Rutgers/Lohman (1882)

In hoeverre heeft de genootschappelijke band, die sedert 1816 aan de Ned. Gereformeerde Kerken is opgelegd, voor de bijzondere Kerken die daarin geplaatst zijn eene bindende kracht?
Beantwoord op de Algemeene Vergadering der Nederlandsche Vereeniging van Vrienden der Waarheid enz.; op 12 April 1882.
Amsterdam
H.J. Winter
1882

(Overgedrukt uit het Verslag der Twintigste Algemeene Vergadering van genoemde Vereeniging)

voor een pdf-bestand van deze brochure, zie hier

Rutgers/Lohman (1882) Rutgers

|1|

 

De Vergadering heeft de vraag gehoord. Het Hoofdbestuur heeft haar aan de orde gesteld, niet omdat het voor zichzelf daarop geen antwoord zou weten; ook niet, omdat er geen geschriften uit vroeger of later tijd zijn, waaruit het antwoord genoegzaam valt op te maken; maar omdat men, ook met name in gereformeerde kringen, aan die vraag nog te weinig aandacht wijdt, en omdat, waar het belang er van wel wordt ingezien, vaak een antwoord gegeven wordt, dat ten eenenmale onjuist is en dan allerschadelijkst werkt.

Er zijn nog veel rechtzinnigen, die wel belang stellen in de ontwikkeling der waarheid, die degelijke, stichtelijke lectuur

|2|

beminnen, die veel op hebben met evangelisatie en practische werkzaamheid, maar die zich met kerkrechtelijke vragen niet inlaten. Die laten ze maar over aan de gestudeerden, aan de predikanten; zij achten ze niet practisch voor ’t leven, niet stichtend. Alsof die vragen niet nauw samenhangen met het heil der Kerk, met de leer der waarheid, en met de praktijk der godzaligheid! Alsof vorm, inrichting en regeering der Kerk geen grooten invloed uitoefenen op de handhaving van de zuiverheid in leer en in leven! Alsof voor den opbouw van het huis wel genoeg is, wanneer maar steenen en kalk worden aangedragen; terwijl men dan naar het bestek niet zou behoeven om te zien, en onverschillig zou mogen zijn voor het ondermijnen van de fondamenten! En alsof men ook hierin niet Gods Woord had te hooren en te volgen! Onze vaderen voor ruim twee en een halve eeuw dachten gansch anders. Hunne uitnemendste leeraren als Junius, Daneus, Helmichius, Donteclock, Walaeus, van Metren, Trigland, Acronius e.a., schreven veel over de kerkrechtelijke vragen van die dagen, en wel bepaaldelijk ten behoeve van de gemeente, voor welke heteen in het latijn geschreven werd dan al spoedig vertaald werd. En die werken of werkjes hadden toen een groot debiet, zoodat zij blijkbaar veel gelezen werden, en de gemeente dus kennis kreeg van deze dingen.

Waar het belang dezer vraag wel wordt ingezien, zeide ik, wordt vaak een verkeerd antwoord gegeven, inzonderheid door rechtzinnige predikanten. De gewone voorstelling is dan deze: dat de band, in 1816 opgelegd, bindend is voor zooverre niet iets geboden wordt, dat rechtstreeks tegen den Woorde Gods ingaat. Dan (zegt men) dan doe ik dat ééne niet. Maar anders houdt men de bestaande organisatie, met al wat daaraan vastkleeft, voor bindend, totdat zij door de Synode en de „hoogere besturen” langs reglementairen weg gewijzigd is. En op zulke wijziging (zoo meent men verder) moet dus

|3|

met alle kracht worden aangehouden. Men moet zien, in de besturen ten slotte de macht en de meerderheid te verkrijgen.

Ook ik heb mij langen tijd in dien gedachtenkring bewogen, en in Classicale en Provinciale Besturen zitting genomen, met de uitgesproken bedoeling om langs reglementairen weg de kerken van die besturen te helpen verlossen. Later evenwel ben ik daarvan hoe langer zoo meer teruggekomen, vooral om de volgende redenen: 1º. Het kerkelijk kiesstelsel tot verkiezing van de leden voor de zoogenaamde Hoogere Besturen is zóó ingericht, dat een liberalistische minderheid, al is die ook klein, toch blijft predomineeren en daardoor alle wezenlijke verbetering blijft beletten. 2º. Al kon men de meeste plaatsen in die Besturen met rechtzinnige predikanten bezetten, zou het toch te vreezen zijn, dat velen op het stuk van kerkregeering niet rechtzinnig zouden handelen. Het is dan zoo verleidelijk, die bestuursmacht te handhaven, die men toch in gemoede meent zoo goed te zullen gebruiken. En ook verder bederft dat zitting nemen in allerlei opzicht. Het is op den duur alleen uit te houden door verloochening van beginselen. 3º. Alle verandering in de organisatie der Kerk, te maken door Besturen, die alleen uit kracht van de organisatie van 1816 bestaan, blijft natuurlijk gegrond op een verkeerde basis, en behoudt de grondfout, waaruit dan telkens weêr kerkbederf voortvloeit; en 4º. Indien de „Besturen” van de basis van 1816 afgingen en het oude kerkverband, met het recht der bijzondere kerken, herstelden, zouden de liberalisten, en dat niet zonder grond, de wettigheid van zoodanige verandering betwisten; die besturen zijn nu eenmaal op een weg, die ten slotte doodloopt.

Daarom juist is het des te meer zaak, op het fondament van den genootschappelijken band van 1816 de aandacht te vestigen; en indien blijkt, dat dat fondament niet deugt, dan moet het verlaten worden. Intusschen moet men niet

|4|

onbesuisd of onnadenkend te werk gaan, of alleen op het zeggen van anderen handelen. Onbezonnen zou het zijn, indien nu maar aanstonds een kerkeraad „de gehoorzaamheid aan de Synode opzeî.” Bij afbraak van ’t geen niet kan blijven staan, moet reeds van te voren de opbouw zijn voorbereid; en ook de afbraak zelve vereischt overleg, opdat men niet soms onder het puin bedolven worde. En daarom moet de vraag die ons bezighoudt door en in de gemeente met allen ernst onderzocht en overwogen worden.

Het is eene vaag van grooten omvang; niet alleen van kerkrechtelijken, maar ook van staatsrechtelijken aard; en waarbij zooveel te onderzoeken valt, dat het waarlijk niet met weinig woorden kan worden afgedaan. Ik zal hare behandeling daarom slechts gedeeltelijk inleiden, en dan het gedeelte dat ik op mij nam formuleeren in deze vraag:

Hoedanig was het kerkverband van de Nederlandsche Gereformeerde Kerken, toen de organisatie van 1816 haar werd opgelegd?

Dat verband was gelegd bij het eerste ontstaan der Gereformeerde Kerken hier te lande, en het was tot 1816 onveranderd blijven voortduren.

