Rullmann, J.C. (1918)

Dr. F.L. Rutgers in zijn leven en werken geschetst
Rotterdam
Drukkerij Libertas
1918

Rullmann, J.C. (1918) LS

|7|

 

 

L.S.

 

Voor een grondige biografie van wijlen Prof. Dr. F.L. Rutgers is het de tijd nog niet, omdat de bronnen, waaruit zijn wezen en arbeid kan worden nagespeurd, nog niet algemeen toegankelijk zijn, en de personen, met wie hij in aanraking kwam, meerendeels nog tot de levenden behooren.

Maar wat ik uit persoonlijke herinnering of uit publieke geschriften van zijn leven en werken wist mede te deelen, meende ik hier toch alvast in schets te moeten brengen. En dan geldt ook van mijn ontslapen leermeester ten volle, wat hij zelf eenmaal in zijn Levensbericht van Mr. L.W.C. Keuchenius schreef (blz. 59): „Dat leven op den voet te volgen, loont wel de moeite. Althans voor den schrijver dezer regelen was dat onderzoek zoowel aangenaam als leerzaam”.

Aan allen, die mij bij de bewerking van deze studie op eenigerlei wijze behulpzaam waren, betuig ik daarvoor mijn erkentelijkheid. Inzonderheid ben ik veel dank verschuldigd aan de Heeren Ds. H. Rutgers te Groningen, Mr. V.H. Rutgers te Boskoop, Dr. H.C. Rutgers te Driebergen en docts. F.L. Rutgers te Dedemsvaart, voor de groote welwillendheid, die ik van hen mocht ondervinden, zoo dikwijls ik hun hulp inriep.

J.C. Rullmann.

Utrecht, 13 September 1918.

Rullmann, J.C. (1918) Inh

|8|

 

 

Inhoud.

 

Dr. F.L. RUTGERS.

I. Zijn Voorgeslacht — 9

II. Zijn Vader — 15

III. De Predikant — 20
te Soesterberg, blz. 20; — te Eibergen, blz. 29; — te Brummen, blz. 34; — te Vlissingen, blz. 39; — te ’s-Hertogenbosch, blz. 46; — te Amsterdam, blz. 71.

IV. De Hoogleeraar — 87
1. als Schoolstichter, blz. 87; — 2. als Leermeester, blz. 94; — 3. als Oud-Testamenticus, blz. 109; — 4. als Kerkhistoricus, blz. 114; — 5. als Canonicus, blz. 125; — 6. als Reformateur, blz. 154; — 7. als Spreker, blz. 190; — 8. als Schrijver, blz. 215.

V. De Oud-Hoogleeraar — 224
1. zijn emeritaat, blz. 224; — 2. zijn levensavond, blz. 226; — 3. zijn sterfbed, blz. 221; — 4. zijn uitvaart, blz. 231; — 5. zijn nagedachtenis, blz. 236.

Lijst der Illustraties — 241

Register — 242

Rullmann, J.C. (1918) HI

|9|

 

 

I.
Zijn Voorgeslacht.

De familie Rutgers stamt uit een oud-patricisch geslacht, dat in de 16e en 17e eeuw tot den Amsterdamschen koopmansstand behoorde.

Toch was het reeds toen door huwelijk verwant aan bekende godgeleerden als Ubbo Emmius, Petrus Plancius en Wilhelmus Baudartius. En in de achttiende eeuw werd het ook zelf een theologengeslacht.

Reeds de overgrootvader van onzen Dr. F.L. Rutgers, Paulus Rutgers genaamd, en geboren te Amsterdam in 1721, was predikant. Als candidaat te Moerkapelle bevestigd in 1749, ging hij in 1751 naar Aalsmeer, in 1752 naar Goes, in 1758 naar Leeuwarden, en in 1762 naar Utrecht, waar hij 21 December 1801, in den ouderdom van ruim 80 jaar, overleed.

Hij was door Ds. Cornelis van der Kemp te Rotterdam getrouwd met Neeltje Moens, en vierde zijn gouden bruiloft te Utrecht den 26sten November 1800. Van de tien kinderen waren er toen nog slechts twee in leven. Vijf waren reeds op jeugdigen leeftijd gestorven. De twee overgebleven zonen en hun echtgenooten wijdden het gouden echtpaar een feestzang toe, gedicht door den oudsten zoon, den Haarlemschen predikant Ds. Abraham Rutgers, den bekenden vervaardiger van onderscheidene Evangelische Gezangen.

Ziehier enkele regels, die ons treffend zeggen, hoe dit geslacht leefde uit het verbond der genade, en den God des verbonds eerde als den God der geslachten:

 . . . . Hij lenigde uw smart,
Zoo vaak het teer gevoel van ’t ouderlijke hart,
Gewond werd door den pijl, die zoo veel kind’ren velde;
 Hij schonk ten balsem op die wond

|10|

 Dien troost, dat Hij naar Zijn verbond
 Ook hen bij zijne kindren telde.
 Dat zwoer Hij op Zijn trouw:
 „Dat ook het zaad Hem dienen zou.
„Het was den Heer zelf in geslachten aangeschreven”.
Dit, dit is levenstroost — dit droogt de tranen af!
 Dit deed u juichen bij hun graf:
„Mij, mij onwaardigen! mij die genaê gegeven!
„Mij, mij, dat heil, die eere toebereid,
„Een zaad te winnen voor de zalige eeuwigheid!”

En op die verbondsbelofte, „die, met het bloed des Zoons geteekend, nooit kan falen”, pleiten nu ook de nog overgebleven zonen, voor zich en hun nageslacht den verbondszegen inroepend:

In dat geloof verblijdt zich uw geslacht,
Terwijl het knielend op uw’ zegen wacht.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Hij — uwe en onze God — ook onzer kind’ren Vader,
Vervulle op uw geloof dien zegen naar zijn trouw,
 Dat uw geslacht Hem dienen zou!

Een jaar later stierf Paulus Rutgers. En nu dichtte zijn zoon Abraham den lijkzang:

TROOST DER ZALIGHEID

bij het overlijden van mijn dierbaren vader
PAULUS RUTGERS,
predikant te Utrecht,
en aldaar gest. 21 Dec. 1801, ruim 80 jaar.

