Kuyper, A. (1890d)

Separatie en Doleantie
Amsterdam
J.A. Wormser
1890

Kuyper, A. (1890d) HI

|3 Inleiding|

 

I. 

De geïnstitueerde kerk in haar ontstaan, voortbestaan en reformatie.

 

Nog niet aller inzicht in de kerkrechtelijke gevolgen der Doleantie is tot genoegzame helderheid gekomen. Dit geldt zelfs ten deele van hen, die zelven in Doleantie gingen; en, naar hieruit valt af te leiden, in nog sterker mate van diegenen, die de Doleantie óf tegen- óf er buitenstaan.

Dit gaf aanleiding, dat ik herhaaldelijk wierd aangezocht, om de kerkrechtelijke gevolgen der Doleantie eens opzettelijk in het licht der Gereformeerde beginselen van kerkrecht te plaatsen. Niet mijn opinie wierd gevraagd; want gelukkig liggen de dagen der valsche subjectiviteit, toen men in alles op persoonlijk inzicht dreef, voorgoed achter ons. Het zich „verwonderen over de personen” hebben de kerken, Gode zij dank, afgeleerd. Maar men had de goedheid te onderstellen, dat ik misschien in staat zou zijn, de kerkrechtelijke beginselen, die hier den doorslag moeten geven, uit het bloeitijdperk van het Calvinisme op te sporen, en de gevolgen aan te wijzen, die hieruit voor de beoordeeling der jongste Doleantie voortvloeien. Vooral een advies op de voorloopige Synode te Leeuwarden geïmproviseerd, en dat sommigen wel wat vreemd in de ooren klonk, deed de begeerte naar een advies op schrift toenemen; en nu ik, eer de lessen aan de Vrije Universiteit hervat worden, nog een paar vrije dagen had, wilde ik daarom trachten, aan dit kenbaar gemaakt verlangen, natuurlijk ook met het oog op de Separatie, te voldoen.

En dan begin ik met de schijnbaar onnoozele, maar toch inderdaad zoo uiterst gewichtige opmerking, waarmede Professor Gijsbert Voetius de behandeling zijner Politica Ecclesiastica heeft ingeleid, t.w. dat het kerkrecht nooit over de onzichtbare kerk handelt, maar altoos en uitsluitend over de zichtbare

|4 Inleiding|

(Vol. I p. 1 en p. 11). „Nos, zoo verklaart hij, in Politica Ecclesiastica non consideramus Ecclesiam secundum statum mysticum, sed secundum statum externum et secundum formam collectionis visibilis”; d.w.z.: „In onze kerkrechtelijke bespreking beschouwen wij de kerk niet van haar geestelijk verborgene zijde, maar uitsluitend in haar waarneembare gedaante en in haar vorm van zichtbare saamvergadering.” En om alle misverstand af te snijden, voegt hij er aanstonds bij, dat hij onder „zichtbare kerk,” of „zichtbare saamvergadering” hier niet verstaat, hetgeen, ook buiten verband in rechten, van het Lichaam van Christus soms te merken valt, maar uitsluitend: „Societas fidelium libere inita ad exercendam communionem sanctorum seu ad communicationem mutuam eorum, quae ad salutem pertinent;” wat zeggen wil: „een vereeniging van geloovigen, die vrijelijk aangegaan is, met het doel om de gemeenschap der heiligen te oefenen, en elkaar onderling mede te deelen, wat ter zaligheide strekken kan” (pag. 12). De zichtbare kerk, in dezen zin opgevat, noemt hij alsnu de ecclesia instituta, wat wij gewoonlijk uitdrukken door te spreken van een geïnstitueerde kerk of een kerkelijk instituut, en wat men ook kon omschrijven als een in elkaar gezette, een geordende kerk, of een kerk die onder een bestuur (d.i. kerkeraad) leeft, en leeft naar een overeengekomen regel. Hiermee is natuurlijk in het minst het bestaan der geestelijk-mystieke of onzichtbare kerk niet ontkend, noch ook beweerd dat de zichtbare kerk als een apart iets naast de onzichtbare staat. Integendeel voor Voetius, en alle goed Gereformeerden, is het de ééne kerk van Christus, die in mystieken zin geestelijk bestaat, en door de geïnstitueerde kerken een vorm in het zichtbare aanneemt; zoodat de geïnstitueerde kerk slechts in zooverre en voor zoolang kerk is, als ze metterdaad de geestelijke kerk tot openbaring brengt. Edoch, als ge van kerkrecht spreekt, wil Voetius zeggen, hebt ge niet met dat geestelijk wezen, als zoodanig, maar uitsluitend met dien tot stand gekomen kerkvorm te doen. Wel zijn er ook rechten van het Lichaam van Christus, zoo ge die geestelijk opvat; rechten van den Koning der kerk op grond van zijn zoenverdiensten, en rechten van de leden des Lichaams op de hun toebeschikte erfenisse; maar over deze geestelijke rechten wordt in de

|5 Inleiding|

geloofsleer, niet in de leer van het kerkrecht beslist. Kerkrecht handelt uitsluitend van de rechtsverhoudingen, die door menschen voor den dienst der kerk in het leven zijn geroepen.

Niet natuurlijk alsof in collegialen zin de regeling van deze rechtsverhoudingen van het goedvinden of de wil keur der handelende personen zou afhangen. Verre vandaar zijn de handelende personen bij het institueeren van een kerk strengelijk gebonden aan Gods Woord, en kunnen ze hun bevoegdheid tot handelen slechts aan een machtiging van den Koning der kerk ontleenen. Maar overmits noch de uitlegging van Gods Woord, noch de geestelijke keur van de verhouding tusschen Christus en zijn leden, onder het kerkrecht thuis hoort, is Voetius’ hoofdstelling metterdaad onbetwistbaar, dat het kerkrecht alleen kan en mag beslissen over de zichtbare kerk, gelijk die geïnstitueerd wordt of is. Ook dit laatste: gelijk die geïnstitueerd is, moet er bij. Immers het aanzijn en bestaan van het Lichaam van Christus kan ook zonder dat in eenige stad of in eenig dorp wel merkbaar zijn, zoodat de kerk van Christus er zichtbaar wierd. Zoo b.v., als een paar Christelijke huisgezinnen naar een Turksche of Heidensche stad verhuizen, en daar openlijk voor hun Christelijke belijdenis uitkomen, ja, zelfs aan hun mede-inwoners het Evangelie bekend maken, dan is er zeer zeker in die plaats iets van het Lichaam van Christus te merken, en is dit dus zichtbaar geworden. Maar zoolang deze gezinnen niet tot de stichting of oprichting van een uitwendig kerkverband overgaan, is er in die plaats toch geen kerkformatie; en, omdat er geen kerkelijk instituut is, kan er uit dien hoofde ook van kerkrecht nog geen sprake wezen. Wil men dus zelf niet ter prooi worden aan eindelooze begripsverwarring, en er anderen niet in verwikkelen, dan dient bij het bespreken van de kerkrechtelijke gevolgen der Separatie en Doleantie aan al wat niet de geïnstitueerde kerk raakt het zwijgen opgelegd, en met strenge begripsbeperking uitsluitend van de Ecclesiae institutae gehandeld. Vooral bij elk debat over dit vraagstuk kan dit niet stipt genoeg in het oog worden gehouden. Anders moet elke gedachtenwisseling haar doel missen; eenvoudig omdat de één dan gedurig over iets anders spreekt dan de ander ouder dat spreken verstaat. 

|6 Het Roomsche stelsel|

Het verwijt, dat men op die wijs ongeestelijk zou worden, schrikke daarbij niemand af. Eer omgekeerd leidt het geestelijke juist schade, indien ge de ordinantiën Gods niet eerbiedigt, waardoor ook op kerkelijk terrein onderscheid is gemaakt tusschen de ziel der kerk, als we ons zoo mogen uitdrukken, en haar lichaam.

Maar bovendien, ge kunt de door Voetius gemaakte beperking niet wraken, zonder ongemerkt op de lijn van Rome te komen. Vergeet toch nooit, dat in de onderscheiding tusschen de onzichtbare binnenzijde en de zichtbare buitenzijde der kerk het principale stuk onzer belijdenis ligt, waarmede onze vaderen tegen Rome zijn opgetreden.

Rome heeft die onderscheiding niet gemaakt, en toen ze gemaakt wierd, die gewraakt. Haar beweren is juist dat de uitwendig-zichtbare kerk zelve het Lichaam van Christus is, en dat uit dien hoofde alles wat van het mystieke Lichaam van Christus geldt, ook geldt van de kerk van Rome. Vandaar dat in Romes kerk de „leeken” evenmin iets te zeggen hebben, als wij in den dag der heerlijkheid iets zullen te zeggen hebben in de hemelsche kerk. In die hemelsche kerk zal Christus onze Koning rechtstreeks alle ding zelf beheerschen, en zal er in ons geen andere lust zijn dan om te gehoorzamen aan zijn bevel. En zoo nu ook wil de Roomsche kerk, dat Christus’ stedehouder op aarde rechtstreeks heel zijn kerk beheerschen zal, en dat de leden van het lichaam der kerk zijn stem onvoorwaardelijk volgen zullen. Deswege bepaalt Rome den kring harer kerk niet door de belijdenis, maar door een geestelijk sacrament, en houdt staande dat alle door haarzelve of door anderen gedoopten rechtens onder de heerschappij van Christus’ stedehouder vallen. En in verband hiermee moet de Roomsche kerk dan ook op het bezit van dwingende macht bedacht zijn; zoodat de burgerlijke Overheid, indien het Roomsche systema streng principieel wierd doorgevoerd, alle verzet van de gedoopten tegen den stedehouder van Christus zou moeten straffen. Heel dit stelsel sluit dan ook volkomen. Is het waar, dat de zichtbare kerk zelve het mystieke Lichaam van Christus is; en dat Christus op aarde een stedehouder heeft, die in zijn naam doet, wat hij zelf zou doen; dan is elke inmenging van de leeken in kerkelijke zaken

|7| Het Gereformeerde stelsel|

eenvoudig ongerijmd, en elk verzet tegen Christus’ stedehouder schending van Christus’ eigen majesteit. Daarom moest de onfeilbaarheid van den Paus dan ook wel als sluitsteen in dit stelsel worden ingevoegd; en verklaart zich de bekoring, die dit Roomsche stelsel op veler geest uitoefent, gereedelijk daaruit, dat het een misplaatste anticipatie is op hetgeen in de hemelsche kerk metterdaad ten deele reeds nu bestaat, en eens algemeen zal zijn.

 

Eerst door de droeve uitkomst zijn dan ook in de 16de eeuw veler oogen voor de onhoudbaarheid van dit Roomsche stelsel opengegaan, en niet dan empirisch zijn de vaderen uit dit tijdperk er toe gekomen, om, tegen dit Roomsche stelsel, uit Gods Woord een ander stelsel over te plaatsen. Bij het ontwerpen nu van dit andere stelsel hebben ze in Gods Woord op twee onderscheidingen gewezen; vooreerst op het sterk in het oog springende onderscheid tusschen de kerk onder het Oude en de kerk onder het Nieuwe Verbond; en ten andere op hetgeen omtrent de kerk als het mystieke Lichaam van Christus werd geopenbaard, en hetgeen feitelijk medegedeeld werd omtrent de stichting en het bestuur der gestichte plaatselijke kerken. Beide malen rustte h.i. deze onderscheiding op de door God gekozen manier, om zich aan ons menschen te openbaren. Hun bleek dat deze wijze van openbaring niet altoos dezelfde was. Op andere wijze openbaarde God zijn wil onder Israël, en op andere wijze in Christus en zijn heilige apostelen. Maar nog grooter was het onderscheid tusschen deze beide rechtstreeksche openbaringen en de wijze waarop God, na het uitsterven van het apostolaat, zijn wil aan zijn kork te kennen gaf. Na het uitsterven der heilige apostelen toch houdt wat wij gemeenlijk noemen de bijzondere openbaring op; geeft God zijn wil niet meer rechtstreeks te kennen; en is de kerk voortaan gebonden aan het geschreven Woord, verzeld van de leiding des Heiligen Geestes; eene leiding die niet meer onmiddellijk werkt, maar slechts middellijk door het denken en doen van feilbare menschen. Ze beweerden daarom niet, dat het niet anders had kunnen zijn. Op zich zelf liet het zich zeer wel denken, dat de Urim en Tumim nóg hun orakelen gaven; dat er nóg profeten waren die „goddelijke antwoorden” konden geven; of dat er alle eeuwen door

|8 Het Gereformeerde stelsel|

apostelen waren gebleven, die onfeilbaar leeren en vermanen konden. En ware dit zoo, natuurlijk zouden we ons dan te onderwerpen hebben. Maar ze hielden staande, dat alzoo Gods bestel blijkbaar niet is; want dat noch door den Christus noch door de apostelen zulk een toestand ons is aangekondigd, en dat feitelijk zulke apostelen en profeten er niet zijn. Matigt zich nu echter de kerk, hoewel ze slechts feilbaar en middellijk kan werken, toch het recht aan, om een onfeilbare en onmiddellijke goddelijke uitspraak te geven, dan ontstaat hierdoor een ondraaglijke geestelijke tirannie van den eenen feilbaren mensch over den anderen; en het is tegen deze geestelijke tirannie over de conscientiën dat onze vaderen in de 16de eeuw hun stelsel van de „Vrijheid eens Christenmenschen” d.i. de Libertas Christiana, hebben overgezet. Niet om te beweren dat een Christenmensch vrij van God was. Integendeel, aan het onfeilbaar gezag van de profeten en apostelen bonden zij de conscientiën zoo sterk mogelijk; maar ze maakten los eiken band, waardoor de conscientie, niet aan het wezenlijk onfeilbaar Woord van God gebonden, maar in het gepretendeerd onfeilbaar gezag van een feilbaar mensch verstrikt lag.

Hiermee nu was hun stelsel van kerkrecht vanzelf gegeven. Waren er noch onfeilbare personen noch onfeilbare ambten, dan kon Christus zijn koninklijke macht over zijn kerk niet anders uitoefenen dan door zijn onvergankelijk Woord in de Heilige Schrift, en door de leiding van zijn Heiligen Geest in de menschelijke personen; en dan moest er wel onderscheid gemaakt tusschen hetgeen onfeilbaar en onmiddellijk door Christus gewerkt wierd in het geestelijk-mystieke Lichaam, en hetgeen feilbaar en slechts middellijk tot stand kwam in de zichtbare kerk op aarde. Dan was dat geestelijk-mystieke Lichaam één en ondeelbaar, zonder vlek en zonder rimpel heilig; maar dan kon dit Lichaam zichtbaar in de menschelijke verhoudingen niet anders optreden, dan gedeeld naar plaats en tijd, en behept met de gevolgen van menschelijke feilbaarheid en onheiligheid. Dit laatste voelt men terstond aan de kerkelijke tucht, die, in het geestelijk-heilig Lichaam des Heeren uit den aard der zaak ondenkbaar, van de zichtbare openbaring der kerk onafscheidelijk is.

|9 Het ontstaan der geïnstitueerde kerk|

Dit nu maakte dat voor Voetius, en alle schrijvers over Gereformeerd kerkrecht, het uitgangspunt steeds in de vraag lag: „Hoe wordt eene plaatselijke kerk, in een stad of dorp, waar Christus’ kerk zichtbaar begint te worden, geplant of geïnstitueerd?” En dan luidt aller antwoord steeds en eenpariglijk: Door een wilsdaad van de belijders des Heeren, krachtens door Christus hun verleende bevoegdheid, in gehoorzaamheid aan zijn Woord.

Let op elk dezer drie.

Door een wilsdaad der belijders. Niet dus door een kerk van buiten af; noch door hetgeen een classis doet; en ook niet door hetgeen een van elders gezonden dienaar des Woords verricht. Want wel is zulk een hulp en leiding gewenscht; komt ze in den regel voor; en is het plichtmatig, die te gebruiken, zoo ze te verkrijgen is; maar ze is op zichzelf niet onmisbaar; en, ook waar ze te stade komt, is en blijft ze bijkomstig, en is nooit de grondslag, waarop de nieuw te formeeren kerk rust.

Die grondslag is en blijft in rechten eeniglijk de vrije wilsdaad der handelende personen uit die stad of uit dat dorp zelf.

Dit echter zou zonder meer tot Pelagianisme, en diensvolgens tot het Collegiale kerkrecht leiden, zoo deze wilsdaad niet nader bepaald wierd. Daarom nu wierd er bijgevoegd, dat deze personen dán alleen tot deze wilsdaad bekwaam zijn, zoo ze handelen qualitate qua, d.w.z. als belijders des Heeren, die eeniglijk aan die belijdenis de bevoegdheid ontleenen, om in naam van Koning Jezus tot de stichting van een kerk, die zijns wezen zal, over te gaan.

En in de derde plaats moet de ernst van deze bedoeling daaruit blijken, dat ze met hun wil een daad volbrengen, die niet wortelt in hun eigen goedvinden, maar die geschiedt uit en in gehoorzaamheid aan het Woord van hun Koning. Zoo stichten ze dan een kerk, niet omdat zij zelven dit practisch gewenscht vinden, maar omdat Gods Woord dit aan de belijders des Heeren gelast; en ze stichten deze kerk niet op de wijs, die hun het profijtelijkst dunkt, maar gelijk de Heere dit in zijn Woord beveelt.

Hun wilsdaad is dus zoo gebonden mogelijk tegenover den Christus en laat van dien kant geen de minste vrijheid toe;

|10 Het ontstaan der geïnstitueerde kerk|

maar is anderzijds zoo vrij mogelijk ten opzichte van derden en van elkander. Van geen mensch laten ze zich een kerk door dwang opleggen, en met geen mensch treden ze anders dan uit vrije overtuiging in kerkelijke gemeenschap. God de Heere heeft absolutelijk over hen te gebieden, en wee hunner zoo ze bij deze daad van kerkstichting ook maar een haarbreed van zijn wil afwijken. Daarmee schonden ze zijn heilig recht, en die schending zou Hij wreken. Maar als er eenig mensch opstaat, die kerkelijk eenig recht op hen beweert te hebben, dan kan zulk een, hij zij in het ambt of buiten het ambt, dit zijn recht nooit kerkrechtelijk op een anderen grondslag laten gelden, dan krachtens deze hun eigen wilskeus. Al spreekt het dus vanzelf, dat de ambten hun geestelijke macht niet aan eenig mensch, maar alleen aan den Christus ontleenen, toch aarzelt Voetius geen oogenblik te verklaren, dat in rechten het ambt op niemand vat heeft dan die zich onder dit ambt gesteld heeft, ja dat de ambtsdragers hun rechten alleen kunnen uitoefenen, krachtens opdracht van de vergadering der geloovigen. 1)

Vraagt men dan ook waar de kerkelijke macht, of de potestas ecclesiastica berust, dan zal een goed Gereformeerde op kerkrechtelijk terrein nooit antwoorden: „Bij de ambtsdragers”, en ook niet: „bij Christus”; maar zijn antwoord zal luiden: Door Christus is deze potestas ecclesiastica in de vergadering der geloovigen gelegd en van daar klimt ze op. Voetius bewijst dit wiskunstig zeker door er aan te herinneren, dat een kerk denkbaar is, die, in een tijd van epidemie of oorlog, op zeker oogenblik


1) Antecessores ab Ecclesia constituti sunt, ut nomine Ecclesiae ecclesiastica curent, ita ut in illis Ecclesia sua curare dicenda sit. [De voorgangers zijn door de kerk aangesteld, opdat zij in naam der kerk de kerkelijke aangelegenheden zouden bezorgen, en dat in dien zin, dat de kerk gezegd kan worden, in hen, zelve haar eigen zaken te beschikken.] (Vol. I. p. 28) En: Est libertas tam in ortu quam in actu, ut libere scil. in prima Ecclesiae collectione, aut in collectae continuatione per novorum membrorum receptionem, consensum suum quisque declaret et confoederationem ineat; non vero coäcte. [Deze vrijheid geldt bij het ontstaan niet alleen, maar ook bij het voortbestaan der kerk, zoo dat niet alleen bij het eerste stichten eener kerk, maar ook bij de voortzetting van een reeds gestichte kerk door de aanneming van nieuwe leden, een iegelijk zijn confessie en stipulatien vrijelijk te doen heeft; en nooit gedwongen.] (p. 10.)

|11 Het ontstaan der geïnstitueerde kerk|

van al haar ambtsdragers beroofd werd, en die desniettemin geen oogenblik op zou houden eene kerk te zijn, en dus ook de kerkelijke macht, die aan een kerk toekomt, in zich zou blijven dragen (p. 29). En al is het, wat bet andere punt betreft, volkomen waar, dat alle macht over de kerk in Christus, als haar van God gezalfden koning, berust, zoo mag toch nooit voorbijgezien, dat het kerkrecht deze macht op aarde moet kunnen aanwijzen, en dat ze op aarde door Christus in menschen moet zijn gelegd.