De grondslag er van was, in volstrekten zin, de gemeenschappelijke erkenning van het onvoorwaardelijk gezag van Gods Woord, d.i. van de Heilige Schrift, en de gemeenschappelijke belijdenis van de daarop gegronde artikelen en stukken der leer. Voor de kerkgemeenschap kwam het daarbij natuurlijk vooral aan op de belijdenisschriften. Het onvoorwaardelijk gezag van Gods Woord werd door alle Christenen erkend, ook b.v. door de Roomschen; en de eenigen die het niet deden, de Socinianen, werden dan ook gerekend buiten het Christendom zich geplaatst te hebben. Maar nu ging die erkenning van Gods Woord bij velen gepaard met misvorming en krachteloosmaking. En daarom was er om de geesten te

|5|

onderkennen een belijdenis noodig, die, waar zij aanvaard werd, van zelf aaneenhechtte en verbond. Er bestaat een kerkverband tusschen alle ware kerken van Christus, omdat zij een zelfde geloof deelachtig zijn, en geroepen zijn tot getuigen, en het belijden zelf niet kunnen nalaten. En toen nu hier de religie naar Gods Woord gereformeerd was, was er ook van zelf dat innerlijk verband, zelfs nog vóór er een uitwendige band kon gelegd worden. Dat werd dan ook toen reeds gevoeld en beleden, zooals b.v. blijkt uit art. 27 onzer belijdenis, waarin o.a. gezegd wordt: „Wij gelooven en belijden eene eenige Katholieke of algemeene Kerke, dewelke is eene heilige vergadering der ware Christ-geloovigen, alle hunne zaligheid verwachtende in Jesu Christo, gewasschen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den H. Geest. . . . . . Zij is verspreid en verstrooid door de geheele wereld: nogtans te zamen gevoegd en vereenigd zijnde met hart en wille in eenen zelfden Geest, door de kracht des geloofs.” Waar die innerlijke band ontbreekt, daar is geen kerkverband; en elke uitwendige band is dan een leugen; een bron van eindelooze verwarring en twist; alleen dienstig om de belijdenis der waarheid te beletten of te onderdrukken; met Gods Woord in strijd, en dus zondig. Maar waar de innerlijke band is, daar behoeft de weg slechts geopend te zijn, en het uitwendig kerkverband komt dan bijna van zelf.

Dat eenparigheid in de Leer ook de grondslag was van het kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde kerken, blijkt b.v. uit hetgeen in art. 29 onzer belijdenis over de kenmerken der ware en der valsche Kerk gezegd wordt; en voorts uit de „Handelingen” van de eerste „Versamelingen der Nederlandsche Kercken”. Zoo heet het in de voorrede der Acta van de eerste Verzameling der Nederlandsche Kerken onder het kruis te Wezel in November 1568, waar het kerkverband is voorbereid, dat men saâmgekomen was, „om in alle Nederlandschen kerken

|6|

eenparigheyt te doen onderhouden, niet alleen in de Leere” (die werd dus allereerst noodig geacht, maar tevens erkend reeds aanwezig te zijn), „maar ook in deselve ordre en politie”. Evenzoo lezen we in het 2e hoofdstuk art. 8, van de predikanten: „Daarna zal men hem afvragen of hij in alle overeenkomt met die leere, welke in de Kerke openbaarlijk wordt onderhouden en vervat is in de Belijdenisse, gelijk ook in den Catechismus”. En in hoofdstuk 8, art. 7, over hetgeen in de kerken niet geduld kan worden: „Daarom, indien iemand vreemde leeringen en ketterijen heimelijk of openlijk strooit, diens naam zal men aan den Kerkeraad aanbrengen, enz.” En de volgende Synode, te Emden in October 1571, begon, volgens art. 2, hiermede: „Om die eendragtigheyt in de Leere tusschen de Nederlandsche Kerken te bewijzen, heeft het den Broederen goed gedagt de belijdinge des Geloofs der Nederlandsche Kerken te onderschrijven, enz.” Dat ook de latere Synoden juist hierin de eenheid erkenden, en daarom de belijdenis zoo nadrukkelijk handhaafden, kan geacht worden overbekend te zijn. En hoever men er van af was om de eenheid te zoeken in administratie of in reglementen, kan b.v. blijken uit de bepaling van vele Synoden, ook in de Dordsche Kerken-ordening van 1619 in art. 31 opgenomen, dat geen besluit van eenige kerkelijke vergadering voor vast en bondig zou gehouden worden, als het werd bewezen te strijden tegen het Woord Gods. Dat alleen werd als bindend erkend. En op die gemeenschappelijke erkenning werd nog des te meer nadruk gelegd, om het recht der Hervorming te handhaven. Hierin juist lag de schijnbare kracht van Rome, dat het aan het bestaande kerkverband een bindende kracht toekende. En daartegenover handhaafden de Gereformeerden, dat geen uitwendig kerkverband absoluut bindende kracht heeft, en dat het geoordeeld en verbroken is, zoodra het tegen Gods Woord ingaat. Uitnemend is dat b.v. betoogd door

|7|

Rivet, Voetius, e.a. En wie thans daartegen opkomt, mag zien, hoe hij dan de Hervorming tegenover Rome kan rechtvaardigen: metterdaad moet hij dan aan Rome gelijk geven, en alle de Hervormden, met hun geestverwanten als scheurmaker brandmerken.

In kerkrechtelijken zin is de grondslag van het kerkverband de vrijwillige toetreding der bijzondere kerken. In Duitschland was het gansch anders; daar ging de reformatie voornamelijk van den landsvorst, van de overheid uit. Hier te lande evenwel was het juist anders om. Hier zijn eerst bijzondere kerken gevormd, onder het kruis en in de verstrooiing, en later pas zijn die in een uitwendig kerkverband vereenigd; door vrijwillige toetreding; als een kerkenbond; tot wederkeerige correspondentie; en dan zóó, dat iedere bijzondere kerk haar volle macht en vrijheid onder de heerschappij van haar eenig Hoofd Christus, en naar den regel van Gods Woord bleef behouden.