 

 Zoo laat gij, Heer! uw knecht,
 Op ’t woord, hem toegezegd.
Ten hemel gaan in vrede,
 Daar hij de zaligheid,
 Zoo lang voor hem bereid,
Mag smaken naar zijn bede!

 Hebt gij hem liefgehad,
 En bij de hand gevat,
De trouw van uwe ontferming
 Verlaat uw lievling niet
 Tot hij volkomen ziet
Het heil van uwe erbarming.

 Wijk, aarde, uit ons gezigt,
 Verdwijn bij ’t zalig licht,
Dat ’s hemels strijdelingen
 Omstraalt, als zij de kroon
 Ontvangen voor Gods troon
En ’t lied des Lams gaan zingen:

 Daar hun beproevingstijd
 Voleind is met hun strijd.
En al hun smart genezen;
 Daar Gij, Oneindig God!
 Hun alvervullend lot,
Hun eeuwig Al zult wezen.

 Daar bij de erinnering
 Van menig tuchtiging
Gods trouw wordt aangebeden,
 En ’t wonder wijze van
 Gods gansche leidingsplan
Met eerbied wordt beleden.

 Daar voor’ge droefenis
 Nu stof tot blijdschap is;
Daar ze allen zamen roemen:
 „Gods doen was Majesteit!
 Gods doen was heerlijkheid”
En alles liefde noemen.

 Daar, dierb’re Vader! daar —
 Verwelkome U de schaar
Van Engelen, van vromen —
 Uw zaad ook, dat u wacht,
 Een rei van uw geslacht —
Bij ’t juichend binnenkomen.

|11|

 Maar, ach! wij missen u!
 Ja wij! wij treuren nu!
„Neen!” roept gij uit den hemel,
 „Neen! weent toch niet om mij,
 „Die zaalger ben, dan gij,
„Nog in het aardsch gewemel!

 „Hier eerst, hier leeft mijn hart,
 „Den strik der zonde ontward,
„Den strik — hij is gebroken!
 „Triumf! ik vond gena!
 „Om ’t bloed van Golgotha!
„Daar is mijn heil ontloken!

 „Nu is mijn heil ten top!
 „Mijn Goël nam mij op:
„Ja, Christus was mijn leven!
 „Hij was het in den dood;
 „Houdt u daarbij! wat nood,
„Wat angst u ooit doe beven!

 „Zag Naïn zijne trouw,
 „Nog blijft hij, in uw rouw,
„Der weduwen Ontfermer,
 „Der jongren levenskracht.
 ,,’t Geloof, dat op Hem wacht,
„Faalt nooit met dien Erbarmer.

 „Het oog maar over ’t graf!
 „Hij, die mij ’t leven gaf,
„Zal mij weer doen verrijzen:
 „Mijn stof, al is ’t op aard’,
 „Zal, door Zijn zorg bewaard,
„Nog eens dien Goël prijzen!

 „Houd moed, ik ging u voor,
 „Mijn leidsman wijst u ’t spoor:
„Blijft u aan Hem betrouwen!
 „Uw Man, uw Vader leeft;
 „’t Geloof, dat aan Hem kleeft,
„Zal eens mijn heil aanschouwen.”

A.(braham) R.(utgers).

De jongere broeder van Abraham Rutgers, Johannes Rutgers, in 1758 te Leeuwarden geboren, studeerde te Utrecht met vereerende getuigschriften, werd in 1781 proponent, en diende achtereenvolgens de gemeenten te Ootmarsum, Heusden, 1787, Kampen, 1795, en Groningen, 1798. Daar huwde hij in 1799, 41 jaar oud, met Eva Justina Brugmans, geboren 1773; dochter van Professor Antonie Brugmans. Deze, een predikantszoon, gehuwd met Johanna Frederika Manger, een predikantsdochter, was eerst te Franeker hoogleeraar in de wijsbegeerte, en werd later te Groningen professor in de wis- en natuurkunde. Hij is de ontdekker van het diamagnetisme. Zijn lijkredenaar, L.C. Schroeder, noemde hem een man, meer deftig dan vroolijk, doch van scherpzinnig oordeel. Zijn zoon was de beroemde plantkundige Professor Sebald Justinus Brugmans.

Van Johannes Rutgers nu bestaat een afbeelding in waterverf, waarvan later een copie gemaakt werd in olieverf. Volgens dat portret moet hij een flink gebouwd man geweest zijn, van zacht, beminnelijk voorkomen, met een vol, blozend gelaat, vrien-delijken mond, heldere blauwe oogen en rijken, blonden haardos, die krullend op zijn nek neergolfde. Op het portret heeft hij den Bijbel van Van der Palm open voor zich. En daar deze bijbeluitgave in 1825 verscheen, moet Ds. Johannes Rutgers, toen dit portret geschilderd was, dus minstens 67 jaar oud zijn geweest.[1]


[241] 1) In navolging van Dr. A.W. Bronsveld, De Evangelische Gezangen, blz. 72, schreef ik op blz. 11, dat Ds. Joh. Rutgers hier den opengeslagen, toen pas verschenen Bijbel van Van der Palm voor zich heeft. Bij nader onderzoek kwam ik tot de ontdekking, dat het is een Latijnschen Bijbel, geopend bij Pauli Epistola ad Rom. Hiermede vervalt dus tevens de veronderstelling, dat Ds. Joh. Rutgers (daar de Bijbel van Van der Palm in 1825 verscheen) op dit portret minstens 67 jaar oud moet zijn geweest. Hij heeft hier trouwens veelmeer het voorkomen van een nog jong predikant.

|12|

Hij was lang schoolopziener. Als zoodanig leerde hij op het schooltje te Euvelgunne (een gehucht bij Groningen) den verdienstelijken hoofdonderwijzer en opvoedkundige Berend Brugsma, den „Pestalozzi van Nederland”, kennen. Diens onderwijs voldeed hem toen zóó, dat hij zijn zoon, Sebald Justinus, daar ter schole zond. Ook overigens wijdde hij groote zorg aan de opvoeding van zijn vijf zonen.

