat in deze laatste plaats de roeping om de kudde te weiden bij de opzieners sterk wordt


1) Calvijn i.l. meent eensdeels, dat van één orde zonder onderscheid wordt gesproken, maar anderdeels houdt hij met zekere voorliefde een onderscheid vast, wel toestemmend, dat ook den herders het leeren toekomt, maar wijzend op een ander soort van leeraars, buiten de regeering staande, die èn herders moeten vormen èn de gemeente moeten leeren. cf. Instit. IV. 3, 1, waar Calvijn het blijvend karakter van herders en leeraars afleidt uit den aard der zaak zelf, dat nl. het Woord moet worden bediend.
Zie K. Rieker, a.w. in deze over Calvijn bl. 102 v.v.
2) A. Harnack, Verfassung und Recht, bl. 43, stemt dit toe en spreekt hier zelfs van een locaal ambt: „es wird aber bei der Schilderung des Besitzes der Gesammtgemeinde auch eines lokalen Amtes gedacht.” Hij houdt dit ook staande tegenover Sohm, die zelfs hier nog denkt bij herders en leeraars aan charismatische personen, die alleen de geheele Kerk dienen, omdat ze naast Apostelen, profeten en evangelisten worden genoemd (bl. 171), Trouwens hoe is zulks mogelijk met het oog op Hand. 20: 17, 28, waar toch duidelijk van het weiden der ouderlingen van de plaatselijke Kerk van Efeze wordt gesproken?
3) E. Haupt in Meyer’s Komm. i.l.
4) Zonder grond o.i. bestrijdt Zahn dit, Einleit. I3 bl. 361, terwijl hij hier wel van één klasse wil gesproken zien, maar meent, dat daaruit niet behoeft te volgen, dat ten tijde van den brief aan Efeze steeds het leeren aan het opzienersambt behoeft te zijn verbonden geweest.

|104|

aangedrongen met het oog op dreigenden tegenstand en dwaling (vs. 8) 1). 8°. Geen wonder, dat de critiek, ook met het oog op het geavanceerde der organisatie, in 4: 11 geteekend, dezen brief in lateren tijd verplaatst, zelfs na de Didache. Het een hangt echter ook hier met het ander saam. Voor wie de Pastoraalbrieven aan Paulus blijft toekennen, ligt in het geavanceerde van Efeze niets vreemds. 9°. Het in de plaats treden van het plaatselijk ambt in vaste vormen, voor de diensten voor heel de Kerk, wordt treffend door de Didache bevestigd, 15: 1, 2: χειροτονήσατε οὖν ἑαυτοῖς ἐπισκόπους καὶ διακόνους ἀξίους τοῦ Κυρίου, ἄνδρας πραεῖς καὶ ἀφιλαργύρους καὶ ἀληθεῖς καὶ δεδοκιμασμένους˙ ὑμῖν γὰρ λειτουργοῦσι καὶ αὐτοὶ τὴν λειτουργίαν τῶν προφητῶν καὶ διδασκάλων. μὴ οὖν ὑπερίδητε αὐτούς˙ αὐτοὶ γάρ εἰσιν οἱ τετιμημένοι ὑμῶν μετὰ τῶν προφητῶν καὶ διδασκάλων.

1 Thess. 5: 12, 13. ἐρωτῶμεν δε ὑμᾶς, ἀδελφοί, εἰδέναι τοὺς κοπιῶντας ἐν ὑμῖν καὶ προϊσταμένους ὑμῶν ἐν κυρίῳ καὶ νουθετοῦντας ὑμᾶς, καὶ ἡγεῖσθαι αὐτοὺς ὑπερεκπερισσῶς ἐν ἁγάπῃ διὰ τὸ ἔργον αὐτῶν. De saamvoeging onder hetzelfde artikel bewijst, dat er van dezelfde personen sprake is, en terwijl κοπιῶντας het algemeen begrip is voor trouwe dienstverrichting, toont de combinatie van προϊσταμένους met νουθετοῦντας, (νουθετεῖν eigenlijk iemand iets aan het hart leggen), dat reeds vroeg regeering en leer met elkander verbonden waren 2). Ook onderstelt de Apostel, dat zijn schrijven in hun handen komt, 5: 27.


1) Uit Hand. 20: 17, 28 is duidelijk, dat Paulus zelf, naar den regel, dien hij volgens 14: 23 volgde, te Efeze presbyters heeft ingesteld. Deze werden 20: 28 vermaand tot ποιμαίνειν. Zoo waren dan de presbyters dezelfde als de herders en leeraars.
2) Loofs, a.w. bl. 625.
Terecht Wohlenberg in Zahn’s Komment. i.l. „Man sieht an unserer Stelle, wie bald nach der Gründung einer Gemeinde, es zu einer ordentlichen Gemeindeverwaltung kam, oder vielmehr, wie beides zusammenfiel.”
Deze plaats is sterk sprekend. Zelfs Loening, die anders niet veel van een regeerambt weten wil, teekent hier aan, a.w. bl. 46: „Die Gemeinde scheint sich aber auch schon Vorsteher bestellt zu haben, die nicht nur wie in Corinth, kraft ihres persönlichen Ansehens und soweit dies reichte, eine leitende Rolle in der Gemeinde spielten, sondern welche von der Gemeinde gewählt kraft eines ihnen übertragenen Auftrags eine Autorität den Gemeindegenossen gegenüber besassen.” Alleen, waarom die scherpe ➝

|105|

Col. 4: 17. καὶ εἰπατε Ἀρχἰππῳ˙ βλέπε τὴν διακονίαν, ἣν παρέλαβες ἐν Κυρίῳ, ἵνα αὐτὴν πληροῖς. Deze vermaning met het oog op den waarschijnlijk vertraagden voorganger, die zijn bediening, hoezeer ook vrijwillig aanvaard, toch uit handen der gemeente heeft ontvangen (παρέλαβες), zegt genoeg voor een wettig plaatselijk ambt.

Fil. 1: 1. Παῦλος καὶ Τιμόθεος, δοῦλοι Ἰησοῦ Χριστοῦ πᾶσιν τοῖς ἁγίοις ἐν Χριστῷ Ἰησοῦ τοῖς οὖσιν ἐν Φιλίπποις σὺν ἐπισκόποις καὶ διακόνοις. 1) Deze plaats is voor velen een struikelblok, omdat hier, in een door ieder aan Paulus toegeschreven brief, de termini technici genoemd worden van episcopen en diakenen; het valt moeielijk hier van een anachronisme te spreken. Voor ons, die in de episcopen geen anderen zien, dan de in de Kerken van Lycaonië door Paulus ingestelde presbyters, en de προϊστάμενοι van Thessalonica, ligt er in het noemen dezer ambtsdragers niets bijzonders. Paulus heeft veel lof voor deze Kerk, en door haar ambtsdragers in de groetenis op te nemen, spreekt hij dien lof ook uit met betrekking tot de organisatie. Dat de verzorgers der armen hier den technischen naam diakenen voor ’t eerst ontvangen, is op het tijdstip, waarop Paulus den brief schrijft (ongeveer 63 van


➝ tegenstelling met Corinthe? Hier werkt weer het gevaarlijke argumentum ex silentio. Wanneer we bedenken, dat Paulus den brief naar Thess. van Cor. uit schreef, dat hij de gemeente van Thess. prijst 1: 7, 14, dan laat het zich moeielijk voorstellen, dat hij niet in Corinthe voor gelijke organisatie als in Thess. zou hebben zorg gedragen.
1) Harnack, Verfassung und Recht bl. 43; 44 (en op menige andere plaats in zijn werken) zoekt zijn hypothese (in den geest van E. Hatch), dat de episcopen geen geestelijk ambt hadden, maar administratieve beambten waren in den trant der heidensche genootschappen, ook met Fil. 1: 1 voor oogen, te handhaven door de op louter vermoeden berustende verklaring, dat Paulus hier de episcopen en diakenen noemt, omdat ze zich, als finantieele beheerders bijzonder geïnteresseerd hadden voor de geldzending aan Paulus (4: 10, 18). Hoezeer daarbij gewrongen wordt, blijkt uit de wonderbare voorstelling: „die Zweiteilung unterstützt diese Annahme”, want, dan moeten diakenen, zonder nadere bepaling, de dienenden zijn; zij de uitvoerende, de episcopen de leidende administrateurs!
Jammer dat Ewald (in Zahn’s Komment i.l.), die voor zijn gevoelen zulke noodsprongen niet behoeft, met eenige wending, dezelfde exegese volgt: De vertraging in de geldzending mocht soms een verwijt uitlokken van de gemeente tot de ambtdragers . . . . doch laat dat niet zijn, Paulus wil noch den leden, noch veel minder den voorgangers iets verwijten, en daarom: „πᾶσιν τοῖς ἁγίοις . . . . συν ἐπισκόποις καὶ διακόνοις”!

|106|

Rome uit), in het licht van de Pastoraalbrieven, ongeveer uit dienzelfden tijd (1 Tim. 3: 8 v.v.), niet vreemd.

Hebr. 13: 7, 24 μνημονεύετε τῶν ἡγουμένων ὑμῶν, οἵτινες ἐλάλησαν ὑμῖν τὸν λόγον τοῦ θεοῦ, ὧν ἀναθεωροῦντες τὴν ἔκβασιν τῆς ἀναστροφῆς μιμεῖσθε τὴν πίστιν˙ πείθεσθε τοῖς ἡγουμένοις ὑμῶν καὶ ὐπείκετε˙ αὐτοὶ γὰρ ἀγρυπνοῦσιν ὑπὲρ τῶν ψυχῶν ὑμῶν ὡς λόγον ἀποδώσοντες ἵνα μετὰ χαρᾶς τοῦτο ποιῶσιν καὶ μὴ στενάζοντες˙ ἀλυσιτελὲς γὰρ ὑμῖν τοῦτο 1).

De προϊστάμενοι van elders heeten hier ἡγούμενοι (in vs. 7 wordt waarschijnlijk aan dezulken gedacht, die den marteldood zijn gestorven), en wel in dien zin, dat ze arbeiden in de leer (ἐλάλησαν τὸν λόγον), dat hun de zielszorg is toevertrouwd (vs 24), en dat aan hen gehoorzaamheid verschuldigd is.

 

De behandeling der Schriftuurplaatsen uit de apostolische brieven, die hierboven onder de aandacht werden gebracht, had voornamelijk de strekking, om te doen uitkomen, hoe in de gemeenten uit de heidenen, leiding en regeering bepaaldelijk door het ambt, onmiskenbaar is. En in het optreden van het ambt treedt zeker het georganiseerd karakter dier gemeenten wel het meest aan het licht. Ten overvloede echter wijzen wij, in nauw verband hiermede, nog op enkele andere gegevens in het leven dier eerste Christelijke Kerken, waaruit bovendien de organisatie met duidelijke trekken voor ons geteekend komt te staan.

Allereerst, de kring der gemeente was afgebakend door het merkteeken van den heiligen Doop. Zoo was het reeds aanstonds in de gemeente van Jeruzalem sedert den Pinksterdag, en zoo bleef allerwege de doop het scheidend teeken tusschen wereld en Kerk, naar de instelling van Christus. Door den doop geschiedde de opneming in den heiligen broederbond, en wel had die doop een geestelijken achtergrond in de mystieke gemeenschap aan Christus’ dood en leven en aan zijn geestelijk Lichaam door het werk van den Heiligen Geest, Rom. 6: 3-5; Rom. 12: 13; Gal. 3: 27; maar


1) Is de brief gericht aan de Hebreën in Palestina, dan behoort de bespreking dezer plaats thuis bij de joodsch-christelijke gemeenten. Dat hij echter, gelijk Zahn verdedigt, naar Italië zou zijn gezonden, vindt veel steun; iets waarover hier niet kan uitgeweid.

|107|

als zichtbaar teeken was hij het merk der aanhoorigheid aan de openbaring van Christus’ Lichaam op aarde en het bewijs dat dit Lichaam in georganiseerden vorm zich realiseerde in de wereld. Dat in dien doop ook een postulaat ligt voor het ambt, is duidelijk. Een geregelde orde in de gemeente vorderde vanzelf, dat de Doop door den voorganger werd bediend 1).

In onverbrekelijk verband met den doop staat de ὁμολογία, de belijdenis des geloofs. Niet zwijgend voegde men zich onder den kring der christenen; niet zonder keur liet men toe toe het bad des doops, maar op grond van het vrijwillig afgelegd, maar niettemin onontbeerlijk getuigenis des geloofs. Ook die belijdenis was de uitwendige openbaring van een geestelijke zaak, de uitspraak van het hart, belijdenis des geloofs, Rom. 10: 10. En het was nu ook die belijdenis, waardoor het karakter van den heiligen kring was geteekend, en die in zekeren zin het uitgangspunt van alle organisatie was. Treffend ligt dit in de oorspronkelijke beteekenis van het woord ὁμολογεῖν uitgedrukt: hetzelfde zeggen 2).

Door belijdenis en doop trad men in al de rechten, die aan de leden van Christus zijn verzekerd in zijn Kerk, maar werden ook de verplichtingen aanvaard, die de aanhoorigheid medebrengen. Tot deze laatste behoorde, — en ook daarin ligt een bewijs voor het georganiseerd karakter der Kerk — het zich stellen onder de tucht. Tucht is toch niet anders dan de handhaving van de regelen, die in een bepaalden kring zijn gesteld, door middel van bestraffing. Zoo is er huis-tucht, school-tucht, maar ook kerke-tucht, die zich ten doel stelt de handhaving in casu van de regelen, die door Christus zelf zijn gesteld voor Zijn Kerk op aarde. Tucht onderstelt een welomschreven orde, en orde onderstelt organisatie.


1) Terecht wordt hierop gewezen door A. Ritschl, a.w. bl. 368, 369, zie noot bl. 97.) Hij merkt ook op, dat, indien Paulus, 1 Cor. 1: 14, 16 mededeelt, dat slechts weinigen door hem zijn gedoopt, dit niet geschiedt, omdat hij den doop gering acht, maar omdat hij er de aandacht op wil vestigen, dat de door hem gedoopte personen, die immers als voorgangers der gemeente optreden (Hand. 18: 8; Rom. 16: 23), als vanzelf in Corinthe de aangewezenen waren, om den doop aan anderen toe te dienen.
2) Zie H. Cremer, a.w. s.v. ὁμολογέω. In het N. Testament wordt meerdere malen op de beteekenis van de ὁμολογία gewezen, b.v. behalve Rom. 10: 9, 10 ook 1 Joh. 2: 23; Hebr. 13: 15; 1 Tim. 6: 12; 2 Cor. 9: 13.

|108|

Reeds Jezus zelf had die discipline ingesteld, Mtth. 16: 18 v.v.; 18: 15 v.v. In de gemeente van Corinthe deed zich een ernstig geval voor, met het oog waarop Paulus haar beveelt den zondaar te bannen, 1 Cor. 5: 1-5. In 1 Cor 6 wijst de Apostel er op, hoe juist door onderlinge tucht, niet door het brengen van zaken voor den wereldlijken rechter, de gemeente haar heilig karakter handhaaft. In de Pastoraalbrieven wordt de oefening van de tucht besproken in verband met het speciale ambt, 1 Tim. 5: 19, 20; Tit. 3: 10. Evenwel volgt hieruit niet, dat eerst later de oefening der discipline aan het ambt werd toevertrouwd, want, al wordt in den brief aan Corinthe alleen van de gemeente en niet van de ambtsdragers bij de toepassing der tucht melding gemaakt, zoo is daarmede volstrekt niet bewezen, dat in Corinthe geen ambtsdragers waren, die in den naam des Heeren disciplineerend opgetreden zijn. Trouwens, evenmin ais de Pastoraalbrieven weerspreken, dat, hoewel de regeering der Kerk bij het ambt staat, toch al de geloovigen bij de discipline een roeping hebben te vervullen, evenmin wordt door den brief aan Corinthe weersproken, dat, hoewel de geloovigen mede tucht oefenen , het ambt daarbij zijn speciale verplichting heeft.

Ten slotte zij er op gewezen , dat meermalen uitdrukkelijk de eisch wordt voorgelegd aan de gemeente, dat zij hen, die haar dienen met geestelijke goederen, zullen dienen van haar stoffelijke goederen, dat is, zullen bezoldigen, 1 Cor. 9: 7-14; Gal. 6: 6; 1 Tim. 5: 18. Dit geeft in de gemeente een eigenaardige onderscheiding tusschen hen aan wie het Evangelie wordt bediend en wie van het Evangelie leven. Paulus spreekt 1 Cor. 9: 14 zelf van een bepaalde ordinantie des Heeren, blijkbaar doelende op wat Jezus zegt Mtth. 10: 10, 11, Lk. 10: 7. Zulk een ordinantie nu, als vaste regel door de apostelen gesteld voor het leven der gemeente, wijst op enkelen, die tot dienst in het Woord waren verkoren door de gemeente, om haar geregeld te bearbeiden. Een ambt toch wordt bezoldigd, terwijl wel niemand van een bezoldigd charisma zal willen gewagen 1).

Vatten wij al deze gegevens uit de Paulinische brieven aan de


1) Geheel ongegrond komt ons voor, wat Weizsäcker, a.w. bl. 593 zegt van den κατηχῶν τὸν λόγον Gal. 6: 6. Wijl hier niet sprake is van een ➝

|109|

Kerken uit de heidenen saam, dan kunnen we niet instemmen met de klacht van Harnack: „Das zusammengestellte Material ist weder einstimmig noch erlaubt es direkte Schlüsse auf die Entstehung der einheitlichen Gemeindeverfassung, wie wir sie in der nach-hadrianischen Zeit fast überall finden [dit laatste zij toegegeven bij de snelle verbastering die is ingetreden!] Vor allem aber laszt sich an den wichtigsten Stellen nicht ausmachen, ob es sich lediglich um regelmäszige freie Leistungen oder schon um Ambtsfunktionen handelt.” 1) Ons dunkt, als resultaat kan worden vastgesteld, dat er allerwegen in de Kerken, behalve de sterk actieve apostolische leiding (waaruit zich veel van wat nog onvast is in het locale leven verklaren laat), ook plaatselijke leiding en bestuur bestaat; dat verschillende namen die leiding aanduiden, of als charisma: ἀντιλήψεις en κυβερνήσεις (1 Cor. 12: 28) of als diensten, functiën, waartoe opdracht is verleend, die verplichting tot gehoorzaamheid met zich brengen, die verantwoordelijkheid inhouden: ἡγούμενοι, κατηχοῦντες, προϊστάμενοι, κοπιῶντες, νουθετοῦντες, ποίμενες, διδάσκαλοι (διδάσκοντες), παρακαλοῦντες, μεταδίδοντες, ἐπίσκοποι, διάκονοι; dat in wezen aan allen gelijke taak is toevertrouwd, resp. van leeren en vermanen, van leiden en regeeren, van dienen en barmhartigheid oefenen; dat ook, wanneer een charisma wordt aangeduid, volstrekt niet is uitgesloten, dat dit werd beoefend door iemand die in het ambt stond, wat met name geldt van de ἀντιλήψεις en de κυβερνήσεις dat over het opkomen dier diensten in de gemeenten weinig wordt gezegd, maar dat Paulus’ handelwijze in Lycaonië een geregelde instelling voorop stelt; dat niets het vermoeden wettigt, om aan een wezenlijk verschil van organisatie te denken; dat toch eenheid van handelen bij een


➝ leeren in de vergadering der geloovigen, maar van persoonlijk onderricht (κοινωνείτω δὲ ὁ κατηχούμενος τὸν λόγον τῷ κατηχοῦντι) dat wordt verstrekt, als voortzetting van het apostolisch „Missionsunterricht” is hij nl. van meening, dat daardoor vanzelf hier een ambt in de gemeente uitgesloten is. En dat hiermede weer samenhangt de aanspraak op levensonderhoud. Maar waarom toch? Is het feit, dat iemand een ander persoonlijk onderwijst een bewijs, dat hij geen ambt heeft? En hoe zou de eisch der bezoldiging niet veeleer het bewijs leveren voor een positie, waarin men door formeele aanstelling gezet is, dan voor een geheel vrije „Lehrtatigkeit”?
1) Verfassung und Recht, bl. 45.

|110|

organiseerend talent als Paulus was, die steeds de ééne Kerk van Christus op het oog had en immer haar beschouwde in haar organischen band aan haar Hoofd, voor de hand ligt; dat bovendien die uniformiteit duidelijk ligt uitgesproken in 1 Cor. 4: 17 (er wordt hier gesproken van Paulus’ wegen, die in Christus zijn) καθῶς πανταχοῦ ἐν πάσῃ ἐκκλησίᾳ διδάσκω, en in 7: 17: καὶ οὕτως ἐν ταῖς ἐκκλησίαις πάσαις διατάσσομαι. Bij zulk een oog en hart voor de einheitliche organisatie in al de Kerken , sluiten zich dan uitnemend aan, in Paulus’ levensavond, als de apostolische aera dalen gaat, de ambtelijke voorschriften aan geestelijke zonen als Timotheus en Titus in de Pastoraalbrieven 1).

Evenmin was er wezenlijk verschil tusschen de organisatie van de joodsch- en de heiden-christelijke gemeenten. Ook hier ziet Harnack met vele anderen, leeuwen op den weg: „A priori ist zu erwarten, dasz die Kompliziertheit der verfassungsbegründeten Elemente, die schon auf judenchristlichem Gebiet von Anfang an grosz war, hier noch gesteigert erscheinen wird.” 2) Geen wonder, wanneer men Christus’ Kerk uit eigen heiligen bodem losrukt, en bij haar intrede in de heidenwereld allerlei ,,neue Bedingungen” haar leven laat beheerschen: familie-organisaties, vrije vereenigingen, mysterie- en cultus-genootschappen, school-, stads-, provincie- en rijksbestuur! Geen wonder, wanneer men de gemeente van Christus in het pantheïstisch naturalistisch ontwikkelingsproces wil invoegen: „denn es ist eine unverbrüchliche Regel der Verfassungsgeschichte jeder neu aufstrebenden und sich universal entwickelnden öffentlichen Gemeinschaft, dasz sie nicht nur nicht indifferent bleiben kann gegenüber den Gemeinschaften, die sie vorfindet, sondern dasz sie auch, latent oder offen, bewuszt oder unbewuszt, mit ihnen rivalisierend, ihnen ein Element nach dem andern nachbildet und damit zugleich zu entziehen sucht” 3).


1) Met nadruk constateert, na zijn onderzoek o.a. W. Beyschlag dit, Die Christliche Gemeindeverfassung im Zeitalter des N. Testaments, in de Verhandel, van Teylers Genootschap, 1874 bl. 71: „Es hat auch in den Paulinischen Gemeinden ein geordnetes, förmliches Gemeindeamt gegeben.. und zwar ist dies geordnete Amt ein zweifaches gewesen: Vorsteher-amt. und Diakonat.”
2) Verfassung und Recht, bl. 31.
3) Verfassung und Recht, bl. 32.
Terecht constateert Sohm, Wesen und Ursprung des Katholizismus, ➝

|111|

Evenwel, voor de joodsch-christelijke kerken mag een belemmering voor haar organisatie tot op zekere hoogte geweest zijn de band aan den Tempel (waartegenover onder de heiden-christenen weer stond een gevaar voor libertinisme, voor den band aan de oude heidenwereld!) — van een wezenlijk verschil valt niets te constateeren. Zelfs niet op het stuk van den Zondag. Het grondtype was hetzelfde, en Paulus’ levensdoel was, gelijk we zagen, in onverbrekelijke eenheid met de eerste Apostelen, de ééne Kerk van Christus te vergaderen 1).

 

Overal waar door het Woord de geloovigen werden vergaderd, geschiedde dit tot een locale Kerk, die als zoodanig ecclesia completa was. Tot zulk een Kerk richten zich de Apostelen als één geheel, als een empirische grootheid. Na al het besprokene, behoeft dit geen nadere aanwijzing. Ook in dit opzicht sluit zich het geestelijke aan het natuurlijke aan, en wordt bij de saamvergadering gerekend met de plaats der woning, die God voor ieder bescheiden heeft. De leiders van zulk een locale Kerk vormden weer een eenheid als bestuur, een Raad der Kerk, gelijk in 1 Tim. 4: 14 gesproken wordt van een πρεσβυτέριον.

Van hiërarchische zijde heeft men den Apostelen een ander beginsel willen opdringen. Teekenend is de voorstelling van K.


➝ bl. 8, dat Harnack, hoe vele malen ook van inzicht gewijzigd, en hoe veel hij ook van de Hatch-Harnacksche hypothese bij zijn leven vallen zag en loslaten moest, met hand en tand vast houdt aan zijn Hellenisirung des Christentums. In dat opzicht is Harnack van 1910 dezelfde als van 1883; van het Dogma dezelfde als van de Verfassung.
1) Grondig wordt dit uiteengezet door Th. Harnack, a.w. bl. 132 v.v., 200 v.v.
E. Loening, a.w. bl. 115 v.v. neemt voor de heid.-christ. Kerken zei ven een dubbele organisatie aan: 1e een democratische van episcopen in Corinthe, Rome, Griekenland en ook wel in Syrië en Voor-Azië en 2e vooral in Voor-Azië een aristocratische, van presbyters, ontleend aan de synagoge. Terecht wordt dit bestreden door A. Hilgenfeld a.w. 225: „Ist die Urgemeinde in Palästina auf keinen Fall bis 65 ganz verfassungslos gewesen, so lasst sich auch ein gewisser Anschluss der Gemeindeverfassung ausser Palästina an die urgemeindliche in Palästina von vornherein erwarten. (cf. Hand. 14: 23; 20: 28). Petrus, die naar Pontus, Azië en Bithynië schrijft, weet niets van een onderscheid tusschen een democratisch-episcopische en een aristocratisch-presbyteriale Verfassung.

|112|

Lübeck 1). Hij gaat uit van de gedachte, dat wereldlijke provincies in de oogen der Apostelen een kerkelijk geheel vormden. Zoo zou Petrus, schrijvende aan de vreemdelingen in de verstrooiing van Pontus etc, de geloovigen van elk dezer provincies hebben beschouwd als „ein in sich abgeschlossenes und zusammengehöriges Ganzes.”

Maar dan had Petrus wel aan elk dier provinciale Kerken afzonderlijk mogen schrijven!

Voorts, gelijk in elke gemeente een bisschop de leiding had [daarvan weten echter de apostelen nog niets af!], zoo kreeg in elke provincie een opper-bisschop de leiding. Op deze wijze gaven de apostelen de grondlijnen voor de metropolitan-Verfassung! Paulus zou daarom geschreven hebben aan de regeer-zetels van Italië (Rome), Azië (Efeze), Achaje (Corinthe) en Macedonië (Thessalonica), en daar-mede hebben erkend de kerkelijke eenheid van alle Kerken der wereldlijke provincies, de congruentie in burgerlijke en kerkelijke grenzen, met de hoofdsteden als middelpunten. Wel lag het niet in de bedoeling der apostelen aan die steden een hiërarchischen rang toe te kennen, maar het bovengenoemde leidt van zelf daartoe: „Sie kantten nicht das Gefühl, dass die Kirche eine eigene von der des Staates verschiedene Abgrenzung haben müsse” 2).

We stellen hier slechts tegenover, dat b.v. Paulus zich steeds richt tot plaatselijke Kerken (zelfs dan als hij met zijn schrijven de geloovigen van heel een landstreek bearbeiden wil, zooals die van Galatië). Wanneer hij spreekt van de Kerken van Achaje, Judea, Macedonië, is dit alleen, om op het wereldgebied de geloovigen van een bepaalden kring aan te duiden, maar niet om een kerkelijke eenheid te scheppen. Integendeel is het beginsel,


1) K. Lübeck, Reichseinteilung und kirchliche Hiërarchie des Orients bis zum Ausgange des 4en Jahrh., Munster i. W. 1901.
2) Lübeck, a.w. bl. 12 v.v.
Ook Harnack is aan deze gedachte niet vreemd. In Verfassung und Recht bl. 110 v.v. betoogt hij, dat Paulus, door telkens de Kerken van een provincie saam te voegen, de provinciale indeeling van het rijk invloed op de Kerk deed krijgen, zoodat zich een provinciaal Christendom en Kerkdom ontwikkelde: van οἶκος tot πόλις, van πόλις tot ἐπαρχία. Zoo zouden van den beginne af alle elementen, die in het vervolg een rol hebben gespeeld, er geweest zijn.

|113|

waarvan hij immer uitgaat, dat de eenheid der Kerk in den hemel, niet op de aarde ligt. Ook Johannes schrijft aan de ἐκκλησίαι van Klein-Azië. (Op. 1: 4).

Sterker wordt deze hypothese zeker niet weersproken dan door het feit, dat het N. Testament zelfs huisgemeenten kent. Driemaal worden ze met name genoemd: die van Aquila en Priscilla te Efeze en Rome, 1 Cor. 16: 19; Rom. 16: 5; die van Nymphas te Laodicea, Col. 4: 15 en die van Filemon te Colosse, Filem. 2. Maar waarschijnlijk waren ze reeds aanstonds te Jeruzalem, Hd. 2: 46; 12: 12 (in het huis van Maria).

Vooral Kist heeft voor zijn beschouwing, in de organisatie van die huisgemeenten zijn uitgangspunt genomen 1). Zijn hypothese is, dat de apostelen overal independentische conventikels stichtten, en dat de zucht, om die tot één gemeente te vereenigen, de voornaamste oorzaak zou zijn geweest, waardoor één persoon met bisschoppelijk gezag is bekleed. De scheuring in Corinthe zou niets anders zijn geweest dan de uiting van verschil tusschen onderscheidene huiskerken, door onderscheidene missionairen gesticht 2). Evenwel, Paulus richt zich tot heel de gemeente, en zou die zeker niet hebben kunnen bereiken, indien zij eigenlijk heel niet bestond, maar er slechts elkander bestrijdende christengroepen waren. In elk geval wordt veel te veel afgeleid uit de omstandigheid, dat Paulus een enkele maal zulke huisgemeenten noemt. Ze zijn echter nooit het adres, waaraan hij zijn apostolisch schrijven richt.

Inderdaad is er iets wat moeielijk valt op te lossen. Met Calvijn alleen te denken aan de familie van dien persoon is niet mogelijk, daar ἐκκλησία κατ᾽ οἶκον aanduidt, dat de Kerk daar


1) Archief voor Kerkelijke Geschiedenis inzonderheid van Nederland door N.C. Kist en H.J. Royaards, Leiden 1830 „over den oorsprong van het bisschoppelijk gezag in de Christelijke Kerk, in verband met de vorming en den toestand der eerste christen-gemeenten.”
2) Kist, a.w. bl. 7, 15, 17, 18, 44.
Juist tegenovergesteld is de hypothese van S. Davidson, a.w., bl. 96 v.v., die (contra de episcopalen en Engelsche presbyterianen) bestrijdt, dat de Kerk van Jeruzalem etc. ooit zou hebben bestaan uit verschillende Kerken. Overal was slechts één Kerk, op één plaats samenkomende. Huiskerken waren òf de Kerk van zulk een plaats of een samenkomst bij een vermogend lid, maar nooit een Kerk.

|114|

saamkwam 1). En wanneer Paulus zulk een gemeente laat groeten, dan heeft dit alleen zin, wanneer een bepaalde hem bekende kring, geregeld, als gemeente van Christus, terzelfder plaatse, zich verzamelt. En is het een gemeente, dan moet ze een zekere zelfstandigheid hebben gehad, een organisatie hebben bezeten, en die organisatie laat zich weer niet denken zonder ambtelijke leiding Doch hiertegenover staat, dat Paulus, b.v. de huiskerk van Aquila groetend, zich toch in den brief richt aan de locale Kerk van Rome 2).

Wij zouden er op willen wijzen, dat men niet in de H. Schrift een compleet stelsel van kerkrecht, en in den apostolischen tijd geen gansch ontwikkeld kerkverband moet zoeken. De huisgemeenten zullen op heel natuurlijke wijze zijn ontstaan, meest rondom één der eerstelingen (ἀπαρχαί), die in verband met zijn beslist en baanbrekend optreden allicht een aangewezen presbyter was, zoodat in dien kring de ambtelijke leiding niet ontbrak van één of meerderen. Denk aan een Stefanus in Corinthe. Zoo zijn er wellicht meerdere huiskerken in de groote steden geweest. waardoor de bloei en de ontwikkeling der gemeente niet weinig werd bevorderd. Maar overigens missen we de noodige gegevens, om ons een helder beeld van deze huiskerken te vormen 3).

Eindelijk nog dit Hoezeer de plaatselijke Kerk in zichzelve ecclesia completa was, stonden toch de Kerken met elkander in verband. Ook hier biedt de Schrift beginselen, waaruit het geregeld Kerkverband moet afgeleid. Allereerst lag de eenheid in den persoon en het werk des Apostels. Voorts in zijn brieven, die reeds toen een verdere strekking hadden dan het eerste adres


1) Zoo ook W. Beyschlag, a.w. bl. 60, meent, dat met huiskerken òf bedoeld zijn afdeelingen van de ééne Kerk (b.v. om gemis van localiteit), òf, en dat acht hij waarschijnlijker, een soort van huisgemeente in een familiekring.
2) Zie Heraut 1909, N°. 1643, waar Dr. H.H. Kuyper in een artikelenreeks „Stadskerken”, ook de huisgemeenten ter sprake brengt. Ook hij wil aan de huisgemeenten niet alle zelfstandigheid als Kerk ontzeggen: „dit gebruik van het woord Kerk is hier niet toevallig, en toont in elk geval dat deze groep geloovigen een zekere eenheid vormde in de gemeente van Rome”.
3) Zie O. Zöckler, Diakonen und Evangelisten, München 1893, bl. 4 v.v.

|115|

Dan in de reizende helpers, die de gemeenschap onderhielden, en door wier arbeid het bewustzijn verlevendigd werd, dat de Kerk van Christus de wereld veroveren moest. En eindelijk werd de κοινωνία onderhouden, tot met de Kerk van Jeruzalem toe, door de liefdegaven, door Paulus alom in de Kerken uit de heidenen ingezameld.

Sillevis Smitt, P.A.E. (1910) HVI

|116|

 

Hoofdstuk VI.

Charisma en Ambt.