Tot bewijs, en ook tot nadere kenschetsing van dat kerkverband, uit den grooten overvloed van gegevens slechts het een en ander. En dan mag het allereerst de aandacht trekken, dat men hier van den aanvang af altijd sprak en bleef spreken, ook in alle officiëele stukken, van de Nederlandsche Gereformeerde Kerken in het meervoud. Voetius waarschuwt zelfs uitdrukkelijk tegen het gebruik van het enkelvoud, in den zin waarin men het thans vaak hoort gebruiken. „Dat is Roomsch,” zegt hij: „De bijzondere kerken zijn de eigenlijke en ware kerken.” In denzelffden geest werd op de Synode van Emden in 1571, toen het kerkverband gelegd werd, als eerste artikel gesteld: „geen kercke sal over eene andere kercke heerschappij voeren”: eene bepaling, die ook later telkens herhaald werd, laatstelijk in art. 84 van de Dordtsche kerkenordening; geheel in overeenstemming met hetgeen in de belijdenis van de kerk was gezegd. Allerduidelijkst blijkt ook die vrijwillige toetreding uit de Acta van de voorbereidende

|8|

Synode te Wezel, in 1568. Reeds terstond in de voorrede wordt gesproken van „de gemeyne toestemminge van de Dienaren Godts in Nederlant”, die tot invoering van het daar voorgestelde noodig is. In hoofdstuk I, art. 6 lezen we: „Want dat d’eene of andere kercke, of nu, ofte immermeer hierna, sig in ’t bysondere soude aanmatigen ’t gene alle kercken aangaat, sonder toestemming derselver, dat komt niet overeen, nog met auctoriteyt van de H. Schrift, nog met de billijckheyt der wetten.” Evenzoo wordt in art. 7, nadat gesproken is van de mogelijkheid, dat de gewenschte Synode niet gehouden kan worden, in dat geval „geoordeeld, dat men uyt alle de voornaemste Gemeynten der Nederl. Provinciën de uytmuntendste mannen zal verkiesen, om eerst elk bij haer selven, of twee, of drie bijeen, te onderwerpen ’t gene dienen sal tot afdeelinge der Classen, instellinge van een Collegie, verklaringe van alle andere sware saken, en in ’t geheel tot den besten toestand der kercken: daarna zullen zij daarover gesamentlijk handelen, en daaruyt een gemeyn formulier onderwerpen, om ’t selve door alle en een ieder kercke goet te keuren, enz.” Wederom desgelijks in hoofdstuk V art. 19, waar gezegd wordt: „Nochtans staan wij de classicale vergaderingen hierin geen recht toe over eenige kercke, ofte hare diensten; tensy deselve dat van selfs zullen toestemmen, opdat de Kercke niet tegens haar dank berooft werden van haar recht en gezag.” En nog eenmaal aan het slot, in het laatste artikel, hoofdst. VIII art. 22, waar verklaard wordt: „De Dienaren dewelke deze voorsz. Articulen hebben gestelt, ende by een gebragt, dienende tot welstant der Nederlandsche kerken, ende derzelve eenwijzige ende gelijke standt, getuigen hier mede opentlijk voor Godt ende Menschen, dat zulks van haar lieden gedaan is zonder eenig nadeel van andere kerken; maar dat zij”, enz. Daarom werd dan ook in de kerkenordeningen, die zijn vastgesteld en ingevoerd, altijd uitdrukkelijk

|9|

melding gemaakt van het „gemeen accoort”, waarmede zij gesteld en aangenomen waren; waarop nog in de Dordtsche kerkenordening van 1619 aan het slot, in art. 86, gewezen wordt.

Overbekend is het ook, dat in Classes en Synoden door de gecommitteerden altijd naar lastbrieven en nooit hoofdelijk werd gestemd, terwijl op de zuivere handhaving van dat beginsel steeds nauwkeurig gelet werd; alles zeer natuurlijk, omdat men erkende, dat de macht bij de bijzondere kerken, die mandateerden, verbleef. Het was dan ook geenszins vreemd, dat in de verschillende provinciën de kerken aan elkanders besluiten en getuigenissen volstrekt niet gebonden waren, en ze vaak niet erkenden. Zoo b.v. golden de bewijzen van afgelegd proponentsexamen lang niet in het gansche land, en had men te dien aanzien in Friesland zelfs eene geheel eigenaardige regeling. En toen in het begin der achttiende eeuw de predikant Leenhof te Zwolle Spinsostische dwalingen openbaarde, en de kerk aldaar hem als Dienaar des Woords bleef behouden, weigerden de kerken in andere provinciën, zoolang Leenhof daar bleef, attestatiën van den kerkeraad te Zwolle als voldoende aan te nemen.

En voorts zijn in die voorstelling van het kerkverband alle Gereformeerde schrijvers over kerkrecht eenstemmig en duidelijk. Zoo b.v. wordt door Voetius zeer uitvoerig aangetoond, dat de macht en de autoriteit van classen en synoden niet oorspronkelijk is, maar afgeleid en opgedragen; niet tot een eigen en blijvend bezit, maar alleen tot tijdelijke uitoefening, niet volstrekt is, maar beperkt; niet heerschend, maar bedienend; niet de hoogste, als zij met de macht en de autoriteit der bijzondere kerken vergeleken wordt, maar lager; niet de conscientiën bindend, maar integendeel onvoorwaardelijk te verwerpen, door afbreking der correspondentie, als zij in strijd met Gods Woord wordt gebruikt; en niet voor altijd geldend,

|10|

daar geen bijzondere kerk of haar kerkeraad het nageslacht daaraan binden kan.

Zonder twijfel mocht, naar ons kerkrecht, de uittreding uit het kerkverband (of ook de weigering om toe te treden) niet naar luim of naar willekeur geschieden. Integendeel, de bijzondere kerk mag niet op zich zelve blijven staan, daar Gods Woord dat niet wil. En zoolang dat Woord regel blijft en de eenparigheid der leer blijft bestaan, moet de uitwendige band ook bewaard blijven. Het is er geheel mede (zeide men terecht) als met den uitwendigen band, die de bijzondere Kerk en hare individuëele leden verbindt. „Niemand mag zich op zich zelven houden” enz. (art. 28 der belijdenis). En vooral tegenover de Brownisten en de Independenten hebben onze vaderen die noodzakelijkheid van het kerkverband steeds gehandhaafd. Maar zij geven hun ook altijd toe, dat hun argumenten onwederlegbaar zouden zijn, indien de Gereformeerden een soort kerkverband hadden, als hun wel eens door Independenten werd toegedicht, en waarvan de beschrijving sprekend gelijkt op hetgeen de organisatie van 1816 heeft zoeken op te dringen.

Daartegen hebben onze vaderen zich altijd verzet. En zij hebben dat evenzeer gedaan tegen een ander soort van band, waaraan hen de overheid wilde leggen. Vaak zijn er door de overheid pogingen aangewend, om de macht over de kerken in handen te krijgen en haar eene organisatie op te leggen die op andere grondslagen rusten zou. Zoo met name in Holland in 1576, 1583, 1591, en in den Arminiaanschen strijd. Maar de kerken hebben dat altijd bestreden, en met goed gevolg. Wel hadden zij vaak allerlei inmenging van de overheid te dulden. Maar feitelijk en rechtens was en bleef toch het kerkverband, gelijk het van den aanvang af door de kerken zelve gelegd was.