Geschriften heeft hij niet uitgegeven. Maar onder zijn nagelaten papieren, bewaard door zijn kleinzoon, Ds. H. Rutgers, thans emeritus predikant te Groningen, bevindt zich nog de afscheidspreek bij zijn vertrek uit Kampen naar Groningen, gedateerd 11 Maart 1798, en de aanteekeningen voor tien leerredenen over het Geloof, uit Augustus 1831. De derde leerrede, waarvan de tekst is Johannes 17: 3, handelt over „de hoofdwaarheden, welke wij volgens het Evangelie moeten gelooven”. En daarvan schrijft hij aan het einde: „Dit is dan die hoofdleer, welke wij allen, ook de onkundigsten, moeten gelooven, op welke wij gedoopt zijn en die wij beleden hebben, en welker middelpunt is Jezus Christus de Gekruisigde onze Zaligmaker, zoodat hij, die ze gelooft, met den vromen Zwanenburg zegt, nabij den dood zijnde: „mijn Theologie is nu: ik een arm zondaar en Jezus Christus de eenige Zaligmaker”.

Te Groningen roemde men zeer zijn niet te lange, heldere en stichtelijke preeken, en beminde hem om zijn zachtmoedigen aard. Ook te Kampen bleef hij nog in de herinnering voortleven als een prediker, die „misschien door niemand werd overtroffen in de kunst om met weinige woorden veel en zóó veel te zeggen, dat elk hem begreep.”

Veelvuldig en zwaar zijn de werkzaamheden geweest, die hij in 1795 en volgende jaren als gevolmachtigde van alle kerkeraden van Overijsel verricht heeft, om tegenover den Staat de belangen der Gereformeerde Kerk voor te staan en te verdedigen in den strijd voor het behoud van de pastorie-goederen. De moeitevolle werkzaamheden van de voor die kerkelijke belangen aangestelde commissie zijn nergens naar behooren vermeld, ook niet in het bekende werk van Prof. Ypeij.

Toen echter de voormalige predikant van Kampen, Ds. J. Rutgers, het geheele beloop dezer zaken later aan genoemden Hoogleeraar nauwkeurig had medegedeeld, betuigde deze er hem zijn oprecht leedwezen over, dat hij dienaangaande iets geschreven had zonder vooraf de inlichting van een lid dier Commissie te hebben gevraagd. Veel ervan heeft Johannes Rutgers later aan zijn kinderen verteld,

|13|

maar die waagden het niet, het na meer dan veertig jaren nog op te schrijven.

Bekend is voorts, dat hij door de provincie Groningen werd afgevaardigd als lid der Gezangencommissie.

Zijn dood werd in de Opregte Haarlemsche Courant aldus aangekondigd:

Heden nacht ontsliep zacht en in het vast vertrouwen eens beteren voor hem bereiden levens, mijn hartelijk geliefde Echtgenoot Johannes Rutgers, in het 76ste jaar zijns werkzamen levens, na een gelukkig huwelijk van bijna 35 jaren. Hij was voor mij en onze kinderen een liefderijkste Echtgenoot en Vader en voor de Gemeente zijns Heeren, op verschillende plaatsen gedurende  bijna 53 jaren, ten uitgebreidsten zegen. Wij gevoelen ons versterkt door het zien op de heerlijke vreugde, voor hem bereid door zijnen Heer, in wien hij geloofde, met wien hij leefde, en voor wien hij werkzaam was.

J. Brugmans, Wed. J. Rutgers.

In onderstaand gedicht, bij zijn overlijden vervaardigd, wordt hij om zijn vele deugden en verdiensten als prediker, als herder, en als christen allerhartelijkst geprezen.

WEEMOEDSTOONEN,
bij het onverwacht afsterven van den WelEerw. Z.Geleerden Heer
JOHANNES RUTGERS,
op den 15 April 1834, in den ouderdom van ruim 75 jaren.

 

Werd op des Heeren dag, nu jongst den tijd ontvloden,
Van den gewijden Stoel, door God gewijde boden,
’t Ontrustend nieuws vermeld van d’ hopeloozen stand
Des trouwen herders, die door d’allersterksten band
Van Godsdienst, braafheid, deugd, van een echt Christelijk leven
Aan Gronings Christenschaar zoo dierbaar was gebleven;
Die, wars van ijd’len trots, steeds need’rig was van aard,
Zachtmoedig, liefderijk, met zedigheid gepaard;
Van liefde ’t voorbeeld gaf, rechtschapenheid en trouwe,
Was reeds ’t geprangd gemoed gedompeld in den rouwe.

Meer nog treft thans ’t berigt, de droeve maar onz’ ooren:
„Die ed’le Rutgers dood! . . . Treurt gij, die dit zult hooren;
Stort tranen bij zijn graf! — De brave mensch is heen!
Geen troostwoord meer van hem, van Rutgers! neen, ach neen!

|14|

Van hem, wiens bondig woord den Christen staag mogt leeren,
Hoe ’t best zijn weg bestuurd, hoe ’t meest zijn Schepper te eeren.
Doordrongen van de liefd’ als Jezus voor zijn volk,
Was hij ter zaliging een allertrouwste tolk.

Geen weidsche woordenpraal, geen zinbegoochlend’ beelden,
Uitheemsche tooi, die wel eens veler harten streelden;
Maar die noch echten troost, noch lafenis aanbiedt.
Neen, eed’le Rutgers, neen, dus was uw leere niet.
Een zielespijs vol kracht, vol waarheid, geest en leven,
Dit, waardig Godsgezant! hebt gij ons mild gegeven,
Ruim zesendertig jaar. Juich, Gruno’s Christenschaar!
’t Was veel: dien tijd mogt hij de heugelijke maar,
In ’t godlijk bijbelboek vervat, aan u verkonden;
Hoe innig was niet elk aan Rutgers’ leer verbonden!

Brengt Gode lof en dank; deez’ weldaad, u geschonken,
Werd zegenrijk bekroond, en heeft steeds uitgeblonken.

Tuig, jongen van deez’ tijd! tuig, ouden, zat van dagen!
Tuig, rijken, armen, tuig, gij, ouders, vrienden, magen!
Tuig, heilbegeer’ge schaar! werd niet het krachtig woord
Van Rutgers’ zuivere leer met vrucht door u gehoord?
Was niet de zalving groot, de stichting duurzaam, treffend?
Werd niet ’t geschokt gemoed, zijn zonde en kwaad beseffend,
Door waarheid opgebeurd, in heil’ge taal gehuld?
Werd niet de ziel voor God en Jezus’ dienst vervuld?

Ja, waardig Godsgezant! dus waart gij ons geleide
Naar ’t hemelpad; zacht sluim’re uw asch! — Verbeide
Den zaal’gen ochtendstond der eeuw’ge heerlijkheid,
Den vroom ontslapenen, ook, Rutgers! u bereid.

