Kuyper, H.H. (1906)

Rede uitgesproken op Woensdag 18 October 1905, ter gelegenheid van de herdenking van het vijf en twintig jarig Professoraat van Dr. F.L. Rutgers
1906

(overdruk uit de Almanak van het Studenten-Corps der Vrije Universiteit 1906, z.p., z.j., 55-64)

Kuyper, H.H. (1906) Tekst

|1|

Rede uitgesproken door Dr. H.H. Kuyper op Woensdag 18 October ter gelegenheid van de herdenking van het vijf-en-twintig-jarig professoraat van Dr. F.L. Rutgers

 

Het zilveren feest onzer Hoogeschool, dat uit alle deelen des lands de oude zonen der Alma Mater naar Amstel’s rijke stede deed saamstroomen om met blijde opgewektheid en hartelijken dank aan God haar hoogtij mee te vieren, heeft voor u een dubbel rijke beteekenis. Naast Dr. Kuyper, wien we zoo gaarne in deze ure aan uwe zijde hadden zien staan, om hem mee onze hulde te bieden en wiens afwezigheid door u en ons even smartelijk gevoeld wordt, mogen we in u den stichter onzer Hoogeschool begroeten, die al de jaren van haar bestaan met de trouwste toewijding haar hebt gediend. En zoo nauw en innig is uw teven met het hare saamgeweven en verbonden, dat waar uw kindeke haar zilveren hoogtij viert, tegelijk u de zilveren kroon van het vijf en twintigjarig hoogleeraarschap siert. Want al weten we uitnemend wel, dat de officieele aanstelling tot hoogleeraar u reeds maanden vroeger gewerd, ge stemt het ons toch toe, niet waar, dat een hoogleeraar zonder universiteit, studenten en colleges weinig anders dan een ‘Gedankending’ is en de dorst naar historische realiteit, die ge zoo diep ons in de ziel hebt geprent, maakt dat we eerst op 20 October 1880, den geboortedag onzer Hoogeschool, ook den aanvang van uw professoraal leven kunnen stellen.

Uw oud-leerlingen hebben daarom gemeend dit oogenblik

|2|

te moeten aangrijpen om iets van de hoogachting en liefde, dankbaarheid en waardeering, die zij voor u gevoelen, in woord en daad u te vertolken. Niet gewoonterecht of historische traditie en nog veel minder slaafsche navolging van wat aan de andere Hoogescholen geschiedt, maar alleen de drang van het hart dreef hen daartoe. Want al hebt gij zelf, streng leermeester en handhaver van het Calvinistisch beginsel, het ons steeds geleerd, dat niet aan het menschelijk instrument, maar aan God alleen de eere toekomt en al weten we, dat uwe bescheidenheid van niets meer afkeerig is dan van weidschen lof of overdreven vleitaal, ge zult het in ons toch niet wraken dat op een dag als dezen de stroom der erkentelijkheid door de sluizen heenbreekt en we u zeggen wat we aan uw onderwijs en omgang, aan uw raad en steun hebben te danken.

 

Dien dank brengen we u in de eerste plaats toe voor het onderwijs, dat ge ons hebt gegeven. De taak, daarbij u op de schouderen gelegd, was veel omvattend. Ge hadt ons in te leiden in de rijke schatkameren der historie, ons te leeren hoe onze voet had te wandelen op de paden van hm kerkrecht, ons de diepten van Israel’s profeten en psalmen te ontsluiten, ons te pantseren tegen de verleiding der moderne critiek. Nu weet ge het zelf wel hoe bij den jongeling met zijn weelderige fantasie en rijk verbeeldingsleven veel meer de stoute vlucht der philosophische bespiegeling en de afgerondheid van het dogmatische systeem, dat hemel en aarde omvat, dan de nauwgezetheid van het historisch onderzoek, de juridische finesse van het kerkrecht en de acribie der exegese, waarbij het op elk woord en elken letter aankomt, het hart bekoort. Naar verluidt is dan ook aan andere Hoogescholen de liefde voor kerkhistorie en kerkrecht een zeldzaam voorkomend weeldeartikel en wordt geklaagd dat zelfs bij zoo uitnemende coryphaeën der wetenschap als Fruin

|3|

en Acquoy de collegebanken maar al te schaars waren bezet. Tot die klacht hebben wij u nooit aanleiding gegeven. Aan u is het zeldzame voorrecht geschonken geweest het hart uwer leerlingen met warme bezieling te vervullen voor die schijnbaar zoo dorre vakken. Dat is zeker in de eerste plaats te danken aan den rijken schat uwer historische kennis, aan de klaarheid en helderheid van uw onderwijs, aan de onverbiddelijke logica van uw betoogtrant, aan uw streng wetenschappelijke methode, die ons leerde niet uit handboeken onze kennis te putten maar steeds tot de bronnen terug te keeren. Ge hebt nooit getracht met goedkoopen humor uw colleges te kruiden en aan impressionistische kunst hebt ge u nooit bezondigd. In strenge lijn en soberen eenvoud hebt ge de historie ons geteekend, maar ge deedt het met die getrouwheid en waarheid, die eens de glorie was van Holland’s schilderschool.

