Schokking, H. e.a. (1910)

Handhaving der Belijdenis in de N.H.K.
Baarn
Hollandia-Drukkerij
1910

(„Pro en Contra” betreffende Vraagstukken van Algemeen Belang, Serie VI, No. 6)

Schokking, H. e.a. (1910) Pro

|1|

 

De vraag in deze brochure is: Moet de Nederlandsche Hervormde kerk haar belijdenis handhaven?

Mijn antwoord luidt beslist: ja.

De eerstvolgende bladzijden, dit „Pro”, zullen de gronden daar­ voor moeten aangeven. Natuurlijk kan ik geen volledige bewijs­ voering leveren, want wie over „kerk” en „belijdenis” spreekt, raakt aan: kerkelijke macht, waarheid, geloofsovertuiging, verhou­ding van Schrift en belijdenis; komt op het terrein van kerkrecht, dogmatiek, kerkhistorie; maar daarmede ook op het gebied van algemeene vragen: over het absolute en het betrekkelijke, de rijke openbaring Gods en het beperkte menschelijke kennen; het persoon­lijke en het gemeenschappelijke; het historische en het onverander­lijke; hij moet rekening houden met misvattingen, onkunde en vooroordeelen, evenzeer van voor- als van tegenstanders. Dit alles is zeker geen voordeel, wanneer in een zeer beperkte ruimte een betoog moet worden geleverd.

Gelukkig kan de zaak terug gebracht worden tot een zeer eenvoudigen vorm.

Dit is allicht voor brochure-lezers (die dan bovendien soms nog niet meer dan ééne bladzijde ervan lezen) een voordeel. Tevens wordt het de leiddraad voor ons geheele betoog.

Het antwoord komt hierop neer: De aard van de kerk brengt mede, dat zij hare belijdenis hééft, en: dat zij dit haar getuigenis van wat zij als waarheid Gods kent en bezit, laat hooren, niet laat vertroebelen, noch zich laat ontrooven.

Hiermede is voor sommigen de kwestie alleen verlegd. Want: „juist over den aard van de kerk is zooveel verschil”. Deze opmer­king is volkomen waar. Evenwel is er toch iets, ja veel gewonnen,

|2|

wanneer er eenstemmigheid komt op dit punt, dat onze opvatting van den aard der kerk beslist over de vraag naar haar taak en het recht inzake de belijdenis.

Ten eerste zal daardoor veel misverstand en prikkelend verwijt uit de discussie geraken. Wie wil toegeven, dat de schriftuurlijke, gereformeerde, historische overtuiging omtrent kerk en be­lijdenis de bedoelde handhaving eischt, kan van de gereformeerden niet anders verwachten dan dat zij naar die overtuiging handelen. Het is dan geen willekeur, geen eigenzinnig drijven, wat hen beweegt, maar zij strijden voor wat hun het wezen der kerk raakt. Wij mogen, willen en kunnen dien eisch van „handhaving” der be­lijdenis met laten vallen. Uitdrukkingen als „confessionalisme, geloofsdwang, ketterjagerij, leerheiligheid, versteende formules enz.” — zullen buiten de discussie moeten blijven. Zij zijn gericht tegen iets anders dan wij bedoelen; raken ons dan ook niet. Hoogstens kunnen wij ze laten gelden als bakens tegen afwijking in den koers; belemmeringen voor de vaart zijn ze niet.

De handhaving van haar geestelijk bezit, welke taak de kerk o.i. niet kan volbrengen zonder belijdenis van Gods waarheid in duide­lijke bewoordingen; de vervulling van haar roeping, in de wereld vol leugen getuige van die waarheid te zijn; — in één woord: het meest eigenlijke werk en doel der gemeente is in het geding. Geen bijkomstige aangelegenheid, maar het bestaan, de strijd, de roeping der kerk is in ons onderwerp vervat.

 

Wij willen eerst spreken over den aard van kerk en belijdenis in ’t algemeen; dan over de belijdenis der Ned. Herv. kerk; vervolgens vragen wat „handhaven” in dit verband beteekent; de bezwaren onder de oogen zien; de noodzakelijkheid om tot rechte handhaving te geraken aanwijzen.

 

I. Reeds is zooeven uitgesproken, dat de aard van de kerk meebrengt dat zij een belijdenis heeft en die moet laten gelden. Het is echter overbekend, dat in de Ned. Herv. Kerk velen anders denken, en dat de kerk zelve in hare officieele handelingen van de handhaving der belijdenis weinig te zien geeft. Daaruit volgt, dat naar mijn meening de tegenwoordige toestand in die kerk niet normaal is. Wat niet naar zijn aard werkt, is in de war. Bloed, dat met door de aderen stroomt, verraadt de aanwezigheid van

|3|

een wond. Een kind dat niet eten wil en slap neerhangt in zijn stoel, is ziek. De Ned. Herv. Kerk die zich officieel zoo weinig aan haar belijdenis gelegen laat liggen, is abnormaal.

Dit moet vooropgesteld worden om de beantwoording van de vraag: wat is de kerk en wat is haar taak?, los te maken van de tegenwoordige toestanden in de Ned. Herv. kerk. Met een beroep op de in haar geldende reglementen zelfs is hier niets aan te vangen 1).

Het antwoord moet gezocht uit normale verhoudingen, uit een objectieve wet, uit het eeuwig geldende recht.

Dit is een gewichtige en beslissende stap. Eventueele tegen­standers zijn gewaarschuwd, dat de Rubicon hiermede overgetrok­ken wordt. Wie geen handhaving van de belijdenis verlangt, nestele zich in het hoekske van „het is nu al zoolang zoo”, op den ondermijnden bodem van „het gaat immers goed” en verschanse zich met verschillende artikelen van de reglementen. Eenige, slap geladen, granaten wil ik zelfs aan de hand doen: „waar­ schijnlijk wilt ge ons tot de Dordtsche kerkorde terugvoeren”; „toen was het ook niet alles goud wat er blonk”; „het blijft op aarde altoos een onvolmaakte toestand.”

Deze en dergelijke opmerkingen zijn — ik zeg niet waardeloos, noch geheel en al zonder een korreltje waarheid —, maar zij gaan buiten de kwestie om.

Als de aard van de kerk medebrengt, dat zij een belijdenis hebben moet, dan moèt onze kerk de hare ook hebben èn houden. Of ondanks dat bezit en die handhaving toch nog gebreken aanwezig waren, en zich weer zouden vertoonen, doet niets ter zake. Een mensch kan wel mank zijn, al is zijn hart in orde; maar zonder hart leeft hij niet, en zonder beenen loopt hij niet.

De kerk is een gemeenschap van geheel eigen karakter.

Daarom is b.v. de veelgebruikte vergelijking met andere gezel­schappen van menschen, die het zonder belijdenis redden, hier niets zeggend.

Ja, eer omgekeerd zou ik zeggen: zelfs zij die in de kerk een


1) Immers, die reglementen zijn m.i. juist voor hun deel oorzaak van de misstanden. Ik wil de beteekenis van art. XI in het Algemeen Reglement niet verkleinen. Daar staat onwrikbaar de zuil waarin het recht der belijdenis is ingegrift en evenzeer de verplichting der besturen om de leer te handhaven. Maar de wijze, de maatstaf, de middelen en de organen tot dit alles ontbreken geheel of ten deele.

|4|

bloot-menschelijke vereeniging zien, zullen toch toegeven dat zij een eigen doel en karakter bezit. Welnu, hoe vrij men zich wane in het fatsoeneeren van haar uiterlijken vorm: haar leven moet zich kunnen uiten in die vormen, anders wordt de bestaansvorm een knellende band. Ook is het duidelijk dat het gemeenschappelijke godsdienstige leven, hetwelk een kerk niet ontberen kan, niet in de laatste plaats uit een gemeenschappelijke overtuiging opkomt. Een vorm van eeredienst moge nog bijeenhouden wie niet gelijk van overtuiging zijn, oude traditie nog doen samenleven wie in gedachtenkring reeds uiteen gingen — dit is de nabloei: de oorsprong, de opleving, de kracht waardoor cultus en traditie uit­ spruiten, ligt in de wèl-gemeenschappelijke overtuiging.

 

Gemeenschappelijke overtuiging” brengt ons heel dicht bij for­muleeringen en belijdenissen, bij tegenspraak en handhaving.

Doch op deze lijn gaan wij thans niet voort.

Niet van ’t algemeene menschelijke leven tot ’t bijzondere kerkelijk leven gaande wil ik de bewijsvoering leveren voor het recht der belijdenis. 

De kerk en hare verhoudingen staan wel niet los van het natuurlijke leven, de zuiverste en eigenlijke eenheid der menschen behoort juist in haar thuis. Maar zij is toch te zeer sui generis, van eigen aard, dan dat wij van „geloofsovertuiging” in ’t algemeen tot „kerkelijke belijdenis” willen voortredeneeren.

Neen, wij stellen eenvoudig het historisch feit voorop, dat de kerk verschenen is en, openlijk opgetreden (hoewel te voren reeds in Israëls volksbestaan ingevlochten) door de prediking van het Evangelie van Jezus Christus in deze wereld.

Zij heeft — hoezeer ook verscheurd en verward — en hoeveel andere opvattingen dezen grondtrek verdonkerd hebben, altoos willen zijn de kring van geloovigen, die den Naam des Heeren Jezus belijden en Zijn leer aanvaarden.

Vóór de kerk staat dus een ander feit: nl. het Woord Gods.

God heeft in de wereld ingebracht Zijn getuigenis; door de profeten, door Zijnen Zoon, door Diens apostelen.

Heel het ontstaan, ook het bestaan der kerk komt voort uit het Woord Gods, geconcentreerd in den persoon van den Christus.

„Kerk” en „Woord” zijn niet te scheiden.

En daaruit, afgezien van andere gegevens, vloeit reeds voort

|5|

dat het leven der kerk, haar aard, deze is: dat zij een bewuste overtuiging bezit door en over Gods waarheid, en een betrekking kent op den persoon van Jezus Christus.

De kerk is geen onbewust uitvloeisel Gods; zij is ook geen door gezindheid of neiging, door uiterlijke éénheid van doel (b.v. barmhartigheidsbetoon, of kerkenbouw, of machtsbezit) bijeengekomen menschengeheel: maar zij is er om en door het Woord Gods.

Haar bewust geestelijk leven laat dan ook dat Woord, als een geestelijk bezit dóórklinken.

Dogmatisch wordt dit uitgedrukt in den term dat haar belijdenis is de repetitio Sacrae Scripturae.

Onwillekeurig, noodwendig wordt die herhaling van wat Gods woord haar deed verstaan korter dan dat woord zelf.

Dit is noodzakelijk. Een bewijs dat het gehoorde en beleefde bewust eigendom is geworden.

Daarom is ook een belijdenis van zulk een eigenaardig karakter. Zij is menschelijk — immers de uiting van den menschelijken geest, maar in haar wezenlijken inhoud wil zij goddelijk zijn, want wat niet uit Gods waarheid in den menschelijken geest mocht zijn ingedrongen, kàn niet belijdenis van het Woord Gods zijn.

Hier ligt de moeilijkheid — evenzeer als de heerlijkheid — van de belijdenis. Zij blijft een menschelijk getuigenis; zij kan nooit de plaats van ’t Godswoord innemen: maar zij is er niet dan door ’t Godswoord, en alleen voor zoover het Woord Gods in den geest des geloovigen zijn werking doet gevoelen, wil en kan die geloovige belijden. 

Het Woord Gods — de geest des menschen — het geloof — de uiting des geloofs — naar den regel: ik heb geloofd daarom heb ik gesproken: ziet daar de onverbrekelijke en onmisbare eenheid als van wortel en plant, waardoor een belijdenis gehóórd wordt.

 

En evenzoo is het een feit, dat dit proces zich niet alleen bij enkele afzonderlijke personen heeft vertoond, maar dat zij onmiddel­lijk als in gemeenschap zich hebben gemeld en geopenbaard. „Eén Heere, één geloof, één doop”, is de schoone beschrijving; „dat gij allen hetzelfde zegt” de vurige bede van den apostel. En zoo is ’t in de kerk levend gebleven, alle eeuwen door.

De eenheid van belijdenis is wel niet gebleven. Maar juist dàt feit dreef tot scheiding, verwekte telkens den twist: als er geen

|6|

eenheid van belijdenis bleef dan ook geen eenheid van kerkgemeenschap meer: een onwankelbaar getuigenis dat er eenheid van belijden wezen moet.

Iedere groep beweerde het van haar eigen opvatting, maar daarin constateerden zij het onbedoeld alle te samen van de kerk, dat zij het woord Gods, en den naam van den eenen Heiland wilde en moest belijden.

De beleden waarheid werd beschreven en als schriftelijk stuk be­waard. Een vanzelf sprekend iets bij een welbewuste en gefor­muleerde overtuiging. Een onmisbaar iets, omdat de formuleering juist klaarheid brengen moest in de verhouding van wie hetzelfde gevoelen waren toegedaan en hen die een ander inzicht hadden, maar evenzeer „de waarheid” zeiden te bezitten. Naarmate er meer strijd was geweest en meer inspanning was besteed aan de formu­leering, werd de eindelijk doorgevochten uitdrukking als een kost­baar bezit, als een herkenningsteeken en als een uitgangspunt voor het onderricht van jongere en nieuwe leden der kerk gebezigd.

Maar nu begint ook het gevaar op te komen, dat dit beschreven stuk als een grootheid op zichzelf wordt beschouwd, dat het aan­vaard wordt als belijdenis zonder persoonlijke overtuiging, dat het bewaard wordt als kostbaar erfstuk, maar niet naar zijn aard een levend getuigenis is.

De keten: Woord Gods — levende overtuiging — uitgesproken belijdenis, is helaas! meermalen op elk van de geledingen ver­broken geworden.

Dit behoeft niet het geval te zijn.

Dit strijdt zelfs tegen den aard der belijdenis.

Dit wreekt zich dan ook in allerlei gevolgen als formalisme, confessionalisme eenerzijds, verwerping van de, en afkeer van elke beschreven belijdenis anderzijds; in scheuring en twist.

Maar dit alles ligt niet aan de aanwezigheid van een beschreven belijdenis.

In dagen van krachtig geloofsleven werden die gevolgen dan ook geenszins gezien. 

Bij hen die de belijdenis der kerk verwierpen, kwam de behoefte aan een geformuleerde overtuiging, aan een andere belijdenis, onverbiddelijk te voorschijn. 

Het proces begint dan eenvoudig van voren af aan. Zonder be­lijdenis kan geen kerkelijk leven bestaan.

|7|

Bij normale ontwikkeling staat het met de beschreven belijdenis der kerk aldus: 1°. dat zij de uitspraak bevat van wat de gemeente op een gegeven oogenblik als haar geloof uit de openbaring Gods meent te moeten zeggen, hetwelk 2°. altijd bevat het getuigenis omtrent den onveranderlijken grondslag der kerk: den naam Gods, en 3°. een uitbreiding zal worden op bepaalde punten, naarmate dieper inzicht, of nieuwe aanvallen, of nieuwe vragen de gemeente tot breeder getuigenis leiden 1).

Langzamerhand zou dus de belijdenis vrij groot kunnen worden. Dit wordt een bezwaar, en te meer omdat schijnbaar iets over­tolligs in de belijdenis wordt meegedragen; meer dan een punt vroeger geweldig bestreden, werd in den loop der tijden een uitgemaakte zaak. Daardoor ontstond een nieuw gevaar: dat niet meer de levende bloedstroom der persoonlijke overtuiging maar een historische waarde, straks een versteening meegevoerd wordt. Het gevààr: maar toch ook niet meer dan het gevaar. Want ten eerste keeren alle kwesties regelmatig terug; ten tweede is er geen punt in de kookhitte der beginsel-worsteling geweest, of ’t ging om ’t goud van Gods waarheid. En al zijn sommige uitdrukkingen minder verstaanbaar geworden, dit neemt niet weg, dat vlak onder dat dunne vlies van afkoeling nog het warme leven klopt.

Slechts een glimlach voor die twisten der 3e en 4e, der 16e en 17e eeuw te hebben, is toch waarlijk zeer verwaand. De strijd der eeuwen, de grondproblemen der eeuwige dingen, de resultaten van de scherpzinnigste vernuften en stoutste, diepste denkers zijn alleen den lichtzinnigen en onkundigen hinderlijk of waardeloos.

 

Uit het voorgaande volgt, dat de Nederl. Herv. kerk, juist omdat zij kerk is, eene belijdenis niet missen kan, en haar belijdenis als een levende uitspraak bezitten en als een kostbaar bezit ver­dedigen moet.

Alleen zij die niet meer van „kerk” in den historischen zin van


1) Het is daarom ook noodig te onderscheiden tusschen de leer der kerk en haar belijdenis.
De leer is de min of meer geregelde uiteenzetting van alles wat de kerk op grond van de Schrift weet, gelooft, hoopt, doet, eischt.
De belijdenis is de levende uitroeping van wat het hart verrukt en als, meestal bedreigd, bezit bijzonder gewaardeerd wordt.
Een tusschenvorm bieden de leerregelen, zooals ook de Ned. Herv. kerk die bezit. 

|8|

het woord willen weten, en de Ned. Herv. Kerk dus omgezet willen zien in een godsdienstig gezelschap, genootschap, vereeniging, hoe wil men ’t noemen? — alleen zij kunnen het zonder belijdenis stellen. Hoewel ’t mij niet duidelijk is, wat dan de gemeente-vormende en -samenhoudende kracht zal moeten wezen en hoe men zal handelen, wanneer twee tegenstrijdige meeningen zich openbaren; een huis tegen zich zelf verdeeld, kan niet bestaan.

Ik voorzie een tegenwerping, n.l. dat er minder bezwaar is tegen het hebben van een geloofsuitdrukking in een bepaalden tijd dan wel tegen het handhaven en opleggen van een oude en z.g.n. verouderde confessie. Het antwoord is: Opleggen en oud in den zin van afgestorven: — ziedaar juist de dingen die niet bij „be­lijdenis” behooren. En voorts: hoe dikwijls men ook de geloofs­ uitdrukking wil wijzigen, al is het om ’t jaar, toch zal er altoos een oppositie wezen. En een onophoudelijk wisselende uit­drukking wekt ’t vermoeden, dat de waarheid Gods die als geopen­baard beleden wordt, nog niet recht beleefd is; zij is alvoorts zeer weinig imponeerend bij „geloof”; historisch is het dan ook nooit zoo gezien; zij zou geen paedagogische kracht noch eenige uit­ werking op de menschenwereld hebben. 

Een tweede tegenwerping is misschien, dat er toch godsdienstige groepen zijn, die reeds decenniën en eeuwen bestaan en toch geen „kerkbelijdenis” bezitten of handhaven. Daarbij wordt dan gedacht aan de Doopsgezinden, en aan jongere formaties als de Darbisten. Maar: twisten over dwaalleer zijn bij de Doopsgezinden geenszins onbekend; en al ontbreekt een belijdenis wat den vorm betreft, juist in dat niet-hebben van een belijdenis, en in eenige van de publieke kerk afwijkende gebruiken en overtuigingen was het vereenigingspunt. Was er geen tegenspraak te voeren geweest, de Doopsgezinden zoude thetisch hun geloof hebben moeten be­ lijden, gelijk ook metterdaad geschiedt in hun persoonlijke belijde­nissen, die gekeurd worden door den kerkeraad, en wanneer een Mennist den kinderdoop wilde belijden, zou hij toch, omdat de Doopsgezinde societeit juist den doop der volwassenen belijdt, worden buitengesloten: handhaving van belijdenis dus zónder geschreven gemeente-belijdenis. — Het gevaar voor willekeur en persoonlijke overmacht is hier waarlijk grooter dan bij een geschreven belijdenis.

Een derde opmerking wil ik beantwoorden, n.l.: de Hervormde

|9|

kerk handhaaft op dit oogenblik reeds in jaren haar belijdenis niet meer. Toch erken ik haar ongetwijfeld als kerk, zij bestaat als kerk, zij vertoont zelfs in menig opzicht bloei en herleving — en dat alles terwijl in haar midden allerlei belijdenis gehoord en gevonden wordt! Weerlegt dit feit niet de geheele redeneering voorafgaande?

Het antwoord luidt: 1. Het is juist ons onwrikbaar beweren: de Ned. Herv. kerk heeft nog een belijdenis, 2. Die werkt nog in haar door 1) al wordt zij niet officieel en volledig gehandhaafd. 3. Hier is nawerking van oude krachten, samenhang van historie, traditie, financieele verhoudingen, piëteit enz. 4. God is barm­hartig, om Zijns zelfs wil.

Ware de belijdenis in de N.H. Kerk metterdaad verdwenen, naar onze vaste overtuiging ware zij spoedig verstorven. Maar haar belijdenis leeft nog in vele, vele harten; is nog waarlijk belijdenis van geloof. Ook is die belijdenis nog wettelijk de éénig geldige. Alleen deze twee punten staan daarnevens: 1°. Er zijn ook vele leden die niet de belijdenis als geloofsbezit hebben, ja haar verwerpen en tegenstaan. 2°. De kerk kan tot de rechte handhaving niet komen.

 

Die belijdenis der Ned. Herv. kerk is de Confessio Belgica 2), de welbekende 37 artikelen van Guido de Bres. (1561).

Wanneer wij spreken over handhaving van de belijdenis in de Ned. Herv. kerk hebben wij dus uit te gaan van het feit, dat deze de officieële belijdenis is.


1) Ook in de Reglementen, die wel leer en belijdenis veronderstellen, maar niet tot uiting laten komen.
2) Daarnevens staan de canones of leerregels, te Dordrecht in 1618/19 opgesteld als uitwerking van een deel der belijdenis (en in zooverre ook weer van het geheel, want de belijdenis is een organisch geheel), maar reeds de naam wijst er op, dat zij een eigen karakter bezitten. Veel wat „belijdenis” heeten mag is daarin vervat; maar zij zijn inderdaad „leer”-regels en dragen te sterk het kenteeken, dat zij bepaalde beweringen van andersgezinden op den voet volgen en weerspreken om ook zelfs maar in den vorm van belijdenis te kunnen zijn. Eigenaardig is het ook, dat nevens den catechismus wel in oude kerkbijbels de belijdenis is opgenomen, maar de leerregels zelden, (ik durf niet te zeggen nooit, omdat ik dit niet weet). De catechismus is een boek van onderrichting maar verwerkt veel belijdenis-stof; om de belijdenis der N.H. kerk te kennen komt ook dit geschrift in aanmerking. Er is een organische eenheid in de symbolische geschriften; ’t hangt niet aan den naam „belijdenis”, maar aan het kerkelijk gezag of een geschrift belijdenisschrift is.

|10|

Er is geen andere.

De kerk heeft deze ook nooit afgeschaft, maar haar nadrukkelijk bewaard, ook bij de groote verandering in de kerkelijke organi­satie van 1816.

Wel is de meening uitgesproken, dat enkele bewoordingen uit de reglementen, de „belijdenis”-vragen, de plaats van de oude 37 artikelen hebben ingenomen, maar historisch is dit volkomen onwaar, feitelijk zou dit tegenspraak brengen in de reglementen zelf, terwijl het bovendien in strijd is met den aard van die vragen, die immers geheel er op aangelegd zijn om de verbintenis op grond van de beleden waarheid te doen uitkomen.

Voor hen, die tegen handhaving van belijdenis in de kerk gekant zijn is het trouwens van ondergeschikt belang, of deze dan wel een andere belijdenis als norm moet gelden.

 

Hoe staat het nu met de positie van deze beschreven belijdenis in de kerk? Voldoet zij aan de drie eischen die aan een kerkelijke belijdenis moeten worden gesteld? 

Ten eerste: is zij overeenkomstig de heilige Schrift, is zij de korte uitdrukking van wat de kerk uit Gods woord weet? is zij getuigenis van Jezus’ naam?

Hierop antwoorden wij volmondig ja.

Wel is ’t bekend, dat er vele bezwaren tegen haar zijn en worden ingebracht; doch de meeste dezer betwisten niet, dat de belijdenis uitspreekt wat de Schrift leert, maar wel die schriftuur­lijke leer zelve. Alleen het veelbesproken art. 36 is, als ten deele onschriftmatig, in den kring van kerken die Dr. Kuyper’s opvatting van de verhouding van kerk en staat volgen gewijzigd — de Ned. Herv. kerk heeft daarvan geen wettelijke verantwoording te dragen. Wij achten dit om meer dan een reden gelukkig en een leiding des Heeren. Overigens wordt erkend, dat een onmis­kenbaar foutieve uitspraak in de belijdenis natuurlijk niet mag worden geduld. Wat niet naar Gods Woord is, kan niet belijdenis der kerk Gods zijn.

Ten tweede vragen wij: Heeft deze belijdenis het klassieke stempel; loopt zij over de centrale gedachten; is zij de uitkomst van een worsteling des geestes om de waarheid Gods?

Hierop is eveneens een breed verheffend, bevestigend antwoord te geven.

|11|

Ten slotte: Is zij de levende overtuiging van de kerk?

Hier moet het antwoord omzichtiger gegeven worden. Het een­voudigste zou zijn te zeggen: neen, althans niet van een deel der leden in die kerk. Maar nu zijn wij in eens midden in de kwestie. Welke belijdenis zijn die dissentieerende leden dan toe­ gedaan? Dat is niet te zeggen, en ook voorloopig niet te vinden. In de tweede plaats: er zijn er die haar geheellijk zijn toegedaan, ja de belijdenis van harte voor hun rekening nemen, maar ge­voelen, dat in de laatste 3 eeuwen veel is gestreden en in onzen tijd punten van het woord Gods naar voren zijn gekomen, die in de belijdenis niet of nauwelijks zijn uitgesproken. Dit geeft de volgende verhouding.

Als van een geschreven belijdenis getuigd worden kan, dat zij:
1°. overeenkomstig de Heilige Schrift is;
2°. de centrale gedachten van het geloof der gemeente bevat;
en dan toch
3°. moet gezegd worden, dat de thans bestaande kerk in dit stuk niet hare geloofsovertuiging vindt uitgedrukt;
dan volgt daar uit:
òf dat het met de overtuiging dier huidige kerkleden niet in orde is;
òf dat de belijdenis wel juist is, maar niet juist dat punt naar voren brengt, waarin de levende, ware gemeente dezer dagen haar antwoord uit Gods Woord aan de wereld laat hooren.

 

En wat is dan voorts onder „handhaven” te verstaan?

Méér dan, véél meer dan: uitbannen uit de kerk wie zich tegen de belijdenis verklaren. Eigenlijk kan een belijdenis niet gehand­haafd worden. Zij worde beleden, en wordt dan zelve actief. Maar voor deze bladzijden willen wij toch van „handhaven” blijven spreken.

Handhaven wil dan zeggen: een zaak in haar wezen en recht en werking stellen, gebruiken en verdedigen. Van de belijdenis gesproken zal dat zijn: haar opheffen als den standaard der kerk tot vereeniging van wie bij haar behooren, tot onderscheiding van wie wel uiterlijk bij het gezelschap der kerk zich gevoegd hebben maar haar leven en overtuiging niet deelen; om tot klaarheid te brengen zoo menig gevaarlijk wangevoelen dat zonder zuivere be­ lichting niet ontdekt zou worden éer het verderfelijk heeft gewerkt.

Dit alles is geen kleine taak.

|12|

Voor dit alles is ook een aangewezen, en éen alleen juiste weg te volgen.

Naar mate een handeling meer het léven, vooral het zeer samen­gestelde geestelijke leven raakt, moet met omzichtigheid en volgens de regelen der kunst gewerkt worden. Het verwijderen van den haardos en een operatie in de buikholte geschieden beide met scharen en messen, maar er is een groot verschil van behandeling.

Zoo kan er dan ook van handhaven van de belijdenis in zuiveren en volledigen zin geen sprake zijn dan onder deze voorwaarden:
1°. dat de aard van de belijdenis worde in ’t oog gehouden: dat wil hier zeggen
a. dat zij geen notariëele acte is, waarbij slechts de letter en niet de bedoeling aan ’t woord komt.
b. dat zij geen gezag heeft van en op zichzelf, maar alle autoriteit van de belijdenis ligt in haar overeenstemming met Gods woord. Beroep op de H. Schrift, het recht van gravamen of bezwaar in te brengen is onmisbare voorwaarde om van de belijdenis geen „nieuwen paus” te maken.

2. dat de wettig bevoegde lichamen aanwezig zijn, om de zaak te behandelen. De belijdenis is eigendom van de kerk; haar ge­meenschappelijk bezit. Zoolang de gemeente niet haar eigenlijke geestelijke vertegenwoordiging heeft; zoolang zij haar geestelijke macht niet kan uitoefenen, is handhaving van de belijdenis onmo­gelijk. Een groep of partij kan wel voor zich zelf de belijdenis als regel handhaven (mits zij zich niet vermete te doen wat de kerk alleen kan en mag doen) — want handhaving van de be­lijdenis der kerk is de zaak der kerk.