Zoo was en bleef het, ook nog na de revolutie. De kerkelijke

|11|

commissie, die in 1797 en 1798 werkzaam was, om voor de belangen der kerken te waken, ontving haar mandaat niet van de classicale vergaderingen, maar van de kerkeraden der bijzondere kerken. Nog in 1806 werd de oude Friesche kerkenordening, in de vorige eeuw door onderscheiden synodale besluiten vermeerderd en gewijzigd, door de deputaten der Friesche Synode en op haren last, bij vernieuwing uitgegeven; en die uitgave toont, hoe in zake het kerkverband niets geacht werd veranderd te zijn. En toen koning Lodewijk Napoleon in 1809 en 1810 een kerkordening aan de Gereformeerde kerken wilde opleggen, en over het concept daarvan een commissie van advies benoemde, zeide deze commissie in haar rapport o.a., dat het „haar zeer bedenkelijk voorgekomen was of de vereeniging der Herv. Gemeenten onder één opperbestuur wel kon worden aangeraden, althans voor dat dezelve er over zijn gehoord; derzelver bijzondere inrigtingen, wijze van bestaan, tot dusverre gewone afzondering, verkiezing om op zich zelve te blijven, en andere redenen meer, kunnen misschien inconvenienten tegen zoodanige vereeniging opleveren.”

Zóó was dan de toestand, ook nog bij den aanvang van het jaar 1816, toen een genootschappelijke band door koning Willem I aan de Nederlandsche Gereformeerde Kerken werd opgelegd. Bindend kon dat vreemdsoortige kerkverband dus voorwaar niet genoemd worden, en bindend kon het door verloop van tijd ook niet worden, noch in volstrekten, noch in kerkrechtelijken zin. En dat eenmaal vaststaande, is ook reeds de weg gebaand tot het onderzoek, hoe er uit staatsrechtelijk oogpunt over moet geoordeeld worden.

Prof. F.L. Rutgers.

Rutgers/Lohman (1882) Lohman

|12|

 

Nu de Hoogleeraar Rutgers den toestand der Gereformeerde Kerken vóór 1816 heeft beschreven, ligt het op mijn weg te behandelen wat na dit tijdstip ten haren aanzien is voorgevallen. Bijzondere waarde aan dit advies te hechten zoude verkeerd zijn; niet slechts omdat mannen als prof. Rutgers en Kuyper veel beter dan ik op dit gebied t’huis zijn, maar ook omdat wij juristen in den regel van Kerkrechtelijke quaesties geen bijzondere studie gemaakt hebben. En dit is niet te verwonderen. Wij hebben tegenwoordig slechts ééne bron voor Kerkrecht; nl. de Synodale reglementen. Een jurist nu verdiept zich slechts in datgene waarin een beginsel zit. Maar in die reglementen zit geen beginsel.

De vraag die wij te behandelen hebben luidt aldus: „in hoever heeft de genootschappelijke band, die sedert 1816 aan de Nederl. Geref. Kerken is opgelegd, voor de bijzondere kerken die daarin geplaatst zijn, eene bindende kracht?”

Die vraag bevat eene stelling, welke wellicht zal worden tegengesproken; nl. deze: dat de genootschappelijke band is opgelegd. Ik zal dus eerst nagaan of die stelling juist is, om daarna te onderzoeken of die band onverbreekbaar is.

1º. Is de band opgelegd?

Tijdens de Grondwet van 1815 bestonden er tal van kerken, door Synodalen band onderling verbonden. De basis dier verbinding was niet de Synode, maar de Belijdenis. Doordat de Overheid Gereformeerd was en de kerken steunde, bleef de eenheid der Kerk in stand. Toen nu tijdens de revolutie het beginsel van scheiding van Staat en Kerk werd ingevoerd, waren de kerken niet voorbereid om op eigen kracht, d.i. op hun Heer alleen, te vertrouwen en poogden zij voortdurend de hulp der Overheid te behouden.

Bovendien was vooral in de regeerende kringen de geest van centralisatie doorgedrongen. Er was één rijk, er moest nu ook één Kerk zijn. Koning Willem I was, gelijk ieder

|13|

weet, van die centralisatie een groot voorstander. Er moest, meende hij, ééne Kerk zijn; niet meer eene heerschende, tegenover niet heerschende kerken; maar ééne algemeene Kerk, die alle gevoelens omvatte.

Op die wijze ontstond er weer eene Staatskerk, zij het ook eene van de zonderlingste soort. Om zulk een Staatskerk in het leven te roepen was noodig 1º. in schijn alles bij het oude te laten; 2º. te zorgen dat de zelfstandigheid der kerken niet tot haar recht kwam. Alle verzet moest gebroken worden en de nieuwe organisatie als het ware bij verrassing worden ingevoerd. (1)

Met dit doel voor oogen werd allereerst een Commissie benoemd, welke geheel ten onrechte Kerkelijke Commissie genoemd werd. Zij werd geheel buiten medewerking, zelfs buiten medeweten der Kerk aangesteld. En wel bij geheim Besluit, zoodat aanvankelijk de leden zelfs niet bekend waren.

Deze niet kerkelijke Commissie moest, in vereeniging met nog enkele hooggeplaatste, door den Koning aangewezen ambtenaren, een ontwerp beoordeelen van den heer Janssen, die van 1815 tot 1847 Secretaris-Generaal en Adviseur bij het Departement van Eeredienst is geweest, en gedurende dien tijd, met den Koning bijkans alleen den toestand der Ned. Herv. Kerk heeft beheerscht.

Dit ontwerp werd reeds op den 7den Januari 1816 gesanctioneerd als het Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden, zonder dat een enkel kerkelijk lichaam daar ooit op gehoord was. Art. 2 van het Regl. luidde: „dat het Reglement met den meesten spoed en in deszelfs geheel in den loop van 1816 in werking zou worden gebracht.” Daartoe moest de Commissaris-Generaal


(1) Zie over dit punt het belangrijk geschrift van Mr. W. Heineken, de Staat en het Kerkbestuur der Nederl. Herv. Leiden 1868.

|14|

de noodige maatregelen nemen. Tot onderzoek was dus geen tijd; men vroeg niet eens, of de Kerken wilden aannemen. Toch bracht de classis van Amsterdam den 7den Maart nog eenige bezwaren in; maar de Koning verklaarde eenvoudig dat de adressanten als onderdanen van den Staat het voorbeeld van gehoorzaamheid aan de wetten hadden te geven, en verwees hen tot het inbrengen van nadere klachten „naar het aanstaande Synode.” Natuurlijk konden de adressanten zich tot deze niet wenden, zonder tegelijkertijd haar bevoegdheid te erkennen! Die verwijzing was dus niet veel meer dan eene bespotting. En alsof dit nog niet genoeg ware, herinnerde de Koning, wel te verstaan de heer Janssen, de Classis er aan, „dat zij, als Collegie van kerkelijk Bestuur met den laatsten dezer maand (Maart) zal ophouden te bestaan, volgens de overeenkomstig den last Zr.M. gestelde orders.” Deze mededeeling nu was gedateerd den 28sten Maart!

Nu werd ingevolge het nieuwe Reglement een Synode benoemd. Door de kerken? Geenszins. Door den Koning alleen. Deze benoemd zelfs de leden van alle kerkbesturen, doch niet die der kerkeraden. Natuurlijk kwamen in die besturen alleen de voorstanders der nieuwe inrichting; o.a. de geheele Commissie die over de organisatie advies had uitgebracht. De geheele macht in de Kerk werd opgedragen aan de Synode; de kerkeraden werden feitelijk niets anders dan Commissiën ter besturing van de Kerk, onderworpen aan de bepalingen door de Synode vastgesteld.