 

Aangezien de vraag of de organisatie in den apostolischen tijd louter charismatisch of ook ambtelijk was, in geding is, moge een afzonderlijke beschouwing van dit punt hier een plaats vinden. Daarbij zal getracht worden zooveel mogelijk niet te herhalen wat reeds in ander verband, deze zaak betreffende, moest worden opgemerkt. Het raakt hier inderdaad een ernstig beginsel. Aan de ééne zijde toch moet worden erkend, dat het bijzonder ambt, hetwelk steeds in zekeren zin meerderheid onderstelt van den eenen mensch over den anderen 1), buiten de zonde niet zou hebben bestaan. Maar aan de andere zijde moet worden vastgehouden, dat het opkomen van het bijzondere ambt met noodzakelijkheid geschiedt, nu het Lichaam van Christus zich in een zondige wereld openbaart. Vandaar dat in den allereersten tijd, toen door bijzonderen invloed des Geestes de macht der zonde sterk werd gekeerd en er een krachtig bewogen gemeenteleven bloeide, het ambt in zijn zwakste vormen zich deed kennen, terwijl het werd overvleugeld door een overheerschend charisma. Toch is het er van den


1) Wannner we hier spreken van een meerderheid van den eenen mensch over den anderen, dan leggen we nadruk op: „in zekeren zin”, nl. niet is bedoeld „een meerderheid, die gelegen zou zijn in de meerderheid van zijn persoon, gaven of krachten, maar een meerderheid, die uitsluitend hangt aan zijn aanstelling, geheel afgezien van de vraag, of met die aanstelling ook de opzettelijke verleening van ambtsgaven gepaard ging.” Wie in het speciale ambt staat is geroepen „orgaan te zijn van de goddelijke overhoogheid”, doch slechts in den Naam des Meeren; zie Dr. A. Kuyper, Loc. de Christo III, Cap. V § 1, bl. 3; Tractaat van de Reformatie der Kerken § 20. Zulk een meerderheid doet niets te kort aan het karakter van het ambt als διακονία, en van de ambtsdragers als διάκονοι, aangezien ze nimmer in magistralen zin mag worden verstaan. Dat ze evenwel van het speciale ambt onafscheidelijk is, ligt reeds in de onderscheiding, die door het speciale ambt zelf wordt geboren. Paulus spreekt dan ook van τιμή 1 Tim. 5: 17.

|117|

beginne, zij het in nuce, in elke gemeente geweest. Tot het wezen der Kerk behoort het speciale ambt niet. In dat opzicht staat het charisma hooger, dat van het wezen der Kerk onafscheidelijk is. Nooit kan de Kerk bestaan zonder de gaven van Christus uit den hemel.

De begrippen charisma en ambt moeten eerst helder ons voor den geest staan.

Eerst dan iets over het charisma We moeten wel onderscheiden tusschen het charisma in algemeenen en in bijzonderen, technischen zin. Het woord 1) beteekent geschenk, gave, maar dan zulk eene, die uit vrije beweging wordt medegedeeld, genadegave. Zoo wordt het generaliter gebruikt voor al wat door God in Christus geschonken is. In tegenstelling met de schuld, Rom. 5: 16; als het eeuwige leven, Rom. 6: 23; tot opbouwing en vertroosting, Rom. 1: 11; enz. Wanneer we echter van χάρισμα spreken in onderscheiding van of ook wel in verband met het


1) Cremer, a.w. s.v. χάρισμα beweert ten onrechte, dat het woord in het profane Grieksch niet voorkomt. Op een enkele plaats bij Philo en 1 Petr 4 :10 na, zou het slechts behooren tot het Paulinisch spraakgebruik. De zaak zelf is van weinig gewicht. Waarom zou de taal van het N. Testament zich niet aansluiten aan het taaleigen van den tijd en den kring, waarbinnen het opkwam? Iets geheel anders is natuurlijk, of een woord in de Christelijke Kerk langzamerhand een eigen beteekenis ontvangt en daardoor een terminus technicus wordt, die iets geheel eigensoortigs, het christelijk levensterrein rakende, gaat uitdrukken (zie in ’t algemeen Dr. R.H. Woltjer, „Het Woord Gods en het woord der menschen,” Utrecht, 1910). Cremer echter hecht er bijzondere waarde aan, wanneer hij meent te kunnen bewijzen, dat een of ander woord alleen voorkomt in de schriften van het N. Testament. Wat nu χάρισμα betreft, wijst hij zelf reeds op Philo de alleg. lib. 3, I, 102, 31 s.q.q. Juister is wat Ph. Bachmann in Zahn’s Kommentar zum N.T. opmerkt i.l.: χαρίσματα heiszen sie mit einem weder dem Pl. (cf. 1 Petr. 4: 10) noch dem N.T. alleineigenen Ausdruck (cf. Philo de alleg. II, 75, B., wo das Geschaffene χάρισμα θεοῦ heiszt)”. Behalve in de Scholia Townleyana op Homerus, Ilias 17. 220, ed. Maass, Oxford 1888 (καὶ ἐκτρίβειν τὴν ἀρχήν φησι πρὸς τὸ τούτων χάρισμα etc.) en bij Photios en Suïdas i.v. ὀψώνιον (ὀψώνια˙ κέρδη, χαρίσματα) komt het woord o.a. voor in de „Aegyptische Urkunden aus den Königlichen Museen zu Berlin” (Griechische Urkunden), Bd. II, No. 551, Pap. 6012. Vergelijk nog het Edict van Maximinus bij Eusebius, Hist. Eccl. IX. 10, 11, waar het woord eveneens in juridischen zin voorkomt (donum, Rufinus). Ongeveer in denzelfden zin wordt in de Oracula Sibyllina V: 331 (ed. Geffcken, Leipzig 1902) bl. 120 προχάρισμα gebruikt. Eindelijk, Gregorius van Nazianze noemt den Doop een χάρισμα, wijl deze aan schuldigen wordt medegedeeld: „Gregorio Naz. Baptisma est charisma, dicenti ita vocari ὡς καὶ ὀφείλουσι δεδόμενον.”

|118|

Ambt aan de hand van het N. Testament, bedoelen we den technischen term, waaronder te verstaan zij het complex van bijzondere Geestesgaven, die uitsluitend in den apostolischen tijd, in verband met de stichting der N. Testamentische Kerk op onderscheidene wijze aan de geloovigen, in of buiten het ambt, werden medegedeeld, de φανερώσεις τοῦ Πνεῦματος van 1 Cor. 12: 7 1).

Wat al zoo onder dit charisma valt is in een vorig hoofdstuk gebleken. Vooral de gemeente van Corinthe was een vruchtbaar arbeidsveld des Geestes. 2) Wij achten het een vergeefsche poging, om naar een indeeling te zoeken, die in alle opzichten voldoet, daar het ons voorkomt, dat de Apostel allerminst aan een classificatie heeft gedacht. Veeleer maken de charismata in hun bonte mengeling in de gemeente den machtigsten indruk. Zij zijn als de bergstroom, die neerstort en niet wil worden afgemeten naar den maatstaf van een afgegraven kanaal 3). Tot recht


1) In dien beperkten zin heeft men χάρισμα zoo duidelijk mogelijk trachten te definieeren. Treffend Dr. E. Kühl, Die Gemeindeordnung in den Pastoralbriefen, Berlin. 1885, bl. 43 „eine individuelle Tüchtigkeit, durch Geisteskraft angewandt im Dienst der Gemeinde.” De H. Geest toch eerbiedigt ook bij de werkingen, waarbij zijn energie zoozeer op den voorgrond treedt, zoowel het werk des Vaders in de schepping (in personen en omgeving) als het werk des Zoons ten dienste zijner gemeente.
A. Neander, Die Geschichte der Pflanzung und Leitung der Kirche, 1862, bl. 129: „die Jedem eigentümliche φανέρωσις τοῦ Πνεύματος”.
2) Zoo wordt er te scherpe onderscheiding gemaakt in Meyer’s Komm. op 1 Cor. XII: de gaven des verstands, des geloofs en der glossolalie. Schooner is die van Neander, a.w. bl. 179 I. charisma’s met betrekking tot het Woord: a. de productieve: didascalie, profetie, glossolalie; b. de critische: onderscheiding van den λόγος γνώσεως en σοφίας, de onderscheiding der geesten (profetie en de uitlegging der talen). II. charisma’s met betrekking tot andere verrichtingen: a. χαρ. κυβερνήσεως, ἀντιλήψεως en πίστεως (van wonderen en genezingen).
3) Ter voorkoming van misverstand leggen we er nadruk op. dat wij hier, in verband met ons onderwerp, het charisma in het oog vatten, zooals het ons historisch is geteekend in het N. Testament en in zijn extra-ordinair karakter zich in den apostolischen tijd openbaarde. Waarmede echter niet wordt voorbijgezien, dat er ook blijvende charismata zijn, die dit exceptioneele karakter missen. Zoo zou men ook thans kunnen spreken van een charisma, dat iemand heeft voor een ambt, waartoe hij wordt geroepen; zoo kunnen ook buiten het ambt aan de geloovigen charismata zijn geschonken. Doch wij verstaan het in dit verband sensu praegnante van het veelvormig charisma, gelijk dit grondleggend was voor heel de Kerk.

|119|

verstand moet wel worden in het oog gehouden, dat de christenen, die toen leefden een anderen blik op deze dingen hadden dan wij. Voor hen bestond niet het verschil tusschen charisma in algemeenen en bijzonderen zin, omdat alles exceptioneel en bijzonder was, en evenmin tusschen wat voorbijgaand en blijvend was. Het zou hun nog moeilijker gevallen zijn zich een tijd in te denken, waarin die rijke Geestesbedeeling zou zijn opgehouden, dan het voor ons valt, om in die dagen der volheid des Geestes ons te verplaatsen. Dat laatste vermag althans nog eenigermate wie aan het geloof niet vreemd is en daardoor geestelijke affiniteit aan deze dingen heeft, maar niet de geestelijk arme, die met de Openbaring heeft afgerekend en toch dikwijls het hoogste oordeel heeft over wat hem het minst verwant is.

Anders staat het met het ambt. De Kerk is niet alleen charismatisch, maar ook institutair georganiseerd, en het instituut staat en valt met het ambt. Het eigenaardig princiep, dat in de ambtelijke bediening ligt, is, dat God door een wonderbaar bestel zijn Kerk wil regeeren door den dienst van menschen 1) Daarom kan het alleen rusten op een instelling Gods door Christus (ἔθετο 1 Cor. 12: 28, ἔδωκε Ef. 4: 11) en hangt alle ambtelijke bediening aan een vocatio van Godswege, die echter, in zoover het opkomt


1) Calvijn, Institutio IV, 3, 2, sprekende over Ef. 4: 11: „His verbis illud ostendit, hominum ministerium, quo Deus in gubernanda Ecclesia utitur, praecipuum esse nervum quo fideles in uno corpore cohaereant: tum vero etiam indicat, non aliter incolumem servarï Ecclesiam posse, quam si his praesidiis fulciatur, in quibus salutem ejus reponere Domino placuit . . . . Ecclesiae ergo dissipationem, vel ruinam potius et exitium molitur, quisquis ordinem hunc, de quo disputamus, et hoc genus regiminis vel abolere studet, vel quasi minus necessarium elevat. Neque enim vel Solis lumen ac calor, vel cibus ac potus tam sunt praesenti vitae fovendae ac sustinendae necessaria, quam est conservandae in terris Ecclesiae Apostolicum ac Pastorale munus.”
Voetius, Polit. Eccles. Pars II, Lib. II, tract. 1, cap. 1, bl. 216, noemt negen punten, om de necessitas ministerii te bewijzen: ex institutione et mandatu Dei; ex necessario opere eorum et fructibus in ecclesiarum redundantibus; ex damnosis seu noxiis consequentibus quae sequuntur carentiam ministerii; ex omnium salutem suam quaerentium necessaria obedientia et subjectione ad ministerium; a necessitate ministerii in Veteri Testamento divinitus instituti; a necessitate ecclesiae instituae, colligendae et conservandae et administrationis sacramentorum et usus clavium regni coelorum; ex titulis qui ministris in Ecclesia tribuantur; ex praxi ecclesiae apostolicae; ex consensu ecclesiae.

|120|

in verband met het ambt der geloovigen, met een vocatio der gemeente correspondeert. In dit opzicht maken de apostelen een uitzondering, die er waren vóór de N. Testamentische Kerk er was en dienovereenkomstig onmiddellijk door Christus geroepen zijn. Voorts volgt uit die regeering door den dienst van menschen, dat het ambt vanzelf meebrengt onderscheidingen en deelingen in de functiën, die in het organisme van Christus’ Kerk voorkomen. Evenwel komt het tot die onderscheiden functioneeringen niet maar door een inhaerenten drang , die in elk organisme, dus ook in de Kerk inligt, want in de Kerk hebben we te doen met een organisme, dat niet zich ontplooit langs natuurlijken weg, maar dat geregeerd wordt door het Hoofd in den hemel, die in zijn Woord de ambtelijke regelen voor zijn Kerk heeft neergelegd. Om het ambt te kennen, moeten we naar Christus, se. naar zijn Woord. Hij is het Princiep van zijn Kerk in al haar levensopenbaringen En aangezien nu de apostelen de schakel zijn tusschen Christus en zijn Kerk, lag het vanzelf op hun weg, de ambten in de Kerk in te stellen, opdat bij hun verscheiden, de organische werking van Christus in zijn Kerk zou verzekerd zijn. En voorts moest in den weg door hen gebaand, en langs de lijnen door hen getrokken, en naar het Woord door hen achtergelaten, de organisatie zich verder ontwikkelen onder de beloofde leiding des Geestes 1).


1) Over den oorsprong der ambten in de Kerk wordt gehandeld door Clemens in den brief van de Kerk van Rome aan die van Corinthe. Daaruit blijkt welke gedachte men zich vormde ± het jaar 90 in de Kerk van Rome omtrent de instelling van het ambt, nl. dat het van God op Christus kwam, van Christus op de apostelen en van de apostelen op de episcopen en diakenen.
R. Knopf in zijn veelszins uitnemend werk ,.Das nachapostolische Zeitalter, Tübingen 1905, bl. t64 noemt dit getuigenis onhistorisch en een dogmatische theorie, doch geeft daarvan geen nader bewijs. Clem. zegt 42 en 44: οἱ ἀποστόλοι ἡμῖν εὐηγγελίσθησαν ἀπὸ τοῦ Κυρίου Ἰησοῦ Χριστοῦ, Ἰησοῦς ὁ Χριστὸς ἀπὸ τοῦ θεοῦ ἐξεπέμφθη˙ ὁ Χριστὸς οὖν άπὸ τοῦ θεοῦ καὶ οἱ ἀπόστολοι ἀπὸ τοῦ Χριστοῦ . . . . κατὰ χώρας οὖν καὶ πόλεις κηρύσσοντες καθίστανον τὰς ἀπαρχὰς αὐτῶν, δοκιμάσαντες τῷ πνεύματι, εἰς ἐπισκόπους καὶ διακόνους τῶν μελλόντων πιστεύσειν . . . . πρόγνωσιν εἰληφότες τέλειαν κατέστησαν τοὺς προειρημένους καὶ μέταξυ ἐπινόμην δεδώκασιν, ὅπως, ἐὰν κοιμηθῶσιν, διαδέξωνται ἕτεροι δεδοκιμασμένοι ἄνδρες τὴν λειτουργίαν αὐτῶν.”
K. Lübeck, a.w. bl. 8: de apostelen stelden overal presbyters of episcopen aan en droegen ook de aanstelling op aan Timotheus en Titus. Tot verdere organisatie hebben ze geen opdracht gegeven; de Kerken waren nog te klein, de verhoudingen te eenvoudig . . . „ja, es ist überhaupt fraglich, ob ➝

|121|

Er is reeds op gewezen, dat het ontkennen van ambtelijke organisatie in den apostolischen tijd saamhangt met een verkeerde, hiërarchische beschouwing van het ambt als heerschappij 1). Het treedt nimmer magistraal op, maar ministerieel (1 Petr. 5: 3). ’t Is dienst. Het heet daarom — dit is de algemeene naam — διακονία of λειτουργία. En dit kan niet anders, omdat het nooit anders verschijnen kan dan op de basis van de autonomie der gemeente en in verband met het algemeen priesterschap der geloovigen. Ook Voetius kende aan het volk toe de potestas èn dogma-tica èn regiminis èn jurisdictionis, — mits niet ἡγουμένη aut directiva 2). Dit laatste echter is, met name door de Lutherschen, wel uit het oog verloren, en dat door een wanbeschouwing van het algemeen priesterschap der geloovigen 3). Het is bekend, dat geen duidelijk beeld zich vormen laat van hetgeen Luther eigenlijk aangaande dit stuk heeft geleerd. Luther is hier makkelijk tegen Luther uit te spelen. Dit hangt saam, eenerzijds


➝ sie jemals einen Plan allgemeiner, mehr zusammenfassender und zielbewusst angelegter Organisation auch nur in Erwägung gezogen haben. Sie überliessen diese fernere Gliederung der Selbstentfaltung der Kirche”. Tot zoover kunnen wij Lübeck bijvallen. Over zijn verdere theoriën, zie het vorige hoofdstuk.
1) Zie Dr. A. Kuyper, Encycl.2 III, bl. 545: Bij ambt denkt men gedurig aan ἄρχη, munus, maar die tegenstelling, als tusschen Overheid en Volk, bestaat en wel tusschen Christus als Koning en zijn volk, maar niet tusschen Christus’ dienaren en zijn volk, die ook dienaren der gemeente zijn.
2) Idem, bl. 481.
3) Zie S.W. Louw, Het ontstaan van het Priesterschap in de Christelijke Kerk, acad proefschr., Utrecht 1892, bl. 15, 16.
Wilh. Preger, Die Geschichte der Lehre vom geistlichen Amte auf Grund der Geschichte der Rechtfertigungslehre, bl. 44. „So ist es in Wahrheit die Gemeinde J. Chri., und jeder Gläubige somit, der da lehtet, taufet, weissagt, regieret, wenn ein besonders Begabter für sie und für ihn solches Zeugniss thut und ordnet, und kann ein Jeder sagen, dasz er den Befehl Chri. zu lehren, taufen, Sünden zu vergeben, ausrichte, wenn er in der Gemeinde J. Chri solche mit bestellen hilft und gelten lassen will, die besonders dazu berufen und begabt sind, dasz sie es auch an seiner Statt mit thun. In das Amt J. Chri., zu predigen, zu taufen, das Brot zu brechen, ist jeder Gläubige eingesetzt, und nicht ein besonderer Stand. Denn der Glaube versetzt in Gemeinschaft mit Chri. Amt.
We vermoeden hier den invloed van Spener (cf. bl. 216). De fout is, dat de geloovigen, wat in hun ambt der geloovigen wortelsgewijze inligt, zouden kunnen overdragen. Deze fout leidt tot loochening van de instelling van het bijzonder ambt door Christus.

|122|

met zijn onbelijndheid, anderzijds met zijn vergeestelijking van het ambt (door onhelderheid in de onderscheiding van onzichtbare en zichtbare Kerk). Zoo doet aan den éénen kant het ambt slechts wat ieder geloovige kan doen, en aan den anderen kant weer kan het ambt er zijn zonder dat er geloovigen zijn.

 

Het onderscheid tusschen charisma en ambt moge thans duidelijk zijn 1). Het gaat niet aan, het charisma te willen vervormen tot een ambt 2), of het ambt te willen vereenzelvigen met het charisma. Wat het laatste betreft, zou daaruit volgen, die iemand, die b.v. het χάρισμα κυβερνήσεως had, door geen enkelen vasten band aan de gemeente was verbonden, zoodat de gemeente wel heden een regeering had, maar morgen misschien niet. Zoo iemand zou een zedelijk gezag kunnen bezitten, van een rechtelijk kon geen sprake zijn.

Evenwel, dit onderstelt volstrekt geen strijdigheid tusschen beide. Daarom moet evenzeer worden gelet op het onderling verband.

Dit verband ligt in drieërlei:

1e. Charisma en ambt loopen naast elkander, als twee ἐνεργήματα, waardoor de Christus inwerkt in zijn gemeente, en daarom moet aan elk een eigen plaats worden ingeruimd Beide, ieder op eigen terrein, dienen ze tot de οίκοδομή van de ἐκκλησία τοῦ θεοῦ. Daarin ligt wat hen tot één doel naast elkander doet gaan;


1) K. Lechler, Die Neutestamentliche Lehre v. heiligen Amte, 1852, bl. 113, vindt een aanduiding van dit verschil in 1 Cor. 12: 4-6, en meent dat opzettelijk de verscheidenheid der gaven wordt toegeschreven aan denzelfden Geest, doch die der bedieningen aan denzelfden Heer, terwijl beide saam als werkingen worden toegeschreven aan den éénen God. (Ook Beza en Grotius denken bij διακονία alleen aan ambten). Dat hier op onderscheiding wordt gewezen, meenen we met hem, indien dit maar niet zoo strak wordt doorgetrokken, dat διακονία steeds een ambt en nimmer een charisma zou kunnen aanduiden.
2) Deze fout komt zeker niet zooveel voor als de andere. Toch maakt P.A. Leder, Die Diakonen der Bischöfe und Presbyter und ihre urchristlichen Vorläufer, Stuttgart 1905, bl. 123 v.v. er zich aan schuldig: „Die älteste Kirche habe eine Aemterrechtsordnung in den charismatischen Diensten besessen”, om dan daaruit te concludeeren: „Mit der Annahme dieses Begriffs des Charisma’s ist der Bestand eines urchristlichen Klerikats und die Negation des allgemeinen Priestertums zugegeben.” Alleen — een charisma heeft eo ipso niets speciaal ambtelijks!

|123|

2e. beide konden in denzelfden persoon vereenigd zijn. Ja, lag het niet voor de hand, dat men tot het ambt bijzonder omzag onder hen, die met charisma’s rijk waren bedeeld? De ambtelijke bediening in de gemeente rust dan ook op het charisma voor die ambtelijke bediening. Het gezag zeer zeker, dat het ambt met zich brengt ligt in de vocatie, niet in het charisma, maar de bekwaamheid ligt in het charisma;
3e er is een wederkeerige verhouding tusschen beide. Het ambt dient de gave, en de gave stelt zich onder de leiding van het ambt. Of, wanneer Paulus voorschrijft, dat een profeet die spreekt, moet zwijgen, wanneer aan een ander iets is geopenbaard (1 Cor. 14: 30), hoe zal zulk een apostolische ordonnantie effect sorteeren, indien er geen leidend element in de vergadering is, en wat beteekent die leiding, als ze niet met gezag is bekleed, en hoe kan er van gezag sprake zijn zonder ambtelijke opdracht, en hoe kan er opdracht wezen zonder roeping?

Die onderlinge betrekking is duidelijk, wanneer we naast elkaar leggen 1 Petr. 4: 10 en 5: 2, 3. Een iegelijk, wie ook in de gemeente, moet zijn ontvangen charisma bedienen en als uitdeeler van de menigerlei genade Gods optreden. Maar den ouderlingen is aanbevolen opzicht over de kudde hebben, niet als heerschappij voerende, maar een voorbeeld geworden zijnde 1).

 

Er was in de apostolische Kerk plaats voor allerlei onderscheidingen. Op een drietal vestigen we de aandacht, met het oog op de personen, die op den voorgrond traden.
1e. a. Ambtsdragers en charismatici voor heel de Kerk.
 b. Ambtsdragers en charismatici voor de locale Kerk.
2e. a. extra-ordinaire en tijdelijke diensten, munera extra-ordinaria,


1) Voor Knopf, a.w. bl. 149, staat het vast, dat de locale Kerk, autonoom als ze was, niet door aangestelde ambtsdragers werd geregeerd. Toch stemt hij toe, dat er naast de charismatici (apostelen, profeten, leeraars), die buiten alle organisatie stonden, mannen waren, als de προϊστάμενοι van 1 Thess. 5: 12, in wie de kiemen van het ambt lagen; die immers behalve de zielszorg, zich moesten belasten met de zorg voor localiteit, aankoop en bewaren van boeken, verzameling van gelden, leiding der samenkomsten, regelingen voor het Avondmaal enz. Doch, waarom niet in hen meer dan de kiemen voor het ambt, nl. het ambt zelf erkend, al trad dit dan ook nog niet zoo op den voorgrond?

|124|

temporaria ministeria, zooals Calvijn ze noemt (apostelen, profeten, leeraars).
 b. blijvende diensten (herders en leeraars, ouderlingen of bisschoppen en diakenen).
3e. a. diensten die alleen charismatisch konden zijn naar hun aard, b.v. glossolalie.
 b. diensten, die tot ambten gefixeerd werden b.v. ἀντιλήψεις, κυβερνήσεις.
 c. diensten, die charismatisch konden uitgeoefend worden zonder ambt, maar ook met het ambt konden verbonden zijn, b.v. de διδασκαλία.

Voor al die personen nu worden in den heiligen kring der gemeente en in haar heilige Schriften namen geboren. En die nomenclatuur doorloopt een ontwikkelingsgang. In den eersten tijd heeft de terminologie nog geen afsluiting en voor een groot deel worden voor verschillende diensten nog allerlei namen gebezigd, die nog niet als termini technici dienst doen 1). In die naamsontwikkeling spiegelt zich als in een schoon beeld af de ontplooiing van het leven der gemeente en de overgangen uit den extra-ordinairen tot den ordinairen tijd. Het ligt in den aard der zaak, dat daarbij de namen beginnen met nog letterlijk uit te drukken, wat van de personen moet worden gezegd:
1e. in de verhouding, waarin zij staan tot de apostelen, b.v. συνεργός, σύνδουλος, συστρατιώτης, ὑπηρέτης etc.
2e. in de verhouding, waarin ze staan tot hun medegeloovigen, b.v. ἀπαρχαί, πρεσβύτεροι, ἐπίσκοποι, προϊστάμενοι, ἡγούμενοι etc.
3e. de functie aangevende, die zij te vervullen hebben, b.v. ἐπίσκοποι, διδάσκαλοι, ἀντιλήψεις, κυβερνήσεις etc. Opvallend is, dat deze namen steeds voorkomen in het meervoud.


1) J.J.I. v. Döllinger, Christentum und Kirche in der Zeit der Grundlegung bl. 315: „Im N.T. gibt es überhaupt keinen einzigen feststehenden Amtsnamen. Die Apostel nennen sich selbst Presbyter, wie Petrus und Johannes (1 P. 5: 1 ; 2 Joh.: 1); Paulus nennt sie Diakonen, dieselben Personen heiszen bald Presbyter, bald Episkopen (1 Cor. 3: 5). Und Paulus nennt Andronicus und Junius „ausgezeichnete Apostel” (Rom. 16: 7), Epaphroditus „Apostel” der Filippenser (Fil. 2: 25 cf. 2 Cor. 8: 23).” — Dit is te veel gezegd. In het N. Testament vindt de nomenclatuur wel een afsluiting, bepaaldelijk in de Pastoraalbrieven.

|125|

In het N. Testament wordt dikwijls voor dezelfde functie nu eens deze dan gene naam gebruikt, zoodat men uit een bepaalde plaats niet aanstonds een conclusie moet trekken, maar die met andere plaatsen heeft te vergelijken 1). Welke naam straks de technische zal worden, staat vooruit niet vast. Maar dit is zeker, indien aanstonds voor dezelfde functie slechts één naam gebruikt was, dan zou dit niet de krachtige beweging in het leven der gemeente ons doen gevoelen, maar voor ons als een doode opteekening zijn. Alleen de naam „Apostelen”, als die van het ambt, dat niet uit de gemeente opkwam, maar vóór haar optreden in het leven geroepen is, maakt hierop een natuurlijke uitzondering. De stichters der N. Testamentische Kerk hebben van den beginne af aan met dezen terminus technicus alzoo geheeten en behouden dien naam tot het laatste toe. Wanneer zij zichzelven b.v. ook presbyters noemen, dan is dit heel iets anders dan dat de presbyter ook ἡγούμενος of episcoop heet, aangezien n.l. alle ambten, ook dat van presbyter, in het Apostolaat besloten lagen. De apostelen zouden zich evengoed mede-diakenen hebben kunnen heeten.

Van heel veel belang is de onderscheiding van de functiën voor heel de Kerk en voor de plaatselijke Kerk.

Een functie voor keel de Kerk hebben:
ambtelijk: de Apostelen.
charismatisch: de Profeten.
 de Evangelisten,
 de Leeraars.

Een functie voor de plaatselijke Kerk hebben:
ambtelijk: de προϊστάμενοι, die promiscue met allerlei namen worden genoemd: προεστῶτες, ἡγούμενοι, πρεσβύτεροι, ἐπίσκοποι, ποίμενες καὶ διδάσκαλοι (de διδάσκαλος werd tot een plaatselijk ambt aan den ποίμην verbonden, bij het verdwijnen van het charisma; doch hierover, gelijk over de scheiding in het presbyter-ambt, later) en de διάκονοι (in engeren zin).
Charismatisch: didascalie, glossolalie, uitlegging der talen, profetie enz.


1) Zie H. Bruders S.J., a.w. bl. 63 v.v.

|126|

Het plaatselijk ambt is ongetwijfeld op zeer geregelde wijze opgekomen. Voor den overgang van den meer voorloopigen vorm tot den lateren meer vasteren, is de positie der ἀπαρχαί niet gering te schatten. Ze worden genoemd in Rom. 16: 5, Epaenetus, de eersteling van Azië en 1 Cor. 16: 15 Stefanus, de eersteling van Achaje. Het is ook zeer wel te begrijpen, dat zij een plaats van bijzondere eere bleven innemen, ook dan als de gemeente uitbreiding had gekregen Zij hadden het eerst voor het Woord des Evangelies gebogen, den smaad getrotseerd, de gevaren licht geacht, oude banden gebroken. Waar zij, door Gods genade overreed, zich aan de zijde des Apostels schaarden, en openlijk voor het Woord der waarheid blijmoedig getuigden, gaven zij den stoot tot de openbaring van Gods Kerk in een stad of land. Van het eerste oogenblik af aan waren zij de aangewezen helpers voor de apostelen, en, verblijd over de genade hun geschied, was hun geen offer te groot om de zaak van Christus’ Koninkrijk te bevorderen. Hun bekeering en geloof, nog zonder communalen steun in eigen kring, teekende reeds krachtige overtuiging, neren moed en helder inzicht in de waarheid Gods Hun positie als eersteling drong hen wel tot ernstig onderzoek, om tegenover anderen gewapend te staan. Kwam hier nog bij, zooals dat wel schijnt te zijn geweest bij Stefanus, bij Aquila en Priscilla, dat ze menschen van vermogen en invloed waren, dat ze ook hun tijd beschikbaar konden stellen, dan waren ze bovendien de geschikte instrumenten, om van hun goederen den Heere te dienen. Zij stelden hun huis open, want aan een vaste vergaderplaats, bij de breuke allerwege met de synagoge, viel niet te denken. Zij zorgden voor alles wat bij den eeredienst noodig was. Zij brachten de christelijke herbergzaamheid in practijk, vooral tegenover apostolische missionairen, die de gemeenten bezochten Zij genoten als vanzelf, in den kring der geloovigen, eerbied, vertrouwen, liefde, onderdanigheid. Wat sprak nu meer van zelf, dan dat zij de eerstgeroepenen waren, om de leiding op zich te nemen, of wel als προϊστάμενοι zich te laten aanwijzen? Op hen was vooral 1 Thess. 5: 12 van toepassing. Het charisma voor het ambt lag hier bij de aanwijzing tot het ambt wel voor de hand. Ze waren geboren presbyters, episcopen. Of er dan geen verkiezing of

|127|

roeping tot het ambt plaats had? Uit de verkiezing der VII, Hd. 6, uit de verkiezing der presbyters, Hd. 14: 23, uit de verkiezing van gevolmachtigden door de gemeenten om met den Apostel te reizen, 2 Cor. 8: 19, uit de verkiezing van Timotheus met oplegging der handen des ouderlingschaps, blijkt duidelijk, dat werkelijk verkiezen en aanwijzen tot een omschreven taak volstrekt niet iets vreemds was in de Kerken. Daaruit mag worden afgeleid, dat het steeds zoo toeging, wanneer de gemeente had te zorgen voor een zaak, die zoozeer haar eigen leven betrof, als het stellen van presbyters. En uit de brieven aan Timotheus en Titus, waar de Apostel beveelt aan zijn delegaten om ouderlingen aan te stellen, mag volstrekt niet afgeleid, dat de gemeente bij de verkiezing geen deel had. Maar toch zouden we op twee zaken den nadruk willen leggen. En daardoor was er zeker wel eenig verschil met lateren tijd. Ten eerste zullen de apostelen zelf wel dikwijls personen hebben voorgedragen, die zij geschikt achtten, en zoo een geheel eenigen invloed hebben uitgeoefend in de nog zoo jeugdige en onbedreven Kerken. En in de tweede plaats speelde de bereidheid en vrijwilligheid toen zeker een groote rol, zooals bij Stefanus 1 Cor. 16: 15. Gelijk meestal in tijden van groote spanning en gevaar, de personen, die als suo jure aangewezenen zijn en door geloofsmoed uitblinken, vanzelf aller aandacht trekken en in aanmerking komen, om vooraan te staan. Toch behoeft hieruit nog niet te volgen, dat een verkiezing als wezenlijke handeling, hetzij door de apostelen, hetzij door de gemeente, hetzij door apostelen en gemeente, achterwege bleef 1) Wat de


1) Zie o.a. A. Neander, Geschichte der Pflanzung und Leitung der Kirche, 1862, bl. 206.
In zooverre willen wij met Knopf, a.w. bl. 149 v.v. wel spreken van een vrij college van προϊστάμενοι, maar zonder toe te geven, dat de gemeente daarom niet door aangestelde ambtsdragers werd geregeerd.
Wat Chr. Baur, Das Christentum und die Christliche Kirche der drei ersten Jahrhund. bl. 261 zegt, kan cum grano salis toegestemd: „Es ist nichts natürlicher, als die Annahme, dass die Apostel, wenn sie eine christliche Gemeinde stiftten, auch die ersten Einrichtungen zu ihrer Organisation trafen; nur kann man sich, auch wenn man weit entfernt ist, zu meinen, es müsse die ganze Verfassung der Kirche eine apostolische Institution sein, nicht genug hüten, dasz man nicht mehr voraussetzt als der Natur der Sache nach vorausgesetzt werden kann.”

|128|

ἀπαρχαἰ betreft, mag echter op goeden grond ondersteld, dat ze door hun aanzien onder de geloovigen bij de in-het-ambt-stelling niet weinig werden gesteund door de wetenschap, dat de geheele gemeente hun dienst begeerde. Of de aanwijzing steeds geschiedde door de handeling van het χειροτονεῖν moet in het midden worden gelaten. In elk geval is van het hoogste gewicht het getuigenis van Clemens, dat de Apostelen in de gemeenten de ἀπαρχαί hebben aangesteld, Clem. 42 : 4 κατὰ χώρας οὖν καὶ πόλεις κηρύσσοντες καθίστανον τὰς ἀπαρχὰς αὐτῶν, δοκιμάσαντες τῷ πνεύματι, εἰς ἐπισκόπους καὶ διακόνους τῶν μελλόντων πιστεύειν. In de Pastoraalbrieven wordt de vocatie als regel gesteld: 1 Tim. 5: 9; Tit. 1: 5. Zoo ook Did. 15.

 

Natuurlijk zal de positie van het locale ambt tegenover het charisma niet steeds even gemakkelijk zijn geweest. De ervaring heeft steeds geleerd, dat het pneumatisch-charismatisch element meer bekoring heeft voor het volk dan het rechtelijk-ambtelijke. En waar nu het ambt het aangewezen instrument was, om de uitoefening van het charisma te leiden en zoo noodig te beteugelen (zooals in Corinthe), daar was botsing mogelijk, en liep het ambt gevaar, in de oogen der gemeente de zwakste partij te zijn. Het overmatig op eigen positie bedacht willen zijn kon dan wederom aan de zijde van het ambt oorzaak wezen, dat de vrije werking des Geestes werd onderdrukt. Eenzijdigheid was mogelijk ter eenre zoowel als ter andere zijde. In Corinthe moest het te welig opschietend charisma worden besnoeid en dit moest het ambt sterken. In Thessalonica schijnt het anders te zijn geweest, en vond de apostel noodig te vermanen: „Veracht de profetiën niet” (1 Thess. 5: 20). Daar moest het charisma worden opgebeurd. Diotrefes (3 Joh. 9) moest door Johannes streng bestraft, omdat hij tegenover de apostolische missie zich vijandig stelde in zijn ambtelijke positie, willende de eerste zijn; het begin van hiërarchische hoogheid.

Dat in den eersten tijd het plaatselijk ambt nog niet zoozeer op den voorgrond trad, heeft allerlei voor de hand liggende oorzaken, waarvan wel de voornaamste zijn: De persoonlijke leiding van de apostelen en hun missionairen, die bij het volk in hooge eere stonden. De apostolische brieven, die door allen moesten

|129|

worden gelezen, en steeds in alle voorkomend geschil de afdoende beslissing gaven. Het krachtig charismatisch leven, waardoor de geloovigen zelf in de samenkomsten een groot deel van den dienst in handen hadden. De nog onvoltooide scheiding der ambten; het locaal ambt is nog bezig zich te cristalliseeren, en ook de namen zijn nog bezig zich te vormen in de spraakmakende gemeente onder de leiding des Geestes. En in verband met dit alles, het gemis bij de ambtsdragers zelven van den vollen indruk der zelfstandige leiding, die straks op hun schouders zou worden gelegd.

Eerlang wordt dit alles echter gewijzigd. De apostelen en hun helpers zijn gestorven; de charisma’s verdwijnen; de didascalie concentreert zich in de locale Kerk. Hieraan was een moeielijkheid en een voordeel verbonden voor het locale ambt. Een moeielijkheid, want tot hiertoe was de schatting van het charisma in de gemeente zoo hoog geweest, en zou nu het gewone ambt zich in diezelfde waardschatting mogen verheugen, nu het charisma er niet meer naast liep? Maar toch kon op den duur het verdwijnen der charisma’s niet anders zijn dan in het voordeel van het plaatselijke ambt. Immers datgene, waarin het charisma had voorzien tot de eerste fundeering der gemeente langs extra-ordinairen weg, werd nu toevertrouwd aan het ambt, om langs de ordinaire paden haar te bouwen op het van God gelegde fundament. Daarom was de vermaning van de Didache aan de gemeente zeker op haar plaats ten opzichte van de episcopen en diakenen: μὴ οὖν ὑπερίδητε αὐτοὺς˙ αὐτοὶ γάρ εἰσιν οἱ τετιμημένοι μετὰ τῶν προφητῶν καὶ διδασκάλων (Did. 15: 2).

Sillevis Smitt, P.A.E. (1910) HVII

|130|

 

Hoofdstuk VII.

Apostelen, Profeten, Evangelisten, Leeraars.

 

Apostelen, profeten en leeraars worden vele malen naast elkander genoemd en vormen met elkander een trias, 1 Cor. 12: 28; Ef. 4: 11; Did. 4: 1. De evangelisten voegen we aan hen toe, omdat ze veel overeenkomen met de apostelen in ruimer zin, en in Ef. 4: 11 na de profeten genoemd worden, blijkbaar met de apostelen en profeten eigenaardige punten van overeenkomst bezittende. Drie dingen hebben deze diensten met elkander gemeen, waardoor ze van andere zijn te onderscheiden:
1e. ze behoeven niet gekozen te zijn door de gemeente 1);
2e. ze zijn niet uitsluitend locaal, maar ideëel hooren ze tot de


1) Het zou te sterk gesproken zijn, wanneer we zeiden, dat ze nimmer door een gemeente tot hun ambt gekozen zijn. Althans, wat het Apostolaat betreft, zou men kunnen wijzen op de verkiezing van Matthias, Hand. 1, hoewel daarbij dient te worden in het oog gehouden, dat de vergadering toen in de opperzaal te Jeruzalem bijeen, niet een gewone locale Kerk was, maar de Kerk, en wèl: nog vóór den Pinksterdag. Die verkiezing was dus in alle opzichten exceptioneel. Men zou ook kunnen wijzen, wat de profetie betreft, op Timotheus, 1 Tim. 4: 14 μὴ ἀμέλει τοῦ ἐν σοι χαρίσματος, ὃ ἐδόθη σοι διὰ προφητείας μετὰ ἐπιθέσεως τῶν χειρῶν τοῦ πρεσβυτερίου. Evenwel zegt Paulus hier niet, dat Timotheus door het presbyterium tot profeet is aangesteld, maar dat zijn gave hem door de profetie was geschonken, d.w.z. dat de H. Geest, die alleen de gave schenkt, het woord der profetie in de gemeente (op welke wijze dan ook) heeft gebruikt, om Timotheus van de verleening dier gave verzekering te geven. Met meer recht zou men zich kunnen beroepen op de uitzending van Paulus en Barnabas door de gemeente van Antiochië, Hand. 13: 2. Doch ook indien deze plaatsen geen afdoend bewijs kunnen leveren van een verkiezing van apostelen, profeten, evangelisten en leeraars door de gemeente, achten wij toch, dat de gegevens ons ontbreken, om het tegenovergestelde te beweren en absoluut vast te stellen, dat tot deze drie diensten nimmer door de gemeente verkozen werd. Ook hier mag het argumentum e silentio voor ons niet gelden.

|131|

oecumenische Kerk, ook dan wanneer ze zich in een plaatselijke Kerk hadden gevestigd en daar optraden. De leeraars vormden een overgang van het oecumenische naar het locale;
3e. ze vonden een eenheid in de bediening des Woords, waartoe ze geroepen waren; ze waren λαλοῦντες τὸν λόγον, διδάσκαλοι καθολικοί. In dat opzicht werpt de Didache een merkwaardig licht terug op den apostolischen tijd, 4: 1, τέκνον μου, τοῦ λαλοῦντός σοι τὸν λόγον τοῦ θεοῦ μνησθήσῃ νύκτὸς καὶ ἡμέρας, τιμήσεις δἐ αὐτὸν ὡς Κύριον˙ ὅθεν γὰρ ἡ κυριότης λαλεῖται, ἐκεῖ Κύριός ἐστιν.

Deze diensten mogen tot op zekere hoogte een praeformatie vinden in het Jodendom, — gelijk ze optreden in de Kerk des N. Testaments dragen ze een specifiek christelijk karakter, en vinden nergens een analogon. Van de apostelen werd dit vroeger betoogd; van de leeraars heeft Jezus uitdrukkelijk gezegd, Matth. 23: 8 ὑμεῖς δὲ μὴ κληθῆτε ῥαββεί˙ εἷς γάρ ἐστιν ὑμῶν διδάσκαλος, πάντες δὲ ὑμεῖς ἀδελφοί ἐστε, waarmede Hij natuurlijk niet, blijkens Zijn opdracht elders, het leeraarschap als zoodanig heeft willen afkeuren, maar wel de analogie met het hoogmoedig Joodsch rabbinaat heeft willen afsnijden (zie bl. 51). Alleen wat den profeten betreft, die niet opgekomen zijn in het latere Jodendom, maar in het innigst verband staan met de O. Testamentische Openbaring, is er bij alle verschil zekere overeenkomst en continuïteit.

De grenzen tusschen deze functiën vloeien ineen. De apostelen, allerwege het eerst genoemd, staan als een unicum quid bovenaan. Een profeet of leeraar is nimmer, omdat hij die gave bezit, óók apostel, maar wel omgekeerd. De apostelen zijn ook profeten en leeraars, en doen als zoodanig dienst, wanneer ze in een gemeente verkeeren: Hd. 13: 1; 18: 9; 1 Cor. 2: 4; 1 Cor. 13: 9; 2 Cor. 12: 1; Johannes: Op. 22: 9, 18. Profeten kunnen ook leeraars zijn. Hd. 13: 1 kan daarvoor als bewijs dienen, indien men althans niet in die plaats een indeeling wil vinden van drie profeten en twee leeraars, wat met het oog op Saulus, die zeker ook profeet was, bezwaarlijk kan (cf. bl. 84, noot 3).

De leeraars in engeren zin vormen van deze trias uit, den overgang van het tijdelijke en oecumenische naar het blijvende en locale.

 

Apostelen. Zie Hoofdst. II, Het Apostolaat.

|132|

Profeten. De profeten van het O. Testament en die van het N. Testament hebben ongetwijfeld veel overeenkomst. Werd den O. Testamentischen profeet een blik gegund in den Raad Gods, om daaruit Gods werk en wil bekend te maken, en kon dit niet anders geschieden dan door openbaring, ook het wezen der profetie onder het N. Testament ligt in de ἀποκάλυψις, 1 Cor 13: 2; 14: 30. Het onderscheid lag in den aard der bedeeling. Onder het O. Testament werd geprofeteerd naar Christus heen, en vandaar was de profetie voor een grooter deel praedictief, innig verbonden met wet en schaduw, en zoo meer werkend met beeld en symbool, terwijl in het optreden van den profeet dikwijls een scherp onderscheid werd afgeteekend tusschen hem en zijn volk De profetie greep in het uitwendige sterk aan, zoowel den profeet zelf als zijn omgeving. Maar onder het N. Testament, hoezeer een extra-ordinair karakter dragende, is de profetie ingeweven in de charismatische bedeeling des H. Geestes, waarvan toch geen der geloovigen geheel was uitgesloten. Mozes’ bede, of al het volk des Heeren profeten waren, is in beginsel vervuld. Joël’s profetie vond op den Pinksterdag bevestiging 1).

Die profeten waren reeds door Jezus beloofd, Mtth. 10: 41; 23: 34; en ze treden dan ook reeds spoedig op: Hd. 11: 27, 28 profeten van Jeruzalem, onder wie Agabus; Hd. 21: 10; 13: 1. Hoog was hun positie en dienovereenkomstig hun aanzien in de gemeente. Trouwens, op het fundament der apostelen en profeten was de N. Testamentische Kerk gebouwd , Ef. 2: 20 ἐποικοδομηθέντες ἐπὶ τῷ θεμελίῳ τῶν ἀποστόλων καὶ προφητῶν, ὄντος ἀκρογωνιαίου αὐτοῦ Χριστοῦ Ἰησοῦ. Bij deze plaats merken we op :

1°. Daar hier van den historischen gang sprake is in den bouw der N. Testamentische Kerk, en Christus zelf aanstonds als de grondsteen wordt genoemd, kan θεμέλιος niet bedoelen een door


1) Van den inhoud der N. Testamentische profetie is ons al heel weinig bekend. 1 Cor. 14 zegt ons meer van den modus quo dan van het quod. Wat het werken met symbolen betreft, teekent ons de Pastor van Hermas wel in zijn visioenen een beeld van de N. Testamentische profetie, dat in dit opzicht meer overeenkomst dan verschil aanduidt met de O. Testamentische profetie. Doch men vergete niet, dat de Pastor, een scriptuur uit den na-apostolischen tijd, reeds alle teekenen van verbastering draagt.

|133|

de apostelen en profeten gelegden grond, nl. de leer, maar hen zelf, als vormende het fundament.
2°. Niet aan de O. Testamentische profeten moet gedacht, maar aan de N. Testamentische, omdat de apostelen vooropgaan en om Ef. 3: 5 en 4: 11.
3°. Apostelen en profeten zijn niet twee verschillende aanduidingen van dezelfde personen, want hoewel de apostelen ook profeten zijn, is het duidelijk waarom afzonderlijk de profeten worden genoemd, nl., wijl zij der apostelen onmiddellijke steun in de gemeente waren, om, wat deze hadden gesticht, te bewaren en te bevestigen.
4°. Dat de eigenlijke grondsteen, op Wien alles rust, met inbegrip van den θεμέλιος der apostelen en profeten, is Christus Jezus, waarom αὐτοῦ het best bij het subject wordt getrokken in den genit. abs.: terwijl Jezus Christus Zelf de grondsteen is.

Het was derhalve een dienst, die een grondleggende beteekenis had voor de gemeente, en daarom ook in dien vorm als waarin hij destijds optrad, niet kan worden gehandhaafd. De profetie was een charisma, geen ambt Zonder vocatie of aanstelling kon iemand in de gemeente als profeet spreken, de Geest der profetie was geheel vrij Hoewel natuurlijk dit charisma met het ambt in denzelfden persoon kon saamvallen, gelijk het waarschijnlijk was bij Judas en Silas, de afgezanten uit Jeruzalem naar Antiochië, die in Hd. 15: 22 ἡγούμενοι worden genoemd onder de broederen, en vs. 32 profeten. In elk geval waren de profeten voor het ambt een krachtige steun. Dit hing saam met den aard van dit charisma. Over de voorkeur, die aan de profetie gegeven werd boven de glossolalie, is reeds gesproken. Geen gave, die meer dan deze, met de didascalie, diende tot de οἰκοδόμη der gemeente. Aan alle missionair karakter was ze vreemd, en daarin ligt zeker een opmerkelijk verschil met het Apostolaat. Ook al trad de profeet op, elders dan in zijn eigen gemeente, dan was toch immer het doel, de reeds vergaderde geloovigen te stichten en te onderwijzen. Zijn roeping was onderrichtend en opbouwend van aard, al kon ook de profetie soms, als bij Agabus, Hd. 11: 28, een mantisch karakter dragen. Maar doorgaans werd hem door den Geest een openbaring geschonken in kennis, tot mededeeling aan de

|134|

medegeloovigen 1). Daartoe zal wel hebben behoord èn de λόγος σοφίας èn de λόγος γνώσεως, resp. de gave der toepassing der waarheid met practischen zin op het leven en de gave der bespiegelende kennis, om de waarheid door te denken en uit het bewustzijn weer uit te spreken 2). En hierom was dit charisma van zoo fundamenteele beteekenis voor de gemeente, omdat de N. Testamentische canon nog in wording was, terwijl in de profetie een der vergoedingen aan de geloovigen werd geschonken voor wat wij in het N. Testament bezitten. Ze konden aan één plaats verbonden zijn, maar ook van plaats tot plaats trekken. Hd. 15: 33. Ook vrouwen konden dit charisma ontvangen, 1 Cor. 11: 4, Hd. 21: 9, hoewel ze niet mochten profeteeren in het openbaar, 1 Cor. 14: 34. Hoezeer ook in dit charisma het vrij en krachtig bewogen gemeenteleven uitkomt, waren toch de profeten, die ongetwijfeld een zekeren stand vormden in de gemeente, geen ongeregelde groep. Voor het optreden waren regels gesteld, 1 Cor. 14: 29-32, en de geloovigen moesten hen beproeven, 1 Thess. 5: 20, 21 3). De grenslijn tusschen profeten en leeraars is dikwijls moeielijk te trekken. Waarschijnlijk vielen de beide diensten veelvuldig saam. In elk geval stond de profetie in hooger aanzien, en had, als steunende op ἀποκάλυψις, de brug der didascalie noodig om over te leiden tot het gewone ambt. De leeraars zullen in hun optreden meer aan elkander gelijk zijn geweest, terwijl de profeten meer onderling


1) K. Lechler, Die Neutestamentliche Lehre v. heil. Amte, bl. 279, zou de profetie willen noemen geistliche Genialität, wanneer de uitdrukking niet te zwak was.
Voetius, Polit. Eccl. P. II, L. II, tr. II, cap. III, bl. 369, noemt de profeten ook ministri extraordinarii, terwijl hij drieërlei onderscheidt, nl. qui dono prophetiae (hoc est intelligentiae, interpretationis et applicationis) infuso praediti sunt, Rom. 12: 7; 1 Cor. 12: 28 etc; qui dono praedictionis futurorum praediti erant, Agabus Hand. 11: 28; 21: 10; qui utroque dono praediti erant, Johannes, scriptor apocalypseos.”
2) Het onderscheid tusschen deze beide begrippen wordt o.a. uiteengezet door Dr. H. Bavinck, Het Doctorenambt, Kampen, 1899, bl. 10.
3) Sohm, Wesen und Urspr. etc. bl. 54, zegt zonder bewijs, dat er geen macht was in de gemeente, die toestemming gaf om te leeren, maar dat er alleen bestond een erkenning van Gods gave. Natuurlijk weer om alle andere dan charismatische organisatie te loochenen. Doch wat, indien er strijd ontstond over die erkenning?

|135|

onderscheiden zullen zijn geweest, en de leeraars zullen bij hun spreken niet zulk een sterke impressie bij hun hoorders hebben teweeggebracht. Spreekt men bij de profeten van geestelijke genialiteit, dan zou men bij de leeraars kunnen spreken van geestelijk talent.

In den na-apostolischen tijd komen de profeten een tijdlang nog voor, om langzaam in beteekenis af te nemen. De Didache gunt ons een blik in hun positie. Ze spreekt over de apostelen, profeten en leeraars als reizende predikers, als λαλοῦντες τὸν λόγον, die vrij, charismatisch, optraden (de apostelen natuurlijk in breeden zin genomen, als evangelisten, missionairen). Van den apostel heet het, dat hij ὡς κύριος moet worden ontvangen; hij moet echter maar één dag blijven, twee, indien het noodig is, maar indien hij drie dagen blijft, dan is hij een valsche profeet 1). De profeten stonden zeer hoog aangeschreven, Did. 11: 7, 8. Ze mochten, wanneer ze in den Geest spraken, niet worden beproefd, want dat was de zonde tegen den H. Geest, 11: 7 2). Dan worden de kenmerken aangegeven, waardoor de profeet van den ψευδοπροφήτης onderscheiden is, 11: 9-12. Did. 10: 2-6 schrijft het dankgebed voor bij eucharistie De profeet mocht echter een vrij gebed uitspreken, 10: 6. Hij mocht niets medenemen 7: 12, maar indien hij zich wilde nederzetten in de gemeente, was hij, evenals de ware διδάσκαλος, zijn loon waardig, en moest hij de eerstgeborenen van runderen en schapen ontvangen, want de profeten waren hoogepriesters, 13: 1-3 3). Uit al deze voorschriften blijkt, dat de gemeente, die immers niet meer mocht beproeven, in haar geestelijke zelfstandigheid werd bekort; dat tegen valsche profeten reeds ernstig moest worden gewaakt; dat de cultus al meer aan vaste vormen werd gebonden. Terwijl heel de teekening van het leven der gemeente ons toestanden doet kennen, die we in de


1) Did. 11: 3, 4, 5. περὶ δὲ τῶν ἀποστόλων καὶ προφητῶν, κατὰ τὸ δόγμα τοῦ εὐαγγελίου οὕτω ποιήσατε˙ πᾶς δὲ ἀπόστολος ἐρχόμενος πρὸς ὑμᾶς δεχθήτω ὡς κύριος. οὖ μένει δὲ εἰ μὴ ἡμέραν μίαν. ἐὰν δὲ ᾖ χρεία, καὶ τὴν ἄλλην˙ τρεῖς δὲ ἐὰν μείνῃ ψευδοπροφήτης ἐστίν.
2) 11: 7 καὶ πάντα προφήτην λαλοῦντα ἐν πνεύματι οὐ πειράσατε οὐδὲ διακρινεῖτε. πᾶσα γὰρ ἁμαρτία ἀφεθήσεται, αὕτη δὲ ἡ ἁμαρτία οὐκ ἁφεθήσεται.
3) 13: 3 αὐτοὶ γάρ εἰσιν οἱ ἀρχιερεῖς ὑμῶν.

|136|

Pastoraalbrieven niet vinden, zoodat dus al spoedig (hetzij men de Didache plaatst in het laatste kwartaal van de eerste of in het eerste van de tweede eeuw) allerlei veranderingen zijn ingetreden.

In het Martyrium Polycarpi wordt deze als profeet verheerlijkt, hoewel overigens van de profeten niet veel meer wordt vernomen, 16: 2: ὧν εἷς καὶ οὗτος γεγόνει ὁ θαυμασίωτατος μάρτυς Πολύκαρπος, ἐν τοῖς καθ᾽ ἡμᾶς χρόνοις διδάσκαλος ἀποστολικὸς καὶ προφητικὸς γενόμενος, ἐπίσκοπος τῆς ἐν Σμύρνῃ καθολικῆς ἐκκλησίας˙ πᾶν γὰρ ῥῆμα, ὃ ἀφῆκεν ἐκ τοῦ στόματος αὐτοῦ, καὶ ἐτελειώθη καὶ τελειωθήσεται.

 

Evangelisten. Slechts drie malen is er in het N. Testament met name van evangelisten sprake: Hd. 21: 8, waar Filippus, een van de zeven, aldus wordt geheeten; 2 Tim. 4: 5, waar Timotheus wordt vermaand om het werk van een evangelist te doen; Ef. 4: 11, waar ze in de rij van diensten in de derde plaats, tusschen de profeten en de herders en leeraars worden medegeteld. Natuurlijk waren de apostelen wederom ook evangelisten, en in het missionaire deel van hun arbeid (waartoe velen al hun werk beperken) komen de apostelen het meest met hen overeen. De dienst der evangelisten toch, het ligt in den naam uitgedrukt, — was het εὐαγγελίζεσθαι nl. τὸν Χριστὸν Ἰησοῦν, Hd. 5: 42. sc. τὸν λόγον, Hd. 8: 4 cf. vs. 5. En, terwijl dit een zeer algemeene roeping was, die b.v. ook door al de verstrooiden uit Jeruzalem werd verricht, Hd. 8: 4, wordt het menigmaal ook aan de apostelen toegeschreven: b.v. reeds Luk. 9: 6. Ja, Jezus zelf had tot dit werk den grond gelegd, Mtth. 11: 4 etc. Zijn apostelen namen het van Hem over en deden het in Zijn naam, en de apostelen hadden hun leerlingen, die met hen hetzelfde deden als hun medearbeiders 1). Hun getal was ongetwijfeld zeer groot, en allerminst


1) Calvijn, Instit. IV. 3, 4 noemt hen in waardigheid minder dan de apostelen, maar hun het meest gelijk.
Voetius, Polit. Eccles. P. II, L. II, tr. II, cap. 3, bl. 364 definieert hen aldus: „Evangelistae specialiter et stricte ita dicti fuerunt ministri N.T. extraordinarii qui tamquam subsidiarii et cooperarii apostolorum ab iisdem conjunctim aut ab aliquo aut aliquibus eorum seorsim mittebantur ad ecclesias plantandas aut rigendas.”

|137|

beperkt tot het tweetal, dat met name zoo wordt betiteld, hetgeen reeds volgen kan uit Ef. 4: 11. Ongetwijfeld hebben we aan evangelisten te denken bij zoovelen, die onder allerlei namen in hun nauwe betrekking tot de apostelen ons worden geteekend. Vooral Paulus was door hun trouwe hulp in staat, om over zoo uitgestrekt missie-terrein (Rom. 15: 19), en voor zoo groot getal van gemeenten (2 Cor. 11: 28), te doen, wat hij heeft gedaan. Ze waren de fratres apostolici, 2 Cor. 2: 12, 1 Thess. 3: 2 (van Timotheus: τὸν ἀδελφὸν ἡμῶν καὶ διάκονον τοῦ θεοῦ ἐν τῷ εὐαγγελίῳ τοῦ Χριστοῦ) en worden door den Apostel, behalve ἀδελφοὶ, genoemd συνεργοί, Rom. 16: 3 e.a.p., σύνδουλοι, Col. 1: 7; 4: 7; συστρατιῶται, Fil. 2: 25; ὑπηρέται, 1 Cor. 4: 1; διάκονοι sparsim. Hiertoe behoorden mannen als Silas, Titus, Tychicus, Aristarchus, Demas, Marcus, Lukas, Trofimus, Epafras, Apollos. Ook vrouwen deden in deze wat ze konden, Hd. 18: 18, 26; Rom. 16: 3-5; 1 Cor. 16: 19. In tegenstelling met de profeten, waren zij ambtelijk werkzaam, zoo menigmaal ze tot het volbrengen van een last waren verkoren door de gemeente of door de apostelen. Zóó de ongenoemde broeder, die met Titus door Paulus naar Corinthe gezonden was, en van wien 2 Cor. 8: 19 wordt gezegd ἀλλὰ καὶ χειροτονηθεὶς ὑπὸ τῶν ἐκκλησιῶν συνέκδημος ἡμῶν. Voorts stond Filippus in het ambt van de zeven, en waar de grenzen der ambten in het eerst nog veelszins ineenvloeien, kan het niet verwonderen, dat deze vurige Hellenist, toen zijn gewone werk in de gemeente van Jeruzalem waarschijnlijk door de vervolging werd afgebroken, zich geroepen gevoelde, het werk te doen van een evangelist. En ook tot Timotheus , den evangelist (2 Tim. 4: 5), spreekt Paulus, 1 Tim. 4: 14, van het charisma ὁ ἐδόθη σοι διὰ προφητείας μετὰ ἐπιθέσεως τῶν χειρῶν τοῦ πρεσβυτερίου (hetgeen waarschijnlijk in zijn vaderstad Lystre was geschied) 1). Ze vervullen


1) Voetius t.a.p. onderscheidt hun vocatie en missie als hetzij pure mediata, en dan òf door de Apostelen alleen, b.v. Titus, Tit. 1: 1, òf door den Apostel met de presbyters, Timotheus, 1 Tim. 4: 14, hetzij ex parte immediata, nl. door het presbyterium, doch voorafgegaan door een onmiddellijke inspiratie en aanwijzing van den H. Geest, Hand. 13: 2, 3, daarom: „gezonden door den H. Geest”, vs. 4.
Op de vraag of ze onmiddellijk θεοδίδακτοι seu θεόπονευστοι et infallibiles waren, antwoordt hij voorzichtig „non ausim hoc affirmare, ni forte de Marco et ➝

|138|

hun taak òf alléén, Tit. 1: 5 Titus; Hd. 11: 22 Barnabas; 1 Cor. 4: 17 Timotheus naar Corinthe; 1 Tim. 1: 3 dezelfde achtergelaten in Efeze; òf gezamenlijk, Hd. 11: 30 Paulus en Barnabas; Hd. 17: 15 Timotheus en Silas in Athene; Hd. 19: 22 Timotheus en Erastus naar Macedonië. Hun ambt was niet blijvend, maar extraordinair en transitoir. Zoo moest Titus, Tit. 1: 5, 7, gewone ouderlingen aanstellen, maar niet evangelisten naast zich, en de taak, die hun was opgelegd boven de gewone ambtsdragers, was geheel persoonlijk en πρόσκαιρον. De 70, door Jezus uitgezonden, tot een gelijksoortige maar beperkte taak geroepen, zou men in zekeren zin voorloopers van de evangelisten kunnen noemen, en allicht hebben de apostelen uit hen wel tot dat werk gekozen 1). In strikten zin is echter eerst van evangelisten sprake na de geboorte der katholieke Kerk op den Pinksterdag.

Het εὐαγγελίζεσθαι is een term, die nog gedurig wordt aangetroffen, doch de naam εὐαγγελίστης komt in de na-apostolische litteratuur niet voor. Later wordt de naam gegeven aan de schrijvers der vier evangeliën. Zoo Eusebius H.E. III. 38. 2.

 

Leeraars. Ofschoon de leeraars van het N. Testament, gelijk reeds gezegd, een specifiek christelijk karakter droegen, vinden ze een praefomatie in wat zich onder het latere Jodendom ontwikkelde, nl. de sōperim, de Schriftgeleerden. De studie der wet was onder het O. Testament de zaak der priesters, maar reeds sedert Ezra ontwikkelde zich een klasse van mannen, buiten den priesterkring, die van de bestudeering der wet hun bijzonder werk maakten, en van nu af aan de eigenlijke leermeesters van het volk werden. Ten tijde van het N. Testament is dit proces geheel afgesloten, en vormen ze een eigen begrensden stand, die der Wet- of Schriftgeleerden, welke vooral in de synagoge met groot gezag optraden 2).


➝ Luco. Fuit hoc privilegium apostolicum illis promissum Joh. 16: 13, Hand. 1: 4. Dit laatste is, dunkt ons, afdoende, hoewel bij het schrijven van deelen der H.S. de infallibilitas natuurlijk vaststaat bij allen, die daartoe, hoewel niet apostelen zijnde, geroepen waren.
1) Zoo ook Calvijn en Voetius t.a.p. Zie Zöckler, a.w. bl. 63 v.v.
2) E. Schürer, a.w.4 Dl. II, bl. 372 v.v.

|139|

De gedachte van velen, o.a. Harnack, Loening, op grond van Mtth. 23: 8, dat Jezus in Zijn discipelen geen leeraars wilde zien, en dus hun later optreden tegen Zijn wil was, werd reeds vroeger door ons weersproken (bl. 51). Trouwens als een trek van den waren schriftgeleerde duidde Hij zelf aan, Mtth. 13: 52, dat πᾶς γραμματεὺς μαθητευθεὶς τῇ βασιλείᾳ τῶν οὐράνων, gelijk is aan een heer des huizes, die uit zijn schat oude en nieuwe dingen voortbrengt, cf. 23: 34; 1 Cor. 1: 20. Daarenboven de apostelen waren wederom ook leeraars, denken we slechts aan Hd. 2: 42.

Hun plaats was naast die der apostelen en profeten, 1 Cor. 12: 28 ; Ef. 4: 11. In den eersten tijd schijnen ze dan ook geen vast ambt in de locale Kerk te hebben bekleed, maar traden ze vrij, charismatisch, in de gemeente op, 1 Cor. 14: 26. De geloovigen zelven beproefden of iemand een waar leeraar was, 1 Cor. 10: 15; 11: 13; 14: 29; II Cor. 12: 12. Hun dienst droeg het karakter van de διδαχή in enger zin; er behoorde tot hun onderwijs kennis, bedrevenheid en inzicht in de Schriften. Het onderwijs in de gemeente was van drieërlei aard, de profetie, die een λαλεῖν ἐν πνεύματι was als vrucht van ἀποκάλυψις, de νουθεσία, waardoor het woord met toepassing aan de harten der enkelen werd gelegd, en dan de didascalie, die de ontsluiting en ontvouwing was van het Woord Gods, en daardoor een rustig karakter droeg, op een blijvenden dienst in de gemeente als vanzelf aangelegd. Ze onderstelt een schat dien de gemeente ontvangen heeft, waaruit moet worden geput en medegedeeld en haar bewustzijn moet verrijkt. Naast het O. Testament ontstond er in de gemeente door het apostolische woord een bron en norm voor verstand en leven, 2 Thess. 2: 15, Rom. 6: 17: een τύπος διδαχῆς, Rom. 16: 17: een διδαχὴ ἣν ὑμεῖς ἐμάθετε. Vanzelf dat de διδάσκαλοι naast de profeten een grooten invloed kregen in de gemeente. Doch daarmede hing het gevaar saam, juist waar de διδαχή een tijdlang charismatisch was, dat door opgeblazenheid velen zouden staan naar wat het hunne niet was. Zeer vroeg schijnt reeds dat gevaar te hebben bestaan. Vandaar reeds de vermaning van Jacobus, Jac. 3: 1 μὴ πολλοὶ διδάσκαλοι γίνεσθε, ἀδελφοί μου, εἰδότες ὅτι μεῖζον κρῖμα λημψόμεθα.

Uit Gal. 6: 6 bleek ons, dat niet mocht worden vergeten, om

|140|

voor hun onderhoud te zorgen, cf. 1 Cor. 9: 9, 13; Did. 13: 2 1). Nog langen tijd schijnen er wandelende leeraars te zijn voorgekomen, van wie de Didache en ook Eusebius verhaalt 2). Toch was reeds tijdens het N. Testament een andere toestand in wording en werd het leeren tot het plaatselijk ambt gevoegd, zoodat de leeraars met de herders, presbyters, episcopen of voorgangers saamvloeiden. Leer en opzicht werden aan elkaar verbonden, en de eerste aan het ambt vastgelegd. Dit bleek ons reeds bij de bespreking van Ef. 4: 11, waar ποίμενες καὶ διδασκάλους in één persoon vereenigd voorkomen 3). De scheiding, die voltrokken werd


1) E. Loening, a.w. bl. 39 ziet in den eisch om de leeraars te onderhouden een afwijking bij Paulus van Jezus’ stelregel, Matth. 10: 8, en ook van de gewoonte der schriftgeleerden onder de Joden. Wat het laatste betreft, Schürer, a.w. II4 bl. 379, deelt mede, dat de practijk der belangeloosheid bij de schriftgeleerden niet werd doorgevoerd. Wat het eerste betreft, merken we op, dat Jezus’ Woord „gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet,” tot de Apostelen is gesproken, bij een bijzondere zending, onder de persoonlijke tegenwoordigheid van Hem, die zoo noodig, door een wonder voor de behoeften zijner discipelen zorgde. Paulus spreekt echter vooral met het oog op de toekomst der Kerk, en bereidde zulke toestanden voor, waardoor in de gemeente straks een welgeordend leven mogelijk zou zijn. Dat Paulus daardoor de deur zou hebben geopend, dewijl priesters en levieten wel onderhoud genoten, om de hiërarchische denkbeelden van het Jodendom in de Kerk in te brengen, is waarlijk al te dwaas. Wat heeft het verstrekken van betamelijk onderhoud met hiërarchie te maken? Veeleer schept dit gezonde verhoudingen, waardoor geestelijke standshoogheid geweerd blijft.
2) Eusebius, H.E. III. 37. 10, καὶ γὰρ δὴ πλεῖστοι τῶν τότε μαθητῶν σφοδροτέρῳ φιλοσοφίας ἔρωτι πρὸς τοῦ θείου λόγου τὴν ψυχὴν πληττόμενοι, τὴν σωτήριον πρότερον ἀπεπλήρουν παρακέλευσιν, ἐνδεέσιν νέμοντες τὰς οὐσίας, εἶτα δὲ ἀποδημίας στελλόμενοι ἔργον ἐπετέλουν εὐαγγελιστῶν, τοῖς ἔτι πάμπαν ἀνηκόοις τοῦ τῆς πίστεως λόγου κηρύττειν φιλοτιμούμενοι καὶ τὴν τῶν θείων εὐαγγελίων παραδιδόναι γραφήν.
3) Voetius, Polit. Eccl. P. II, L. II. tr. III, cap. VII, bl. 479, handelt de doctoribus, in verband met de omstandigheid, dat de D.K.O. art. 2, 18 van vier diensten spreekt, ook van de doctoren, en de Conf. Belg., art. 30, 31 van drie. Dit hangt saam met de verschillende exegese van Ef. 4: 11 „herders en leeraars”. Hij zegt: „cum textus non cogat nos ecclesiastica haec ministeria distinguere, nec dicat „alios pastores alios doctores”, sed „alios autem pastores et doctores”, quattuor gradus seu genera ordinarii ministerii ecclesiastici hinc certo concludi nequeunt.” We stemmen hiermede volkomen in. Ook, zegt hij, kan de onderscheiding van doctores ecclesiastici en scolastici niet uit de onmiddellijke instelling van Christus worden afgeleid, en allerminst uit Ef. 4: 11. Voorts: „difficile est quidquam ➝

|141|

in het presbyter-ambt, zoodat regeering en leer niet steeds behoefden te vallen in één persoon, zal worden behandeld bij de bespreking van 1 Tim. 5: 17. De ontwikkelingsgang bij het leeren, stellen we ons aldus voor: eerst vrij en charismatisch, hoewel daarbij het ambtelijk leeren der presbyters volstrekt niet behoeft te zijn uitgesloten, zoodat van meet af de didascalos als presbyter en de didascalos in het ambt der geloovigen, het charisma met ambt verbonden en buiten het speciale ambt, naast elkander optraden. Daarna, toen het charismatisch leeren op den achtergrond kwam, werd het aan het ambt gebonden; vervolgens kwam de tweedeeling in het ambt, waardoor sommigen leerden èn regeerden, anderen alleen regeerden. Zoo bleef er een allerinnigst verband en kwam er toch duidelijke onderscheiding tusschen de διδασκαλία en de κυβέρνησις.

In den na-apostolischen tijd komen de διδάσκαλοι nog veelvuldig voor. In de Didache tweemaal, 13: 1, 2 en 15: 2, waar ze met de profeten onder de τετιμημένοι worden gerekend, hoewel de gemeente vermaand wordt om episcopen en diakenen te verkiezen, die met de profeten en leeraars de geëerden zullen zijn. Dus een overgang van hun werk en eer naar het staande ambt. Barnabas 1: 8 zegt dat hij niet als een διδάσκαλος wil schrijven: ἐγὼ δὲ οὐχ ὠς διδάσκαλος ἀλλ᾽ ὡς εἷς ἐξ ὑμῶν ὑποδείξω ὀλίγα. Cf. 4: 9. Ignatius ad Eph. 3: 1 omgekeerd, hoewel nederig: νῦν γὰρ ἀρχὴν


➝ hic determinare.” Op de vraag, of in het N. Testament met den naam prophetae, Hand. 13: 1,1 Cor. 14, doctores worden aangeduid, meent Voetius dat meer worden bedoeld doctores ecclesiastici dan scolastici. Ons dunkt, dat dit toch tot een bedenkelijke begripsverwarring zou leiden, daar de propheten charismatici waren; dat in elk geval de διδάσκαλοι dan nog meer op die lijn zouden liggen, maar dat elke overbrenging zonder meer van deze diensten uit den apostolischen tijd op de kerkelijke verhoudingen, zooals die zich later hebben ontwikkeld (zij het ook uit de H.S. afgeleid), een stap te veel gedaan is. Hetgeen zuiver afgeleid en voortgebouwd wordt is even waar, als datgene waaruit afgeleid en waarop voortgebouwd wordt, maar daarom is hetgeen zich langs normalen weg heeft ontwikkeld nog niet hetzelfde als het oorspronkelijke.
Eindelijk meent Voetius, dat de doctores sive ecclesiastici sive scolastici analogice correspondeant met de scribae van het O. Testament.
Over de verschillende gevoelens onder de Gereformeerden met betrekking tot de vraag, of in het N. Testament bij den διδάσκαλος moet worden gedacht aan een ambt van dat van den ποίμην onderscheiden, of aan hetzelfde ambt, zie Dr. H. Bavinck, Het Doctorenambt, Kampen 1899, bl. 55 v.v.

|142|

ἔχω τοῦ μαθητεύεσθαι καὶ προσκαλῶ ὑμῖν ὡς συνδιδασκαλίταις μου. Hermas, Vis 3: 5, spreekt aangaande de steenen, die voor den bouw dienen, en zegt dat de vierkante, witte steenen, die juist in elkander sluiten, zijn de apostelen, episcopen, leeraars en diakenen, die in goddelijke heiligheid gewandeld, met ernst en waarheid het ambt hebben vervuld, de uitverkorenen Gods hebben gediend, en ten deele ontslapen, ten deele nog in leven zijn.

Sillevis Smitt, P.A.E. (1910) HVIII

|143|

 

Hoofdstuk VIII en IX.
Diakenen, Presbyters (Episcopen).

 

Hoofdstuk VIII.

Diakenen.

 

Waar wij nu zijn toe gekomen aan de beschouwing van die uit het Apostolaat voortspruitende diensten, welke bestemd zijn om in de locale Kerk een blijvende plaats te behouden, vatten we eerst het Diaconaat in het oog, wijl dit als de eerste loot uit den apostolischen stam ons duidelijk geteekend wordt.

Διακονία en διάκονος komen in het N. Testament voor in zeer algemeenen zin, om allen dienst, hetzij ambtelijk of niet, in de Kerk des Heeren aan te duiden. Het apostelschap heet een διακονία, Hand. 1: 25; 20: 24; Rom. 11: 13; al wat Timotheus toebetrouwd is, draagt dien naam, 2 Tim. 4: 5; van διαιρέσεις διακονιῶν is er sprake in 1 Cor. 12: 4; al de functiën in Ef. 4: 11 genoemd, worden gezegd, vs. 12, te zijn εἰς ἔργον διακονίας; de geheele bedeeling der genade wordt aangekondigd als een διακονία τῆς καταλλαγῆς, 2 Cor. 5: 18; die des N. Testaments tegenover die des Ouden heet een διακονία τοῦ πνεύματος, τῆς δικαιοσύνης 2 Cor. 3: 7-9. Stefanus had zich in Corinthe εἰς διακονίαν τοῖς ἁγίοις geschikt. Ja zelfs buiten de gemeente wordt aan de engelen ten opzichte van haar een διακονία toegeschreven, Hebr. 1: 14. En voor διάκονος zie o.m. Mtth. 20: 26; 23: 11; Joh. 12: 26; 2 Cor. 6: 4; 1 Cor. 3: 5; Col. 1: 23 , 25; Col. 1: 7.

Doch hier bedoelen we deze woorden in engere beteekenis als termini technici, om aan te duiden den dienst der barmhartigheid, waarbij het διακονεῖν in zeer bijzonderen en strikten zin aan het licht treedt. En aldus komt διάκονος voor Fil. 1: 1 ; 1 Tim. 3: 8, 12. Ook wel

|144|

in de na-apostolische litteratuur b.v. Did. 15: 1,2; Clem. 42: 4, 5 1).

In Hand. 6 (zie Hoofdst. III) wordt ons de instelling van het diakenambt verhaald. Wel heeten de nieuwe functionarii niet διάκονοι, maar οἱ ἕπτα, doch de aanduiding van hun dienst als διακονεῖν τραπέζαις, vs. 2 (cf. vs. 1) was wel geschikt een technischen term voor te bereiden en den naam dezer ambtsdragers te fixeeren als διάκονοι. Met dien naam treden ze dan ook bij Paulus weer op 2).

De tamelijk algemeene bestrijding van de meening, dat Hand. 6 ons biedt de instelling van het diakenambt, is terug te leiden tot een viertal hypothesen.

1e. De zeven bezitten gansch geen ambt, en houden met de latere diakenen niet het minst verband. Zoo o.m. Sohm, Leder 3).


1) Weizsäcker, a.w. bl. 611, 612 wil bij Paulus van niets dan van den algemeenen zin weten. Natuurlijk wordt dan Fil. 1: 1 een aanstoot, en acht hij ’t begrijpelijk, dat velen den brief onecht hebben verklaard. Met de Pastoraalbrieven is natuurlijk al lang afgerekend. Waar dit met de Fil. brief echter niet aangaat, wordt (terwijl in de andere „echte” brieven van Paulus de voorgangers even goed episcopen als diakenen konden worden genoemd) hier een scheiding toegegeven evenwel niet, alsof er van twee ambten sprake was, maar in dien zin, dat uit den zelfden kring van werkzaamheden langzamerhand sommigen tot hooger aanzien als leiders zijn opgeklommen (episcopen), anderen tot hulpbetoon beperkt gebleven zijn. Zoo doet men immer van critisch standpunt uit, de Schrift geweld aan. Immers welk een krachtig bewijs voor de echtheid der Pastoraalbrieven ligt juist in 1: 1 van den onbestreden Filippensen-brief!
2) Heeft het getal 7 beteekenis? Harnack zegt: „non liquet” (Verfassung und Recht, bl. 24). Er is wel wat te zeggen voor de hypothese van Roomsche zijde (Wetzer und Welte, Kirchenlexicon2 Dl. III s.v. „Diakon”), dat dit getal correspondeert met een zevental plaatsen van samenkomst in de gemeente van Jeruzalem. In dien geest ook Zöckler, a.w., bl. 13, die aan zeven huisgemeenten denkt. In elk geval hield de Kerk van Rome het langst aan het zevental vast. Andere Kerken, trots het kerkelijk verbod, gingen wel het getal te boven. (W. u. W. t.a.p.).
3) Sohm, Kirchenrecht I bl. 73. De 7 waren „lehrbegabte Männer”. Vooral uit het prediken van Stefanus wordt dan afgeleid, dat door die verkiezing volstrekt geen organisatie der Jeruzalemsche gemeente tot stand kwam, of het diakenambt zou zijn in ’t leven geroepen. Ze waren charismatici, die volstrekt niet in naam der gemeente handelden. Toch spreekt Sohm, wonderlijk, van „das Amt der Sieben”.
Leder, a.w. bl. 73: de 7 waren „weder Kirchen- noch Gemeindeamt.” Ze waren slechts gevolmachtigden van de XII. Men zou deze conclusie niet verwachten van dezen Katholiek, die „die Urapostel für die Inhaber des allumfassenden Kirchlichen Rechtsamtes hält.” Evenwel wordt zij juist daaruit afgeleid. Anders bij Wetzer und Welte e.a.

|145|

2e. Ze zijn identiek met de presbyters, die Hand. 11: 30 optreden. Zoo o.m. Ritschl, Lechler 1). Daarmede zou wegvallen het vreemde, dat opeens van presbyters in Jeruzalem wordt gewag gemaakt, van wier instelling niets wordt vernomen. Evenwel is het διακονεῖν ταῖς τραπέζαις niet hetgeen nu juist tot het presbyterambt behoort. En het feit, dat de presbyters 11: 30 de gaven uit Antiochië in ontvangst nemen, als een geheel op zich zelf staand feit, kan allerminst als grond dienen, om hun oorsprong in Hand. 6 te zoeken.

3e. Ze oefenden een ambt uit, dat het midden hield tusschen dat van presbyter en diaken, of beide nog in zich besloot. Zoo v. Döllinger, Jacob 2). De kiemen van beide ambten waren in hen besloten. Deze hypothese wordt gedrukt door hetzelfde bezwaar, dat tegen de vorige werd ingebracht. Een duidelijk omschreven taak wordt hun toegewezen. Wel ligt in zoover in deze hypothese eenige waarheid, dat de scheiding der ambten nog bezig was zich te vormen en nog niet steeds duidelijk was aan te geven.

4e. Ze hadden slechts een ephemerisch ambt, dat bestemd was, om gelijk een opgeworpen golf, weer onder te gaan. Zoo o.m. Vitringa 3), Weizsäcker. Hun werk hield op, toen de twaalven Jeruzalem verlieten. Deze hypothese heeft veel overeenkomst


1) A. Ritschl, a w. bl. 353; G.V. Lechler, a.w. bl. 73 v.v. althans bestrijdt dit niet, en meent, dat de 7 niet het diakenambt kunnen hebben gehad, omdat hun werk veel meer omvang en beteekenis had. Dit ligt eenvoudig aan mindere schatting van het Diakenambt.
2) v. Döllinger, a.w. bl. 303, meent, op grond van Hand. 14:23, dat toentertijd nog geen scheiding plaats had tusschen presbyters en diakenen, en de 7 de bevoegdheden hadden, welke in die beide, later gedeelde ambten lag, en dat ook in de vroegste brieven van Paulus en ook in die van Jacobus nog geen spoor van een naast elkander bestaan te vinden zou zijn: „die beiden Beziehungen werden nog als gleichbedeutend gebraucht.” G.A. Jacob, The ecclesiastical Polity of the N. Testament, 1878, bl. 54, meent, dat het feit, dat de naam diaken eerst voorkomt Fil. 1: 1 hieraan moet worden toegeschreven, dat de titel presbyteri soms wordt gebruikt als algemeene naam voor kerkelijke ambtsdragers, insluitend de lagere orde van diakenen.
3) Vitringa, a.w. Lib. III, bl. 920 „septem illos oeconomos ecclesiae Hierosolymitanae longe alios fuisse a Diaconis de quibus Paulus loquitur in epistolis ad Timotheum et ad Philippenses.” Weizsäcker, a.w. bl. 611.

|146|

met de eerste. Er wordt dan soms wel toegegeven, dat er een voorbeeld in lag voor een ambtelijke functie, die later noodig zou blijken. Zoo Hatch, Harnack en Kühl 1).

In de vervolgingen ligt echter de oorzaak voor de hand, waarom de zeven spoedig van het tooneel verdwijnen, terwijl het feit, dat niet de instelling van diakenen uitdrukkelijk wordt vermeld, of zelfs misschien, dat ze niet steeds aanstonds werden ingesteld, Hand. 14: 23, nog niet het recht geeft te meenen, dat de zeven in Jeruzalem een geheel op zich zelf staand verschijnsel vormen, dat met het blijvend diakenambt of niets, of heel van verre iets te maken heeft.

Daartegenover nu heeft de Kerk van oude tijden af de instelling van het Diaconaat begroet in Hand. 6 2). De functies komen in hoofdzaak overeen met die welke, later aan het diaconaat zijn verbonden. Als vereischte geldt, dat ze zijn πλήρεις Πνεύματος καὶ σοφίας, evenals ook Paulus later hooge eischen stelt, 1 Tim. 3: 8-10, 12. Lukas staat lang bij de instelling stil, als om te doen gevoelen, dat 't een zaak geldt van blijvende beteekenis voor de gemeente. De geheele wijze van verkiezing wijst duidelijk op een ambtelijke functie, (zie Hfdst III, bl. 67) en wel door het Apostolaat en uit het Apostolaat ontstaan, maar niet zonder erkenning van het recht der gemeente. Hun dienst zelf wordt


1) E. Hatch, Die Gesellschaftsverfassung der christlichen Kirchen im Alterthum, (autorisirte Uebers. von Harnack) Giessen, 1888, bl. 43, „sie dienten als Vorbild für eine Klasse von Beamten, welche bald nothwendig wurden und die seitdem in den christlichen Kirchen ständig blieben.”
E. Kühl, Die Gemeindeverfassung in den Pastoralbriefen, Leipzig 1880, bl. 120, spreekt van een „Vorspiel”.
A. Harnack, in Expositor 1887, bl. 322, hecht aan de instelling veel gewicht: „The distinction between a διακονία τοῦ λόγου and a διακονία τῶν τραπέζων is the earliest datum in the history of Church Organization.” In Verfassung und Recht bl. 23, zeer weifelend: „es ist ganz unmöglich, die wirkliche Natur des Amts dieser Sieben und das Motiv ihrer Einsetzung fest zu stellen; „diakonen” im späteren Sinne waren sie jedenfalls nicht; denn der Diakonat ist kein selbständiges Amt; es bleibt hier also der Kombination der weiteste Spielraum”; men kan episcopen in hen zien, maar veel meer voor de hand ligt, om in hen rivalen van de twaalven te zien.
2) Zoo Irenaeus, de eerste schrijver die spreekt over de inzetting der 7, noemt hen diakenen, Irenaeus I. 26, 3, III. 12, 10, IV. 15, 1.
Zie o.a. Dr. J. van Lonkhuyzen, in „Het Diaconaat” bl. 37 v.v.

|147|

aangeduid als het διακονεῖν τραπέζαις, dus tafeldienst. Dit was ten volle dienst der barmhartigheid. Immers de liefde-maaltijden beteekenden in werkelijkheid een oefening van barmhartigheid op zeer groote schaal. Niet maar een private armenzorg van enkelen aan tafels der weduwen 1) of een armentafel voor personen zonder familie 2), maar de geloovigen zaten met elkander aan, brachten, voor zoover ze welgesteld waren, hun gaven, bestaande in naturalia, mede, en aten met de armen in eenvoudigheid des harten. Bij de groote uitbreiding der gemeente van Jeruzalem, en zeker wel voor het meerendeel onder de minderbedeelden, werd het ontvangen, bedienen, regelen dezer gaven een arbeid van ontzaglijken omvang. Vandaar de voorgestelde maatregel der apostelen. Het ging hier wezenlijk om het belang der ellendigen 3). Waar nu de eucharistie, hoezeer ook onderscheiden, aan de maaltijden verbonden was, kan het zijn, dat de diakenen eenigen hulpdienst verrichtten bij de avondmaalsbediening, maar dit was niet de eigenlijke bediening; daarvan wordt niets gemeld 4).

Natuurlijk trad het diakenambt te Jeruzalem in buitengewone gestalte op, geheel gelijken tred houdende met het exceptioneele karakter der Jeruzalemsche gemeente zelve. Maar wat geen oogenblik worde losgelaten is, dat de materie van den liefdedienst, de


1) Zoo spreekt Vitringa, Tom. II bl. 926 van „viduarum mensae.”
2) Weizsäcker, bl. 46: „Armentisch für Personen ohne Familie.”
3) Treffend Leder, a.w. bl. 17, 18, 19: „Die Gemeindearmenpflege war in jenen christlichen Tagen tatsächlich ein Teil der Kirchenverwaltung und zwar ein hochgewichtiger; die Kirche nahm sie sogar als ihre alleinige Domäne gegenüber andern gesellschaftlichen Organismen in Anspruch, entsprechend den Worten des Herrn. Für die älteste Zeit der Kirche gab es nur die eine Betrachtungsweise: Kirchengut ist Gottesgut, Gottesgut ist Armengut. Kirchengutsverwaltung war der andere synonyme Ausdruck für Gemeindearmenpflege. Was den Organen der Kirche für die Armen gegeben wurde, ist Gottes Eigentum geworden. Wittwen und Waisen und alle Armen heissen in der christlichen Sprache jener Zeit ein „Opferaltar Gottes”, θυσιαστήριον θεοῦ. (Polyc. ad Phil. IV. 3).
4) Sohm trekt zijn conclusie voor den arbeid der diakenen in den vroegsten tijd uit wat hun taak was in de tweede eeuw der afwijkingen, a.w. bl. 121: „Der Bischof ist derjenige, welcher die eucharistische Feier leitet. Er bedarf zu dieser seiner Tätigkeit der dienenden Gehülfe. Hier liegt der Ursprung des Diakonenamts. . . . Diakonie im engeren Sinne ist der helfende Dienst in der Eucharistie.”

|148|

ἀντιλήψεις van 1 Cor. XII, en de ambtelijke inzetting van dien dienst voorhanden was 1).

Men kan zeggen, dat in den kring der discipelen, die met Jezus omwandelden, reeds een praeformatie van het diakenambt werd gezien in den bijzonderen dienst, die aan Judas was toevertrouwd, de zorge voor de armen, gelijk hij dan ook onder de discipelen de beurs droeg, Joh. 12: 6; 13: 29.

Ten opzichte van de goddelijke instelling van het diakenambt stemt de Kerk van Rome hiermede in. Zij belijdt, dat het diaconaat zijn oorsprong heeft in Christus en zijn aanvang in de apostelen, en niet is een later product der gemeente, en dat de gansche Kerk voor alle tijden in Hand 6 een eigen institutie ziet en de wezenlijke instelling van het diaconaat erkent. Maar voorts huldigt ze afwijkende beschouwingen in verband met de spoedig intredende abnormale ontwikkeling. Een der zeven diakenen van Rome kreeg als archidiaken de hoofdleiding, terwijl reeds vroeg de diakenen van Rome den naam ontvingen van kardinaal-diakenen, en zitting hadden in den pauselijken raad. Buiten Rome werd, onder veranderde omstandigheden, het diaconaat een overgangstrap


1) Zie R. Seyerlen, Die Entstehung des Episkopats in der christlichen Kirche, mit besonderer Beziehung auf die Hatch-Harnacksche Hypothese, Zeitschrift für prakt. Theologie 1887, bl. 97-143, 201-245, 297-333. Jammer dat Seyerlen, bij zijn veelszins juiste beschouwingen, niets weten wil van een organisatie, die op goddelijke instelling berust, maar alleen „von das Werk der, wenn auch vielleicht auf Anstoss der Apostel hin, doch immer souverain sich selbst organisierenden Gemeinde.”
Dr. H. Bavinck, Ger. Dogm. IV, bl. 81 v.v. leidt ook den naam diakenen van Hand. 6 af.
Zöckler, a.w. eveneens zeer beslist: „Apg. 6 ist und bleibt der locus classicus, der echte Urbericht über die Genesis des christlichen Diakenamts.”
Lightfoot, a.w. bl. 188 v.v.; „the office thus established represents the later diaconate; I do not see how the indentity of the two can reasonably be called in question.”
Dr. H. Bouwman, Het Ambt der diakenen, Kampen 1907, bl. 10 v.v. „de dienst der barmhartigheid is Hand. 6 ingesteld als zelfstandig ambt en van Jeruzalem overgeplant.”
W.M. Ramsay, The christian Church in the Roman Empire, wiens grondhypothese is, dat de organisatie der chr. Kerk in alles zich richtte naar die van het Romeinsche Rijk, betoogt, bl. 363, hoe Hand. 6 reeds doet zien, hoe de Kerk zich accomodeert aan het Rom. Rijk, aangezien de eerste plicht van beide was het voeden der leden!

|149|

tot het presbyteraat. Thans vormt het diakenambt den laagsten trap van de drievoudige rangorde, tot hulp van den bisschop en de priesters, evenals de levieten. Maar ze zijn in hun ambt gesteld door sacramenteele wijding en door de oplegging der handen in de goddelijke hiërarchie opgenomen Vooral komt het verschil hierin uit, dat Rome in de aanstelling voor de armenzorg en de liefdemaaltijden slechts een „Gelegenheitsursache” ziet, maar niet het eigenlijke doel. Dat lag vóór alles hierin, dat ze dienaren waren der Kerk en der geheimenissen van Jezus Christus (de eucharistie) en geroepen tot de verkondiging van het Woord, terwijl het laatste vooral met het voorbeeld van Stefanus en Filippus wordt gestaafd. De kerkvaders noemen hen: oog, oor, mond, hart en ziel van den bisschop 1).

Reeds vroeger is uiteengezet, hoe wij ons het optreden van Stefanus en van Filippus als evangelist na de vervolging hebben te verklaren. Zeker is, dat bij hun roeping van een bediening van Woord en Sacramenten niets wordt vermeld. Waaruit natuurlijk niet volgt, dat de scheiding tusschen de ambten ooit zoo absoluut mag getrokken, zelfs niet in ordinaire tijden, dat de diakenen nimmer het Woord hebben te brengen. Veeleer wijst ook het formulier der bevestiging van diakenen op hun roeping, om de armen met „troostelijke reden” bij te staan. Maar terecht zegt Voetius, dat dit niet hun eigenlijke, specifieke en voornaamste dienst is, maar dat de liturgie dit eraan toevoegt „tamquam aliquid accessorium et occasionatum adjunctum” 2).


1) Wetzer und Welte, Kirchenlexicon2 Dl. III s.v. „Diakon” (Seidl).
A. Mertens, De hiërarchie in de eerste eeuwen des christendoms, 1908, bl. 64 v.v.
Herzog, Real. Encycl.3 s.v. „Diakonen” (H. Achelis).
2) Voetius, Polit. Eccl. P. II, L. II, tr. III, cap. VIII, bl. 496 bestrijdt het beroep van Rome op Stefanus en Filippus, nl. om met hen als voorbeeld te betoogen, dat het diaconaat bestaat „in subministratione circa doctrinam et sacramenta” en wel op dezen grond, dat Stefanus niet eigenlijk predikte, maar zich verantwoordde, en dat Filippus „aut ex diacono evangelista factus est et ab apostolis ad hunc gradum promotus, antequam Hierosolyma discederet, aut extraordinario a Deo per angelum vocatus fuit.” En daaruit volgt nog niet, dat hij tegelijk diaken en evangelist was, „et, dato, non concesso, minime tarnen sequitur, eos praedicasse et baptizasse qua diaconos et non qua evangelistas. De laatste onderscheidingen komen ons wel wat gezocht ➝

|150|

Uit het feit, dat de zeven allen Hellenistische namen droegen, behoeft nog niet eens te volgen, dat ze allen Hellenisten waren, wijl ook Joden zulke namen droegen; laat staan, dat hun aanstelling alleen zou zijn geweest met het oog op de Grieksche en niet ook de Hebreeuwsche weduwen. Door de gemeente gekozen, zullen ze ook zeker zich voor heel de gemeente ten dienste hebben gesteld. Voor het aannemen van het bestaan van Hebreeuwsche diakenen vóór de geschiedenis van Hand. 6 bestaat niet de minste grond 1).

Eveneens dient te worden afgewezen de meening, dat de zeven identiek zouden zijn met de νεώτεροι, die Hd. 5 worden genoemd 2). Reeds hierom, wijl die νεώτεροι in 5: 10 νεανίσκοι worden geheeten, en dus niet de minste reden bestaat, om aan een ambt of zelfs bepaalden stand te denken Ze waren eenvoudig jongelingen, die vrijwillige hulp betoonden bij bezigheden van ondergeschikten aard. Zooals nu nog menigmaal jonge menschen vrijwillige diensten praesteeren, b.v. bij de inzamelingen in de samenkomsten. Wel is het natuurlijk mogelijk, dat er uit dien kring van vrijwilligers ook tot het ambt werden gekozen, omdat onder hen krachten scholen. Maar, wat de jongelingen deden, was ὑπηρετεῖν, wat de zeven deden διακονεῖν 3).

Het specifiek christelijke in het diaconaat is er de kracht en schoonheid van. Daarom moeten de diakenen niet worden aangezien


➝ voor. In dien buitengewonen tijd, hebben wij bij het afbreken van den diaconalen werkkring aan een buitengewone roeping tot prediken te denken. Dergelijke singuliere gevallen komen ook later, mutatis mutandis, wel in de Kerken, bijzonder in dagen van vervolging, voor.
1) Dit laatste wordt geoordeeld door Jacob, a.w. bl. 55 in de ongegronde veronderstelling, dat de zeven alleen uit de Hellenisten waren gekozen. Laat dit zoo wezen, dan bewijst dit wel iets voor de loyaliteit van het joodsch-christelijk deel der Jeruzalemsche Kerk, maar nog niets voor het reeds voorhanden zijn van nog andere diakenen uit dien kring. Idem Mertens, a.w. bl. 64.
2) Zoo wederom Jacob, a.w. bl. 56, met een beroep op 1 Petr. 5: 5, waar evenwel van jongen en ouden slechts sprake is met het oog op leeftijd.
E. Kühl, Die Gemeindeordnung in den Pastoralbriefen, Berlin 1885, bl. 128, 129 zoekt de indentiteit van presbyters en episcopen te bewijzen met de indentiteit van νεώτεροι en διάκονοι. Maar dat laatste is juist niet aan te nemen. Terwijl πρεσβύτεροι allerwegen voorkomt als terminus technicus, is dat bij νεώτεροι niet het geval.
3) Zie Zöckler, a.w. bl. 10.

|151|

als N. Testamentische levieten, en evenmin de instelling worden beschouwd als een copie van de synagogale inrichting. Vitringa zoekt ook hier weer gelijkheid en denkt aan den ḥāzān, den ὑπηρετής (Luk. 4: 10) 1). Doch deze diende slechts tot uitwendige diensten, die geen geestelijken inhoud hadden, terwijl bovendien in de synagoge in den regel maar één ḥāzān was. Beter kon men dan nog aan een praeformatie denken bij den nakkā’ey ṣedāqāh, den inzamelaar der aalmoezen, maar deze was een burgerlijk beambte.

Voortgekomen uit het Apostolaat, was het natuurlijk de bedoeling, dat in alle Kerken, ook in die uit de heidenen vergaderd, het diaconaat zou worden ingezet. Of dit aanstonds overal geschied is, valt niet met zekerheid te zeggen. Hd 14: 23 spreekt ten opzichte van de kerken van Lycaonië alleen van presbyters. Ook gebiedt Paulus aan Titus (Tit. 1: 5) alleen het aanstellen van ouderlingen. Maar ook hier willen we aan het argumentum e silentio geen gewicht hechten. Van Filippi wordt ons uitdrukkelijk medegedeeld, dat ze in de gemeente waren, Fil. 1: 1. En waarom zouden er niet eveneens zijn gekozen in veel andere gemeenten, waar ze niet even uitdrukkelijk met name worden genoemd?

Maar evenmin gaat het aan, om, waar ons de gegevens ontbreken, met besliste zekerheid te zeggen, dat evenals presbyters, zoo ook allerwege aanstonds diakenen zijn aangesteld. Temeer, waar ten opzichte van de organisatie eener gemeente de beide ambten van presbyters en diakenen niet op één lijn kunnen worden gesteld, en in de eerste tijden de scheiding tusschen de ambten nog niet scherp was doorgetrokken. Zoo ver zouden we met Voetius niet durven gaan 2) Allerwegen echter waren de vormen van het diaconaat aanwezig in de heiden-christelijke Kerken, Rom. 12: 8; 1 Cor 12: 28 Het charisma was geschonken, waaraan slechts de ambtelijke dienst behoefde verbonden te worden. Daarom lacht ons de gedachte toe, dat er wel geen gemeenten zullen geweest zijn, waar niet, in verband met de innerlijke behoeften, en in verband met de instelling in Jeruzalem ook tot


1) Vitringa, De Synagoga Vetere III, 2, 4, bl. 914; III, 2, 22, bl. 1130.
2) Voetius, Polit. Eccl. P. II, L. II, tr. III, cap. VIII, bl. 496 bij 1 Tim. 3: 8 en Fil. 1: 1: „unde colligimus in omnibus ecclesiis fuisse et debuisse esse diaconos.”

|152|

dezen werkkring broeders verkoren zijn. Fil. 1: 1 en 1 Tim. 3: 8 v.v. leveren het bewijs, dat, ongetwijfeld naar het διακονεῖν τραπέζαις van Hd. 6:2, de naam διάκονος als technische naam, sensu praegnante, burgerrecht verkreeg.

Opmerkelijk is, dat steeds te zamen genoemd worden episcopen en diakenen. Het is een wezenlijke verdienste van Hatch, dit op den voorgrond te hebben geplaatst 1). Zoo Fil. 1: 1 en 1 Tim. 3, waar de vereischten van beide worden opgesomd. Voorts 1 Clem. 42, waar van de Apostelen wordt gezegd, dat ze predikend in stad en land de eerstbekeerden aanstelden als episcopen en diakenen over hen, die daarna geloovig zouden worden, cf. Hermas Vis III: 5. Wordt nu de identiteit aanvaard tusschen episcopen en presbyters, dan valt het hopeloos gecompliceerde in de eerste organisatie weg, en zien we deze beide hoofdtakken uit den stam van het Apostolaat uitbotten. Doch het eigenaardige van de Hatch-Harnacksche hypothese ligt juist in een scheiding tusschen episcopen en presbyters, zoodat men twee onderscheiden (later volgens Harnack gecombineerde) organisaties krijgt, ééne, berustende op het onderscheid tusschen leiders en wie geleid worden (presbyters en νέοι, sc. het volk) en ééne, berustende op het systeem van te verrichten functiën, als armenzorg, cultus etc., nl. bestuursbeambten (episcopen en diakenen).

Met het oog op de diakenen zij reeds hier van Hatch’s hypothese het volgende medegedeeld. Te midden van de velerlei genootschappen in de Grieksch-Romeinsche wereld, waaraan de christelijke Kerken in haar inrichting zich geheel aansloten, onderscheidden de christelijke gemeenten zich wezenlijk op één punt: terwijl vele andere ook barmhartigheid oefenden, was dit bij de christelijke gemeenten echter geen accidens, maar het eigenlijke wezen (bl. 28). In zulke gemeenten moesten naar den aard der zaak wel de bestuurs- en finantie-beambten op den voorgrond treden. In de niet-christelijke genootschappen van KI. Azië en Syrië heette zulk een beheerder of ἐπιμελητής of ἐπίσκοπος. Ook waren ze wel in de stedelijke colleges als een commissie uit de βουλευταί. Ook werden voor deze functie namen gebruikt, die het bestuurswerk


1) E. Hatch, a.w. bl. 43, 240.

|153|

karakteriseerden: οἰκονομία, διακονία (bl. 34). Waarschijnlijk was er een tijd in de Christelijke Kerk, toen die bestuursfunctiën in handen waren van één eenige klasse van beambten, maar naar de voorstelling van het N. Testament is het een dubbele: een leidend en een dienend ambt. Reeds in de Jeruzalemsche gemeente was scheiding noodig, en zoo ontstonden de zeven, en deze waren het Vorbild van een klasse van beambten, aan wie spoedig behoefte werd gevoeld, nl. de diakenen (bl. 42 v.v.). In den apostolischen tijd zijn beide klassen nog zoo innig verbonden, dat zij nauwelijks zijn te onderscheiden. De arbeidsverdeeling wordt in den na-apostolischen tijd eerst recht duidelijk kenbaar; in de groote saamkomsten, zooals Justinus Martyr beschrijft (Justin Apol. I 55: 57), is er één beambte, die de offergaven ontvangt en zegent, maar anderen, de διάκονοι, verdeelen ze onder het volk.

Harnack in zijn analecten spint aan de draden voort, die Hatch hem in de hand gaf, en in de veronderstelling, dat de diakenen tot de νεώτεροι behoorden, trekt hij deze conclusie (terwijl hem anders onbegrijpelijk voorkomt de reeds vroegtijdige onderscheiding tusschen episcopen en diakenen): „Die Natur des Amtes der Episkopen und Diakonen muss ursprünglich wesentlich identisch gewesen sein; aber es wurde differenzirt durch das Alter des die Amtspflichten Versehenden. Ein und dasselbe Amt erscheint als ein Ambt der Dienstleistung, sofern es ein Jüngerer versah, und als ein Amt der Verwaltung und Leitung, sofern als ein Aelterer versah.”

Dat episcopen en diakenen als de twee blijvende ambten innig verbonden zijn, is ontwijfelbaar waar, maar dat ze van meet af van elkander wezenlijk onderscheiden zijn leert, het N. Testament allerwegen, zooals Hatch dan ook zelf toestemt. Dat men nu achter het N. Testament een vroegere identiteit zoekt, ligt aan de grondfout, welke de hypothese aankleeft, namelijk, dat de episcopen geen bekleeders van een geestelijk ambt zouden zijn, maar administrateurs, beheerders van finantiën, aan wie het opzicht over het armengoed was opgedragen. Welke onderscheiden plaats blijft er dan nog over voor het diakenambt, dan alleen als dienstverrichting voor de episcopen? Er is dan verschil in rang, maar niet in aard. Vindt men dan toch, gelijk in het hinderlijke Fil. 1: 1 de diakenen naast de episcopen afzonderlijk genoemd,

|154|

dan moet er iets op gezocht, om de episcopen naar de diakenen of de diakenen naar de episcopen heen te dringen 1).

De zaak, waarom het hier gaat, is, of het diaconaat werkelijk een zelfstandig ambt is. En dit nu moet tegenover al deze en dergelijke beschouwingen met hand en tand worden vastgehouden. Men meent sterk te staan bij de principieele identificeering van beide ambten, door er op te wijzen, dat de vereischten, welke gesteld worden voor het opziener- en diaken-ambt, 1 Tim 3: 2-7 en 8-10, 12, op de keper beschouwd dezelfde zouden zijn 2).

Toch ligt hier inderdaad het sterkst bewijs voor de zelfstandigheid van beide ambten. Heel dit hoofdstuk geeft aanstonds den indruk, dat Paulus handelt niet over een hooger en lager ambt van dezelfde soort, maar van twee afzonderlijke, wezenlijk onderscheiden ambten, die elk een eigen wel afgebakenden weg bewandelen. Of, waartoe zou anders de tweevoudige opsomming van kwaliteiten noodig wezen? Ware het dan niet eenvoudiger geweest te zeggen: „Opzieners en diakenen moeten aan de volgende vereischten beantwoorden”?

Paulus schrijft aan Timotheus voor de diakenen de volgende kwaliteiten voor (1 Tim. 3: 8-10, 12): Διακὀνους ὡσαύτως σεμνούς, μὴ διλόγους, μὴ οἴνῳ πολλῷ προσέχοντας, μὴ αἰσχροκερδεῖς, ἔχοντας τὸ μυστέριον τῆς πίστεως ἐν καθαρᾷ συνειδήσει. καὶ οὗτοι δὲ δοκιμαζέσθωσαν πρῶτον, εἶτα διακονείτωσαν ἀνέγκλειτοι ὄντες. διάκονοι ἔστωσαν μιᾶς


1) Sohm, Kirchenrecht I, 123, bestrijdt wel de voorstelling van Hatch-Harnack, alsof episcopen en diakenen oorspronkelijk identisch waren, ja, de eersten uit de laatsten zich hebben ontwikkeld, doch houdt vast, dat beide ambten dezelfde taak hadden: nl. bestuur bij eucharistie en over het kerkelijk goed. Maar de verhouding tot die taak was verschillend: het diakenambt was bezig in het geringere, ondergeschikte, onzelfstandige, het dienend ambt in bijzonderen zin.
2) Alzoo Hatch, bl. 43 „In den Pastoralbriefen sind die für sie geforderten Qualificationen kaum zu unterscheiden.” Harnack, Analecten, bl. 242: „Die für die Diakonen geforderten Qualitäten sind fast dieselben wie die für die Episkopen verlangten.” Idem, Verfassung und Recht, bl. 51.
Idem Sohm, a.w. bl. 123 „Es fällt auf, dass in unseren Quellen für Bischöfe und Diaconen wesentlich die gleichen Eigenschaften verlangt werden.” Er wordt dan verwezen, niet alleen naar 1 Tim. 3, maar ook naar 1 Clem. 44: 2, waar van beiden geëischt wordt, dat ze beproefde mannen, δεδοκιμασμένοι ἄνδρες, zullen zijn; naar Did. 15: 1 ἄνδρας πραεῖς καὶ ἀφιλαργύρους καὶ ἀληθεῖς καὶ δεδοκιμασμένους; en naar Polyc. ad Philipp. 5: 2.

|155|

γυναικὸς ἄνδρες, τέκνων καλῶς προϊστάμενοι καὶ τῶν ἰδίων οἴκων. Ten opzichte van deze plaats merken we op: 1°. wat aangaat de vergelijking met de vereischten aan den opziener gesteld vs 2-7 (cf. Tit. 1: 5 v.v.), noemt hij voor den laatste het dubbel zooveel als voor den diaken, zestien en acht; wat echter het onderscheid specifiek maakt, is, dat in den opziener wordt geëischt dat hij διδακτός zal zijn, iets wat Paulus voor Titus (Tit. 1: 9) breed uitwerkt. Voor dat groot verschil, dat aan den episcopus het leeren is toebetrouwd, sluit men veelszins, natuurlijk in verband met de hypothese aangaande den episcopus, het oog. Maar dit juist beslist alles. Eindelijk, hoe zou het anders kunnen, of in beide ambtsdragers worden veel gelijke kwaliteiten vereischt, inzonderheid wanneer het ’t moreele geldt? Voorts, 2°. de kwaliteiten zijn de volgende: eerbaar, (blijkens ὡσαύτως correspondeerend met het ἀνεπίλημπτον der episcopen); niet tweetongig (ad alios alia loquentes, Bengel); niet tot veel wijn zich begevend, waartoe gevaar kon bestaan bij het veelvuldig verkeer in de huizen der geloovigen; niet vuil-gewin-zoekend; hebbende de verborgenheid des geloofs (d.i. de objectieve waarheid, die door het geloof wordt aangenomen) in een rein geweten (dat met die waarheid niet in tegenspraak komt); onberispelijk gebleken na een voorafgaande beproeving (niet door het stellen van een bepaalden proeftijd; evenmin beduidt ’t het slechts door het verkeer in de gemeente gunstig bekend zijn, maar het resultaat van een ernstig onderzoek naar het verleden en heden; terwijl καὶ οὗτοι bewijst, dat hetzelfde ook geschiedde met het oog op de opzieners); ééner vrouwe mannen, en die hun kinderen wel regeeren (niet wordt afgekeurd successieve bigamie of polygamie, sc. tweede huwelijk, wat met het oog op 1 Cor. 7: 8, 9, 39 niet mogelijk is, daargelaten dat Paulus zich dan duidelijker zou hebben uitgedrukt maar de simultane bigamie of polygamie 1).


1) H.J. Holtzmann, Die Pastoralbriefe, Leipzig 1880, Weisz bij Meyer enz. verstaan het van het herhaalde huwelijk, vooral met beroep op 1 Tim. 5: 9 ἑνὸς ἀνδρὸς γυνή, waar van geen andere opvatting dan van successieve bigamie zou kunnen sprake zijn. Evenwel ook daar is evenzeer bedoeld, een weduwe, die tijdens haar huwelijk huwelijkstrouw heeft betoond.
Dr. B.J. Esser, Zending en Polygamie, acad. proefschrift, Baarn, 1905, bespreekt het μιᾶς γυναικὸς ἀνήρ in 1 Tim. 3: 2 en parall. pl. sparsim, in verband met de vraag, of aan polygamisten de doop al dan niet moet worden ➝

|156|

Van vrouwen, werkzaam op het diaconaal terrein maakt het N. Testament melding Rom. 16: 1, waar Phoebe wordt genoemd διάκονος τῆς ἐκκλησίας τῆς ἐν Κενχρεαῖς 1), en 1 Tim. 5: 9 χήρα καταλεγέσθω μὴ ἔλαττον ἔτῶν ἑξήκοντα γεγονυῖα, ἑνὸς ἀνδρὸς γυνή, d. i zulk een weduwe zou formeel worden opgeteekend (niet „gekozen”), opdat men ingeval er hulp noodig was, zou weten tot wie men zich kon wenden Aan een bepaalde aanstelling, of instelling van een diakonessen-ambt, zooals dat later werd ingevoerd, behoeft derhalve niet te worden gedacht. Ze waren de natuurlijke hulpkrachten, aan de diakenen, waarschijnlijk bij voorkeur uit hun eigen vrouwen, toegevoegd 2).

Op welke wijze de diakenen van hun oorspronkelijke taak werden vervreemd , is reeds hierboven gebleken. Op het nauwst verbonden aan den monarchischen bisschop, werden ze al meer


➝ toegediend. Slaat toch de eisch, aldaar aan de ambtsdragers gesteld, op de simultane polygamie, dan ligt implicite daarin besloten, dat er onder de gemeenteleden wèl polygamisten gevonden werden, bl. 13 Bij de Kerkvaders was de gangbare uitlegging die van de successieve polygamie, uitgezonderd Theodorus van Mopsuesta, bl. 14, 15 en Theodoretus, die denken aan eigenlijke polygamie De opinie van Petrus Martyr bl. 56; van Calvijn bl. 59; van Beza bl. 62. Zie voorts bl. 70, 71, 75, 77, 81.
Het in 1 Tim. 3 tusschenin liggende vs. 10, door velen, b.v. ook door Harnack, Verfassung und Recht, bl. 51, verdacht te zijn geïnterpoleerd als Randglosse, valt uitnemend tusschen hetgeen gezegd wordt van den diaken als persoon, vs. 8-10, en van zijn huis, vs. 12, wanneer men nl. denkt, noch aan vrouwen in het algemeen, noch aan de vrouwen zoowel van episcopen als diakenen, maar vooral aan de vrouwen van de diakenen, die bij den arbeid harer mannen menigmaal geroepen werden hulp te verleenen, of ook aan andere vrouwen, die, al waren ze dan ook niet in een ambt als diacones, met den arbeid en het huis van den diaken in bijzondere relatie stonden als auxiliatrices.
1) Phoebe wordt vs. 2 ook genoemd προστάσις πόλλων, patronesse van velen, wat evenmin als διάκονος op een ambtelijke positie ziet. Kenchreae, de Corinthische havenstad, had een eigen gemeente. De bezoekers van Corinthe kwamen van het oosten af hier binnen, en van hier vertrokken ze weer. En de goede hulp, die deze zuster placht te bieden, werd verleend vooral in verband met het vreemdelingen-verkeer en de daarbij betoonde gastvrijheid. Vandaar die eervolle namen. Zie Weizsäcker a.w. bl. 609.
2) Voetius, Polit. Eccles. P. II, L. II, tr. III, bl. 508 rekent haar inter adjutores perpetuos et permanentes, als auxiliatrices diaconorum. Syn. nat. Dordr. 1578 et Midd. 1561, quaest. partic. 56 judicabat ob rationes, tunc haud consultum esse, ut usus diaconissarum denuo introduceretur. Zoo noodig zouden de vrouwen der diakenen helpen, of andere, die geschikt waren.

|157|

ondergeschikt, terwijl het presbyter-college tusschen bisschop en diakenen werd ingeschoven. Naast altaardienst en aalmoezenzorg, prediking, en, als de bisschop het toeliet, doopen, hadden ze ook bezigheden van lager orde, als het bewaken der deuren, bijbellezen, enz. 1). Zoo ging het schriftuurlijk diakenambt feitelijk onder. En het heeft zeker wel waarde, wanneer van andere dan van betrokken zijde, lof wordt toegekend aan de Gereformeerden, dat zij in de Kerken het diaconaat naar de H. Schrift weer hebben in eere gebracht: „Es gebührt der reformirten Kirche das Lob, dieses Glied der apostolischen Kirchenverfassung seiner Vergessenheit entrissen und eine gesunde kirchliche Entwicklung der kirchlichen Vermogensverwaltung wie der Armen- und Krankenpflege angebahnt zu haben” 2)


1) Herzog, Real. Encycl.3 s.v. „Diakonen” (H. Achelis).
2) K. Lechler, Die N. Testamentliche Lehre vom heiligen Amte 1857, bl. 171.

Sillevis Smitt, P.A.E. (1910) HIX

|158|

 

Hoofdstuk IX.

Presbyters (Episcopen).

 

In de stof van dit laatste hoofdstuk ligt de cardo rerum voor de geschiedenis der organisatie, aangezien hier de moeielijkste problemen zich voordoen en de zienswijzen het verst uiteenloopen. In dit opzicht is dan ook dit hoofdstuk het gewichtigste.

Met betrekking tot het ambt, door deze namen presbyters, episcopen aangeduid, wenschen we te behandelen:
I. den oorsprong van dezen dienst;
II. de identiteit van presbyters en episcopen;
III. de bevoegdheden;
IV. de abnormale ontwikkeling in het eenhoofdig episcopaat.

I. De Oorsprong.

Wat betreft den naam πρεσβύτεροι diene het volgende.

Het woord komt in het N. Testament voor in tweeërlei zin. In de eerste plaats, om aan te duiden de mannen van gevorderden leeftijd, wien vanzelf eerbied toekomt tegenover de νεώτεροι; waarbij de naam dus heenwijst naar een zeer natuurlijke onderscheiding, b.v. Hd. 2: 17; 1 Tim. 5: 1; 1 Petr. 5: 5. In dezen zin wordt ook πρεσβύτης gebruikt, Luk. 1: 18; Tit. 2: 2; Filem : 9 In de tweede plaats om aan te duiden een ambt, hetzij in den Joodschen Raad en Synagoge (zoo b.v. in de Evangeliën), hetzij in de christelijke gemeenten. (De 24 ouderlingen uit de Apocalypse blijven buiten bespreking). Als ambt in de Christelijke Kerk komt het voor: Hd. 11: 30; 14: 23; 15: 2, 4, 6, 22, 23; 16: 4; 20: 17; 21: 18; 1 Tim. 5: 17, 19; Tit. 1: 5; Jac. 5: 14; 1 Petr 5: 1; 2 Joh.: 1; 3 Joh.: 1 1).


1) Zie o.a. Encyclopaedia Biblica, Cheyne and Sutherland Black, s.v. „Presbyters” (J.A. Robinson). De onderscheiding tusschen „natural and official prestige” is niet steeds makkelijk: „it can be distinguished only by the context in which the word occurs.”

|159|

Hierbij trekt de aandacht — en men heeft niet nagelaten daaruit als argumentum e silentio onbewezen gevolgen te trekken, — dat Paulus het woord niet gebruikt, uitgezonderd in de Pastoraalbrieven. Reeds uit dien hoofde zijn voor ons die gevolgtrekkingen, alsof Paulus geen presbyters zou hebben gekend in de door hem gestichte gemeenten, waardeloos, wijl men die bewering nooit zou kunnen uitspreken, indien men Hand. 14: 23; 20: 17, 28 en de Pastoraalbrieven niet op lateren datum zette.

Sommigen nemen niet twee, maar drie beteekenissen aan, nl. 1°. als ouden tegenover jongen, 2°. als eeretitel van een bepaalden stand, 3°. als ambtelijk gekozen tot lid van een raad 1). Voor de onderscheiding tusschen de beide eerste bestaat echter geen genoegzame grond. Waar van ouderen in leeftijd wordt gesproken, geschiedt dit steeds in verband met de eere, waarop ze aanspraak hebben tegenover de jongeren 2).

Van beteekenis is, dat het woord steeds voorkomt in het meervoud, terwijl het college, de raad, door de presbyters gevormd, wordt aangeduid als presbyterium, 1 Tim. 4: 14, waar sprake is van de oplegging der handen door het πρεσβυτέριον.

Voor den oorsprong van het presbyteraat vinden we dus:
1°. een natuurlijke basis, waar het in de schepping zelve gegrond is, dat de ouderen leiding hebben in hun kring In zooverre is het niets bijzonders, dat er allerwege analogiën worden gevonden, terwijl daarom van nabootsing nog geen sprake behoeft te zijn. Zoo had Sparta zijn γερουσία, Rome zijn senatus uit de patres conscripti bestaande Ook spreekt het vanzelf, dat, hoewel inden regel ouderen voor de leiding in aanmerking kwamen, allerwegen het woord, waarin oorspronkelijk de leeftijd sprak, een terminus technicus werd, ofschoon toch niet steeds voor het ambt gevorderde leeftijd geëischt werd.
2°. In het O. Testament nemen de oudsten een belangrijke plaats in het leven van Israël in, Ex. 3: 16; 12: 21 enz.
3°. Een praeformatie wordt gevonden in de synagoge. Vroeger is betoogd, in hoeverre in de synagogale verhoudingen een schema


1) Zoo Harnack, Verfassung und Recht, bl. 44.
2) Later komt dit nog bij 1 Tim. 5: 17 ter sprake.

|160|

kan worden erkend van de organisatie der Christelijke Kerk (Hfdstk III, bl. 71, 72). Met name geldt dit voor de oudsten. De naam werd overgenomen, maar de zaak, door den naam aangeduid, was iets anders in de synagoge met haar gemengd burgerlijk-kerkelijk karakter en in de Christelijke Kerk met haar eigen van de burgermaatschappij onderscheiden leven 1). Nog sterker geldt


1) Weifelend is Harnack op dit punt en spreekt van synagogale, van stedelijke invloeden en van wat spontaan uit het christelijke leven opkwam, bl. 44, l.a.w. In elk geval is de beschouwing niet geheel dezelfde als in de analecten op Hatch, 1883.
Vermelding verdient de hypothese van Holtzmann, Die Pastoralbriefe, bl. 194. Hij neemt een dubbelen invloed aan. Paulus zou zich wel aan de synagoge hebben aangesloten, maar deze was in de diaspora zelf reeds onder den invloed van het Grieksch-Romeinsche genootschapswezen. In de „echte” brieven van Paulus worden dan nog geen vaste vormen gevonden, maar in de Pastoraalbrieven zou de Joodsch-wettische invloed in de aansluiting aan de synagoge duidelijk aan het licht treden.
K. Lechler, Die N Testam. Lehre vom heil. Amte, bl. 194 meent, dat de instelling der oudsten vanzelf is overgegaan uit Israël in het N. Testament. De oudsten in de eerste joodsch-christelijke gemeenten zouden eenvoudig de oudsten geweest zijn van de synagoge, die geloovig werden. Dit kan wel voorgekomen zijn, maar mag toch allerminst als algemeene regel worden aangenomen. De bevoegdheid tot het ééne postuleerde nog niet het andere. En van zekere verplichting tot overname kon geen sprake zijn.
Van belang is nog de hypothese van Loofs, a.w. bl. 643, die evenals Holtzmann de synagoge als voorbeeld neemt, niet alleen voor de joodsch-, maar ook voor de heiden-christelijke gemeenten. Doch langs anderen weg; niet wijl in de Diaspora de synagogen onder heidensche invloeden kwamen, maar omdat de joodsche gemeenten uit de Diaspora op de heidenwereld inwerkten: „an sich ist nichts Selbstverständlicher, als die Anknüpfung der Christlichen Gemeindeverfassung an die der jüdischen Gemeinden.” Ook in de heidenwereld, omdat overal in de Diaspora synagogen waren; deze waren religieuse gemeenschappen; dus zulke gemeenten waren geen novum quid op Grieksch-Romeinsch grondgebied. . . . „aus den Diaspora-gemeinden haben sich zweifellos die ersten christlichen Gemeinden in der Heidenwelt rekrutiert. Was liegt naher als die Annahme, dass auch die Verfassungsverhaltnisse hier ähnlich sich gestalteten wie dort.” Wanneer bij Clemens presbyters en episcopen identisch zijn, dan is dat geen accomodatie (Loening), maar zijn sedert lang de episcopen in Rome ook presbyters genoemd.
P.W. Schmiedel in Encycl. Biblica, s.v. Ministry, oordeelt ook, dat in de gemeenten uit de heidenen, evengoed als in Palestina, presbyters konden zijn, zelfs zonder analogie met de heidensche instellingen, doch alleen omdat het een heel natuurlijke zaak is, dat oudsten gekozen worden.

|161|

dit van den Joodschen Raad. In de steden van Palestina, waar de Joden in het bezit waren van het burgerrecht, was de macht in handen van den Raad (βουλή, συνέδριον, Mtth 5: 32; 10: 17; Mk. 13: 9), een locaal gerechtshof, waarvan de leden heetten, evenals van den Grooten Raad: presbyters 1). In de joodsche steden waren de oudsten van den Raad ook oudsten van de Synagoge. In de Diaspora waren presbyters, of gelijk ze genoemd werden: archonten 2).

Niettemin ziet Hatch 2) in die beide verzamelingen, de synagoge voor het volk en het synedrium, den zetel der oudsten, geheel dezelfde organisatie als in de joodsch-christelijke kerken. Bij de erkenning van den Christus bleef dan uiterlijk alles hetzelfde; met behoud der namen, bleven ook de analoge functies van bestuur en tucht. Bij de christelijke Kerken uit de Heidenen was het gecompliceerder. In de heidenwerereld werd ook allerwegen gevonden, dat een comité de leiding had, terwijl de leden daarvan als oudsten kenbaar waren. Geheel onafhankelijk van joodschen invloed namen daar de christenen die communale verhoudingen over. Ook hier waren de functies dezelfde als van het Synhedrium: jurisdictie in godsdienstige en privaat-rechtelijke zaken. Had de joodsche invloed geheerscht, dan zou de joodsche naam alleen zijn bewaard, doch nu kwamen er ook allerlei andere namen op, hoewel één uit alle namen de andere overleefde, nl. die van presbyter.

Voor de joodsch-christelijke gemeenten is van het verschil reeds genoeg gezegd. Voor de gemeenten uit de heidenen ziet Hatch voorbij, hoe er tusschen haar organisatie en die in Palestina geen wezenlijk verschil bestaat 3). Reeds de persoon van den organisator Paulus, stond hiervoor borg. En bovendien, de ontwikkeling der ambtelijke functiën, gelijk die geteekend worden in 1 Cor 12: 28, Rom. 12: 6, 7, waar de abstracte uitdrukkingen worden gevonden in de taal van het charisma voor de concrete benamingen van opzieners (resp. προϊστάμενοι 1 Thess. 5: 12) en diakenen, teekenen zoo duidelijk den groei eener organisatie uit eigen zaden opgesproten, dat heel de theorie van aansluiting aan het heidensche leven een


1) Zie Loening, a.w. bl. 64; Schürer, a.w.4, Dl. II, bl. 224.
2) Hatch, a.w. bl. 53 v.v.
3) Zoo o.a. Hausrath, N.T. Zeitgeschichte II 396, dat de christelijke gemeenten binnen tien jaren in overeenstemmende wijze waren georganiseerd.

|162|

fictie is. En voorzoover er zekere analogie wordt gevonden, is dit niet iets bijzonders, maar slechts bewijs, dat ook de Kerk van Christus van de basis van het natuurlijke leven niet afgenomen is, maar nu op die natuurlijke basis naar eigen beginsel geheel eigensoortig opkomt. Trouwens die copiëering van het communale leven in de heidenwereld wordt ook gelogenstraft door den band, dien het presbyteraat heeft aan het huiselijke leven, waarin we een vierden trap van zijn oorsprong erkennen 1).

4°. Huisgezin en gemeente hebben van meet af een innigen band. Elk geloovig gezin is een Kerk in het klein, en in huisgemeenten vergaderen de geloovigen in den eersten tijd veelvuldig. Eenerzijds is het presbyteraat een goddelijke instelling, die Christus door Zijn Apostelen heeft doorgevoerd in alle gemeenten; anderzijds wordt het ambt op natuurlijke wijze geboren. Welk een hooge beteekenis daarbij aan de ἀπαρχαί moet worden toegekend, waarbij ambtelijke vocatie niet buitengesloten behoefde te zijn, leert ons het voorbeeld van Stefanus in Cor., 1 Cor. 16: 15, 19, en werd te voren uiteengezet (Hoofdst. VI, bl. 126) 2). Wat we


1) Van hooge waarde zijn de laatste onderzoekingen op het gebied van het Grieksche vereenigings- en genootschapsleven, vooral aan de hand der nieuwste ontdekte Papyri ingesteld, door Franz Poland in zijn Geschichte des Griechischen Vereinswesens, gekröntes Preisschrift von der fürstlich Jablonowskischen Gesellschaft, Leipzig 1909. Dit meesterwerk is een voortzetting en uitbreiding van Erich Ziebarth’s studiën over hetzelfde onderwerp: das Griechische Vereinswesen, Leipzig 1896, en door dezelfde Vereeniging bekroond. Poland, sprekende van de πρεσβύτεροι in Egypte, bestrijdt de hypothese van Hatch in zake de presbyters in dezer voege, bl. 373: „Schwerlich wird man nun, vielleicht von dem zuletzt genannten Falle abgesehen [hiermede is bedoeld de op zich zelf staande verschijning van den πρεσβύτερος in een college van Prusa], in dem Worte πρεσβύτεροι eine eigentliche Amtsbezeichnung finden, schwerlich auch etwas echt Griechisches. Für das Verhältniss aber zwischen Heiden- und Judentum ist diese Erscheinung wichtiger als die Presbyter der Gerusien, die man seit Hatch immer wieder herangezogen hat, um die christlichen Presbyter aus Griechischem Vorbilde zu erklaren”.
2) Harnack weerspreekt dit in Expositor 1887, On the origin of christian ministry, bl. 330: „In the epistles of Paul which were written before his Roman imprisonment, we do not meet with official persons in the strict sense of the word, nor with terms designating office, nor with presbyters.” In degenen van wie Paulus spreekt „of those who have the rule”, ziet Harnack charismatici.

|163|

voor de oogen zien in het N. Testament, wordt door Clemens bevestigd: 1 Clem. 42: 4 waar van de Apostelen wordt gezegd: κατὰ χώρας οὖν καὶ πόλεις κηρύσσοντες καθίστανον τὰς ἀπαρχὰς αὐτῶν εἰς ἐπισκόπους καὶ διακόνους τῶν μελλόντων πιστεύειν (cf. Did. 15: 1). Kwam zoo het ambt uit de ἀπαρχαί op, wat blijft er dan over van een copiëering van het genootschaps- en stedelijk leven der heidenen?

5°. De naaste oorsprong van het presbyteraat ligt natuurlijk in de vocatie door de gemeente, met of zonder de Apostelen, zooals het geval van Hd. 14: 23 zulk een verkiezing doet veronderstellen voor al de Kerken Dat men in den kring van Palestina zich aansloot aan het Joodsche spraakgebruik en aanstonds presbyteri als technischen term nam, ligt in den aard der zaak, en dienovereenkomstig vinden we dien naam dan ook in Lukas’ verhaal omtrent de gemeente van Jeruzalem en bij Jacobus (Jac. 5: 14). In de heiden-christelijke Kerken traden eerst zulke namen op den voorgrond, die eenvoudig de functie uitdrukten (ἐπίσκοπος, προϊστάμενοι, κυβερνήσεις). Ook leende de naam ἐπίσκοπος zich beter om naast διάκονος te worden geplaatst (Fil. 1: 1). Toch verkreeg naast ἐπίσκοπος met gelijke rechten in de Pastoraalbrieven de naam πρεσβύτερος een vaste plaats 1).

Ἐπίσκοπος beteekent iemand, die opzicht heeft te houden, in het midden gelaten, waarover of over wie (zaken of personen) dat opzicht gaat. In Athene heetten zoo b.v. de mannen, die gezonden


1) Weizsäcker, a.w., bl. 613 heeft een geheel tegenovergestelde beschouwing, natuurlijk samenhangende met de critiek der bronnen: 1°. in den Vorsteher van den apostolischen tijd ziet hij geen gemeentelijk ambt; 2° de Pastoraalbrieven hooren tot den na-Apostolischen tijd; 3°. in dien tijd komt presbyter voor als eeretitel, terwijl het leidend ambt bij den episcoop berust, echter met dezen onderlingen samenhang, dat de episcopen uit den stand der presbyters worden genomen. Hij acht, bl. 618, presbyter niet van joodschen oorsprong, wijl geen verdere analogie bestaat dan in den naam, doch van heidensche origine, van de θίασοι. Bovendien geldt presbyter niet van leeftijd, maar van het langer verkeer in de gemeente.
θίασοι en ἔρανοι zijn de private genootschappen, door den staat toegelaten, die in Griekenland en Rome den eenen of anderen nieuwen cultus invoerden. Ze hadden een zelfstandige organisatie en een eigen finantieel beheer. In Griekenland waren ze reeds van de 4e eeuw vóór Chr. af In Rome waren van oude tijden af, tot allerlei doeleinden collegia. Zie E. Schürer, a.w.4, Dl. III bl. 103, 104.

|164|

werden om in overwonnen steden de zaken te regelen 1). Het is dus een woord van algemeene strekking. In het N. Testament komt het voor van Christus 1 Petr. 2: 25 Ποιμὴν καὶ Ἐπίσκοπος τῶν ψυχῶν ὑμῶν. Van de opzieners der gemeente, wien dus de ψυχαί als object van de ἐπισκοπή is toevertrouwd: Hd. 20: 28; Fil. 1: 1; 1 Tim. 3: 2; Tit. 1: 7. Voorts ἐπισκοπεῖν: 1 Petr. 5: 2; ἐπισκοπή: Hd. 1: 20 (van het Apostel-ambt); 1 Tim. 3: 1. Wanneer het 1 Tim. 3: 2 en Tit. 1: 7 voorkomt in singulari is er niet één reden om te denken aan een monarchisch episcopaat. Ook Hatch en Harnack geven toe, dat dan van een generiek begrip wordt gesproken 2); de laatste zelfs in 1910, dat het aldaar, als identiek met de presbyters voorkomend , in plurali moet worden verstaan 3).

Er is alles voor te zeggen, dat de oorsprong van ἐπίσκοπος in de Christelijke Kerk niet moet gezocht in de Grieksche wereld, maar in de LXX, waar het veelvuldig voorkomt (2 Kon. 11: 19; 2 Kron. 34: 12, 17; Jes 60: 17; Neh. 11: 9). Dit zou toch een zeer natuurlijke overgang zijn uit den joodschen kring der Openbaring in de Christelijke Kerk. Die hypothese wordt versterkt door de aanhaling 1 Clem. 42: 5 4). Nadat Clemens toch in 42: 4 (meermalen geciteerd) heeft gezegd, dat de Apostelen allerwegen de ἀπαρχαί aanstelden als ἐπίσκοποι en διάκονοι laat hij volgen: „καὶ τοῦτο οὐ καινῶς˙ ἐκ γὰρ δὴ πολλῶν χρόνων ἐγέγραπτο περὶ ἐπισκόπων καὶ διακόνων. οὕτως γάρ που λέγει ἡ γραφἠ˙ καταστήσω τοὺς ἐπισκόπους αὐτῶν ἐν δικαιοσύνῃ καὶ τοὺς διακόνους αὐτῶν ἐν πίστει.” (Jes. 60: 17).

 

II. Identiteit.

De identiteit van presbyters en episcopen is van ouden datum af in ernstig geding. Immers tusschen Rome en de orthodoxe


1) Cremer, a.w. s.v. ἐπίσκοπος.
2) Hatch, a.w. bl 79.
3) Harnack, Verfassung und Recht, bl. 50.
4) Zoo ook Dr. W. Sanday, The Origin of the christian Ministry, Expositor 1887, bl. 99 (evenals Lightfoot a.w. bl. 95) „if either he (Paul) or any of his colleagues had occassion to give a name to a new institution, that was likely to be largely used amongst the churches of the Dispersion, it would be to the LXX that his thoughts would naturally turn.”
L. Gore, bl. 412, stemt met Sanday in, maar meent, dat het Grieksch spraakgebruik invloed kan hebben gehad.

|165|

Protestanten sedert de Reformatie. Bovendien echter in het Protestantisme tusschen de oudere en nieuwe Theologie.

Van Rome en de nieuwe Theologie geldt echter: cum duo dicunt idem, non est idem. Want terwijl Rome stelt tegenover den éénen episcoop meerdere presbyters , stellen b.v. Hatch-Harnack tegenover meerdere episcopen: presbyters; en terwijl Rome het episcopaat verheft boven het presbyteraat, nemen de laatsten het presbyteraat als het leidend en regeerend element, en het episcopaat als beambten voor finantiën en cultus, oorspronkelijk met het diaconaat identisch.