3. Bij de „handhaving” van de belijdenis wordt als doel in ’t oog gevat: de opbouw der gemeente, de samenbinding van wat bijeen hoort, de afsnijding van wat niet uit de waarheid is, het getuigenis geven tegenover de wereld.

 

In dit alles ligt onder meer opgesloten, dat het bloot intellectueele doctrinairisme, hetwelk de belijdenis als een juridische acte los van het leven Gods in de gemeente beschouwt, zich vergrijpt aan het karakter van datgene wat het zegt te willen handhaven. Ook, dat de handhaving van de belijdenis door de kerk iets geheel anders is dan een eigenmachtig passen en meten door de handen van besturen, die met iets dat zij als de leer der kerk beschouwen,

|13|

sommige, hun ongewenschte, elementen willen uitbannen. Ook, dat handhaven van de belijdenis blijve: het laten hooren van der gemeente getuigenis omtrent de waarheid Gods in Jezus Christus aan een wereld die deze niet kent. Ook, dat het oor­deel door de wijsheid en de liefde geleid, zal kunnen onderscheiden tusschen beweringen die gedragen kunnen worden en andere niet „middelmatig” mogen heeten.

 

Tegen de handhaving van de belijdenis worden verschillende bezwaren ingebracht, die reeds ten deele in het voorafgaande weer­ sproken zijn. Voor het gemak willen wij trachten ze in enkele groepen samen te brengen, daar zij zeer onderscheiden van aard zijn.

1. De bezwaren van hen die van geen belijdenis willen weten. Dus ook niet van een bepaalde.

Wij meenen aangetoond te hebben, dat de kerk niet zonder belijdenis kan zijn; zelfs de kleinste groepen, ja de eenlingen, hebben hun overtuiging als een welbewust bezit, en zoowel innerlijke drang als uiterlijke bestrijding dringen tot formuleering. De geloovige kringen, die geen „belijdenis” willen hebben, leven hier in een soort zelfbedrog òf zijn tot hun opvatting gekomen doordat het karakter van de kerkelijke belijdenis hun ontgaat.

2. Dergenen die geen schriftelijk vastgestelde belijdenis willen hebben, vreezende dat de menschelijke woorden de levenswaarheid zullen doen versterven.
Hiertegenover staan twee opmerkingen: a. dat de schrifte­lijke uitdrukking onmisbaar is om willekeur en onduidelijk­heid te voorkomen, b. dat de bewoordingen van menige belijdenis gebleken zijn geen knellend keurslijf maar steunend gebint te zijn; c. dat vele bewoordingen, in geweldige worsteling gevonden, meermalen de meest juiste uitdrukking in klassieke taal geworden zijn; d. dat wijziging van bewoor­dingen zoo noodig volstrekt niet uitgesloten is.

3. Dergenen, die het gevaarlijk vinden de waarheid vast te willen leggen in een acte-stuk, dat noodwendig het stempel van zijn tijd draagt, derhalve ook uit den tijd kan raken; verklaringen laat hooren omtrent dingen die ons niet meer aanspreken; die daarom vooral niet zulk een stuk als verbindend voor het behooren bij de kerk willen aanvaarden.

|14|

Deze geheele opvatting strijdt niet tegen de handhaving van de belijdenis, maar tegen een misvorming. Een misvorming die niet onvermijdelijk intreedt, mits de kerk haar geloof maar steeds als levende overtuiging doe hooren, en op de aange­geven wettige wijze zich ontwikkele.

4. Dergenen, die de belijdenis te uitvoerig vinden en terug willen tot een kortere formule: de 12 artikelen, of de Petrinische belijdenis.

Hierop antwoorden wij: Er is verband tusschen de Petrinische belijdenis, de 12 artikelen en de 37 artikelen. De dogmenhistorie leert het noodwendige van een voortgaande uiteenzetting; de kerkgeschiedenis den niet kunstmatig opgewekten groei van de belijdenisschriften. Zij zijn uit der tijden nood en onder leiding des H. Geestes geboren. Daarom is terugkeeren tot een vroegere belijdenis ondoenlijk. Men kan de klok der historie niet terugzetten. Een nieuw beginnen bij de Petri­nische belijdenis zou binnenkort toch weer tot ontwikkeling leiden. Deze bewering miskent ook ’t karakter van de be­lijdenis n.l. dat zij in het Woord Gods is geworteld en dus eeuwigheidsinhoud in haar historischen vorm heeft. Noodeloos en ten onrechte zou men het getuigenis der ge­schiedenis uitschakelen. Wij begeven ons niet in voorbeelden, maar wie kan b.v. ontkennen dat in zake de Remonstranten de Dordtsche Synode historisch gerechtvaardigd is? De handel­wijze der contra-remonstranten zal wel steeds zeer verschillende waardeering vinden, maar men kan niet ontkennen dat zij het wezen der remonstrantsche leeringen als strijdig met de 

gereformeerde belijdenis juist hebben doorgrond.

5. Dergenen die door handhaving van de belijdenis, huichelarij vreezen te kweeken.

Tegen huichelarij is nooit voldoende te waken, hoe droevig het ook zij.
De aantrekkingskracht voor de huichelaars is niet de hand­having van de belijdenis maar het voordeel dat zij door de aansluiting bij een godsdienstigen kring denken te bereiken of daar een belijdenis gehandhaafd wordt of niet.
Ik laat rusten, dat zelfs in de 16e eeuw de handhaving niet alleen „huichelaars” maar ook protesteerenden en helden van eigen overtuiging (al was het dan ook o.i. dwaling) gekweekt

|15|

heeft. In onzen tijd is het bovendien gemakkelijk buiten een kring die haar belijdenis handhaaft, een geestelijk onderdak en thuis te vinden.
Niet-handhaving van de belijdenis kweekt daarentegen oneer­lijkheid en verbittering, een zedelijke slapheid en vaagheid die al even erg is als de gevreesde „huichelarij”. En ten slotte: Het eindeloos partijwoelen, dat door het ontbreken van de belijdenis-tucht tiert, kweekt dat geen huichelarij?

6. Dergenen die vreezen voor ketterjagerij.

Wij zouden willen antwoorden: Misbruik heft ’t gebruik niet op. Voorts: ketterij, echte ketterij is ook heel gevaar­lijk, óók voor den ketter zelf. Voorts: is er zonder handhaving van de belijdenis door de kerk op wettige wijze, soms géén ketterjagerij? Doch nu eene van onbevoegden, die niet zuive­rend en tot klaarheid brengend werkt, maar tyrannie van een kleine groep, van een eenling in plaats van de kerkelijke autoriteit stelt.

7. Dergenen, die dit alles toestemmen, maar niet inzien hoe nu en in onze kerk deze zaak tot stand kan komen. Die vreezen dat alles slechts zou leiden tot verwarring, scheuring, bitterheid, ja ten slotte misschien zelfs tot opstelling en invoering van een kettersche belijdenis, welke juist de belijders der waarheid zou uitdrijven.

Wij kunnen de uitkomst Gode bevelen, indien wij ons houden aan den regel: Blind voor de uitkomst, ziende in ’t gebod, en volgend des Heeren leidingen.

8. Dergenen die zeggen: God breekt den belijdenismuur af en werkt met Zijn Evangelie dwars door alle belijdenis-onderscheid heen, op verschillende wijze zegen gevende.

Antwoord: Dit is geen belooning, maar een bijzondere barm­hartigheid, en wie ziet niet het gericht Gods in de verdeeld­heid der geloovigen? Verschil in belijdenis-uitdrukking be­ hoeft niet te leiden tot scheiding, maar wordt de weg tot ware eenheid. Wij denken aan de Harmonie der Confessies, aan de internationale eenheid op de Dordsche Synode. Waar is meer eenheid: in Schotland tusschen de twee kerken die nog belijdenis-tucht oefenen, of bij de Ned. Herv. kerk waarin alle wind van leer ten onrechte gedoogd wordt?

Neen: de handhaving van de belijdenis is niet te missen in een welgestelde kerk.

|16|

De niet-handhaving daarentegen werkt slecht.

Slecht voor de gemeente, waarin partijschappen gaan tieren, gelegitimeerd worden door den nood, omdat ja en neen nu een­maal niet beide waar kunnen zijn, ontkenning en bevestiging niet samen kunnen huizen. In plaats van bij de wettige vergadering komt de beslissing in de handen van een willekeurige meerderheid. Wantrouwen in de leeraars drijft de gemeenteleden tot allerlei willekeurige kenmerken van getrouwheid. De jonge menschen krijgen geen vaste lijn van onderricht, worden sceptisch, onverschillig. Allerlei kerkelijke werkzaamheid wordt belemmerd en verlamd.

De niet-handhaving werkt ook slecht voor de wereld.

De gemeente heeft de roeping de waarheid Gods duidelijk uit te spreken in de wereld. Bij niet-handhaving van de belijdenis hoort de wereld ja en neen te gelijk, of zij hoort niets, of zij hoort zulke algemeenheden en vaagheden dat wie nog kwamen om het woord te hooren, mistroostig, straks minachtend voorbijgaan.

Zullen wij nog veel hieraan toevoegen? Aanwijzen hoe de valsche autoriteit van Rome bekoring zal krijgen, al meer, naarmate de gereformeerde kerk dezer landen de autoriteit van Gods woord door haar menschelijke waan-wijsheid van niet-willen-belijden verduistert? Op het gevaar wijzen, dat Gods oordeel definitief worden zal en de kandelaar uit de plaats geweerd, de gemeente uit zijn mond gespuwd zal worden omdat zij lauw dorst te zijn en te blijven als het gaat om Zijne waarheid, Zijn eer, Zijn Woord?

Want hierom gaat het.

De leeuw heeft gebruld — wie zou niet vreezen?
De Heere Heere heeft gesproken wie zou niet profeteeren?

De waarheid is gekomen, wie mag zeggen het is onzeker?