Het kwam er vooral op aan de eigenlijke gemeenteleden en de kerkeraden niet wakker te maken. Van daar de schijn, alsof alles bij het oude bleef. De kerkeraadsleden bleven in functie. Men draalde opzettelijk met verordeningen omtrent de samenstelling der kerkeraden te maken, wegens „de groote omzichtigheid welke behoort in acht genomen te worden,

|15|

omtrent eene zaak, die de bijzondere en huishoudelijke belangen der gemeente zoo onmiddellijk raakt.”

„Veranderingen van dezen aard, ook wanneer zij minder belangrijk zijn, vestigen de aandacht van alle leden eener gemeente, omdat allen zich daarin betrokken achten; lichtelijk dus baren zij opzien, en geven aan velen, niet in staat om derzelver waarde te beoordeelen, ongenoegen, omdat hunne bijzondere denkbeelden, wenschen en vooroordeelen beleedigd worden. Behoedzaamheid te dezen is vooral noodig in den aanvang eeneer nieuwe kerkelijke organisatie, die reeds handen vol werk en veel gelegenheid tot berispen geeft”!

De grootste misleiding evenwel was de inlassching van het bekende art. 11. Gelijk het woordje Christelijk in art. 23 der schoolwet van 1857 moest dienen om de natie te doen geloven dat het bleef bij het oude, zoo werd ook in art. 11 de handhaving der leer voorgeschreven. Maar wie moesten die leer handhaven? Tal van mannen die, in meerder of minder mate, met die leer hadden gebroken! De bedoeling was dan ook wel degelijk om leervrijheid toe te laten. In 1816 reeds antwoordde de Commissaris-Generaal aan de doleerende Classis van Amsterdam: „het Synode wordt thans niet geroepen om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de Kerk te besturen.”

En ook uit de latere reglementen blijkt dat leervrijheid bedoeld werd, al verborg men dat doel. Men denke aan de dubbelzinnige formulen in het Examenreglement.

Ook het toezicht op de goederen trok de Regeering zich weldra aan; daardoor werd de Kerk nog veel afhankelijker van haar, want men keerde geen tractementen uit aan predikanten, die niet volgens de Synodale reglementen waren aangesteld.

Verzet was dus onmogelijk; men kon bij de Synode niet in verzet komen, zonder tegelijkertijd hare bevoegdheid te erkennen. Slechts feitelijk verzet was nog mogelijk. Hoe

|16|

bezwaarlijk dat is, inzonderheid een verzet tegen den Koning en in die tijden, beseft ieder. Nochtans deinsde men zelfs daarvoor niet terug. Niet alleen diende men van verschillende zijden protesten in, maar reeds vóór 1823 vormden zich gemeenten die zich feitelijk tegen den Synodalen dwang verzetten. Er waren o.a. „klagten ingekomen uit Zeeland, dat zekere dweepzieke factie in het land van Axel grooten invloed uitoefende, ter verijdeling van de Synodale besluiten en wenschen.” Ook op andere plaatsen ontstonden vereenigingen van afgescheidenen. De Regeering liet hen vervolgen! De heer de Bosch Kemper, dit feit mededeelende op bl. 567 van zijn Staatkundige geschiedenis van Nederland, zegt dat zich in hen „eene reactionaire leerstellige richting” openbaarde!

In 1827 gaf Ds. Molenaar te ’s Hage het „adres aan alle mijne hervormde geloofsgenooten” uit, waarin eene Synode verlangd wordt, gelijk de vroegere kerkvergaderingen, afgevaardigd door de gemeenten. Het adres was aanvankelijk anoniem uitgegeven. Men schijnt achter den naam des schrijver gekomen te zijn. In antwoord op het adres zegt de koning . . . „Gezien het rekest van evengemelden predikant van 23 Juli, daarbij te kennen gevende een innig smartgevoel te hebben, dat deze zaak ter onzer kennis was gekomen en ons ongenoegen had verwekt, en verklarende het geheel tegen zijn doel en wensch te zijn, door zoodanig een adres eenige scheuring of onrust in de vaderlandsche Kerk te verwekken; voorts de stelligste verklaringen afleggende van zijne goede bedoelingen, en daarbij met leedwezen ziet, dat de aangewende middelen eene tegenovergestelde opvatting ondergingen en dus zeker niet doelmatig waren, de hoop betuigende, met deze verklaring, onverminderd in onze goedgunstigheid te deelen, verzekering gevende, dat door hem niets ondernomen zal worden, hetwelk den schijn hebben kon van de rust der Kerk te verstoren;
Hebben goedgevonden en verstaan, disponerende op het

|17|

rekest, ons door den predikant M. te ’s H. ingediend, aan denzelven bij deze kennis te geven; dat wij zijn naamloos geschrift: Adrers enz., met ongenoegen en afkeuring hebben gelezen; doch niettemin, in aanmerking nemend de betuigingen omtrent zijne bedoeling, gezindheden en leedwezen, door denzelven bij zijn opgemeld rekest gedaan, voor het tegenwoordige, deze voor ons zeer onaangename zaak, daarbij zullen laten berusten, in het vertrouwen, dat de rekwestrant zich zorgvuldig zal onthouden van alles, wat de rust in de Hervormde Kerk zoude kunnen storen, en zich overeenkomstig de wetten en reglementen zal gedragen.”

Een schotschrift kon niet met grooter minachting bejegend zijn. Zóó werd destijds de vrijheid van „spreken in reactionairen zin” door een „liberaal” gouvernement geëerbiedigd!

En toch was de tegenstand nog niet onderdrukt. In 1837 ontstond de groote afscheiding. De geschiedenis daarvan is bekend. Het was alweer de vrijzinnige richting in de Kerk die, ter wering van scheuring, deze vervolging aanraadde en om zich te handhaven den wereldlijken arm inriep, niet slechts om de afgescheidenen in de Kerk machteloos te maken, maar om hen zelfs buiten de Kerk uiteen te drijven. Ook hier gold het weer de handhaving der nieuwe Kerkorde. „De vrijheid van geweten eerbiedigde men onbepaald,” maar, „de bestaande kerkorde moest als wettig worden geëerbiedigd, en ieder die ze schond moest, naar de bestaande burgerlijke en kerkelijke wetten, de gevolgen zijner dwaasheid ondervinden”. Zoo was, volgens den heer Pape, het gevoelen van den Secretaris Janssen. Tegenover Roomschen eerbiedigt men om de gewetensvrijheid ook de Roomsche Kerkorganisatie. Tegenover Protestanten neemt men het minder nauw en vergeet men dat ook daar kerkorganisatie met het geloof zelf ten nauwste samenhangt.

Intusschen, den tegenstand der Afgescheidenen geheel te

|18|

overwinnen ging niet. Doch men liet hen eerst met vrede, nadat zij afstand gedaan hadden van alle rechten op de goederen der bestaande gereformeerde Kerken!