De Roomsche Kerk leidt de organisatie onmiddellijk van Christus af. De Apostelen, als zijn plaatsbekleeders, moesten de hun verleende macht op anderen trapsgewijze overdragen en wel langs drie treden: bisschoppen, presbyters, diakenen, zoodat deze drie ordines de jure divino over de Kerk gestelde Hiërarchie uitmaken, terwijl de overige hiërarchische graden, in den loop der historie opgekomen, slechts jure humano bestaan. Van die drie is het episcopaat het oorspronkelijke; de bron van presbyteraat en diaconaat, welke laatste ordines als een verveelvoudiging van den persoon des bisschops zijn. Een wezenlijk onderscheid tusschen episcoop en presbyter heeft dus volgens Rome in de Kerk van den aanvang af bestaan. Rome decreteert dan ook in Trente, sess. XXIII cap. IV, can. VII de sacramento ordinis: „Episcopos, qui in apostolorum locorum successerunt . . . positos . . . . a Spiritu Sancto, regere Dei ecclesiam eosque presbyteris superiores esse. Si quis dixerit episcopos non esse presbyteris superiores, anathema sit” 1).

In de zoo geruchtmakende hypothese van E. Hatch is de hoofdzaak, in verband met de geponeerde analogie tusschen de organisatie der Christelijke Kerk met de besturen van godsdienstige genootschappen en van de steden in de heidenwereld, het verschil tusschen presbyters en episcopen. Toch


1) Zie: The Catholic Encyclopedia, New York Dl. II s.v. „Bishop" (A. van Hove); Wetzer und Welte, Kirchenlexicon2, Dl. X s.v. „Presbyter”; Filips, Lehrbuch des Kirchenrechts3, Regensburg 1881, bl. 101 v.v. bij Seyerlen, a.w. bl. 97 v.v.; Herzog, Real-Encycl.3, s.v. „Bischof” (H.F. Jacobson).

|166|

was Hatch zich niet bewust iets wezenlijk nieuws te hebben te berde gebracht. Maar de conclusie door Harnack getrokken uit Hatch’s werk leidde het onderzoek in nieuwe banen. Ter aanvulling van hetgeen reeds ter plaatse, vooral bij de Diakenen, is gezegd, diene het volgende ter kenschetsing van Hatch’s gevoelen 1).

In den tijd der eerste Christelijke Kerk was het verenigingsleven, bijzonder het godsdienstige, sterk in de Romeinsche wereld ontwikkeld. Veel inscripties geven daarover licht. In zooverre waren de Christelijke Kerken niets nieuws, en ook op haar werden de algemeene regels toegepast in de provinciën. Het specifiek onderscheid met andere vereenigingen was, dat bij de Christelijke Kerk de barmhartigheid het middelpunt vormde, zoodat het administratief en finantieel beheer op den voorgrond trad.

Die leden van den raad in de Grieksche steden, die met de finantiën waren belast, heetten ἐπιμελητής of ἐπίσκοπος. Maar in de gemeenten was van den aanvang af een college van presbyters, wien het bestuur en de handhaving der tucht was toevertrouwd. Nu kregen op dezelfde wijze die leden van het presbyterie, die met het finantieel beheer waren belast, ook den naam episcopen. In de tweede eeuw trad één als permanent voorzitter op. Dientengevolge kreeg deze alleen den titel, die sloeg op het geldelijk beheer, n.l. ἐπίσκοπος. Hieruit ontwikkelde zich het monarchische episcopaat in verband met de behoefte naar eenheid van leer en tucht

Harnack heeft deze theorie aldus vervormd en uitgebreid in zijn analecten 2).

De Christelijke Kerken hadden een dubbele organisatie: 1e. een natuurlijke van ouderen en jongeren, niet specifiek christelijk. Uit de oudsten kreeg een keur, een commissie, de leiding; 2e. eene die met alle functiën voor het gemeenteleven, en niet alleen het beheer der finantiën, was belast, meer bepaald christelijke, hoewel in aansluiting aan de heidensche godsdienstige genootschappen: de episcopen (met de diakenen oorspronkelijk identisch, zie Hoofdst. VIII, bl. 152). De organisatie van episcopen en diakenen


1) Voor den oorspronkelijken titel en de autoriseering van A. Harnack’s vertaling, zie bl. 7 onder noot 4.
2) bl. 231 v.v.

|167|

is de oudste. Die twee organisaties hebben zich gecombineerd. Sedert het eind der eerste eeuw is in Rome die combinatie aanwijsbaar. Het leidend deel der oudsten nam n.l. de functiën van de episcopen over, se. het nam de episcopen in zijn midden op, en die presbyter-episcopen hadden nu de leiding. Daardoor werd het onderscheid tusschen episcopen en diakenen te meer gefixeerd. Daarna kregen de episcopen het praesidium in het presbyterium, beheerden de kas, enz. totdat eindelijk de monarchische episcoop als permanent president op den voorgrond trad. Zoo hadden de presbyter-episcopen dubbele waardigheid: als presbyters de discipline en als episcopen den armenzorg c. ann. en het plegen van de cultus-handelingen.

Volgens deze hypothese waren dus presbyters en episcopen van den aanvang af niet identiek en ook na de saamsmelting bleef er verschil 1).

Intusschen, geen wonder dat deze hypothese veelvuldige bestrijding heeft uitgelokt, en dat niet alleen van orthodoxe zijde. Terecht heeft Loening opgemerkt: „die Ausführungen von Hatch sind überall geistvoll und lehrreich, aber sie blenden mehr als sie überzeugen und dürften einer eingehenden Prüfung nicht stand halten” 2). Harnack zelf heeft dit ondervonden en stuk voor stuk van zijn hypothese prijs gegeven of gewijzigd, al heeft hij dit zelden met zooveel woorden aangeduid. De voornaamste bezwaren, waardoor zij wordt gedrukt, zijn de volgende. De cardinale dwaling blijft, dat de eigen levensvormen der Kerk, die met haar wezen saam-hangen, worden miskend, en zij zoo wordt gemeen gemaakt en aangemerkt als een Religionsgesellschaft, die bij haar inrichting niet anders vermag dan een copie te zoeken in het haar omringende leven. Volgens Harnack heeft de Kerk steeds alles geadopteerd wat voorhanden was in vormen, ambten, gewoonten, in heel haar oeconomie, en het resultaat van het successievelijk overgenomene


1) Harnack zoekt dit verschil vooral te bewijzen met de omstandigheid, dat steeds episcopen en diakenen saam genoemd worden: Fil. 1: 1; Clem. 42, enz. Hatch, Analekten, bl. 240 v.v. Evenwel is dit bij Polycarpus anders. (Polyc. ad Phil. 6). Harnack noemt dit toevallig (Recht und Verfassung bl. 60).
2) E. Loening, a.w. bl. 18.

|168|

was „die fertige Kirche”. Wanneer iemand niet zelf door het geloof het eigen leven der Kerk medeleeft, staat het ongerijmde van zulk een voorstelling zeker niet zoo klaar voor den geest, maar dat zulk een beschouwing diep vernederend, feitelijk kerkvernielend is, ligt toch voor de hand. Wat nu de veronderstelde aansluiting aan de heidensche levensvormen betreft, moet opgemerkt, 1°. ἐπίσκοπος komt heel veel voor in algemeenen zin, maar uiterst zelden als ambtstitel. Het heeft een algemeene beteekenis, evenals διακονία. Juist daarom moet het de aandacht trekken, dat deze naam in de Christelijke Kerk burgerrecht kreeg (Fil. 1: 1), die noch in het Grieksche stadsbestuur, noch bij de Joden in Palestina, noch in heidensche Vereenigingen in gebruik was. Er lag veeleer een tegenstelling in met het joodsche en heidensche leven 1). Het zeer algemeene woord werd een technische benaming;


1) Zie E. Loening, a.w. bl. 21.
In Herzog’s Real-Encycl. s v. „Presbyter, in der alten Kirche” bestrijdt ook H. Achelis de Hatch-Harnacksche hypothese. Voor hem blijft het grootste bezwaar „dasz er (Hatch) ein immerhin kompliziertes System der Kirchenverfassung voraussetzt für eine Zeit, deren Eigenart gerade der Mangel aller festen Ordnungen ist, und dasz infolgedessen die Ausdrücke Presbyter, Episkop, Diakon als richtige Titulaturen behandelt werden “
Voor zoover zijn bezwaar tegen het gecompliceerde van de onderstelde organisatie gaat, deelen we het volkomen.
Terecht merkt Achelis op: „Die Analogie des antiken Vereinswesens brachte nicht die erhoffte Stütze. En Achelis bewijst dit met het uitnemend werk van Erich Ziebarth, Das Griechische Vereinswesen, Leipzig 1896. Zie bl. 162, noot 1). Ziebarth toch toont aan met veel inscriptie-materiaal, dat de nieuwste onderzoekingen de hypothese niet bevestigen, bl. 131: „Nun ist ein besonderes Kennzeichen der griechischen Vereinsterminologie die mangelnde Bestimmtheit der Bezeichnungen. Ἐπίσκοποι wie ἐπιμεληταί bedeuten ganz allgemein Aufsichts- und Verwaltungsbeamte Die nicht genügende Berücksichtigung dieser Tatsache ist der Forschung verhängnisvoll geworden. Es steht heute fest, dasz der Titel ἐπίσκοποι, welcher sich auch vereinzelt als Amtsbezeichnung in griechischen Vereinen findet, nicht als ein Beweis für eine Entlehnung des christlichen Amtes aus den heidnischen Kultvereinen angeführt werden kann.” Zeer beslist sluit zich bij deze „richtige Anschauungen Ziebarth’s” aan, Franz Poland in zijn Geschichte des Griechischen Vereinswesens (zie bl. 162, noot 1)), wanneer hij, aangevende, waar de titel ἐπίσκοπος al zoo voorkomt, zegt bl. 377: „Wenn sich derselbe Titel in einer späten Inschrift Thrakiens offenbar zur Bezeichnung einer niedrigen Kultfunktion findet so musz uns diese Verschiedenheit in der Verwendung des an sich ➝

|169|

2°. als object van het ἐπισκοπεῖν komt nooit voor in het N. Testament hetzij geld, hetzij de oblationes, maar de zielen der geloovigen als de kudde des Heeren. Vandaar de band met ποιμήν; ἐπισκοπεῖν is ποιμαίνειν, Hd 20: 28, 1 Petr. 2: 25, of ook Clem. 44: 1. De ποιμὴν καὶ διδάσκαλος van Ef. 4: 11 is daarom de ἐπίσκοπος 1).

Voorts, de opvatting van de zoo gecompliceerde verhoudingen tusschen episcopen en presbyters bij Harnack maakt het duister probleem van het ontstaan van het monarchisch episcopaat niet duidelijker, maar voegt een nieuw raadsel eraan toe, n.l. het ontstaan van het presbyter-college naast het episcopen-college 2) Ten bewijze, hoe lichtvaardig Harnack omspringt met voor zijn hypothese bezwarende teksten, strekke, dat hij van Tit. 1: 7-9 (in verband met vs. 5 een der meest adstringente bewijzen voor de identiteit) zegt: „aber es fragt sich ob die V. 7-9 nicht eine Interpolation sind” 3)! Bovendien is de superioriteit van episcopen in het presbyter-college door niets bewezen, en blijft onverklaard de overgang van het meervoud van episcopen in het presbyter-college ten slotte tot één enkelen episcoop, en hoe deze de suprematie kreeg. Vooral echter pleit tegen de hypothese het gekunstelde, uiterst gecompliceerde der organisatie, die alleen dan te accepteeren is, wanneer men te voren aanneemt, dat de christelijke organisatie


➝ so allgemeinen Wortes im Sprachgebrauch der Vereine und seine vergleichs-weise grosze Seltenheit bedenklich machen den christlichen Episkopos direkt aus Verhaltnissen des antiken Genossenschaftslebens abzuleiten, wie es immer wieder geschieht.”
1) A. Loofs, a.w. bl. 628 ziet het πρῶτον ψεῦδος in de meening, dat ἐπίσκοπος reeds spoedig een ambtsnaam, een titel was. Hij acht het woord een Funktionsbeschreibung, even algemeen als ἡγοὐμενοι, en bewijst dat met 1 Petr. 2: 25, 1 Clem. 44 enz. Zoo zou Fil. 1: 1 ἐπίσκοπος niet meer een titel zijn dan προϊστάμενοι 1 Thess. 5: 12. Wij houden ’t er echter voor, dat wel als ambtsbeschrijving de naam in gebruik gekomen is, doch althans in Fil. 1: 1 wel degelijk reeds ook ambtstitel is (cf. Pastoraalbrieven).
2) Loofs, a.w. bl. 645.
3) Harnack, Recht und Verfassung, blz 50. Hetzelfde reeds in 1887. Toen Dr. Sanday aan Harnack had verweten, met een beroep op Tit. 1: 5-7, dat hij te veel scheiding maakte tusschen presbyters en episcopen, antwoordde Harnack, Expositor 1887 bl. 338 noot: „I cannot accept as a valid proof, because I belief that 1: 7-9 was interpolated into the received text by the redactor”.

|170|

een kunstig saamgestelde copie vertegenwoordigt van wat toen al zoo in cultus-genootschappen voorkwam 1).

Een nieuwe periode in Harnack’s beschouwing dagteekent sedert het vinden van de Didache 2). Hij houdt aan de dubbele organisatie vast, maar voegt er nu den schakel van de leerfunctie


1) Zie Seyerlen, a.w. bl. 226 v.v. Treffend is Seyerlen’s slot, bl. 333: „die Wissenschaftlichkeit besteht nicht darin à tout prix neue Ergebnisse zu Tage zu fordern, selbst auf die Gefahr hin, dass dadurch alles bisherige Erkennen auf den Kopf gestellt wird, sondern unter Umstanden kann Wissenschaftlichkeit auch darin bestehen, alte, von grossen Meistern errungene Wahrheiten gegen die Moderichtung des Tages aufrecht zu erhalten, ohne dass dabei allerdings im mindesten darauf verzichtet wurde, neben der alten Wahrheit und auf Grund derselben auch neue Erkenntnisse hervorzutragen”.
2) Reeds meermalen werd de Didache geciteerd. Daar de vondst zóó grooten invloed had op Harnack’s denkbeelden, dat hij van haar zegt (Die Apostellehre und die jüdischen beiden Wege 1896 bl. 1, uitbreiding van een artikel in Herzog’s Real-Enc.3 s.v.): ,,in Dogmen- Sitten-und Verfassungsgeschichtlicher Hinsicht etwas so ausserordentliches Wichtiges, dass das Aufsehen welches es erregt hat, wohlbegründet ist”, — zij in het kort het volgende meegedeeld. (In 1896 zagen reeds 200 geschriften naar aanleiding van de Didache het licht). In 1883 werd de Διδαχή τῶν δώδεκα Ἀπόστολων het eerst uitgegeven door den metropoliet Philotheos Bryennios. Onder de belangrijkste commentaren noemen we A. Harnack, Die Lehre der zwölf Apostel 1884 en F.X Funk, Doctrina duodecim apostolorum 1887. Over den tijd van ontstaan is veel verschil, naarmate men den brief van Barnabas van de Didache afhankelijk maakt of omgekeerd. Harnack meent, dat het geschrift is ontstaan 120-160 in Boven-Aegypte; Funk en anderen stellen ze vroeger, begin 2e eeuw, en nemen als bakermat Syrië, Palestina, ten deele Aegypte Ze valt in twee deelen uiteen, Cap. 1-6 de leer der twee wegen (als Barnabas’ brief), en daaraan verbonden 7, 8, 9, 10, de leer van doop. vasten en bidden, en eucharistie; Cap. 11 v.v. over de reizende predikers: apostelen, profeten, leeraars; zondagsviering, en aanstelling van episcopen en diakenen. Het tweede deel draagt dus een kerkrechtelijk karakter Het slot (16) behelst een vermaning met het oog op het naderend einde. (Zie F. X. Funk, Die Apostolischen Vater2 1906, bl. IX).
De beteekenis van de Didache als bron voor de oorspronkelijke organisatie is veel te hoog aangeslagen. Voor wie de Pastoraalbrie ven aan Paulus toeschrijven en deze niet in de 2e eeuw plaatsen, doen ze werkelijk niet zooveel „licht toestroomen”. Belangrijk is, dat ze uitdrukkelijk aangeeft, dat de episcopen en diakenen, als verkoren ambtsdragers, overnemen den dienst des Woords van de charismatische apostels, profeten en leeraars. Ze verplaatst ons in een tijd, waarin de charisma’s aan het verdwijnen zijn, en het vaste locale ambt op den voorgrond gaat treden. Het charismatische gaat in het ambtelijke over. Welnu, deze overgang beginnen ons ook reeds de Pastoraalbrieven te teekenen.

|171|

aan toe, en komt zoo tot een drie-, ja viervoudige organisatie: 1°. de religieuse van apostelen, profeten en leeraars, die hij gelijkstelt met de ἡγούμενοι; niet plaatselijk, de τετιμημένοι, de geëerden van Did. 4; 2°. de patriarchale van de presbyters, die slechts een τιμὴ καθηκοῦσα ontvangen; 3°. de administratieve van episcopen en diakenen, de oeconomen der gemeente, die charismatisch zouden zijn. En zoo ge wilt, nog een 4°. van de heroën, zooals martelaren, confessores enz. De episcopen werden opgenomen in het presbyter-college; de functie der λαλοῦντες τὸν λόγον (apostelen, profeten, leeraars) ging over op de ambtsdragers, episcopen en diakenen, en zoo zou het episcopaat zijn gekomen op de lijn van de katholieke ontwikkeling 1). Doch hierover nader.

Heel deze nog ingewikkelder gemaakte theorie hangt telkens als aan een spinrag; b.v. Did 15 toont, dat de episcopen en diakenen, afgezien van de leer-overdracht, ook reeds τετιμημένοι zijn. Waarom dan zooveel afgeleid uit Did. 4 ten opzichte van apostelen, profeten en leeraars? Waarom zouden episcopen en diakenen charismatisch bedeeld zijn en de presbyters niet, gesteld voor een oogenblik, dat de episcopen en presbyters niet dezelfde waren? Worden soms in 1 Cor. 12: 28 de presbyters van het charisma κυβερνήσεως uitgesloten? Waarom zouden de apostelen, profeten, leeraars ἡγούμενοι zijn en de episcopen niet, terwijl toch Hebr. 13: 7, 17 het opzicht (de ἐπισκοπή) over de zielen aan de ἡγούμενοι is toevertrouwd (dus = ποίμενες)? Zoo zouden we met vragen kunnen voortgaan 2).


1) Zie Harnack, uitg. Didache bl. 145 v.v.; Expositor 1887, bl. 322 v.v. Ook Seyerlen, a.w. bl. 234 v.v.
2) Wèl mag Harnack aan het begin van zijn verhandeling Expositor, bl. 322, zeggen: „who admiss the genuiness of the Pastoral Epistles will reach quite different conclusions.” Als een enkel staal, hoe alle strijd bij lichtvaardige critiek eigenlijk vruchteloos is, diene het volgende: Evangelisten waren er eerst nà Paulus, want ze komen het eerst Ef. 4: 11 voor! Episcopen en diakenen als gekozen ambtsdragers komen het eerst voor Did. 15 en Clem. 44: 2, 3! Als Clemens zegt, dat de apostelen reeds episcopen en diakenen instelden, meent Harnack, dat Clemens dit betoogt, wijl hij het noodig heeft! De presbyters, zooals 1 Petr. 5: 1 hebben slechts een Würde. geen ambt, ze vermanen slechts; gekozen presbyters komen eerst in de 2de eeuw: Jac. 5: 14, Hand. 14: 23, 1 Tim. 5: 1! Dat de episcopen en diakenen uit de presbyters werden genomen bewijst Clem. 44! enz.

|172|

In zijn laatste periode heeft Harnack in menig opzicht de scherpe kanten van zijn hypothese weggenomen. Reeds in zijn „Die Mission und Ausbreitung des Christentums in den ersten Jahrhunderten” en vooral in „Verfassung und Recht” 1910. Wat aangaat de aansluiting aan de cultus-vormen van heidensche genootschappen heet het: „Man muss also die Hypothesen, alte christliche Einrichtungen auf die Kultvereine zurück zu führen, mit höchster Vorsicht aufnehmen; spätern Zustanden gegenüber ist dieser Rekurs mehr am Platze” 1). En wat betreft de scheiding tusschen presbyters en episcopen. wel houdt Harnack ook vast aan het lievelingsdenkbeeld zijner dubbele organisatie, maar: „es folgt aus dieser Darlegung, dasz in allerfrühester Zeit hier und dort Presbyter und Episkopen zusammengefallen sind, so dasz jeder bestellte Presbyter auch Episkopus hiesz” 2). En: „die von Hiëronymus, Theodor u.a. vertretene Meinung, Presbyter und Bischöfe seien ursprünglich identisch gewesen, ist nicht vollkommen richtig. Die Zeit in der jeder Presbyter auch ein Bischof war, war jedenfalls sehr kurz, und wahrscheinlich hat es Gemeinden gegeben, in der die volle Identität nie bestanden hat” 3). Maar de onderscheiding blijft tusschen presbyters en presbyter-episcopen 4).

Op de lijn der aansluiting aan de heidensche vormen, getrokken door Rénan, Heinrici, Weingarten, Hatch-Harnack, beweegt zich nog met volle overtuiging Jean Réville, die aan Rénan’s werk voortbouwt. Zoo heet het: „Les episkopoi de Philippes sont appelés ainsi, parce qu’ils remplissent les fonctions généralement remplies sous ce nom ou sous le nom tout semblable d’épimélète.”

Wat aangaat de scheiding van presbyters en episcopen: „La pluralité des episcopes de Philippes n’implique pas leur assimilation à des presbytres” 5). In dit opzicht drukt zich Sohm wel het


1) Verfassung und Recht bl. 64.
2) Idem, bl. 66.
3) Idem, bl. 74.
4) Idem, bl. 70.
5) Les origines de l’Episkopat, Paris, 1894, bl. 160, 162.
De scheiding wordt ook verdedigd o.a. door R. Ruibing, De jongste hypothesen over het ontstaan van het Episcopaat, Groningen, 1900, bl. 137: „Ten slotte moeten wij nog opkomen tegen de door Baur ingestelde identie der ἐπίσκοποι en πρεσβύτεροι."

|173|

sterkst uit: „Es ist der Verdienst von Hatch diese Lehre (nl. v. d. identiteit) erschüttert zu haben” 1), immers zouden presbyters en episcopen niet kunnen saamvallen, omdat de presbyters een stand vormen. Zoo wordt „presbyter” door Sohm opgevat in Clem. 1: 3; 44: 5; 63: 3, 4. In dien geest wordt 1 Tim. 5: 17 geëxegetiseerd; ook 1 Petr. 5: 1 zou van oudsten spreken in algemeenen zin. En om te ontkomen aan de stellige uitspraken, Hd 20: 17, 28 en Tit. 1: 5 waar van aangestelde presbyters sprake is, redt hij zich met te zeggen, naar vs. 7 verwijzend: „Es ist klar, dass die „Bestellung” des Alten eine Bestellung nicht zum Alten (Presbyter) sondern zum Bischof ist”. Zoo ook verstaat hij Hd. 20: 17, 28. Met terzijdestelling van Hd. 14: 23 en met de willekeurige verklaring van Hd. 11: 30 en Jac. 5: 14, dat daar wel bisschoppen bedoeld zullen zijn, heet het: „es giebt keine Bestellung zum Presbyter” 2),

Van belang is nog de beschouwing van Weizsäcker. Volgens hem is er in den apostolischen tijd van geen ingesteld ambt sprake, zelfs niet in Fil. 1: 1, maar slechts van vrijwilligen dienst, waardoor een verhouding werd geboren, die afhing van den goeden wil der gemeente 3). De episcopen en presbyters zijn niet identiek, hoewel de eersten geen hooger stand vormden en uit de presbyters werden genomen. Analogie met de heidensche cultusvormen is niet te vinden. Hierbij moet worden in het oog gehouden, dat ook Weizsäcker de Pastoraalbrieven verlegt naar den na-apostolischen tijd. En zoo komt hij tot het resultaat, dat in den na-apostolischen tijd de presbyters in de gemeente een stand vormen, waaraan die eeretitel is verbonden, maar dat het leidend ambt aan de uit de presbyters gekozene episcopen is


1) Sohm, Kirchenrecht, bl. 92.
2) Idem, bl 102 v.v.
Reeds G.J. Planck, Geschichte der Entstehung und Ausbildung der christlich-urkirchlichen Gesellschaftsverfassung im Römischen Staat, Hann. 1803, dl. I, bl. 31 verdedigt, dat de bisschoppen van de presbyters en diakenen waren onderscheiden en opzicht over hen hadden: „Der Bischof sah sich vielleicht als etwas anderes — aber nicht als etwas höheres als die Presbyter an, und glaubte nicht, dasz er mehr als ein Presbyter sei, sondern nur dasz er mehr als ein Presbyter thun müsse”.
3) Weizsäcker, a.w. bl. 607-611.

|174|

gegeven 1). Een beschouwing, die saamhangt met een o.i. onhoudbare exegese van 1 Tim. 5: 17.

Eindelijk maken we nog melding van een tweetal hypothesen, die een origineele gedachte vertegenwoordigen.

De eene van Ramsay: wanneer de oudsten het een of ander tot stand wilden brengen, of een besluit uitvoeren, benoemden ze een hunner ,,to superintend it”. Die presbyter was dan voor die zaak episcoop 2). Dit wordt echter door niets gestaafd en kan moeilijk gehandhaafd b.v. tegenover Hd. 20: 28.

De andere van Macpherson: „In the apostolic age there was but one office to which individuals were elected (as distinguished from the extraordinary gifts represented by Apostles, prophets etc.) that of presbyter, and if the size or circumstances of the community required gradation among its presbyters, those in full authonty were called ἐπίσκοποι and their assistants were called διάκονοι.” Ook dit blijft niets dan een hypothese 3).

 

Onder degenen, die met meer of minder kracht de oorspronkelijke identiteit hebben verdedigd, noemen we, van protestantsche zijde: Calvijn 4), Voetius 5), Neander 6), F.C. Baur 7), A. Ritschl 8), Beyschlag 9), Loofs 10), Davidson 11),


1) idem, bl. 613 v.v.
2) W.H. Ramsay, The Church in the Roman Empire2 London, bl. 367.
3) John Macpherson, „Dr. Sanday on the origin of christian Ministry” in Expositor 1887, bl. 291.
4) Institutio IV, 3, 8: „Caeterum quod Episcopos et Presbyteros et Pastores et Ministros promiscue vocavi qui Ecclesias regunt, id feci ex Scripturae usu, quae vocabula ista confundit: quicumque enim Verbi ministerio funguntur, iis titulum Episcoporum tribuit.”
5) Voetius, Polit. Eccl. P. II, L. II, tract. III, cap. IV, bl. 436, dat synoniemen van presbyters zijn de κυβερνήασεις en de προϊστάμενοι, synedochice ἐπἰσκοποι.
6) A. Neander, Geschichte der Pflanzung und Leitung etc, bl. 195. Ze zijn identiek, maar presbyter, aan het Jodendom ontleend, geeft meer de waardigheid aan; episcoop, de Grieksche uitdrukking, meer de Amtstätigkeit.
7) F.C. Baur, a.w. bl. 261: „Die beiden Namen bezeichnen dieselben Personen je nachdem sie als Häupter und Vertreter der Gemeinde, oder als die das Ganze überwachenden Aufseher betrachtet werden”.
8) A. Ritschl, a.w. bl. 399.
9) W. Beyschlag, a.w. bl. 72-75.
10) A. Loofs, a.w. bl. 645.
11) Davidson, a.w.: bl. 150. „the office of both was exactly the same; ➝

|175|

K. Lechler 1), G.V. Lechler 2), Lightfoot 3), Seyerlen 4), Seeberg 5), Kühl  6), Hollzmann 7), Vilmar 8), Knopf 9), Th. Zahn 10), Bonwetsch 11) (bij Kurz), Loening 12), Düker en van Manen 13), Maronier 14), Louw 15), Schmiedel 16). Van Roomsche zijde: v. Döllinger 17) en Mertens 18).


➝ the names are used synonymously; the only distinction consisting is this, that the one refers to the dignity, the other to the duties of the office”.
1) K. Lechler, a.w. bl. 205.
2) G.V. Lechler, a.w. bl. 139 v.v.
3) J.B. Lightfoot, a.w. bl. 95-99.
4) R. Seyerlen, a.w. bl. 333.
5) R. Seeberg, Dogmen-Geschichte2 Dl. I, 188 v.v.
6) E. Kühl, Die Gemeinde-ordnung in den Pastoralbriefen bl. 25: 1e de leden van het college heeten, als Würdenamen: presbyter; als Amtsnamen: episcopen; 2e. de episcopen werden gekozen uit de natuurlijke presbyters en waren dus allen bejaard; 3e. alle presbyters, die een ambt hadden heetten episcopen; 4e. de ambtelijke presbyters waren identiek met de episcopen, zoodat er geen presbyter was, die niet bisschop was en omgekeerd.
7) H.J. Holtzmann, Die Pastoralbriefe, bl. 214.
8) A. Vilmar, Dogmatik II bl. 273.
9) R. Knopf, a.w. bl. 191 v.v.
10) Th. Zahn, Einleitung etc.3 I 466, 467. „Sie (sc. die Presbyter) unterscheiden sich also in nichts als im Namen von den ἐπίσκοπος in 1 Tim 3: 1-7, denn auch dessen Fürsorge für die Gemeinde wird als ein προίστασθαι, προστῆναι bezeichnet (3: 4 f.) . . . . Dasz Pl. sie an der einen Stelle πρεσβύτεροι nennt, erklärt sich daraus, dasz er dort von einer Ermahnung zum richtigen Verhalten gegen die altern Gemeindeglieder überhaupt herkommt . . . . Dasz dies das Verhältniss zwischen Presbytern und Bischöfen ist, wird zweifellos durch Tt 1: 5-9; denn keine exegetische Kunst kann die Tatsache verdunkeln, dasz dort die Identität von ἐπίσκοπος und πρεσβύτερος als selbstverständlich vorausgesetzt ist”; zie ook Komm. Röm. br. op Rom, 12: 7.
11) N. Bonwetsch, a.w. bl. 44 v.v.
12) E. Loening, a.w. bl. 71, 72.
13) A.C. Düker en W.C. van Manen, De geschriften der apostolische Vaders. Haarlem, bl. 111, bij Clemens’ brief: „Onze schrijver noemt slechts twee geestelijke ambten: dat der presbyters en der diakenen . . . . omstreeks het midden der tweede eeuw zou dit niet meer mogelijk geweest zijn, want toen waren bisschop en presbyter niet langer namen, die een en dezelfde persoon kon dragen”.
14) J.H. Maronier, a.w. bl. 215, 256 „men zou nooit aan twee verschillende ambten hebben gedacht, indien niet later een monarchisch episcopaat was opgestaan.
15) S.W. Louw, a.w. bl. 9. v.v.
16) P.W. Schmiedel, Encycl. Bibl. s.v. „Ministry”.
17) J.J.I. v. Döllinger, a.w. bl. 304 „Dieselbe Manner welche Lukas Aelteste nennt, redet Paulus als Episcopen an”.
18) A. Mertens, a.w. bl. 238.

|176|

Op de volgende gronden staat de oorspronkelijke identiteit van presbyters en episcopen onomstootelijk vast:
1°. Wanneer Hd 11: 30 de presbyters van Jeruzalem de gaven voor de armen in ontvangst nemen, blijkt, dat ook zij doen, wat men het uitsluitend werk der episcopen wil noemen.
2°. Als Hd. 20: 17 Paulus de presbyters van Efeze heeft ontboden, spreekt hij hen vs. 28 aan ὑμᾶς τὸ Πνεῦμα τὸ Ἅγιου ἔθετο ἐπισκόπους.
3°. In Fil. 1: 1 worden gegroet de episcopen en diakenen. In dezen zoo intiemen brief zou Paulus zeker niet hebben verzuimd ook de presbyters te groeten, gesteld ze waren er naast de episcopen geweest.
4°. 1 Petrus 5: 1 vermaant de apostel de presbyters, en vervolgt vs. 2 ποιμάνατε τὸ ἐν ὑμῖν ποίμνιον τοῦ θεοῦ, ἐπισκοποῦντες.
5°. 1 Tim. 3: 1-7 noemt Paulus de vereischten voor het ambt van den ἐπίσκοπος. Vereischten voor den presbyter noemt hij niet, maar gaat vs. 8 over tot die welke voor den diaken gelden. Toch zijn hem presbyters niet vreemd, want hij spreekt van hen 5: 17-19. Hoe zouden dan voor hem presbyters en episcopen niet dezelfde zijn?
6°. Tit. 1: 5 ontvangt Titus bevel, om in Creta presbyters aan te stellen; vs. 7 gaat hij voort, om de vereischten te noemen en drukt zich uit : δεῖ γὰρ τὸν ἐπίσκοπον εἶναι. Dit is wel het sterkste bewijs.
7°. De na-Apostolische litteratuur komt dit bevestigen. Zóó in den brief, dien de gemeente van Rome richt aan die van Corinthe naar aanleiding van een oproer, dat daar uitbrak tegen de wettige presbyters. Clemens noemt 1: 3 en 21: 6 de presbyters ἡγούμενοι. In 44: 5 zegt hij μακάριοι οἱ προσδοιπορήσαντες πρεσβύτεροι en in 44: 4 deed hij voorafgaan: ἁμαρτία γὰρ οὐ μικρὰ ἡμῖν ἔσται, ἐὰν τοὺς ἀμέμπτως καὶ ὁσίως προσενεγκόντας τὰ δῶρα τῆς ἐπισκοπῆς ἀποβαλῶμεν. Aan het eind der eerste eeuw waren er dus nog in de gemeente van Rome en Corinthe presbyters aan wie de ἐπισκοπή niet mocht worden ontnomen.
8°. De Didache spreekt gansch niet van presbyters, maar vermaant om episcopen en diakenen te verkiezen, Did. 15: 1, 2.

Bij Ignatius en Polycarpus gaat de oorspronkelijke

|177|

identiteit reeds verloren, krijgen de woorden hun nieuwe beteekenis, en treedt de monarchische bisschop op: „Hun ben ik een zoenoffer” (ἀντίψυχον ἔχω), die gehoorzaam zijn τῷ ἐπισκόπῳ, πρεσβυτέροις, διακόνοις. Ign. ad Polyc. 6. En Polycarpus, ad Philipp. 5: 6, vermaant de diakenen en de presbyters (niet episcopen!) 1), maar hij begint zijn brief: Πολύκαρπος καὶ οἱ σὺν αὐτῷ πρεσβύτεροι, wat doet vermoeden, dat hij eenhoofdig bisschop van Smyrna was. Niettemin bleef de heugenis van de oorspronkelijke identiteit in eere. Chrysostomus in Hom. XI in ep. ad Tim. zegt: οἱ πρεσβύτεροι τὸ παλαιὸν ἐκαλοῦντο ἐπίσκοποι καὶ διάκονοι Χριστοῦ καὶ οἱ ἐπίσκοποι πρεσβύτεροι 2). En Hiëronymus op Tit. 1: 5 teekent aan: „idem est presbyter qui et episcopus, et antequam diaboli instinctu studia in religione fierent . . . . communi presbyterorum concilio gubernabantur ecclesiae.”

Ons resultaat is derhalve, dat, overal waar van presbyters gesproken wordt, niet in den generalen zin als ouden van dagen, maar als de leiders der gemeente, deze presbyters dezelfde personen zijn als de episcopen en beiden dezelfde als de προϊστάμενοι, de προεστῶτες, de ἡγούμενοι, de ποίμενες.

Daarom is er wel onderscheid bij de identiteit. Presbyters was de naam, die vanzelf het eerst ingang vond bij de Joodsch-Christelijke Kerken; episcopen bij de heiden-Christelijke Kerken; presbyter ziet meer op de ambtswaardigheid, episcoop meer op de ambtsverrichting. We zouden, om aan de identiteit niet te kort te willen doen, dan ook liever niet spreken van een niet-ambtelijken stand, dien de oudsten vertegenwoordigden, tenzij men aan dien stand geen andere beteekenis hecht, dan zooals men spreken kan van een stand ook van jongelingen, van mannen, van vrouwen. In elk geval moeten dan tot dien stand alle presbyters behooren zonder


1) De saamvoeging bij Polycarpus van presbyters en diakenen en niet van episcopen en diakenen, is van beteekenis tegenover de hypothese, dat de diakenen wel als helpers en van lager rang dan de episcopen naast deze worden genoemd, maar dat van een saamvoegen van diakenen en presbyters (als geheel andere functie hebbende dan de episcopen) geen sprake zou kunnen zijn. Zie bl. 167 noot 1.
2) Nl. het eerste ziet op de heid. chr. Kerken, het laatste op de joodsch-christ. Kerken. Zie bij N. Bonwetsch in Kurz’s Lehrbuch der Kirchengeschichte, I, bl. 44.

|178|

onderscheid, maar daarmede vervalt dan ook de bijzondere beteekenis, die men aan dien stand wil toekennen 1).

Ten slotte stemmen wij in met het getuigenis van Loofs: „ich glaube, dasz die alte Auffassung, welche in den προϊστάμενοι des 1ien Thess. Briefes, in den ἐπίσκοποι des Phil. Briefes und in den πρεσβύτεροι der Acta dasselbe eine von einer Mehrheit verwaltete Vorsteheramt der apostolischen Zeit zu erkennen meint, um nichts unwissenschaftlicher, ja gläublichler ist als alle neue Konstruktionen” 2).

 

Bevoegdheden. Somtijds konden de presbyters in finantiëele aangelegenheden worden ingewikkeld, gelijk Hd. 11: 30 wordt vermeld, toen waarschijnlijk de zeven, de diakenen, in Jeruzalem, door de vervolging, niet meer dienden. Maar dit behoort niet tot hun ambt qua talis. Regeering, opzicht, tuchtoefening wordt allerwege als de eigenaardige en eerste bevoegdheid van hun ambt aangegeven. Trouwens dit ligt reeds uitgedrukt in de velerlei namen en aanduidingen als: κυβερνήσεις, 1 Cor. 12: 28; προϊστάμενοι, Rom. 12: 8, 1 Thess. 5: 12; ἡγεῖσθαι, Hebr. 13: 7, προεστῶτες


1) Zoo Weizsäcker, a.w. bl. 618, 619, die zegt, dat er in den apostolischen tijd nog geen sprake is van presbyters, maar van προϊστάμενοι, doch dat in den na-apostolischen tijd de kring van πρεσβύτεροι opkwam, nl. als de overlevenden uit de eerste generatie der gemeente, de autoriteiten der traditie, die een stand gingen vormen, waaruit de episcopen gekozen werden.
Dr. H. Bavinck, Ger. Dogm. Dl. IV, bl. 74, 75 wil ook onderscheiden hebben tusschen πρεσβύτεροι en ἐπίσκοποι, en spreekt van een stand van oudsten, die naast de eigenlijke ambtsdragers in de gemeente voortbestaat, doch, blijkens de verwijzing naar 1 Tim 5: 1 v.v. (ouden, jongen, mannen, vrouwen) in geen anderen zin, dan berustend op den leeftijd. In dien zin moet worden opgevat: „alle episcopi zijn dus presbyteri, maar lang niet alle presbyteri waren episcopi; presbyteri vormden een stand, episcopi droegen een ambt.” In elk geval wordt de identiteit volstrekt gehandhaafd: „wanneer echter, gelijk eerst menigmaal geschiedde, de episcopi presbyteri genoemd werden, dan was er in den naam geen verschil; presbyteri en episcopi waren dan dezelfde personen en dragers van hetzelfde ambt.” Dat Dr. Bavinck onder den stand van presbyteri niet bedoelt een bepaalden kring onder de ouderen in leeftijd, maar de ouderen van leeftijd zelf en die allen, blijkt ook uit „Het Doctorenambt” bl. 16, bij de bespreking van 1 Tim. 5: 17: „Alle πρεσβύτεροι, alle ouderen van jaren in de gemeente zijn eere waardig, maar inzonderheid . . . .” enz.
2) A. Loofs, a.w. bl. 645.

|179|

1 Tim. 5: 12, ἐπισκοπεῖν, Hd. 20: 28, κοπιᾶν 1 Thess. 5: 12; ποιμαίνειν Hd. 20: 28, 1 Petr. 5: 2. Voorts in al de bevelen aan de gemeenten gegeven, om gehoorzaam te zijn, onderdanigheid te betoonen, 1 Cor. 16: 16, 1 Tess. 5: 12. Ook in de vergelijking met de regeering van het eigen huis, 1 Tim, 3: 5, en in de vereischten voor het ambt gesteld 1 Tim. 3: 2 v.v.; Tit. 1: 7 v.v., waar vs. 7 de episcoop genoemd wordt een οἰκονόμος θεοῦ.

Er kan verschil bestaan over de vraag, of van den beginne af de presbyters of episcopen ook geroepen waren om te leeren. Dat in dit opzicht verandering is te constateeren, en bepaaldelijk de Pastoraalbrieven een geavanceerd standpunt innemen, in verband met het dalen van den avond van den apostolischen tijd, is buiten twijfel. Zij hechten zeer beslist de leerfunctie aan het plaatselijk ambt. Toch meenen we, dat van meet af de leer nooit geheel van het presbyterambt is afgescheiden geweest. Doch, wat was het geval? In den eersten tijd was in de door den H. Geest krachtig bewogen gemeente het leeren ook charismatisch, vrij, zoodat wie een διδασκαλία, een προφητεία, een ἀποκάλυψις had, tot stichting der geloovigen spreken kon en mocht, 1 Cor. 14: 26, 31; 1 Petr. 4: 10. Maar aan de ééne zijde zullen de presbyters wel bij voorkeur zijn genomen uit de met het leer-charisma rijk bedeelden, en aan de andere zijde zullen de presbyters in de eerste plaats hun roeping hebben gevoeld tot de οἰκοδομὴ τῆς ἐκκλησίας θεοῦ. In Ef. 4: 11 worden ποιμένες en διδάσκαλοι op het innigst verbonden, zoodat aan dezelfde personen te denken is. Het object van het ποιμαίνειν zijn zielen Hd. 20: 28, 1 Petr. 5: 2, 2: 25, en wat zou de staf, waarmede zij weiden, anders zijn dan het Woord? Hd. 15 leert ons, dat op het convent te Jeruzalem de presbyters mede oordeelen over de leer. In 1 Thess. 5: 12 wordt aan het προϊστάναι het νουθετεῖν verbonden; en dat het νουθετεῖν weer nauw verwant is met het διδάσκειν leert Col. 1: 28; 3: 16 1).


1) Dat de presbyters eenige taak zouden hebben ten opzichte van de leer, wordt weersproken o.a. door Vitringa, a.w. III, I, 1, bl. 609, natuurlijk in verband met de nauwe aansluiting, die hij zoekt aan de Synagoge. Zoo ook ontzegt Planck hun alle leeren. a.w Dl. I, bl. 26: ze mochten misschien voorlezen, voorzingen enz., maar het viel niemand in, dat ze daarvoor noodzakelijk waren.
Eigenaardig, schoon geheel met zijn standpunt overeenkomend, is de ➝

|180|

Doch, zooals gezegd, vastheid in de leerfunctie vinden we eerst in de Pastoraalbrieven. Zij zijn geschreven met het oog op den tijd, die komen zou, wanneer de stroom in de bedding van het gewone kerkelijk leven zou zijn gevloeid. Daarom wordt daar reeds de didascalie gehecht aan het presbyterambt. Het ophouden der charisma’s; het verdwijnen van de reizende apostelen, profeten en leeraars als dienaren voor heel de Kerk; de meer geconsolideerde positie der plaatselijke Kerk, en niet het minst het opkomen der gnostische dwalingen, door de apostelen gespeurd bij het licht des Geestes, maakten dit noodzakelijk, zou niet de Kerk aan dwaling en afval ten prooi worden, of in spiritualisme zichzelve vernietigen. Daarom is er dan ook op onderscheidene plaatsen in de Pastoraalbrieven sprake van de leer: de opziener moet διδακτικός zijn, 1 Tim. 3: 2. Dit wordt uitgewerkt in Tit. 1: 9 ἀντεχόμενον τοῦ κατὰ τὴν διδαχὴν πιστοῦ λόγου, ἵνα δυνατὸς ᾖ καὶ παρακαλεῖν ἐν τῇ διδασκαλία τῇ ὑγιαινούσῃ καὶ τοὺς ἀντιλέγοντας ἐλέγχειν.

Van onschatbare beteekenis is echter de locus classicus 1 Tim. 5: 17.

In het begin van het hoofdstuk heeft Paulus vermaningen uitgesproken met het oog op onderscheidene categoriën in de gemeenten: mannen van jaren (πρεσβύτεροι in algemeenen zin), bejaarde


➝ gedachte van Sohm, Kirchenrecht I, bl. 84 v.v.: Het wezenlijk ambt van den bisschop was de leiding der eucharistie en der offergaven (kerkegoed) Maar (in tegenstelling met de gangbare meening) dit vertegenwoordigde niet een bloot administratief ambt, want de bisschop handelt daarbij niet als schatmeester, maar als stedehouder Gods, d.i. hij is drager van het leerambt, want de functie bij eucharistie en vermogensbeheer beteekent niet een tegenstelling met de leerfunctie, maar is daarvan een Anwendungsfall [?]. Is er nu een profeet of leeraar, dan treedt de bisschop terug, maar indien niet, dan treedt hij op, en dit laatste heeft dan tot de vorming van het bisschopsambt geleid. Dan bestuurt de bisschop eucharistie en Kerkgoed in plaats van profeet en leeraar. De bekende passage Did. 15: 1 verklaart Sohm dan niet, gelijk steeds geschiedt, dat bisschoppen en diakenen er een nieuwe taak bijkrijgen, nl. het leeren, maar dat voor Lehrtätigkeit verklaard wordt de oorspronkelijke taak der bisschoppen, welke anders door profeten en leeraars geschiedde. „Der Bischof der Urzeit stellt den unmittelbaren Vorfahren unseres Pastors da.” — Er ligt hierin een schoone en ware gedachte. Alleen, men gevoelt dat de strekking is, het regeer-ambt weg te redeneeren, en niet anders dan het leerambt te erkennen.

|181|

vrouwen, jonge broeders en zusters, vs. 1, 2; weduwen, en ook weduwen, die zich ten dienste stellen, 3-16. En nu komt hij tot de ambtsdragers en zegt, vs. 17: οἱ καλῶς προεστῶτες πρεσβύτεροι διπλῆς τιμῆς ἀξιούσθωσαν, μάλιστα οἱ κοπιῶντες ἐν λόγῳ καῖ διδασκαλίᾳ.

Ten opzichte van deze plaats merken we op:

1°. Paulus geeft een tweetal onderscheidingen aan: ééne tusschen πρεσβύτεροι en πρεσβύτεροι καλῶς προεστῶτες, een andere tusschen πρεσβύτεροι προεστῶτες en κοπιῶντες ἐν λόγῳ καὶ διδασκαλίᾳ.

2°. Wat de eerste onderscheiding betreft, is het de vraag, of te onderscheiden valt tusschen presbyters die niet regeeren en die wel regeeren, of tusschen regeerende presbyters, van wie het καλῶς wel en van wie dit niet kan worden gezegd, m.a.w. of de onderscheiding gemaakt wordt niet of wel in den kring der ambtsdragers. Wie het eerste gevoelen voorstaan en meenen, dat onderscheid gemaakt wordt tusschen niet-ambtsdragers en ambtsdragers, vallen weer in tweeën uiteen. Sommigen oordeelen, dat presbyters, evenals in vs. 1, moet genomen als bejaarden, en dat nu wordt gezegd, dat wie uit dien kring een ambt hebben en dat goed bedienen, op dubbele eer aanspraak hebben, nl. een eer, die als ouden hun reeds toekomt, en een eer die als goede episcopen hun moet toegekend, dus: ouderdoms- en ambtswaardigheid 1). Anderen zien in de presbyters een vasten stand van mannen, die de leiding hebben, zonder in het ambt gesteld te zijn, de traditie-bewaarders na het sterven van het eerste geslacht 2). In beide gevallen acht men dat „καλῶς” dit eischt, omdat anders, wie slecht regeerden, dan toch ook nog eer waardig zouden zijn, al was ’t dan ook geen dubbele. Hiertegen zij echter opgemerkt, dat zóó de tegenstelling niet behoeft te worden gemaakt. Tegenover καλῶς προεστῶτες staat nog niet κακῶς προεστῶτες. Neen, dubbele eer voor wie op voortreffelijke wijze, boven de gewone mate uitgaande, dient, doch wie dient, zonder dat er inspraak op kan worden gemaakt, op normale wijze, ontvangt zonder meer de eere, die zijn ambt medebrengt. Wie slecht zou dienen zou alle eer verbeuren

We nemen daarom de onderscheiding tusschen ambtsdragers,


1) Zóó Wohlenberg in Zahn’s Kommentar i.l. Ook Dr. Bavinck, Ger. Dogm. IV, bl 77, 78; het Doctorenambt, bl. 16.
2) Zoo Weizsäcker, a.w. bl. 616.

|182|

zoodat de presbyteri van vs. 17 niet dezelfde zijn als van vs. I, maar gelijk aan die van vs. 19, dus gelijk aan de episcopen 1). Zeer duidelijk geeft Kühl aan, dat in 1 Tim. 5 vier concentrische kringen voorkomen: a. de grootste, van diegenen, die door hun leeftijd presbyteri zijn, b. daarop volgende de προεστῶτες πρεσβύτεροι, c. voorts die προεστῶτες πρεσβύτεροι, welke uitmunten door een voortreffelijke ambtsbediening, d. eindelijk, die welke arbeiden in den dienst des Woords 2).

3e Natuurlijk staat den Apostel nog voor den geest de τιμή, die aan rechte weduwen toekomt, vs. 3, wanneer hij hier van de τιμή der ambtsdragers spreekt, en niet schrijft hij reeds onder den invloed der gedachte van vs. 18, waar hij van de bezoldiging gewaagt. Daarom moet bij τιμή — trouwens de éérste beteekenis van het woord — worden gedacht aan respect, hoewel hetgeen volgt over het onderhoud daar niet buiten staat. Alleen, de stoffelijke zijde der τιμή is er de betooning van in het uitwendige, maar niet de τιμή zelve.

4e. de tweede onderscheiding leert ons: a. dat niet alle presbyters arbeiden in de bediening des Woords, d.i. ἐν λόγῳ καῖ διδασκαλίᾳ, maar slechts enkelen; b. dat deze allermeest, met de καλῶς προεστῶτες, aanspraak hebben op διπλῆ τιμή; c. dat dus de leer aan het plaatselijk ambt verbonden is; d. dat die verbintenis aan het presbyteraat weer een scheiding noodzakelijk maakt tusschen regeerende en leerende presbyters; e. dat we daarmede de allerlaatste vertakking aantreffen der ambten uit den apostolischen stam 3).


1) Zoo Calvijn, Instit. IV, XI, 1 en in Timoth. i.l.; B. Weiss in Meyer’s Kommentar i.l.; E. Loening, a.w. bl. 71; E. Kühl, a.w. bl. 27; H.J. Holtzmann, a.w. bl. 352; Harnack, Verfassung und Recht, bl. 50
2) Dr. E. Kühl, a.w. bl. 27.
3) Reeds vroeger is er op gewezen, hoe ook de Didache in de bekende plaats cap. 15: 1, 2 komt bevestigen, dat de λαλία τοῦ λόγου van de profeten en leeraars overgaat op de plaatselijke ambten, waardoor een verrassend licht geworpen wordt op de overgangen, die Pastoraalbrieven ons teekenen: χειροτονήσατε οὖν ἑαυτοῖς (dit οὖν sluit aan bij het vorige, waar van de eucharistie gesproken is, zoodat de verkiezing van locale ambtsdragers noodzakelijk wordt gekeurd met het oog op de sacramentsbediening, die dus innig verbonden wordt gedacht aan de bediening van het het Woord) ➝

|183|

Hoezeer het de bedoeling was, dat in deze richting het ambtelijk leven van Gods Kerk zou worden geleid, blijkt wel uit het bevel van Timotheus, om de διδαχὴ τῶν ἀποστόλων toe te vertrouwen aan getrouwe menschen, die weer bekwaam zouden zijn om anderen te leeren, 2 Tim. 2: 2.

 

Over de verkiezing tot het ambt worden bepaalde voorschriften niet gegeven. Een enkele maal wordt ze ons medegedeeld, nl. Hd. 1: 15 v.v.; Hd 13: 1; Hd. 14: 23; 1 Tim. 4: 14. Wanneer aan Titus bevolen wordt ouderlingen aan te stellen, is daarbij de medewerking der gemeente volstrekt niet uitgesloten; in elk geval geeft hetgeen de apostolische missionairen doen op apostolisch bevel geen maatstaf voor kerkelijk handelen.

Een zeer gewone ritus in den apostolischen tijd was de oplegging der handen, de ἐπίθεσις τῶν χειρῶν, χειροθεσία. Ze geschiedde door de apostelen, Hd. 6: 6; door de gemeente, vertegenwoordigd


➝ ἐπισκόπους καὶ διακόνους ἀξίους τοῦ Κυρίου . . . . ὑμῖν γὰρ λειτουργοῦσι καὶ αὐτοὶ τὴν λειτουργίαν τῶν προφητῶν καὶ διδασκάλων. μὴ οὖν ὑπερίδητε αὐτούς˙ αὐτοί γὰρ εἰσιν οἱ τετιμημένοι ὑμῶν τῶν προφητῶν καὶ διδασκάλων.
Merkwaardig is de ontwikkeling van gedachten uit 1 Tim 5: 17 bij Davidson, den independentist, a.w. bl. 182 v.v. Hij bestrijdt de presbyterianen, die op grond van die plaats een scheiding maken van twee klassen van ambtsdragers, zoodat de een niet mag doen, wat de ander doet. Volgens hem maakt μάλιστα slechts een distinctie tusschen personen van dezelfde klasse, die rust niet in een verschil van rechten, maar van talenten. Exegetisch moet dit worden toegegeven. De gereformeerden spreken dan ook onder één genus van twee species: leer- en regeerouderlingen, en eischen ook wel degelijk van den ouderling, dat hij διδακτικός moet zijn. Maar natuurlijk wil Davidson slechts van één soort ouderlingen weten. Hij ziet echter voorbij dat ook in deze plaats beginselen liggen voor het Kerkrecht, waarop moet worden voortgebouwd naar den eisch der tijden. Ook in de Pastoraalbrieven vinden we nog slechts den overgang. Het extra-ordinaire is er nog, in Paulus zelf; in zijn delegati Timotheus, Titus; in de gemeente zelve. Maar wanneer de gewone tijd aanbreekt, wordt vanzelf de noodzakelijkheid geboren, in de behoefte aan studie, in het beperkt getal der geschikte personen voor den arbeid in het Woord, om de lijn door te trekken, die hier is uitgestippeld, waardoor de onderscheiding in het presbyterambt, als regeerend en leerend, sterker wordt geaccentueerd. Daarom komen we op tegen Davidson’s beschuldiging: „The office now termed the ruling eldership was invented by Calvin. After creating it, he naturally enough endeavoured to procure Scripture proof in its favour”.

|184|

door het presbyterium, 1 Tim 4: 14; door de apostolische delegaten 1 Tim. 5: 22. Daardoor werd de verkorene bevestigd in de overtuiging, dat hij wettiglijk geroepen was, en den Heere toegewijd in de bediening, terwijl door het publiek gebed de ambtelijke gaven werden afgesmeekt. Ze droeg dus een symbolisch karakter en bedoelde niet een mystieke, magische of sacramenteele mededeeling van gaven 1).


1) Het bestek van dit geschrift gedoogt niet in den breede over verkiezing en oplegging der handen en wat met de ordinatio saamhangt te handelen.
Alleen, wat het eerste betreft is het merkwaardig, hoe Sohm, om aan alles te ontkomen, wat maar zweemt naar recht, de verkiezing voorstelt als een toestemmen, meer niet. ’t Was steeds een verkiezen van God in de geheele Kerk, louter geestelijk. Elke nieuwe vergadering (weer een verschijningsvorm van de heele Kerk) is vrij den te voren erkende te erkennen of niet. Als voorbeeld geldt dan 1 Tim. 1: 18 (κατὰ τὰς προαγούσας ἐπὶ σὲ προφητείας), waar volgens Sohm gesproken wordt van Timotheus’ verkiezing tot Evangelist, die dan door profetiën, die van zijn charisma getuigenis gaven, zou zijn geschied („Weissagungen haben „auf dich geführt”, „deine Wahl veranlasst”). Sohm laat (met Holtzmann) evenzoo 1 Tim. 4: 14 ; 6: 12; 2 Tim. 1: 6; 2: 2 slaan op dezelfde gebeurtenis der verkiezing en ordinatie van Timotheus tot het Evangelistenambt (Kirchenrecht I, bl. 56-58). Maar zoo zouden b.v. de Kerken van Lycaonië niet veel gehad hebben aan de instelling der presbyters door Paulus!
Zie voorts over de verkiezing, Voetius Polit. Eccles. P. IL, L. III., tr. I, cap. II, bl. 535 v.v.
Wat de handoplegging aangaat, Harnack, Sohm, e.a. nemen ze niet als symbool, maar als middel, waardoor charisma’s werden meegedeeld (resp. Verfassung und Recht, bl. 20, Kirchenrecht I, bl. 62). Ook hier mag men geen besluiten trekken uit hetgeen de Apostelen deden tot wat nu geschieden kan. Hoewel zeker alle werktuigelijke genademededeeling tegen de H. Schrift ingaat. Over de waarde, aan de handoplegging in den huidigen tijd toe te kennen, of wel over haar noodzakelijkheid en wenschelijkheid kan verschil bestaan. Ook Calvijn (Instit. IV. 3, 16) dacht hierin niet geheel gelijk met Voetius, die haar van veel minder belang achtte, Polit. Eccles., P. I, Lib. II, tract. II, cap. 8, bl. 460 : De impositione manuum, χειροθεσία.
Treffend is wat K. Lechler, Die Neutestamentl. Lehre v. heil. Amte, bl. 328 zegt: De zegen, in de handoplegging besloten, is een voorbede, die voor God wordt gebracht, steunende op Gods belofte, en waar het geestelijke dingen betreft, wordt ze tot een gewisheid der verhooring; in zoover is ze mededeeling van gaven. Waarmede het gebaar overeenkomt. Eerst worden de handen uitgebreid naar God, dan naar den persoon: „Nicht eine Uebertragung persönlicher Eigenschaften auf Andere, sondern eine ➝

|185|

IV. Abnormale ontwikkeling in het monarchische episcopaat.

Met het laatst besprokene zijn we gekomen aan de grens van het terrein, dat voor ons onderwerp is afgebakend. Toch willen we nog even een blik verder werpen op de afwijkende richting, waarin de organisatie zich blijkbaar al zeer spoedig heeft ontwikkeld. En daarmede roeren we een der moeielijkste vraagstukken aan, die zich op exegetisch-historisch terrein voordoen, waarbij de hypothesen, die een oplossing voorstellen, al zeer vele zijn Het spreekt vanzelf, dat we slechts van terzijde op deze kwestie de aandacht vestigen. Maar toch mag de behandeling niet geheel achterwege blijven, omdat juist de vraag naar het ontstaan van het eenhoofdig episcopaat zoo ingrijpend heeft geïnfluenceerd op de beschouwing van de oorspronkelijke inrichting der Christelijke Kerk. De gedachte over het eene beheerscht die over het andere, en omgekeerd. Vooral echter omdat velen de kiemen der monarchale kerkregeering reeds meenen te kunnen aanwijzen in de verhoudingen, die in het N. Testament worden geteekend. Enkele der voornaamste hypothesen, die op dit duister gebied zijn opgesteld, worden in het volgende aangestipt.

De Kerk van Rome leert, dat, naar den wil van Christus, de hoogste macht in een diocese niet berust bij een college van presbyters of bisschoppen, maar in den enkelvoudigen persoon van den bisschop. De Apostelen wijdden niet alleen diakenen, Hd. 6, en prebyters, Hd. 14: 23 enz , maar naar Hd. 13 kregen Paulus en Barnabas de eerste bisschoppelijke wijding, die hun het recht gaf tot priester-ordinatie. Toen er uitbreiding kwam, droegen ze aan enkelen, als Timotheus en Titus, op grond van de bisschoppelijke wijding, de in het Apostolaat liggende bevoegdheid over, n.l. de wijdingsmacht, de leermacht en de rechtsmacht voor bepaalde streken. Ze hadden dus bisschoppelijke macht, en zoo maakte zich het bisschoppelijke ambt los van het Apostolaat.

De naam ging over op de opvolgers, Fil. 4: 3; Col. 4: 12, 13 enz.; de ἄγγελος in Openb. De bisschoppen zijn opvolgers van de


➝ wirksame Art der Fürbitte ist dieser Segen.” Dan valt ook het gewicht niet op de handoplegging zelve. Ze is als de kniebuiging in het gebed. Ze is de uiterlijke voleinding der voorbede, voorbede in lichamelijke gestalte.

|186|

apostelen; het Apostolaat bestaat voort in het Episcopaat en wordt daarin vereerd 1).

Het dichtst bij Rome sluit zich aan van protestantsche zijde Richard Rothe. De na 70 nog levende apostelen zouden een concilie hebben belegd met de eerste leeraren, om over de constitutie der Kerk te handelen, en toen zou, vooral onder den invloed van Johannes besloten zijn, om de organisatie in te richten op den grondslag van het eenhoofdig episcopaat 2).

Eenigszins op de lijn van Rothe bewegen zich F.C. Baur 3), A. Ritschl 4), en J.B. Lightfoot 5).

Orgineel is de hypothese van Kist, dat de Christenen niet aanstonds vormden één gemeente op een plaats, maar verschillende vereenigingen. En nu werd de zucht, om die tot één te vereenigen, en de scheuringen te heelen, de voornaamste oorzaak, waardoor één persoon tot hoofd werd verheven 6).

K. Lechler meent, dat een dubbele beweging tot het episcopaat leidde; van boven, van de zijde der Evangelisten als Timotheus, die een „zuverlassiges und ausgeführtes Vorbild” waren van het latere bisschoppelijk ambt, — van beneden, doordien elders presbyters opklommen en stilzwijgend werden erkend 7).


1) The catholic Encyclopedia s.v. „Bishop”; Wetzer und Welte, Kirchenlexicon, s.v. „Bischof”. Cf. bl. 3 en bl. 52 noot 2.
2) R. Rothe, Die Anfänge der christlichen Kirche und ihrer Verfassung, Wittenberg 1837, bl. 354.
3) F.C. Baur, Kirchengeschichte der drei ersten Jahrh., Tübingen 1863, bl. 270, 272, en „Epochen der christlichen Geschichtsschreibung” bl. 253 bij Dunin Burkowsky. Baur is Hegeliaan en zoo is te verstaan wat hij zegt: „Die Katholische Kirche in ihren sichtbaren Erscheinung ist die vollkommen adaequate reale Darstellung der Idee der Kirche.”
4) A. Ritschl, Die Entstehung der altkatholischen Kirche2 1857, bl. 410 v.v. Hij onderscheidt tusschen de ontwikkeling van het episcopaat in de Joodsch-christelijke Kerken, in de heiden-christelijke Kerken en het episcopaat als Kirchenamt.
5) J.B. Lightfoot, a.w bl. 196 v.v. neemt ook Klein-Azië als de bakermat van het monarchische episcopaat. Johannes zou gezien hebben, hoe gezegend de superioriteit van Jacobus (den 1en bisschop) werkte in Jeruzalem, en voerde dezelfde gedachte door in Klein-Azië (bl. 205). Evenwel: „the episcopate was formed not out of the apostolic order by localisation, but out of the presbyterial by elevetion”. (bl. 196).
6) N.C. Kist, Archief etc (a.w.) bl. 7.
7) K. Lechler, a.w. bl. 220 v.v

|187|

Kühl leidt het af, niet uit het presbyter-episcopen-college, maar uit combinatie van dezen kring met een kring van mannen, die als leeraars optraden, en daardoor in hoog aanzien stonden. Het snel en unvermittelt optreden kan hij niet verklaren uit een geregelden ontwikkelingsgang 1).

Loening betoogt, dat het monarchische episcopaat niet voortkomt uit de heidensche cultus-genootschappen, en ook niet uit de joodsch-synagogale gemeenten, maar, door eigen behoefte gedreven, hebben de gemeenten het in het leven geroepen. En wel langs twee wegen. Van Jeruzalem uit kwam het in Antiochië (dus van joodsch-christelijke herkomst) en wel in dien zin, dat de episcopen (als Jacobus en Symeon) vertegenwoordigers des Heeren waren. Buiten Palestina werd bestuursverandering noodig door het voortwoekeren der gnostische dwalingen, en daar golden de episcopen meer als opvolgers der apostelen, die de waarheid bewaarden 2).

Hilgenfeld ziet met Loening den oorsprong liggen in de joodsch-christelijke Kerken, en merkt in de Pastoraalbrieven reeds een drievoudige Abstufung van het ambt: den episcopos in het enkelvoud, 1 Tim. 3: 2; de presbyters, die naar het episcopaat mogen staan 1 Tim. 3: 1, 2, 5 en 5: 17; de diakenen, die presbyters kunnen worden 3).

Loofs stemt met Harnack in: „Der Bischof als oberster Kultus-Beambter ist die vor-katholische Vorstufe des katholischen Bischofs”. De verbinding van het κυβερνᾶν met leeren en bidden in de godsdienstoefening, zooals dit bij Clemens optreedt, is de overgang. Dit geldt nl. nog één bisschop in één gemeente. Het bisschoppelijk supremaat leidt hij met Harnack af van den


1) E. Kühl, a.w. bl 131 v.v. Hij spreekt van een ,,geradlinige Entwicklung auf den einen ἐπίσκοπος hin neben dem collegium der Presbyter-Episkopen” . . . . „Finden wir irgendwo neben jenem in sich geschlossenen Collegium der Presbyter einzelne Männer, die als specifische Lehrer der Gemeinde in besonderem Ansehen standen, so ist von vorneherein zu vermuthen, dasz in diesen die Vorläufer des monarchischen Episkopats zu sehen sind.”
2) E. Loening, a.w., bl. 138 v.v, 148 v.v.
3) A. Hilgenfeld, Gemeindeverfassung in der Bildungszeit der Katholischen Kirche, Zeitschr. f. Wissensch. Theol., bl. 314, 244.

|188|

overgang der functiën van de pneumatici op de administratieve ambtsdragers: „die Glut verfloh und die erstarrten Formen blieben” 1).

Ruibing zoekt de oorzaak in de behoefte aan één bewaarder van de authentieke traditie en aan één persoon in wiens hand de correspondentie was 2).

Hatch geeft een drietal oorzaken aan: de gelijktijdige organisaties van broederschappen in de Grieksche en Romeinsche wereld, den innerlijken toestand der gemeenten, die dringend leiding behoefden en de gewoonte door een Apostel te zijn geleid geweest 3).

Harnack wijst er in zijn analecten op Hatch op, dat de in het presbyter-college opgenomen episcopen, wijl zij ambtsdragers voor den cultus waren, in dat college de overhand verkregen; hoe daarna ’t presidium in handen kwam van één der presbyter-episcopen, en hoe zóó de weg werd gebaand tot het monarchische episcopaat 4). Later, na het vinden van de Didache, betoogt hij, dat, volgens Did. 15: 1, 2 aan de locale ambtsdragers de functiën werden overgedragen van de profeten en leeraars, en dat daardoor het episcopaat kwam op de lijn der Katholieke ontwikkeling: „die Inhaber des administrativen Amtes kamen schrittweise zu der Höhe über der Gemeinde hinauf, welche die berufsmassigen Lehrer der Christenheit kraft göttlicher Einsetzung von Anfang ab behauptet hatten” 5). In zijn laatste uiteenzettingen legt hij allen nadruk op de moeielijkheid van het probleem. Het staat voor hem vast, dat het monarchische episcopaat zich heeft ontwikkeld op den bodem van de organisatie der ambtsdragers voor den cultus en voorts werkt Harnack zijn meening in een vijftal punten uit: 1e. Waarschijnlijk kwam in de gemeenten na het wegvallen van apostelen, profeten en leeraars, een president op den voorgrond.


1) A. Loofs, a.w. bl. 652-657.
2) R. Ruibing, De jongste hypothesen over het ontstaan van het Episcopaat, Groningen, 1909, bl. 151, 152.
3) E. Hatch, a.w. bl. 79.
4) E. Hatch, bl. 236 v.v.
5) Harnack, „Die Lehre der zwölf Apostel”, bl. 153. Zie R. Seyerlen, a.w. bl. 241.

|189|

2e. Toen de eeredienst vaster vormen verkreeg , en de finantieele aangelegenheden uitbreiding ontvingen, kwam vanzelf de leiding in één hand. 3e. Het verkeer naar buiten vroeg om een representant (zooals Clemens in Rome). 4e. Sterke behoefte werd gevoeld aan de bewaring der leer tegenover de gnostieken. 5e. De bisschops-lijsten sedert het laatste kwartaal der tweede eeuw zouden een schrikkelijke vervalsching zijn, indien niet spoedig een primus inter pares ware opgestaan. Vooral legt Harnack er nadruk op, dat sedert de idee van Gesammtkirche, door de apostelen gerepresenteerd, op den achtergrond kwam, de souvereiniteit zich ging voortzetten in de plaatselijke Kerk, „denn der monarchische Bischof ist der Exponent der in sich geschlossenen und souveränen Einzelgemeinde” (type: Diotrefes, 3 Joh.: 1).

Eindelijk wijzen we nog op Sohm’s theorie. De uitsluitend charismatische organisatie van de Kerk berust eenerzijds op het bezit van de leergave, anderzijds op vrije erkenning en gehoorzaamheid. In dat charisma der leergave is ook begrepen het met de eucharistie verbonden bestuur van de liefdegaven. Eigenlijk is alleen de apostel of profeet de tot leeren begaafde, maar waar deze niet overal is, schept men zich in den bisschop een plaatselijke organisatie, die dan ook gekozen wordt uit de oudsten, omdat hij zijn plaats onder de leerende ambtsdragers moet hebben. Van een episcopencollege was geen sprake, want dit kan geen charisma hebben. Voor de Urchristenheid bestaan maar twee grootheden: de enkele geloovige en de geheele christenheid, de Kerk. Daarom is de organisatie van meet af er op aangelegd, wanneer ze rechtsvormen aanneemt, om monarchische aan te nemen. Er kan alleen van enkele bisschoppen sprake zijn. Van een recht op het bedienen van hun ambt kan niet worden gerept Maar wanordelijkheden schenen een rechtspositie noodig te maken. Doch dit was de revolutie tegen het urchristelijk beginsel. Clemens zette dit door, en zijn brief aan Corinthe veroorzaakt verandering in de gemeente van Rome, later in die van Corinthe. Zoo is de eucharistie de Urquell, Clemens de Urheber van het eenhoofdig episcopaat 2).


1) Verfassung und Recht, bl. 70 v.v.
2) R. Sohm, Kirchenrecht I, bl. 1-167.

|190|

Baur 1), v. Döllinger 2), Wernle 3), Knopf 4) e.a. vinden de beginselen van het eenhoofdig episcopaat reeds in het N. Testament. Bij voorkeur wordt dan gewezen op 1 Tim. 3: 2 en Tit. 1: 7, waar de ἐπίσκοπος in het enkelvoud wordt genoemd; op de plaats, die Timotheus en Titus innamen; op de houding, die Diotrefes aannam tegenover Johannes, waar hij de afgezanten der Apostelen niet wilde ontvangen (3 Joh. 9, 10), φιλοπρωτεύων, omdat hij de eerste wilde zijn in de gemeente, blijkbaar dus, omdat hij zich in zijn positie als episcoop wilde verzetten tegen de apostolische leiding; eindelijk op den ἄγγελος, die telkens genoemd wordt in de zeven gemeenten van KI. Azië.

Wat het eerste betreft, is duidelijk, dat bij het noemen der vereischten tot het opzienersambt, het singulare gebruikt wordt, om het generiek begrip aan te duiden (zie bl. 164). Met het oog op het tweede, moet opgemerkt, dat Timotheus en Titus volstrekt geen bisschoppen waren. Hun positie was uniek, en behoorde geheel bij het Apostolaat. Na den dood der apostelen kunnen zij niet meer voorkomen, wijl al hun autoriteit samenhing met de zending, die zij als apostolische missionairen, delegaten, ontvingen. Reeds hierom kunnen ze geen bisschoppen zijn, wijl er in den na-apostolischen tijd voorshands slechts sprake is van locale monarchische bisschoppen, nog niet van dezulken, die het supremaat hadden over gansche regiones. En Timotheus en Titus zouden dan


1) F.C. Baur, Das Christentum und die Kirche etc, bl. 275 zegt, dat in de Pastoraalbrieven de tendenz ligt naar het monarchische Episcopaat.
2) v. Döllinger, a.w. bl. 305 noemt als bisschoppen in het N. Testament de σύζυγος van Paulus, Fil. 4: 3; Archippus Col. 4: 7; Timotheus, Diotrefes, de ἄγγελος in Openb.
3) Wernle, a.w. bl. 284, zegt dat het tot de hoogere waardigheid kwam op drieërlei wijze: door de theorie der successie, reeds geformuleerd Clem. 42, terwijl diezelfde successie-gedachte zou worden aangetroffen 2 Tim. 1: 13; door de theorie, dat de Geest alleen aan het ambt gebonden is (Amtsgeist) en niet meer rust bij de gemeente, 2 Tim. 1: 6-14; 1 Tim. 1: 18; 4: 14; door de theorie der overbrenging van het O. Testamentische priesterdom op de Christelijke Kerk, in Clem. 40 ’t eerst uitgesproken. Wernle drijft sterk, dat Paulus de joodsche Kerkidee inbracht in de Christelijke Kerk, bl. 322.
4) Knopf, a.w. bl. 196. De Pastoraalbrieven leeren het monarchische episcopaat, dat ongeveer 100 in Azië is ontstaan.

|191|

in elk geval zijn geweest bisschoppen resp. niet van Efeze, maar van geheel Azië, niet van één plaats op Creta, maar van heel Creta! Iets wat zelfs in den na-apostolischen tijd nog niet kan worden gesteld 1). Aangaande het derde houde men in het oog, dat Johannes tegen het φιλοπρωτεύειν van Diotrefes ten sterkste getuigt, en waar blijkbaar de beginselen van het monarchische episcopaat zich in dezen hiërarchischen episcoop doen gelden, Johannes al de autoriteit van zijn apostolaat daar tegenover zet, niet onduidelijk dreigende met den ban. De kiemen worden dus aan het einde van den apostolischen tijd openbaar, maar dan nog strekt de hand van een der Apostelen zich uit, om de beginselen van misvorming uit te roeien 2). Met betrekking tot den ἄγγελος Op. 1: 20 zouden we niet willen denken met Vitringa aan een parallel met den „shelichai tsibbur”, den bode der synagoge, wijl die een ondergeschikte plaats bekleedde en ook hier de analogie met de synagoge te ver wordt doorgetrokken; evenmin aan een bode, die de brieven zal overbrengen, daar aan den engel een plaats in de gemeente wordt toegekend; noch ook aan de gemeente zelve, (dus de verpersoonlijkte geest der gemeente, of in reëelen zin, aan haar schutsengel), daar zulk een naams- of persoonsverwisseling bij het zenden van een brief wel allerminst te pas komt 3),


1) Zie Th. Zahn, Einleitung3, Dl. I, bl. 465: „Es erscheint undenkbar, dasz während der Jahre 70-170 ein Pseudopaulus den 1 Tm. und den Tt erdichtet haben sollte, in welchen das gesamte kirchliche Leben gröszerer Kreise unter den bestimmenden Einflusz einer persönlichen Kirchengewalt gestellt erscheint, welche zu seiner Zeit gar nicht existirte, und von deren Wirksamkeit in apostolischer Zeit die sonstigen ntl. Schriften kaum eine blasse Ahnung gewahren konnten”.
2) Harnack, Verfassung und Recht, bl. 48, 49, die den brief aan den Apostel ontzegt, ziet in den schrijver, den zich noemenden πρεσβύτερος, een superintendent, (vs. 10 getuigt anders wel van apostolisch gezag; en wel is het vreemd, dat tijdens het opkomen van het monarchische locaal-episcopaat tegelijk reeds een superintendent over een aantal gemeenten gebiedt!). In Diotrefes ziet Harnack blijkbaar niet een monarchischen bisschop, omdat hij Demetrius, vs. 12, een collega acht te zijn. Harnack ziet in het geval een voorbeeld van botsing tusschen de pneumatische universeele Missie-organisatie met de locale organisatie. Maar waar zou die missie-organisatie vandaan komen? Hoe veel eenvoudiger wordt alles, wanneer hier Apostel Johannes optreedt tegenover den aanmatigenden episcoop Diotrefes.
3) Zie voor de onderscheiden verklaringen B. Weiss in Meyer’s Kommentar, i.l.

|192|

maar eenvoudig de regeering der gemeente, vertegenwoordigd in hem die het adres is. Zonder dat nog aan een zweem van monarchische regeering behoeft te worden gedacht, kan toch worden aangenomen (zelfs indien men het boek der Openbaringen niet stelt in het laatste decennium der ie eeuw maar vroeger), dat reeds een der episcopen, bepaaldelijk de κοπιῶν ἐν λόγῳ καὶ διδασκαλίᾳ, op den voorgrond stond en als van zelf was aangewezen, om het apostolisch schrijven aan de gemeente over te brengen. De naam ἄγγελος voor ἐπίσκοπος, hoezeer hier alleen voorkomend, heeft, in verband met de hem hier gegeven opdracht, niets vreemds, maar spreekt duidelijk; niets wat hem boven anderen zou verheffen, maar wijst veeleer op dienstbetoon 1).

Vestigen we nu nog een oogenblik de aandacht op de na-apostolische litteratuur.

In de Didache wordt nog de geheele gemeente aangesproken, b.v. in 14 en 15; voorts treffen we aan twee vormen van dienst: voor heel de Kerk de apostelen, profeten en leeraars, 11-13; en voor de locale Kerk de episcopen en diakenen (meervoud!), door de gemeente te kiezen, opdat deze de functiën van de eersten overnemen. Evenwel geen woord wordt gerept van een éénhoofdige leiding.

Clemens’ brief teekent ons eenigszins meer geavanceerde toestanden. In de gemeente van Corinthe was de eenheid gebroken door personen, die hij ἀρχηγοὶ στάσεως noemt, 14: 1; 51: 1, die namelijk eenige presbyters uit hun ambt hadden ontzet, 44: 3. Die presbyters hadden een vast ambt, dat ook episcopaat heet, en leidden als zoodanig de diensten. Met groote kracht handhaaft Clemens de waardigheid van het ambt. Het moet alles in de gemeente toegaan naar de ordinantiën Gods, 40: 1. Hij haalt daarbij als voorbeeld aan het O. Testament, toen Hoogepriester,


1) Dr. H. Bavinck, Het Doctorenambt, Kampen 1899, bl. 16, 17: „Nog binnen de grenzen des N. Testaments treffen wij in de Klein-Aziatische gemeenten dezen toestand aan, dat onder de opzieners slechts één enkele met den dienst des Woords is belast; hij is de ἄγγελος, de gezant der gemeente, die van Godswege tot haar gezonden, haar te leeren en te leiden heeft, en voor haar geestelijken en zedelijken toestand verantwoordelijk is.”

|193|

priesters en levieten elk hun eigen diensten hadden. Voor het eerst worden de laïci hier tegenover den clerus geplaatst: 40: 5 τῷ γὰρ ἀρχιερεῖ ἴδιαι λειτουργίαι δεδομέναι εἰσίν, καὶ τοῖς ἱερεῦσιν ἴδιος ὁ τόπος προστέτακται, καὶ λευΐταις ἴδιαι διακονίαι ἐπίκεινται˙ ὁ λαϊκὸς ἄνθρωπος τοῖς λαϊκοῖς προστάγμασιν δέδεται. God zond Christus, Christus de apostelen, en de apostelen stelden de eerstelingen als bisschoppen en diakenen aan. Jes. 60: 17 wordt aangehaald om dit te staven, 42: 1, 4, 5. De apostelen wisten, dat er twist zou komen over den naam van het episcopaat. Daarom hebben ze maatregelen getroffen, dat na hun dood anderen (δεδοκιμασμένοι ἄνδρες) als hun opvolgers hun dienst zouden overnemen, 44 : 1 v.v. Uit een en ander blijkt, dat wel door Clemens het ambt hoog wordt verheven, dat ook met name de verwijzing naar het O. Testamentische priesterdom een gevaarlijke hiërarchische strekking heeft, maar dat niettemin in den brief, van Kerk tot Kerk gericht, geen sprake nog is van het monarchische episcopaat.

Op eens echter is het anders in de brieven van Ignatius, nog geen twintig jaren na die van Clemens geschreven. Daar treedt de bisschop in al zijn hoogheid op: b.v. ad Ef. 6: 1 καὶ ὅσον βλέπει τις σιγῶντα ἐπίσκοπον, πλειόνως αὐτὸν φογείσθω˙ πάντα γὰρ, ὃν πἐμπει ὁ οἰκοδεσπότης εἰσ ἰδίαν οἰκονομίαν, οὕτως δεῖ ἡμᾶς αὐτὸν δέχεσθαι, ὡς αὐτὸν τὸν πέμπψοντα. τὸν οὖν ἐπίσκοπον δῆλον ὅτι ὡς αὐτὸν τὸν κύριον δεῖ προσβλέπειν; ad Magnes 7: 1 ὥσπερ οὖν ὁ κύριος ἄνευ τοῦ πατρὸς οὐδὲν ἐποίησεν, ἡνωμένος ὣν, οὔτε δι᾽ ἑαυτοῦ οὔτε διὰ τῶν ἀποστόλων˙ οὕτως μηδὲ ὑμεῖς ἄνευ τοῦ ἐπισκόπου καὶ τῶν πρεσβυτέρων μηδὲν πράσσετε. cf. ad Ef. 3: 2. Zoo is dan Ignatius de eerste getuige van het eenhoofdige bisschoppelijk ambt, maar, gelijk Ritschl het uitdrukt, als Gemeinde-amt en nog niet als Kirchenamt, nog niet als voortzetting van het Apostolaat 1). En in zijn brief aan Rome maakt hij geen melding van een eenhoofdigen bisschop daar ter plaatse.

Polycarpus spreekt in zijn brief niet van episcopen en diakenen, maar van presbyters en diakenen: ad Filipp. 5, 6. Hij zelf


1) A. Ritschl, a.w. bl. 403, 404.
Zoo ook W. Ramsay, a.w. bl. 370, dat wel uit de Ignatianen blijkt de episcopale ontwikkeling, maar dat er geen sprake van is, dat de bisschoppen, althans in Azië, ex officio beschouwd werden als „supreme.”

|194|

noemt zich in den aanhef Πολύκαρπος καὶ οἱ σὺν αὐτῷ πρεσβύτεροι, wat kan, maar niet behoeft te beduiden, dat hij zelf monarchisch bisschop was. In de gemeente van Filippi, tot wie hij schrijft, richt hij zich niet aan één bisschop.

Barnabas vermeldt noch presbyters of episcopen, noch diakenen, en de gemeenten aan wie hij schrijft zijn autonoom: 21:4. ἑαυτῶν γίνεσθε νομοθέται ἀγαθοί. De διδάσκαλος, gelijk hij ook zichzelf noemt 1: 8, is in hooge eere.

In dezen brief, evenmin als in den Pastor van Hermas, wordt van het eenhoofdig episcopaat gewag gemaakt.

Hoewel het zoeken naar den oorsprong nog steeds blijft een tasten in het duister, zouden we toch het volgende durven vaststellen: 1e. Het monarchische episcopaat komt eerder voor in het Oosten dan in het Westen, nl. vóór het sterfjaar van Ignatius ± 113 wordt het aldaar gevonden, doch in Rome nog niet. — 2e. Aan joodsch-christelijke origine uit Palestina zouden we niet willen denken a. omdat de berichten aangaande Jacobus en Symeon, vooral van Hegesippus bij Eusebius, legendarisch zijn, en b. wijl betrekkelijk spoedig ook in het Westen dezelfde inrichting wordt aangetroffen en daar weer aan andere invloeden zou moeten worden gedacht, gelijk dan ook b.v. door Loening geschiedt. — 3e. De oorzaken dienen dus voor heel de Kerk ongeveer gelijk te zijn, en dan denken we vooral aan het ontbreken van de leiding der apostelen, een gemis, dat na hun sterven (welk sterven beduidde den overgang van het extra-ordinaire naar het ordinaire), zich sterk over heel de Kerk heeft moeten doen gevoelen. — 4e. Daarmede ging gepaard een sterke daling der geestelijke krachten, die zoo rijk zich hadden ontplooid; — de verbastering in Kerkregeering staat dan ook niet op zich zelf, maar houdt gelijken tred met verbastering in leer en leven. Moraliseering en legaliseering van het Evangelie gingen hand aan hand met snel opkomend ambtsformalisme. — 5e. Profetie en didascalie, eerst nog uitgeoefend door missionairen voor heel de Kerk, werden gebonden aan het ambt, en brachten dit, in aanmerking genomen het hooge aanzien, dat profeten en leeraars genoten, tot onevenredige hoogheid tegenover het algemeen priesterschap der geloovigen. — 6e. De ἄγγελος der gemeente kreeg waarschijnlijk praesidiale waardigheid,

|195|

die spoedig in aristocratische en autoritatieve overhoogheid ontaardde. — 7e. Door het opkomen der gnostische dwalingen werd de vraag naar de ware leer krachtig op den voorgrond gedrongen, en behoefte gevoeld aan een leerbewaarder en vraagbaak en autoriteit, die men het liefst in één persoon belichaamd zag, waardoor de weg werd gebaand naar het bezit van het charisma veritatis 1).


1) Zie o.a. Dr. H. Bavinck, Ger. Dogm. IV, bl. 82-86.

Sillevis Smitt, P.A.E. (1910) Besl

|196|

 

Besluit.

 

Aan het einde genaderd van deze verhandeling over de organisatie der Christelijke Kerk in den apostolischen tijd, vatten we onze gedachten bij wijze van resumtie saam.

Niemand pleegt zich tot een onderzoek als het onderhavige te zetten zonder een principieele overtuiging mede te brengen, waardoor zijn standpunt beheerscht en zijn onderzoek geleid wordt. Veeleer is het doorgaans de drang dier overtuiging, die drijft tot meer indringende studie, in het vaste geloof, dat zij daardoor verhelderd en gesterkt zal worden Zoo is ook naar het oordeel van schrijver dezes de presbyteriale vorm van Kerkregeering degene, die, naar den wil van Christus, in het Woord ligt uitgedrukt en in Zijn Kerk moet worden gerealiseerd. Dit neemt echter niet weg , dat de methode niet mag wezen, om a priori dien vorm als de goddelijke te fixeeren en nu voorts tot de H. Schrift te gaan, om uit haar saam te garen, wat dit dogma dekken kan. Temeer omdat dan allicht kracht wordt gezocht in het citeeren van enkele teksten, die, buiten verband met heel het Woord, niet in den rechten zin worden verstaan. Ook kan de rijke vrucht van historisch-exegetische studie, vooral uit den laatsten tijd, dankbaar worden aanvaard. Toch mag, vooral in een tijd, waarin weten-schappelijke beschouwingen met groote snelheid elkander verdringen, menigmaal in één en denzelfden persoon, er wel nadruk op worden gelegd, dat het kenmerk van het ware wetenschappelijke niet is, iets geheel nieuws te vinden, maar evenzeer kan liggen in het bevestigen van wat in machtigen strijd is verkregen.

 

Het standpunt moet worden genomen in de H. Schrift zelve.

|197|

En dan in de H. Schrift, bekleed met goddelijk gezag en aanvaard in haar eenheid als het Woord van God. De modernen, vreemd aan de realiteit der dingen in de H. Schrift, kunnen onmogelijk zóó inleven in de toestanden der eerste Christelijke Kerk, dat zij die in haar ware natuur verstaan, en komen tot allerlei, soms voor het geloof uiterst aanstootelijke voorstellingen omtrent het „Urchristentum” en ook omtrent de „Verfassung” der Kerk. Alleen het geloof, waardoor het leven van Gods Kerk, ook in haar eerste jeugd, wordt medegeleefd, is de wortelbodem, waaruit de rechte beschouwing kan opkomen.

 

Met het oog op de vraag, wat het N. Testament ons biedt aan gegevens voor de organisatie, kan men drieërlei standpunt innemen. Of, dat de Schrift niet bedoelt eenige aanwijzing te geven, zoodat de Kerk met de grootste vrijheid zichzelf inrichten kan, in den éénen tijd anders dan in den anderen; geheel verschillend: monarchaal, episcopaal, presbyteriaal, independentisch, zich schikkend naar landsregeering, of geleid door andere motieven. Of wel, dat het heele systeem van kerkregeering kant en klaar in de Schrift is neergelegd en slechts uit haar is af te lezen, terwijl aan de discretie des menschen in de Kerk des Heeren niets is overgelaten. Of ook, dat Gods Woord ons aangeeft de beginselen, de grondlijnen trekt, waarnaar het huis Gods in deze wereld moet worden opgetrokken en ingericht; dus gebonden en vrij. Gebonden in het principieele; vrij, in wat, mits met het principe niet in strijd, de uitwerking en inrichting betreft, terwijl daarbij de leiding des Heiligen Geestes, zij het ook niet meer een onfeilbare leiding, aan de Kerk verzekerd is. Om een voorbeeld te noemen: dat de Kerk ouderlingen moet hebben, is een beginsel, dat in de Schrift vastligt en in dit opzicht is de Kerk niet vrij, maar gebonden. Evenwel hoeveel ouderlingen een Kerk moet hebben, hoelang ze zullen dienen en dergelijke vragen, liggen op een terrein, waar de Kerk vrij is in haar bewegingen.

Dit laatste standpunt is het eenig juiste.

De Gereformeerden worden wel ten onrechte beschuldigd, dat ze in het N. Testament een codex zien van kerkelijke wetten, al gaf wellicht de bewijsmethode wel eens hier en daar aanleiding.

|198|

Steeds moet scherp worden onderscheiden tusschen de beginselen en het uit de beginselen afgeleide. Wat echter langs zuiveren weg wordt afgeleid, is even waar, als het beginsel zelf. Vandaar dat voortdurende critiek noodig is van het normans uit tot het normatum.

 

Naar de H. Schrift is rechtsorde voor de Kerk van Christus niet in strijd met haar wezen, al vloeit ze niet rechtstreeks uit het wezen voort. Die rechtsorde is dan ook niet een schepping des menschen, maar van den Vader der lichten, van wien ook deze goede gave voor zijn Gemeente afdaalt. Immers het instituut der Kerk is door God zelf gewild en geformeerd, en voor de Kerk als instituut is rechtsorde onmisbaar. Het kan niet zonder haar bestaan. Met het instituut zelf is dienovereenkomstig de Verfassung gegeven. Die Verfassung is niet vrucht van ontwikkeling, maar heeft wel zelve, eenmaal gegeven zijnde, een ontwikkelingsgang, die zich aan het organische leven der Kerk aansluit. Voor een duurzame organisatie liggen al de elementen in de H. Schrift.

 

Tegen twee dwalingen moet inzonderheid worden gestreden:
1e. tegen Rome’s leer, die heel de hiërarchie tot het N. Testament terugleidt;
2e. tegen de zgn. Verfassungslosigkeit in het N. Testament. De Kerk is geen gezelschap van menschen, die een gemeenschappelijke idee aangaande Jezus hebben. Ook in den beginne waren de discipelen des Heeren dit niet, en tegen de spiritualistische opvatting van het leven der eerste christenen in ongebonden pneumatisch-anarchistische willekeur moet in naam der historie protest worden aangeteekend. Er was van meet af organisatie, en een organisatie, niet maar charismatisch, maar ambtelijk.

 

Deze oorspronkelijke organisatie droeg echter een exceptioneel, en in dien vorm temporeel en transitoir karakter, bepaaldelijk door het instituut van het Apostolaat, als tusschenschakel tusschen Christus en de gewone ambtsdragers, en door de daarnaast in de

|199|

gemeente bloeiende charisma’s, evenwijdig loopend met en zich inschakelend in den ambtelijken dienst.

 

Scherp moet worden onderscheiden tusschen dat exceptioneele en fundamenteele, en tusschen wat als verdere bouw, mede onder inwerking van historische factoren, daarop wordt opgetrokken.

 

Hoofdbeginsel blijft, dat Christus in zijn Kerk, ook in de zichtbare Kerk, als eenig Hoofd, het regiment heeft.

Hij oefent dat regiment uit ambtelijk in al zijn geloovigen, die immers in de gave van het algemeen priesterschap zich mogen verheugen. Maar, wijl de werking in zijn Kerk een organische is, doet Hij het ook, in bijzonderen zin, door speciale organen, of ambtsdragers.

Twee lijnen kruisen elkander: de instelling van Christus en het geestelijk leven der gemeente, Woord en Geest. Er is nooit sprake van een ambtelijke macht boven de gemeente, maar in de gemeente, en met al de geloovigen in innig verband uitgeoefend. Er is geen ambt zonder geloovigen.

Het bijzonder ambt heeft daarom, krachtens de instelling van Christus, allereerst band aan Hem, zoodat men niet kan zeggen, dat, wanneer de dienaar predikt of de sacramenten bedient, de gemeente dit doet in hem; maar ook band aan de geloovigen, krachtens hun gemeenschap aan al de gaven van Christus.

 

Het was de roeping van het Apostolaat, om over te leiden van het buitengewone tot het gewone. Het N. Testament teekent reeds dien overgang. De apostelen deden dit dan ook met bewustheid; vandaar dat zij krachtig hebben gearbeid aan de organisatie der gemeente, en dat ze dit deden in eenheid van gedachte. Het was een fundamenteel arbeiden, in gehoorzaamheid aan denzelfden Zender, uit één roeping, naar één Woord, tot één doel. De oorspronkelijke organisatie was niet een uit natuurlijke invloeden en toevallige combinaties opdoemend verschijnsel, dat door allerlei wisselende aanrakingen en schuddingen in den loop der historie, bij wijze van een caleidoscoop in zichzelf de geschiktheid had, om allerlei ander beeld te gaan vertoonen, m.a.w. ze droeg

|200|

volstrekt niet in den schoot de elementen, waaruit met dezelfde gemakkelijkheid de meest verschillende vormen van Verfassung konden worden geboren. Maar de oorspronkelijke organisatie was de grondslag, door God éénmaal gelegd, waarop, naar vast bestek, het gebouw der Kerk, in lijnen aan dien grondslag beantwoordend, moest verrijzen. Ze bracht de van God gewilde vormen voor het kerkelijk leven aanstonds met zich mede.

 

De apostelen hadden van den aanvang af, hoezeer alle functiën onder het generisch begrip διακονία saamvattend, twee ambtelijke functiën op het oog: van het presbyteraat (episcopaat) en het diaconaat, terwijl een deeling van het eerste, in leer- en regeer-ambt, reeds in den apostolischen tijd als een normale ontwikkeling is te constateeren.

 

Deformatie bij den ontwikkelingsgang trad reeds spoedig in, en is door de apostelen zelven, nog bij hun leven, bestreden. Naar drie zijden had de Kerk van Christus in haar jeugdig bestaan zich te handhaven: tegen den Staat, die deze snel om zich heen grijpende, wonderbare verschijning met achterdochtig oog beschouwde; tegen de cultuur der oude wereld, die haar geloof als wangestalte en fanatisme blameerde; tegen de opkomende haeresie, die, binnen haar muren indringende, haar eigen leven bedreigde. In die worsteling heeft ze niet genoegzaam kracht gezocht in haar levensband aan Christus en zijn Woord, maar gepoogd zich sterk te maken door het scheppen van een formatie, waarbij het zwaartepunt uit de gemeente werd verlegd naar een machtigen clerus, die al meer met de gemeente een tegenstelling vormen ging; een formatie, die uitwendig een hechten band sloeg, en naar haar geestelijke en materieele zijde de wereldmacht imponeerde, maar zelve de gelijkvormigheid der wereld in zich droeg. De zuivere ontwikkelingsgang der organisatie naar den eigen aard van het leven der Kerk is dan ook dikwijls in den loop der eeuwen bij de van het groote „Kirchentum” afwijkende secten te zoeken, inzooverre zulke secten, hoeveel onzuiverheden haar ook aankleefden, waar ze geboren waren uit oppositie tegen de vervalsching der Kerk, toch met kracht teruggrepen naar een organiseering,

|201|

waarbij het leven niet als in doodelijke banden werd omkneld, maar tot geestelijken bloei kon worden wedergebracht.

 

Vandaar dat de Reformatie, en met name de Calvinistische Reformatie, teruggreep naar den apostolischen tijd, terwijl het gereformeerde stelsel van Kerkregeering, uit de H. Schrift thetisch opgebouwd, zich krachtig kon ontwikkelen, temeer waar het opkwam in scherpe antithese met de Roomsche hiërarchie en niet buiten den invloed van de democratische strooming, die in die dagen het leven der volken bewoog.

 

Bij alle reformatie en voortbouwing blijft die recursus naar het N. Testament eisch, en daarbij een steeds helderder onderscheiding van de gegevens, die het ons biedt. Alleen de H. Schrift kan critiek oefenen over wat in den loop der tijden normaal of abnormaal uit den wortel opschoot, en alleen aan haar hand zal de organisatie van Christus’ Kerk tot steeds meerdere volmaking kunnen komen.

Sillevis Smitt, P.A.E. (1910) Stel

|205|

 

Stellingen.

 

I.

πρεσβύτεροι en ἐπίσκοποι zijn in het Nieuwe Testament aanduiding voor hetzelfde ambt.

II.

De διδασκαλία, schoon een tijdlang ook vrij uitgeoefend in de samenkomsten der gemeente, moet toch geacht worden van den beginne af aan tot de functiën van het presbyteraat te hebben behoord.

III.

De theorie van R. SohmDas Kirchenrecht stekt mit dem Wesen der Kirche in Widerspruch” (Kirchenrecht I, bl. 1; Wesen des Katholizismus, bl. 24) berust op een verkeerd kerkbegrip en een verkeerd rechtsbegrip.

IV.

In het leven der gemeente van Jeruzalem, gelijk dit in Hand. 2: 42 wordt geteekend, liggen alle de elementen besloten, waaruit het georganiseerde kerkelijk instituut wordt opgebouwd.

V.

De bewering van E. Loening (Die Gemeindeverfassung des Urchristentums, bl. 99), dat de christenen in Jeruzalem „in dem sechsten Jahrzehnt unserer Zeitrechnung noch keine eigene Gemeinde-organisation gebildet hatten,” is in strijd met de gegevens van het N. Testament.

|206|

VI.

De Christelijke Kerk was in haar organisatie niet een nabootsing van de Joodsche Synagoge.

VII.

Er bestond geen wezenlijk verschil tusschen de organisatie der Christelijke Kerken in Palestina en in de Heidenwereld.

VIII.

In I Tim. 5: 17 „οἱ καλῶς προεστῶτες πρεσβύτεροι διπλῆς τιμῆς ἀξιούσθωσαν” valt te onderscheiden niet tusschen niet-ambtsdragers en ambtsdragers, maar tusschen ambtsdragers en ambtsdragers, m.a.w. πρεσβύτεροι wijst hier niet aan een stand maar een ambt.

IX.

Dat in Corinthe de gemeente alleen charismatisch en niet ook ambtelijk georganiseerd zou zijn, zooals A. Harnack stelt, wanneer hij, van Corinthe en Rome sprekend, zegt: „die Organisierung des Leibes der Gemeinde kommt lediglich durch Charismen zu Stande” (Verfassung und Recht, bl. 42), is èn met het oog op de gegevens voor andere Kerken in de heidenwereld, èn met het oog op hetgeen Paulus aan deze gemeente schrijft, niet aan te nemen.

X.

Het monarchische episcopaat vindt geen steun in het N. Testament, maar is te beschouwen als een onder inwerking van allerlei invloeden ingetreden ontwikkeling, die afwijkt van de grondslagen, die in het N. Testament voor de organisatie der Christelijke Kerk zijn gelegd.

|207|

XI.

In Jes. 40: 3 moeten mirmār en ‘armāh niet in eigenlijken, maar in figuurlijken (geestelijken) zin worden verstaan.

XII.

De doop van Johannes den Dooper en de door Christus ingestelde, na den Pinksterdag bediende doop, zijn in het wezen der zaak identiek.

XIII.

Lombroso’s theorie van den „delinquente nato” biedt geen steun aan de schriftuurlijke leer der erfzonde, maar is met deze in besliste tegenspraak.

XIV.

De nieuwe richting van Sheldon e.a., die heel het christendom wil doen opgaan in het doen wat Jezus deed, tast van het christendom zelf den grondslag aan.

XV.

Bij verloving van een lidmaat der Kerk met een ongeloovige is het ongeoorloofd om door het kerkelijk vermaan aan te dringen op verbreking der verbintenis, en dus ook, om slechts onder beding dier verbreking toe te laten tot het doen van belijdenis des geloofs.

XVI.

„Staatsarmenzorg gaat uit van een valsch beginsel; is vernederend voor Christus’ Kerk; voedt het pauperisme en doodt de geestelijke vrucht, die er rijpt zoowel uit het barmhartigheid oefenen als uit het barmhartigheid ontvangen.” („Diaconie en Overheid”, referaat, gehouden op de Prov. Diac. Conferentie, 1902, door schrijver dezes, bl. 19).

|208|

XVII.

De Kerkeraden zijn gehouden voor de behandeling van „doopleden”, die niet komen tot het doen van belijdenis, een regeling te treffen, welke leidt tot afdoend resultaat in zake hun relatie tot de plaatselijke Kerk.

XVIII.

Met het oog op een gezonde ontwikkeling van het kerkelijk leven dient in groote steden, bij haar toenemende uitbreiding, te worden aangestuurd op het formeeren van zelfstandige wijkkerken, ieder onder een eigen Kerkeraad.

XIX.

De dienst des Woords in de Vergadering der geloovigen draagt het karakter noch van κήρυγμα, noch van μαρτυρία, noch van προφητεία, maar dat van ὁμιλία.

XX.

Het is gewenscht, dat er door gemeenschappelijk overleg der Dienaren, althans van één zelfde Kerk, meer eenheid kome in het catechetisch onderwijs aan de kinderen der gemeente.

XXI.

Het godsdienst-onderwijs op christelijke gymnasia en christelijke hoogere burgerscholen verstrekt, dient in stof, methode en strekking wel te worden onderscheiden van het catechetisch onderricht, en het ontvangen van het eerste geeft geen vrijbrief, om het tweede te verzuimen.