 

Toch is onze liefde voor de historie niet alleen daaraan te danken. Bij de historie was het u nooit te doen om het historische weten alleen; de historie was u steeds vitae magistra. Daarom hebt ge ons nooit vermoeid met kloosters en bisschoppen, pausen en conciliën, maar ge hebt ons ingeleid in het schitterend verleden van het Calvinisme, om ons de beginselen te doen kennen, waardoor dat Calvinisme machtig en sterk, een zegen voor Gods kerk en voor de volkeren geworden is. Het liefst spraakt ge ons daarom over Calvijn, den machtigen geloofsheld, die door God gebruikt is om die beginselen te verkondigen. Tot hem ging de liefde uit van uw hart en in de kennis van zijn leven en beginselen, geschriften en arbeid is niemand zoo geconfijt als gij. Zijn beeld hebt ge ons geteekend ten voeten uit en zoo hebt ge ons Calvijn doen kennen, niet den Calvijn der verdichting, die zoo vaak gesmaad en miskend is geworden, maar den man met het heldere hoofd en het warme hart, den genialen

|4|

leidsman, die in staat en kerk, in school en maatschappij nooit voor iets anders geijverd heeft dan voor de eere Gods. Ge hebt het ons doen zien, hoe het zaad door Calvijn in de voren geworpen, de rijkste vruchten heeft gedragen voor kerk en volk, overal waarheen het gedragen werd en wortel schoot. Niet alleen in Zwitserland, waar het weerbarstig Genève ten slotte boog voor Calvijn’s machtigen geest, maar evenzeer in de martelaarskerk van Frankrijk onder den edelen Theodorus Beza en in Schotland’s puriteinsche kerk onder de leiding van den onkreukbaren en onwankelbaren John Knox.

Maar bovenal hebt ge ons dat doen zien op de erve van ons eigen vaderland. De historie onzer vaderlandsche kerk, de kerk der martelaars en geloofshelden. de kerk van Guido de Bres en Datheen, van Cornelissen en Helmichius, van Gomarus en Bogerman, van Voetius en Hommius, van Comrie en Holtius, de kerk die op de Dordtsche synode het zuiverst het beginsel van Gods souvereiniteit heeft beleden, hebt ge ons doen kennen en zoo hebt ge in ons hart de warmste liefde gewekt voor die kerk, die onze geestelijke moeder is en die we thans als ambtsdragers mogen dienen.

 

Zoo hebt ge in het verleden ons ingeleid, maar ge hebt ons ook doen verstaan, dat de adelbrief van dat verleden ons verplichtingen oplegt voor het heden. Ge hebt dat gedaan door in uw kerkrecht met vaste hand de lijnen te trekken voor den rechten gang van ons kerkelijk leven. Gij hebt ons geleerd daarbij ons niet krampachtig vast te klemmen aan wat uit dat verleden was overgeleverd, maar naar het voetspoor van onze vaderen zelf steeds terug te keeren tot de beginselen van Gods woord en daarin het richtsnoer es vinden voor het leven onzer dagen. Waaneer schertsend gezegd is, „dat al wat kerkrecht heet in uw hoofd gevaren is”, dan ding ik op dien lof niet af, maar meen toch, dat die lof niet

|5|

volledig is. Want wel weten we, dat geen plaats uit Voetius’ lijvige kwartijnen u onbekend bleef en geen besluit onzer nationale synodes aan uw memorie ontglipte, maar het jurare in verba magistri hebt ge ons toch nooit geleerd, en noch het gezag van Voetius noch de autoriteit der synodes maar alleen Gods woord moest beslissen. Repristinatie was daarom nooit uw doel; ge hebt ons geleerd winste te doen met het licht, dat God ook in onzen tijd ontstak, en al bouwden we voort op het fundament door onze vaderen gelegd, dit gebouw te doen beheerschen niet door de practijk onzer vaderen maar door de architectoniek van het gereformeerde beginsel.

Al wat bet goud van dat beginsel uit utiliteit of opportuniteit verdonkerde of in zijn doorwerking belemmerde, vond daarom in u zijn onverbiddelijken tegenstander. Misschien in uw oogen wat kras, maar toch der waarheid niet ontrouw schreef nog onlangs een uwer oudleerlingen in een blad over de grenzen: „hier kennt er keine Nachsicht, sondern zeigt er sich trotz seiner sonstigen Bescheidenheit als ein reissender Löwe, der ohne Pardon mit seinen Zahnen zerschmettert, was sich ihm in dem Wege stellt.” Of liever, niet wat u in den weg staat, want persoonlijke wraakzucht kent ge niet, maar wat naar uwe overtuiging inging tegen Gods heilig woord, dat werd in de ijzeren armen uwer logica fijngeknepen en doodgedrukt, vernield en verpletterd.