Nadat alzoo elke tegenstand gewelddadig onderdrukt was, trok de Koning zich terug. Maar hoe? Op een verzoekschrift aan den Koning dat deze aan Zijne creatuur, de Synode, „de noodige verordeningen bevele, ten einde de Herv. Kerk op den ouden voet worde hersteld, en allen die daarvan afwijken, uit dezelve uitgaan”, antwoordt de Koning:

„dat adressanten in dwaling verkeeren, wanneer zij vermeenen dat de Hooge Regeering bevoegd zoude zijn, aan de Algemeene Synode bevelen te geven om de hangende kerkelijke geschillen te beslissen”;
„dat wel is waar de thans bestaande inrichting der Herv. Kerk in Januari 1816 naar aanleiding der toenmalige geheel bijzondere omstandigheden, tot stand is gekomen, door overleg van de Hooge Regeering van dien tijd met de Kerk (!), maar dat, door deze buitengewone tusschenkomst van den Staat, het Hervormd Kerkbestuur eenmaal gevestigd, en sedert een reeks van jaren algemeen erkend zijnde, geene handeling van dien aard meer kan te pas komen” enz. De Synode wordt verder in dat Besluit genoemd „de wettig bestaande kerkelijke autoriteit.”

Ook hier dus bij het terugtrekken nogmaals uitdrukkelijk verklaard, dat de Synode van Willem I alleen recht van bestaan heeft. Geen erkenning van de vrijheid der kerken.

Wat van die „algemeene erkenning” aan was, indien althans vrijwillige erkenning bedoeld is, blijkt uit het feit dat nog in 1843 474 predikanten handhaving van de kerkorde die tot 1816 bestaan heeft hebben verzocht!

En wat was nu de Synode, waaraan men gedwongen werd zich te onderwerpen? Was dat een lichaam, dat dezelfde werkzaamheid heeft als eene ware, kerkelijke Synode? Geenszins!

|19|

Immers wanneer men de geschiedenis en de schrijvers raadpleegt, dan ontwaart men dat de Synoden allereerst over vragen die het geloof en de levenstucht betreffen te beslissen hebben, terwijl aan hun oordeel geen enkele zaak principiëel wordt onttrokken. Het Woord Gods is richtsnoer bij hunne beslissingen. Afwijking daarvan geeft aan Gereformeerde Gemeenten het recht zich aan de Synodale beslissingen niet te houden.

Maar waartoe bepalen zich de bemoeiingen van het door Willem I in het leven geroepen Lichaam? Met geloofsquaestiën, wij zagen het, houdt het zich niet op; alleen zorgt het voor de vrijheid van ongeloof en ketterij in de Kerk. Met de kerkelijke goederen kan dat Lichaam zich evenmin inlaten. Wel heeft het dit dikwijls gepoogd; maar dat het zijn oorsprong ontleent aan koninklijke opdracht, en koning Willem I wel zeer uitdrukkelijk het beheer der kerkelijke goederen aan zich behouden heeft, zoo is de Synode er nooit in geslaagd om, door uitbreiding van mandaat, ook aan de kerkelijke goederen de hand te slaan; zoodat dan ook, zoodra de band door Willem I aangelegd, in 1866 verbroken werd, de zelfstandigheid der kerken weer in het licht trad en door den Hoogen Raad is erkend. — Het Woord Gods is geen richtsnoer; elk predikant mag het ter zijde stellen. — En de gemeenten worden als onderdeelen van het geheel beschouwd en hebben tegenover de Synode geenerlei zelfstandigheid meer!

Het eenvoudig verhaal der feiten doet dus zien:
dat de wereldlijke Overheid aan de Gemeenten eene organisatie heeft opgelegd;
dat zij dit geheel buiten medewerking, aanvankelijk zelfs buiten medeweten der kerken gedaan heeft;
ondanks jaren langen tegenstand;
door gewelddadige onderwerping;
door vervolging van hen die zich niet wilden voegen;

|20|

door, in strijd met de Grondwet, aan die gemeenten, die zich niet wilden onderwerpen aan het Synodaal verband, de tractementen te onthouden, waarop niet het Kerkgenootschap (dat in 1815 nog niet bestond) maar de gezindheden en derzelver leeraars recht hebben;
door misleiding, vermits men zóólang den schijn aannam alsof ook handhaving der belijdenis werd beoogd en men het bestaande wilde eerbiedigen, totdat tegenstand niet meer baatte.

En met al die hulpmiddelen schiep men een lichaam dat nog slechts, omdat het zich nog met handhaving der leer noch met kerkelijke goederen mag inlaten, in naam gelijkt op een Synode. Het Staatscreatuur was caricatuur tevens.

Verwonderen moet ons dus niet de uitspraak van een onzer bekwaamste juristen, die van kerkrecht meer dan anderen studie maakte, en die de Synode wil behouden „opdat er kracht van uitga in den strijd tegen de macht der duisternis die opdoemt”; van Mr. Kappeyne van de Copello, die in de Tweede Kamer (1) openlijk erkend heeft dat er in 1815 geen Kerkgenootschap bestond; dat Willem I een feit gesticht (?) heeft, waarvoor het recht heeft moeten zwichten, zoodat men moet aannemen, zij het dan ook met behulp van erbarmelijke sofismen, dat het Algemeen Hervormd Kerkgenootschap wettig bestaat!

Inderdaad, zulk eene verdediging is erger dan eene bestrijding!

2º. Is de band onverbreekbaar?

Het arrest van den Hoogen Raad van 2 Januari 1846 zegt dat de organisatie, al is ze niet wettig door den Koning in het leven geroepen, rebus et factis (metterdaad) door de gemeenten is aangenomen.

Er is bijkans niemand meer die nog de bevoegdheid des


(1) (3 Dec. 1875) Bijblad 1875-76 bl. 553.

|21|

Konings om de Kerk te organiseeren verdedigt. Het Besluit waarop de organisatie rust heeft geen rechtskracht. Het is wel is waar niet ingetrokken; maar alleen dáárom is dit niet geschied, omdat, naar beweerd wordt, het Besluit vervallen is door de wet van 1853, die immers „aan alle Kerkgenootschappen de volkomen vrijheid verzekert alles wat hunnen godsdienst en de uitoefening daarvan in hun eigen boezem betreft, te regelen.”

Als eenige rechtsgrond van de bestaande kerkelijke organisatie kan dus nog slechts de daadwerkelijke aanneming door de Kerken zelve genoemd worden.

Wij zagen reeds wat die aanneming, bij het licht der geschiedenis beschouwd, beteekent. Ook de heer Thorbecke bestreed (1) reeds in 1846 het arrest van den Hoogen Raad. De berusting, zegt hij o.a., verklaart geen recht. De Kerk nam niet aan, omdat zij tot niet aannemen geen vrijheid had.

Van eene aanneming vóór 1846 kan, wij zagen het, geen sprake zijn.

Maar had zij sedert dien tijd niet plaats?