De woorden Gods zijn ons toebetrouwd — hoe zullen wij ze straffeloos laten vertreden!

Ik heb geloofd — daarom heb ik gesproken.
Met het hart geloovende, belijde de mond.

Laat de Heere ons in gunst nog Zijn woord en in onze kerk nog ’t geloof — zoo zij er geen rust — en zal er geen rust zijn eer de kerk weder haar mond kan openen, dat is: haar wettige organen heeft,
en in die samenkomsten der kerk de belijdenis van Zijn Naam en Waarheid gehoord, uitgeroepen, onderzocht, verdedigd, ge­handhaafd worde. 

H. Schokking.

Schokking, H. e.a. (1910) Contra

|17|

 

Zet ze uit de kerk!” dus roept ge luid.
Zet liever gij uw kerk wat uit!

De Génestet. 

 

Het Algemeen Reglement voor de Hervormde kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, de grond-wet van deze kerk als ’t ware, zegt in Art. 11: 

„De zorg voor de belangen zoo van de Christelijke kerk in het Algemeen als van de Hervormde in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering der godsdienstige kennis, de bevor­dering van christelijke zeden, de bewaring van orde en eendracht en de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland, moeten steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrek­kingen met het kerkelijk bestuur belast zijn”.

Verder bestaat er in de Hervormde kerk een Reglement voor kerkelijk Opzicht en Tucht etc., waarvan Art. 3 alin. 2. aldus luidt:

„Aan de kerkelijke tucht zijn onderworpen alle lidmaten en inzonderheid leeraren, ouderlingen, diakenen en andere leden van kerkelijke besturen, ter zake van onchristelijken levenswandel, van openbaren strijd met den geest en de beginselen van de belijdenis der Hervormde kerk (art. 27 van het Reglement op het Examen) van verstoring van orde en rust en van verzuim of vergrijp in de uitoefening van kerkelijke betrekkingen”.

 

Het is duidelijk dat in deze beide wetsartikelen wordt gesproken van eene belijdenis of leer der Hervormde kerk.

De groote vraag, waar ’t alles op aan komt, is nu maar: welke is deze leer der Hervormde kerk?

Een feit is, dat in de geheele kerkelijke wetgeving deze leer nergens uitvoerig omschreven en belijnd is.

|18|

Art. 27 van het reglement op het examen schrijft voor:

„Daarenboven leggen de geëxamineerden de navolgende ver­ klaring en belofte af en bekrachtigen die met hunne onderteekening: „Wij ondergeschrevenen, door het Provinciaal kerkbestuur van . . . . (of door de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken) tot de openbare Evangeliebediening in de Nederlandsche Hervormde kerk toegelaten, beloven in diep besef van onze roeping en in vertrouwen op God, dat wij daarin met ijver en trouw zullen werkzaam zijn om, overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde kerk hier te lande, het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen en de belangen van het Godsrijk en in overeenstemming hiermede die van de Nederlandsche Hervormde kerk, met opvolging van hare verordeningen, naar vermogen te behartigen”.

 

Eene in alle onderdeelen uitgewerkte, nauwkeurig omschreven leer heeft dus de Ned. Herv. kerk hier te lande niet; zij vraagt van hare predikanten en lidmaten geenszins eene, in een bepaald aantal artikelen uitgesproken geloofsbelijdenis, in alle stukken te beamen, zij vraagt enkel van die tot haar willen behooren eene verklaring, een belofte dat zij instemmen met hare beginselen en haar karakter hier te lande.

En deze beginselen en dat karakter heeft zij zeer ruim gesteld.

Het zijn de Christelijke beginselen, welke zij voorstaat zooals deze zijn te vinden in het Evangelie van Jezus Christus: vertrouwen op God wil zij aankweeken in de harten der menschen, gods­dienstige kennis verspreiden, Christelijke zeden van orde en een­ dracht, van liefde tot vaderland en vorst(in) bevorderen, dat is het groote hoofddoel, en zij verlangt van allen, die tot haar wenschen te behooren, hierop aan te houden in hun denken, spreken en handelen.

Haar karakter is verder Protestantsch, hetgeen uit hare geschie­denis voldoende blijkt en dat Protestantsch karakter is gelegen in de vrijheid van onderzoek en geweten; hierin staat zij tegen­ over de Roomsche kerk, welke geen vrijheid van onderzoek en geweten kan toestaan: alle leerverschillen zijn hier theoretisch onmogelijk sedert de Paus de onfeilbare leer aan de leden dier Roomsche kerk te gelooven oplegt en alle tegenspraak afsnijdt, hoe gegrond zij moge wezen.

|19|

De tegenwoordige Ned. Herv. kerk is dus niet beginsel- noch karakter-loos, maar zij bezit niet een nauwkeurig omschreven leer­stelsel. Dit was wel het geval met de Gereformeerde kerken in de Nederlanden, zooals zij werden ge-reconstitueerd te Dordrecht in 1618/19.

De tegenwoordige Ned. Herv. kerk nu is wel een historische-, maar niet een onveranderde — voortzetting van deze Gerefor­meerde kerken.

De loop der geschiedenis na 1618, de ontwikkelingen der god­ geleerdheid en der geheele geestesbeschaving sedert dien tijd, hebben niet nagelaten hun grooten invloed op die Gereformeerde kerken te doen gelden; de jammer der Révolutie- en Napoléontische-tijden ging niet zonder meer aan haar voorbij . . .  kortom, . . . . in 1816 werd uit deze Gereformeerde kerken geboren de Nederlandsche Hervormde kerk, zooals zij nu nog bestaat.

Wie deze kerk, in haar beginselen en karakter, wil leeren kennen, moet dus met hare wetten of reglementen te rade gaan in de allereerste en voornaamste plaats, zooals zij die in 1816 en vervolgens heeft afgekondigd.

Wie deze reglementen of wetten niet kan aanvaarden, wie met dit duidelijk uitgesproken doel, beginselen en karakter der kerk zich niet kan vereenigen, hij zal zich natuurlijk, zoo hij een ver­standig en ernstig mensch is, niet bij haar aansluiten.

Mocht iemand dit wel doen, te weten zich aansluiten bij de Ned. Herv. kerk en tegelijk hare beginselen, karakter en doel verloochenen of bestrijden, dan heeft natuurlijk de kerk door middel van haar bestuur volkomen recht aan den misdadigen toeleg van zoo iemand paal en perk te stellen en hem na recht­ vaardige kerkelijke procedure van zijn ten onrechte aanvaard lid­ maatschap te ontzetten.

Onbeperkte vrijheid, of liever volslagen losbandigheid, kan in geen enkele vereeniging bestaan en natuurlijk ook niet in een kerk; men dient de wetten te handhaven, natuurlijk met wijs beleid. Wanneer wij dus hier een pleidooi opnemen tegen de handhaving van de confessie in de Ned. Herv. kerk zal ’t ieder die ’t boven­staande goed begrepen heeft, duidelijk moeten zijn, dat wij niet bedoelen te pleiten voor onbepaalde en onbeperkte leervrijheid in de Ned. Herv. kerk. Die leervrijheid is natuurlijk en als van­zelfsprekend bepaald en beperkt door het niet onduidelijk

|20|

uitgesproken doel, karakter en beginselen van de Ned. Herv. kerk. Maar als men in onze dagen de leus hoort klinken: „wij willen handhaving van de leer in de Herv. kerk”, dan bedoelen die „wij” daarmede handhaving van de oude formulieren van Dordt met name van de Confessie. Tegen deze Confessie en hare hand­having gaat dus dit betoog:

 

Een kort woord over oorsprong en geschiedenis van deze con­fessie moet hier tot recht begrip van heel het betoog voorafgaan.

In het begin der 16e eeuw verscheen het Protestantisme op Nederlandschen bodem en wel in verschillende gedaanten. De oudste stroomingen zijn zelfstandig-Nederlandsche, Doopsgezinde en Luthersche.

Maar spoedig behaalde over al deze richtingen het Calvinisme de zege.

Van al deze richtingen gingen geloofsbelijdenissen uit, welke, zonder bindend gezag te hebben, door voormannen van die richtingen waren opgesteld met het doel om aan vriend en vijand uiteen te zetten wat men geloofde en wat niet.

Zoo verscheen in het voorjaar van 1562 te midden van heftige geloofsvervolgingen, eene „Belijdenisse des geloofs”, een hollandsche vertaling van een gelijk-luidende Fransche, welke in 1559 was opgesteld door een wakkeren voorvechter van ’t Calvinisme door Guido de Brès (Guy de Bray).

Deze geloofsbelijdenis had moeten dienen om aan den koning te berichten, wat de veel gelasterde en vervolgde Hervormden alzoo geloofden en niet geloofden.

Dat Guido de Brès deze geloofsbelijdenis niet als een bindend gezag voor zijn geloofsgenooten en medestanders der Hervorming wilde hebben beschouwd, blijkt onwederlegbaar uit het feit, dat toen Willem van Oranje sedert 1564 pogingen in het werk stelde om Lutherschen en Calvinisten te vereenigen rondom de Augs- burgsche Confessie, Guido de Brès zich voor dit plan gewonnen gaf.

Een bindend gezag heeft deze belijdenis, na eene geschiedenis van vele jaren, eigenlijk eerst verkregen op de groote Nationale Synode te Dordrecht in 1618/19 gehouden. Deze Synode was op het stuk van de leer veel strenger dan de verschillende voorafgaande Synoden. (Op de Synoden te Wesel en Emden, vooral op de laatste, had men ook reeds onderschrijving van deze confessie verlangd).

|21|

In zitting 159 toch werd bepaald: „te concipieren een accuraat formulier van onderteekeninge, waarna de Kerkendienaars de Belijdenisse, de Catechismus en de verklaring des Synodi nat. over de vijf remonstrantsche Artikelen, sullen onderteekenen, om haar regtsinnigheid klaarlijk te betuygen en sommige verkeerde uytvlugten omtrent de onderteekeninge voor te komen” 1).