Gij, die daar zit en treurt, in rouwe al te gader,
Bij ’t zielloos overschot van Echtgenoot en Vader!
Gewis, de wond is groot; zwaar drukt u ’t treurig lot,
Doch, zaal’ge troost . . . gij zwijgt? . . . uw hartvriend is bij God!!

Groningen,
den 16 van Grasmaand 1834.

Lofvers.
(Muz. Onderwijzer).

Rullmann, J.C. (1918) HII

|15|

 

 

II.
Zijn Vader.

De vijf zonen van Johannes Rutgers werden allen theoloog.

Eén hunner was Antonie Rutgers, in 1805 te Groningen geboren. Daar bezocht hij het gymnasium, en als student aan de universiteit aldaar legde hij in 1823 het candidaatsexamen in de letteren, en in 1825 dat in de theologie af. Vervolgens begaf hij zich naar Leiden ter voortzetting van zijn studiën bij Professor Hamaker.

Na zich op verzoek van het Curatorium der Groningsche Hoogeschool van 1828-1829 belast te hebben met het geven van de colleges in de Kerkgeschiedenis aan die Universiteit, betrok hij in April 1829 als ongehuwd candidaat de pastorie te Breede, een bescheiden dorpje in de provincie Groningen, onder Warffum behoorende.

Een jaar na zijn intrede te Breede promoveerde Ds. A. Rutgers te Groningen tot doctor in de theologie op een proefschrift over den profeet Joël. Drie jaar later huwde hij met Jeremina Frederika Abresch, een dochter van den predikant Frederik Lodewijk Abresch te IJselstein, wiens familie, naar Bilderdijks getuigenis, de rechtzinnige leer in ’t bloed zat, en die zelf met Chevallier en andere Reveil-mannen het voortreffelijke tijdschrift De Zaadzaaier redigeerde.

Nog in datzelfde jaar van zijn huwelijk, in 1833, werd Dr. A. Rutgers ook gemoeid in de kerkelijke procedure van Ds. De Cock te Ulrum, tegen wien Ds. Du Cloux bij het Classicaal Bestuur van Middelstum een aanklacht had ingediend wegens het doopen van kinderen uit een andere gemeente. Tot de classikale commissie, die nu benoemd werd om een onderzoek in loco in te stellen, behoorde ook Dr. A. Rutgers. En zoo kwam ook hij dus

|16|

in de pastorie te Ulrum. Behalve als commissielid had hij daar als privaat persoon met De Cock nog een onderhoud over dezelfde zaak. Daarbij betoogde hij, dat het doopen van kinderen uit andere gemeenten niet te verdedigen was, en hij staafde zijn bewering met bewijsplaatsen uit Calvijns Institutie. In een briefwisseling tusschen hem en De Cock daarna over hetzelfde onderwerp gevoerd, schreef Dr. Rutgers o.a.: „Uit ingenomenheid met dat werk des grooten Hervormers heb ik zijn Institutie meer dan zes malen geheel doorgelezen en bestudeerd en ik meen in zijn geest te zijn ingedrongen.”

Ging hij alzoo, wegens kerkrechtelijk bezwaar tegen De Cock’s handelwijze, in 1834 met dezen niet den weg der Afscheiding op, toch ijverde hij in 1835 voor kerkherstel, door indiening van een adres bij de Synode, waarin hij om een ondubbelzinnige verklaring verzocht van de beruchte proponentsformule.

Op 26 November van het volgende jaar (1836) zag zijn tweede zoon Frederik Lodewijk het levenslicht, vernoemd naar zijn grootvader van moeders zijde, 1) en van vaders kant „erfelijk belast” met zin voor kerkgeschiedenis, exegese, Calvijn-studie, kerkrecht en kerkherstel.

Niet lang daarna, 20 Juni 1837, werd Dr. A. Rutgers benoemd tot gewoon hoogleeraar in de faculteit der wijsbegeerte en letteren aan de Universiteit te Leiden, op den leerstoel van Van der Palm, waar hij college gaf in Hebreeuwsch en Hebreeuwsche antiquiteiten, uitlegging van het Oude Testament en gedurende eenige jaren ook in het Sanskrit.

Behalve zijn proefschrift: Annotatio in Joëlem, schreef hij: Historia Jemanae sub Hasano Pascha (Leiden 1838); Oratio de Samuelis in populo Israelitico formando vi saluberrima (’s-Gravenhage 1840); Oratio de Academiis origine universitatum (Leiden 1849); De Sanskrit-drukletters (Leiden 1851); Het tijdvak der Babylonische Ballingschap (Leiden 1851); Over de tabulae Eugubinae in Verslagen en Mededeelingen van de Koninklijke Academie van Wetenschappen, afdeeling Letterkunde, I (1856) 237; II (1857) 103; De echtheid van het tweede gedeelte van Jesaja (Leiden 1866).

In zijn studie uit 1851 verdedigde hij de betrouwbaarheid van het boek Daniël op zóó meesterlijke wijze, dat een recensent in


1) Deze was weer vernoemd naar zijn grootvader Friedrich Ludwig Abresch, geboren te Homburg a.d. Höhe, 29 Dec. 1699; gestorven te Zwolle 16 Mei 1782.

|17|

de Jaarboeken voor Wetenschappelijke Theologie, het tijdschrift van de apologetische school dier dagen, onder redactie van Dr. Van Oosterzee e.a., zijn bespreking van dit geschrift eindigde met den wensch, „dat onder Nederlandsche beoefenaars der Oostersche talen Prof. R. door meerdere openbaring der resultaten zijner zoo grondige als uitgebreide studies in de Oud-Testamentische Inleiding, Archaeologie, Kritiek en Exegese, zoowel als in Oostersche taal en Geschiedenis, medewerke tot handhaving van Nederlands alouden roem in dezen, tot bevordering dezer te veel ook onder Theologanten verwaarloosde studie, en bovenal ook tot positive afwering der roekelooze slooping van het schoone gebouw dier Schrift, waarvan geen tittel of jota vallen mag”. (Deel XI, blz. 179).