Immers heeft de wetgever in 1853 de bevoegdheid der Kerk om zich zelve naar welgevallen te organiseeren uitdrukkelijk erkend. Toch hebben de gemeenten gezwegen; zelfs hebben de meesten, overeenkomstig de besluiten der Synode, de stemming door de gemeenteleden zelve ingevoerd, zoodat deze immers hun wetten hadden kunnen wijzigen, zoo ze gewild hadden.

Ook deze bewering gaat niet op. Vooreerst zijn de meesten zich nog niet bewust van de verandering in den rechtstoestand door de wet van 1853 teweeggebracht, en meenen zelfs dat tegenstand zedelijk ongeoorloofd is. Vooral omdat de Koninklijke besluiten niet zijn ingetrokken. Wel hebben


(1) Gids 1e deel boekbeoord. 1846 bl. 533. Een kort betoog, dat in zijn geheel dient te worden gelezen.

|22|

sommige Ministers in de Kamer verklaard dat die intrekking onnoodig is; maar zulk eene informeele verklaring dringt niet door tot het volk.

Ten anderen: eene kerkelijke organisatie hangt niet af van den wil eener meerderheid. De Herv. Kerk bestaat sints drie eeuwen en heeft, gelijk ook de heer Thorbecke zeer juist herinnert, haar eigen inwendige wetten. Deze, niet de wil der meerderheid, hebben den doorslag te geven.

Eindelijk: gesteld dat de Kerken de organisatie hebben aangenomen en dat zij dit hebben kunnen doen, — toch blijven de Kerken autonome, zelfstandige lichamen. Dit ligt in haar natuur, in haar oorsprong. Zij die mochten aannemen mogen krachtens hetzelfde recht later verwerpen. Het eene geslacht kan het andere in dit opzicht niet binden. Wetgevende of besturende macht kan nooit definitief, d.i. voor altijd, overgedragen worden, want hij die overdraagt staat hooger dan hij op wien overgedragen wordt, (tenzij deze laatste tevens een eigen rechtstitel bezitte, wat hier natuurlijk niet het geval is). Ten allen tijde hebben de Gereformeerde Kerken zich dan ook het recht voorbehouden om den Synodalen band te verbreken, wanneer de belijdenis, (die de ware, geestelijke band is) niet gehandhaafd wordt.

Mijn antwoord op de gestelde vraag is dus dat de band verbreekbaar is.

 

Laat ons nu nog enkele bezwaren tegen het verbreken van dien band nagaan.

Vooreerst: gaat die verbreking niet met prijsgeven van tractement en kerkelijke goederen gepaard?

Ik antwoord: neen. Ten opzichte der kerkelijke goederen is de zelfstandigheid der gemeenten reeds bij de beslissing over de floreenplichtigheid in Friesland door den Hoogen Raad erkend.

|23|

En wat de tractementen aangaat, art. 168 GW. luidt: „de tractementen, pensioenen en andere inkomsten van welken aard ook, thans door de onderscheiden gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.”
Thans, d.i., in 1815.

In 1815 bestond het Kerkgenootschap nog niet. De tractementen zijn dus niet aan het Kerkgenootschap verzekerd, maar aan de gezindheden en aan derzelver leeraars, die ze dan ook in ontvangst nemen en er voor quiteeren. Nu kan de Regeering eischen dat blijke wie tot de ontvangst bevoegd is, maar daartoe is alleen noodig dat eene gemeente haar reglement, niet dat zij een Synodaal reglement overlegge. Ook de Doopsgezinden ontvangen hun uitkeeringen zonder tusschenkomst van „hoogere besturen.” Waarom zouden de Hervormden ze dan niet eveneens kunnen ontvangen? De Regeering zou onderwerping aan de Synodale organisatie niet kunnen eischen zonder op te houden neutraal te zijn. Want de kerkelijke organisatie staat wel degelijk met ons geloof in verband. Volgens ons geloof moeten wij ons afscheiden van een Synode die Gods Woord ter zijde stelt, zooals ons dan ook door de Christelijk Gereformeerde broeders voortdurend onder het oog gebracht wordt. Men vergeet dit dikwijls. Maar als men tegen een Roomsche zeide: ik eerbiedig uw geloof, doch ik dwing u desniettemin om met de pauselijke hiërarchie te breken, — zou ieder terstond gevoelen dat beide beweringen in volmaakte tegenspraak met elkander zijn. Zoo ook zou eene Regeering, die zegt: het blijven bij de Synode heeft met het geloof niets te maken; ik keer alleen tractement uit aan hem, die den Synodalen band aanvaardt, niet neutraal blijven.

De Hooge Raad heeft den 18den Mei 1848 een arrest gewezen dat mij toeschijnt de gemeentelijke zelfstandigheid te huldigen. Eene Waalsche gemeente was bij Kon. Besluit

|24|

opgeheven. De Synode had daarin berust. Niettemin vorderde de gemeente wat zij volgens art. 168 GW., vorderen mocht. De Hooge Raad nam aan dat de gemeente, dus niet het Kerkgenootschap, recht van vorderen had. En wat de goedkeuring door de Synode betreft zeide de Hooge Raad, dat dergelijke berusting niet aan de Synode toekomt en dat de Synode volkomen onbevoegd is om van de grondwettige, aan de gemeenten toekomende rechten, af te zien. Daarmee is dunkt mij de zelfstandigheid der gemeenten en het onhoudbare der Synodale voogdij met betrekking tot de tractementen uitgesproken.

Een ander bezwaar is, dat breken met de Synode revolutionair zou zijn. Deze benaming is even onjuist als die van clericaal, toegepast op Gereformeerden. De geschiedenis leert dat het juist de niet-Gereformeerden, dat het allermeest de modernen zijn die op den Staat steunen, en zijne hulp ter propaganda van eigen inzichten inroepen.

Met woorden jaagt men ons vrees aan. Zou een anti-revolutionair een revolutionaire daad niet verfoeien? Voorzeker. Maar uittreding uit het Synodaal verband is het tegendeel van revolutionair. Het is juist krachtens revolutionair beginsel dat men van de kerken die het Lichaam uitmaken van J.C. tot een genootschap, een wereldlijk, gecentraliseerd, gereglementeerd genootschap heeft willen maken. Naar Gods Woord en naar Gods Wet werd daarbij niet gevraagd. — Nu eindelijk de Kerk de verkrachting van haar wezen en haar recht niet meer verdragen wil, noemt men haar revolutionair. Maar hij die steunt op Gods Woord is dat nooit.

Er staat wel geschreven: „alle ziel zij aan de hoogste machten onderdanig”, maar dat doelt op de van God gestelde machten; niet op bestuurders door ons zelven aangesteld. De gemeente van Christus kent geen andere Overheid dan haren Heer Jezus Christus. In de Synode eene Overheid te zien is omkeering van elk christelijk beginsel.

|25|

Zoo er ooit eene Overheid in de Kerk geweest is, dan voorzeker de pauselijke hiërarchie! Deze heeft zeer oude brieven. Zij is zonder twijfel rebus et factis erkend. Zij had in hare goede dagen meer aanspraak op dank dan de Synode ooit gehad heeft, tenzij dan van de zijde der ongeloovigen. Tegen haar op grond van Gods Woord op te staan, achtte men niet revolutionair. En toch was met haar de Overheid innig verbonden. Verzet tegen haar ging noodwendig gepaard met verzet tegen eene overheid die de handhaving der Roomsch Catholieke Kerk gezworen had.