 

En daarom, indien ook in ons hart die liefde voor het Calvinisme heeft wortel geschoten, indien we geleerd hebben die beginselen toe te passen in den werkkring ons geschonken, indien we in één woord trouwe en echte zonen van Calvijn geworden zijn, dan hebben we dat naast God niet het minste aan uw onderwijs te danken.

Aan uw onderwijs, maar zeker niet minder aan uw omgang

|6|

en voorbeeld. Het zou ons jongeren niet voegen en ook u zeker niet aangenaam zijn, wanneer onze lof hier de perken overschreed. Maar dit ééne mogen we toch wel zeggen. We danken u dat uw overrijke bibliotheek steeds met koninklijke mildheid voor ons openstond: dat we èn in onze studiën èn in de moeilijkheden van ons studentenleven nooit tevergeefs om raad en steun bij u aanklopten; dat uw huiselijke kring steeds met open armen ons ontving. En het is ons een voorrecht dien dank ook openlijk te mogen uitspreken tegenover uw edele gade, die thans aan uwe zijde staat, en die niet alleen omdat ze een drietal zonen aan onze Universiteit schonk den eerenaam van „de moeder der studenten” draagt.

 

Maar meer nog dan voor die persoonlijke welwillendheid steeds aan al uw studenten zonder onderscheid betoond, danken we u voor het exempel, dat ge in uw leven ons hebt geschonken. Het studentenoog ziet zoo scherp en waar tusschen theorie en practijk een klove gaapt, daar wordt de kracht van het beginsel zoo licht gebroken. Daarom danken we God, die ons in u een leermeester schonk, bij wien theorie en practijk, leer en leven in zoo schoone harmonie waren verbonden. Vir probus ac integer is de eeretitel, dien ons hart in stilte u schonk, waar ons oog op uw ridderlijk blazoen nooit een smet ontdekte. U zelf hebt ge nooit gezocht, om eer of gunst van menschen hebt ge nooit gedongen. Persoonlijke voorliefde bewoog u nooit om wat van het beginsel afweert goed te keuren en al moest ge uw tegenstander bestrijden, de aanval was nimmer persoonlijk en het wapen nooit vergiftigd. De heldenmoed, waarmede ge, trots den smaad en verguizing der menschen, mede hebt gearbeid aan de stichting onzer Hoogeschool en de reformatie van Gods kerk hebt doorgezet, toonde ons, dat ge bij de toepassing uwer beginselen voor geen offer zijt teruggedeinsd,

|7|

hoe smartelijk het u viel. Aan den heiligen ernst van uw woord is daarom nooit door ons getwijfeld, waar heel uw leven ons predikte, hoe een goed Calvinist niet door menschengunst maar alleen door de eere Gods zich leiden Iaat.

 

Zoo hebt ge aan de Academie door uw woord en voorbeeld ons opgevoed en onderwezen, maar — en daarvoor danken we u in de laatste plaats — met het afscheid van onze Alma Mater, hield de band, die ons aan u verbond, niet op. Ge zijt ook daarna ons aller leermeester, raadsman en vriend gebleven. Ge hebt ons geleerd door uw dege rectorale oraties, met zoo rijk historisch materiaal gestoffeerd, hetzij ge ons uit de handelingen van den Amsterdamschen Kerkeraad in den aanvang der 17de eeuw aantoondet hoe het Kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde Kerken behoorde gehandhaafd te worden; of ons beweest, dat de aloude Kerkenordening der Nederlandsche Gereformeerde Kerken haar geldigheid ook voor onzen tijd niet had verloren: hetzij ge ons hebt doen zien hoe recht en kerk elkaar niet uitsluiten, maar juist in het Kerkrecht in door God gewild verband met elkander in betrekking staan; of last not least, ons uw meesterwerk hebt geschonken, waar ge in uw jongste oratie ons den machtigen invloed hebt geschilderd door Calvijn zelf op den gang der Reformatie in ons vaderland geoefend. Zeker, en ge vergunt het ons wel dit uit te spreken, de schoone vrucht ons in deze oraties geboden smaakte naar meer en we hadden zoo gaarne van uw band ook een leven van Calvijn, een handboek voor onze vaderlandsche kerkgeschiedenis en een principieele uiteenzetting van het Gereformeerde Kerkrecht ontvangen. Maar de schuld daarvan, indien hier van schuld sprake kan zijn, nemen we gaarne

|8|

voor een goed deel op onze eigen schouders, waar we zelf door telkens bij u om raad aan te kloppen zooveel van uw kostbaren tijd hebben geroofd. Geen twistgeding in onze gemeente, geen casus conscientiae in huwelijkszaken, geen lastig tuchtgeval, geen moeilijkheid bij saamsmeltingsprocessen van A en B, of wanneer ons doorzicht faalde moest uw hulp uitkomst verschaffen. Nooit is het u te veel geweest die hulp ons te schenken; niet met een vluchtig woord op een correspondentiekaart neergeworpen, maar in breed en lijvig betoog werd het geval onderzocht, uiteengezet en de rechte weg ons gewezen. Hoe ingewikkeld en moeilijk het probleem ook scheen, uw doorzicht wist altijd raad en die raad werd nooit met een ἐγω φημι ons opgelegd, maar altijd door klare en logische deductie uit de beginselen ons aannemelijk gemaakt. Zoo zijt ge ook in het kerkelijk leven onze Leermeester gebleven en brengen we ook voor dat onderwijs u thans onzen hartelijken dank.

 

Dien dank niet alleen in woorden maar ook in een daad u te vertolken was ons op dezen dag een behoefte. En nu weten we wel, dat voor u het rijkste loon op uw arbeid is dat we in heel ons leven, in ons ambt en bediening, in kerk en school en maatschappij dragers zijn van het heilige beginsel, dat ge ons hebt ingeprent. Niet liefde voor uw persoon, maar liefde voor dat beginsel vraagt ge in de eerste plaats van uw leerlingen en voorzooverre door Gods genade dat beginsel ook in ons hart is ingeworteld en de toepassing daarvan door ons gezocht wordt, is dat de beste dank, dien we u kunnen bieden. Maar ook het hart heeft toch zijn recht en de liefde, die we voor uw persoon gevoelen, maakt dat we op dezen feestdag u ook een blijk van onze hoogachting en hulde wilden aanbieden. Mag ik

|9|

daarom uit naam uwer oud-leerlingen u de beeltenis over handigen van het bureau ministre, dat op uw studeervertrek een plaats moge vinden.

In de benaming van dit geschenk ligt voor ons geen symbolische beteekenis. Want al bidt ons hart van God, dat de tijd nog eens kome, dat God uw wapenbroeder weder roept om dienaar der kroon te worden, we weten dat gij hem naar het historische torentje aan den hofvijver niet volgen zult. De politiek oefende op u nooit een bekorenden invloed uit. En wie onze Universiteit ontrouw moge worden, gij ruilt uw professoralen zetel zelfs niet voor eene ministerieel bureau.

Maar wel ligt voor uw oud-leerlingen in dit geschenk een herinnering opgesloten en omval het een bede voor de toekomst.

Een herinnering. Want in het midden van uw studeervertrek staat een tafel, rijk bevracht met boeken, brieven en papieren, schijnbaar in schilderachtige wanorde dooreen geworpen, waaraan voor ons menige herinnering kleeft. Die herinneringen zijn voor ons zeker ten deele zeer aangename. Wanneer we in het gezellig theeuur om dien tafel geschaard zaten bij het knetterend vuur in den open haard en kout of scherts het hart van den student nader brachten tot den professor, dan waren die uren ons onvergetelijk. Maar die tafel — we willen het achteraf wel bekennen — kreeg voor ons ook wel eens het schrikbeeld van de operatietafel uit een anatomisch laboratorium, wanneer de arme patiënt kwam om getenteerd te worden, het vlijmend ontleedmes, met hoe zachte hand ook gevoerd, doordrong tot in de diepste schuilhoeken van onzen geest en helaas niet altijd Minerva daarbij uit ons brein te voorschijn kwam. Al moge het bijna een sacrilegium zijn om dat historisch geworden meubel uit uw studeerkamer te verdringen, we meenden toch, dat een schrijfbureau daar nog beter op zijn plaats zou zijn.

|10|

Want in dat schrijfbureau spreekt zich ook een wensch uit van ons hart. Na vijf en twintig jaar gearbeid te hebben aan onze Hoogeschool nadert de leeftijd, waarop naar Academische usantie het otium cum dignitate u wachten zou. Gelukkig dat onze Vrije Universiteit ook daarin haar vrijheid handhaaft, dat ze den 70-jarigen leeftijd niet als limiet van het professoraal leven gesteld heeft. Boezemde soms uw wankelende gezondheid ons vreeze in, nu God de Heere in den laatsten tijd uwe krachten zoo versterkt heeft en de jongste synode onzer kerken nog toonde, hoe helder uw hoofd, hoe onverzwakt uw werkkracht is, wagen we de bede uit te spreken in ons geschenk gesymboliseerd dat uw arbeid nog lang onze Hoogeschool ten goede moge komen en ge niet alleen door de viva vox maar ook door het verbum scriptum ons aller leermeester blijven zult.