Voortaan zou dus ieder in de kerk gehouden zijn precies te gelooven, wat bovengenoemde geschriften inhielden; men zou geen „afwijkingen” noch „uitvluchten” dulden.

Dit resultaat was niet verkregen dan na een geweldigen strijd, welke het geheele vaderland in de heftigste beroering had gebracht.

Deze strijd was niet zuiver kerkelijk — het was een kerkelijk-politieke strijd, waarbij de hartstochten vlamden en het hoofd van een groot staatsman op het schavot gevallen is.

Op de groote Dordtsche Synode van 1618/19 bevocht het harde onverdraagzame Calvinisme de overwinning, nadat ongeveer 200 predikanten, die afwijkende gevoelens waren toegedaan, waren afgezet en uit het vaderland gedreven.

En indien de partij, welke op de Synode overwon, haar zin geheel had mogen doordrijven, zou uit de Nederlanden al wat niet Calvinistisch geloofde zonder twijfel zijn uitgedreven: geen Mennonist, geen Lutheraan, geen Katholiek zou in de Republiek hebben mogen wonen; maar de wijsheid van vele overheden heeft dat gelukkig voorkomen.

Zoo scheen nu voorgoed uitgemaakt, wat „de ware leer was”, uitgemaakt door een vergadering van mannen, die in den grond der zaak het zelf niet allen eens waren over „de ware leer”.

Over het leerstuk van den zondeval verschilden de leden der bovendrijvende partij in de Synode van elkander, maar om dan toch niet eindeloos te blijven twisten heeft men dit verschil handig weten te bedekken, hoewel er vele heftige woorden reeds over en weer gevallen waren.

Maar er waren in de Synode en er bleven voortaan in de kerk: „bovenval drijvers” en „benedenval drijvers”.

Toch heeft deze ommuring van de leer niet kunnen verhinderen, dat telkens en telkens weer afwijkende gevoelens binnen de kerk


1) Zie C. Hooyer, kerkelijke wetten p. 13.

|22|

verkondigd werden, wat dan natuurlijk weer aanleiding gaf tot hevige twisten.

De heftigste van al deze twisten over de leer is wel geweest die tusschen de zoogenaamde „Voetianen” en „Coccejanen”. Zoo erg was deze twéédracht, dat de „Voetianen” wederom sterk hebben aangedrongen op het houden van een nationale synode; en zoo deze gehouden ware, wat de landsregeering echter verhin­derde, zouden zeker die Voetianen niet hebben gerust voor en aleer zij hun tegenstanders uit de kerk hadden verdreven. De Dordtsche Synode scheen niet als bijzonder navolgenswaardig voor oogen te staan. Maar vooral de voortgang der denkbeelden, der wetenschap en beschaving in de 18e eeuw heeft veel bijgedragen om de twisten over de „ware” leer te doen verstommen. De tijden veranderden!

Niet zoo streng meer als vroeger werd door de kerkbesturen die leer gehandhaafd tegenover degenen die afwijkende gevoelens niet alleen koesterden, maar ook openlijk uitspraken.

Totdat de Fransche Revolutie als een storm over Europa los­ brak en de heerschende Calvinistische kerk in de Nederlanden vernietigde voor goed.

Uit dezen storm van Revolutie en wat daarop gevolgd is onder de heerschappij van Napoleon, is de Hervormde kerk wel weder­om opgestaan, maar niet onveranderd.

De Ned. Herv. kerk zooals zij op dit oogenblik nog in ons vader­land bestaat, is geboren in 1816

En deze kerk heeft tot den dag van heden van geen harer leeraren en dienaren gevraagd de onderteekening en ondubbel­zinnige instemming met de formulieren van de Dordtsche Synode.

Wij leven heden ten dage in deze kerk gelukkig onder een andere en betere kerkorde.

Nadat Art. 4 der confessie alle „Kanonijke Boeken der heilige Schriftuur” heeft opgesomd gaat art. 5 voort: „Alle deze Boeken alleen ontvangen wij voor Heilig en kanonijk, om ons geloof naar dezelve te regelen, daarop te gronden en daarmede te bevestigen; en gelooven, zonder eenige twijfeling al wat in dezelve begrepen is”.

Bij deze laatste, gecursiveerde zinsnede vraag ik: hoevele leden der Ned. Herv. kerk zouden er wezen, die, nauwgezet kennis genomen hebbende van den inhoud van „alle deze boeken” en niet geheel en al vreemdelingen in datgene, wat het

|23|

wetenschappelijk onderzoek van onze dagen weet te vertellen aangaande oorsprong, samenstelling en geschiedenis dezer boeken, met een volkomen eerlijk geweten dit kunnen nazeggen n.l. „zonder eenige twijfeling te gelooven al wat in dezelve begrepen is”!?

Ik kan mij haast niet voorstellen dat er één predikant in de Ned. Herv. kerk gevonden kan worden, die, van dit alles ernstig kennis genomen hebbende, voor God en zijn geweten rondweg ja en amen durft zweren op deze zinsnede uit art. 5 der Dordtsche geloofsbelijdenis. 

Hoe ’t zij, een menigte hoogleeraren, predikanten, kerkbestuurders en gemeenteleden komen er wel telkens weer rond voor uit in hun boeken, preeken en gesprekken, dat zij dit Artikel 5 onmogelijk kunnen onderschrijven. De hoogleeraren Valeton en Wildeboer, leden der Ned. Herv. kerk, hoewel zich onder de zoogenaamd „orthodoxen” scharende, bestrijden toch in hunne geschriften over ’t Oude Testament met alle macht dit artikel 5 der Confessie en zij hebben een groote menigte medestanders, die gelijke opvat­ tingen huldigen en toch ook leden zijn der Ned. Herv. kerk.

Wilde men de Dordtsche belijdenis handhaven dan zouden deze allen onrechtzinnig moeten heeten; de Dordtsche Synode had hen allen, evengoed als zij de Remonstranten deed, uit de kerk gezet.

Toch is Artikel 5 niet te handhaven in het aangezicht van de resultaten van het godgeleerd onderzoek.

Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium zijn niet door Mozes geschreven.

De grondtekst van de boeken zoowel van O.T. als van N.T. zijn ons niet geheel zuiver zonder fouten en vergissingen en ver­schrijvingen, uit de hand der oorspronkelijke opstellers overge­leverd; wie dat durft staande houden en de feiten kent, doet de waarheid geweld aan en spreekt niet, wat het geweten hem te spreken beveelt

Aan het onomstootbaar feit, dat de grondtekst des Bijbels niet zuiver en zonder fout is overgeleverd, kan geen mensch ter wereld tornen; het staat als een paal boven water; een kerk, welke van hare leden dit feit te ontkennen vraagt kan evengoed vragen, dat hare leden zullen moeten erkennen dat 2 + 2 = 7. Dan hebben wij een kerk, die de gewetens verkracht! Zoover kan ’t gezag van een kerk op Protestantsch terrein nooit gaan, zonder haar karakter te verloochenen; zelfs de oude opsteller van Art. V spreekt

|24|

’t uit: dat niet „de kerk” de Schrift voor onfeilbaar had te verklaren, maar het getuigenis des Heiligen Geestes in des menschen hart. Het getuigenis van het Gode gewijde geweten!

 

„De Paus en de Conciliën kunnen en hebben vaak gedwaald en elkaar tegen gesproken”, riep Luther op den rijksdag te Worms — „het is niet geraden en veilig iets tegen het geweten te doen”.

Hier sprak de groote Hervormer ’t echte Protestantsche beginsel uit van vrij onderzoek en gebondenheid, niet aan ’t gezag van kerkvergaderingen, maar aan het geweten alleen.

Dat in Genesis I 26 en 27 en in Gen. III 22 alsook in 1 Joh. 5, 7 een bewijs van de Drieëenheid Gods ligt opgesloten, zullen maar zeer weinig godgeleerden in onze dagen toegeven, al behooren zij ook tot de Ned. Herv. kerk; toch wordt ’t in art. 9 der confessie geleerd.

Voor „orthodox” of te wel rechtzinnig willen nog wel velen in de Ned. Herv. kerk doorgaan, maar op de schaal der Dordtsche leerregelen gewogen zullen de meesten te licht worden bevonden.

Maar nu, zoo de Dordtsche maatstaf van rechtzinnigheid gaat ontvallen, welke zal er dan aangelegd moeten worden? Om dit vast te stellen zou men tot een herhaling van de Dordtsche Synode moeten komen en een nieuw leersysteem als ’t eenig ware proclameeren, hetgeen in onzen tijd, toestand van richtingen en wetenschappen in aanmerking genomen, een volslagen hopeloos pogen moet genoemd worden.

Prof. Scholten in zijn „Leer der Herv. kerk” heeft m.i. zoo overtuigend mogelijk aangewezen hoeveel er hapert aan de zoo­genaamde rechtzinnigheid zelfs van diegenen, die zich zelf voor zoo bij uitstek rechtzinnig uitgeven en ijveren voor rechtzinnig­heid in de leer.

Ook de zoogenoemd Confessioneelen kunnen ’t heden ten dage niet streng meer met de Confessie nemen, welke zij niettemin zeggen te willen zien gehandhaafd.

Hoevelen onder de leerdrijvers staan onbewimpeld voor en gelooven precies, wat Art. XVI der Dordtsche Confessie zegt over de eeuwige Verkiezing!?

Dit leerstuk wordt immers tegenwoordig vrijwel verzwegen, men hoort ’t op de kansels weinig meer. Zelfs zegt Dr. Vos in ’t tweede deel van zijn „Groen van Prinsterer en zijn tijd” p. 262:

|25|

„Van het Praedestianisme had hij (Groen) om méér dan ééne reden een diepen afkeer, zelfs de gezonde praedestinatie-leer liet hij bereidvaardig ongebruikt”. Een orthodox theoloog noemde deze leer: „heidensch fatalisme!” Art. XVI der Confessie = heidensch fatalisme!!

Zoo zien wij welk een groote dwaasheid en onredelijkheid het wezen zou, van allen die tot de Ned. Herv. kerk zullen behooren te eischen een onderschrijven d.w.z. instemming met alles, wat de Dordsche Confessie in die bekende 37 artikelen alzoo leert. Deze confessie hadden zelfs Groen van Prinsterer en Da Costa met een eerlijk geweten niet kunnen onderschrijven — immers zij stemden niet met alles in. Zij spraken dan ook van een onbekrompene instemming met den grondslag der kerk in haar belijdenis geschriften neergelegd. Daarom heeft ook Da Costa in een zijner brieven geschreven: „Men vergete niet, dat zelfs op de Dordtsche Synode de formulieren van eenigheid stellig en opzettelijk de novo (opnieuw) onderzocht en gerevideerd zijn. Hoeveel te billijker en noodiger ware dit niet thans na meer dan 200 jaren!”

In aansluiting hiermede schreef Da Costa nog verder: „mij drong de overtuiging, dat de zuivere Hervormde leer telkens opnieuw geplaatst moet worden op haar echt Protestantsche basis . . . .
Nimmer mag worden verzuimd een overgeleverde kerkelijke leer met den Bijbel alleen te handhaven en te verdedigen. Mij dreef de bewustheid, dat onder protestatie van alleen Gods woord als bron en gezag te erkennen, bij velen, ja zeer velen onder de welgezinden die Bijbel in den grond beschouwd wordt als een wass(ch)en neus (zooals de Roomschen het uitdrukken) terwijl de ware kracht der leer in de formulieren wordt gezocht.
Ik weet er, die het onbewimpeld ook zoo zeggen en langs dien weg in plaats van Protestantsch eigenlijk Roomsch rechtzinnig zouden worden”.

 

„Roomsch rechtzinnig”! inderdaad daarheen leidt leerdwang; op zuiver Protestantschen bodem is deze niet te dulden.

Zelfs de Dordtsche Synode van 1618/19, welke al heel aardig op een Roomsch concilie begon te gelijken, heeft de mogelijk­heid van toekomstige herziening der belijdenis opengelaten door te bepalen dat elke 3 jaren een Nationale Synode diende gehouden

|26|

te worden ook met ’t oog op revisie der leer. Zulk een Synode is er echter nimmer-meer gehouden!!

Alleen bij een Roomsch-katholieke opvatting kan men denken en zich de illusie voorspiegelen dat er zoo iets op deze aarde bestaat als: („quod ubique, quod semper, quod ab omnibus creditum est” —) wat overal, ten allen tijde en door allen is geloofd.

Wie ook maar oppervlakkig bekend is met de geschiedenis van den Christelijken godsdienst en der Roomsch Katholieke kerk weet, dat van zoo iets nooit sprake is geweest.

Wie de Dogmengeschiedenis gelezen heeft, weet dat geen enkel van de nu door sommigen fundamenteel geachte leerstukken der kerk is tot stand gekomen dan na uitwerpen en verdrukken van de leden dier kerk, die tegenovergestelde en strijdige gevoelens waagden voor te staan.

Het dogma is dus immer geweest en is dat heden ten dage nog het gevoelen van de bovendrijvende partij. De sterkere partij bracht de zwakkere tot zwijgen en decreteerde haar gevoelen als de onfeilbare leer der kerk.

Zoo is ’t ook gegaan bij den geheelen opbouw van het Roomsch-katholieke leerstelsel tot 1870. Om te komen op het standpunt, waarop toen in 1870, met de onfeilbaar-verklaring van den Paus, de R.-katholieke kerk is gearriveerd, zijn ontelbare kerkvergade­ringen gehouden, op vele waarvan het zelfs schandelijk en mis­dadig is toe gegaan.

De minderheid, al was zij nog zoo aanzienlijk en eerbiedwaardig, heeft moeten zwijgen waar de meerderheid gebood.

Nog in 1870 is het niet anders gebeurd. Niettegenstaande de aartsbisschoppen van Keulen, Kamerijk, Parijs, Breslau en Weenen tot de tegenstemmers behoorden, is des Pausen onfeilbaarheid toch als kerkleer vastgesteld.

Daarom is er in de Roomsche kerk ook geen vrijheid van onderzoek mogelijk; komt iemand bij zijn wetenschappelijk navorschen tot resultaten strijdig met de kerkleer, dan mag hij dat niet uitspreken op straffe van aanstonds van de kerk te worden afgesneden.

De geschiedenis van de zoogenaamde „Modernisten” in de huidige Roomsche kerk, tragisch en aandoenlijk als zij is, legt wederom als voor onze oogen open, waartoe een onfeilbare kerk met een onfeilbare leer leidt: zij leidt tot onvrijheid,

|27|

verkrachting van den waarheidszin in den mensch tot huichelarij, schijnvroomheid, geestdrijverij, ketterjagen, afschuwelijke ondeug­den al te gader, met den geest van het Christendom en het Protestantisme in lijnrechten strijd.

Wie een kerk wil met een bepaald en nauwkeurig afgewerkt leersysteem, diegene behoort niet bij ’t Protestantisme, hij behoort bij de Roomsch katholieke kerk thuis.

Op echt Protestantsch terrein behoort gebroken te worden met het Roomsche kerkbegrip.

De Roomsch-katholiek zegt: „de kerk is eene stichting Gods”. — „De Paus”, haar hoofd, is de stedehouder Gods, „hij is in ’t bezit der onfeilbare waarheid”.

Maar de Protestant, die zijn beginsel goed begrijpt en door­dacht heeft, weet van geen onfeilbare kerk, noch van een onfeil­bare leer; de kerk is hem niet stichting Gods maar een stichting des menschen.

In de kerk denkt en spreekt niet God, maar de mensch; de kerk is eene vereeniging van menschen die hetzelfde bedoelen, n.l. aanbidding Gods, aankweeken van godsdienstig denken en ge­voelen, bevorderen van godsdienstig leven en streven boven-al.

Alle ander kerkbegrip leidt naar Rome’s heilsinstituut.

Een kerk kan dwalen, zooals al het menschelijke vatbaar is voor dwalen.

De geschiedenis der onderscheidene kerken is ook eene geschie­denis van hare dwalingen, soms ontzettende dwalingen, — zooals de Inquisitie met hare brandstapels en gewetensverkrachting, zoo­ als de leerdrijverij met hare ontketening van menschelijke harts­tochten — met haar grijpen naar macht en geweld.

De Dordtsche Synode noemen wij een donkere bladzijde in de historie der Ned. Herv. kerk.

Gelukkig, driewerf gelukkig, dat de Ned. Herv. kerk heden dat verderfelijke standpunt dier Synode te boven is gekomen en een ruimeren en vrijeren geest ademt, — het nu althans mogelijk maakt, dat binnen hare muren de echt protestantsche beginselen van vrijheid van geweten en onderzoek tot haar volle recht kunnen komen.

Dit te hebben bewerkt is de zegen der nieuwere tijden.

Als art. 5 der Dortsche confessie, inhoudende, dat de Ned. Hervormde gehouden is alles te gelooven wat in den Bijbel staat,

|28|

heden in onze Ned. Herv. kerk nog van bindende kracht ware, dan was ’t onmogelijk geweest, dat een achtbare reeks van Ned. Herv. geleerden, een sieraad en zegen dier kerk, ons geschonken hadden die onwaardeerbare studiën over den Bijbel, waardoor dat heerlijk boek nu zooveel, zoo oneindig veel, beter verstaanbaar is geworden.

In de Roomsche kerk zouden dergelijke mannen als onze hoog­ leeraren Valeton, Wildeboer, Oort, De la Saussaye e.a. om hunne studiën terstond zijn uitgeworpen (gelijk Rome de Moder­nisten doet) en als de Dordtsche leer in de Ned. Herv. kerk van bindende kracht was, zouden zij allen moeten heengaan, zouden zij allen tot deze kerk niet kunnen behooren. Gelukkig dat zij ’t wel kunnen, kunnen met volkomen vrij geweten, zonder hunne beloften, eenmaal als proponenten afgelegd, te schenden, . . . zonder zooals een zekere partij laat verluiden, „die kerk af te breken”.

Een kerk, eene vereeniging van menschen, kan natuurlijk niet, zooals geen enkele vereeniging dat kan, zonder een bestuur wezen, zonder bepalingen en reglementen, zonder omschrijving van doel en beginselen; een kerk moet belijden wat zij wil en bedoelt. In dien zin schreef dan ook Prof. Scholten in zijn beroemd boek over de leer der Hervormde kerk: (p. 16 4e dr.) „Geen kerk zonder belijdenis”.

Deze uitspraak wordt door vele Confessioneelen in verkeerden zin aangehaald, waar zij pleiten voor de handhaving der leer 1). Want immers heel ’t boek van Prof. Scholten is één door­ loopend betoog tegen een geijkt leerstelsel — maar voor beginselen.

„Zij zullen, naar ik vertrouw, (zoo zegt hij in de voorrede), uit ons onderzoek zien, hoe de hervormde leeraar, getrouw aan de verklaring door hem afgelegd, de leer kan zijn toegedaan, die in haren aard en geest het wezen en hoofdzaak der gereformeerde belijdenis uitmaakt, behoudens de vrije ontwikkeling der wetenschap, en dat het geheel iets anders is, de letter der belijdenisschriften met angstvalligheid te huldigen, iets anders den geest en de be­ginselen der gereformeerde kerk van harte te zijn toegedaan en op den evangelischen grondslag, door onze vaderen gelegd, met ijver voort te bouwen, zonder zich te laten afschrikken door het geroep van onrechtzinnigheid van de zijde eener partij, die zoo


1) Vos, Groen van Pr. en zijn tijd. Los. „Troffel en zwaard” 1909 blz. 119.

|29|

gaarne den Christelijken geest op nieuw zou willen kluisteren in den knellenden band van geloofsvormen, waarbij de letter van het kerkelijk dogma gehuldigd, maar de geest niet zelden jammer­lijk miskend wordt”.
„Menigeen toch waant in onze dagen gereformeerd te zijn en veroorlooft zich harde oordeelvellingen over de rechtzinnigheid zijner mede-christenen, die, zelf op de schaal der kerkelijke recht­ zinnigheid gewogen, te licht bevonden wordt”.

Algeheele leervrijheid bedoelde Prof. Scholten zoo min als wie ook, die met hart en ziel de Ned. Herv. kerk is toegedaan; zoo iets is immers ook onbestaanbaar en ongerijmd. Of wat te denken van iemand die zich aansluit bij een Christelijk-Protestantsche kerk en in zijn hart streng Joodsch is of een Buddhist of ook Roomsch-katholiek!?

Zoo iemand is in de Ned. Herv. kerk immers niet op zijn plaats.

Als Dr. Bähler, over wien men zoo groot rumoer gemaakt heeft, werkelijk een volslagen Buddhist is en dus met eerlijk ge­weten niet meer zou kunnen instemmen met de belofte door hem afgelegd als proponent van een Christelijk-Protestantsch genoot­schap, (wat hij immers verklaarde wel te kunnen doen), dan diende hij dat genootschap te verlaten, zoo goed als iemand die vleesch eet zijn lidmaatschap van den Vegetarischen bond dient te verbreken.

De kerk is eene vereeniging, met statuten, doel en beginsel­verklaringen, welke niemand met voeten vertreden mag. Maar het is onprotestantsch de Statuten van eene vereeniging voor onver­anderlijk en onfeilbaar te verklaren. Er moet in elke vereeniging ruimte gelaten worden voor ontwikkeling en opbouw, voor groei en vooruitgang. Daarom gezegend duizendvoudig de Protestantsche boven de Roomsche kerk!

Gezegend deze huidige Ned. Herv. kerk; want al is zij niet volmaakt en laat veel in haar te wenschen over, één ding is er zeker groot en goed: er heerscht Protestantsche vrijheid in haar boezem, een kleinood van onschatbare waarde.

De stemmen van vrij onderzoek en vrije wetenschappelijke ont­ wikkeling behoeven in de Ned. Herv. kerk heden niet te zwijgen voor het gezag van een aantal als „onfeilbare leer” gedecreteerde dogmata.

Het Christelijk leven kan zich alleen in de vrijheid ontplooien

|30|

en wij durven de stelling verdedigen „dat in de Ned. Herv. kerk hier te lande meer, oneindig veel meer Christelijk leven gevonden wordt dan in de verdogmatiseerde Roomsch-katholieke.

De Christelijke geest, zooals de groote Stichter van onzen gods­dienst dien ingedragen heeft in de wereld, laat zich niet vast­ leggen en versteenen in „knellende banden van geloofsvormen”.

De Christelijke geest is een geest van vrijheid, van een „aanbidden van God in Geest en in Waarheid alleen”. (Joh. 4, 24). „Staat dan in de vrijheid” (Galaten 5, 1); „onderzoekt alle dingen en behoudt het goede” (Thess. 5, 21). 

Jezus Christus is niet met de 37 artikelen van de Dordtsche leer als de alleen zaligmakende opgetreden in de wereld. Hij heeft geenerlei kerk gesticht, noch de Roomsche, noch de Protestantsche. Aan vaste kerk noch leer-vormen heeft hij zijn volgelingen gebonden.

Jezus Christus heeft beginselen uitgesproken, groote machtige beginselen, verdragend en met wijde uitzichten. Niet omdat wij een vast omschreven leerstelsel huldigen, maar omdat wij deze beginselen willen belijden en zoover onze zwakke menschelijkheid het gedoogt willen beleven, noemen wij ons Christenen. En daarom hebben wij de Ned. Herv. kerk lief: omdat de geest van vrijheid, welke in haar woont, ’t ons mogelijk maakt naar eigen beste weten deze beginselen voor te staan en te verkondigen. Rome ducht ’t vrij-wetenschappelijk onderzoek naar den oorsprong en de geschiedenis van Bijbel, leerstellingen en kerkinrichtingen; zij op haar standpunt moet wel uitdrijven hen, wier resultaten van onderzoek strijden met wat zij heden ten dage als hare onfeilbare dogmata heeft gedecreteerd.

Maar de Ned. Herv. kerk staat gelukkig op een gansch ander standpunt: zij heeft niets te duchten van dat vrij-wetenschappelijk onderzoek niet alleen, zij kan vrijelijk dergelijk onderzoek aan­ moedigen en met de resultaten haar voordeel doen, tot verdieping, vermeerdering, verbreiding van de Christelijke waarheden, van welke zij de draagster is.

Moge dat in de Ned. Herv. kerk zoo blijven, opdat zij zich op den grondslag van het Christelijk Evangelie vrij en breed ont­ wikkelen kan.

Moge dat zoo blijven en steeds meer worden en moge nooit een zekere partij, de partij der confessiemannen, erin slagen, die

|31|

kerk weer terug te brengen naar het overwonnen standpunt der Dordtsche Synode; allen die vrijheid en waarheid liefhebben moeten zich tegen dat streven ten krachtigste weren.

Op dit oogenblik is het onmogelijk een bepaalde leer ’t zij Dordtsche of andere in de Ned. Herv. kerk als de eenig ware leer te handhaven; een breede schaar van „ethischen”, „evangelischen” en „modernen” willen geen leerstelsel in de Ned. Herv. kerk als het eenig mogelijke en ware officieel vastgesteld en gehandhaafd hebben. Het verschil van richtingen in de kerk, welke geen neiging vertoonen te verminderen maar eer te ver­ meerderen, zal het wel voor immer onmogelijk maken bepaalde leervormen voor te schrijven aan allen.

Wie de vrijheid en den geest van het Christendom liefheeft zal zich niet bedroeven over dat bonte verschil van meeningen en opvattingen in den boezem der zelfde kerk, het zal hem een teeken van leven en zelfstandig nadenken en onderzoek wezen, waarvan de beste vruchten voor het Christelijk geloof mogen worden verwacht.

Het Christelijk geloof is niet aan één bepaalden vorm gebonden: het laat verscheidenheid van gaven en inzichten toe; gelukkig de kerk, welke dat begrijpt.

Eénheid van leer moge naar buiten sterker en machtiger schijnen, het is de vastheid van een starre doode rots. („Te duur gekochte zekerheid van den clericaal”. Busken Huet). Wat leeft toont verscheidenheid, schakeering, nuanceering, duizendvoud; aan een levenden boom zijn wel duizenden bladeren, maar er zijn geen twee in alles aan elkander gelijk.

Laat de kerk geen onveranderlijke, levenlooze, dorre rots (petra) wezen, laat haar zijn een levenskrachtige boom, welke zijn takken en bladeren zegenend uitbreidt over de menschenwereld, rijpe en weldadige vruchten uitstrooit in de maatschappij, waarin hij wortelt.

Leerheiligheid leidt tot onverdraagzaamheid en uitsluiting van anders denkenden, leidt tot partijzucht en partijgeest, welke het Christelijk leven niet bevorderen, maar schaden.

Wij maken aanspraak op den naam Christen al willen „leer­stellige Christenen” ons dien naam betwisten, als wij zeggen: in een waarlijk Christelijke kerk behoort geen bepaald leersysteem (’t zij Dordtsch of wat ook) al ’t andere te overheerschen en

|32|

uit te bannen, in een Christelijke kerk dient te heerschen een Christelijke geest van echte „geloof, hoop, liefde”, vertrouwen op God, broederzin, verdraagzaamheid, vrijheid.

Wie de Dordtsche artikelen wil hebben gehandhaafd en onder­teekend, doemt de ontwikkeling der kerk tot stilstand, neen — zet haar achteruit!

De roeping der Ned. Herv. kerk in onze dagen is niet meer één bepaald leerstelsel te herstellen of van nieuws vast te stellen, die roeping is grooter, die roeping is: de twijfelende, sceptische menschheid van ’t heden te doordringen van den echt Christelijken geest van onwrikbaar Gods-vertrouwen.

Die roeping is Christelijk geloof in menschenharten aan te kweeken, tegen de aanbidding van de stof te stellen aanbidding Gods in geest en in waarheid; Christelijke vrede en blijdschap over de aarde te doen schijnen, Christelijke barmhartigheid te betrachten, maatschappelijke nooden te lenigen, godsdienstige kennis aan te kweeken, Christelijke zeden te bevorderen.

De Christelijke geest ten allen tijde, sedert hij de wereld binnen­ drong, was in staat rust en vrede te schenken aan ’t menschenhart; dat menschenhart te troosten en te bemoedigen, te midden van alle harde teleurstellingen en ontgoochelingen in de wereld van alledaagschheid en kleinheid, van zonde en goddeloosheid.

De Christelijke geest zegt aan het menschenhart, dat het van Gods geslachte is, dat het op de eeuwigheid is aangelegd, en doet in stille berusting bidden: Onze Vader, die in de Hemelen zijt, Uw wil geschiede, Uw koninkrijk kome!!

De taak van de Hervormde kerk hier te lande en elders is: „het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen, de belangen van het Godsrijk te behartigen”. Wie dat schoone doel wil voor­ staan met alle krachten, dat hij zich aansluite bij deze kerk, haar gezegenden invloed in de wereld helpe vergrooten, haar echt Christelijken geest in Protestantsche Vrijheid helpe handhaven en verbreiden.

Het Christendom is geen bepaald leerstelsel — het is levend geloof.

D. Mulder.