De eenig goede voorstelling van het ontstaan of opkomen eener geïnstitueerde plaatselijke kerk is alzoo deze: In een stad of dorp, waar dusver de Christus niet gekend was, worden eenige inwoners door aanraking met Christenen van elders tot den Christus bekeerd. Of dit slechts een uitwendige bekeering is, dan wel de vrucht van een geestelijk genadewerk, is eene vraag die wel hoogst belangrijk is, maar voor het kerkrecht niets afdoet; overmits kerkrechtelijk nooit kan worden uitgemaakt, hoe het inwendig in iemands hart staat. De intimis non iudicat Ecclesia, d.w.z. een kerk kan niet oordeelen over de innerlijke gesteldheid des harten. We houden ons dus aan het uitwendige feit, dat er in zulk een stad of dorp mannen zijn opgestaan, die betuigen, dat ze zich aan Jezus als hun Koning onderwerpen. Hieruit nu vloeit rechtstreeks voor deze personen de verplichting voort, om met elkander in overleg te treden, en om zulk een forme van kerk in het leven te roepen, dat de dienst des Woords en der Sacramenten kunne worden opgericht, de gemeenschap der heiligen geoefend en de onderlinge tucht in werking kunne treden. Wie hiertoe den eersten stap doet is onverschillig; maar is de eerste stap gedaan, dan zijn zoodanige personen verplicht bij hun kerkstichting het advies en de hulpe in te roepen van een naastbij gelegen reeds bestaande kerk. Is deze hulp niet te verkrijgen, dan handelen zij zonder deze hulpe. Kan ze daarentegen verkregen worden, dan is het hun plicht hun eigen kerk zoo te formeeren, dat ze van meet af voorbereid worde op de saamwerking met andere kerken. Doch met of zonder hulpe, de handelende en beslissende personen blijven de nieuwe belijders te dier plaatse; door hun stem wordt de belijdenis aanvaard, waarop ze zich vereenigen; door hun stem wordt

|12 Het ontstaan der geïnstitueerde kerk|

de ordening aangenomen, die voor hun kerk gelden zal; en door hun stem worden de mannen aangewezen, die in het ambt zullen optreden. Door deze daad verbinden deze personen zich tegenover elkander en tegenover de door hen verkozen mannen. Want wel waren ze reeds verbonden door een geestelijken onzichtbaren band in Christus en door onderlinge kennismaking, maar hun verbintenis in kerkelijken rechte ontstaat eerst door hun saamtreding en de stipulatiën of bedingen, waarop deze saamtreding tot kerkformatie plaats had. 1)

Is nu eenmaal op die wijs de kerk te dier plaatse gesticht, dan rust op deze kerk de verplichting, om onverwijld in verbinding te treden met de genabuurde kerken. Van Godswege staat het niet in haar believen, dit te doen of na te laten. Zij moet, althans voorzooveel andere kerken zich hiertoe leenen willen. Maar het verband in rechten tusschen kerk en kerk ontstaat toch eerst door een wilsdaad én van de nieuw geformeerde én van de reeds bestaande kerken. Want wel bestond die band organisch reeds doordien beide kerken openbaringen zijn van het ééne Lichaam van Christus; maar in menschelijken rechte komt deze band eerst uit en begint hij eerst rechtsgeldig te werken van het oogenblik af, dat de nieuw geformeerde kerk desaangaande niet de andere zij overeengekomen. Op dit in rechten, en wel in kerkelijken rechte, kan hierbij niet genoeg de nadruk worden gelegd; want geestelijk ligt alles vast in Christus, lid aan lid en kerk aan kerk, en is niemand vrij om zich niet of wel te verbinden; maar in kerkelijken rechte werkt deze band eerst doordat ze overeenkomen. Geestelijk dus noch wilsdaad, noch contract, noch stipulatiën; maar in kerkelijke rechten zonder wilsdaad, contract en stipulatiën, noch kerkvorm, noch kerkbestuur, noch kerkenordening, noch kerkverband.

Deze oorsprong, dit ontstaan van een plaatselijke kerk als 


1) Non est ergo Ecclesia instituta visibilis numerus aliquis fidelium et fidem profitentium, qui absque tali unione et communione, et quidem explicita, alicubi commoratur. [Zeker zichtbaar aantal geloovigen, dat belijdenis des goloofs doet, maar zonder zoodanige, en dat wel uitdrukkelijke vereeniging en verbinding, ergens vertoeft, vormt daarom nog geen geïnstitueerde kerk.] Voetius, Pol. Eccl. Vol. I. p. 14. 

|13 Het voortbestaan der geïnstitueerde kerk|

kerkelijk instituut moest daarom zoo breedvoerig uiteen worden gezet, omdat de regel voor het ontstaan van een geïnstitueerde kerk uiteraard geheel haar verder verloop, ook bij reformatie van het instituut, beheerscht. De wortel beslist voor den groei van den boom en voor de wijze, om, bij schade die aan den stam wierd toegebracht, den gezonden groei te herstellen. Staat dus eenmaal dit uitgangspunt vast, dan kost het niet de minste moeite, om hieruit logisch alle verdere conclusiën af te leiden.

 

En dan is de eerste vraag, die bij het kerkelijk instituut rijst, deze: Op welke wijze vernieuwt dit instituut zich in zijn leden?

Ook op deze vraag is tweeërlei antwoord gegeven, het ééne door Rome, het andere door het Calvinisme. Rome zegt: Door den heiligen Doop als zoodanig; het Calvinisme: Door belijdenis en stipulatiën, hetzij explicite, hetzij implicite in den Doop. Wel zijn beiden het er over eens, dat in het bestaande instituut nieuwe bekeerlingen uit de Heidenen of Turken alleen door of na Doop op belijdenis kunnen worden aangenomen; maar zoodra er sprake is van het zich vernieuwen in het tweede geslacht of het opnemen van Christenen die van elders komen, gaan beider voorstellingen geheel uiteen. Rome leert, dat men niet gedoopt wordt op onderstelling van voorafgaande wedergeboorte, maar dat men wedergeboren wordt door den Doop, en alzoo door den Doop lid der kerk van Christus en dus ook van de uitwendige kerk wordt; op grond waarvan Rome dan ook staande houdt, dat elk gedoopte als zoodanig ook in vollen zin lid van de geïnstitueerde kerk is, en dat alzoo elk gedoopte die van elders komt, reeds als zoodanig lid uitmaakt van de kerk in de plaats of wijk zijner nieuwe woning. Het Calvinisme daarentegen ontkent dit beweren, en stelt er tegenover, wat de van elders komenden betreft, dat deze zich als candidaat-leden der geformeerde kerk moeten aanmelden: dat de geformeerde kerk om over hun toetreding te oordeelen óf een eigen onderzoek instelt óf op het getuigenis van andere kerken afgaat; dat zij dus rechtens bevoegd is de toetreding te weigeren; en dat, zoo ze deze toestaat, de toetreding plaats heeft op de belijdenis en stipulatiën, die hetzij bij getuigschrift of

|14 Het voortbestaan der geïnstitueerde kerk|

openlijk plaats hebben, al naar de regelen die bij het kerkverband zijn vastgesteld. 1) Natuurlijk erkent ook de Calvinist wel, dat wie naar elders verhuist, zich van Godswege aan de kerk te dier plaatse moet aansluiten; en evenzoo dat de kerk te dier plaatse van Godswege gehouden is, hem aan te nemen, zoo hij zuiverlijk belijdt; maar in kerkelijken rechte gesproken kan noch het zich aanmeldend lid aan de kerk noch de kerk aan het zich aanmeldend lid geweld aandoen; en hun wederzijdsch verband in rechten ontstaat alzoo eerst door de aan te gane stipulatiën.

En ditzelfde standpunt nu neemt Voetius en het Gereformeerde kerkrecht ook ten opzichte van de gedoopten in. Onze kerken doopen niet als konden zij door den Doop iemand wederbaren, maar in de onderstelling dat de doopeling vooraf wedergeboren is. Waar men dat niet onderstelt, mag niet gedoopt worden. Elke doopeling, ook het kleinste kind, wordt dus niet gedoopt, om hem daardoor eerst in het Lichaam van Christus in te lijven, maar als zijnde een lidmaat van Christus, d.w.z. als zijnde een lid van zijn mystiek-geestelijk Lichaam.

Hieruit volgt intusschen nog volstrekt niet, dat hij daarom reeds door zijn Doop lid der geïnstitueerde kerk in den gewonen zin des woords zou zijn. Wel heeft hij in die geïnstitueerde kerk, zoo hij uit „geloovige” ouders geboren is, zijne plaats, maar niet uit zijn eigen hoofde en nog alleen uit hoofde van zijne ouders. De ouders toch zijn, op grond van Gods Woord, kerkrechtelijk met de overige geloovigen overeengekomen, dat hunne kinderen in de geïnstitueerde kerk zouden mederekenen, als de zoodanigen voor wie de kerk zorge had te dragen; maar zelfstandige rechten uitoefenen kunnen de gedoopten, als zoodanig, in de geïnstitueerde kerk nog volstrekt niet. Ze zijn, zoo als Voetius ze noemt, membra incompleta d.i. onvolgroeide leden der kerk. Hij, zoowel als alle goede schrijvers over Gereformeerd kerkrecht, ontkent dan ook ten stelligste, dat ze virtualiter reeds door hun Doop genoegzaam „beleden” zouden hebben, gelijk Rome


1) Ecclesia cogi non potest, ut in communionem admittat, quem iustis de causis non admittendum iudicat. [Een kerk kan niet gedwongen worden, om in haar gemeenschap op te nemen, iemand omtrent wien ze op goede gronden oordeelt dat hij niet kan toegelaten.] (Ib. Vol. I, p. 19).

|15 Het voortbestaan der geïnstitueerde kerk|

dit uitdrukt. Neen, ook de gedoopte kinderen kunnen eerst later door eigen wilsdaad tot belijdenis en het aangaan van die onmisbare stipulatiën komen, waardoor ze alsdan eerst in vollen zin, persoonlijk, als leden der geïnstitueerde kerk optreden 1). In rechten definitief verbonden zijn ze door hun Doop nog niet; kerkrechtelijk verbinden ze zich eerst persoonlijk door het doen van openbare belijdenis en het aangaan van de noodige stipulatiën. Feitelijk vallen ze uit eigen hoofde eerst onder de tucht, als ze door die eigen stipulatiën zich aan die tucht onderworpen hebben 2).

Kort saamgevat kan men dus zeggen: Door wedergeboorte werden ze ingelijfd in het mystieke Lichaam van Christus; niet in de zichtbare noch in de geïnstitueerde kerk. Door den heiligen Doop werden zij openbaar niet in de onzichtbare kerk, maar als behoorende tot de zichtbare, algemeene Christelijke kerk op aarde; en eerst door belijdenis en stipulatie worden ze, als zijnde leden der onzichtbare kerk, en als gedoopten, nu ook toegelaten tot het volle genot van de leden der geïnstitueerde kerk. Wel hebben de gedoopten, krachtens hun plicht tot gehoorzaamheid aan hun ouders, den plicht om zich aan de zorge der kerk te onderwerpen, en heeft de geïnstitueerde kerk, krachtens de gemaakte stipulatiën, den plicht om ook voor de gedoopten te zorgen; maar zelfverworven rechten heeft de gedoopte als zoodanig kerkelijk niet, en de kerk heeft over hem persoonlijk en uit eigen hoofde in rechten geene bevoegdheid. Dit gaat zoover dat ons Doopformulier dan ook uitdrukkelijk bepaalt dat de plicht, om de gedoopten in de Christelijke leer te onderwijzen, op de ouders en niet in de


1) Nos statuimus . . non admitti implicitam professionem ac confoederationem in Baptismo tanquam sufficientem ad hoc ut quis Coenae Domini et completae communionis Ecclesiasticae particeps sit. [Wij zijn van oordeel, dat eene bedekte belijdenis en stipulatie in den Doop niet toereikend is, om iemand toegang tot het Avondmaal te verleenen of in te lijven in de volle gemeenschap der kerk.] (p. 30.)
2) Op bl. 30 veroordeelt Voetius de meening: „disciplinam ecclesiasticam etiam ad omnes adultos, quamvis a religionis professione et Ecclesiae communione alienos extendendam esse, tamquam ad membra Ecclesiae, quod scil. in infantia baptizati essent. [D.i. de meening, alsof de kerkelijke tucht zich ook zou uitstrekken tot die volwassenen, die vervreemd zijn van de Christelijke professie en het kerkelijke leven, alsof ze, enkel wijl ze in hun jeugd gedoopt zijn, reeds daarom leden der kerk waren.]

|16 Het voortbestaan der geïnstitueerde kerk|

eerste plaats op haar rust. Nu kunnen de ouders bij hun kerkelijke stipulatiën wel de hulp der dienaren hierbij bedingen, maar de kerkrechtelijke band tusschen de gedoopten en de dienaren loopt dan toch altoos over de ouders, en werkt nooit rechtstreeks. Doopleden, die burgerlijk als meerderjarig gelden, zijn uit dien hoofde kerkrechtelijk onbestaanbaar, en kunnen nooit een zelfstandige positie in de kerk als instituut erlangen. Slechts kunnen ze, als zijnde tot hun jaren gekomen, door feitelijk de autoriteit van den kerkeraad te erkennen, geacht worden zich als „kerkelijk nog onmondigen” aan zekere kerkelijke voogdij te hebben onderworpen. Nooit echter kan deze lijdelijke houding iemand de volle rechten van de gemeenschap geven. Immers het stilzwijgende is hier niet voldoende. De wilsdaad moet opzettelijk en openlijk zijn. De „implicita et tacita professio et confoederafio,” zegt Voetius terecht, „hic non sufficit.” Een zwijgende en bedekte belijdenis en aansluiting is hier niet voldoende (p. 31).

Om dit duidelijk te maken, merkt hij (blz. 20) op, dat „het juiste inzicht in deze quaestie geheel beheerscht wordt door de juiste onderscheiding tusschen de „voorafgaande wedergeboorte en de eerst later volgende daadwerkelijke bekeering”; en doet hij uitkomen, hoe niet alleen Rome, maar ook een vriend van Arminius in zijn Diatribe de Disciplina Ecclesiastica ten deze de onschriftuurlijke voorstelling bepleit. Waartegen hij dan op blz. 30 en 31 aanvoert, dat heel deze voorstelling, als kon de kerk iemand, zonder meer, reeds door zijn Doop kerkrechtelijk binden, „indruischt tegen den staat en de conditie van het volk van God,” overmits iemand alsdan „zonder vrijwillige en uitdrukkelijke belijdenis van geloof en daadwerkelijke bekeering onder het volk zou gerekend worden”; en evenzoo naardien „zulk een gewelddadige en gedwongene kerkelijke gemeenschap strijdt met den aard van het geestelijk rijk van den Christus en de vrijheid van de conscientie” 1). Zoo noodig als het dus was, om tegenover de


1) Repugnat statui et conditioni populi Dei, ut absque spontanea et exserta actualis conversionis et fidei suae proressione, aliquos in numerum et ordinem suum adscribat. [Het strijdt met de staat en den aard van Gods volk, dat het personen in zijn getal opneme en boeke, die nog niet tot vrijwillige en uitdrukkelijke belijdenis van hun daadwerkelijke bekeering en geloof gekomen zijn.]

|17 Naast elkander|

valsche beschouwing van den Doop, als stond een te doopen kind met een Heidensch kind gelijk, uit ons Doopformulier er aan te herinneren, dat de „kinderkens der geloovigen” gedoopt worden, als „zijnde lidmaten van Christus,” en als zijnde „erfgenamen des koninkrijks,” even noodig is het duidelijk te doen uitkomen, dat eerst de genieting van het heilig Avondmaal blijk is van het volle lidmaatschap der geïnstitueerde kerk, en dat men hiertoe niet definitief door geboorte of door beschikking van zijn ouders geraakt, maar alleen door vrijwillige en uitdrukkelijke belijdenis en stipulatiën. Men lette er dan ook wel op, dat ons Gereformeerd kerkrecht onder „geloovigen” in engeren zin alleen dezulken verstaat, die op deze belijdenis en stipulatiën zijn ingegaan en op dien grond tot het heilig Avondmaal zijn toegelaten. Of iemand een waarachtig geloovige is weet alleen de Kenner der harten en hij zelf door de verzekering des Heiligen Geestes. Daarover heeft de kerk dus kerkrechtelijk nooit een oordeel. Spreekt alzoo de kerk kerkrechtelijk van „geloovigen,” dan gaat ze uitsluitend op uitwendige kenmerken af, en die kenmerken zijn voor haar de toetreding tot de kerk door belijdenis en stipulatiën. Voetius zegt dan ook op blz. 12 dat naar recht in de oude kerk alleen de deelhebbenden aan het heilig Avondmaal den titel van „geloovigen” droegen; zoodat dan ook deze alleen, bij de bediening van den H. Doop, in persoon voor hun kinderen kunnen opkomen. Het is toch de Doop, die bediend wordt aan de „kleine kinderkens der geloovigen"; en van deze geloovigen wordt in de tweede doopvraag nogmaals een bevestiging van hun belijdenis afgevergd. De quaestie staat dus zoo, dat wel de kerk verplicht is voor de gedoopten te zorgen, en dat wel de gedoopten voor de vierschaar van hun geweten gehouden zijn, in de kerk als belijders op te treden; maar dat nochtans in kerkelijken rechte de band tusschen het instituut en deze volwassen personen voldingend eerst door belijdenis en stipulatiën gelegd wordt. 

 

Een tweede quaestie die zich voordoet is de vraag: Of men in steden of dorpen, waar reeds een geïnstitueerde kerk bestaat, een tweede geïnstitueerde kerk naast deze mag oprichten. Op collegiaal

|18 Naast elkander|

standpunt kan hier geen geschil over rijzen. Is toch de menschelijke wil, waaruit de wilsdaad der kerkformatie voortkomt, door niets gebonden, maar Pelagiaansch vrij, dan is er geen enkele reden denkbaar, waarom niet allerwegen instituut naast instituut zou geplaatst worden. Maar zoo is het op Gereformeerd terrein niet. Voor ons is de wil, waaruit de kerkstichting geboren wordt, niet vrij, maar gebonden aan Gods Woord; en overmits dit Woord de gemeenschap der heiligen eischt, mag zeker aantal nieuwe belijders, die óf van elders kwamen, óf nieuw bekeerd werden, niet tot nieuwe kerkstichting overgaan, zoo er in die stad of dat dorp reeds een geïnstitueerde kerk bestaat, maar zijn ze gehouden zich daarbij aan te sluiten. Niet, dit springt in het oog, alsof eenige uitwendige macht hen daartoe dwingen kon, noch ook alsof de geïnstitueerde kerk dier plaats formeel eenig recht op hen kon doen gelden; immers recht op hen kan die kerk eerst door de stipulatiën ontvangen; maar in dien zin, dat ze van Godswege hiertoe gehouden zijn, en zijn recht schenden, zoo ze anders handelen. Hierbij echter is natuurlijk ondersteld, dat de geïnstitueerde kerk dier plaats goed geïnstitueerd zij , en niets in haar stipulatiën hebbe, waartegen de aankomende of nieuw bekeerde in zijn conscientie voor God bezwaar gevoele. Want is dit het geval, dan wordt hij juist van Godswege in zijn conscientie van die toetreding afgehouden.

Stel bijvoorbeeld de geïnstitueerde kerk is een Baptistische, een Luthersche, een Remonstrantsche of een Anglicaansche, of wel ze hebbe, op wat manier ook, in haar belijdenis, eeredienst of vorm van regeering, iets wat met de pertinente overtuiging van zulk een persoon of groep strijdt, dan kan dit verschil voor hem zóó overwegend worden, dat het institueeren van een kerk van zuiverder formatie of belijdenis, in zijn conscientie, juist door de eere Gods wordt geëischt. Hij kan en mag geen ja en amen zeggen op stipulatiën, die met zijn overtuiging in strijd zijn; en mag zich dus ook niet voegen bij een kerkformatie, die uitdrukkelijk of stilzwijgend iets dergelijks in hare stipulatiën eischt of onderstelt. Zoo beslist als onze vaderen deswege het Congregationalistisch stelsel van vrije kerkgroepeering afwezen, even stellig erkenden zij hun plicht en handhaafden zij hun recht, om in elke stad en in elk dorp, waar geen

|19 De uittreding|

geïnstitueerde kerk bestond, die in belijdenis, eeredienst en kerkregeering aan de eischen van Gods Woord voldeed, tot de stichting van zulk een betere kerkformatie over te gaan. 

 

En de derde quaestie eindelijk gold de vraag, of iemand, die zich door belijdenis en stipulatie uit eigen hoofde aan eene geïnstitueerde kerk in rechten verbonden had, de vrijheid behield om c.q. den band, die hem aan dit instituut verbond, weer los te maken; alsook of het kerkelijk instituut de vrijheid behield, om den band met zulk een persoon te verbreken, kort gezegd: de quaestie der Dissolubilitas, gelijk Voetius het noemt. Ook hierbij nu moet scherp onderscheid gemaakt tusschen hetgeen in geestelijken en hetgeen in kerkrechtelijken zin geldt; en dient in de tweede plaats onderscheiden tusschen de velerlei oorzaken, die tot losmaking van zulk een band nopen. Vertrekt iemand naar een andere plaats, dan is hij volkomen vrij, om zijn band, die hem aan de plaatselijke kerk bond, los te maken, behoudens zijn verplichting in geestelijken zin, om dien elders weer aan te binden. Maar blijft hij wonen waar hij woont, en ligt de beweegreden om met zijn plaatselijke kerk te breken in hem zelven of in die kerk, dan is hij geestelijk hiertoe niet vrij, tenzij hij in zijn conscientie wete dat de handhaving van Gods eer hem hiertoe dwingt. Verboden is dus alle breken met zijn kerk om persoonlijke geschillen, ter oorzake van tuchtoefening, of met aardsche bedoelingen; en geoorloofd kan breking slechts dán zijn bijaldien óf hij zelf aan het geloof ontzonk, óf zijn kerk afging van den regel van Gods Woord; en wel dit laatste het zij doordat die kerk zich feitelijk deformeerde, hetzij doordien hij persoonlijk eerst later tot het inzicht kwam, hoe de kerk, waaraan hij zich verbonden heeft, in strijd met Gods Woord geformeerd was. Ook dan echter mag hij tot die breuke slechts overgaan, nadat vooraf alle middelen zijn uitgeput, om de geïnstitueerde kerk, waartoe hij behoort, tot beter inzicht te brengen of met anderer hulp te reformeeren.