Deze wensch werd echtere niet vervuld. De Leidsche Professor Rutgers bleef zeer spaarzaam in het openbaren van de resultaten zijner Oudtestamentische studiën. Hij behoorde trouwens niet tot de Theologische faculteit. Doch zijn ambtgenooten in die faculteit hebben de roekelooze slooping van het gebouw der Schrift helaas niet afgeweerd, maar voortgezet. En toen hij in 1866 zijn studie over Jesaia publiceerde, zag hij zich daarbij voor de pijnlijke taak gesteld, om ook het Historisch-kritisch Onderzoek van zijn voormaligen leerling, maar toen reeds zijn ambtgenoot, den modernen Professor Kuenen, te moeten bestrijden. En hij eindigde zijn boek mei deze woorden: „De wetenschap heeft groote waarde, maar eens zal het blijken, dat hij alleen wijs is geweest, die bij alle verkregen wetenschap in een eenvoudig kinderlijk gemoed, het geloof in den Heer heeft behouden, en met een dankbaar hart beeft gewaardeerd en gebruikt, wat Gods oneindige liefde ons schonk.”

Toch stond Professor A. Rutgers in wetenschappelijke kringen hoog aangeschreven. Zoo noemde Professor Land hem in de Godgeleerde Bijdragen van 1867: „een eerlijk en bescheiden geleerde, een man, wien wij eerbiedigen om de eigenschappen van zijn verstand en hart.” En in De Gids van 1866 roemde Professor A.D. Loman hem als: „een man van onmiskenbare geleerdheid, een man, wien allen, die hem kennen, het getuigenis geven van hoogen ernst en innemende bescheidenheid.”

Eén ding slechts vonden deze moderne hoogleeraren bij Professor A. Rutgers jammer: dat al die edele krachten in den dienst der orthodoxie verloren gingen. Professor A.D. Loman noemde het dan ook een pijnlijke ontdekking, „dat zelfs nog onder de Leidsche Hoogleeraars eene reactie van de ongezeggelijkste soort

|18|

haar vertegenwoordiger heeft.” Zoo gold deze Hoogleeraar-apologeet onder zijn collega’s te Leiden als een ridder van de droevige figuur, omdat hij nog eenvoudig genoeg was, zich te buigen voor het gezag van Gods Woord. Toch droeg hij met vreugde den smaad van Christus. En terwijl geen der andere professoren zich liet zien als Da Costa te Leiden een lezing hield, was de orthodoxe professor Rutgers er dan tegenwoordig, zich ook in deze het Evangelie van Christus niet schamende 1).

Ook wist hij als gemeenteraadslid, als ouderling en als kerkvoogd het orthodoxe volk in Leiden te bezielen en aan te vuren. Dit laatste blijkt o.a. uit een brochure die hij in 1869 over de beheerskwestie schreef. Daarin toont hij aan, dat de kerkelijke goederen te Leiden niet, zooals door sommigen beweerd werd, het eigendom zijn van de geheele Nederlandsch Hervormde Kerk, maar van de Leidsche gemeente. Daarom mag van haar niet verwacht worden, dat zij onvoorbereid en onverwacht de regeling van het beheer harer goederen aan een haar onbekend college zou overlaten. De gemeente mag als eigenaresse van hare goederen, zelve beschikken over het beheer daarvan.

„Daarom”, zoo besluit hij zijn brochure, „rigt ik nog het woord tot U, stemgeregtigde Leden der Nederd. Hervormde Gemeente! Bedenkt dat het hier eene voor Leidens Kerkgemeente zeer gewichtige zaak geldt. Zegt of denkt niet: dat zijn maar geldzaken en op het geldelijke komt het niet aan! Daar is toch ook hier een nauw verband tusschen het geestelijke en het stoffelijke. Gelijk iemand niet verstandig zou handelen indien hij alleen op de vorming van zijn geest bedacht was en de zorg voor zijn lichaam verwaarloosde, en later zich teleur gesteld zou voelen, als hij door eigen verwaarloozing een ziekelijk en zwak lichaam omdroeg, waardoor zijne ziel in hare werking belemmerd werd, — zoo zou het onverstandig moeten heeten als iemand de stoffelijke middelen verwaarloosde, zonder welke er geen Kerkgebouw en geen Eeredienst kan worden in stand gehouden. Verzuimt dan nu niet te onderzoeken, zoo gij stemgerechtigde meent te zijn, of Uw naam op de lijst vermeld staat, en als Gij weldra tot de stembus geroepen wordt, verzuimt dan niet de vervulling van Uwen duren plicht. Gedurende de 59 jaren dat de Gemeente-Commissie de goederen der Leidsche gemeente heeft bestuurd, is zij door godsdienstlievende gemeenteleden in staat gesteld om Uwe Fondsen zeer aanzienlijk te vermeerderen. Het is nu Uwe roeping daarvoor


1) Zie P.D. Chantepie de la Saussaye, Het leven van Nicolaas Beets, blz. 91.

|19|

te zorgen, dat niet wellicht worde afgebroken wat met veel inspanning en ijver is opgebouwd. Bewaart wat verkregen is, draagt zelven zorg voor de goederen der Ned. Herv. Gemeente te Leiden. — Daartoe schenke de Heer der Kerk U bedachtzaamheid en wijsheid, opdat ieder het belang der gemeente begrijpe en behartige!”

Hier spreekt wel de zoon van den Kampenschen predikant Johannes Rutgers. Heeft hij zijn vader dan ook niet hooren vertellen van den strijd om het bezit der kerkgoederen in 1795, toen de Staat ze aan zich trok?

Maar hier spreekt tevens de vader van Dr. F.L. Rutgers. Die zou later in de Amsterdamsche Beheerskwestie even warm het recht der plaatselijke kerk verdedigen.

Na zijn emeritaat in 1875 verliet Professor Rutgers de sleutelstad en vestigde zich metterwoon in de residentie, waar hij 18 October 1884 overleed.

Van de Vrije Universiteit te Amsterdam was hij in 1879 meê een der stichters, en tot zijn dood toe bleef hij haar een warm en  toegenegen vriend.

En toen zijn zoon Hoogleeraar aan die Universiteit werd, erfde deze in letterlijken zin den Elia’s mantel van zijn vader. De professorale toga toch van den ouden grijsaard, uit de oude kleerkast gehaald, bleek na bijna veertigjarig gebruik, nog in zóó goeden staat, dat ze, met nieuw fluweel belegd, door den zoon nog kon worden gedragen. En aan deze omstandigheid is het te danken, dat de professoren der Vrije Universiteit tot op den huidigen dag toga’s dragen naar Leidsch model. 1)


1) Zie De Heraut, no. 152.