Oppervlakkige lieden noemen omverwerping van het bestaande revolutionair. Dat is onjuist. Nergens wordt die in de Schrift verboden. Omverwerping van de R. Catholieke Kerk zou dan zeker revolutionair geweest zijn.

Niet om omverwerping, doch om handhaving is het ons te doen. De Synode werpt onze Kerken omver, door onze Belijdenis te laten ondermijnen. Dit is het wat wij niet willen.

Nog een laatste bezwaar. De Synodale Reglementen doen de lidmaten bij hunne aanneming de belofte afleggen van de Reglementen te zullen handhaven. Eene schrandere vondst, ten einde hen te binden. Men stelt nu zelfs voor de predikanten bij hun toelating tot den dienst volkomen leervrijheid te vergunnen, maar hun daarentegen te doen beloven dat zij de Synodale Reglementen zullen handhaven!

M.i. kan men evenwel de nakoming der belofte niet eischen. Er is hier een strijd van plichten. Het Reglement, dat ik beloofd heb te zullen handhaven, belooft zelf de leer te zullen handhaven. Nu dit laatste op zijde gesteld wordt vervalt ook de mogelijkheid om het overige, speciaal „den bloei van Gods Koninkrijk” te bevorderen. Bovendien, wanneer eene belofte mij blijkt in strijd te zijn met Gods Woord, kan noch mag ik haar naleven.

Mijn slotsom is dus deze:

|26|

Er bestaat geen kerkelijke Overheid; alleen een kerkelijke organisatie; liever nog kerkelijke samenkomsten;
die organisatie grondt zich in haar wezen op Gods Woord en is in zóóver verbindend. Daar moeten voor velerlei doeleinden kerkelijke samenkomsten zijn; maar de beslissingen daar genomen moeten zich gronden op Gods Woord, op straffe van niet meer geëerbiedigd te worden;
uittreding uit het verband is plicht, zoodra Gods Woord ter zijde gesteld wordt;
van die verplichting kan niemand ons ontslaan; zelfs de belofte van haar niet te zullen nakomen ontheft er niet van;
allerminst kan de toetreding der Kerk ons daarvan ontheffen; want die toetreding bestaat niet; verbindt niet voor de toekomst; is steeds herroepbaar;
van een band gelegd door Koninklijke Besluiten is geen sprake meer. Breken met een Synode is dus nooit verzet tegen de Overheid. Trouw aan de Synode is trouw aan het revolutionair beginsel.

 

Ten slotte: hoe moet de breuk met de Synode geschieden?

Deze vraag vereischt afzonderlijke bestudeering. Laat mij enkele wenken van zeer algemeenen aard mogen geven.

Vooreerst: de Kerkeraad moet handelen.

Hij moet op officieele wijze aan de Synode meedeelen dat hij uit het verband treedt; tegelijkertijd een andere Kerkenorde aanvaarden; en van een en ander onmiddellijk kennis geven aan de Regeering.

Men handele met voortvarendheid, doch niet met overhaasting.

Ook bewerke men de publieke opinie. Voor velen zijn deze dingen nieuw. Zelfs menig rechter, hoe bereid ook om naar recht en waarheid recht te doen, zal aanvankelijk moeite hebben zich in deze voorstellingen te vinden. Ieder is een kind van zijn tijd, en deelt de gangbare voorstellingen, die

|27|

men van kindsbeen af heeft ontvangen. Daar is, om tot een andere, betere voorstelling te komen, eenige tijd noodig; bij hen die nadenken niet het minst.

Maar ook de gemeenteleden moeten voorbereid en op hun recht gewezen worden. Onder het zoogenaamd vrijzinnig bewind zijn wij allen bijna onmondig geworden en voelen ons nu ook zoodanig. Daarom make men den toestrand zooals die voor 1816 bestond aan ieder duidelijk; eveneens de misleiding die, al is zij ook geschied met een goed doel en gedeeltelijk uit de tijdsomstandigheden verklaarbaar, ons in dezen droevigen toestand gebracht heeft. Men wijze ook op de vermoedelijke finantiëele gevolgen.

Voorts verzekere men zich de hulp van een bekwaam rechtsgeleerde, die zich geroepen en genegen voelt om van deze zaak zijne studie te maken, opdat men grondige adviezen bekome. Door de zaak in een verkeerd spoor te leiden kan men haar voor vele jaren bederven.

Eindelijk: men beginne niet, als men niet voor zich zelven zeker is hiermee eene heilige plicht te vervullen. En ten einde zich zelven ten dien aanzien niet te bedriegen, stelle men zich steeds voor, dat althans aanvankelijk het recht niet zegevieren zal; dat men, voorshands ten minste, van tractement en kerkgebouw zal worden verstoken. Zou men ook dan den strijd aanbinden? Zoo ja, men beginne gerust. Zoo neen, men blijve t’huis. Een Gereformeerd predikant schreef onlangs dat zijn collega’s wel zoo verstandig zouden zijn hun ambt en hun landstractement er niet aan te wagen. Hij noemde zelfs de namen van sommigen dergenen die hier tegenwoordig zijn. Ik zal dezen niet beleedigen door hunne namen te herhalen, en slechts hopen dat ook dit door dien predikant geschreven werd in haast en zonder genoegzaam nadenken. Want ik mag niet gelooven dat onze Kerk zoo diep gevallen is, dat haar voorgangers niet alleen ter

|28|

beoordeeling van wat hun plicht is zich door zorg voor ambt en landstractement zullen laten beheerschen, maar dat zij zelfs, zoo handelende, zich daarop, als op eene daad van groote wereldwijsheid, zouden durven verhoovaardigen tegenover hen die, steunende op Gods Woord, het „moedig voorwaarts” durven uitspreken. Indien er echter zoodanigen zijn, laten zij dan t’huis blijven, totdat het zeker is dat er niets te verliezen zal zijn; dat ambt en tractement kunnen behouden blijven; dat in den nieuwen toestand de liefde voor de leeraren die nu verkoelt toeneemt. Laat hen tot zoo lang zwijgen; niet voorgaan. Het is dan later nog tijds genoeg zich voorop te stellen en te zeggen dat juist zij het zijn, die „de hitte des daags hebben gedragen.”

Maar wat ons aangaat, laat ons elkander toeroepen: begin, wat ook het einde moge zijn; handel enkel naar den eisch van Gods Woord. En de Heer, die ons eenmaal verlost heeft van de pauselijke hiërarchie, zal ons evenzeer bevrijden van de Synodale tyrannie!

A.F. de Savornin Lohman.