Geestelijk is de regel dus eenvoudig deze: Geen breuke tenzij Gods Woord of de oprechtheid dit eischt. Kerkrechtelijk daarentegen is het recht tot verbreking van het aangegane verband

|20 De uittreding|

in beginsel onbetwist. Iets wat bij onze Calvinisten wel niet anders kon gesteld worden, daar hun geheele optreden een gevolg was óf van een reformeeren van de Roomsche kerk, óf van een breking met het Roomsche instituut. Op dien grond verklaarden onze Calvinisten overgang uit de Roomsche, Luthersche of Anglicaansche kerken steeds voor geoorloofd. Viel er daarentegen sprake van overgang van de eene Gereformeerde kerk in de andere, met dien verstande dat deze beide in belijdenis, eeredienst en kerkregeering zuiver waren, dan eischten ze toestemming van den kerkeraad dien men verliet en gemeen overleg met den kerkeraad der kerk, waartoe men wilde overgaan. Zoo bij voorbeeld als men van de Nederduitsche wilde overgaan tot de Waalsche of Schotsche kerk. Maar, hoe voorzichtig men de zaak ook overlegde, nooit is in twijfel getrokken, dat een Christen formeel vrij was om kerkelijk over zijn eigen persoon te beschikken; en steeds is erkend dat geen kerk het recht had iemand tegen zijn wil kerkrechtelijk gebonden te houden. Men mocht iemand die scheiden wilde vermanen, raden en met de teederheid der liefde dringen, maar dwingen kon men hem nooit. Omdat het instituut steunde op vrijwillige stipulatiën, moest ook het recht tot verbreking van den band wel in beginsel erkend worden.

Omgekeerd kou de geïnstitueerde kerk van haar zijde evenmin gedwongen worden, iemand als lid te behouden, die de stipulatiën verbrak of door zijn schandelijken wandel een schandvlek der kerk werd. Ze bezat daarom het recht van den ban, mits onder de bedingen waaraan het uitspreken van dien ban door Gods Woord gebonden was; en hoewel deze ban geestelijk de gemeenschap nog niet geheel afsneed, zoodat bijvoorbeeld het kind uit zulk een gebannene soms toch tot den Doop wierd toegelaten, zoo stond de gebannene nochtans feitelijk „buiten de legerplaats” en kon geen enkel recht in de gemeenschap meer uitoefenen. Doch over dit punt behoeft niet uitgeweid. De Dissolubilitas of ontbindbaarheid van den band met de geïnstitueerde kerk is in de toenmalige controvers met Rome zoo principieel en breedvoerig behandeld, dat een iegelijk, die het goed recht van onze Hervormers tegenover het instituut der Roomsche kerk erkent, formeel althans een iegelijks recht, om den band met zijn kerk los te maken, wel zal moeten toegeven. Slechts geldt

|21 De uittreding|

hierbij vooral de apostolische vermaning, „dat een iegelijk in zijn gemoed ten volle verzekerd zij”, want wie zonder dat de eere Gods of zijner ziele zaligheid hiertoe noopt, breekt met de kerk, waarvan hij lid was, spreekt hiermee over die kerk een oordeel uit, dat op hem zelven terugslaat, bijaldien niet in den hemel ontbonden wordt wat hij ontbindt op aarde. Een rechte kerk van Christus zal daarom in geestelijken zin den band met wie één van haar leden was, niet dan in het uiterste geval als geheel verbroken beschouwen, en steeds op nieuwe bevestiging van dien band bedacht zijn; maar kerkrechtelijk gesproken moet uiteraard elke geïnstitueerde kerk den band in rechten als niet meer bestaande beschouwen, zoodra krachtens een tweede wilsdaad der losmaking de eerste wilsdaad der „verbinding door stipulatie” verbroken is. Immers kerkrechtelijk gesproken, vervalt dan voor elke verbintenis in rechten de genoegzame rechtsbasis. De grondslag waarop de kerkrechtelijke verbintenis aan het instituut rustte, zonk er onder weg.

Kuyper, A. (1890d) HII

 

II.

De reformatie met opzicht tot de geïnstitueerde kerken.

 

Is nu de, dusver gegevene voorstelling de juiste, dan ligt alzoo tusschen het Roomsche en Gereformeerde kerkrecht deze vijfledige tegenstelling: 1º Voor Rome is de geestelijk mystieke kerk, de zichtbaar wordende kerk en de geïnstitueerde kerk één en hetzelfde; volgens het Gereformeerde kerkrecht daarentegen moet tusschen deze drie scherp onderscheiden worden. 2º Volgens Rome wordt in de geïnstitueerde kerk, door het onfeilbaar orgaan der sedes apostolica, of Apostolische stoel, Christus’ koningschap rechtstreeks uitgeoefend; terwijl het Gereformeerde kerkrecht, zulk een onfeilbaar orgaan niet erkennende, de geïnstitueerde kerk ontstaan laat door de aan Gods Woord gebonden wilsdaad der belijders. 3º Naar Romes voorstelling wordt men lid der geïnstitueerde kerk door den Heiligen Doop, en ontstaat alzoo de „volkskerk”; volgens het Gereformeerde

|22 Reformatie op Rome’s standpunt|

kerkrecht zijn de membra completa of volgroeide leden, der geïnstitueerde kerk niet de gedoopten, maar alleen de belijders of geloovigen, zoodat een „volkskerk” is afgesneden. 4º. In het Roomsche stelsel is een gedoopte reeds als zoodanig onder de macht der geïnstitueerde kerk; terwijl in het Gereformeerde kerkrecht geen macht over een mondig persoon kan uitgeoefend, dan op grond van met hem zelf aangegane stipulatiën; tengevolge waarvan Rome pretendeert over alle gedoopten dwingende macht te bezitten, terwijl de Gereformeerde kerk de „Christelijke vrijheid,” d.i. de Libertas Christiana, harer leden eert. En 5º oordeelt Rome, dat geen lid der geïnstitueerde kerk ooit den band met haar los kan maken; terwijl omgekeerd de Gereformeerde kerk de ontbindbaarheid van dezen band, zoodra de consciëntie in het spel komt, staande houdt.

Deze principieele tegenstelling nu leidt noodzakelijk tot geheel tegenovergestelde conclüsiën, zoodra men toekomt aan de Reformatie van de geïnstitueerde kerken. Want wel geeft men van Roomsche zijde, evengoed als onzerzijds, toe, dat de kerk in een toestand kan geraken, en meermalen geraakt is, die reformatie noodzakelijk maakte, maar over het doel, de grenzen en de uitvoering van zulk een reformatie moest Rome wel geheel anders oordeelen dan wij. Immers bij Rome kon nooit sprake zijn van een reformatie der geïnstitueerde kerk als zoodanig, omdat dit instituut naar haar overtuiging op onfeilbare wijze geconstrueerd was. Er kon nooit sprake zijn van een deformatie in de belijdenis, overmits deze belijdenis door een onfeilbaar orgaan des Heiligen Geestes was vastgesteld. Er kon nooit sprake vallen van een optreden der geloovigen, naardien de clerus en niet de leeken voor de kerk verantwoordelijk waren. En zoo ook kon er nooit sprake komen van een breken met het instituut en het nieuw oprichten van een ander instituut, dewijl elk breken met het instituut een zichzelven afsnijden van het lichaam van Christus ware, en er naar Romes oordeel geen geïnstitueerde plaatselijke kerk in elke stad of dorp was, maar de ééne geïnstitueerde kerk van Rome haar afdeelingen bezat over heel de wereld. Daarom is het dan ook natuurlijk, dat Rome van geene andere reformatie kon of wilde weten, dan wat men noemde: een reformatie aan hoofd en leden, d.w.z. een reformatie die

|23 Reformatie op Gereformeerd standpunt|

het heilige huis der kerk liet voor wat het was, en alleen het misbruik of de afdwaling in de personen zocht te keer te gaan. Denkbeelden die daarom thans ook in onze kringen zoo uitnemend verstaan worden, omdat de Protestantsche pleitbezorgers van het Synodaal genootschap nu vier jaren lang niet anders deden, dan op hun manier deze Roomsche argumenten pasklaar maken voor hun heilig Synodaal huis.

Maar even natuurlijk was het, dat de belijders der Calvinistische beginselen, én in de 16de én in de 17de én nu weer in de 19de eeuw, omtrent de reformatie der kerken geheel andere denkbeelden koesterden.

Omdat de geïnstitueerde kerk voor hen niet samenviel met het Lichaam van Christus, maar het product was van de wilsdaad van feilbare menschen, moesten ze wel de mogelijkheid toegeven, dat de belijdenis, de eeredienst en de regeeringsvorm van zulk een geïnstitueerde kerk ook in beginsel van Gods Woord kon zijn afgeweken; iets waaruit dan (overmits Gods Woord altoos moet gehoorzaamd) rechtstreeks de plicht voortvloeide, om het instituut zelf der kerk zoo te herscheppen of nieuw te bouwen, dat het weer aan de eischen van Gods Woord voldeed. Naardien ik actief lid der geïnstitueerde kerk ben geworden, niet door een Doop, die immers buiten mijn weten omging, maar door stipulatiën die ik zelf heb aangegaan, ben ik volgens Gereformeerd kerkrecht persoonlijk verantwoordelijk voor mijn al of niet zijn en blijven in zulk een instituut; zoodat ik, blijkt zulk een instituut onvatbaar voor reformatie, gehouden ben, zulk een instituut te verlaten en bedacht te zijn op de formatie van een beter instituut. Overmits het Gereformeerde kerkrecht in de geïnstitueerde kerk het ambt doet opkomen uit de wilskeuze der leden, rust op die leden de plicht om het ambt te reformeeren, zoo de deformatie van dit ambt het wezen der kerk ondermijnt. En eindelijk, om reden in het Gereformeerde kerkrecht de geïnstitueerde kerk plaatselijk van aard is, en een meerdere vergadering in kerkdijken rechte alleen door de wilsdaad der plaatselijk geïnstitueerde kerken ontstaat, mag een plaatselijke kerk de verantwoordelijkheid voor de reformatie niet op de classe of synode schuiven, maar moet ze, zoo classe en synode werkeloos blijven, haar band met deze doorsnijden, zelve

|24 Reformatie op Gereformeerd standpunt|

tot reformatie overgaan, en na gereformeerd te zijn, nieuw kerkverband met andere eveneens gereformeerde kerken zoeken. Stellingen, die daarom geen nader bewijs vergen, omdat het uit de historie der Reformatie van algemeene bekendheid is, hoe onze kerken krachtens deze en geene andere beginselen, bij haar breuke met Rome gehandeld hebben.

Van de Reformatie, die niet het instituut der kerk maar haar leden en ambtsdragers betreft, zwijgen we hierbij met opzet. Al staat toch ook o.i. deze geestelijke reformatie der personen in eeuwige waardij verre boven de reformatie van het instituut, toch zou ik de verwarring, die dit vlugschrift bannen wil, juist bevorderen, zoo ik in een onbewaakt oogenblik mij door de aantrekkelijkheid van het onderwerp naar deze geestelijke paden lokken liet. Zal er orde in onze eigen overwegingen en besprekingen met anderen komen, dan moet men voet bij stuk houden. Spreekt men dus, gelijk in dit vlugschrift geschiedt, niet van het geestelijk Lichaam van Christus, en ook niet van de geestelijke gesteldheid der personen, maar van de geïnstitueerde kerk als zoodanig, dan moet ook de reformatie hier uitsluitend ter sprake komen in zooverre ze formeel op dit instituut betrekking heeft. Anders leidt men de aandacht slechts af, en maakt het water te troebel om tot op den bodem te kunnen zien. Geestelijke reformatie is altoos aan de orde, en moet het in elke predicatie zijn. Heel de oefening der Christelijke tucht bedoelt niet anders. En geldt dit reeds in gewone dagen, hoeveel meer dan niet in dagen van ongemeene gisting, als heel het kerkelijk gebouw op zijn grondvesten schudt. Daarom zal een reformatie van het instituut, die niet tevens in geestelijke reformatie des harten vrucht draagt, een zwaarder oordeel over ambtsdragers en leden brengen. Maar op zich zelve mag de reformatie van het instituut nooit met deze geestelijke reformatie verward. Dit toch was juist de fout der Montanisten, Donatisten, Novatianen en Labadisten, die een geïnstitueerde kerk verwerpen wilden om de subjectieve afdolingen van haar leden in leer of wandel; iets waartegenover onze Gereformeerden steeds hebben volgehouden, dat dit een aanleggen was aan de geïnstitueerde zichtbare kerk van de eischen der onzichtbare, en dat Gods Woord zulk een beoordeeling van de kerk in haar objectief wezen, naar

|25 Het ambt der geloovigen|

de geestelijke gesteldheid der subjecten, onvoorwaardelijk afsneed en verbood. 

 

Blijvende bij mijn onderwerp, bespreek ik dus uitsluitend de formeele reformatie van de geïnstitueerde kerk, en laat de zoo uiterst gewichtige geestelijke reformatie ditmaal met opzet rusten. Juist daarom echter dwingt een opmerking van Dr. Bavinck in de Bazuin mij, hier een korte toelichting in te lasschen over het ambt der geloovigen. Dr. Bavinck opperde namelijk bedenking, of het wel goed was van zulk een qualitatief ambt te spreken. Het maakte op hem den indruk, dat hetgeen uit dit ambt voortvloeide eenvoudig een uitvloeisel van ’s Christens roeping als zoodanig was. En het scheen hem toe, dat een te sterk drukken op dit „ambt der geloovigen” allicht tot verzwakking van het ambt zou kunnen leiden. Deze tegenspraak in een recensie op Dr. Wagenaars uitnemend referaat deed mij daarom te meer genoegen, omdat mij meermalen bleek, hoe ook bij anderen soortgelijke bedenkingen gerezen waren, en het zeer zeker ongeoorloofd zou zijn, zulk een term te blijven bezigen, indien het niet klaar en duidelijk viel te maken, in welken zin de term: „ambt der geloovigen” zij te verstaan. Is hij één met de roeping van alle Christenen, dan moet hij prijs gegeven. Juist dit echter waag ik te ontkennen, en ik meen ook aan Dr. Bavinck volkomen duidelijk te kunnen maken wat de eigenaardige en bijzondere beteekenis is, die aan deze uitdrukking „ambt der geloovigen” moet worden gehecht.

Om dit in te zien beginne men slechts met zich rekenschap te geven van wat onder „geloovigen” te verstaan zij. „Geloovig" in geestelijken zin genomen is eensluidend met „bekeerd”. Wel schuilt in iemand de geloofskiem of het geloofsvermogen gemeenlijk lang vóór zijn bekeering, maar toch eerst in en met zijn bekeering breekt het geloof in hem door en treedt hij persoonlijk als een geloovige op. Heeft iemand zulk een zaligmakend geloof niet, dan is hij nog een niet-geloovende of ongeloovige en rekent althans onder de geloovigen niet mee. Een geloovige in dezen zin genomen is dus niets dan een „Christen,” en wierd in den term „ambt der geloovigen” het

|26 Het ambt der geloovigen|

woord „geloovige” in dezen geestelijken zin bedoeld, dan ware de opmerking van Dr. Bavinck onbetwistbaar juist, en zou er alleen van „eens Christens roeping” sprake kunnen zijn. Maar dit is het geval niet. Er is namelijk nog een geheel andere beteekenis van het woord „geloovige,” die in hetzelfde verband staat tot de eerst aangeduide, als de geïnstitueerde kerk staat tot het geestelijk Lichaam van Christus; we bedoelen de beteekenis van het woord „geloovigen” in kerkrechtelijken zin. Kerkrechtelijk nu geldt in vollen zin als „geloovige” alleen hij, die door de kerk tot het heilig Avondmaal is toegelaten, en wel in deze zijn bepaalde qualiteit. Hiermee is natuurlijk volstrekt niet uitgesproken, dat zulk een „geloovige” ook metterdaad in geestelijken zin een geloovige is. Dit kan er niet in liggen, omdat de kerk geen oordeel over het hart heeft. Er ligt dus alleen in, dat zulk een persoon belijdenis van zijn geloof heeft gedaan; zich krachtens deze belijdenis nu ook uit eigen hoofde aan de kerk heeft aangesloten; en voor zoover de kerk oordeelen kan, noch in zijn spreken noch in zijn wandel aanleiding geeft om deze belijdenis te verdenken van onwaarachtigheid. Toch blijft dit oordeel der kerk altoos feilbaar, en weet men dat er altoos hypocrieten onder de „geloovigen” zullen zijn; gevolg waarvan is, dat er in een stad of dorp „geestelijk geloovigen” kunnen zijn, die kerkrechtelijk door de kerk niet als „geloovigen” erkend worden, en omgekeerd dat de kerk soms als „geloovigen” erkennen zal personen, die geestelijk ongeloovig in hun hart staan. Hoezeer het dan ook het streven en de toeleg der kerk moet zijn, om deze twee beteekenissen van het woord „geloovigen” elkander te laten dekken, toch staat het vast, dat dit doel op aarde nooit geheel bereikt wordt en dat dus de geestelijke en de kerkrechtelijke beteekenis van het woord „geloovigen" onderscheiden blijft.

Neem ik nu „geloovige" in kerkrechtelijken zin, dan is alzoo een „geloovige” zulk een belijder van Christus, die zich door belijdenis en stipulatiën met een geïnstitueerde kerk in een vaste betrekking heeft geplaatst, en in die kerk de volle rechten heeft verworven en vrijwillig alle plichten op zich genomen. Hij is dus als zoodanig gequalificeerd, en waar hij optreedt om zijn rechten te handhaven of te handelen naar wat hem is opgelegd; treedt hij op en

|27 Het ambt der geloovigen|

handelt hij niet als broeder A of B, en ook niet omdat hij Christen is, maar in die bepaalde qualiteit, die hij als actief lid dezer geïnstitueerde kerk in die kerk bezit. Als morgen den dag een vroom Christen uit de Luthersche kerk een kind ten Doop komt presenteeren in een Gereformeerde kerk, zal men hem afwijzen; en als hij dan zegt: „Gij doopt de kleine kinderkens der geloovigen, doop dan ook mijn kind, want ook ik jubel in geloofsgenade,” dan zal men zulk een antwoorden: „Wij beweren volstrekt niet dat gij geen geestelijk geloovige voor God zijt; alleen maar, ge zijt ons als kerk niet als geloovige bekend, en bezit dus niet de qualiteit van geloovige in onze geïnstitueerde kerk.” Aan dit punt behoeft dus geen woord meer gespild, en nu reeds blijkt zonneklaar, dat de roeping van een „geloovige” in kerkrechtelijken zin iets bepaalds en omlijnds is en in zooverre van de roeping van een Christen in het algemeen is onderscheiden.

Blijft dus slechts de tweede vraag, of namelijk de aldus gequalificeerde geloovigen in de geïnstitueerde kerk ook kerkrechtelijk tot ambtelijke handelingen geroepen worden. Zoo niet, dan kan er sprake vallen van hun rechten en verplichtingen, maar niet van hun ambt. Nu wordt het ambt op kerkelijk terrein uiteraard alleen in de geïnstitueerde kerk openbaar; want wel heeft het ambt zijn geestelijken wortel in Christus, maar toch zoolang er geen geïnstitueerde kerk is, die een plaats voor het ambt schept en personen voor het ambt aanwijst, zijn er geen ambtsdragers. Dat kon wél zoolang de bijzondere openbaring aanhield, en eerst de profeten, later de apostelen rechtstreeks door den Heere met hun ambt bekleed wierden, maar thans niet meer. Roepingen tot bet ambt zonder de tusschenkomst van een geïnstitueerde kerk zijn in de tegenwoordige bedeeling ondenkbaar; al te gader droomerijen, waarin wel de Irvingianen en mystieke sekten of persoonlijke geestdrijvers vervallen, maar die door alle Gereformeerde kerken steeds als diep zondige inbeeldingen bestraft zijn. Is er alzoo geen ambtelijke werkzaamheid dan op aanwijzing van de geïnstitueerde kerk, dan kunnen ook de „geloovigen” nooit tot een ambtelijke daad geroepen worden, tenzij ze als gequalificeerde „geloovigen” optreden, in zooverre ze leden eener geïnstitueerde kerk zijn. „Ambt der geloovigen” is alzoo een kerkrechtelijke uitdrukking, die beteekent dat binnen de geïnstitueerde kerk

|28 Het ambt der geloovigen|

op de leden dier kerk als zoodanig zekere verplichtingen rusten, die een ambtelijk karakter dragen. Droeg nu het woord „ambt” in de kerk van Christus dezelfde beteekenis als op burgerlijk terrein, dan zou er uiteraard zoomin van een „ambt der geloovigen” als van een „ambt der dienaren” sprake kunnen zijn. Immers een inklevend overheidsgezag bezit niemand in de kerk van Christus. Zulk een gezag heeft Jezus als Koning der kerk en hij alleen. Onze predikanten, ouderlingen en diakenen zijn geen stedehoudertjes van Christus in het klein. Ze zijn zijne dienaren of ambtenaren, van wie hij zich bedient; meer niet. Ook als er van „ambt der geloovigen” sprake valt, kan dus niet bedoeld zijn, zeker inklevend overheidsgezag, dat in de geloovigen aanwezig zou zijn, maar alleen zekere dienst, waarvan Christus zich bedient om zijn kerken te regeeren. Op dit laatste valt de nadruk. Ambtelijk toch is nooit wat ge in uw eigen belang doet, of persoonlijk aan de gemeenschap waartoe ge behoort, verschuldigd zijt, maar ambtelijk doelt altoos op de regeering der kerk. Is dus door het Gereformeerde kerkrecht aan de gequalificeerde geloovigen geen aandeel opgelegd in den regeeringsdienst der kerk, dan mag men ook niet van hun ambt spreken; maar is het onbetwistbaar dat ze in de regeering der kerk wel ter dege medezeggenschap hebben en tot handelingen het regiment betreffende geroepen zijn, dan is hun ambt niet langer weg te cijferen. Een „geloovige” handelt dus niet ambtelijk als hij ter kerke komt of de Sacramenten gebruikt, of zijn broeder vermaant, of voor kerk en armen geeft. Immers dit alles raakt het regiment der kerk niet. Wordt hij daarentegen opgeroepen, om mede als rechter te oordeelen in zaken van tucht; om in zake van aanstelling der dienaren mee zijn keuze uit te oefenen; om mee te beslissen over het verband waarin zijn kerk met andere kerken staat; en bovenal om, bij wegvalling van het ambt door ziekte als anderszins, het ambt opnieuw op te richten, dan handelt de „geloovige” in zaken, het regiment der kerk rakende, en oefent in naam van Christus ambtelijke daden uit, waarvoor hij aan Christus zijn Koning rechtstreeks verantwoordelijk is.

De vergelijking met wat het volk in den Staat doen mag, leide hier niet op een dwaalspoor. Omdat er in den Staat

|29 Het ambt der geloovigen|

een Overheidsgezag bestaat, staat tegenover die Overheid een Staten-Generaal als een vertegenwoordiging van het volk over. Maar zoo is het in de kerk van Christus niet. Er is op aarde in de geïnstitueerde kerk geen menschelijk Overheidsgezag. Hier kan dus ook van zulk een tegenstelling geen sprake zijn; en al wat de „geloovigen” in zake van bestuur en rechtspraak mede te beslissen hebben, is alzoo hunnerzijds een ambtelijke handeling. Voetius stelt dit zeer helder in het licht door aan te toonen, dat de potestas ecclesiaistica juist op de „geloovigen" is gelegd en voor een aanmerkelijk deel door hen zelven wordt uitgeoefend. Resumeerende komen we dus tot deze slotsom, dat onder „ambt der geloovigen” te verstaan zij, al datgene wat de gequalificeerde geloovigen in een geïnstitueerde kerk te verrichten hebben als dragers van de potestas ecclesiastica. En hiermede valt tevens de bedenking, alsof de speciale ambten hier ooit onder lijden konden. Immers deze uitoefening van kerkelijke macht door de „geloovigen” is ten allen tijde gebonden aan het Woord van God, en dit Woord van God verplicht hen om voor den dienst des Woords, van het presbyteriaat en het diaconaat onverwijld de speciale ambten in te stellen.

Een duidelijk voorbeeld, dat ons vanzelf op de reformatie der kerk terugbrengt, kan deze zeer speciale beteekenis van het „ambt der geloovigen” nog nader in het licht stellen. Als er namelijk in een Heidensche of Turksche stad, stel een honderdtal huisgezinnen tot den Christus bekeerd worden, dan rust zeer zeker terstond op deze Christenen de verplichting van Godswege, om in de plaats hunner woning zijn kerk te openbaren, en zich daartoe in een ecclesia instituta te vereenigen. Deze daad echter heeft niets met het „ambt der geloovigen” uitstaande, maar vloeit rechtstreeks en eeniglijk uit hun roeping als Christenen voort. Zoodra echter deze vereeniging tot stand is gekomen, en ze nu als leden eener geïnstitueerde kerk handelen gaan, om de ambten op te richten, een kerkenordening te aanvaarden, verband met andere kerken te leggen, enz., dan zijn al deze handelingen qualitate qua geschied, niet door hen als Christenen, maar in hun qualiteit als „met macht bekleede leden van een geïnstitueerde kerk,” d.i. in hun „ambt” als „geloovigen”.

|30 Twee wegen van reformatie|

Spreekt nu dit onderscheid duidelijk bij de oprichting van een nieuw kerkelijk instituut, zoo moet uiteraard ditzelfde onderscheid ook de reformatie van een bestaand instituut beheerschen. Twee gevallen toch zijn hierbij denkbaar. Het ééne is, dat men geen middelen bezit om het bestaande instituut naar den eisch van Gods Woord te verbeteren; er dus eenvoudig mee breekt; en alsnu een nieuw instituut, aan den eisch van Gods Woord beantwoordende, er tegenover plaatst. Het andere is, dat men deze middelen wel bezit; ze aanwendt; en alzoo hetzelfde instituut in beteren vorm bestendigt. In het eerste geval nu heeft men niet krachtens het „ambt der geloovigen” gehandeld overmits men tot oprichting van een nieuw instituut overging; in het tweede wel. Een punt van gewicht, vooral met het oog op onze tegenwoordige toestanden, en dat deswege iets nader worde toegelicht.

Als ik lid ben van eene geïnstitueerde kerk, die goedvindt hetzij door een besluit van haar kerkeraad, hetzij gedwongen door een vreemde macht, Grieksch, Roomsch, Armenisch of wat ook te worden, dan heb ik als „geloovige” tweeërlei te doen: 1°. te waken voor mijn eigen ziel en de ziel der mijnen, opdat de verkeerdheid van het instituut, waarin ik leef, geen verderf aanbrenge over mij of mijn nakomelingen; en 2°. krachtens het ambt der geloovigen te waken voor den welstand van de geïnstitueerde kerk. Mislukt mij dit laatste, en blijft mij geen middel meer over, om het instituut, dat ook aan mijn zorge en toezicht was toevertrouwd, in het rechte spoor terug te leiden, dan rust op mij de plicht 1º. om ambtelijke rechtspraak over het instituut te oefenenen het te veroordeelen, wat Voetius de potestas judicandi noemt; en 2º. om dit ambtelijk oordeel te bezegelen doordien ik mijn band met dit instituut losmaak. Doch hiermee eindigt dan ook voor mij de mogelijkheid van een handeling in het ambt der geloovigen. Daar toch dit ambt voor mij, als gequaliticeerd geloovige, wortelde in mijn lid zijn van het instituut, kan er uiteraard van zulk een ambtelijke handeling voor mij geen sprake meer zijn, zoodra ik uit dit instituut uit ben, en zoolang ik nog niet tot een nieuw instituut behoor. Ik keer dan terug tot den toestand, waarin

|31 Separatie ultimum remedium|

nieuw-bekeerde Christenen in een Heidensche of Turksche stad verkeeren, en heb weer als Christen naar Gods Woord te handelen, d.i. met anderen tot de oprichting van een nieuw instituut over te gaan. Eerst daardoor treed ik dan weder als gequalificeerd geloovige in deze nieuw geïnstitueerde kerk op, en ontvang als zoodanig weer mijne ambtelijke verplichtingen. Is het daarentegen, dat ik als nog staande in het ambt der geloovigen, d.i. als lid van een geïnstitueerde kerk, de middelen bezit, om het ontredderde instituut in beteren staat te herstellen, en dat mij dit gelukt, dan blijf ik, van den aanvang tot den einde, in mijne qualiteit als zoodanig handelen, en blijf lid van hetzelfde instituut, dat alsnu in beteren vorm wordt bestendigd. Wil men nu het eerste Separatie noemen, en het tweede Doleantie, dan heb ik tegen deze uitdrukkingen geen bedenking, mits Separatie dan slechts niet in ongunstige beteekenis worde genomen, of met sektarisme of separatisme verward. In de 16de eeuw zijn én hier te lande én elders beurtelings beide wegen door de Calvinisten bewandeld. Waar ze kans zagen, om de plaatselijke kerk als zoodanig om te zetten, bleven ze in hun kerk, en maakten die kerk van Rome los, zonder een nieuw instituut op te richten. Maar kon dit ter oorzake van de macht der hiërarchie of van de overmacht der Overheid niet, dan aarzelden ze evenmin, om uit hun geïnstitueerde kerk, waartoe zij behoorden, uit te gaan, en op nieuw terrein een nieuwe geïnstitueerde kerk op te richten. Het laatste kwam bijna altoos voor in Polen en Bohemen, Italië en Spanje, in Frankrijk en een deel van ons eigen land; het eerste systema daarentegen wierd bijna overal in Zwitserland en Duitschland gevolgd, in Schotland en Engeland, en voor wat de tweede periode van onzen worstelstrijd aangaat in ons eigen vaderland.

Slechts lette men er op, dat de keuze tusschen deze beide niet los in de lucht hangt. Tot de oprichting van een nieuw instituut ontstaat het recht dan eerst, zoo er in het bestaande instituut, waarvan men gequalificeerd lid is, geen middel meer overblijft, om het als instituut tot reformatie te brengen. Hoe vast echter deze regel sta, toch is het uiterst moeilijk, om in elk voorkomend geval in volstrekten zin uit te maken, of er zoodanig middel al dan niet nog aanwezig zij. Het geldt hier toch

|32 Separatie ultimum remedium|

een kerkrechtelijke quaestie; en ligt het nu reeds in den aard der zaak, dat niet elk lid even bekwaam zal zijn, om de hem ten dienste staande rechtsmiddelen en bevoegdheden altoos helder in te zien, nog veel moeielijker, ja, bijna onmogelijk wordt dit, zoo de deformatie van het instituut er stelselmatig toe geleid heeft, om de kennis dier rechtsmiddelen en bevoegdheden te loor te doen gaan. Daarom moet bij den gestelden regel altoos deze clausule gemaakt, dat deze regel alleen geldt, voor zoover iemand, in de gesteldheid waarin hij zich bevindt, deze rechtsmiddelen en bevoegdheden kan kennen, kent en in staat is ze aan te wenden. Bijaldien derhalve de ééne geloovige desaangaande zus en de andere zóó oordeelt, is wel feitelijk uit te maken, wie der twee juister zag, en is wel theoretisch te beslissen, wie in liet afgetrokkene het beste inzicht in de voorhanden rechtsmiddelen had; maar nooit maa: de ééne hierin de conscientie des anderen oordeelen. Zegt de één: „Ik zag geen middel meer, om in het instituut als zoodanig reformatie aan te brengen, en deswege brak ik, en sloeg ik den weg van nieuwe formatie in;” en oordeelt de ander daarentegen, dat er nog wél middelen beschikbaar zijn, en wendt hij die aan, dan heeft noch de één noch de ander hierin den broeder te oordeelen, en is het ongeoorloofd, met theorie tegen theorie, deswege elkanders Christelijke handeling in verdenking te brengen. En dat niet, als kon niet uitgemaakt wie hierin het scherpst zag, maar eenvoudig omdat de gaven van inzicht verschillen en de gelegenheden ongelijk zijn. Met toepassing op het heden, mag daarom nooit gezegd, dat Separatie op zichzelf verkeerd zou zijn, maar alleen dat het recht tot Separatie eerst voor iemand geboren wordt, zoo de weg tot reformatie van het bestaande instituut, zij het ook door Doleantie, hem is afgesneden. Ware het eerste het geval, dan zou men de uit deze Separatie ontstane geïnstitueerde kerken nooit als kerken van Christus erkennen kunnen. Thans daarentegen mag men alleen zeggen: „Ik voor mij zou, hier ter plaatse en op dit oogenblik (hic et nunc) dien weg niet hebben mogen inslaan, omdat er voor mij nog een andere weg open bleef, die de prioriteit had. Juist echter wijl een iegelijk hierin voor het forum van zijn eigen conscientie staat of valt, en bij dit

|33 Separatie ultimum remedium|

oordeel niet de mate van inzicht, en kennis en eveneens met de gelegenheden te rekenen valt, erken ik de vrucht van wat anderen, naar hun overtuiging deden, als openbaring der kerk van Christus. De geïnstitueerde kerken der Reformatie, die deels door nieuwe formatie na Separatie, deels door verbetering van het bestaande instituut optraden, hebben dan ook nooit geaarzeld elkaar over en weder te erkennen, en met elkander in kerkverband te treden. Dit anders te drijven ware niets dan geesteloos doctrinarisme, en zoolang er alleen Separatie van een bedorven instituut, en geen sektarisme of separatisme in het spel is, heeft al het schermen met het groote woord van „scheuring der kerk” voor wie redelijk denkt, kracht noch zin.

 

Toch leide men hier niet uit af, dat het in mijn bedoeling zou liggen, den gang der Reformatie, los van alle beginselen, prijs te geven aan subjectieve wilkeur. Dit kan reeds daarom niet, overmits de reformatie altoos een geïnstitueerde kerk geldt, waarin ieders rechten, plichten en bevoegdheden bepaald zijn. Zoo staat het vast, dat in gewone tijden alle leiding in de geïnstitueerde kerken berust bij de speciale ambtsdragers, zoodat alle reformatie in de eerste plaats van hen uit moet gaan, en zij hierbij nooit mogen worden geïgnoreerd. De reformatie van een geïnstitueerde kerk komt dus nooit voor rekening van het ambt der „geloovigen”, zoo de voorgangers hun plicht doen en deze ter hand nemen; en dan eerst als de natuurlijke voorgangers nalatig blijven, komt ten deze het ambt der „geloovigen” d.i. der leden aan de orde. Voorts staat het aan de „geloovigen,” zoo ze aan dit oogenblik toe zijn, daarom nog volstrekt niet vrij, te doen alsof er geen voorgangers waren, maar hebben ze den plicht om allereerst deze voorgangers door vermaan tot plichtsbetrachting op te wekken. En eerst, als ook dit blijkt niet te baten, en alzoo de speciale ambtsdragers het kwaad onaangetast laten, rust op het ambt der geloovigen de verplichting om handelend op te treden. Ook dan echter mogen deze niet bandeloos handelen. Ze zijn leden eener geïnstitueerde kerk, die met andere geïnstitueerde kerken kerkrechtelijk verbonden is, en alzoo moet alsdan door de ,,geloovigen” onderzocht worden, of er voor de

|34 Separatie ultimum remedium|

reformatie van hun instituut ook hulpe van andere kerken door dezer speciale ambtsdragers te ontvangen is. Kan het, zoo moet die hulp op de Classis gezocht, en zoo mogelijk op de Synode; en eerst zoo gebleken is, dat noch de Classis noch de Synode deze geïnstitueerde kerk te hulpe komen, en ook geen genabuurde kerk hulpe bieden kan, eerst dan is voor de „geloovigen” dezer kerk het oogenblik gekomen, om zelven door te tasten.

 

Ook daarmee echter is de zaak nog niet uit. Immers als er gesproken wordt van het „ambt der geloovigen,” is niet bedoeld het ambt van een of twee of tien leden, maar yan „de geloovigen,” die samen deze geïnstitueerde kerk uitmaken; als hoedanige te erkennen zijn allen die in deze kerk tot het heilig Avondmaal zijn toegelaten. Zal dus hun handeling institutair effect sorteeren, dan is het niet genoeg, dat eenige leden der kerk saamkomen, maar moeten zij een vergadering beleggen, waarin alle leden toegang hebben, voor zoover zij tot deze reformatie gezind zijn. Dit laatste moet er bij. Zei men toch, dat alle leden zonder onderscheid mee konden werken, zoo zou elke reformatie onmogelijk zijn, zoodra de meerderheid der leden uit hypocrieten bestond of met het verderven der kerk meeging. En daar nu het „ambt der geloovigen” in het aangeduide geval geroepen wordt om den aard en het karakter der geïnstitueerde kerk tegenover ingeslopen gif te verdedigen, moet wel de conditie gesteld, dat de leden, die in deze daad saam werken, beginnen met saam weer op den grondslag van de belijdenis der kerk te gaan staan. Deze belijdenis is haar wortel, en de uitoefening van het ambt der geloovigen is in zoodanig geval, van de hechtheid, waarmede men aan dien wortel vastzit, afhankelijk. Voetius onderscheidt daarom zeer juist de gevallen waarin de major of minor pars der „geloovigen,” d.i. hun kleiner of grooter deel zich tot de plichtsbetrachting in het werk der reformatie voelt aangedreven. Bovendien springt het in het oog, dat hier allerlei gevallen moeten onderscheiden worden, die Voetius dan ook afzonderlijk bespreekt, en waaraan nog meerdere onderscheidingen zijn toe te voegen, al naar gelang één of meer dienaren des Woords, één of meer ouderlingen en diakenen meegaan, vele of weinige „leden”

|35 Het collegiale standpunt|

optreden, hun optreden al dan niet door de Overheid bemoeilijkt wordt enz,; maar hoe onderscheiden deze gevallen ook zijn mogen, toch worden ze ten principale alle beheerscht door de vraag, of c.q. de „geloovigen” d.z. de leden der geïnstitueerde kerk, al dan niet de verplichting hebben, om desnoods tegen den zin en wil hunner speciale voorgangers de reformatie van het instituut, waarin ze leven, ter hand te nemen. Hierover nu kan, na hetgeen in de dagen der Reformatie geschied is, na hetgeen in de pleidooien tegen Romes hiërarchie beweerd is, en na hetgeen Voetius desaangaande theoretisch uiteen heeft gezet, onder Calvinisten geen twijfel meer bestaan. Voor hen staat deze ambtelijke bevoegdheid en verplichting vast.

Al mag men dus den broeder niet oordeelen, en als is er geen enkele reden aanwezig, waarom men de nieuw geïnstitueerde kerken, die ten onzent na 1834 door Separatie ontstaan zijn, niet met broederlijke genegenheid als kerken Christi zou erkennen, toch mag verheeld noch verzwegen, dat te zijner tijd op deze ambtelijke bevoegdheid en verplichting, en evenzoo op de regelen, die hierbij gelden, veel te weinig gelet is. Althans dat men, zelfs zonder zijn afgeweken voorgangers te vermanen, zijn instituut eenvoudig liet voor wat het was, en er een afscheidsbrief aan zond, kan nooit onvoorwaardelijk worden goedgekeurd; iets wat te minder mag verzwegen, naardien de kerk te Ulrum niet met nieuwe formatie begon, maar reformatie in het bestaande instituut tot stand bracht. Doch gelijk gezegd, al is men overtuigd, dat er vaak te lichtvaardig over de ambtelijke verplichtingen der geloovigen is heengegleden, en dieper studie van de Gereformeerde beginselen licht een anderen loop aan de zaak zou hebben gegeven, toch mogen zij, die inmiddels zorgeloos in het bedorven instituut bleven voortleven, zonder aan de reformatie ervan de hand te slaan, hiervan nooit een verwijt maken aan hen, die althans gevoelden dat men met zoo bedorven instituut geen vrede mocht nemen, en het daarom misschien al te spoedig verlieten, iets wat te meer klemt, omdat de reglementen van het instituut van 1816, waaronder men leefde, niet met zoovele woorden deze bevoegdheden en verplichtingen van de „geloovigen” tot reformatie van hun instituut erkenden.

|36 Het collegiale standpunt|

Dit laatste punt eischt breeder toelichting. Indien men toch, gelijk de Haagsche Synode en de Burgerlijke rechter gedaan heeft, de rechten en bevoegdheden van kerkeraden en „geloovigen” uitsluitend naar het Reglement van 1816/52, met de daaruit voortgevloeide organieke reglementen, beoordeelt, dan is het volkomen duidelijk, dat noch de kerkeraad, noch „de geloovigen,” op dit Collegiale standpunt eenige de minste bevoegdheid bezaten, om tot reformatie van het plaatselijk instituut over te gaan. Immers in deze reglementen was duidelijk aangewezen, welke weg moest bewandeld worden, om tot „wetsverandering” te geraken. De vraag was dus maar, of de kerkeraden en de „geloovigen” voor God in hun conscientie vrij stonden, om zich op dit collegiaal-reglementaire, schijnbaar zoo eenvoudige standpunt te plaatsen. En dit nu moet ontkend. Ontkend vooreerst, omdat bij de invoering van de organisatie van 1816 uitdrukkelijk de waarborg was gegeven, dat aan de Drie Formulieren van eenigheid niet zou getornd worden, en dat deze alzoo de basis van het instituut zouden blijven. De afwijking van deze basis door de besturen was alzoo een vergrijp tegen het instituut, waardoor nooit het recht van kerkeraden of „geloovigen” kon verkort worden, om op deze basis stand te houden; mits men er dan ook naar handelde. En overmits nu in Artikel 27-30 van onze Belijdenis de Gereformeerde beginselen van kerkrecht duidelijk staan aangegeven, konden de geloovigen, door in strijd met deze beginselen gemaakte bepalingen, nooit van den plicht die voor hen uit deze Belijdenis voortvloeide, ontslagen worden. Ten tweede waren de kerkeraden in den regel opgetreden na stipulatiën voor God en de gemeente, waarbij hun uit het aloude formulier hun verplichting in Gereformeerden zin was voorgehouden; en uiteraard bond deze belofte, die met een eed voor God gelijk stond, alle speciale ambtsdragers in de conscientie. Ten derden was in verreweg de meeste gevallen, bij de bediening van den heiligen Doop, nogmaals van de „geloovigen” een belijdenis, verklaring en belofte afgenomen, die hen bij vernieuwing aan de Gereformeerde belijdenis en dus ook aan de daarin vervatte beginselen van kerkrecht bond. En in de vierde of laatste plaats was heel deze nieuwe reglementeering aan de kerken opgelegd door een geheel onbevoegde

|37 Het collegiale standpunt|

macht, en was nimmer in kerkelijk wettigen weg de Gereformeerde kerkenordening afgeschaft. Wel was dus het instituut der plaatselijke kerken door de invoering van deze reglementeering en het optreden van de uit haar voortgekomen besturen, in bittere verwarring gebracht; maar nooit was door behoorlijke stipulatiën, in verband met de overige kerken, hetzij de nog van ouds geldende kerkenordening afgeschaft of de nieuwe orde van zaken aanvaard; en inmiddels had men uit den vroegeren toestand nog allerlei bijbehouden, waardoor feitelijk de nieuwe organisatie krachteloos wierd gemaakt en de oude nog voortleefde. De „geloovigen” konden zich derhalve niet als ontslagen beschouwen van den plicht, om de reformatie der kerk ter hand te nemen; en dat te minder omdat de dusgenaamde aanneming rebus ipsis et factis schipbreuk leed op het feit, dat een organisatie, die in openbaren strijd was, zoo met Gods Woord als met de daaruit afgeleide beginselen van Gereformeerd kerkrecht, rechtens nooit kon aangenomen worden. Een besluit, van wien ook, om eene Gereformeerde kerk Roomsch te verklaren, zou noch door stipulatie noch door de feiten aangenomen kunnen worden, omdat hierdoor het wezen zelf der Gereformeerde kerk wegviel. Is het nu kennelijk dat de organisatie van 1816 nog veel erger deed dan ons Roomsch maken, dan volgt hieruit rechtstreeks, dat deze organisatie geen kerkeraad of „geloovige” ooit in zijn conscientie binden kon. En wijl alzoo noch feitelijk noch rechtens de oude Gereformeerde kerkenordening mocht beschouwd worden, als dood en niet meer bestaande, zoo had geen enkel „geloovige” recht, om te zeggen, dat de verplichtingen, die voor de reformatie van zijn geïnstitueerde kerk uit de oude rechtsbeginselen voortvloeiden, voor hem niet meer bestonden of golden.

Maar hoe waar dit nu ook zij, zoodra men het eenmaal inziet, toch is het volkomen begrijpelijk, dat de sluwheid waarmee de organisatie van 1816 de kerken in haar strikken ving, alleszins geschikt was, om de geesten te verwarren, de inzichten te verduisteren en het geestelijk besef op dit punt in slaap te wiegen. Wat thans door de herleving der Calvinistische studiën weer in het bewustzijn opkomt, had destijds op het kerkelijk bewustzijn nog geen vat, en al mag ons dit nimmer verleiden, om iets ook

|38 Separatisme|

maar op den vollen eisch der beginselen af te dingen, toch blijve ook hierin alle geestelijke preutschheid verre van ons. Ook in de 16de eeuw zijn door tal van kerken soortgelijke verzuimen begaan, zonder dat onze vaderen er ooit aan gedacht hebben, deswege elkanders doen te bedillen, of in het uitzijgen van kerkrechtelijke muggen hun kracht te zoeken. Ze namen de dingen gelijk ze waren, een iegelijk voor zijn eigen conscientie stellende, en voorts gingen ze studeeren, onderzochten de dingen, dachten ze door, en zochten zoo door inspanning van vereende krachten de kerken in zuiverder spoor te leiden.

Slechts één ding mag niet toegelaten; er mag namelijk nooit worden gezegd, dat de reformatie door breuke met het bestaande en oprichting van een nieuw instituut, óf de eenig goede óf de meest voor de hand liggende is. Dit toch ware geen Separatie, maar separatisme in ongeoorloofden en sektarischen zin. Maar zoo is dan ook door de kerken van 1834 niet geoordeeld. Integendeel, deze kerken hebben op haar Synode, in 1889 te Kampen gehouden, duidelijk uitgesproken, dat ze ook die Nederduitsche Gereformeerde kerken, die door reformatie van het instituut zelve ontstaan waren, als kerken Christi erkenden. Hiermee was de deugdelijkheid ook van dezen ouden weg tot reformatie alzoo buiten quaestie gesteld. En nog sterker geschiedde dit, toen er geen verzet gehoord wierd tegen het denkbeeld-Beuker, om ook voortaan in al zulke steden of dorpen, waar reeds een nieuwe kerkformatie geïnstitueerd was, een reformatie van het oude instituut te erkennen, mits die door den kerkeraad tot stand wierd gebracht. Slechts dient tegen deze laatste beperking om des beginsels wille geprotesteerd. Deze beperking toch gaat uit van het denkbeeld, dat de verplichting tot reformatie van het instituut, waarin men leeft, wel op den kerkeraad rust, maar niet, zoo de kerkeraad stilzit, op de „geloovigen.” En dit nu kan en mag op Gereformeerd terrein nooit toegegeven, omdat men hiermee op de Roomsche lijn overgaat, die een andere reformatie van het instituut dan door de hoofden niet toelaat. Zulk een beperking ware de schrapping van het ambt der geloovigen; een vernietiging van het beginsel van Gereformeerd kerkrecht; en een weer inhalen van de clericale afdoling.

|39 Separatisme|

Een geheel andere vraag is het daarentegen, of men toestemt dan wel ontkent, dat, hoezeer beide wegen van reformatie mogelijk zijn, toch altoos die van reformatie in het bestaande instituut de voorkeur verdient, en die van nieuwe formatie eerst aan de orde komt, zoo de eerste onmogelijk blijkt. Dit wordt onzerzijds beweerd, en voorshands nog door velen in de Christelijke Gereformeerde kerk ontkend. Deze ontkenning nu kan tweeërlei grond hebben, die men wél onderscheide. Het kan namelijk zijn, dat iemand zegt: „Bij deformatie van het kerkelijk instituut, is Separatie er van altoos preferent of althans altoos evengoed als reformatie in het instituut.” Maar het kan ook wezen dat iemand u antwoordt: „Op zichzelf gaat reformatie in het instituut voor; maar bij het instituut van 1816 kon hiervan geen sprake wezen.” Tegen dat eerste zeggen nu zouden we om des beginsels wille moeten opkomen, overmits hierdoor aan elke groep ontevredenen in eenige geïnstitueerde kerk aanstonds het recht zou worden gegeven, om er een nieuw instituut naast te plaatsen; wat niet mag. In de tweede plaats, omdat het strijdt met het gebod der liefde en de gemeenschap der heiligen, voor onze medeleden in het instituut zonder zorge te zijn. En in de derde plaats, naardien hiermee een der gewichtigste verplichtingen, die het kerkelijk instituut aan de geloovigen oplegt, buiten werking zou worden gesteld. Wie zoo spreekt, spreekt uit het beginsel van het sektarisme, en heeft geen besef van den eisch der catholiciteit. Maar zoo spreken dan ook slechts zeer weinigen, en verreweg de meesten, die aan Separatie de voorkeur gaven, deden dit, niet omdat ze in beginsel reformatie in het instituut niet als het eerst aan de orde komend beschouwden, maar overmits ze deze ontoepasselijk achtten op het Instituut van 1816. En dan natuurlijk, bestaat er geen verschil van beginselen, maar alleen een verschil van historische beschouwing over den toestand, waarin onze plaatselijke Gereformeerde kerken door de organisatie van 1816 gebracht waren En dit nu kan nooit op Christelijk terrein scheiding te weeg brengen. Dat verschil moeten de kenners der historie voor ons uitmaken. In het beginsel van kerkrecht zijn we het dan eens.

|40 Een tweede instituut|

Hiermede nu hangt tevens de vraag saam, die vooral onzen Christelijken Gereformeerden broeders belang inboezemt, of bij eventueele sluiting van een gemeenschappelijk kerkverband, naast de nieuwe formatie, die door Separatie ontstaan is, alsnog een reformatie van het bestaande oude instituut zou kunnen optreden. Kampen oordeelde van neen, Utrecht meende van ja. Dit onderscheiden antwoord vond zijn oorsprong in de verschillende wijze waarop men zichzelven deze vraag stelde. Vraagt men toch of, ook na de daad van zeker aantal „geloovigen”, die hun instituut verlieten en een nieuw instituut oprichtten, op de overige „geloovigen”, die in zulk een bedorven instituut achterbleven, niet de verplichting bleef rusten, om aan de reformatie van dit instituut de hand te slaan, dan zullen de denkende koppen, ook buiten Kampen en Utrecht, wel eenparig antwoorden: Natuurlijk ja. Vraagt men daarentegen of de „geloovigen,” die in het bedorven instituut zich opmaken om de reformatie van hun instituut door te zetten, alsof er nog geen andere formatie tot stand ware gekomen, zich tegenover deze mogen plaatsen en haar leden den eisch mogen stellen, om in het tot reformatie gekomen instituut weder te keeren, dan zullen evenzoo de denkende koppen, in en buiten Kampen en Utrecht, wel als met ééne stem antwoorden: Natuurlijk neen. Daar nu Utrecht zich op het eerste standpunt plaatste, en Kampen op het tweede, zoo was het natuurlijk dat beider antwoord tegenstrijdig moest uitvallen. Denkt men zich daarentegen in den toestand in, die geboren wordt, zoodra de kerken van beide formatiën in één zelfde kerkverband saamleven, dan komt heel deze quaestie neer op deze heel andere vraag, of namelijk in één zelfde stad of dorp twee kerkformatiën bestaanbaar zijn, die Classicaal toch saamwerken.

 

Nu is dit, zeer groote steden uitgenomen, zeker geen gewenschte toestand. Het deelt de krachten, het verhoogt de kosten, het verslapt de tucht. Het doel moet dus altoos blijven op een saam vergadering van alle Gereformeerden onder eenzelfden kerkeraad aan te dringen, en hoe eerder dit doel bereikt, wordt des te beter. Absoluut echter kan men niet zeggen dat het Gereformeerde kerkrecht het bestaan van twee of meer instituten in een zelfde

|41 Een tweede instituut|

plaats verbiedt. Waar de taal scheiding maakte, greep het altoos plaats, en bestonden de Nederduitsche, Walsche en Engelsche formatiën in een zelfde plaats naast elkander. Wat nu, reeds ter oorzake van een zoo bijkomstig iets als de taal kan, is uiteraard door het beginsel niet buitengesloten, en voor zeer groote steden misschien zelfs gewenscht. Althans Voetius vindt er geen peremptoir bezwaar in. Zoo oordeelden dan ook én Kampen én Utrecht, want beiden accepteerden het feitelijk naast elkander bestaan van twee formatiën onder twee kerkeraden in meer dan honderd steden en dorpen. Op zichzelf is er dus geen principieele reden denkbaar, waarom dit ook in de toekomst ongeoorloofd zou zijn. Terwijl dan ook Utrecht op dit punt eenstemmig dacht, was men te Kampen verdeeld, en op twee na hebben alle deputaten der Christelijke Gereformeerden, die het concept aan hun Synode aanboden, zich door hun eigen handteekening in gelijken zin verklaard als Utrecht. Intusschen geven we gaarne toe, dat zulk een optreden, hoewel principieel niet ongeoorloofd, toch zeer zeker niet wenschelijk is. En veel beter zou het ons dunken, indien leden van het oude instituut na de reformatie van dit instituut te hebben tot stand gebracht en alzoo hun conscientie ontlast, terstond met het nieuw gevormde instituut in overleg traden om door behoorlijke stipulatiën beide in één te laten smelten. Men houde toch wél in het oog, dat vooral op kleine plaatsen een te ver gaande versnippering van krachten tot groot ongerief leidt, en dat het later, o zoo moeilijk valt, twee naast elkander voortlevende formatiën tot eenheid te brengen. Veeleer is dit nevens elkander bestaan een zeer welkome gelegenheid voor Satan, om in beide formatiën onheilige bitterheid tegen elkander te blazen, en alzoo niet het Koninkrijk van Christus, maar het koninkrijk van Satan bevorderen.

Ik twijfel dan ook niet of praktisch zou deze zaak zich uiteraard wel vinden, mits men slechts niet twee tegenovergestelde beginselen in dit vraagstuk incorporeert, en daardoor beiderzijds de partijen voor de keuze stelt, om óf op eerbiedigen afstand van elkander te blijven, óf een beleden en hoogst gewichtig beginsel prijs te geven. Het punt waarop het aankomt is maar, dat de plicht der geloovigen erkend blijve, om

|42 Een tweede instituut|

het instituut, waarin ze leven, tot reformatie te brengen; een verplichting, die in zoo volstrekten zin doorgaat, dat naar de juiste theorie onzer vaderen elk pastoor en elk leek in de Roomsch Katholieke kerk nog heden ten dage geroepen is, om de kerk waarin ze leven, naar den Woorde Gods te reformeeren, en, na zoodanige reformatie, met ons in kerkverband te treden. Maar mits hier niet aan getornd worde, is er bijna alles voor te zeggen, dat het aldus hervormde instituut met het eertijds te dier plaatse nieuwgevormde instituut, door wederzijdsche stipulatiën, onverwijld tot één instituut samensmelte; met dien verstande dat in zoodanige plaats voortaan slechts ééne geïnstitueerde Gereformeerde kerk besta. Iets wat natuurlijk niet denkbaar zou zijn, zoolang het Reglement van 1869 van kracht blijft; maar hiervan was in de Concept-acte dan ook geen oogenblik sprake, en zelfs te Kampen wierd dit punt slechts in de onderstelling besproken, dat vooraf dit Reglement wegviel.

Kuyper, A. (1890d) HIII

 

III. 

De kerkrechtelijke, burgerrechtelijke en staatsrechtelijke gevolgen der beide reformatiën.

 

Is het nu alzoo naar eisch der Gereformeerde beginselen gelegen met het ontstaan, voortbestaan en de betering van eene bestaande geïnstitueerde kerk, dan is door het trekken dezer vaste lijnen een juister oordeel mogelijk geworden over de kerkrechtelijke gevolgen eener reformatie van het instituut der kerk, ’tzij dan door Separatie, ’tzij door Doleantie. Natuurlijk zal de uitteekening, die ik van deze gevolgen geven ga, geen klem hebben op een lezer, die het in deze praemissen niet met mij eens is. Mocht alzoo ook over deze praemissen geschil rijzen, dan scheide men gedachtenwisseling over deze praemissen wel af van het debat over de daaruit afgeleide gevolgen. Voor zooverre ik intusschen de historie der reformatie in Calvinistische landen kan nagaan, de beginselen van kerkformatie bij onze groote theologen bestudeerd heb, en de uitwerking van deze beginselen in de kerkrechtelijke theorie bij mannen als Voetius, Trigland enz. raadpleegde, meen ik dat de door mij

|43 Kerkrechtelijke gevolgen der Separatie|

gegeven voorstelling vast genoeg staat, om, zonder nadere critiek af te wachten, reeds nu uit deze beginselen, uit deze practijk en deze theorie de noodzakelijke gevolgen af te leiden voor onzen actueelen toestand.

Slechts ten overvloede herhaal ik daarbij, dat ik ditmaal niet treed in de geestelijke zijde van wat plaats greep. Die geestelijke zijde is er natuurlijk. Zoo God de Heere de conscientiën niet had wakker geschud, en door zijnen Heiligen Geest in veler hart een vonk van hooger geestdrift had ontstoken, ware er noch Separatie noch Doleantie tot stand gekomen, en zou zoowel 1834 als 1886 gewoon „Synodaal” zijn voorbijgegaan. En niet minder spreekt het vanzelf, dat, zoo de goede hand Gods niet beide malen, nu eens door vervolging en strijd, en dan weer door voorspoed en gedijen, onze zake bevorderd had, het eens begonnen werk aanstonds weer in duigen zou zijn gevallen. Er is beide malen niet slechts door menschen gesproken en gehandeld, maar achter dat spreken en handelen werkte beide malen een werk van dien God, die én de eerste aandrift inblies, én een geest van inzicht en wijsheid uitzond, én onze vele zonden verzoende, gedurig weer in zijn lankmoedigheid goed makende wat door onze schuld zou bedorven zijn. Maar dit „werk Gods,” zoo in de Scheiding als in de Doleantie, gelijk men het gemeenlijk noemt, staat te hoog en is te heilig, om tot een factor in de kerkrechtelijke beschouwing te worden verlaagd. En het is daarom, dat ik, thans alleen de kerkrechtelijke zijde der quaestie besprekende, deze geestelijke beschouwing met opzet rusten laat.

Wat nu de door Separatie tot stand gekomene nieuwe formatie van geïnstitueerde kerken betreft, zijn de kerkrechtelijke gevolgen zonder veel moeite vast te stellen; althans voor het heden. Aanvankelijk heeft Overheidsinmenging op dit stuk wel allerlei verwarring aangebracht, gelijk dit ook nu weer bij de Doleantie plaats greep; reden waarom ook op de staatsrechtelijke en burgerrechtelijke gevolgen van beide pogingen tot reformatie gewezen dient; maar voor de actie die van 1834 uitging zijn ook deze gevolgen thans zoo helder als glas geworden. Over den toestand uit deze eerste actie geboren kan ik daarom kort zijn.

|44 Kerkrechtelijke gevolgen der Separatie|

Kerkrechtelijk namelijk staat het vast, dat die „geloovigen” d.w.z. die leden van het bestaande instituut, die in 1834 en daarna tot Separatie van dit instituut meenden te moeten overgaan, hiermee op hetzelfde oogenblik, dat zij dezen stap deden, zich van elke qualiteit, van alle bevoegdheid, van alle recht en van elke verplichting, die krachtens vroeger gemaakte stipulatiën in deze geïnstitueerde kerken voor hen golden, geheel en in volstrekten zin losmaakten. Wie uit een geïnstitueerde kerk uittreedt, is van dat oogenblik af kerkrechtelijk voordat instituut als niet meer bestaande; en dat instituut als dood voor hem. Daags na deze Separatie staat hij dus als Christen in de wereld, met alle verplichtingen die op elk Christen rusten, maar kerkrechtelijk is hij niets meer. Hij leeft op dit oogenblik buiten elk kerkrechtelijk verband, en staat in zooverre gelijk met nieuw-bekeerden, die voor het eerst in een plaats, waar nog geen kerke Christi was, tot aanroeping van den Naam des Heeren gekomen zijn. Welke geestelijke betrekking hij nog op vele personen in bet oude instituut hebben moge, doet hier dus niets ter zake. Wie zijn band als lid van een geïnstitueerde kerk doorsnijdt, bezit op dat oogenblik geen geïnstitueerde kerk meer. Juist daaruit echter vloeit de verplichting voort, om terstond tot het institueeren van zulk een kerk over te gaan. Dit is dan ook zoo geschied. Allerwegen zijn de uitgetredenen saamgekomen; hebben voor elkander professie van hun geloof gedaan; de forme eener kerk in het leven geroepen; personen voor de ambten aangewezen; een kerkenordening ingesteld; en verband met andere kerken gezocht en gevonden. Hierdoor nu ontstond voor hen een geheel nieuwe kerkrechtelijke toestand, die zijn grondslag vond in de stipulatiën, waarmede zij zich over en weder jegens elkander en jegens andere nieuw geformeerde kerken hadden verbonden. Wel was dit niet zoo te Ulrum en elders, waar het bestaande instituut gereformeerd is; maar in verreweg de overgroote meerderheid der Christelijke Gereformeerde kerken is zóó metterdaad de grondslag gelegd voor den kerkrechtelijken toestand waarin ze thans leven.

 

Intusschen hoe duidelijk en onbetwistbaar dit kerkrechtelijk

|45 Kerkrechtelijke gevolgen der Separatie|

ook zijn moge, toch is hiermee van verre niet uitgedrukt, wat eigenlijk in de bedoeling der zich separeerenden lag en wat ze voorhadden in hun hart. Hun bedoeling toch was volstrekt niet om een nieuwe kerk te institueeren, maar veeleer om de oude kerk der vaderen uit de „valsch gewordene” kerk uit te leiden en op vrij erf tot nieuwen bloei te brengen. Niet minder dan wij bekennen de Gescheidenen in de martelaarskerk der vaderen de kerk, waarvan ze afstammen. Ze zijn niet een nieuw opgekomen groep, maar zonen van een geslacht uit hetzelfde historisch verleden dat wij achter ons hebben. Niet als neophyten traden ze dus op; niet als Christelijke parvenu’s, die zich voor het eerst op Christelijk terrein aanmeldden, maar veeleer als de door Gods genade getrouw gemaakte zonen van een historische kerk. Vandaar dat ze geen nieuwe belijdenis op stelden, maar de Formulieren van eenigheid uit de historische kerk overnamen, en evenmin oorspronkelijk aan een nieuwe kerkenordening dachten, maar eenvoudig op de kerkenordening van 1619 hun ijk zetten. Maar hoezeer dit ook hun eigenlijke bedoeling was, en ze feitelijk ook door ons als zonen van hetzelfde geestelijk huis en als medeafstammelingen uit hetzelfde historisch geslacht geëerd worden, toch moet er duidelijk op gewezen, dat ze kerkrechtelijk dit hun voornemen niet voldongen hebben.

Een hoogst eenvoudige vergelijking zal dit duidelijk maken. Stel dat ons vaderland, door de gevolgen van een grooten Europeeschen oorlog, zijn zelfstandigheid inboette, en ’tzij de Pruisen, ’tzij de Franschen aan Nederland een heerschappij en constitutie opdrongen, die te eenen male met de eere van ons verleden en den aard van ons volk in strijd was. Dan zou, gelijk het altoos gaat, de onaandoenlijke massa zich schikken, maar de echte, trouwe vaderlanders zouden zulk een toestand niet kunnen uithouden. Zij zouden rusteloos reageeren, en ten leste tot het besluit komen, om óf het land uit te trekken (Separatie) óf op omzetting van den politieken toestand bedacht te zijn (Doleantie). Denk ik nu, dat honderd duizend personen besloten het land te verlaten, naar een geheel onbewoonde streek in Afrika togen, daar de oud-Nederlandsche constitutie invoerden, en geheel op echt Nederlandsche wijze een staatsbestuur inrichtten, zóó dat zelfs de namen

|46 Kerkrechtelijke gevolgen der Separatie|

en titels geheel eender bleven; dan konden deze vrijwillige ballingen zich ongetwijfeld beroemen, dat ze uit trouw aan hun volksaard en uit eerbied voor het historisch verleden hunner vaderen zich zeer groote offers getroost hadden; dat ze niet een nieuw volk wilden scheppen, maar het oude Nederlandsche volk op nieuw erf voor algeheele ontaarding bewaren en tot nieuwen bloei brengen wilden; en in zekeren zin zouden ze dan kunnen zeggen: Wij zijn het uitgeleide deel der Nederlandsche natie. Edoch, hoe volkomen waar dit ook in historischen en nationalen zin zijn zou, staatsrechtelijk zou het toch geheel anders staan. Ook al leefden ze toch onder gelijke wetten, als hier eertijds golden, de grondslag waarop de rechtsgeldigheid dier wetten rustte, zou niet meer de Unie van Utrecht, maar hun nieuw gemaakt accoord zijn, en formeel zouden ze dus als een nieuwe staat in de rij der staten optreden. Men ziet het aan de Transvaal, waar het bijna evenzoo toeging, en waarvan toch een iegelijk erkent dat het metterdaad een nieuwe staat is, met een Staatsrecht, waarvoor, hoe historisch ook in zijn karaktertrekken, nochtans eerst door het accoord der „trekkers” de Staatsrechtelijke grond gelegd is.

 

Welnu, geheel in dezelfde positie verkeeren de Christelijke Gereformeerden. Toen onze oude kerk overheerd was door de invasie van het Synodalisme, hebben zij niet, als de groote massa, laffelijk en lijdelijk in dien schriklijken toestand berust, maar zijn ze vrijwillig in kerkelijke ballingschap gegaan, om een uitnemend historisch deel uit het instituut uit te leiden, en dit op vrijer erf, weer in ouden trant, naar de costumen en rechten der vaderen, te doen leven. Het oude leefde weer op, en wat ze stichtten waren geen kerken van nieuw model, maar kerken van het oude stempel. Evenwel, hoe zonder aarzeling dit ook wordt toegegeven, toch nam dit het nieuw-geformeerde van hun kerkrechtelijken toestand niet weg. Ulrum, en enkele andere kerken, toch uitgezonderd, hebben ze niet gezegd: „Wij, als leden van het instituut, werpen de ons opgedrongene organisatie af, zoodat voor onze plaatselijke kerk de rechtsgeldigheid der nimmer wettig afgeschafte Kerkenordening van 1619 weer werken gaat”; maar ze hebben, na uitgetreden te zijn en als zonder kerkrechtelijken band zijnde,

|47 Kerkrechtelijke gevolgen der Separatie|

door hun eigen keus en wilsdaad een van ouds bekende kerkenordening voor hun kerken ingevoerd. En dat wel met dien verstande, dat de kerkenordening van 1619 voor hen niet kerkrechtelijk geldt op grond van het feit, dat de nationale Synoden van de 16de en 17de eeuw haar rechtsgeldig invoerden, zonder dat ze ooit wettig haar rechtsgeldigheid verloor; maar integendeel op grond van hun eigen besluit, om weder onder deze kerkenordening te gaan leven. Stel wij namen morgen den dag de Grondwet van België over, dan zou toch die Grondwet hier niet gelden op grond van wat de Staatsmacht in België vaststelde, maar op grond van ons eigen besluit. Al namen dan ook de Christelijke Gereformeerden de oude kerkenordening over, toch rust de rechtsgeldigheid van deze kerkenordening voor hen niet op wat de Synode van 1619 deed, maar op grond van wat zij zelven besloten.

Spreekt men dus van de historische kerk der vaderen, dan is ongetwijfeld al wat in de Christelijke Gereformeerde kerk leeft, uit die kerk voortgekomen, en heeft de kerk der vaderen zich voor een deel in deze kerken voortgeplant; ja mag en moet erkend, dat ook door de Separatie een loot van dezen historischen stam voor verdere verkankering bewaard en tot nieuwe uitspruiting gekomen is. Zoolang er niet van de geïnstitueerde kerken, maar van de Belijdeniskerk der historie gesproken wordt, dan zijn ook zij van die aloude kerk een der wettige voortzettingen, evengoed als de kerken onzer vaderen de wettige voortzetting waren van de oude Christelijke kerken, die hier eertijds onder de Roomsche hiërarchie geformeerd werden. Maar kerkrechtelijk geldt dit niet. Zoo men op de geïnstitueerde kerken komt, hebben zij metterdaad met de geïnstitueerde kerken gebroken en de oude historische kerken in nieuwe instituten pogen voort te zetten. Dit blijkt ook daaruit, dat ze, niet lang na hun optreden, zich vrij achtten, om in de door hen aangenomen kerkenordening allerlei wijzigingen aan te brengen. Want wel zijn de meeste dezer wijzigingen later weer teruggenomen, maar zoowel dit wijzigen als dit later terugnemen geschiedde niet uit kracht van een bevoegdheid, die uit de Synode van 1619 op hen gedevolveerd was, maar krachtens hun eigen besluit, dat rustte op het gemeen accoord en de nieuwe

|48 Staatsrechtelijke gevolgen der Separatie|

stipulatiën, waarop ze zich met elkander hadden verbonden. En nog sterker komt dit uit in het Synodaal besluit en de besluiten hunner kerkeraden in zake het reglement van 1869. Had het toch kerkrechtelijk zóó voor hen gestaan, dat de Dordsche kerkenordening vanzelf gold, uit kracht van hetgeen in 1619 besloten was, dan ware het volstrekt ondenkbaar geweest, dat hun kerken een nieuwe zeer korte kerkenordening zouden hebben ingevoerd, die eerst als zoodanig bepalen kwam dat de kerkenordening van 1619 zou gevolgd worden; zou gevolgd worden onder zekere ristrictiën; en zulks wel met bijvoeging van eenige bepalingen, die uitgingen van kerkrechtelijke beginselen, die met de beginselen dezer kerkenordening van 1619 in onverzoenlijken strijd zijn. 

 

Dit nu brengt mij vanzelf tot de Staatsrechtelijke en burgerrechtelijke gevolgen der Separatie. Staatsrechtelijk nam de Overheid in 1834 tegenover de actie der scheidenden oorspronkelijk het echt Roomsche standpunt in. Eigenlijk toch betwistte men hun het recht, om uit het instituut uit te treden; en evenzoo wilde men hun aanvankelijk beletten een nieuwe kerkformatie op te richten. Doch van dit geheel onhoudbare standpunt ging de Overheid, onder de critiek der publieke opinie, al spoedig af, en erkende toen wel hun recht tot uittreding en hun recht om zich opnieuw te formeeren; maar alleen onder beding, dat zij van elke pretentie, als waren ze een voortzetting van de historische kerk, zouden afzien. Dit nu gaven de Gescheidenen aanvankelijk niet toe. De kerk, zoo spraken ze, volgt de belijdenis; wij zijn het, die de historische belijdenis mee uitdroegen; alzoo komt ons de titel der historische kerk en dus ook haar goed toe. Hier liep blijkbaar een misverstand onder, maar een misverstand, dat begrijpelijk was. Ze redeneerden namelijk uit het precedent, dat gegeven was in de 16de eeuw. Toen had de Overheid beslist, dat de titel van „Christelijke kerk” en het „goed” der Christelijke kerk de „ware religie” volgde, en op dien grond de rechten en bezittingen der Roomsche kerk aan de Gereformeerden toegewezen. En zoo nu ook, dachten de Gescheidenen, moet het thans gaan. Titel en goed behooren aan de „ware religie”. Die „ware religie” leeft

|49 Staatsrechtelijke gevolgen der Separatie|

kerkelijk bij ons. Alzoo moet „titel” en „goed” der Christelijke kerk ons volgen. Hierin vergiste men zich echter. Eertijds namelijk kon de Staat zoo oordeelen, omdat de Overheid zelve professie deed van de „ware religie”; als Overheid voor de ,,ware religie” zorgde; en dus het gebruik van het goed gaf aan wat in haar oog de kerken der „ware religie” waren. Maar in 1834 ging dit niet meer op. De Overheid had toen geen professie meer; de Overheid zorgde niet meer voor de „ware religie”, die ze als de Overheid niet meer kennen kon; en zoo waren de kerkelijke instituten tot een zelfstandige rechtspositie in den Staat gekomen; tot een positie met eigen titel en bezit. Hieruit nu volgde dat titel en eigendom in 1834 niet meer de belijdenis als zoodanig konden volgen, maar alleen die belijdenis in heur kerkrechtelijke geldigheid, d.w.z. als belijdenis der geïnstitueerde kerken. Had men dus in 1834 reformatie van de bestaande geïnstitueerde kerken doorgezet, gelijk te Ulrum, dan voorzeker had men zijn Staatsrechtelijk bedoelde, maar feitelijk Burgerrechtelijke pretentie op titel en goed kunnen handhaven; maar thans, nu men het instituut den rug had toegekeerd, en een nieuwe kerkformatie geïnstitueerd had, niet meer.

Uit den strijd ten bate dezer pretentie gevoerd, blijkt dan ook wel, dat men eigenlijk iets anders bedoelde, dan wat men kerkrechtelijk gedaan had; maar het kon niet anders, of aan deze edeler bedoeling moest almeer door de onverbiddelijke consequentie van het standpunt, dat men kerkrechtelijk innam, het zwijgen worden opgelegd; en de dusgenoemde „afstand” was feitelijk niets dan een andere uitdrukking voor wat men door de daad der uittreding uit het instituut reeds voor jaren gedaan had. Staatsrechtelijk kon men in dien toestand op niets anders bedacht zijn, dan op de erkenning door de Overheid als nieuw geformeerd instituut. Die erkenning is dan ook gezocht; maar bij dat zoeken stuitte men op tweeërlei moeielijkheid. Vooreerst hierop dat de erkenning van nieuw geïnstitueerde kerken in ons Staatsrecht geheel ongeregeld is; en ten andere dat men in het onzekere verkeerde, of deze erkenning alleen voor elke plaatselijke kerk afzonderlijk, of ook voor de „saamvergadering der kerken” moest gezocht. Wat het eerste punt betreft, had men sinds 1853 en 1855 de keuze, om óf als

|50 Staatsrechtelijke gevolgen der Separatie|

gewone Vereeniging zich door een speciale wet te laten erkennen, of wel als „kerkgenootschap” op te treden; iets wat onze vaderen niet hebben gekend. Hierbij koos men het laatste; en had men zich hierbij bepaald tot de „plaatselijke kerken” afzonderlijk, dan ware er minder gevaar geweest. Maar achtende dat het toch ook wenschelijk was, om óók als „bond van kerken” erkend te zijn, ging men er toen te kwader ure toe over, om alle kerken saam als één kerkgenootschap aan te dienen, waarvan de plaatselijke kerken slechts de gesplitste onderdeden zouden zijn. Immers eischte de wet van 1853 dat men de leden en het bestuur van dit landsgenootschap zou aanwijzen. En zoo kwam toen het reglement van 1869 in de wereld, dat de leden der plaatselijke kerken met inbegrip van de gedoopten, tot leden van het ééne groote landsgenootschap maakte, en werd men alzoo, geheel in strijd met den geest en de beginselen der aloude Gereformeerde kerkenordening, zonder het te weten of te bedoelen, in dit opzicht collegiaal.

Deze stap volgde intusschen niet uit het beginsel der Scheiding, maar druischte er tegenin. Niet alsof men plaatselijk in een „kerkelijke kas” of soortgelijke vereeniging een redmiddel had moeten zoeken. Wie met het instituut gebroken had, en als nieuw instituut was opgetreden, kon zich zeer wel als nieuw plaatselijk instituut laten erkennen. Dit lag zelfs op de lijn der Scheiding. Maar nooit had men bij de Overheid als bond van kerken een andere erkenning mogen zoeken, dan op den grondslag van het zelfstandig bestaan der plaatselijke kerken als kerkgenootschappen, in den zin der Wet van 1853. Of de Overheid hiervoor een vorm zou hebben kunnen vinden, is een vraag die thans niet kan beantwoord. Slechts sta vast, 1º dat een nieuw geformeerde kerk de lijn der Scheiding niet verlaat door zich plaatselijk als kerkgenootschap aan te dienen; en ten 2° dat men door alle plaatselijke kerken individueel in één kerk op te smelten en als één kerkgenootschap in den zin der wet van 1853 te laten erkennen, het beginsel zelf van de Scheiding prijs geeft. Het beginsel der Scheiding toch was niet een actie van boven af, maar een actie uit de plaatselijke kerken; en wel deze actie geleid in gehoorzaamheid aan de kerkrechtelijke beginselen, gelijk die in de kerkenordening van 1619 belichaamd waren.

|51 Kerkrechtelijke gevolgen der Doleantie|

Geheel anders daarentegen staat het met de kerkrechtelijke gevolgen der Doleantie. Bij de bespreking hiervan ga ik uit van de navolgende onderstellingen: 1º. dat zij die ten deze gehandeld hebben, handelden in hun qualiteit van leden eener geïnstitueerde, maar in allerlei opzicht diep bedorven kerk; en wel óf als „kerkeraadsleden”, óf als „geloovigen” in kerkrechtelijken zin, en dus in het laatstgenoemde geval na oproeping van alle nog belijdende „leden der geïnstitueerde kerk”. 2º Dat de handeling als zoodanig bestaan heeft in het ambtelijk, krachtens rechten en bevoegdheden uit het instituut der kerk voortgevloeid, declareeren, dat de wettelijk nooit afgeschafte kerkenordening van 1619, wier werking tijdelijk door een onbevoegde macht gesuspendeerd was, alsnu weer in werking trad. En 3º dat dit in werking zetten van de eenige nog altoos geldende kerkenordening aan de Overheid des lands gemeld is, en de maatregelen genomen zijn om bij het woord de daad te voegen. Hiermee beweer ik dus niet, dat overal juist en goed is gehandeld; en wil zelfs aannemen dat er gevallen aanwijsbaar zijn, waarin de institutaire band door onbedachtzaamheid is doorgesneden; maar bij de kerkrechtelijke gevolgen der Doleantie komen deze exceptiën niet in aanmerking. Dit zijn onregelmatigheden, die in elk bijzonder geval afzonderlijk moeten beoordeeld worden. Bepaal ik mij alzoo tot het normale verloop, dan heeft men drieërlei gevallen te onderscheiden: 1º. het geval, van geïnstitueerde kerken, waar de kerkeraad van het instituut, bij kerkeraadsbesluit, tot reformatie overging, gelijk te Voorthuizen, Rotterdam en elders; 2º het geval van geïnstitueerde kerken, waarin kerkeraadsleden handelend optraden, maar zonder dat de kerkeraad als college medewerkte; en 3º het geval van geïnstitueerde kerken, waarin noch de kerkeraad noch eenig kerkeraadslid den stoot gaf, maar de „leden” der kerk handelden krachtens het kerkrechtelijk ambt der „geloovigen.” Wat nu de hoofdzaak betreft zijn de rechtsgevolgen van deze daad in kerkrechtelijken zin voor al deze drie gevallen dezelfde, en komen ten principale neder op deze drie.

 

Ten eerste is de geïnstitueerde kerk in Doleantie hetzelfde kerkelijk instituut gebleven als vóór de Doleantie. Of de Overheid

|52 Kerkrechtelijke gevolgen der Doleantie|

dit weigert te erkennen is de vraag niet; evenmin of de rechter weigert den burgerrechtelijken eisch, die op grond van deze identiteit van instituut wordt ingesteld, ons toe te wijzen; en veel minder nog of de Synodale organisatie, met welke de breuke plaats greep, deze identiteit volstrekt loochent en ons als scheurkerk diffameert. De vraag of het instituut der doleerende kerk nog hetzelfde is als vóór de Doleantie kan en mag in kerkrechtelijken zin, omdat de te reformeeren kerk een „Gereformeerde” was, niet anders dan uit de beginselen van het Gereformeerde kerkrecht beantwoord; iets wat voor ons gelijk staat met een beslissing uit Gods Woord, naardien wij erkennen en belijden dat deze beginselen uit Gods Woord genomen zijn. Staat het nu op grond van Gods Woord en uit kracht van die beginselen vast, dat de kerk in haar eenheid nooit anders dan plaatselijk kan zijn; dat van elke kerk de plicht tot reformatie, zoodra ze gedeformeerd wierd, onafscheidelijk is; en dat de verplichting tot reformatie van het instituut wel in de eerste plaats op de voorgangers, maar, zoo deze stilzitten, ook op de „geloovigen" rust; — dan is het kerkrechtelijk hiermee op Gereformeerd terrein boven allen twijfel verheven, dat reformatie de continuïteit van het instituut niet breekt; en alzoo, deze continuïteit niet gebroken zijnde, het instituut in zijn wezen identiek is gebleven. En is dit zoo, dan ligt hierin opgesloten, dat elke doleerende kerk, die zich gedraagt en aanstelt als ware ze een nieuwe formatie, hiermede haar eigen daad te niet doet; en kan er dus niet genoeg op gewerkt, om het besef levendig te houden, dat de geïnstitueerde kerk van vroeger nog altoos dezelfde is, als die waarin men eertijds leefde.

Hierin nu ligt tevens, dat de reformatie van het instituut niet anders mag opgevat dan als een reformatie van het geheele instituut; en zulks wel in dien strengen zin, dat het geheele instituut, gelijk dit op dat oogenblik bestond, van onder de organisatie van 1816 geheel is uitgebracht en daarmee niets meer uitstaande heeft. Stel dus, een geïnstitueerde kerk had op den dag, waarop men tot reformatie overging, 10,000 leden, dan moest, hetzij de reformeerende hetzij de nieuw opgetreden kerkeraad, ook deze 10.000 leden, voor zooveel hem aanging, in de gezegende gevolgen der reformatie laten deelen. Hij, als kerkeraad had geen

|53 Kerkrechtelijke gevolgen der Doleantie|

enkel recht, om personen, die eenmaal door belijdenis en stipulatiën als leden der geïnstitueerde kerk erkend waren, ter oorzake der reformatie als niet-leden te beschouwen. Zelfs wat het heilig Avondmaal aangaat moest hij als toegelaten tot het heilig Avondmaal blijven erkennen, al wie toegelaten was. Wel behield hij het recht, ja, rustte in verhoogde mate op hem de plicht, om leden die in strijd met de stipulatiën verkeerden of handelden, onverwijld te schorsen in de uitoefening van hun rechten of ook uit de geïnstitueerde kerk uit te bannen; maar ook dan worden deze geschorst en gebannen als zijnde leden, en dus qualitate qua.

Evenzoo stond het met de ambtsdragers. Wie een ambt in de geïnstitueerde kerk bekleedde, bleef in dat ambt ook na de reformatie, zoolang totdat hij dit óf vrijwillig neerlegde, óf er uit ontzet werd.

En niet anders eindelijk was het met „titel” en „eigendom” gelegen. Het instituut bleef zijn titel van „Nederduitsche Gereformeerde kerk” behouden, en veranderde het Hervormde alleen daarom in „Gereformeerde” omdat de kerkenordening alleen den titel van „Gereformeerde” kent. Waar men in bet bezit van het goed was, mocht men dus ook het goed van het identiek gebleven instituut niet prijsgeven, dan op last van den rechter; en, ook waar men dit op last van den rechter opgaf, mocht men dit nooit doen dan onder uitdrukkelijk voorbehoud van al zijn rechten; om de eenvoudige reden, dat een instituut, dat hetzelfde blijft, ook als eigenaar zich in gelijken zin als voor de reformatie moest blijven gedragen.

 

In de tweede plaats was een kerkrechtelijk gevolg der reformatie van het instituut, dat door die daad zelve het kerkverband met andere kerken, voor zooveel dit uit de organisatie van 1816 voortvloeide, te eenenmale verbroken was, en daarentegen het kerkverband met alle kerken, die uit kracht der nog ongebroken geldigheid van de Dordtsche kerkenordening handelen gingen, eo ipso vastlag. Rechtens kon wel de eisch tot kerkverband aan alle kerken, die ooit onder deze kerkenordening gestaan hadden, gesteld; maar feitelijk kon er geen ander kerkverband werken, dan met de kerken, die eveneens haar instituut

|54 Kerkrechtelijke gevolgen der Doleantie|

reformeerden on de oude stipulatiën van kerkverband vernieuwden. Attestatiën b.v. van kerkeraden, die nog onder de organisatie van 1816 bleven, misten van dat oogenblik af rechtsgeldige kracht. Wie ze aannam, nam ze aan omdat hij er een zedelijke waarde aan toekende, afgaande op de onderteekenaren; maar rechtsgeldige attestatiën, die alleen uit kracht van het contractueele kerkverband gelden kunnen, waren ze niet. Alle overige geïnstitueerde kerken, die nog naar de organisatie van 1816 bleven leven, waren van het oogenblik der Doleantie af, kerkelijke instituten van bedorven gestalte, waarmee men in geen verband hoegenaamd stond; ook al bleef men op grond der Dordsche kerkenordening den eisch op deze instituten behouden, dat ook zij zich reformeeren zouden, en ook al was men gehouden, na tot stand gekomen reformatie, het kerkverband ook met deze kerken, als in de Dordsche kerkenordening wortelende, eo ipso te erkennen en te doen werken.

 

Het derde gevolg, en hierop is veel te weinig gelet, was, dat niet in geestelijken, maar in kerkrechtelijken zin de reformatie van het instituut aan elk lid van, of ambtsdrager in dit instituut, de keus stelde, of hij al dan niet zijn stipulatiën beschouwen wilde als in het op nieuw gereformeerde instituut doorgaande. Want zoo waar als het is dat noch een kerkeraad noch de „geloovigen” hun instituut ooit anders reformeeren kunnen, dan op beding dat dit voor heel het instituut gelde, even waar is het, dat niemand kan gedwongen worden, om tegen zijn wil uit het instituut, gelijk het was, in het verbeterde instituut te worden overgebracht. Dit te wanen ware de insluiping van het Roomsche kerkrechtelijk beginsel en de uitdrijving van het Gereformeerde beginsel. Voor ons moet de geïnstitueerde kerk, gelijk Voetius het noemt, altoos zijn en blijven de societas libere inita, d.i. een vrijwillig aangegane gemeenschap. En nu moge het in geestelijken zin duizendmaal zonde voor iemands ziel en schuld voor God zijn, zoo hij wel lid wil zijn van een gedeformeerde kerk, die in strijd met Gods Woord staat, en van dit instituut niet meer wil weten, als het om Gods Woord meer nabij te komen, in gestalte veranderd is; maar kerkrechtelijk kan dit nimmer zijn recht vernietigen om de

|55 Kerkrechtelijke gevolgen der Doleantie|

gegeven stipulatiën alleen te laten gelden voor het instituut in dien vorm, waarin dit bestond, toen hij zijn stipulatiën gaf. Bezat hij nu formeel het recht, om, zoo hem dit goed dacht, zijn band met dit instituut te verbreken, ook al ware dit gebleven wat het was, dan mag wie het meerdere kan doen ook het mindere ten uitvoer brengen, en is hij dus kerkrechtelijk ook bevoegd om, zoo het instituut anders wierd dan het was, zijne stipulatiën als vervallen te beschouwen. Verklaart dus iemand feitelijk, stilzwijgend, in woorden of schriftelijk, dat hij voortaan niet meer als lid van het instituut in deze nieuwe gestalte wil beschouwd worden, dan moge de kerkeraad hem daarom niet opgeven, en hem vermanen, ja dringen bij de liefde Gods; maar dit alles neemt niet weg, dat wie niet langer tot deze veranderde geïnstitueerde kerk wil gerekend worden, er ook niet langer toe behoort als lid der kerkrechtelijke gemeenschap; en dat de kerkeraad op den zoodanige elk recht van kerkelijke gezagsuitoefening heeft verloren. Dit kan en mag niet anders voorgesteld, omdat elke andere voorstelling de „libertas Christiana” vernietigt, en onverbiddelijk den Roomschen weg opdrijft. En zoo is dan de wederzijdsche verhouding deze, dat de kerkeraad een ieder die lid was op het oogenblik der reformatie zijnerzijds als lid in de gemeenschap moet toelaten, behoudens zijn recht van en plicht tot schorsing en uitbanning; maar dat elk lid van het instituut voor zich formeel in rechten de bevoegdheid heeft, om, na de tot stand gekomen reformatie, zijn gegeven stipulatiën als vervallen te beschouwen, en zich niet langer als lid dezer veranderde geïnstitueerde kerk te gedragen. Iets wat a fortiori ook van de ambtsdragers geldt.

Het was daarom juist gezien, dat de Doleerende kerken niet tot schorsing of ontzetting zijn overgegaan van die ambtsdragers, die feitelijk hun stipulatiën terugnamen en de gemeenschap met het instituut afbraken, het was Gereformeerd gehandeld, dat ze zich onthielden van kerkelijk gezagsvertoon tegenover die leden van het instituut, die duidelijk te kennen gaven dat zij zich uit het instituut terugtrokken. En het was evenzoo practisch juist gehandeld, dat men de leden uitnoodigde door persoonlijke verklaring zich uit te spreken. Want wel

|56 Kerkrechtelijke gevolgen der Doleantie|

lag in dit laatste niet, dat wie zich nu niet aanstonds uitsprak, als lid verviel, maar zoo wierd toch eenige scheiding gemaakt tusschen de leden, die toonden prijs te stellen op hun duurzaam deelgenootschap aan het thans gezuiverde instituut, en die anderen die òf feitelijk er mee braken òf nog aarzelden, en eerst later tot beslissing zouden komen.

Ik kan mij dan ook nauwelijks voorstellen, dat iemand deze mijne stelling betwisten zal. Als morgen den dag mijn kerkeraad het instituut van Gereformeerd Arminiaansch, Baptistisch of Luthersch maakt, dan vorm ik met mijn medeleden toch geen kudde schapen, over wier kerkelijk leven de kerkeraad naar goedvinden beschikt. Kan ik mij te allen tijde uit een kerkelijke gemeenschap terugtrekken, waarom zou ik dit dan ook niet kunnen doen op het oogenblik dat men het instituut verandert, waar toch juist die verandering, die de kerkeraad reformatie noemt, in mijn oog deformatie kan wezen. Nog eens, in geestelijken zin is en blijft het natuurlijk zonde, in een instituut te blijven zoolang het met Gods Woord in strijd is, en er uit te loopen als het zich naar Gods Woord reformeert, maar kerkrechtelijk moet aan elk lid zijn recht en keuze vrij en onverlet blijven. Wie blijft moet blijven op grond van zijn overtuiging en van ’s Heeren wil, en wie dat meent niet te kunnen, heeft formeel het recht om heen te gaan. Alleen zou men de vraag kunnen opwerpen, of de kerkeraad niet het recht had van hen die gaan willen een schriftelijke verklaring te vergen; maar daargelaten dat mannen als Voetius hier ook de stilzwijgende, feitelijke verklaring gelden laten, zoo ligt het in den aard der zaak dat wie de rechtmatigheid van de daad der reformatie betwist, zulk een verklaring niet kan geven. Voor hem toch staat de vraag zoo, dat de dusgenaamde reformatie in zijn oog een schisma was, en hij in het oude instituut bleef. Hij beweert dus niet te breken, maar te blijven waar hij is; en omgekeerd houdt hij staande, dat de Doleerenden uit de gemeenschap traden en een schismatieke gemeenschap oprichtten.

Hiermee echter hebben de „geloovigen”, die het instituut tot reformatie brachten, niet te rekenen. Zij moeten handelen naar de beginselen van hun eigen belijdenis. En dan komt de zaak b.v. te Amsterdam hierop neer, dat op 10 December 1886

|57 Kerkrechtelijke gevolgen der Doleantie|

door de, krachtens Gereformeerd kerkrecht, daartoe bevoegden het instituut der kerk losgemaakt is van de Synodale organisatie van 1816 voor allen die op 10 December 1886 door stipulatie in de gemeenschap van dit instituut als membra completa erkend waren, ongeveer 50.000 in aantal. Dat de alstoen opgetreden kerkeraad krachtens de vroeger gemaakte stipulatiën kerkrechtelijk gehouden was, elk onder stipulatie aangenomen lid, als lid te blijven erkennen behoudens zijn recht en plicht, om door schorsing en ban voor de zuiverheid der kerk te waken. Dat toen een deel der leden zich verklaard hebben in dien zin, dat zij op het voortdurend genot van deze kerkelijke gemeenschap prijs stelden. Dat een misschien grooter deel, waaronder vele ambtsdragers, feitelijk verklaard hebben, met het aldus gezuiverde instituut niets meer van doen te willen hebben; over welke de kerkeraad alzoo geen kerkrechtelijk gezag meer kon uitoefenen. En dat een moeielijk te bepalen deel niets van zich merken liet, zoodat het den kerkeraad nog altoos onbekend is, of deze al dan niet in de voorrechten van het gezuiverde instituut willen blijven deelen. Zij nu, die duidelijk getoond hebben, niet langer als leden van het gezuiverde instituut te willen gerekend worden, hebben zich toen van het oude Instituut afgescheiden, feitelijk een nieuw schismatiek instituut opgericht, en hebben dat nieuwe instituut in rechten aan de Synodale organisatie van 1816 verbonden. Met dit nieuwe schismatieke instituut nu, dat de kenmerken van de ware kerk mist, heeft het oude en tot zuiverder gestalte gebrachte instituut niets meer uitstaande. Van dit instituut kunnen noch mogen attestatiën aangenomen worden, en wie zegt bij dat instituut belijdenis te hebben gedaan, moet niettemin, als stond hij nog geheel buiten alles, wat men noemt, zijn belijdenis overdoen. Waaruit resulteert dat het instituut dat in Doleantie ging, nu daargelaten zijn geestelijke verplichting jegens afgedoolden en zijn ten deele ambtelijke roeping jegens alle gedoopten, kerkrechtelijk d.i. voor wat de geïnstitueerde kerk betreft, thans reeds lang niet meer bestaat uit alle leden, die er op 10 December 1886 deel van uitmaakten, maar alleen uit die leden, die óf van hun instemming met het werk der reformatie lieten blijken, óf

|58 Staatsrechtelijke gevolgen der Doleantie|

omtrent wier wilskeuze nog niet bleek. Alsook, dat de velen die feitelijk met dit instituut braken, daartoe kerkrechtelijk niet meer mogen gerekend worden, en thans te beschouwen zijn als leden van een nieuw door hen opgericht Synodaal instituut. Dit zou minder duidelijk zijn gebleken, als niet in den aanvang van dit vlugschrift breedvoerig het ontstaan, het wezen, de continuatie en de reformatie van de geïnstitueerde plaatselijke kerk, naar den regel der Gereformeerde kerkregeering, beschreven ware; maar nu die uiteenzetting tot in bijzonderheden wierd gegeven, en bij de tegenstelling tusschen het Roomsche, Sektarische en Gereformeerde kerkrecht ten deze het juiste licht viel, is twijfel niet wel mogelijk en houdt alle onzekerheid over de te volgen gedragslijn op. Ds. Hogerzeil en Ds. Vos c.s. hebben duidelijk getoond hun vroegere stipulatiën als vervallen te beschouwen, en de kerkeraad der Nederduitsche Gereformeerde Kerk mist alzoo het recht eenig kerkelijk gezag over hen uit te oefenen. Zij hebben thans een nieuw schismatiek instituut opgericht, dat ze weer aansloten aan de Synodale organisatie. En wat we nu ook nog, naar Christenplicht, doen mogen, om hen van hun doolweg terug te brengen, kerkrechtelijk staan we met hen in niet de minste gemeenschap meer.

 

De Staatsrechtelijke en Burgerrechtelijke gevolgen der Doleantie vloeien van zelve voort uit het feit, dat geen nieuw instituut opgericht, maar een bestaande geïnstitueerde kerk tot reformatie gebracht is. Op grond toch van dat feit moesten wij van de Overheid blijven eischen, dat we als de continuatie van het aloude instituut, en dus als rechthebbenden op den titel van dat instituut, erkend worden. Hier stonden dus voor de Overheid twee pretentiën tegenover elkander. Eenerzijds onze pretentie, dat wij, blijkens de naar Gereformeerde beginselen tot stand gebrachte reformatie van het instituut, recht hadden op wat bestond; en daartegenover de pretentie der Synodalen, dat zij de continuatie van het oude instituut waren, en wij een schismatieke nieuwe vereeniging. Staande tegenover deze beide pretentiën heeft onze Overheid toen voor de Synode en tegen ons partij gekozen. Hierin nu heeft de Overheid, naar onze innigste overtuiging, gezondigd. Ze kwam tot deze zondige

|59 Burgerrechtelijke gevolgen der Doleantie|

conclusie doordien ze onze Gereformeerde kerken naar de regelen van een gewoon „zedelijk lichaam” beoordeelde, en dus niet rekende met haar eigen aard, waardoor ze aan Christus als haar Koning, aan de Heilige Schrift als zijn Woord, en aan de Belijdenis als het getuigenis harer ziele verbonden is. Als goede Calvinisten voeren we intusschen tegen deze daad der Overheid geen ander dan lijdelijk verzet, d.w.z. we onderwerpen ons, maar voegen ons niet; en blijven onze pretentiën op grond van Gods Woord onverzwakt en onverminderd handhaven; en liever getroosten we ons het gebrekkige wat aan een hulpmiddel als de „Kerkelijke Kas” altoos kleven zal, dan ons eerstgeboorterecht voor een erkenning als nieuw geformeerd instituut te verkoopen. Morgen den dag zal elke Doleerende kerk door de Overheid erkend worden, zoo ze zich slechts als nieuw instituut aandient; maar dát juist mogen onze kerken niet. Ook plaatselijk mogen wij ons dus niet als „Kerkgenootschap” laten boeken. Daarom blijven we dan ook kerken in Doleantie. Een Doleantie, die dan eerst weg zou vallen, zoo óòf de Overheid ons als continuatie van het oude instituut wilde eeren, òf wel onze kerken haar beginsel prijs gaven en den band met het verleden doorsneden. Voor de Christelijke Gereformeerden daarentegen, die den weg van Separatie en nieuwe formatie insloegen, bestaat dit bezwaar, plaatselijk althans, niet. Zij kunnen plaatselijk een Kerkgenootschap vormen zonder hun beginsel prijs te geven. Maar de Doleerende kerken kunnen dat niet.

En hiermede is onze burgerrechtelijke positie van zelve gegeven. Onze geïnstitueerde kerken hebben naar plicht en roeping haar bezitsrecht op het kerkelijk goed gehandhaafd, zoolang de politie of synodaal geweld er haar niet uit drong. Daarom hebben ze haar eigendomsrecht op dit goed verweerd bij den burgerlijken rechter; en eerst toen die rechter haar in het ongelijk stelde, de goederen afgegeven. Dit heeft veel geld gekost, maar dit offer moest om des beginsels wille gebracht. Toch is nergens het goed afgestaan dan onder protest, en zullen we ook in de toekomst bij gewijzigde jurisprudentie onze rechten verder handhaven.

Immers men houde wel in het oog dat een rechterlijk vonnis wel in rechten bindt, maar dat, zoo het vonnis u al in het

|60 Burgerrechtelijke gevolgen der Doleantie|

ongelijk stelt, daaruit nog volstrekt niet blijkt, dat ge ongelijk hebt. Vooral in zulk een geschil wordt een rechterlijke uitspraak geheel beheerscht door de tijdelijk heerschende jurisprudentie, en die jurisprudentie wisselt met elke eeuw. Ook al laat men de vraag buiten bespreking, of de rechter, uit zucht om de orde te handhaven, niet vaak zijne rechterlijke roeping uit het oog verloor, en soms ook wel onbewust door persoonlijke synodale sympathiën in zijn oordeel bevangen wierd, is zulk een rechterlijk vonnis nog in het minst geen bewijs dat ge voor God met uw pretentie niet recht staat, maar alleen dat God u den eisch oplegt, om op dit oogenblik voor die uitspraak het hoofd te buigen.

Daar intusschen, bij deze weigering van de Overheid, om ons als continuatie van het oude instituut te erkennen, en na deze rechterlijke verklaring, die ons het recht op de goederen ontzeide, onze kerken toch gebouwen noodig hadden en gelden moeten beheeren, schoot er toen niets anders over dan een soort hulpvereeniging voor de financiën op te richten; en dit is, naar het voorbeeld der oude Christenen onder de hoogheid van de Romeinsche keizers, dan ook in de „kerkelijke kassen” geschied. „Kassen” waarop men allerlei critiek kan oefenen, en die zeer zeker aan rechtmatige critiek blootstaan, maar die, tenzij wij ons beginsel willen prijsgeven, het eenig red- en hulpmiddel zijn, om, naar eisch van het Woord, ook ons financieel beheer „eerlijk en met orde te laten geschieden.”

Kuyper, A. (1890d) HIV

 

IV.

De vereeniging.

 

Mag nu deze schets van de kerkrechtelijke, staatsrechtelijke en burgerrechtelijke gevolgen, die uit de twee reformatorische actiën (eenerzijds door Separatie en anderzijds door Doleantie) rechtstreeks voortvloeien, aan de eischen van een bondig betoog beantwoorden, dan moet uit deze beiderzijds aanwezige gevolgen zelven nog een laatste gevolgtrekking afgeleid, die voor de beide reeksen van aldus bestaande geïnstitueerde kerken

|61 Vereeniging of hereeniging?|

saam geldt, de plicht namelijk der vereeniging in gemeenschappelijke Classicale en Synodale vergaderingen.

Veroorlove men mij daarom ook dit laatste punt kortelijk toe te lichten.

Ik spreek in dit opstel van vereeniging, niet van hereeniging, en wil met een enkel woord ook aan den strijd over deze beide wijzen van uitdrukking voor goed een einde maken.

Zoo dikwijls er sprake is van het tot elkaar brengen van twee reeksen geïnstitueerde kerken, waarvan de eene reeks pas sinds 1834 ontstond, en de andere reeks de continuatie is van de oudtijds geïnstitueerde kerken, mag er niet gesproken worden van hereeniging, maar is vereeniging de eenig juiste term. Immers hereenigen kan men alleen, wat vroeger één was; en overmits nu deze beide reeksen geïnstitueerde kerken als zoodanig nooit één geweest zijn, en niet konden zijn, omdat de eene reeks pas later ontstond, zou er niet anders kunnen plaats hebben dan vereeniging.

Hereeniging zou wat de geïnstitueerde kerken aangaat alleen kunnen plaats hebben tusschen de oude geïnstitueerde kerken en de personen, die door Separatie van haar zijn gescheiden. Overmits echter verreweg het grooter aantal leden van de Christelijke Gereformeerde kerken eerst in die nieuwe kerken den toegang tot het heilig Avondmaal ontvingen, en zij dus nooit membra completa, d.i. volle leden van de oude geïnstitueerde kerken geweest zijn, zou hereeniging door persoonlijken terugkeer naar het eerst verlaten instituut slechts voor zeer enkelen, meest zeer ouden van dagen, denkbaar zijn. En ook dan nog zou dit nooit een onderwerp van onderhandeling tusschen de beide reeksen van kerken kunnen uitmaken, overmits niet de geïnstitueerde Christelijke Gereformeerde kerken, maar alleen de personen harer leden hierover zouden te beslissen hebben. Immers wat wel eens door een doctrinair theoreticus beweerd is, dat de Christelijke Gereformeerde kerken in die steden en dorpen, waar het oude instituut thans tot reformatie kwam, verplicht zouden zijn, om zich te ontbinden, opdat al hare leden zich weer konden aansluiten aan het oude instituut, is een eisch, dien men voor de rechtbank van het Gereformeerde kerkrecht nooit zal kunnen staande houden. Wel zoo men

|62 Vereeniging of hereeniging?|

zich op het Roomsche standpunt plaatst, en alzoo zijn eigen instituut voor het eenig bestaanbare aanziet, en dit identificeert met de absolute kerke Christi. Maar niet zoo men uit kracht van het Gereformeerde beginsel erkent, dat de kerke Christi zich in het zichtbare openbaren kan in onderscheidene instituten.

Voor zooverre er dus, door wien ook, met opzicht tot de beide reeksen geïnstitueerde plaatselijke kerken ooit van „hereeniging” gesproken is, was dit een fout in de terminologie.

Wel moet daarentegen van „hereeniging" en niet van „vereeniging" gesproken worden, zoo men het oog heeft niet op de aanhoorigheid der leden tot ééne der beide geïnstitueerde kerken in eenzelfde stad of dorp, maar op onzer aller aanhoorigheid tot de historische Gereformeerde kerk onzer vaderen, gelijk die vanouds hier te lande in allerlei instituten openbaar werd. Dan toch spreekt men niet formeel van de te A. of B. oudtijds geïnstitueerde plaatselijke kerk, maar van het collectieve begrip dier historische kerk of gezindheid, die over heel ons land verspreid was. En zóó nu bedoeld, staat het vast, dat beide reeksen van kerken uit den wortel dier ééne historische kerk zijn, en dat we deswege, weer tot kerkelijke eenheid komende, niet tot vreemden naderen, maar tot zonen van dezelfde historische kerk, waaruit we zelven gesproten zijn. Dan zijn we geen vreemden voor elkander, maar van eenzelfde familie, uit eenzelfde geslacht, met eenzelfde verleden, en uit éénen bloede gesproten. En daarom zou het, in dien zin genomen, zeer stellig hereeniging zijn.

Daarvan echter handelt dit opstel niet. Gelijk ik, misschien tot vermoeiens toe herhaalde, laat ik die geestelijke zijde der quaestie thans met opzet rusten, en bepaal mij uitsluitend tot het verband in rechten. Deswege komt hier dan ook alleen de Vereeniging ter sprake, d.w.z. de vereeniging dier beide reeksen van geïnstitueerde kerken, die thans door Separatie en Doleantie ontstaan zijn, tot één kerkelijk geheel in gemeenschappelijke classicale en synodale vergaderingen. En die vereeniging nu staat niet aan iemands believen, maar is eenvoudig eisch van het Gereformeerde kerkrecht. Dat het gescheiden kerkelijk leven, zoo dikwijls voor deze gescheidenheid geen wettige oorzaak aanwezig is, zonde voor God, vergrijp tegen de catholiciteit der kerk,

|63 Kerkrechtelijke gehoudenheid tot vereeniging|

beleediging van de gemeenschap der heiligen, en voor Gods Woord onverantwoordelijk is, beaam ik wel ten volle; maar ook daarover spreek ik thans niet. Geheel de geestelijke zijde van het vraagstuk laat ik thans rusten. Ik neem de zaak ditmaal alleen kerkrechtelijk. En uit dat oogpunt nu de zaak bezien, leid ik mijn bewijs af uit het beginsel, uit de historie en uit den concreten vorm van ons Gereformeerd kerkrecht. Uit het beginsel, want waar ons Gereformeerd kerkrecht, om de klip van Romes absolutisme te ontzeilen, het kerkelijk instituut alleen plaatselijk huldigt, en dit plaatselijk uit de wilsdaad der belijders laat opkomen, moest (zou niet de saamhoorigheid van de deelen van het lichaam van Christus worden prijsgegeven) hieraan wel „rigoureuslijk”, als tegenwicht, de stellige verplichting voor alle geïnstitueerde kerken verbonden worden, om kerkelijk met elkander in verband te treden op classicale en synodale vergaderingen. Een verband dat formeel wel slechts contractueel tot stand komt, maar daarom volstrekt niet aan uw wilkeur of goedvinden is overgelaten. Ge moogt niet als kerk op u zelve blijven bestaan. Ge moet in verband treden. En dan alleen verkeert ge in de onmogelijkheid dit te doen, zoo òf de overige kerken u afwijzen, òf haar wijze van bestaan in belijdenis, eeredienst of regeeringsvorm u dit belet. In de tweede plaats leid ik dezen plicht tot hereeniging af uit de historie, in zooverre alle Gereformeerde kerken in alle landen steeds deze vereeniging gezocht hebben, zooveel mogelijk zelfs met de geïnstitueerde kerken van alle landen. Juist daarom heet het stelsel van kerkrecht, dat onze vaderen invoerden, het synodale. En eindelijk volgt deze verplichting tot vereeniging m.i. rechtstreeks uit de concrete bepalingen van de kerkenordening van 1619. Dit is onbetwistbaar voor de Doleerende kerken, die niet door vrije keuze deze kerkenordening weer hebben ingevoerd, maar, in de continuatie van het oude instituut, nog steeds onder de heerschappij van deze nimmer afgeschafte en dus nog altoos geldende kerkenordening leven. Lijdt het nu geen tegenspraak, dat de kerkenordening van Dordrecht classicale en synodale vergaderingen instelt, en eischt dat op deze classicale en synodale vergaderingen alle geïnstitueerde kerken van Gereformeerde belijdenis

|64 Kerkrechtelijke gehoudenheid tot vereeniging|

saam verschijnen zullen, dan volgt hieruit, naar strikt recht, dat onze classicale en synodale vergaderingen niet zijn wat ze wezen moeten, zoolang er nog 300 à 400 geïnstitueerde Gereformeerde kerken, die één met ons in de belijdenis staan, niet bij zijn en afzonderlijk saamkomen. Uit dien hoofde houden de Doleerende kerken dan ook staande, dat haar classicale en synodale vergaderingen nog slechts een voorloopig karakter dragen, en dat de zedelijke autoriteit, waarover zulke vergaderingen beschikken moeten, dan eerst aanwezig zal zijn, zoo alle kerken van Gereformeerde belijdenis weer saamkomen op eenzelfde Synodale samenkomst. 

 

En wel staat het met de Christelijke Gereformeerde kerken eenigszins anders, maar toch ook zij kunnen dien eisch van ons Gereformeerde kerkrecht niet afwijzen, gelijk ze dien dan ook feitelijk hebben erkend. Het staat met haar anders. In tweeërlei opzicht. Ten eerste in zooverre zij als nieuwe formatiën niet rechtens onder de heerschappij van het Synodaal besluit van 1619 staan, maar door eigen keus en goedvinden den regel van deze kerkenordening als kerkdijken levensregel aanvaard hebben, en zich dus uitdrukkelijk voorbehielden daarvan slechts zooveel te houden, als niet in contra bepaald zou worden. En ten andere doordien deze kerken door het reglement van 1869 Synodale vergaderingen in het leven riepen, die een eenigszins ander karakter droegen, dan de Synodale vergaderingen in de kerkenordening van 1619 bedoeld. Want wel is ook mij het feit bekend, dat op hunne Synode ook een kerk drie vier gerepresenteerd zijn, die niet onder het reglement van 1869 leven, maar dit neemt niet weg, dat de rechtsgeldigheid der genomen besluiten dan ook voor deze kerken, òf geheel uit het reglement van 1869 voortvloeit, voorzoover ze berusten, òf wel van nul en geener waarde is, voor zoover ze op haar exceptioneel standpunt nadruk leggen. Zuiver in rechten geredeneerd kan men dus niet zeggen, dat de Christelijke Gereformeerde kerken gehouden zijn classicale of synodale vereeniging met ons te zoeken. Wij zijn dat in rechten wél; zij niet. Maar al is dit strikt genomen waar, toch mag niet voorbijgezien, dat bijna al deze kerken feitelijk niet anders bedoelen, dan om de Dordsche

|65 Kerkrechtelijke gehoudenheid tot vereeniging|

kerkenordening van 1619 uit te voeren. Bijna nooit wordt óf in haar kerkeraads- óf op haar classicale en synodale vergaderingen een beroep op het reglement van 1869 gedaan, en beroept men zich schier altoos op de kerkenordening van Dordt. Slechts als men bij den burgerlijken rechter moet komen, wordt het bijna vergeten reglement van 1869, op vermaan van den advocaat, voor den dag gehaald. Een notoir feit, dat niet mag voorbijgezien, en waaruit het zich zoo gereedelijk verklaart, hoevele dezer kerken van het geschil over het reglement van 1869 eigenlijk niets begrepen. Ze leefden er wel onder, maar ze kenden het vaak ganschelijk niet. En tot op voor korte jaren zouden m.i. stellig tweehonderd dorpskerkeraden in groote verlegenheid hebben verkeerd, zoo ge gevraagd hadt, dit reglement eens te mogen zien. Men bezat er zelfs geen exemplaar van. Rekent men dus niet met het formeel geldend recht, maar met het de facto geldend kerkrechtelijk bewustzijn in deze kerken, dan wilde men niet anders dan de kerkenordening van 1619 uitvoeren, en wist men niet beter of men deed dit. Maar dan volgt hier ook uit, dat deze kerken òf voortaan deze bedoeling zullen moeten opgeven, en alsnu opzettelijk de kerkenordening van 1619 op zij zouden moeten zetten, òf wel, dat zij ook harerzijds gehouden zijn, naar eisch van deze kerkenordening, dan eerst haar classicale en synodale vergaderingen als in moreelen zin rechtsgeldig te beschouwen, zoo ook de andere reeks geïnstitueerde kerken van Gereformeerde belijdenis met haar kerken saamvergadert.

Nu kan hier natuurlijk geen sprake van zijn zoolang de groep kerken, die zij geïnstitueerd hebben, door een afzonderlijken staatsrechtelijken band tot één corpus of lichaam verbonden zijn. Zoolang dit toch het geval is, kan de Synode der Christelijke Gereformeerde kerk nooit anders saamkomen dan als hoofd van dit ééne corpus of lichaam; en zou er voor de Doleerende kerken, zoo ze toch op deze vergaderingen verschenen, slechts uit voortvloeien, dat ze òf na verloop van eenigen tijd geoordeeld werden ipsis rebus et factis dit reglement van 1869 aanvaard te hebben, of wel dat de stemmen harerzijds uitgebracht niet golden. Het is bovendien in strijd met het grondbeginsel van het Synodale kerkrecht, dat de vergaderde

|66 Het reglement van 1869|

kerken voor een deel een corpus in het corpus vormen. Alle kerken, die saamkonien, moeten saamkomen als gelijk in rechten en gelijk in positie; en waar dit niet het geval is, is geen Gereformeerde Synode saam. De gelijkheid der kerken is voor het Gereformeerde kerkrecht grondbeginsel voor het kerkverband. Kwamen wij daarentegen Synodaal met de Christelijk Gereformeerde kerken saam, terwijl zij op haar Synode nog staatsrechtelijke qualiteit bezaten, en wij niet, dan zou onze wederzijdsche positie een geheel ongelijke zijn; en, als het er op aankwam, zouden alleen zij rechtsgeldig kunnen besluiten, terwijl onze stemmen in het water vielen.

Doch over dit punt kan de strijd dan ook als uitgestreden worden beschouwd. Mij althans is niemand bekend, die ook nog maar een poging zou willen wagen, om het reglement van 1869 voor de vierschaar van de beginselen, de historie en het ius constitutum van 1619 te verdedigen. En stellen we nu, dat dit reglement de wereld uitgaat, en we te staan komen voor geïnstitueerde kerken van Gereformeerde belijdenis, die met ons één in liturgie en taal zijn, en, zij het ook uit verschillenden hoofde, toch met ons de kerkenordening van Dordrecht als kerkelijken levensregel aanvaarden, dan hindert het niet, of deze plaatselijke instituten wel, en de onze niet naar de wet van 1853 als kerkgenootschappen erkend zijn. Immers zoo deze kerken dan niet anders dan plaatselijk met de Overheid handelen en aan die Overheid de kerkenordening van Dordrecht als haar eenig statuut presenteeren, dan verplicht deze kerkordening haar kerkrechtelijk, en laat ze van staatswege geheel vrij, om met andere geïnstitueerde kerken classicaal en synodaal saam te komen, en bindend te besluiten, zonder dat de conditie gesteld is, dat al deze andere kerken op gelijken voet als kerkgenootschappen moeten erkend zijn.

De bedenking, dat vrij lange jaren de afgevaardigden der Christelijke Gereformeerde kerken op deze aldus saamgekomen classicale en synodale vergaderingen de meerderheid zouden hebben en ons zouden overstemmen, mag tegen zoodanige vereeniging niet ais beletsel aangevoerd; en mist m.i. ook genoegzamen grond. Zoodra men toch eenmaal kerkelijk saamleeft, verliest metterdaad de zucht om wederzijds een eigen positie te

|67 Het reglement van 1869|

handhaven haar prikkel. En bovendien spreekt het toch vanzelf dat men om saam te komen zich eerst contractueel verbinden moet, en dat bij zoodanige verbintenis bepalingen worden gemaakt, waardoor al te stuitend misbruik van overmacht zou worden afgesneden. Maar ook al bleef er dan nog zeker het een en ander over, waaromtrent op de classicale en synodale vergaderingen kon gestreden worden, dan nog gaat het niet aan, de Christelijke Gereformeerden te verdenken van den boozen toeleg, om ons tot een reageeren tegen ons eigen beginsel te willen dwingen. Wat over en weder regel moet zijn, is geen wantrouwen maar vertrouwen. En men kent de Christelijke Gereformeerde kerken in haar geheelheid niet, zoo men waant dat er uit haar eigen midden, geen krachtig verzet van de beteren zou uitgaan, zoo ooit de ridderlijke broederzin bij enkelen hunner mocht tekort schieten.

Aangenomen dus dat eerlang het reglement van 1869 weggaat, en niet door eenig ander reglement, in wat vorm ook, voor het Genootschap, genaamd „de Christelijke Gereformeerde kerk”, vervangen wordt, zoodat we te doen krijgen met plaatselijk geïnstitueerde kerken, die alleen plaatselijk in verband met de wet van 1853 erkend zijn, dan is hiermee alle struikelblok weggenomen, dat aan de vereeniging van deze reeks geïnstitueerde kerken met onze reeks van geïnstitueerde kerken, classikaal en synodaal, in den weg zou kunnen staan. Dan gaan niet zij in ons, noch wij in hen op, want elke geïnstitueerde kerk blijft dan eene in zich zelve afgeronde eenheid, zoowel de nieuw geformeerde als de continuatie van de oude formatie; waarbij noch de eene noch de andere het nevens haar bestaande instituut, wat het stuk der onderscheidene formatie betreft, heeft te beoordeelen. Beide zijn geïnstitueerde kerken Christi van Gereformeerde belijdenis. Als zoodanig ontmoeten ze elkaar in contractueel kerkverband, naar uitwijzen van de beiderzijds aanvaarde Dordsche kerkenordening. Geen compromis alzoo, waarbij men beiderzijds de spitse der beleden beginselen afstompt, maar een ernstig onderzoek naar wat het Gereformeerde kerkrecht eischt, en een handelen in overeenstemming met die eischen, is de weg om tot het kerkelijk saamleven te geraken. 

|68 Geen aequivalent|

En nu zegge men niet, wat door onnadenkendheid zoo vaak aan de pen ontgleed, dat op die wijs de Christelijke Gereformeerden hun reglement hebben terug te nemen, en dat wij onzerzijds niets hebben op te offeren.

Want vooreerst zij opgemerkt, dat de Christelijke Gereformeerden voor hun reformatie reeds een verleden van een halve eeuw achter zich hebben; en krachtens dit verleden een gansche reeks van antecedenten bezitten; terwijl wij in dit werk der reformatie, als pas opgetredenen, nog geen historie achter den rug hebben. Ware onze reformatie even oud, dan zou er ook in onze historie ongetwijfeld een en andere band gelegd zijn, die, eer men vereenigen kon, onzerzijds moest ontbonden. Bij gemis aan historie echter kon zulk een band door ons nog niet gelegd worden; en alleen daarom kan er bij ons geen sprake zijn, om, bij wijze van aequivalent, ook onzerzijds iets uit den weg te ruimen. Een jonge en een oude firma kunnen daarin nooit gelijk staan.

Maar bovendien, heel deze voorstelling wijzen we af. Immers het reglement van 1869 te laten varen is niet het brengen van een offer; maar een koord van uw hals wegnemen, dat nu niet hindert, omdat er nog niemand aan trekt, maar dat, wierd het ooit stevig aangetrokken, een doodelijke strop zou blijken, die u elke vrije ademhaling ontnam.

Mits er over en weder niet door loven en bieden onderhandeld, maar naar de vaste lijnen van het Gereformeerde kerkrecht, in zijn tegenstelling én met het Roomsche én met het Sektarische stelsel gehandeld worde, zie ik dan ook niet in, hoe de actie beiderzijds, mits die doorga, anders dan op een zelfde punt, in één vrije Synodale vergadering zou kunnen uitloopen. Er zijn in den zin op blz. 41 aangeduid, zeer wel maatregelen te nemen, om te voorkomen dat, waar reeds een Gereformeerde kerkeraad geïnstitueerd is, geen tweede kerkeraad daarnaast optrede; mits men slechts niet eische, dat de leden van het oude instituut hun plicht tot reformatie van dit instituut verloochenen zullen. Op de vraag wie de membra completa (volle leden) van onze geïnstitueerde kerken zijn, is, naar de op blz. 55 aangegeven beginselen zeer wel te antwoorden, dat dit zijn alle leden van het oude instituut, die betuigden dat zij hun vroegere stipulatiën gestand deden; dat dit niet zijn die leden

|69 Geen aequivalent|

van het oude instituut, die feitelijk hun stipulatiën voor vervallen verklaarden en zich gedragen als leden van een nieuw opgericht Synodaal instituut; en dat dit nog slechts onbeslist is van die leden omtrent wier gezindheid dusver niets bleek; mits 

slechts vaststa, dat de kerkeraad zijnerzijds de gemaakte stipulatiën voor de leden van het oude instituut niet eigenmachtig als vervallen beschouwe. Van de opleiding die de dienaren des Woords zullen moeten ontvangen zwijg ik, naardien dit voor de Christelijke Gereformeerden geen quaestie van beginsel raakt, daar ze immers zich bereid verklaarden, ook de niet kerkelijk opgeleiden kerkelijk te examineeren. Deze oneffenheid kan dus alleen door nader onderzoek der historie en toetsing aan de beginselen gladgestreken. En voor zoover ik zien kan, ligt dan ook de eenige moeielijkheid in de taaiheid, waarmee een eens aangenomen reglement, gelijk dat van 1869, zich altoos verweert, eer het sterft.

Die taaiheid ligt niet in den onwil van Christelijke Gereformeerde zijde, om het los te laten, maar in de metterdaad reusachtige inspanning, die het zal kosten, om er van af te komen. Vooral onzerzijds rekene men hiermede. Het is toch volstrekt niet waar, wat vele doleerenden zich inbeelden, dat een eenvoudig besluit der Synode, om dit reglement buiten werking te stellen, hier volstaan kan. Zoo kan alleen spreken, wie nooit den aard en het wezen van een groep geïnstitueerde kerken heeft ingedacht. Immers het geldt hier het kerkverband, en dit kerkverband kan op Gereformeerd terrein niet anders dan door medewerking der plaatselijke kerken gewijzigd worden. Zoolang dus een «enigszins aanzienlijk aantal plaatselijke kerken nog weigerachtig blijft, om tot deze wijziging mede te werken, zal de meerderheid der kerken haar niet kunnen doorzetten, zonder het gevaar te beloopen, dat deze onwillige kerken zich op grond van het reglement maintineeren, en met dit reglement in de hand tegenover de meerderheid bij de Overheid en bij den rechter optreden; een geval waarin het te voorzien zou zijn, dat èn Overheid èn rechter de standhoudende groep in het gelijk zou stellen. Heel deze zaak moet dus van Christelijke Gereformeerde zijde uiterst behoedzaam worden aangevat; en men kan er niet in handelen

|70 Slotwoord|

eer men alom in zijn eigen kerken de overtuiging gevestigd heeft, dat de beginselen van onze Gereformeerde belijdenis, en de daarop gegronde kerkenordening van 1619, deze wijziging van het kerkverband gebiedend eischen. Hiervoor nu is in de eerste plaats herstel van het onderling vertrouwen noodig. En het is daarom, dat ik ook in dit vlugschrift een poging waagde, om het debat uit de laagte van het persoonlijk gekibbel en uit het tegenover elkander in batterij brengen van groote woorden en holle phrasen, zocht op te heffen tot de hoogte der beginselen, die steeds door onze Gereformeerde kerken èn tegenover Rome èn tegenover het Sektarisme, als het haar van Godswege toevertrouwde pand, verdedigd en heilig gehouden zijn. Vooral de persoonlijke verdachtmaking moet onder hen, die broederen in Christus zijn, de wereld uit, en de tijd moet komen, dat niemand het meer durft bestaan om de eerlijkheid van elkanders bedoelingen in twijfel te trekken. Tegen dat kwaad moet getoornd zonder sparen, tot het den giftigen kop niet meer waagt op te heffen. Al zulk verdacht maken van elkanders bedoeling is een zich aanmatigen van een kennis, die alleen den Kenner der harten toekomt, en in zijn strekking niet uit den Heiligen Geest, maar uit den Booze.

 

En toch blijft ons zondig hart voor het gevaar van die zonde blootstaan, zoolang men over en weer argumenteert en disputeert, zonder zich af te vragen, op wat wijs de beslissing van onze geschillen moet gevonden worden, en dus wat onze vaderen noemden de fontes solutionis niet heeft opgezocht. Moge de poging, die ik waagde om ten deze op den beteren weg te komen, met dien nuchteren zin ontvangen worden, waarmee ik haar aan het oordeel der wederzijdsche broederen onderwerp. Dan toch zal men van tweeën één doen: òf heilzame critiek oefenen om aan te toonen, dat ik hetzij de beginselen van ons Gereformeerd kerkrecht verkeerd geformuleerd heb, hetzij de daaruit afgeleide gevolgen niet logisch trok; òf wel, acht men dat ik én in hoofdzaak de beginselen niet onjuist stelde én daaruit bondige gevolgtrekkingen afleidde, zoo zal men beiderzijds zich in de door mij aangeduide richting opmaken naar het voorgestelde doel.

|71 Slotwoord|

Want wel spreekt het vanzelf, dat alleen Christus onze Koning ons door de inwerking van den Heiligen Geest saam kan brengen; en daarom moet elke vereeniging op kerkelijk gebied een vrucht der gebeden zijn. Maar wie het bidden verstaat, gelijk Gereformeerde Christenen dat begrijpen, diens smeeking zal opgaan, niet alleen om de inwerking van den Heiligen Geest op het gemoed, maar even beslist om het licht van den Heiligen Geest in ons denken. En overmits nu alle goed gebed onderstelt, dat men ook de hand aan den ploeg sla, en geen beginsel zelfs van handelen in zake de geïnstitueerde kerk zonder een oordeel des verstands bestaanbaar is, kan toch het gebruikmaken van de middelen, die tot een juist en bondig oordeel leiden kunnen, door niemand gewraakt worden. Een dier middelen nu is, buiten tegenspraak, de kennisse van ons Gereformeerd kerkrecht, gelijk dit, ten prijs van het kostelijkst bloed, op de Hiërarchie van Rome en het Sektarisme der Wederdoopers veroverd is, en uit dien hoofde durft ook deze mijne bijdrage tot de juister kennisse van dit kerkrecht op de waardeering der broederen, en op een van mijn God afgebeden zegen, hopen.

 

Amsterdam, 16 September 1890.

Kuyper, A. (1890d) Inh

|72|

 

Inhoudsopgave.

 

I. De geïnstitueerde kerk — 1-21
 Inleiding — 4
 Het Roomsche stelsel — 6
 Het Gereformeerde stelsel — 7
 Het ontstaan der geïnstitueerde kerk — 9
 Het voortbestaan der geïnstitueerde kerk — 13
 Het naast elkander bestaan van meerdere geïnstitueerde kerken in een zelfde plaats — 17
 Het uittreden uit een geïnstitueerde kerk — 19

II. De reformatie met opzicht tot de geïnstitueerde kerken — 21-42
 Het Roomsche stelsel — 22
 Het Gereformeerde stelsel — 23
 Het ambt der geloovigen — 25
 Twee wegen van reformatie — 30
 Reformatie door Separatie steeds ultimum remedium — 31
 Het Collegiale standpunt — 35
 Separatisme — 38
 Een tweede instituut naast een reeds aanwezig instituut — 40

III. De kerkrechtelijke, staatsrechtelijke en burgerrechtelijke gevolgen der beide reformatiën — 42-60
 Niet in geestelijken zin bedoeld — 42
 De gevolgen der Separatie — 43
  Kerkrechtelijk — 44
  Staatsrechtelijk en burgerrechtelijk — 48
 De gevolgen der Doleantie — 51
  Kerkrechtelijk — 51
  Staatsrechtelijk — 58
  Burgerrechtelijk — 59

IV. De vereeniging — 60-71
 Vereeniging of hereeniging? — 60
 Kerkrechtelijke gehoudenheid tot vereeniging — 62
 Van de Nederduitsche Gereformeerde kerken — 63
 Van de Christelijke Gereformeerde kerken — 64
 Het reglement van 1869 — 66
 Geen aequivalent — 68
 Slotwoord — 70