Rullmann, J.C. (1918) HIII

|20|

 

 

III.
De Predikant.

Te Leiden ontving de jonge Frederik Lodewijk zijn opleiding. Van 1847-1853 leerling op het gymnasium, genoot hij het uitstekende onderwijs van R. Fruin, Pluygers, De Vries en te Winkel. Aan de academie studeerde hij vervolgens theologie onder Scholten en Kuenen, de vaders der moderne richting. 1) Maar in navolging van zijn vader bleef hij trouw aan de Gereformeerde Belijdenis. En voor het voorrecht, dat hij ook als student zeven jaar lang onder de leiding van zulk een vader had mogen staan, gaf hij zijn innigen dank te kennen in het proefschrift, waarmee hij op 31 Mei 1860 te Leiden tot doctor in de Godgeleerdheid promoveerde, nadat de Utrechtsche faculteit het reeds een jaar vroeger als antwoord op ’n prijsvraag met goud bekroond had. Het onderwerp handelde over den geloofsgrond volgens het Evangelie van Johannes (de fundamento quo Johanne auctore fidem sibi habendam niti voluit Christus).

 

Van de Academie ging Dr. F.L. Rutgers terstond in het predikantsleven over. Reeds drie weken na zijn promotie, 24 Juni d.a.v., deed hij zijn intrede te

Soesterberg,

een gemeente, die dit eigenaardige had, dat Rutgers er de eerste predikant was. En hij wist er zich bemind te maken. Ontving hij


1) Ook zijn oudere broeder, Johannes Rutgers, geboren 14 Mei 1835, had zich laten inschrijven voor de faculteit der Godgeleerdheid, en legde het candidaatsexamen in de theologie af, maar werd onder invloed van Cobet literator. Hij promoveerde in 1862 tot doctor in de letteren, en was sinds 1878 rector aan het gymnasium te ’s-Gravenhage. Ongehuwd blijvende, wijdde hij zich geheel aan de belangen zijner school. Hij stond bekend als een vrijdenker.

|21|

een beroep, dan verblijdde de gemeente zich hartelijk, als hun geliefde leeraar bedankte.

Men zou zich dan ook zeer vergissen, wanneer men zich den lateren Professor in dezen eersten tijd zijner Evangelie-bediening als een afgetrokken kamergeleerde voorstelde. Integendeel: het practische leven werd nu zijn leerschool.

En hoe hij zich ook in zijn studie bij de praktijk wist aan te sluiten, bewijst een recensie, die hij in den 1sten jaargang der Stemmen voor Waarheid en Vrede, 1864, blz. 525-531 schreef. Een uitgave der Vereeniging tot bevordering van christelijke lectuur, Psalm XXV door L. de Geer, bespreekt hij daar aldus:

Niet geheel zonder grond is er in de laatste jaren gedurig geklaagd, dat ons land overstroomd wordt door een stortvloed van boeken en boekjes, die behooren, althans willen behooren, tot de klasse van de zoogenoemde stichtelijke lectuur. Niet, dat er minder moest worden geschreven, of minder gelezen, integendeel, hoe meer stichting, hoe beter; maar dan moet het ook zijn tot waarachtige stichting; terwijl veel, dat zich daarvoor uitgeeft, niettegenstaande de beste en vroomste bedoeling, zoo het al niet afbreekt, dan toch dikwijls belemmerend werkt. Immers behalve dat er zijn bij die werkjes, die verkeerde rigtingen in de hand werken (methodisme, quietisme, separatisme, enz.,) meer tot verstoring dan tot wasdom in het geestelijk leven der gemeente, — zoo is vaak ook de kring van denkbeelden, waarin zij zich bewegen, zóó beperkt en zóó altijd dezelfde, dat de lezing reeds daardoor eentoonig wordt, en soms vervelend; hetgeen dan ten gevolge heeft, dat sommigen worden afgeschrikt in plaats van getrokken, dat anderen juist het tegendeel van eene opwekking ondervinden, en ook (wat misschien wel het ergst is) dat bij velen de smaak wordt bedorven, zoodat ze geen behagen meer hebben in degelijke, vaste, waarlijk voedende spijs. Hoe meer stichting, hoe beter; dat spreekt wel vanzelf; maar toch, of liever: juist daarom, is die overvloed van stichtelijke boekjes nog niet altijd een zegen. Het is de inhoud, waar alles van afhangt. En al kan ook de Heer zijn zegen er toch wel in leggen, al doet Hij dat soms, zelfs bij de meest gebrekkige poging, zulk een uitslag regtvaardigt het middel toch niet. Dan alleen is de uitgaaf gewettigd en nuttig en noodig, als de inhoud in waarheid tot opbouwing strekt, d.w.z. tot vermeerdering van Christelijke kennis, tot versterking van Christelijk geloof, en tot bevordering van Christelijk leven.
Boekjes, die daartoe inderdaad kunnen meewerken, zijn er nooit te veel; en daarom, geene klagt maar eerder toejuiching, dat de Vereeniging ter bevordering van Christelijke lectuur dat aantal nog telkens vermeerdert. Hare boekjes zijn waarlijk tot stichting, in den echten zin van dat woord. Ook door de uitgave van het werkje, hierboven genoemd, tracht zij aan haar doel te beantwoorden. En gelijk dit werkje door zulk een patronaat reeds eene aanbeveling met zich meebrengt, zoo geeft het wederkeerig aan de Vereeniging zelve ook eene aanbeveling terug: want de inhoud is in waarheid zoodanig, dat het „Christelijke lectuur” kan worden genoemd.

Ook in den 2den jaargang der Stemmen vinden we een boekbeoordeeling van Dr. F.L. Rutgers. We laten ze hier volgen als een model van kritiek:

|22|

Gids voor den bijbellezer. Met vijf kaarten. Door T.M. Looman. Derde, geheel Omgewerkte, veel vermeerderde en verbeterde druk. Amsterdam, H. Höveker. 1864. 520 bladz. Prijs ƒ 3.
Handleiding bij het lezen van den Bijbel. Uit het Engelsch door Benjamin Eliott Nicholls, M.A. Naar de achttiende uitgave uitgegeven. Aanbevolen in eene voorrede door J.G. Verhoeff, Pred. te Vaassen. Amsterdam, H. Höveker 1863. 503 bladz.

Wie het eerste dezer werken ter hand neemt, en het titelblad omslaat, vindt daar aanstonds op de keerzij dit motto: „Verstaat gij ook, hetgeen gij leest?” — Een historisch gegevene vraag, die ook nu nog gedurig herinnerd moet worden. Maar één antwoord ten minste is ook geschiedkundig bekend; en dat antwoord mag ook wel gedurig worden opgemerkt. ’t Is het antwoord dat er volgde, toen die vraag voor het eerst werd gedaan.
Ze werd toen ook gedaan met betrekking tot de Heilige Schriften, en ze was gericht tot een man die er juist met veel ijver in las. Een man bij uitnemendheid geschikt om de Heilige Schrift te begrijpen : hij bezat boven velen een waarlijk godvreezend gemoed; hij was nederig en eenvoudig en onbevooroordeeld; hij las uit belangstelling, in een heilbegeerige stemming, met de noodige aandacht en ernst. En toch, niettegenstaande dat alles, hij moest zeggen van neen; ja zijn antwoord was nog meer dan een bloote ontkenning: op de vraag van Filippus was de wedervraag van den Kamerling: „Hoe zou ik toch kunnen, zoo mij niet iemand onderrigt?”
Een opmerkelijk antwoord, vooral in verband met de daar beschrevene persoonlijkheid van den spreker! Zulk een voorbeeld bewijst, nog klaarder dan veel redenering, dat men niet volstaan kan met al het zooeven genoemde, ook al heeft men dat alles in een zeldzame mate bijeen. En wie daarop alléén allen nadruk wil gelegd hebben, zoo als sommigen wel geneigd zijn te doen, die verwacht en verlangt van de godsvrucht en vroomheid, wat toch vroomheid op zich zelve nooit geven kan. — Niet, dat het weinig beteekent, om in zulk een stemming te lezen: gave God dat een ieder zijn Bijbel zóó las! dat men niet meer zoo vaak uit gewoonte alleen hem gebruikte! dat men waarlijk er uit leeren wou, met een heilbegeerig gemoed! Indien iets, dan is dat wel, niet alleen wenschelijk, maar ook noodig en onmisbaar: zonder dat wordt de Schrift niet begrepen, naar den regel, dat alleen het verwante iets verwants kan kennen; en dan blijft ze, ook bij groote geleerdheid en wetenschap, toch in velerlei opzigt een gesloten boek. Zulk een stemming, dat is altijd een eerste vereischte; ja wat meer is, ze voldoet voor de hoofdzaak der Schrift. Menigeen, die niets had dan zijn Bijbel alleen, heeft die hoofdzaak er toch uit begrepen. — Maar zoodra het nu verder er op aankomt, om die hoofdzaak nog wat beter te kennen, om den kring van godsdienstige begrippen nog wat uit te breiden, om wat dieper in te dringen in het apostolische en profetische woord, in één woord, als men komen wil tot het regte verstand van de Schrift, dan is vroomheid alleen niet genoeg : nog iets anders is dan ook onmisbaar. Reeds die Kamerling sprak het uit, wat dat is : hij gevoelde, dat er onderrigt zijn moest, anders was, volgens hem, het regte verstand een onmogelijkheid. — En nu is er zonder twijfel slechts Eén, die de leermeester zijn kan. Maar Hij werkt tot dat einde niet werktuigelijk of regtstreeks: Hij heeft middelen daartoe verordend; en het meest gewone van die middelen toont alweder datzelfde verhaal. Het is onderrigt, in den zin waarin ook die Kamerling het ontving, onderwijzing van andere menschen, van dezulken die kundiger zijn en geleerder, en dan onderwijzing in die dingen,

|23|

die men doorgaans moet weten, om geschriften uit den vroegeren tijd te verstaan.
Daartoe hoort, om slechts enkele dingen te noemen, de persoon van den schrijver, de geschiedenis van zijn leven, de geschiedenis van zijn boek, de eigenaardigheden van zijn taal en stijl, de zeden en gewoonten van den tijd waarin hij leefde, de kring van lezers voor wie hij schreef, het plan van zijn werk, enz. Van dat alles moet de lezer iets weten, om regt te verstaan wat hij leest; en dan altijd, hoe meer hij daarvan weet, des te beter. Daarom is het zoo goed, als de aandacht steeds meer op die vragen gerigt wordt. Daarom is het zoo noodig, dat de weg tot de kennis wordt opengesteld. Daarom hebben de boeken, wier titels hierboven vermeld staan, al terstond boven velen die groote verdienste, dat er waarlijk behoefte aan zulke geschriften bestaat.
Ja, behoefte, en wel dringende behoefte! Want het is een treurige waarheid, dat de kennis van al dat noodige in den regel zoo veel, zoo ontzettend veel te wenschen overlaat. Wie gedurig met gemeenteleden omgaat, die bemerkt dat voorwaar wel genoeg. In dit opzigt zijn de meesten, ook zelfs zij die hun Bijbel trouw lezen en het waarlijk doen uit belangstelling, toch noch altijd zoo bitter onkundig, dat het waarlijk geen wonder is, zoo zij veel van hetgeen zij lezen volstrekt niet verstaan. Ja, men heeft, om in die behoefte te voorzien, het catechetisch onderwijs, maar dat zijn toch slechts enkele uren, en gewoonlijk alleen voor de jeugd. Men heeft ook nog de gewone toespraak des Zondags; maar die is doorgaans bepaald tot een enkelen tekst. Men heeft ook nog (wat op zijn minst even nuttig en noodig is als de preek) de meer eenvoudige Bijbellezing; maar ook die kan niet meer dan enkele stukken verklaren. Door dat alles wordt in de bestaande behoefte nooit meer dan ten deele voorzien. Bij dat alles blijft er toch nog behoefte aan onderwijs. En van waar zal dat komen, voor een ieder toegankelijk, tenzij dan dat er boeken zijn, uitsluitend bestemd voor dat doel? Zulke boeken zijn dus een behoefte; en ze zijn dat des te meer, omdat er zoo weinig nog zijn. Wetenschappelijke werken zijn er zeker een aantal; maar daar heeft de gemeente niet aan, althans niet regtstreeks: zij heeft noodig, dat men tot haar afdale, en die wetenschap meêdeele in een populairen, voor ieder verstaanbaren vorm.
En ziedaar juist het doel van de hier besprokene werken. Ze zijn opgesteld om in die behoefte der gemeente te voorzien. Ze zijn bestemd, om de kennis van de boven aangegevene bijzonderheden zooveel mogelijk te verspreiden. Ze willen zijn, gelijk beider titel dat reeds uitdrukt, een „Gids” of een „Handleiding” tot het regte verstand van de Schrift. — En die titels moeten hier dan worden opgevat in den ruimsten en meest eigenlijken zin. Men heeft blijkbaar getracht, om volledig te zijn. Al wat nuttig kan zijn bij de lezing des Bijbels: de geschiedenis die er in verhaald wordt en haar chronologie, de geographie en ethnographie, de archaeologie, de hermeneutiek en kritiek, de dogmatiek en moraal, de linguistiek enz.; al die vakken van wetenschap, voor zoo ver zij den Bijbel betreffen, worden hier (om het regte woord te gebruiken) geëxploiteerd. Van dat alles heeft men der gemeente het een en ander willen meêdeelen; en dan telkens zooveel als het hier kon en moest: niet meer dan de vatbaarheid der gemeente toelaat, en niet minder dan de onkunde der gemeente vereischt.
Een loffelijk doel, zonder twijfel: maar ook tevens een zware taak! Het is voorwaar geen gemakkelijk werk, om een dergelijk handboek te schrijven! En waarschijnlijk is dat wel de reden, dat er zoo betrekkelijk weinig bestaan. — Wie de te behandelen vakken ook maar eenigszins kent, die voelt de bezwaren vanzelf. Zooveel moeijelijke punten, op ieder gebied! Zooveel meeningen, die gedurig elkander bestrijden! Zooveel vragen van een ingewikkelden aard! En die vragen

|24|

moeten worden opgelost; die meeningen moet men kunnen beoordeelen; met die moeijelijke punten moet men in het reine zijn. Men moet zelf toch eerst weten, hetgeen men anderen onderwijst. Langs den weg van onderzoek moet men zijn gekomen, althans zooveel mogelijk, tot een stellige slotsom, tot een welbevestigd resultaat, tot een eigen gevoelen. Dat is een eerste eisch; maar om hier aan dien eisch te voldoen, dat kost waarlijk wel moeite en studie! — En dan verder wordt er ook nog veel studie en tact vereischt, om de voor zich zelven verkregene kennis te kunnen meêdeelen, om die onderwerpen te behandelen met de noodige helderheid, kortheid, volledigheid, orde en nauwkeurigheid; om het daartoe strekkende leerboek zóó in te rigten, dat het bij de lezers zijn doel ook bereikt; in één woord, om de wetenschap waarlijk te populariseren. — Niet beneden de hoogten der wetenschap, en niet boven de diepten der onwetendheid, dat is hier het tweeledig vereischte; maar die hoogte is hier nu zóó hoog, en die diepte zóó diep, dat het ideaal wel niet ligt kan verwezenlijkt worden.
Daaruit volgt, dat men bij de beoordeeling van een dergelijk boek zeer welwillend en zacht moet te werk gaan; dat het zeer onbillijk zou zijn, om de eischen alleen te doen gelden, en niet tevens.de zwaarte der taak; dat men zulk een arbeid wel kan goedkeuren, prijzen en aanbevelen, ook al is het, dat er groot verschil is tusschen werkelijkheid en ideaal. — Zoo dan ook, met betrekking tot de reeds genoemde geschriften. Dat ze lang niet volmaakt zijn, is waarlijk geen wonder. Maar het is op dit gebied reeds een groote verdienste, wanneer men slechts meewerkt en helpt, wanneer men zijn doel slechts ten deele bereikt. En dat doen zonder twijfel die beide, niet alleenlijk ten deele, maar in velerlei opzigt: wel veel minder dan men hier moet verlangen, met het oog op de straks gestelde eischen; maar ook tevens veel meer dan men hier kon verwachten, met het oog op de straks genoemde bezwaren.
Dat gunstige oordeel verdienen ze beide; maar, zoo als ligt te begrijpen is, één van beiden het meest, en de vraag, welk dat is, kan natuurlijk niet ongepast zijn. De gelijktijdige beoordeeling van twee boeken, die zoo gelijksoortig zijn, maakt van zelf, dat men ook het eene met het andere vergelijkt, en ze tegen elkaar als het ware opweegt. — En dan is de uitkomst in dit geval eenigszins anders dan men zou verwachten. Met het oog op de titels zou men van te voren ligt denken, dat het eerstgenoemde nooit zoo goed als het tweede kan zijn: want zijn schrijver, hoe gunstig bekend hij ook is, hoort toch niet tot de theologen van professie, terwijl het tweede, na den naam des auteurs, ook een academischen graad, dien van Master of Arts, vermeldt. Deze laatste kan dus worden aangemerkt als een man van wetenschappelijke studie; en nu volgt het vanzelf uit de straks gegeven omschrijving der eischen, dat zóó iemand het best aan de eischen der taak kan voldoen: veel beter althans, dan een ander die niet gestudeerd heeft. Niet dat de theologen het monopolie hebben van een dergelijk onderrigt; een gemeentelid is er ook wel toe bevoegd: als hij bij een Christelijk hart ook een goed ontwikkeld verstand heeft, als hij de geschriften bestudeert die in dat geval onder zijn bereik vallen, als hij profiteert van hetgeen de wetenschap onderzocht heeft, als hij grondige kennis voor zich zelven bezit, en daarbij ook de gave van haar goed te kunnen meêdeelen, dan zal niemand wel beweren, dat hij toch nog incompetent is, integendeel, het is goed en gelukkig, als hij zijn talent dan niet doelloos begraaft, maar het zooveel mogelijk gebruikt om kennis en licht te verspreiden. Maar dat neemt niet weg, dat een man van studie tot zooiets nog beter in staat is: wie de wetenschap zelf heeft beoefend en wetenschappelijk is gevormd, die is uit den aard der zaak voor de taak der voorlichting doorgaans het meeste berekend; en althans,

|25|

hij heeft altijd veel boven ieder ander vooruit. — Zoo dan hier de heer Nicholls en het zou dus eigenlijk zeer natuurlijk zijn, als het werk, dat van hem is, inderdaad het voortreffelijkst was. — