Bos, F.L. (1950)

De orde der kerk toegelicht met kerkelijke besluiten uit vier eeuwen
’s-Gravenhage
Uitgeverij Guido de Bres
1950

Bos, F.L. (1950) WV

|5|

Woord vooraf.

Aan verklaringen van de gereformeerde kerkorde ontbreekt het niet.
Het aantal kerkrechtelijke autoriteiten is in de twintigste eeuw niet onbelangrijk gestegen.
En men zou de vraag kunnen stellen, of de zoveelste toelichting der kerkorde niet beter achterwege kon blijven.
Vooral als de schrijver — wat hij bij dezen verklaart — niets nieuws en eigens te zeggen heeft.
En toch hoopt de schrijver met zijn bescheiden boekje aan ambtsdragers en allen die iets meer van de aloude orde der gereformeerde kerken willen weten, een dienst te doen.
Juist omdat hij niets nieuws en eigens te zeggen heeft, en niet de aandacht vraagt voor wat hij ervan denkt. Er zijn al te veel autoriteiten op dit gebied.
Laat de kerkelijke vergaderingen zèlf spreken.
Niet slechts de kerkelijke vergaderingen van de laatste vijftig jaren 1). Maar ook die uit vroeger eeuwen.
Dat heeft de schrijver willen doen.
Hij is, bij wijs van spreken, de gedrukte synodale acten uit vier eeuwen van gereformeerd kerkelijk leven doorgekropen, en heeft zodoende getracht de geest van de gereformeerde orde der kerk te leren verstaan.
En de besluiten, die hij kenmerkend vond en nuttig te weten ook nog voor deze tijd, heeft hij gaandeweg verzameld.
En tenslotte heeft hij die verzamelde besluiten naar de artikelen der kerkenordening gerubriceerd en ter wille van de goede orde in een eenvoudig raam gezet.
Het boekje is geen casuïstisch arsenaal geworden. Maar de erin opgetaste praktische wijsheid van eeuwen kan, in vrijheid gebruikt, dienstbaar zijn aan goed gereformeerd kerkelijk handelen in het heden.
Moge het alzo zijn.


1 Een aantal besluiten van de Gereformeerde Kerken (onderh. art. 31 K.O.) zijn ter voorkoming van verwarring met een sterretje (*) gemerkt.

Bos, F.L. (1950) Art. 1

|7|

Art. 1

Om goede orde in de gemeente van Christus te onderhouden zijn daarin nodig: de diensten; samenkomsten; opzicht der leer, sacramenten en ceremoniën; en christelijke straf; waarvan hierna ordelijk zal gehandeld worden.

Orde is in de gemeente van Christus nodig.

“Laat alles betamelijk en in goede orde geschieden. Want God is geen God van wanorde, maar van vrede” (1 Cor. 14: 40, 34).

Daartoe moet de kerk niet alleen de gehele wijze van dienst, die God van ons eist in zijn Woord, handhaven, maar mag zij zèlf ook als middel om die dienst tot zijn recht te laten komen, middelmatige ordebepalingen maken.

“Het is nuttig en goed, dat de regeerders der kerk zekere orde onder elkander instellen en verordenen tot onderhouding van het lichaam der kerk” (N.G.B. art. 32).

“Of men de artikelen der synode niet met getuigenissen der Schrifturen behoort te bevestigen?
Dit is onnodig omtrent die dingen die middelmatig zijn en de ordening der kerk aangaan.
Die niet middelmatig zijn heeft de synode alzo gesteld, dat zij die acht op de autoriteit van de H. Schrifturen gegrond te zijn” (Dordrecht 1578).

Inzake middelmatige aangelegenheden zal de kerk zich van alle nodeloze reglementering onthouden.

“Zo nemen wij dan alleen aan hetgeen geschikt is om eendracht en eenheid te bewaren en te voeden, en allen te houden in de gehoorzaamheid Gods” (N.G.B. art. 32).

“In alle aangelegenheden die krachtens hun aard middelmatig zijn en geen zeker fundament hebben in het onderricht of het voorbeeld der apostelen, noch eindelijk in enige noodzaak of onvermijdelijkheid gegrond zijn, moet de vrijheid der kerken door geen voorgeschreven regel worden aan banden gelegd, zowel om gewetensdwang te vermijden als om alle aanleiding tot onenigheden af te snijden” (Wezel 1568).

Bos, F.L. (1950) Art. 2

|8|

Art. 2.

De diensten zijn vierderlei: der dienaren des Woords, der doctoren, der ouderlingen en der diakenen.

De ambtelijke diensten zijn door den Heere ingesteld.

“En Hij — Christus — heeft ... (ambtsdragers) gegeven om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus” (Ef. 4: 11, 12).

“Wij geloven ... dat er dienaars of herders moeten zijn ...; dat er ook opzieners en diakenen zijn om met de herders te zijn als de raad der kerk ... Door dit middel zullen alle dingen in de kerk wèl en met goede orde toegaan ...” (N.G.B. art. 30).

De dienst der doctoren is slechts afgeleid, en draagt als zodanig een middelmatig karakter.

“De leraars — doctoren — hebben niet de leiding van de tucht, de bediening der sacramenten en de vermaningen en opwekkingen, maar alleen van de uitlegging van de Schrift, opdat de zuivere en gezonde leer onder de gelovigen behouden worde. Maar het herderlijk ambt sluit dit alles in zich” (Calvijn, Institutie IV. 3. 4).

Bos, F.L. (1950) Art. 3

Art. 3.

Het zal niemand, alhoewel hij een doctor, ouderling of diaken is, geoorloofd zijn de dienst des woords en der sacramenten te betreden, zonder daartoe wettelijk beroepen te zijn.
En wanneer iemand daartegen doet en meermalen vermaand zijnde niet aflaat, zo zal de classe oordelen of men hem voor een scheurmaker verklaren of op enige andere wijze straffen zal.

Roeping is een noodzakelijke voorwaarde voor ambtsbediening.

“Niemand matigt zichzelve die waardigheid aan, maar men wordt er toe geroepen door God” (Hebr. 5: 4).

“Zo moet zich dan een ieder wel wachten van door onbehoorlijke middelen zich in te dringen, maar is schuldig

|9|

te wachten op de tijd dat hij van God geroepen wordt. Opdat hij het getuigenis hebbe van zijn roeping, om zeker en gewis te zijn dat zij van den Heere is” (N.G.B. art. 31).

“Het is gans noodzakelijk, dat niemand tot de dienst des woords noch enige kerkelijke positie worde toegelaten zonder wettige roeping” (Wezel 1568).

Daarom is bevoegdheidsoverschrijding van andere ambtsdragers ook ongeoorloofd.

“Geen professoren in de theologie zullen mogen prediken noch de sacramenten bedienen, dan die tot de dienst des woords beroepen zijn” (Dordrecht 1578).

“Het komt den ouderlingen en diakenen niet toe te vermanen en te prediken naar de manier van het predikambt” (Enkhuizen 1581).

Bij gebrek aan ambtelijke dienst des woords roept de praktijk echter om noodvoorziening ten behoeve van de samenkomsten der gemeente.
Deze noodvoorziening heeft verschillende vormen aangenomen.
De oudste vorm — in de zestiende eeuw gebruikelijk — was die van eenvoudige schriftlezing.

“In de samenkomsten der gelovigen die op de zondag geen prediking hebben door middel van den dienaar, zal een ouderling het gebed doen en simpele voorlezing van wat de dienaar met de kerkeraad zal adviseren, zonder enige uitlegging noch beantwoording der vragen. En indien enigen in dezen overtreden, zal men tegen hen optreden naar de kerkelijke tucht” (Armentiers 1563).

Langzamerhand ontstond de goede gewoonte om een preek te lezen van een erkenden dienaar des woords.

“Opdat in gemelde (vacante) kerken de dienst niet gans desolaat zij, heeft men ... (den schoolmeester) toegelaten, dat hij op de zondagen de psalmen zingen, de in het kerkboek opgenomen gebeden, eveneens het oude en nieuwe testament, daarna ook preken van Bullinger aan de gemeente mag voorlezen” (Arnhem 1593).

|10|

“Het voorlezen ener predicatie zal, na behoorlijke voorbereiding, moeten geschieden onder toezicht van de kerkeraad, door een lid van de kerkeraad of een door hem aan te wijzen lid der gemeente.
In dit laatste geval opene een ouderling de dienst en doe de gebeden” (Rotterdam 1887).

“Er wordt op gewezen, dat het toezien en raadgeven in zake predikatiën die voorgelezen worden, vooral geschikt kan geschieden bij de kerkvisitatie door de classen” (Utrecht 1888).

In de negentiende eeuw kwam bij schrijnend gebrek aan predikanten de gewoonte op, om begaafde gemeenteleden — oefenaars of ook wel, met het oog op 1 Cor. 14, profeten genoemd — in de samenkomsten der gemeente een stichtelijk  woord te laten spreken.

“Onder profeten verstaan wij de zodanigen, die de gaven ontvangen om in de gemeente het Woord bekwamelijk uit te leggen tot stichting, vermaning en vertroosting, als broeders, en niet als dienaren des woords, die dit doen met macht en gezag” (Utrecht 1837).

“Een iegelijk, welke zich tot profeteren begeeft, wordt ernstig vermaand om zich nauwkeurig te onthouden van alles wat tot het openbare predikambt behoort, als daar is: het uitspreken van de zegen, de bediening der sacramenten en het gebruik maken der sleutelen” (Amsterdam 1836).

“De kerkeraden hebben nauwkeurig toe te zien, dat de ouderlingen of leden der gemeente die in sommige gemeenten voorgaan om dezelve te stichten, zich in het voorgaan niet gedragen alsof zij gezondene dienstknechten des Heeren waren” (Leiden 1857).

“Een oefenaar is altijd te beschouwen als een gemeentelid, die als broeder onder de broeders een stichtelijk woord spreekt, zonder dat hij het Woord kan bedienen met het aan het ambt verbonden gezag” (Leeuwarden 1890).

“Zulk een broeder is altijd te beschouwen als een gemeentelid, wien het enkel vergund is om als een broeder onder de broeders een stichtelijk woord te spreken in de kerk of kerken, in welke hem de bevoegdheid is gegeven op te treden” (Arnhem 1930).

|11|

“De aanvrage tot onderzoeking van een broeder om als oefenaar toegelaten te worden moet steeds uitgaan van een bepaalde kerk, die zulk een onderzoek vraagt te haren behoeve, en wel bij de eigen classis, binnen welke die kerk ressorteert.
Die classis kan aan zulk een broeder ook wel de bevoegdheid geven om in een andere kerk die dit begeert, op te treden, mits niet buiten haar eigen ressort.
Indien een kerk buiten die classis de dienst van zulk een broeder mocht begeren, zal de classis van die kerk te beoordelen hebben, of en op welke wijze zij den bedoelden broeder opnieuw zal onderzoeken; doch hij heeft in geen geval de bevoegdheid in enige kerk op te treden dan met consent der classis, binnen welke zulk een kerk ressorteert” (’s-Gravenhage 1914).

Ofschoon het geslacht der oefenaars thans is uitgestorven, houden de voornoemde besluiten goeddeels hun betekenis, omdat zij ook dienstig zijn om het voorgaan van candidaten en studenten te karakteriseren.
Ook het optreden van proponenten immers mist elk ambtelijk karakter, en staat als noodvoorziening op één lijn met het spreken van een stichtelijk woord door oefenaars.
Intussen dient wèl in het oog gehouden te worden, dat het eigenlijke doel van hun optreden niet is een noodvoorziening voor de samenkomsten der gemeente, maar hun eigen oefening en beproeving.
Vroeger mocht een candidaat, althans vooralsnog, niet publiek optreden zonder contrôle van professoren of predikanten.

“Aan geen proponent zal voortaan toegelaten worden te prediken, dan in tegenwoordigheid van enige professoren of tenminste een dienaar des woords en ouderlingen, bekwaam om over het voorstel of de preek te oordelen en den proponent naar gelegenheid te onderrichten; ook niet dan met voorgaande verklaring aan de gemeente der plaats waar de predikatie gedaan wordt, dat dit geschiedt alleen ter wille van de oefening van den proponent” (Delft 1596).

“De proponenten moeten de tijd van twaalf maanden hun propositiën houden in tegenwoordigheid van deputaten of een deputaat van de classis, of hun preekvoorstellen

|12|

schriftelijk inleveren, aleer zij mogen beroepen worden tot de dienst” (Utrecht 1634).

“(Praeparatoir geëxamineerde candidaten) zullen gedurende een geruime tijd, ter kennis van de classis, niet openbaar voor de gemeente mogen preken, tenzij de predikant tegenwoordig zij en de ganse actie of zaak regere” (K.O. v. Drente 1638).

Om na behoorlijke oefening zonder directe contrôle van een predikant te mogen preken, behoefden de candidaten toch nog de uitdrukkelijke toestemming van de betreffende classikale vergadering.

“Den classen zal de vrijheid gelaten worden om de studenten die met voorgaand examen tot de propositie aangenomen zijn en een redelijke tijd lang alzo geoefend zijn geweest, te autoriseren, dat zij openlijk voor het volk zouden mogen preken, behoudens dat geschikte beperkingen getroffen worden, die de hierbij te vrezen zwarigheden met stichting wegnemen” (Veere 1610).

“Zo ter plaatse alwaar de predikatie geschieden moet, geen kerkedienaar ware of deze noodzakelijk afwezig moest zijn, zullen in dat geval de proponenten niet tot de openbare prediking toegelaten worden ten ware dat zulks geschiedde met voorweten van de betreffende classis” (Veere 1610).

“Op vacante plaatsen zullen geen proponenten worden gehoord noch op de stoel toegelaten, tenzij deze daartoe vanwege de classis toestemming ontvangen” (Zwolle 1615).

Al wil men dergelijke besluiten niet vernieuwen, een zekere contrôle blijft gewenst.

“Aangezien deze oefening geschiedt, niet alleen opdat hun voortgang aan de gemeente te beter bekend zoude worden, maar ook opdat zij metterdaad zouden vorderen, zal de kerkeraad der plaats waar zij gepreekt zullen hebben ... vermogen om na de gedane predikatie hen aan te wijzen wat tot hun verbetering dient” (Veere 1610).

“Het met goed gevolg afgelegd praeparatoir examen geeft de bevoegdheid om gedurende één jaar in de kerken te proponeren.
Drie maanden vóór het verstrijken van deze termijn kan de betrokkene — indien hij verlenging van die

|13|

bevoegdheid wenst — onder mededeling van de gronden voor zijn verzoek en onder overlegging van zijn attestatie van de kerk of kerken, waartoe hij sedert zijn praeparatoir examen behoorde, zich wenden tot de classis die hem examineerde, opdat deze, indien zij de gronden voldoende oordeelt en er verder geen bezwaren bestaan, den candidaat opnieuw voor één jaar verlof verlenen om in de kerken te proponeren” (Groningen 1927).

Overigens behoort het niet-ambtelijk karakter van hun optreden duidelijk gemarkeerd te blijven.

“Zij zullen zich niet aanmatigen om de sacramenten te bedienen tot de tijd toe dat zij volkomen beroepen en bevestigd zijn” (’s-Gravenhage 1586).

“Hun wordt verboden de sacramenten te bedienen en huwelijken te bevestigen” (Veere 1610).

“Proponenten zullen op vacante plaatsen niet catechiseren, en op andere plaatsen niet anders dan met advies van den predikant en onder het opzicht van de kerkeraad” (’s-Gravenhage 1663).

Het in tijden van candidatenovervloed in het leven geroepen hulppredikerschap moet dan ook voor vacante plaatsen totaal onaanvaardbaar geacht worden. Ook overigens dienen sterke beperkingen aan het gebruik van deze hulpdienst te worden opgelegd.

“Voor de „hulpprediker” kan geen ambtelijke positie gevonden worden, maar behoeft ook niet te worden gezocht.
Deze hulpdienst kan — echter meer bij wijze van uitzondering dan als regel — in bijzondere gevallen zeer goed worden benut; met dien verstande, dat de „hulppredikers” als „helpers” in opdracht en onder leiding en toezicht van de kerkeraad arbeiden.
Er dient ernstig tegen te worden gewaakt, dat het „hulppredikerschap” zou gebruikt worden, om arbeid die de volle werkkracht van een dienaar des woords vraagt, tegen geringer vergoeding verricht te krijgen” (Middelburg 1933).

“De synode besluit geen conclusies over de zaak van het hulppredikerschap vast te stellen, maar haar instemming te betuigen met de in het rapport gegeven richtlijnen.

|14|

(Rapport:) ... Steeds dient scherp in het oog te worden gehouden, dat de „hulpprediker” geen ambt vervult en dus geen ambtelijke bevoegdheden heeft, welke alleen aan den wettigen dienaar des Woords toekomen ... Catechiseren, krankenbezoek, huisbezoek, evangeliseren zijn (echter) geen ambtelijk werk in die zin, alsof dit alleen uitsluitend door een ambtsdrager, predikant of ouderling mag geschieden, zoals uit de historie onzer kerken blijkt, die catechiseermeesters, ziekentroosters, voorlezers aanstelden ... Het zijn hulpdiensten, die daarom aan den proponent mogen worden opgedragen ...” (Sneek-Utrecht 1940-’43).

“De Synode spreekt uit:
1. dat het hulppredikerschap — als hiervoor omschreven 1) — temeer wijl het niet in onze kerkenordening genoemd wordt, dient te verdwijnen.
2. dat, indien een kerk niet volledig zou kunnen voorzien in de honorering van een dienaar des woords, het de roeping van de zusterkerken is, zulk een kerk als hulpbehoevende kerk ter zijde te staan, met in acht neming van het in art. 11 K.O. bepaalde” (Enschede 1945).*

1) Dit slaat terug op de volgende zinsneden van het rapport ter zake:
“Uw commissie verstaat onder hulppredikerschap de arbeid van een theol. candidaat of student, die hij zonder wettige beroeping verricht, en welke uitsluitend behoort te geschieden door een dienaar des woords.
Indien er een student of theol. candidaat is, die onder leiding van een predikant zich praktisch wil voorbereiden tot de dienst des woords, dan zal zulk een persoon naar het oordeel van uw commissie niet mogen worden genoemd „hulpprediker”, en zal men hem ook zelfstandig geen ambtelijke arbeid mogen laten verrichten. Tegen zulk handelen van een student of theol. candidaat richt zich dit rapport niet.”

Het publiek “preken” van studenten stuit op nog groter bezwaren, en is door de kerken, behoudens tijdelijke concessies, afgewezen.

“Geen proponenten zullen de gemeente openbaar van de preekstoel leren, dan die wettig ... op de classis geëxamineerd en bekwaam geoordeeld zijn” (’s-Gravenhage 1586).

|15|

“Geen student, uit de school komende, zal zich onderwinden te prediken, zonder tenminste voorlopig (d.i. praeparatoir) door de classis geëxamineerd en toegelaten te zijn” (Haarlem 1606).

“Studenten kunnen en mogen uit de aard der zaak niet de dienst des woords uitoefenen.
Proposities kunnen door hen eerst gehouden worden, nadat zij, na het met goede uitslag afgelegd praeparatoir examen, daartoe van de kerken het recht hebben ontvangen” (Middelburg 1896).

“Aan studenten in de theologie die nog geen praeparatoir examen voor de classis deden, zal het optreden voor de gemeente niet meer worden toegestaan” (Amsterdam 1908).

“Voortaan moet de candidaat bij het praeparatoir examen ook overleggen een schriftelijke verklaring, dat door hem dit verbod na deze synode niet is overtreden, bij gebreke waarvan de classis zijn examen voor minstens drie maanden opschorten zal” (’s-Gravenhage 1914).

Toen uit nood de kerken het “preek”-verbod voor studenten tijdelijk buiten werking stelden, werden verschillende nood-regelingen getroffen.

“De synode besluit uit te spreken ..., dat een classis die het voor haar ressort dringend nodig acht, vrijheid wordt gegeven (om) ouderejaars-studenten, zowel binnen als buiten eigen ressort woonachtig, en die blijkens getuigenis van hun kerkeraad en hoogleraren daarvoor in aanmerking komen, op te roepen zich aan een onderzoek te onderwerpen, om na te gaan of zij geschikt zijn een stichtelijk woord te spreken, en bij gebleken geschiktheid toestemming daartoe te verlenen binnen het ressort der classis” (Utrecht 1946; Zwolle 1946).

De synode besluit:
“Alleen “preek”-consent te verlenen aan studenten welke geen colleges meer behoeven te volgen.
Het onderzoek te doen geschieden door de classis waartoe de kerk behoort, waarvan de betreffende student belijdend lid is. Bij de aanvrage dient een attest van leer en leven van zijn kerkeraad te worden overgelegd.
Het classikaal onderzoek geschiede overeenkomstig de volgende regeling:
a. De betrokken student geve, door een op de classis voor te dragen preekvoorstel, blijk van geschiktheid tot het spreken van een stichtelijk woord voor de gemeente.

|16|

b. De classis stelle een onderzoek in naar de kennis van de hoofdzaken van de gereformeerde geloofsleer.
c. Wanneer het onderzoek bevredigend verloopt, wordt aan den student een schriftelijk “preek”-consent verleend voor de tijd van een half jaar, welk consent door de classis telkens met een half jaar kan worden verlengd” (Groningen 1946).*

“De generale synode ... overwegende, dat het gebleken is, dat de studenten in de theologie, aan wie, krachtens het besluit van de generale synode van September 1946 consent is verleend om een stichtelijk woord in de kerken te spreken, door het vele preken ernstig belemmerd worden in de voltooiing van hun studie voor het candidaatsexamen, besluit op bovengenoemd besluit terug te komen en de regelingen te handhaven, die vastgesteld zijn door de generale synode van Amsterdam 1908 en van ’s-Gravenhage 1914” (Zwolle 1947).

Bos, F.L. (1950) Art. 4a

Art. 4a.

De wettelijke beroeping dergenen die tevoren in de dienst niet geweest zijn, zowel in de steden als ten platten lande, bestaat:
Ten eerste, in de verkiezing, dewelke na voorgaande gebeden geschieden zal door de kerkeraad en de diakenen, met onderhouding van de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door de kerkeraad vastgesteld is, en van de kerkelijke ordinantie, dat alleen diegenen voor het eerst tot de dienst des woords kunnen beroepen worden, die door de classe waarin zij wonen, praeparatoir geëxamineerd zijn; en voorts in kerken met niet meer dan één dienaar ook met advies van de classe of van den hiertoe door de classe aangewezen consulent, waar zulks tot nog toe gebruikelijk is geweest.

Een kerkelijk vóóronderzoek naar de geschiktheid van hen die staan naar het ambt van dienaar des woords is van den beginne gewenst geacht, al nam men in verschillende ressorten gedurende kortere of langere tijd met een academisch getuigschrift genoegen.

“De studenten, die men zending verlenen zal, moeten voortaan zijn onderzocht en geëxamineerd door de dienaren der synode, om te weten te komen of zij geschikt

|17|

zullen blijken te zijn om zich te gelegener tijd van hen te bedienen” (“Teurs” 1563).

Voor dit praeparatoir examen gelden thans de navolgende regelen:

“a. Het praeparatoir examen moet met goed gevolg zijn afgelegd om in een onzer kerken beroepbaar te zijn.

b. Het praeparatoir examen wordt afgenomen door de classe, waarin de examinandus zijn domicilie heeft. Door de classe wordt het afgenomen binnen drie maanden na de aangifte, en voor zoveel zij dit wenst, onder medewerking van examinatoren, die zij van elders daartoe uitnodigt.

c. Bij een praeparatoir examen dat door de classe wordt afgenomen, moet aldaar vooraf ter tafel zijn:
1. bewijs van met goede uitslag afgelegd candidaatsexamen bij de ... Theol. (Hoge)school;
2. attestatie van de kerk of kerken, tot welke de examinandus de laatste twee jaren behoorde;
3. een schriftelijke verklaring van den examinandus, dat hij zich gehouden heeft aan de regeling betreffende het optreden van studenten voor de gemeente.

d. Voor het praeparatoir examen van een examinandus, die niet gestudeerd heeft aan de Theol. (Hoge)school ... zullen de volgende regelen gelden:
1. de examinandus wendt zich tot de classis, onder welke hij ressorteert;
2. indien de aanvrager goede getuigenis heeft aangaande leer en leven, richt de classis tot de hoogleraren der Theol. (Hoge)school ... het verzoek, hem te examineren in de vakken van het candidaatsexamen; reis- en verblijfkosten der hoogleraren zullen door de gen. synode worden vergoed;
3. de hoogleraren voldoen aan dit verzoek op zodanige tijd en plaats als zij oorbaar zullen achten, doch in elk geval binnen drie maanden;
4. de hoogleraren geven, bij gunstige uitslag, hiervan een getuigschrift aan den geëxamineerde;
5. de classis onderwerpt, in haar eerstvolgende vergadering, na overlegging van bedoeld getuigschrift, den candidaat op de gewone wijze aan het praeparatoir examen.

e. Bij het praeparatoir examen wordt onderzoek gedaan naar het volgende:
1. geschiktheid voor de prediking; waartoe de

|18|

examinandus een acht dagen van tevoren door hem ingeleverde korte leerrede, over een veertien dagen tevoren aan hem opgegeven tekst, voor de classe uitspreekt;
2. bekwaamheid in de uitlegging van de Heilige Schrift volgens de grondtekst; waartoe minstens veertien dagen tevoren aan den examinandus één hoofdstuk uit het Oude Testament en één uit het Nieuwe Testament worden opgegeven;
3. kennis van de leerstellige godgeleerdheid.

f. Bij gunstige afloop van het praeparatoir examen moet de examinandus beloven, bij zijn optreden voor de gemeente niets te zullen leren, dat niet in overeenstemming is met de belijdenis onzer gereformeerde kerken, en wordt hij daarna als proponent beroepbaar gesteld, waarvan hem acte verleend wordt.

g. Het praeparatoir examen wordt kosteloos afgenomen wanneer het samenvalt met een gewone vergadering; anders worden door den examinandus de kosten vooraf bij de classe gestort, tot het door deze te bepalen bedrag, hetwelk echter de som van f 50.— niet mag te boven gaan; bij gemis van het sub c. 1. vermelde bewijs moeten de kosten die daaruit voortvloeien, altijd vergoed worden, waarvoor f 25.— te storten is” (Amsterdam 1892; Arnhem 1902; Leeuwarden 1920; Groningen 1946).

Bij dit examen behoort ook nog een onderzoek te worden ingesteld naar de beweegredenen om te staan naar het ambt.

“De generale synode geeft er voorkeur aan 1), om het onderzoek naar de beweegredenen, die een examinandus geleid hebben tot het staan naar het ambt van dienaar des woords, bij het praeparatoir examen te doen plaats hebben” (Arnhem 1902).

1) Deze voorkeur had blijkens verworpen amendementen en tegenvoorstellen zowel betrekking op de gelegenheid van dit onderzoek — bij het praeparatoir of bij het peremptoir examen —, als op het onderzoek zèlf.

“Reeds bij de aanvrage van het praeparatoir examen zullen de deputaten ad examina een onderzoek instellen naar de beweegredenen van de examinandus. Alleen indien hierover een bevredigend rapport wordt uitgebracht, zal de classis het examen toestaan” (’s-Gravenhage 1949).

|19|

Daar het God is, die door middel van zijn organen tot het ambt roept, mogen bij de verkiezing voorgaande gebeden nimmer nagelaten worden.

“Wij geloven, dat de dienaars van het woord Gods, ouderlingen en diakanen, tot hun ambten behoren verkoren te worden ... met aanroeping van de naam Gods …” (N.G.B. art. 31).

“De ernstige gebeden, tot deze handel dienstig, zullen nimmermeer nagelaten worden” (Dordrecht 1578).

“Het zal vrij zijn het vasten bij het bidden te voegen, en de gemeente, tot vurige gebeden opgescherpt zijnde, zal ook tot het vasten mogen vermaand worden, zonder nochtans deswege iemand enige wet op te leggen” (Veere 1610).

Bij de roeping tot het ambt maakt de Heere gebruik van de dienst van zijn gemeente.
Hoezeer daartegen ook in de loop der eeuwen is gezondigd: dat de verkiezing kerkelijk moet geschieden is een kerkrechtelijk beginsel van de eerste orde.

“Wij geloven dat ... (de ambtsdragers) ... behoren verkoren te worden door wettige verkiezing der kerk” (N.G.B. art. 31).

“Daar wij verenigd zijn met de geest en de strekking onzer vaderen, die het patronaatsrecht nooit met gewilligheid, maar door noodzaak aangenomen hebben, zo verwerpen wij hetzelve, zowel als alle wereldlijke macht in of over de kerk” (Arnsterdam, 1840).

Deze kerkelijke verkiezing behoort te geschieden onder de leiding van het bijzondere ambt.

“Ik heb u (Titus) op Creta achtergelaten met de bedoeling, dat gij ... zoals ik u opdroeg, in alle steden als ouderlingen zoudt aanstellen mannen die onberispelijk zijn…” (Tit. 1: 5).

“De Synode wijst er op, dat in zake de beroeping de verantwóórdelijkheid èn tegenover de gemeente zelve, èn tegenover de andere kerken, èn tegenover den Heere, altijd alleen op de kerkeraad rust” (Utrecht 1888).

Ofschoon de kerkorde in dezen geen speciale uitspraak

|20|

doet, doch alleen daarvoor ruimte laat, moet de actieve medewerking der gemeente aan de verkiezing noodzakelijk worden geacht.

“Ziet dan uit, broeders, naar zeven mannen onder u, die goed bekend staan, vol van Geest en wijsheid, opdat wij (apostelen) hen voor deze taak aanstellen .... En dit voorstel vond bijval bij de gehele menigte, en zij kozen ... (zeven mannen) ...; dezen stelden zij aan de apostelen voor…” (Hand. 6: 3, 5, 6).

“Wij geloven, dat ... (de ambtsdragers) ... behoren verkoren te worden door wettige verkiezing, met ... keurstemmen der kerk” (N.G.B. art. 31, red. v. 1562).

“Dat de kerkeraad, aan welke altijd de beroeping blijft, der gemeente gelegenheid geve zich uit te spreken en met haar begeerte rekene, is noodzakelijk. De wijze waarop is afhankelijk van de vraag, wat het meest ter stichting zal kunnen dienen en overeenkomstig de plaatselijke toestanden is” (Utrecht 1888).

Over het algemeen mag het wenselijk geacht worden, dat de reeds in de Londense vluchtelingengemeente bekende praktijk wordt gevolgd, dat uit de gemeente candidaten voor de z.g. groslijst worden opgegeven.

“De opzieners zullen, wanneer zij tot het voorstellen van bepaalde personen overgaan, vooraf aan de gemeente vragen of zij ook iemand kunnen aanwijzen” (Huish. Regl. 1839).

De kerkeraad stelle daarna indien enigszins mogelijk een meervoudig tal op van zijns inziens geschikte personen, en biede aan de gemeente gelegenheid om daaruit een keuze te doen.
Deze aloude, gedurende lange tijd verdrongen, maar nimmer geheel uitgebannen en sedert de Afscheiding weer algemeen toegepaste regeling handhaaft de volle verantwoordelijkheid van de kerkeraad, terwijl zij ook aan de schriftuurlijke invloed der gemeente recht laat wedervaren.

“Opdat aan de ouderlingen niet al te veel heerschappij en vrijheid van handelen tegenover het volk worde gelaten, moet indien enigszins mogelijk een dubbel getal

|21|

van door hun rijpe keuze gekeurde en beproefde lieden aan het volk met name worden voorgesteld, waaruit vervolgens het door persoonlijke keurstemmen verkozen halve deel tot de uitoefening der bediening worde toegelaten” (noodregel, Wezel 1568).

“De wettige beroeping tot het herder- en leraarsambt geschiedt door de gemeente. De kerkeraad met de gehele gemeente vergaderd zijnde, zal men beginnen met den Heere aan te roepen, opdat de harten tot een goede keuze geneigd worden, waarna de mansledematen der gemeente hun stemmen zullen uitbrengen” (Amsterdam 1836).

“Indien bij een eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid op zich verenigd heeft, moet er dadelijk tot een tweede stemming worden overgegaan uit diegenen welke de meeste stemmen op zich verenigd hebben” (Huish. Regl. 1839).

“Bijaldien de stemmen staken, zal het lot, als een in Gods Woord aangewezen beproeving, beslissen” (K.O. v. Utrecht 1837).

De vraag of aan de zusters der gemeente terecht het stemrecht is ontzegd, wordt hierdoor beslist, of deze medewerking aan de verkiezing van ambtsdragers al dan niet in strijd geacht moet worden met de door God gewilde ondergeschikte positie van de vrouw in de gemeente.

“Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet vergund te spreken, maar zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de wet zegt” (1 Cor. 14: 34).

“De generale synode, van oordeel,
dat de verkiezing tot het ambt door de leden der gemeente niet het karakter draagt van advies, maar een daad van algemene regeermacht is, wel te onderscheiden van de bijzondere regeermacht, welke door Christus aan het bijzondere ambt der opzieners is opgedragen;
dat weliswaar ook de approbatie, waarvan de vrouwen niet zijn uitgesloten, tot deze algemene regeermacht der gelovigen behoort, maar dan met dit onderling verschil in karakter, dat de gemeente bij de verkiezing uitspreekt, wie zij als ambtsdragers begeert, terwijl de approbatie bestaat in het al of niet goedkeuren der gekozen personen;

|22|

dat daarom uit het feit, dat het ambt der gelovigen aan de vrouw in de kerk evenzeer toekomt als aan den man, niet volgt dat zij ook aan de verkiezing tot het ambt mag deelnemen;
dat voorts het overtuigend bewijs, dat de Schrift het vrouwenkiesrecht eist, niet is geleverd, maar de gegevens, welke zij ons biedt, veeleer daartegen dan daarvoor schijnen te pleiten;
besluit aan de vrouwelijke lidmaten der gemeente het kiesrecht in de kerk niet toe te kennen” (Arnhem 1930).

Het oorspronkelijk noodzakelijk geachte directe toezicht van het kerkverband op de verkiezing van dienaren des Woords is thans terecht facultatief gesteld.
Dit toezicht van het kerkverband wordt sedert de tweede helft van de zeventiende eeuw uitgeoefend door eerst twee, later één naburige predikant, die door de classis als consulent, d.i. raadsman, aan de betreffende vacante gemeente is toegewezen.

“(De consulenten) die over de beroeping staan, zullen met alle voorzichtigheid naar voorkomende omstandigheden toezien dat alles naar orde verloopt, maar zij moeten zich bij de beroeping louter passief gedragen, leiding geven, maar geen pressie uitoefenen” (Cl. Deventer, April 1659).

“De vergadering oordeelt het nodig en nuttig, dat de classen de herderloze gemeenten verdelen onder de leraars, opdat zij met dezelve zullen consuleren; en de leraren zijn gehouden met raad en daad de gemeenten bij te staan, als ook het opzicht over dezelve te houden en bij het beroepen van een leraar tegenwoordig te zijn” (Groningen 1846).
(Inlassing na “bij te staan”:) “in die zaken, waarin de kerkeraden hun raad en hulp inroepen” (Zwolle 1882).

“De classen zullen de herderloze gemeenten onder de leraars verdelen, opdat zij met hen consulteren; en de leraars zijn gehouden om met raad en daad die gemeenten bij te staan in die zaken, waarin de kerkeraden hun raad en hulp inroepen, en bij het beroepen van een leraar tegenwoordig te zijn” (Assen 1888).

“De vergadering spreekt uit, dat de dienaren des Woords, die naar aanwijzing der classikale vergadering namens de kerken waarin zij dienen vacante kerken als

|23|

consulenten bijstaan, slechts een raadgevende stem hebben in de kerkeraad. Kerkeraden kunnen ook zonder hen vergaderen; echter blijft het in het belang der kerk zelve altijd geraden, zoveel mogelijk in overleg met de consulenten te handelen” (Rotterdam 1887).

“Bij het advies der classis, in art. IV en V der K.O., komt ook in aanmerking de vraag, of de beroepende kerk in staat is den beroepen leraar naar eis van Gods Woord te onderhouden” (Dordrecht 1893).

Na de vaststelling van de uitslag der verkiezing voert de kerkeraad de beroeping uit door middel van een beroepsbrief, waarin een zekere bedenktijd wordt gesteld.
Eigenmachtig bedanken is voor een candidaat ongeoorloofd.

“De beroeping wordt ten uitvoer gelegd door de kerkeraad” (Huish. Regl. 1839).

“De synode, oordelende dat het onwelvoegelijk is dat een predikant of candidaat de gemeente die hem roept, lang ophoude, besluit, dat een predikant niet langer dan drie, en een candidaat niet langer dan zes weken een beroep in overweging zal mogen houden, terwijl het beroep als vervallen beschouwd wordt zo het langer dan drie of zes weken in bedenking gehouden wordt” (Groningen 1872).

“De theologische candidaten die tot de kerkedienst toegelaten zijn en door een gemeente wettig beroepen worden, zullen op eigen hand zonder advies van de broederen van de classis, die hun redenen zullen overwegen, de gepresenteerde beroepingen niet mogen afslaan.
Indien zulks nochtans mocht geschieden, zullen zij daarover vanwege de classis gecensureerd worden. En het zal de gemeenten vrijstaan hun beroepingen zelf voor de classis te brengen, en als ’t hun goeddunkt, met reden op de voorgaande beroeping te blijven staan” (Harlingen 1617).

Bos, F.L. (1950) Art. 4b

Art. 4b.

Ten andere, in de examinatie of onderzoeking beide der leer en des levens, dewelke staan zal bij de classe,

|24|

aan welke de beroeping ter approbatie is voor te stellen, en geschieden zal ten overstaan van de gedeputeerden der particuliere synode of enige derzelven.

Met de verkiezing is het beroepingswerk niet ten einde. Daarop moet het onderzoek naar de vereisten voor het ambt volgen.

“Leg niemand overijld de handen op” (1 Tim. 5: 22).

“Laat ook dezen eerst een proef doormaken, om daarna, als er geen klachten zijn, hun dienst te vervullen” (1 Tim. 3: 10).

“Men zal overal toezien, dat bekwame personen tot de dienst des goddelijken Woords beroepen worden. En daarom zal men niemand tot dezelve dienst beroepen dan degenen die men genoegzaam beproefd heeft, dat ze rein in de leer en oprecht van leven zijn, met gaven om anderen te onderwijzen versierd, en een goed getuigenis binnen en buiten de gemeente hebbende” (Dordrecht 1578).

Principiëel ligt de onderzoeking voor de verantwoordelijkheid van de kerkeraad die de beroeping uitbrengt.

“(Zonder geregeld kerkverband) kan (het onderzoek) niet dan in de raad van elke kerk afzonderlijk worden afgedaan” (Wezel 1568).

“De opzieners der gemeente hebben altoos het recht om een verkorene voor deszelfs bevestiging te onderzoeken. Indien er echter iemand verkoren is, die niet reeds in zulk een bediening werkzaam is geweest, moet dat onderzoek altoos aan de bevestiging vooraf gaan” (Huish. Regl. 1839).

“De onderzoeking zal door dezelfden geschieden, bij dewelken de beroeping staat” (Dordrecht 1578; idem Middelburg 1581, ’s-Gravenhage 1586).

Uit praktische overwegingen biedt het kerkverband daarin naar goede orde de helpende hand.
Het kerkverband oefent daarbij tevens zijn met de erkenning van de ambtelijke bediening door alle verbonden kerken samenhangend recht van approbatie uit, d.i. het recht om de uitgebrachte beroeping al dan niet goed te keuren.

|25|

“De dienaars zullen openlijk in de classikale vergadering geëxamineerd worden” (Dordrecht 1574).

“Dewijl men bevindt, dat er bijzondere doortraptheid bevonden wordt bij sommigen, die zich tot de kerkedienst aanbieden en in het examen de rechtzinnigen met dubbelzinnige woorden zoeken te verkloeken (d.i. erin laten lopen), om hetwelk te keren en te weren alle voorzichtigheid van node is, — komt de vergadering overeen, dat de classen van nu voortaan in het examineren en aannemen van nieuwe aankomende predikanten de respectieve gedeputeerden van deze synode daarbij verzoeken zullen” (Barneveld 1612).

“Is goedgevonden, opdat niemand lichtvaardig en onbekwaam tot de dienst toegelaten worde, dat het examen van alzulken geschieden zal bij de classe ten overstaan van de gedeputeerden der synode of enige derzelven” (’s-Gravenhage 1591).

In zake de onderzoeking des levens kan genoegen genomen worden met het getuigenis van de gemeente waaronder de beroepene gewoond heeft.
Ten behoeve daarvan behoort hij eerst openlijk in de gemeente zijner inwoning te worden voorgesteld.

“De predikanten die eerst tot de dienst aangenomen zullen worden, behoren eerst aan de gemeente waar zij omgang gehad hebben, voorgesteld te worden, opdat, zo iemand enige verhindering wist waarom zulken tot de dienst niet behoren te komen, (hij) die zou kunnen voorstellen” (Middelburg 1581).

“Het is nodig dat ernstig wordt nagekomen de synodale resolutie, dat degenen die voor het eerst tot het predikambt beroepen worden, in de gemeente waar zij wonen en hun omgang gehad hebben, eerst openlijk veertien dagen zullen voorgesteld worden, of mogelijk iemand enige verhindering tegen hun personen wilde voortbrengen” (Edam 1604).

Ook het eigenlijke examen behoort zorgvuldig en zonder aanzien des persoons te geschieden.
De bekwaamheid tot het ambt moet daaruit genoegzaam blijken.

“De examina zullen niet licht noch onachtzaam maar ernstig gedaan worden in de byzonderste hoofdstukken

|26|

van de christelijke religie, en in die hoofdstukken welke door verscheiden ketters allermeest bestreden worden, naar discretie van elke classis, welke niemand dan die genoeg ervaren zijn daartoe verordenen zal” (Middelburg 1581).

“Voortaan zullen geen predikanten worden toegelaten tot de dienst op voorwaarde van verdere beproeving, maar alleen zij die in het examen tot de dienst genoegzaam bekwaam zullen gevonden worden” (’s-Gravenhage 1599).

“Er zal een consciëntieus, zorgvuldig en getrouw examen zijner kennis en gaven gedaan worden.
Daarom zal ten eerste geen alzodanige instructie aan de examinandi worden gegeven, die tot bedekking van hun onbekwaamheid mocht strekken.
Ten tweede zullen alle medelijden met hun tijdelijke behoeftigheid, duistere genegenheden en gunsten van bloedverwanten en anders, vermeden en verboden zijn, door dewelke onbekwame dienaars aan de kerken mochten opgedrongen worden” (Leeuwarden 1605).

“Alzo den heren deputaten mede in last was gegeven, wel nauw te letten, gelijk op ’t leven, zo ook op de kennis en bekwaamheid der studenten etc., opdat gene als van welke op goede gronden wenselijke stichting voor de gemeente te verwachten was, tot de heilige kerkedienst bevorderd werden, — wordt daarop besloten, dat de heren deputaten der synode en de respectieve classen wel strikt worden belast mits dezen, om alle peremptoire examens met alle kracht en gestrengheid te doen geschieden, en niemand tot de heilige kerkedienst toe te laten dan die metterdaad bekwaam geoordeeld worden. Wordende hun bij dezen wel ernstig en op hun geweten aanbevolen om niemand, uit enige overwegingen, hoedanig die ook mochten zijn, toe te laten op hoop van nog door naarstigheid later tot de heilige dienst bekwaam te zullen worden, maar allen die in hun examen onbekwaam bevonden worden, daadwerkelijk te weren” (Brielle 1672).

“Aan de respectieve classen wordt ten ernstigste aanbevolen, om in hun adviezen of oordelen over de bij de examinatie gegeven antwoorden buiten enige menselijke inzichten te handelen, en niet anders dan het welzijn van de gemeente des levenden Gods te beogen” (Delft 1699).

“De synode ziet geen aanleiding, een wijziging aan te brengen in de tegenwoordige regeling der kerkelijke examens, vertrouwende dat genoegzaam rekening zal

|27|

worden gehouden met het karakter der kerkelijke examens” 1) (Amsterdam 1936).

1) “Al draagt het kerkelijk examen een min of meer wetenschappelijk karakter, o.a. doordat onderzoek gedaan wordt naar de kennis van de grondtalen, dit mag allerminst als een nadeel worden beschouwd. De kerken hebben er recht op zich ervan te vergewissen, dat haar aanstaande predikanten in staat zijn de Heilige Schrift naar de grondtekst te exegetiseren en grondig studie gemaakt hebben van de dogmatiek, al moet dan, zoals vanzelf spreekt, vermeden worden, dat het examen verloopt in streng wetenschappelijke details en verdoorgevoerde onderscheidingen, en al zal het er, bijv. bij de exegese, vooral om te doen moeten zijn, dat de candidaat de zin der Schrift weergeeft, en bij de leerstellige godgeleerdheid, dat hij toont niet maar een enkele locus (d.i. afdeling) tot in de finesses doch de gehele stof voldoende te beheersen en erover te kunnen spreken in bewoordingen, die ook voor ouderlingen verstaanbaar zijn. En wanneer ook met dat laatste gerekend wordt, zullen die ouderlingen in de regel ook wel in staat zijn zich een oordeel te vormen, gelijk de praktijk bewijst. Ook mag hierbij niet vergeten worden de betekenisvolle plaats, die de preek van den candidaat in het kerkelijke examen heeft, en de uitnemende gelegenheid, die vele vakken bieden, om zich nauw aan te sluiten aan de praktijk van het kerkelijke leven” (rapport).

Voor dit peremptoir examen gelden thans de navolgende regelen:

“a. Het examen wordt afgenomen door de classe tot welke de roepende kerk behoort, onder medewerking van minstens twee der deputaten, die de particuliere synode hiervoor zal aanwijzen.

b. Vóór het examen moet bij de classe ter tafel zijn:
1. de beroepsbrief en de verklaring van aanneming;
2. bewijs van de goede uitslag van het examen, waardoor de beroepene in onze kerken beroepbaar gesteld was;
3. attestatie van de kerk of kerken, tot welke hij sedert dat praeparatoir examen behoorde.

c. Het examen duurt minstens drie uren, en loopt over de volgende vakken:
1. de uitlegging van de H. Schrift volgens de grondtekst;

|28|

waartoe minstens drie weken van te voren den beroepene twee hoofdstukken uit het Oude Testament en twee uit het Nieuwe worden opgegeven;
2. de kennis van de inhoud der Heilige Schrift, waaronder niet te verstaan is bijbelse geschiedenis als zodanig, kanoniek, historia revelationis enz., maar kennis van de hoofdinhoud van de Bijbelboeken, zodat blijke, dat de examinandus in de Schrift genoegzaam thuis zij;
3. de leerstellige godgeleerdheid; benevens de kennis der voornaamste christelijke, inzonderheid der gereformeerde belijdenisschriften;
4. de geschiedenis der kerk, bijzonder met betrekking tot ons vaderland;
5. de christelijke zedekunde;
6. de vakken die de uitoefening van het ambt betreffen, en het kerkrecht.
Bovendien wordt bij het peremptoir examen door den examinandus een leerrede gehouden over een door hem zelven te kiezen tekst.

d. De beroepene ondertekent na gunstige afloop de verklaring, die voor dienaren des Woords in 1619 is vastgesteld.

e. Wanneer het peremptoir examen samenvalt met een gewone vergadering der classe, wordt het kosteloos afgenomen; anders worden door den beroepene de kosten vooraf bij de classe gestort, tot het door deze te bepalen bedrag, hetwelk echter de som van f 75.— niet mag te boven gaan.

f. Wel is voor het gehele peremptoir examen een tijd van ten minste drie uren gesteld, maar de verlenging van dat minimum, en desgelijks de nadere bepaling van de tijd, die voor ieder vak in het bijzonder te besteden is, is aan de classis met de deputaten der particuliere synode overgelaten.
Waar geklaagd wordt dat sommige vakken, en met name de practische, daarbij niet tot hun recht komen, moet dus dit gebrek door de klagers zelven verholpen worden.
Voor zover er in het algemeen reden is voor die klacht, moet de generale synode er zich toe bepalen, om er bij alle classen en particuliere synoden op aan te dringen, dat bij het peremptoir examen alle daartoe behorende vakken tot hun recht komen.

g. Bij conflict tussen de classis en de deputaten der particuliere synode staat de beslissing aan de particuliere

|29|

synode” (Amsterdam 1892; Dordrecht 1893; Groningen 1899; Zwolle 1911) 1).

1) “De lidmaten der classe zullen stemmen nadat de gedeputeerden der synode eerst hun advies gegeven zullen hebben” (Schoonhoven 1597).

Bos, F.L. (1950) Art. 4c

Art. 4c.

Ten derde, in de approbatie en goedkeuring van de lidmaten der gereformeerde gemeente van de plaats, wanneer, de naam des dienaars de tijd van veertien dagen in de kerk afgekondigd zijnde, geen hindernis daartegen komt.

Ook de leden der gemeente bezitten het recht en de verantwoordelijkheid om den verkozene naar de maatstaf van Gods Woord te keuren.

“(Matthias) werd met aller instemming onder de elf apostelen opgenomen” (Hand. 1: 26).

“Of de beroeping van een prediker mag geschieden zonder vrije, openlijke toestemming van de gemeente...? Er wordt geantwoord, dat geen predikers zonder toestemming der gemeente ... enige pastorieën of kerkedienst mogen aanvaarden of betreden, en dat de roeping van hen die daartegen doen, van nul en gener waarde zal gehouden worden” (Groningen 1607).

Om deze keur te kunnen uitoefenen, ontvangt de gemeente gedurende veertien dagen de gelegenheid om eventuele, op Gods Woord gegronde bezwaren in te dienen bij de kerkeraad.
Opdat de afkondiging niet in een onbegrepen formaliteit ontaarde, behoort de bedoeling daarvan uitdrukkelijk te worden vermeld.

“Om het (kerk)volk bij zijn recht en vrijheid te handhaven, zullen de benoemde en geëxamineerde dienaren in de volle samenkomst der gemeente worden uitgeroepen, en gedurende vijftien dagen zullen zij die erkend zijn voor ten avondmaal gerechtigde leden der kerk worden opgewekt om oprecht en in goede conscientie te verklaren of zij enige billijke oorzaak weten ter verhindering dat de benoeming zou worden bekrachtigd en de benoemde personen hun als dienaars gegeven zouden

|30|

worden, wat geschieden moet voor de kerkeraad, aan het oordeel waarvan de redenen van bezwaar onderworpen zullen zijn.
En in geval er in de gemeente enig geschil over ontstaat, zal alles worden onderworpen aan de beslissing van classis of synode.
Als er geen bezwaren worden kenbaar gemaakt, zal het stilzwijgen van het (kerk)volk gehouden worden voor goedkeuring” (Waalse Syn. v. Dordrecht 1577).

“De dienaars aldus beproefd en verkoren zijnde, zullen ... aan de gemeente (gedurende) de tijd van veertien dagen voorgesteld worden, opdat, zo iemand iets had, (deze) hetzelve onverhinderd mocht naar voren brengen. Hetwelk hij in tijds bij de kerkeraad doen zal, opdat dezelve met sommigen uit de classe 1) daarvan rijpelijk oordelen moge. En zo niemand iets naar voren brengt, zal het zwijgen voor bewilligen geacht worden” (Dordrecht 1578).

1) De kerkeraad doet verstandig, het advies van den consulent in te winnen.

Bos, F.L. (1950) Art. 4d

Art. 4d.

Ten laatste, in de openlijke bevestiging voor de gemeente, dewelke met behoorlijke stipulatiën en afvragingen, vermaningen en gebed en oplegging der handen van den dienaar die de bevestiging doet — en van de andere dienaren, die mede tegenwoordig zijn — toegaan zal, naar het Formulier daarvan zijnde.

Ofschoon de roeping principiëel in de verkiezing en beproeving besloten ligt, en een formele installatie niet in Gods Woord is voorgeschreven en ook in de zestiende eeuw meermalen werd nagelaten, is voor de goede orde een officiële indienststelling noodzakelijk.

“Wij oordelen dat de onderzochte en door de stemmen van het volk goedgekeurde dienaren, hetzij alleen met plechtige gebeden of ook met oplegging der handen — wat wij vrij laten — voor de gehele gemeente op apostolische wijze moeten worden bevestigd. Die bevestiging geschiede hetzij door den dienaar van de kerk zelf, als er een is, of door die van een naburige kerk, wiens autoriteit bij de verkiezing en het examen is ingeroepen” (Wezel 1568).

|31|

“Is besloten, dat men de dienaars, die elders in de dienst geweest zijn en van nu voortaan opnieuw in de kerk aangenomen zullen worden, na de onderlinge stipulatie (= afgevraagde belofte) Gode met den gebede en der gemeente met een kleine vermaning bevelen zal, gelijk als men ook doen zal met hen die voor het eerst in de dienst opgenomen worden, waarbij echter een bredere vermaning en stipulatie zal plaats vinden” (Dordrecht 1574).

De vroeger wel voorkomende praktijk om de bevestiging uit te stellen totdat gebleken was dat de predikant goed beviel, is afkeurenswaardig.

“Niemand zal tot de openbare evangelieprediking en sacramentbediening worden toegelaten zonder ... wettig in de dienst bevestigd te zijn” (Kampen 1593).

De bij de bevestiging plaatsvindende handoplegging is naar de Schrift een symbolisch gebaar, waardoor de verlening van een taak of gave wordt beduid. Elke gedachte aan directe ambtsoverdracht of magische mededeling van ambtsgaven moet daarbij worden vermeden.

“De dienaren zullen met plechtige gebeden en oplegging der handen bevestigd worden, doch zonder bijgelovigheid en noodzaak” (Emden 1571).

“Zij zullen met oplegging der handen, waar het met stichting geschieden kan, of anders met het geven van de rechterhand der gemeenschap tot de dienst der kerken aangenomen worden, en met den gebede Gode bevolen” (Dordrecht 1578).

De bevestiger handelt hierbij als vertegenwoordiger van de roepende kerk, die van Godswege de bevoegdheid bezit om het ambt op te leggen.
Elke gedachte, alsof dienaren des woords als zodanig het recht zouden hebben tot de symbolische overdracht van het ambt, is onjuist.
Daarom is de in 1905 ingevoerde mogelijkheid om de handoplegging te doen geschieden door meerdere aanwezige dienaren des woords bedenkelijk.
Beter is de oude, van 1586 tot 1905 bestaande redactie:

|32|

“Ten laatste, in de openlijke bevestiging voor de gemeente, dewelke met behoorlijke stipulatiën en afvragingen, vermaningen, gebed en oplegging der handen van den dienaar die de bevestiging doet — of enigen anderen 1), daar meer dienaren zijn — toegaan zal, naar het Formulier daarvan zijnde” (’s-Gravenhage 1586).

1) Dit is géén meervoud.

Nog beter is, de gehele tussen-opmerking te laten vervallen. Zoekt men meerdere plechtigheid: laat dan de ganse ouderlingschap, de kerkeraad der roepende gemeente, nader treden en aan de handoplegging deelnemen.

“Veronachtzaam de gave in u niet, die u krachtens een profetenwoord geschonken is onder handoplegging van de gezamenlijke ouderlingen” (1 Tim. 4: 14).

Bos, F.L. (1950) Art. 5

Art. 5.

Nopens die dienaars, die nu alrede in de dienst des woords zijnde tot een andere gemeente beroepen worden, zal desgelijks zodanige beroeping geschieden, zowel in de steden als ten platten lande, door de kerkeraad en de diakenen, met onderhouding van de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door de kerkeraad vastgesteld is, en van de generale kerkelijke ordinantiën over de beroepbaarheid van hen, die buiten de nederlandse gereformeerde kerken gediend hebben, en over het meer dan eenmaal beroepen van denzelfden dienaar in dezelfde vacature; in kerken met niet meer dan één dienaar ook met advies van de classe of van den hiertoe door de classe aangewezen consulent, waar zulks tot nog toe gebruikelijk is geweest; en voorts in alle kerken met approbatie van de classe, aan welke de voorzeide beroepenen vertonen zullen goede kerkelijke attestatie van leer en leven, en met approbatie van de lidmaten der gereformeerde gemeente van de plaats, wanneer, de naam des dienaars de tijd van veertien dagen haar voorgesteld zijnde, geen hindernis daartegen komt; waarna de beroepenen met voorgaande

|33|

stipulatiën en gebeden zullen bevestigd worden, naar het formulier daarvan zijnde.

Gevestigde predikanten zijn zonder meer beroepbaar in andere gemeenten binnen het kerkverband.
Daarbij dient echter te worden bedacht, dat zowel de roeping die een dienaar des woords reeds bezit, als een beroeping die wordt uitgebracht, heilige zaken zijn, die niet mogen worden neergehaald.
Dit legt beperkingen op allereerst aan het preken op beroep.

“Met betrekking tot het prediken op beroep vermaant de synode alle leraars om zich zoveel mogelijk te wachten van de schijn van naar verandering te staan” (Zwolle 1854).

Ook het spoedig beroepen van iemand die nog maar kort in dienst is, is uit dien hoofde in de regel ongewenst.

“Kerkeraden hebben geen vrijheid om leraars, die nog geen jaar in hun tegenwoordige gemeente werkzaam zijn, naar een andere gemeente te beroepen” (’s-Hertogenbosch 1875).

“Met betrekking tot de beroeping van een dienaar des woords naar elders in de eerste twee jaren van zijn kerkelijke dienst, is de synode van oordeel, dat in de regel zulke beroepingen niet wenselijk zijn. Zij meent echter dat er toch vele gevallen zich kunnen voordoen, waarin daarvoor een genoegzame reden is, en acht het dus in ieder geval onraadzaam, te dien aanzien bindende bepalingen te maken” (Leeuwarden 1890).

“Daar de korte bediening van een kerk tegen haar belang strijdt, wordt den kerkeraden ernstig ontraden, om leraars die nog geen twee jaar in hun standplaats werkzaam zijn, te beroepen” (Groningen 1899).

Om dezelfde reden mag op dezelfde persoon in dezelfde vacature geen herhaald beroep worden uitgebracht, anders dan in zeer bijzondere gevallen bij geheel gewijzigde omstandigheden, ter beoordeling van het kerkverband.

|34|

“Geen gemeente mag in dezelfde vacature meer dan eenmaal denzelfden persoon beroepen, tenzij de classis waaronder de vacante gemeente ressorteert, de gronden heeft beoordeeld, waarop de herhaalde beroeping zou berusten” (’s-Hertogenbosch 1875).

“Het voor de tweede maal beroepen van denzelfden dienaar des woords in dezelfde vacature zal niet zonder toestemming der classis mogen geschieden” (Dordrecht 1893).

Predikanten die buiten de nederlandse gereformeerde kerken gediend hebben, zijn niet beroepbaar, dan na een gehouden vooronderzoek.
Voor dit onderzoek gelden de volgende regelen:

“a. Zij hebben bewijs over te leggen aangaande hun beroeping tot de dienst, belijdenis en wandel.
b. Zij hebben zich te onderwerpen aan een colloquium (= samenspreking) aangaande leer en wetenschap, dat eenzelfde graad van ontwikkeling eist als het praeparatoir en het peremptoir examen der door de gereformeerde kerken in Nederland toegelatenen.
Dit colloquium zal (inzonderheid) gaan over de kennis der gereformeerde leer en kerkregering.
c. Het onderzoek zal gehouden worden door de classis, bijgestaan door de deputaten naar art. 49 K.O. der particuliere synode” (Dordrecht 1893; ’s-Gravenhage 1914; Groningen 1927).

Enige meerdere ruimte heeft men geschapen voor het voorgaan van predikanten en candidaten uit buitenlandse kerken, met welke de gereformeerde kerken in Nederland in correspondentie staan, die tijdelijk in ons land vertoeven.

“Predikanten en candidaten tot de heilige dienst uit buitenlandse kerken, die met de onze in correspondentie staan, mogen niet in een der gereformeerde kerken in Nederland voorgaan, zonder daartoe uitdrukkelijk toestemming gevraagd en verkregen te hebben — en wel op deze wijze:
a. kerkeraden die predikanten wensen te laten optreden die slechts enkele weken in ons land vertoeven, hebben hierover vooraf advies in te winnen van deputaten voor de correspondentie met buitenlandse kerken;
b. zij die voor langere tijd hier verblijven, hebben zich

|35|

te wenden tot de classis, waaronder zij tijdelijk ressorteren, die na ingesteld onderzoek hierover beslist” (Groningen 1927).

Bij de classikale approbatie behoren ter tafel te zijn:
a. de beroepsbrief en de verklaring van aanneming;
b. acte van ontslag — “wettelijke getuigenis zijns afscheids” — van de kerk en classe, waar de betrokken predikant gediend heeft (vgl. art. 10 K.O.);
c. doorgaans daarmede gecombineerd: een goede kerkelijke attestatie van leer en leven.
Die approbatie kan, wanneer de classis niet tijdig in gewone vergadering bijeenkomt, ook geschieden door een z.g. classis contracta.

“De classis wijze twee genabuurde kerken aan tot approbatie van beroepingen in buitengewone gevallen; onder voorwaarde echter, dat deze kerken aan de andere tijdig kennis geven van tijd en plaats, waarop dit geschieden zal, met uitnodiging aan die kerken, om aan die approbatie mede te werken” (Utrecht 1905).

Bos, F.L. (1950) Art. 6

Artikel 6.

Ook zal geen dienaar dienst mogen aannemen in enige particuliere heerlijkheden, gasthuizen of anderszins, tenzij dat hij voorheen geadmitteerd en toegelaten zij, volgens de voorgaande artikelen; en hij zal ook niet minder dan andere aan de kerkenordening onderworpen zijn.

Kerk en ambt zijn niet te scheiden. Daarom kan geestelijke verzorging krachtens opdracht van een particuliere of overheidsinstantie niet ambtelijk geschieden.

“De synode spreekt als haar gevoelen uit, dat geestelijke arbeid, die buiten de kerk omgaat, niet door de kerk geregeld kan worden” (Utrecht 1905).

Evenwel kan de kerk, indien de niet-kerkelijke instructie als geestelijk verzorger zulks toelaat, dienaren des

|36|

woords afzonderen om in die geestelijke verzorging tevens een kerkelijke opdracht te vervullen.
Daartoe is naast de burgerlijke of overheidsbenoeming nodig een kerkelijke zending.

“Aangaande de legerdienst, alzo men verstaat dat ... (N.N.) ... daartoe van Hare Hoogmogenden zoude mogen gebruikt worden ..., zo heeft de synode verstaan, dat gemelde ... (N.N.) .., de voorszeide dienst niet behoort te betreden voor en aleer hij wettelijk van de kerk gezonden worde” (IJselstein 1626).

“Aan de respectieve classen zal ernstig aanbevolen blijven om zorgvuldig acht te geven, zoveel mogelijk is, dat de persoon of de personen, die tot de legerdienst gezonden worden, niet alleen zuiver in de leer en van godzalige en stichtelijke handel en wandel zijn, maar ook voorzien van zodanige kwaliteiten, die tot de legerdienst vereist worden. En degenen, die daartoe door hun classe worden afgezonden, zullen zich tot de deputaten der synode van hun respectieve provincie wenden, om van dezelve hun nadere zending en geloofsbrief te ontvangen” (Gouda 1640).

“Geen persoon, van hoger hand verzocht om te gaan naar ’t leger, mag daartoe worden gebruikt zonder kennis van zijn kerkeraad, nevens de deputatie van zijn classis en de zending van de gedeputeerden der synode” (’s-Gravenhage 1644).

“De synode ... heeft tot bediening van de vloot met welbehagen van ... (de overheid) ... gepresenteerd, verkoren en gezonden, presenteert, verkiest en zendt mits dezen ... (N.N.) ... om ... in alle delen en plichten van zijn ambt zich stichtelijk, gezond en ijverig te gedragen, gelijk een getrouw dienaar van Jezus Christus betaamt …” (Rotterdam 1641).

Bij zulk een zending — die dan ook behoort te geschieden door een plaatselijke kerk, zij het met medewerking van de daartoe aangewezen deputaten van het kerkverband — dient de band aan de zendende kerk gehandhaafd te blijven.

|37|

“De legerpredikant ... blijft ambtelijk verbonden aan de gereformeerde kerken. Deze verbinding bestaat hierin, dat hij door één der gereformeerde kerken voor deze dienst wordt afgestaan.
Deze kerk kan zijn de kerk, waarin hij tijdens zijn benoeming diende, of een andere kerk, die hem als haar dienaar des woords beroept, bevestigt en tot de arbeid van legerpredikant afstaat” (Amsterdam 1936).

“Ten aanzien van de verhouding tussen een voor het veldpredikerschap afgestanen predikant en zijn kerkeraad, indien het mogelijk wordt, dat onze predikanten dit werk mede gaan behartigen, besluit de synode de kerken te adviseren zulk een predikant aan de gemeente verbonden te doen blijven” (Groningen 1947).*

“De generale synode, van oordeel dat de positie van geestelijke verzorgers van stichtingen, van leger- en vlootpredikanten, alleen geregeld kan worden door hen te binden aan een plaatselijke kerk, omdat deze predikanten wel een zodanige arbeid verrichten, die een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het evangelie in verband staat, maar toch niet gezegd kunnen worden in dienst te staan van de kerken in het algemeen, besluit: In geval een dienaar een arbeid gaat uitoefenen, die een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het evangelie in nauw verband staat, waardoor hij zijn dienst in de gemeente niet langer kan uitoefenen, zal hij toch de eer en de naam eens dienaars behouden, met dien verstande evenwel, dat de kerk, die hij gediend heeft erg aan welke hij in het vervolg verbonden zal blijven, niet gehouden is hem verder in zijn nooddruft te verzorgen, waartoe evenwel vereist zal zijn het voorafgaand oordeel van de classis, met kennis en approbatie van de deputaten der particuliere synode” (’s-Gravenhage 1949). [Tweede lid art. 13A K.O.]

Zulk een leger-, vloot-, hof- of stichtingspredikant behoort van een kerkelijke instructie te worden voorzien, waarin ook de roeping tot verantwoording dient te voorden omschreven.

“Hij gedraagt zich overal waar hij optreedt, naar de eisen van het gereformeerd kerkelijk leven. Hij is verplicht eens per jaar, en voorts zo dikwijls hem dit gevraagd wordt, van zijn arbeid rapport uit te brengen in duplo:
a. aan zijn kerkeraad;

|38|

b. aan deputaten, die dit rapport verwerken in hun rapport aan de generale synode” (Amsterdam 1936).

Ofschoon ten tijde van de Republiek zekere hof- en veldgemeenten enz. konden worden gevormd, waarin ook de sacramenten werden bediend, wordt in de tegenwoordige situatie de vorming van z.g. veld- of noodgemeenten en het meedoen daaraan door grote bezwaren gedrukt.

“Die in eniger vorsten of anderer heren hoven de dienst des woords bedienen, zullen ... uit de allerbekwaamste van het hofgezin ouderlingen en diakenen stellen” (Dordrecht 1578).

“Zal des Heeren nachtmaal tweemaal in de veldtocht worden gehouden en zal de predikant, voor al eer hij hetzelve bedient, naar de ledematen van de gereformeerde religie vernemen, hun attestatiën afeisen, en vermanen op de wijs als bij de kerk gebruikelijk is.
Doch indien daar zulken bevonden werden, welke voorgaven ledematen te zijn, en hetzelve met gewone attestatiën niet konden doen blijken, zal de predikant bij de commanderende officieren van de compagnie onder welke zij behoren, of bij andere geloofwaardige getuigen onderzoek doen of zij leden der kerk zijn of niet, en of zij zich ook in handel en wandel als zulke hebben gedragen …
Zal ook aantekening gehouden worden van kinderen, die gedoopt, alsmede van ledematen die aangenomen worden op voorgedane belijdenis des geloofs, of die met attestatiën aankomen” (Brielle 1693).

“De generale synode spreekt de verwachting uit, dat de gereformeerde leger- en vlootpredikanten bij het stichten van en dienen in een zgn. noodgemeente naar de eis van Gods Woord slechts diegenen tot de sacramenten zullen toelaten, die daartoe op grond van hun belijdenis en wandel gerechtigd geacht kunnen worden, (en) daartoe bij de openbare belijdenis des geloofs zoveel mogelijk gebruik zullen maken van zulke vragen, die de centrale geloofswaarheden ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen” (Zwolle 1946).

“De synode spreekt uit ... dat het stichten van veldgemeenten en het toetreden tot bestaande veldkerken, gezien de ervaring in de praktijk, geen aanbeveling verdient ..., (en) dat de kerkeraden bij terugkeer van militairen naar hun woonplaats ernstig hebben te

|39|

onderzoeken, welke belijdenis is afgelegd door degenen, die in een dusgenaamde veldgemeente voor het eerst tot de tafel des Heeren toegelaten verklaard werden” (Groningen 1947).*

Bos, F.L. (1950) Art. 7

Art. 7.

Niemand zal tot de dienst des Woords beroepen worden, zonder dat men hem in een bepaalde plaats stelle, ten ware dat hij gezonden worde om hier of daar kerken te vergaderen.

Het ambt van dienaar des woords is doorgaans aan een plaatselijke kerk gebonden 1).

1) Vgl. voor predikanten in algemene dienst art. 15A (blz. 346).

“Elke dienaar zal zijn kerk hebben, waaraan hij verbonden zal zijn” (Armentiers 1563).

“Men zal niemand tot de dienst des woords beroepen, zonder hem in een kerk te stellen, die hij dienen zal” (Middelburg 1581).

In verband daarmede behoort hij ook in zijn gemeente te wonen.

“De synode oordeelt dat elke herder bij zijn schapen behoort te wonen, ten ware in het uitzonderingsgeval dat er geen woning is” (Dordrecht 1590).

“Het zal gans niet toegelaten worden, dat de dienaren des woords van hun kerken afgezonderd zullen zijn, maar zij zullen in die plaatsen of in de naastbijgelegene verblijf houden” (Zutfen 1596).

“De classen zullen de dienaars die op het land hun beroeping hebbend, in steden wonen, belasten en verplichten, dat zij uit de steden moeten vertrekken om op hun plaats bij hun gemeente te wonen” (Harlingen 1610).

Evenwel kunnen ter vervulling van de roeping om kerken te vergaderen — evangelisatie en zending — dienaren des woords naar een andere plaats uitgezonden worden.

|40|

“Het is raadzaam, dat degene die in het predikambt te stellen en op een andere plaats tot de dienst uit te zenden is, ter plaatse waar hij geëxamineerd wordt, in de kerkeraad of de classis de handoplegging met vasten en bidden ontvange” (Middelburg 1581).

“De synode wekt de provinciën ernstig op tot behartiging van de inwendige zending, en om, zo het nodig mocht zijn, bekwame leraars aan te stellen, om aan die plaatsen waar het evangelie niet verkondigd wordt, te arbeiden” (Middelburg 1869).

“Van de dienaren die geen gemeenten hebben ..., is besloten, dat elke classis opgewekt wordt om hun te vermanen om avondmaal te vieren met de gemeenten der naastgelegen steden of dorpen, en ook hun uiterste best te doen om zelf gemeenten te mogen verzamelen” (Harlingen 1584).

“De zendingsarbeid geschiedt door de plaatselijke kerk, al of niet in samenwerking met andere kerken” (Zendingsorde art. 13).

Bos, F.L. (1950) Art. 8

Art. 8.

Men zal geen schoolmeesters, handwerkslieden of anderen die niet gestudeerd hebben, tot het predikambt toelaten, tenzij dat men verzekerd zij van hun singuliere gaven: godzaligheid, ootmoedigheid, zedigheid, goed verstand en discretie, mitsgaders gaven van welsprekendheid.
Zo wanneer dan zodanige personen zich tot de dienst presenteren, zal de classe hen — indien het de particuliere synode goedvindt — eerst examineren, en naardat zij het examen bevindt, hen een tijd lang laten in het privé proponeren, en dan voorts met hen handelen, zoals zij oordelen zal stichtelijk te wezen, volgens de generale regeling, daarvoor door de kerken vastgesteld.

Om de dienst des woords recht te kunnen vervullen, is de geschiktheid of bekwaamheid tot het ambt een eerste vereiste.
Deze bekwaamheid wordt doorgaans in de weg van wetenschappelijke vorming verkregen.

|41|

“De kerkenordening geeft genoeg te verstaan, dat de kerk van Christus het allerbest gediend wordt met personen, die benevens de vreze Gods en andere christelijke deugden ook wetenschap en geleerdheid hebben” (Utrecht 1620).

“Men wordt niet alleen bij toelating langs de weg van art. 8, maar ook langs de weg der academische vorming door den Heiligen Geest geroepen en bekwaamd; ja vooral niet minder” (Leeuwarden 1890).

De Heere is echter vrijmachtig om die bekwaamheid ook op buitengewone manier te verlenen.

“Na dezen zal (er) scherp (op) worden gelet, dat geen andere dan personen die gestudeerd hebben, tot de kerkedienst gepromoveerd worden, ten ware in een bijzonder en buitengewoon geval, hetwelk voorvallende, men zich evenwel precies aan het achtste artikel onzer kerkenordening zal hebben te houden, opdat hetzelve niet lichtvaardig gekwetst of door het slijk gesleurd worde” (Utrecht 1620).

“De bepaling van art. 8 der kerkenordening is geen uitvlucht, om in een tijdelijk gemis van leraren te voorzien, maar een eerbiedigen van Gods vrijmachtige genade, om ook zonder studie aan enkele personen zó bijzondere gaven van kennis des Woords, van kennis van geestelijke noden, van toepassing des Woords en van welsprekendheid te verlenen, dat Hij, buiten alle menselijke berekening om, dezulken blijkbaar aan zijn kerk schonk als getuigen en vertroosters der zielen, van wier aanzijn in de kerken deze alsdan profijt mogen en behoren te trekken” (Rotterdam 1887).

“Er moet ... ten zeerste op aangedrongen worden, om toch geen personen volgens art. 8 tot de bediening des woords toe te laten, van welke bij de onderzoeking niet deugdelijk gebleken is, dat de Heere God in zijn souverein bestel hen op buitengewone wijze gaven der geschiktheid tot dit heilig en gewichtig ambt verleend heeft, terwijl hij die aan anderen in de gewone en middellijke weg schenkt” (Utrecht 1888).

“De kerken, hoezeer zich in de regel houdende aan de gewone van God verordende weg, dat de toegang tot het predikambt alleen opensta na gewone en godgeleerde studiën, wensen niettemin in bijzondere gevallen, waar God de Heere blijkt langs andere weg personen voor het predikambt bekwaamd te hebben, zijn vrijmacht hierin te eren en Hem te danken voor zijn gaven” (Utrecht 1889).

|42|

“De Gereformeerde kerken erkennen geen andere weg tot de bediening des woords dan die der theologische studiën, behoudens alleen de zeer zeldzame gevallen, waarin, bij hoge uitzondering, de Heere, naar zijn vrijmachtig welbehagen, langs andere weg de nodige gaven verleent” (Dordrecht 1893).

Om die op buitengewone manier verleende bekwaamheid tot het ambt te kunnen erkennen, moet de aanwezigheid van singuliere gaven of buitengewone kwaliteiten blijken.

“In het vervolg zullen geen ongestudeerden tot de bediening worden toegelaten, tenzij zij bijzonder bedreven en door God begaafd zijn” (Harderwijk 1599).

“In het achtste artikel van de kerkenordening wordt wel expres gewaarschuwd, dat men werklieden of personen die niet hebben gestudeerd, niet tot de kerkedienst bevorderen zal dan met buitengewone of singuliere kwaliteiten en gaven van godzaligheid, ootmoedigheid, zedigheid, goed verstand en discretie, mitgaders gaven van welsprekendheid voorzien” (Utrecht 1620).

“Bij het onderzoek zal moeten blijken, dat een gelovige die zich hiervoor aandient, bevonden is godzalig van leven en ootmoedig van zin; onder de getuigenissen hiervoor over te leggen, zal in geen geval mogen ontbreken het getuigenis van zijn kerkeraad en eventueel van een classis, waaronder hij mocht hebben gearbeid. Ten tweede, dat hij „goed verstand” bezitte om recht de zin van Gods woord te vatten, en „discretie” om het toe te passen. En ten derde, dat hij zekere gave van welsprekendheid hebbe, die hem bekwaamt om zijn gedachten ordelijk, helder, in goede taal en op boeiende wijze voor te dragen” (Utrecht 1889).

“Om dit te weten, zal de particuliere synode van hen, die zich hiertoe aanmelden, allereerst de nodige attesten van kerkeraad en classis onderzoeken ten aanzien van de in art. 8 K.O. geëiste eigenschappen. Vervolgens zal zij zelve te dien aanzien nader onderzoeken. Alleen indien de aanwezigheid daarvan boven alle billijke twijfel verheven blijkt, zal zij hen toelaten tot het praeparatoir examen” (Dordrecht 1893).

“Zoals uit de wording van art. 8 K.O. blijkt, zijn met de uitdrukking „singuliere gaven” de daarna genoemde gaven bedoeld, en wil de uitdrukking te kennen geven, dat wie zonder gestudeerd te hebben tot het predikambt wenst toegelaten te worden, deze gaven in bizondere mate bezitten moet” (Utrecht 1923).

|43|

“Uit de reeks bestaande bepalingen blijkt, dat men zich bij de examinatie naar art. 8 K.O. dient te richten op het onderzoek, of de aldaar genoemde gaven of kwaliteiten inderdaad zo bijzonder aanwezig zijn, dat de gaven of geschiktheden tot het predikambt zonder wetenschappelijke studie voorhanden zijn” (Aanbevolen rapport, Groningen 1947).*

“Het spreekt wel vanzelf, dat de zekerheid van de aanwezigheid der singuliere gaven van godzaligheid, ootmoedigheid en zedigheid meest zal moeten berusten op het getuigenis van de kring, waaruit degene, die zich aanmeldde, voortkomt. Maar de gaven van welsprekendheid — wat iets anders is dan welbespraaktheid —, van goed verstand — bevattingsvermogen — en niet het minst van discretie — vermogen om goed te onderscheiden — zullen door het onderzoek van de particuliere synode duidelijk moeten uitkomen.
Bij het onderzoek doen naar de gave der discretie zal er bijzonder aandacht aan moeten worden gewijd, dat deze gave dusdanig aanwezig is, dat blijkt, dat de broeder die onderzocht wordt, een diep inzicht heeft in de Heilige Schrift, waardoor hij de juiste zin ziet en waarheid van dwaling nauwkeurig kan onderscheiden.
Van àl de in art. 8 genoemde gaven geldt het, dat de aanwezigheid ervan boven alle billijke twijfel verheven moet zijn” (Aanbevolen rapport, Groningen 1947).*

De wijze waarop het onderzoek naar de vereiste gaven door de particuliere synode — gelijk ook tevoren door kerkeraad en classis — plaats vindt, en de eventuele herhaling van zulk een onderzoek, staat aan de betrokken vergadering geheel vrij.

“De vraag, of afgewezenen naar art. 8 later kunnen verklaard worden die „singuliere gaven” te bezitten, wordt toestemmend beantwoord. Deze afwijzing zegt alleen, dat de aanwezigheid van zulke gaven niet gebléken is” (Leeuwarden 1890).

“Bij gebleken totale ontstentenis van singuliere gaven worde aan een afgewezene bij zijn afwijzing medegedeeld, dat hij niet tot een hernieuwd examen kan toegelaten worden” (’s-Gravenhage 1891).

“De synode acht het niet nodig aangaande het getal keren van onderzoek van éénzelfden persoon bepalingen te maken, omdat de provinciale synoden ten deze zelve te beslissen hebben” (Dordrecht 1893).

|44|

“Op de vraag, of een particuliere synode gehouden is, zo menigmaal een onderzoek naar art. 8 der kerkenorde ... gevraagd wordt, dit in te stellen, ook in die gevallen, waarin de broeder die begeert onderzocht te worden, door haar of door een andere particuliere synode eenmaal of meerdere malen na onderzoek is afgewezen, antwoordt de synode, dat elke particuliere synode geheel vrij is en blijft in de beoordeling van de toelating van iemand, die naar art. 8 wenst onderzocht te worden, en er dus geen reden is, hieromtrent nadere bepalingen te maken” (Utrecht 1905).

Indien de uitslag van het aldus naar de aanwezigheid van singuliere gaven ingestelde onderzoek gunstig is, vangt de arbeid van de classis tot onderzoek van zijn kennis en tot leiding bij en contrôle van de nadere ontwikkeling van dien bijzonder begaafden broeder aan.

“Zodra de candidaat voor de classis verschijnt, voorzien van het bewijs van toelating ... zal de classis zich vergewissen van de mate zijner kennis …
Naardat de classis dezen broeder nu in dit examen bevindt, zal zij aan een of meer dienaren de nadere leiding en voorlichting bij zijn studie kunnen opdragen, totdat de mate dier kennis voldoende zal worden bevonden.
Daarna zal de classis voortschrijden om hem in ’t privé te laten proponeren en aan deputaten opdragen hem te leiden bij het opstellen van predikatiën en hem nu en dan een dier predikatiën in hun bijzijn te doen voordragen.
En dan volge ... het eindoordeel der classis, waarbij zal worden vastgesteld, of hij ... beroepbaar zal kunnen gesteld (worden)” (’s-Gravenhage 1891).

“Het praeparatoir examen zal (na toelating daartoe door de particuliere synode) den examinandus worden afgenomen door de classis zijner woonplaats, die het overige deel van art. 8 K.O. zal uitvoeren; en wanneer hij aan ’t einde van de oefeningstermijn voldoende zal zijn bevonden, hem beroepbaar zal stellen; waarna hem dan het peremptoir examen wacht.
Deze beide examina onderscheiden zich van die der theologisch opgeleiden alleen door het niet onderzoeken in de oude talen” (Dordrecht 1893).

Bos, F.L. (1950) Art. 9

|45|

Art. 9.

Nieuwelingen, mispriesters, monniken, en die anderszins enige sekte verlaten hebben, zullen niet toegelaten worden tot de kerkedienst, dan met grote zorgvuldigheid en voorzichtigheid, nadat zij ook een zekere tijd eerst wel beproefd zijn.

Dit artikel heeft zijn historische achtergrond in de moeilijkheden bij de reformatie in de zestiende eeuw.
Ofschoon men principiëel de onschriftuurlijke roeping van mispriesters enz. niet erkende, moest men aanvankelijk, wegens het gebrek aan predikanten, van dergelijke lieden een veelvuldig gebruik maken.

“In de Gereformeerde kerk is geen andere beroeping bekend dan diegene, welke, den woorde Gods en het gebruik van de oude kerk gelijkvormig, door de kerk geschiedt, dat is door de kerkeraad met ... consent van de ganse gemeente. Derhalve is de beroeping, voortijds in het pausdom geschied, als gans niets gemeens hebbende met de wijze voorgemeld, voor geen wettelijke beroeping te houden” (Deventer 1586).

“Hoe men handelen zal met papistische personen, die zich willen laten reformeren, als men ze van hun dienst niet wel opschorten kan, uit vrees dat andere papen door de lagere overheid in hun plaats kunnen gezet worden?
Is geantwoord dat men de papen die hun superstitie verlaten hebben, recht begeren te leren, en die eerbaar leven — hoewel zij nog in alles niet genoeg verstandig en geoefend zijn — een tijdlang liever dulden zal, dan de kerken in perikel stellen …” (Middelburg 1581).

“Op wat wijze men de papen reformeren zal, die zich tot de dienst des evangelies geven willen:
1. ... Die redelijk van leven en niet bloeddorstig geweest zijn ..., zullen een openlijke belijdenis en wederroeping van hun voorgaande dwaling in leer en leven doen, ten ware zij wisten te bewijzen hierin niet schuldig te zijn …
2. Ten tweede zullen zij vermaand worden met hun huisvrouwen openlijk en voor de gemeente te trouwen.
3. Ten derde zullen zij, volgens de ordonnantie der kerk van Christus voor alle lidmaten, met belijdenis des geloofs in de gemeenschap der kerk ontvangen worden.
4. Ten vierde zullen zij bij provisie toegelaten worden om op het begeren van hun gemeente hun Gods woord

|46|

in alle zuiverheid te verkondigen, totdat zij na behoorlijke examinatie ... als tot de dienst bekwaam erkend worden; en indien anders bevonden zal worden, zullen zij, ontzet zijnde, tevreden wezen” (Edam 1572).

“... Na gehouden examen ... wordt eindelijk besloten dat mispriesters die zich aan de gereformeerde kerken begeren te verbinden, zijn toe te laten en te bevestigen in de bediening, echter op deze voorwaarde, dat elk opnieuw een getuigenis van wettige roeping hebbe, hetzij van de kerk waar hij tot hiertoe de bediening uitoefende, of van een andere, en zowel godzaligheid in de levenswandel als oprechtheid en trouw in de leer belove” (Groningen 1595).

Bij het geregelder worden van de toestanden ging men echter — mede door de bittere ervaring geleerd — steeds meer de schriftuurlijke voorzichtigheid in praktijk brengen.

“Leg niemand overijld de handen op” (1 Tim. 5: 22).

“Hij mag niet een pas bekeerde zijn, opdat hij niet, hoogmoedig geworden, in het oordeel des duivels valle” (1 Tim. 3: 6).

“Nieuwelingen in de kerk, speciaal monniken en priesters, zullen niet kunnen verkozen worden tot de dienst des woords zonder langdurig en ijverig onderzoek en beproeving zowel van hun leven als van hun leer” (Antwerpen, Mei 1564).

“Die monniken en papen geweest zijn en zich tot de kerkedienst begeren te begeven zal men niet toelaten dan door de classe geëxamineerd naar deze maatstaf: ten eerste, dat zij de leer van het pausdom verzaken; ten tweede, dat zij hun roeping verzaken (zie boven); ten derde, dat zij wel geoefend en doorzocht zijn door ootmoedigheid en geduld; ten vierde, dat zij de gave hebben van wèl te leren; ten vijfde, dat zij de rechte leer belijden en zich aan de discipline onderwerpen” (Dordrecht 1574).

“De nieuwelingen die het pausdom of enige secten eerst verlaten hebben, zullen tot de dienst des goddelijken woords niet toegelaten worden, voordat de gemeente van hun zuiverheid en bestendigheid in de leer en oprechtheid des levens genoegzaam verzekerd zal zijn” (Dordrecht 1578).

“Alzulken die uit het pausdom of uit de ubiquitisten (= lutheranen) of andere secten komen, zal men wèl

|47|

examineren en eerst onderzoeken en beproeven, eer men ze toelate” (Groningen 1603).

Kort na de Dordtse Synode van 1618/19, waarop de huidige tekst der bepaling werd vastgesteld, ontwierp men in Zuidholland een uitgewerkte regeling, die mede door de andere provinciale synoden werd aanvaard.

“Belangende de bijzondere zorgvuldigheid, die men volgens de kerkenorde in de opneming der nieuwelingen, papen, monniken en andere geestelijke personen tot de kerkedienst behoort te gebruiken, alzo ooit en ooit door het al te haastig en ontijdig opnemen van zulke personen tot de kerkedienst grote ergernissen en onheilen zijn veroorzaakt, vindt de synode goed, opdat dezelve zoveel mogelijk is, mochten verhinderd en geweerd worden, dat men met dezelve voortaan deze weg zal volgen en ingaan:
vooreerst dat zulke personen, herwaarts overkomende, niet anders dan met advies der classis, nadat zij eerst een geheel jaar wel beproefd zijn, tot lidmaten der kerk zullen opgenomen worden; daarna, dat zij niet anders dan met voorgaand advies der synode tot het praeparatoir examen en de propositiën zullen toegelaten, mitsgaders tot de heilige kerkedienst mogen gebruikt worden;
en dàt, wanneer zij eerst twee jaren lang lidmaten der kerk geweest zijn en zich in die tijd behoorlijk en christelijk gedragen hebben, ten ware dat er enerzijds zulke uitstekende gaven bij die personen gevonden werden, dat men goed vond deze gestelde tijd te verkorten, of anderzijds zulk mankement, dat men geraden vond die tijd te verlengen” (Dordrecht 1627).

Bos, F.L. (1950) Art. 10

Art. 10.

Een dienaar, eens wettelijk beroepen zijnde, mag de gemeente aan welke hij verbonden is, niet verlaten om elders een beroeping te volgen, zonder bewilliging des kerkeraads met de diakenen, en met voorweten van de classe, gelijk ook geen andere kerk hem zal mogen ontvangen, eer hij wettelijk getuigenis zijns afscheids van de kerk en classe waar hij gediend heeft, vertoond hebbe.

Een geroepen ambtsdrager kan zijn ambt niet

|48|

eigenmachtig neerleggen, ook niet met het doel om elders zulk een ambt wederom te aanvaarden.
God heeft hem door zijn organen geroepen tot de ambtsbediening op die bepaalde plaats, en alleen die verantwoordelijke organen kunnen hem weer van dat ambt ontheffen, nadat zij de reden wettig bevonden hebben.

“Een publiek persoon als een dienaar of herder ... zal de kerk die hij dient, allerminst verlaten zonder dat er van de reden wettig kennis genomen is ...” (Wezel 1568).

Het verzoek om ontheffing moet gericht worden aan de kerkeraad met de diakenen, welke daarover echter in het geval van een predikant niet definitief beslist dan nadat ook het oordeel van de classis is ingewonnen.
De ontheffing kan in dat geval slechts dan door de kerkeraad verleend worden, als ook de classis daarin bewilligt.

“Geen herder zal zijn kudde kunnen verlaten zonder ontslag van zijn kerkeraad of zonder approbatie te hebben van de naburige kerken over de reden van zijn vertrek” (Antwerpen, Mei 1564).

“Het zal den dienaar niet geoorloofd zijn met verlating van zijn gemeente een andere beroeping elders aan te nemen, zonder bewilliging van zijn kerkeraad en classis” (Dordrecht 1578).

“Door het voorweten van de classis wordt verstaan, dat een dienaar zijn kerk niet mag verlaten om elders een bekwame beroeping aan te nemen, tenzij dat de classis niet alleen wetenschap daarvan hebbe nadat hij verlaten (= losgelaten) is, maar ook oordele, eer hij verlaten wordt, of hij zal verlaten worden of niet” (Veere 1610).

Ook indien de classis geen bezwaar maakt tegen de gevraagde ontheffing, kan de kerkeraad ontheffing weigeren, welke weigering van kracht blijft totdat de particuliere synode in appèl over de zaak heeft beslist.

“Op de vraag, of een dienaar, op een dorp verbonden, wanneer hij in een stad beroepen wordt zulk een beroep mag aannemen, aangezien de steden in meerder aanzien

|49|

staan dan de dorpen, en of het dorp in zo’n geval gehouden is zijn dienaar los te laten, — is geantwoord: neen, overmits dat strijdt tegen het ambt der herders; ten ware dat zulks geschieden kon met bewilliging en vergenoeging zo van de kerk als van den dienaar zelve” (Vlissingen 1581).

“Of wanneer een dienaar des woords beroepen is en de classis toestemming geeft, zijn kerk bevoegd is tegen de classis bij de synode in appel te gaan en alzo den dienaar en de beroepende kerk op te houden en te bezwaren? Antwoord: ja, omdat de kerkenordening medebrengt, dat men van een mindere vergadering op een meerdere mag appelleren” (Alkmaar 1620).

“Of een kerkeraad, verstaan hebbende het oordeel der classis over het ontslag van haar predikant, die door een andere gemeente beroepen is, en vernemende dat de classis oordeelt dat de kerkeraad haar herder behoort te ontslaan, zodanig oordeel behoort te volgen? — De kerken zullen in geval van bezwaar hun vrijheid van appel behouden” (Delft 1628).

“Een dienaar, eens wettelijk beroepen zijnde, mag de gemeente niet verlaten om elders een beroeping aan te nemen, zonder bewilliging van de kerkeraad met de diakenen, die evenwel, in geval van weigering, grondige redenen zullen moeten opgeven, staande ter beoordeling der provinciale synode” (K.O. van 1837).

Ofschoon de genoemde bewilliging van de kerkeraad met voorweten van de classis pas betrekking heeft op de ópvolging van een beroep met verlating van eigen gemeente, vloeit daaruit toch voort, dat het principiëel onjuist is, dat een dienstdoend predikant officiëel een beroep “aanneemt”, vóórdat de vereiste bewilliging verkregen is.

“Niemand van de dienaren ... zal zich voortaan mogen inlaten, enige contracten, strekkende tot scheiding van zijn kerk, op te richten, zonder voorweten en welgevallen van de classis waaronder hij ressorteert” (Zutfen 1605).

Indien het practisch onmogelijk is om zich binnen de gestelde termijn van beraad van de bewilliging van de kerkeraad met voorweten van de classis te vergewissen,

|50|

moet onder mededeling van de reden uitstel van beslissing gevraagd worden.
Snel handelen is mogelijk, indien de bepaling in zake de approbatie van beroepingen in buitengewone gevallen door een classis contracta ook bij de classicale beoordeling van een ontslagaanvrage wegens een beroep naar elders wordt toegepast.

De procedure wordt dan als volgt:
1. Indien een dienaar des woords een op hem uitgebrachte beroeping van elders begeert te aanvaarden, dient hij bij zijn kerkeraad een met redenen omkleed verzoek in om hem eerlang ontheffing te verlenen uit zijn tegenwoordige ambtsbediening, om de op hem uitgebrachte beroeping te kunnen volgen.
2. Bestaat hiertegen bij de kerkeraad, na beoordeling der aangevoerde redenen, geen overwegend bezwaar, dan verzoekt hij twee genabuurde kerken om op korte termijn door afgevaardigden als classis contracta samen te komen, ter beoordeling van de bedoelde ontslagaanvrage.
3. Deze voldoen daaraan, na aan de andere kerken tijdig kennis gegeven te hebben van tijd en plaats waarop dit geschieden zal, met uitnodiging om eventueel door afgevaardigden daaraan mede te werken.
4. Bestaat ook bij die classis contracta geen overwegend bezwaar tegen de gevraagde ontheffing op de aangevoerde gronden, dan wordt door den dienaar des woords de beroeping officiëel aangenomen.
5. Doen zich bij de beoordeling der redenen hetzij reeds bij de kerkeraad of bij de classis contracta overwegende bezwaren voor, dan wordt de zaak naar de normaal bijeengeroepen classicale vergadering verwezen.

Nadat de datum van ontslag in overleg met de beroepende kerk behoorlijk is geregeld, wordt de acte van ontslag door de kerkeraad opgemaakt en door de classis — of in haar naam door de genabuurde kerken, die de ontslagaanvrage mede beoordeeld hebben — medeondertekend.

|51|

“In het wettelijk getuigenis zijns afscheids, volgens art. 10 K.O. aan een vertrekkend dienaar te geven, zal worden opgenomen, dat het ontslag zijner kerk ingaat op den datum, waarop hij, volgens overeenkomst met de beroepende kerk, door deze laatste zal worden ontvangen.
Voor deze datum zal in de regel gesteld worden de Zaterdag volgende op de dag, waarop de beroepen dienaar in de kerk welke hij verlaat, afscheid zal hebben gepredikt, tenzij, met onderling goedvinden, door de betrokken kerken anders mocht worden bepaald.
Van die bepaalde datum af komt de beroepen dienaar geheel voor rekening van de roepende kerk” (Amsterdam 1908).

Een afzonderlijke ontslagbrief van de classis is onnodig en principiëel onjuist.

“Of een dienaar, met bewilliging van de classe van zijn gemeente ontslagen zijnde, van zijn classe ook niet ontslagen is?
Is geantwoord, dat een dienaar, alzo ontslagen zijnde, niet verder aan zijn classe verbonden is; maar het staat hem vrij elders te dienen, waar hij beroepen is” (Middelburg 1581).

Bos, F.L. (1950) Art. 11

Art. 11.

Aan de andere zijde zal de kerkeraad, als representerende de gemeente, ook gehouden zijn haar dienaars van behoorlijk onderhoud te verzorgen, en hen niet uit hun dienst te ontslaan zonder kennis en approbatie van de classe en van deputaten der particuliere synode.

Het is een schriftuurlijk beginsel, dat de gemeente zorgt voor behoorlijk onderhoud van haar dienaren des woords, die hun leven geven aan de dienst.

“De arbeider is zijn voedsel waard” (Matth. 10: 10).

“De Heere heeft voor de verkondigers van het evangelie de regel gesteld, dat zij van het evangelie leven” (1 Cor. 9: 14).

“Hij die onderricht wordt in het woord, dele van alle goed mede aan wie dat onderricht geeft” (Gal. 6: 6).

|52|

“Het zal goed zijn de kerken aan te manen om te voorzien in de noodzakelijke behoeften van hun herders” (Antwerpen, Mei 1564).

“De gemeenten zullen zorg dragen, dat aan hun dienaren behoorlijk onderhoud gegeven worde” (Middelburg 1581).

(Vraag:) “Moet er niet tijdig gewaakt worden tegen het te hoog opvoeren van de tractementen der bedienaren des woords ..., a. opdat het onzen herders en leraars, voorbeelden der kudde, geschonken worde ook hierin der wereld niet gelijkvormig te zijn, b. opdat niet armere, kleinere gemeenten aldoor verstoken blijven, terwijl grotere en rijkere plaatsen alles tot zich trekken?
(Antwoord:) Erkend moet, dat in het algemeen zulk gevaar mogelijk is. Vergeten mag echter niet, dat, zo geheel naar de Heilige Schrift, in de Dordse Kerkenorde aan de kerkeraden de zorg is opgedragen voor behóórlijk onderhoud van de bedienaren des woords. Dat op dit ogenblik het bedoelde gevaar voor te hoog opvoeren der tractementen bestaan zou, blijkt niet uit enig feit, ter kennis der synode gebracht. Eer is het tegendeel te vrezen …” (Utrecht 1888).

“De eis Gods, dat de bedienaar des woords van zijn kerk genoeg ontvange om „zonder zorg” te kunnen leven in zijn stand; de aanwijzing van deze stand als die der door hoger onderwijs gevormden; en de ere der kerken — mitsdien ook het belang van haar arbeid — tegenover degenen die niet tot de gereformeerde kerken willen behoren, wijzen afdoende uit wat in deze „behoorlijk” zij” (rapport, Dordrecht 1893).

“De vraag, welke houding consulent en classis moeten aannemen ten opzichte van een beroep, waarbij de traktementstoezegging blijft beneden het minimum dat de classis blijkens haar aan de kerken gegeven advies nodig heeft gekeurd, kan niet door het stellen van een algemene regel afdoende worden beantwoord, daar de gevallen hiervoor te ongelijk zijn.
Het feit, dat de traktementstoezegging van een beroepsbrief beneden het minimum blijft, vormt als zodanig geen genoegzame grond om de classikale approbatie van het beroep te weigeren.
In heel deze zaak is nimmer uit het oog te verliezen het primaire belang, dat de vacante kerken worden voorzien van dienaren des woords.
Aan de andere zijde zal de classis, wanneer zij overtuigd is dat volgens de toegezegde regeling de dienaar des

|53|

woords met zijn gezin niet anders dan met grote zorg zal kunnen leven, nimmer lichtvaardig tot de approbatie mogen overgaan; en wanneer zij goede gronden heeft om te oordelen dat hierbij van de zijde des kerkeraads gebrek aan toewijding in het spel is, tegen de approbatie zelf ernstig bezwaar kunnen maken.
Wanneer een consulent geen genoegzame vrijmoedigheid heeft, voor een in de beroepsbrief voorkomende afwijking van het door de classis geadviseerde minimum de medeverantwoordelijkheid te dragen, kan hij weigeren de beroepsbrief te ondertekenen” (Middelburg 1933).

Daar de ambtsbediening den gehelen mens eist, mogen door de dienaren des woords, over het algemeen, geen bijinkomsten worden gezocht.

“Dewijl sommige dienaren van het heilig evangelie boven de dienst van het heilig evangelie zich onderwinden om andere werkzaamheden uit te oefenen, als de geneeskunde, terwijl de dienst des heiligen evangelies een gehelen mens eist, zo is het dat de broeders in de vreze des Heeren in synode vergaderd, ordineren, dat zodanige dienaars van al dergelijke dingen zullen afstand doen en naar het voorbeeld van Hand. 6, Luc. 22, 1 Tim. 4 en 2 Tim. 2 zich alleen zullen bekommeren om de bediening des woords” (Dokkum 1585).

“Of een dienaar mag tegelijk een dienaar en een medicus zijn? Gemerkt de dienst des woords den gehelen mens vereist, en naar de leer van de apostel (2 Tim. 2: 4) een krijgsknecht van Christus zich niet behoort te bekommeren om vreemde zaken, wordt geantwoord, dat een dienaar beide niet kan noch behoort beroepshalve te doen; maar zo hij de zieken in zijn eigen gemeente met raad kan helpen: dat hetzelve geschiede zonder gewin; en hierover zal de classis oordelen” (’s-Gravenhage 1586).

“Aangaande de bezigheden die door enige dienaren worde waargenomen nevens de kerkedienst is besloten, dat elke classis en kerk zorg zal dragen en oordelen hoe elke dienaar zich zal hebben te gedragen tot de meeste stichting en zonder belemmering van zijn dienst; en naar het oordeel van de classis en van de kerkeraad zal elke dienaar gehouden zijn zich te regelen” (Alkmaar 1599).

“Over de kwestie of een predikant ontvanger mag zijn, is besloten: geenszins, aangezien de ambtsbediening den gehelen mens eist” (Middelstum 1600).

|54|

“Dewijl de ervaring leert, dat somtijds de nood vereist dat door de kerkedienaren of iemand van hun huisgezin iets anders ter hand genomen wordt, hetzij koophandel of landbouw, zo zullen de classen ieder voor zich wel daarop toezien, opdat daardoor niemand aan zijn studiën te kort doe of de dienst verwaarloze” (Tholen 1602).

“Op het voorstel, dat de bedienaren des goddelijken woords zich niet mogen wikkelen in handelingen van de leeftocht, laat de synode, (eraan) herinnerende, dat het uit Gods woord duidelijk genoeg blijkt, dat een bedienaar des woords van het evangelie leven en zich met alle kracht aan de bediening van het ambt wijden moet, de beoordeling van bepaalde gevallen over aan de kerkeraden, classen en particuliere synoden” (Assen 1888).

De vraag of de predikanten die vacaturediensten vervullen, recht hebben om de bate daarvan voor zichzelf te behouden, is toestemmend beantwoord.

De vragende kerk was van oordeel:
“dat deze gelden behoren gestort te worden in de kas der classis, maar aangewend behoren te worden voor de dienst des woords. Nièt in de kassen der kèrken die de leraar afstaan voor een vacatuurbeurt. De kerken toch kùnnen voor die classisbeurten niet over haar eigen leraren beschikken, krachtens eis van het verband ... De kerk die heden moet opofferen, wordt straks, zelf vacant zijnde, gebaat”.
In de discussie werd aangewezen:
“dat een bedienaar des woords niet door zijn kerk, alsof hij haar knecht ware, kan worden uitgezonden, en dat een kerk die in kerkverband leeft, alleen in zóverre recht op hem heeft, als niet het kerkverband zijn dienst elders noodzakelijk maakt. Men geve voorts — evenals in de 17e eeuw — slechts één beurt per zondag, dan zijn geen overkomstgelden voor sprekers in de kerk die haar dienaar afstaat, nodig; ook houde men meer leeskerk in zulke gevallen. Ten overvloede neemt het naleven der belofte dat een dienaar „zonder zorg” leven kan, toch niet zijn rechten tegenover anderen weg”.
De synode besloot:
“dat de vacatuurgelden toekomen aan de leraars die de vacatuurdiensten vervullen, en voor zoverre dat door hen geschiedt” (’s-Gravenhage 1891).

Hulpbehoevende kerken dienen in de geordende weg door het kerkverband te worden bijgestaan.

|55|

“Aanbevelingen tot het doen van enige inzameling van aalmoezen zullen niet worden gegeven, omdat daardoor voedsel wordt gegeven aan bedelarij; maar zoveel doenlijk zullen de classen hun kerken, en ook, zo nodig, de synode haar classen helpen” (Amsterdam 1595).

“De synode besluit de wenselijkheid uit te spreken, dat de kerken die steun behoeven, niet voortgaan die op eigen gelegenheid te zoeken, maar dat zij in de geordende kerkelijke weg hulp vragen” (Rotterdam 1917).

“Indien enige kerk met zoveel gebrek te kampen heeft, dat zij den dienaar, welken zij beroept, niet onderhouden kan, zal de classis daarin voorzien. En ten eerste zullen meerdere naburige kerken tezamen gevoegd kunnen worden” (Emden 1571).

“Wanneer het voor de classis blijkt dat een predikant geen genoegzame bezoldiging erlangt, en dat de gemeente niet bij machte is om hem meer te geven, dan zal de classis naar middelen omzien om zulk een gemeente te hulp te komen” (Groningen 1872).

“De synode besluit dat in beginsel worde vastgehouden, dat elke kerk in eigen behoefte voorzie; dat zij bij onvermogen zich tot haar classis wende opdat deze in eigen kring zorg drage; en dat eerst bij onvermogen der classe deze zich wende tot deputaten der synode” (Leeuwarden 1890).

“Hulpbehoevende kerken worden geholpen door haar classis. Hulpbehoevenden classen wenden zich om steun voor haar kerken tot deputaten van haar particuliere synode; deze weder, bij onvermogen, tot de algemene deputaten ad hoc, van welke door elke particuliere synode, als daartoe door de generale synode gemachtigd, één benoemd wordt, en voor wie elke particuliere synode, desverlangende, een ander zenden kan” (Dordrecht 1893).

“Inzake de methode van steunverlening spreekt de synode uit,
dat er in eigenlijke zin alleen van „hulpbehoevende kerken” en niet van „hulpbehoevende classen of particuliere synoden” sprake kan zijn,
en dat het derhalve de juiste praktijk is, welke door de deputaten der generale synode ad artikel 11 K.O. tot dusverre is gevolgd, om de door een particuliere synode voor hulpbehoevende kerken binnen haar ressort

|56|

gevraagde steun aan deze kerken zelf uit te keren” (Amsterdam 1936).

“De synode besluit de deputaten voor de generale kas naar art. 11 K.O. te machtigen ... van de kerken ... telken jare een volle collecte te vragen, (en) aan de onderscheidene synodale ressorten telkens na de vaststelling van de begroting het benodigde bedrag mee te delen, opdat ieder ressort kan nagaan, wat zo ongeveer uit zijn midden mag verwacht worden, naar het percentage voor de kosten van het kerkverband” (Middelburg 1933).

“De synode besluit de kerken te herinneren aan art. 176 der Acta van Dordrecht 1893 (zie boven) en aan de latere in deze zaak door onze generale synode genomen beslissingen” 1) (Amersfoort 1948).*

1) Zulks naar aanleiding van een verzoek “in verband met het grote aantal verzoeken om steun, dat de kerken in de laatste tijd van verschillende gemeenten die hulp nodig hebben, bereikte”.

Ongevraagd ontslag mag door een kerk niet aan zijn dienaar des woords worden gegeven zonder medeweten en goedkeuring van het kerkverband.

“Het zal aan de kerken niet vrijstaan, zijn dienaar ... te ontslaan dan met tussenkomende bewilliging van het kerkverband” (Wezel 1568).

Vroeger ging zulk noodzakelijk gebleken ontslag doorgaans gepaard met de op zichzelf aanbevelenswaardige bemoeiïng van het kerkverband om de betrokken predikant aan een ander beroep te helpen. Men sprak in dit verband minder juist van verplaatsing.

“Wat men met een dienaar doen zal, die wel zuiver in de leer en vroom van wandel is, (en) nochtans geen gave heeft om in de gemeente met zijn prediking veel vrucht te doen?
Antwoord: Gelijk men de curieusheid der mensen niet behoort te voeden, zo zal — bijaldien de gemeente ter plaatse waar de dienaar staat zich beklaagt dat zijn manier van leren niet veel vrucht doet — de classis hiernaar naarstig vernemen, en zo zij het alzo bevindt, zal zij hem naar zulk een plaats verplaatsen, waar zijn dienst nuttiger zal kunnen zijn” (Dordrecht 1578).

|57|

Die verplaatsing was echter in feite behalve losmaking van het oude dienstverband niet meer dan vrijblijvende bemiddeling voor het verkrijgen van een andere beroeping.

“Is gevraagd of een dienaar, ergens op een plaats zonder vrucht dienende, gehouden is naar het oordeel van zijn classis de plaats te verlaten en een andere aan te nemen, die de classis hem bezorgen zal.
Is geantwoord: Zoveel de verlating aangaat, ja. Maar wat het aanvaarden van een andere plaats betreft, dat zal in de vrijheid van den dienaar staan, en de classis zal desniettemin in geval van weigering gehouden zijn hem getuigenis te geven” (Vlissingen 1581).

Dit ongevraagd ontslag — al of niet in samenhang met bemiddeling voor een andere beroeping — mag alleen worden gegeven om grondige, niet-censuurwaardige redenen.

“(Op de vraag) of in geval ouderlingen, tegen hun predikant kwalijk gezind zijnde, hem begeren kwijt te zijn, en de classis het beklag der ouderlingen als onrechtmatig heeft ingezien, die ouderlingen dan niet aan censuren behoren onderworpen te zijn, — is door de vergadering geoordeeld: ja. Wel te verstaan dat indien de gemeente niet door die twisten beroerd werd, de predikant blijven zal. Maar zo de gemeente de ouderlingen zou bijvallen, is het raadzaam bevonden dat hij vertrekke, mits dat de classen den predikant een goede attestatie zullen geven en zijn onschuld verklaren” (Gorinchem 1595).

“Wanneer het gebeurt, dat in enige gemeente zekere tegenzin rijst en opkomt tegen haar dienaar, waardoor deze, hebbende nochtans stichtelijke gaven, bevonden zoude worden met vrucht daar niet langer te kunnen blijven, in dat geval zal de classis door alle voegelijke middelen deze tegenzin zoeken te weren, en zo dit niet kan geschieden zal het aan het oordeel van de classis staan om hem te verplaatsen, en dat met verklaring van zijn onschuld, zo hij onschuldig is” (Middelburg 1591).

“Met tegenzin wordt beschreven een merkelijke kwalijkgezindheid, in een groot deel der gemeente tegen haar kerkedienaar opgerezen om oorzaken die de afzetting niet verdienen, en om welke men nochtans genegen is denzelven aldaar niet langer te gebruiken.

|58|

En om zulk een tegenzin — als hij in enige gemeente tegen den kerkedienaar opgerezen is — gevoegelijk te weren, zal de classis eerst onderzoeken of die tegenzin gefundeerd is of niet.
Zo hij geen grond heeft, zullen degenen die deze tegenzin hebben, door de classis onderwezen worden, opdat ze hun ongelijk mogen verstaan” (Veere 1610).

“Degenen die tegenzin hebben, zullen in dat geval gehouden zijn zich aan het oordeel van de betreffende classes te onderwerpen” (Goes 1620).

“Maar in geval dat er enige merkelijke oorzaak ware, die de tegenzin veroorzaakte, zal men die pogen weg te nemen, en degenen die tegenzin hebben alzo pogen gerust te stellen.
Doch zo dit niet zou kunnen te weeg gebracht worden, zal de classis de verplaatsing bevorderen, behalve dat de kerkedienaar in zijn volle dienst blijve totdat hij verplaatst is” (Veere 1610).

“Het middel van plaatsverwisseling der predikanten zal teruggebracht worden alleen tot de zodanigen, die in hun gedragingen onschuldig zijn en evenwel het ongeluk hebben niet wel te staan bij hun gemeente, opdat de plaatsverwisseling niet een steun zij voor onwaardige predikanten van kwaad leven, tot verwarring en bedroeving van de ene kerk na de andere, maar alleen tot behoudenis van onschuldigen en ongelukkigen, en wegneming van tweedracht en verwarring in de kerken” (Brielle 1672).

“De synode draagt aan de verschillende classes op om niet dan met de grootste omzichtigheid predikanten, vooral die nog onlangs onder kerkelijke behandeling waren, beroepbaar te stellen voor de kerk” (Rotterdam 1885).

“Er mag van art. 11 der kerkenorde geen misbruik worden gemaakt.
Ontslag uit de dienst naar art. 11 is niet geoorloofd in gevallen, waarin de artikelen der kerkelijke censuur zouden moeten worden toegepast; en na de verkregen verzoening in zulk een geval moet de predikant in zijn ambtelijke dienst worden hersteld.
Losmaking naar art. 11 mag ook niet geschieden, als de schuld van de gespannen verhouding tussen leraar en gemeente ligt bij de laatstgenoemde, en zij zonder wettige reden de losmaking begeert.
Toch neemt dit niet weg, dat er wel degelijk misstanden kunnen voorkomen, zodat predikant en gemeente niet meer kunnen samengaan, en losmaking door de classe met behulp van de deputaten der particuliere synode noodzakelijk is” (Utrecht 1905).

|59|

Zolang een losgemaakte predikant niet elders in dienst gekomen is, blijft hij in een zekereook finantiëlerelatie tot de kerk die hem ontslagen heeft, staan.

“De synode besluit, dat voortaan door de classis, lettende op de bepalingen daarvan bestaande, een predikant wel verplaatst, maar niet losgemaakt mag worden van een gemeente, of de gemeente, classis en provincie zorgen voor zijn onderhoud” (Rotterdam 1885).

“Inzake de losmaking van dienaren des woords besluit de synode, de kerken op te wekken, om bij gevallen, waarbij een leraar — over het algemeen omreden hij geoordeeld wordt, niet langer zijn gemeente met stichting te kunnen dienen — van alle ambtelijke relatie tot zijn kerk wordt losgemaakt, zonder in enige ambtelijke relatie tot een andere kerk over te gaan, maar waarbij hij, gelijk men dat noemt, beroepbaar wordt gesteld als ware hij candidaat of proponent, maar evenwel met behoud van het ambt of radicaal van bedienaar des woords, — er wel op te letten, dat naar de gereformeerde beginselen van kerkrecht in zake de verhouding van het ambt van bediening des woords tot de plaatselijke kerken en naar de vigerende kerkenorde art. 7, 11-14, ontslag des leraars van de dienst zijner kerk met behoud van zijn ambt of radicaal alleen kan geschieden, wanneer er nog een zekere ambtelijke relatie tussen beiden blijft bestaan, zij het dan ook een niet actief-ambtelijke, — opdat het ambt niet in zijn wezen worde gekrenkt of schade lijde” 1) (Groningen 1899).

1) “Prof. L. Lindeboom verzocht aantekening van zijn advies, dat de kerkorde niet weet van ontslag eens dienaars, waarbij een niet actieve ambtelijke relatie blijft, maar hetwelk inderdaad aan de ambtsbediening van zulk een dienaar in die kerk een einde maakt en dus inderdaad losmaking is, met behoud van zekere financiële verplichting dier kerk jegens den dienaar”.

“Losmaking, of beter nog: ontslag uit de dienst, wil zeggen: den betrokken leraar in een positie te brengen, dat hij in geen vaste dienst is.
Ten behoeve van dergelijke losmaking naar art. 11 een algemene regel voor de financiële verplichting der gemeente, wier dienaar losgemaakt is, te geven, acht de synode niet wel mogelijk.
Hoe groot de som van het vrachtgeld van den ontslagen dienaar zal zijn, en hoe lang het hem door de kerk

|60|

welke hij diende, zal worden gegeven, dient aan de kerkeraad en de classis te worden overgelaten.
Bij de regeling van de wachtgelden moet echter ook gerekend worden met de positie van de vrouw en de minderjarige kinderen van den predikant die van zijn kerk is losgemaakt, indien hij in de tijd waarin het wachtgeld hem is toegezegd, mocht komen te overlijden. Aanspraak op pensioen kan de weduwe van een losgemaakten dienaar niet maken, aangezien deze door zijn losmaking of ontslag zijn aanspraken op emeritaatsgelden verloren heeft” (Utrecht 1905).

In verband met de positie van een predikant in het kerkverband geschiede van zulk een ontslag kennisgeving aan de kerken met opgave van redenen.

“De synode bepaalt, dat kennisgevingen betreffende het losmaken van leraars van hun gemeenten, aan de kerk gericht, met opgave van redenen moeten geschieden” (Rotterdam 1885).

“Van elke losmaking zal op discrete wijze aan de classen der gereformeerde kerken in Nederland kennis gegeven worden, met volledige opgave van redenen” (Utrecht 1905).

Verplaatsing — d.w.z. ontslag met bemiddeling door het kerkverband voor een andere beroeping — om finantiële redenen is terecht uit de kerkorde geschrapt (1905).
Wordt deze verplaatsing slechts opgevat als bemiddeling om een predikant in moeilijke omstandigheden elders te doen beroepen, dan blijft de oude bepaling van betekenis.

“De gemeenten zullen worg dragen dat aan hun dienaren behoorlijk onderhoud gegeven wordt. En wanneer zij hierin hun ambt niet doen, zo zal de classis oordelen of ze vandaar te nemen zijn” (Middelburg 1581).

“De classis zal, bij gebrek aan onderhoud, oordelen, of de dienaars te verzetten zijn of niet” (’s-Gravenhage 1586; Dordrecht 1618/19).

Predikantswisseling door wederzijds gelijktijdig beroep van elkanders — en ontslag van eigen dienaar des woords, is, als de betrokken dienaren daarin

|61|

bewilligen, een kerkrechtelijk niet onmogelijke figuur, die eveneens in moeilijke situaties kan worden toegepast.

“Geen wisseling van dienaar zal geschieden dan in tijd van vervolging of uiterste nood, wanneer de persoon van den dienaar wordt gezocht door de vijanden van de waarheid, of dat zijn persoon schadelijk zal zijn voor de kudde; en dit met wederzijds goedvinden van de beide kerken die de zaak aangaat.
Ook wegens enige andere oorzaak van groot gewicht, waarover de synode 1) zal kunnen oordelen, zullen de kerken door wederzijdse toestemming en overeenkomst van dienaar kunnen wisselen” (“Teurs” 1563).

“Wanneer een dienaar zodanig zal vervolgd worden, dat hij niet zonder groot gevaar zijn last zal kunnen uitvoeren in de kerk waar hij geroepen is, zal hij voor een tijd kunnen wisselen met een andere kerk, en dit met advies en goedvinden van de beide kerken.
En indien de dienaars zich niet aan het oordeel van de beide kerken willen onderwerpen, zal de zaak gerapporteerd worden op de volgende provinciale synode. 1)
Er zal ook een wisseling kunnen plaats hebben om andere redenen, welke zullen worden voorgesteld en beoordeeld ter provinciale synode” 1) (Armentiers 1563).

1) Classicale vergaderingen bestonden toen nog niet.

“In zake verwisseling van predikanten besluit de synode aan kerken en dienaren des woords te adviseren naar de volgende regelen te handelen:
1. indien twee kerken en haar dienaren des woords door onderlinge samenspreking tot overeenstemming in zake de verwisseling van predikanten gekomen zijn, gaan deze kerken op dezelfde dag over tot de beroeping van elkaars dienaren des woords en ontvangen later op deze wijze van beroeping de approbatie der classis;
2. aan de particuliere synoden wordt door de generale synode aanbevolen elk twee deputaten naar art. 49 K.O. aan te wijzen, tot wie de kerken en (of) dienaren des woords zich kunnen wenden als tot vertrouwensmannen om in gevallen als bovengenoemd van raad en bijstand te dienen, en
3. bedoelde deputaten van een particuliere synode kunnen zich verstaan met die van een ander ressort, opdat verwisseling tussen kerken uit verschillende ressorten desgewenst worde bevorderd” (Sneek 1939).

Bos, F.L. (1950) Art. 12

|62|

Art. 12.

Dewijl een dienaar des woords, eens wettelijk als boven beroepen zijnde, zijn leven lang aan de kerkedienst verbonden is, zo zal hem niet geoorloofd zijn zich tot een andere staat des levens te begeven, tenzij om grote en gewichtige oorzaken, waarvan de classe kennis nemen en oordelen zal; welk oordeel de classis niet zal uitspreken zonder kennis en approbatie van de deputaten der particuliere synode.

Wat geldt van een ambtsdrager die elders beroepen wordt, dat hij zijn ambt niet eigenmachtig mag neerleggen, geldt in versterkte mate als iemand tot een andere staat des levens zou willen overgaan. Over het algemeen kan met dit doel geen ontheffing worden verleend, omdat de dienaar des woords zich voor zijn leven aan de dienst heeft verbonden.

“Want Demas heeft mij uit liefde voor de tegenwoordige wereld verlaten” (2 Tim. 4: 10).

Uiteraard geldt die levenslange verbondenheid niet voor hen, die buiten dienst geraakt (zie art. 11), niet elders beroepen worden.

“Dewijl de dienaars hun leven lang aan hun dienst verbonden zijn, zo is het niet geoorloofd dat zij zich tot een andere staat des levens begeven of ook hun dienst onderlaten, ten ware dat zij geen gemeente hadden om te bedienen” (Dordrecht 1578).

Er kunnen echter ook andere klemmende redenen zijn, die ontheffing wettigen. Over het gewicht der redenen daartoe dient, om misbruik te voorkomen, het kerkverband mede te oordelen.

“Een dienaar des woords, wettelijk beroepen zijnde, is aan de kerk van Christus zijn leven lang verbonden, alzo dat hij, zolang de gemeente welke hij dient bestaat, zijn dienst niet onderlaten noch enige andere beroeping des levens aanvaarden mag, zonder het oordeel van de particuliere synode” (Middelburg 1581).

“Dewijl een dienaar des woords eens wettelijk, als

|63|

boven, beroepen zijnde, zijn leven lang aan de kerkedienst verbonden is, zo zal hem niet geoorloofd zijn zich tot een andere staat des levens te begeven, tenzij om grote en gewichtige oorzaken, waarvan de classe kennis nemen en oordelen zal” (’s- Gravenhage 1586; Dordrecht 1618/19).

“De kennis en het oordeel der classis heeft deze betekenis, dat de classe de redenen moet weten om welke enig dienaar zich tot een andere staat des levens begeven wil, en meteen oordelen over de gewichtigheid van die redenen, ten einde dat zodanig oordeel gevolgd worde” (Veere 1610).

“De generale synode wenst onverzwakt te handhaven het beginsel, in art. 12 K.O. uitgesproken, dat een dienaar des woords, eens wettelijk beroepen zijnde, zijn levenlang aan de kerkedienst verbonden blijft, waarom het hem niet geoorloofd zal zijn zich tot een andere staat des levens te begeven zonder grote en gewichtige oorzaken.
De generale synode, gelet hebbende op het droeve feit, dat in de laatste tijd meermalen dienaren des woords, niet alleen buiten, maar ook in onze kerken hun ambt hebben neergelegd, om een beroep te kiezen dat financiëel voor hen voordeliger was, bindt den dienaren des woords met name op het hart, dat het hun niet geoorloofd is om dergelijke redenen het heilig ambt, door Christus hun toevertrouwd, te verlaten, waaraan zij echter evenzeer de vermaning toevoegt tot de kerken, om niet door te karige bezoldiging van haar dienaren tot zulk een zondige daad aanleiding te geven.
De generale synode vermaant de classen, die naar art. 12 K.O. geroepen zijn om haar oordeel uit te spreken over de grootte en het gewicht van de oorzaken, die zulk een overgang tot een andere staat des levens alleen wettigen, om aan dit artikel streng de hand te houden, en zodanig verzoek om uit de kerkedienst ontslagen te worden niet anders toe te staan, dan wanneer naar haar oordeel daartoe dringende gronden aanwezig zijn.
De generale synode kan aan het verzoek om nader te omschrijven, wat onder deze grote en gewichtige oorzaken te verstaan zij, opdat in dezen meer uniformiteit kome, moeilijk voldoen, omdat de gevallen daarvan te onderscheiden zijn en elk geval afzonderlijk moet behandeld worden.
De generale synode is echter van oordeel, dat in het vervolg het verlof om tot een andere staat des levens over te gaan niet zal geschonken worden door de classis alleen, maar dat daarbij moet gevraagd worden approbatie van de deputaten der particuliere synode,

|64|

weshalve de synode besluit art. 12 K.O. aldus aan te vullen, dat daarbij gevoegd worden de woorden: welk oordeel de classis niet zal uitspreken zonder kennis en approbatie van de deputaten der particuliere synode” (Leeuwarden 1920).

Hij, aan wien aldus ontheffing uit zijn ambt is verleend, verliest zijn radikaal als predikant.
Bij wijze van uitzondering wordt tegenwoordig aan hen, die overgaan tot ander kerkewerk of zodanige geestelijke arbeid die met de roeping tot verkondiging van het evangelie in verband staat, naar analogie van art. 13 K.O. het voorrecht vergund, de naam en de eer van een dienaar te behouden.
Indien enigszins mogelijk handele men in deze gevallen liever naar art. 6.

“Het behoud van de naam en ere van een dienaar des woords komt rechtens volgens art. 13 K.O. alleen toe aan zulke dienaren, die door ouderdom, ziekte of anderszins onbekwaam geworden zijn tot hun dienst, en behoort in geval een dienaar des woords de kerkedienst verlaat om zich aan een ander levensdoel te wijden alleen als vóórrecht en bij wijze van uitzondering door de kerken te worden geschonken” (Leeuwarden 1920).

“De classen zullen niet lichtvaardig de naam en ere van een dienaar des woords laten behouden aan dienaren, die hun ambt verlaten om naar een ander beroep over te gaan, maar zullen zich houden aan de regel, dat zulk een voorrecht alleen behoort geschonken te worden aan zulke dienaren, die geroepen worden tot een andere dienst ten bate der kerken in het gemeen of tot een zodanige arbeid, die een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het evangelie in verband staat” (Leeuwarden 1920).

“De synode besluit bij de kerken er op aan te dringen, dat ze geen voormalige dienaren des woords, welke tot een andere staat des levens zijn overgegaan, uitnodigen om voor te gaan in de kerkedienst” (Arnhem 1930).

Eventuele nieuwe beroepbaarstelling staat ter beoordeling van de instanties, die aan de ontheffing uit het ambt hebben medegewerkt.

“De generale synode acht het op zichzelf niet onmogelijk,

|65|

aan het verzoek van een predikant, die vroeger op grond van art. 12 K.O. tot een andere staat des levens is overgegaan en nu begeert in het ambt van dienaar des woords hersteld te worden, te voldoen, maar oordeelt dat de vraag of het geraden en wenselijk is, afhangt van de staat des levens waartoe hij overging, en van de motieven die hem daarbij geleid hebben. Voorts spreekt zij uit, dat de beoordeling van zulk een geval niet bij de generale synode thuis hoort, maar bij de classis, met wier medewerking het ontslag uit de dienst verleend is” (’s-Gravenhage 1914).

Wie eigenmachtig zijn ambt neerlegt, maakt zich schuldig aan trouweloze verlating van de dienst, en worde, wijl schorsing en afzetting onmogelijk is, onwaardig verklaard tot de kerkedienst.

“Zoveel zijn misbruiken en ergernis, bij hem door het verlaten van zijn dienst gegeven, aangaat, zal de classis bij hem ernstig met vermaningen aanhouden tot zijn beterschap, en bij gebreke daarvan (overgaan) tot ontzetting en onbevoegd verklaring tot de kerkedienst” (’s-Gravenhage 1591).

“In geval hij in zijn ergernis evenwel nog zal voortgaan zonder de vermaning aan te nemen en na te komen, zo zal de classe ... hem onbevoegd verklaren tot de kerkedienst en dat hij voortaan voor geen kerkedienaar zal erkend worden, en bij gebreke van nog verdere beterschap met hem handelen gelijk met een particulier persoon der gemeente behoort” (Leiden 1592).

“De synode, aanmerkende zijn ... trouweloze verlating van zijn dienst, dewelke hij evenals alle andere dienaren niet mocht verlaten zonder wettige redenen, door de classe of synode gewichtig bevonden, ... heeft den voorszeiden persoon verklaard mits dezen vervallen te zijn van alle kerkelijke diensten en bediening, ter tijd toe, dat hij ... de kerk behoorlijke genoegdoening zal hebben gegeven en met dezelve waarlijk en ten volle zijn verzoend” (Utrecht 1619).

“De synode besluit dat aan iemand, die moedwillig zijn ambt neerlegde zonder bewilliging en tegen het advies van de kerkeraad en de classis, niet anders dan om zeer bijzondere redenen — d.i. redenen niet in den betrokken persoon, maar buiten hem in het kerkelijk leven gelegen, b.v. wanneer uit de kerken de begeerte zou opkomen hem weer als dienaar des woords hersteld te zien of wanneer er groot gebrek aan dienaren des woords

|66|

zou zijn of om andere redenen — weder de weg tot het ambt behoort te worden geopend” (Arnhem 1930; Middelburg 1933).

Bos, F.L. (1950) Art. 13

Art. 13.

Zo het geschiedt dat enige dienaars door ouderdom, ziekte of anderszins onbekwaam worden tot uitoefening van hun dienst, zo zullen zij nochtans desniettemin de ere en de naam van een dienaar behouden, en van de kerk die zij gediend hebben, eerlijk, in hun nooddruft — gelijk ook de weduwen en wezen der dienaren in het gemeen — verzorgd worden.1)

1) Zie voor het nieuwe art. 13a pag. 346 en pag. 37.

Daar een dienaar des woords voor zijn leven beroepen is, mag hij bij ouderdom of ziekte of dergelijke ongelegenheden niet worden ontslagen.
Hij blijft ten einde toe dienaar des woords van de kerk, waaraan hij tot zolang was verbonden.
Opdat echter de dienst geen schade lijde, behoort hij, ongeschikt geworden, ontheffing te ontvangen van de uitoefening van zijn directe ambtsplichten.

“In geval dienaren door ouderdom of ziekten of andere zodanige ongelegenheden ongeschikt geworden zijn om hun taak waar te nemen, zal hun de eer verblijven en zullen zij door hun kerken onderhouden worden, welke onderwijl zullen worden voorzien van een ander die hun taak zal overnemen” (Antwerpen, Mei 1564).

Ofschoon zulke van hun directe ambtsplichten ontheven dienaren evenals alle andere dienaren des woords krachtens speciaal mandaat van de kerkeraad ambtsbezigheden kunnen verrichten, zijn voor hen mèt de verplichtingen óók de aan de actieve dienst verbonden rechten vervallen.

“Een emeritus-dienaar mag een lid van de kerkeraad zijn waar hij dienaar geweest is, wanneer hij als een lid der gemeente daartoe wordt verkozen, maar niet ten aanzien van zijn vorige bediening, waarvan hij tevoren vrijwillig afstand gedaan heeft” (Gorinchem 1642).

|67|

Het recht op verzorging van zich en zijn gezin blijft onverkort van kracht.

“Wanneer het geschiedt dat een getrouwe dienaar door ouderdom of krankheid gebroken zijnde, zijn ambt niet langer bedienen kan, zo zal de gemeente toestaan (d.i. de plicht der gemeente zijn) te bezorgen, dat hem uit de publieke middelen zoveel toegelegd wordt, waarop hij de rest van zijn leven eerlijk (d.i. met ere) en bekwaam doorkomen moge.
Dat ook de weduwen en wezen der dienaren niet vergeten worden” (Middelburg 1581).

“De gemeente waar enig dienaar het laatste gediend heeft, behoort in de nooddruft van zijn weduwe en wezen te voorzien, en wanneer de gemeente daartoe onbekwaam is, zal de classis of provincie bijstaan” (Amsterdam 1849).

“De uitvoering van art. 13 K.O. is geen barmhartigheid, maar een van Godswege geboden verplichting. Elke kerk heeft in dezen voor haar eigen dienaren des woords te zorgen. De kerken moeten daarom haar leden wijzen op de verplichting, die volgens onze kerkenordening in dezen op de kerken rust. Kan zulk een kerk niet in deze behoefte voorzien, dan wende zij zich tot haar classis, en deze wende zich tot de deputaten der synode in zake uitvoering van art. 13 K.O.” (Leeuwarden 1890).

“De verzorging van emeriti-predikanten en van predikantsweduwen en -wezen, gegrond in de eis van Gods Woord en voorgeschreven door art. 13 K.O., is niet een zaak van barmhartigheid, maar recht der genoemde personen en plicht der betrokken kerken” (Dordrecht 1893).

“De plaatselijke kerk, die in de verzorging van haar emeritus-predikant of predikantsweduwe en -wezen zelve niet kan voorzien, ontvangt, daardoor hulpbehoevend geworden, ondersteuning van de andere kerken in de classis, in de provincie, en zo nodig van de gezamenlijke kerken” (Middelburg 1896).

“De synode besluit geen regeling voor de uitvoering van art. 13 K.O. bij de kerken aan te bevelen; de aanbeveling door vorige synoden gedaan van de regeling in zake de uitvoering van art. 13 K.O. niet meer voor haar rekening te nemen; (en) zich ertoe te bepalen de kerken op te wekken ten aanzien van de uitvoering van art. 13 K.O. de schriftuurlijke regelen in de kerkenordening vervat en in het rapport naar voren gebracht na te leven” (Groningen 1946).*

|68|

“Het woord „nooddruft” in art. 13 betekent niet behoefte, maar lévensonderhoud, en het is niet de vraag of de diènaar het emeritaatstraktement wenst te ontvàngen, maar of het de roeping der kèrk is, het áán te bieden …
Is hij slechts zeer kort in het ambt dienstbaar geweest, en overvalt hem ziekte of ongeval, waardoor hij tot de dienst onbekwaam wordt: hij heeft recht niet op een aalmoes, maar op nooddruft, evengoed als een dienaar, die op hoge leeftijd geëmeriteerd wordt.
Die nooddruft zal voor den een ruimer moeten berekend worden dan voor den ander: de Heere schikt vaak de omstandigheden verschillend en maakt de behoeften niet altijd gelijk.
En evenals de dienaar eerlijk dient verzorgd, zo hebben ook zijn weduwe en kinderen recht op voldoènd levensonderhoud.
Want wat de dienaar en zijn nabestaanden genieten is voortgezet traktement. Daarom spreke men niet van pensioen of uitgesteld loon, maar van emeritaatstraktement. Dit traktement is het éérste honorarium, dat uitgekeerd moet worden. Eer men bij emeritering kan denken aan een nieuwen predikant, heeft men te denken aan den predikant die men heeft: den emeritus. Hij heeft de oudste rechten, voor hem moet eerst gezorgd ... Wanneer dus een gemeente in zorgen komt, geschiedt dit niet door het emeritaats-traktement, maar de moeilijkheden komen dan, als men zorgen moet voor het traktement van den tweeden predikant. Wanneer een kerk tot dit laatste niet in staat is, wordt ze hulpbehoevend ... en heeft het recht de hulp der zusterkerken in te roepen …
Vanzelf dient die hulp niet te worden ingeroepen als de gemeente zelf niet het uiterste gedaan heeft. En tot dat doen van het uiterste behoort ook, dat men het niet late aankomen op het moment dat de tweede dienaar zijn intrede doet, maar dat men zo vroeg mogelijk en zo veel mogelijk maatregelen neme om bij de komst van dien tweeden dienaar niet verlegen te staan. Bijtijds zorgen, bijtijds voorzorgsmaatreglen nemen, wordt in Gods woord nooit afgekeurd, maar aanbevolen” (Rapport Groningen 1946).*

De emeritus-verklaring behoort naar analogie van art. 11 en 12 te geschieden met kennis en oordeel van het kerkverband.

“De emeritus-verklaring geschiedt, indien nodig, op aanvrage van de belanghebbenden — hetzij predikant of

|69|

kerkeraad — door de classis, gesteund door de deputaten der provinciale synode” (Dordrecht 1893).

“De deputaten der particuliere synode naar art. 49 K.O. zullen zich overtuigen:
a. dat er is een aanvrage om emeritaat;
b. dat, indien die aanvrage uitgaat van den dienaar des woords, er ook is een verklaring van zijn kerkeraad, dat deze daarin bewilligt;
c. dat de reden „onbekwaamheid tot uitoefening van de dienst” aanwezig is;
d. dat, is ziekte oorzaak der onbekwaamheid, die uit een verklaring van twee bevoegde deskundigen blijkt;
e. dat de classis de aanvrage gewettigd acht;
f. dat de classis zich heeft vergewist, dat de kerkeraad behoorlijke toezegging aan den dienaar heeft gedaan van zijn emeritaats-onderhoud;
g. dat bij de bepaling van dit emeritaatsonderhoud gehandeld is naar de besluiten der generale synoden;
h. dat van een en ander een behoorlijk ondertekend stuk is opgemaakt, waarvan gewaarmerkt afschrift aan de betrokkene kerk en den betrokken dienaar is gegeven” (Arnhem 1902).

“Het is voor den dienaar een ere, zijn Koning te dienen zolang hij kan; is het niet meer in volledige dienst, dan misschien in een deel van het dienstwerk. En niet als de rust hem bekoort, b.v. na veertigjarige diensttijd, maar als onbekwáámheid hem noopt, legt hij de herderstaf neer” (Rapport Groningen 1946).*

Bos, F.L. (1950) Art. 14

Art. 14.

Zo enige dienaars om de voorgeschrevene of enige andere oorzaken hun dienst voor een tijd onderlaten moesten, hetwelk zonder advies des kerkeraads niet geschieden zal, zo zullen zij nochtans ten allen tijde de beroeping der gemeente onderworpen zijn en blijven.

Tijdelijke ontheffing van de uitoefening der gewone ambtsplichten kan plaats vinden om allerlei redenen.
Vroeger geschiedde dit veelal op aandrang van het kerkverband voor zaken van algemeen belang: hulp aan een verlegen kerk, reformatie van een kerk of landstreek, legerdienst, arbeid aan bijbelvertaling enz.

|70|

Ten behoeve van de reformatie van de Meyerij b.v. werd op het voorstel „dat uit elke classis dezer provinciën een of twee predikanten naar gelegenheid aldaar zouden gezonden worden bij lening, tot de tijd dat die plaatsen met goede predikanten zouden verzorgd zijn”, besloten stappen te doen om te bereiken dat „door de synoden of haar gedeputeerden en door de classen van elke provincie zodanige lening verzocht en verkregen moge worden”. Wat de uitvoering betreft, „zo zullen terstond de classen, hetzij gewoon, hetzij buitengewoon daartoe tezamen te roepen, bekwame personen uitmaken, aan welke classen het staan zal de tijd te stellen hoe lang die daar zullen blijven, mits dat niemand zal mogen wederkeren, voordat een ander in zijn plaats gesteld en gekomen zij ...” (Delft 1648).

Voor een dergelijke lening is vereist de toestemming van de persoon zelf en de bewilliging van de betrokken kerk.

“Alzo men na dezen verstaan heeft, dat de kerk van D. en ook S. zelve in de lening van zijn persoon tot dienst van de kerk van G. zwarigheid maakte, zo is besloten ... dat twee uit deze vergadering ... naar G. zullen reizen om met de kerkeraad ... van G. verder te overleggen van een bekwaam en haar aangenaam persoon, die voor een tijd aldaar bij lening zal worden verzocht” (Leiden 1619).

“Dewijl B. zijn redenen heeft ingebracht, waarom hij gaarne wilde ontslagen wezen van de deputatie tot de vertaling van de nederlandse bijbel, zo is het nochtans dat B. op het ernstig verzoek der synode dit heeft aangenomen. Zal derhalve aan ... de kerk van Z. geschreven worden en verzocht, dat zij gelieven wilde den voorszeiden B. op ’t verzoek der synode tot dit werk te laten gebruikt worden …” (Arnhem 1598).

Ook als de dienaar zelf tijdelijk verlof begeert — b.v. voor studieredenen — is uiteraard bewilliging van zijn kerkeraad noodzakelijk.

“De synode besluit, dat in art. 14 K.O. naar het oordeel der synode het woord „advies” moet verstaan worden als „bewilliging” (Utrecht 1923).

Bij dit tijdelijk verlof blijft de ambtelijke relatie tot de kerk, die verlof verleent, volkomen intact. Hun gemeente kan hen ten allen tijde terugroepen.

|71|

“Zo zij ook om deze of enige andere oorzaken hun dienst voor een tijd nalaten moeten, zo zullen zij nochtans zich ten allen tijde der beroeping der gemeente onderwerpen” (Dordrecht 1578).

“Of diegene, die om een wettelijke oorzaak zijn dienst onderlaten heeft, zich ten allen tijde aan de beroeping der kerk schuldig is te onderwerpen? Antwoord: ja” (Middelburg 1581).

Tijdelijk verlof, gepaard gaande met losmaking van de band aan de kerk die verlof verleent, is in strijd met art. 14 K.O.

Onwettig was derhalve het besluit:
“dat, wanneer het in art. 14 K.O. bedoelde verlof, aan een predikant verleend, om een tijdlang de dienst te onderlaten, ten gevolge zou hebben, dat daardoor de band tussen hem en de kerk die hij diende, losgemaakt werd, dit verlof door de kerkenraad niet zal verleend worden zonder dat de classis daaraan haar goedkeuring heeft gehecht” (Utrecht 1923).

Bos, F.L. (1950) Art. 15

Art. 15.

Het zal niemand geoorloofd zijn, de dienst zijner kerk onderlatende, of in geen vaste dienst zijnde, hier en daar te gaan prediken buiten consent en autoriteit der synode of classe.
Gelijk ook niemand in een andere kerk enige predikatie zal mogen doen of sacramenten bedienen, zonder bewilliging van de kerkeraad van die kerk.

De directe bevoegdheid van een dienaar des woords tot ambtelijk optreden is tot zijn eigen kerk of standplaats beperkt.
Optreden als reizend prediker is ongeoorloofd.

“Het betaamt niemand van de ene plaats naar de andere te reizen om te prediken, dewijl het ambt der apostelen en evangelisten voor lange tijd in de gemeente Gods opgehouden is” (Dordrecht 1578).

“Uit macht van de synode zal aan ... ( N.N.) ... geschreven worden, dat hij alleen in zijn eigen pastorieën ... predike, en niet bij wijze van simonie omlope om op

|72|

andere plaatsen ter wille van loon te prediken, en zulks op straffe van schorsing in zijn dienst en traktement” (Harderwijk 1599).

Waar geen geordend kerkelijk leven voorhanden is, is ambtelijk optreden gebonden aan het mandaat van de kerken, binnen welker verband de betreffende plaats valt.

“Het zal niemand geoorloofd zijn hier en daar te gaan prediken, niet hebbende enige zekere plaats, buiten consent en autoriteit van de synode of classis” (Middelburg 1581).

“De classen zullen vlijtige zorg dragen, dat het onwettig lopen der dienaren (om) op vacante plaatsen te prediken, geen beroeping van dezelve hebbende en zonder bewilliging van de classis, waaronder zulke plaatsen gelegen zijn, niet langer moge voortgaan, maar in dezen de besluiten der synoden onderhouden, en naar dezelve de overtreders ernstig straffen” (Harlingen 1610).

Ambtelijk optreden in een andere kerk is gebonden aan het mandaat van de betrokken kerkeraad.

“De dienaar van de ene kerk zal niet kunnen prediken in een andere zonder de bewilliging van den dienaar van dezelve. In diens afwezigheid zal de kerkeraad hem daarvoor mandaat kunnen geven” (Antwerpen, Mei 1564).

“Het zal geen dienaar geoorloofd zijn in een andere gemeente te prediken zonder bewilliging van den dienaar en de kerkeraad van die gemeente, of, bij afwezigheid van den dienaar, zonder die van de kerkeraad” (Emden 1571).

“Geen dienaar zal zich vervoegen op een vreemde plaats (om aldaar) onberoepen of niet wettig daartoe verzocht zijnde te prediken” (Leeuwarden 1598).

Optreden buiten de gemeenschap der kerk op tijden dat de gemeente vergadert, is tevens gebonden aan de toestemming van de kerkeraad, binnen welks ressort dit optreden valt.

|73|

“De vergadering oordeelt dat de leraar die in enige plaats predikt waar de Heere een christelijke afgescheidene gereformeerde gemeente heeft verzameld, zonder dat die leraar de toestemming van de kerkeraad der plaats heeft ontvangen, zich aan grove miskenning van des Heeren werk schuldig maakt, en terwijl in onze kerkordening art. 15b en 80 dergelijke inbreuk op eens anders dienst veroordeeld wordt, wenst de vergadering, dat de aandacht van de kerkbesturen steeds ernstig op deze artikelen gevestigd zij” (Franeker 1863).

“Geen leraar onzer kerk zal buiten onze gemeenschap mogen prediken op tijden dat er bij ons godsdienstoefening wordt gehouden, zonder toestemming van de kerkeraad der plaats, behoudens het recht van appel volgens art. 31 K.O.” (Groningen 1872).

“De kerkeraad besluit om aan al zijn dienaren het preken in andere dan gereformeerde kerken te verbieden ter plaatse en ten tijde dat er in de Gereformeerde kerk dienst des woords gehouden wordt” (Kerkeraadsbesluit Middelburg 25 Juni 1917).

Anderzijds behoort een kerkeraad geen niet door het kerkverband erkende predikanten op de kansel toe te laten.

“De synode vermaant alle opzieners, nauwkeurig toe te zien, dat niet voor de gemeente iemand, van elders komende, optrede, van wien zij niet de overtuiging hebben, dat hij met ons geheel in de leer der kerk verenigd is, en tot een kerk behoort, die de gemeenschap met de kerk, door de Heere in dit land geopenbaard, toont te onderhouden” (Leiden 1857).

Bos, F.L. (1950) Art. 16

Art. 16.

Der dienaren ambt is, in de gebeden en bediening des woords aan te houden, de sacramenten uit te reiken, op hun medebroeders, ouderlingen en diakenen, mitsgaders de gemeente, goede acht te nemen, en ten laatste met de ouderlingen de kerkelijke discipline te oefenen en te bezorgen dat alles eerlijk en met orde geschiede.

De ambtelijke taak van den dienaar des woords omvat in het algemeen de geestelijke verzorging en leiding der gemeente, het laatste tezamen met de ouderlingen.

|74|

“Het is buiten kijf, dat het ambt der dienaren, welke de Schrift herders en opzieners en somtijds ook oudsten en ouderlingen noemt, voornamelijk bestaat in het woord Gods te verkondigen, recht te snijden en toe te passen, zowel in het openbaar als aan de huizen, tot lering, vermaning en vertroosting naar de omstandigheden dit medebrengen, en in de bediening der sacramenten en de onderhouding der tucht” (Wezel 1568).

“Het ambt van de dienaren des woords is,Gods woord zuiver te prediken, de sacramenten te bedienen, zorg te dragen over alle lidmaten van de kerk, de slappen en onachtzamen in ’t bijzonder te bidden, te vermanen, te berispen en te straffen, de zieke en benauwde personen te bezoeken, met het goddelijk woord te vertroosten en door vurige gebeden tot God op te wekken; eindelijk toe te zien dat in Gods huis — waarvan de bediening hun toebetrouwd is — alle dingen met orde en gepast geregeld worden, en voorts te doen, wat tot stichting der kerk dient” (Rotterdam 1575).

Wat betreft de stof der prediking verdienen de volgende oude besluiten opmerking:

“Men zal een boek der heilige schrifture ordelijk na elkaar uitleggen, opdat de preken door te veel tekst niet te lang vallen, ’t volk van het misverstand afgetrokken en tot het rechte verstand van de gehele Schrift bekwamelijker gebracht worde.
Aangaande de stof der predikatiën is goedgevonden, dat men het volk allermeest uit het Nieuwe Testament onderwijzen zal. Het zal ook wel in de vrijheid der dienaren staan, uit het Oude Testament te prediken met raad en advies van den kerkeraad” (Dordrecht 1574; vrijwel evenzo Dordrecht 1578).

“Het is raadzamer dit niet hier en daar een stuk, maar een geheel boek des ouden of nieuwen testaments uitgelegd worde, maar met dit onderscheid, dat men zulke boeken verkieze, welke het meest passend zijn voor de gelegenheid der kerk” (Middelburg 1581).

“De synode acht het voor behoorlijk, dat de lijdensgeschiedenis jaarlijks in de dorpen verklaard worde” (Groningen 1605).

“Alle predikers zullen gehouden wezen ’t allen jare zeven weken voor pasen te prediken (over) het lijden des Heeren” (Assen 1619).

|75|

De volgende opmerkingen over de wijze en duur der prediking zijn nog te behartigen:

“Men zal een goede en draaglijke vertaling der heilige schrift den volke van de preekstoel voorlezen en dezelve zonder hoogwichtige redenen niet berispen, om geen ... libertijnse verachting van Gods geschreven woord in de harten der toehoorders te verwekken.
Men zal altijd in de predikatiën meer acht hebben op de stichting der eenvoudigen en ongeleerden dan der geleerden, overmits het getal der ongeleerden veel groter is dan der geleerden, en het een andere zaak is in de school te leren als in de kerk.
Daarom zal men aflaten van subtiele argumentatiën ... en van verdelingen en onderverdelingen die uit al te veel leden bestaan, om de memorie der toehoorders niet te bezwaren boven vermogen” (Harlingen 1584).

“Of men de zonden alzo mag beschrijven op de preekstoel, die bestraffende, dat men de persoon die misdaan heeft, zijnde een lidmaat der gemeente, lichtelijk kan kennen, zonder voorafgaande vermaning? Antwoord: neen” (’s-Gravenhage 1586).

“Alle dienaren des woords worden vermaand, dat zij niet al te hevig zijn in de bestraffing inzonderheid der papisten, opdat alle bitterheid vermeden blijve, (en dat zij) ook niet te hoge niet-stichtende vragen in de prediking voorstellen” (Zutfen 1596).

“(De dienaar) zal zich hoeden, dat hij niet door al te lang gerekte predikatiën zowel het geheugen van de toehoorder belast als zijn ijver afstompt en de maag met weerzin aantast. Waarom hij zich zal beijveren om zijn rede binnen het bestek van een uur te beperken” (Wezel 1568; soortgelijk Dordrecht 1574).

Hoewel rigoureus, ligt er toch iets zeer behartigenswaardigs in de bepaling van de Waalse kerken in zake critiek op prediking:

“Indien iemand enige zinsnede van den dienaar bij de prediking van Gods woord heeft misverstaan of niet goed kan vatten, zal hij gehouden zijn om zich beter te laten inlichten door een ouderling of diaken; en indien hij door hun antwoord niet kan worden bevredigd, moet hij zich om opheldering tot den dienaar zelf wenden. Degene die zonder zich te laten inlichten er met een ander over spreekt, zal naar de kerkelijke tucht als een

|76|

kwaadspreker worden bestraft op een wijze, zoals de kerkeraad het zal beoordelen” (Antwerpen 1576).

Vgl. 1 Tim. 5: 19: „Gij moet geen klacht tegen een ouderling aannemen, tenzij er twee of drie getuigen zijn”.

Tot de taak van den dienaar des woords behoort mede het ziekenbezoek.

“Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de ouderlingen der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken…” (Jak. 5: 14).

“Al wie ziek te bed liggen, zullen hun ongesteldheid door middel van de ouderlingen of diakenen aan den dienaar des woords bekend maken, opdat hij er zo nodig of zelf naar toe ga en de zieke met het antwoord van God worde vertroost, óf die taak aan de ouderlingen of diakenen opdrage, waar hij er wegens andere openbare en gewichtiger werkzaamheden minder toe in de gelegenheid is” (Wezel 1568).

“Het is het ambt van de dienaren des woords om de zieken te bezoeken, en het is gevaarlijk zekere personen daartoe te ordineren 1). Daarom zullen de dienaars van de ouderlingen en diakenen begeren, dat zij hen hierin met hun arbeid helpen willen, omdat het hun ambt meer dan dat van andere christenen is, de zieke, arme en troosteloze lidmaten te bezoeken, te troosten en te sterken.
Der dienaren ambt is ook, als het nodig is, bij het bed van de zieken de naam des Heeren aan te roepen” (Dordrecht 1574).

1) Bedoeld zijn de z.g. ziekentroosters of vermaners, die veelal in stichtingen en op schepen werden gebruikt.

“Op de vraag of een dienaar des woords mag nalaten om hen die aan de pest ziek liggen te bezoeken, omdat hij door het volk geschuwd wordt, is geantwoord: daar God bevolen heeft de zieken te bezoeken, en geen onderscheid van ziekte gemaakt heeft, zijn zij schuldig om, geroepen zijnde, tot zulke mensen te gaan, en niet geroepen zijnde, maar wetende dat men hen nodig heeft, ook te gaan. Doch de dienaars zullen hierin niet stout en onvoorzichtig handelen, en zo zij merken dat zij meer breken dan timmeren, zal de kerkeraad hiervan kennis dragen en oordelen” (Dordrecht 1574).

Bij wijze van aanhangsel volge hier nog een wijze

|77|

opmerking over de kleding der predikanten, waaromtrent zo dikwijls is getwist.

“Alzo in Gods woord nergens een zekere wijze van kleding staat voorgeschreven, en de mensen, ongelijk van karakter zijnde, mede ongelijk zijn in hun kleding en gewaad, zo is het nochtans dat de dienaren der synode, wetende dat zij door den Heere gesteld zijn om zijn kerk op te bouwen, waartoe zij zich dagelijks ook benaarstigen, verklaren dat zij bereid zijn een ieder in zijn zwakheid tegemoet te komen zoveel dat mogelijk is, en zich alzo willen gedragen, dat zij in hun kerken geen ergernissen zullen geven” (Edam 1604).

Bos, F.L. (1950) Art. 17

 

Art. 17.

Onder de dienaren des woords zal gelijkheid gehouden worden aangaande de lasten van hun dienst, mitsgaders ook in andere dingen, zoveel mogelijk is, volgens het oordeel van de kerkeraad en — dies van node zijnde — van de classe; hetwelk ook in ouderlingen en diakenen te onderhouden is.

Het gaat hier voornamelijk over de positieverhouding tussen de dienaren des woords in een grotere gemeente met meerdere predikanten.
Krachtens de gelijkwaardigheid van hun ambt is hun rechtspositie volkomen gelijk.

“En aangaande de dienaren des woords, in welke plaats zij ook zijn, zij hebben eenzelfde macht en autoriteit, zijnde allen dienaars van Jezus Christus, den enigen algemenen bisschop en het enige hoofd der kerk” (N.G.B. art. 31).

Daarom dient ook alle niet strikt noodzakelijk onderscheid in dienst enz. te worden vermeden. Aldus besloot de synode van Middelburg 1581 — het thans nog geldende artikel — met duidelijke correctie van een besluit van de synode van Dordrecht 1578.

“De dienaars des woords en de ouderlingen zullen met gemene bewilliging, naar de gaven van een iegelijk dienaar mogen ordineren wie, wat en in welke plaats prediken zal. En zo hierover enige zwarigheid valt, hetzij

|78|

bij de dienaren of de gemeente, zo zal men op de ordinaire (= gewone, als regel vastgestelde) wijze voortvaren tot de tijd toe dat de zaak door de classis beëindigd is, dewelke voorzichtig zal toezien dat niemand boven reden verheven of veracht worde” (Dordrecht 1578).

“Aangaande het ... (bovengenoemde) ... artikel van de nationale synode van Dordrecht is, om enigheid onder de dienaren te onderhouden, (en) alle kwade verdenkingen, wantrouwen en voorrang te vermijden, voor goed aangezien, dat in deze landen (d.i. Gelderland en Overijssel) de toerbeurt bij de prediking en gelijkheid onder de dienaren zal onderhouden worden” (Zutfen 1580).

“De synode verordineert, dat er gelijkheid in de dienst zal gehouden worden van de dienaren naar het besluit van de synode van Middelburg, ten ware men gewichtige reden had, waarom hetzelve niet kon geschieden, hetwelk niet zal toegelaten worden zonder advies van de kerkeraad en de andere dienaren van de classis” (Harlingen 1590).

In zake de kerkregering is er ook gelijkgerechtigdheid tussen dienaren des woords en ouderlingen.

“In de kerkregering zijn de dienaren des woords niet in macht verheven boven de ouderlingen, maar zijn allen aan elkander gelijk in macht” (Huish. Regl. 1839).

Bos, F.L. (1950) Art. 18

Art. 18.

Het ambt der doctoren of professoren in de theologie is, de heilige Schrifture uit te leggen en de zuivere leer tegen ketterijen en dolingen voor te staan.

De professoren of doctoren zijn aan te merken als gespecialiseerde leraars der kerk.

“Ofschoon het onderwijzen wel de zaak is van alle pastors, is toch de zorg voor de kudde in het bijzonder aan de herders toebetrouwd, terwijl aan de doctoren is opgedragen zowel de vorming der herders als het onderwijzen der gehele kerk” (Calvijn op Ef. 4: 11).

Zijn zij tevoren reeds predikant, dan worden zij

|79|

ontheven van hun gewone dienstwerk, met behoud van hun ambtsbevoegdheid.
Met hun speciale taak staan zij in dienst van de verbonden kerken, die via hun synoden met behulp van deputaten de professoren benoemen, instrueren, controleren enz.
De kerken pretendeerden dit recht ook reeds, toen er nog geen sprake was van een hogeschool der kerken.

“Dat niemand tot het professoraat in de theologie beroepen worde dan met stemming van de synode of van haar deputaten, aan welken het zal vrijstaan enige dienaren uit elke classe erbij te roepen om over deze beroeping met elkander te beraadslagen, indien soms die beroeping niet tot de volgende synode zou kunnen worden uitgesteld …
Dat aan de professoren in de h. theologie verboden worde nieuwe gevoelens voor te stellen, strijdig tegen de in de kerk aangenomen leer; en dat hun niet worde toegelaten om bij wijze van probleem zonder reden bedenkingen tegen de aangenomen leer op te werpen.
Dat de theologische professoren ter synode verschijnen en daar van hun leer rekenschap afleggen en zich aan het oordeel der synode onderwerpen” (Dordrecht 1618/1619).

“De synode verstaat buiten twijfel te zijn, dat de theologische professoren aangaande ’t stuk der leer aan het oordeel der synoden volgens de orde der kerken onderworpen zijn en behoren te blijven” (Gorinchem 1622).

“De deputaten-curatoren oefenen toezicht op de belijdenis van de hoogleraren en lectoren (der theologische hogeschool), opdat alles uit hun onderwijs geweerd blijve, wat afbreuk zou doen aan de belijdenis der kerken.
De aanstelling van hen, die aan deze hogeschool in vaste dienst onderwijs geven, geschiedt na voordracht van de curatoren door de generale synode, aan welke voordracht de synode echter niet gebonden is.
De hoogleraren en lectoren moeten leden zijn van één van de gereformeerde kerken in Nederland, ondertekenen bij hun optreden het ondertekeningsformulier voor de hoogleraren en leraren der theologische hogeschool ..., en verbinden zich tot onderwerping aan het toezicht van curatoren, behoudens beroep op de generale synode” (Groningen 1946). *

De voornaamste taak van de theologische professoren

|80|

is de wetenschappelijke vorming van dienaren des woords.

“De generale synode,
overwegende dat de uitoefening van het promotie-recht door de hogeschool der kerken bevorderlijk is aan het bereiken van het doel der opleiding tot de dienst des woords, en daarom is in het profijt der kerken;
overwegende ook, dat die uitoefening eveneens van groot belang is voor de bezetting van haar leerstoelen in de toekomst,
spreekt uit, dat de hoogleraren aan de theologische hogeschool voortaan gebruik maken van hun bevoegdheid tot het afnemen van het doctorale examen en het verlenen van de doctorstitel in de godgeleerdheid;
en geeft daarmee opdracht aan curatoren der hogeschool, het gebruik-maken van die bevoegdheid mogelijk te maken” (Enschede 1945). *

Krachtens de aard van hun dienst hebben zij mede tot taak om de kerken van voorlichting te dienen.

“De kerkedienaren, kerken en kerkeraadscollegiën mogen wel aan de professoren of theologische faculteiten consulten vragen over bedenkingen van religie of orde. Edoch, dat de judicature (= rechterlijke waardigheid) verblijve bij de kerk” (’s-Gravenhage 1634).

“Theologische professoren zullen zich de kerkelijke regering niet aanmatigen noch zich daarmede bemoeien, tenzij zij daartoe kerkelijk gedeputeerd zijn” (Overijsel 1631).

Hun verschijning als praeadviseurs ter synode, welke vroeger incidenteel op uitdrukkelijk verzoek geschiedde, is sedert het midden van de vorige eeuw als vaste gewoonte bestendigd.

“(Prof.) Danaeus is ontboden en is enige dagen ter synode geweest. De kosten in de herberg en de reiskosten heeft de synode betaald” (Middelburg 1581).

Brief van de synode aan Prof. Saravia:
“... alzo wij ... uw advies en behulp begeren te gebruiken, zo is ons ernstig verzoek en begeren, dat U ... zich aanstonds hier wilt vervoegen ... om de vergadering met uw advies te assisteren in ’t gene de gelegenheid zal vereisen” (’s-Gravenhage 1586).

|81|

“Voor deze vergadering is aangenomen, dat al de docenten op de synode zullen zijn en tevens praeadviserende stem zullen hebben” (Leiden 1857).

“Onder luid applaus wordt besloten, dat ook voortaan al de docenten als praeadviserende leden de synode zullen bijwonen” (’s-Hertogenbosch 1875).

“Een der docenten doet de vraag: zijn alle docenten verplicht de synode als praeadviserende leden bij te wonen? ... Het voorstel om bij het oude te blijven wordt met acclamatie aangenomen” 1) (Rotterdam 1885).

1) Nadat door meerderen de opmerking gemaakt is, „dat het dan ook bij prae-advies moet blijven”.

“Kan een praeadviserend lid der synode ook een voorstel doen of doen aantekenen?
Het kan, mits zulk een voorstel door een lid der vergadering gesteund wordt” (Rotterdam 1885).

“Inzake de positie als praeadviseurs ter synode aanvaardt de synode de volgende conclusies:
a. Het is in de lijn der vaderen en het is steeds een wijs beleid der kerken geweest, om voor haar synoden de hoogleraren in de theologie uit te nodigen.
b. De synode beperke niet het aantal uit te nodigen hoogleraren, maar blijve voortgaan met allen uit te nodigen en adviserende stem te geven aan allen.
c. De synode richte haar werkmethode zo in, dat den hoogleraren, zowel als den gewonen leden, naar dat zij gewenst oordeelt, het maken van rapporten wordt opgedragen” (Zwolle 1946).

“De synode, overwegende dat uit de kerken het verlangen aan de synode kenbaar is gemaakt om de invloed van de hoogleraren op de handelingen der generale synode minder groot te maken;
gehoord het rapport van de commissie met voorstellen om de positie van de hoogleraren op de synode vast te maken;
doet over de positie van de hoogleraren op de generale synode geen uitspraak” (Amersfoort 1948). * 1)

1) Deputaten hadden voorgesteld:

“1. De roepende kerk voor elke te houden generale synode doe de voor het agendum der synode binnenkomende rapporten en de binnenkomende voorstellen van algemene en principiële strekking niet slechts tijdig aan de kerken, maar gelijktijdig ook aan de theologische hoogleraren van de Theologische Hogeschool toekomen, met het verzoek om eventuele schriftelijke prae-adviezen over de

|82|

voorgestelde en gerapporteerde zaken vóór het samenkomen der synode bij haar in te dienen.
2. Elke generale synode beslisse zelf of zij een of twee der hoogleraren zal uitnodigen om de vergadering van advies te dienen zo dikwijls dit door haar bij monde van den praeses wordt verlangd.
3. Men vermijde voortaan in officiële stukken de term „prae-adviserende of adviserende leden” maar gewage eenvoudig van prae-adviseurs en adviseurs.
4. Men geven aan de dienaren van de roepende kerk en aan de hoogleraren-adviseurs als gasten een ereplaats” (Rapport inzake Praeadviseurs ter synode).
Naar aanleiding van dit rapport wendden verschillende kerken zich tot de synode. Meerdere daarvan groepeerden zich rondom het voorstel van de kerk van Nieuwendam-Amsterdam N., waarin gevraagd werd, dat er besloten zal worden om te blijven bij de algemene regel, om, zo men bij het afwerken van de agenda tot het inzicht komt, dat voor enig punt hulp van buiten de vergadering nodig of gewenst is, dan voor de behandeling van dat punt raad te vragen, met dien verstande, dat de raadgevers de vergadering van de synode of een harer commissies verlaten, wanneer dat punt is afgehandeld.
De commissie ter synode van Amersfoort 1948 stelde voor te besluiten:
Vanwege de plaats die de Heere aan de hoogleraren in het leven der kerken gaf, en opdat de kerken in haar generaal-synodale vergaderingen van de gaven der hoogleraren van haar eigen school alle profijt genieten, wordt de goede gewoonte, de hoogleraren als adviseurs ter synode uit te nodigen en hen alle aan de kerken te zenden stukken eveneens te doen toekomen, bestendigd.
Men behoort de hoogleraren bij voorkeur niet met de arbeid van rapporteurs te belasten.

Bos, F.L. (1950) Art. 19

Art. 19.

De gemeenten zullen, voor zoveel nodig, arbeiden, dat er studenten in de theologie zijn, die door haar onderhouden worden.

In het onderhouden van studenten oefenen de kerken geen barmhartigheid. Niet de hulpbehoevendheid van studenten beweegt hen daarbij, doch enkel de roeping tot instandhouding van de kerkedienst.

|83|

“De gemeenten zullen alle mogelijke vlijt aanwenden, dat sommige studenten van goede hoop door de overheid of andere particuliere personen in groter scholen onderhouden worden, dewelke naderhand tot de dienst des woords zullen kunnen gebruikt worden” (Dordrecht 1578).

“Alzo — doordien weinig particuliere personen hun kinderen ter school houden voor de kerkedienst — te bezorgen staat, dat in toekomende tijden de gemeenten door gebrek aan bekwame predikanten tot grote duisternis en verwoesting vervallen zullen, zo is het dat de synode goed gevonden heeft, dat men in de eerstkomende vergadering van de Staten van Zeeland zowel schriftelijk als mondeling zal aanhouden om een zeker getal te noemen van door de classen te verkiezen studenten, als ook om toewijzing van onderhoud daarvoor, ten einde door dit middel den kerken een zaad bereid en in de gezonde leer onderhouden worde” (Vlissingen 1581).

Dit is een zaak die niet op de overheid of op particulieren mag worden afgeschoven — gelijk vroeger helaas veelszins gebeurde — maar waar de kerken zelf voor verantwoordelijk zijn.

“Door de synode wordt als beginsel vastgesteld, dat de classen in eigen kring moeten werkzaam zijn, om jongelieden, aan wie de Heere blijkbaar die bijzondere gaven en begeerte schonk, welke goede verwachting geven, dat zij als dienaars des woords met vrucht in de kerken zullen kunnen arbeiden, zo zij minder bemiddeld zijn, tot de studie in staat te stellen.
Zulke jongelingen zullen met advies der classe door een kerk of door meer kerken gezamenlijk van goede middelen moeten worden voorzien” (Utrecht 1888).

Om de bedoeling van deze zorg tot haar recht te doen komen is het gewenst, dat er weer een zedelijke band gelegd worde tussen aldus opgeleide jonge mensen en de hen onderhoudende kerken.

“Die uit deze verstrooiïng zich in enige stad verzameld hebben zullen sommige studenten onderhouden, die zij aan zich verbonden houden.
Als degenen die hen onderhouden hebben hun dienst missen kunnen, en toelaten dat enige andere kerk hen

|84|

geheel en al aan zich toegewezen houdt, zullen zij (van die kerk) de gemaakte kosten terug kunnen eisen; echter niet als zij ze slechts voor een tijd gunnen” (Emden 1571).

“De dienaren en ouderlingen der kerken in steden en dorpen van dit kwartier zullen naarstig arbeiden en bij hun gemeenten gevoegelijk aanhouden om ze zo mogelijk te bewegen, te willen verstrekken tot onderhoud van sommige studenten die zich van goede hoop tonen, welke aan dit kwartier verbonden zouden blijven (en) van dewelke de kerken in toekomende tijden gediend en verder opgebouwd zouden kunnen worden” (Amsterdam 1578).

“Dat de kwekelingen der kerken veelvuldig onderzocht worden ... in tegenwoordigheid van de gedeputeerden der (particuliere) synode” (Dordrecht 1618/19).

Bos, F.L. (1950) Art. 20

Art. 20.

In de kerken, waar personen zijn, die volgens art. 8 bekwaam geoordeeld zijn om tot de dienst des woords te worden voorbereid, zal men tot hun oefening het gebruik der propositiën kunnen instellen.

Zoals dit artikel thans luidt, is het feitelijk overbodig, daar het stuk van de private proposities voor de praktische vorming van ongestudeerde personen reeds in artikel 8 is geregeld.
Oorspronkelijk waren deze private proposities ook bestemd voor de praktische vorming van studenten en hun nadere voorbereiding voor het praeparatoir examen.

“In grotere kerken zal het de moeite waard zijn dat er private proposities worden gehouden, waarin in het preken geoefend worden degenen, van welke goede hoop bestaat dat zij eens de kerk kunnen dienen; en om de orde te bewaren zal een dienaar aan die actie leiding geven” (Emden 1571).

“In de gemeenten waar studenten zijn in de theologie, zullen dezelve alle weken in een bijzondere samenkomst, daartoe bestemd, in de tegenwoordigheid van de dienaren des woords in ’t proponeren geoefend worden, opdat zij door het oordeel en de vermaning van dezen alzo tot de dienst mogen bekwaam gemaakt worden” (Dordrecht 1578).

|85|

“Men zal ook in de gemeenten, waar men bekwame personen heeft, ’t gebruik der propositiën aanstellen, opdat zij (nl. de studenten) door zulk een oefening tot de dienst des woords bereid mogen worden” (Middelburg 1581).

“Of het niet goed is, dat de ouderlingen mede bij de propositiën zijn, zowel van degenen die uit de scholen komen als die niet gestudeerd hebben? Antwoord: Ja, zo zij daartoe tijd vrij kunnen maken” (Middelburg 1581).

“De synode vindt het gans nodig en dienstig ..., dat tenminste in de grote steden een of twee studenten een tijdlang mogen geoefend worden in ’t proponeren voor de kerkeraad en de classe, en dat deze zullen staan onder het toezicht van de kerkeraad in die steden” (’s-Gravenhage 1599).

“Dat de studenten zullen moeten bewijs tonen, dat zij tenminste een jaar zich hebben geoefend in proposities, hetzij onder professoren, hetzij onder enig predikant of predikanten.
Dat niemand tot het praeparatoir (= voorbereidend) examen zal worden toegelaten, dan die zich tevoren drie maanden aan enige classis, waar hij wenst geëxamineerd te worden, heeft aangegeven, en gedurende die tijd met alle naarstigheid in proposities voor de gedeputeerden der classis zich zal hebben geoefend en ter proeve gesteld” (Dordrecht 1666; Delft 1667).

De private proposities van studenten worden thans uitsluitend aan de theologische hogeschool gehouden.
Zie voor publieke proposities bij artikel 3.
Wat betreft de verdere oefening tot het ambtswerk zijn nog de volgende bepalingen opmerkenswaard:

“En indien iemand met stichting en zonder onrust in de gemeente te veroorzaken zich verder in Gods woord begeert te oefenen, dat hem zulks met goede raad van en in onderlinge eendracht met den dienaar of de dienaren van zijn gemeente zal vrij staan” (Leiden 1592).

“Eveneens zullen zij ook mogen worden toegelaten tot de bijeenkomsten van de kerkeraad, mits zij beloven alles wat daar passeert geheim te houden, opdat zij alzo door behoorlijke oefening zowel in de regering der kerk als in het leren te bekwamer gemaakt mogen worden tot de dienst der kerk, waartoe zij naderhand zullen beroepen worden” (’s-Gravenhage 1599).

|86|

“Men heeft beraadslaagd over enige vragen, behorende tot de voornoemde voorbereiding (dergenen die naar het predikambt staan). De eerste was of aan de studenten in de heilige theologie en die naar het predikambt staan, toegelaten behoort te worden, openlijk voor ’t volk predikatiën te doen. De tweede, of de bediening van de doop hun behoorde toegelaten te worden. De derde, of het oorbaar is, dat zij in de bijeenkomsten, de kerkeraden en classen, verschijnen. De vierde, of het geraden is, dat zij openlijk in de kerken in het voorlezen van de heilige Schrift gebruikt worden om hen te oefenen. Al de redenen naarstig overwogen zijnde, is geordonneerd, dat de bediening des doops aan niemand behoort toegelaten te worden dan aan zodanigen die na voorgaand volkomen examen tot de heilige dienst zijn toegelaten. Maar aangaande de resterende oefeningen heeft de synode geoordeeld dat dezelve wel tot een zodanige voorbereiding nuttig waren, maar of en wie tot die oefeningen zouden zijn toe te laten, of met stichting zouden kunnen toegelaten worden, dat zulks gelaten zou worden in de vrijheid en discretie van de kerken, kerkeraden en classen. Is ook goedgevonden dat men deze dingen aan alle kerken niet scherp zou gelasten, maar dat het genoeg zou zijn, dat het maar ernstig aan de kerken werd aanbevolen” (Dordrecht 1618/19).

Bos, F.L. (1950) Art. 21

Art. 21.

De kerkeraden zullen alom toezien, dat er goede schoolmeesters zijn, die niet alleen de kinderen leren lezen, schrijven, spraken en vrije kunsten, maar ook dezelve in de godzaligheid en in de catechismus onderwijzen.

Opvoeding is een taak van de ouders.

“Zij zullen Mijn woorden hun kinderen leren” (Deut. 4: 10).

“Gij zult ze (d.i. Mijn geboden) uw kinderen inscherpen” (Deut. 6: 7).

“Gij vaders, voedt uw kinderen op in de tucht en in de terechtwijzing des Heeren” (Ef. 6: 4).

Daarom ligt het schoolonderwijs allereerst voor de verantwoordelijkheid van de ouders.

“De ouders zullen als herders van hun gezinnen om hun kinderen in de vreze des Heeren te vormen, vermaand worden om hen niet te zenden naar scholen of welke

|87|

andere inrichtingen ook waarin zij zouden kunnen worden bedorven of gedrenkt met slechtheid van leven of leer” (Antwerpen, Pinksteren 1565).

“De synode oordeelt dat volgens Gods woord en de beginselen der gereformeerde kerk betreffende de opvoeding der jeugd de ouders in de eerste plaats de roeping hebben, krachtens de bij de doop afgelegde belofte, om voor christelijke opvoeding en dus ook voor christelijk onderwijs hunner kinderen te zorgen” (Groningen 1872).

“De synode ... het ten zeerste betreurende, dat zowel het openbaar hoger- en middelbaar als lager onderwijs in ons land met een geest doortrokken is, die het gebruik maken ervan door kinderen der christenen hoogst bedenkelijk maakt, spreekt als haar vurige wens uit dat:
de leden onzer kerk zich ten sterkste gedrongen mogen gevoelen om met alle kracht de oprichting van inrichtingen zowel voor hoger-, middelbaar en lager onderwijs te bevorderen” (’s-Hertogenbosch 1875).

“De synode besluit den kerken nadrukkelijk te ontraden zelf scholen te stichten” (’s-Gravenhage 1891).

“De synode spreekt de wenselijkheid uit, dat de scholen, als behorende niet van de kerken maar van de ouders uit te gaan, zich als verenigingen bij de hoge overheid laten erkennen” (Dordrecht 1893).

De kerk, die opzicht heeft te oefenen over al haar leden, heeft hierbij toezicht te oefenen, èn dat de ouders in dezen hun plicht doen, èn dat de kinderen een onderwijs en opvoeding overeenkomstig Gods woord ontvangen.

“Het zal hoog van node zijn, dat overal waar men particuliere scholen opricht, zekere opzieners verkoren worden, die niet alleen op de naarstigheid en getrouwheid der leermeesters, maar (ook) op de toeneming der jeugd goede acht nemen, en alle insluipende fouten verbeteren” (Middelburg 1581).

“De deputaten der synode zullen ter gelegener tijd bij de heren Staten aanhouden, dat om der wille van meerdere enigheid tussen de kerken en scholen de kerken en classen mochten belast worden om enig toezicht op de scholen en schoolmeesters te nemen, gelijk van oude tijden herwaarts ’tzelve christelijk en wel waargenomen is” (Rotterdam 1594).

“(In zake zuiver christelijk onderwijs aan de kinderen)

|88|

zullen de predikanten niet nalaten de scholen dikwijls te visiteren, acht nemende op de jeugd en de boeken die zij leren, ook daarover met de ouders zelf te spreken en die met bescheidenheid en christelijke onderrichting daartoe zoeken te brengen” (Zutfen 1620).

“De synode besluit, alles in aanmerking nemende met betrekking tot de staat enz., heden niet meer te moeten doen dan de gemeenten ernstig op te wekken, dat zij zorgen dat de kinderen als behoorlijke burgers en goede christenen worden opgevoed, opdat zij in ’t opwassen zich als zodanig mogen openbaren” (Middelburg 1869).

“De synode, oordelende dat ... ook de gemeente des Heeren een heilige verplichting jegens de kinderen der christenen te vervullen heeft, besluit de aandacht inzonderheid der kerkeraden te vestigen op de christelijke lagere, bewaar- en zondagscholen, om de oprichting en instandhouding overeenkomstig plaatselijke omstandigheden en behoeften te bevorderen, en vooral er op te letten dat het godsdienstig element van het onderwijs in de scholen waarlijk christelijk gereformeerd zij, door hun liefderijk en getrouw toezicht op de scholen uit te oefenen in overleg met de plaatselijke schoolbesturen” (Groningen 1872).

“De synode besluit:
1. de kerken te wijzen op het verband tussen haar als geïnstitueerde kerk en de door haar leden te stichten of reeds gestichte vrije scholen, en er bij haar op aan te dringen dat zij dit verband doen werken:
a. door het houden van toezicht op het onderwijs in heel zijn omvang in die scholen gegeven, met dien verstande, dat de kerkeraad zich alleen heeft in te laten met de strekking van het onderwijs voor zoverre het de opvoeding der kinderen raakt als gedoopten.
Dit zou dan kunnen geschieden door leden van de kerkeraad, aan wie de bevoegdheid werd verleend, de scholen te allen tijde binnen te treden, hiertoe te deputeren.
b. door het oefenen van barmhartigheid tegenover arme of minbedeelde ouders.
Die zou dan kunnen geschieden door de diaconie, het orgaan voor de kerkelijke barmhartigheid.
2. de kerken aan te sporen om, zo dit nog niet bestaat, ten spoedigste te komen tot een contractuële regeling met de besturen der vrije scholen, waarbij bovengenoemd toezicht bedongen en steun beloofd wordt” (’s-Gravenhage 1891).

“De synode besluit nièt in te gaan op het voorstel ... (om) te verklaren, dat de bepalingen der kerkenorde ... over de roeping der kerken ten opzichte van het

|89|

gereformeerd lager onderwijs niet meer beantwoorden aan de eis der omstandigheden, en de grondgedachten, welke hierbij gelden moeten, niet voldoende vaststaan” 1) (Leeuwarden 1920).

1) De synode kwam daartoe op grond van een rapport, waarin o.a. werd opgemerkt:
“Het is wel degelijk roeping van de kerkeraad om ook nu nog toe te zien dat er christelijke scholen zijn en dat daaraan ook religieus onderwijs wordt gegeven; alleen zullen de kerkeraden daartoe thans niet bij de overheid hebben aan te dringen, maar de christelijke ouders in dezen op hun plicht hebben te wijzen.
En evenzeer spreekt het vanzelf, dat de kerkeraden ook nu, zij het door contractueel verband met de besturen der scholen, moeten trachten toezicht te verkrijgen èn op de geschiktheid van de onderwijzers èn op het religieus gehalte van hun onderwijs.
Hoe echter dit toezicht op het onderwijs moet plaats vinden kan de generale synode niet voor alle kerken vaststellen, daar dit zal afhangen van de plaatselijke omstandigheden en van de bereidwilligheid van het schoolbestuur om zulk een toezicht toe te laten”.

Bos, F.L. (1950) Art. 22

Art. 22.

De ouderlingen zullen door het oordeel des kerkeraads en der diakenen verkozen worden, volgens de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door de kerkeraad vastgesteld is; bij welke regeling het naar de gelegenheid van iedere kerk vrij zal zijn, van tevoren de gemeenteleden in staat te stellen op geschikte personen de aandacht te vestigen, en voorts vrij zal zijn, voor de verkiezing zelve zoveel ouderlingen als er van node zijn aan de gemeente voor te stellen, om, van diezelve — ten ware dat er enig beletsel voorviel — geapprobeerd en goedgekeurd zijnde, met openbare gebeden en stipulatiën bevestigd te worden, of een dubbel getal aan de gemeente voor te stellen, om het door haar gekozen halve deel op dezelfde wijze in de dienst te bevestigen, volgens het formulier daarvan zijnde.

Principiëel staat de beroeping der ouderlingen op één lijn met die van de dienaren des woords.
Ze bestaat in verkiezing, approbatie en bevestiging,

|90|

over welke elementen over het algemeen bij art. 4 der kerkorde voldoende is gezegd.
Bij verkiezing en approbatie behoort nauwkeurig op de vereisten voor de ambtsbediening te worden gelet.

“Een opziener moet zijn onbesproken, man van één vrouw, nuchter, ingetogen, beschaafd, gastvrij, bekwaam om te onderwijzen, niet aan de wijn verslaafd, niet opvliegend, maar inschikkelijk, niet strijdlustig of geldzuchtig, een goed bestierder van zijn eigen huis, die met alle waardigheid zijn kinderen in toom houdt; hij mag niet een pas bekeerde zijn; hij moet ook gunstig bekend staan bij de buitenstaanden” (1 Tim. 3: 2-7).

“Gij zult als ouderlingen aanstellen mannen die onberispelijk zijn, één vrouw hebben, die gelovige kinderen hebben die niet in opspraak zijn wegens losbandigheid of die van geen tucht willen weten. Want een opziener moet onberispelijk zijn als een beheerder van het huis Gods, niet aanmatigend, niet driftig, niet aan de wijn verslaafd, niet op oneerlijke winst uit, maar gastvrij, met liefde voor wat goed is, bezadigd, rechtvaardig, vroom, ingetogen, zich houdende aan het betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen” (Tit. 1: 5-9).

“Met alle kracht zal men er zich op toeleggen, dat die dingen aanwezig zijn die Paulus vereist: namelijk een onbestraffelijk leven, zuivere religie, uitstekende godzaligheid, geestelijke wijsheid, waarbij het bovenal nuttig zal wezen, dat enige kennis ook van burgerlijke zaken gevoegd is. Vóór alle dingen zullen zij zover mogelijk verwijderd zijn van alle eerzucht en begeerte naar roem, ja ook van alle vermoeden van eerbejag” (Wezel 1568).

“De ouderlingen zullen door de kerkeraad verkoren worden, weinig in getal, rijp in oordeel en wijsheid” (Rotterdam 1575).

Bij de verkiezing van meerdere ambtsdragers tegelijk uit een door de kerkeraad gesteld dubbel getal kunnen zich verschillende moeilijkheden voordoen, waarin vooraf door een regeling dient te worden voorzien.
1. Meer dan het vereiste aantal personen kan de volstrekte meerderheid der uitgebrachte stemmen op zich verenigen. Degenen die de meeste stemmen op zich verenigd hebben, behoren dan verkozen te worden verklaard.
2. Minder dan het vereiste aantal personen kan de

|91|

volstrekte meerderheid der uitgebrachte geldige stemmen op zich verenigen. Men kan dan eerst een vrije herstemming voor het aantal nog te vervullen vacaturen houden uit degenen die nog niet verkozen zijn. Levert ook die vrije herstemming nog geen voldoende resultaat op, dan kan men een herstemming houden tussen het dubbelgetal dergenen die bij de laatste stemming het grootste aantal stemmen behaalden, en dit zo nodig herhalen, totdat het vereiste aantal is verkozen. Men kan ook de vrije herstemming achterwege laten, en aanstonds tot de laatstgenoemde wijze van herstemming overgaan.
3. Hebben meerdere personen dan benodigd zijn een gelijk aantal stemmen op zich verenigd, dan kan men, vóórdat men onder aanroeping van de naam des Heeren het lot laat beslissen, trachten door een afzonderlijke stemming tussen die personen tot de nodige keuze te komen.

De approbatie der gemeente heeft geen betrekking op het gestelde dubbel getal doch op de gekozenen.
Wèl is het gewenst, dat de nominatie acht dagen voor de verkiezing wordt bekend gemaakt, om de stemgerechtigde leden in de gelegenheid te stellen, rustig hun oordeel te bepalen.

“Het recht der benoeming der ouderlingen zal bij de kerkeraad staan, alzo dat het naar gelegenheid van elke kerk de kerkeraad vrij zal staan, of een enkel getal van zo vele ouderlingen als er nodig zijn aan de gemeente voor te stellen om aangenomen te worden, ten ware dat zij iets daartegen hadden, of een dubbel getal, uit hetwelk na beproeving van acht dagen de helft verkoren zal worden, dewelke, verkoren zijnde, zullen daarna nog andere acht dagen aan de gemeente voorgesteld worden eerdat zij in hun dienst worden bevestigd” (Dordrecht 1578).

“Geliefde christenen, gijlieden weet, hoe wij nu tot onderscheidene reizen u voorgedragen hebben de namen van onze tegenwoordige medebroeders, die tot de dienst van het ouderlingschap dezer gemeente verkòzen zijn, om te vernemen of iemand wat had, waarom zij in hun

|92|

ambt niet behoren bevestigd te worden” (Form. v. bevestiging).

“De commissie van rapporteurs oordeelt dat de synode het doorgaan ener nominatie moet veroordelen, als er wettige bezwaren tegen de genomineerde personen worden ingebracht.
De synode verenigt zich nièt met de conclusie van het rapport; zij raadt de kerkeraad in dergelijke gevallen wel de hoogste voorzichtigheid aan, maar houdt zich overigens aan art. 22 der Dordtse kerkorde, waarin het beginsel aangenomen is, dat eerst de verkórenen aan het oordeel der gemeenten over hun geschiktheid tot de bediening worden onderworpen” (Zwolle 1882).

Niemand mag zich willekeurig aan een wettige roeping onttrekken.
Alleen de kerkeraad kan om gegronde redenen ontheffing verlenen.

“Voortaan zullen geen ouderlingen of diakenen zich van een dergelijke last afmaken zonder wettige reden, waarover men in de kerkeraad zal kunnen oordelen” (Antwerpen 1563).

“Voortaan zal niemand die tot een openbare bediening als ouderling of diaken geroepen is, een dergelijke taak kunnen neerleggen, tenzij er een wettige en noodzakelijke reden voor is; waarover de kerk zal kunnen oordelen naar gelang zij de noodzaak voor hem die zijn ontslag vraagt, zal inzien” (Doornik 1563).

“Indien zij die verkozen zijn, zonder wettige reden weigeren te dienen, zullen zij worden vermaand, gebeden en gedreigd met het oordeel van God. Indien zij zich noch door gebeden noch door bedreigingen laten bewegen, zal men hen niet kunnen dwingen” (“Teurs” en Armentiers 1563).

“Of een ouderling, wettig verkoren zijnde, het ambt mag weigeren aan te nemen?
Antwoord: neen, ten ware om zeer gewichtige oorzaken, van welke de kerkeraad en zo het nodig is, de classis kennis zal nemen” (Dordrecht 1578).
“Wanneer een ouderling of diaken, wettig door de kerkeraad tot de dienst beroepen zijnde, zonder wettige oorzaken het ambt niet aannemen wil, zal de kerkeraad hem voor zich roepen om de redenen van zijn weigering aan te horen, en zo hij alsdan niet voor de kerkeraad verschijnen wil, zal hij, ettelijke malen door twee broeders

|93|

vermaand zijnde, een tijdlang van het avondmaal worden afgehouden” (Nijmegen 1582).

“Hoe men handelen zal met die personen, dewelke door de meeste stemmen verkoren zijnde tot ouderlingen en diakenen, weigeren die dienst aan te nemen, zonder enige reden te willen geven.
Is geresolveerd, dat men de zodanigen bij wijze van overreding daartoe zal zoeken te bewegen, en zo dat van hen niet is te verkrijgen, dat men hen — na voorgaand overleg met de kerkeraad — zal aanzeggen, dat zij voortaan onbekwaam zullen gehouden worden tot enige kerkelijke diensten” (Gorinchem 1642).

De vraag, „of een lidmaat, die wegens drukke bezigheden het ambt niet kan bedienen, daarom zou mogen worden afgehouden van het avondmaal, wordt ontkennend beantwoord” (Leeuwarden 1654).

“Niemand die wettig door Gods gemeente tot enige dienst in de gemeente geroepen wordt, zal zich aan de opvolging van zodanig beroep willekeurig mogen onttrekken, zo hij na gedaan onderzoek daartoe bevoegd verklaard is door de opzieners der gemeente. Indien een wettig geroepene hardnekkig blijft weigeren, zal de christelijke tucht op hem worden toegepast” (Huishoud. Regl. 1839).

Bos, F.L. (1950) Art. 23

Art. 23.

Der ouderlingen ambt is, behalve hetgene dat boven in art. 16 gezegd is hun met den dienaar des woords gemeen te zijn, opzicht te hebben dat de dienaren, mitsgaders hun andere medehelpers en diakenen hun ambt getrouwelijk bedienen, en de bezoeking te doen, naar dat de gelegenheid des tijds en der plaats tot stichting der gemeente, zo voor als na het nachtmaal, kan lijden, om bijzonder de lidmaten der gemeente te vertroosten en te onderwijzen, en ook anderen tot de christelijke religie te vermanen.

De regering der kerk, bestaande in het oefenen van de kerkelijke discipline en het bezorgen dat alles eerlijk en met orde geschiede — zie art. 16 — is een zaak van de ouderlingschap, waartoe ook de dienaar des woords behoort, gezamenlijk.

“Zij — n.l. de ouderlingen — moeten weten, dat het totaal vreemd is aan hun ambt om wetten te maken

|94|

of heerschappij te oefenen hetzij jegens de dienaren en hun collega’s, hetzij jegens de gemeente, of wel zonder weten of in afwezigheid van de dienaren naar eigen goeddunken kerkeraad te beleggen. Indien er echter bij afwezigheid der dienaren kerkeraad moet belegd worden, moeten de ouderlingen hen ongetwijfeld zowel de aanleiding van die uitgeschreven raadsvergadering als wat daarin behandeld is, getrouwelijk openbaren” (Wezel 1568).

Het geestelijk opzicht over hun ambtsbroeders en over de leden der gemeente is ook hun individuele ambtelijke taak.
Deze taak komt tevens aan de dienaren des woords toe; vgl. art. 16.
Het geestelijk opzicht over de leden der gemeente geschiedt voornamelijk door middel van huisbezoek.

“Het is buiten alle geschil dat hun ambt daarin bestaat, dat zij ièder voor zich ijverig de wacht houden over hun wijken, en minstens eenmaal per week en zo dikwijls het naar de gelegenheid van elke kerk van nut zal zijn, bij de aan hun zorgen toevertrouwden huisbezoek doen, vooral echter omtrent de tijd van de avondmaalsviering; en dat zij ijverig onderzoek doen naar de ongereptheid van hun handel en wandel en naar hun beoefening der godzaligheid, naar de getrouwe onderwijzing van hun gezin en naar het houden van gebeden voor het gezin ’s morgens en ’s avonds en naar dergelijke dingen meer; dat zij ze kalm en toch ernstig vermanen, en al naar het nuttig en passend is òf tot standvastigheid opwekken òf tot geduld aangorden òf tot ernstige vreze Gods aansporen; en dat zij hen die troost of bestraffing nodig hebben vertroosten of bestraffen, en indien het nodig is daarvan mededeling doen aan hen die met hen over de broederlijke tucht zijn gesteld, tezàmen met wie zij naar de mate van de zonde tucht zullen oefenen. Zij zullen er ook aan denken om allen en een iegelijk in hun wijk aan te sporen, dat zij hun kinderen naar de catechisatie zenden” (Wezel 1568).

“Wat het huisbezoek aangaat, dat is hun met de dienaren gemeen, en komt geenszins de ouderlingen alleen toe” (Kampen 1587).

“Het ambt der ouderlingen zal zijn het volk te vergaderen, de ergernissen op de kerkeraad te rapporteren, en andere soortgelijke dingen zoals die zich aan een ieder naar omstandigheden zullen voordoen; dat zij minstens alle maanden hun wijken zullen visiteren om na

|95|

te gaan of er zich geen moeilijkheden in de huisgezinnen voordoen. Als zij het niet doen zullen zij door de kerkeraad zwaar berispt worden” (Antwerpen, Mei 1564).

Bos, F.L. (1950) Art. 24

Art. 24.

Dezelfde wijze, die van de ouderlingen gezegd is, zal men ook onderhouden in de verkiezing, approbatie en bevestiging der diakenen.

Te letten is op de schriftuurlijke vereisten voor het diakenambt.

“De diakenen moeten eerzaam zijn, niet met twee tongen sprekende, niet verzot op veel wijn, niet op winstbejag uit, maar het geheimenis des geloofs bewarend in een rein geweten. Evenzo moeten hun vrouwen zijn: eerzaam, geen kwaadspreeksters, nuchter, betrouwbaar in alles. Diakenen moeten mannen van één vrouw zijn, hun kinderen en hun eigen huis goed bestieren” (1 Tim. 3: 8-12).

“Het is natuurlijk, dat hun verkiezing en bevestiging op geen andere wijze geschieden moet, dan die in zake de ouderlingen tevoren verklaard is; behalve dat bij het onderzoek allermeest rekening zal worden gehouden met trouw en ijver, en dat men zich vooral wacht voor tekenen van gierigheid” (Wezel 1568).

De dienst van diacones, in de oude kerk bekend, waarop waarschijnlijk ook de apostel Paulus wijst, is in onze kerken niet ingevoerd.

“Als weduwe kome in aanmerking iemand niet beneden de zestig jaren, die de vrouw geweest is van één man. In zake goede werken moet van haar getuigd kunnen worden dat zij kinderen grootgebracht heeft, gastvrijheid bewezen, de voeten der heiligen gewassen, verdrukten ondersteund en alle goed werk behartigd heeft” (1 Tim. 5: 9-10).

“Op die plaatsen waar het geschikt is, oordelen wij dat ook vrouwen van beproefde trouw en rechtschapenheid en van gevorderde leeftijd naar het voorbeeld der apostelen met recht tot dit ambt (van diaken) kunnen worden aangenomen” (Wezel 1568).

“Of het raadzaam ware, het ambt der diaconessen weder in te voeren?
Is geantwoord: neen, om der wille van verscheidene

|96|

ongelegenheden die daaruit kunnen volgen; maar in tijden van pestilentie of andere ziekten, zo er enige dienst bij zieke vrouwen te doen is, den diakenen niet betamelijk, zo zullen zij die verzorgen door hun huisvrouwen of anderen die daartoe bekwaam zijn” (Middelburg 1581).

“Als het gevoelen der synode wordt vastgesteld, de diaconie ook op de hulp, die men van de zusters der gemeente als diaconessen zou kunnen verkrijgen, te moeten wijzen” (Leeuwarden 1890).

Bos, F.L. (1950) Art. 25

Art. 25.

Der diakenen eigen ambt is, de aalmoezen en andere armengoederen naarstig te verzamelen, en die getrouw en vlijtig, naar de eis der behoeftigen, beide der ingezetenen en vreemden, met gemeen advies uit te delen, de benauwden te bezoeken en te vertroosten, en wel toe te zien, dat de aalmoezen niet misbruikt worden; waarvan zij rekening zullen doen in de kerkeraad, en ook — zo iemand daar bij wil zijn — voor de gemeente, op zulke tijd als de kerkeraad goedvinden zal.

De diakenen vervullen de dienst der barmhartigheid, „opdat de armen en alle bedroefden geholpen en getroost worden, naarmate zij van node hebben” (N.G.B. art. 30).

“Zij moeten ijverig aan degenen die het vanwege hun middelen kunnen, onder het oog brengen, dat zij aan het gebrek der kerk en aan de nooddruft der armen te hulp komen.
Het zal vooral in de grotere steden niet ongepast zijn, dat er twee soorten diakenen worden gesteld, waarvan een deel zich zal bezig houden met het verzamelen en uitdelen der aalmoezen ..., en een deel vooral zorg zal dragen voor de zieken, gewonden en gevangenen; welke (laatste) behalve met trouw en ijver, ook met de gave der vertroosting en ongemene kennis van het Woord moeten zijn voorzien en ijverig bij de ouderlingen moeten navragen, wie er in de wijken ziek en zwak zijn en troost of ondersteuning behoeven.
De aard der liefde gebiedt, dat ook rekening gehouden wordt met inkomenden en vreemdelingen. Waarom de diakenen ijverig bij de ouderlingen en andere leden der

|97|

gemeente zullen informeren, of er gelovige inkomenden of vreemdelingen in die plaatsen zijn aangekomen, opdat aan hen de weldaad der gastvrijheid en verdere trouwe en christelijke hulp kan worden bewezen, en zij, indien zij behoeftig zijn ook van het noodzakelijke worden voorzien …
De diakenen zullen er ook op letten, of aan de weduwen of wezen der kerk ook van enige zijde geweld of onrecht wordt aangedaan …” (Wezel 1568).

“De synode meent, dat tegen het in beginsel toepassen van de gedachte der Wezelse artikelen omtrent het tweeërlei soort diakenen artikel 25 K.O. geen bezwaar kan opleveren. Zij acht zulk een uitbreiding van het diaconaat, waarbij dit ... niet één, maar twee handen tot zijn dienst zou hebben, vooral in grote steden zeer gewenst” (Leeuwarden 1890).

“De diakenen zullen toezien dat geen van hun geregistreerde armen gaan bedelen door de stad, op straffe van verstoken te worden van alle bijstand.
Aangaande de zieken: de diakenen zullen hen bezoeken, zowel om hun geestelijke als lichamelijke troost toe te delen.
Aangaande arme vreemdelingen: dat zij worden onderzocht in zake hun geloof; daardoor zal men ontdekken of het ook landlopers en brutale bedriegers zijn” (Antwerpen, Mei 1564).

“Het zal ook der diakenen ambt zijn, ’t geld der armen zelve uit te geven, en niet door een ander” (Dordrecht 1574).

“De armen moeten worden onderhouden ter plaatse van hun lidmaatschap” (Hoogeveen 1860).

De diakenen zijn verantwoordingsplichtig aan, en gans in het algemeen onderworpen aan het opzicht van de kerkeraad; vgl. art. 23.

“De regeling der diaconale werkzaamheden staat aan de kerkeraad, maar niet recht van appèl beiderzijds op de meerdere vergaderingen” (’s-Gravenhage 1891).

“De plaatselijke regeling voor de armenverzorging dient niet alleen een omschrijving te geven van het karakter der diaconie en haar verhouding tot de kerkeraad te bepalen, maar met name uitdrukkelijk vast te leggen, dat de diaconie voor de aanvaarding en vervreemding van goederen, voor het aangaan van verplichtingen en het aanvaarden van giften of legaten de goedkeuring van de kerkeraad behoeft” (Rapport Arnhem 1930).

|98|

Hun zwarigheden behoren aan de gewone kerkelijke vergaderingen ter beslissing te worden voorgelegd.

“In gewichtige zaken zal het wel staan, dat zij de raad van de kerkeraad gebruiken” (Dordrecht 1574).

“Als er enige zwarigheid in hun bediening voorvalt, die zij alleen niet terecht kunnen brengen, mogen zij die aan de ganse kerkeraad laten komen, opdat met gemeen advies van de predikanten, ouderlingen en diakenen daarin voorzien worde” (K.O. v. Groningen, 1595).

“De synode wijst er met nadruk op, dat de diaconale conferenties niet anders mogen beschouwd, dan als samenkomsten van particuliere personen, die wel in het ambt staan, maar evenmin als herders en leraars op hun predikanten-conferenties besluiten kunnen nemen, die bindend zijn voor de kerken” (Leeuwarden 1890).

“De synode spreekt uit:
dat bepaalde moeilijke gevallen, en in ’t algemeen de voorkomende zaken en vragen, door de diakenen zelven moeten worden overwogen, en daarin door de kerkeraad, en, indien nodig, door de classis en door de particuliere synode, advies gegeven en beslissing genomen moet worden;
dat het organiseren van afzonderlijke meerdere vergaderingen voor diaconale zaken niet is overeen te brengen met het verband en de samenwerking der ambten en der kerkelijke vergaderingen, zoals die in de belijdenis en de kerkenorde zijn aangewezen” (Groningen 1899).

“Ten aanzien van de vertegenwoordiging der diakenen op meerdere vergaderingen heeft de voorlopige synode van Leeuwarden (1890) reeds uitgesproken, dat het wenselijk is, dat op de classicale vergaderingen diakenen worden toegelaten met adviserende stem om de classen te dienen van advies in zaken het diaconaat betreffende, en dat daartoe de diaconie deputere een of — zo een diaconie een gewichtige zaak heeft — meer broeders uit zijn midden.
Wenselijk schijnt het zeker, om hierop bij vernieuwing de aandacht der classen te vestigen, zonder echter te dien aanzien aan diakonieën een verplichting op te leggen; vooral omdat behalve de algemene vraag van art. 41 K.O. niet op elke classicale vergadering bijzondere diaconale zaken aan de orde zijn” 1) (’s- Gravenhage 1891).

|99|

1) Een diaconie kan nimmer adviseurs deputeren. Wel kan een classis in bepaalde gevallen adviseurs uit de kringen der diakenen uitnodigen.

“De synode spreekt uit, dat de classes de vrijheid zullen hebben om te bepalen, dat naar haar vergaderingen, waar zaken van diaconale aard behandeld zullen worden, door de kerken naast een dienaar des Woords en een ouderling eveneens een diaken afgevaardigd zal worden, die alleen in zaken van diaconale aard keurstem zal ontvangen” (’s-Gravenhage 1949).

Zijn de diakenen niet bij machte om de armen der kerk genoegzame hulp te bieden, dat verzoeke de kerk als hulpbehoevend de steun der verbonden kerken.

“Steunverlening door andere kerken is niet een uitstrekken van haar armenverzorging tot de àrmen van andere kerken, maar steun aan die kèrken zèlve welke tot het vervullen van haar diaconale roeping niet in staat zijn. Het plaatselijk karakter van het ambt dient te worden gehandhaafd.
Indien een kerk niet in staat is haar armen genoegzame hulp te verlenen, en zij daardoor hulpbehoevend wordt — hetgeen aan de kerkeraad als vertegenwoordigende de gemeente te beslissen staat —, wende zij zich tot de classis om hulp.
Indien ook de kerken van de classis te zamen niet in staat zouden zijn zulk een hulpbehoevende zusterkerk te helpen, dan wende de classis zich tot de particuliere synode” (Aanbevolen rapport, Groningen 1927; gewijzigd: Middelburg 1933).

Een diaconie bezit naar buiten rechtspersoonlijkheid als erkende instelling van weldadigheid.

“De synode besluit alle kerken op te wekken ten gemeentehuize te onderzoeken, of de diaconie ter plaatse wel op de juiste wijze, d.w.z. als „diaconie van de gereformeerde kerk te …”, op de lijst van instellingen van weldadigheid volgens art. 3 der armenwet staat ingeschreven; en indien dit het geval niet mocht zijn, onverwijld maatregelen te treffen om de nodige verbetering te doen aanbrengen” (Arnhem 1930).

“De generale synode besluit, alle kerken op te wekken voor haar diakonieën te handelen volgens het volgende advies in zake de kinderwetten:

|100|

Volgens de kinderwetten kunnen alleen die verenigingen, stichtingen en instellingen van weldadigheid in aanmerking komen om met de voogdij over minderjarigen belast te worden, welke aan voorwaarden, door de regering gesteld, voldoen.
Voor de diaconie gelden deze voorwaarden:
1. dat zij in het koninkrijk gevestigd is;
2. dat haar reglementen duurzame verzorging van minderjarigen voorschrijven;
3. dat zij, om een voogdij te aanvaarden, een bereidverklaring aflegt om benoemd te worden.
In de notulen van de kerkeraads- of diaconievergadering dient daarom opgenomen te worden, dat tot het werk der diaconie, volgens art. 25 der kerkenorde, ook behoort duurzame verzorging van minderjarigen, van welke bepaling dan kennis moet worden gegeven aan de burgerlijke overheid van de plaats — aan burgemeester en wethouders” (Amsterdam 1908).

“De synode spreekt uit:
dat de diaconieën dezer (vrijgemaakte) kerken elk voor zich als diaconie van de gereformeerde kerk ter plaatse zich bij de plaatselijke overheid in ’t verleden hebben bekend gemaakt, met verzoek van plaatsing op de lijsten van instellingen van weldadigheid, door welke plaatsing zij rechtspersoonlijkheid hebben verkregen en dus bevoegd zijn tot het verrichten van burgerrechtelijke handelingen, als koop en verkoop, sluiten van contracten, aanvaarden van nalatenschappen enz., in welke bekendmaking, verzoek en plaatsing op bedoelde lijst door de bewaring van de oude verbandsgrondslag in de vrijmaking dier kerken niet de minste verandering is gebracht;
dat van een nieuwe melding of verzoek tot plaatsing op bovengenoemde lijst alzo geen sprake kan zijn, ook niet bij eventuële onverhoopte weigering der plaatselijke overheid, onze diaconieën onder de haar toekomende benaming, namelijk: diaconie van de gereformeerde kerk te ..., te handhaven, aangezien het aan de plaatselijke overheid niet toekomt, over de daaraan ten grondslag liggende kwestie van de geldigheid dezer benaming een uitspraak te doen; maar dat alleen, waar zulks nodig is, wijziging in het adres der diaconie aan de plaatselijke overheid kan worden bericht” (Groningen 1946). *

Geen lid der gemeente mag bij het inroepen van hulp de ambtsdragers van Christus passeren.

“De vergadering oordeelt dat bij het vragen van

|101|

onderstand een ieder moet blijven binnen de kring van zijn kerkbestuur. De gelijkvormigheid aan de wereld om in het openbaar te bedelen, verwerpt de vergadering nadrukkelijk. Geen lid behoort derhalve buiten zijn diakenen onderstand te vragen” (Zwolle 1854).

Bos, F.L. (1950) Art. 26

Art. 26.

De diakenen zullen, ter plaatse waar huiszittenmeesters 1) of andere aalmoezeniers zijn, van dezen begeren goede correspondentie met hen te willen houden, ten einde de aalmoezen te beter uitgedeeld mogen worden onder degenen die meest gebrek hebben.

1) Verzorgers van huiszittende armen, d.w.z. armen, die niet in een gesticht waren ondergebracht.

Dit artikel werd door de synode van ’s-Gravenhage 1586 gesteld in verband met klachten over de administratie der publieke armengoederen, en om zoveel mogelijk te zorgen, dat door de burgerlijke beheerders dier goederen „de armen der gemeente niet door weerzin van de religie voorbij gezien werden”.
Als zodanig is dit artikel verouderd.
In verband met openbare sociale voorzieningen blijft een zeker contact met de burgerlijke armenraad (sociale raad) gewenst.
Wat het aannemen van hulp van buiten betreft kan nog gelden de oude bepaling:

“De diakenen zullen door alle middelen trachten dat de armen te hunnen laste ook worden geholpen met de algemene liefdegiften —, als dit kan gebeuren zonder dat God wordt beledigd, dat wil zeggen, zonder zich te bezoedelen met afgoderij en bijgelovigheid” (Antwerpen, Mei 1564).

Bij de wet zijn de diakenen verplicht om jaarlijks aan de armenraad opgave te doen, niet van de namen, maar van het aantal bedeelden, en van de som, die in het geheel werd uitgereikt. Eveneens zijn zij verplicht, inlichtingen te verstrekken aangaande zulke armen, die, door de diaconie geholpen, bij een andere instelling van weldadigheid om steun vragen. Weigering komt te

|102|

staan op een boete van ten hoogste vijfentwintig gulden.

Bos, F.L. (1950) Art. 27

Art. 27.

De ouderlingen en diakenen zullen naar plaatselijke regeling twee of meer jaren dienen, en alle jaar zal een evenredig deel aftreden. De aftredenden zullen door anderen vervangen worden, ten ware dat de gelegenheid en het profijt van enige kerk, bij de uitvoering van art. 22 en 24, een herkiezing raadzaam maakten.

Als maatregel van orde hebben de gereformeerde kerken bij ouderlingen en diakenen verkiezing tot tijdelijke dienst wenselijk geacht.

“Afgedacht nog van de moeilijkheden, die zich dagelijks voordoen, toont de zaak zelf ook duidelijk dat ouderlingen en diakenen die een tijdlang trouw in hun roeping volhard hebben, dit niet dan met grote schade voor hun particuliere zaken doen” (Wezel 1568).

“Uit de H. Schrift kan niet bepaald worden, dat de ouderlingen en diakenen, eenmaal door de apostelen verkoren, altijd in dat of in een ander kerkelijk ambt gebleven zijn …
Het schijnt raadzamer, om het gebruik van alle wegen der kerkelijke tyrannie te schuwen, dat dezelfde personen, eenmaal tot die dienst verkoren, niet altijd gecontinueerd worden …
Daarbenevens zijn er meerderen aangaande de inrichting en het bestuur der kerk te onderwijzen, die bij gebrek aan anderen in hun plaats kunnen gesteld worden …
Daarenboven, zo ver de ouderlingen en diakenen verwisseld worden, zal die verwisseling aan de dienaren alle kans benemen, dat zij hun eigen tyrannie over de kerk gebruiken …” (Advies van Danaeus, in opdracht van de synode van Middelburg 1581).

Herkiezing in het belang der kerk is mogelijk. Er behoort dan een nieuwe bevestiging in het ambt plaats te vinden.

“Of een ouderling die zijn tijd uitgediend heeft en bereid is nog langer te dienen, de gemeente wederom mag voorgesteld worden om hem te mogen verkiezen?

|103|

Antwoord: Ja. Want de ... verwisseling der ouderlingen is daarom inzonderheid ingezet, opdat zij van de last van hun dienst mochten verlicht worden” (Dordrecht 1578).

“De wenselijkheid van herbenoeming hangt af van de plaatselijke toestand en van de personen die aftreden; zodat hiervoor door de kerkenorde terecht geen algemene regel gesteld wordt. Is iemand echter voor een bepaalde tijd gekozen, dan is de belofte, door hem bij de bevestiging gedaan, ook voor die bepaalde tijd gegeven. Bij herbenoeming behoort dus de aanvaarding en de belofte opnieuw te geschieden; dit nu is de bevestiging.
Op deze gronden oordeelt de synode dan ook:
Herbenoeming kàn zeer wenselijk zijn; en alsdan is vernieuwde verbintenis en dus bevestiging noodzakelijk” (Utrecht 1888).

“De synode, ofschoon geheel instemmende met Zuid-Holland, dat het de bedoeling van art. 27 der K.O. is ten eerste dat de ouderlingen en diakenen slechts voor beperkte diensttijd worden verkozen, en ten tweede dat herkiesbaarstelling van aftredenden slechts mogelijk is wanneer ’t profijt der kerk het vordert, oordeelt, dat het allereerst op de weg der classen, respectievelijk particuliere synoden ligt, plaatselijke misstanden uit de weg te ruimen” (Groningen 1899).

Bos, F.L. (1950) Art. 28

Art. 28.

Gelijk het ambt der christelijke overheden is, de heilige kerkedienst in alle manieren te bevorderen, dezelve met haar exempel den onderdanen te recommanderen, en aan de predikanten, ouderlingen en diakenen in alle voorvallende nood de hand te bieden, en bij haar goede ordening te beschermen, alzo zijn alle predikanten, ouderlingen en diakenen schuldig, de ganse gemeente vlijtig en oprecht in te scherpen de gehoorzaamheid, liefde en eerbieding, die zij den magistraten schuldig zijn; en zullen alle kerkelijke personen met hun goed exempel in dezen de gemeente voorgaan, en door behoorlijk respect en correspondentie de gunst der overheden tot de kerken zoeken te verwekken en te behouden; teneinde, een ieder het zijne, in des Heeren vreze, ter wederzijde doende, alle achterdenken en wantrouwen

|104|

moge worden voorkomen, en goede eendracht tot der kerken welstand onderhouden.

Dit artikel „van vriendelijke correspondentie tussen de christelijke magistraten en de kerkedienaren te houden”, werd op de synode van Dordrecht 1618/19 aan de kerkorde toegevoegd.
Voor het contact van de plaatselijke kerken met de overheid zijn de volgende besluiten en bepalingen van betekenis:
a. in zake kennisgeving van bestaan:

“De synode besluit:
de aandacht van de betrokken kerkelijke vergaderingen te vestigen op de noodzakelijkheid, dat kerkeraden in adressen aan Hare Majesteit de Koningin, bij het bekendmaken van de geïnstitueerde kerk, naar niets anders verwijzen dan naar de kerkenordening van 1618-19, (zoals deze laatstelijk is herzien op de synode van Middelburg 1933);
de aandacht van pas geïnstitueerde of saamgesmolten of uit combinatie getreden kerken te vestigen op de noodzakelijkheid, om spoedig na haar optreden of gewijzigd bestaan daarvan schriftelijk bericht te doen aan het dagelijks bestuur der burgerlijke gemeente;
de kerkeraden te wijzen op de noodzakelijkheid, dat door hen in naam van of door de diaconieën zelve worde voldaan aan art. 6 van de armenwet, en dienovereenkomstig aan het dagelijks bestuur der burgerlijke gemeente schriftelijk kennis gegeven van de bepalingen uit de Dordtse kerkenordening, die betrekking hebben op het bestuur en de inrichting van de diaconie” (Middelburg 1896).

“Aan de hoge overheid is mededeling geschied, dat de kerken, die zich hebben vrijgemaakt van de zondige besluiten der synodes van 1939-1943 en 1943-1946, de aloude grondslag van het aloude kerkverband hebben bewaard, en mitsdien gebleven zijn wat ze waren, n.l. de gereformeerde kerken in Nederland” (Groningen 1946). *

b. in zake geestelijke verzorging van gevangenen:

“De regering heeft aan het verzoek een bevredigende, algemene regeling te treffen tot verlof van ambtelijk bezoek van wege de kerken aan haar leden in

|105|

gevangenissen en rijkswerkinrichtingen, voldaan door in de regeling van de inrichting en het beheer van de gestichten der gevangenissen enz. — K.B. van 18 Juli 1925, Staatsbl. no. 334 — na art. 105 een nieuw art. 105a In te voegen:
Aan de bedienaren van de godsdienst van andere kerkgenootschappen dan waaraan een bedienaar aan het gesticht is verbonden, wordt zoveel doenlijk gelegenheid gegeven tot het behartigen van de godsdienstige belangen van gevangenen of verpleegden tot hun kerkgenootschap behorende” (Utrecht 1923, Groningen 1927).

“De synode besluit aan de kerken te verzoeken in de zaak van de geestelijke verzorging van gevangenen diligent te zijn en waar dit nodig is, de hulp der kerken in de classis in te roepen;
aan de kerken mee te delen, bij voorkomende moeilijkheden zich in verbinding te stellen met deputaten voor de correspondentie met de hoge overheid” (Enschede 1946). *

c. in zake geestelijke verzorging van militairen:

“De synode besluit, de kerken in garnizoensplaatsen op te wekken om toe te zien, dat de militairen van gereformeerden huize geen gebruik maken — genoodzaakt of vrijwillig — van de geestelijke verzorging van legerpredikanten, die niet zijn van onze belijdenis” (Leeuwarden 1920).

“De synode spreekt uit, dat zij het niet wenselijk acht, dat de garnizoenskerken voor de verzorging van de geestelijke belangen onzer militairen bij de overheid steun vragen of van haar vergoedingen aannemen” (Utrecht 1923; Groningen 1927).

“De synode besluit, de leden der gereformeerde kerken op te wekken elk geval van vloeken in het leger nauwkeurig te omschrijven wat betreft tijd, plaats en wijze van gebeuren, en zich alsdan met een welomschreven klacht te wenden tot de militaire overheid ter plaatse, die, naar verwacht mag worden, dan haar medewerking zal verlenen om het kwaad te bestrijden; en zo deze daaraan geen gehoor geeft, zich te wenden tot de deputaten voor de correspondentie met de hoge overheid” (’s-Gravenhage 1914).

|106|

d. in zake vrijdom van belastingen:

“De synode besluit de kerkeraden er op te wijzen, dat zij voor kerken en pastorieën (en kosterswoningen), die op naam hunner kerken staan, overeenkomstig art. 25b der wet van 26 Mei 1870, vrijdom van grondbelasting kunnen verkrijgen” (Middelburg 1896).

(Blijkens officiële mededelingen zijn vrij van zegel:
1. toezeggingen van kerkelijke traktementen, toekenningen van pensioenen en dergelijke;
2. berichtgevingen van ontvangst van collecten;
3. kwitantiën voor vrijwillige bijdragen.)

Bos, F.L. (1950) Art. 29

Art. 29.

Vierderlei kerkelijke samenkomsten zullen onderhouden worden: de kerkeraad, de classicale vergaderingen, de particuliere synode, en de generale of nationale.

Kerkelijke samenkomsten zijn vergaderingen van kerken.

“(De kerkeraad is) een college of gezelschap, zijnde als een raad der kerk en vertonende de gehele gemeente” (Bevest. form. v. ouderlingen).

“Classicale (samenkomsten zijn) samenkomsten van enige naburige kerken” (Emden 1571).

“(Particuliere synoden zijn) samenkomsten van alle kerken ... (in een groter ressort) ... onder elkaar” (Emden 1571).

“(Een generale of nationale synode is) een samenkomst van alle nederlandse kerken tegelijk” (Emden 1571).

Het kerkverband dat in het houden van vergaderingen van meerdere kerken tot uiting komt, is een roeping van de gemeenschap der heiligen.

“De plaatselijke kerken zijn naar goddelijk recht gehouden en verbonden, om niet independentistisch op zichzelf te blijven staan, maar zich onderling te verbinden en saam te plaatsen onder het enige zeggenschap van den Koning der kerk.
Slechts dan mogen zij geen verband zoeken, en zijn zij hiervan verontschuldigd, wanneer zulks niet kan gevonden worden naar de eis van Gods woord, maar strekken

|107|

zou tot verkorting der waarheid of tot krenking van de koninklijke majesteitsrechten van haar enig Hoofd.
Zulk een verband van kerken kan om de gelegenheden en omstandigheden niet met alle kerken op even vaste voet aangelegd. Wel moet het in beginsel zijn een verband van álle kerken, ook buiten ons land, die met ons één zelfde dierbare en gezuiverde belijdenis hebben, maar op zo uitgebreide schaal kan het alleen door correspondentie.
Daarentegen behoren de meer bij elkander gelegen kerken van één natie dit verband vaster te maken ... Vat men de kerken verkeerdelijk op als een landseenheid, dan deelt men ze in; bij de gereformeerde opvatting daarentegen voegt men ze sáám. Saamvoeging onzer kerken is dus plicht …” (Rotterdam 1887).

Op de meerdere vergaderingen — d.i. vergaderingen van meerdere kerken — laten de eigenlijke leden, de kerkeraden, zich, bij getrapte verkiezing, door hun afgevaardigden vertegenwoordigen.

“Omdat het zeer bezwaarlijk en zelfs gevaarlijk is om een groot aantal dienaren en ouderlingen bijeen te brengen in de nationale synode, is men van oordeel dat de in elke provinciale synode vergaderde broeders één of twee dienaren uit zich zullen verkiezen en evenveel ouderlingen, om hen naar de genoemde nationale synode te zenden, waarheen zij gaan zullen in naam van heel hun provincie, voorzien van lastgeving, memories en alle noodzakelijke instructies” (Parijs 1565).

“De synode ziet niet in, dat de ervaring van vele jaren ons heeft geleerd, dat er verandering in de vertegenwoordiging nodig is” (Zwolle 1882).

Bos, F.L. (1950) Art. 30

Art. 30.

In deze samenkomsten zullen geen andere dan kerkelijke zaken, en dezelve op kerkelijke wijze, verhandeld worden. In meerdere vergaderingen zal men niet handelen, dan 't gene dat in mindere niet heeft afgehandeld kunnen worden, of dat tot de kerken der meerdere vergadering in het gemeen behoort.

Kerkelijke vergaderingen hebben zich alleen te bemoeien met kerkelijke zaken.

|108|

“De dienaars en ouderlingen zullen wel voor zich (toe) zien, dat zij in de kerkeraden, classen en synoden niet handelen dan ’tgene dat kerkelijk is” (Dordrecht 1574).

“Terecht brengt de particuliere synode van Zuid-Holland Noord in herinnering, dat het niet op de weg der synode ligt, zich uit te spreken over allerlei organisaties op politiek en sociaal terrein, en onze kerken in de verleden tijden zich altijd met grote voorzichtigheid en wijsheid daarvan onthouden hebben …
De synode zal zich er strikt aan hebben te houden, de bedoelde organisaties op haar leerstellige en zedelijke beginselen te toetsen, en dit ter bepaling van hetgeen, waarvoor de leden onzer kerken, zij het meer of minder bewust, in verband met een eventueel lidmaatschap dezer organisaties door de kerkelijke vergaderingen mogen en moeten worden verantwoordelijk gesteld …
Het is ons alleen om die leerstellige en zedelijke beginselen te doen, waarmede deze beweging Schrift en Belijdenis raakt, terwijl we de door haar gepropageerde, meer afgeleide politieke en sociale denkbeelden, als niet tot de in art. 30 der kerkorde genoemde „kerkelijke zaken" behorende, buiten beoordeling laten …” (Uit een rapport, met de inhoud waarvan de synode haar instemming betuigde) (Amsterdam 1936).

“Uw commissie wil vooropstellen, dat het niet de roeping der kerk is zich uit te spreken over al de vraagstukken, die het maatschappelijk en staatkundig leven stelt. Daaruit volgt echter niet, dat zij dienaangaande in het geheel geen uitspraken mag doen. Wij geloven toch naar het Woord Gods — Matth. 28: 18 — dat onze Heere Jezus Christus, die het Hoofd is der kerk, Koning is over hemel en aarde, en wij belijden — naar Catechismus antwoord 50 — dat de Vader door Hem alle dingen regeert. Vandaar dat de heerschappij van de Koning der kerk niet enkel gaat over het kerkelijk leven. Deze heerschappij oefent Christus door zijn Woord — Catechismus antwoord 31 —, dat door de kerk bediend wordt. Daaruit volgt nog niet, dat de kerk zich uit te spreken heeft over allerlei interne aangelegenheden op het terrein van maatschappij en staat — vergelijk art. 30 K.O. —, maar zij zal wel in het algemeen de beginselen voor deze terreinen hebben aan te wijzen, zo nodig met concrete toepassing voor de praktijk. Dit moet niet alleen geschieden in de prediking — vergelijk Mark. 12: 13 v.v., waar de Heere Jezus Christus zijn discipelen wijst op de plicht tot belastingbetalen —, maar ook voor haar meerdere vergaderingen heeft de kerk dit recht zich voorbehouden. Wij verwijzen als voorbeeld naar art. 36 der Nederlandse geloofsbelijdenis,

|109|

waar bij het ambt der overheid de kerk in haar belijdenis zich uitspreekt over hen die gemeenschap van goederen invoeren, wat een maatschappelijke en staatkundige aangelegenheid is” (rapport — Sneek 1939).

Ook de manier van handelen moet kerkelijk zijn.

“In deze verzamelingen zal niet gehandeld worden dan ... naar (de) wijze der kerkregering” (Dordrecht 1578).

Dat betekent allereerst, dat het optreden nimmer heersend en dwingend mag zijn, doch altijd broederlijk en eenvoudig moet blijven.

“De oudsten onder u vermaan ik ...: hoedt de kudde Gods die bij u is ... niet als heersers over hetgeen u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden der kudde” (1 Petr. 5: 1-3).

“Gij zult u niet rabbi laten noemen; want één is uw Meester en gij zijt allen broeders. Laat u ook geen leidslieden noemen; want één is uw leidsman, de Christus. Maar wie de grootste onder u is, zal uw dienaar zijn” (Matth. 23: 8, 10, 11).

“Op de vraag of men in kerkelijke zaken en vergaderingen wel wereldlijke advokaten en notarissen mag gebruiken, is geantwoord: kerkelijke zaken kerkelijk, dat is, dat men kerkelijke zaken op kerkelijke wijze in alle eenvoudigheid zal verhandelen. Het wordt niettemin toegelaten om degenen die zelf hun woord niet kunnen doen, een dienaar of ander lidmaat daartoe te bewilligen” (Harlingen 1617).

Kerkelijke behandeling betekent ook, dat op meerdere vergaderingen de te behandelen zaken alleen door de kerken aan de orde gesteld kunnen worden 1).

1) Uitgezonderd zijn uiteraard de steeds weerkerende algemene werkzaamheden, wettige appelzaken, en — blijkens het ondertekeningsformulier — de ondervraging en onderrichting van een predikant in zake de leer.

“In meerdere vergaderingen zal men niet behandelen dan ... waartoe de gecommitteerden van ieder college of kerkeraad door hun principalen gelast zullen zijn” (sterke tekstvariant, K.O. van Zeeland 1591).

|110|

“Er zullen geen andere gravamina dan die door de classen overgeschreven zijn, op de synode behandeld worden” (K.O. van Groningen 1595).

“Om alle goede orde en vrede in de gemeente Gods te onderhouden, besluiten de broeders van de synode, dat de gravamina, welke in elke stad of gemeente mochten voorvallen, de synode wettelijk voorgedragen zullen worden door instructie of credentie van de gevolmachtigden of gedeputeerden van ieders kerkeraad. En indien dan iemand in enige gemeente enige gravamina of zwarigheden heeft, zal hij die in zijn kerkeraad naar christelijke ordening aandienen, opdat die door de gevolmachtigden en niet door anderen, particulieren, aan de synode mogen voorgesteld worden …” (Deventer 1594).

“De vraag, hoever de bevoegdheid der synode gaat, beantwoordend, kunnen wij niet anders zeggen, dan dat deze zich niet verder uitstrekt dan tot datgene en tot die zaken, welke de kerken haar hebben opgedragen om in behandeling te nemen” (rapport, Groningen 1946). *

Vgl. daartegenover: „Aan een meerdere vergadering kan het recht niet worden ontzegd, op eigen initiatief een zaak als de handhaving der leer aan de orde te stellen, omdat zulk een gedragslijn in overeenstemming is met de practijk in onze kerken en daartegen geen bezwaren, aan Schrift en belijdenis ontleend, zijn in te brengen” (Utrecht 1946; Zwolle 1946).

Kerkelijke behandeling betekent eveneens, dat althans in algemene zaken de kerken in de gelegenheid gesteld zijn om hun afgevaardigden te instrueren.

“Aan deze (roepende) kerk moeten alle moeilijkheden die zich in andere kerken voordoen, hetzij die in de kerkeraads- en classicale vergaderingen niet hebben kunnen worden afgehandeld, of de zwarigheden die de gehele provincie aangaan, zorgvuldig en vroegtijdig worden opgegeven.
Deze kerk zal de vastgestelde tijd en plaats van de volgende provinciale vergadering drie maanden tevoren aan de andere kerken bekend maken en ze meteen een afschrift doen toekomen van alle aan haar toegezonden hoofdstukken of artikelen. Elke kerk moet zich daarover vroegtijdig beraden en zijn oordeel op de classicale vergadering naar voren brengen, opdat zij die in naam van die classis afgevaardigd zullen worden, het tevoren overwogene en door alle kerken van de classis besprokene naar voren brengen” (Emden 1571).

|111|

“Deze gemeente zal de plaats en de tijd der naaste particuliere synode twee maanden tevoren of daaromtrent schriftelijk te kennen geven, en copie van alle zware zaken aan haar gezonden, aan een bestemde kerk van een iegelijke classe die tot deze particuliere synode behoren, overzenden, opdat een iegelijk zich rijpelijk daarop beraden mag.
Deze voorgaande regel zal men ook in de generale of nationale synode houden” (Dordrecht 1578).

“Is besloten, dat de gravamina en punten, over welke men op elke aanstaande synode handelen zoude, door elke classe tevoren gezonden zullen worden aan de classe, welke de synode bijeenroepen zal, opdat alle punten tezamen door die classe voor het houden der synode tot al de andere mochten gezonden worden, en dat al de classen, in tijds daarop lettende, hun afgevaardigden met voorbedachte resolutiën over de voorgeschreven punten ter synode afvaardigen mochten” (Goes 1597; vrijwel evenzo: Sneek 1587, Kampen 1603).

“Aangaande de overzending der zwarigheden naar de respectieve classen dezer provincie, voor en aleer de synode gehouden wordt, opdat de gedeputeerden uit elke classis welbesloten ter synode mogen komen, blijft de synode bij het artikel, daarvan gemaakt binnen Kampen anno 1603 ..., gelijk ook zulks in andere gereformeerde kerken wordt onderhouden” (Kampen 1606).

“Of het niet goed ware en de aard der zaak niet schijnt te vereisen, dat de zwarigheden, gelijk zij merkelijke tijd voor het houden van de synode door de synodale classis aan alle classen worden overgezonden, ook alzo door de dienaren, aan welke zij eerst geadresseerd worden, in de respectieve classen aan alle bijzondere kerken en kerkedienaren van de classe overgezonden worden, ten einde de besluiten daarover met rijper overleg in de classe mogen genomen en alzo tot de synode gebracht worden? De synode antwoordt: ja” (Dordrecht 1608).

“De zwarigheden van de classen zullen van nu voortaan vroeger aan de classen worden toegezonden, opdat elke kerk des te bekwamer daarop moge besluiten” (Gorinchem 1622).

“De synode spreekt uit, dat het noodzakelijk is, dat de roepende kerk voor de generale synode de agenda, voor zover bij haar ingekomen, aan alle kerken toezendt uiterlijk twee maanden vóór de datum der te houden vergadering der generale synode, opdat de kerken ruim gelegenheid hebben, zich over de te behandelen zaken rijpelijk te beraden” (Groningen 1946). *

|112|

In verband hiermede dienen ook rapporten die in opdracht van een voorgaande synode zijn samengesteld, tijdig aan de kerken te worden toegezonden.

“De synode besluit, dat de rapporten, zoveel mogelijk, minstens zes maanden vóór de datum van haar samenkomen zullen worden toegezonden” 1) (Middelburg 1896).

1) Bedoeld is: aan de kerken (Groningen 1899).

“Zoveel mogelijk behoort de hand te worden gehouden aan het in de laatste decenniën opgekomen gebruik, om rapporten over belangrijke aangelegenheden tijdig voor het samenkomen der synoden aan de kerken toe te zenden, opdat deze in staat zijn over de inhoud daarvan zich te beraden, en van haar gevoelen dienomtrent aan de meerdere vergaderingen te doen blijken” (Utrecht 1946).

Onjuist moet geacht worden, dat een meerdere vergadering een definitieve beslissing neemt in zaken van leer of orde, die de kerken in het gemeen aangaan, voordat de mindere vergaderingen daarin zijn gekend.

“Geen synode zal enige acten mogen stellen, waar alle classen aan gelegen is, tenzij gravamina dienaangaande aan alle classen overgezonden zijn geweest en eindelijk daarover naar behoren een besluit genomen zij” (Harlingen 1603).

“Of enige zaken ter synode gebracht mogen worden, voor en aleer zij in de classen onderzocht en daarover geoordeeld is? Antwoord: neen” (Groningen 1607).

“Of het niet behoorlijk is en in ’t werk behoort gesteld te worden, dat de grote zwarigheden, welke enige kerken of classen hebben en door de classe waaronder de zwarigheid valt niet kunnen worden afgehandeld, aan alle classe uitgeschreven worden, opdat de afgevaardigden van de classen daarop welbesloten ter synode mogen komen, en dat zij daar niet verder en meer besluiten noch van enige zwarigheid handelen, dan zij in hun instructie hebben en die van tevoren eerst uitgeschreven zijn, (gelijk ter) synode van Dordrecht 1578 ... en Middelburg (1581) ... is besloten?
Is geantwoord, dat men in deze vergadering aan dit synodaal besluit vasthoudt en tot nog toe (vast)gehouden heeft, wel te verstaan in ’t stuk van leer (en) kerkelijke orde, wat even tegelijk alle kerken en classen van deze synode in ’t gemeen aangaat …” (Edam 1604).

|113|

“De synode heeft besloten dat van zware kerkelijke zaken, voornamelijk in ’t stuk der leer, niet zal gehandeld worden inzonderheid tot vernieuwing of verandering, zonder voorafgaande raadpleging en volgend relaas aan alle classen” (Joure 1613).

“De gedeputeerden die van wege onze classe ter synode gaan, zullen geen ding van groot gewicht ter synode helpen vaststellen, waarvan tevoren geen gravamen is uitgeschreven; maar zij zullen zich refereren aan (d.i. verwijzen naar) hun classe” (Classis Nijmegen 1613).

“In ’t stuk van de gravamina der respectieve classen zal door de synode niet definitief maar bij advies worden gehandeld, uit oorzaak dat de gravamina aan de classen dezer provincie niet zijn voorgekomen, en derhalve de broeders zich niet gelast vinden om daarover iets definitief te beslissen” (Nijmegen 1619).

“Is geresolveerd, dat men de particuliere gravamina, die alrede van enige classen zijn ingebracht en waarop de andere niet zijn gevolmachtigd, ordelijk in de acta zal bijeenvoegen en aan alle classen mededelen naar gewoonte” (Zierikzee 1618).

“(De synode zal) zich met gemene kerkelijke zaken niet inlaten, eer zij op de classen gediend hebben” (uit de acten van Noordholland: Woerden 1664).

“Over de kwestie, of ook enig besluit ter synode kan worden genomen over zaken die de gemene kerken hetzij in orde of anders raken, eer die op de classen hebben gediend, werd geoordeeld, dat zij eerst in de classen moeten worden onderzocht en uitgeschreven” (Woerden 1674).

“Het ingebrachte bezwaar, als zou een generale synode niet op eigen initiatief een zaak als de handhaving der leer aan de orde mogen stellen, is niet gegrond te achten, ... omdat het aan de orde stellen van een zaak niet met zich behoeft mede te brengen het ten volle afhandelen van de aanhangig gemaakte zaak, hetgeen in gewichtige kwesties ook in den regel niet juist geacht zou moeten worden” (Zwolle 1946).

Intussen brengt het kerkverband met zich, dat zaken van leer en gewichtige kwesties van orde en beleid pas op een generale synode worden afgehandeld. Een mindere vergadering behoort in zulke zaken geen definitieve beslissing te nemen.

“Door een wettige synode kan worden vastgesteld, waar men zich in alle aangelegenheden naar moet richten (om

|114|

te komen) tot een gemeenschappelijke inrichting der kerken en de onderhouding van een zo goed mogelijke orde.
Tot haar moeten onzes inziens worden verwezen ... in één woord alle zaken, die alle kerken en de gemeenschappelijke bediening in het algemeen aangaan. Want dat de dingen die allen evengelijk betreffen, hetzij tegenwoordig of later door de ene of andere kerk zouden worden vastgesteld, zonder de andere kerken, welke die dingen evenzeer aangaan, te raadplegen, klopt niet op het normatieve voorbeeld van de Schrift, noch op de gelijkheid van wetten” (Wezel 1568).

Alle zaken van ondergeschikte betekenis, en alle kwesties die naar hun aard beperkt zijn tot het ressort van een mindere vergadering, behoren, indien enigszins mogelijk, door die mindere vergadering te worden afgedaan.

“Geen andere zaken zullen worden beschreven, dan die op de kerkeraden en classicale vergaderingen niet zullen kunnen worden beslist of die alle kerken van die provincie aangaan, opdat de provinciale vergadering niet met onnodige kwesties worde gerekt” (Emden 1571).

“Alle kerkeraden worden vermaand, dat zij van alle gevallen niet terstond gravamina maken, maar liever arbeiden om die, zoveel doenlijk, naar Gods woord en de kerkenordening af te handelen, en, zo zij ergens in bezwaard blijven, de hulp van hun classen te gebruiken” (Goes 1620).

“De classen zullen vermaand zijn, geen kleine zaken en die op de classen afgedaan kunnen worden, ter synode te brengen” (Rotterdam 1594).

Het oordeel, of zij een bepaalde zaak kan afhandelen of niet, staat aan de betrokken vergadering.

“Wat het bezwaar betreft, dat zowel bij de classicale vergadering als bij de particuliere synode de zaak niet tot beslissing was gekomen, en derhalve volgens art. 30 der kerkenordening er geen grond bestaat voor de generale synode om de zaak in behandeling te nemen, — is uw commissie van oordeel, dat dit bezwaar ongeldig moet worden verklaard, aangezien art. 30 niet zegt, dat de zaken op de mindere vergaderingen moeten worden afgehandeld, maar alleen zegt, dat de meerdere vergadering niet mag behandelen dan hetgeen in de mindere

|115|

vergadering niet heeft kunnen afgehandeld worden; en dat in dit geval zowel de classis als de particuliere synode voor zodanige moeilijkheden waren komen te staan, dat zij meenden de zaak niet behoorlijk te kunnen afhandelen” (rapport).
Op grond van dit rapport „spreekt de synode uit, dat het bezwaar ontleend aan art. 30 van de K.O. niet gegrond is gebleken” (Assen 1926).

In geen geval mag een meerdere vergadering een zaak, die tot de bevoegdheid van een mindere vergadering behoort, in behandeling nemen, voordat de betrokken mindere vergadering in de gelegenheid is gesteld om haar krachten aan de afdoening van die zaak te wijden, en voorts de kerkelijke weg is gevolgd.

“Al spoedig wordt het aan de synode duidelijk, dat de provinciale synode ... de fout beging, dat zij den adressant vonniste wegens een nieuw ontdekte dwaling ... Wordt besloten adressant terug te wijzen naar de kerkeraad ... om met een naburige kerkeraad het punt in kwestie te behandelen” (Rotterdam 1885).

“De kerkeraad zal hebben te beschikken en tucht te oefenen zo zijlieden in gemoede zullen bevinden te behoren, en dat binnen de tijd van drie maanden uiterlijk ... Bij gebreke daarvan en bij langer uitstel zal de zaak na verloop van die tijd gehouden worden als wettig gebracht voor de classis …” (Gouda 1679).

“Wij erkennen, dat het de kerk ..., en bij gebreke van haar, de classe wel toegekomen was, de zaak van X. ter hand te nemen, gelijk ook de particuliere synode ... bij gebreke van de kerk en de classe dit wel had mogen doen, gelijk daarna bij gebreke van deze alle de nationale synode gedaan heeft” (verweerschrift van de gecommitteerden van de prov. syn. van Haarlem 1582: ’s-Gravenhage 1586).

Bos, F.L. (1950) Art. 31

Art. 31.

Zo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, dezelve zal zich op een meerdere kerkelijke vergadering beroepen mogen; en ’t gene door de meeste stemmen goedgevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden. Tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods,

|116|

of tegen de artikelen in deze generale synode besloten, zolang als dezelve door geen andere generale synode veranderd zijn.

Kerkelijke besluiten worden, indien Gods Woord geen duidelijk uitsluitsel geeft, na grondige overweging genomen naar het gevoelen van de meerderheid.

“De praeses vrage het oordeel van de ganse vergadering af, verzamele de stemmen, zette het gevoelen van het grootste en beste deel uiteen; dat neme de scriba op; hij leze het opgenomene duidelijk voor, opdat het met aller instemming worde goedgevonden” (Emden 1571).

“In de vergadering worden de gevoelens van ieder afzonderlijk niet zozeer geteld dan wel veeleer gewogen, opdat alle dingen uit Gods Woord worden beslist, en de meningen welke — ofschoon ze naar het stemmenaantal gerekend beter schijnen te zijn — niet met de autoriteit van Gods Woord kunnen worden bevestigd, worden verworpen, en in elk geval niets geschiede, wat op enigerlei wijze met de leer van Gods Woord in strijd kan schijnen” (Forma ac Ratio 1550).

“In alle zaken — die altijd uitgenomen, van welke wij een uitgedrukt Woord Gods hebben — zal men, als de stemmen naarstig zullen gewogen zijn, blijven bij het advies van de meeste stemmen om daarnaar te besluiten …” (Dordrecht 1578).

Wanneer een minderheid principiële bezwaren heeft tegen het gevoelen van de meerderheid en zich daarbij niet kan neerleggen, kan het ter wille van het heil en de vrede der kerken geraden zijn om geen besluit te nemen of een gevallen meerderheidsbeslissing niet uit te voeren.

“De generale synode, lettende op de gang van zaken, lettende ook op het oordeel der meeste provinciale synoden, om, zelfs indien een voorslag goed werd gekeurd, niet tot de uitvoering over te gaan, zo daaruit schadelijke gevolgen voor de rust en de vrede der kerken zouden kunnen voortvloeien, acht het niet raadzaam in de gegeven omstandigheden de vereniging van de Theol. School met de Theol. Faculteit der Vrije Universiteit tot stand te brengen” (Arnhem 1902).

|117|

Dit zal altijd nodig zijn indien de beslissing een conscientiebindend karakter zou dragen, terwijl de Schrift toch niet zo duidelijk spreekt, dat de mening van de minderheid als onschriftuurlijk moet worden afgewezen.

“De kerken zouden tot zulk een confessionele uitspraak slechts mogen overgaan, indien de Heilige Schrift ten aanzien van dit punt genoegzaam duidelijk zou wezen, zodat voor wie haar gezag ten volle erkent geen andere uitlegging zou mogelijk zijn …
Wanneer de synode uitspraak deed, zou deze een veroordeling inhouden van het gevoelen van vele gereformeerden van vroeger en later tijd, omdat er te allen tijde onder de gereformeerden verschil van inzicht is geweest over de vraag of naar de Schrift …
Bovendien zou een synodale uitspraak vèrstrekkende consequenties meebrengen in betrekking tot die leden van onze kerken, die een andere mening zijn toegedaan, dan eventueel in die uitspraak zou worden tot uitdrukking gebracht.
Immers het kan niet ontkend worden dat ook thans de gevoelens in genen dele eenstemmig zijn. Voor hen die een van de eventuele synodale uitspraak afwijkend gevoelen zijn toegedaan, zou persoonlijk een gewetensconflict kunnen ontstaan, en voor de kerken zou de vraag rijzen; in hoeverre zij hen, ten minste als zij ambtsdragers zijn, met hun afwijkend gevoelen nog zou kunnen dulden.
Dit alles zou wellicht moeten worden aanvaard, indien de Schrift zich ter zake volkomen ondubbelzinnig uitsprak, maar nu dit naar het oordeel van deputaten het geval niet is, menen zij dat de consequenties die een uitspraak der synode zou meebrengen haar te meer van het doen daarvan zullen moeten terughouden …
De synode besluit ... naar hun advies (n.l. het bovengenoemd advies der deputaten) te handelen en dus over de vraag ... geen uitspraak te doen” (Middelburg 1933).

Buiten de vergadering kan men op tweeërlei wijze trachten een besluit veranderd of opgeheven te krijgen.
Dit kan allereerst geschieden door een verzoek om revisie (herziening) aan een vergadering, gelijkwaardig aan die, welke het besluit genomen heeft.

“Artikel 31 betekent niet, dat wanneer iemand bezwaar heeft tegen het besluit ener kerkelijke vergadering, hij

|118|

dan niet op herziening van dit besluit bij dezelfde vergadering 1) zou mogen aandringen, en in appèl zou moèten gaan bij een meerdere vergadering” (Assen 1926).

1) Bedoeld is een vergadering van dezelfde kerken.

“Het zal aan niemand van buiten (de vergadering) vergund of toegelaten worden om enige klachten ter synode in te dienen tegen enige besluiten die door dezelfde synode genomen zijn. Maar zo iemand zich daarmede bezwaard vindt, zal hij zich daarover aan de volgende synode hebben te adresseren, welke alsdan zal onderzoeken of die (bezwaren) ontvankelijk zijn of niet. En dit zal ook niet mogen gedaan worden op rapport of kennisgeving van enige particulieren, maar alleen op (grond van) behoorlijk gewaarmerkte en uitgegeven acten” (Schoonhoven 1650).

Voorts bezit ieder die door een mindere vergadering meent verongelijkt te zijn of anderszins over een uitspraak van een mindere vergadering bezwaard is, het recht van appèl (hoger beroep) op een meerdere vergadering.

“Indien iemand meent dat hem op die manier (nl. door tuchtoefening) of op enige andere wijze onrecht is aangedaan dan mag hij zich van de uitspraak van de kerkeraad op het oordeel van de classe beroepen, en wederom van de beslissing van de classe de hulp van de synode inroepen, ook indien dergelijke tegensparteling en weigering om schuld te bekennen niet vrij zou zijn van het kenmerk van stijfhoofdigheid” (Wezel 1568).

“Indien iets in enige kerk van de classis voorvalt, hetwelk in de kerkeraad niet kan worden bijgelegd, dat zal worden verhandeld en beoordeeld in de classicale vergadering, van welke appèl zal zijn op de provinciale vergadering” (Emden 1571).

“Zo iemand zich beklaagt dat hij door het oordeel der mindere vergadering bezwaard is, die zal zijn zaak voor een meerdere mogen betrekken” (Dordrecht 1578).

“Artikel 31 betekent niet, dat wanneer iemand bezwaar heeft tegen het besluit ener kerkelijke vergadering, hij dan ... in appèl zou moèten gaan bij een meerdere vergadering, maar dat alleen het rècht hem gegund wordt in hoger beroep te gaan ten einde het besluit der mindere vergadering, waartegen hij bezwaar heeft, vernietigd te krijgen” (Assen 1926).

|119|

Van het recht om bij een meerdere vergadering in appèl te gaan mag alleen worden gebruik gemaakt indien men daarvoor genoegzame gronden meent te bezitten.

“De synode besluit in de beslissingen over gevallen, waarin van het recht van appèl kennelijk misbruik is gemaakt, niet met een eenvoudige afwijzing van het ingesteld appèl te volstaan, doch daaraan voortaan steeds toe te voegen een ernstige vermaning en bestraffing vanwege dat misbruik” (Sneek 1939).

Uit praktische overwegingen is het appèlrecht met betrekking tot grensgeschillen beperkt.

“De Synode besluit in kwesties, welke betrekking hebben op grensregelingen en geschillen daaruit voortvloeiende, voorzoveel daarbij niet twee particuliere synoden zijn betrokken, voortaan de eindbeslissing geheel in handen te leggen van de desbetreffende particuliere synode” 1) (Sneek 1939).

1) „Daarbij is immers veelal niet zozeer in het geding de vraag, of het rechtsgevoel zal worden bevredigd, als wel de vraag, op welke wijze het best aan de bestaande wensen bij de personen en kerken die bij de desbetreffende geschillen betrokken zijn, kan tegemoetgekomen worden. En het is niet in te zien, waarom deze taak niet aan de particuliere synode, welke geacht kan worden van de locale omstandigheden nauwkeurig op de hoogte te zijn, of althans zich op een vrij gemakkelijke wijze op de hoogte kunnen stellen, veel beter dan zulks aan een generale synode, die deze taak aan enkele deputaten zou moeten overdragen, ooit mogelijk zal blijken, kan voorbehouden blijven” (rapport).

Bij de weg van hoger beroep mag — krachtens art. 30. waarbij is bepaald dat men in meerdere vergaderingen niet zal behandelen dan ’t gene dat in mindere niet heeft afgehandeld kunnen worden — geen beroepsinstantie worden overgeslagen.

“De synode, overwegende dat de inzender van dit bezwaarschrift zich met voorbijgang van classis en provinciale synode rechtstreeks van zijn kerkeraad op de generale synode beroept, oordeelt dat zij op zijn bezwaar niet kan ingaan” (Arnhem 1902).

|120|

Verandert tijdens het hoger beroep de zaak dusdanig van karakter, dat hoewel de gronden voor de uitspraak in eerster instantie ondeugdelijk worden bevonden, er zich nieuwe gronden voor kerkelijk handelen voordoen, dan behoort de zaak naar de eerste instantie te worden teruggewezen.

“Al spoedig wordt het aan de synode duidelijk, dat de provinciale synode, die terecht classis en kerkeraad veroordeelde, zelve de fout beging, dat zij den adressant vonniste wegens een nieuw ontdekte dwaling ... Zij wees hem niet ter behandeling terug naar de kerkeraad, die met een naburige kerkeraad dat punt had te onderzoeken, maar maakte zelve uit dat hij geen ouderling kon zijn.
In overeenstemming met het rapport der commissie wordt besloten, adressant terug te wijzen naar de kerkeraad van A., om met een naburige kerkeraad het punt in kwestie te behandelen” (Rotterdam 1885).

Terwijl een verzoek om revisie ten allen tijde kan worden ingediend, moet hoger beroep binnen een bepaalde termijn worden aangetekend.
Na het verstrijken van die termijn kan de zaak dus alleen door een verzoek om revisie weer worden aanhangig gemaakt, waarna eventueel van het afgewezen verzoek om revisie weer kan worden geappelleerd.

“Alle protesten moeten ingezonden zijn op de dag van de opening der synode” (Rotterdam 1885).

“Hoger beroep tegen enige uitspraak ener kerkelijke vergadering moet vóór de eerstvolgende samenkomst der meerdere vergadering waarop men zich beroept, geschieden, met kennisgeving aan den scriba der vergadering, door wier besluit men zich bezwaard acht. Bij elke uitspraak moet hiervan kennis gegeven worden aan de belanghebbenden” (Dordrecht 1893).

Ook hangende een verzoek om herziening of een ingesteld hoger beroep, behoort men zich vooralsnog naar een met meerderheid van stemmen genomen wettig besluit van een kerkelijke vergadering te schikken (zich daaraan te conformeren), tenzij die kerkelijke vergadering zelf ter wille van het heil der kerk besluit, de uitvoering daarvan voorlopig op te schorten.

|121|

“Degene die zich beklaagt door de uitspraak van de mindere vergadering verongelijkt te zijn en zich op een meerdere beroept, zal intussen aan de uitspraak van de mindere vergadering onderworpen blijven totdat een meerdere daarover haar oordeel zal hebben uitgesproken” (Veere 1610).

“Tot nadere verklaring van het appèl heeft de synode hier toegevoegd en bijgedaan, dat zo iemand van een besluit van de classe aan de synode mocht appelleren, onderwijl het besluit van de classe zijn voortgang zal nemen en uitgevoerd worden” (Groningen 1617).

“Het beslissend oordeel of de uitvoering van het besluit ener kerkelijke vergadering hangende het appèl daartegen voorlopig kan worden opgeschort, staat in elk bijzonder geval bij de desbetreffende kerkelijke vergadering” (Utrecht 1946).

De verplichting om de eis der gehoorzaamheid hangende ingesteld appèl op te schorten bestaat voor kerkeraad en classis, als zij van een predikant nadere verklaring eisen van zijn gevoelen.

“Indien de kerkeraad, classis of synode ’t eniger tijd om gewichtige oorzaken van nadenken zou goedvinden, tot behouding van de eenheid en zuiverheid der leer, van ons te eisen nadere verklaring van ons gevoelen over enig artikel der voorzeide Belijdenis, van de Catechismus of van de Verklaring der Nationale Synode, zo beloven wij ook mits dezen, dat wij ’t aller tijd daartoe bereid en willig zullen zijn, op poene (d.i. straf) als boven (nl. het onmiddellijk bij weigering geschorst worden), behoudens het recht van appèl in geval van bezwaarnis, gedurende welke tijd van appèl wij ons naar de uitspraak der particuliere synode zullen regelen” (Ondertekeningsform. Dordrecht 1618/19). (Zie voorts bij art. 53.)

Het zich conformeren kan inhouden:
a. dat men zijn bezwaar niet van zo ernstige aard acht, dat men zich geroepen weet daarvan ten overstaan van de kerkelijke vergaderingen getuigenis te geven;
b. dat men zijn bezwaar in de kerkelijke weg bekend maakt, maar inmiddels de genomen besluiten de facto (d.i. in feite) aanvaardt;

|122|

c. dat men berust in het genomen besluit, na tevergeefs gepoogd te hebben aan de kerkelijke vergaderingen een overtuigend bewijs te leveren van de onjuistheid der betwiste uitspraak [Utrecht 1946].

De kerkelijke vergaderingen zijn echter in hun besluiten gebonden aan Gods Woord en aan de generale ordebepalingen der kerken, zolang deze laatste niet in de ordelijke weg veranderd zijn.

“(Aan de afgevaardigden wordt in last gegeven), om van onzentwege op de synode te handelen, beraadslagen en besluiten wat daar voorkomen zal, mits in gebondenheid aan Gods heilig Woord, de Formulieren van Enigheid en de aangenomen Kerkenordening” (Classis Amersfoort aan Amsterdam 1892).

“Voor zover wij in de wetenschap staan, dat èn zij èn de gehele vergadering in zaken des geloofs alleen Gods heilig Woord, en in de ordening der kerken de kerkrechtelijke beginselen onzer oude Gereformeerde kerken, gelijk die uit den Woorde Gods zijn afgeleid, tot enig richtsnoer zullen nemen, geven wij, onder dit verband, aan onze gedeputeerden zodanige autoriteit, alsof al de kerken in onze provincie zelve tegenwoordig waren” (Noordholland aan Utrecht 1905).

(De afgevaardigden krijgen opdracht) „conform den Woorde Gods, Formulieren van Enigheid, Kerkenordening en de verdere bepalingen der generale synoden onzer kerken te helpen handelen en besluiten over alle zaken, die ter vergadering mogen voorkomen en tot haar werkzaamheden behoren” (Friesland-Zuid aan Middelburg 1933).

Iedere mindere vergadering, en ook elke ambtsdrager en gelovige heeft daarom het recht om een besluit dat kennelijk in strijd komt met Gods Woord of de geldende kerkenordening niet voor vast en bondig te houden, daaraan rechtsgeldigheid te ontzeggen.

“Hetgeen eenmaal ter synode besloten is, zal geenszins noch classis noch kerkeraad zich vermeten te annulleren of te verbreken, tenzij dat bewezen kan worden, dat zulks met Gods Woord en de gemene kerkenordening strijdig zij” (Arnhem 1598).

|123|

“Is omgevraagd, of die van X. als leden van deze synode hun advies mede over de zaak zouden geven, en goedgevonden dat zo wanneer zij zich wilden schikken naar de meeste stemmen en het besluit van de synode nakomen, zij als leden de vergadering mochten dienen en helpen.
Daarop hebben die van X. verklaard, zich niet tegen het oordeel en de uitspraak der synoden te willen stellen, in zoverre er niets besloten werd, strijdende tegen Gods Woord en de generale ordeningen der synoden.
En derhalve zijn die van X, toegelaten in deze zaak mede te stemmen” (Hoorn 1602).

“Daartegenover binden zij (nl. de kerken in Noordbrabant en Limburg) de afgevaardigden aan Gods onfeilbaar Woord en mitsdien aan de Drie Formulieren van Enigheid en aan de Kerkenordening der Gereformeerde kerken in Nederland; en behouden zich op die grond de vrijheid voor, om — mocht dit onverhoopt nodig blijken — óók het andere deel van art. 31 der genoemde kerkenordening in toepassing te brengen” (aan Amsterdam 1892; idem aan Middelburg 1896).

“De gereformeerde kerken in Friesland — noordelijk gedeelte — zullen alles, wat door de generale synode wordt besloten, voor vast en bondig houden, voor zover het niet strijdt tegen het Woord Gods en de Drie Formulieren van Enigheid en de Kerkenordening” (aan Middelburg 1933).

Van alle kerkelijke besluiten moet allereerst geëist worden, dat zij voor het minst niet in strijd komen met Gods Woord.
Dit betekent met betrekking tot conscientiebindende bepalingen — d.i. alles wat aangediend wordt als een op zichzelf noodzakelijk stuk van godsdienst, in tegenstelling met ordebepalingen, die geen doel hebben in zichzelf —, dat zij ten volle gegrond moeten zijn op Gods Woord.

“Maakt al de volken tot mijn discipelen ... en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb” (Matth. 28: 19).

“Te vergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren die geboden van mensen zijn” (Matth. 15: 9).

“Eén is wetgever en rechter, Hij, die de macht heeft om te behouden en te verderven” (Jac. 4: 12).

“Intussen geloven wij, hoewel het nuttig en goed is dat de regeerders der kerk zekere orde onder elkander

|124|

instellen en verordenen tot onderhouding van het lichaam der kerk, dat zij nochtans zich wel moeten wachten om af te wijken van hetgeen Christus onze enige Meester ons verordend heeft” (N.G.B. art. 32).

“De dingen die de conscientie aangaan, moeten met Gods Woord bevestigd worden, maar die welke de orde betreffen of middelmatig zijn, moeten tot zulk een noodzakelijkheid niet gedreven worden” (Emden 1571).

“Alle conscientie-bindende besluiten zullen duidelijk met Gods Woord moeten bevestigd worden, zullende dezelve anders van geen kracht zijn” (Huishoud. Regl. 1839).

Het is een eis van Gods Woord om alle conscientiebindende besluiten op hun schriftuurlijkheid te toetsen en elke bovenschriftuurlijke conscientiebinding te verwerpen.

“Gij zult leren niet te gaan boven hetgeen geschreven staat” (1 Cor. 4: 6).

“Om waarlijk vrij te zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen” (Gal. 5: 1).

“Wij verwerpen alle menselijke vonden en wetten, die men zou willen invoeren om God te dienen, en door deze de conscientiën te binden en te dwingen, in wat manier het zou mogen zijn” (N.G.B. art. 32).

Voorts behoeft geen besluit voor vast en bondig gehouden, d.i. als rechtsgeldig erkend te worden, dat kennelijk in strijd komt met geldende kerkelijke ordebepalingen, zolang deze niet in de wettige kerkelijke weg — zie art. 30 — veranderd zijn.

“Geen classis mag om ’t nalaten van een onregelmatig artikel, dat zonder voorafgaand gravamen gemaakt is 1), bestraft worden” (Harlingen 1603).

1) Bedoeld is een besluit dat genomen is zonder dat de mindere vergaderingen in de gelegenheid gesteld zijn om zich over de kwestie uit te spreken en hun afgevaardigden te instrueren.

“Zonder enige twijfel is de plaatselijke kerk krachtens het kerkverband gehouden zich aan de besluiten der meerdere vergadering te onderwerpen, maar natuurlijk alleen voor zover deze besluiten met de K.O. zelf niet

|125|

in strijd zijn. Wanneer een besluit der meerdere vergadering zo rechtdraads tegen de K.O. ingaat als het bedoelde besluit der classis X., kan geen kerkeraad verplicht worden zich daaraan bij voorbaat te onderwerpen. Alleen is zulk een kerkeraad gehouden van het besluit der classis bij de particuliere synode in beroep te gaan; maar tot onderwerping aan zulk een besluit is hij zeker niet verplicht” (rapport Leeuwarden 1920).

De bezwaarde partij heeft tot taak, om de betrokken kerkelijke vergadering of eventuele beroepsinstanties met bewijzen te overtuigen. Geschiedt dit serieus, dan heeft zij — zolang de kerkelijke weg niet ten einde toe bewandeld is — er recht op, in haar overtuiging zoveel mogelijk te worden ontzien. Anderzijds mag zij geenszins haar mening aan een niet overtuigde kerkelijke gemeenschap als wet opleggen, en niet-uitvoering van het besluit eisen. De liefde zal de beste interim-oplossing moeten zoeken.

“Zo ... (iemand) in zijn conscientie bezwaard is en meent zulks uit Gods Woord en de kerkenordeningen der nationale synoden te kunnen bewijzen, zal hij datzelve (bewijs) binnen de tijd van drie maanden met alle matigheid in handen van de deputaten der synode overleveren en zich inmiddels stil en rustig houden” (Franeker 1609).

“Nopens degenen, die de synodale wetten beletten (d.i. niet nakomen), is besloten, dat zij zullen bestraft worden naar kerkenordening, tenzij zij wettige reden van verontschuldiging hebben” (Sneek 1593).

“Is voorgesteld, of niet aan classen en ook aan particuliere predikanten die niet gehoorzaam zijn aan synodale besluiten, zitting in de synode zal worden geweigerd totdat zij gehoorzaam zijn.
En is verstaan: ja; doch met inachtneming van wat in acht te nemen is, dat is, dat men hun tijd gunne om redenen te geven en gehoord te worden” (Gouda 1640).

“In geval enige kerkeraad of dienaar des goddelijken woords of ouderling kwam voor te wenden, dat het besluit van zijn betreffende classe streed tegen Gods Woord of de vastgestelde kerkorde, en de classe, op zodanig voorgeven de zaak weer ter hand genomen hebbende, niet kon bevinden haar besluit zodanig te

|126|

wezen, en volgens goed vond bij hetzelve te willen blijven, — 1) zal zulk een kerkeraad of dienaar of ouderling gehouden zijn de uitspraak te gehoorzamen, en, al kwam hij te appelleren, evenwel gehoorzaam zijn, verwachtende het oordeel van een meerdere kerkelijke vergadering” (Veere 1610).

1) Het slot van deze bepaling is in zijn algemeenheid stellig onjuist (vgl. Hand. 5: 29).

“In allen gevalle moet naar het oordeel der synode art. 31 K.O. dus opgevat worden, dat de vastheid en bondigheid van de besluiten der kerkelijke vergaderingen haar begrenzing vindt in de overeenstemming met het Woord Gods en de artikelen der K.O., met dien verstande evenwel, dat over de aanwezigheid dezer overeenstemming niet slechts degene die bezwaren inbrengt, maar evenzeer de kerkelijke vergaderingen te oordelen hebben, en dat in dezen binnen het kerkverband de beslissing tenslotte zal moeten verblijven aan de generale synode, welke overeenkomstig art. 36 K.O. zeggenschap heeft” (Utrecht 1946).

“Het moet niet juist geacht worden voor bepaalde gevallen een algemene regeling te treffen, die ertoe zou leiden, besluiten ener kerkelijke vergadering tijdelijk voor niet vast en bondig te verklaren” (Utrecht 1946).
Wel kan „in een concreet geval een kerkelijke vergadering bepalen een door haar genomen besluit tijdelijk voor niet vast en bondig te verklaren, indien namelijk op deze wijze het welzijn der kerken gediend en dusdoende toch aan het recht Gods in de kerken niet te kort gedaan wordt” (Zwolle 1946).

In geval een generale synode een definitieve beslissing genomen heeft in een niet-conscientiebindende aangelegenheid, heeft de bezwaarde partij zich ter wille van het behoud van de kerkelijke gemeenschap in feite te schikken naar het rechtens niet erkende besluit.

“Door enige leden der vergadering werd aangemerkt, dat de gereformeerde kerk, volgens haar beginselen in de kerkregering, nooit toegelaten heeft, dat de bepalingen der kerk betreffende middelmatige dingen overtreden worden, wanneer door zulke overtreding ergernis, verwarring, twist of verdeeldheid in de gemeente veroorzaakt wordt…
Wie zodanige instellingen overtreedt, en daardoor twist en verdeeldheid te weeg brengt, ofschoon hij getuigt naar zijn geweten te handelen, die toont geen geweten

|127|

te maken van de enigheid der kerk, en dus tegen het voornaamste gebod, de liefde, te zondigen…
Wanneer derhalve betreffende middelmatige dingen door het kerkbestuur bepalingen worden gemaakt, maar sommigen verklaren over zulke bepalingen in hun geweten bezwaard te zijn, dan moet zeker wel het kerkbestuur de bezwaren beoordelen, om die bepalingen, kon het overigens geschieden, op te heffen; maar geen opziener mocht zich boven het kerkbestuur, noch een mindere vergadering boven een meerdere verheffen. Wanneer derhalve het bevoegde kerkbestuur oordeelt, dat de overtreding in dergelijke gevallen tot nadeel der kerk leidt, door twist en verdeeldheid te veroorzaken, dan moeten zij, die daaronder behoren, zich aan dit oordeel onderwerpen.…” (Amsterdam 1849).

In conscientiebindende aangelegenheden moet ook als een generale synode beslist heeft, alsnog het uiterste gedaan worden om binnen het kerkverband tot oplossing van het geschil te komen.

“Het wordt als juist erkend in onze kerken, dat in geval een generale synode een beslissing genomen heeft, met name een zodanige die de conscientie raakt, de kerkelijke vergaderingen ten opzichte van ambtsdragers, die daarover naar art. 32 N.G.B. zich bezwaard gevoelen en zich niet kunnen conformeren, om des Heeren en der broederen wil, zover het welzijn der kerken dit maar immer gedoogt, de grootste tolerantie zullen gebruiken om hen in de gelegenheid te stellen hun bezwaren alsnog in de kerkelijke weg aanhangig te maken, mits zij door hun wijze van optreden en spreken de kerkelijke gemeenschap niet in gevaar brengen, zulks ter beoordeling van de erbij betrokken kerkelijke vergadering” (’s-Gravenhage 1950).

Wordt het geschil niet opgelost, dan zal nog zo mogelijk de kerkelijke eenheid moeten worden bewaard door toepassing van de tolerantie-gedachte.

“Indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren; maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder" (Fil. 3: 15, 16; vgl. ook Rom. 14).

“De synode, niets liever ziende dan de vereniging van die dienaren met de kerken, en willende nochtans voorkomen (d.i. ervoor zorgen) dat de zuiverheid der leer behouden werd, heeft goedgevonden, dat de stellingen,

|128|

door de synode gesteld, in hun wezen op zichzelf zullen blijven, en dat daarbenevens op schrift zullen gesteld worden de artikelen, die de voornoemde dienaren in de samenspreking verklaard hebben voor goed te houden, zoals die daarna ook geformuleerd en hun op de synode voorgelezen zijn, boven dewelke zij betuigden met goede conscientiën niet te kunnen gevoelen. En alzo de voornoemde twee dienaren ook verklaarden, dat zij het gevoelen van de andere dienaren der gereformeerde kerken niet begeerden te bestraffen, maar alleen in het hunne geduld te worden, belovende dat zij zich zowel in prediking als particuliere samenspreking alzo zullen gedragen, dat zij niet met recht zullen bevonden worden anders dan het waarachtige fundament der zaligheid — bestaande in de genadige toerekening van de rechtvaardigheid en heiligheid van Jezus Christus — te verkondigen, zo is de verklaring van de voornoemde dienaren in dier voege door de synode aanvaard, en goedgevonden dat men hen in hun gevoelen zal dulden en dat zij daarop hun dienst zullen voortzetten” (Hoorn 1596).

“De kerkelijke vergaderingen kunnen het recht van tolerantie oefenen in die zin, dat zij ter wille van de eenheid der kerk een dwalende broeder in zijn verkeerd gevoelen kunnen dragen, echter op deze voorwaarden:
a. dat dit van de leer der kerk afwijkend gevoelen geen fundamenteel punt der waarheid raakt;
b. dat deze dwalende zijn tegen de leer der kerk ingaand gevoelen niet propageert, en bereid is, zich door de kerk te laten onderwijzen” (Utrecht 1946).

Is deze uitweg niet mogelijk, dan kan het kerkverband alleen nog worden bewaard, indien bezwaarde ambtsdragers berusten in hun schorsing en afzetting of afstand doen van hun kerkelijke diensten.

“Of al degenen, die op de aanstaande synode als gecommitteerden en leden derzelve zullen verschijnen, niet behoren in de aanvang oprecht voor den Heere te verklaren ten genoege van de voorzeide synode, dat zij zich al tezamen aan het oordeel van de synode onderwerpen?
Nadat verklaard was, dat daardoor niet verstaan werd, dat men zou moeten beloven alles voor goed te houden, wat door de synode zou besloten worden, maar dat men òf datzelve zou moeten voor goed houden en volgen, òf zo men zulks niet kon doen, met een goede conscientie liever afstand doen van de kerkelijke diensten als zich

|129|

tegen de orde der synode stellen, hebben daarop alle leden der synode, zowel van het éne als van het andere gevoelen, eendrachtig verklaard, dat zij in dier voege zich gewillig aan het oordeel zo van deze als van de toekomende nationale synode onderwierpen” (Delft 1618).

Bos, F.L. (1950) Art. 32

Art. 32.

De handelingen aller samenkomsten zullen met aanroeping van de naam Gods aangevangen, en met een dankzegging besloten worden.

De oudste kerkorden gewagen bij het begin van synodale vergaderingen van tweeërlei gebed.

“Als zij tezamen gekomen zijn zal de dienaar der plaats, of, indien er geen is, degene die op de vorige vergadering gepresideerd heeft, een gebed doen met betrekking tot de verkiezing van een praeses, assessor en scriba. De verkozen praeses zal een gebed doen ingesteld op de ganse handeling” (Emden 1571).

Door de Zuidhollandse synode werd de gewoonte ingevoerd, om aan het begin en aan het slot van de synodale vergadering een korte preek te laten houden. Deze gewoonte werd later door enkele andere provincies overgenomen.
Schriftlezing en psalmgezang aan het begin van een kerkelijke vergadering is van veel jongere datum.

“Is raadzaam bevonden, dat de volgende synoden met een vermaning vóór en desgelijks tot een besluit der vergadering ná begonnen en geëindigd zullen worden” (’s-Gravenhage 1591).

(Op het voorstel van Noordbrabant:) „de synode wekke onze kerkelijke lichamen, kerkeraden enz. op, om hun vergaderingen, benevens met gebed, ook met de lezing van een gedeelte van Gods Woord aan te vangen, besluit de synode, in aanmerking nemende dat plaatselijke omstandigheden en werkzaamheden zeer uiteenlopen, eenparig, dat zij omtrent de lezing van Gods Woord vóór de aanvang der vergaderingen geen algemene bepaling meent te kunnen maken” (Zwolle 1582).

Bos, F.L. (1950) Art. 33

|130|

Art. 33.

Die tot de samenkomsten afgezonden worden, zullen hun credentiebrieven en instructiën, ondertekend zijnde van degenen die ze zenden, medebrengen, en deze zullen keurstemmen hebben, ten ware in zaken, die hun personen of kerken in het bijzonder aangaan.

Daar meerdere vergaderingen geen samenkomsten zijn van enige ambtsdragers, maar van kerken, kunnen die vergaderingen niet officieel aanvangen, voordat het onderzoek der geloofsbrieven (credentiebrieven) van de aanwezigen heeft plaats gevonden.
Zonder geloofsbrief kan niemand als lid der vergadering zitting nemen.

“Welke orde men houden zal in ’t aanvangen der synoden? Antwoord: Degene die op de vorige synode gepresideerd heeft, of zo hij niet tegenwoordig is de dienaar der plaats waar de synode tezamen komt, zal een gebed doen tot de verkiezing van de praeses, van zijn bijzitter (assessor) en van de scriba bekwaam. Daarna zal hij de afgevaardigden brieven van credentie afvorderen, en hun namen, als ook van degenen die niet verschenen zijn, doen opschrijven. En alsdan zal de praeses enz. met de meeste stemmen verkoren worden. En dit gedaan zijnde, zal de verkoren praeses een gebed doen, tot de ganse handel bekwaam; of de oorzaken van hen die uitgebleven zijn, wettig zijn, onderzoeken, en de instructiën van een iegelijk afnemen” (Middelburg 1581).

“De credentiebrieven tonen, dat hier dienende vertegenwoordigers van, en niet willekeurig opgeworpen heersers over de kerken tezamen zijn” (Leeuwarden 1890).

(Broeders zonder geloofsbrieven) „kunnen nog niet als afgevaardigden worden toegelaten” (en) „zullen zich van medehandelen onthouden, totdat hun credentiebrieven zullen zijn aangekomen en in orde bevonden” (Leeuwarden 1890).

Krachtens hun credentiebrieven handelen de afgevaardigden in naam van de kerken die zij vertegenwoordigen, alsof die kerken zélf tegenwoordig waren.

“Wij zenden ... N.N. en N.N aan dezelven volle macht en autoriteit gevende om te mogen handelen en beslissen in alle kerkelijke zaken, zowel in ’tgene zij van

|131|

ons naar uitwijzen van hun instructie in last ontvangen hebben, als in ’tgene dat ook door andere afgevaardigden uit naam van hun kerken voorgesteld zal worden. En alzo wij dezelven wel zo kennen, dat zij met de ganse vergadering Gods Woord alleen in zaken des geloofs, en in de ordening der kerken het voorbeeld van de allerbest gereformeerde kerken tot hun enig richtsnoer zullen nemen, zo twijfelen wij niet om aan deze onze gecommitteerden alzulke autoriteit te geven, alsof onze ganse classe ... en een iegelijke kerk bijzonder in dezelve gelegen, daar tegenwoordig ware” (Classis Voorne c.a. aan Dordrecht 1574).

“Wij committeren en zenden uit mits dezen ,.. N.N. ... tot de provinciale synode met volkomen macht, autoriteit en instructie, in alles wat uit onze naam aldaar zal te handelen wezen, ’tzij particulier of generaal de zaken der kerk betreffende; biddende dat gij hem voor zodanig wilt aannemen, gehoor en crediet geven, alsof wij alle tezamen daar tegenwoordig waren” (Veere aan Dordrecht 1574).

“Wij ordineren bij dezen ... N.N. en N.N. ... om bij ulieden te Dordrecht in de nationale synode te verschijnen en onze gemeenten te vertegenwoordigen, gevende denzelven volle macht voor zoveel als het ons aangaat, met ulieden te beraadslagen en te besluiten in alles, wat tot goede orde, welstand en bouw der kerken Christi nut zal bevonden zijn; ulieden biddende, zij willen deze onze gezanten voornoemd volle geloof geven in hetgene dat zij uit onzer aller naam vertogen zullen” (classen Oost- en West-Vlaanderen aan Dordrecht 1578).

De credentiebrieven moeten behalve de lastgeving, de stipulatie oftewel formele toezegging bevatten, dat de afvaardigende kerken de te nemen wettige besluiten voor vast en bondig zullen houden.

“Alzo in de credentiebrief van de classe van X. onder anderen stond, dat zij de zaken, door hun gecommitteerden goedgevonden, getrouw wilden nakomen, zo zijn de gecommitteerden daarover gehoord en is hun voorgesteld, dat in de synoden om ordening te houden, naar de meeste stemmen — als de zaak overwogen is — besloten wordt, en zo iemand zich daarin bezwaar vindt, dien is toegelaten om de zaak tot een meerdere vergadering te brengen. Zo hebben de gecommitteerden zich dit laten welgevallen, en verklaard, hun mening desgelijks te zijn” (Haarlem 1582).

|132|

(In de credentiebrieven van de afgevaardigden behoort gesteld te worden) „dat de classen die hen gezonden hebben ook willen goedkeuren en voor goed houden hetgeen ter synode in overeenstemming met het woord Gods en de kerkelijke orde zal besloten worden” (Leiden 1592).

“Elke classis zal haar afgevaardigden ter synode medegeven:
ten eerste een credentie, schriftelijk door den praeses en scriba ondertekend, waarin zij verklaren zullen, niet alleen dat zij hen hebben afgevaardigd, maar ook tevreden zijn voor vast en bondig te houden hetgeen de synode bij meerderheid of overwicht en gewichtigheid der stemmen zal besluiten, met verbintenis dat zij zich daarnaar zullen regelen” (Assen 1618).

“Is besloten, dat geen lastgevingen van de gevolmachtigden op de synode mogen vertoond of aangenomen worden, of zij zullen ... macht geven om eindelijk (d.i. definitief) en krachtelijk te besluiten ..., wel te verstaan, dat de resoluties niet strijden met Gods heilig woord en het heilzaam gebruik der Nederlandse kerken” (Franeker 1602).

“Dat in de credentiën in ’t toekomende nagekomen worde, dat ... ook zoude uitgedrukt worden, dat de kerken, die hun credentiën zenden, mede verklaren, dat zij zich (aan) al hetgene conform Gods heilig woord en de kerkelijke orde zal beraamd worden, onderwerpen alsof zij zelf tegenwoordig waren” (Classis Nijmegen 1632).

“Naar aanleiding van de credentiebrieven vindt enige bespreking plaats over de noodzakelijkheid, dat de classen zich toch duidelijk verbinden om al wat conform Gods Woord, Belijdenis en Kerkenordening besloten wordt, te zullen naleven” (’s-Gravenhage 1891).

“Wij ondergetekenden, vertegenwoordigende de classe van Brabant, ... beloven alles voor goed te houden, ’tgene dat aldaar volgens de onveranderlijke regel des goddelijken woords en goede ordening der kerken zal gehandeld en vastgesteld worden” (aan Dordrecht 1578).

“Beloven bij dezen de dienaren, op de synode van Leeuwarden vergaderd, dat zij in hun kerken van Friesland zullen onderhouden alle zodanige ordening, die op de nationale synode te ’s-Gravenhage door onze en andere gevolmachtigden dezer provinciën gemaakt zullen worden, met Gods Woord en het gebruik der eerste kerken overeenkomende en alzo tot stichting der kerken dienende” (Leeuwarden 1586).

|133|

(Wij beloven te zullen aannemen de besluiten) „niet strijdende tegen de gezonde leer en de christelijke ordening van de regering, in onze kerken tot nog toe door des Heeren genade met grote stichting gebruikt” (Edam 1586 aan ’s-Gravenhage 1586).

(De classen Zutfen, Arnhem en Harderwijk zullen de besluiten der afgevaardigden ter synode aanvaarden) „indien zulks als zij voor goed kennen zullen, niet strekt, direct of indirect, tot enig nadeel van de ware, eenmaal aangenomen en bekende (d.i. beleden) leer der waarheid, die in overeenstemming met Gods heilig woord in de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus — verstaan en aangenomen in zulke zin en mening als diezelve tot nog toe hier te lande in onze kerken zijn genomen en verstaan — begrepen is, of ook tot verzwakking van en inbreuk op de kerkelijke orde, die in deze kerken van het vorstendom en de graafschap in overeenstemming met nationale, provinciale en classicale besluiten tot nog toe is onderhouden en gebruikt” (aan Arnhem 1618).

“De credentiën van de gecommitteerden van Zutfen, Arnhem en Harderwijk, nadat zij voorgelezen zijn, zijn voor goed, en de gecommitteerden als genoegzaam gequalificeerd erkend en aangenomen” (Arnhem 1618).

Een goed voorbeeld is het volgende vastgestelde credentie-formulier:

“Formulier van credentie ten dienste van classen en kerkeraden.

Gelukzaligheid.

De classis/kerkeraad N. heeft goedgevonden te deputeren en deputeert mits dezen op de uitgeschreven provinciale synode/classis, haar waarde lieve medebroeders N.N. om in de vreze des Heeren naar het richtsnoer des goddelijken woords en de gearresteerde aangenomen kerkenordening met goede conscientie alle voorvallende kerkelijke zwarigheden met de gezamenlijke broederen aldaar vergaderd te helpen verhandelen, in alles (te) adviseren, besluiten en helpen uitvoeren, ’twelk ter ere Gods en tot de meeste stichting zijner kerk dienstig wezen kan, zo nochtans dat de voorzeide gedeputeerden in de gravamina, door de classe/(den kerkeraad) overgeleverd, naar de instructie hun gegeven zich zullen hebben te gedragen. Belovende alles wat in overeenkomstigheid als boven door dezelve hun waarde en lieve broeders gedaan zal worden, goed en vast te houden en gewillig na te komen, even of wij zelf alle tegenwoordig waren geweest. Wensende daarentussen de eerwaardige

|134|

vergadering de rijke zegen des H. Geestes, biddende dat het Hem gelieve in ’t midden van haar te presideren en al haar handelingen ten beste en tot een gewenst einde te richten.

Gedaan in onze classikale vergadering/kerkeraad N.N” (Utrecht 1620).

Omdat zij niet als particuliere personen maar als vertegenwoordigers hunner kerken hebben te handelen, zullen de afgevaardigden ook steeds van schriftelijke instructies worden voorzien, en dienovereenkomstig het standpunt van hun principalen behartigen.

“Op de classikale vergadering zal iedere dienaar de gravamina zijner kerk schriftelijk naar voren brengen” (Harderwijk 1580).

“Is verder besloten, dat de dienaren op de classe verschijnende, na dezen geen gravamina in naam van hun kerk zullen voorstellen, tenzij dat zij eerst van de kerkeraad ondertekend zijn” (Cl. Nederveluwe-Nijkerk 1607).

“Die naar de synode gezonden worden, zullen de voor te stellen punten schriftelijk gewaarmerkt medebrengen” (Emden 1571).

“Zijn overgeleverd en gelezen de credentiebrieven en lastbrieven van de afgevaardigden ter synode van hun classen, om in de naam derzelven alle voorvallende zwarigheden te helpen verhandelen, en advies en beslissing te geven over alle gravamina achtervolgens hunlieder instructiën” (Amsterdam 1595).

“De broeders zullen voortaan over de overgeschreven gravamina hun instructie vertonen en te berde brengen” (Enkhuizen 1585).

“Aan de afgevaardigden naar de nationale synode zal behalve hun credentie een zekere instructie medegegeven worden, waarnaar zij zich ter synode reguleren zullen” (Edam 1586).

“De gravamina zullen tijdig door de classen worden overgezonden ... opdat ... de classen, hierover beraadslaagd hebbende, hun gezanten naar de synode tijdig instructie kunnen medegeven” (Schiedam 1588).

“De gedeputeerden der kerken, die ter synode verschijnen, zullen met zich brengen niet alleen hun credentie, maar ook instructiën, opdat op ordelijke wijze over alle

|135|

voorvallende zaken met gemene stemmen moge gehandeld en besloten worden” (Kampen 1593).

“Elke classis zal na uitschrijven van de synode, zonder breder schrijven daarvan te verwachten, haar gravamina overzenden, en deze zullen, uit alle classen tezamen gevoegd zijnde, wederom aan de classen toegezonden worden, opdat een ieder die ter synode verschijnen zal, welbesloten en met advies van zijn classe verschijne; waarom de classicale vergaderingen bijtijds zullen moeten gehouden worden” (Arnhem 1600).

“De gravamina zullen ten minste drie weken vóór de synode overgezonden worden, opdat de classen over die gravamina mogen delibereren en adviseren, en hun afgevaardigden die ter synode zullen gaan, daarvan instructie nevens hun credentie medegeven” (Groningen 1603).

“Elke classis zal haar afgevaardigden ter synode medegeven:
ten tweede een schriftelijke instructie ..., waarin zij gehouden zullen zijn uit te drukken de (rondgezonden algemene) gravamina met hun betreffende beslissingen; insgelijks de particuliere gravamina en vraagpunten, die zij het algemene niet betreffende zullen mogen hebben” (Assen 1618).

“Aangaande zulke en dergelijke dingen (nl. die de kerken in ’t algemeen aangaan), die tevoren voor de synode niet hebben gediend, daarover zal eerst aanschrijving aan de classen worden gedaan, om hun gedeputeerden ter synode met hun adviezen tot afdoening daarvan te instrueren” (’s-Gravenhage 1673).

Ofschoon de afgevaardigden in alles hebben te ijveren voor het gevoelen hunner kerken, behoren zij met betrekking tot de beslissing geen absoluut bindend mandaat te ontvangen, anders dan in zaken van leer of algemene kerkregering.

“Zullen al onze gravamina door onze afgevaardigden met alle redenen, aandrang en andere geschikte middelen voorgestaan en aangebonden worden, opdat ze door de vergadering zoveel mogelijk is, mochten worden toegestemd” (Zierikzee 1618).

“Die van nu voortaan ter synode zullen afgevaardigd worden, zullen daar komen met voorbedachte resolutiën in zaken, die de leer of de gemene kerkregering aangaan. Maar wat aangaat enige geringe zaken die uit de

|136|

bijzondere omstandigheden van zaken of recht moeten beoordeeld worden, zullen zij alleen komen met adviezen” (Tholen 1602).

Om partijdigheid te voorkomen dienen de afgevaardigden zich in rechtszaken en geschillen die hun eigen persoon of kerk (en) betreffen, van stemming te onthouden.
Dit behoort tevens te geschieden als anderszins partijdigheid zou dreigen.

“Personen waarop enige verdenking van partijschap valt, hetzij dan door bloedverwantschap of anderszins, zullen in de synodale, classikale en kerkeraadsvergaderingen of handelingen, inzonderheid wanneer men stemmen vergaderen of besluiten zal, niet geduld worden, maar zullen op autoriteit en aanzeggen van de praeses moeten uitgaan. En indien iemand niet wil gehoorzamen, zal hij naar behoren kerkelijk door de synode, classe en kerk gestraft worden” (Harlingen 1590).

“Het wordt bevonden, gelijk kennelijk is, dat in enige classen van deze synode verscheiden personen zijn die elkander bezwagerd of ook door bloedverwantschap verbonden zijn, waardoor te zijner tijd in de nodige handeling en zaken der kerken door een tezamenstemming der zodanigen de vruchtbaarheid en stichting verhinderd, en ook de vrijheid, hetzij van zodanige verwante personen zelve, door liefde of door ontzag voor elkander ingehouden wordende, hetzij insgelijks ook van de classikale vergaderingen, niet weinig gekrenkt en weggenomen zoude kunnen worden.
Wordt gevraagd, of het niet nodig en geraden zij, dat de synode daarop in tijds acht geve en door een geschikt besluit in zodanige zaken tot de beste stichting orde stelle.
De synode, zulks bevonden hebbende in de classen Middelstum en Eenrum, heeft  om daarin te verbeteren na rijpe overweging eendrachtig besloten en gebiedt alle classen striktelijk na te komen als volgt:
1. en aan de overblijvende broeders van de classis toestaan van hun zaak in hun eigen afwezigheid te beraadslagen en te besluiten.
2. In gemene zaken (en) in de stemm(ing)en die hun niet aangaan, zullen gemelde personen gelijk de anderen

|137|

vrije deliberatie en toestemmen hebben. Doch indien gemerkt werd, dat zij of enigen onder hen zich tezamen hielden, partijschap tonende, zullen zulker stemmen tezamen voor niet meer dan één stem gelden.
3. Als geheime stemmen verzameld en gegeven zullen worden, zullen zulke bevriende pastors niet meer dan één stem voor zich allen geven kunnen. Daarbenevens wordt aan de classen ernstelijk aanbevolen, dat zij zoveel mogelijk verhinderen, dat bloedverwante of bevriende pastors in een classe zich zozeer vermeerderen en sterk worden” (Groningen 1615).

Ook het tweemaal rechter zijn over dezelfde zaak is ongewenst.

“Wanneer een dienaar als lid van een classis over een zaak gestaan heeft, mag hij naderhand als lidmaat van de ... synode daarover geen vonnis spreken” (Bolsward 1594).

“Er is geen enkele reden, dat personen, die tevoren in een of andere zaak, welke op de meerdere vergadering gebracht wordt, een mindere vergadering van advies gediend hebben, in deze meerdere vergadering geen zitting zouden nemen” (Assen 1926).

Bos, F.L. (1950) Art. 34

Art. 34.

In alle samenkomsten zal bij den praeses een scriba gevoegd worden, om naarstig op te schrijven ’t gene waardig is opgetekend te zijn.

De kerkelijke vergaderingen hebben zorg te dragen voor een getrouwe schriftelijke vastlegging van al hun besluiten en gedenkwaardige handelingen.

“In elke kerkeraad zal een boek wezen, waarin naarstig en getrouw opgetekend zal worden wat tot de regering der kerk dient, ’twelk alles geschreven zijnde ’t eiken male zal herlezen worden, of daar iets af of toe te doen ware. En men zal in de naastvolgende vergadering lezen, wat in de laatste besloten is” (Dordrecht 1574).

“In alle kerken zal een boek zijn, in hetwelk naarstig en getrouw de handelingen die in de kerkeraad besloten en met gemene bewilliging der optekening waardig geacht zijn, opgeschreven zullen worden, dewelke men ter naaste vergadering telken reize oplezen zal, opdat men niets vergete in het werk te stellen” (Dordrecht 1578).

|138|

“Heeft ook de christelijke synode goedgevonden alle respectieve classen aan te manen, zorg te willen dragen, dat haar acten voor ’t scheiden der classis mogen worden gewaarmerkt, om alzo alle ontijdige aanklachten en misnoegens te breidelen, dat ze tot een kostbaar rekken van de handelingen der hogere vergadering niet uitbersten” (Gorinchem 1652; telkens weer ingescherpt).

“Of niet de actuarii (d.i. schrijvers van de acta) der synode strikt zijn gehouden om alleen te registreren en in acta te brengen synodale besluiten, die na het gewoonlijke omvragen vastgesteld en na bescheiden samenvatting goedgevonden zijn, zonder hetzij wat de inhoud of de vorm betreft buiten algemeen weten zich iets aan te matigen. Vervolgens hoe men met zulke actuarii, die zich in dezen hebben vergrepen of in de toekomst zouden mogen vergrijpen, zal hebben te handelen.
De synode verstaat, dat een actuarius der synode behoort getrouw te zijn, en anders doende, naar de mate van zijn vergrijp behoort bestraft te worden. En (er) is ook tot voorkoming van alle dergelijke ongelegenheden besloten, dat op alle synodale vergaderingen het samenhangend geheel van de acten die aldaar zijn voorgevallen, voor het scheiden der vergadering — naar vroegere doch nagelaten gewoonte — zal voorgelezen worden” (Delft 1638).

Ook aan de duidelijkheid van het beschrevene moet behoorlijke zorg besteed worden.

“Alzo in de acten der synoden veel uitheemse en vreemde woorden worden gelezen, hebben die van X. gevraagd, of men zich niet behoorde te benaarstigen om duidelijke, klare en Nederlandse woorden te gebruiken. Er is geantwoord: ja, zoveel als mogelijk is” (Hoorn 1602).

“De christelijke synode heeft geoordeeld, dat het uitschrijven van de synodale acten zal geschieden zonder enige afkorting” (Dordrecht 1676).

Bij het vermelden van persoonlijke kwesties behoort de nodige omzichtigheid te worden betracht.

“Is voorgesteld, of in de synodale acten behoren ingesteld te worden de speciale geschillen, die partijen tegen elkander aanvoeren en drijven. Waarop de synode besloten heeft, dat alzulke klachten en twisten na verzoening niet in de synodale acten zullen worden uitgedrukt, om der wille van de stichting” (Haarlem 1594).

|139|

“De kwestie is ter sprake gebracht, of ’tgene ter synode particuliere personen of dienaren aangaat en verhandeld wordt, in de gemene acten der synode, die aan de classen gezonden worden, zal ingevoegd worden, alzo gelijk sommigen meenden, ’tzelve tot nadeel van alzulke personen in hun naam en faam diende. En is door de synode geadviseerd, dat die dingen die openbaar zijn, hetzij in leer of leven, hoewel ze particuliere personen aangaan, in de acten zullen aangetekend worden, opdat ook de andere kerken en classen verstaan en zien mogen, dat de synode geen oogluiking met ongeregelde personen en dienaren begeert te doen; achtende deze vergadering, wanneer alzulke personen of dienaren zich beteren, dat als hun beterschap ook in de acta ingevoegd is, zulks tot hun meerdere ere en stichting van anderen dienen zal. Wel te verstaan dat die dingen, die niet zo geheel bekend zijn of van welke alleen vermoeden bestaat zonder klaar bewijs, tot omzichtig gebruik van de synode pro memorie mogen alleen apart aangetekend worden. En de synode wil hiermede alzulken en alle anderen vermaand hebben zich alzo in leer en wandel te gedragen, dat zij in de acten der synode niet komen ingeschreven te worden” (Leiden 1592).

Men zal er ernstig op toezien, dat geen indiscrete mededelingen uit kerkelijke vergaderingen geschieden.

“Er is besloten, dat zo er iemand bevonden wordt die enige zaken die hier verhandeld zouden mogen worden, buiten het vertrek waar de dienaren gemeenschappelijk in de naam des Heeren vergaderd zijn, overbrieven of achterklappen, (deze) beboet zullen worden en hun oordeel ontvangen van de classis waaronder zij behoren, en dat naar de gelegenheid der zaken, zo ook de classe bevinden zal” (Hoorn 1576).

“Door de synode is besloten dat zo wie in ’t vervolg bevonden wordt iets gerapporteerd te hebben uit de vergadering der synode aan degenen die tot dezelve niet behoren, verklaard zal worden ongeschikt en onwaardig om in zulke vergaderingen te verschijnen” (’s-Gravenhage 1599).

“(Er) is goedgevonden daarbij te voegen, tot breder verklaring, dat men onderscheid zal maken, aan wie, wat en uit welke mentaliteit zulk rapport zal gedaan zijn, om naar het oordeel der synode ongeschikt verklaard, of zoals de synode na(ar) discretie zal goedvinden te behoren, gestraft te worden” (Leiden 1600).

|140|

“Er is eendrachtig besloten, dat van al degenen die wat op synoden en classen aangediend en besloten is, uitdragen en uitstrooien, de dienaars met opschorting van hun dienst en salaris gedurende een vierendeel jaars, de ouderlingen met de kerkelijke tucht scherp bestraft en tot openbare schuldbelijdenis zullen gedreven worden” (Sneek 1587).

“Is besloten, dat niemand zich zal vermeten enige dingen over te vertellen, die zowel op synoden als classen met betrekking tot de censura morum en wat verder niet behoort oververteld te worden, verhandeld worden, en dat op straffe van opschorting in de dienst” (Groningen 1602).

“De gezamenlijke aanwezige broeders zijn ernstig vermaand, dat zij het vervolg voorzichtiger handelen en toch de zaken die op de synode voorvallen buiten haar niet willen verbreiden, opdat geen jalousie verwekt en ergernissen mogen aangericht worden” (Appingedam 1620).

“Alle leden van de synode worden vermaand en belast om geen acten, besluiten of adviezen van kerkelijke colleges uit te brengen tot nadeel van de vergadering, mitsgaders leer en orde der gereformeerde kerken; en zo iemand daaraan schuldig bevonden wordt, zal het college, waaronder hij ressorteert, hem bestraffen; eerstelijk hem geen zitting geven in het kerkelijk college voor een zekere tijd, staande tot discretie van die vergadering; en zo hij verder volhardt, zal hij met orde voor een tijd geschorst worden, niet alleen van zijn dienst, maar ook van het goed dat hij door de dienst geniet” (Schoonhoven 1630).

In verband daarmede kan ook het toelaten van toehoorders niet onbeperkt geschieden, al behoort een meerdere vergadering althans voor ambtsdragers haar zittingen niet dan bij hoge noodzaak van geheimhouding te sluiten.

“Alzo de kerk van X. haar dienaar met credentie en opdracht tot deze synode gezonden had, begerende dat hij tot het aanzien en aanhoren mocht toegelaten worden, is hem hetzelve gegund” (Nijebroek — Gld. — 1592).

“Of dienaren die niet afgevaardigd zijn, met hun tegenwoordigheid de synodale vergaderingen in alle en allerlei actie mogen bijwonen.
Is besloten, dat zij bij de algemene zaken en die omtrent

|141|

de leer mogen aanwezig zijn, maar bij persoonlijke zaken naar discretie der synoden” (Leeuwarden 1619).

“Op het gravamen, sprekende van het toelaten der predikanten, onder deze synode behorende, tot het aanhoren van de synodale handelingen, is verstaan dat zij mogen toegelaten worden in algemene zaken, doch met verlof van den praeses of iemand van het moderamen, en dat onder belofte van stilzwijgen; en dat het in particuliere zaken zal staan in het believen van de vergadering” (Gorinchem 1632).

“Heeft de synode het recht om, wanneer zij het in bijzondere gevallen nodig oordeelt, de toegang tot haar vergadering ook voor leraars en ouderlingen der kerk te sluiten?
De vergadering neemt onder dankbetuiging kennis van het gemotiveerd advies van de docenten der Theologische School:
… Wie in de gereformeerde kerk een meerdere vergadering, hetzij classe, provinciale vergadering of synode aanschouwt, vestigt het oog op een vereniging van opzieners, die wel met hun medebroeders gelijke rang hebben als dienaren van den Koning der koningen, maar die hun medebroeders vertegenwoordigen, het vertrouwen hunner zenders genieten, zich dienstbaar gesteld hebben om te verrichten wat hun opgedragen is, en derhalve dienaren zijn van hun mededienaren. Zullen zij uit hun vergaderingen hen verwijderen, die tot hun zenders behoren? Zo men bij de gewone zaken hieraan dacht, zou men geheel in strijd staan met de beginselen en voorschriften der gereformeerde kerk. Zal men dan in bijzondere gevallen de toegang voor leraars en ouderlingen tot meerdere vergaderingen, en dus ook tot de synode, niet mogen sluiten? Zo deze gevallen geen betrekking hebben op de besluiten der mindere vergaderingen, of enige zaak betreffen waarvan de bekendmaking nadelig kan zijn, dan moet tegen een ontijdige, nodeloze en schadelijke openbaarmaking gewaakt worden. Aan de wijsheid ener vergadering, wier leden het vertrouwen hunner zenders genieten, moet worden overgelaten te handelen, gelijk zij bij bijzondere zaken nuttig of doelmatig oordeelt. Zij heeft derhalve de bevoegdheid haar vergadering in de bedoelde gevallen te sluiten. Altoos evenwel moeten haar leden bedenken, dat zij verantwoording schuldig zijn aan hen, van wie zij hun zending tot de meerdere vergadering hebben ontvangen; terwijl wederkerig zij, die hun medebroeders hebben afgevaardigd, in de gelegenheid gesteld worden, zodra hun verslag van het verrichte gegeven wordt, van het verhandelde kennis te nemen, om alsdan naar bevind van

|142|

zaken zich te gedragen” (Amsterdam 1866; Middelburg 1869).

“De vergadering is van oordeel, dat zij het recht heeft om in comité te vergaderen. Evenwel oordeelt zij, dat er zo weinig mogelijk gebruik van gemaakt moet worden.
Het op de synode in comité behandelde mag op een provinciale vergadering medegedeeld worden mits deze bij de mededeling ook zelve in comité overga” (Rotterdam 1885).

“Zaken die de leer aangaan, dienen, indien enigszins mogelijk, door de meerdere vergaderingen in het openbaar te worden behandeld; elke synode heeft echter zelf te beoordelen, of er omstandigheden aanwezig zijn, die tot een behandeling in comité nopen” (Utrecht 1946).

Bos, F.L. (1950) Art. 35

Art. 35.

Het ambt van den praeses is, voor te stellen en te verklaren ’tgene te verhandelen is; toe te zien dat een iegelijk zijn orde houde in ’t spreken; den knibbelachtigen en die te heftig zijn in ’t spreken te bevelen dat zij zwijgen; en over dezelve, geen gehoor gevende, de behoorlijke censuur te laten gaan.
Voorts zal zijn ambt uitgaan, wanneer de samenkomst scheidt.

Over de taak van den voorzitter van een kerkelijke vergadering spreekt de oudere redactie van de kerkenordening uitvoeriger en duidelijker:

“De verkoren praeses ... zal de geschreven instructies afvorderen, alle punten derzelve ordelijk voorstellen, het gevoelen van de ganse vergadering afvragen, de stemmen doen optekenen, wat de mening van het merendeel is verklaren, dezelve den scriba schriftelijk doen vervatten en hetgeen dat geschreven is openlijk doen voorlezen opdat het van allen bewilligd worde. De dingen die tot de leer behoren zullen eerst afgehandeld worden, daarna hetgeen tot de kerkenordening behoort, en eindelijk de particuliere zaken. Het ambt van den praeses is, te bevelen dat ieder zijn keer (d.i. beurt) houde in het spreken, de heftigen en twistigen tot stilzwijgen te vermanen, en zo zij hetzelve niet nakomen, uit de vergadering te doen gaan, opdat zij naar het oordeel der broederen behoorlijk gestraft mogen worden” (Dordrecht 1578).

|143|

Aan het einde van de vergadering houdt elke bevoegdheid van den voorzitter op. Is hem iets opgedragen, dan handelt hij als deputaat.

“De taak van den praeses eindigt met de actie (n.l. van de vergadering)” (Emden 1571).

Bos, F.L. (1950) Art. 36

Art. 36.

’t Zelfde zeggen heeft de classe over de kerkeraad, ’t welk de particuliere synode heeft over de classe en de generale synode over de particuliere.

Daar geen kerk heerschappij heeft over een andere kerk, heeft ook geen meerdere vergadering van kerken rechtstreeks gezag over kerken, die zich binnen het ressort van die vergadering bevinden.
Hun zeggenschap berust alleen op vrijwillige overdracht van de uitoefening van een deel van de bevoegdheid van de kerkeraden.

“Wij oordelen dat echter in die zaak (nl. de verlating van, en het ontslag uit de dienst) aan de classicale vergaderingen geen enkel recht over enige kerk of haar dienaren moet worden toegestaan, tenzij ze eigener beweging daarin bewilligt, opdat een kerk niet tegen haar zin van haar recht en gezag worde beroofd” (Wezel 1568).

Deze overdracht van gezagsuitoefening is beperkt tot datgene wat in de kerkenordening dienaangaande is vastgelegd.
Het gezag der meerdere vergaderingen is dus strikt beperkt tot naar de kerkenordening genomen wettige besluiten.

“Tot verklaring van dit artikel wordt geoordeeld, dat door het zeggen van de classis, hetwelk daarin vermeld wordt, anders niet te verstaan zij dan het besluit derzelve, hetwelk door de meeste stemmen goedgevonden is” (Veere 1610).

(Zie voorts bij art. 30, 31 en 33 K.O.)

|144|

Elke mindere vergadering is krachtens het aan de meerdere vergaderingen verleende gezag verplicht, voor de uitvoering van wettige besluiten van meerdere vergaderingen zorg te dragen.

“Of niet een classe macht heeft te herroepen, ’t gene zij bevindt in de voorgaande classe tegen de nationale synode besloten te zijn.
Is geantwoord, dat zij dit niet alleen bij machte, maar ook schuldig is te doen” (Middelburg 1581).

“Of de grote kerken zich niet behoren aan ’t besluit van de synode en van de classe te onderwerpen, zowel als de kleine, en zich daarnaar te reguleren?
Is geantwoord, dat alle kerken, zowel grote als kleine, even gelijk aan de classen onderworpen zijn, gelijk de classe aan de particuliere synode, en de particuliere synode aan de generale” (Middelburg 1581).

“Aangaande het vraagpunt, of een classe zal mogen breken ’t gene ter synode besloten is, is besloten, dat dit in ’t algemeen genomen, ongeoorloofd is” (Alkmaar 1599).

“Is besloten, dat elke classe alle goede besluiten en regelingen der synoden onderhoude, en arbeide dat ze effect sorteren” (Sneek 1600).

“Er is besloten dat de besluiten dezer synode die door de classen behoren te worden uitgevoerd, in elke classe getrouw en ernstig zullen worden nagekomen; en zo enige classe hierin nalatig bevonden wordt, zal zij daarop ter volgende synode worden aangezien en naar behoren gestraft” (Groningen 1602).

“Het is door de synode goedgevonden de classen te belasten, dat zij in hun eerste vergadering na het houden van de synode de synodale acten oplezen, ten einde de resoluties van de synode punctueel mochten worden nagekomen” (Gorinchem 1652; telken jare opnieuw aangeboden).

“De artikelen die verhandeld zijn op de meerdere vergaderingen, zullen in elke gemeente gelezen worden, zowel datgene wat elke (gemeente) in het bijzonder aangaat, als in ’t algemeen, ten einde niemand de artikelen die ten nutte der kerk verhandeld zijn, kan ignoreren” (Antwerpen, Oct. 1563).

Over zaken, die de plaatselijke kerken in ’t bijzonder aangaan, en door deze niet naar kerkenordening geheel

|145|

of gedeeltelijk zijn overgedragen, bezitten meerdere vergaderingen geen enkele zeggenschap.

“De synode verklaart, dat de kerkeraden geen machtiging van meerdere vergaderingen nodig hebben tot het verrichten van burgerlijke handelingen zoals het aangaan van geldleningen, het afschrijven van kapitalen op de grootboeken der nationale schuld enz., maar daartoe, als vertegenwoordigende de gemeente, de volle bevoegdheid bezitten” (Dordrecht 1893).

De bevoegdheid van elke meerdere vergadering heeft in de wettige rechten van de daaronder ressorterende mindere vergaderingen haar grens.

“Op geen particuliere synode mag iets behandeld en besloten worden, wat enigszins de onder haar ressorterende classen in hun rechten zou kunnen aantasten en bezwaren” (Hoorn 1585).

“Zullen ook de gedeputeerden (ter synode) niet helpen inwilligen ter synode enige zaken, die in het minst zullen kunnen afbreuk doen aan ... de schriftmatige vrijheid van de kerken en dienaren” (Classis Nijmegen, April 1613).

Bos, F.L. (1950) Art. 37 & 38b

Art. 37, 38b.

In alle kerken zal een kerkeraad zijn, bestaande uit de dienaren des woords en de ouderlingen, dewelke, althans in de grotere gemeenten, in de regel alle weken eens tezamen komen zullen, alwaar de dienaar des woords — of de dienaren, zo daar meerdere zijn, bij beurte — presideren en de actie regeren zal.

En waar het getal van de ouderlingen klein is, zullen de diakenen door plaatselijke regeling mede tot de kerkeraad kunnen genomen worden; hetgeen altijd geschieden zal, waar dit getal op minder dan drie is bepaald.

De leiding van een kerk behoort naar het doorgaand getuigenis der Schrift te berusten bij meerdere personen tezamen. Daarom moet er in elke kerk een kerkeraad zijn.

|146|

“Alzo in enige kerken — zo men verstaat — geen kerkeraad is, en dientengevolge de kerkenordening niet naar behoren kan onderhouden worden, (en) ook sommige predikanten achten dat er niet veel aan gelegen is, of er in de kerken ouderlingen zijn of niet …, zo is bij de vergadering goedgevonden, dat te dien opzichte de classen in hun ressort naarstig acht zullen nemen, dat in alle plaatsen, onder haar ressorterende, benevens de aalmoezeniers ouderlingen verkoren en alzo een kerkeraad ingesteld worde, ten einde alles ordelijk en stichtelijk naar Gods woord in zijn kerk moge toegaan, en dienovereenkomstig de classen ernstig zullen bestraffen degenen, die zoiets voorgeven, hun bewijzende dat het geen middelmatig ding, maar Gods ordonnantie en uitgedrukt bevel is, gelijk in de h. schrift doorgaans is te zien” (Rotterdam 1594).

In ruimere zin wordt onder de kerkeraad verstaan het college van alle bijzondere ambtsdragers der kerk.

“Wij geloven dat de ware kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie (= bestuur), die onze Heere ons geleerd heeft in zijn Woord. Namelijk dat er dienaars of herders moeten zijn om Gods woord te prediken en de sacramenten te bedienen; dat er ook opzieners en diakenen zijn om met de herders te zijn als de raad der kerk” (N.G.B. art. 30). 

“In elke kerk zullen samenkomsten of consistoriën zjjn der dienaren, ouderlingen en diakenen, die minstens elke week zullen worden gehouden ter plaatse en tijd die elke gemeente het geschiktst zal achten” (Emden 1571).

“In elke gemeente zal een kerkeraad zijn, bestaande uit de opzieners en diakenen, dewelke zoveel mogelijk alle weken eens tezamen zullen komen” (K.O. v. 1837).

“De kerkeraad, bestaande uit de opzieners en diakenen, zullen wekelijks ten minste eenmaal vergaderen, om met elkander over de belangen der gemeente te handelen, en zodanige verordeningen en besluiten te maken, als het welzijn en de goede orde der gemeente zal vereisen” (Huish. Regl. 1839).

Direct komt de regering der kerk alleen toe aan de ouderlingen en dienaren des Woords. Daarom kunnen zij alleen krachtens hun ambt zitting

|147|

nemen in de kerkeraad als bestuursvergadering der kerk.

“Alzo maken de dienaren des Woords en de ouderlingen tezamen een college of gezelschap, zijnde als een raad der kerk, en vertonende de gehele gemeente” (Bevest. form. v. ouderl.).

“Tot verklaring van het zesde artikel van de synode van Emden (zie boven) zo zullen de dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen de kerkeraad uitmaken, alzo dat de dienaren en de ouderlingen alleen onder elkaar zullen vergaderen; ook de diakenen apart, om hun eigen zaken die de armen aangaan, te verhandelen” (Dordrecht 1574).

“Aan de ouderlingen wordt door Paulus de naam van regeerders of voorstanders toegekend, en daarom vormen zij tezamen met de dienaren de kerkeraad of het consistorie” (Wezel 1568).

“Eigenlijk is het consistorie samengesteld uit dienaren en ouderlingen. Waarop de diakenen kunnen aanwezig zijn om rekenschap van hun ambt te geven als zij er geroepen worden” (Waalse syn. v. Dordrecht 1577).

“De kerkedienaren en ouderlingen van elke byzondere kerk zullen tenminste alle weken eens vergaderen. In deze samenkomst wordt gehandeld van de taak der dienaren en ouderlingen, ten einde dat door ’t gemeen advies een iegelijk te beter versta wat hem te doen staat” (Rotterdam 1575).

Ten einde uit de gemeente Gods te meer geweerd worde alle tirannie en heerschappij, die lichter kan inbreken wanneer bij zeer weinigen de regering staat, is het minimum-aantal leden van de regerende kerkeraad op drie gesteld.
Om dit getal te bereiken of ook groter te maken kunnen diakenen als hulpouderlingen tot de kerkeraad genomen worden.

“In kerken onder het kruis zal, indien dezelfde persoon beide ambten (nl. van ouderling en diaken) gezamenlijk uitoefent, dit vanwege de nood des tijds geduld worden” (Waalse syn. v. Dordrecht 1577).

“Zij (nl. de diakenen) zullen ordnaarlijk (d.i. naar de regel) daarbij (nl. bij de kerkeraad) mogen wezen, zo

|148|

zij beide het ambt van het ouderlingschap en diakenschap bedienen” (Middelburg 1581).

“Een ouderling en een diaken maken geen kerkeraad” (’s-Gravenhage 1624).

“Zoveel mogelijk hebbe elke kerk haar eigen kerkeraad, al ware het slechts bestaande uit een drietal ambtsdragers” (Utrecht 1888).

Voorts kunnen de diakenen deelnemen aan de beraadslagingen en beslissingen van de kerkeraad zo dikwijls dit door de ouderlingschap verlangd wordt. Zulke z.g. brede kerkeraadsvergaderingen zijn gewenst in zaken van beheer en algemeen beleid. Naar de geldende kerkorde kunnen de diakenen echter in dezen — behalve bij de verkiezing van ambtsdragers — geen rechten laten gelden.

“In plaatsen waar weinig ouderlingen zijn, zullen de diakenen toegelaten mogen worden naar de begeerte van de kerkeraad. En de diakenen zullen gehouden worden te verschijnen, wanneer zij in de kerkeraad beroepen worden” (Dordrecht 1574).

“Of het den kerken dewelke weinige ouderlingen hebben, geoorloofd is de diakenen tot de kerkeraad toe te laten?
Antwoord: Het is geoorloofd zo dikwijls die kerkeraad hun raad en hulp zal behoeven” (Middelburg 1581).

“In de kwestie, of het aan de kerkeraad toekomt „te beslissen of ’t getal der ouderlingen dient vermeerderd te worden of niet”, dan wel of de diakenen „in ’t nemen van beslissingen daarover behoren gekend te worden”, „is met eenparige stemmen van de leden der synode, als ook van de gedeputeerden der corresponderende synoden verstaan, dat deze en dergelijke stukken, de regering der kerk aangaande, den diakenen niet toekomen, noch volgens Gods Woord, noch volgens het formulier hunner bevestiging, noch ook volgens voorgaande synodale resolutiën...., waaruit blijkt dat zjj eerst dan in diergelijke zaken hebben te adviseren, wanneer zij van de kerkeraad daartoe geroepen worden” (’s-Gravenhage 1644).

Buitengewone vergaderingen kunnen door den (aangewezen) voorzitter worden bijeengeroepen. Hij behoort dit te doen op de geuite wens van meer dan één der leden.

|149|

“Indien enig lid van de kerkeraad een voorstel heeft te doen buiten de gewone kerkeraadsvergadering, en waartoe echter een bijeenkomst der opzieners nodig is, zal dit kerkeraadslid daarvan kennis geven aan den president des kerkeraads, opdat deze een buitengewone vergadering Her opzieners kunne bijeenroepen, indien hij er mede instemt, of dat er anders twee overeengekomen zijn” (Huish. Regl. 1839 — redactie Alblasserdam).

Clandestiene vergaderingen, buiten weten van één of meer kerkeraadsleden samengeroepen, zijn onwettig.

“(De ouderlingen) moeten weten, dat het gans niet met hun ambt overeen komt om ... naar hun goeddunken kerkeraad te beleggen buiten weten of in afwezigheid van de dienaren.
Indien in afwezigheid van de dienaars kerkeraad moet belegd worden, moeten de ouderlingen hun getrouwelijk opening doen van de reden van de samenroeping van de raad en van wat daarin verhandeld is” (Wezel 1568).

“Waarvoor die kerkeraadsvergaderingen te houden zijn, welke buiten de behoorlijke tijden of buitengewoon alzo gehouden worden, dat niet alle lidmaten van de kerkeraad daarbij geroepen worden?
Is geantwoord, dat zij niet gelden zullen; maar de gehele kerkeraad zal mogen veranderen wat aldus onbehoorlijk gedaan was.
En als tot een buitengewone vergadering, op de behoorlijke tijd, allen ontboden zijn die er bij behoren, zal, hoewel zij niet allen komen, van kracht zijn ’tgene in zulke buitengewone vergaderingen besloten is” (Middelburg 1581).

Kerkeraden zonder dienaar des Woords zijn bevoegd tot zelfstandig optreden, al is hulp van een consulent veelal gewenst.

“Alzo na het overlijden of vertrekken der predikanten in vele plaatsen ten platten lande lichtelijk zwarigheid voorvalt in ’t verkiezen van een ander tot de dienst hunner kerk en in andere kerkelijke zaken, uit oorzaak dat dikwijls tot kerkelijk opzicht zijn verkoren zodanige personen, die van de kerkregering niet veel ervaring hebben, — zo werd gevraagd, of het niet goed zou zijn, dewijl de dienaren der classis zulke plaatsen gedurende de tijd dat zij vacant zijn moeten waarnemen, dat de predikant die vanwege de classe de dienst doet, in hun

|150|

kerkelijke vergadering tegenwoordig zij, om leiding te geven in de voorvallende zaken, en voornamelijk als van de beroeping van een andere dienaar gesproken werd. Hierop is besloten, dat het behoorlijk is dat het alzo geschiede” (Delft 1607).

“De classe zal aan de kerken, welker dienaar afgestorven is, haar dienst, daartoe verzocht zijnde, bewijzen, de kerk nochtans in de afwezigheid van den gedeputeerde van de classe blijvende bij haar behoorlijke en gewone vrijheid” (Veere 1610).

“De vergadering spreekt uit, dat de dienaren des woords, die naar aanwijzing der classikale vergadering namens de kerken waarin zij dienen, vacante kerken als consulenten bijstaan, slechts een raadgevende stem hebben in de kerkeraad. Kerkeraden kunnen ook zonder hem vergaderen; echter blijft het in het belang der kerk zelve altijd geraden, zoveel mogelijk in overleg met de consulenten te handelen” (Rotterdam 1887).

In kerkeraden met meer predikanten behoort het voorzitterschap te wisselen. Dit is ook gewenst als een predikant ontbreekt.

“De dienaren zullen naar toerbeurt in de kerkeraad presideren, opdat niemand zich verheffe boven zijn mededienaar” (Antwerpen, Mei 1564).

“Is besloten, dat de beroepen dienaren des woords ordelijk bij beurte in de kerkeraadsvergadering presideren zullen” (Dordrecht 1574).

“In elke gemeente zal een kerkeraad zijn ..., alwaar de opzieners bij beurten zullen voorzitten, en in gevalle er een dienaar des Woords onder hen is, zal deze het voorzitterschap waarnemen” (K.O. v. 1837).

Voor zover de handelingen van de kerkeraad betrekking hebben op de geestelijke verzorging van de individuele leden der gemeente, dragen zij uiteraard een vertrouwelijk karakter, dat niemand mag schenden.

“Hij die een openbaar ambt bekledend, de dingen die er op de kerkeraad gezegd, behandeld en besloten worden, komt te openbaren, zal de eerste maal berispt worden over zijn lichtzinnigheid; als hij ermee voortgaat, zal hij van zijn dienst geschorst worden” (Antwerpen, Nov. 1564).

|151|

In zaken van beheer en algemeen beleid is het wenselijk dat de kerkeraad — ofschoon volkomen tot handelen bevoegd — de leden der gemeente zoveel mogelijk doet medeleven. Dit kan geschieden door het beleggen van z.g. ,,gemeentevergaderingen”, waarin de kerkeraad aan de gemeente opening van zaken geeft of het recht van advies verleent, en door het toegankelijk stellen van brede kerkeraadsvergaderingen.

Te ver gaat de volgende bepaling:
“De kerkeraadsvergaderingen zullen toegankelijk zijn voor de gehele gemeente, en zullen de mansledematen die ten h. avondmaal zijn toegelaten, altijd een raadgevende stem hebben” (Huish. Regl. 1839).
Beter is de gewijzigde bepaling, zoals het reglement van Alblasserdam die bevatte:
“In de kerkeraadsvergaderingen zal elk lidmaat die ten h. avondmaal is toegelaten, het recht hebben om naar zaken te onderzoeken, die hem of het algemeen belang der gemeente aangaan; doch bij het behandelen van bijzondere zaken zal hij zich behoren te verwijderen”.

Bos, F.L. (1950) Art. 38a & 39

Art. 38a, 39.

Welverstaande, dat in de plaatsen, waar de kerkeraad voor het eerst of opnieuw is op te richten, ’tzelve niet geschiede, dan met advies van de classe.

Plaatsen, waar nog geen kerkeraad zijn kan, zullen door de classe onder de zorg van een genabuurde kerkeraad gesteld worden.

De gezamenlijke kerken in een ressort zijn geroepen om in de plaatsen in hun omgeving te arbeiden tot het vergaderen van gelovigen.

“De dienaren en ouderlingen der classen die onder ’t kruis zijn, zullen in alle steden en dorpen welke onder hun classen of daaromtrent gelegen zijn, naarstig onderzoek doen naar degenen die tot de zuivere godsdienst genegen zijn, om hen tot hun plicht aan te sporen. Derhalve zullen zij zich beijveren om kerken of tenminste beginselen van kerken te vergaderen.
En om dit te beter ten uitvoer te brengen, zullen die classen de naburige steden en dorpen onderling verdelen, opdat niets verzuimd worde” (Emden 1571).

|152|

De ambtelijke bearbeiding van die plaatsen, die vroeger rechtstreeks van de classicale vergaderingen uitging, wordt thans terecht aan een genabuurde kerkeraad opgedragen.
Dit komt neer op de samenvoeging van plaatsen onder één kerkeraad.

“Er is eenstemmig door de synode geadviseerd, dat alle dienaren die vanwege het geringe aantal ledematen geen aparte kerkeraad kunnen hebben, alle mogelijke vlijt zullen aanwenden om òf door middel van bijvoeging bij een grotere kerk òf door samenvoeging van twee of drie kleine dorpen hun gemeente onder een kerkeraad te besluiten” (Sneek 1607).

“De samenvoeging van dorpen onder een kerkeraad zal geschieden bij advies van hun classe. En waar de dorpen onder verschillende classen behoren, zal zulks geschieden met advies van beide classen” (Bolsward 1608).

“Zeer zwakke kerken, waar alle zelfstandige formatie nog ondoenlijk is, worden door de classis gesteld onder de zorg van een genabuurde kerk, terwijl zij toch zo mogelijk één ouderling en één diaken hebben” (Utrecht 1888).

“Zolang in enige nabij elkander liggende plaatsen het getal der belijders in elk dier plaatsen nog niet sterk genoeg is om plaatselijk eigen diensten in te stellen, kunnen zij onder eenzelfde kerkeraad blijven of gebracht worden, mits de inwoners van elk dier plaatsen afzonderlijk worden geboekt, en dan natuurlijk als leden met vollen rechte” (Besluit in zake de Vereniging — Amsterdam 1892).

“Alle plaatsen, waarin onze kerken nog geen aansluiting konden vinden, of waar slechts een enkele belijder woont, worden door de classe, in wier ressort zij liggen, onder de zorgen van een der meest nabij gelegen kerken gebracht, met opdracht om de geestelijke belangen dier plaats te behartigen, en om, zo God deze arbeid zegent, en de mogelijkheid ontstaat om er tot instelling van de diensten over te gaan, de zaak op de eerstkomende classicale vergadering te brengen” (Besluit in zake de Vereniging — Amsterdam 1892).

Tot zelfstandige instituering der kerk op de bijgevoegde plaats worde met advies der classis

|153|

overgegaan, „zodra een genoegzaam aantal gelovigen aanwezig is, die tot kerkformatie willen komen, en onder hen gevonden worden, die voor de diensten enige gaven hebben ontvangen” (Zendingsorde art. 19).

“De synode stelt het ... (volgende) concept vast als leiddraad voor de instituering van kerken op Java:
a. Dat onder „het genoegzaam aantal gelovigen”, in art. 19 genoemd, ten minste een twaalftal broederen worde gevonden.
Het is zeker waar, dat zeer moeilijk te zeggen valt, hoeveel gelovigen er wezen moeten, als men ergens tot kerkformatie zal overgaan... Bij het aantal hangt het voor een zeer groot deel af van de geestelijke gaven der gelovigen die ergens ter plaatse zijn, en hangt het er ook van af, hoeveel broeders onder hen gevonden worden; toch meenden uw deputaten, om enige grens aan te duiden, te moeten stellen, dat er minstens twaalf broeders aanwezig moesten zijn, van wie enkelen enige gaven voor de diensten blijken te hebben ontvangen.
b. Voorts worde er op gelet, of die gelovigen behoren tot de eigenlijke dessabevolking dan of ze als vreemdelingen in vroeger of later tijd van elders zijn ingekomen. In het laatste geval ga men niet dan zeer omzichtig tot kerkformatie over.
c. Eindelijk mag er wel op gelet worden, of de gelovigen ver van elkander wonen, dan wel niet al te verspreid zijn, zodat zij een zekere bij elkander wonende kring vormen; aangezien, als het eerste het geval mocht zijn, de instelling van de diensten, naar het oordeel uwer deputaten, ook eer vertraagd dan verhaast moet worden” (Utrecht 1905).

De instituering zal geschieden ten overstaan van een vertegenwoordiger van de classis.

“Is gearresteerd, dat wanneer enige broederen ouderlingen en diakenen tot opbouwing van de kerk van Christus op de plaatsen, waar nooit enige geweest zijn, zullen verkiezen, ’t zelve ten overstaan der visitatoren of deputaten zullen doen” (Classis Nijmegen, Juli 1619).

“De classe, die ... in dezen tot handelen geroepen wordt, zal alsdan een consulent voor zulk een plaats aanwijzen, of desnoods van een naburige classe vragen, zich daarbij richtende naar de wensen van de belijders te dier plaatse …
De aldus aangewezen consulent zal, naar de regelen der Dordtse Kerkenordening, de belijders te dier plaatse

|154|

leiden bij de instelling van ambten en diensten, mits zonder overhaasting en met de nodige omzichtigheid” (Besluit in zake de Vereniging — Amsterdam 1892).

Hulp bij reformatie van een gedeformeerde kerk wordt verleend door een door de classe daartoe gedeputeerde naburige kerk.

“Uitgesproken werd, dat de gelovigen uit nog niet ontkomen kerken, die der reformatie genegen zijn, door de classikale vergaderingen in de gelegenheid kunnen gesteld worden, in haar midden te verschijnen, om het advies der classes aangaande de belangen hunner kerken te vernemen, en haar hulp in te roepen” (Rotterdam 1887).

“Ten aanzien van gelovigen in kerken wier kerkeraden nog onder de synodale reglementen blijven leven en de voorziening in hun behoefte aan de bediening des woords en der sacramenten, meent uw commissie te moeten vooropstellen, dat deze broeders en zusters beginnen moeten met zich tot hun kerkeraad te wenden met het verzoek om tot de reformatie hunner kerk over te gaan. Indien de onwil om aan dat verzoek naar ’s Heeren woord te voldoen genoegzaam gebleken is, wenden deze gelovigen zich tot de classe waartoe hun kerk behoort. Deze wijst daarop een der genabuurde kerken aan om de hoede over deze kerkeraadloze kerk op zich te nemen, voor de reformatie dier kerk te arbeiden en intussen de gelovigen in te schrijven op een lidmatenboek ten name van de eigen kerk van deze broeders en zusters. Mitsdien zullen; deze gelovigen dan de bediening des woords en der sacramenten aldaar mogen genieten, doch steeds als gasten, blijvende zij geroepen om voor hun eigen kerk te volharden in gebed en werkzaamheid, of het den Heere behagen moge ook daar het werk der reformatie te doen gelukken.
Het (bovenstaande) praeadvies wordt gevolgd; maar daarbij gemaand tot grote voorzichtigheid, eer men een kerk, als kerkeraadloos aanmerkt, en gewezen op de noodzakelijkheid, dat in deze niet zonder de classis gehandeld worde” (Leeuwarden 1890).

“De synode beveelt aan de classikale vergaderingen der kerken aan, om, voor zover deze daartoe nog niet mochten zijn overgegaan, kerken te deputeren, die zullen arbeiden ter bevordering van de vrijmaking in de omgeving, en tot het geven, zo nodig, van advies aan kerken in de omgeving bij haar vrijmaking” (Groningen 1946). *

Bos, F.L. (1950) Art. 40

|155|

Art. 40.

Desgelijks zullen de diakenen samenkomen, waar zulks nodig is alle weken, om met aanroeping van de naam Gods van de zaken hun ambt betreffende te handelen, waartoe de dienaren goede opzicht zullen nemen, en zo nodig zich daarbij laten vinden.

De vergaderingen der diakenen dienen uitsluitend tot onderling overleg in zake de uitvoering van hun ambt, waarvoor zij gezamenlijk verantwoordelijk zijn.

“De diakenen zullen alle weken op zichzelve vergaderen om rijpelijk van der armen zaken te spreken” (Dordrecht 1574).

“Aangaande de uitdeling der aalmoezen, aan wie en hoeveel, dat zal staan aan de discretie van de diakenen, die tot dien einde hun samenkomsten houden, dat zij in gewone zaken niet handelen zonder elkanders advies” (Dordrecht 1574).

De diakenen staan bij de uitoefening van hun taak onder opzicht van de kerkeraad. Om controle te allen tijde mogelijk te maken, is aan de dienaren des woords de bevoegdheid gegeven om hun vergaderingen bij te wonen.

“De kerkeraad zal in alle plaatsen goede zorg en opzicht hebben op de personen en het ambt der diakenen, opdat de armen wèl verzorgd worden” (Classis Nijmegen, Sept. 1605).

De toevoeging „waartoe …” geschiedde ten gevolge van de vraag:
“Of niet de bediening der diakenen staat onder opzicht van de kerkeraad, en dat in hun bijeenkomst een dienaar des woords tegenwoordig zij om leiding te geven aan haar handeling” (’s-Gravenhage 1586).

“Is ook voor goed gevonden, naar luid der synodale acten, dat de diakenen hun bijzonder college zullen houden, hetwelk een predikant zal presideren” (Kampen 1596).

“De diakenen zullen wekelijks bijeenkomen om met voorgaande aanroeping van de naam des Heeren van hun bediening te spreken, in dier voege dat ook de

|156|

dienaar(s) des woords te dier plaatse tot hun vergadering vrije toegang zal mogen hebben” (Middelburg 1591).

Een predikant heeft niet die bevoegdheid om zelfstandig aan de diakenen voorschriften te geven met betrekking tot hun beleid.

Op de vraag: „dewijl het gebeurt dat er komen enige arme nooddruftige verjaagde lidmaten, verzoekende bij den predikant enige onderstand, of de dienaren des woords niet vermogen de diakenen een zekere som gelds, uit aanmerking van hun nood, te ordineren, alzo verstaan werd uit kracht van de eerste apostolische praktijk, dat de diaconie is een gesubordineerde dienst van de pastorale bediening?” — wordt geantwoord:
“Wanneer enige nooddruftige verjaagde lidmaten bij den predikant enige onderstand komen verzoeken, zo zal de predikant, doch met voorzichtigheid, de diakenen mogen spreken om zodanige nooddruftige personen tot vertroosting een zekere penning naar gelegenheid toe te leggen. En in geval de diakenen op de aanspraak van den predikant onwillig of weigerachtig zijn om zulks te doen, zo zal hierover worden gevraagd en gevolgd het advies van de kerkeraad, want de diakenen staan onder de kerkeraad en moeten voor dezelve hun rekening doen” (Rotterdam 1621).

Zie verder bij art. 25.

Bos, F.L. (1950) Art. 41

Art. 41.

De classicale vergaderingen zullen bestaan uit genabuurde kerken, dewelke elk een dienaar en een ouderling, ter plaatse en tijd bij hen in het scheiden van elke vergadering goedgevonden — zo nochtans, dat men het boven de drie maanden niet uitstelle — daarheen met behoorlijke credentie afvaardigen zullen; in welke samenkomsten de dienaars bij beurte, of anderszins die van dezelve vergadering verkoren wordt, presideren zullen, zo nochtans, dat dezelfde tweemaal achtereen niet zal mogen verkoren worden. Voorts zal de praeses onder anderen een iegelijk afvragen of zij in hun kerken hun kerkeraadsvergadering houden; of de kerkelijke discipline geoefend wordt? of de armen en scholen bezorgd worden; ten laatste of er iets is, waarin zij het

|157|

oordeel of de hulp der classe tot echte instelling hunner kerk behoeven. En eindelijk zullen in de laatste vergadering vóór de particuliere synode verkoren worden, die op deze synode gaan zullen.

De classicale vergadering is een meerdere vergadering van enige genabuurde kerken.

“Behalve de kerkeraadsvergaderingen zullen er alle drie of zes maanden classikale samenkomsten gehouden worden van enige genabuurde kerken, naar hun gelegenheid en behoefte” (Emden 1571).

“De dienaars van tien of twaalf naastgelegen kerken komen samen in tijden en met zulk een getal als ’t nodig is” (Rotterdam 1575).

“De leden der classikale vergadering zijn de kerkeraden en niet eigenlijk de kerkelijke personen” (dertien Walcherse kerken — Tholen 1602).

De vergaderingen worden door onderling overleg der kerken geregeld, en tenminste alle drie maanden eens gehouden.

“De classikale vergaderingen ... zullen alle maanden of zes weken, korter of langer, doch alzo dat ze de tijd van drie maanden niet voorbijgaan, naar gelegenheid der gemeenten tezamen komen, in die plaatsen, welke met gemeen accoord daartoe bestemd worden” (Dordrecht 1578).

Het is beter een kerk dan deputaten met de samenroeping te belasten.

“Is den kerkedienaars en ouderlingen van X. opgelegd de naaste classe weder uit te schrijven, en dat te X., en dat op zodanige tijd als het nodig zal gevonden worden” (Cl. Nederveluwe — Elburg 1597).

“De naastvolgende classis zal gehouden worden binnen de stad X., en zal uitgeschreven worden door de deputaten der classis ten tijde als zij zullen bevinden dat het zal behoren” (Cl. Nederveluwe — Epe 1600).

“De kerken van elke classis worden verzocht een roepende kerk voor te stellen” (Rotterdam 1887).

Ofschoon principieel elke kerkeraad kan afvaardigen

|158|

wie hij wil, daar tenslotte alleen het bezit van een geloofsbrief als afgevaardigde beslissend is voor het wettig lidmaatschap van een meerdere vergadering — zie art. 33 —, behoort van de regel, dat een dienaar en een ouderling worden afgevaardigd niet dan in geval van noodzakelijkheid te worden afgeweken.

“Uit een iegelijke gemeente zal een dienaar des woords met een ouderling op de classikale vergadering verschijnen” (Dordrecht 1578).

“Niet meer dan twee van de kerkeraad daartoe verkoren, zullen uit een iegelijke gemeente keurstemmen hebben” (Dordrecht 1578).

“De credentiën gelezen wordende, is van de classe geobserveerd geworden, dat er twee ouderlingen van X., de ene in plaats van den dienaar ter plaatse voornoemd op haar classikale vergadering verschenen zijn; en de classis, hun redelijke excusen overwogen hebbende, oordeelt dat dezelve krachtig waren om in zulke kwaliteit voor deze tijd toegelaten te worden” (Cl. Nederveluwe — Hattem 1620).

“Voortaan zal het gebruik van dienaren en ouderlingen tot de classen en synoden te zenden vlijtig onderhouden worden ..., en (het) zal niet lichtelijk geschieden, dat een dienaar voor een ouderling daartoe genomen worde” (Zutfen 1596).

“En alzo uit ... X. een diaken in de plaats van een ouderling is gezonden, heeft de vergadering, om de oorzaken van henlieden naar voren gebracht, voor deze tijd zulks laten passeren, op voorwaarde dat hetzelve namaals in geen consequentie zal getrokken worden” (Edam 1586).

De afvaardiging behoeft niet naar toerbeurt te geschieden, al kan dit door een kerkeraad als gewone praktijk worden gevolgd.

“Of het niet goed ware, dat dezelfde dienaar niet tweemaal na elkander tot de synode gezonden wierde, opdat andere dienaars ook leren mochten?
Antwoord: Het zal alle kerkeraden, classen en particuliere synoden vrijstaan, tot de classen, particuliere en generale synoden uit hun collegiën te zenden die zij  daartoe bekwaam vinden zullen, naar hun believen” (Middelburg 1581).

|159|

Te ver ging het classikale besluit:
“Dewijl N., dienaar van de kerk te X., tweemaal na elkaar door zijn kerkeraad naar de classe gezonden is, zo is over deze zaak door de gezamenlijke broeders besloten dat de oude manier van deze classis voortaan onderhouden worde, dat als (er) twee of meer dienaars in een kerk zijn, (zij) bij toerbeurt naar de classe gezins hooggewichtige oorzaken hebbe” (Cl. Nederveluwe — Harderwijk 1605).

De afgevaardigden zijn tot bijwoning der vergaderingen verplicht, en dat ten einde toe.

“Is besloten, dat indien na dezen iemand, hetzij dienaar of ouderling, zich zonder wettelijke oorzaak absenteerde, (hij) tot profijt der armen waar de classis gehouden wordt zal verbeuren een pond groot (d.i. zes gulden); en indien iemand ten tweeden male zulks deed, als niet vragende naar de geldstraf, zal de dienaar van zijn dienst geschorst worden” (Cl. Nederveluwe — Nijkerk 1607).

“N., ouderling van de kerk van X., heeft verzocht om gewichtige oorzaak hem te vergunnen wederom naar huis te gaan, hetwelk de classis hem heeft toegelaten; doch datzelve (is) van niemand meer in consequentie te trekken” (Cl. Nederveluwe — Harderwijk 1605).

“Zo een dienaar zich zonder oorzaken absenteerde, en na twee of drie vermaningen even halsstarrig bleef, dezelve zal als een verachter der goede ordening van zijn ambt geschorst worden” (K.O. van Groningen 1595).

In eerster instantie draagt echter de vergadering die afvaardigt, daarvoor de verantwoordelijkheid, en zij heeft op de trouw van haar afgevaardigden toe te zien.

“Zullen ook alle classen toezien, dat de dienaren ouderlingen die uitgezonden werden, ten einde der vergadering toe mogen blijven, of immer(s) niet scheiden totdat andere, uit de classe gecommitteerd, in hun plaats komen” (Haarlem 1582).

Het voorzitterschap zal onder de predikanten wisselen.

“In alle dusdanige (classikale) vergaderingen zal telken reize een nieuwe praeses verkoren worden met gemene

|160|

keurstemmen, doch alzo dat dezelfde geen tweemaal achter elkander zal mogen genomen worden” (Dordrecht 1578).

“Aldaar zal telken reize een andere praeses zijn, hetzij bij toerbeurt gesteld of bij nieuwe verkiezing” (Middelburg 1591).

Een vast punt op het agendum der classikale vergadering behoort te zijn de kerkelijke rondvraag ten behoeve van het onderlinge opzicht en de onderlinge hulp.

“De praeses zal een iegelijke kerk afvragen of zij hun kerkeraadsvergadering houden ... enz.” (Middelburg 1591).

“In dit artikel wordt gezegd, dat in de classikale vergadering de kerken — merkt wel: de kerken, niet de kerkelijke personen — van den praeses over ’tgene dat in dezelve omgaat, ondervraagd worden” (dertien Walcherse kerken — Tholen 1602).

“Men verneemt naar de stand der kerken, leer en leven der dienaren, ouderlingen en diakenen en diergelijke dingen, alleenlijk tot oorden der kerken uit die dassen dienende, als ook dat die plaatsen, van kerkedienst onvoorzien, behoorlijk met dienaars mochten voorzien worden, als ook van goede schoolmeesters” (Rotterdam 1575).

“Zullen ook die van de classe tot alle vrede en naarstige tezamenkomst, om op elkander in leer, kerkbediening en leven naarstig opzicht te nemen, vermaand worden” (Haarlem 1582). 

“De praeses het gebed gedaan hebbende, zal een iegelijk in ’t bijzonder afvragen of zij ook in hun gemeenten de gewoonlijke vergaderingen van de kerkeraad hebben? Of de christelijke straf onderhouden wordt? Of zij van enige ketters aangevochten worden? Of zijn niet twijfelen in enig stuk der christelijke leer? Of op de armen en scholen goede acht genomen wordt? Of zij tot regering van hun kerk de raad of hulp der broederen van node hebben? en andere diergelijke dingen meer” (Dordrecht 1578).

Op de allerlaatste vergadering voor de particuliere synode zullen — bij vrije stemming — de afgevaardigden naar die meerdere vergadering gekozen worden.

|161|

“In die classikale samenkomst, die het allernaast aan de provinciale voorafgaat, zullen verkoren worden die uit naam van die classis tot de provinciale (samenkomst) zullen afgevaardigd worden” (Emden 1571).

“De classen zullen vrijheid hebben om naar de synode af te vaardigen die ze achten zullen de bekwaamste te zijn, zonder dat noodzakelijk tussen de dienaren keer (d.i. wisseling) zou moeten gehouden worden” (Tholen 1602).

“De synode vermaant de classen, dat het naar haar goeddunken stichtelijk zoude wezen, altijd nevens andere dienaren één op de synode te zenden, die het vorige jaar classe haar vrijheid” (Arnhem 1609).

Bos, F.L. (1950) Art. 42

Art. 42.

Waar in een kerk meer predikanten zijn dan één, zullen ook zij, die niet volgens het voorgaande artikel afgevaardigd zijn, in de classe mogen verschijnen en adviserende stem hebben.

Omdat de kerkeraden zich op de classicale vergaderingen laten vertegenwoordigen door hun afgevaardigden, kunnen bijzondere leden van die kerkeraden niet als leden van de classis worden aangemerkt.
Daarom is het onjuist om ook andere dan afgevaardigde ambtsdragers stemrecht toe te kennen, ofschoon dit vroeger meermalen gebeurde.
Wel is het gewenst dat de classicale vergaderingen van het advies van alle predikanten in hun ressort gebruik maken.

“Hoewel alle dienaars dier classe, als ook alle ouderlingen der plaats waar de vergadering gehouden wordt, in de classe mogen komen, zo zullen nochtans niet meer dan twee van de kerkeraad daartoe verkoren uit een iegelijke gemeente keurstemmen hebben” (Dordrecht 1578).

“Of andere dienaren en ouderlingen dan de afgezondene op de classe mogen verschijnen?
Antwoord: Ja; en wanneer zij gevraagd worden, zullen zij mogen advies geven, doch geen stem hebben” (Middelburg 1581).

|162|

“Ofschoon meer dienaren in die plaats waar de synode maar één dienaar en één ouderling, daartoe door de kerkeraad wettelijk benoemd zijnde, stem hebben naar luid der synodale acten. Intussen wordt den anderen toegelaten dezelve bij te wonen” (Kampen 1596).

“Aangaande degenen, die ’t recht van keurstemmen mogen hebben in de classikale vergaderingen, heeft de synode verklaard — dewijl daarvan klaarlijk werd vastgesteld ... dat uit elke kerk een dienaar en een ouderling met credentie gezonden zullen worden en stemmen hebben op de classikale vergadering, waaruit dan volgt, dat de classis niet gehouden is meer personen met stemmen toe te laten —, dat zodanige ordonnantie behoort gevolgd te worden, hoewel meeer andere dienaren en ouderlingen in de classe waaronder zij sorteren, mede wel mogen verschijnen …
Waarbij toch deze vergadering verder verklaart, als een zaak niet strijdende tegen de voorszeide ordonnantie, dat het goed is, dat alle dienaars zoveel doenlijk is in de classen verschijnen om in zware zaken de kerk met goed advies en raad te helpen bouwen, 1) als ook dat niemand tegen spreekt, meerder getal van dienaars en ouderlingen uit een kerk keurstemmen toe te laten, zo dikwijls hen zulks oorbaar dunken zal, altoos het oog hebbende op de vrede en de meeste stichting der gemeente” (Schiedam 1602).

1) De volgende zinsnede, hoe voorzichtig ook gesteld, is principieel onjuist, omdat ze het karakter van de classis als vergadering van kerken aantast.

Bos, F.L. (1950) Art. 43

Art. 43.

In het einde van de classicale en andere meerdere samenkomsten zal men censuur houden over diegenen, die iets strafwaardigs in de vergadering gedaan, of de vermaning der mindere samenkomsten versmaad hebben.

De onderlinge censuur of bestraffing op kerkelijke vergaderingen bedoelt niet op allerlei aan de dag gekomen lichtere gebreken te attenderen.

“In zake lichtere gebreken, die het oordeel der (kerkelijke) vergaderingen niet eens waard zijn, worde de

|163|

handelwijze in acht genomen, die in alle andere dingen door Christus is voorgeschreven” (Wezel 1568).

Al kunnen er zwaardere vergrijpen bij naar voren komen, heeft zij speciaal betrekking op zonden, die niet der afzetting waardig zijn.

“Van een andere aard zijn echter die zonden, die wel geduld worden, maar toch onderhevig zijn aan bestraffing en censuur.
Van die aard zijn: ijdele nieuwsgierigheid naar onnutte vragen; een vreemde en gezochte manier om de Schriften te behandelen, welke den hoorders ergernis baart, zoals door hen geschiedt, die òf meer dan betamelijk is aan hun bespiegelingen toegeven, òf een spel bedrijven met onpassende allegorieën, of kortom dingen erbij halen om vertoning te maken, die niet overeenkomen hetzij met het doel, hetzij met de waardigheid der Schriften; het invoeren naar eigen welgevallen in de kerk van iets, dat nieuw en gans ongewoon is; klaarblijkelijke nalatigheid in hun studiën en de lezing der Schriften; het al te toegevend zich betonen bij het kastijden der zonden en het al te genegen zijn tot vleierij; eindelijk het al te traag en nalatig zijn in de overige dingen die tot hun ambt behoren; onkuise aardigheden of onbetamelijke scherts; leugentaal; het roven van iemands eer of kwaadsprekerij; vuile gesprekken; beledigende woorden; vermetelheid; opzettelijk bedrog; klaarblijkelijke gierigheid; eerzucht en begeerte naar ijdele roem; plotseling opkomende en bandeloze toorn; huiselijke onenigheid; haat en twist; al te scherpe en onmatige bestraffingen; alle onmatige weelde in kleding, bij tafel en in de overige dingen, welke niet betaamt voor een dienaar des goddelijke Woords; heimelijk streven om te gebieden en heerschappij te oefenen over de kerk of hun ambtgenoten” (Wezel 1568).

Vroeger werd veelal — echter ten onrechte — het zwaartepunt van deze onderlinge censuur naar de classicale vergadering verlegd.

“In zake de overige (nl. bovengenoemde) zonden zal door en die ter classisvergadering geroepen zijn, een broederlijke vermaning en lichte kastijding worden aangewend” (Wezel 1568).

“De synode verstaat dat de censura morum niet is te verstaan van ’tgeen in de tegenwoordige classicale vergadering geschied is, maar dat het is een algemeen

|164|

opzicht over elkander in liefde en stichting over leer en leven gedurende de ganse tijd sedert de censuur het laatst gehouden is” (Franeker 1609).

“In elke classicale vergadering behoort de censura morum nauwgezet zonder aanzien van persoon of fouten te worden onderhouden, ’tzij deze fouten mochten zijn voorgevallen in de classicale vergadering of daarbuiten” (Brielle 1672).

Duidelijk kennen onze generale ordeningen sedert 1578 de algemene bevoegdheid in dezen aan de kerkeraden toe.
De censuur der meerdere vergaderingen behoort zich alleen uit te strekken over wat ter vergadering heeft plaatsgevonden, en over gevallen die op een mindere vergadering niet afgehandeld konden worden.

“Als alle dingen afgehandeld zijn, zal men censure houden over degenen, dewelke òf in de vergadering iets der straf waardig aangericht òf de vermaning van hun kerkeraad veracht hebben” (Dordrecht 1578).

“Wie deze (n.l. in eerster instantie toegediende broederlijke vermaning en lichte bestraffing), nadat ze twee of driemaal herhaald is, versmaadt, zal naar de vergadering der classen of het oordeel der synode verwezen worden, en daar zal bepaald worden, wat in het voor voordeel en het belang der kerk wezen zal” (Wezel 1568).
Zie verder bij art. 81.

Bos, F.L. (1950) Art. 44

Art. 44.

De classe zal ook enige van haar dienaren, ten minste twee, van de oudste, ervarenste en geschiktste, autoriseren, om in alle kerken, van de steden zowel als van het platte land, alle jaar visitatie te doen, en toe te zien, of de leraars, kerkeraden en schoolmeesters hun ambt getrouwelijk waarnemen, bij de zuiverheid der leer verblijven, de aangenomene orde in alles onderhouden, en de stichting der gemeente, mitsgaders der jonge jeugd, naar behoren, zoveel hun mogelijk is, met woorden en werken bevorderen; teneinde zij diegenen die nalatig in het een of ander bevonden worden,

|165|

intijds mogen broederlijk vermanen, en met raad en daad alles tot vrede, opbouwing, en het meeste profijt der kerken en scholen helpen dirigeren. En iedere classe zal deze visitatoren mogen continueren in hun bediening zo lang het haar zal goeddunken, ten ware dat de visitatoren zelve, om redenen, van dewelke de classe oordelen zal, verzochten ontslagen te worden.

In de kerkvisitatie is het onderlinge opzicht der kerken geïntensiveerd.
Als onderlinge hulpbetoning op haar plaats, moet tegen het gevaar van heerschappijvoering, dat daarin zou kunnen dreigen, ernstig worden gewaakt. De schoorvoetende invoering van de visitatie moet tot grote voorzichtigheid bij de uitvoering manen.

“Of het niet goed ware benevens de classicale vergaderingen ook enige jaarlijkse bezoekingen der kerken aan te stellen, of inspecteurs of superintendenten te maken, doch met behoorlijke beperking?
Is geantwoord, dat het onnodig en zorgelijk is” (Middelburg 1581)

“Zal ook de classe, daar zulks nodig zijn zal, de vrijheid hebben, enige van haar dienaren van de éne classicale vergadering tot de andere te machtigen om opzicht te nemen over de leer en het leven der predikanten en de stand der kerken onder diezelve classis sorterende, en daarvan op de naaste vergadering rapport te doen” (’s-Gravenhage 1586) 1).

1) Dezelfde synode schreef een brief aan alle classen, waarin gemeld werd, dat zij deputaten benoemd had met de opdracht: „met name ook zorg dragende, dat de inspectie of visitatie, in het veertigste artikel goedgevonden, in ’t werk gesteld werd”.

“Dewijl de nationale synode voor onnodig en zorgelijk acht, inspecteurs of superintendenten in de classen te ordonneren en welke geordineerd zijn te behouden, zo heeft de synode zulke ordening krachtens de vierenzestigste vraag te Middelburg geheel te niet gedaan en besloten, dat zodanige visitatiën tot verzwakking der classen niet meer zullen geschieden, opdat de goddelijke gelijkheid der dienaren des woords des te beter onderhouden worde” (Zutfen 1596) 1).

1) Fontanus, de reformator van Gelderland, en sedert 1581 inspecteur van de Overveluwe, verzette zich tegen dit besluit, „overmits de generale synode

|166|

de inspectie heeft verordonneerd, wat de particuliere niet kan te niet doen” (Cl. Nederveluwe — Harderwijk 1596), en reeds het volgende jaar werd het besluit ongedaan gemaakt, „overmits bevonden wordt, dat zonder de inspectie der dassen veel wanordelijkheden inkruipen” (Nijmegen 1597).

“Nopende het stellen van de visitatoren in elke classe om de respectieve kerken, die daaronder behoren, te visiteren, heeft de synode voor goed ingezien dat, hetzelve achterwege blijvende, de zaak zal gelaten worden op de oude voet” (Hoorn 1608) 1).

1) Dit besluit werd ondanks sterke aandrang, welke van de zijde van de vorige synode was uitgeoefend, na overweging door de classen genomen. De Noordhollanders verzetten zich ook op de synode van Dordrecht 1618/19 tegen de invoering van de verplichte kerkvisitatie, welke nu in art. 44 is voorgeschreven.

De visitatoren handelen in naam van de classis en zijn verplicht tot het uitbrengen van rapport op de eerstvolgende vergadering.

“De inspectie is geordonneerd uit naam van de classen respectievelijk te geschieden” (’s-Gravenhage 1586).

“Zij zullen getrouwe rapport doen van alles in de classen, die daarover oordelen zullen naar ’t behoren” (Vlissingen 1581).

“De visitatoren zullen ... in de classen respectievelijk rapport doen van hun gedane visitatie van iedere kerk” (Gouda 1640).

“Na afloop der visitatie van alle gemeenten zullen visitatoren een verslag van hun bevinding en handelingen opmaken en dit op de eerstkomende classis voorlezen” (Zwolle 1882).

Al zullen oudere en ervaren predikanten over ’t algemeen tot dit werk het meest geschikt zijn, is hulp van jongeren en ook van ouderlingen bij de kerkvisitatie principieel niet uitgesloten.

“Zullen twee dienaren en twee ouderlingen uit verscheiden kerken van de classe hiertoe verordineerd zijn” (Vlissingen 1581).

“Zullen twee inspectoren van de classe door geheime stemmen verkoren worden uit degenen, dewelke daartoe

|167|

van het bekwaamste geacht zullen worden” (Tholen 1602).

“Bij geval het den predikanten ten platten lande niet altijd gelegen ware zich bij den predikant in de stad te vervoegen vanwege de verre afstand der plaatsen, zo zal de predikant in de stad bij zich mogen nemen een van de ouderlingen van zijn kerk, en de predikant ten platten lande een van zijn medebroeders, dien het ’t best zal gelegen zijn” (Brielle 1593).

“Elke classis benoemt uit haar midden twee leden en even zoveel secundi, met opdracht om naar de toestand binnen haar ressort onderzoek te doen” (Zwolle 1882).

Alle kerken, ook die van de visitatoren zelf, behoren de onderlinge controle in de kerkvisitatie te aanvaarden.

“Is goed gevonden, dat de visitatie volgens de orde der kerken in alle plaatsen voortaan geschieden zal en dat geen kerk, groot of klein, zal mogen overgeslagen worden, of die visitatie weigeren” (Woerden 1625).

“De visitatoren zullen ook zelf niet menen, alsof zij met hun kerken gedurende de tijd van hun visitatiën van de visitatie vrij zouden wezen; maar zij zullen de een den ander, vergezelschapt van een ouderling of een dienaar der classis, wederkerig zijn kerk visiteren zo wel als zij alle anderen doen …” (Groningen 1603).

Met de jaarlijkse visitatie kan doorgaans worden volstaan, tenzij de classis wegens bijzondere moeilijkheden in een bepaalde kerk een buitengewone kerkvisitatie wenselijk acht.

“Een verzoek om buitengewone kerkvisitatie behoort, zo nodig, gedaan te worden aan de classis, waaronder de bedoelde kerk ressorteert” (Assen 1926).

De visitatie behoort tevoren aan de gemeente te worden bekend gemaakt.

“De visitatoren zullen op elke plaats aan den predikant tijd en uur van visitatie mogen aanschrijven, om ’s Zondags tevoren zulks de gemeente aan te dienen en bekend te maken” (Classis Nijmegen, Juni 1630).

“De visitatoren geven minstens acht dagen tevoren

|168|

kennis aan de kerkeraad van de dag en het uur hunner komst” (Zwolle 1882).

De visitatoren zullen zich bij hun onderzoek niet als inquisiteurs, maar als broeders gedragen.

“Zij zullen met alle beleefdheid en voorzichtigheid vernemen…” (’s Gravenhage 1586).

“Zij zullen den pastor in ’t bijzonder ondervragen en de kerkeraad, ouderlingen (en) diakenen in ’t bijzonder ... hoe het met den pastor, desgelijks met de kerkeraad in zake de kerk gesteld is, zonder de een of de ander te zoeken te beschamen of in zijn autoriteit aan te tasten …” (Groningen 1603).

Indien afwijkingen geconstateerd worden, waarin een broederlijke terechtwijzing niet kan voorzien, zullen zij de kerkeraad in zijn volle waarde laten als éérstbevoegd om tegen het kwaad op te treden.

“Zo nu de inspecteurs bij den dienaar of de voorstanders der kerk enige merkelijke fout gevonden hebben, zullen zij dezelve eerst in ’t bijzonder tot verbetering vermanen. En indien de fout zodanig is dat ze verdient de opschorting in de dienst — volgens de synodale acten —, zullen zij vernemen of de kerkeraad zich dienovereenkomstig gekweten heeft, en zo niet, zullen (zij) dezelve kerkeraad vermanen om haar plicht te doen; maar zo zulks niet helpt, zijn zij gehouden de zaak in de classe aan te dienen. Zo het geringe fouten zijn, die heimelijk kunnen gebeterd worden na gedane vermaning tot betering, zullen (zij) ook alle hulp naar gelegenheid der zaak bewijzen. En zo het niet helpt, nadat alle trappen der vermaning naar den regel van Christus (in) Mattheus 18 aan hem gehouden zijn, zullen zij de zaak eerst (bij) de kerkeraad en bij gebreke van de verbetering daarna (bij) de classicale vergadering aandienen” (Tholen 1602).

Het optreden der visitatoren heeft ook de bedoeling om geschillen bij te leggen. Zij zullen daarbij optreden als adviseurs van de kerkeraad.

“Ook zullen zij het toezicht nemen ... of niet enige twist en onenigheid in de gemeente is, of andere wanordelijkheid, strekkende tot nadeel der kerk, die met alle spoed gebeterd diende te worden” (’s-Gravenhage 1586).

|169|

“Wanneer de visitatoren ... bevinden dat een lidmaat met de kerkeraad een zodanig geschil heeft, dat dit lidmaat aan de visitatoren verzoekt, dat de zaak in hun tegenwoordigheid gehoord en zo mogelijk afgedaan worden, en de visitatoren hierin hun hulp aanbieden met raad en advies te geven, aan de kerkeraad zijn recht latende om te presideren en alleen keurstemmen te hebben, ... is zodanige kerkeraad gehouden de zaak met de visitatoren ter hand te nemen” (Dordrecht 1608).

Beroep op de classis tegen de handelingen van de visitatoren is te allen tijde mogelijk.

“Zo iemand zich bezwaard vindt over de censuur of handelwijze van deze inspecteurs, en deze hem niet voldoen, zal hij zijn toevlucht tot de eerstvolgende classis mogen nemen” (Tholen 1602).

Daar de vruchtbaarheid van de kerkvisitatie veelszins afhangt van het beleid der visitatoren, kan de classe hen continueren. Wisseling na elke visitatieperiode is echter om heerschappijvoering te vermijden over ’t algemeen meer gewenst.

“Dit hun ambt zal van de ene gewone classe tot de andere duren, in welken tijd zij gehouden zullen zijn zoveel kerken als naar het goedvinden der classe mogelijk is, te bezoeken” (Tholen 1602).

Ofschoon vroeger wel generale en provinciale regelingen werden gemaakt — de laatste generale regeling, vastgesteld door de synode van Zwolle 1882 is bij de Vereniging van 1892 vervallen — behoort de visitatie-regeling aan de diverse classen te worden overgelaten.
Als proeve diene de regeling van de classis Schiedam van 1947. *

De kerkvisitatie beoogt geenszins een gelegenheid te scheppen, waarbij de kerken over elkaar zullen heersen, maar om elkaar met goede raad bij te staan.
Om deze hulp te kunnen verlenen is het gewenst, dat de volgende punten aan de orde worden gesteld. Uiteraard kunnen kerkvisitatoren en kerkeraden in hun onderling gesprek de verschillende hieronder genoemde thema’s naar bevind van zaken nader uitwerken.

|170|

Wat betreft de prediking: is deze schriftuurlijk en practisch?
Wat wordt er gedaan om het Woord bij hen, die wettig verhinderd zijn, aan huis te brengen?
Valt er te klagen over het kerkbezoek, en zo ja, wat zijn de oorzaken?

Voor vacante gemeenten: Wordt ook de catechismus verklaard? Welke pogingen worden aangewend om een dienaar des Woords te beroepen? Voorziet de arbeid van den consulent in de eerste noden?

Voor grote gemeenten: Is het aantal dienaren des Woords voldoende?

Wat betreft de bediening der sacramenten: doen zich moeilijkheden voor in verband met de practijk zowel van doop als van avondmaal? Worden de sacramenten geëerd en belééfd?

Wordt er door predikant en ouderlingen geregeld huis bezoek gedaan? En hoe geschiedt dat?

Worden de catechisaties getrouw gegeven en gevolgd? Hoe zijn ze ingericht? Welk toezicht oefent de kerkeraad uit?
Wat gebeurt er met doopleden die niet meer ter catechisatie komen?
Wordt er nog iets gedaan ter nadere onderwijzing van belijdende leden?
Wordt de jeugd op christelijke scholen — ook middelbare — onderwezen?
Hoe staat het met het jeugdwerk in de gemeente?

Heeft de aftreding en verkiezing van ouderlingen en diakenen geregeld plaats naar kerkenordening?
Hoe is de onderlinge samenwerking in de kerkeraad?
Hebt u moeilijkheden met de censuur?
Vergeet u de tucht over doopleden niet?
Draagt u zorg voor de jonge leden der gemeente die buiten de ouderlijke woning verkeren?
Hoe is de verhouding tussen kerkeraad en gemeente?
Houdt de kerkeraad ook vergaderingen met de gemeente?
Wat doet de kerkeraad om de gemeente met zijn arbeid te doen meeleven?

Worden de gelden van kerk en diaconie behoorlijk bewaard, geadministreerd en verantwoord?

Wordt het bevel van onzen Heere Jezus Christus gehoorzaamd om het evangelie te prediken aan alle creaturen? Op welke wijze is de gemeente daarin actief?

|171|

Is de kerkeraad getrouw in het nakomen van zijn plichten die voortvloeien uit het kerkverband — zorg voor de Theol. Hogeschool, collecten, enz. — ?

Gedragen de dienaar des Woords, de ouderlingen en de diakenen zich in hun huiselijk en openbaar leven als voorbeelden der kudde van onzen Heere Jezus Christus?
Is de kerkeraad tevreden over de ijver van den dienaar des Woords?
Kan hij zonder zorg van het evangelie leven?
Zijn de ouderlingen den dienaar des Woords tot hulp in de herderlijke verzorging der gemeente?
Vervullen de ouderlingen getrouw hun roeping als regeerders der kerk?
Voorzien de diakenen getrouw in de nooddruft der armen?
Wordt het diaconale ambt door de gemeente recht gezien?
Is de gemeente offervaardig?
Maken de diakenen ook gebruik van zusterhulp?

Wordt het archief behoorlijk verzorgd?

Is er nog iets waaromtrent voorlichting of raad begeerd wordt?

Bos, F.L. (1950) Art. 45

Art. 45.

De kerk, in dewelke de classe, en desgelijks de particuliere of generale synode samenkomt, zal zorg dragen, dat zij de acten der voorgaande vergadering op de naastkomende bestelle.

Om de goede voortgang van het werk te verzekeren, behoren de acta van de vorige vergadering op de volgende aanwezig te zijn en zoveel nodig te worden herlezen.

“Dewijl dikwijls zwarigheden voorvallen, overmits de synodale acten niet altijd voorhanden zijn, is het stichtelijk bevonden, dat alle verhandelingen, zo particuliere, provinciale als nationale, beginnende van de synode binnen Emden gehouden, in een boek op gemene kosten der classen gecopieerd worden. En zal hetzelve boek altijd van de laatste synodale vergadering op de naastkomende meegebracht worden” (Edam 1586).

“Is goedgevonden, dat jaarlijks uit het boek zelf de acta van de laatstgehouden synode zullen worden opgelezen” (Gouda 1620).

|172|

“Er is nog ter synode besloten, dat men na dezen in ’t begin van alle synodale bijeenkomsten zal doorlezen de acten van de voorgaande of laatste synode, en daaruit vernemen, welke acten daarin niet zijn voldaan, om die voortaan te voldoen, en die het nagelaten of verzuimd heeft, dadelijk naar gelegenheid der zaken te bestraffen” (Dokkum 1597).

De kerk, waar de laatste vergadering gehouden is, heeft voor de aanwezigheid der acten van die vergadering zorg te dragen.
Aanvankelijk was dit tevens de — wisselende — archiefbewarende kerk.

“Het synodale boek zal berusten ter plaatse waar de synode gehouden wordt, en alzo vervolgens overgebracht worden” (Zwolle 1609).

“Het (nl. het synodale boek) zal berusten bij hen, waar de synode het laatst gehouden is, en dat zij datzelve overbrengen naar de plaats, alwaar wederom een synode zal gehouden worden” (Deventer 1594).

“Men zal een koffer zien te bekomen, waarin men alle synodale schriften en papieren bewaren zal. En die koffer zal bewaard worden bij de kerk, waar de synode het laatst is geweest, die ook dezelve op de naaste synode zal beschikken” (Tholen 1602).

Daar het op die manier nogal eens gebeurde dat er stukken zoek raakten, ging men ertoe over, een vaste archiefbewarende kerk aan te wijzen, en de controle over het archief te geven in handen van deputaten.

“Alzo het hoognodig is niet alleen voor de tegenwoordige tijd maar ook voor onze nakomelingen, dat memorie gehouden wordt van ’tgene door de synoden en haar gedeputeerden gedaan wordt, mitsgaders van ... andere stukken de gemene kerken aangaande, zo zullen de gedeputeerden der synode alle voorgaande en tegenwoordige schriften en stukken, aan de gemene kerken van Zuidholland toebehorende, bijeenverzamelen, en daarvan een behoorlijk en ordelijk register gemaakt hebbende, dezelve in een koffer sluiten, welke in bewaring van de predikanten te X. gesteld zal worden, en zal hebben twee verschillende sloten, waarvan de ene sleutel bewaard zal worden door de voorszeide predikanten en de andere door een van de gedeputeerden buiten X. residerende. En daaruit zullen aan niemand enige stukken

|173|

uitgereikt worden dan mits gevende ontvangstbewijs van zijn hand, opdat alzo de voorszeide schriften niet verstrooid noch vervreemd worden” (Brielle 1593).

“De ene sleutel zal berusten in handen van de kerk van X. en de andere in handen van de gedeputeerden der synode” (Gouda 1620).

“De Gereformeerde Kerken in Nederland hebben een archief, gevestigd te X. en ter bewaring en verzorging toevertrouwd aan de kerkeraad van de Gereformeerde Kerk aldaar.
In dit archief worden gedeponeerd alle geschreven acta van de generale synoden der Gereformeerde kerken; alle stukken, uitgegaan van of toegezonden aan deze synoden, benevens alle acta en schrifturen van deputaten, vanwege de synoden der Gereformeerde kerken benoemd; uitgezonderd de stukken, die betrekking hebben op de zending, voor welke een eigen archief wordt aangelegd.
Aan de kerkeraad, die met de bewaring van dit archief is belast, wordt opgedragen er voor te zorgen, dat dit archief toegankelijk zij voor allen, die daarvan gebruik wensen te maken, mits onder de voorwaarden, welke bij het gebruikmaken van boeken uit bibliotheken of van archiefstukken algemeen geldende zijn.
De Gereformeerde kerken behouden te allen tijde het volle eigendomsrecht en de vrije beschikking over dit haar archief” (Middelburg 1896).

“De synode besluit
1. een archiefbewarende kerk aan te wijzen, maar dan een kerk, die beschikt over een vochtvrije, brandvrije, ruime bewaarplaats;
2. een archivaris te benoemen, die tevens zal optreden als adviseur voor de archieven, en hem op te dragen:
a. de verzorging van het archief;
b. de wetenschappelijke inventarisatie van het archief;
c. een onderzoek in te stellen naar de staat der archieven;
d. de kerken in de zaak der archieven van advies te dienen;
e. op de volgende synode rapport van zijn arbeid uit te brengen;
3. drie deputaten te benoemen voor toezicht op het archief en hun op te dragen, enkele regelen op te stellen voor de arbeid van den archivaris, en
4. de kerken op te wekken, bijzondere zorg te besteden aan haar archieven en daarbij het advies in te winnen van den te benoemen archivaris” (Arnhem 1930).

“De archivaris is gemachtigd stukken uit het archief

|174|

die niet behoren tot de geheime dossiers, uit te lenen tegen voldoende bewijs van ontvangst; de stukken uit het geheime archief kunnen alleen uitgeleend worden met toestemming van de deputaten voor het toezicht op het archief” (Sneek 1939).

Hoe dan ook: alle kerkelijke vergaderingen, ook de kerkeraden, dienen trouw voor hun archieven te zorgen.

“De synode draagt aan haar moderamen op, aan de particuliere synodes een schrijven te richten, waarin met alle nadruk wordt aangedrongen op de zorgvuldige bewaring van haar archief, en haar verzocht wordt, mede te werken, dat in de classes in haar ressort voor de archieven de vereiste zorg worde gedragen” (Rotterdam 1917).

“De synode besluit de kerkeraden, classes en particuliere synodes te wijzen op de noodzaak van het bewaren en verzorgen der archieven, ja, met klem hun aandacht erop te vestigen, dat geen enkel stuk als onbelangrijk mag worden beschouwd” (Groningen 1946). *

Bos, F.L. (1950) Art. 46

Art. 46.

De instructiën der dingen, die in meerdere vergaderingen te behandelen zijn, zullen niet eerder geschreven worden, voordat over de daarin voorgestelde punten de besluiten der voorgaande synoden gelezen zijn, opdat ’tgene eens afgehandeld is, niet wederom voorgesteld worde, ten ware dat men het achtte veranderd te moeten zijn.

Dit bij uitstek practische artikel beoogt alle nodeloze vraagpunten van het agendum van een meerdere vergadering te weren.

“Eerdat de punten beschreven worden, die op de provinciale synode zijn voor te stellen, is het raadzaam dat de acten en bepalingen van voorgaande synoden nauwkeurig worden gelezen, opdat niet op provinciale en vooral niet op generale synoden, dingen die vroeger behandeld en met gemene bewilliging beslist zijn, wederom worden voorgesteld, tenzij er een nieuwe reden voorhanden is om te twijfelen aan hetgeen besloten is” (Emden 1571).

|175|

“De ervaring leert, dat vast (d.i. bijna) in alle synodale, classicale en consistorial of (d.i. kerkeraads) vergaderingen over vele zaken gedisputeerd wordt, die eertijds afgehandeld zijn, zo in de nationale als in de provinciale synoden, wat dan geschiedt door onervarenheid in zake die voorgaande synodale acten.
Derhalve is goedgevonden, dat in elke stad en classe een boek gehouden worde, in hetwelk men schrijven zal de acta van de generale en particuliere synoden, hetwelk men zo dikwijls als het enigszins geschieden kan, zal doorlezen, opdat die een ieder bekend mogen zijn” (Arnhem 1598).

“Het is alleszins nodig, dat alle classen deugdelijk kennis nemen van de acta der synode, opdat vragen waarop reeds een besluit genomen is, niet zonder enig motief telkens herhaald worden” (Leeuwarden 1890).

Meer in ’t algemeen is de kennis van voorgaande synodale acten gewenst om in voorkomende zwarigheden gemakkelijk te kunnen voorzien.

“Op het voorstel en de vraag, of de dienaren niet behoren de acta van de nationale en provinciale synoden ieder voor zich in bezit te hebben en dezelve altemet (d.i. nu en dan) te lezen, — is besloten, dat zij de nationale alle hebben zullen. De provinciale zullen in alle classen gehouden en alle twee maanden gelezen worden” (Dokkum 1591).

“Aangaande het vraagpunt, of het niet nodig is, dat uit alle acten der nationale en provinciale synoden, als ook van elke classe een overzicht worde getrokken ..., acht de synode dat zulks behoort ..., te meer ook opdat zulks den kerkedienaren diene tot een memoriaal om te prompter op alle voorvallende zwarigheden te kunnen beslissen, en te voorkomen, dat niet telkens opnieuw wordt ingebracht wat eens is afgedaan, noch ook enige tegenstrijdige beslissing lichtelijk genomen worde” (Zutfen 1620).

“De gedeputeerden van onze synode hebben uit de acten van de synode van Gelderland voorgesteld, of het niet goed ware, dat er een overzicht van synodale bepalingen werd gemaakt om alle classen te dienen tot onderrichting in voorvallende kerkelijke zwarigheden.
Hierop heeft de synode besloten, dat elke classe zal arbeiden om het boek van alle de synodale acten te bekomen, en iemand uit de haren aan te wijzen die een register van die acten stelle, opdat bij voorkomende gelegenheid alles ter beschikking sta” (Alkmaar 1620).

|176|

“Aan elke kerk zal een exemplaar van de Acta (der generale synode) worden toegezonden; de particuliere synoden hebben naar vastgestelde maatstaf te zorgen voor de kosten” (Middelburg 1896).

Bos, F.L. (1950) Art. 47

Art. 47.

Alle jaren — ten ware dat de nood een kortere tijd vereiste — zullen enige, zoveel mogelijk tot dezelfde provincie behorende, genabuurde classen samenkomen, tot welke particuliere synode uit iedere classe twee dienaars en twee ouderlingen — welk getal door een synode die uit slechts drie of vier classen bestaat ook op drie kan gesteld worden — afgevaardigd zullen worden.
In het scheiden zowel der particuliere als der generale synode, zal een kerk verordend worden, die last zal hebben, om met advies der classe de tijd en de plaats der naaste synode te stellen.

De vergaderingen der kerken in een particulier ressort worden gevormd door afgevaardigden, die door de classicale vergaderingen zijn gekozen.
Afgevaardigd behoren te worden uit elke classe minstens twee dienaren des woords en even zoveel ouderlingen.

“Of ’t om der kosten wille, welke enige particuliere synoden niet kunnen dragen, niet genoeg zou zijn dat een dienaar en een ouderling uit elke classe kwame, althans dat ’tzelve mocht staan ter beoordeling van elke particuliere synode?
Is geantwoord: neen; maar dat men volgen zal het artikel der kerkenordening. En dewijl hierin bij velen gebrek is, zal dat gebeterd worden, ’twelk lichtelijk zal kunnen geschieden zo zij zuinig leven” (Middelburg 1581).

“De synode acht het niet nodig, de classis aan vier afgevaardigden, twee predikanten en twee ouderlingen, te binden. Doch zo men al van het aantal afgevaardigden door omstandigheden afwijkt, moet het aantal afgevaardigde ouderlingen aan dat der predikanten gelijk zijn, tenzij door vacaturen geen genoegzaam aantal predikanten in een classis aanwezig is. In dat geval worde

|177|

de plaats der predikanten door ouderlingen ingenomen” (Rotterdam 1885).

Ofschoon dit dikwijls is geschied, mogen — om dominocratie te voorkomen — geen predikanten in plaats van ouderlingen worden afgevaardigd.

“Of het den classen geoorloofd zij in plaats van een ouderling een predikant tot de synode af te vaardigen?
Is geantwoord dat zulks niet behoort te geschieden” (Veere 1610).

“Indien in toekomenden tijde enige classe dit exempel zoude bestaan te volgen, zullen alzulke predikanten, dewelke boven het bepaalde getal worden afgevaardigd, ipso facto (d.i. om dat feit zonder meer) hun zitting en stem verliezen” (Zierikzee 1618).

Om in eventuële verhindering der afgevaardigden te voorzien behoort de afvaardigende vergadering bij voorbaat secundi of plaatsvervangers te stellen.

“Of men niet een ander in zijn plaats zouden mogen stellen om ter synode te verschijnen?
Is geoordeeld dat zulks in hoogdringende nood zal mogen geschieden, mits dat in de plaats gesteld worde degene die de meeste stemmen heeft gehad naast de afgevaardigde ter synode, en dat de namen der zodanigen in de credentie( brief) uitgedrukt worden, opdat alzo de persoon of personen, die door de respectieve classen bij voorbaat als plaatsvervangers zijn gesteld, aan de synode bekend mogen zijn” (Schiedam 1631).

“Alle classen zullen toezien, dat de dienaren en ouderlingen die uitgezonden worden, tot het einde der vergadering blijven, of althans niet vertrekken totdat anderen, uit de classe gecommitteerd, in hun plaats komen” (Haarlem 1582).

“Alzo men bevindt dat soms door enige kerken zulke ouderlingen naar de synode afgevaardigd worden, die niet wel tot het einde bij de vergadering kunnen blijven, en anderen die van de voorafgaande handelingen dier synode geen kennis hebben door de kerken in hun plaats worden gesteld, zo zijn bij deze gelegenheid de classen vermaand om er in ’t vervolg zorg voor te dragen, dat geen ouderlingen ter synode afgevaardigd worden dan waarvan men — zoveel doenlijk is — verzekerd kan zijn, dat zij de vergadering ten einde toe zullen bijwonen” (Gouda 1620). 

|178|

De afgevaardigden zijn verplicht alle zittingen der synode van het begin tot het einde bij te wonen.

“Door de broeders is besloten dat om de traagheid van sommige broeders (in het bijwonen) der bijeenkomsten te schuwen, (degenen) die zo onachtzaam zijn en er zich niet om bekommeren of zij de eerste of de tweede zitting komen of niet, (voor een zitting) die zij niet bijwonen, als boete verbeuren zullen vijf stuivers, onder voorbehoud dat zo iemand zich bekwamelijk en genoegzaam verontschuldigde, (hij) daarvan ontslagen zal zijn. En zo iemand van de synode geheel weg bleef zonder wettige oorzaken, zullen (dezulken) desgelijks gehouden zijn een pond vlaams (d.i. zes gulden) te verbeuren” (Hoorn 1576).

“De synode heeft besloten dat de broederen, dewelke — geen voldoende verontschuldigingen hebbende — niet op tijd mochten aanwezig zijn, zes stuivers als boete zullen geven.
Zij die voorts zonder belangrijke oorzaken geheel wegblijven, zullen naar de discretie van de synode beboet worden” (Groningen 1617).

“(Zekere) afgevaardigden der classen zijn wegens hun afwezigheid voor verachters der synode geoordeeld, en zullen hun schuld openlijk en mondeling in hun classicale vergaderingen bekennen en aan de andere classen hun schuldbekentenis overschrijven, en van elke dag der synodale vergadering, waarvan zij zich verachtelijk absenteren, als boete een schelling geven voor de armen, of zullen zich om gewichtige oorzaken mogen verontschuldigen.
En daarbij is in ’t gemeen besloten, dat hiernamaals in toekomende tijden zodanige verachters met dergelijke dubbele boeten zullen gestraft worden” (Sneek 1587).

“Is besloten dat de classen van een iegelijk van hun gevolmachtigden die niet ter synode verschenen zijn, reden van hun afwezigheid zullen eisen. En indien zij dezelve niet voldoende bevinden, zullen zij hen naar de besluiten van voorgaande synoden deswege censureren en straffen” (Sneek 1606).

“Is ook in ’t gemeen vermaand en besloten, dat de afgevaardigden die uit de classen tot de synode gezonden worden, bedacht zullen moeten zijn, bij de synode te moeten blijven tot de uitgang der actie, opdat zodanige vergadering en hun classen daardoor niet tekort gedaan worden” (Gouda 1589).

|179|

“Is ook voorgesteld of enige broederen, geroepen ter synodale vergadering, daaruit zullen mogen scheiden aleer de vergadering beëindigd is.
Waarop besloten is, dat noch dienaren noch ouderlingen uit de vergadering scheiden zullen, voor en aleer de zwarigheden zullen zijn afgedaan” (Haarlem 1594).

“Niemand van de leden der vergadering zal (tussentyds) mogen absent zijn, ten ware wegens uiterste ongelegenheden en (na) verkregen verlof” (Gorinchem 1652).

Niet afgevaardigde ambtsdragers mogen doorgaans de synodezittingen bijwonen.

“Hoewel andere dienaars en ouderlingen van de classen erbij mogen zijn, zo zullen nochtans geen dan de afgezondenen keurstemmen hebben” (Dordrecht 1578).

“Op de kwestie, of niet voortaan alle dienaren der kerken op de particuliere synode behoren te verschenen, doch op eigen kosten, — is besloten, dat men zich reguleren zal naar het artikel van de nationale synode van twee dienaren en twee ouderlingen met credentie op de synode te zenden; desniettemin dat alle dienaren die het gelieft, op eigen kosten op de synode zullen mogen verschijnen om te zien, te horen en te leren; zij mogen ook advies geven; zullen echter geen keurstemmen hebben” (Bolsward 1588).

“Er is voorgesteld, of het geoorloofd zij dat enige andere dienaren ter synode tegenwoordig mogen wezen om alle voorvallende zaken aan te horen die verhandeld zouden mogen worden, alhoewel zij niet afgevaardigd zijn om ter synode te verschijnen.
Is besloten dat zij toegelaten zullen worden om in stilheid alles aan te horen, maar in zoverre op enige derzelven een kwaad vermoeden ligt, zal men dezelven mogen gebieden zich te verwijderen” (Alkmaar 1593).

Zie voorts bij art. 34.

De zaken van het agendum zullen in goede orde achtereenvolgens worden afgehandeld.

“De dingen die tot de leer behoren zullen eerst afgehandeld worden, daarna hetgene dat tot de kerkenordening behoort, en eindelijk de particuliere zaken” (Dordrecht 1578; idem Emden 1571).

|180|

De discussies ter synode behoren zich tot het uiterste te beperken.

“Degenen die op de synode gezonden worden, zullen naarstig luisteren naar hetgeen voorgedragen wordt, en als zij niets nieuws hebben zullen zij zich refereren aan de voorgaande adviezen om tijd te winnen” (Brielle 1593).

Aan het einde der vergadering zal een roepende kerk voor de volgende worden aangewezen.

“Met bewilliging van de gehele provinciale vergadering zal een kerk verkozen worden, waaraan het recht en de zorg zal worden toevertrouwd om met het oordeel van de andere dienaren van haar classe plaats en tijd van de eerstvolgende provinciale vergadering vast te stellen” (Emden 1571).

“Aan deze gemeente zullen door de andere gemeenten alle voorkomende zware zaken, dewelke in de classicale vergadering niet hebben kunnen afgehandeld worden, als ook hetgene dat de ganse particuliere synode aangaat, naarstig en bijtijds overgeschreven worden.
Deze gemeente zal de plaats en de tijd van de eerstvolgende particuliere synode twee maanden tevoren of daaromtrent, schriftelijk te kennen geven, en copie van alle zware zaken die aan haar gezonden zijn, aan een bepaalde kerk van elke classe die tot deze particuliere synode behoort, overzenden, opdat een iegelijk zich daarop rijpelijk mag bedenken” (Dordrecht 1578).

“Overmits enige gravamina van enige classen te laat overgeschreven zijn, waarom men geen besluit der classen heeft kunnen nemen, is uit dien hoofde besloten, dat voortaan de uitschrijving van de synode geschieden zal tien weken voordat de synode zal samenkomen, en dat de gravamina uiterst zes weken na de uitschrijving van de synode zullen worden overgezonden” (Haarlem 1594).

“De synode spreekt uit, dat de roepende kerk ener synode de hoofdinhoud van voorstellen en gravamina die aan de synode zullen worden voorgelegd, in het agendum duidelijk dient te omschrijven, voorzover deze voorstellen en gravamina niet reeds aan de kerken zijn bekend gemaakt” (Amersfoort 1948). *

Bos, F.L. (1950) Art. 48

Art. 48.

Het zal aan elke synode vrijstaan, correspondentie te

|181|

verzoeken en te houden met haar genabuurde synode of synoden, in zulke forme, als zij meest profijtelijk achten zullen voor de gemene stichting.

Dit artikel is op de synode van Dordrecht 1618/19 in de kerkorde opgenomen, nadat de correspondentie in de praktijk was gegroeid toen een generale synode uitbleef.
Deze correspondentie, bestaande in het zenden en ontvangen van afgevaardigden over en weer om contact te oefenen, kan ook als de generale synode regelmatig bijeenkomt haar nut hebben.

“Of men niet zal bevorderen, dat op de provinciale of particuliere synoden de correspondentie tussen alle de kerken der verenigde Nederlanden ingesteld worde, en dat tot dien einde op elke voorszeide vergadering uit ieder van die provinciale synoden tenminste één gedeputeerde met behoorlijke credentie zal verschijnen? De inhoud van dit gravamen wordt zeer nodig bevonden, onder deze restrictie, dat zulks een nationale synode niet verhindere, en dat de gedeputeerden aan de particuliere synode rapport doen van hun wedervaren” (Delft 1618).

“Of het niet genoeg ware, dat de kerken van de Noordhollandse synode correspondentie hielden met de synode van Zuidholland, zonder haar gedeputeerden in verre gelegen provinciën te zenden of gedeputeerden daarvan te ontbieden?
Antwoord: dat het niet genoeg is, en daarom dat men de gebruikelijke correspondentie niet zal verminderen maar onderhouden” (Alkmaar 1620).

“Is besloten, dat voortaan tot de synoden van andere provinciën gezonden zullen worden zodanige dienaars, die op de laatste synode zijn geweest, als dien alle zaken, de synode betreffende, (het) best bekend zijn” (Brielle 1603).

“Er is beraamd en goedgevonden ... dat voortaan alzulke dienaren, die alzo van de particuliere synoden respectievelijk zullen gezonden worden om tot onderlinge enigheid en correspondentie van de kerken welke onder de beide synoden ressorteren te dienen, de een zowel als de ander op de synoden tot dewelke zij gezonden worden, alleen de vergadering zullen raadgeven en adviseren, zonder stemmen te hebben om te beslissen in enige

|182|

zaken, ten ware dezelve hen mede aangingen” (Rotterdam 1594; cf. Amsterdam 1595).

“Alzo de kerken van Zuid- en Noordholland geraden hebben gevonden over gewichtige zaken elkanders advies te verzoeken, is raadzaam geacht, dat naar ’t besluit van de Zuidhollandse synode zodanige zaken bijtijds aan de synodale classe overgeschreven worden, opdat dezelve, wijders aan alle classen gebracht zijnde, naar behoren zouden mogen overgelegd en alzo door gemeen advies beantwoord worden” (Enkhuizen 1597; cf. Delft 1596).

“Er zal door de classe synodaal op ’t nauwkeurigste acht gegeven worden, dat de heren correspondenten op zijn tijd aangeschreven en de gravamina (hun) toegezonden zullen worden” (Dordrecht 1698).

“Er is goedgevonden, dat de gedeputeerden die op de (corresponderende) synoden gaan, ter naaste synode mondeling of schriftelijk rapport doen zullen van alzulke dingen als in de voorszeide synoden de algemene kerken aangaande gehandeld zullen wezen” (Woerden 1604).

Een veel eenvoudiger vorm van correspondentie is het over en weer toezenden van elkanders acten.

“Op de vierde vraag, of de acten van de Zuidhollandse synode niet van nu voortaan in deze synode gelezen (zullen) worden, — is geantwoord, dat dezelve door de gemachtigden der synode op de vergadering gebracht (zullen) worden, welke alsdan dezelve of in ’t geheel of ten dele zoveel nodig en bevorderlijk tot beslechting van gelijke zaken zal geacht worden, naar haar bescheidenheid en believen zal mogen lezen” (Enkhuizen 1597).

“Er wordt besloten, dat elke classe zal arbeiden om in een boek te laten registreren alle acten, welke zullen (voor)vallen zo in onze synode als in andere, met welke correspondentie is, opdat men zo in de synodale als classicale vergaderingen zekerlijk mag bericht worden van ’tgene dat gepasseerd is” (Zutfen 1605).

Ook tussen de classen van een particulier ressort onderling kan correspondentie worden onderhouden.

“Elke classe zal uit de naaste enige gedeputeerden mogen aanschrijven, om te beter kennis en correspondentie

|183|

met de anderen in alle dingen te onderhouden” (Nijmegen 1597).

Bos, F.L. (1950) Art. 49

Art. 49.

Iedere synode zal ook enigen deputeren, om alles wat de synode geordonneerd heeft te verrichten, en in voorvallende zwarigheden aan de classen de hand te bieden, waarbij voor de afzonderlijke belangen zoveel mogelijk afzonderlijke groepen van deputaten te benoemen zijn, en om, althans ten getale van twee of drie, over alle peremptoire examens der aankomende predikanten te staan. En alle deze deputaten zullen van al hun handelingen goede notitie houden, om de synode rapport te doen en zo het geëist wordt, redenen te geven. Ook zullen zij niet ontslagen wezen van hun dienst, voor en aleer de synode zelve hen daarvan ontslaat.

Synodale deputaten vervullen de hun opgedragen last onder verantwoording aan de lastgevende kerken.

“De dienaars die enige commissie hebben, zullen die, als ze uitgevoerd is, overschrijven aan de synodale classis, en deze aan alle classen” (Haarlem 1594).

Een bijzondere last is het deputaatschap voor zwarigheden.

“Bij de meeste stemmen zijn de gedeputeerden belast om de voorvallende zwarigheden, die hier en daar in de classen en kerken ontstaan, tijdig voor te komen, in zulker voege, dat dit maar ziet op bijzondere zwarigheden, die geen uitstel kunnen lijden, en dat degenen die hiertoe zullen gecommitteerd worden, maar zullen last hebben om door inductie (d.i. aansporing) de zaken te beslechten, en dat met toedoen van de kerk of classe, waar de zwarigheid vallen zal” (Enkhuizen 1603, Edam 1604).

“De synode heeft bevonden zeer dienstig en nodig te wezen voor de kerk en de gerustigheid derzelve, tot wering van meerdere schandalen en zwarigheden, de gedeputeerden der synode te authoriseren om, des nood zijnde, bij inductie en intercessie of tussenspreken te

|184|

arbeiden tot beslechting van alle geschillen en onenigheden die in de kerken zouden mogen komen te ontstaan, om die zo tijdig neder te leggen als mogelijk zal wezen, en alzo voor te komen dat de zaken tot een ergerlijk verloop uitvallen; en heeft daarom tot dien einde en in zulker voege de gedeputeerden der synode mits dezen geautoriseerd” (Rotterdam 1605).

Ofschoon deze deputaten voor zwarigheden soms — op aandrang van de overheid — tot zelfstandig en rechtstreeks ingrijpen bij moeilijkheden bevoegd werden verklaard, keerden de kerken daarvan terecht terug, en beperkten het optreden van deze deputaten tot de gevallen, waarin hun hulp door de classe ingeroepen wordt.

“De bepaling om door de gedeputeerden der synode alle kerkelijke zwarigheden intijds door inductie (d.i. aansporing) te remediëren, cesseert (d.i. neemt een einde), en is goedgevonden bij de vroegere orde te verblijven” (’s-Gravenhage 1634).

“Welverstaande, dat hun Eerwaarden des verzocht worden door de respectieve classen” (Brielle 1726).

Voor de verkiezing van deze deputaten zijn in de loop der tijden verschillende wenken gegeven.

“De synode ... behoudt haar vrijheid om al zodanige personen tot gedeputeerden der synode te verkiezen als zij voor de kerken het nuttigst en naar gelegenheid der zaken allerstichtelijkst zal achten zonder aan classen of personen gebonden te wezen” (Dordrecht 1598).

“De gedeputeerden van deze synode hebben voorgesteld of het niet goed ware, dat de stemming der gedeputeerden der synode geschiedde met stille stemmen, gelijk het in Zuidholland, Gelderland en Groningerland in gebruik is. De vergadering antwoordt: ja” (Enkhuizen 1603).

“Op de vraag of ook uit de afgevaardigden van de respectieve classen op de synode deputaten der synode zouden mogen gekozen worden, is besloten dat dit niet behoort te geschieden om alle kwaad vermoeden van eergierigheid voor te komen” (Franeker 1616).

“Er zullen geen twee deputaten uit één classe aangesteld worden om gelijk te dienen” (Delft 1688).

|185|

Het deputaatschap is niet perse aan het ambt gebonden

“Betreffende een ouderling, die tot deputaat der synode is aangesteld en intussen naar orde destijds afgaat uit de bijzondere dienst en het ouderlingschap van zijn kerk, besluit de synode (op de vraag) of hij wel deputaat der synode mag blijven of niet, dat hij blijven mag en zijn tijd van deputaatschap uitdienen, dewijl hij ook hiertoe een aanstelling heeft” (Dokkum 1611).

Bij de verkiezing van deputaten dient meteen de plaatsvervanging te worden geregeld.

“Bij de vergadering wordt geordineerd, dat zo enige der gedeputeerden onzer synode ... in de tijd hunner deputatie of door ziekte bezocht of door de dood weggenomen werden, diegene, die na denzelven de meeste stemmen heeft gehad — gelijk zulks in de acten der synode zal behouden worden — in deszelven plaats volgen en die last uitvoeren zal” (Amsterdam 1607).

Ofschoon een deputaatschap zich uiteraard slechts uitstrekt van synode tot synode, is de vroegere praktijk dat de helft gecontinueerd wordt, en dat voor hen, die al twee jaar dienst gedaan hebben, nieuwe deputaten worden gekozen, aanbevelenswaardig.

“Is voorgesteld, of het niet raadzaam zou wezen, dat in ’t verkiezen der gecommitteerden der synode deze orde werd gevolgd, welke die van Zuidholland onderhouden, te weten, dat altoos maar één tegelijk afga en één aanblijve om den aankomenden te beter in te leiden. Is besloten, dat zulks nodig is en voortaan onderhouden zal worden” (Amsterdam 1595).

“Opdat hierin alle verheffing en heerschappij van de een over de ander verhoed worde, zullen de gedeputeerden alle jaren op de synode veranderd worden en het halve deel afgaan…” (Groningen 1603).

Deze of andere deputaten behoren naar kerkorde ook advies uit te brengen bij peremptoire examens, losmaking, emeritering enz.
Deze adviezen behoren gegeven te worden voor de leden der classicale vergadering hun stem uitbrengen.

|186|

“De lidmaten der classe zullen stemmen nadat de gedeputeerden der synode eerst hun advies gegeven zullen hebben” (Schoonhoven 1597).

Besluit een classe in afwijking van het advies der deputaten, dan wordt dit besluit niet uitgevoerd, totdat de particuliere synode nader heeft beslist.

“Bij conflict tussen de classis en de deputaten der particuliere synode staat de beslissing aan de particuliere synode” (Dordrecht 1893).

Bos, F.L. (1950) Art. 50

Art. 50.

De nationale synode zal ordinairlijk alle drie jaren eens gehouden worden, ten ware dat er enige dringende nood ware om de tijd korter te nemen. Tot deze zullen twee dienaren en twee ouderlingen uit elke particuliere synode afgezonden worden. Voorts zal de kerk, die last heeft om de tijd en de plaats der generale synode aan te wijzen, zo dezelve naar het oordeel van ten minste twee particuliere synoden binnen de drie jaren te beroepen ware, met advies of onder goedkeuring van haar particuliere synode van de tijd en de plaats besluiten.

De regel is, dat een generale synode eens in de drie jaar gehouden wordt. Voor zover het in de macht der kerken ligt, mag de termijn niet langer genomen worden.

“Op de vraag, of het niet beter ware met de nationale synode langer dan drie jaren te vertoeven, — is geantwoord, dat men blijven zal bij ... (het geldende artikel), om gewichtige oorzaken wil” (Middelburg 1581).

Het is evenmin gewenst, de vastgestelde termijn voor het bijeenkomen van een generale synode te verkorten.

“(De synode spreekt uit) dat er geen genoegzame redenen bestaan om de synode vaker dan eenmaal in de drie jaren bijeen te roepen en dit integendeel grote bezwaren met zich medebrengt” 1) (Sneek 1939).

1) „De eerste overweging is, dat de kosten van de vergaderingen der generale synode aanmerkelijk

|187|

zullen stijgen. Wel mogen wij aannemen, dat door de bedoelde maatregel de duur der synoden enigermate zal ingekort worden, maar de daling der kosten, die daarvan het gevolg is, zal stellig overtroffen worden door de toename der uitgaven als een gevolg van de grotere frequentie der synodale bijeenkomsten. Voorts, en dit is de tweede overweging, valt het te vrezen, dat wanneer de generale synode vaker dan om de drie jaar, bijv. elke twee jaar, bijeenkomt, haar werkzaamheden zich al spoedig steeds verder zullen uitbreiden. Naarmate de gelegenheid zich vaker voordoet een zaak bij de generale synode aanhangig te maken, zullen velen te gereder van deze gelegenheid gebruik maken, zodat haar agendum op de duur in plaats van ingekrompen integendeel nog uitgedijd zal worden. De derde overweging, en het is niet het minst hierop dat uw commissie de nadruk zou willen leggen, is, dat het vaker bijeenkomen der generale synode vanzelf tot gevolg zal hebben, dat de particuliere synoden steeds meer naar de achtergrond geraken en in steeds sterkere mate van haar betekenis gaan inboeten. En dit zou stellig niet in het belang van een gezonde ontwikkeling van het kerkelijke leven zijn” (rapport).

De synode behoort bijeengeroepen te worden binnen de vastgestelde termijn, indien tenminste twee particuliere synoden dit nodig oordelen.

In 1926 werd bezwaar gemaakt tegen de bijeenroeping van een buitengewone generale synode,
“1. wijl de kerkenordening in art. 50 niet spreekt van een buitengewone, maar van een vervroegde synode; dat deze synode niet als een vervroegde synode beschouwd kan worden, daar geen zaken, die gewoonlijk ter synodetafel komen, aan de orde zijn, en evenmin als een buitengewone synode, omdat een buitengewone synode alleen mogelijk is over die zaken, die door vroegere synodes zijn aangewezen, b.v. de benoeming van hoogleraren aan de theol. school te Kampen;
2. wijl de synodes van Noordholland en Noordbrabant niet voldoende aangetoond hebben, dat er inderdaad dringende nood — zie art. 50 — is, waarom deze synode moest samenkomen, en derhalve in haar motivering zijn tekort geschoten.”

“Wat het eerste punt betreft merkt uw commissie op, dat art. 50, zonder een onderscheiding te maken tussen een vervroegde en een buitengewone synode, alleen de

|188|

mogelijkheid opent voor het bijeenroepen der generale synode binnen de gewone, daarvoor vastgestelde termijn. Voorts wat aangaat de motivering van de verzoeken der particuliere synodes van Noordholland en Noordbrabant aan de roepende kerk, is uw commissie van oordeel, dat deze synodes de wettige weg van art. 50 gevolgd zijn, en het niet aan haar is opgedragen over de genoegzaamheid dezer motieven u te adviseren.” „De synode verklaart de bezwaren tegen de wettigheid der synode ongegrond, wijl de samenroeping wettig geschied is naar art. 50 K.O.” (Assen 1926).

Stelt de roepende kerk gewoonlijk tijd en plaats van de te houden synode vast met advies van haar classe — zie art. 47 —, voor de vaststelling van tijd en plaats van een vervroegde of buitengewone synode is het advies van haar particuliere synode vereist.

“Voorts zal de kerk die last heeft om de tijd en plaats van de generale synode te benoemen, zo dezelve binnen de drie jaren te beroepen ware, haar particuliere synode vergaderen ... om met gemeen advies van de tijd en de plaats te besluiten” (Middelburg 1581).

Dat de afvaardiging behoort te geschieden „uit elke particuliere synode” heeft geen betrekking op de vergadering, maar op het ressort.

“De synode spreekt als haar gevoelen uit, dat voor onze meerdere kerkelijke vergaderingen ook de predikanten en ouderlingen kunnen benoemd worden, die van de mindere vergadering geen leden waren” (Rotterdam 1885).

De verkiezing van afgevaardigden vóórdat de vergadering, waarheen afgevaardigd wordt, officieel is uitgeschreven, maakt de afvaardiging niet onwettig.

“Op de particuliere synodes ... die besloten de kerk van X. te verzoeken een buitengewone generale synode samen te roepen, vond de afvaardiging naar deze synode wettig plaats, al was op dat ogenblik de generale synode nog niet officieel uitgeschreven” (Assen 1926).

Naar goede oude gewoonte wordt als een generale synode bijeenkomt, een bidstond gehouden.

|189|

“(Op de vraag) of het niet goed ware, een vastendag in te stellen tegen dat de generale synode vergaderen zal, — is geantwoord, overmits het te dezer tijd in ’t openbaar niet zo stichtelijk geschieden kan, dat men het doen zal zoveel mogelijk is in de classicale vergaderingen en kerkeraden, en de zaak met gebeden Gode den Heere vuriglijk bevelen. Doch er is goedgevonden, dat voortaan de nationale synode, tezamen gekomen zijnde, voor alle andere handelingen zich tot vasten en bidden begeven, en de dienaar der plaats een vermaning uit Gods Woord tot de aanstaande handel bekwaam zijnde, doen zal” (Middelburg 1581).

Ofschoon niet noodzakelijk, daar de credentiebrieven daarvoor voldoende waarborgen bieden, is de in de vorige eeuw ingevoerde gewoonte, dat alle leden der synode door een openlijke verklaring instemming betuigen met de belijdenisschriften, eerbiedwaardig.

“Openlijke verklaring.
Van alle kenmerken, waardoor de ware kerk zich van menselijke genootschappen onderscheidt, mag de belijdenis der waarheid in de eerste plaats worden genoemd. De Zaligmaker zeide daarom: indien gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk mijn discipelen, Joh. 8: 31. En wederom: een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor mijn Vader die in de hemelen is, Matth. 10: 32.
In gehoorzaamheid aan den Heere, en tot onderrichting van een ieder, acht de vergadering van opzieners, afgevaardigd uit de Christelijke Afgescheidene Gereformeerde Gemeenten in de onderscheidene provinciën van Nederland het betamelijk, dat openlijk worde verklaard, welke de belijdenis der genoemde gemeente is.
Alle deze gemeenten erkennen de Belijdenis des geloofs der Gereformeerde Kerken in Nederland, de Catechismus en de Leerregels der synode van Dordrecht, gehouden in de jaren 1618 en 1619, als de volledige uitdrukking van haar geloof.
In overeenstemming met deze gemeenten en als haar algemene kerkvergadering betuigen wij gaarne, dat wij van harte gevoelen en geloven, dat alle artikelen en stukken der leer, begrepen in de gemelde drie Formulieren van Enigheid, in alles met Gods Woord overeenkomen; waarom wij elke lering daartegen strijdende, verwerpen; alle onze handelingen daarmede in overeenstemming wensen te brengen, blijkens de onder ons

|190|

aangenomene Kerkordening van Dordrecht van 1618 en 1619; en ieder in onze kerkelijke gemeenschap wensen op te nemen, die met deze belijdenis instemt.
Moge de Koning der Kerk dit geloof in vele harten werken en vermeerderen, en zij, die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, de genade hun bewezen, in gemeenschapsoefening betonen, tot verheerlijking van Hem, die gebeden heeft dat al de zijnen één zullen zijn.
In naam der vergadering: …
Door den praeses wordt aan al de leden die verklaring afgevraagd, en door allen plechtig, als in de tegenwoordigheid des Heeren afgelegd, en door den praeses en scriba getekend” (Zwolle 1854).

(Na de constituering der vergadering) „nodigt de praeses alle leden der synode uit, door op te staan van hun zitplaatsen hun hartelijke instemming te betuigen met de Belijdenisschriften der Gereformeerde Kerken” (Dordrecht 1893 enz.).

Aangaande de werkwijze der synode is een bepaalde regeling getroffen.

“De synode besluit:
1. in zake de benoeming en samenstelling der commissies:
a. het aantal commissies te bepalen op zes,
b. de voorzitters dier commissies aan te wijzen gehoord het advies van het moderamen, en
c. de commissies verder samen te stellen en de werkzaamheden over haar te verdelen op voorstel van het moderamen, de aangewezen voorzitters en de hoogleraren in het kerkrecht;
2. in zake de verdere werkwijze der synode:
a. haar arbeid zo in te richten dat eerst aan de commissies gelegenheid worde gegeven haar rapporten en adviezen op te stellen, voordat de synode zelve in plenaire zitting bijeenkomt,
b. aan het moderamen op te dragen zich op de hoogte te houden, hoever de commissies  met haar werk gevorderd zijn en de synode eerst dan in plenaire zitting samen te roepen, wanneer de commissies geheel of nagenoeg geheel met haar voorbereidende arbeid gereed zijn, en
c. aan het moderamen op te dragen de verschillende rapporten, indien hun inhoud naar het oordeel der rapporterende commissie dit eist, en de onderscheidene conclusies alsmede het agendum voor elke zittingsdag vooraf ter kennis van de leden en  adviserende leden der synode te brengen” 1) (Sneek 1939).

1) De instelling van een bureau der synode ten

|191|

dienste van het moderamen, waartoe tevens werd besloten, werd op de volgende synode niet gecontinueerd.

In bijzondere omstandigheden kan aan een synode het recht niet worden ontzegd om, ter wille van het afwerken van haar agendum, haar zittingen te verdagen of slechts provisorisch te sluiten.
De particuliere synoden hebben toe te zien, dat hun afgevaardigden hun mandaat niet te buiten gaan.

“Er is geen enkel artikel onzer kerkenorde, die aan een generale synode voorschrijft hoe lang haar zittingen mogen duren of haar belet, wanneer zij dit noodzakelijk acht, haar zittingen af te breken en op een later tijdstip weder samen te komen. Wat het verdagen ener synode betreft...: dat hiervoor een toestemming der kerken nodig zou wezen, kan niet beweerd worden, aangezien de kerken door afgevaardigden naar de synode te zenden met recht en volmacht om te handelen, daarmede reeds genoegzame volmacht aan de synode hebben gegeven. Ook het bezwaar dat intussen de deputerende vergaderingen, d.w.z. de particuliere synodes in andere samenstelling weer bijeen zijn geweest, kan hier niet gelden. Bovendien zou het recht om hierover een klacht in te dienen alleen toekomen aan de deputerende vergaderingen, maar waar deze zulk een klacht niet hebben ingediend, hebben ze daarmede stilzwijgende de handelingen hunner deputaten goedgekeurd en deze in hun mandaat gecontinueerd” („aanvaard” rapport, Assen 1926).

“Het provisioneel sluiten ener synode kan als zodanig niet gezegd worden met de kerkenordening in strijd te zijn” 1) (Sneek 1939).

1) „Het spreekt vanzelf, dat de synode niet anders dan bij uitzondering en uitsluitend om zeer dringende redenen tot het nemen van een dergelijk besluit zal overgaan. Ook moet aangenomen worden, dat dit alleen zal gebeuren met het oog op zaken, welke ter behandeling aan de desbetreffende synode waren toevertrouwd” (rapport).

Zie voor comité-vergaderingen bij art. 34.

De uitvoering van synodale besluiten geschiedt door het gewezen moderamen of door voor een bepaalde zaak uitdrukkelijk benoemde deputaten.

|192|

“De uitvoering van alle besluiten der synode, waarvoor geen deputaten mochten benoemd zijn, is opgedragen aan de leden van het moderamen” (Utrecht 1923).

“Wanneer in enig deputaatschap der generale synode, waarvoor geen secundi benoemd zijn, een vacature ontstaat, zal hierin voorzien worden — voor zover dit niet aan de particuliere synode is opgedragen — door de classis, waarin de kerk, waartoe de uitgevallen deputaat behoort, is gelegen” (Utrecht 1923).

In zake de benoembaarheid voor enig deputaatschap of lidmaatschap van een moderamen van een kerkelijke vergadering is de volgende uitspraak van betekenis:

“De synode, overwegende dat het ambt van ouderling en diaken en het ambt der gelovigen in het leven en de arbeid der kerken zoveel mogelijk tot hun recht dienen te komen, spreekt met nadruk uit, dat de kerkelijke vergaderingen, indien benoemingen aan de orde zijn, daarmede rekening behoren te houden, waarbij uiteraard acht moet gegeven worden op de bekwaamheid der te benoemen broeders en de bepalingen van de kerkenordening” (Enschede 1945). *

Een bijzonder deputaatschap wordt gevormd door de curatoren van de theologische hogeschool.

“De gezamenlijke kerken verzorgen deze hogeschool door deputaten-curatoren, die te dien einde door de generale synode worden gemachtigd en geïnstrueerd. De aanwijzing van deze deputaten geschiedt door de particuliere synode. Elke particuliere synode wijst een curator met secundus aan.
Bij tussentijdse vacatures beschouwe het curatorium de dan door de particuliere synoden aan te wijzen deputaten als door de generale synode gemachtigd en geïnstrueerd, tot aan de volgende generale synode” (Groningen 1946). *

Deputaten, die over enige gemene zaak de volgende synode hebben te dienen van advies, zullen hun rapporten zo mogelijk ten minste zes maanden tevoren ter kennis van de kerken brengen.

“De synode besluit dat de rapporten, zoveel mogelijk,

|193|

minstens zes maanden vóór de datum van haar samenkomen (aan de kerken) zullen worden toegezonden” (Middelburg 1896; vgl. Groningen 1899, Leeuwarden 1920).

“Alle (rechtstreeks) bij de generale synode in te dienen rapporten moeten minstens veertien dagen vóór den aanvang der synode aan al haar leden met hun secundi en haar praeadviserende leden worden toegezonden” (Utrecht 1905).

“Van alle rapporten, waaromtrent de synode besluit dat zij aan de kerken zullen worden toegezonden, zullen meerdere exemplaren aan de grotere kerken worden verstrekt naar vaste regel, namelijk voor een kerk beneden 300 zielen één exemplaar, van 300-500 zielen twee exemplaren en van boven 500 zielen voor elke 500 zielen één exemplaar meer.
Voor de verspreiding van de voor de synode uit te brengen rapporten onder de kerkeraden zal nodig zijn, dat de aangewezen rapporteurs zich met den door de synode aan te wijzen uitgever verstaan, die alsdan zorgt, dat aan elke kerkeraad zoveel exemplaren toegezonden worden als overeenkomstig het besluit is te bepalen, in overeenstemming met het vastgestelde, dat aan de leden van het moderamen is opgedragen het toezicht op het drukken en verzenden der rapporten, die tevoren aan de kerken zullen moeten worden toegezonden.
Aan de door de synode te benoemen deputaten, omtrent wier rapporten zij besluiten zal, dat ze in meer exemplaren aan de kerken zullen worden toegezonden, wordt besloten vrijheid te geven, deze rapporten ook publiek te doen verkrijgbaar stellen, indien dit zal mogelijk blijken op zodanige voorwaarden, dat de kerken daardoor financiëel niet worden bezwaard” (Utrecht 1923; Groningen 1927).

Bos, F.L. (1950) Art. 51

Art. 51.

Voor de Gereformeerde Kerken van Europeanen in Nederlands-Indië wordt de wijze, waarop zij met de kerken hier te lande in verband staan, door de generale synode geregeld 1).

1) Dit artikel is door de Gereformeerde Kerken vervallen verklaard (’s-Gravenhage 1949). Het is nog van betekenis voor de Geref. Kerken (onderh. art. 31 K.O.).

De regeling van het kerkverband met kerken in Ned. Indië staat aan de kerken in ’t gemeen.

|194|

“Dat de zorg voor de kerken in Oost- en West-Indië niet staat bij een bijzondere kerk of classis of ook synode, maar staat aan alle synoden der verenigde provincien of tot de kerk dezer Nederlanden in ’t gemeen, is het oordeel en gevoelen van meest alle particuliere synoden. Zodanig oordeel en gevoelen rust op onwankelbare gronden, want ... dit is klaar en buiten alle twijfel, dat het is een eigen werk der nationale synode of der kerken dezer provinciën in ’t gemeen, niet alleen particuliere synoden in te stellen, maar ook te ordineren, onder welke synode alle particuliere kerken en classen zullen behoren” (Gouda 1640).

Zolang er in Ned. Indië zelf geen classicaal verband kan worden gevormd, zullen de kerken aldaar als „buitenkerk” in een classis in Nederland worden opgenomen. Financiële hulp worde geboden door alle kerken in Nederland.

“De synode besluit de Gereformeerde Kerk te X. als een zusterkerk te erkennen, haar, zoveel dit op zo grote afstand uitvoerbaar is in het kerkverband onzer Gereformeerde Kerken op te nemen, tot zolang dat zij met andere Gereformeerde Kerken op Java een eigen classis zal kunnen vormen, — haar als „buitenkerk” te voegen bij de classis X., die met haar van haar zaken zal oordelen, haar met raad en daad zal dienen en met welke zij zal hebben te corresponderen, — en haar met het oog op het hoog belang, dat de Gereformeerde Kerken … hebben bij de goede positie en de krachtige ontwikkeling van deze kerk ... te steunen met een maandelijkse bijdrage, groot …, … onder bepaling, dat elke volgende generale synode, na ’t advies der classis X. te hebben gehoord en na inzage genomen te hebben van de inkomsten en uitgaven dezer kerk sinds de voorafgaande synode, zal beoordelen, of deze bijdrage zal moeten worden gecontinuëerd dan òf met welk bedrag zij zal kunnen worden verminderd” (Groningen 1899).

De zorg voor verstrooide Gereformeerden in Ned. Indië behoort tot de taak van de kerken aldaar met behulp van het kerkverband.

“De synode besluit:
a. aan de kerkeraden hier te lande te verzoeken, bij vertrek van leden der gemeente naar Nederlands-Indië er bij die leden zoveel mogelijk op aan te dringen, dat zij in Indië aan de dichtst bijzijnde kerkeraad of missionaire

|195|

predikant kennis geven van de plaats waar zij komen, of ook bij hen hun attestatie in te dienen;
b. de kerkeraden op te wekken om zelf ook aan die dichtst bijzijnde kerkeraden of predikanten over de sub a genoemden te schrijven en ze aan te bevelen” (’s-Gravenhage 1914).

“De synode besluit uit te spreken:
1. dat de geestelijke bearbeiding van de verstrooide gereformeerden in Nederlands-Indië zoveel mogelijk behoort te geschieden door de Gereformeerde Kerken in Indië, daarbij, zoveel als nodig en mogelijk is, gesteund door de Gereformeerde Kerken in Nederland;
2. dat op voorstel van de daarbij betrokken kerken in Indië de grenzen van elks terrein van bearbeiding behoren te worden vastgesteld door de classis X., zulks gehoord het advies van de deputaten der generale synode voor de geestelijke bearbeiding van de verstrooide gereformeerden in Indië...;
3. dat elke kerk zelve deze arbeid heeft te regelen, doch, indien zij voor deze arbeid steun ontvangt van de gezamenlijke kerken in Nederland, deze regeling behoort te onderwerpen aan het oordeel van de deputaten der generale synode ad hoc, en van die arbeid geregeld, en ten minste éénmaal per jaar, aan deze deputaten rapport heeft uit te brengen” (Rotterdam 1917).

Bos, F.L. (1950) Art. 52

Art. 52.

Desgelijks wordt de arbeid der kerkelijke zending in Nederlands-Indië, voor zover deze algemene bepalingen nodig heeft, door de generale synode in een zendingsorde geregeld.

De bespreking van de zendingsorde ligt buiten het bestek van dit werk.
Slechts enkele actuele besluiten van principiële betekenis mogen hier een plaats vinden.

“Inzake de principiële opzet van het zendingswerk spreekt de synode uit:
1. de opvatting der zending, welke bekend staat als „comprehensive approach”, is in strijd met de Heilige Schrift en valt daarom voor heel ons zendingswerk af te wijzen;
2. de gangbare onderscheiding tussen „hoofddiensten en hulpdiensten”, welke steunt op de besluiten der synode van Middelburg 1896, voorts is vastgelegd in de

|196|

zendingsorde, en tenslotte in de practijk van het zendingswerk in toepassing is gebracht, behoeft dringend herziening.
In zake zendende kerken besluit de synode:
a. deze kerken informeren regelmatig de samenwerkende kerken over alle plannen, beslissingen, kosten en stand van ’t zendingswerk;
b. deze kerken nemen geen beslissingen dan na goedkeuring van het college der generale zendingsdeputaten;
c. bijzonder bij de voorbereiding van benoemingen en beroepingen en het vaststellen van instructies ondernemen zij geen stappen dan met medewerking en goedkeuring van dit college;
d. bij al haar zendingsarbeid binden ze zich aan wat de synode uitsprak omtrent de principiële opzet van het zendingswerk, en ze geven ook in die geest aan de uit te zenden arbeiders nauwkeurige instructie, met uitdrukkelijke bepaling, dat afwijking van de instructie onmiddellijk terugroeping ten gevolge zal hebben, aan welke terugroeping zij hebben te voldoen” (Amersfoort 1948). *

Bos, F.L. (1950) Art. 53

Art. 53.

De dienaren des Woords Gods, en desgelijks de professoren in de theologie — ’t welk ook den anderen professoren en insgelijks den rectoren en schoolmeesters wel betaamt — zullen de drie Formulieren van enigheid der Nederlandse kerken ondertekenen, en de dienaren des Woords, die zulks refuseren (d.i. weigeren), zullen de facto (d.i. onmiddellijk na dat feit) in hun dienst door de kerkeraad of de classe geschorst worden, tot ter tijd toe, dat zij zich daarin geheel verklaard zullen hebben, en indien zij obstinatelijk in weigering blijven, zullen zij van hun dienst geheel afgesteld worden.

Opzettelijke binding aan de belijdenis der kerk is voornamelijk voor dienaren des Woords noodzakelijk. Volstond men eerst met een mondelinge verklaring van instemming, en daarna met een eenvoudige ondertekening: de practijk bewees de noodzakelijkheid van de omschrijving van de aard van die binding in een ondertekeningsformulier.

|197|

“Dat artikel zal niet alleen om de enigheid der leer, maar ook om de gezondheid derzelve te betuigen in ’t werk gesteld worden” (Rotterdam 1581).

“Is geordineerd, dat men een accuraat formulier van ondertekening stellen zal, waarnaar de kerkedienaars de confessie, catechismus en de synodale verklaring van de vijf artikelen der remonstranten ondertekenen zullen, om daarmede hun gezond gevoelen duidelijk te betuigen, en de verkeerde uitvluchten van sommigen omtrent de ondertekening te voorkomen” (Dordrecht 1618/19).

“Is geordineerd, dat ontworpen wonde een accuraat formulier van ondertekening der confessie, catechismus en synodale verklaring, waarmede alle kerkedienaren hun overeenstemming in de rechtgevoelende leer klaarlijk betuigen, en de uitvluchten van sommigen, waarmede zij de kerken plegen te bedriegen, voorkomen worden.” (Dordrecht 1618/19).

Het nog geldende Dordtse ondertekeningsformulier is aan de hand van verschillende toen reeds in gebruik zijnde formulieren opgesteld.

“Wij onderschreven bedienaren des goddelijken woords, ressorterende onder de classe van N.N., verklaren oprecht in goede conscientie voor den Heere, met deze onze ondertekening, dat wij van harte gevoelen en geloven, dat al de artikelen en stukken der leer in deze Confessie en Catechismus der gereformeerde Nederlandse kerken begrepen, mitsgaders de verklaring over enige punten der voorzeide leer in de nationale synode anno 1619 te Dordrecht gesteld, in alles met Gods woord overeenkomen.
Beloven derhalve dat wij de voorzeide leer naarstig zullen leren en getrouw voorstaan, zonder iets tegen dezelve, ’t zij openlijk of in ’t bijzonder (d.i. particulier), ’t zij direct of indirect te leren of te schrijven. Gelijk ook, dat wij niet alleen alle dwalingen daartegen strijdende, en met name ook die in de voorzeide synode veroordeeld zijn, verwerpen, maar ook zullen tegenstaan, wederleggen en helpen weren.
En indien het zou mogen gebeuren, dat wij na dezen enig bedenken of gevoelen tegen de voorzeide leer of enig punt derzelve kregen, beloven wij, dat wij hetzelve noch openlijk noch heimelijk zullen voorstellen, drijven, prediken of schrijven; maar dat wij hetzelve vooraf den kerkeraad, classe en synode zullen openbaren, om door dezelve geëxamineerd te worden (d.i. blijkens de Lat.

|198|

tekst: opdat hèt door dezelve onderzocht worde), bereid zijnde het oordeel derzelve altijd gewillig ons te onderwerpen; op straffe dat wij hiertegen doende ipso facto (d.i. wegens dat feit alleen al) van onze dienst zullen zijn gesuspendeerd (d.i. geschorst).
En indien te enige tijd de kerkeraad, classe of synode om gewichtige oorzaken van nadenken zouden mogen goedvinden, tot behoud van de enigheid en zuiverheid in de leer, van ons te vereisen ons nader gevoelen en verklaring over enig artikel van de voorzeide Confessie, Catechismus en synodale Verklaring, zo beloven wij ook mits dezen, dat wij daartoe te allen tijde bereid en willig zijn zullen op straffe als boven, behoudens het recht van appel in geval van bezwaarnis, gedurende welke tijd van appel wij ons naar de uitspraak en orde van de provinciale synode zullen reguleren” (Dordrecht 1618/ 19).

“Men zal zonder enige verklaring, exceptiën (d.i. voorbehouden) en bedingen de acte van ondertekening simpel onderschrijven zo als ze ligt, overmits niet alleen de Canones (d.i. Leerregels) zelf, maar ook de acte van ondertekening door de nationale synode is gesteld en het niet staat in het vermogen van een classe, ja particuliere synode, daarin dispensatie te geven” (Gouda 1620).

Ter verklaring van het ondertekeningsformulier zijn de volgende uitspraken van belang:
a. met betrekking tot het verbod om enig bedenken voor te stellen:

Tegenover het bezwaar, „dat alle conferentiën over enige dubia onder de profeten werden verboden”, rapporteerden de afgevaardigden naar de Dordtse synode op de particuliere synode van Goes 1620, „dat de mening der nationale synode geenszins was de apostolische regel (van) 1 Cor. 14: 32 te breken of te besnijden, maar alleen om de welige en kittelachtige geesten te breidelen, die onder ’t deksel van zulke conferentie zoeken aanhang te maken, gelijk de beroerde kerken wel hadden ondervonden” (Classis Zierikzee 1622).

b. met betrekking tot de plicht om zijn bedenken aan kerkeraad, classe en synode te openbaren:

Dezelfde afgevaardigden rapporteerden, „dat de woorden kerke(raad), classis en synode niet te verstaan zijn conjunctim (d.i. samenvoegenderwijs), alsof men met

|199|

alle en elk van die collegiën op die (volg)orde, zo die daar staat, zou moeten communiceren (d.i. in overleg treden) — dewijl het in de kerken ten platten lande met geen vrucht of stichting zou kunnen geschieden —, maar divisim (d.i. verdelenderwijs), dat is met het ene of ’t andere college, daar zulk een predikant de beste onderrichting over zijn dubia zoude mogen verwachten; ten ware dat hij ondervraagd werd over enig stuk der leer bij een van al die colleges; want in zulk een geval zou hij schuldig zijn rekenschap van zijn geloof te geven” (Classis Zierikzee 1622).

c. met betrekking tot de roeping om op verlangen van enige kerkelijke vergadering een nadere verklaring van gevoelen te geven:

“De kerken zullen vermaand worden, als de herders bij de onderschrijving van het bovengemelde formulier beloven zich bereid te stellen om hun mening van de punten des geloofs op de begeerte der broederen breder te verklaren, dat zulks niet te verstaan zij, alsof zij daartoe gehouden waren op eens iegelijks believen, opdat de rechtzinnige leraars niet tevergeefs (d.i. blijkens de Lat. tekst: lichtvaardig) voor suspect gehouden worden; maar dan eerst, als zij rechtvaardige oorzaak van suspicie zouden mogen gegeven hebben; waarvan het oordeel bij de kerkelijke vergadering bestaan zal” (Dordrecht 1618/19).

Vergelijk daartegenover:
“Zo te eniger tijd een de minste suspicie over een dienaar viel in enig stuk der leer, is het de ernstige vermaning der synode, dat de classe met zulken dienaar in haar vergadering van de stukken der leer zal handelen, opdat zij verzekering hebbe van zulken dienaar. En een dienaar, die in de leer rein is, zal geen zwarigheid hierin maken, en een, die zwarigheid mocht hebben, kan door dit middel uit onverstand geholpen worden” (Rotterdam 1581).

In het licht van de door de synode van Dordrecht zelf gegeven verklaring, gelijk ook de Latijnse tekst, die van gewichtige oorzaken van ‘suspicie’ (d.i. verdenkingen) spreekt, is de volgende exegese onhoudbaar:
“Onder de gewichtige oorzaken van nadenken, waarvan het ondertekeningsformulier spreekt, is naar het oordeel der synode niet meer te verstaan dan dat het nodig was om van iemand nadere verklaring van zijn gevoelen te eisen.
Het vragen van zulk een nadere verklaring wil volstrekt

|200|

niet zeggen, dat daaraan vooraf zou moeten gaan een suspectverklaring van den predikant, of zulk een sus-pectverklaring zou opgesloten liggen in de daad zelf, daar het ondertekeningsformulier hiervan met geen woord spreekt, zelfs het woord ‘verdenking’ met opzet is weggelaten en vervangen door ‘nadenken’, wat in het oud-Hollands een veel zachtere betekenis heeft, en er alleen staat, dat voor het vragen van zulk een nadere verklaring gewichtige oorzaken van nadenken moeten zijn, welke oorzaken evenzeer in de omstandigheden als in de uitlatingen van den predikant kunnen gelegen zijn” (Assen 1926).

“Elke kerkelijke vergadering, die volgens het ondertekeningsformulier van een dienaar des Woords een nadere verklaring van zijn gevoelen vraagt, mag dit doen in de vorm van hem bepaalde vragen te stellen, mag een schriftelijk of mondeling antwoord op deze vragen eisen, en heeft ook te beoordelen of de antwoorden op deze vragen voldoende zijn” (Assen 1926).

d. met betrekking tot het recht van schorsing en de eventuele opschorting daarvan bij appél:

“Aangaande het ..... de facto van hun dienst door de kerkeraad of de classis geschorst worden, verstaat de synode, dat het woordeke ‘of’ niet alzo moet genomen worden, alsof de schorsing der kerkedienaren stond aan de kerkeraad of de classe elk alleen en afzonderlijk, maar dat ze hun beide gezamenlijk toekomt” (Veere 1610).

“De kerkedienaren zullen dadelijk van hun dienst geschorst worden, van welke men bewijzen kan dat ze iets doen tegen hun ondertekening, en enige nieuwigheden of veranderingen tegen de gezonde leer, door hen ondertekend, invoeren willen” (Veere 1610).

“Op ’t gravamen, of een kerkedienaar, die vanwege onzuiverheid in de leer door de classe veroordeeld is van zijn dienst te zullen afstaan en hij over zodanige uitspraak op de synode is appellerende, intussen nog, totdat de synode daarover zal geoordeeld hebben, in zijn dienst zal voortgaan, of dat de classe inmiddels zijn plaats voorlopig zal bedienen, — antwoordt de synode, dat zodanig persoon, die om onzuiverheid der leer door de betreffende classe wettig tot afstand van zijn dienst veroordeeld is, van deze zijn dienst behoort afstand te doen onaangezien zijn appel dat hij daarover aan een meerdere vergadering zou mogen doen of alrede gedaan

|201|

hebben, overeenkomstig het besluit van de generale synode daarvan zijnde” (Hoorn 1608).

“De straf, waarvan in het ondertekeningsformulier gewag wordt gemaakt, wanneer een predikant weigert de gevorderde verklaring af te leggen, namelijk het de facto gesuspendeerd worden, treedt in geval van appel eerst in, wanneer de particuliere synode over zijn bezwaar uitspraak heeft gedaan en hij dan nog weigeren zou naar deze uitspraak van de particuliere synode zich te reguleren” (Assen 1926).

Naar analogie van het ondertekeningsformulier voor predikanten heeft de Dordtse synode ook ondertekeningsformulieren voor theologische professoren en onderwijzers opgesteld.
In verband met de veranderde verhouding tussen kerk en school is in 1905 de verplichting, die vroeger in zake de ondertekening door onderwijzers in de kerkorde werd uitgedrukt, door een uitspraak aangaande de wenselijkheid daarvan vervangen.
Het verdient aanbeveling, dat gereformeerde schoolverenigingen van het bestaande ondertekeningsformulier gebruik maken.

“Van de tekening van de belijdenis, catechismus en leerregels door de rectoren en schoolmeesters werd goedgevonden, dat zij volgens het formulier, daarvan gemaakt en hierachter gesteld, dezelve schriften behoren te tekenen, dewijl zij van meerder verstand en kennis behoren te zijn als de gemene lidmaten, en zij, onzuiver in de leer zijnde, de jonge jeugd lichtelijk kunnen infecteren” (Leiden 1619).

“Wij onderschreven rectoren en schoolmeesters van N.N. verklaren oprecht in goede conscientie voor den Heere met deze onze ondertekening, dat wij van harte gevoelen en geloven, dat al de artikelen en stukken der leer in deze belijdenis en catechismus der nederlandse gereformeerde kerken begrepen, mitsgaders de verklaring over enige punten der voorzeide leer in de nationale synode anno 1619 te Dordrecht gesteld, in alles met Gods Woord overeenkomen.
Beloven derhalve dat wij de voorzeide leer getrouwelijk zullen voorstaan, en de jeugd, naar eis van ons beroep en haar begrip, naarstig inscherpen; op straffe dat wij hiertegen doende, van onze schooldienst zullen ontzet wezen” (Dordrecht 1618/19).

Bos, F.L. (1950) Art. 54

|202|

Art. 54.

Insgelijks zullen ook de ouderlingen en diakenen, en degenen die door een classe als proponent worden toegelaten, de genoemde Formulieren van enigheid ondertekenen.

Hoewel de oude synoden op dit punt weifelden, is de gegroeide praktijk, dat ook ouderlingen en diakenen de belijdenisschriften bij hun ambtsaanvaarding ondertekenen, in 1905 in de kerkorde vastgelegd. Een algemeen formulier is daarvoor niet vastgesteld. Doorgaans wordt met eenvoudige ondertekening volstaan.

“… Op welke wijze de ouderlingen der kerken (de belijdenisschriften) onderschrijven zullen, zulks wordt gelaten ter discretie van elke classe en synode” (Dordrecht 1618/19).

“Hetzelfde (n.l. de ondertekening van het oude verbindingsformulier) zal in elke gemeente geschieden door de kerkeraadsleden, en zal in het vervolg van een iegelijken in den dienst tredenden ... ouderling en diaken gevorderd worden, opdat daardoor alle dubbelzinnigheid en dubbelhartigheid worde voorkomen” (Amsterdam 1836).

In zake het „voorstel ... om een formulier van ondertekening vast te stellen voor ouderlingen en diakenen”, besluit de synode: „aangezien de regeling dezer zaak aan de classen is overgelaten en door onderscheidene classen reeds is vastgesteld, is er geen reden voor de generale synode om een dergelijk formulier op te stellen” (Utrecht 1905).

Ofschoon de Dordtse synode van 1618 /19 zich daarover niet uitliet ging men er in de verschillende particuliere ressorten ook toe over, om proponenten voor hun publieke optreden schriftelijk aan de belijdenis te binden.
De bepaling, in 1905 in de kerkorde opgenomen, bevestigde een reeds eeuwen bestaande praktijk.
In verschillende particuliere ressorten was een formulier vastgesteld naar anologie van dat voor predikanten.

|203|

(Na de verklaring van instemming en de belofte om niets daartegen te leren:) „En indien het zou mogen gebeuren, dat wij na dezen enig bedenken of gevoelen tegen de voorzeide leer of enig punt derzelve zouden mogen krijgen, dat wij hetzelve noch openlijk noch heimelijk zullen leren of drijven, maar aan deze classe, onder dewelke wij praeparatoir geëxamineerd zijn, volkomen openbaren, en ons in dezen allen het oordeel en de censuur van de classe voorschreven zullen onderwerpen” (Gorinchem 1622).

„De synode verstaat dat tot overvloedige waarborg in de testimonia (d.i. getuigschriften) van het praeparatoir examen uitdrukkelijk van zodanige ondertekening zal worden melding gemaakt” (Brielle 1623).

Het zou gewenst zijn, dat ook de oude bepaling werd gehandhaafd, dat althans de ambtsdragers, bij welke de regering der kerk staat, ook uitdrukkelijk beloven zich naar de kerkorde te gedragen.

“Een ieder predikant zal zich verbonden houden om de kerkenordening met gelijke ondertekening te approberen” (’s-Gravenhage 1586).

“De ouderlingen en diakenen, in hun dienst bevestigd zijnde, zullen ... de artikelen der kerkorde onderschrijven” (Dordrecht 1574).

“Of de ouderlingen bij het begin van hun dienst de kerkenordening ook zullen ondertekenen?
Is geantwoord, dat zij in de kerkeraad beloven zullen, de kerk te helpen regeren naar de synodale artikelen, zolang zij door de synode niet veranderd worden. En deze hun belofte in het kerkeboek geschreven zijnde, is geen breder ondertekening nodig” (Middelburg 1581).

“Formulier van ondertekening belangende de kerkenordening voor de dienaren des goddelijken woords. Wij dienaren des woords hier onderschreven, verklaren met deze ondertekening, dat in deze kerkenordening niet(s) strijdig is tegen het woord Gods, maar dat alle en iedere stukken, daarin begrepen, oorbaar en nuttig zijn om in deze kerken onderhouden te worden, en beloven mits dezen heilig, dat wij ons zo openlijk als in ’t bijzonder naar dezelve zullen gedragen, op straffe van als ongeregelder gecensureerd (d.i. bestraft) te worden…” (Veere 1610).

Bos, F.L. (1950) Art. 55

|204|

Art. 55.

Tot wering van de valse leringen en dwalingen, die door ketterse geschriften zeer toenemen, zullen de dienaars en de ouderlingen de middelen gebruiken van lering, van wederlegging, van waarschuwing en van vermaning, zowel bij de dienst des woords als bij de christelijke onderwijzing en bij het huisbezoek.

Dit artikel is in 1905 in de plaats gekomen van het oude, onuitvoerbare en ongewenste artikel over de boekencensuur.

“Is overwogen, dat het aantal boeken en geschriften die thans worden uitgegeven, zeker tienmaal groter is dan in vorige eeuwen, en daaronder ook behoren dag- en weekbladen, wier uitgave onmogelijk is, wanneer zij tevoren aan kerkelijke censuur moeten onderworpen worden;
voorts, dat tot de uitoefening van zodanige censuur in iedere classe een genoegzaam aantal geschikte personen zou moeten aanwezig zijn, die voor hun veel omvattende arbeid ook de nodige tijd zouden moeten hebben;
uit welke overwegingen reeds volgt, dat thans uitvoering van art. 55 der kerkenordening wel onmogelijk zou zijn;
maar ook buitendien meent de synode dat de geschiedenis wel genoegzaam geleerd heeft, dat uit velerlei oorzaken bedoelde censuur niet doeltreffend is, en er vaak zelfs toe leidt, dat geschiedt, wat in de aanvang der 18e eeuw is voorgekomen, toen de Rotterdamse predikant J. Fruytier gecensureerd is wegens de uitgave van zijn nog altijd zeer gewaardeerd werk: „Sions worstelingen”, en terzelfder tijd het zeer ketterse werk „De hemel op aarde” van den Zwolsen predikant Van Leenhof met kerkelijke approbatie is uitgekomen.
Ook had in vroegere eeuwen de kerk, als zijnde de publieke kerk, bij haar pogingen tot wering van schadelijke boeken de hulp en de medewerking der overheid, waarop thans natuurlijk niet meer te rekenen valt;
en eindelijk hangt boekencensuur samen met beginselen en begrippen omtrent bestrijding van dwaling, die nog allerlei andere consequentiën zouden meebrengen en die niet op de Schrift gegrond zijn.
Dus spreekt de synode uit, dat het bedoelde middel thans niet uitvoerbaar noch ook nuttig is” (Leeuwarden 1890).

“De synode verbindt niemand om, wanneer hij iets wil

|205|

laten drukken, zijn werk aan de kerkelijke approbatie te moeten onderwerpen, daar het toch aan de kerkbesturen is en blijft opgedragen, om voor de zuiverheid der leer te waken” (Amsterdam 1866).

Voorzichtige vermaning van de gemeente is van groot belang.

“De broeders achten dat tot uitroeiing van valse leer en dwalingen, die door het lezen van ketterse boeken meer en meer toenemen, deze navolgende middelen gevolgd behoren te worden:
Ten eerste zullen de dienaars van de predikstoel ’t volk tot lezing der bijbelse Schriftuur vermanen en van ongezonde ketterse boeken afmanen, doch de namen der boeken spaarzaam noemende.
Ten tweede zullen de boekverkopers, die de reine leer toegedaan zijn, door de dienaren vermaand worden; dat zij zulke boeken niet drukken noch verkopen.
Ten derde zullen de dienaars op de huisbezoeken bij de lidmaten der gemeente toezien of in hun huizen enige schadelijke boeken zijn, opdat zij hen vermanen mogen zulke boeken weg te doen” (Dordrecht 1574).

“Het derde punt ... (zie boven) wordt door de broederen alzo verklaard, namelijk zo de kerkedienaars enige ketterse boeken bij iemand der broederen van de gemeente bij geval in handen krijgen, zo zullen zij in de samenspreking met die broeder toezien of hij niet zodanige ketterij toegedaan is, en naar aanleiding daarvan over die ketterijen spreken en handelen en de schadelijkheid derzelve aanwijzen, mede aanwijzende dat het lezen der goedgekeurde en aangenomen boeken nuttiger en zaliger is. Maar te vragen en te onderzoeken of de broeders zodanige schadelijke boeken meer ergens verstoken hebben is niet raadzaam, opdat hun lust daardoor niet des te meer en meer verwekt en ontstoken worde om zodanige te zoeken en te lezen. Maar zo er vermoeden is dat zij ze hebben, zo zullen zij over de dwalingen spreken en hun valsheid met Gods woord bewijzen” (Rotterdam 1575).

Bos, F.L. (1950) Art. 56

Art. 56.

Het verbond Gods zal aan de kinderen der christenen met de doop, zo haast als enen de bediening deszelven hebben kan, verzegeld worden, en dat in openbare verzameling, wanneer Gods woord gepredikt wordt.

|206|

De doopsbediening is een ambtelijke handeling in de naam van Christus door den dienaar de woords.

“Niemand betwijfelt, dat de sacramenten, omdat zij door een ondeelbare band verbonden zijn aan de bediening des woords, behoren tot het ambt der dienaren. Waarom wij van oordeel zijn, dat de doop door geen ander dan een dienaar des woords met recht kan worden verricht” (Wezel 1568).

“Of men de doop aan waarde houden zal die door een privaat persoon of ook door een ouderling bediend is? Antwoord: neen. Intussen, zo het geschiedde, dat een ouderling door een kerk of een deel daarvan daartoe verzocht zijnde de doop bediende, zo zal men wel die doop niet herhalen, om dieswille dat hij enige forme (d.i. manier) van beroeping heeft. En (dat) is nochtans niet te prijzen noch na te volgen” (Dordrecht 1578).

De erkenning van de doop buiten eigen kerkverband bediend is afhankelijk van de kring waarin, de waarop, de formule waarmee en de bevoegdheid van de persoon waardoor de doop bediend is.

“Waarvoor men de doop van zwervende priesters houden zal?
Is geantwoord: Dewijl zodanige pastoren en kapelanen, hoewel zij op hun plaatsen niet zijn, alsnog beroeping hebben van de Roomse kerk en niet geheel voor private personen gehouden kunnen worden, zo zal de doop door hen bediend in zoverre gelden, dat hij niet weder herhaald behoeft te worden. Maar de doop door monniken en ook door degenen die men in ’t pausdom diakenen of subdiakenen noemt, geschied, zonder daartoe autorisatie te hebben, is van nul en onwaarde te houden. En hiervan zal een iegelijk zijn classe waarschuwen” (Middelburg 1581).

“Men zal de doop der papen, die in deze landen omzwerven, en der Mennonieten niet onbedachtzaam herhalen, maar naarstelijk onderstaan of zij de form (d.i. manier) en substantiële dingen van de doop 1) onderhouden; hetwelk bevonden zijnde door hen te geschieden, zal de doop geenszins mogen herhaald worden.
En insgelijks zal men oordelen van de doop die bediend is door een geëxcommuniceerd dienaar, zo hij enige regelmatige beroeping van enige vergadering heeft.

|207|

Naar welke alle dingen de kerken naarstig onderzoek zullen doen en daarop letten” (Dordrecht 1618/19).

1) Bedoeld is het dopen met water en in de naam van den drieënigen God.

“Indien het voor de wettige kerkbesturen blijkt, dat de doop niet bediend is in de naam van den drieënigen God, zal zulk een doop voor geen doop gehouden worden” (Amsterdam 1866).

“De synode besluit dat de doop van genootschappen of verenigingen, die formeel met de belijdenis van het trinitarische geloof gebroken hebben, niet kan erkend worden. Doch dat overigens ... personen, die hetzij als kinderen, hetzij als volwassenen, de doop ontvangen hebben buiten de christelijke gereformeerde kerk, zo zij tot haar overkomen, als gedoopten zijn te beschouwen, in geval zij gedoopt zijn in of vanwege een vergadering van christenen, door een door zulk een vergadering geroepen en erkend dienaar des woords, met water, en in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes” (Zwolle 1882).

“De synode bepaalt, dat de doop van genootschappen, verenigingen of personen, die formeel met het trinitarisch geloof gebroken hebben en deze breuke ook feitelijk doen uitkomen zo dikwijls hun een kind ten doop gepresenteerd wordt, niet meer als doop erkend kan worden. Doch overigens erkent zij iedere doop, hetzij aan kinderen of bejaarden bediend, in geval deze gedoopt zijn in of van wege een kring van christenen, door een door zulk een kring geroepen en erkend dienaar des woords, en in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes” (Groningen 1899).

“De synode spreekt uit, dat de kerkeraad de doop, die in de kring der Darbisten bediend is, had behoren te erkennen, omdat, al is de leer der Darbisten aangaande het ambt niet in overeenstemming met de Heilige Schrift, toch de persoon, die bij hen de doop bedient, dit niet willekeurig doet als particulier persoon, maar op gezag van de kring der christenen die hem daartoe aangewezen heeft” (Arnhem 1930).

De doop behoort plaats te vinden bij de openbare bediening des woords.

“De doop zal bediend worden nergens anders noch op enige andere wijze dan in de samenkomst der gemeente bij prediking en catechismus.
Behalve dat het misschien bij het begin van de geboorte der kerk noodzakelijk zou zijn om rekening te houden

|208|

met sommige zwakken, en ter wille van hen om ergernis te vermijden kinderen, die door ziekte worden geplaagd thuis te dopen. Hetzelve wordt echter niet toegestaan, dan in tegenwoordigheid van tenminste vier of vijf gelovigen” (Wezel 1568).

“Men zal de doop niet toedienen dan alleen in de openbare samenkomsten der gemeente bij de verkondiging van het goddelijk woord” (Dordrecht 1574).

“Geen dienaars zullen vermogen op iemands begeerte, van welke kwaliteit hij ook zij, de heilige doop buiten de gewone tijd en plaats te bedienen” (Tholen 1602).

“De synode, gevraagd zijnde of men in de kerken onder ’t kruis de kinderen zoude mogen dopen zonder voorgaande predikatie, alleen voorlezende ’t formulier van de doop, en dat in tegenwoordigheid van de ouderlingen en getuigen, — heeft de vergadering geantwoord dat zij het toestaat” (Schiedam 1602).

“Men zal de doop aan zieke kinderen of kranken buiten de vergadering der kerk niet bedienen dan in zeer grote nood, en dat met voorweten en in tegenwoordigheid van de kerkeraad: ook niet aan veroordeelde misdadigers dan met goed advies van de gedeputeerden van de classe” (Dordrecht 1618/19).

“Gevraagd zijnde, of men in geval van noodzakelijkheid de kinderen mag dopen buiten de gewone tijd en plaats, is door de vergadering geantwoord, dat alle kerken zich hebben te gedragen naar art. 56 der kerkenordening” (Gorinchem 1622).

“Dat de jonge zieke kinderen niet dan met een voorgaande vermaning in de kerken en niet in de huizen mogen gedoopt worden” (Overijssel 1639).

“De bediening des H. Doops zal, zoveel mogelijk, in de openbare bijeenkomsten der gemeente geschieden” (Huish. Regl. 1839).

De doop zal geschieden, zo haast men de bediening deszelven hebben kan.

“Het verbond Gods zal aan de kinderen, zo haast als men de doop christelijk bekomen kan, met de doop verzegeld worden, tenzij dat er enige gewichtige reden zij om de doop een tijdlang uit te stellen, waarover de kerkeraad oordelen zal. Maar de geneigdheid van de ouders, die de doop van hun kinderen begeren uit te stellen tot de tijd dat de moeders zelf hun kinderen presenteren, of op de getuigen lang wachten, achten de broeders geen

|209|

wettige reden om de doop uit te stellen te zijn” (Dordrecht 1574).

“In de zaken welke hier (zie boven) eigenlijk gespecificeerd worden onwettig te zijn om de doop uit te stellen, zuilen de dienaars verstandig en wijs toezien, dat zij niet te hard dringen op datgene, wat zonder gevaar kan voorbijgegaan en nagelaten worden” (Rotterdam 1575).

“Betreffende het gravamen, dat vele kinderen, inzonderheid ten platten lande, lange tijd ongedoopt blijven, somtijds jaren en dagen, door onachtzaamheid der ouders, die ook hetzelve wel doen om der wille van de kinderbieren 1), waar zij op wachten, gelijk daarover ook voor dezen ... ter synode is geklaagd en uitspraak gedaan, verstaat de tegenwoordige synode, dat de predikanten door publieke en private vermaningen hun plicht bij de ouders in alle naarstigheid zullen doen, en zulks — alzo enigen derzelve alleen ter predikatie komen, enigen ook ten heiligen avondmaal gaan, sommigen geen van beide doen — naar gelegenheid der personen op het allerstichtelijkste” (Zutfen 1620).

1) Doopfeesten, waarop veel bier gedronken werd.

“De synode, overwegende, dat volgens art. 56 K.O. de H. doop zo spoedig dit kan aan de kinderen der gelovigen moet bediend worden, dat bij de toepassing van deze regel de kerkeraad met prudentie (d.i. wijsheid) heeft op te treden, spreekt als haar gevoelen uit, dat, wanneer de moeder bij de bediening van de doop tegenwoordig is er geen reden is, haar in de derde doopvraag niet te noemen” (Arnhem 1902).

De doop behoort te worden toegediend aan kinderen van gedoopten, welker christelijke opvoeding gewaarborgd is.

“Het beste en allerzekerste is, geen kinderen tot de doop toe te laten of te ontvangen, dan van welke de vaders lidmaten van het lichaam der kerk zijn, en voorwaar dat is de ordinaire regel, die men in deze zaak behoort te gebruiken.
Nochtans om te grote gestrengheid in deze zaak te matigen, zo moet men altijd hierop acht geven, dat Gods verbond zich uitstrekt tot in het duizendste geslacht, niet om alzo overhoop allerlei kinderen die men ten doop presenteert te ontvangen, onder het deksel dat de voorouders daarvan van over duizend jaren geleden christenen zijn geweest, maar wel om door een goed en

|210|

behoorlijk middel tot de kerk wederom aan te nemen ’tgene wat daarvan vervreemd is geweest...…
Behalve dat de peters en meters, of de doopgetuigen zich verbinden zich getrouw van hun ambt en plicht te kwijten; ook verzekeren en betuigen, dat zij van de ouders volle last en bewilliging hebben van alzulks te doen; want dat is even zoveel alsof de vaders der voorzeide kinderen hun vaderlijk recht van handelen te buiten gegaan en overgegeven hadden in handen van de voorzeide peters en meters.
Maar zo daar enig persoon is, die van het evangelie gans niet weet en daarin geheel onverstandig is, zo willen wij iemand niet raden het kind van een dergelijk persoon tot de doop aan te nemen zonder dien persoon te doen beloven eerst en vooral, dat hij gedogen zal, dat zijn kind door de peters en meters te zijner tijd zal onderwezen en geleerd worden in de zuivere lering van het evangelie, en dat hij door zijn vaderlijke autoriteit en macht hetzelve kind nu noch immermeer zal dwingen of daartoe brengen, dat het wederom zal komen of gebracht worden tot de bijgelovigheden van het pausdom, maar dat hij het kind veel meer zal vrijheid geven te leven naar de lering van het evangelie, waarin het is onderwezen…” (Aangenomen advies van Genéve; Emden 1571).

“Gods verbond kan door de goddeloosheid of ongehoorzaamheid van de ouders niet gebroken worden” (Hoorn 1573).

“Of degenen die ordelijk naar de regel van Christus uitgebannen zijn en met hen de kinderen, die ze winnen gedurende de excommunicatie, uit het verbond zijn? 
Is geantwoord: Neen” (Middelburg 1581).

“Op de vraag, of men de kinderen der afgesnedenen van de gemeente dopen mag,
Is geantwoord: Ja, met conditie dat men de gevaders (d.i. getuigen) vaster in de belofte van de kinderen getrouwelijk te onderwijzen, verbinde” (Dordrecht 1574).

“Of men allerlei mensen kinderen, als van hoereerders, afgesnedenen, papisten en andere dergelijken, zonder onderscheid dopen zal?
Antwoord: Overmits de doop den kinderen die in het verbond staan, toekomt, en het gewis is, dat deze kinderen buiten het verbond niet zijn, zo zal men ze van de doop niet weren. Alzo nochtans, dat ze op behoorlijke wijze gedoopt worden en door dezulken gepresenteerd, die op de vragen in het formulier van de doop begrepen, antwoorden en de leer toestaan” (Dordrecht 1578).

“Zolang iemand niet van de gemeente Christi is

|211|

afgesneden, heeft hij ook recht, de tekenen en zegelen van het genadeverbond voor zich en zijn zaad te ontvangen; tenzij dan, dat hij door de raad der kerk voor een tijdlang onder censuur is gesteld. Met dien verstande echter, dat de censuur wel op den persoon, maar niet op zijn zaad betrekking heeft” (K.O. van 1837).

“Of men kinderen mag dopen van zulke ouders, die geexcommuniceerd zijn en welke kinderen na die excommunicatie gewonnen zijn?
Zodanige kinderen zullen gedoopt worden, indien de grootouders of wettige doopgetuigen zich met het opzicht over de opvoeding willen belasten en ze geheel voor hun rekening nemen” (Hoogeveen 1860).

“Naar aanleiding van een concreet geval, of een kind, in onecht geboren uit een geëxcommuniceerde moeder, maar door leden der gemeente als hun kind aangenomen, mag gedoopt worden, spreekt de synode uit, dat deze vraag in het algemeen ontkennend moet beantwoord worden; dat er echter bijzondere omstandigheden kunnen zijn, waarin een andere regel moet worden toegepast; en dat in ieder geval de doop die bediend is, niet ongedaan gemaakt kan worden; en dat dus een kind, onder omstandigheden als bovengenoemd gedoopt, niet hierom van de gemeenschap der kerk mag worden uitgesloten” (Utrecht 1905).

“Of de doop mag bediend worden aan kinderen, wier ouders niet, maar wier grootouders, of een van beide, leden der gemeente zijn?
Dat zodanige kinderen gedoopt zullen worden, indien de grootouders zich met het opzicht over de opvoeding willen belasten” (Amsterdam 1849; Zwolle 1854).

“Of de kinderen moeten gedoopt worden, wanneer hun ouders wel door de doop bij de gemeente erkend zijn, maar geen belijdenis hebben afgelegd?
Dat ook die kinderen gedoopt zullen worden” (Amsterdam 1849; Zwolle 1854).

“Dat de kinderen van zulke ouders, die nog leden der kerk zijn, beschouwd worden als te behoren tot het zaad der kerk, en dat deze derhalve recht op de doop hebben” (Amsterdam 1908).

“Voor de kerk moet allereerst vaststaan, dat het kind dat gedoopt zal worden, geboren is in de kring des verbonds. Wanneer een kind geboren is uit ouders die door de doop in de gemeente des Heeren zijn ingelijfd en die niet wegens onchristelijke leer of leven buiten de gemeente zijn gesloten, dan heeft dat kind recht op de

|212|

doop.
Maar in de tweede plaats moet de kerk waarborg hebben, dat het kind dat gedoopt zal worden, in de christelijke leer zal worden opgevoed. Twijfelt de kerk daaraan, omdat de ouders onchristelijk zijn in de leer, dan zou zij een kind van zulke ouders niet mogen dopen. Indien de ouders het niet eens zijn met de leer der kerk, of geheel van de kerk vervreemd zijn, dan is er geen waarborg voor de christelijke opvoeding. Dit geldt ook voor de doopleden, die geheel vervreemd van de kerk leven en dus uit de kerk moeten gebannen worden.
Maar geheel anders staat het met zulke doopleden, die christelijk leven en volstrekt geen bezwaar hebben tegen de christelijke belijdenis, die trouw met de gemeente meeleven, maar die geen recht inzicht hebben in de leer des verbonds en die bezwaar hebben om toe te gaan tot het heilig avondmaal. Tegen de zodanigen mag de kerkeraad niet hard optreden door de doop van hun kind te weigeren...…
Al moge het doel uitstekend zijn, om de ouders tot gehoorzaamheid aan te sporen..., deze goede bedoeling mag niet leiden tot het toepassen van een tuchtmiddel, dat in Gods woord niet gegrond is en dat onze belijdenis niet kent. Met nadruk wordt in het doopformulier uitgesproken, dat wij moeten geloven, dat onze kinderen in Christus geheiligd zijn, en onze catechismus leert, dat de jonge kinderen alzowel als de volwassenen in het verbond Gods en in zijn gemeente begrepen zijn.
Om die reden mag de kerk aan de kinderen van gedoopte leden die nog tot haar behoren, niet de doop, waarop zij recht hebben, onthouden ter oorzake van de ontrouw der ouders…” (In de acta opgenomen advies; Arnhem 1930).

Kinderen van ongedoopten en in christelijke gezinnen opgenomen heidenkinderen kunnen niet gedoopt worden.

“Is goedgevonden, dat men geen kinderen zal dopen, ten zij men verzekerd zij, dat het kinderen des verbonds zijn; en om hiervan kennis te bekomen werd gesteld in de discretie van iedere kerk, om hierin te volgen de stichtelijkste voet” (Gouda 1620).

“In hoeverre en op welke wijze kan men uit kracht der verbondsbelofte aan kinderen van ouders die ongedoopt blijven, de H. doop bedienen?
Is geantwoord: dat wanneer ouders, die zelve geen van beiden gedoopt zijn, en dus ook niet als christenen kunnen

|213|

erkend worden, hun kinderen ten doop presenteren, van zulke doop de verantwoordelijkheid niet kan worden gedragen.
Dit is ook reeds uitgesproken in art. 56 der kerkenordening met de woorden: Het verbond Gods zal aan de kinderen der christenen met de doop verzegeld worden; welke uitdrukking nader verklaard wordt door de redactie van 1581, waar zij in art. 39 aldus luidt: Het verbond Gods zal aan de kinderen der gedoopte christenen bezegeld worden.
Daar in het geval, waarop de vraag doelt, de ouders blijkbaar op de christelijke naam enige prijs stellen, geeft dit natuurlijk aan de kerkeraad goede aanleiding om de ouders christelijk te vermanen, te onderwijzen en op te wekken, om allereerst voor zichzelven de christelijke doop te begeren” (Leeuwarden 1890).

“Van de kinderen der heidenen, dewelke of vanwege hun jonkheid of gebrek van de taal te verstaan niet door de christenen hebben kunnen onderwezen worden, hoewel ze door aanneming zouden mogen ingelijfd worden in de gezinnen der christenen, is ook met de meeste stemmen geoordeeld geweest, dat zij niet behoren gedoopt te worden eer zij tot die jaren gekomen zijn, dat zij in de eerste beginselen der christelijke religie naar hun begrip kunnen onderwezen worden, en zulks ook metterdaad geschied is. En dat ook bekwame getuigen beloven naarstigheid te doen, dat zij dezelve in het christengeloof verder en nader onderwijzen zullen, en niet zullen toelaten, zoveel in hen is, dat zij van de gezinnen of gemeenschap der christenen wederom vervreemd zullen worden” (Dordrecht 1618/19).

“Geantwoord werd echter, nadat de zaak overwogen was, dat zij (n.l. die heidenkinderen) niet zijn te dopen, eerdat zij het christelijk geloof verstaan en het belijden. Immers beide ouders zijn onheilig (vgl. 1 Cor. 7: 14), buiten het verbond, zonder beloften. Ook heeft de Heere Jezus bevolen, dat de apostelen dezulken eerst zouden onderwijzen en daarna dopen; aan welk bevel de apostelen en de gehele oude apostolische kerk, hetgeen alleen reeds de orde der catechumenten overtuigend bewijst, steeds hebben gehoorzaamd” (Acta contracta; Dordrecht 1618/19).

De leeftijdsgrens voor de kinderdoop hangt af van de ontwikkeling.
Als een kind tot rekenschap van zijn geloof in staat kan zijn, mag het niet meer als een onmondig kind gedoopt worden.

|214|

Ook mag het niet gedoopt worden, als er onverschilligheid en afkerigheid aan de dag treedt.

“Is gevraagd tot welke ouderdom men kinderen met het doopsformulier voor kinderen mag dopen.
De vergadering laat deze zaak aan den leraar en de kerkeraad over, dewijl ontwikkeling zowel als jaren in aanmerking moeten komen” (Leiden 1857).

“Er is een vraag voorgesteld, hoe men doen zoude met kinderen van 7 of 8 jaren die niet gedoopt zijn, in zake hun doop.
En er is geantwoord, dat de ouders zullen present verschijnen bij de doop, en dat de dienaar des woords voor de gemeente betuigen zal dat het onbehoorlijk is dat de kinderen zolang van de doop zijn opgehouden, en dat hij, waar het stichtelijk geschieden kan, zal handelen met afvraging van het onze vader, de tien geboden, ’t geloof (nl. de twaalf artikelen) en (de betekenis) van de doop, doch alzo dat dit in de vrijheid der kerken gesteld worde” (Rotterdam 1586; Leiden 1592).

“Op de vraag of men kinderen van 12, 13 of 14 jaren mag dopen zonder enige belijdenis des geloofs, is besloten, dat het stichtelijk zal zijn, dat ze voor de doop aldaar opzeggen de apostolische geloofsbelijdenis en het onze vader enz.” (Leeuwarden 1592).

Bos, F.L. (1950) Art. 57

Art. 57.

De dienaars zullen hun best doen en daartoe arbeiden, dat de vader zijn kind ten doop presentere. En in de gemeenten, waar men nevens den vader ook gevaders of getuigen bij de doop neemt — welk gebruik, in zichzelf vrij zijnde, niet lichtelijk te veranderen is —, betaamt het dat men neme die de zuivere leer toegedaan en vroom van wandel zijn.

Het is wenselijk, dat vóór de doop met de ouders gesproken wordt over de betekenis van de doop en hun roeping ten aanzien van de opvoeding van het kind.

“Men zal de ouders van de preekstoel bidden en ernstig op verscheiden tijden vermanen, dat, aleer zij hun kinderen ten doop zenden, zij zelve bij den dienaar verschijnen of den dienaar bij zich roepen, opdat zij ten eerste de lering en vermaning van de doop mochten ontvangen.

|215|

Ten tweede, dat men hun alzo de zorg voor het kind zelf oplegt en hen tot godzalige opvoeding daarvan verbindt” (Edam 1572).

“Zij die het bondszegel van de heilige doop wensen te ontvangen of aan hun jonge kinderen te doen bedienen, zullen zich daartoe vooraf aanmelden in de gewone kerkeraadsvergaderingen, ten einde de opzieners in staat zijn om zodanig onderzoek te doen als zij noodzakelijk zullen oordelen” (Huish. regl. 1839).

De ouders — althans de vaders — behoren zelf bij de doop van hun kinderen tegenwoordig te zijn, voornamelijk om daarbij officieel de door de kerk gevorderde waarborgen voor de christelijke opvoeding te geven.

“Men zal den vader — of de moeder, zo zij oud genoeg is en bekwaam om te verschijnen — bidden, dat zij zelve getuigen van de heilige doop aan hun kinderen bediend, willen zijn” (Edam 1572).

“Het is behoorlijk, dat de ouders zullen tegenwoordig zijn bij de doop van hun kinderen” (Rotterdam 1575).

“De vader van het kind dat te dopen is, zal inzonderheid bij de doop wezen, ten ware hij een gewichtige oorzaak voor zijn afwezigheid had, — opdat hij voor zijn kind bidde en het den Heere opdrage, en belove te doen hetgeen hem door den kerkedienaar voorgehouden wordt naar het formulier voor de bediening van de doop gesteld” (Dordrecht 1578).

Waar deze waarborgen door de ouders niet kunnen worden gegeven, moeten getuigen in hun plaats treden om de vereiste verklaring en belofte af te leggen.

“Worden er bij de bediening van de heilige doop aan kinderen van ouders, die niet tot het heilig avondmaal zijn toegelaten, getuigen vereist?
Het optreden van getuigen is raadzaam te achten” (’s-Gravenhage 1891).

“In zake de doop van kinderen van doopleden besluit de synode, ... dat de stipulatiën, welke de kerk bij de doop der kinderen verlangt en moet verlangen als waarborg voor de christelijke opvoeding, niet met de ouders kunnen worden aangegaan, wijl deze zelf nog verzuimen door eigen belijdenis van hun geloof te doen blijken — ten gevolge waarvan zij nog niet tot de volle gemeenschap zijn gekomen. In zulke gevallen blijft er bij gevolg

|216|

niets anders over dan om, liefst uit de kring der familie, één of meer getuigen te vorderen, die naar het oordeel van de kerkeraad voldoende waarborg geven, dat de opvoeding van zulke kinderen beantwoorden zal aan de eis des verbonds” (Amsterdam 1908).

“In zake het ongedoopt blijven van vele kinderen des verbonds besluit de synode:
1. bij de kerkeraden er op aan te dringen, dat zij zich houden aan de bepaling der generale synode van 1908;
2. uit te spreken, dat, wanneer de ouders geen doopgetuigen kunnen stellen, de kerkeraad zo mogelijk een lid der gemeente als getuige doe optreden, opdat het kind niet ongedoopt blijve;
3. aan de classen op te dragen ernstig toe te zien, dat deze bepalingen getrouw worden nageleefd” 1) (Arnhem 1930).

1) „In verband met de gebezigde uitdrukking „zo mogelijk”, zij er op gewezen, dat deze toevoeging, natuurlijk niet bedoelt de zaak enigszins twijfelachtig te maken. Ze is slechts een uiting van voorzichtigheid ...; want als iets niet mogelijk is, neemt alle voorschrijven en aanbevelen een eind. De bedoeling van het Arnhemse besluit is zeer zeker nadrukkelijk, den kerkeraden aan te bevelen, dat zij, wanneer de ouders het niet kunnen of willen, zelf een doopgetuige stellen” (rapport Middelburg 1933).

“In een enkele kerk bestaat de gewoonte om in gevallen, waarin doopgetuigen optreden, van de ouders een schriftelijke verklaring te vragen, waarin deze beloven zich in alles te gedragen naar de maatregelen die de doopgetuige meent te moeten nemen voor de gereformeerde opvoeding van het gedoopte kind.
Uw commissie beveelt deze gedragslijn bij de kerken aan, doch acht het niet noodzakelijk deze aanbeveling in de conclusies op te nemen” (rapport Arnhem 1930).

“In zake de doop van kinderen van doopleden spreekt de synode, handhavende het besluit van de synode van Arnhem 1930, uit, dat de kerkeraden naarstig zullen arbeiden opdat niet anders dan bij hoge uitzondering van doopgetuigen behoeft te worden gebruik gemaakt; maar dat, waar het niet komen tot belijdenis des geloofs van de ouders zulks nodig doet zijn, niet worde nagelaten doopgetuigen te zoeken, opdat het kind niet ongedoopt blijve” (Middelburg 1933).

Wie het kind ten doop heft, is een geheel onverschillige zaak.

“Met betrekking tot een protest tegen een provinciaal

|217|

besluit, dat een moeder, die geen lid der gemeente is, haar kind bij de doop niet ten doop mag heffen, oordeelt de synode, dat zij het in de vrijheid der gemeenten behoort te laten om overeenkomstig het bestaande plaatselijk gebruik en zoals het meest tot stichting der gemeente kan dienen, in de doopheffing te handelen, dewijl het tot de eigenlijke doopsbediening niet afdoet” (Franeker 1863).

“Deputaten, oordelend, dat deze onbelangrijke vraag uitsluitend zaak der betrokken personen is en zelfs niet eenmaal — met het oog op art. 30 K.O. in het begin — die der kerkeraden, stellen voor, op grond van genoemd art. 30, dat men zich van elke bepaling in deze onthoude”  (rapport Dordrecht 1893).

Bos, F.L. (1950) Art. 58

Art. 58.

De dienaars zullen in het dopen, zo der jonge kinderen als der bejaarde personen, de formulieren van de instelling en het gebruik des doops, welke tot dien einde onderscheidenlijk beschreven zijn, gebruiken.

Deze bepaling werd op de synode van Dordrecht 1618/19 gehandhaafd als antwoord op de niet zonder reden gestelde vraag:

“Of men niet behoort eenparigheid te houden in ’t voorstellen van het ganse formulier van de kinderdoop”.

Daarom geeft reeds te veel vrijheid het volgende besluit:

“(Op de vraag), of de mening van de synode aangaande het gebruik of oplezen van het formulier van de bediening van de heilige doop is, dat alles stipt van het begin tot het einde, zonder verandering zal worden gelezen, — heeft de vergadering nader gedelibereerd hebbende, verstaan de mening deze te zijn, dat wel niemand zal preciselijk daartoe worden gehouden om altijd het gehele formulier van voren tot achteren te lezen, maar dat vrijheid zal blijven om naar gewoonte enige uitweidingen over te slaan; doch dat niemand zich zal mogen aanmatigen, enige eigen uitweidingen of uitdrukkingen, die in het vastgestelde formulier niet te vinden zijn, daarbij te voegen, zullende dit voor het toekomende de respectieve classen en hun visitatoren ernstig worden aanbevolen” (Gouda 1679).

Bos, F.L. (1950) Art. 59

|218|

Art. 59.

De bejaarden worden door de doop de christelijke gemeente ingelijfd en voor lidmaten der gemeente aangenomen, en zijn daarom schuldig het avondmaal des Heeren ook te gebruiken, ’twelk zij bij hun doop zullen beloven te doen.

Degenen die niet in hun jeugd gedoopt zijn of daaromtrent geen wetenschap kunnen bekomen, mogen gedoopt worden als zij tot onderscheid van jaren komen.

“Of men een persoon, in zijn gemoed daartoe gedreven zijnde, mag dopen, overmits hij vermoedt niet gedoopt te zijn…?
Is geantwoord, dat men alle mogelijke middelen zal aanwenden om informatie der zaak te nemen om tot de rechte waarheid te komen; maar bijaldien niet anders uit de omstandigheden kan afgeleid worden dan dat hij niet gedoopt is, zo zal men hem dopen” (Amsterdam 1595).

“Alzo zekere godvruchtige jonge dochter ... in bedenken gevallen is of zij ook mocht gedoopt zijn, en na alle plichtplegingen en naarstig onderzoek geen zekerheid heeft kunnen gevonden worden of zij gedoopt is, maar eer het tegendeel, weshalve de gemelde dochter dringend verzoekt tot haar geruststelling gedoopt te mogen worden…, is verstaan, dat men na naarstig onderzoek van alles niet kunnende vernemen dat deze dochter gedoopt is, haar de heilige doop niet zal weigeren; want ’tgene men niet weet te zijn gedaan, mag geenszins heten herdaan” (Gouda 1640).

Voor de volwassendoop is geestelijk onderscheidingsvermogen noodzakelijk.

“Zullen geen oude volwassene personen gedoopt worden, welke geheel onbekwaam zijn tot het avondmaal des Heeren te gaan en datzelve te genieten” (Leeuwarden 1598; Bolsward 1608).

“Werd gevraagd, of men zoude mogen dopen een geheel simpel persoon, die zonder enig verstand is, zijnde van menniste ouders en nu al veertig jaren oud, op het verzoek van zijn broeder die gereformeerd is? Indien ja, op welke wijze en naar welk formulier zulks zal geschieden?

|219|

Is door deze christelijke synode om vele redenen goed gevonden en verstaan dat de classe..., bijzonder de predikant te X., alwaar het geval zich voordoet, zich nader daaromtrent zal informeren, en den broeder na bericht van de gelegenheid des heiligen doops zal zoeken te bewegen om van zijn verzoek afstand te doen…
De broeders van de classe ... rapporteren, dat de broeder aangaande de doop zodanig was onderricht, dat hij zijn verzoek had laten varen; en hiermede is dit afgedaan” (Dordrecht 1666; Delft 1667).

“Wanneer degenen die tot hun verstandige jaren gekomen, verzekerd zijn en kunnen doen blijken, dat zij door verzuim of door een andere gezindheid van hun ouders nog ongedoopt zijn, (en) de heilige doop begeren te ontvangen, zo zullen zij eerst door den dienaar des woords onderwezen worden in de voornaamste hoofdstukken der christelijke godsdienst, die alle christenen te weten van node zijn tot hun zaligheid, alzo dat zij daarvan rekenschap weten te geven en te beantwoorden ’tgene hun dienaangaande gevraagd wordt, als namelijk van den enen waren God: Vader, Zoon en H. Geest, van de schepping der wereld en van het menselijk geslacht, van de val des mensen en de ellende die daaruit volgt, van de verlossing door Jezus Christus, van zijn menswording, lijden, sterven enz., van het geloof, van de heilige sacramenten enzovoort.
Aldus onderwezen zijnde, zullen zij alsdan met kennis van de kerkeraad tot de heilige doop toegelaten worden” (Bolsward 1608).

De band tussen volwassendoop en viering van het avondmaal behoort streng te worden vastgehouden.

“Overmits het somwijlen gebeurt, dat jongelieden van 15, 16 en 17 jaren, ongedoopt zijnde, verzoeken gedoopt te worden zonder nochtans te hebben enig fundament in ’t geloof en zonder te bewilligen om ten avondmaal te gaan, wordt gevraagd, of men zodanigen dopen zal of niet.
Waarover het besluit van de synode is: alhoewel de meeste stemmen der classen medebrengen, dat men niemand zal dopen dan die voorgaande beloften doen zich meteen ten avondmaal te begeven, is nochtans om zekere redenen en voorvallende omstandigheden die de synode heeft ingezien, goedgevonden, dat zulks door de gedeputeerden werd besproken met de synode van Zuidholland, opdat daarin bij provisie gelijkelijk mag worden beraamd naar behoren” (Amsterdam 1595).

|220|

“Op het voorstellen van de gedeputeerden van de Noordhollandse synode op last derzelve, te weten, of men jongelieden van 15, 16, 17 jaren, ongedoopt zijnde en zonder enig fundament in het geloof te lebben en zonder te bewilligen om ten avondmaal te gaan, de heilige doop verzoekende, zal mogen dopen, — is geantwoord: neen, alzo men acht dat hetzelve niet uit christelijke affectie maar om enig particulier inzicht verzocht wordt.
Maar op de verdere vraag, hoe men handelen zal met de voorzeide jongelieden, indien zij veel in ’t geloof naar hun gelegenheid tamelijk onderricht zijn, maar nog niet beloven zich tot het avondmaal te begeven, dat men zodanige behoort te vermanen en met goede redenen te onderwijzen, dat hun belijdenis die zij met de doop aannemen, ook medebrengt, dat zij zich ook tot de uiterlijke gemeenschap der kerk mits gaande ten avondmaal behoren te begeven, en hen alzo op alle manieren te zoeken daarin te bewilligen; maar indien zij uit scrupuleusheid of anderszins zich vooralsnog bezwaard vinden ’tzelve te beloven, daarvan niettemin goede hoop gevende, zal men denzelven evenwel de doop niet onthouden, mits naderhand dezelven onder goed opzicht houdende en ten avondmaal vermanende” (Gorinchem 1595).

“Wat de voljarigen aangaat, die zich tot de doop begeven, hiervan is besloten, dat dusdanige personen gehouden zijn zich ten avondmaal te begeven.
Doch dewijl men altemet wel moet geduld hebben ook met degenen die zich alrede ten avondmaal begeven hebben, zo zal men personen, die godzalig van leven zijn en het stuk van de doop beter verstaan dan de leer des avondmaals, wel mogen dopen, als zij beloven zich ten avondmaal te willen begeven” (Enkhuizen 1603).

“Betreffende hetgeen op de synode van Amsterdam anno 1595 was uitgesteld tot de nationale synode, (namelijk) hoe men handelen zal met jongelieden van. 15, 16, 17 jaar, die verzoeken gedoopt te worden zonder zich ten avondmaal te begeven, — is te berde gebracht, dat de nationale synode daarop art. 59 van de kerkenordening heeft gesteld” (Edam 1619).

Ook de volwassendoop behoort publiek in de samenkomst der gemeente te geschieden.

“Of het geoorloofd is een ongedoopte voljarige niet in de verzameling der kerk maar in de tegenwoordigheid van de kerkeraad te dopen?
Antwoord: Het behoort in de openbare vergadering te

|221|

geschieden. En wie uit schaamte zulks weigert, zal daarin vermaand worden. Nochtans zal hij naar een andere kerk mogen gaan om aldaar de doop openbaar te ontvangen” (Dordrecht 1578).

“Of en hoe de (volwassen) doop in geval van noodzakelijkheid in ’t bijzonder (d.i. niet openbaar) zal mogen bediend worden, werd gelaten in de discretie der kerkeraden en classen” (Dordrecht 1618/19).

Doopleden uit andere kerkformaties kunnen niet worden opgenomen dan wanneer de roeping om te komen tot belijdenis en avondmaalsviering erkend wordt.

“Of de kerk nog zal voortvaren met het aannemen van zodanige leden uit de Hervormde kerk, die zonder voorafgaande belijdenis des geloofs tot ons willen overgaan, om evenals onze gedoopte kinderen beschouwd te worden, alleen op betuiging, dat wij de ware kerk zijn, en dat zij zich onderwerpen aan de leer, tucht en dienst der kerk?
De vergadering oordeelde het niet raadzaam, een voor allen geldende regel voor te schrijven, doch wilde ernstig hebben aanbevolen, om in dezen te handelen met alle omzichtigheid en biddende harten om de leiding des Heeren naar zijn wil” (Amsterdam 1851).

“In zake doopleden uit andere kerkformaties spreekt de synode uit:
1. dat in heb algemeen opneming van volwassen doopleden uit andere kerkformaties alleen in den weg van belijdenis des geloofs mogelijk is;
2. dat dit zeker niet uitsluit, dat de kerkeraad hen, die daartoe nog niet aanstonds kunnen komen, tot het catechetisch onderwijs toelaat en hun ook overigens geestelijke bijstand en leiding geeft, en
3. dat in sommige gevallen onmiddellijke opneming ook zonder belijdenis des geloofs geoorloofd is, zo daarbij de verplichting om tot belijdenis des geloofs en tot viering van het heilig avondmaal te komen ten volle erkend wordt” (Sneek-Utrecht 1940-43).

Bos, F.L. (1950) Art. 60

Art. 60.

De namen der gedoopten, mitsgaders der ouders en getuigen, en desgelijks de tijd des doops, zullen opgetekend worden.

|222|

Al doen de doopboeken niet meer dienst als registers van de burgerlijke stand, niettemin blijft nauwkeurige aantekening van belang.

“De namen der gedoopte kinderen en der ouders en getuigen noch de dag van hun doop worden in vele kerken niet opgeschreven. Nochtans wordt dat raadzaam geacht…,
opdat de gedoopten, opgewassen, van hun doop verzekerd zijn mogen;
dat men op dezelve ook te beter opzicht hebbe en die verzorge;
dat men de getuigen moge van hun ambt vermanen; opdat namaals geen ongedoopten ten avondmaal toegelaten worden;
opdat degenen die de doop nalaten, als verachters van het verbond Gods ter gelegenheid vermaand mogen worden zo het behoort;
en, behalve het vorengenoemde, opdat de ouderdom der kinderen, de namen van hun ouders en hun burgerrecht, alles van belang voor burgerlijke aangelegenheden, uit de opschrijving van de gedoopte kinderen bewezen moge worden.
’t Is daarom nodig dat hierop orde gesteld wordt” (Rotterdam 1581).

Bos, F.L. (1950) Art. 61

Art. 61.

Men zal niemand ten avondmaal des Heeren toelaten, dan die naar de gewoonheid der kerk tot dewelke hij zich voegt, belijdenis der gereformeerde religie gedaan heeft, mitsgaders hebbende getuigenis van een vrome wandel, zonder welke ook degenen die uit andere kerken komen, niet zullen toegelaten worden.

Ter voorbereiding voor de toelating tot het avondmaal dient het catechetische onderwijs, waaraan krachtig de hand behoort te worden gehouden.

“Niemand worde ten avondmaal toegelaten dan nadat hem eerst catechetisch onderwijs gegeven is en hij zowel in leven als in leer voldoende is bevonden” („Teurs” en Armentiers 1563).

“Voorwaar, allen die voor leden der gemeente willen gehouden worden, zullen hun kinderen, zodra hun leeftijd dit toelaat, ter catechisatie zenden, opdat zij van

|223|

der jonkheid aan in de ware religie en godsvrucht kunnen worden opgevoed.
Die weigerachtig zijn zullen zonder twijfel aan de kerkelijke censuur onderworpen worden” (Wezel 1568).

“Het is de schuldige plicht van alle predikanten om op de doopleden acht te geven en ze met alle naarstigheid te catechiseren en door openbare en bijzondere vermaningen de kinderen tot deze heilige oefening te lokken, waartoe de ouders schuldig zijn den predikant de hand te bieden. Maar zo de ouders of de kinderen, tot de jaren van hun verstand komende, moedwillig zich tegen deze vermaning stellen, zo zal men ze met alle ernst bestraffen en dreigen, te kennen gevende dat zij zodoende hun doop en meteen het bloed van Christus niet voeten treden en metterdaad van de gemeenschap der kerk vervallen” (Goes 1620).

“Men zal des zomers en ’s winters catechiseren, en tegen degenen die het nalaten zal men naar de orde procederen” (uit de acten van Utrecht, ’s-Gravenhage 1634).

“De synode wekt de kerkeraden ernstig op, dat zij de leden en kinderen der gemeente dringend aansporen om van de catechisatiën gedurende het gehele jaar zoveel mogelijk gebruik te maken, opdat het opkomend geslacht met de gereformeerde waarheden doorvoed, voor Jezus gewonnen, en voor de verderfelijke tijdgeest gevrijwaard worde” (Groningen 1872).

“De kerkeraden moeten in deze tijden van grote verleiding en afval meer dan ooit zorgen, dat de erfgenamen van het rijk Gods en van zijn verbond, ook door deugdelijk en doelmatig catechetisch onderwijs, de beginselen huis wegs leren en ambtelijk tot welbewuste aanvaarding van hun doop worden geleid” (Sneek-Utrecht, 1940-’43).

“De classen zullen bij de kerkvisitatie naarstig doen vragen naar het catechetisch onderwijs, met name of door nauwkeurige aantekening en goede contrôle en getrouwe waarschuwing van ouders en kinderen, ernaar gestreefd wordt, dat alle doopleden der gemeente vanaf de twaalfjarige — uiterlijk veertienjarige — leeftijd geregeld de catechisaties, die gedurende minstens acht maanden in het jaar moeten gehouden worden, bezoeken” (Sneek-Utrecht, 1940-’43).

Krachtens de bij de doop van hun kinderen afgelegde belofte is het de roeping der ouders om allereerst

|224|

zelf hun kinderen te onderwijzen en voorts het catechetisch onderwijs naar vermogen te bevorderen.

“Het ambt der ouders is thuis hun kinderen en ook het ganse hun toevertrouwde huisgezin in de beginselen der christelijke religie op het vlijtigste naar ieders begrip te onderwijzen, ernstig en met vlijt tot de vreze Gods en oprechte godzaligheid te vermanen, tot de oefening van heilige huisgebeden te gewennen, met zich mede te nemen tot het gehoor van het goddelijk woord, de gehoorde predikatiën, inzonderheid de catechetische, vlijtig met dezelve te herhalen, enige hoofdstukken der heilige schrift voor te lezen of te geven voor te lezen, de voornaamste schriftuurplaatsen te geven van buiten te leren en in te prenten en die op een gemeenzame en voor de tedere jonkheid geschikte wijze te verklaren, en hen alzo tot de catechisatie op de scholen 1) te bereiden, en wanneer zij tot dezelve gekomen zijn, te bevestigen, op te wekken en naar vermogen te bevorderen.
Tot deze schuldige plicht moeten alle ouders, bij welke de vermaning plaats zal kunnen hebben, alsnu openlijk in de predikatiën, alsnu in ’t bijzonder, zowel bij de gewone bezoeking voor het nachtmaal, als ook op andere geschikte tijden door de predikanten, ouderlingen en ziekenbezoekers naarstig en ernstig vermaand worden. Indien enige ouders, belijdenis doende van de gereformeerde religie, in dit heilig werk nalatig bevonden wor-den, zullen zij door deftige (d.i. ernstige) vermaningen der predikanten, en zo de zaak het vereist, door be-straffingen van de kerkeraad tot hun schuldige plicht gebracht worden” (Dordrecht 1618/19).

1) Ook het catechetisch onderricht van de kinderen door de predikanten geschiedde vroeger op de scholen.

Bij het onderwijs der kerk kan van hulpdiensten worden gebruik gemaakt.

“Wat de catechisatiën betreft, deze dienen geregeld gehouden te worden.
Bij gemis van een dienaar des Woords zijn de ouderlingen die de gave hebben om te onderwijzen daartoe allereerst geroepen. Geoorloofd is het om, in overleg met de classis, zo nodig een ander bekwaam man tot deze arbeid aan te stellen” (Rotterdam 1887).

Wat het catechetisch onderwijs aan ouderen betreft maakten de Dordtse vaderen de volgende opmerkingen:

|225|

"Opdat nu degenen die meerder van jaren zijn of nooit in de scholen 1) onderwezen of in dezelve niet genoeg zijn toegenomen, beter in de fundamenten der christelijke religie mogen onderwezen worden — want de ervaring leert dat de gewoonlijke kerkelijke onderwijzingen, zowel catechetische (n.l. door de catechismusprediking) als andere, bij velen niet genoegzaam zijn om de kennis der christelijke religie in te planten die onder Gods volk behoort in zwang te gaan, en de gewoonte getuigt dat de levende stem zeer grote kracht heeft, wanneer door gemeenzame en naar ieders begrip gepaste vragen en antwoorden, welke de beste wijze is van catechiseren, de beginselen der religie in de harten ingedrukt worden —, zal het ambt der predikanten wezen, te gaan tot al degenen die leerzaam zijn, en met een ouderling of in de huizen of in de consistorie of enige andere plaats die daartoe gelegen is, enig tamelijk getal derzelve, zo uit de lidmaten der kerk als andere volwassenen, alle weken bijeenroepen, met hen gemeenzamelijk van de hoofdstukken der christelijke religie handelen en naar gelegenheid van hun begrip, voortgang en verstand dezelven catechiseren, de catechetische predikatiën met hen herhalen en alle vlijt aanwenden dat een ieder tot klare en bondige wetenschap van de catechismus kome.
Die nu zich willen begeven tot de gemeente, zullen drie of vier weken voor de bediening van het avondmaal op een zekere plaats meermalen en naarstig onderricht worden, opdat zij des te bekwamer en vaardiger worden om rekenschap van hun geloof te geven.
Maar deze voorzichtigheid zullen de predikanten gebruiken, dat zij zodanigen tot zich roepen om onderwezen te worden, van wie zij zien dat zij enige merkelijke hoop van vrucht geven en die zij weten dat om de zaligheid hunner zielen bekommerd zijn.
En meteen behoren terzelfder tijd bijeengeroepen te worden degenen, wier gelijkheid van conditie elkaar tot vrijmoedigheid in het spreken verwekken mag.
Deze bijeenkomsten zullen met gebeden en heilige vermaningen begonnen en geëindigd worden” (Dordrecht 1618/19).

1) Vgl. de vorige noot.

De toelating tot het heilig avondmaal geschiedt niet dan na onderzoek door of vanwege de kerkeraad in zake de instemming met de gereformeerde leer.

“Niemand zal in de gemeente ontvangen worden dan die voorheen door de kerkeraad of immers een dienaar

|226|

en ouderling van de hoofdsom der christelijke leer ondervraagd zij” (Dordrecht 1578).

Bij afwijking op een enkel punt kan onder bepaalde voorwaarden tolerantie worden toegepast.

“De synode besluit
vooreerst dat ... een generale uitspraak, dat afwijking van een bepaald leerstuk der kerk geen beletsel zal behoeven te wezen om iemand tot de gemeenschap der kerk toe te laten, niet wenselijk kan wezen;
ten tweede, dat de generale synode echter wel wil uitspreken, dat onze gereformeerde kerken steeds hebben geoordeeld, dat naar het voorbeeld der apostolische kerk tolerantie kan worden geoefend jegens broeders, die ter goeder trouw in enig stuk der leer dwalen, mits dit niet enig fundamenteel stuk der waarheid raakt, de dwalenden bereid zijn zich beter te laten onderrichten, en beloven voor dit gevoelen geen propaganda te maken, waarbij het natuurlijk vanzelf spreekt, dat zulke broeders, zolang ze in dat gevoelen volharden, in geen enkel geval voor enig ambt in de kerk verkiesbaar zijn;
ten derde, dat de generale synode aan de betrokken kerkeraad, desnoods met advies van de classis, de beslissing moet overlaten, of in het hier bedoelde geval (verwerping van de kinderdoop) zulk een tolerantie wenselijk en geoorloofd is” (’s-Gravenhage 1914).

Tevens behoort onderzocht te worden of de betrokken persoon wettig gedoopt is.

“De synode spreekt met het oog op de misbruiken in het stuk van de heilige doop, o.a. binnen de kring van het Hervormd kerkgenootschap, de noodzakelijkheid uit, dat de kerken, zo dikwijls iemand zich als gedoopt bij haar aandient tot het afleggen van belijdenis des geloofs en toelating tot het heilig avondmaal, onderzoeken of zulk een persoon wettig gedoopt is” (Groningen 1899).

De toelating tot het avondmaal geschiedt door middel van openbare belijdenis des geloofs.

“Niemand zal tot het avondmaal des Heeren toegelaten worden dan die tevoren belijdenis des geloofs heeft gedaan en zich aan de kerkelijke tucht heeft onderworpen” (Wezel 1568).

|227|

“De belijdenis des geloofs en de onderwerping aan de tucht zal openlijk geschieden” (Dordrecht 1574).

“Niemand mag erkend worden voor een lidmaat van de kerk van Christus dan op belijdenis des geloofs, en geenszins ten gevolge van het van buiten leren van enige waarheden” (Amsterdam 1836).

Gasten van elders kunnen alleen worden toegelaten op getuigenis aangaande hun belijdenis en wandel.

“Is verordineerd, dat alle de broeders en zusters, wanneer zij op andere plaatsen ten nachtmaal des Heeren willen gaan, vooreerst bescheid van hun eigen dienaren brengen aan den dienaar of ouderlingen ter plaatse waar men het nachtmaal zal houden, en die eerst zullen aanspreken” (Enkhuizen 1573).

“Wat betreft het toelaten van vreemde communicanten heeft de synode voor goed aangezien, dat de pastor, die door vreemde communicanten uit andere gemeenten wordt verzocht of ze daar het avondmaal mede mogen vieren, zal gehouden zijn de lieden te vermanen, dat ze hem eerst een schriftelijk bewijs van hun pastor zullen brengen dat hij ze mag toelaten” (Groningen 1613).

“Wat kan gedaan worden om leden van enige kerk, die tijdelijk in een andere verblijven, tot de tafel des Heeren toe te laten, zonder bezwaar voor laatstgenoemde kerk? Is geantwoord, dat de kerkeraad die hen tot het avondmaal toelaat, zich altijd op enigerlei wijze heeft te verzekeren aangaande hun onergerlijkheid in belijdenis en wandel; bijv. door dienaangaande getuigenis te vragen van betrouwbare lidmaten van zijn eigen kerk, of op de wijze die de kerkeraad dienstig zal achten” (Utrecht 1888).

In zeer bijzondere gevallen kan ook aan gelovigen die niet tot de gereformeerde kerk behoren, onder bepaalde voorwaarden, worden toegestaan als gast mede aan te zitten.

Wat betreft de avondmaalsbediening in gestichten „besluit de synode dat ook verpleegden, die niet tot een der gereformeerde kerken behoren, tot deze avondmaalsviering kunnen worden toegelaten, wanneer er voor hen geen gelegenheid bestaat om in de kerk waarvan ze zelf lidmaat zijn, het avondmaal te gebruiken, mits ze

|228|

daartoe tijdig aan de kerkeraad hun begeerte te kennen geven en de kerkeraad zich verzekerd heeft, dat zij in hun kerk tot het avondmaal zijn toegelaten, dat zij in de grondstukken der christelijke religie met ons over-eenstemmen en onberispelijk van levenswandel zijn, terwijl zij voorts bereid moeten wezen, zolang zij als gasten aan het avondmaal deelnemen, zich aan het toezicht van de kerkeraad te onderwerpen” (Leeuwarden 1920).

Bos, F.L. (1950) Art. 62

Art. 62.

Een iedere kerk zal zulke manier van bediening des avondmaals houden, als zij oordeelt tot de meeste stichting te dienen. Welverstaande nochtans, dat de uitwendige ceremoniën, in Gods woord voorgeschreven, niet veranderd en alle superstitie vermeden worde, en dat na de voleinding der predikatie en der gemene gebeden het formulier des avondmaals, mitsgaders het gebed daartoe dienende, zal worden gelezen.

Wat de wijze van avondmaalsviering betreft geven de volgende besluiten nadere inlichting:

“Wij achten dat er gewoon spijsbrood moet gebruikt worden, en dat dit gebroken moet worden tijdens de bediening van het heilig avondmaal” (Emden 1571),

“Overmits wij middelmatig achten bij de bediening van het avondmaal te staan of te zitten — het knielen zonderen wij uit om der wille van de superstitie en het gevaar van het brood aan te bidden —, zo zullen de gemeenten die wijze gebruiken, die een iegelijk de allergeschiktste zal dunken” (Dordrecht 1578).

“Of men, terwijl het avondmaal bediend wordt, iets uit de heilige schrift lezen of psalmen zingen, of geen van beide doen zal?
Antwoord: Het zal stichtelijk zijn, dat bij beurte psalmen gezongen en Gods woord gelezen wordt” (Middelburg 1581).

Althans bij de zwakke lidmaten worde tevoren huisbezoek gedaan.

“Wij achten het hoogst nuttig, dat de tijd van de avondmaalsviering veertien dagen tevoren aan het volk wordt medegedeeld, zowel opdat de afzonderlijke kerkleden

|229|

zich vroegtijdig voorbereiden, als opdat de ouderlingen in het bezoeken van hun wijken hun ambt recht bedienen kunnen” (Wezel 1568).

“Voor het avondmaal zullen de dienaars en de ouderlingen de lidmaten der kerk bezoeken, voornamelijk de zwakste en degenen die ’t meest nodig hebben, opdat zij, zoveel in hen is, met leren, vermanen, troosten en het nederleggen van opgerezen zwarigheden, de gemeente tot deze hoogwaardige handeling recht bereiden” (Dordrecht 1578).

Ook een bijzondere voorbereidingspredikatie wordt doorgaans gehouden, om tot de rechte zelfbeproeving op te wekken.

“In de voorbereiding tot het nachtmaal des Heeren zal men een eenvoudige predikatie houden naar de gewoonte, waarin gehandeld zal worden van de beproeving des mensen en de verzoening met God en den naaste, met vurige gebeden” (Dordrecht 1574).

“Of het niet raadzaam is, dat men voor de bediening des avondmaals een predikatie doe om der mensen hart daartoe te bereiden?
Antwoord: Zulks kan wel nuttig geschieden, doch elke gemeente zal hierin doen wat een iegelijk hem het geschiktst dunkt te wezen” (Middelburg 1581).

“Is besloten, dat de proefpredikatiën behoren te geschieden op de naaste Vrijdag of Zaterdag voor de viering van het heilig avondmaal” (Dokkum 1618).

Soms kwam vroeger ook bij de voorbereiding een openbare geloofsbelijdenis voor.

“Of het niet goed ware in de week voor het avondmaal een openbare belijdenis des geloofs te doen, zoals in vele kerken gedaan wordt?
Antwoord: Het is stichtelijk, maar staat in de vrijheid der kerken” (Utrecht 1619).

“De synode kan hierover (n.l. over de vragen in sommige gemeenten bij proefpredikatiën in gebruik) geen algemeen besluit nemen, naardien in alle bijzonderheden, die het wezen der leer of de dienst niet raken, niet altijd allerwege eenvormigheid kan plaats vinden. Zij laat daarom elke gemeente in dit geval vrij, en oordeelt dat de leraar zich hierin behoort te schikken naar de meeste stichting der gemeente” (Zwolle 1854; Leiden 1857).

|230|

Aan de avondmaalsviering ga een korte avondmaalsprediking onmiddellijk vooraf.

“Op de dag van het avondmaal zelve zal het nut zijn, dat men van de sacramenten en met name van de verborgenheid van het avondmaal het volk lere, en tot dat einde een geschikte tekst neme, ten ware dat de gewone tekst daartoe bekwamelijk geschikt konde worden” (Dordrecht 1578).

Of er een nabetrachtingspreek gehouden wordt, staat in de vrijheid der kerken.

“Men zal een korte inleiding houden tot de dankzegging na het nachtmaal des Heeren, waarin de christenen van de grote liefde van Christus te onswaart en de dankbaarheid die wij schuldig zijn vermaand worden” (Dordrecht 1574).

“Na de middag zal men met de gewone predikatie of catechismus voortvaren” (Dordrecht 1578).

“Of men op de dag van het avondmaal ’s namiddags met de catechismus voortvaren of iets anders, dienende tot dankzegging, prediken zal?
Antwoord: Het laatste kan wel nuttig geschieden, doch hetzelve zal vrijstaan” (Middelburg 1581).

Wat betreft de avondmaalsviering met lijders aan besmettelijke ziekten mogen bijzondere voorzorgsmaatregelen tegen het besmettingsgevaar worden genomen.

“Op welke wijze de melaatsen ten avondmaal des Heeren toe te laten zijn?
Is geantwoord, dat men ze zal laten communiceren of in een hoek des tempels alleen, waar ’t geschieden kan, of aan de gemeenschappelijke tafel, ten allerlaatste” (Middelburg 1581).

“Of de avondmaalsviering in gestichten kan geschieden met gebruikmaking van afzonderlijke bekertjes, zo de verpleegden lijdende zijn aan een ziekte, waarvan naar medisch oordeel het besmettelijk karakter vaststaat?
De synode besluit, dat wanneer onder de verpleegden die aan het avondmaal willen deelnemen, lijders zijn aan een besmettelijke ziekte, waardoor het gebruik van een gemeenschappelijke beker gevaar van besmetting zou opleveren, de kerkeraad na ingewonnen advies der

|231|

doctoren zodanige maatregelen mag nemen als nodig zijn om dat gevaar van besmetting zoveel mogelijk te voorkomen” (Leeuwarden 1920).

“Het besluit van de generale synode van Leeuwarden 1920 laat de regeling van de avondmaalsviering in stichtingen, aan welke besmettelijke zieken deelnemen, ten opzichte van het gebruik van afzonderlijke avondmaalsbekertjes over aan de kerkeraad.
Het moet gewenst geacht worden, dat de kerkeraad de deelname aan de avondmaalsviering in ... (de stichting) beperke tot hen, die in de stichting verblijven.
Het is evenzeer gewenst, dat de eenheid van de onderscheidene afzonderlijke bekertjes blijke uit het gebruik van één schenkkan of -beker” (Sneek 1939).

Bos, F.L. (1950) Art. 63

Art. 63.

Het avondmaal des Heeren zal ten minste alle twee of drie maanden gehouden worden.

De nodige regelmatige avondmaalsviering is in de praktijk tot vier à zes maal per jaar beperkt. Een veelvuldiger viering, gelet ook op de praktijk van de oude kerk wenselijk, is bij de gegroeide gewoonte van formulierlezing, voorbereidiings- en nabetrachtingspredikatie enz. moeilijk uitvoerbaar, daar de gewone dienst des woords daardoor zou worden verdrongen.

“Het avondmaal worde zo mogelijk zes maal per jaar bediend, of minstens vier maal” (Armentiers 1563).

“De kerken zullen erop werken, dat zij het nachtmaal des Heeren alle twee maanden houden, zoveel mogelijk is” (Dordrecht 1574).

“Het avondmaal des Heeren zal alle twee maanden eens, zoveel het mogelijk is, gehouden worden” (’s-Gravenhage 1586; Dordrecht 1618/19; de tegenwoordige redactie is van Utrecht 1905).

“Het voorstel om de uitdrukking „alle twee maanden” te vervangen door „alle drie maanden” wordt na de verklaring, dat een kerk vrijheid heeft om, zo ze dit oorbaar en nuttig acht, van deze bepaling af te wijken, teruggenomen” (Dordrecht 1893).

“De tijd der bediening van het heilig avondmaal zal in

|232|

de vrijheid der kerkeraden staan, welke tevens vermaand zullen worden, hetzelve niet te veronachtzamen” (K.O. van 1837).

“Het heilig avondmaal zal zo dikwijls mogelijk door de gemeente in hun bijeenkomsten gebruikt worden” (Huish. regl, 1839).

Het was vroeger niet ongewoon, de avondmaalsviering op de christelijke feestdagen te houden.

“Of men het avondmaal des Heeren op Pasen, Pinksteren en Kerstdag buiten de gewone, regelmatige tijden behoort te houden?
Antwoord: Men zal de gewoonlijke tijden onderhouden, ten ware dat somtijds de gewoonlijke tijd en de voorschreven feestdagen bijna overeen kwamen, want alsdan zal de gewoonlijke tijd daarop mogen verlengd of verkort worden. Alzo nochtans, dat men voornamelijk acht neme op het gebruik van elk land, om niet lichtelijk daarin iets te veranderen zonder gewichtige oorzaak” (Dordrecht 1578).

“Het zal stichtelijk zijn, waar het de gelegenheid der kerk lijden kan, dat hetzelve op de paasdag, pinksterdag en kerstdag geschiede” (’s-Gravenhage 1586; Dordrecht 1618/19).

Alle belijdende leden der kerk zijn geroepen om het avondmaal mede te vieren. Avondmaalsverzuim is naar gelang der redenen daarvoor te bestraffen.

“Het is de taak der dienaren en kerkeraden, vlijtig toe te zien, wie de lidmaten der gemeente zijn of voormaals geweest zijn; eveneens of zij elk avondmaal mede vieren, en zo niet, hen in ’t bijzonder (d.i. particulier) aan te spreken of door anderen die daartoe bekwaam zijn te laten aanspreken, of waar bedenking is in zake leer of leven, als ’t niet helpt, ze voor de kerkeraad te ontbieden en te vermanen, de verachters te waarschuwen en te dreigen met Gods gericht, en zo dit alles niet helpt, met de classis te beraadslagen. Doch dat men niet lichtvaardig tot de excommunicatie kome” (Dordrecht 1574).

“Men zal een broeder die, hoewel hij anderszins vroom van leven is, zich van des Heeren heilig avondmaal onthoudt, over die minachting der heilige sacramenten ernstig vermanen, en zo hij hardnekkig daarin voortvaart, zal men ten laatste kerkelijk met hem voortvaren” (Alkmaar 1587).

|233|

“Hoe men zal procederen tegen degenen die dikwijls jarenlang absenteren van de gemeenschap der kerk in ’t gebruik van het heilig avondmaal zonder reden te geven van hun absentie?
Er dient op gelet te worden of zulk avondmaalsverzuim geschiedt uit verachting van de instelling van Christus of uit andere zwakheden en geestelijke aanvechting, dewijl men heel anders met de zwakken dan met de halsstarrigen moet handelen” (Leiden 1619).

“De synode, overwegende dat het heilig avondmaal als instelling des Heeren een voorrecht is, door Hem aan de gemeente geschonken, van welk voorrecht ieder die belijdenis des geloofs heeft afgelegd, verplicht is gebruik te maken;
overwegende dat onze vaderen, blijkens art. 73 der synode van Dordrecht 1574, het niet telkens communiceren wel degelijk als een bestraffenswaardig feit beschouwd hebben;
overwegende dat met de feitelijke toestand moet gerekend worden, en het (genoemde) kwaad ... een ziekte-verschijnsel is, waarvan de aanvang in het grijs verleden en in de historische ontwikkeling der gereformeerde kerk te zoeken is;
oordeelt mits dezen, dat dit kwaad niet in de eerste plaats door een synodaal besluit of toepassing der censuur op bijzondere personen, maar in de tegenwoordige omstandigheden door degelijk onderwijs, zowel door ouderlingen als door leraren op de catechisatie en in de prediking des Woords, zal moeten overwonnen worden” (Dordrecht 1879).

Bos, F.L. (1950) Art. 64

Art. 64.

De bediening des avondmaals zal alleen geschieden waar toezicht is van ouderlingen, volgens kerkelijke orde, in een openlijke samenkomst der gemeente.

Het avondmaal mag niet bediend worden waar geen kerkeraad is om toezicht te houden.

“Men zal geen avondmaal des Heeren uitreiken waar geen forme van gemeente is, dat is, waar niet enige ouderlingen en diakenen zijn, die zowel op de aanneming en regering dergenen die toegelaten worden achthebben als de dienaren des woords” (Dordrecht 1574).

“Het avondmaal des Heeren behoort niet in die plaatsen bediend te worden, waar nog geen kerkelijke ordening gesteld is” (Dordrecht 1578).

|234|

“Ter plaatse waar nog geen kerkelijke ordening is, zal men eerst ouderlingen en diakenen bij provisie stellen” (’s-Gravenhage 1586; Dordrecht 1618/19).

Avondmaalsbediening aan zieken buiten de samenkomst der gemeente, moet meer nog dan de huisdoop worden afgewezen, omdat de viering als gemeente tot het wezen van het sacrament behoort.

“Of men ten tijde des avondmaals aan de zieke belijdende leden die lang te bed gelegen hebben, het avondmaal in hun huizen bedienen zal, vooral zo daar enige vorm van kerk verzameld ware?
Is geantwoord, neen; en dat men de sacramenten niet bedienen zal dan in de algemene verzameling, ter plaatse waar de gemeente gewoonlijk samenkomt” (Middelburg 1581).

“De synode besluit in zake krankencommunie de besliste uitspraak te doen, dat het geenszins wenselijk is tot het invoeren der krankencommunie als kerkelijk gebruik over te gaan” (Middelburg 1933).

In zake de avondmaalsbediening in gestichten staat de zaak anders, daar hier ook — zij het slechts met een deel der gemeente, doch dat is in stadsgemeenten ook het geval — dienst des woords kan worden belegd.

“De synode besluit, dat het aan de kerkeraad ener gereformeerde kerk geoorloofd is op eventueel ingekomen verzoek het heilig avondmaal te bedienen in stichtingen, die op het grondgebied dier kerk liggen en wel ten bate van de leden der gereformeerde kerken, die aldaar korter of langer tijd verpleegd worden en die zonder grote bezwaren de gewone samenkomsten der gemeente niet kunnen bezoeken, mits de kerkeraad bij deze avondmaalsbediening vertegenwoordigd is en ook andere leden der gereformeerde kerken, die als verplegers enz. aan deze stichtingen verbonden zijn, aan deze avondmaalsbediening deelnemen” (Leeuwarden 1920).

“De synode spreekt uit, dat er geen bezwaar tegen kan bestaan voor zieken en ouden van dagen officiële diensten te beleggen, bijzonder ook voor de viering van het heilig avondmaal” (Utrecht 1943-45).

Bos, F.L. (1950) Art. 65

|235|

Art. 65.

Lijkpredikatiën of lijkdiensten zullen niet worden ingesteld.

De bestrijding van bijgeloof, welke aan dit artikel ten grondslag ligt, is thans overbodig.
Ter bevordering van de christelijke soberheid, ook bij de begrafenis van predikanten enz., is het nog altijd van belang.

“Men zal bij de begrafenis der doden geen gebeden noch predikatiën doen om alle bijgelovigheden te vermijden” (Antwerpen, Mei 1564).

“Van de lijkpredikatiën is besloten, dat men ze met grote voorzichtigheid, zoekende de opbouw der kerk, waar ze ingevoerd zijn afschaffe en waar ze niet ingevoerd zijn niet invoere, om de gevaren van bijgeloof, die daaruit voortkomen, te vermijden.
Het luiden der klokken bij de begrafenis der doden achten wij dat alleszins afgeschaft behoort te worden” (Dordrecht 1574).

“Overmits het gebruik der lijkpredikatiën zeer zorgelijk is, zo gevoelen wij, dat ze in de plaatsen waar zij niet zijn, niet behoren ingevoerd te worden. Maar waar men gewoon is ze te houden en het getal der dienaren genoegzaam is, dewelke mitsgaders de ouderlingen oordelen dat ze niet onnut zijn, zullen ze geduld worden, ter tijd toe dat ze ter bekwamer gelegenheid zonder ergernis zullen mogen afgeschaft worden. Nochtans met deze waarschuwing, dat ze meer de vorm hebben van een onvoorbereide vermaning dan van een predikatie, welke met gebeden begonnen en met dankzegging gesloten wordt. Dat men daarin ook de lof der afgestorvenen niet verkondige. Het zal ook de taak der dienaren zijn zorg te dragen, dat het gebruik der klokken, dewelke in het pausdom zowel bij het verscheiden als bij het begraven der mensen geluid worden, weggenomen worde” (Dordrecht 1578).

“Waar de lijkpredikatiën niet zijn, zal men ze niet instellen, en waar ze nu alrede zijn aangenomen, zal naarstigheid gedaan worden om dezelve door de gevoegelijkste middelen af te schaffen” (Middelburg 1581; Dordrecht 1618/19).

“Opdat voortaan de lijkpredikatiën des te minder verzocht worden, zullen de predikanten die ze houden

|236|

mochten, geenszins iets verhalen of noemen, wat tot lof van den verstorvene is strekkende” (Arnhem 1600).

“Het is niet goedgevonden, dat de doden in de kerk gebracht en daarover gepredikt wordt, en evenmin, dat men bij het graf lijkpredikatiën doen zal” (Appingedam 1608).

“De predikanten zullen uit kracht van dit besluit met gevoegelijke redenen, als zij daartoe verzocht worden, zulke predikatiën afzeggen en weigeren” (Gouda 1620).

Bos, F.L. (1950) Art. 66

Art. 66.

In tijden van oorlog, pestilentie, algemene volksrampen en andere grote zwarigheden, waarvan de druk overal in de kerken gevoeld wordt, zal een bededag uitgeschreven worden door de classe, die daartoe door de laatste generale synode is aangewezen.

Het uitschrijven van een algemene bededag blijve gereserveerd voor een algemene, acute, ernstige noodtoestand.

“De aard en het karakter van zulk een dag mag niet zijn: aanwending van een stichtelijk middel om de gemeente tot godzaligheid te bewegen; noch ook het plaatsen van een meer de aandacht trekkend gebed naast de wekelijkse gebeden der gemeente; noch eindelijk een voor den Heere brengen van de chronische kwalen en ellendigheden waarmede land en volk en kerk als overvloeid is; maar dat doel moet blijven: in een gemeenschappelijke bijzondere nood, die óf heel ons volk, óf onze kerken in het bijzonder beklemt, als geraakt in de conscientie door de majesteit van Gods oordelen, saam voor den Heere in de schuld te vallen, juist bij het aanzien dezer schuld nog verwonderd te staan over zijn vele goedertierenheden, en desniettemin, naar de persing des harten is, af te smeken, dat Hij in zijn oneindige barmhartigheden deze plage of dit oordeel weer van ons gelieve te nemen, zo dit strekken kan tot zijns Naams ere;
weshalve de gestelde palen deze zijn:
a. dat er zij een algemene, bijzondere en acute nood van heel ons volk of van de gezamenlijke kerken;
b. dat de conscientiën beginnen onder deze toorne Gods geraakt te worden;
c. en dat het een aanlopen zij van den Ontfermer, die

|237|

het verbrijzelde hart als offerande aanneemt en die om zijne goedertierenheden, die reeds in zijn hand voor ons besloten zijn, wil aangeroepen en gebeden wezen;
dat een verzetten van deze palen, die ook door onze vaderen in 1619, zie art. 66 der kerkenordening, erkend zijn, waar zij spreken van tijden van oorlog, dure tijd, zware vervolging der kerken en andere algemene zwarigheden, leiden zou tot onderschatting van de wekelijkse gebeden, tot verkleining van de bededag bij te veelvuldige aanwending, en tot methodistische misbruiken van de gebeden als middel, niet om den Heere aan te roepen, maar om onder gebedsvorm het Woord te bedienen aan de gemeente, en haar, niet den Heere, aan te spreken” (Rotterdam 1887).

De inrichting van zulk een bededag als vastendag is helaas geheel in onbruik geraakt.

“In tijden van oorlog, pestilentie, dure tijden, zware vervolgingen der kerk en andere openbare ellendigheden zal men een vasten met bidden aanstellen en heiligen door raad der kerk en bewilliging der overheid zo dat geschieden kan.
Alzo dat de gemeente zich van het gewoonlijke voedsel en de tijdelijke handeling (d.i. het dagelijks werk) onthoudende tot de avond toe, met bidden, het woord Gods te horen, de heilige Schrifture te lezen en andere heilige oefeningen haar boetvaardigheid en geloof betuige en in de ware godzaligheid toeneme” (Dordrecht 1578).

“Is besloten dat men op de vastdagen enerlei wijze houden zal.
Eerstelijk zal men de gemeente tezamen roepen en enige tekst voornemen en verklaren, en vurige gebeden voor en na gebruiken.
En om zulks beter te doen zal men het volk tot onthouding van spijs en drank en andere toegelaten dingen vermanen.
Men zal het volk ook vermanen in de tempel te blijven, zonder nochtans iemand hiertoe te dwingen.
Men zal ook op enige geschikte plaats des tempels den volke wat voorlezen uit het oude of nieuwe testament, tot de gelegenheid des tijds dienende.
En men zal op de vastdagen met twee predikatiën tevreden zijn, ten ware dat de vastdag op de zondag gelegd ware, waarop men anderszins gewoon is driemaal te prediken” (Dordrecht 1574).

Nu de bemoeiïngen van de overheid in dezen geheel

|238|

zijn weggevallen, is het uitschrijven van bede en dankdagen (of -stonden) aan een kerkelijke instantie opgedragen.

“De synode adviseert de classe, dat de uitschrijving van een bededag of bidstond door de classis zelve en niet van harentwege door deputaten geschiede” (Arnhem 1902).

De synode van ’s-Gravenhage 1949 besloot, dat als instantie voor het uitschrijven van bidstonden etc. twaalf deputaten zouden worden benoemd, uit elk ressort één, voor de tijd van een jaar, waarbij het ene jaar een predikant en het andere jaar een ouderling zou optreden, en de deputaat van Utrecht als samenroeper zou optreden.

Voor het houden van zulk een bijzondere bede- (of dank-) dag is thans bij voorkeur de Zondag aangewezen.

“Het zal raadzamer zijn het vasten op andere dagen dan op de zondag te heiligen” (Dordrecht 1578).

“De synode geeft hierbij de classis in overweging voor dit doel als regel een zondag aan te wijzen” (’s-Gravenhage 1914).

Het houden van een jaarlijkse bededag en dankdag voor het gewas is geheel in de vrijheid der kerken gelaten.

“De gemeenten zullen algemeen opgewekt worden om de bededagen van Drente, Overijsel, Groningen en Vriesland mede te vieren, namelijk op de tweede Woensdag in Maart en op de eerste Woensdag in November.
Het is de mening niet om de gemeenten te verplichten tot het houden van die dagen, maar wel om, zoveel het stichtelijk door de kerkeraden geoordeeld wordt, daartoe bevorderlijk te zijn” (Amsterdam 1849).

“De vergadering maakt geen bepaling omtrent het houden van dagen, die niet in de kerkenordening van Dordrecht 1618 en 1619 vermeld worden, waarom de gemeenten, die het houden der voor- en najaars bid- en dankdagen niet voorstaan, ook niet tot het houden van die dagen gedwongen mogen worden” (Zwolle 1854).

Bos, F.L. (1950) Art. 67

|239|

Art. 67.

De gemeenten zullen onderhouden, benevens de Zondag, ook de Kerstdag, Pasen, Pinksteren en Hemelvaartsdag. De onderhouding der tweede feestdagen wordt in de vrijheid der kerken gelaten.

De besluiten in zake zondagsrust en zondagsheiliging hebben zich steeds bewogen tussen de scilla der ontwijding en de charibdis van het joodse sabbatisme.

“De classen zullen van hun overheden begeren, dat zij het kopen, verkopen, drinken, arbeiden, wandelen enz., inzonderheid des zondags terwijl men predikt, verbieden willen” (Dordrecht 1574).

“Opdat het volk op de zondagen des namiddags door andere arbeid of oefening opgehouden, van de namiddagse predikatiën niet afgetrokken worde, zal men de magistraten verzoeken, dat zij alle dienstbare en dagelijkse werken, en voornamelijk de spelen, zuiperijen en zwelgerijen, en andere ontheiligingen van de sabbat, waarmede de namiddagse tijd op de zondagen, meest in de dorpen, gemeenlijk pleegt doorgebracht te worden, met strenge plakkaten verbieden, opdat zij ook op deze wijze des te beter tot de namiddagse predikatiën gebracht mogen worden, en alzo de gehele sabbat leren vieren” (Dordrecht 1618/19).

“Bij gelegenheid van het besluit op de wegneming van de onteringen van de sabbat is een kwestie naar voren gebracht over de noodzakelijkheid van de onderhouding van de zondag, welke in de kerken van Zeeland was begonnen gedreven te worden.
En de professoren zijn verzocht om met de broeders van Zeeland over deze kwestie te treden in een vriendelijke conferentie, en te zien, of niet zekere algemene regelen, met gemene toestemming beraamd en gesteld zouden kunnen worden, binnen welker grenzen beide partijen in het verhandelen van deze kwestie zo lang zouden mogen opgehouden worden, totdat op de eerstvolgende nationale synode deze kwestie nader zoude mogen verhandeld worden.
Zijn voorgelezen en goedgekeurd 1) deze navolgende regelen in zake de onderhouding van de sabbat of zondag, die de professoren met toestemming van de broeders van Zeeland hadden ontworpen:

|240|

1. In ’t vierde gebod van de goddelijke wet is iets ceremoniëels en iets moreels.
2. Ceremoniëel is geweest de rust van de zevende dag na de schepping en de strenge onderhouding van die dag, die het Joodse volk bijzonder was opgelegd.
3. Moreel, dat een zekere en gezette dag voor de dienst van God zij bestemd, en daartoe zoveel rust als tot de dienst van God en de heilige overdenking daarvan van node is.
4. De sabbat der Joden afgeschaft zijnde, moeten de Christenen de Zondag (Lat.: dag des Heeren) plechtig heiligen.
5. Deze dag is sedert de apostelen in de oude katholieke kerk altijd onderhouden geweest.
6. Deze dag moet alzo aan de godsdienst toegewijd worden, dat men op dezelve moet rusten van alle slaafse werken, uitgezonderd diegene, welke de liefde en de tegenwoordige noodzakelijkheid vereisen, mitsgaders van al zulke vermaken, die de dienst van God verhinderen” (Dordrecht 1618/19).

1) Blijkens het voorgaande niet dan als voorlopig compromis.

“De classen zullen zich voorlopig regelen naar het oordeel van de laatste nationale synode van Dordrecht...... Wel te verstaan nochtans, dat, indien enigen onder het voorwendsel van de voorzeide regelen zouden willen drijven een al te grote preciesheid, smakende naar joodse superstitiën (d.i. bijgelovigheden), waarvan sommige voorbeelden op deze eerwaardige vergadering zijn verhaald, welke de synode verstaat onder de voorzeide regelen niet begrepen te zijn maar daartegen te strijden, — men zodanige personen zal vermanen, niet alleen om zulke gevoelens anderen niet in te planten, maar ook zelf daarvan af te staan” (Rotterdam 1621).

“Dewijl over het onderhouden van de sabbat enige particuliere vreemde opiniën sterk in ’t land inkruipen en gestrooid worden, tot verontrusting van de gewetens der vrome lieden en verkeerde verstrikking van hen, als bijvoorbeeld, dat het niet geoorloofd is op de rustdag ook na het einde van de publieke eredienst op vochtige en regenachtige dagen het koren in te mennen, maar dat men het liever op het veld moet laten verrotten en vergaan; insgelijks dat de onderhouding van de sabbat niet toelaat enige verlustiging en eerbare vermaking, strekkende tot verkwikking van de geest of het lichaam des mensen, ook niet in strijd met enig gebod Gods en op andere tijden wel geoorloofd; alsmede dat men op de sabbat, durende, gelijk sommigen zeggen, vierentwintig uren, niet een woord mag spreken dat zou kunnen

|241|

strekken tot bevordering van ons dagelijks werk of beroep, ja dat ook niet een gedachte daarmede mag bezig zijn, en verscheidene andere dergelijke dingen meer, — zo is goedgevonden, dat de kerken en classen naarstig zullen toezien, dat niemand buiten of tegen de voorzeide regelen van de synode van Dordrecht iets openlijk of particulier leren of drijven zal, en zo iemand bevonden zoude mogen worden zulks te doen, zullen zij die daar-over naar bevind van zaken bestraffen” (IJselstein 1626).

“Is besloten, dat men, alle disputen mijdende, zichzelven daarnaar nauw zal reguleren en de bovengemelde besluiten uitvoeren, opdat alzo én de ontheiliging van de sabbat aan de ene, én de bijgelovigheden aan de andere zijde mogen worden gemeden” (Leiden 1658).

“De gemeenten zullen ernstig worden vermaand tot getrouwe heiliging van de rustdag des nieuwen verbonds, als zijnde de dag des Heeren, zullende buiten de werken der barmhartigheid en liefdadigheid (de K.O. van 1837 voegt toe: en noodzakelijkheid), de wekelijkse arbeid en nering stilstaan, opdat niet de toorn des Heeren over zijn gemeente grotelijks ontsteke wegens de schending van de sabbat.
De lidmaten der gemeente en diegenen welke zich bij de gemeente gevoegd hebben, zullen met de herderstaf van het goddelijke woord wegens overtreding in deze geleid en gehoed, en zo zij zich tegen deze zachte vermaning verzetten, zullen zij door de macht van de sleutelen van het hemelrijk, aan de, dienaren van Christus en opzieners der gemeente gegeven, gecensureerd, en zo zij zich daartegen verharden, als verachters van de ordonnantiën Gods afgesneden worden.
Terwijl zij die wegens arbeid of nering bezwaard zijn, getrouw zullen gewezen worden op de onwankelbare en onfeilbare beloftenissen van den Almachtige, die wegen en middelen genoeg heeft om, hen te verzorgen van dagelijkse nooddruft, die wegens in acht neming van zijn heilige geboden schade aan have of goed moeten lijden van de ongelovige wereld, en die zelfs armoede en gebrek genadig gebruiken wil tot vernedering, loutering en heiliging van zijn gemeente” (Amsterdam 1836).

“De gemeenten zullen ernstig vermaand worden tot getrouwe heiliging van de dag des Heeren, op welke dag, zo dikwijls als zulks tot stichting nodig bevonden wordt, de gemeenten hun onderlinge bijeenkomsten zullen houden” (K.O. van 1837).

“Sterke afmaning van alle werken, die niet tot de godsdienst, noodzakelijkheid en liefdadigheid behoren. En

|242|

indien al ergens de uitoefening van zodanige werkzaamheden in de gemeenteleden geduld wordt, is zulks nochtans in de opzieners en diakenen niet te verdragen, dewijl deze daardoor een kwaad voorbeeld aan de leden geven” (Amsterdam 1840).

“Op grond van de mindere werkzaamheden op de sabbat met het gaslicht dan met enige andere verlichting, besluit de vergadering, dat het dus zonder gewetensbezwaar kan gebruikt worden, en derhalve de leden, die in zulke fabrieken werken, geacht moeten worden werken der noodzakelijkheid te verrichten” (Leiden 1857).

“De synode wekt met alle ernst de leraars en leden der kerk op om zeer conscientieus te zijn in het reizen met openbare vervoermiddelen op de dag des Heeren” (Middelburg 1869).

“De synode oordeelt dat het reizen op de sabbat, inzonderheid door voorgangers der gemeente, niet mag geschieden dan alleen in geval van hoge noodzakelijkheid. Het reizen met openbare middelen van vervoer acht zij echter ongeoorloofd voor elk en een ieder” (Dordrecht 1879).

“Een kerkelijke vergadering kan geen samenstel van regelen geven ... Particuliere kwestiën, die zich ten aanzien van de zondagsviering voordoen, zullen wel altijd afzonderlijk beschouwd en behandeld moeten worden, waartoe allereerst de kerkeraden zelve geroepen zijn, en waarbij zij zo nodig het advies van hun classen hebben in te winnen” (Leeuwarden 1890).

Ofschoon het onderhouden van feestdagen behalve de Zondag niet in Gods Woord wordt voorgeschreven en de vaderen getracht hebben ze afgeschaft te krijgen, hebben de kerken op feestdagen die nu eenmaal min of meer algemeen erkend werden, bij wijze van maatregel van orde kerkdiensten ingesteld.
De conscientiën mogen in dezen geenszins worden gebonden.

“Aangaande de feestdagen naast de zondag is besloten, dat men met de zondag alleen tevreden zal zijn. Doch men zal de gewone stof van de geboorte van Christus ’s Zondags vóór de Kerstdag in de kerk behandelen en het volk in zake de afdoening van deze feestdag vermanen, en ook over deze stof op de kerstdag prediken, zo hij valt op een predikdag. Men zal ook op Paas- en

|243|

Pinksterdag over de verrijzenis van Christus en de zending van den Heiligen Geest mogen leren, wat in de vrijheid van de dienaren zal staan” (Dordrecht 1574).

“Zoveel als de feestdagen aangaat: men zal de overheid bidden, dat zij zes dagen naar des Heeren vierde gebod een iegelijk toelaten zijn winkel te openen en te werken. En zo de overheid enige andere ordonneren wilde behalve de zondag, zullen de gecommitteerde dienaars de Staten bidden, dat zij hun zulks willen te kennen geven, opdat deze dienaars bedenken mogen, hoeveel en hoever men hierin zal toe1aten, opdat men ter ener zijde in geen bijgelovigheden vervalle als (waartegen) Paulus in Gal. 4 waarschuwt, noch anderzijds om enige feest-dagen tegen de voorzeide overheid te hard strijde” (Rotterdam 1575).

“Het ware wel te wensen, dat de vrijheid van zes dagen te arbeiden, van God toegelaten, in de kerk gehouden en de zondag alleen gevierd mocht worden.
Nochtans, dewijl sommige andere feestdagen door autoriteit van de overheid onderhouden worden, te weten de Kerstdag met de volgende dag, insgelijks de tweede Paasdag en de tweede Pinksterdag en op sommige plaatsen de (Nieuw)jaarsdag en de Hemelvaartsdag, zo zullen de dienaars naarstigheid doen, dat ze met predikatiën, in dewelke zij inzonderheid van de geboorte en verrijzenis van Christus, de zending van den Heiligen Geest en dergelijke artikelen des geloofs de gemeente leren zullen, de onnutte en schadelijke lediggang in een heilige en profijtelijke oefening veranderen.
Hetzelfde zullen de kerkedienaren doen in die steden, waar meer feestdagen door de autoriteit van de overheid onderhouden worden.
Intussen zullen alle kerken arbeiden, dat het gewoonlijke gebruik aller feestdagen, behalve de Kerstdag — dewijl Pasen en Pinksteren op de zondag vallen — zoveel mogelijk is en op het allervoegelijkste afgedaan worde” (Dordrecht 1578).

“De gemeenten zullen bij hun overheden aanhouden, dat de feestdagen, uitgenomen de Zondag, Kerstdag en Hemelvaartsdag afgedaan worden. Maar ter plaatse waar meer feestdagen door bevel van de overheid gehouden worden, zullen de dienaars arbeiden, dat zij met prediken de onnutte en schadelijke leidiggang in een heilige en nuttige oefening veranderen” (Middelburg 1581).

“De gemeenten zullen onderhouden, benevens de Zondag, Kerstdag, Pasen en Pinksteren (variante toevoeging: met de navolgende dag). Maar ter plaatse waar meer feestdagen door bevel van de overheden gehouden worden

|244|

tot gedachtenis der weldaden van Christus — als de Besnijdenis van Christus (d.i. de Nieuwjaarsdag) en Hemelvaartsdag — zullen de dienaars arbeiden dat zij met prediken de lediggang van het volk in een heilige en nuttige oefening veranderen” (’s-Gravenhage 1586).

“De gemeenten zullen onderhouden benevens de Zondag ook de Kerstdag, Pasen en Pinksteren, met de volgende dag. En dewijl in de meeste steden en provinciën van Nederland daarenboven nog gehouden worden de dag van de besnijdenis en hemelvaart van Christus, zullen de dienaars overal, waar dit nog niet in ’t gebruik is, bij de overheden arbeiden dat zij zich met de anderen mogen conformeren” (Dordrecht 1618/19; tegenwoordige redactie: Utrecht 1905).

“Daar de Heilige Schrift even sterk vermaant om te staan in de vrijheid, waarmede Christus hen heeft vrij-gemaakt, als tot het in acht nemen van de goddelijke ordonnantiën, zo zal men zich in de gemeente van Christus zorgvuldig wachten om nevens de stipte heiliging van ’s Heeren dag de mensen te verplichten tot het vieren van zogenaamde feestdagen welke de Heere niet in zijn woord verordineerd heeft. De dag des Heeren is door God zelven geheiligd, en wij kunnen en mogen daarbij door menselijke bepaling geen andere feestelijkheid voegen. De zes werkdagen zijn van God gegeven om te arbeiden; men zal op die dagen wel tezamen komen om uit en naar het woord Gods gesticht te worden, mits men maar niet de conscientie van de mensen binde tot de onderhouding van door mensen vastbepaalde en jaarlijks geregeld wederkerende feestdagen; men zal in dezen het gemoed volkomen vrijlaten” (Amsterdam 1836).

“Daar de onderhouding van feestdagen niet in Gods woord wordt voorgeschreven, zo mag men nooit enige nood daarvan aan iemand opleggen, veel minder dezelve gelijk stellen met de rustdag.
Daar echter, waar men op die dagen niet werkt, zal men dezelve zoveel mogelijk stichtelijk zoeken door te brengen” (K.O. van 1837).

De viering van de „Goede Vrijdag” is door de gereformeerde kerken nimmer geijkt. Ofschoon ooit vroeger spaarzaam gevierd, werd zij pas in het midden van de negentiende eeuw in de Ned. Hervormde Kerk tot bijzondere feestdag met avondmaalsviering bestemd. Onze kerken spraken daarover in afwijzende zin.

|245|

“De vergadering verlangt betreffende de Goede Vrijdag, dat die dag volstrekt niet feestelijk gevierd worde” (Zwolle 1854).

“Het heilig avondmaal zal niet op de Goede Vrijdag bediend worden. Of de gemeente op die dag zal samenkomen, worde aan de prudentie van de kerkeraden overgelaten” (Rotterdam 1887).

“Het is zeer zeker waar, dat de Goede Vrijdag niet een dag is van goddelijke instelling, gelijk de wekelijkse rustdag; het verdient dan ook zeker geen aanbeveling, een viering van die dag in te voeren, waar zij niet aanwezig is; maar ter anderer zijde moet toch ook met voorzichtigheid worden te werk gegaan in kerken, waar die dag reeds sedert lang tot vierdag bestemd is, en waar de gemeente grotendeels aan zulke viering gehecht is. Door onderwijzing moet dan de gemeente onderricht worden omtrent de betekenis die het sterven en de opstanding van Christus voor zijn verlossingswerk heeft, en omtrent de rechte viering en herdenking van zijn kruisdood aan het heilig avondmaal.
Waar men, gelijk in de meeste kerken het geval is, die dag als een gewone werkdag beschouwt, en alleen ’s avonds de gemeente samenkomt om bij de geschiedenis van Christus’ sterven bepaald te worden, kan hiertegen wel geen bedenking gemaakt worden; mits altijd gezorgd worde, dat de gemeente niet mene, dat de herdenking van Christus’ sterven tot die dag bepaald is, of alleen op die dag behoort te geschieden” (Leeuwarden 1880).

De gewoonte om zich bij de prediking te houden aan de gang van het kerkelijke jaar is in geen enkel opzicht verbindend.

“Op het verzoek, dat de synode zich uitspreke in deze zin, dat het aanbeveling verdient, dat de dienaren des Woords in de Gereformeerde kerken zich bij de prediking des Woords houden aan de gang van het kerkelijk jaar, — besluit de synode, overwegende, dat in een uitspraak als door dit verzoek van haar gevraagd wordt, zekere inperking van vrijheid en gebied van tekstkeuze zou liggen, en dat zij daartoe geen roeping ziet, op dit verzoek niet in te gaan” (Amsterdam 1936).

Bos, F.L. (1950) Art. 68

Art. 68.

De dienaars zullen alom des Zondags, ordinaarlijk in

|246|

de namiddagse predikatiën, de somma (d.i. hoofdsom) der christelijke leer, in de Catechismus, die tegenwoordig in de Nederlandse kerken aangenomen is, vervat, kort uitleggen, alzo dat dezelve, zoveel mogelijk 1) jaarlijks mag geëindigd worden, volgens de afdeling van de Catechismus zelve, daarop gemaakt.

1) De woorden „zoveel mogelijk” zijn in 1905 toegevoegd. Overigens is het artikel van 1586.

Ter wille van de zeer nodige en nuttige onderwijzing der kerk hebben de kerkelijke vergaderingen van den beginne op het houden van namiddagpredikatiën uit de Catechismus aangedrongen.

“Men zal zich bevlijtigen om de Heidelbergse Catechismus alom en in alle gemeenten in ’t werk te leggen en in de kerken te prediken” (Alkmaar 1573).

“Men zal de Heidelbergse Catechismus alleen openlijk leren.
Men zal ’s namiddags de predikatie van de Catechismus naar gewoonte onderhouden” (Dordrecht 1574).

“Hoewel het leren van de Catechismus op de preekstoel, op zulk een manier van vragen en antwoorden gesteld, op zichzelf geen bevel heeft in de Heilige Schrift, is nochtans het in de kerk hebben en leren van een soort catechismus, dat is van een samenvatting van de fundamenten der christelijke religie, een apostolisch gebruik, gelijk blijkt uit Hebr. 6: 1, en ten allen tijde in de kerk onderhouden, en heeft het zeer grote nuttigheid, waarom het in dat opzicht niet voor middelmatig behoort gehouden te worden” (Schoonhoven 1597).

“Alle predikanten, niet alleen in de steden maar ook op alle dorpen zullen ernstig en onder zware kerkelijke censuur worden belast, dat men op de zondagen des namiddags altijd catechismusprediking zal doen, waarin de Heidelbergse Catechismus, in onze kerken aangenomen, naar de orde verklaard wordt..., en dat deze namiddagpredikatiën om de weinigheid der toehoorders, die in sommige dorpen zoude mogen voorgewend worden, niet zullen mogen verzuimd of nagelaten worden, al is het dat de predikanten in ’t eerst voor weinige toehoorders, ja maar alleen voor hun gezinnen zouden moeten prediken, dewijl zonder twijfel, indien de herders met het voorbeeld van hun gezinnen voorgaan, en de anderen, bijzonder die de gereformeerde religie toegedaan

|247|

zijn, naarstig vermanen, mettertijd velen genoeg tot de predikatiën zullen komen” (Dordrecht 1618/19).

“Dringend nodig is het, in alle kerken de predikatie van de Catechismus te hervatten of voort te zetten. De kerkeraden hebben overeenkomstig de kerkenorde te zorgen, dat op elke zondag, des namiddags of des avonds, zo maar enigszins mogelijk, de stukken van onze religie naar de leiddraad van de Catechismus verhandeld worden” (Rotterdam 1887).

De catechismusprediking mag ook in combinatiën en vacante kerken niet verwaarloosd worden.

“De predikanten die twee kerken bedienen zullen naarstigheid doen, dat zij tenminste om de andere beurt na de middag catechismusprediking houden” (Dordrecht 1618/19).

“De catechismuspredikatie zal in geval van combinatie om beurten in de ene en in de andere kerk gedaan worden” (Edam 1619).

Verzuim van de catechismusprediking is censuurwaardig te achten.

“Opdat alle predikanten in dit stuk behoorlijk en naarstig hun ambt vervullen, zullen de visitatoren der kerken goede zorg dragen, indien ze enigen bevinden deze ordinantie der synode niet te gehoorzamen, deze aan de classe aan te geven, opdat hun nalatigheid door behoorlijke censuur ernstig bestraft worde.
Gelijk ook der kerkelijke censuur waardig geacht worden degenen die, belijdenis doende van de gereformeerde religie, de namiddagse predikatiën weigeren te bezoeken en hun gezinnen daartoe te brengen” (Dordrecht 1618/ 19).

Ook de catechismusprediking moet dienst des Woords zijn.

“De dienaars zullen zich na de middag houden aan de catechismus, alzo dat men niet de catechismusvragen, maar een tekst daartoe dienstig van de preekstoel voorleze” (Bolsward 1608).

“Waar het gevoegelijk geschieden kan, zal men voor de leer van de Catechismus enige teksten uit de Heilige Schrift voorlezen, die met de stof van de Catechismus overeenkomen” (Delft 1618).

|248|

“Eerst zal een geschikte tekst uit de Heilige Schrift, waarop vraag en antwoord passen, voorgelezen worden, en daarna pas de vraag en het antwoord die verklaard zullen worden” (Leiden 1619).

“In een der (zondagse) bijeenkomsten zal de Heidelbergse Catechismus worden verklaard voor de gemeente. Hij die in deze verklaring voorgaat, zal vooral zorg dragen, dat de overeenkomst van die Catechismus met Gods Woord duidelijk worde aangetoond, opdat de gemeente meer en meer lere verstaan dat onze belijdenis niet gebouwd is op menselijke redenering, maar op Gods getuigenis. Verder, dat de verhandelde waarheid dienstbaar gemaakt worde aan de praktijk der godzaligheid” (Huish. Regl. 1839).

Vanwege haar onderwijzend karakter behoort de catechismusprediking kort, duidelijk en eenvoudig te zijn.

“De herders zullen de catechismuspredikatiën op die wijze inrichten, dat zij zowel de kortheid betrachten en tegelijk ook de duidelijkheid, en kunnen tonen, dat zij rekening gehouden hebben niet slechts met de ouderen, maar ook met de onkundiger en tedere jeugd” (Acta Contracta, Dordrecht 1618/19).

Bos, F.L. (1950) Art. 69

Art. 69.

In de kerken zullen gezongen worden de 150 psalmen, alsmede de enige gezangen, zoals die zijn gehandhaafd en vastgesteld voor kerkelijk gebruik door de synode van Middelburg in 1933.

Onze kerken waren vroeger zeer huiverig voor het kerkelijk gebruik van niet direct aan de Schrift ontleende gezangen.

“Op het voorstel, of het nut ware dat men benevens de psalmen Davids, gedicht door Datheen, enige andere geestelijke liedekens en psalmen, door andere geleerde lieden gemaakt, in de kerk gebruikte, is door de broederen besloten, dat men met de psalmen van Datheen, mitsgaders hetgene dat er bij is, tevreden zal wezen, totdat ter generale synode anders besloten zal zijn.
Is besloten dat na het gebed voor de predikatie het gezang „o God die onze Vader zijt enz.” den dienaren vrij zal staan te houden of te laten” (Dordrecht 1574).

|249|

“De psalmen Davids alleen zullen in de kerk gezongen worden, latende de gezangen die men niet vindt in de Schrift” (Middelburg 1581; vrijwel evenzo: Dordrecht 1578 en ’s-Gravenhage 1586).

“Of het niet goed zij, dat er enige uitgelezene lofzangen uit de oostersen (d.i. uit de in Duitsland gebruikelijken) achter onze psalmboeken gedrukt worden?
Is geantwoord, dat het niet raadzaam is.
Doch wijl de landlieden in het sticht van Overijsel zeer tot de oostersen geneigd zijn, en kwalijk tot de psalmen Davids, in de Nederlandse kerken gebruikelijk kunnen gewend worden, zo zullen die van Deventer tien of twaalf, of enige meer van de lichtste psalmen mogen uittrekken en afzonderlijk laten drukken, en daarbij enige oosterse uitgelezen gezangen, om alzo de boeren aldaar tot gebruik van de psalmen Davids te gewennen” (Middelburg 1581).

“In de kerken zullen alleen de 150 psalmen Davids, de tien geboden, het onze Vader, de twaalf artikelen des geloofs, de lofzangen van Maria, Zacharia en Simeon gezongen worden. ’t Gezang „O God die onze Vader zijt, enz.” wordt in de vrijheid der kerken gesteld om hetzelve te gebruiken of na te laten. Alle andere gezangen zal men uit de kerken weren, en waar er enige alrede ingevoerd zijn, zal men dezelve met de gevoegelijkste middelen afschaffen” 1) (Dordrecht 1618/19).

1) In de oostelijke en noordelijke provinciën waren op feestdagen enkele Duitse hymnen in gebruik. Nog de K.O. van Drenthe 1638 voegde, met weglating van het slot, aan het eerste gedeelte van het Dordtse artikel toe: „Wordt ook in de vrijheid der kerken gesteld daarenboven sommige geestelijke gezangen, die in sommige kerken nog op de feestdagen gezongen worden, of te gebruiken of na te laten”.

“In de bijeenkomsten der gemeente zal men gebruik blijven maken van de gewone berijming der 150 psalmen Davids en der liederen die men in de Bijbel vindt, nalatende en werende uit de openbare vergaderingen der gemeente de menselijke gezangen, welke niet in de Bijbel gevonden worden, opdat het werk van mensen niet worde gelijk gesteld met het werk van mannen die gesproken hebben gedreven door den Heiligen Geest” (Amsterdam 1836).

“De synode oordeelt het niet raadzaam om te treden in het verzoek ... dat de synode een commissie benoeme tot het verzamelen van een bundeltje gezangen tot

|250|

gebruik bij de openbare godsdienstoefening, waarvan echter de invoering aan de gemeenten zal worden overgelaten” (Amsterdam 1866).

“De synode besluit een vijftal deputaten te benoemen, die de bundel „Enige gezangen” zullen overzien en voorts trachten die uit te breiden met enige andere berijmde of onberijmde gedeelten der H. Schrift, welke het den kerken vrij zal staan, nevens de psalmen in de eredienst te gebruiken” 1) (Leeuwarden 1920).

1) De synode van Utrecht 1923 achtte de aangeboden proeve van uitbreiding „over het algemeen niet geslaagd”, „ten dele” vanwege „de moeilijkheden waarvoor de opdracht van de synode van Leeuwarden — verzameling van berijmde en onberijmde schriftgedeelten — deputaten plaatste”.

Na principiëel onderzoek van de kwestie van het z.g. vrije kerklied, werd in de jongste tijd tot een beperkte uitbreiding van het bundeltje „Enige gezangen” besloten.

„De synode benoemt deputaten met de opdracht, de kwestie van het zogenaamde „vrije kerklied” in haar volle omvang principiëel te onderzoeken…” (Utrecht 1923).

Deputaten, belast met de opdracht om de kwestie van het zogenaamde vrije kerklied in haar volle omvang principiëel te onderzoeken, kwamen tot de volgende conclusies:
“1. dat noch van een uitdrukkelijk gebod om het vrije lied in de eredienst der gemeente in te voeren, noch van een verbod om dit te doen in de Heilige Schrift sprake is;
2. dat al heeft God de Heere in de Heilige Schrift ons slechts één psalmbundel geschonken, die ook voor de eredienst der nieuwtestamentische gemeente bestemd is, het aan de vrijheid der kerken is overgelaten om daar-naast ook gezangen te zingen;
3. dat van de gereformeerde kerken sommigen zulke gezangbundels naast de psalmen hebben ingevoerd, terwijl anderen zich bepaald hebben tot de psalmbundel, maar dat ook deze laatstgenoemde kerken door een psalmberijming in te voeren en daarnaast toch enkele gezangen toe te laten, getoond hebben, dat dit niet bedoeld was als een principiële veroordeling van het vrije lied;
4. dat de vrees om zulke gezangbundels in te voeren, die reeds bij de oude christelijke kerk bestond en ook

|251|

bij een deel onzer gereformeerde kerken bestaan heeft, vooral te wijten is aan twee oorzaken:
vooreerst aan het misbruik, dat van dit vrije lied gemaakt is, zowel door ketterse secten in de oude christelijke, kerk als door de Roomse kerk in de Middeleeuwen,
en ten tweede, dat schier overal, waar zulke gezangenbundels werden ingevoerd, de psalmen daardoor op de achtergrond zijn geraakt of buiten gebruik gekomen;
5. dat al dient met deze beide gevaren ernstig rekening te worden gehouden, en al zijn de gereformeerde kerken van vroeger en nu, die uit vrees voor deze gevaren zich tot de psalmen beperkt hebben, niet te veroordelen, toch, mits elke dwang om zulke gezangen in te voeren buitengesloten blijft, en gezorgd wordt dat de psalmenbundel in zijn geheel de ereplaats in de zang der gemeente behoudt, en geen gezangen worden ingevoerd dan die in overeenstemming zijn met de H. Schrift en onze belijdenisschriften, voor de invoering van zulk een gezangenbundel pleit,
vooreerst, dat de gemeente des nieuwe verbonds behoefte heeft om, evenals dit door de triomferende kerk in de hemel geschiedt, in het „nieuwe lied” de aanbidding en ere toe te brengen aan het Lam dat voor ons geslacht is;
ten tweede, dat op onze christelijke feestdagen de grote heilsfeiten, zoals Christus’ geboorte, opstanding en de uitstorting des Heiligen Geestes om een lied vragen, dat beter dan door de psalmen kan geschieden, de betekenis dier feiten in het licht stelt;
en ten derde dat zulk een lied ook gewenst is bij de bediening der sacramenten en kerkelijke plechtigheden, waarvoor de psalmen ons niet genoegzame stof bieden” (rapport, Arnhem 1930).

“Met terzijdelating van de overwegingen besluit de synode deputaten op te dragen de bestaande bundel „Enige gezangen” uit te breiden met enige berijmde of onberijmde Schriftgedeelten of liederen, die zich aan de Heilige Schrift ten nauwste aansluiten, om den kerken te worden aangeboden ten gebruike inzonderheid op de christelijke feestdagen, op de dagen die bestemd zijn voor de herdenking van het lijden en sterven van Christus, bij de bediening der heilige sacramenten, de bevestiging van ambtsdragers en huwelijksbevestigingen” (Arnhem 1930).

“De synode besluit ten opzichte van de beslissing der generale synode van Arnhem in zake de uitbreiding der gezangen, dat de tegen deze beslissing ingebrachte bezwaren niet van zodanige aard zijn, dat niet tot

|252|

uitbreiding van de bestaande bundel kan worden overgegaan” 1) (Middelburg 1933).

1) De uitbreiding bevat niet alle soorten liederen, waartoe in principe besloten werd. „Naar het oordeel der deputaten zijn er moeilijk voor de eredienst geschikte liederen voor de sacramenten, huwelijk enz. te vinden, weshalve zij het beter geacht hebben deze niet aan te bieden” (rapport, Middelburg 1933).

Het zingen van enige gezangen, die zich nauw bij de Schrift aansluiten, is een middelmatige zaak, die enerzijds niet mag worden veroordeeld en anderzijds niet dwingend mag worden opgelegd.
De voorganger behoort het gebruik daarvan met wijsheid, zo nodig in overleg met de kerkeraad, te regelen.

“De synode besluit niet te aanvaarden de voorgestelde conclusie, de nieuwe bundel „Enige gezangen” aan de kerken aan te bevelen, met dien verstande, dat het niet aan de individuële predikanten, maar aan de kerkeraden wordt overgelaten om te beslissen of de nieuwe gezangen in de gemeente zullen gezongen worden, en hierin met grote wijsheid te werk te gaan” (Middelburg 1933).

“Op de vraag, of het de bedoeling der synode is, dat het in de vrijheid der kerken staat de gezangen te gebruiken, ja dan neen, — wordt besloten te antwoorden: dat de bedoeling der synode van Middelburg 1933 blijkbaar geweest is, dat de gezangen, die door haar zijn gehandhaafd en vastgesteld, in de kerken, zullen gezongen worden, zoals dat ook tevoren met de „Enige gezangen” in de kerken het gebruik is geweest, zodat het gebruik der psalmen en gezangen is overgelaten aan de voorganger in de openbare godsdienstoefeningen, die geacht mag worden met wijsheid en zo nodig in overleg met de kerkeraad dat gebruik te regelen;
en dat de tegenwoordige synode met deze bedoeling geheel instemt” 1) (Amsterdam 1936).

1) Uit het rapport, waarnaar verwezen wordt:
„De synode van Middelburg heeft terecht het gebruik der gezangen niet willen maken tot een strijdpunt in de plaatselijke kerkeraden.
Het is nooit de bedoeling geweest van artikel 69 der kerkenordening, dat het „zullen” der nieuwe redactie een andere betekenis zou hebben dan het „zullen alleen” der oude redactie, zodat van een bijzondere verplichting tot het gebruik van de enige gezangen niet gesproken kan worden.”

|253|

Tot weerlegging van enkele hoofdbezwaren wordt in een aan bezwaarden toegezonden rapport opgemerkt:
„Al wil uw commissie toestemmen, dat de psalmen in geestelijke diepte nimmer overtroffen of zelfs geëvenaard kunnen worden, meent zij toch te moeten opmerken, dat de gezangen niet eenvoudig als menselijke liederen tegenover de psalmen mogen worden gesteld, enerzijds omdat deze gezangen hun oorsprong niet hebben in menselijk denken, maar in de door God geopenbaarde waarheid, en anderzijds omdat ook de vorm der berijmde psalmen geheel van menselijke herkomst is.... Al stemt uw commissie van harte toe dat de psalmen overvloedig van Christus getuigen, en al erkent zij de roeping der dienaren om de gemeente de psalmen te leren verstaan, toch staat het evenzeer vast, dat in de psalmen alleen profetisch van Christus en zijn werk gesproken wordt.…
In middelmatige dingen, waarvoor Gods Woord geen gebod of verbod geeft, behoort men elkaar te dragen... Schade aan de gemeenschap der heiligen wordt aangebracht door hen, die de kerk haar vrijheid in middelmatige dingen willen ontnemen, om haar te binden aan eigen opvatting en inzicht…” (rapport, Amsterdam 1936).

“In zake ingekomen bezwaarschriften tegen de uitbreiding van de bundel „Enige gezangen” spreekt de synode uit:
1. dat zij het besluit van de vorige generale synode in zake de „Enige gezangen” niet kan terugnemen, omdat geen op Gods woord en onze belijdenis gegronde bezwaren daartegen zijn ingebracht;
2. dat zij de bezwaarde broeders en zusters ernstig opwekt om de vrijheid der kerk in middelmatige dingen te erkennen, eigen mening te onderwerpen aan het oordeel der gezamenlijke kerken in haar synodale vergadering en met hartelijke liefde te zoeken, de verstoring van de eenheid en de vrede der kerken, waar deze gevonden wordt, naar vermogen te helpen wegnemen;
3. dat zij vóór- en tegenstanders van het gebruik der gezangen ernstig vermaant, de broeders en zusters wederzijds niet te kwetsen door onnodige harde woorden, maar veel meer elkaar in liefde te zoeken; en
4. dat ... zij er ernstig aan herinnert, dat de gezangen niet anders dan met wijs overleg moeten worden gebruikt” (Amsterdam 1936).

Herziening van de psalmberijming is een aanhangige aangelegenheid.

|254|

“Het verzoek om een herziening van de thans onder ons gebruikte psalmenberijming, speciaal uit schriftuurlijk en confessioneel opzicht, is zeer zeker gegrond. Er komen in onze berijmde psalmen verschillende uitdrukkingen voor die beter door andere kunnen worden vervangen. Wanneer men echter dit werk gaat ondernemen, zal blijken, dat uitdrukkingen die confessioneel door de beugel kunnen, toch exegetisch niet juist zijn, omdat de vertaling van de psalmen hier en daar niet juist is.
Daarom komt het uw deputaten voor dat, vóór wij aan een nieuwe of herziene berijming van de psalmen beginnen, wij eerst een nieuwe vertaling moeten hebben. Is deze er, dan kan daarna de berijming met de nieuwe vertaling in overeenstemming gebracht worden” (aanvaard rapport, Middelburg 1933).

“De synode besluit een vijftal deputaten te benoemen met de opdracht ... te overwegen of thans reeds voorbereidende werkzaamheden kunnen worden verricht voor de in de toekomst noodzakelijke uitgave van een volledig kanselboek inclusief een nieuwe, althans herziene psalmberijming en een verantwoorde notatie der melodieën, met dien verstande dat indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt, tevens wordt opgedragen deze voorbereidende werkzaamheden aan te vangen voor zover zulks naar het oordeel van deputaten mogelijk is” (Sneek 1939).

“De synode, constaterende,
a. dat thans aan de kerken de nieuwe psalmberijming van Ds Hasper in een door den auteur met medewerking van de Stichting-Psalmgezang herziene doch nog niet definitieve editie ter kennisneming en keuring werd aangeboden;
b. dat de mogelijkheid bestaat, dat ook door en namens de Gereformeerde kerken op de vaststelling van de definitieve vorm van deze berijming alsnog invloed kan worden uitgeoefend; overwegende,
a. dat de thans in gebruik zijnde psalmbundel ernstige fouten vertoont, speciaal in de weergave van wat de Heere in de psalmen openbaart en in de schriftmatigheid van zijn berijmingen, en het daarom zeer gewenst is dat hij verbeterd of door een nieuwere vervangen wordt;
b. dat de vraag welke psalmberijming in de officiële eredienst der kerken zal gebruikt worden, een vraag is welke óók de kerken in het gemeen aangaat, zodat de beantwoording van deze vraag méé tot de bevoegdheid van een generale synode behoort;
c. dat door zeer vele kerken de synode verzocht werd het daarheen te leiden, dat ook namens haar alle

|255|

mogelijke en gewenste invloed op de totstandkoming van de definitieve vorm der berijming zal worden uitgeoefend; besluit,
a. de kerken nogmaals op te wekken ernstig kennis te nemen van de herziene psalmberijming welke haar dit jaar werd aangeboden;
b. enkele deputaten te benoemen, welke deze psalmberijming zullen onderzoeken, speciaal wat betreft de vraag, of de geboden berijmingen de gedachten van de oorspronkelijke psalmen zo juist mogelijk weergeven;
c. deze deputaten te verzoeken hun opmerkingen over en kritiek op deze herziene psalmbundel mede te delen aan de instanties, welke de definitieve vorm van de psalmbundel zullen vaststellen;
d. dezen deputaten op te dragen rapport omtrent hun arbeid uit te brengen aan de e.k. generale synode en deze tevens een gedocumenteerde beoordeling van de definitieve psalmbundel aan te bieden, indien deze tijdig genoeg zal verschijnen, welk rapport en beoordeling zo spoedig mogelijk aan de kerken dienen toegezonden te worden” (Amersfoort 1948). *

“De synode besluit: 1. uit te spreken, dat het haar aangeboden Psalmboek 1949 voldoet aan de eisen, die billijkerwijze aan een berijming voor het gebruik in de eredienst der geref. kerken gesteld mogen worden;
2. er daarom bij de kerken op aan te dringen van dit Psalmboek kennis te nemen en in afwachting van een definitieve beslissing ten aanzien van een algemene ingebruikneming, het in de vrijheid der plaatselijke kerken te laten, naast de bestaande bundel deze berijming in de eredienst, na genoegzame voorbereiding, te beproeven;
3. in verband daarmede de Stichting Psalmgezang te verzoeken, er zorg voor te dragen, dat het nieuwe Psalmboek met de melodieën voor de geref. kerken verkrijgbaar wordt gesteld; …
4. opnieuw deputaten te benoemen en hen op te dragen, aandacht te blijven schenken aan de tekst van het Psalmboek 1949, en, waar nodig, alsnog verbeteringen aan te brengen …” (’s-Gravenhage 1949).

Bos, F.L. (1950) Art. 70

Art. 70.

Alzo behoorlijk is, dat de huwelijke staat voor Christus’ gemeente bevestigd worde, volgens het Formulier daarvan zijnde, zullen de kerkeraden daarop toezien.

Het huwelijk is in eerster instantie een burgerlijke

|256|

aangelegenheid, welker normen, voor zover die vallen binnen de sfeer van de publieke rechtsorde, door de overheid als Gods dienaresse zoveel in haar is moeten worden gehandhaafd.
Terecht trok dan ook de overheid in het begin van de negentiende eeuw de burgerlijke huwelijksbevestiging — de sanctie op het onderlinge contract der partijen, waardoor het tot een wettig huwelijk wordt verklaard — geheel aan zich, nadat deze taak eeuwenlang, niet zonder grote bezwaren van die zijde, veelszins op de schouders van de kerk was geschoven.

“Een iegelijk zal, zoveel het in het vermogen van zijn kerk is, (arbeiden dat) de zaak van het huwelijk tot ontlasting van de kerk overgebracht wordt naar de burgerlijke overheid” (Edam 1572).

“… dewijl het openbaar trouwen politiek (d.i. een burgerlijke zaak) is” (Dordrecht 1574).

Intussen heeft de kerk ook zuiver geestelijke eisen aan het huwelijk te stellen en met geestelijke middelen onder haar leden te handhaven.

1. Het huwelijk moet als een heilig verbond voor den Heere worden gesloten en gehouden.

“Die den vriend van haar jeugd verlaat, en vergeet het verbond van haar God” (Spr. 2: 17).

“De Heere is opgetreden als aanklager in de zaak tussen u en de vrouw uwer jeugd, tegen wie gij trouweloos gehandeld hebt, terwijl zij toch uw gezellin is geweest en de vrouw, met wie gij een verbond zijt aangegaan” (Mal. 2: 14).

2. De band aan Koning Christus moet bij het huwelijk allesbeheersend zijn.

“Zij is vrij om te trouwen met wien zij wil, mits in den Heere (1 Cor. 7: 39b).

3. De huwelijksgemeenschap moet een type vertonen der wederzijdse verhouding tussen Christus en zijn gemeente.

|257|

“Vrouwen, weest aan uw man onderdanig als aan den Heere, want de man is het hoofd van zijn vrouw, evenals Christus het hoofd is zijner gemeente…
Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad…
Zo zijn de mannen verplicht hun vrouwen lief te hebben als hun eigen lichaam. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, heeft zichzelve lief; want niemand haat ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt het en koestert het, zoals Christus de gemeente, omdat wij leden zijn van zijn lichaam. Daarom zal een mens vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen één vlees zijn. Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en de gemeente…” (Ef. 5: 22-33).

4. De gezinsvorming moet dienstbaar zijn aan het grootbrengen van kinderen voor den Heere.

“En wat zoekt de Ene? Zaad Gods” (Mal. 2: 15m).

“Uw zonen en dochteren, die gij Mij gebaard had” (Ezech. 16: 20).

Ofschoon de Bijbel in dezen geen liturgisch handelen voorschrijft, heeft de kerk om te midden van de geestelijke decadentie die eisen tot hun recht te laten komen, als maatregel van orde de kerkelijke huwelijksbevestiging ingesteld.
Door deze plechtige sanctie van de verbintenis van hen, die de genoemde geestelijke eisen erkennen, wordt het huwelijk als christelijk gekwalificeerd.
In verband daarmede wordt het huwelijk ook ingezegend, d.w.z.: de zegen des Heeren wordt daarover afgesmeekt en uitgeroepen.

“De echte staat is een christelijke verbintenis, welke verbintenissen door de dienaars der kerk met vermaningen en gebeden ingezegend en gebenedijd worden” (’s-Gravenhage 1583).

“Werd gevraagd, of de kerkelijke bevestiging van het huwelijk als noodzakelijk moet gerekend worden in de gemeente des Heeren Jesu Christi? En eenparig geoordeeld, dat het betamelijk en noodzakelijk is om in zulk een hoogst gewichtige zaak niet dan met den Heere, onder aanroeping van zijn heilige Naam, naar

|258|

zijn Woord te beginnen; weshalve besloten wordt om in elke gemeente dit oordeel der kerkvergadering bekend te maken, en de gemeente te vermanen om ook vooral in deze zaken zich te onderwerpen aan de goddelijke vermaning: Kent den Heere in al uw wegen en Hij zal uw paden recht maken” (Amsterdam 1836).

“De lidmaten der gemeente, die zich in de huwelijksstaat wensen te begeven, zullen van dit hun voornemen kennis geven aan de kerkeraad, opdat daarvan ten minste tweemaal aflezing kunne geschieden in de gemeente, en onderzocht worden, of er ook wettige redenen bestaan, volgens Gods Woord, waardoor zodanig huwelijk moet verhinderd worden.
De bevestiging des huwelijks geschiedt na het onderzoek, volgens het Formulier, daarvan in de Christelijke Gereformeerde Kerk aanwezig. Vóór de bevestiging zal het moeten blijken, dat aan de wettelijke bepalingen in de burgerlijke maatschappij voldaan is” (Huish. Regl. 1839).

“Omtrent het voorstel van Noordholland — de synode stelle de kerkelijke inzegening van het huwelijk verplichtend en bepale dat ook zij daarop recht hebben, van wie één lid of kind der gemeente is — spreekt de synode als haar oordeel uit, dat elk de kerkelijke inzegening des huwelijks als een voorrecht behoort te begeren, de kerkeraden moeten arbeiden om die overtuiging algemeen op te wekken en te versterken, en voorts te doen wat in hun vermogen is, om de kerkelijke inzegening des huwelijks ernstig en plechtig te doen geschieden” (’s-Hertogenbosch 1875).

Deze kerkelijke huwelijksbevestiging behoort te geschieden door den dienaar des Woords in de openbare samenkomst der gemeente.

“Dewijl het huwelijkse trouwen, verbinden en inzegenen een kerkelijke actie is, en in de aangenomen kerkenordening gevraagd wordt of de echtelieden aangaande zichzelf willen getuigen voor God en zijn gemeente, ... Is besloten, dat de openbare huwelijksbevestiging geschieden zal voor de preekstoel voor het aangezicht der gemeente voor het laatste gebed…” (Kampen 1593).

“Een ouderling kan als zodanig niet optreden tot een huwelijksbevestiging, daar toch deze te beschouwen is als een kerkelijke bediening des Woords met betrekking tot het huwelijk” (Leeuwarden 1890).

|259|

De kerkelijke huwelijksbevestiging moet worden geweigerd, als de andere partij als een ongelovige moet worden aangemerkt, omdat hier niet van een huwelijk „in den Heere” kan worden gesproken, en de basis voor een christelijke huwelijksgemeenschap ontbreekt.

“Vormt geen ongelijk span met ongelovigen, want .. welk deel heeft een gelovige met een ongelovige?” (2 Cor. 6: 14, 15).

“Of het den lidmaten der gemeente vrij staat, hun kinderen ten huwelijk te geven aan degenen, die geen lidmaten der gemeente zijn? Antwoord: Zo zij vijanden der religie zijn, staat het gans niet vrij” (Dordrecht 1578).

“Of men een gedoopt persoon met een ongedoopte zal mogen trouwen?
Antwoord: dat zulks niet geraden is, dewijl de ongedoopte persoon door verwerping van de doop niet kan gerekend worden in het verbond Gods, en ook zulk een trouw voor de gemeente een grote lastering is” (’s-Gravenhage 1586).

“De huwelijken van diegenen die door de doop de christelijke kerk nog niet ingelijfd zijn, behoort men met de publieke en plechtige zegen, in de kerken gebruikelijk, niet te vieren, voor en aleer zij hun doop ontvangen hebben” 1) (Dordrecht 1618/19).

1) Vgl. echter: „Er is een groot verschil tussen een huwelijk van een gereformeerde met een ongelovige ongedoopte, die de doop veracht, dan wel met een ongedoopte, die zich bij de kerk voegt en de doop zoekt” (rapport, Arnhem 1930).

“Het betaamt niet dat huwelijken, aangegaan met geëxcommuniceerden en die van de gereformeerde kerk gans vreemd zijn, met de plechtige zegen in de gereformeerde kerken openlijk bevestigd worden” (Dordrecht 1618/19).

De kerk heeft tegen zulke onchristelijke huwelijken zoveel mogelijk ook op te treden door preventieve vermaningen.

“De classis vindt raadzaam, dat de dienaren des Woords degenen die ongehuwd zijnde zich tot de tafel des Heeren willen begeven, zullen vermanen, dat zij wel toezien,

|260|

dat zij met niemand buiten de gemeente trouwen, tenzij dan met zodanige die de religie toestemt en van een vrome burgerlijke wandel is; en dat het wel raadzaam ware, dat zij, eer het huwelijk gesloten wordt, daarover zouden raadplegen met den dienaar des Woords of ouderling der gemeente” (Cl. Nederveluwe, Barneveld 1603).

Ook kerkelijk-gemengde huwelijken moeten ten ernstigste worden ontraden, omdat door de kerkelijke gescheidenheid de christelijke huwelijksgemeenschap in haar ontplooiing wordt belemmerd, en het grootbrengen van kinderen voor den Heere daardoor wordt geschaad.

“Het is raadzaam en zijn te vermanen die van de gemeente zijn, dat zij trouwen met hunsgelijken” (Rotterdam 1581).

“Wanneer een lidmaat der Gereformeerde gemeente begeert ondertrouwd te worden met een ander die een vreemde godsdienst drijft, zal men zulks de Gereformeerde partij afraden met betrekking tot grote zwarigheden die uit zulk een ongelijk huwelijk voortspruiten zouden” (Goes 1597).

“De dienaars zullen arbeiden om zulke huwelijken — (tussen) twee personen, waarvan de eene een lidmaat is en de andere geen belijdenis (der Gereformeerde religie) doet — te verhinderen, zoveel mogelijk is” (Middelburg 1581).

Nochtans kan het christelijk karakter van zulk een huwelijk niet worden ontkend op grond van de kerkelijke gescheidenheid alleen, omdat
a. zonde met betrekking tot de kerkelijke samenleving veelszins berust op dwaling, welke de oprechtheid van het geloof in Christus en de feitelijke beleving daarvan in het huwelijk niet uitsluit;
b. de kerkelijke gescheidenheid het niet onmogelijk maakt om in de onderlinge verhouding van man en vrouw de centrale gemeenschap met Christus in geloof te beoefenen en de onderlinge verhouding door het voorbeeld van de verhouding tussen Christus en zijn gemeente te laten bepalen;

|261|

c. het grootbrengen van kinderen voor den Heere door de genoemde schadende factoren niet wordt vérhinderd, daar Gods Woord zelfs de basis daarvoor aanwezig acht als een der partijen ongelovig is (1 Cor. 7: 14).
Daarom is een onderscheiden behandeling der gevallen noodzakelijk.

“Of men lidmaten met Hendrik Nicolaieten, David Joristen, papisten zoude mogen trouwen?
Wordt met onderscheiding geantwoord, dat David Joristen en Hendrik Nicolaieten niet in onze kerken of met het formulier onzer kerken in den huwelijken staat bevestigd worden. Doch aangaande de papisten, dat men die eenvoudig weg niet kan weren, maar de kerkeraden en classes hebben met christelijke voorzichtigheid onderscheid te maken tussen papisten en papisten” (Brielle 1623).

“De vraag werd voorgesteld, of een huwelijk van personen, waarvan de ene niet tot de gemeente behoort, kerkelijk mag ingezegend worden. Hierbij werd opgemerkt, dat de kerkelijke inzegening meer betekent dan toewensing van zegen, terwijl ook in het formulier van de huwelijksbevestiging uitdrukkingen voorkomen, die niet wel anders kunnen gebezigd worden dan in de onderstelling, dat zij die bevestigd worden voor onberispelijke leden bij de kerk bekend zijn. De vergadering zag, in de tegenwoordige toestand der kerk, grote moeilijkheid in deze zaak, waarom zij, met verwijzing naar het kerkelijk handboekje, aan elke kerkeraad aanbeveelt, hierin met omzichtigheid, te handelen” (Amsterdam 1849).

“De synode besluit aan het verzoek der particuliere synode van Utrecht — de generale synode bevordere zoveel doenlijk, dat in alle gereformeerde kerken van Nederland een uniforme regeling kome ten aanzien van de bevestiging van gemengde huwelijken — niet te voldoen, omdat de gevallen te zeer onderscheiden zijn” (Arnhem 1930).

“De synode spreekt uit, dat het niet wenselijk is een nadere algemene regeling voor de huwelijksbevestiging bij alle kerken aan te bevelen, maar deze aangelegenheid overgelaten moet worden aan de vrijheid en de prudentie der kerken, die ook zelf een bepaalde termijn voor de aanvraag van de huwelijksbevestiging eventueel kunnen vaststellen” (Utrecht 1943-45).

|262|

Op schriftuurlijke gronden kan de kerk aan het huwelijk van een van haar leden met een persoon die buiten de kerkelijke gemeenschap staat, tenslótte haar sanctie en zegen niet onthouden, indien zij door onderzoek vol-doende zekerheid ontvangt, dat die andere partij geestelijk niet vreemd is aan de fundamentele stukken van het christelijk geloof, het koningschap van Christus over het huwelijksleven erkent en de eisen die Gods Woord aan het huwelijks- en gezinsleven stelt, aanvaardt, en bereid is om de roeping, waarvoor de kerkelijke samenleving de wederhelft plaatst, ook ten aanzien van het te vormen gezin, ten volle te eerbiedigen.

“Of het den lidmaten der gemeente vrij staat, hun kinderen ten huwelijk te geven aan degenen die geen lidmaten der gemeente zijn? Antwoord: Zo zij vijanden der religie zijn, staat het gans niet vrij. Maar zo zij niet tegen de religie gekant zijn en een goede hoop van zich geven dat zij in de kennis der waarheid toenemen zullen, en beloven hun partij in de oefening der religie niet te verhinderen, zo is het geoorloofd” (Dordrecht 1578).

“De synode spreekt uit, dat huwelijken tussen doopleden en dat gemengde huwelijken, waarbij de niet-gereformeerde huwende er in bewilligt, dat kinderen uit het huwelijk in de gereformeerde kerk gedoopt en in de gereformeerde leer opgevoed zullen worden, moeten bevestigd, tenzij de kerkeraad op goede gronden de overtuiging heeft, dat een der huwenden tot de ongelovige en goddeloze mensen moet worden gerekend” (Utrecht 1943-45).

Intussen heeft de kerk ook dan voor het minst haar sanctie en zegen aan een huwelijk te onthouden, wanneer daarbij de zedelijke normen, die Gods Woord stelt, ook al wordt de publieke rechtsorde niet overtreden, worden aangetast.
Zo heeft de kerk bij de huwelijkssluiting mede toe te zien op de handhaving van het ouderlijk gezag.

“Gelovigen die nog onder voogdij staan, mogen zich niet in het huwelijk verbinden zonder toestemming van hun ouders of voogden, ten ware de ouders in ’t geheel niet

|263|

zouden willen bewilligen wegens godsdiensthaat of anderszins om al te onredelijke oorzaak, waarover de kerkeraad zal kunnen oordelen” („Teurs” 1563).

“Niemand die onder de macht van zijn ouders of van hen die de plaats van zijn ouders innemen, staat, mag zonder hun toestemming een huwelijk aangaan; en de huwelijksbelofte zonder hun toestemming gegeven, is van gener waarde. Indien enigen zich hierin echter zo vijandig en hard voor zouden doen, dat zij op geen enkele wijze zouden willen toestemmen — wat somtijds uit godsdiensthaat of uit andere oorzaken geschiedt —, zal het aan liet oordeel van de kerkeraad staan, of er een billijke oorzaak is om een zo heilige instelling te verhinderen” (Emden 1571).

“Wat men doen zal, wanneer de ouders, waaronder de kinderen staan, zich onbillijk aanstellen, om in hun huwelijk niet te willen toestemmen? Antwoord: De kerkeraad zal bezien, wat den zodanigen te raden is” (Middelburg 1581).

“Hoelang iemand te houden is minderjarig te zijn en onder de macht van zijn ouders te staan? Antwoord: Een iegelijk zal zich hierin voegen naar het recht en de zeden der stad of des lands, waarin hij woont” (Middelburg 1581).

Ook heeft de kerk toe te zien — vooral in zoverre de overheid in dezen ruimer normen stelt — dat de door Gods Woord verboden graden van bloedverwantschap en zwagerschap worden geëerbiedigd; zie Lev. 18 en 20.
Over de te trekken consequenties uit de Schriftgegevens is verschillend gedacht.

“Op de vraag of de huwelijken die met uitgedrukte woorden niet verboden worden in Levit. 18, dan uit tegenstelling en consequenties besloten worden, voor verboden en ongeoorloofd gehouden zullen worden?
Antwoord: Ja, dewijl zij van gelijke aard en natuur zijn” (Dordrecht 1574).

Gods Woord verbiedt het huwelijk van neef en nicht niet; integendeel (vgl. Num. 36: 11). Toch oordeelde men vroeger zulk een huwelijk ongewenst.

“Of het stichtelijk is dat twee personen, wezende ooms-kinderen, of in gelijke graad, elkander trouwen?

|264|

Is geantwoord niet stichtelijk te zijn
1. om der ergenis wil die daaruit ontstaat;
2. om der eerbaarheid wil;
3. opdat de vriendschap te beter tot andere gedachten mag uitgebreid worden;
4. omdat het strijdt tegen het gebruik van meest alle gereformeerde kerken” (Middelburg 1581).

Daar het huwelijk tussen tante en neef verboden is, geldt het huwelijk tussen oom en nicht als betwist.

“Of een man de dochter van de zuster of broeder van zijn huisvrouw, waarvan zijn huisvrouw tante was, mag trouwen?
Is geantwoord: Neen” (Middelburg 1581).

“De synode oordeelt wat het huwelijk van een oom met zijn nicht betreft, dat zulk een huwelijk niet verboden is, maar, als betwist zijnde, niet is aan te raden” (Zwolle 1882).

Er bestaat geen grond in Gods Woord om het huwelijk tussen een man en de weduwe van de broeder van zijn overleden vrouw te verbieden, hoewel dit wel gebeurd is.

“Of het geoorloofd is te trouwen de weduwe van dien, wiens zuster men te voren ten huwelijk gehad heeft? Is geantwoord dat het niet eerlijk geschieden kan” (Middelburg 1581).

“De vergadering heeft geoordeeld, dat zij geen grond in Gods Woord vindt om het huwelijk van een man met de weduwe van de broeder van zijn overleden vrouw te verbieden” (Amsterdam 1849).

Betwist is wederom het huwelijk van een man met de zuster van zijn overleden vrouw.

“Betreffende het huwelijk van een man met de zuster van zijn overledene vrouw, besluit de synode, oordelende dat dit huwelijk tot de betwiste behoort, en men omtrent zulke punten geen kerkelijke straf kan opleggen,
a. de leden onzer kerk aan te raden zulk een huwelijk niet aan te gaan;
b. dat iemand, die dit huwelijk aangaat, niet kerkelijk gestraft mag worden” (Groningen 1872).

|265|

Het huwelijk van een vrouw met de broeder van haar overleden man is in Gods Woord verboden. Vgl. echter het leviraatshuwelijk. Ook wordt daarover geen directe straf bedreigd als in geval van duidelijke bloedschande.

“De synode besluit het huwelijk met de broeder van de overleden man te moeten blijven veroordelen als in strijd met Lev. 18: 16…;
mitsdien zeer ernstig te waarschuwen tegen het aangaan van zulk een huwelijk;
doch daar de Heere deze zonde onder het oude testament — men zie Lev. 20: 21 — niet gestraft heeft met uitroeiing of uitsluiting uit de gemeente en de censuur daartoe moet leiden, zullen deze lieden niet worden geweerd uit de gemeente, edoch niet in kerkelijke dienst zijn of worden gesteld” (Rotterdam 1885).

Op de vraag, “hoe te handelen met een zuster der gemeente die in het huwelijk getreden is met de broeder van haar overleden man”, besluit de synode „te adviseren, zich neer te leggen bij de beslissing van de burgerlijke overheid in zake genoemd huwelijksgeval en, ook omdat uit de Heilige Schrift niet duidelijk blijkt dat zulk een huwelijk als bloedschande is, tot de censuur van de betrokkene zuster niet over te gaan” (Arnhem 1902).

Opdat de contrôle effectief geschiede, behoort, indien er twee kerken bij eenzelfde huwelijksbevestiging betrokken zijn, ook de kerk, waar de huwelijksbevestiging niet plaats heeft, gelegenheid te hebben om haar keur over de aanvrage tot huwelijksbevestiging te laten gaan.

“De huwelijken zullen afgekondigd worden ter plaatse waar de partijen wonen, of waar ze bekend zijn. En zo iemand op een andere plaats dan waar zijn geboden afgekondigd zijn getrouwd wilde wezen, zo zal hij van de kerkeraad een getuigenis van zijn geboden meebrengen” (Dordrecht 1578).

“De synode spreekt uit, dat tot bevordering van het contact tussen twee bij eenzelfde huwelijksbevestiging betrokken kerken in beide kerken afkondiging geschiede en de kerk, van welke bevestiging gevraagd werd, niet tot bevestiging zal overgaan, zonder zich vergewist te hebben, dat de andere kerk geen bezwaren

|266|

heeft, en dat ingeval de betrokken kerk ondanks ingebrachte bezwaren toch tot de bevestiging overgaat, de bezwaarde kerk de zaak aan de classis kan voorleggen” 1) (Utrecht 1943-45).

1) „Dat absoluut altijd deze bewilliging nodig is, zal uw commissie niet zeggen. Er kunnen zich gevallen voordoen, dat er tussen beide kerkeraden verschil van gevoelen is. En de kerkeraad, van wie de bevestiging gevraagd werd, mag zeker ook een zelfstandig oordeel hebben. Hij is tenslotte voor de bevestiging verantwoordelijk. Maar in den regel is inwilliging der andere kerk vereiste. En hoe minder de ene kerkeraad de andere binden wil aan zijn plaatselijke bepalingen, maar zich houdt aan de onder ons algemeen geldende regelen, hoe minder er mogelijkheid zal zijn voor verschil van gevoelen tussen twee bij eenzelfde huwelijksbevestiging betrokken kerken” (rapport, Utrecht 1943-45).

Evenals met betrekking tot de huwelijkssluiting is ook met betrekking tot de echtscheiding de handhaving van de publieke rechtsordeningen een zaak van de overheid.

“Overmits de kerkelijke rechters van de Antichrist in het pausdom de autoriteit en het recht van de overheden in de echtscheiding aan zich getrokken hebben, zo zal de magistraat door de dienaars naar Gods Woord gebeden en vermaand worden, dat zij naar uitwijzen van Gods Woord en van andere wetten degenen helpen welke in zodanige zaken haar hulp behoeven en begeren” (Dordrecht 1574).

“In zake de roeping der overheid ten opzichte van de echtscheiding verenigt de synode zich met de volgende conclusies:
1. dat de overheid als dienaresse Gods gebonden is aan de ordinantiën Gods ook voor het huwelijksleven en daarom deze ordinantiën Gods zoveel mogelijk ook bij haar wetgeving tot richtsnoer heeft te nemen;
2. dat echter de taak der overheid te dezen opzichte een andere is dan de taak van de kerk, omdat, terwijl de kerk de absolute eis van Gods wet voor de conscientiën heeft te handhaven, de overheid rekening heeft te houden met de bestaande toestanden onder het volk;
3. dat een algemene regel, in welke gevallen de overheid echtscheiding mag toestaan, derhalve niet kan gegeven worden, aangezien dit afhangt van de zedelijke toestand van het volk, waarover de overheid regeert;

|267|

4. dat de overheid, gelijk het voorbeeld van Mozes toont, niet kan gezegd worden een zondige daad te verrichten, wanneer zij om erger kwaad te voorkomen of de zwakke te beschermen echtscheiding toelaat in gevallen, waarin de kerk naar goddelijk recht dit ongeoorloofd acht;
5. dat de overheid, al moet zij soms het kwaad dulden, dit door haar wetgeving nooit in de hand mag werken, en daarom zondigen zou, wanneer zij door haar wetgeving de christelijke grondslagen van het huwelijk ondermijnde, door geheel willekeurige echtscheiding toe te staan of te sanctionneren” (Utrecht 1923).

Naar Gods Woord is echtscheiding geoorloofd op grond van hoererij.

“Maar Ik zeg u: een ieder, die zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan ontucht, maakt, dat er echtbreuk gepleegd wordt; en al wie een weggezondene trouwt, pleegt echtbreuk” (Matth. 5: 32).

“Doch Ik zeg u: wie zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan hoererij en een andere trouwt, pleegt overspel” (Matth. 19: 9).

“De dienaren zullen de partij, die door het overspel van de andere partij verongelijkt is, vermanen dat zij zich verzoenen. Zo zij dat niet verkrijgen kunnen, zullen zij wel verklaren wat hun door goddelijk recht toegelaten is; nochtans zullen zij hen onderrichten, dat zij zonder het oordeel en de autoriteit der overheid niet hertrouwen mogen” (Dordrecht 1578).

“Indien iemand vanwege echtbreuk van zijn echtgenote gegaan zijnde, met dezelve niet wederom begeert te verenigen, en zich tot een ander huwelijk begeven wil, zo zal de kerkeraad — wanneer hij de echtbreuk wettelijk voor de overheid bewezen heeft — verklaren dat zulks naar het Woord Gods geoorloofd is” (Middelburg 1581).

Over de vraag, of het van Godswege geoorloofd is echtscheiding aan te vragen op grond van kwaadwillige verlating, bestaat geen eenstemmigheid.

“Indien de ongelovige haar verlaat, laat hem begaan. De broeder of zuster is in dat geval niet gebonden” (1 Cor. 7: 15).

“Is kerkelijk besloten dat (het) ... (iemand), onwettig door zijn huisvrouw verlaten zijnde, nadat zij met

|268|

wettige middelen noch door de magistraat, noch door andere personen bewogen kan worden om zich weder bij haar man te voegen, ... naar luid van Gods Woord geoorloofd is (zich) wederom tot een ander huwelijk te begeven” (Franeker 1589).

“De synode besluit over de vraag, of kwaadwillige verlating een voor God geldige reden tot echtscheiding is, geen uitspraak te doen” 1) (Middelburg 1933).

1) Vgl. de te dezer zake in 1923 en 1933 uitgebrachte rapporten.
“Volgens het gevoelen van de grootst mogelijke meerderheid der deputaten zou een uitspraak der synode omtrent de vraag of naar de Heilige Schrift ook de „kwaadwillige verlating” al dan niet een geldige grond tot echtscheiding vormt, noodwendig het karakter dragen van een confessionele uitspraak. Nu zouden de kerken tot zulk een uitspraak slechts mogen overgaan, indien de Heilige Schrift ten aanzien van dit punt genoegzaam duidelijk zou wezen, zodat voor wie haar gezag ten volle erkent geen andere uitlegging mogelijk zou zijn. Dit is naar hun oordeel echter niet het geval. Om niet in bijzonderheden te treden willen zij er alleen op wijzen, dat in de voornaamste plaats die hierbij in het geding is, 1 Cor. 7: 15, een algemeen woord wordt gebruikt, dat bovendien een beeldsprakig karakter draagt: „niet tot slavernij gebracht”. Om het eigenaardig karakter van dit woord zal het nimmer met volstrekte zekerheid uit te maken zijn, of het al dan niet op de ontbinding van de huwelijksband doelt” (rapport, Middelburg 1933).

De kerk mag haar critische functie met betrekking tot het burgerlijk echtscheidingsrecht niet laten varen.

“In zake de verhouding der kerken tegenover het echtscheidingsrecht der overheid verenigt de synode zich met de volgende conclusies:
1. dat aan de kerk het recht toekomt om een zelfstandig oordeel te hebben over de gevallen, waarin naar goddelijk recht alleen echtscheiding geoorloofd is, en dat zij geroepen is, de eis van Gods Woord in dezen te brengen èn tot de gemeenteleden èn tot de overheid;
2. dat het echtscheidingsrecht der overheid wel in de regel door de kerk moet geëerbiedigd worden, voor zover dit de rechtelijke gevolgen betreft, maar dat, wanneer dit echtscheidingsrecht geheel met de christelijke grondslagen van het huwelijk breken zou, de kerk uit gehoorzaamheid aan Gods Woord genoodzaakt kan worden

|269|

om dit echtscheidingsrecht voor haar terrein niet te erkennen;
3. dat echter met het oog op de ontzettende gevolgen die hieruit voor de samenleving zouden voortvloeien, de kerk hiertoe niet mag overgaan dan wanneer Gods Woord dit gebiedend van haar eist, en dat zij in dat geval, na eerst bij de overheid publiek te hebben geprotesteerd, daarvan een openlijke verklaring heeft af te leggen, opdat elk gemeentelid wete, dat de kerk dit echtscheidingsrecht verwerpt;
4. dat voor zover de overheid nog in het algemeen de christelijke grondslagen van het huwelijk handhaaft, de kerk, ook al zou zij oordelen, dat in een bepaald geval geen genoegzame grond voor echtscheiding aanwezig was, zich bij het feit der echtscheiding heeft neer te leggen;
5. dat, wanneer na zulk een volgens de kerk ongeoorloofde echtscheiding de overheid een nieuw huwelijk toestaat, de kerk zulk een huwelijk als een zondige daad heeft te veroordelen en daartoe op generlei wijze haar medewerking heeft te verlenen;
6. maar dat de eis, dat de aldus gehuwden zich dan van elke huwelijksgemeenschap hebben te onthouden, in de Schrift geen genoegzame grond vindt, aan de conscientiën een te zware last zou opleggen en de deur zou openzetten voor andere en nog veel ergere zonden” (Utrecht 1923).

De kerk heeft in zake ongeoorloofde echtscheiding en ongeoorloofde hertrouw het geestelijk karakter van de tucht te handhaven.

“Omtrent de uitoefening van de tucht na ongeoorloofde echtscheiding en daarop gevolgd nieuw huwelijk verenigt de synode zich met de volgende conclusies:
1. dat de kerk zeer zeker geroepen is, om, wanneer leden der gemeente op ongeoorloofde wijze of onder leugenachtige voorwendselen echtscheiding verkrijgen, en evenzo wanneer zij daarna tot een nieuw huwelijk overgaan, tucht tegen hen te oefenen;
2. maar dat, wanneer na het begaan van deze zonde de schuldigen tot de gemeenschap der kerk willen terugkeren, de kerk alleen als eis kan stellen, dat deze zonde beleden en berouw over deze zondige daad getoond worde;
3. dat er dan alleen reden zou wezen voor de kerk om aan de oprechtheid van zulk een berouw te twijfelen, wanneer dezelfde zonde van lichtvaardige echtscheiding en hertrouw daarna herhaald zou worden” (Utrecht 1923).

Bos, F.L. (1950) Art. 71

|270|

Art. 71.

Gelijkerwijs de christelijke straf geestelijk is, en niemand van het burgerlijk gericht of straf der overheid bevrijdt, alzo worden ook, benevens de burgerlijke straf, de kerkelijke censuren noodzakelijk vereist om de zondaar met de kerk en zijn naaste te verzoenen en de ergernis uit de gemeente van Christus weg te nemen.

Mede om kwaad vermoeden, als zou de kerk een nieuwe Spaanse inquisitie willen invoeren en zich de taak der overheid willen aanmatigen, af te weren, wordt het volkomen andersoortig en de burgerlijke straf geenszins verdringend karakter van de kerkelijke tucht uitdrukkelijk geponeerd.

“De magistraat bedient haar ambt met edicten, plakkaten en ordonnantiën, daarbij tegen de verachters en overtreders gebruik makende van het zwaard, ballingschap en geldboeten, gevangenis en lijfstraffen; de dienaren door leren, vermanen, berispen en verkondigen van de gramschap Gods, insgelijks met binden en ontbinden alleen door de enige beschreven regel van het goddelijke woord. De magistraat mag ook terecht de misdadigers straffen, al is het dat zij zich bekeren; de straf van de kerk houdt tegenover de boetvaardigen op. De taak van de magistraat is de uiterlijke afgodendienst door bevelschriften te verbieden, de godslasteraars te straffen; de dienaars verbieden uit kracht van het goddelijk woord niet alleen de uitwendige maar ook de inwendige afgoderij, ongeloof enz.…” (Rotterdam 1575).

Een overheidspersoon mag evenwel als zodanig geen gebruik maken van de kennis van ook burgerlijk strafwaardige feiten, die hij in zijn kwaliteit van kerkeraadslid heeft verkregen.

“Er is gevraagd, of iemand uit de magistraat, die mede in de kerkeraad zitting heeft, en daar hoort van enige delict, hetwelk kerkelijk bestraft wordt, schuldig is of vrijheid heeft om zulks bij de overheid aan te dienen, opdat de overtreder ook burgerlijk gestraft worde.
(Antwoord:) Men moet rekening houden met de gelegenheid der delicten, en geen lidmaat van de kerkenraad zal zonder voorgaand advies van de kerkeraad zulks bij de overheid aandienen” (Arnhem 1600).

|271|

Vanwege de geestelijke aard van de kerkelijke tucht behoort ook de aansluiting aan de vorm van wereldlijke procesvoering zoveel mogelijk te worden vermeden.

a. In zake getuigenverhoor en eedsvordering:

“Men zal het getuigenis van ongelovigen en niet-leden kunnen aanvaarden, mits het niet direct gaat over een zaak die tegen de godsdienst wordt opgeworpen. Maar wanneer de broeder het feit ontkent nadat men hem in naam van God bezworen heeft, worde het aan zijn geweten overgelaten, met heenwijzing naar het oordeel van God, zonder hem verder te pressen” („Teurs” 1563).

“Het is geoorloofd op de kerkeraad getuigen voor te brengen en te horen, en zelfs waar die ontbreken in een ernstig geval een eed af te vragen of op te leggen; echter niet gebiedenderwijs, wat alleen de overheid toekomt, maar bij wijze van vermaning en opwekking. En ofschoon het geoorloofd zou zijn om de plechtige en bij de overheid gebruikelijke eedsformule te gebruiken, is het echter dienstig om daarvan af te zien en met voorstelling van de ernstige wraak Gods jegens meinedigen, met klem er op aan te dringen dat elk de waarheid bekenne. Het raadzaamst is echter, zo weinig mogelijk getuigen voor te brengen en een eed af te vragen” (Emden 1571).

“Zo de zaak niet notoir is, en de beruchtigde of beschuldigde, door aanspraak en vermaning aan zijn conscientie gedaan, tot geen bekentenis van ’t feit gebracht kan worden, zal het de kerkeraad daarbij laten, en de magistraat, indien de geïnteresseerde zich daar vervoegt, daarmede laten geworden; of indien de zaak niemand aangaat dan den persoon zelve die beruchtigd of beschuldigd is, (haar) Gode den kenner der harten en nieren bevelen, daar de kerk over onbekende zaken niet oordeelt en de christelijke tucht in geen wereldlijke rechtsvordering mag veranderd worden” (K.O. v. Utrecht 1612).

b. In zake het gebruikmaken van advocaten:

“Geen advocaten noch notarissen toe te laten om kerkelijke zaken in kerkelijke vergaderingen te behandelen” (Friesland 1647). Vgl. bij art. 30.

c. In zake het citeren voor een kerkelijke vergadering:

|272|

“Wel moet de vorm en toon, waarop iemand geroepen wordt om voor een kerkelijke vergadering te verschijnen, altoos beantwoorden aan de eis der broederlijke liefde, maar het staat, ook al geschiedt daarom zulk een oproeping in de vorm van een verzoèk om te verschijnen, den geroepene niet vrij al dan niet te verschijnen, aangezien de kerk zulks eist met autoriteit” (Assen 1926 I).

Overigens moet de tuchtoefening worden bepaald door het doel: de eer van God, de stichting der gemeente en het heil van den zondaar.

“Men vermane den zondaar alzo, dat men niet licht over elke geringe feil een al te scherpe of strenge vermaning houde. Want wanneer zou dan des bestraffens een einde zijn? Ja de H. Schrift vermaant dikwijls tot verdraagzaamheid. Maar dan inzonderheid moet men hierin wakker zijn, wanneer te vrezen staat dat de gevallene in verder gevaar en schade des verdervens komen zou, of de naaste daardoor geërgerd of God daardoor gelasterd zou worden.
Hierbij moet de broederlijke liefde en zachtmoedigheid ook komen en wel in acht genomen worden, waardoor de zondaar zich kan verzekerd houden dat het niet uit vleselijke affecten geschiedt, en van hem niet zijn verderf en beschaming, maar veel meer zijn welvaart en zaligheid gezocht worde, want het oogmerk moet wezen Gods eer, de stichting van zijn kerk en de bevordering van de zaligheid van den zondaar en van anderen” (K.O. v. Drenthe 1638).

“In alles ... wat tot de oefening van de christelijke tucht behoort ..., zal naarstige zorg gedragen worden, dat de liefde en ’t medelijden met den gevallen zondaar zo wordt beoefend, dat een iegelijk bespeuren kan dat alles naar waarheid in de geest der zachtmoedigheid en vriendelijkheid met overleg geschiedt, en onder het deksel daarvan geen heerschappij over de kudde of enige wereldlijke hoogheid en autoriteit, maar alleen Gods eer, de godvruchtige opbouw der kerk en bijzonder de betering en bekering ter zaligheid van den gevallen zondaar oprecht wordt gezocht” (Utrecht 1612).

Bos, F.L. (1950) Art. 72

Art. 72.

Wanneer dan iemand tegen de zuiverheid der leer of vromigheid des wandels zondigt: zoverre als het heimelijk

|273|

is, en geen openbare ergernis gegeven heeft, zo zal de regel onderhouden worden, welke Christus duidelijk voorschrijft in Matth. 18.

De kerkelijke tucht richt zich niet tegen bepaalde organisaties, maar wel tegen personen, die door hun lidmaatschap van bepaalde organisaties tonen onschriftuurlijke beginselen aan te hangen en voor te staan of te propageren, waarbij elk geval op zichzelf moet worden beoordeeld.

“Het is de duidelijke roeping der kerk er op toe te zien, dat haar leden in hun levensopenbaring in de breedste zin des woords zich niet schuldig maken aan het overtreden van enig gebod Gods, zich niet voegen in een levensverband, waarin zij gehinderd worden den Heere te dienen naar zijn Woord, en hetwelk, hetzij in zijn grondslag, hetzij in zijn doelstelling of arbeidsmethode uitdrukkelijk of metterdaad de geopenbaarde wil Gods verwerpt” (Zwolle 1946).

“De synode wijst op de volgende regels voor de oefening van vermaan en tucht (met betrekking tot het lidmaatschap van organisaties die van onschriftuurlijke dwalingen uitgaan):
in alle aan de plaatselijke kerkeraad bekende gevallen doopleden en belijdende leden, die bij organisaties, als in het rapport zijn besproken, aangesloten zijn, ten ernstigste te blijven vermanen om dit lidmaatschap om Christus’ wil te beëindigen, en, indien zij aan de vermaning zich niet storen, de afhouding van het heilig avondmaal te doen geschieden, onder in acht neming van de volgende algemene regelen:
a. elk voorkomend geval worde op zichzelf bezien;
b. met name worde erop gelet, of de bedoelde kerkleden in woord en daad propaganda voeren voor bedoelde organisaties, ja dan neen;
c. in het eerste geval kan wegens gegeven ergernis de „eenvoudige” afhouding van het avondmaal in afwachting van eventueel noodzakelijk blijkende verdere tuchtoefening spoedig geschieden; in het tweede geval worde zolang mogelijk geduld geoefend; waarbij nauwkeurig moet worden toegezien, hoe de betrokkene zich overigens in leer en leven gedraagt;
d. in alle gevallen worde, voor de eigenlijke tuchtoefening begint, onderzocht of de bedoelde leden de betekenis

|274|

van hun lidmaatschap van genoemde organisaties doorzien, en
e. bij verwerping van de voortgezette vermaning worde wegens het hardnekkig verwerpen van de vermaning van de kerkeraad en wegens het alsdan gebleken voeren van onchristelijke leer of leven censuur toegepast, wederom onder oefening van grote lankmoedigheid met name wat het tempo der openbare vermaningen betreft” (Amsterdam 1936).

“De synode spreekt uit:
1. dat naar de bedoeling der synode van 1936 de eigenlijke grond der kerkelijke behandeling is gelegen in het aanhangen en voorstaan of propageren van die beginselen der C.D.U., die met Schrift en belijdenis in strijd zijn;
2. dat dit aanhangen en voorstaan of propageren zich kan openbaren in het lidmaatschap der C.D.U., maar uiteraard ook wel op andere wijze, waarbij elk geval op zichzelf moet worden beoordeeld;
3. dat de afhouding van het heilig avondmaal niet in alle gevallen behoeft te leiden tot excommunicatie” (Sneek 1939).

In dat licht moeten verschillende kerkelijke uitspraken over de onverenigbaarheid van het lidmaatschap van bepaalde organisaties worden verstaan.

“Een vrijmetselaar, die in gemeenschap met de orde blijft, zal geen lid onzer kerk zijn; wil hij lid worden of blijven van de gemeente, dan moet hij alle gemeenschap met de orde afbreken, en de kerkeraad daarvan op voldoende wijze doen blijken” 1) (Utrecht 1877).

1) “Het eerste motief is ontleend aan het misbruik, dat door de maçonnerie van de eed wordt gemaakt. Ieder die lid wordt moet zweren, dat hij niets openbaren zal van hetgeen hem zal medegedeeld worden. En het is niet geoorloofd, dat wij ons verbinden tot iets, waarvan wij niet weten wat het is. Het tweede motief is ontleend aan het feit, dat de orde der vrijmetselaren niet slechts een materiële, maar ook een zedelijke strekking heeft en dat deze in de grond een onchristelijke is. Het derde motief gaat uit van het verschijnsel, dat vele ongodsdienstige mensen tot de orde toetreden, die geen hart hebben voor het evangelie des heils. In één woord, het specifiek christelijke wordt in de orde miskend en verloochend” (toelichting).

|275|

“De synode spreekt uit, dat voor een lid van de gereformeerde kerk geen plaats is in een organisatie, die zich stelt op de grondslag van de klassenstrijd” (Leeuwarden 1920).

“De synode besluit uit te spreken, dat er naar het oordeel der synode geen plaats is voor leden onzer gereformeerde kerken in organisaties, die van de in het rapport genoemde onschriftuurlijke dwalingen uitgaan, als daar zijn: het „leidersbeginsel”, de nationalistische totalitaire machtsstaat, en de antimilitaristische verwerping van de oorlog in elke vorm” (Amsterdam 1936).

“De synode besluit uit te spreken:
1. dat elk lid van een der gereformeerde kerken geroepen is om niet alleen in zijn persoonlijk leven, maar ook in het leven der organisatie, met name van die op sociaal terrein, de beginselen van het Woord Gods te belijden en daarnaar te leven;
2. dat derhalve hij/zij niet mag behoren tot welke organisatie ook, die door haar beginsel of practijk in strijd komt met hetgeen de Heilige Schrift duidelijk leert en gebiedt” 1) (Sneek 1939).

1) “De neutrale verenigingen zijn niet alle op één en dezelfde lijn te stellen; er zijn organisaties van technische, economische, culturele, algemeen-nationale aard, waaraan een christen, indien hij hiertoe geroepen wordt, zich niet mag onttrekken, en wier lidmaatschap zeer zeker te verenigen is met het lid-maatschap van een specifiek-christelijke vereniging. Deze neutrale verenigingen of haar lidmaatschap te veroordelen is niet alleen niet de taak van een generale synode, maar zelfs ongeoorloofd, omdat voor deze veroordeling elke schriftuurlijke grond ontbreekt. Alleen het lidmaatschap van zulke neutrale organisaties, die zich wel neutraal noemen en in haar beginsel en doelstelling deze neutraliteit handhaven, doch door haar optreden, — en dan niet incidenteel maar constant —, bewijzen in strijd met Gods Woord te handelen, moet zonder enige reserve worden afgekeurd” (rapport).

De kerkelijke tucht kan zich voorts alleen richten tot personen, die onder kerkelijk opzicht staan. Zij die zich formeel of daadwerkelijk afscheiden en onttrekken vallen uiteraard buiten het bereik van de tucht.

“Staat het soms aan mij, hen te oordelen, die buiten

|276|

zijn? Oordeelt ook gij niet (alleen) hen, die in uw kring zijn? Hen die buiten zijn, zal God oordelen” (1 Cor. 5: 12, 13a).

Onjuist was het volgende besluit:
“Op de vraag of men dengene die zichzelf door valse leer heeft afgescheiden van de kerk van Jezus Christus, en nog daarbij zegt, als hij vermaand wordt: ik begeer met ulieden niet meer te doen te hebben, openlijk zal moeten afsnijden, en of het niet genoeg is, dat men zulks aan de kerk of gemeente te kennen geeft met vermelding van zijn naam en zijn eigen afscheiding, — verklaren en adviseren de broeders, dat dit niet genoeg is, maar dat dit gebeuren moet met openlijke afsnijding” (Schoonhoven 1579).

“Wanneer iemand, tijdens hij onder kerkelijke behandeling is, zijn lidmaatschap bij de gemeenten opzegt, zal zulks, benevens de moeite vruchteloos tot zijn terechtbrenging aan hem besteed, aan de gemeente worden bekend gemaakt, dewijl hij zich daardoor aan de macht der kerk heeft onttrokken” (Franeker 1863).

“Achterblijvenden zijn, zolang zij achterblijven, in de zin der kerkenordening, door eigen schuld, geen objecten der tucht van het kerkelijk instituut, en worden dit eerst dan weer, als zij de opzieners der ware kerk van Christus erkennen” (’s-Gravenhage 1891).

“De generale synode, overwegende
dat wel het zich onttrekken aan de discipline, waaronder men zich vrijwillig gesteld heeft, en het verbreken van de gemeenschap met de kerk, waartoe men behoort, om redenen die de toets van Gods Woord niet kunnen doorstaan, een niet licht te achten zonde is;
en dat wel degenen die zulks doen, ernstig en aanhoudend gebeden moeten worden van hun dwaalweg terug te komen, en niet spoedig losgelaten moeten worden; maar ook, dat tenslotte toch altijd zowel het zich voegen bij de kerk als instituut als het blijven daarbij, kerkrechtelijk, aan de vrijheid van ieder persoonlijk moet verblijven,
oordeelt, dat iemand geen object meer kan zijn van de kerkelijke tucht, als hij volhardt in de opzegging van zijn lidmaatschap” (Middelburg 1896).

“Het is op zichzelf denkbaar, dat iemand zonder uitdrukkelijke verklaring, maar dan toch zakelijk en feitelijk zich onttrekt aan de gemeenschap der kerk waartoe hij behoort, bijv. door naar een ander kerkgenootschap over te gaan. Natuurlijk zou de kerkeraad in zulk een geval, zelfs al verklaarde de betrokken persoon

|277|

tegelijk lid te willen blijven van de gereformeerde kerk of al zond hij geen uitdrukkelijke verklaring, dat hij ophield lid der gereformeerde kerk te zijn, hem niet langer als lidmaat der gereformeerde kerk kunnen beschouwen, aangezien men niet tegelijk lid van twee kerken kan zijn. En evenzo zou een dergelijk geval zich kunnen voordoen, wanneer iemand niet alleen bij voortduring bij de predikanten van een ander kerkgenootschap kerkte, zijn kinderen bij hem ter catechisatie zond en daar de sacramenten gebruikte, maar ook hardnekkig weigerde de ambtsdragers zijner kerk te ontvangen of naar vermaning van de kerkeraad te luisteren en daarmede toonde feitelijk alle gemeenschap met zijn kerk verbroken te hebben. Afsnijding door tuchtoefening zou in zulk geval een schijnvertoning zijn, want men kan iemand niet afsnijden die zichzelf feitelijk reeds van de gemeenschap der kerk afgesneden heeft” (rapport, met de waarin uitgesproken gedachten de synode zich verenigde — ’s-Gravenhage 1914).

“De synode besluit aan de kerkeraad van M. te antwoorden:
1. dat zij van oordeel is, dat de generale synode van Middelburg ... geenszins heeft willen te niet doen de uitspraak der generale synode van ’s-Gravenhage 1914, dat als iemand bij voortduring bij predikanten van een andere kerkgemeenschap kerkt, daar zijn kinderen ter catechisatie zendt, de sacramenten gebruikt, weigert de ambtsdragers te ontvangen of naar de vermaning van de kerkeraad te luisteren, daarmee feitelijk alle gemeenschap met de kerk is verbroken; en
2. dat, bijaldien de zeer bijzondere gevallen, waarvan de kerkeraad in zijn schrijven spreekt, van de hier omschreven aard zijn, de door hem gevolgde gedragslijn — dat zulke leden nogmaals schriftelijk ernstig worden vermaand, en dat hun daarbij wordt medegedeeld, dat, indien zij naar deze vermaning niet luisteren, aan de gemeente zal worden bekend gemaakt, dat zij zelf feitelijk en metterdaad de gemeenschap met de kerk verbroken hebben — niet in strijd is met het besluit van de generale synode van Middelburg 1933” (Amsterdam 1936).

De methode van schrapping van de ledenlijst van hen die onkerkelijk wandelen mag nimmer worden toegepast.

Halfslachtig zijn de besluiten der kerken van de Afscheiding:

|278|

“Omtrent de leden die zich afzonderen..., oordeelt de vergadering: dat wanneer er overigens op hun leer en wandel niet te zeggen valt, men met alle voorzichtigheid met hen handele en hun eindelijk schriftelijk te huis zende een verklaring, dat zij om hun handelwijze niet meer bij de gemeente erkend worden, zonder het gewone formulier van afsnijding op hen toe te passen. Doch zo zij ergerlijk zijn in leer of leven, dat men dan met hen de gewone orde der kerk volge” (Groningen 1846).

“De vraag wordt geopperd, hoe men handelen moet met leden, die zonder vormelijke afscheiding zich aan onze kerkgemeenschap onttrekken. De synode antwoordt, dat het laatste gedeelte van art. 90 van het synodaal verslag van 1846 (zie boven) in volle kracht blijft omtrent hen, die door belijdenis des geloofs leden zijn, hetzij zij zich aan enig kerkgenootschap verbinden of op zichzelf blijven staan” (Leiden 1857).

“De synode, overwegende dat bedoelde bepaling alleen van toepassing is op personen die de openbare godsdienstoefening in de Christelijke gereformeerde gemeente nalaten, zonder overigens af te wijken in leer of leven, wekt de kerkeraden op zich te hoeden tegen verkeerd gebruik van dat artikel, hetzij door daarvan gebruik te maken om zich te ontdoen van leden, die lankmoedig behoorden gedragen en vermaand te worden, hetzij door het toe te passen op zulke leden, die in leer of leven dwalen, en met de gewone censuur moeten worden behandeld” (Leeuwarden 1891).

Duidelijk zijn de besluiten na 1892:

“De synode besluit…
dat men lidmaten die elders kerken, zich niet met uitdrukkelijke verklaring afscheiden noch dit zelfs willen, herhaaldelijk en met lankmoedigheid vermane, en eindelijk op hen, bij volharding in hun ongehoorzaamheid de wettelijke kerkelijke censuur toepasse;
welke te verstaan zij in die zin, dat ten laatste worde voortgeschreden tot excommunicatie met het formulier van de ban;
maar dat in gevallen, als het enkel geldt, uit gebrek aan kerkelijk besef kerken bij gereformeerde predikers buiten onze kerken, wel met grote lankmoedigheid en geduld vermaand worde, en als zij niet naar deze vermaning luisteren, het avondmaal ontzegd worde;
maar dat niet tot de uiterste trap der excommunicatie worde overgegaan, zolang het formulier van de ban niet toepasselijk geacht wordt” 1) (Middelburg 1933; cf. Middelburg 1896, Utrecht 1905, ’s-Gravenhage 1914).

1) “Met het feit dat de kerk van Christus in ons

|279|

vaderland gedeeld ligt, dat ook in andere kerken nog een zuivere prediking van het Woord Gods plaats vindt en dat dientengevolge bij weinig ontwikkeld kerkelijk besef sommige leden onzer kerken meermalen of zelfs bij voortduring in deze kerken de prediking gaan bijwonen, dient bij de beoordeling dezer zaak rekening te worden gehouden. Blijkt het daarentegen dat deze lust om elders te kerken in verband staat met een ketterse dwaling en gaat daarmede gepaard een propaganda maken voor een bepaalde secte, dan mag de kerkeraad natuurlijk niet aarzelen om de censuur desnoods tot het uiterste toe te passen. Maar wanneer het personen geldt, die alleen naar gereformeerde predikers buiten onze kerken gaan luisteren, dan dient hier grote lankmoedigheid en geduld te worden geoefend. De kerkeraad kan dezulken vermanen en onderrichten; wanneer zij niet naar deze vermaning luisteren, hun het avondmaal ontzeggen, maar tot de uiterste trap der excommunicatie over te gaan zou in zulke gevallen niet geoorloofd wezen. Meer dan vermaan en afhouding van het avondmaal acht uw commissie in zulke gevallen ook niet nodig; het ziekte-proces zal daardoor òf gestuit worden òf deze herhaalde vermaning zal vanzelf tot gevolg hebben, dat bedoelde personen zich op de duur aan de gemeenschap der kerk zullen onttrekken. Maar ook al ware dit niet zo, en al moest een dergelijk vermaan jarenlang worden voortgezet zonder zichtbare vrucht, dan ware dit nog beter dan de toevlucht te nemen tot de zogenaamde schrapping, die in het gereformeerde kerkrecht niet thuis hoort” (rapport, met de waarin uitgesproken gedachten de synode zich verenigde — ’s- Gravenhage 1914).

Ofschoon het rechte inzicht in dezen lang ontbroken heeft, is in de laatste decenniën het oordeel gerijpt, dat ook doopleden voorwerpen zijn van kerkelijke tucht.

Ter informatie diene het volgende oude besluit:
“(Op de vraag) of de kinderen die in de gereformeerde gemeente gedoopt zijn, tot hun jaren gekomen zijnde der kerkelijke straf onderworpen zullen zijn, en, zo zij vermaand zijnde hardnekkig blijven, of men ze dan afsnijden zal, hoewel zij hun geloof nog niet beleden en tot het avondmaal des Heeren zich niet begeven hebben? — wordt geantwoord:

|280|

Dewijl de doop een algemeen getuigenis is van het verbond Gods, hetwelk de kinderen der christenen toebehoort zolang zij door openbare afval hetzelve niet verwerpen, zo zullen de openbare en algemene vermaningen, gelijk de profeten tot het israëlietische volk gebruikt hebben, in de openbare en vrije gemeenten genoeg wezen. Maar dewijl de belijdenis des geloofs en gemeenschap des avondmaals een bijzonder getuigenis is in de kerk Gods, door hetwelk degenen die tegen het verbod Gods gezondigd hadden weder opgenomen worden - gelijk eertijds de afvallige Israëlieten niet door een nieuwe besnijdenis, maar door de gemeenschap aan het paaslam tot de ware kerk Israëls wedergebracht werden — zo zal men geen afsnijding gebruiken dan tegen degenen, in dewelken door het avondmaal des Heeren het verbond opnieuw verzegeld is” (Dordrecht 1578).

“De synode besluit de volgende richtlijnen vast te stellen voor de tucht over doopleden, waarnaar de kerken zoveel mogelijk hebben te handelen:

I. De kinderen.
... Is de levensopenbaring van kinderen nog vóór zij volwassen zijn, onchristelijk te noemen, dan moeten de kerkeraden, zoveel mogelijk door middel van de ouders, de schending van Gods verbond tegengaan en vermanen tot de vervulling van de verplichting tot een nieuwe gehoorzaamheid.

II. Volwassen doopleden, die aan de roeping des verbonds ongehoorzaam zijn.

A. Afkerigen.
… Ook hier moet de hulp der ouders worden gezocht. Maar de geroepen ambtsdragers moeten toch meer dan tot de ongehoorzamen die de jaren des onderscheids nog niet hebben bereikt, rechtstreeks hun ernstig vermaan richten tot de volwassenen, die door goddeloze woorden en/of daden, door openlijke verwerping van de kerkleer en/of ergerlijk wangedrag, door gedurig moedwillig verzuim van de openbare godsdienstoefeningen en de catechisaties, door al deze zonden of enige daarvan, de eisen van Gods verbond overtreden.
De mondelinge, ambtelijke opwekking tot de afkerige kinderen des verbonds om weder te keren tot den Heere, zal althans enige malen per jaar plaats hebben.
Onttrekken de afkerigen zich aan dit mondeling vermaan, dan zal de vermaning — in totaal minstens enige malen — schriftelijk geschieden.
Heeft telkens herhaald, tegelijk liefdevol en beslist

|281|

vermaan niet tot bekering geleid, dan zal de kerkeraad tot een bekendmaking in een publieke samenkomst der gemeente overgaan. Zulks ook, opdat de gemeente tot eer van God en tot heil van den zondaar en van de kerk kan meebidden en meewerken in de arbeid van de kerkeraad ten aanzien van de droeve ontheiliging van het verbond Gods.
Om het onderscheid tussen doopleden en belijdende leden te doen uitkomen, blijve deze publieke bekendmaking tot één keer beperkt. In deze bekendmaking worde een proeftijd opgenomen, waarvan de lengte aan de prudentie der kerkeraden wordt overgelaten. Als regel zal deze tijd minstens drie maanden moeten zijn.
Voor deze openbare bekendmaking met mededeling van de naam is advies van de classis vereist.
Wanneer op deze publieke bekendmaking bekering gevolgd is, zal de mededeling daarvan aan de gemeente samenvallen met de afkondiging, dat dit dooplid belijdenis des geloofs voor de kerkeraad heeft afgelegd en tot de openbare belijdenis des geloofs in het midden der gemeente wenst toegelaten te worden.
Wanneer in de gestelde proeftijd, gedurende welke de vermaning zal worden voortgezet, geen betering des levens wordt gezien en de kerkeraad tot de overtuiging is gekomen met een ongelovige te doen te hebben, zal de kerkeraad tot de laatste tuchtmaatregel overgaan en voor zijn deel het dooplidmaatschap beëindigen, waarvan in een openbare samenkomst der gemeente een verklaring zal worden afgelegd.
In gevallen van bijzonder ergerlijke goddeloosheid kan de kerkeraad doopleden op hun 21-jarige leeftijd uitsluiten.
Als regel zal de kerkeraad ten aanzien van hardnekkige afkeringen niet tot de laatste acte overgaan, voordat de doopleden de leeftijd van 25 jaren bereikt hebben. Van de publieke bekendmaking en van de laatste acte zal voorafgaande mededeling gedaan worden aan den/de betrokkene en aan zijn/haar ouders of naaste familieleden.
Indien een dooplid schriftelijk of mondeling uitdrukkelijk te kennen geeft, dat hij/zij zich aan de gemeenschap der kerk onttrekt, dan zal de kerkeraad hem/haar minstens eenmaal met ernst van deze nieuwe zonde van ongehoorzaamheid trachten af te brengen.
Volhardt het dooplid in zijn besluit, dan kan geen verdere tucht worden uitgeoefend en zal de kerkeraad volstaan met de droeve mededeling in een openbare samenkomst der gemeente, dat N.N. zich heeft onttrokken

|282|

aan de gemeenschap der kerk, waarbij hij/zij door de heilige doop was ingelijfd.
In geen enkel geval en op geen enkele wijze mag de kerkeraad de onttrekking aan de gemeenschap der kerk trachten te bevorderen.
De evangelisatiearbeid die van de kerk uitgaat, moet zich bijzonder ook richten op degenen, die tevoren doopleden waren.
Wederopneming zal alleen geschieden in de weg van de belijdenis des geloofs, waarbij oprechte schuldbelijdenis en voorafgaand bewijs van betering des levens niet ontbreken mogen.
De formulering van de desbetreffende bekendmaking in de samenkomst der gemeente wordt aan de kerkeraad overgelaten. De schuldbelijdenis moet in elk geval worden genoemd.

B. Nalatigen.
Ten aanzien van hen, die nalatig blijven in zake de openbare belijdenis des geloofs en de verkondiging van de dood van Christus en toch nog kerkelijk meeleven en overigens onergerlijk van wandel zijn, zal de kerkeraad voortdurend onderrichtend en opwekkend vermaan toepassen.
Deze vermaningen zullen althans enige malen per jaar plaats vinden.
Blijven deze dringende vermaningen zonder resultaat, zodat deze nalatigen voortgaan in hun daadwerkelijke weigering om den Heere Christus lief te hebben, de beloften des verbonds te aanvaarden en de eisen des verbonds in nieuwe gehoorzaamheid door Gods genade na te leven, zo zal de kerkeraad voortschrijden tot een publieke bekendmaking. Deze ongehoorzaamheid aan de duidelijke geboden van den Koning der kerk is te ernstig, dan dat met vermaningen zou kunnen worden volstaan. Ook voor deze openbare bekendmaking is advies van de classis vereist.
Door deze publieke bekendmaking moet tevens de ganse gemeente opgewekt worden om door haar gebed en vermaning deze nalatige kinderen des verbonds tot een besliste keus te dringen. Het is de roeping der gemeente en in het bijzonder van de opzieners der kudde van Christus het daarheen te leiden, dat deze weerstand tegen Christus' evangelie in haar midden steeds meer overwonnen wordt. Zij moet daartoe met grote ijver en sterke liefde de bevrijdende boodschap van de genade van Christus brengen tot de nog in onzekerheid gebonden levens. Om de eer van onzen Koning, die een volkomen Zaligmaker is, om het heilig houden van de kerk als vergadering der ware Christ-gelovigen, om de ernst

|283|

der verbondsroeping mag de positie van deze nalatigen niet bestendigd blijven.
Toch mag de kerkeraad tegenover hen niet tot de uiterste remedie overgaan, tenzij duidelijk blijkt, dat niet zozeer schuchterheid, gebrekkig inzicht, gemoedsbezwaren, maar beslist ongeloof oorzaak is van het niet komen tot de openlijke aanvaarding van de heilige doop en tot de viering van het heilig avondmaal.

Openbare bekendmaking ten aanzien van afkerige volwassenen:
De kerkeraad deelt met droefheid mede, dat N.N, door de doop der christelijke kerk ingelijfd, ondanks voortdurend ernstig vermaan hardnekkig blijft voortgaan in de zonde van …
Indien hij/zij onverhoopt niet binnen ... met betoon van berouw betering des levens bewijst, zal de kerkeraad genoodzaakt zijn, dit dooplid om zijn moedwillige ongehoorzaamheid aan den God des verbonds van de gemeenschap der kerk uit te sluiten.
De gemeente wordt opgewekt de(n) afkerige liefderijk te vermanen en den Heere te bidden voor zijn/haar bekering.

Openbare bekendmaking ten aanzien van nalatigen ...:
De kerkeraad deelt met droefheid mede, dat N.N, door de doop der christelijke kerk ingelijfd, ondanks voortdurend ernstig vermaan weigerachtig blijft om zijn/haar doop te aanvaarden en de dood des Heeren te verkondigen.
De gemeente wordt opgewekt hem/haar liefderijk te vermanen en den Heere te bidden, dat door zijn genade en Geest deze ongehoorzaamheid overwonnen worde.

Openbare mededeling van uitsluiting:
De kerkeraad is in de droeve noodzakelijkheid aan de gemeente mede te delen, dat N.N. de gemeenschap van Christus en zijn kerk, die hem/haar in de heilige doop betekend en verzegeld werd, ondanks vele ernstige vermaningen hardnekkig verloochent. Dientengevolge moet de kerkeraad thans in de naam des Heeren er toe overgaan, om N.N. uit de gemeente Gods uit te sluiten en te verklaren, dat hij/zij geen deel heeft in het rijk van Christus, zolang hij/zij zich niet bekeert.
De gemeente wordt opgewekt niet op te houden den zondaar/de zondares in den gebede te gedenken en hem/ haar liefderijk te vermanen, dat hij/zij zijn/haar zonde belijde en late. En zien wij toe, dat niet te eniger tijd in iemand van ons zij een boos en ongelovig hart om af te wijken van den levenden God” (Sneek-Utrecht 1939-’43).

|284|

“De synode besluit uit te spreken, dat het in de vrijheid der kerken staat, de „openbare bekendmaking ten aanzien van de nalatigen” al of niet in gebruik te nemen” 1) (Utrecht 1943-’45).

1) De classis Kollum „is op een moeilijkheid gestuit ten opzichte van het gedeelte der richtlijnen aangaande de tucht over doopleden, dat betrekking heeft op de publieke bekendmaking ten aanzien van de dusgenaamde nalatigen. Enerzijds wordt het toch nodig geoordeeld een publieke bekendmaking te doen, welke het karakter van een tuchthandeling draagt. Anderzijds is het de kerkeraad evenwel niet toegestaan tot de uiterste remedie voort te gaan, dan alleen in geval van beslist ongeloof. Hier schuilt naar het oordeel van de classis de inconsequentie dat men een publieke tuchthandeling wil verrichten die anderzijds geen tuchthandeling is, doch alleen een mededeling en een opwekking aan de gemeente. Zou ze in volle zin tuchthandeling zijn, dan gaat ze niet ver genoeg; en louter als mededeling opgevat, dan gaat ze veel te ver en is ze van een zeer pijnlijk en diepindringend karakter. De classis is daarom van mening, dat volstaan moet worden met het toepassen van kerkelijke vermaningen en berispingen als voorlopers van de eigenlijke tucht.
Uw commissie moet toegeven, dat de hier ingebrachte bezwaren niet zonder betekenis zijn. Zij is geneigd de juistheid en gegrondheid ervan te erkennen…
De synode van Sneek heeft (echter) niet meer dan richtlijnen vastgesteld en uitgesproken dat de kerken daarnaar zoveel mogelijk zouden handelen. Diensvolgens is bij het uitvoeren en het toepassen van deze richtlijnen een zekere mate van vrijheid toegekend. Misschien is het nuttig, dat dit nog eens opzettelijk in herinnering worde gebracht en dat door uw synode uitdrukkelijk worde uitgesproken dat deze vrijheid der kerken speciaal ten aanzien van het gebruik der openbare bekendmaking voor nalatige doopleden bestaat” (rapport).

De christelijke tucht heeft betrekking op duidelijke afwijkingen in leer of leven.

“Of het niet dienstig is in de artikelen van de kerkenordening enige specificatie te maken van de zonden, waarom de excommunicatie behoort gebruikt te worden?
Is geantwoord, ’t onnodig te zijn, wijl de voornaamste

|285|

in het formulier van het avondmaal uitgedrukt staan” (’s-Gravenhage 1586).

“De zonden gaan òf de leer òf de zeden aan.
Onder de zonden die de leer aangaan, tegen de ware leer strijdende, mag men deze navolgende soorten tellen: ketterse leer, afval van de christelijke religie en gemeenschap der kerk, tegenspreking en lastering Gods, van zijn heilig woord en van de heilige sacramenten, langdurig wegblijven van des Heeren heilig nachtmaal, komende en geschiedende uit zorgeloosheid en verachting van alle goede vermaningen van de kerkeraad, en voorts alle zonden, die grovelijk tegen de eerste tafel der goddelijke wet geschieden.
De zonden tegen de goede zeden zijn deze: doodslag, overspel, bloedschande, vrouwenverkrachting, ongeoorloofde bijwoning en dergelijke gevallen van concubinaat, hoererij, roverij, dieverij, straatschenderij, dronkenschap, kortom wat daar gruwelijk (of: grovelijk) strijdt tegen de tweede tafel” (Middelburg 1591).

“Hier staat aan te merken:
1. dat de zonde alleen uit Gods woord moet beoordeeld en daaruit besloten worden een zonde te zijn, opdat de conscientiën der mensen niet gekweld en bemoeid (d.i. lastig gevallen) worden met verkeerde meningen en eigenzinnige vooroordelen;
2. dat men den zondaar alzo vermane, dat men niet licht over elke geringe feil een al te scherpe of strenge vermaning aanstelle. Want wanneer zou dan des bestraffens een einde zijn? Ja de H. Schrift vermaant dikwijls tot verdraagzaamheid. Maar dan inzonderheid moet men hierin wakker zijn, wanneer te vrezen staat, dat de gevallene in verder gevaar en schade des verdervens zou komen, of de naaste daardoor geërgerd of God daardoor gelasterd worden” (K.O. v. Drenthe 1638).

Niet-publieke zonden moeten behandeld worden naar de regel van Mattheus 18. Bij afwijkingen in zake de leer heeft men wel de predikant met de toepassing van deze regel belast.

“Indien uw broeder zondigt, ga heen, bestraf hem onder vier ogen. Indien hij naar u luistert, hebt gij uw broeder gewonnen. Indien hij niet luistert, neem dan nog een of twee met u mede, opdat op het woord van twee getuigen of van drie elke zaak vaststa. Indien hij naar hen niet luistert, zeg het dan aan de gemeente. Indien hij naar de gemeente niet luistert, dan zij hij u als de heiden en de tollenaar” (Matth. 18: 15-17).

|286|

“Heimelijke zonden zijn, dewelke geheel geheim en niemand bekend zijn dan God en de conscientie desgenen, die ze begaan heeft, of die er maar binnenshuis geschieden, dewelke derhalve in ’t heimelijke behoren gebeterd te worden.
Betreffende de tweede soort der heimelijke zonden (dus binnenshuis) tegen de rechte leer: wanneer iemand in een heimelijke dwaling vastzit tegen het fundament van de christelijke leer en ’tzelve door iemand vernomen wordt, dezelve zal zulks den dienaar des woords te dier plaatse aandienen, ten einde zulks door heimelijke, vriendelijke en christelijke vermaning met alle goede discretie gebeterd worde. En de dienaar zal hierin volgen de trappen, door onzen Heere Christus verordineerd, Matth. 18.
Wat betreft de heimelijke zonden tegen de zeden van de eerste soort, die alleen God en de conscientie desgenen die ze gedaan heeft, aangaan, daarover heeft zolang die zo verborgen blijven, de kerkelijke tucht geen plaats. En al waren er enige gissingen door het kwaad vermoeden, de zaak moet nochtans iemand blijken, omdat de kerk niet oordeelt over verborgen zaken.
Aangaande de andere soort van heimelijke zonden als voren in de beschrijving: hierin zullen dezulken die daarvan weten, volgen de uitgedrukte regel van onzen Heere Christus, Matth. 18” (Middelburg 1591).

Bos, F.L. (1950) Art. 73 & 74

Art. 73, 74

De heimelijke zonden, waarvan de zondaar door één, en in ’t bijzonder, of voor twee of drie getuigen vermaand zijnde, berouw heeft, zullen voor de kerkeraad niet gebracht worden.

Zo iemand, van een heimelijke zonde door twee of drie personen in liefde vermaand zijnde, geen gehoor geeft, of anderszins een openbare zonde bedreven heeft, zal zulks de kerkeraad aangegeven worden.

Niet-publieke zonden mogen niet openbaar gemaakt, en alleen dan aan de kerkeraad aangegeven worden indien aan de private vermaningen geen gehoor gegeven is.

“De kerkeraad zal niet licht de klachten tegen enige personen, door onzekere geruchten tot hun kennis komende, aannemen, al waren het ook personen die zeiden dat ze ervan wisten; maar men zal hen vragen of zij omtrent hun christelijken broeder hun plicht van

|287|

particulier vermaan gedaan hebben, en dat in al haar leden. Daarop neen zeggende, zal men ze over zodanig onbehoorlijk aangeven berispen.
Zeggen ze en bewijzen zij dat: ja, (zo) zal de kerkeraad voorts handelen naar behoren en eis der zaken” (Middelburg 1591).

“Naar de regel van Gods woord behoren heimelijke zonden niet bekend gemaakt te worden, en degenen die zulks doen, behoren als oorzaak zijnde van de ergernissen die daaruit volgen, hun straf daarover te dragen” (’s-Gravenhage 1599).

“Een iegelijk lidmaat, die enige verborgene zonde in de kerkeraad of op een andere wijze openbaar maakt, zonder dat hij vooraf de particuliere vermaningen beproefd heeft, zal als een achterklapper bestraft, en bij verharding daartegen, gecensureerd worden.
Hierdoor wordt echter geenszins verboden het vragen van raad en bestuur in de behandeling van enige voorvallende zaak bij een der opzieners der gemeente. Integendeel wordt zodanige raadvraging aangeprezen, ten einde nodeloze en onvoorzichtige vitterijen tegen te gaan” (Huish. Regl. 1839).

Openbare zonden moeten aanstonds door de kerkeraad worden behandeld.

“Op de vraag, welke zonden openbaar zijn, is geantwoord, dat een openbare zonde is, die openbaar voor een iegelijk begaan wordt; of die gedaan wordt op een plaats welke van nature publiek is, hoewel weinig mensen ze zien; of die door de hardnekkigheid van den zondaar van heimelijk openbaar wordt; of ten laatste als ze om haar gruwelijkheid der openbare bestraffing waardig geacht wordt. Alzo zijn de zonden van David tegen Uria, van Ananias en Saffira tegen den Heiligen Geest, openbaar gemaakt en als openbare zonden gestraft” (Dordrecht 1578).

“Openbare zonden zijn, dewelke in eerster instantie alzo geschieden, dat ze aan de menigte bekend zijn, wanneer die op de markten, straten, in openbare rechtszalen of publieke wachtkamers begaan worden; insgelijks dewelke door verachting van alle goede vermaningen openbaar worden; of zodanige criminele misdaden, dewelke, op zichzelf heimelijk zijnde, nochtans door klappernijen of anderszins ruchtbaar geworden zijnde, behoorlijk met getuigen bewezen worden; insgelijks zulke zonden, die de overheid aan lijf of met enige andere ontering met

|288|

voorgaande openbare oordeelvellingen dadelijk verwezen of daarvan kwijtschelding gegeven heeft” (Middelburg 1591).

Bos, F.L. (1950) Art. 75

Art. 75.

Van al zulke zonden, die van haar natuur wege openbaar, of door verachting der kerkelijke vermaningen in het openbaar gekomen zijn, zal de verzoening — wanneer men genoegzame tekenen van boetvaardigheid ziet — in zulke vorm en manier geschieden als tot stichting van iedere kerk door de kerkeraad bekwaam zal geoordeeld worden. Of zij in bepaalde gevallen openbaar geschieden zal, wordt, wanneer daarover in de kerkeraad verschil is, in kerken, waar maar één dienaar is, met advies van twee genabuurde kerken beoordeeld.

De kerkelijke tucht, geoefend door de kerkeraad, eindigt zodra er genoegzame tekenen van boetvaardigheid zijn.

“Wie zijn misdaden belijdt en nalaat, zal erbarming vinden” (Spr. 28: 13).

“De straf van de kerk houdt tegenover de boetvaardigen op” (Rotterdam 1575).

Zie verder bij art. 76.

De tucht eindigt door verzoening met schuldbelijdenis. Ten aanzien van de wijze waarop dit geschieden moet, behoort de stichting der gemeente een beslissende factor te zijn.

“Publieke zonden zullen publiek verzoend worden en particuliere zonden particulier” („Teurs” 1563).

“In het verklaren van wat openbare zonden zijn, zal men grote voorzichtigheid en wijsheid gebruiken en in dier voege gematigdheid betrachten, dat zo door verzoening voor de kerkeraad de ergernis kan geweerd worden, men niet licht kome tot de openbare” (Rotterdam 1575).

“Hoe men handelen zal met degene, wiens openbare zonde door een langdurig tijdsverloop in vergetelheid gekomen is?

|289|

Antwoord: Men zal hem tot het avondmaal toelaten met voorgaande vermaning en heimelijke schuldbekentenis” (Dordrecht 1578).

“Het is genoeg, zo iemand zich vergrepen heeft in openlijke zonden en voor de kerkeraad komt en zijn zonden belijdt, begerende dat men den Heere voor hem wilde bidden, dat men zulks de gemeente aanzegt met vermelding van zijn naam en daad, en dat hij de gemeente laat bidden, dat zij die door hem geërgerd zijn hem dit vergeven” (Schoonhoven 1579).

“Nopens ... openbare zonden tegen de zeden, dewelke gewoonlijk door de overheid niet worden gestraft, als dronkenschap, kijven, dansen, vechten, zingen van oneerbare liedjes enz.... : indien degene die zich als boven vergrepen heeft, zegt dat het hem leed is, belovende betering en zulks verklarende in de tegenwoordigheid van de vergaderde kerkeraad, — datzelve zal alzo aangenomen worden, welverstaande dat tot wering van zulk openbaar schandaal of ergernis en genoegdoening der kerk de kerkedienaar ’s daags voor het avondmaal des Heeren of des Zondags voor de bediening daarvan van de preekstoel aan de gemeente zal bekend maken, dat zo zij enigen ter tafel des Heeren zagen gaan, aan dewelken zij enig openbaar schandaal gezien hadden, dezulken aan de kerkeraad genoegdoening gegeven hadden, en dat daarom een iegelijk zich daarmede zou tevreden houden en zich naarstig wachten van ergernis te geven…
Betreffende ... de zonden tegen de zeden, die de overheid aan lijf of met enige andere ontering met voorgaande openbare oordeelvelling dadelijk verwezen of daarvan kwijtschelding gegeven heeft: indien de zodanige de vermaning aanneemt en zich bekeert, zal zijn bekering met uitdrukking van zijn naam aan de gemeente bekend gemaakt worden” (Middelburg 1591).

Kerkelijke schuldbelijdenis kan ook door doopleden worden afgelegd.

De synode spreekt uit, “dat ook doopleden kerkelijke schuldbelijdenis kunnen afleggen, zonder dat daaraan de eis van voorafgaande geloofsbelijdenis als voorwaarde verbonden wordt” 1) (Utrecht 1943-45).

1) “Er moet onderscheid gemaakt worden tussen hetgeen gevraagd wordt voor geloofsbelijdenis en voor schuldbelijdenis. Iemand kan ter dege een zonde als die tegen het zevende gebod gevoelen, daarover berouw hebben en ze belijden voor God en mensen, maar daarom nog allerminst in staat zijn om

|290|

geloofsbelijdenis af te leggen. Daartoe is nodig in de leer, die in het Oude en Nieuwe Testament en in de artikelen des christelijken geloofs begrepen is, onderwezen te zijn en deze te houden voor de waarachtige en volkomen leer der zaligheid. En nog meer andere dingen worden bij geloofsbelijdenis gevraagd, zoals wel uitkomt in ons formulier voor de openbare belijdenis des geloofs. Maar in de schuldbelijdenis wordt een bepaalde zonde, waardoor de conscientie bezwaard is, beleden. In plaats van deze belijdenis van schuld voor doopleden ongerijmd te achten, moet de kerkeraad er veel meer op aandringen, opdat in die weg ook doopleden deel krijgen aan de belofte: wie zijn zonde belijdt en laat, zal barmhartigheid verkrijgen. Wanneer God zelfs acht slaat op de verootmoediging van Achab en het berouw der Ninevieten, hoe zal dan de kerk Gods geen schuldbelijdenis willen horen van doopleden...?” (rapport).

Bos, F.L. (1950) Art. 76

Art. 76.

Zo wie hardnekkig de vermaning van de kerkeraad verwerpt, en desgelijks wie een openbare of anderszins een grove zonde gedaan heeft, zal van het avondmaal des Heeren afgehouden worden.
En indien hij, afgehouden zijnde, na verscheidene vermaningen geen teken der boetvaardigheid bewijst, zo zal men ten laatste tot de uiterste remedie, namelijk de afsnijding, komen, volgens de forme naar den Woorde Gods daartoe gesteld.
Doch zal niemand afgesneden worden dan met voorgaand advies der classe.

Hangende de uitoefening van de kerkelijke tucht heeft de kerkeraad te waken voor het heilig houden van de tafel des Heeren.
Daartoe heeft de kerkeraad in bepaalde gevallen het recht om, zonder dat daarmede reeds uitgesloten wordt uit het koninkrijk der hemelen, iemand van het avondmaal des Heeren af te houden. De betekenis daarvan is schorsing in het ambt der gelovigen.

“Indien iemand der lidmaten van het heilig avondmaal voor een bepaalde of onbepaalde tijd is geweerd, heeft

|291|

hij ook gedurende die tijd geen recht om mede zijn stem ter beslissing van enige zaak uit te brengen” (Huishoud. regl. 1839).

Deze opschorting van de uitoefening van het ambt der gelovigen staat alleen aan de volle kerkeraad.

“Niemand zal van de gemeenschap des nachtmaals afgehouden worden door private autoriteit van den dienaar, maar in de vreze Gods met gemeen advies der anderen die over de regering der kerk gesteld zijn” (Rotterdam 1575).

Afhouding van het avondmaal zal allereerst geschieden indien iemand aan de vermaning van de kerkeraad als zodanig hardnekkig weigert zich te onderwerpen.

“Zij die, als zij op drie verschillende dagen met gepaste vermaningen zijn gesommeerd om op de kerkeraad te komen, niet zullen verschijnen, zullen als rebellen worden geschorst” (Antwerpen, Pinksteren 1565).

“Naar kerkelijk recht moet zulk een citatie (om voor een kerkelijke vergadering te verschijnen) bij weigering van den geciteerde om te komen of bij zijn wegblijven tot driemaal toe worden herhaald, om te kunnen constateren of deze weigering uit hardnekkigheid of wederspannigheid voortkomt” (Assen 1926 I).

Afhouding moet voorts geschieden als op de vermaning van de kerkeraad over niet criminele zonden geen bekering volgt.

“De eenvoudige, die met ketterij verstrikt zijnde, van de gemeente van Christus wijkt en geen afbreuk doet, alzo hij niemand verleidt, zal door de kerkeraad broederlijk vermaand worden, en zo hij geen gehoor geeft tussen die tijd en het aanstaande nachtmaal, zal hij van des Heeren nachtmaal gehouden worden.
Nopende de zonden tegen de zeden, dewelke van de magistraat alhier gewoonlijk niet worden gestraft, als dronkenschap, kijven, dansen, vechten, zingen van oneerbare liedjes enz…: zo er iemand ware, dewelke uit oorzaak als boven vermaand zijnde geen teken van boetvaardigheid gaf, ten gevolge waarvan hem door de kerkeraad de tafel des Heeren verboden werd, en bestond desniettegenstaande ter tafel des Heeren te gaan, die zal met alle heusheid daarvan gehouden worden” (Middelburg 1591).

|292|

“Indien iemand schoon mindere (d.i. niet grove en voor de wereld openbare) zonde beging, en door veelvoudige vermaningen en bestraffingen niet te bewegen ware, dien moet men ook door verbieding van het avondmaal tot beterschap zoeken te brengen” (K.O. v. Drente 1638).

De bedrijvers van (openbare) grove zonden zullen vanwege de gegeven ergernis aanstonds van het avondmaal worden afgehouden. Zij zullen mede een tijdlang van het avondmaal afgehouden blijven, al is het dat zij schuld belijden, om de echtheid van hun bekering te beproeven.

“Zij die zware, voor de kerken schandelijke en door de autoriteit van de overheid te bestraffen zonden bedrijven, zullen, ook ofschoon zij met woorden boetvaardigheid betuigen, van de gemeenschap des avondmaals geschorst worden; doch hoe dikwijls, (dat) zal aan het oordeel van de kerkeraad staan” (Emden 1571).

“Men zal met degenen die van grove zonden enig berouw tonen, niet terstond tot de laatste afsnijding komen, maar hen voor een tijdlang van het nachtmaal afhouden” (Dordrecht 1574).

“Die lelijke zonden begaan hebben, die voor de kerk schandelijk of ergerlijk en door de overheid strafbaar zijn, zullen van de gemeenschap van het nachtmaal worden afgehouden; maar hoe dikwijls, zullen de dienaars en ouderlingen wijselijk bedenken” (Rotterdam 1575).

“Degenen die zware zonden begaan hebben die voor de kerk schandelijk zijn of ook die door de overheid gestraft behoren te worden, zullen, al is het dat zij met woorden boetvaardigheid bewijzen, nochtans van de gemeenschap des avondmaals afgehouden worden, om de ergernis weg te nemen en hun boetvaardigheid te beproeven. Doch hoe dikwijls of hoe lang dit geschieden zal, zal in 't goeddunken van de kerkeraad staan” (Dordrecht 1578).

“Of men vrouwenverkrachters, doodslagers, verraders en die dergelijke grove feiten begaan hebben, hoewel ze zich bekeren, nochtans om der wille van de grovigheid der feiten behoort af te snijden?
Antwoord: Men zal geen boetvaardige afsnijden, maar wel voor een tijd van het avondmaal des Heeren afhouden om de grovigheid der zonde te betuigen, de ergernis

|293|

weg te nemen, anderen een vreze aan te doen, en hun boetvaardigheid te beproeven” (Dordrecht 1578).

“De vraag is voorgeslagen, of diegenen, welke in openbare grove zonden gevallen zijn en grote ergernis hebben gegeven, de facto (d.i. aanstonds) zonder enige vermaning mogen uitgebannen worden en daarna tot betering vermaand.
Is door de vergadering geantwoord, dat men niemand behoort uit te bannen, dan alleen die tevoren ordelijk vermaand zijn, maar wel behoren zij van het avondmaal afgehouden te worden. En zo geen boetvaardigheid gevonden wordt, zal men met tussenruimten ter discretie van de kerkeraad tot de uitbanning voortvaren” 1) (Rotterdam 1581).

1) Blijkens het vervolg richtte deze bepaling zich tegen de excommunicatie-praktijken van de Wederdopers.

Bij gerechtvaardigde verdenking, of iemand een grove zonde gepleegd heeft, kan het soms ook nodig zijn om de beschuldigde een tijdlang van het avondmaal af te houden, om ergernis te ontgaan.

“In zake dezulken, die in ’t verborgen criminele dingen zouden gedaan hebben, wat naderhand door klappernijen in ’t openbaar komt, alzo dat er twee of drie personen zijn die dit de kerkeraad aandienen en hetzelve gelijkelijk getuigen, zal de kerkeraad die personen mitsgaders den beschuldigde horen, en hoewel de beschuldigde blijft bij het loochenen van de misdaad, zo zal men hem evenwel om der wille van de ergernis een lange tijd van het gebruik van des Heeren nachtmaal houden, tot de zaak anders aan de dag komt. En zo dat niet geschiedt, alsdan zal de kerkeraad oordelen, of men hem met stichting tot de tafel des Heeren kan toelaten of niet” (Middelburg 1591).

“Op de vraag, of een lidmaat der gemeente, openlijk beschuldigd zijnde voor een dief, schelm of meinedige, zal mogen toegelaten worden tot het avondmaal eer hij zich daarover heeft verantwoord, — adviseren de broeders, dat de kerk of de classe, waar hetzelve voorvalt, hem vermanen zullen dat hij zich verantwoordt, en hangende de procedure zal hij naar discretie een tijdlang van het avondmaal opgehouden worden. Maar zo hij zich niet wil verantwoorden, zal hij gans afgehouden worden” (Schoonhoven 1579).

“Alzo twee personen, lidmaten der kerk, elk voor zich getrouwd zijnde, zodanige gemeenschap met elkander

|294|

hebben, dat zij bij velen grote verdenking wekken van oneerbaarheid, wordt gevraagd, of men met de tucht tegen hen zou mogen procederen.
De synode antwoordt, alzo de kerk niet optreedt dan tegen bekende zonden, dat de tucht tegen hen nog niet gebruikt kan worden, doch dewijl de gelovigen ook van de schijn des kwaads vrij behoren te wezen, dat dezelven, zolang de verdenkingen bestaan en door hen na behoorlijke vermaning niet geschuwd worden, van het avondmaal des Heeren zullen afgehouden worden” (Amsterdam 1601).

Indien met betrekking tot minder grove zonden meer zwakheid en gebrek aan inzicht dan hardnekkigheid in het geding is, zal men bij de afhouding van het heilig avondmaal blijven staan.

“Nopens ... openbare zonden tegen de zeden, dewelke door de magistraat alhier gewoonlijk niet worden bestraft, als dronkenschap, kijven, dansen, vechten, zingen van oneerbare liedjes enz....: zo er onder de voorgemelde (zondaren) enige waren, die vermaand zijnde, met de mond leedwezen beloofden en nochtans telkens wederom vervielen, over de zodanigen zal de uiterste straf zijn het verbieden van de tafel des Heeren tot der tijd dat zij zich bekeren” (Middelburg 1591).

“Nopens de ordinaire dronkaards en andere ongeregelde mensen, welke met de mond leedwezen beloven en niettemin in hun ongeregeldheid voortgaan, is eenstemmig goed en stichtelijk geoordeeld, overmits dezelve voor verachters van de kerkelijke vermaning zijn te houden, dat tegen hen strikter tucht dan de gedurige afhouding van het avondmaal zal mogen geoefend worden. Doch dewijl derzelver gelegenheid niet altijd enerlei is, zo zal het gebruik derzelver discipline gelaten worden in de discretie der kerkeraden, dewelke daarin zullen handelen met het advies van hun respectieve classen op zulke wijze als zij zullen vinden tot stichting van hun kerken het meest dienstig te wezen” (Goes 1620).

“Dat in gevallen als het (elders kerken) enkel geldt, uit gebrek aan kerkelijk besef kerken bij gereformeerde predikers buiten onze kerken, wel met grote lankmoedigheid en geduld vermaand worde, en als zij niet naar deze vermaning luisteren, het avondmaal ontzegd worde, — maar dat niet tot de uiterste trap der excommunicatie worde overgegaan, zolang het formulier van de ban niet toepasselijk geacht wordt” (Middelburg 1933).

|295|

Bij verharding moet de zondaar na vele vermaningen tenslotte worden uitgebannen.

“Indien hij naar de gemeente niet luistert, dan zij hij u als de heiden en de tollenaar” (Matth. 18: 17).

“Doet wie niet deugt, uit uw midden weg” (1 Cor. 5: 13).

“Een mens die scheuring maakt, moet gij, na hem een en andermaal terechtgewezen te hebben, afwijzen” (Tit. 3: 10).

“... Als hij twee- of driemaal vermaand zijnde, zijn hart hardnekkig verhardt, zal hij van de gemeenschap der gelovigen worden geweerd.
... Als hij herhaaldelijk vermaand zijnde, allerminst tot inkeer komt, zal hem de gemeenschap der kerk worden verboden.
... Indien hij niet tot inkeer komt, zal hij als een rot lid worden afgesneden.
... Indien hij niet gehoorzaamt, moet hij door excommunicatie (uitbanning) worden getroffen” (Wezel 1568).

“Wij die hier in de naam en met de macht van onzen Heere Jezus Christus vergaderd zijn, verklaren dat N. buiten de gemeente Gods is en van de hoop der eeuwige zaligheid — zolang hij hardnekkig blijft — beroofd, en daarom zo van de gemeenschap der sacramenten als van alle zegeningen en weldaden Gods, die hij zijn gemeente bewijst, uitgesloten, en als een heiden en tollenaar te houden is” (Middelburg 1581; vgl, Form v. d. ban).

In de uitbanning ligt nog een uiterste remedie. Ook het doel daarvan is mede nog het behoud van de zondaar.

“Wanneer wij vergaderd zijn, gij en mijn geest met de kracht van onzen Heere Jezus Christus, leveren wij in de naam van den Heere Jezus dien man aan den satan over tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden worde in de dag des Heeren” (1 Cor. 5: 4, 5).

“Tekent hem en gaat niet met hem om, opdat hij beschaamd worde; houdt hem echter niet voor een vijand, doch wijst hem terecht als een broeder” (2 Thess. 3: 14, 15).

“Eindelijk wij geven hem — gelijk Paulus spreekt — den satan over, opdat zo het mogelijk is die wijsheid en

|296|

kracht, zo des vleeses als des satans, die hij te veel gehoorzaam is geweest, getemd en gedood zijnde, hij zichzelven den Heiligen Geest onderwerpe en naar denzelve leve, en alzo ten laatste de eeuwige zaligheid verkrijge. Ulieden mits dezen vermanende, dat gij u van de gemene en onnodige conversatie met hem wilt onthouden, opdat hij beschaamd gemaakt zijnde zich bekere” (Middelburg 1581).

Om lichtvaardig handelen bij de afsnijding te voorkomen hebben de kerken sedert 1581 goedgevonden dat geen afsnijding zal plaats vinden dan met voorgaand advies van de classe.

“De kerkeraad zal niet lichtvaardig, ook niet om der wille van geringe oorzaken tot de afsnijding komen, maar de zaak ernstig overleggen, wanneer het van node is en niet anders zijn kan; want het is een gruwelijk werk, een mens uit de gemeenschap der heiligen te verwerpen, en een grote zonde, wanneer zoiets onrechtvaardig gedaan wordt” (K.O. v. Groningen 1595).

“Alzo is goedgevonden dat geen afsnijding geschieden zal dan met advies van de classe, en met zulk adviseren den beklaagden het middel van appel op de classe schijnt benomen te zijn, zo verordent de synode, dat de classe zelf of enigen die daartoe door haar gedeputeerd worden, zulk een beklaagde persoon tevoren zullen aanspreken en alzo in zijn tegenwoordigheid zijn zaak onderzoeken en daarop naar gelegenheid adviseren” (Tholen 1602).

“De synode verstaat art. 76 en 77 der Dordtse kerkorde in die zin, dat slechts eenmaal advies der classe behoeft gevraagd te worden voor iemands afsnijding” (Hoogeveen 1860).

Bos, F.L. (1950) Art. 77

Art. 77.

Aleer men, na de afhouding van het avondmaal en de daarop nog gevolgde onderscheidene vermaningen, tot de afsnijding komt, zal men de hardnekkigheid des zondaars der gemeente openlijk te kennen geven, de zonde verklarende, mitsgaders de naarstigheid aan hem bewezen in het bestraffen, afhouden van het avondmaal en menigvuldige vermaningen, en zal de gemeente vermaand worden hem aan te spreken en voor hem te bidden.

|297|

Zodanige vermaningen zullen er drie geschieden.
In de eerste zal de zondaar niet genoemd worden, opdat hij enigszins verschoond worde.
In de tweede zal met advies der classe zijn naam uitgedrukt worden.
In de derde zal men de gemeente te kennen geven, dat men hem — tenzij dat hij zich bekere — van de gemeenschap der kerk uitsluiten zal, opdat zijn afsnijding, zo hij hardnekkig blijft, met stilzwijgende bewilliging der kerk geschiede.
De tijd tussen de vermaningen zal aan het oordeel des kerkeraads staan.

De procedure om tot de afsnijding te komen is van het begin af vrijwel ongewijzigd in de kerkorde geregeld.
Ze bestaat in drie openbare afkondigingen en vermaningen aan de gemeente: de z.g. drie trappen van censuur.
De tekst daarvan is vastgesteld op de synode van Arnhem 1930.

“Eerste vermaning,
Geliefden in den Heere. De kerkeraad is in de droeve noodzakelijkheid aan de gemeente mede te delen dat een broeder (zuster) der gemeente zich heeft schuldig gemaakt aan ...; en dat hij (zij), in weerwil van vele ernstige vermaningen, geen blijken van ware boetvaardigheid heeft gegeven, zodat de kerkeraad hem (haar) heeft moeten afhouden van de gemeenschap aan de tafel des Heeren.
Nochtans heeft dit niet mogen leiden tot bekering, en zijn ook de voortgaande vermaningen vruchteloos gebleken.
Daarom ziet de kerkeraad tot zijn diepe droefheid zich verplicht met deze(n) broeder (zuster) verder te handelen, en, zo hij (zij) volhardt in zijn (haar) zonde, tot de afsnijding voort te varen.
Thans voor de eerste maal hiervan mededeling doende, wekt hij u met de meeste ernst op, voor hem (haar) gedurig te bidden, of het den Heere behagen mocht hem (haar) te brengen tot bekering.

Tweede vermaning.
Geliefden in den Heere. De kerkeraad was reeds

|298|

eenmaal in de droeve noodzakelijkheid aan de gemeente mede te delen, dat een broeder (zuster) zich heeft schuldig gemaakt aan ...; en dat hij (zij) wegens zijn (haar) kennelijke onboetvaardigheid niet slechts van het heilig avondmaal is afgehouden geweest, maar dat de kerkeraad ook verder met hem (haar) had te handelen.
Nu is tot hiertoe van waarachtige bekering bij deze(n) broeder (zuster) niets gebleken, maar zijn integendeel de menigvuldige bestraffingen en vermaningen zonder gevolg gebleven.
Daarom wordt met de afsnijding thans voortgevaren, en, na ingewonnen advies der classis, voor de tweede maal hiervan mededeling gedaan, thans met het noemen van de naam van de(n) zondaar (zondares) N.N. (wonende …).
Wij wekken u met de meeste ernst op, hem (haar) gedurig liefderijk te vermanen en voor hem (haar) naarstig te bidden, of het den Heere behagen mocht hem (haar) tot bekering te leiden, opdat de zonde worde weggedaan met behoud van de(n) zondaar (zondares).

Derde vermaning.
Geliefden in den Heere. De kerkeraad was reeds één en andermaal in de droeve noodzakelijkheid aan de gemeente mede te delen, dat broeder (zuster) N.N. zich heeft schuldig gemaakt aan ...; en dat hij (zij) wegens kennelijke onboetvaardigheid niet slechts van het heilig avondmaal is afgehouden geweest, maar dat de kerkeraad ook tot zijn (haar) afsnijding had voort te varen. Aangezien tot hiertoe nog immer van waarachtige bekering bij deze(n) broeder (zuster) niets is gebleken, maar integendeel de menigvuldige bestraffingen en vermaningen zonder gevolg zijn gebleven, wordt in de droeve zaak der afsnijding verder voortgevaren en u voor de derde en laatste maal hiervan mededeling gedaan en u te kennen gegeven, dat hij (zij), tenzij hij (zij) zich alsnog bekeert, op de naaste rustdag 1) van de gemeenschap der kerk zal voorden uitgesloten.
Wij wekken u voor het laatst met de meeste ernst op, om hem (haar) liefderijk te vermanen en voor hem (haar) vurig te bidden, of het den Heere behagen mocht hem (haar) alsnog tot bekering te leiden, opdat hij (zij) zich niet tot het uiterste verharde”.

1) Voor wijziging vatbaar.

Deze afkondigingen behoren in de publieke samenkomsten der gemeente te geschieden.

“Of hetgeen van iemands openbare voorstelling voor

|299|

de ban gezegd wordt, te verstaan is van een openbare handeling in de kerk voor alle toehoorders in ’t gemeen of voor de gemeente alleen?
Is geantwoord, dat het verstaan wordt van al degenen die tot het gehoor komen” (Middelburg 1581).

Terecht zijn in onze kerkorde de tijden tussen de verschillende afkondigingen aan het oordeel van de kerkeraden overgelaten.

(Volgens de Franse kerkorde „zullen de afkondigingen en waarschuwingen openbaar in de kerk geschieden, driemaal, op de zondagen, ... en als de zondaar volhoudt in zijn verharding ... zal men op de vierde zondag; de ban uitspreken in tegenwoordigheid van het volk” — Parijs 1565.)

“Omdat de tijden der publiek te geschieden vermaningen en van de uit te spreken ban aan het oordeel en de beschikking van de kerkeraden overgelaten zijn, zullen de tijden der vermaningen en van de ban verschoven kunnen worden, zó dat èn rekening gehouden worde met de instandhouding der kerk, èn de noodzakelijke ban niet veronachtzaamd worde” (Emden 1571).

Het is gewenst, dat de afsnijding plaats vindt in nauw verband met de viering van het avondmaal.

“Is gevraagd, hoe men handelt met de afsnijding, of ze geschiedt in de voorbereiding of voor het avondmaal. Is geantwoord, dat hetzelve wel in de meeste delen der kerk voor het avondmaal geschiedt, maar de kerken zullen nochtans daarin hun vrijheid behouden” (Amsterdam 1595).

Bos, F.L. (1950) Art. 78

Art. 78.

Wanneer iemand, die geëxcommuniceerd is, zich wederom wil verzoenen met de gemeente door boetvaardigheid, zo zal hetzelve vóór de handeling des avondmaals, of anderszins naar gelegenheid, tevoren der gemeente aangezegd worden, teneinde hij ten naastkomenden avondmale — zoverre niemand iets weet voor te brengen ter contrarie — openbaar met professie (d.i. belijdenis) van zijn bekering weder opgenomen worde, volgens het formulier daarvan zijnde.

|300|

Met een uitgebannene mag geen broederlijke omgang meer gehouden worden; wel moet hij nog als een broeder worden vermaand.

“Gij moet niet omgaan met iemand, die, al heet hij een broeder, een hoereerder, geldgierige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of oplichter is; met zo iemand moet gij zelfs niet samen eten” (1 Cor. 5: 11).

“Tekent hem en gaat niet met hem om, opdat hij beschaamd worde; houdt hem echter niet voor een vijand, doch wijst hem terecht als een broeder” (2 Thess. 3: 14, 15).

“Op de vraag betreffende enige lidmaten, die met een zekeren geëxcommuniceerden schipper ter zee reden 1), of men hetzelve niet zou mogen dulden, antwoordt de synode: ja, alzo nochtans dat hetzelve stichtelijker is gelaten dan gedaan, eensdeels om de zwakken niet te ergeren, anderdeels ook om den geëxcommuniceerde in zijn afval door zodanige familiariteit der lidmaten niet te stijven” (Gouda 1601).

1) Vgl. reder, rederij.

“Nog is het ambt der ouderlingen een alzo geëxcommuniceerden zondaar bij alle gelegenheden te vermanen en publiek voor hem te laten bidden, om tot boetvaardigheid wederom te brengen. En door des Heeren genade tot ware boetvaardigheid gebracht zijnde, denzelven wederom met blijdschap op- en aan te nemen” (K.O. v. Drente 1638).

Bos, F.L. (1950) Art. 79 & 80

Art. 79, 80.

Wanneer dienaars des goddelijken woords, ouderlingen of diakenen een openbare grove zonde bedrijven, die der kerk schandelijk, of ook bij de overheid strafwaardig is, zullen wel de ouderlingen en diakenen terstond door voorgaand oordeel des kerkeraads derzelver en der naastgelegene gemeente in hun dienst geschorst of daarvan afgezet worden, maar de dienaars alleen geschorst worden. Of deze geheel van de dienst af te zetten zijn, zal aan het oordeel der classe staan, met advies van de in art. 11 genoemde deputaten der particuliere synode.

Voorts onder de grove zonden, die waardig zijn met opschorting of afstelling van de dienst gestraft te worden,

|301|

zijn deze de voornaamste: valse leer of ketterij, openbare scheurmaking, openlijke blasphemie, simonie, trouweloze verlating van zijn dienst of indringing in eens anderen dienst, meinedigheid, echtbreuk, hoererij, vuil gewin; kortelijk, alle de zonden en grove feiten, die den bedrijver voor de wereld eerloos maken, en in een ander gemeen lidmaat der kerk der afsnijding waardig zouden gerekend worden.

De lijst van bij ambtsdragers volstrekt onduldbare zonden is vrijwel letterlijk aan Calvijn ontleend.

“Doch allereerst is aan te merken, dat er misdaden zijn, die in een dienaar volstrekt onduldbaar zijn.
Deze zijn: ketterij, scheurmakerij, rebellie tegen de kerkelijke orde, openbare en burgerlijk strafwaardige godslastering, simonie en elke knoeierij door geschenken, kuiperijen om de plaats van een ander in te nemen, het in de steek laten van zijn gemeente zonder wettig afscheid en rechte roeping, vervalsing, meineed, ontucht, diefstal, dronkenschap, geweldpleging die strafwaardig is volgens de wetten, woeker, bij de wetten verboden en schandelijke spelen, dansen en dergelijke losbandigheden, misdaden die burgerlijke eerloosheid met zich brengen, (en) misdaden die bij een ander afsnijding van de gemeente zouden verdienen” (K.O. van Genève, 1651).

“Voorts wat de misdaden aangaat welke in de dienaren volstrekt niet moeten worden geduld, die zijn ongeveer van deze aard:
ketterij; scheurmakerij; klaarblijkelijke minachting van de kerkelijke orde; openbare burgerlijk strafwaardige godslastering; simonie; oneerlijke kuiperij om op eens anders plaats in te dringen; het in de steek laten van zijn ambt en zijn gemeente zonder wettige toestemming en roeping; vervalsing; meineed; ontucht; diefstal; dronkenschap; wapengeweld en alle geweldpleging die burgerlijk strafwaardig is; ongeoorloofde woeker; dobbelspel en andere oneerbare en bij de wetten verboden spelen; openbaar drijven naar dwingelandij over gemeente en collega's; en overigens andere (misdaden) van die aard, die hetzij het brandmerk der eerloosheid geven of bij anderen afsnijding van de gemeente verdienen” (Wezel 1568).

“De kerkedienaars zullen om deze navolgende stukken

|302|

van hun dienst afgezet worden, namelijk om ketterijen, scheuring in de gemeente, openbare godslastering, meinedigheid, overspel, hoererij, dieverij, dronkenschap, overlast en geweld, woeker, spel door de wetten verboden, weerspannigheid jegens de overheid en kerkelijke ordening, eindelijk om zodanige zonden, die iemand eerloos maken en der uitbanning waardig” (Rotterdam 1575).

“De grove feiten en misdaden die men acht dat met opschorting en afzetting van de dienst moeten gestraft worden, zijn onder andere deze de voornaamste: valse leer en ketterij, verscheuring der gemeente, openbare godslastering, simonie, trouweloze verlating van zijn dienst, overspel, hoererij, dieverij, gewoonlijke dronkenschap, geweld, vechterij, schandelijk gewin, en kortelijk, alle zonden en grove feiten, die anderen voor de wereld eerloos maken en der afsnijding waardig gehouden worden” (Dordrecht 1578). 1)

1) Sedert de synode van Middelburg 1581 luidt de tekst van dit artikel gelijk ze thans is.

Blijkens de tekstgeschiedenis van deze zondenlijst is de samenvattende slotclausule niet bedoeld om daarmede ook alle tevoren genoemde zonden te kwalificeren. Trouwens, uit de gespecificeerde opsomming van zonden als zodanig blijkt reeds, dat hierbij typische „ambtsdragerszonden” zijn, die niet als „voor de wereld eerloos makende” of „in een gemeen lidmaat der kerk der afsnijding waardig” kúnnen gerekend worden. Deze kwalificatie komt echter wel overeen met de typering van schorsings- en afzettingswaardigheid, welke in art. 79 gegeven wordt. Immers, volgens art. 79 wordt schorsings- en afzettingswaardig genoemd „het bedrijven van een openbare grove zonde, die der kerk schandelijk of ook bij de overheid strafwaardig is”. En deze aanduiding komt zakelijk — en wat de oude redactie van art. 76 betreft zelfs letterlijk — overeen met de aanduiding in art. 76 van de misdadigheid, die bij een gewoon lid der gemeente tot onmiddellijke afhouding van het avondmaal en bij onboetvaardigheid tot afsnijding leiden moet.
Art. 80 geeft dus niet slechts een uitwerking van de kwalificatie van art. 79, doch geeft daaraan ook een noodzakelijke uitbreiding. Daaruit volgt, dat de

|303|

grond voor schorsing en afzetting, die art. 79 noemt, niet in beperkende zin mag worden opgevat.
Ook art. 80 put naar zijn eigen bewoordingen — „(onder andere) zijn deze (gronden) de voornaamste” — de gronden voor schorsing en afzetting van ambtsdragers geenszins uit.
Dit blijkt ook uit art. 53 en uit het aldaar genoemde ondertekeningsformulier, waar gronden genoemd worden voor schorsing en afzetting, die met de in art. 80 gegeven aanwijzingen niet worden gedekt. Zie bij art. 53.

Een algemene omschrijving van de gronden voor schorsing en afzetting van ambtsdragers — in de geest van onderstaande bepaling — mag gewenst geacht worden.

“Afgezet zullen worden de dienaren die een valse leer brengen, zo zij na voldoende vermaand te zijn daarmede niet ophouden;
eveneens zij die niet gehoorzamen aan hun door de kerkeraad gegeven heilige, uit Gods woord geputte vermaningen;
en zij die van zulk een schandelijk leven zijn, dat het burgerlijke straf of afsnijding verdient;
en zij die geheel ongeschikt en onbekwaam zijn, zodat hun bediening in het geheel niet opbouwend is” (Antwerpen, Mei 1564).

Ook onbekwaamheid kan een grond voor afzetting zijn. Vgl. echter art. 13.

“Onbekwame predikanten zullen en moeten afgezet worden, opdat het grote onheil en nadeel, dat hieruit rijst, moge geweerd worden” (Groningen 1607).

Indien openbare ergerlijke zonden de grond van de tucht over ambtsdragers vormen, blijve men niet lichtelijk bij schorsing alleen, maar ga men over ’t algemeen ook tot algehele afzetting over.

“Indien er een dienaar des goddelijken woords zich mocht verlopen in een grove, ergerlijke zonde als in echtbreuk, hoererij, gewoonlijke dronkenschap, simonie enz., besluiten de broeders der synode om goede redenen

|304|

die hen daartoe bewegen, dat zodanigen, al is het dat zij berouw en leedwezen betonen, niet stichtelijk terzelfder plaatse waar de fout bedreven is, mogen blijven, en daarom niet alleen geschorst maar ook van hun dienst gans ontzet zullen worden” (Deventer 1594).

“De generale synode, vertrouwende dat de kerken de ergerlijke zonden tegen het zevende gebod in de ambtsdragers met alle ernst zullen straffen, spreekt de wenselijkheid uit, dat men niet lichtelijk bij schorsing blijve, maar eerder tot afzetting van de dienst overga” (Amsterdam 1908).

Niet altijd gaat schorsing en afzetting gepaard met afhouding van het avondmaal en daaropvolgende excommunicatie.
In elk geval zal beoordeeld moeten worden, of art. 76 K.O. toepasselijk is.

“De synode, naarstelijk acht nemende op zekere vraag, kan niet anders oordelen, dan dat de afzetting van de remonstrantse predikanten niet een excommunicatie is. Daarom is haar opwekking aan haar predikanten, dat zij toch des te meer hun uiterste plicht doen om dezulken — voor zoveel mogelijk — wederom terecht te brengen. Zo men nochtans onder de hand zou bevinden, dat zij obstinaat en halsstarrig zijn en blijven, zal de kerk wel naar kerkenordening trapsgewijs met hen mogen procederen, doch wederom wel toezien, dat zij niet tot de executie overgaat zonder voorweten van de synode, aan welke men het geval zal doen toekomen” (Zutfen 1620).

“De schorsing en afzetting van enig lid van de kerkeraad wegens valse leer of ergerlijk gedrag, gaat, in geval van verharding, gepaard met censuur en daarop volgende afsnijding.
Dit heeft echter geen plaats, wanneer enig kerkeraadslid wegens bewezen onbekwaamheid tot de dienst wordt ontslagen of afgezet” (Huishoud. Regl. 1839).

Niet elke zonde, welke bij een ambtsdrager geconstateerd wordt, moet aanstonds schorsingswaardig geacht worden.
Op voetspoor van Calvijn heeft het Convent van Wezel ook ’n lijst van die slechts berispenswaardige zonden gegeven.

|305|

„Zonden van de tweede soort zijn zulke, die wel geduld worden, doch niettemin onderworpen zijn aan berisping en tucht.
Zodanige zijn: ijdele nieuwsgierigheid in nutteloze vragen; vreemde en op effect berekende wijze van behandeling der Schrift, waardoor aanstoot gegeven wordt aan de toehoorders — zoals die eigen is aan hen, die of buitensporig toegeven aan hun bespiegelingen, of spelen met ongelegen allegorieën, of eindelijk om te pralen er dingen bijhalen die niet stroken met het doel en de waardigheid der Schriften —: willekeurig invoeren van iets nieuws en wat helemaal ongebruikelijk is in de kerk; openlijk verzuim van de studie en van de lezing der Schriften; zich onbehoorlijk slap betonen in het bestraffen van ondeugden en bijna een pluimstrijker zijn; verder een al te grote traagheid en laksheid in de overige dingen die tot het ambt behoren; platte grappen of onkuise geestigheden; leugen; laster of kwaadsprekerij; vuile praatjes; schimpwoorden; onbezonnenheid; boze list; openlijke gierigheid; eerzucht en begeerte naar ijdele roem; opvliegende en onmatige toorn; huiselijke onenigheid; plagerijen en krakelen; onmatig scherpe verwijten; alle buitensporige weelde in voorkomen, tafelgerechten en verdere zaken, zoals ze een dienaar des goddelijken woords niet betaamt; bedektelijk drijven naar heerschappij en uitoefening van dwingelandij over gemeente of ambtgenoten.
In de (bovengenoemde) overige (zonden) zal broederlijke vermaning en zachtmoedige bestraffing aangewend worden.... Als deze andermaal en ten derden male wordt veracht, zal ... vastgesteld worden wat voor de kerk gelegen en nuttig zal zijn.
Voorts in lichter fouten die zelfs het oordeel van kerkelijke vergaderingen niet waard schijnen, zal de manier worden onderhouden, welke in alle overige (zaken) door Christus is voorgeschreven” (Wezel 1568).

Men mag niet lichtvaardig een beschuldiging tegen een ambtsdrager in kerkelijke behandeling nemen.

“Gij moet geen klacht tegen een ouderling aannemen, tenzij er twee of drie getuigen zijn” (1 Tim. 5: 19).

“Wat zal men doen met een dienaar, op welke verdenking valt van ongezondheid of onverstand in de leer?
Is geantwoord, dat degene die hem verdenkt, met hem handelen zal. En in zoverre die dienaar hem geen genoegdoening geeft, zo zal hij twee dienaren met zich

|306|

nemen. En zo hij van zijn dwaling en onverstand overtuigd zijnde, hardnekkig blijft, zo zal men de zaak brengen voor de kerkeraad, dewelke hem vermanen zal in zijn opinie niet te volharden. Zo hij daarentegen nochtans volhardt, zal de zaak met raad van de kerkeraad op de classis gebracht worden” (Middelburg 1581).

“Men moet om tot de schorsing van een dienaar te komen niet op onzekere geruchten, maar op klaar bescheid en getuigenis afgaan, hetzij men het bescheid op kerkelijke wijze kan bekomen, of dat het rechtelijkerwijs — wanneer het zo van node is — geschiede, behoudens nochtans, indien een dienaar de herbergen herhaaldelijk bezoekt en oorzaak van kwade geruchten geeft, dat de classen en kerk hem ernstig zullen vermanen, en zo hij daarmee niet ophoudt, naar Gods woord en kerkelijke orde tegen hem als een ongehoorzame en weerspannige procederen” (Schoonhoven 1597).

“Tegen een lid van de kerkeraad zal geen beschuldiging aangenomen worden, tenzij dezelve duidelijk worde opgegeven en bevestigd door twee of drie getuigen.
Zij die enige beschuldiging tegen enig lid van de kerkeraad hebben, zullen gehouden zijn, om vooraf een der opzieners over de zaak te spreken, eer dat dezelve in de kerkeraadsvergadering gebracht wordt” (Huishoud. Regl. 1839).

Het tuchtrecht over ambtsdragers berust principieel bij de plaatselijke kerkeraad, welke nimmer mag worden gepasseerd.

“Echter achten wij, dat aan de classicale vergaderingen te dezer zake — (namelijk in zake de ontzetting uit het ambt) — geen enkel recht over enige kerk of haar dienaren mag worden toegestaan, indien deze niet harerzijds bewilligt: opdat een kerk niet tegen wil en dank van haar recht en gezag worde beroofd” (Wezel 1568).

“Ouderlingen en diakenen zullen wel terstond door de autoriteit van de kerkeraad van hun ambt worden afgezet; dienaren echter zullen in hun functie geschorst worden” (Emden 1571; cf. Dordrecht 1578).

“Wanneer enig dienaar beschuldigd wordt een zodanige zonde begaan te hebben, welke de straf der opschorting van zijn dienst verdient, zullen in dat geval de personen, bij dewelken het beroepen der dienaren staat — ouderlingen en diakenen (met medewerking eventueel van gereformeerde overheidspersonen) — bijeenkomen, en

|307|

nadat zij deze zaak naarstig onderzocht zullen hebben en bevinden dat deze beschuldiging waarachtig is, alzo dat de beschuldigde overtuigd wordt, zullen zij straks denzelven — met advies van de classis 1) — in zijn dienst schorsen…” (Middelburg 1591).

1) In de oorspronkelijke tekst komt deze toevoeging niet voor; in latere edities wel. Het was echter ook oorspronkelijk de bedoeling, daar de beroeping in Zeeland ook geschiedde na ingeroepen advies van de classis.

Vrijwillig hebben de kerken hun tuchtrecht over ambtsdragers laten beperken door het kerkverband, om voor de ambtsdragers meerdere rechtszekerheid te scheppen. Sedert 1581 is het tuchtrecht der kerkeraden beperkt in deze zin, dat geen ambtsdrager mag worden geschorst zonder voorgaand oordeel ook van de meest naburige kerkeraad.

“Ouderlingen en diakenen zullen wel naar het oordeel van de kerkeraad èn van die èn van de naastbijgelegen gemeente van hun ambt ontzet, de herders echter in hun functie geschorst worden” (Lat. vert. — Middelburg 1581).
Opmerking: Het is klaarblijkelijk de bedoeling, dat elke kerkeraad afzonderlijk zijn oordeel zal geven. Alleen wanneer beider oordeel overeenstemt, kan tot handelen worden overgegaan.

Van het begin af is de beslissing, of geschorste predikanten geheel zijn af te zetten aan het oordeel van de classis overgelaten.

“Het zal aan de kerken niet vrijstaan, hetzij hun dienaar hetzij hun doctor of hun ouderling enz. af te zetten (of: te ontslaan), dan met tussenkomende bewilliging van de parochie of provinciale classis” (wezel 1568).

“Wie in zake zonden van de eerste soort van schuld overtuigd zal zijn, zal op de classicale vergadering uit zijn bediening worden verwijderd” (Wezel 1568).

Sedert 1905 is als nadere waarborg tegen willekeur daaraan nog toegevoegd, dat afzetting niet zal geschieden dan „met advies van de in art. 11 genoemde deputaten der particuliere synode”.

|308|

Ook in dezen behoort te gelden wat uitgesproken is ten aanzien van het advies van deputaten bij examens: „De lidmaten van de classis zullen stemmen nadat de gedeputeerden der synode eerst hun advies gegeven zullen hebben” (Schoonhoven 1597) en „bij conflict tussen de classis en de deputaten der particuliere synode staat de beslissing aan de particuliere synode” (Dordrecht 1893).

De tucht over een ambtsdrager heeft ook bij appél aanstonds effect.

“Een persoon die om onzuiverheid in de leer door de betreffende classis wettig veroordeeld is tot afstand van zijn dienst, behoort van deze zijn dienst afstand te doen, ongeacht zijn appèl dat hij daarover bij de meerdere vergadering zoude mogen doen of alrede gedaan hebben” (Hoorn 1608).

De classis mag de haar gegeven bevoegdheid om dienaren des Woords af te zetten niet overdragen aan een commissie uit de classis.

“De synode, overwegende in de vreze Gods, hoe licht de macht en het recht van de classis om enig predikant af te zetten, aan twee of drie overgegeven, kan worden misbruikt, ... ordonneert dat voortaan de respectieve classen dezer provincie zich ervan zullen onthouden om haar macht en recht van die aard aan enige weinigen onder de classe, wie het ook zouden mogen wezen, over te geven, maar haar gemelde recht en macht aan de gehele classe zullen voorbehouden” (Nijmegen 1619).

Overeenkomstig artikel 30 der kerkenordening mag geen meerdere vergadering, zelfs geen classis, met de tucht over ambtsdragers beginnen, tenzij de mindere vergaderingen in dezen in gebreke gebleven zijn.

“Zo nu de inspecteurs (d.i. kerkvisitatoren) bij den dienaar of voorstanders der kerk enige merkelijke fout gevonden hebben ..., zullen zij dezelve eerst particulier tot betering vermanen.
En zo de fout zodanig is, dat ze — overeenkomstig de synodale acten — verdient de opschorting van de dienst, zullen zij vernemen of de kerkeraad zich dienvolgens (van haar plicht) gekweten heeft, en zo niet, zullen zij

|309|

die kerkeraad vermanen om zijn plicht te doen, maar zo zulks niet helpt, zijn zij gehouden de zaak op de classe aan te dienen.
Zo het geringe fouten zijn, die heimelijk kunnen gebeterd worden na gedane vermaning tot betering, zullen zij ook alle hulp naar gelegenheid der zaak bewijzen. En zo het niet helpt, nadat alle trappen der vermaning volgens de regel van Christus (in) Matth. 18 aan hem gehouden zijn, zullen zij de zaak eerst bij de kerkeraad, en bij gebreke van de verbetering daarna bij de classicale vergadering aandienen” (Veere 1602).

“Wij bekennen, dat het de kerk van X. en bij gebreke van haar, de classe wel toekwam, om de zaak van N.N. ter hand te nemen, gelijk ook de particuliere synode ... bij gebreke van de kerk en de classe hetzelve wel had mogen doen, gelijk daarna bij gebreke van deze allen de nationale synode gedaan heeft” (Verweerschrift vanwege de prov. synode van Holland, ’s-Gravenhage 1586).

“Geen dienaar zal door de synode zonder bewilliging van de classis waaronder hij ressorteert, verwijderd mogen worden, tenzij de classis nalatig bevonden worde om de ongeregeldheden van dien dienaar te bestraffen” (Harlingen 1603).

“Indien een broeder wat op een ander weet te straffen, zal hij dit niet aanstonds bij de synode, maar eerst bij de classis waaronder de overtreder ressorteert, ordelijk aandienen” (Appingedam 1616; Groningen 1617).

“Indien er iets voor zou vallen, waardoor de afzetting (van een dienaar des woords) zou belet worden, het ware door ongehoorzaamheid van de afgezette of door onachtzaamheid van degenen aan wie de plicht tot afzetting toekomt, in zo’n geval zal de synode van deze provincie — met vier gecommitteerden uit de heren Staten die lidmaten der kerk zijn — bijeenkomen, ten einde zij gezamenlijk, kennis dezer zaken genomen hebbende, definitieve uitspraak doen…” (Middelburg 1591).

In geval de zonde zelf de kerken in ’t gemeen aangaat — b.v. de uitgave van een ketters boek — kunnen meerdere vergaderingen, indien de zaak daar van andere zijde wettig ter tafel komt, de strafwaardigheid uitspreken. Doorgaans behoort de toepassing van de straf in eerster instantie aan de naar de kerkenordening daartoe geroepen mindere vergaderingen te worden overgelaten.

|310|

“De synode houdt het ook daarvoor, dat, had de kerk van X. of de classis haar plicht gedaan om N.N. te onderwijzen en tot bekering te brengen, of in geval van hardnekkigheid hem geëxcommuniceerd, alle kerken in de nationale synode vergaderd zijnde, wel tevreden zouden zijn geweest, gaarne en veel liever rustende van hetgeen anderen voor haar — die ’t wel toekwam — behoorlijk en wel uitgericht zouden hebben, dan dat zij wat onnodigs zouden hebben willen aanroeren” (Verweerschrift vanwege de prov. synode van Holland — ’s-Gravenhage 1586).

“De omstandigheid, dat de synode ertoe heeft moeten overgaan rechtstreeks tucht te oefenen over ambtsdragers, mag in geen geval tot gevolg hebben, dat de oefening van de tucht door de mindere vergaderingen zou verslappen, maar het moet allereerst als de taak van de mindere vergaderingen beschouwd worden, in voorkomende gevallen dit recht met getrouwheid toe te passen” (Utrecht 1946).

De tuchtoefening over dienaren des woords, die niet als lidmaat behoren tot de kerk waaraan zij ambtelijk verbonden blijven — emeriti enz. — behoort te geschieden in onderling overleg der kerken waarmee zij verbonden zijn.

“De synode besluit uit te spreken, dat bij gebleken noodzakelijkheid van tuchtoefening over dienaren des woords, die nadat ze van hun dienstwerk ontslagen zijn de naam en ere van dienaar des woords behouden, maar niet als lidmaat behoren tot de kerk, waaraan zij nog ambtelijk verbonden blijven, de beide kerken onder wier toezicht ze dan komen te staan zich met elkander in verbinding hebben te stellen om gezamenlijk tot een eenparige beslissing te komen omtrent de toepassing der tucht. Bij verschil van mening dienaangaande zullen beide kerken zich te wenden hebben tot haar respectieve classen, opdat deze gezamenlijk tot een beslissing komen” (Amsterdam 1936).

Ontzetting uit het ambt betekent verlies van alle ambtsrechten.

“De afzetting van de dienst, in art. 79 en art. 80 K.O. bedoeld, is een volstrekte, in die zin, dat de afgezette predikant geen kerkedienaar is, het radikaal van dienaar des woords mist, geen enkel recht bezit om als

|311|

predikant op te treden, geen enkel ambtelijk werk in enige kerk mag verrichten, en ook alle rechten op salaris en pensioen voor hem en de zijnen heeft verloren, hetgeen evenwel niet insluit, dat de afgezette dienaar nooit weder in het ambt kan worden gesteld” (Groningen 1927).

De vraag of een afgezette dienaar weer tot de ambtsbediening is toe te laten, is van teveel factoren afhankelijk, dan dat daarvoor een algemene regel kan worden gegeven.

“Het is niet wenselijk, dat de kerken precies bepalen in welke gevallen het niet geoorloofd is, een afgezetten dienaar opnieuw in het ambt te stellen, aangezien dit zou leiden tot verstening van het leven, en aanleiding zou worden, dat steeds weer nieuwe bepalingen nodig werden, maar dat elk geval op zichzelf moet worden beoordeeld en dat men daartoe niet anders dan om zeer bizondere redenen behoort over te gaan, en dat bij de vraag, of iemand opnieuw in het ambt kan worden gesteld, moet worden overwogen, niet alleen de aard der zonde waarom hij afgezet is, maar ook of het berouw over de gepleegde zonde duidelijk is, of de verzoening is tot stand gekomen, en de ergernis is weggenomen, en of iemand tot opbouw van Gods gemeente kan werkzaam zijn zonder dat het heilig karakter der gemeente en de ere Gods wordt aangetast” (Groningen 1927).

De beslissing ten aanzien van de weer-beroepbaar-verklaring van een afgezetten dienaar des woords is aan de classis met medewerking van (deputaten van) de particuliere synode opgedragen.

“Of de dienaars, ouderlingen en diakenen, afgezet zijnde, nadat zij de kerk met boetvaardigheid voldaan (d.i. genoegdoening gegeven) hebben, zo zij wederom verkoren worden toegelaten zullen mogen worden, zal, zoveel als de ouderlingen en diakenen aangaat, de kerkeraad beoordelen. Maar zoveel de dienaars betreft zal (dit) door de classicale vergadering beoordeeld worden” (Emden 1571; Dordrecht 1578).

“De synode spreekt uit, dat de vraag of iemand die van de dienst des woords afgezet is, weder beroepbaar zal gesteld worden, niet anders dan ten overstaan van deputaten naar art. 49 K.O. door de classis kan beantwoord worden” (Leeuwarden 1920).

|312|

Enigszins willekeurig de analogie der gevallen overschrijdend is de wijziging der bovengenoemde bepaling: „De synode besluit dat met wijziging van het besluit der synode van Leeuwarden, de classis een afgezetten dienaar des woords niet opnieuw in het ambt stelle (d.i. beroepbaar verklare), dan met kennis en goedkeuring der particuliere synode” (Groningen 1927).

Een ambtsdrager die moedwillig zijn ambt neerlegt 1) kan niet meer worden geschorst en afgezet. Wel moet ook van de zijde der kerk duidelijk worden uitgesproken, dat hij alle ambtsrechten heeft verloren.

1) Met „trouweloze verlating van zijn dienst” in art. 80 K.O. wordt iets anders bedoeld, nl. „het in de steek laten van zijn gemeente zonder wettig afscheid” om op onregelmatige wijze een andere gemeente te gaan dienen.

“Alzo N.N. ... verklaard heeft zijn dienst neer te leggen ..., zo is het dat de synode, aanmerkende ... zijn trouweloze verlating van zijn dienst, dewelke hij gelijk alle andere dienaren niet mocht verlaten zonder wettelijke redenen, door de classe of synode gewichtig bevonden …, den voornoemden persoon heeft verklaard mits dezen vervallen te zijn van alle kerkelijke diensten en bediening” (Utrecht 1619).

“De kerken mogen het nimmer goedkeuren, dat een dienaar des Woords uit verkeerde en onheilige motieven zijn dienstwerk verlaat, en al moge het zijn, dat de kerken iemand, die moedwillig zijn dienst neerlegt en vrijwillig een andere levenspositie kiest, niet meer kunnen schorsen of afzetten, wijl hij zichzelf losgemaakt heeft van het ambt, en op geen andere wijze de tucht op hem kunnen toepassen dan die op een gewoon gemeentelid in zulke gevallen moet worden toegepast, de kerken ontnemen zo iemand toch wel het recht, om het werk van een dienaar des Woords te vervullen” (rapport, Arnhem 1930).

Als regel moet iemand die moedwillig zijn ambt heeft neergelegd, niet weer in het ambt worden gesteld.

“De synode besluit uit te spreken, dat aan iemand die moedwillig zijn ambt neerlegde zonder bewilliging en tegen het advies van de kerkeraad en de classis, niet

|313|

anders dan om zeer bijzondere redenen weder de weg tot het ambt behoort te worden geopend” (Arnhem 1930).

Bos, F.L. (1950) Art. 81

Art. 81.

De dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen zullen onder elkander de christelijke censuur oefenen, en malkander van de bediening huns ambts vriendelijk vermanen.

Dit artikel handelt over de onderlinge censuur — ook wel censura morum genoemd — op de kerkeraadsvergadering; vgl. art. 43.
Ze heeft betrekking op ambtsvoering en levenswandel.

“Voortaan zal men elke maand in de kerkeraad censuur houden, waarbij men zal handelen over de dingen die voorgevallen zijn, zoals over het leven van de ouderlingen en diakenen, en dergelijke; of zij hun plicht hebben gedaan tegenover degenen, die aan hun zorgen zijn toevertrouwd; voorts over het leven en de leer van den dienaar, ten einde alles worde gedaan naar goede orde, strekkende ter ere Gods en tot opbouw van zijn gemeente” (Doornik 1563).

Naar de bedoeling der vaderen behoort zij voornamelijk plaats te vinden vóór de avondmaalsviering.

“De dienaren des woords, ouderlingen en diakenen zullen voor het houden van het avondmaal onder elkaar een christelijke censuur of onderzoeking doen, zowel over de leer als over de wandel, en zullen de christelijke vermaningen in liefde opnemen” (Dordrecht 1578).

“Of het niet raadzaam is, dat de dienaars des woords, ouderlingen en diakenen voor de bediening des H. avondmaals de censuur onder elkander gebruiken?
Antwoord: Het is gans nut en raadzaam” (Middelburg 1581).

De wijze waarop deze onderlinge censuur plaats vindt, hangt af van gewoonte en omstandigheden. Over ’t algemeen is de Wezelse methode als niet bevorderlijk voor de broederlijke verhouding ongewenst.

|314|

“Er zal een naarstig onderzoek gedaan worden naar de afzonderlijke dienaren en ouderlingen, en nadat hem bevolen is buiten te staan en van de overigen een eed is afgenomen, dat niemand zal verklappen wat en door wie iets gezegd is, zal nauwkeurig navraag worden gedaan hoe een ieder zich in zijn ambt gedragen heeft. En wie een vermaning zal schijnen nodig te hebben, zal, na in de vergadering teruggeroepen te zijn, vermaand worden, of zo een berisping en bestraffing nodig is, zal hij berispt en naar de grootte of lichtheid van zijn vergrijp worden bestraft” (Wezel 1568).

“De voorzitter vermaant alle dienaren en ook zichzelf om zich geheel van alle verdorven genegenheden te ontdoen en alle vleselijke hoogmoed geheel af te leggen.
Daarna begint men met den voorzitter te verzoeken zich uit de vergadering te willen verwijderen. Dan wordt aan iederen dienaar afzonderlijk gevraagd of hij ook enige rechtvaardige, naar Paulus’ leer in de mond van twee of drie getuigen bestaande beschuldiging in zake leer of leven tegen den voorzitter heeft. Nadat men die aangehoord heeft, worden zij hem met wijsheid en godsvrucht zonder bitterheid te (zijner) berisping en betering voorgesteld. Maar als er geen beschuldigingen naar voren worden gebracht, looft en dankt men God daarvoor.
En hetzelfde wordt alsdan voorts achtereenvolgens met alle andere dienaren, die tegenwoordig zijn, gedaan.
De broederen hebben ook goedgevonden, dat men deze oefening en dit gebruik der (onderlinge) tucht op gelijke wijze en manier ook in alle kerkeraden zal toepassen, dit er nog bij voegende, dat men tevoren van de preekstoel zal afkondigen dat deze handeling ter bestemder tijd zal plaatsvinden. Bij die afkondiging zal men aan een ieder verlof geven om ter kerkeraadsvergadering te komen en daar z’n beschuldiging, die hij tegen enige dienaren uit de kerkeraad wettig en rechtvaardig heeft, naar voren te brengen, om alzo daardoor alle lastermonden, die zeer haast het evangelie om enige gebreken der dienaren lasteren, geheel toe te stoppen.
Doch hier is bij gezet, dat men in deze aangelegenheid en in zake de toelating van een ieder om te komen deze uitzondering en voorzichtigheid zal moeten toepassen, dat men ter plaatse waar de kerkeraad in besloten vergadering bijeenkomt, niet aan een ieder die het belieft verlof zal geven binnen te komen en alzo de aangelegenheid der (onderlinge) tucht tot een schimpachtig schouwspel van spotters te maken; maar dat men alleen dezulken zal laten binnenkomen, van wie men gehoord heeft dat zij enige wettige en rechtvaardige beschuldiging tegen iemand hebben” (Alkmaar 1573).

|315|

“De wijze daaromtrent (n.l. omtrent de censura morum) wordt gelaten aan de vrijheid en gewoonte van elke classis” 1) (Woerden 1674).

1) De onderlinge censuur werd toen op de classicale vergadering gehouden.

Zie voor het geval van verachting der onderlinge censuur bij art. 43.

Bos, F.L. (1950) Art. 82

Art. 82.

Aan degenen die uit de gemeente vertrekken, zal een attestatie of getuigenis aangaande hun belijdenis en wandel door de kerkeraad medegegeven worden, door twee ondertekend, of bij attestatiën die onder het zegel der kerk gegeven worden, met één ondertekening.

Aan vertrekkende leden te verstrekken getuigschriften behoren de kerkeraad te passeren.

“De getuigenisbrieven der lidmaten der gemeente die vertrekken, zullen met gemeen advies in de kerkeraad worden geschreven.... En zo het gebeurde dat door de haastige afreis dergenen, die vertrekken willen, de samenkomst van de kerkeraad niet kon afgewacht worden, zullen de dienaren des Woords met advies van sommige ouderlingen het getuigenis schrijven” (Dordrecht 1578).

“Als en zover bij het vertrek van een lidmaat der gemeente van de ene plaats naar de andere, hij (een) getuigenis van de gemeente begeert, zo zal de kerkeraad hem een getuigenis ter hand stellen; en zover de zaak spoed eist en de kerkeraad niet zo haastig bijeen te vergaderen is, zo zullen hem twee of drie van de kerkeraad getuigenis geven hoe hij gewandeld heeft” (Amsterdam 1578).

“Aan degenen die uit de gemeente vertrekken zal een attestatie en/of getuigenis van hun wandel bij advies van de kerkeraad 1) medegegeven worden” (Middelburg 1581; 's-Gravenhage 1586; veranderd als boven: Utrecht 1905).

1) Volgens de lat. vertaling van de K.O. van Middelburg 1581: „naar het oordeel van de kerkeraad”.

“Op de vraag, hoe men het misbruik der attestatiën die door enige dienaren onvoorzichtig gegeven worden, het best zal weren, is besloten, dat men naar het besluit van

|316|

de generale synoden van Middelburg (1581) en ’s-Gravenhage (1586) geen attestaties geven zal dan met voorgaande bewilliging van de kerkeraad…” (Alkmaar 1587).

De formulering der attestaties moet zo zijn, dat aan de waarheid geen geweld wordt aangedaan.

“De getuigenisbrieven der lidmaten der gemeente die vertrekken, zullen ... alzo worden geschreven, dat de vromen en godzaligen met deze woorden worden aanbevolen: dat ze in de kerk Gods christelijk zonder opspraak en ergernis gewandeld hebben; maar een zo geformuleerd getuigenis zal men niet geven aan degenen die alzo nog niet beproefd zijn” (Dordrecht 1578).

“Bij kenteken van deze navolgende formule zal de kerk, waar hij komt, zijn vroomheid kennen: — als deze —: N.N. heeft vroom en godzalig te allen tijde in onze gemeente geleefd en gewandeld zonder ergernis. Maar waar deze formule zo breed niet verhaald staat, zal men zo volkomen van hem niet gevoelen” (Amsterdam 1578).

“Op de vraag aangaande het geven van (een) attestatie, of men daarin zal zetten de woorden van opspraak enz., waarvan melding wordt gemaakt door de synode van Dordrecht (1578), is besloten, dat elke kerk van de lidmaten die vertrekken, getuigenis zal geven naar waarheid en naar gelegenheid der zaak” (Alkmaar 1599).

“De vrijheid die elke kerkeraad heeft om attestatiën naar goedvinden af te geven, moet niet gekortwiekt worden. Een bepaalde formule is te ontraden, maar aan te raden is, dat de kerkeraad bij het afgeven van attestatiën het negende gebod voor ogen hebbe” (Utrecht 1877).

Opmerking: Tot 1905 wordt in de kerkorde de belijdenis niet van de wandel onderscheiden.

“De synode spreekt uit, dat bij een attestatie moet blijken, dat het inderdaad een getuigenis is aangaande belijdenis en wandel van de vertrekkende, welk getuigenis op verzoek van de vertrekkende of van zijn verzorgers, door de kerkeraad van vertrek wordt gericht aan de kerkeraad van aankomst, en dat bij belijdende leden, inbegrepen eventueel hun gedoopte kinderen, aan den vertrekkende wordt meegegeven. De synode acht het onnodig een model-attestatie bij de kerken aan te bevelen” 1) (Groningen 1946). *

1) „Uw commissie acht uniforme attestaties niet gewenst, omdat een attestatie meer is dan een

|317|

doopbewijs of een bewijs van lidmaatschap en bij dat meerdere ook de verscheidenheid zich zal voordoen. Waarom zal bij vertrek van een lid der gemeente de ene kerkeraad de andere niet inlichten of dit lid ambtsdrager is geweest, veel gevoelt voor het werk der zending of dat der evangelisatie, voor het werk onder de jeugd en daarvoor bijzondere gaven ontvangen heeft enz. Of ook dat de vertrekkende een zwakke broeder of zuster is, die bijzondere zorg van de kerkeraad behoeft?” (rapport).

Op of bij de attestatie behoren ook alle mogelijke gegevens voor de kerkelijke stand te worden vermeld.

“De synode vestigt de aandacht der kerken op het belang ervan, dat bij het afgeven van attestaties, hetzij op de attestatie zelve, hetzij op een afzonderlijk erbij gevoegde kaart, aangetekend worden alle gegevens, die voor het bijhouden van de kerkelijke stand van dienst kunnen zijn, als naam — in geval van een doopattest ook de namen der ouders —, geboortedatum, datum van doopsbediening, van aflegging van de belijdenis des geloofs, van huwelijksbevestiging, nauwkeurig adres, en dat hieraan zo stipt en getrouw mogelijk de hand worde gehouden” (Utrecht 1943-45).

“De synode dringt er bij de kerkeraden sterk op aan, dat de in het rapport genoemde gegevens aangaande zaken die voor ieder gelden, op de attestatie worden vermeld” 1) (Groningen 1946). *

1) „Er zijn mededelingen, die op elke attestatie moeten voorkomen, nl. de naam, de namen der ouders, de plaats en de datum der geboorte, doop, belijdenis en kerkelijke huwelijksbevestiging, of de vermelding dat het huwelijk niet kerkelijk werd bevestigd. Ook vindt uw commissie het gewenst, dat vermeld wordt uit welke gemeente en wanneer het vertrekkende lid is gekomen in de gemeente waaruit het nu vertrekt. De vermelding van de namen der ouders, zowel van belijdende leden als van doopleden, acht uw commissie gewenst, omdat er nogal eens gelijkluidende namen zijn en omdat een nauwkeurige kerkelijke administratie waarde heeft, wanneer die van de burgerlijke stand in ongereedheid mocht komen” (rapport).

De attestaties dienen — indien zij niet onder kerke-zegel worden afgegeven — door minstens twee kerkeraadsleden

|318|

te worden ondertekend. Normaal is, dat dit gebeurt door praeses en scriba van de kerkeraad.

“... een attestatie ... zal medegegeven worden onder het zegel der kerk, of waar geen zegel is, door twee ondertekend” (’s-Gravenhage 1586; de tegenwoordige formulering der kerkorde sedert Utrecht 1905).

“Men zal voortaan geen attestatiën voor goed aannemen dan diegene die — als boven verhaald is (nl. met voorgaande bewilliging van de kerkeraad onder het zegel der kerk of, waar geen kerkezegel is, door twee ondertekend) — wettelijk gegeven en behoorlijk geformuleerd zijn” (Alkmaar 1587).

“De classen zullen elk hun kerken vermanen geen attestatiën te ontvangen, dan die door twee dienaren of door een dienaar en een ouderling ondertekend en bezegeld zijn” (Leiden 1592).

“Werd gevraagd van de attestatiën, of ze niet eerst dan van kracht behoren te zijn, als zij met het kerkelijk zegel of met ondertekening van twee personen zullen bevestigd zijn? Antwoord: ja” (Alkmaar 1620).

Een attestatie behoort aan het vertrekkende lid te worden meegegeven of aan hem of haar persoonlijk te worden toegestuurd.

“Onze kerkenordening bepaalt in art. 82, dat een attestatie aan hen, die uit de gemeente vertrekken, zal worden „medegegeven”, wat een afgeven aan de vertrekkende persoon te kennen geeft.
Daarmede zou het in strijd zijn, als de synode tot regel maakte, dat de attestatiën door de ene kerkeraad aan de andere afgegeven of gezonden worden.
Ook zou daardoor lichtelijk de voorstelling kunnen worden bevorderd, dat men, op de éne plaats lidmaat zijnde, het daardoor ook reeds is in een andere plaatselijke kerk; en de gedachte weder kunnen insluipen, dat het lidmaatschap betrekking heeft niet op de plaatselijke kerk, maar op een over meerdere plaatsen zich uitstrekkend kerkgenootschap, waarvan de plaatselijke kerken afdelingen zijn.
Voorts komt door het persoonlijk indienen van de attestatie een inkomend lidmaat in een gewenste aanraking met de opzieners der kerk” (Utrecht 1889).

“Een attestatie is niet een verhuisbiljet, maar een kerkelijk getuigschrift, waardoor de kerkeraad aan een lid,

|319|

dat van de ene plaats naar de andere vertrekt, een schriftelijke verklaring geeft, dat hij lid van genoemde kerk was, en dat hij hem aanbeveelt aan de broeders opzieners van de andere kerk, opdat deze hem onder hun hoede en opzicht zouden nemen. Wijl de aansluiting aan de kerk behoort te zijn een vrijwillige daad van een gelovige, is het naar de orde, dat een lid persoonlijk zijn attestatie ontvangt en indient bij de nieuwe kerkeraad, en behoort dus ook een kerkeraad niet geheel buiten het vertrekkende lid om zijn attestatie over te zenden” (rapport Arnhem 1930).

Van de afgifte van een attestatie worde een kennisgeving gezonden aan de kerk van de plaats, waarheen het lid vertrekt.

Het wordt aangeraden, dat „de kerkeraden van de door hen uitgereikte attestatiën een kort bericht zenden aan de kerkeraden van de plaatsen, waarheen de vertrekkende personen verklaren zich te begeven” (Utrecht 1889).

“De synode verklaart het zeer gewenst te achten, zonder ook maar enigszins het bepaalde in art. 82 der K.O. te verzwakken, dat bij vertrek van leden, zowel door doop alleen als ook door belijdenis, door de kerkeraad die tot dusver het toezicht oefende, ten spoedigste bericht van verhuizing, zo mogelijk met opgave van het juiste adres, gezonden worde aan de kerkeraad onder wiens ressort zij gaan wonen” 1) (Middelburg 1896; nieuwe aandrang, Utrecht 1905).

1) „Het is toch niet te ontkennen, dat er soms leden zijn, hetzij dan door doop alleen, of ook door belijdenis, die op een andere plaats zich vestigen, en ofschoon zij een attestatie bij zich hebben, zich niet aanmelden bij de kerkeraad aldaar. Die kerkeraad alsdan van niets wetende, kan dergelijke personen niet bearbeiden om ze, zo mogelijk, nog te behouden voor de kerk, vooral in plaatsen van enige omvang” (rapport).

“De generale synode betuigt haar volle instemming met het voorstel om de kerken met alle aandrang te herinneren aan hetgeen besloten is ... in zake het bericht geven van verhuizing van leden ener kerk, en dringt op de stipte uitvoering van dit besluit der synode bij de kerken aan” (’s-Gravenhage 1914).

Krachtens kerkverband behoort een met attestatie van

|320|

een zusterkerk binnenkomende door de kerk ter plaatse als lidmaat te worden aanvaard.

“Hij die een wettig getuigenis brengt, zal tot het avondmaal toegelaten worden, tenzij dat het lange tijd tevoren geschreven is, want alsdan moet men naar dezulken informeren even alsof zij geen getuigenis hadden.
Doch zo betaamt het, dat wij meer geneigd zijn toe te laten dan af te wijzen hen, welker godzaligheid aannemelijk gemaakt wordt òf door geschreven òf door levende getuigenissen” (Dordrecht 1574).

“Aangaande degenen die met getuigenis-brieven uit andere kerken komen, die zullen zonder nieuwe belijdenis des geloofs te doen toegelaten worden. Maar degenen, die geen geschreven noch levend getuigenis van geloofwaardige personen hebben, zal men voor dat maal niet toelaten” (Dordrecht 1578).

Ofschoon formeel het lidmaatschap van een plaatselijke kerk eindigt bij vertrek, behoort er toch, indien het vertrek zonder attestatie heeft plaats gevonden, nog gedurende zekere tijd voor de vertrokkene de gelegenheid te bestaan om alsnog zijn verzuim te herstellen.
Bovendien behoort de kerk, vanwaar het lidmaat zonder attestatie vertrokken is, zich in verbinding te stellen met de kerk ter plaatse van zijn vestiging, om deze in te lichten en op te wekken om pogingen in het werk te stellen ten einde de betrokkene tot de gemeenschap der kerk terug te brengen.

“Hoe men handelen zal met degenen, die uit de gemeente naar een andere plaats vertrekken, en zich bij de gemeente dier plaats niet voegen, of ook zich niet vromelijk gedragen?
Antwoord: De kerken uit welke zij vertrokken zijn, zullen aan de kerk dier plaats waar zij heengegaan zijn, schrijven, dat zij met zodanigen handelen en zo het mogelijk is, hen tot de gemeenschap wederbrengen…” 1) (Dordrecht 1578).

1) Het slot van dit besluit: „of anders naar de christelijke straf met hen voortvaren”, moet onjuist geacht worden, daar de christelijke tucht niet kan worden toegepast op hen, die niet tot de kerkelijke gemeenschap behoren.

|321|

“Sommigen vervreemden geheel en al van de kerk door hun vertrek, zonder attestatie komende in plaatsen, waar zij niet bekend zijn, hetzij omdat zij geen attestatie verzocht hebben of omdat zij die niet verdienen.
Zo heeft de synode nodig geoordeeld dat de dienaren daarop zullen letten, en aan de kerkeraad ter plaatse waar zij wonen van hun gelegenheid bericht zenden, opdat zij aangesproken, vermaand en weer terecht gebracht mogen worden, voornamelijk opdat door diegenen, die afgesneden zijn of onder de censuur der kerk staan en enige ergernis gegeven hebben, het avondmaal des Heeren, waartoe zij zich door nieuwe belijdenis zouden mogen begeven, niet ontheiligd worde” (Leiden 1600).

“Of men een lidmaat, dewelke ergerlijk in de kerk geleefd heeft, alzo dat hem het avondmaal verboden is, en onverzoend met de kerk is vertrokken, zonder attestatie te begeren.... en na zes of zeven jaren komt en attestatie verzoekt om zich te mogen begeven tot de kerk, waar hij tegenwoordig zijn woonplaats heeft genomen, gehouden is attestatie te geven?
Is verklaard: indien dezelve persoon, tot leedwezen en bekering komende, naar orde der kerk met dezelve verzoend is en haar genoegdoening geeft, zal hem gelijk betaamt een goede attestatie gegeven worden. Zo hij daarentegen in zijn zonden blijft en evenwel om (een) attestatie aanhoudt, zal hem naar de waarheid zijner fouten getuigenis gegeven worden” (Amsterdam 1607).

“De leden die uit een gemeente vertrekken, behoren hun attestatiën binnen de tijd van een jaar en zes weken op te vragen. In geval van verzuim zal het lidmaatschap vervallen zijn” (Amsterdam 1849).

De geldigheidsduur van een attestatie is uiteraard niet onbeperkt.

“Men zal voortaan geen attestatiën voor goed aannemen dan degene die niet ouder zijn dan drie maanden, ten ware genoegzame redenen om anders te handelen worden gegeven aan de kerkeraad, alwaar attestatiën van oudere datum zullen voorkomen” (Alkmaar 1587; idem Delft 1587).

Het voorstel, „dat de synode besluite, dat attestatiën van vertrokken lidmaten naar een andere gemeente, indien zij niet binnen zes maanden ingeleverd zijn, vervallen”, wordt verworpen. „De termijn van een jaar en zes weken blijft” (Rotterdam 1885).

|322|

„Men zal op de attestatiën schrijven: deze attestatie zo spoedig mogelijk in te leveren” (Utrecht 1877).

Doopattesten behoren niet medegegeven, maar — uit hoofde van de onmondigheid dergenen die vertrekken — naar de kerkeraad ter plaatse hunner vestiging verzonden te worden.
Evenwel behoren volwassen doopleden wel zelf een attest aan te vragen.

“De kerkeraden zijn bij het vertrek van kinderen der gemeente, die nog geen belijdenis des geloofs hebben afgelegd, verplicht hiervan met een getuigschrift aangaande hun gedrag, aan de kerkeraad der gemeente waar zij zich vestigen, ten spoedigste kennis te geven” (Middelburg 1869).

Op de vraag, „welke maatregelen kunnen worden genomen, om naar elders vertrekkende doopleden te doen komen onder toezicht van de kerkeraad hunner tegenwoordige woonplaats, antwoordt de synode, dat bij vertrek van doopleden hiervan kennis kan gegeven worden aan de kerkeraad van hun toekomstige woonplaats” (Utrecht 1888).

“De synode besluit nogmaals bij de kerkeraden er op aan te dringen, dat aan de betrokken kerkeraden waarheen doopleden verhuizen, bericht van deze verhuizing geschiede, en te verzoeken dat men toezicht houde op deze onmondige leden” (Leeuwarden 1920).

“Wanneer een volwassen dooplid naar elders gaat vertrekken, zal de kerkeraad, zo het dooplid of zijn ouders dit verzoeken, een duidelijk attest zenden aan de kerk, waarheen hij vertrokken is.
Vertrekt het dooplid zonder enige kennisgeving, dan zal, zo mogelijk aan de ouders, en in elk geval aan de kerkeraad der gemeente, waarheen het dooplid is vertrokken, daarvan bericht gezonden worden, met verzoek om tot deze aanvrage op te wekken.
Blijft het dooplid weigerachtig, dan moet met droefheid worden geconstateerd, dat het daadwerkelijk met de kerk des Heeren gebroken heeft, waarvan aan de gemeente, waartoe het dooplid het laatst behoorde, mededeling zal worden gedaan” (Sneek 1940).

Ook naar buitenlandse kerken, die in belijdenis en kerkregering aan de gereformeerde kerken in Nederland het naast verwant zijn, behoren attestatiën

|323|

te worden medegegeven en zo mogelijk berichten van verhuizing en doopbewijzen verzonden.

“Wanneer men naar België vertrekt, levere men zijn attestatie in bij de naastbijgelegen kerk van gereformeerde belijdenis.
Waar in andere landen zulk een kerk niet te vinden is, zoeke men gemeenschap met een zusterkerk, bijvoorbeeld een lutherse, die haar belijdenis handhaaft, mits zulks zonder verloochening van eigen gereformeerde belijdenis kan geschieden” (Leeuwarden 1890).

“Kerken kunnen aan haar leden, die naar buitenlandse kerken vertrekken, ten allen tijde attestatiën afgeven, welke behoren ingediend te worden bij de kerken, die in belijdenis en kerkregering aan de gereformeerde kerken in Nederland het naast verwant zijn” (Groningen 1927).

“De synode besluit aan de gereformeerde kerken in Nederland dringend aan te bevelen, dat de kerkeraden zorg dragen, dat zij, wanneer leden hunner kerk naar Canada verhuizen, aan de kerkeraad (van de christelijke gereformeerde kerk) ter plaatse, waarheen zij zijn vertrokken, mededelen, dat N.N. met attest naar een kerk in Canada. is vertrokken, of zo de plaats van vestiging niet bekend is, dat de kerkeraad hiervan kennis geve aan een bekende kerkeraad, opdat deze hem opspore en geestelijke bearbeiding kan volgen” 1) (Arnhem 1930).

1) “Dit is in het bijzonder nodig, wanneer doopleden naar Canada vertrekken. Voor hen heeft de kerkeraad in elk geval een doopbewijs over te zenden” (rapport).

De aanvaarding van attestatiën van buitenlandse kerken staat ter beoordeling van de kerkeraad.

“Het aanvaarden van attestatiën door buitenlandse kerken afgegeven, staat ter beoordeling van de kerkeraden, die naar bevind van zaken zullen handelen” (Groningen 1927).

In het algemeen geldt voor de aanvaarding van leden uit andere kerkformaties de volgende regel:

“Niemand worde als lid erkend, dan nadat
1. de kerkeraad zich verzekerd hebbe van zijn instemming

|324|

met de gereformeerde belijdenis en van zijn christelijke levenswandel; en
2. door hem verklaard zij, dat hij onze diensten erkent, en zich met ons schaart onder de dordse kerkenordening.
Over hen, die hieraan nog niet voldaan hebben, kan door de kerkeraad geen kerkelijke tucht geoefend worden” (Amsterdam 1892).

Aan tijdelijk elders vertoevende leden worde een bijzondere reisattestatie medegegeven, waarbij echter voor misbruik zoveel mogelijk worde gewaakt.

“Nademaal bevonden wordt, dat ledematen der gereformeerde gemeenten alsnog somwijlen met bedelbrieven en ook met slechte (d.i. eenvoudige) attestatiën omlopen en verscheidene personen of gemeenten lastig vallen, wordt besloten, dat niet alleen de bedelbrieven naar vroegere besluiten aan niemand zullen gegeven worden, maar dat ook geen slechte (d.i. eenvoudige) attestatiën zullen gegeven worden aan zulke ledematen die niet metterwoon vertrekken, opdat zodanige (attestatiën) niet misbruikt worden” (Bolsward 1601).

“De synode spreekt de wènselijkheid uit, dat aan schippers een zeker kerkelijk attest worde afgegeven, goed voor een jaar” (Dordrecht 1879).

“Aan schippers worde met het oog op hun zwervend rondtrekken, een bewijs van lidmaatschap afgegeven” (Dordrecht 1893).

“De synode besluit er op aan te dringen, dat de kerkeraden aan de uit de gemeente vertrekkende militairen een bizonder attest uitreiken naar het model, door de synode goedgekeurd” en „aan de kerkeraden te adviseren, aan gemobiliseerden, die buiten hun woonplaats vertoeven, ten spoedigste een reisattestatie toe te zenden en dan gebruik te maken van de modellen, die op aanvraag gratis verkrijgbaar zijn…” 1) (Sneek 1939).

1) Het goedgekeurde model wordt in de acta niet vermeld. Het concept van deputaten luidt als volgt:
„De kerkeraad van de gereformeerde kerk te X. verklaart dat N.N., wonende ..., ingedeeld als dienstplichtige bij ..., belijdend lidmaat in volle rechten/dooplid is van deze kerk. Hij verzoekt de kerkeraden van de garnizoensplaatsen, waar deze dienstplichtige vertoeft,
a. hem onder hun opzicht te nemen en hem alle

|325|

rechten te verlenen van een belijdend lid/dooplid;
b. hem inzonderheid te vermanen de kerk, de catechisatie, de jongelingsvereniging en het tehuis voor militairen geregeld te bezoeken en zich aan te sluiten bij de afdeling van Pro Rege;
c. wanneer hij zich zou misdragen, hem te vermanen en daarvan mededeling te doen aan de kerk van herkomst, en waar tuchtoefening nodig is of opheffing van tucht, dat te doen in overleg met de kerk van herkomst;
d. bij diens vertrek naar een ander garnizoen of naar huis, daarvan mededeling te doen;
e. op het attest bij aankomst en vertrek zo nodig een aantekening te plaatsen”.

“Een dienstplichtige blijft, terwijl hij onder de wapenen is, ingeschreven bij de kerk, waartoe hij als burger behoorde, en ontvangt dus geen gewone attestatie…
Aan de dienstplichtigen worden door de kerken van herkomst (reis)attesten meegegeven…
De dienstplichtige behoort dit attest in alle garnizoenen waar hij komt, direct aan de kerkeraad te vertonen, maar het attest zelf te bewaren.
Bij groot verlof moet dit attest ingeleverd worden bij de kerk van herkomst.
Een afschrift van dit attest wordt door de kerk van herkomst gezonden aan de kerkeraad van de garnizoenskerk. Dat geschiedt ook, wanneer de dienstplichtige geweigerd heeft een attest mee te nemen. Deze kerkeraad van de garnizoenskerk boekt deze attesten in een afzonderlijk boek, met aantekening of het attest door de dienstplichtige is getoond. Indien dit laatste niet geschied is, wordt de dienstplichtige vermaand dit alsnog te doen” (rapport Sneek 1939).

“De synode besluit de kerken aan te bevelen, bij overgang van haar leden in militaire dienst, hun een reisattestatie mee te geven” (Groningen 1946). *

“De synode besluit uit te spreken, dat de kerken ook aan haar naar het leger vertrekkende leden alle mogelijke ambtelijke zorg hebben te wijden” (Amersfoort 1948). *

Een model-reisattest voor schippers is het volgende:

|326|

BEWIJS VAN LIDMAATSCHAP

DER GEREFORMEERDE KERK TE ........................
........................ is belijdend lid der Gereformeerde Kerk van ........................ en deelt in al de rechten van het lidmaatschap; mitsdien verzoeken wij aan de Geref. Kerken hem (haar) bij voorkomende gelegenheden tot het gebruik der heilige sacramenten toe te laten en ambtelijk te bezoeken, met vriendelijk verzoek daarvan aantekening te doen op dit bewijs.

De Kerkeraad der Gereformeerde Kerk van ........................
........................, praeses.
........................, scriba.
........................, den ........................

Dit bewijs is voor één jaar geldig en moet daarom jaarlijks, zo mogelijk na ontvangen ambtelijk bezoek, aan de Kerkeraad persoonlijk worden ter hand gesteld of per post gezonden worden, tegelijk met de aanvrage om een nieuw bewijs.

En op de achterzijde:
Den ........................ is gedoopt ........................ geboren den ........................ te ........................ zoon (dochter) van ........................ in de Gereformeerde Kerk van ........................

(Ondertekening van predikant of scriba.)

Avondmaal gevierd te ........................ den ........................
                              „ ........................ den ........................

(Ondertekening van predikant of scriba.)

Ambtelijk bezoek ontvangen te ........................ den ........................

(Ondertekening van predikant of ouderling.)

 

Een model-reisattest, dat ook kan dienen voor het buitenland is het volgende:

“De raad van de gereformeerde kerk te X. verklaart hierdoor, dat N.N., geboren ..., door de doop behoort tot de gereformeerde kerk te X. en toegelaten is tot het heilig avondmaal. Hij verzoekt iedere kerkvergadering, welke de heilige schrift als Gods woord aanvaardt en de sacramenten bedient naar de instelling van Christus, bovengenoemden broeder te willen ontvangen in haar gemeenschap. Namens de raad v.n., N.N., praeses. N.N., scriba.
Translation.
The consistory of the reformed church at X. herewith declares, that N.N., born ..., through the holy baptism belongs tot the reformed church at X. and has been admitted to the Lord’s supper. The aforesaid consistory

|327|

requests any church congregation, with accepts the holy scripture as the word of God and administers the sacraments in accordance with the institution of Jesus Christ, to receive the aforesaid brother in its community. On behalf of the aforesaid consistory, N.N., president, N.N., secretary.” (rapport Groningen 1946). *

Bos, F.L. (1950) Art. 83

Art. 83.

Voorts zal den armen, om genoegzame oorzaken vertrekkende, door de diakenen reisgeld gegeven worden naar hetgeen zij oordelen behoorlijk te zijn. De kerkeraad en de diakenen zullen echter toezien, dat zij niet te zeer genegen zijn om hun kerken van de armen te ontlasten, met welke zij andere kerken zonder enige nood zouden bezwaren.

De noodzaak van voorzichtigheid bij de ambtelijke beoefening der barmhartigheid is de eerste aanleiding geweest voor het vorderen van een attestatie als voorwaarde voor de opneming als huisgenoot des geloofs.

“Opdat er maatregelen genomen worden tegen de zware kerkelijke lasten, welke dagelijks toenemen door de lichtvaardigheid van hen die al te gemakkelijk van woonplaats veranderen, en van anderen, die onder het voorwendsel van armoede en religie (bedoeld is: armoede om der wille van de religie) de aalmoezen, die voor de huisgenoten des geloofs nodig en aan hen verschuldigd zijn, wegkapen, hebben wij het raadzaam gevonden, dat in alle afzonderlijke kerken bekend gemaakt worde, dat zij die vandaar vertrekken in ’t vervolg niet meer in andere gemeenten als huisgenoten des geloofs geholpen moeten worden, tenzij zij een getuigschrift bezitten aangaande hun vroeger gedrag in leer en leven van de kerk, waarvan zij vertrekken” (Emden 1571).

Dezelfde noodzaak van voorzichtigheid dreef ertoe om te waarschuwen tegen het afgeven van andere dan officiële kerkelijke attestaties.

“Men zal zich wachten om enigerlei bedelbrieven te geven uit hoofde van schade geleden te hebben, beroofd te zijn of anderszins, waaruit vele moeilijkheden voortkomen” (Vlissingen 1581).

|328|

“De dienaren der kerken zullen niet voor zich particulier attestatiën geven aan particuliere armen, om daarmede de kerken aan te spreken en lastig te vallen…” (’s-Gravenhage 1591).

“Daar enige landlopers met bedrog een soort attestatie krijgen door boekjes te maken, waarin zij met ondertekening van de dienaren laten opschrijven hoeveel men hen geeft, alzo een grote menigte van namen van predikanten verzamelend, waarmede zij niet alleen verscheidene kerken maar ook particuliere personen niet zonder groot schandaal en nadeel voor de kerken bedriegen, is de vraag of zulks niet behoort verbeterd te worden.
De synode heeft hierop geantwoord, dat zulks behoort verbeterd te worden. En opdat dit geschiede, zal men niemand lichtelijk een attestatie geven en men zal in hun boekjes niet aantekenen wat men hun gegeven heeft...” (Delft 1607).

De kerken behoren er zoveel mogelijk op toe te zien, dat geen behoeftige zonder genoegzame redenen met attestatie vertrekt.

“Aangezien de dagelijkse ervaring leert, dat vele lieden door armoede van hun woonplaats naar een andere vertrekken, zonder hoop te hebben elders hun kost beter te winnen en zich te behelpen, zo wordt gevraagd hoe en op welke wijze daarin bekwamelijk zou kunnen voorzien worden.
Is besloten, dat de kerken waaruit zij vertrekken, ernstig zullen onderzoeken wat hen beweegt om zulks te doen; en zo zij bevinden dat zij geen goede redenen hebben, zullen zij vermaand worden te blijven. Maar zo zij niet kunnen noch willen blijven, zal men hen vragen waarheen zij willen trekken en de plaats in hun attestatie uitdrukken” (Edam 1598).

“De broeders worden vermaand toe te zien, dat geen arme lidmaten zonder merkelijke redenen met attestatie tot bezwaring der kerk aan dezelve toegezonden worden” (Amsterdam 1607).

“Art. 83 K.O. zegt duidelijk dat de diakonie geen reisgeld behoeft te geven als er geen genoegzame reden tot vertrek bestaat, doch dat de arme niet verhinderd kan worden te vertrekken, en de gemeente waar hij zich vestigt, geen recht heeft te weigeren hem als lid te ontvangen, doch overigens vrij is met hem te handelen naar bevind van zaken” (Groningen 1872).

|329|

Op de attestatie van vertrekkende armen behoort behalve datum van vertrek en plaats van vestiging ook te worden vermeld, hoeveel reisgeld hem gegeven is en welke onderstand hij vroeger heeft genoten.

“Degenen die hem (nl. den vertrekkende) getuigenis der waarheid zullen geven, zullen — zo hij arm is — ook vermelden, hoeveel zij hem bij zijn vertrek tot teerpenning overhandigd hebben. En zij zullen ook in dat getuigschrift zetten, hoeveel penningen zij hem tevoren alle weken tot zijn onderhoud plachten ter hand te stellen, opdat aan de anderen bij wie hij zijn woonplaats zal mogen vestigen, zulks en zijn staat en nood bekend zal worden, mits (ook) daarbij gezet wordt de tijd van zijn vertrek en waarheen hij zal vertrekken” (Amsterdam 1578).

“Aan de armen, die om genoegzame oorzaken vertrekken, zal door de diakenen bijstand geboden worden zoveel hen nodig is tot aan de plaats waar zij heen willen, hetwelk zij op hun attestatiën zullen aantekenen” (Middelburg 1581).

“Aan die armen, die om genoegzame oorzaken vertrekken, zal door de diakenen bijstand geboden worden naar discretie, mits dat op de rug van hun attestatie aangetekend worde de plaats waar ze heen willen en de hulp, die men hun zal geboden hebben” (’s-Gravenhage 1586).

“Om de ongeregelde bedelarij van reizende armen, die met attestatiën van enige kerk vertrekken, te verhoeden, is goedgevonden, dat men dezelven voortaan geen attestatiën geven zal dan op dezelfde dag dat zij vertrekken, daarin meldende de plaats waarheen zij trekken, mits — zo de reis niet ver is — hun zoveel gevende als zij behoeven om eerlijk te komen waar zij begeren te zijn, en (mits) men op de rug der attestatie aantekene, hoeveel hun tot reisgeld is meegegeven” (Brielle 1593).

“Zo iemand der lidmaten of die zich bij de gemeente gevoegd heeft, behoeftig mocht zijn en zich op reis mocht begeven, zal de kerkeraad zorgen dat dit op zijn attestatie worde geschreven, opdat men hem elders christelijk moge bijstaan” (Amsterdam 1836).

Met attestatie inkomende armen behoren geholpen te worden ter plaatse van hun lidmaatschap.

“De behoeftigen behoren dadelijk na hun aankomst door de diakenen van de plaats waar zij komen, verzorgd te

|330|

worden, doch (er) zal wel acht gegeven moeten worden, of zij om genoegzame reden uit hun vorige woonplaats vertrokken zijn" (Amsterdam 1840).

“De synode bepaalt dat voortaan de armen moeten worden onderhouden ter plaatse van hun lidmaatschap” (Hoogeveen 1860).

Bos, F.L. (1950) Art. 84

Art. 84.

De kerken, die in classes, particuliere synoden en generale synode samenkomen, vormen tezamen even zovele vermogensrechtelijke eenheden ten aanzien van de stoffelijke aangelegenheden, die haar onderscheidenlijk in classicaal, particulier-synodaal en generaal-synodaal verband gemeen zijn.
Deze eenheden worden in en buiten rechte vertegenwoordigd zowel door de respectieve classicale, particulier-synodale en generaal-synodale vergaderingen, als door deputaten, die door deze vergaderingen worden benoemd, geïnstrueerd en ontslagen en in al hun handelingen door hun instructie zijn gebonden.

Dit artikel is door de synode van Middelburg 1933 ingevoegd om de eigendommen der gezamenlijke kerken zeker te stellen.
De kerken bezaten reeds van overlang gemeenschappelijke eigendommen, waarvan echter de rechtszekerheid niet behoorlijk was gefundeerd, omdat de rechtspersoonlijkheid van de gezamenlijke kerken niet vast stond.

“Wat aangaat de maatregelen te nemen voor de rechtszekerheid van de fondsen, goederen enz. in art. 2 bedoeld (nl. welke met behoud van de tegenwoordige bestemming, in eigendom overgaan en onder het beheer komen van de verenigde kerken), zijn de synoden overeengekomen, het voor voldoende te verklaren, dat in de notulen van alle provinciale synoden, classen, kerkeraden en respectieve commissiën worden opgetekend de besluiten,
a. van de verandering van de naam der kerken,
b. van de vereniging der kerken,
c. van de overdracht van de eigendom c.a., ook waar deze betrekking heeft op provinciale of classicale eigendom” (Amsterdam 1892).

|331|

“De leden van het moderamen hebben zich ... ernstig bezonnen ..., of de gereformeerde kerken zeker zijn van het bezit van haar archief, wanneer de bewaring ervan toevertrouwd is aan een plaatselijke kerk. De geschiedenis van het schisma in 1926 heeft ons geleerd, dat een kerk, die uit het verband van onze kerken treedt, weigeren kan de onder haar beheer berustende goederen af te staan, en zo zou het mogelijk zijn dat — en we denken hierbij natuurlijk niet aan één bepaalde kerk onder ons — een kerk, aan wie de bewaring van het archief was toevertrouwd, schismatiek werd en aanspraak deed gelden voor een nieuw verband van zich noemende gereformeerde kerken op het door haar bewaarde archief. Daarbij zouden zich tal van moeilijkheden kunnen voordoen, vooral om deze reden, dat een plaatselijke kerk wel en onze gezamenlijke kerken geen rechtspersoonlijkheid hebben, wat juridisch tot allerlei verwikkelingen kan leiden... (Een rechtskundig adviseur) was van oordeel dat uw deputaten terecht deze gewichtige aangelegenheid hadden overwogen en dat er alle reden is om te onderzoeken of het bezit van het archief beter veilig kan gesteld worden dan thans het geval is. Dit zou, volgens zijn mening, ook noodzakelijk zijn voor andere bezittingen van de kerken, b.v. de gebouwen van de Theologische School …” (rapport van de leden van het moderamen van de generale synode te Groningen 1927 in zake het sluiten van een contract met de kerk van Amsterdam betreffende het archief, Arnhem 1930).

“De synode besluit zeven deputaten te benoemen met de opdracht:
1. een onderzoek ter bevoegder plaatse in te stellen aangaande de rechtspersoonlijkheid van de gezamenlijke gereformeerde kerken in Nederland;
2. indien het resultaat van dit onderzoek naar hun oordeel niet bevredigend is, maatregelen te ontwerpen, waardoor het eigendomsrecht van de bezittingen der gezamenlijke gereformeerde kerken in Nederland juridisch gewaarborgd is en zoveel mogelijk moeilijkheden bij een eventueel schisma zullen kunnen worden vermeden” (Arnhem 1930).

De synode, die het nieuwe artikel in de kerkenordening invoegde, aanvaardde tevens de volgende concept-instructie naar artikel 84 der kerkenordening voor deputaten:

“Aan de deputaten der generale synode van de

|332|

gereformeerde kerken in Nederland (der particuliere synode (n) van ..., der classis(es) ...) voor de Theologische School (de zending onder...; de evangelisatie enz.) is naar art. 84 der kerkenordening opgedragen, de gereformeerde kerken in Nederland (de gereformeerde kerken binnen het ressort ..., binnen de classis ... enz.) te dezer zake in en buiten rechte te vertegenwoordigen, en zulks onder de navolgende bepalingen:
Art. 1. De deputaten vertegenwoordigen voor de Theologische School (de zending onder ... enz.) de gereformeerde kerken in Nederland (de gereformeerde kerken binnen het ressort ..., binnen de classis ...) in en buiten rechte. Zij regelen zelf hun arbeid. Zij kiezen uit hun midden een voorzitter, secretaris en penningmeester. Zij verrichten hun arbeid in gebondenheid aan de bepalingen dezer instructie. Voorzitter en secretaris zijn bevoegd, voor de deputaten te tekenen.
Art. 2. Zij zullen alle stoffelijke goederen, die ten goede komen aan de Theologische School (de zending onder ... , de evangelisatie enz.) in ontvangst nemen en als trouwe mannen beheren.
Art. 3. Alle gelden, die niet voor kasgeld nodig zijn, alle effecten en alle papieren van waarde zullen zij bewaren in een safe-loket of deponeren bij een soliede bankinstelling. Voor het ontsluiten van het safe-loket zullen steeds minstens twee deputaten tegenwoordig moeten zijn en voor het beschikken over gedeponeerde gelden zal steeds een schriftelijke opdracht aan de bankinstelling nodig wezen, die door tenminste twee deputaten of door deputaten gemachtigde personen moet zijn getekend.
Art. 4. Zij zijn gehouden, van alle inkomsten en uitgaven, alsmede van alle roerende en onroerende goederen een vakkundige administratie te voeren. Minstens éénmaal per jaar zullen de boeken der administratie met alle bescheiden worden nagezien door ten minste twee deskundigen buiten de kring der deputaten, door henzelf aangewezen, een en ander voorzover de lastgeefster niet anders beslist. Het boekjaar valt samen met het kalenderjaar (of: loopt van ... tot ...).
Art. 5. Zij zullen uit de onder hun beheer zijnde gelden alle betalingen doen, die hun zijn opgedragen en geen betalingen verrichten, waartoe zij geen machtiging ontvingen.
Art. 6. Zij zullen zorg dragen, dat alle goederen die onder hun beheer staan, behoorlijk worden onderhouden.
Art. 7. Zij zijn verplicht alles uit te voeren wat hun door of vanwege de generale synode (de particuliere synode van..., de classis ...) wordt opgedragen.
Art. 8. Al de kosten, verbonden aan de uitvoering van

|333|

hun arbeid, kunnen zij doen betalen uit de onder hun beheer staande kas. Arbeid, op hun lastgeving door derden verricht, mag gehonoreerd worden.
Art. 9. Zo vaak dit door of vanwege de generale synode (de particuliere synode van ..., de classis ...) gevraagd wordt, zullen zij alle boeken, waarden en bescheiden ter beschikking stellen van wie de lastgeefster daarvoor aanwijst, terwijl zij daarbij alle gevraagde inlichtingen zoveel mogelijk zullen geven.
Art. 10. Zo vaak de lastgeefster vergadert, rapporteren zij van al hun arbeid en doen volledige rekening en verantwoording met overlegging van alle boeken en bescheiden, een en ander voor zover de lastgeefster niet anders beslist. Zolang zij niet door of vanwege de lastgeefster zijn gedechargeerd, blijven zij voor al hun handelingen verantwoordelijk.” (Middelburg 1933).

Om vast te stellen of de rechtspraak in Nederland nu de meerdere vergaderingen als rechtspersonen zou erkennen, werd een proefprocedure opgezet en met gunstige uitslag bekroond.

“Teneinde zoveel mogelijk rechtszekerheid te verkrijgen hebben deputaten het van belang geoordeeld een uitspraak van ons hoogste rechtscollege te krijgen over de vraag der rechtspersoonlijkheid.
Deputaten hebben daartoe gekozen de gebruikelijke weg om een procedure op te zetten, met geen ander doel, dan de rechtsvraag voor al onze kerken van belang, aan den rechter in hoogste instantie te onderwerpen.
Hiertoe werd eerst door de classis ’s-Hertogenbosch een bedrag aan een der kerken betaald en daarna van die kerk teruggevorderd. De kerk antwoordde het geld te hebben ontvangen en op het bedrag geen recht te hebben. Zij merkte echter op, dat de classis ’s-Hertogenbosch het bedrag niet kon terugvorderen, omdat deze classis geen rechtspersoonlijkheid bezat en dus niet in rechte kon optreden.
Op deze wijze kreeg de rechter dus uitspraak te doen over de rechtspersoonlijkheid van de classis ’s-Hertogenbosch der gereformeerde kerken.
Nadat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch aan de classis Den Bosch der gereformeerde kerken rechtspersoonlijkheid had ontzegd, is van het arrest beroep in cassatie aangetekend.
In deze cassatie-procedure heeft de hoge raad bij arrest van 13 Mei 1938 uitspraak gedaan.
De rechtsoverwegingen van dit arrest luiden als volgt:

|334|

„Overwegende omtrent de gegrondheid van het beroep: dat in deze stand van het geding vaststaat, dat de gereformeerde kerken in Nederland in dier voege georganiseerd zijn, dat zich verenigingen van zelve rechtspersoonlijkheid bezittende kerken onder de naam van classes gevormd hebben, mede teneinde als eenheden aan het rechtsverkeer deel te nemen;
dat de wet van 22 April 1855 Stbl. 32 aan het optreden als rechtspersoon door zodanige classis geen belemmering in de weg legt, daar de vrijheid, die de wet van 10 September 1853 Stbl. 102 aan de kerkgenootschappen verzekert om alles, wat hun godsdienst en de uitoefening daarvan in eigen boezem betreft te regelen, medebrengt, dat genoemde wet van 1855 ten aanzien van de kerkgenootschappen niet van toepassing is;
dat derhalve de vraag, of de onder de naam van classis gevormde vereniging van gereformeerde kerken overeenkomstig haar bestemming vermag op te treden als rechtspersoon, moet worden beantwoord naar hetgeen het gemeen recht daaromtrent inhoudt;
dat zodanige groep van rechtspersonen valt onder de verenigingen, welke artikel 1690 burgerlijk wetboek als zedelijke lichamen erkent, die ingevolge artikel 1691 evenals natuurlijke personen aan het burgerlijk rechtsverkeer kunnen deelnemen;
dat mitsdien de classes der gereformeerde kerken in Nederland aan deze wettelijke bepalingen de hoedanigheid van rechtspersoon ontlenen;
dat het hof ten onrechte tot de slotsom is gekomen, dat deze classes niet zijn rechtspersonen en dat, al waren zij dit wèl, dan nog aan de classis ’s-Hertogenbosch rechtspersoonlijkheid moest worden ontzegd, door voor het bestaan van een zedelijk lichaam in de zin van het burgerlijk wetboek meerdere eisen te stellen dan de bij dit wetboek gegeven regeling toelaat, terwijl de onjuistheid van ’s hofs opvatting, dat een zodanig lichaam niet kan bestaan zonder bestuur, met name nog blijkt uit artikel 1694 burgerlijk wetboek, dat voorzieningen treft juist voor het geval, dat een zedelijk lichaam geen bestuur mocht hebben;
dat het middel mitsdien terecht klaagt over schending van voormelde wetsartikelen, terwijl uit het bovenstaande tevens volgt, dat de klacht, dat het hof ook ten onrechte heeft geoordeeld, dat de eiseres niet voldoet aan de eisen, die het hof meende te mogen stellen voor haar bestaan als rechtspersoon, niet meer behoeft te worden onderzocht;
Vernietigt het bestreden arrest”. …
Naar aanleiding van liet arrest van de hoge raad

|335|

veroorloven deputaten zich nog een enkele opmerking.
Vooreerst moet men als bij elke rechterlijke beslissing onderscheiden de gronden, waarop de beslissing van de hoge raad rust en de eigenlijke uitspraak.
De eigenlijke uitspraak luidt, dat de classis Den Bosch rechtspersoonlijkheid heeft.
Naar het oordeel van deputaten vloeit hieruit voort, dat ook de particuliere synode en de generale synode als rechtspersonen in de rechtspraak zullen worden aangemerkt.
Ten aanzien van de eerste overweging, dat in deze stand van het geding vaststaat, dat de gereformeerde kerken in Nederland in dier voege georganiseerd zijn, dat zich verenigingen van zelve rechtspersoonlijkheid bezittende kerken onder de naam van classes gevormd hebben, mede teneinde als eenheden aan het rechtsverkeer deel te nemen, merken deputaten vooreerst op, dat hier uitdrukkelijk de rechtspersoonlijkheid der plaatselijke kerken wordt erkend.
Daarnaast achten deputaten het gewenst de aandacht er op te vestigen dat de hoge raad het woord „vereniging” gebruikt in de zeer ruime en ongebruikelijke zin, waarin dit in artikel 1690 B.W. voorkomt 1) waarheen de hoge raad uitdrukkelijk verwijst en waarin ook de staat, de provincies, gemeenten en meer dergelijke lichamen als „verenigingen” worden aangeduid. Door dit spraakgebruik wordt uiteraard in geen enkel opzicht ons gereformeerd kerkrecht beïnvloed.
Voor de toepassing van artikel 84 van de kerkenordening achten deputaten het voorts gewenst dat in de practijk de particuliere synode en de classes zich houden aan de voorschriften, die in artikel 84 zijn vervat en derhalve zorg te dragen, dat steeds deputaten met geldige instructies de kerkelijke colleges vertegenwoordigen, terwijl het een practijk-eis is, dat het adres waarheen stukken kunnen worden gericht, voldoende vaststaat.
Deputaten zijn van oordeel, dat thans tegen de overschrijving van onroerende goederen op classes, particuliere synodes en generale synode geen bezwaar behoeft te bestaan” (Perscommuniqué — zie Sneek 1939).

1) 1690 B.W. Behalve de eigenlijke maatschap, erkent de wet ook verenigingen van personen als zedelijke lichamen, het zij dezelve op openbaar gezag als zodanig zijn ingesteld of erkend, het zij zij als geoorloofd zijn toegelaten, of alleen tot een bepaald oogmerk, niet strijdig met de wetten of met de goede zeden, zijn samengesteld.

|336|

“De synode neemt goede nota van het feit, dat de classes van de gereformeerde kerken rechtspersoonlijkheid bezitten, blijkens arrest van de hoge raad van 13 Mei 1938 en van het oordeel der deputaten, dat uit deze beslissing voortvloeit, dat ook de kerken in particulier synodaal verband en in generaal synodaal verband rechtspersoonlijkheid bezitten” (Sneek 1939).

Van het ministerie van financiën werd de schriftelijke bevestiging verkregen van de toezegging, dat ter zake van een eventuele tenaamstelling van goederen ten name van classes enz. geen overgangsrecht zal worden geheven.

“Ik deel u mede, dat ik ter zake van de overdracht van goederen op naam van de classes, kerken in classicaal verband, kerken in particulier-synodaal verband, enz. ter uitvoering van het besluit van de synode, zonder dat wegens de overdracht een vergoeding wordt betaald, recht van schenking niet verschuldigd acht.
Wordt de tenaamstelling door akten van overdracht tegen vergoeding (bijv. overneming van schulden) bewerkstelligd, dan ben ik bereid op een daartoe in te dienen gezegeld verzoekschrift kwijtschelding te verlenen van het evenredig registratierecht, dat op die akten verschuldigd is” (Brief van den Minister van Financiën, zie Sneek-Utrecht 1940-43).

De tenaamstelling moet correct zijn, het adres voldoende vaststaan, en de instructie aan deputaten inderdaad gegeven worden.

“De synode adviseert aan de kerken ertoe over te gaan haar onroerende goederen, die haar onderscheidenlijk in classicaal, particulier-synodaal en generaal-synodaal verband gemeen zijn, ten name van de betrokken rechtspersonen over te schrijven en daarbij, wat aangaat de meerdere vergaderingen, als namen te gebruiken, behalve die der classes: „de gereformeerde kerken in particulier synodaal verband in het ressort ...” en „de gereformeerde kerken in Nederland in generaal synodaal verband” (Sneek 1939).

“De synode vestigt er de volle aandacht der classes en synoden op, dat het gewenst is, dat de adressen der verschillende classes en synoden voldoende vaststaan en bekend zijn, en dat de instructies, waarvan art. 84 der K.O. spreekt, ook inderdaad aan de onderscheiden deputaten worden gegeven” (Sneek 1939).

Bos, F.L. (1950) Art. 85

|337|

Art. 85.

Geen kerk zal over andere kerken, geen dienaar over andere dienaren, geen ouderling of diaken over andere ouderlingen of diakenen enige heerschappij voeren.

Elke aanmatiging van voorrang of een dominerende positie tussen kerken en ambtsdragers onderling moet contrabande zijn.

“Geen kerk zal zich voorrang of een dominerende positie kunnen aanmatigen de ene boven de andere; noch desgelijks de dienaren boven elkander, en vooral niet die van dezelfde kerk zijn; noch desgelijks de diakenen en de ouderlingen” (Antwerpen, Mei 1564).

“Geen kerk zal over andere kerken, geen dienaar over dienaren, geen ouderling over ouderlingen, diakenen over diakenen voorrang of heerschappij bezitten, maar zich liever voor alle (wekken van) verdenking (daarvan) en (bieden van) gelegenheid (daartoe) wachten” (Emden 1571).

Hiermede mag terechtwijzing krachtens de roeping der liefde niet in strijd worden geacht.

“Geen kerk zal over andere kerken, geen dienaar over andere dienaren, geen ouderling noch diaken over andere ouderlingen of diakenen enige heerschappij voeren of overhand hebben, maar liever zal een iegelijk zich voor alle oorzaak en kwaad vermoeden daarvan wachten, hoewel uit plicht der liefde de ene kerk de andere, de ene dienaar de andere enz. niet alleen mag, maar ook behoort te vermanen” (Dordrecht 1578).

“Of een oudere in de dienst, die zijn medehelper, die nog jong in de dienst des woords is, vermaant en bestraft, met recht kan beschuldigd worden als heerschappij voerende? Is geantwoord: neen; daarom zal de ander gehouden zijn de vermaning te ontvangen” (Middelburg 1581).

Overigens behoort elke kerkeraad enz. zich te houden binnen de grenzen van eigen rechtsbevoegdheid.

“Vooral daar alle dingen in de kerk des Heeren ordelijk moeten geschieden, zullen de kerkeraden op hun hoede

|338|

zijn, dat zij zich houden binnen de grenzen van hun kerken en geestelijke rechtsbevoegdheid, en dat zij zich niet mengen in en inbreuk maken op datgene, waarvan de kennisneming aan een andere toekomt, uit vrees dat onder de mom van hun naaste te stichten naardat ieder daartoe volgens de regel van Gods Woord verplicht is, de heilige bediening in verachting worde gebracht, en de deur geopend voor scheuringen, indien dit niet gebeurt met bewilliging en goedkeuring van de kerk waar zoiets voorvalt” (Antwerpen, Sept. 1570).

Bos, F.L. (1950) Art. 86

Art. 86.

In middelmatige dingen 1) zal men de buitenlandse kerken niet verwerpen, die een ander gebruik hebben dan wij.

1) Middelmatige dingen zijn ordebepalingen die geen doel hebben in zichzelf, in onderscheiding met conscientiebindende, op zichzelf noodzakelijke stukken van godsdienst, welke direct op Gods woord moeten zijn gegrond; vgl. bij art. 1).

Dit — in 1586 toegevoegde — artikel accentueert de betrekkelijke waarde van vele kerkrechtelijke bepalingen. Zij zijn wel bindend voor de kerken die in het directe kerkverband medeleven, maar afwijking daarvan staat niet in de weg aan het oefenen van een meer verwijderde correspondentie met buitenlandse kerken.

Voor het aangaan en verbreken van correspondentie met buitenlandse kerken gelden de volgende regelen:

“1. Correspondentie met kerken in het buitenland zal niet worden aangegaan, dan nadat door een nauwgezet en ernstig onderzoek is gebleken, dat deze kerken de gereformeerde belijdenis en kerkregering niet slechts officiëel hebben aanvaard, maar ook metterdaad handhaven;
2. waar zodanige correspondentie eenmaal is aangegaan, dient regelmatig te worden onderzocht of de buitenlandse kerken aan de gereformeerde belijdenis en kerkregering trouw blijven, welk onderzoek inzonderheid aan deputaten voor de correspondentie met buitenlandse kerken wordt opgedragen;

|339|

3. indien bij buitenlandse kerken, met welke correspondentie wordt onderhouden, afwijkingen van de gereformeerde belijdenis en kerkregering mochten blijken, zal niet onmiddellijk de correspondentie worden afgebroken, maar zal met getrouwheid en voorzichtigheid tegen die afwijkingen worden gewaarschuwd en zullen die kerken in de bestrijding van de dwaling krachtig worden bijgestaan;
4. de waarschuwing tegen eventuele afwijkingen van de gereformeerde belijdenis en kerkregering bij buitenlandse kerken zal zó lang worden voortgezet tot een kerk of kerkengroep zich duidelijk als niet-gereformeerd openbaart; wanneer dan alle pogingen om deze tot reformatie te brengen vergeefs zijn gebleken, zal de correspondentie worden verbroken” (Amsterdam 1936).

Die correspondentie besta niet slechts uit het wisselen van groeten en beleefdheidsbezoeken, maar ook:
a. in het zenden van deputaten naar elkanders meerdere vergaderingen met adviserende stem;

“Er wordt besloten uit te spreken, dat de synode het op hoge prijs stelt, om aan de afgevaardigden der buitenlandse kerken, die onze taal machtig zijn, de gelegenheid te geven, om in zaken, het algemeen belang der kerken rakende, van advies te dienen, wanneer zij zulks mochten begeren” (’s-Gravenhage 1914).

“De synode besluit uit te spreken, dat zij het van belang acht, dat het aan de buitenlandse afgevaardigden ter synode worde toegestaan, die commissievergaderingen bij te wonen, welke onderwerpen behandelen, die voor hun kerken betekenis kunnen hebben, alsmede dat zij in de gelegenheid worden gesteld, mede op die vergaderingen en ter synode zelve bij de behandeling daarvan hun oordeel uit te brengen” (Leeuwarden 1920).

b. in het op elkander acht geven, dat men noch in leer, noch in dienst en tucht afwijke van Gods woord;

“Er wordt besloten uit te spreken, dat ook wij ons verplicht achten, om naar den woorde Gods op elkander acht te geven, dat men noch in leer, noch in dienst en tucht afwijke van de gereformeerde beginselen, terwijl wij oordelen dat de correspondentie tussen beide kerken die verplichting reeds op ons legt” (’s-Gravenhage 1914).

|340|

“De synode besluit aan deputaten op te dragen zich op de hoogte te blijven stellen van bestaande toestanden in alle kerken, waarmede de kerken dezerzijds in correspondentie staan, met name over de brandende kwesties welke er zijn, het handhaven der belijdenis, ... (enz.), en daarover rapport uit te brengen op de synode” (Groningen 1927).

“De synode, ten hoogste bekommerd over de bewaring der zuiverheid der leer en de gemeenschap der heiligen met de naburige (buitenlandse) kerken, acht nodig, dat men ... vriendelijk en serieus vermanen zal tot enigheid in de zuivere leer der waarheid, met belofte dat de synode van harentwege ernstig zal bijdragen alles wat haar mogelijk is tot uitblussing van de kettervlam” (Gorinchem 1642).

c. in het dienen van elkaar met voorlichting, vooral waar er sprake is van wijziging van confessie en liturgie;

“Wat betreft het dienen van elkander met voorlichting, vooral waar er sprake is van wijziging der confessie en van de liturgie voor zover daarbij de leer betrokken mocht zijn, oordeelt de synode, dat wederzijdse instemming conform den woorde Gods nodig is” (’s-Gravenhage 1914).

“De synode besluit te bepalen,
1. dat geen wijzigingen of aanvullingen zullen worden aangebracht in belijdenisschriften, liturgische gebeden en formulieren, zonder daarover overleg te hebben gepleegd met die buitenlandse kerken, waarmee wij in correspondentie staan en die dezelfde geschriften gebruiken;
2. dat over voorstellen, bij onze synodes ingediend, en die niet alleen voor onze gereformeerde kerken in Nederland, maar ook voor de buitenlandse kerken, waarmee wij in correspondentie staan, van belang moeten worden geacht, geen beslissingen worden genomen, zonder dat vooraf daarover deze kerken zijn geraadpleegd” (Groningen 1927).

d. in de wederzijdse toezending van synodale acta;

“De synode besluit aan deputaten op te dragen, aan de kerken, waarmee wij in correspondentie staan, de acta van onze synodes te zenden, met vriendelijk verzoek aan die kerken dit harerzijds ook te doen” (Groningen 1927).

|341|

e. in het openen van de mogelijkheid, dat tijdelijk hier verblijf houdende predikanten en candidaten op de kansel worden toegelaten.

“Predikanten en candidaten tot de heilige dienst uit buitenlandse kerken, die met de onze in correspondentie staan, mogen niet in een der gereformeerde kerken in Nederland voorgaan, zonder daartoe uitdrukkelijk toestemming gevraagd en verkregen te hebben — en wel op deze wijze:
1. kerkeraden, die predikanten wensen te laten optreden die slechts enkele weken in ons land vertoeven, hebben hierover het advies in te winnen van deputaten voor de correspondentie met buitenlandse kerken;
2. zij, die voor langere tijd hier verblijven, hebben zich te wenden tot de classis waaronder zij tijdelijk ressorteren, die na ingesteld onderzoek hierover beslist” (Groningen 1927).

“De synode besluit aan deputaten voor correspondentie met de buitenlandse kerken op te dragen, volgens de (bovengenoemde) regeling ... een onderzoek in te stellen naar de bevoegdheid en kerkelijke integriteit van tijdelijk hier te lande vertoevende predikanten uit buitenlandse kerken, die met onze kerken in correspondentie staan, en bij gunstige uitslag van dat onderzoek daarvan mededeling te doen in ... (kerkelijke bladen)” (Groningen 1927).

“Met het oog op het gevaar van mogelijke dwaling bij buitenlandse kerken dienen de bepalingen der generale synode van Groningen 1927 in zake het voorgaan van predikanten en candidaten uit buitenlandse kerken nauwgezet te worden nageleefd, waarbij de classes, die ... een verzoek tot toestemming ontvangen, het advies zullen vragen van deputaten voor correspondentie met buitenlandse kerken” (Amsterdam 1936).

Hiermede niet in overeenstemming is het besluit, „dat in afwachting van het tot stand komen van een definitieve regeling de beslissing of de predikanten der Prot. Ref. Churches zullen mogen worden toegelaten tot het spreken van een stichtelijk woord in de gereformeerde kerken in Nederland aan de vrijheid der plaatselijke kerk wordt overgelaten” (Amersfoort 1948). *

Ter voorbereiding van eventuele correspondentie dienen relaties te worden gezocht.

|342|

“Aan de te benoemen deputaten wordt opgedragen, relaties te zoeken met buitenlandse groepen en kerken van gereformeerde belijdenis en min of meer gereformeerde kerkregering” (Amsterdam 1936).

“De synode besluit ter beantwoording van en in overeenstemming met de in het schrijven van de Prot. Ref. Churches gedane voorslag, deputaten voor de correspondentie met buitenlandse kerken te machtigen met deze kerken in contact te treden, ten einde het scheppen van de relatie van corresponderende kerken voor te bereiden” (Amersfoort 1948). *

De algemene instructie voor deputaten luidt als volgt:

1. De synode benoemt deputaten voor correspondentie met buitenlandse kerken die van gereformeerde belijdenis en kerkregering zijn.
2. Aan deze deputaten is opgedragen:
a. uitnodiging van buitenlandse kerken en verder uitvoering van al wat met betrekking tot buitenlandse kerken door de synode is besloten;
b. ontvangst en beantwoording, indien nodig, van alle missiven van buitenlandse kerken, die de gezamenlijke gereformeerde kerken in Nederland betreffen;
c. informatie omtrent belijdenis en kerkregering van alle kerken, die onder de naam van gereformeerde kerken optreden;
d. mededeling van al hetgeen ter kennis van de kerken moet worden gebracht.
3. De synode wijst de buitenlandse kerken aan met welke correspondentie zal gehouden worden; insgelijks de buitenlandse kerken, naar wie afgevaardigden zullen gezonden worden.
4. Deputaten zullen, indien mogelijk, een jaar tevoren de buitenlandse kerken, met wie correspondentie wordt gehouden, uitnodigen, tot bijwoning der eerstvolgende synode.
5. De aanwijzing der afgevaardigden naar bovenbedoelde kerken geschiedt door de synode of door de deputaten. De synode bepaalt het maximum van reiskosten enz. waarover deputaten mogen beschikken.
6. Deputaten zijn verplicht, aan kerkeraden, classen en part. synoden de door deze gevraagde inlichtingen te verschaffen, indien zij daartoe in staat zijn.
7. Deputaten worden benoemd van generale synode tot generale synode. Zij brengen op de eerstvolgende synode rapport uit van hun arbeid” (Dordrecht 1893).

|343|

Tegenwoordig tracht men de correspondentie uit te bouwen door het houden van z.g. „oecumenische synoden”.

“Als grondslag zullen dienen de Heilige Schriften van het Oude en Nieuwe Testament naar de opvatting van de gereformeerde belijdenisschriften, namelijk de tweede Helvetische Confessie, de Heidelbergse Catechismus, de Westminsterse Confessie, de Dordtse Leerregels en de 39 Artikelen — Engelse geloofsbelijdenis —, met dien verstande, dat de Heilige Schriften in haar geheel evenals in elk deel daarvan zijn het onfeilbare en altoosblijvende Woord van den levenden drieënigen God, absoluut gezaghebbend in alle zaken van geloof en leven, en dat de gereformeerde belijdenisschriften aangenomen worden, omdat zij de geopenbaarde waarheid Gods vertolken, waarvan de verzaking het jammerlijk verval van het moderne leven veroorzaakt heeft. Met nadruk wordt verklaard, dat alleen een hartelijke en consequente terugkeer naar deze waarheid der Schrift, waarvan het evangelie van Jezus Christus de kern en het hoogtepunt vormt, aan de mensheid redding vermag te brengen en de zozeer nodige vernieuwing der wereld te bewerkstelligen.
Wegens het bestaande verschil in kerkinrichting bij de gereformeerde kerken kan uniformiteit van kerkregering niet uitdrukkelijk als een fundamenteel vereiste genoemd worden dan alleen voorzover de beginselen der kerkregering vervat zijn in de gereformeerde belijdenisschriften, zoals bijv. dat Christus is het Hoofd der kerk en de merktekenen der ware kerk: de zuivere prediking van het evangelie, de schriftuurlijke bediening der sacramenten en de getrouwe oefening der tucht.
Als doel is te beschouwen in hoofdzaak het zoeken van wat het meest kan strekken tot de volle opbouw der deelnemende kerken, het zich bezinnen op de taak der kerk in het wereldleven van deze tijd en het geven van een eendrachtig getuigenis van het geloof, eenmaal aan de heiligen overgeleverd.
De beslissingen dezer synode zullen slechts in zoverre bindend zijn, als de instructies, welke aan de afgevaardigden der deelnemende kerken verstrekt zijn, te verstaan zullen geven.
Tot deelname aan deze synode zullen uitgenodigd worden alle kerken, die het gereformeerd geloof belijden en die de oefening van de leertucht niet nalaten, terwijl tot haar tegelijkertijd het verzoek zal gericht worden haar uitdrukkelijke instemming daarmede (d.i.

|344|

met de grondslag) te betuigen” (Zwolle — voortzetting — 1947).

“De synode besluit zich tot de oecumenische synode te richten met de volgende punten:
a. dat zij zal verklaren de naam „oecumenische synode” te verstaan in zulk een zin, dat haar uitspraken en besluiten de vertegenwoordigde kerken niet zullen binden, tenzij deze besluiten ze voor haar rekening te nemen;
b. dat zij er naar streven zal zo weinig mogelijk door stemming haar besluiten te nemen, omdat zulks slechts kan bijdragen tot versterking van haar gezag;
c. dat zij bij de behandeling van de rapporten der ... benoemde commissies streng de hand houde aan de voorwaarde, dat de onderwerpen aan de orde mogen komen uitsluitend inzover als de kerk als instituut en haar leer er bij betrokken zijn” (Zwolle — voortzetting — 1947).

“De te houden samenkomst kan niet het karakter dragen van een synode, omdat
a. de gereformeerde kerkenordening geen „oecumenische synoden” kent en bovendien ook geen der participerende kerken, die zulks aangaat, een incidentele wijziging van de bestaande kerkenordening in deze ook maar in overweging genomen heeft, terwijl zulk een incidentele wijziging thans ook niet mogelijk en in de gegeven omstandigheden ook niet raadzaam is;
b. er geen „oecumenisch kerkverband” mogelijk is tussen „kerken”, die in hun eigen land niet in één verband leven” (Amersfoort 1948). *

Bos, F.L. (1950) Art. 87

Art. 87.

Deze artikelen, de wettelijke ordening der kerk aangaande, zijn alzo gesteld en aangenomen met gemeen accoord, dat zij — zo het profijt der kerken anders vereiste — veranderd, vermeerderd of verminderd mogen en behoren te worden.
Het zal nochtans geen bijzondere gemeente, classe of synode vrijstaan zulks te doen, maar zij zullen naarstigheid doen om die te onderhouden, totdat anders van de generale of nationale synode verordend worde.

De ordebepalingen der kerk zijn geen wetten van Meden en Perzen, maar kunnen indien het nut der kerk het gewenst maakt, veranderd worden.

|345|

“Omdat de Heere daarom niets uitdrukkelijks geleerd heeft, omdat deze dingen ook niet noodzakelijk zijn tot de zaligheid, en naar gelang van de zeden van ieder volk en iedere tijd op verschillende wijze moeten worden toegepast tot stichting der kerk, zal het passend zijn, al naarmate het nut der kerk het eist, zowel gebruikelijke inzettingen te veranderen en af te schaffen, als nieuwe in te stellen. Ik erken wel, dat men niet lichtvaardig en ook niet dikwijls en niet om geringe oorzaken tot vernieuwing moet komen. Maar wat schaadt of sticht, zal de liefde het best beoordelen: en indien wij haar bestuurster zullen laten, zal alles goed gaan” (Calvijn, Inst. IV.X.30).

“Men heeft de zaak zo geregeld, dat ... het geoorloofd is deze artikelen breder uit te meten, en naar tijdsomstandigheden hetzij te vermeerderen of te verminderen of wat in aanmerking komt te veranderen” (Wezel 1568).

Verandering mag echter niet eigenmachtig gebeuren, maar moet met gemeen accoord geschieden.

“Deze artikelen, die hier zijn vervat met betrekking tot de orde, zijn niet aldus onder ons vastgesteld, dat zij, als het nut van de kerk het vereist, niet kunnen worden veranderd. Maar het zal niet in de macht van een particulier staan om dit te doen, zonder het oordeel en de toestemming van de generale synode” (Parijs — de Franse K.O. — 1559).

“Deze artikelen betreffende de wettelijke ordening der kerk zijn aldus met gemeen accoord vastgesteld, dat zij indien het nut der kerken anders vereist, veranderd, vermeerderd en verminderd kunnen en moeten worden; het zal echter niet aan enige bijzondere kerk staan dit te doen, maar allen zullen hun best doen om die te onderhouden, totdat door een synode anders vastgesteld worde” (Emden 1571).

Niet geringe afwijkingen in de toepassing als zodanig stellen iemand schuldig, maar wel de verachting van de ordemaatregelen der kerk.

“Wanneer er door onverstand of vergeetachtigheid enige fout begaan is, dan heeft men nog geen zonde bedreven; is het echter uit verachting geschied, dan moet de wederspannigheid afgekeurd worden” (Calvijn, Inst. IV.X. 31).

|346|

“Dewijl de synode verstaat, in al datgene, wat N.N. had te bestraffen in de ordening welke door de gereformeerde nederlandse kerken wordt onderhouden, niets te wezen, wat tegen de substantie van de discipline of kerkenordening is strijdende, dan alleen de manier en toepassing aan te gaan, waarin elke kerk vrijheid heeft tot de meeste stichting te handelen, zo is de synode tevreden geweest” (Edam 1592).

Bos, F.L. (1950) Art. 13a

Art. 13a.

In geval een dienaar door de generale synode of in overeenstemming met door haar goedgekeurde bepalingen geroepen wordt tot een arbeid ten behoeve van de kerken in het gemeen, die een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot verkondiging van het evangelie in nauw verband staat, waardoor hij zijn dienst in de gemeente niet langer kan uitoefenen, zal hij geacht worden in dienst te staan van de kerken in het gemeen en als zodanig ook de eer en de naam eens dienaars behouden. 1)

1) Zie voor het tweede lid van dit nieuwe, in 1949 aan de K.O. toegevoegde artikel: blz. 37.

In verband met dit nieuwe artikel over predikanten in algemene dienst zijn de volgende bepalingen van belang:

“De aanwijzing van degenen, die een bepaalde arbeid zullen verrichten ten behoeve van de kerken in het gemeen, zal gewoonlijk geschieden door de generale synode, tenzij de synode voor een bepaald geval bewilligd heeft in het treffen van een andere regeling dienaangaande. Deputaten dezer synode zullen in geen geval een ander recht hebben dan dat van voordracht en aanbeveling”.

“Predikanten in algemene dienst zijn aan het toezicht van de kerken in het gemeen door de generale synode voor al hun werk wat betreft hun ambtelijke positie onderworpen, ook voor zover de synode dit toezicht mocht opdragen aan deputaten”.

“Bij gebleken noodzakelijkheid van tuchtoefening over een dienaar des Woords, die geroepen werd tot een arbeid ten behoeve van de kerken in het gemeen en als

|347|

zodanig de eer en de naam van een dienaar des Woords behouden heeft, zal de kerkeraad van de gemeente, waartoe hij als lid behoort, onverminderd zijn recht voorlopig tot afhouding van het avondmaal te besluiten, zich in verbinding hebben te stellen met deputaten voor de generale synode, onder wier opzicht hij staat voor wat betreft zijn werk en ambtelijke positie, opdat de kerkeraad, in overeenstemming met het advies dezer deputaten, de tucht kan uitoefenen. Bij verschil van mening aangaande de uitoefening der tucht zal de beslissing staan bij de generale synode. In geval degenen, die geroepen werden tot een arbeid ten behoeve van de kerken in het gemeen, menen zich niet te kunnen neerleggen bij een beslissing van de synode volgens welke zij uit hun dienst ontslagen worden en/of zij hun ambtelijke positie niet langer mogen behouden, zullen zij zich mogen beroepen op een nieuwe synode, die zal samenkomen binnen een termijn van zes maanden na de dag waarop door hen appel aangetekend werd”.

“Ook ten aanzien van dienaren des Woords, die een benoeming ontvangen tot hoogleraar in de theologie, zal voortaan gehandeld worden overeenkomstig de hierboven bedoelde regeling” (’s- Gravenhage 1949).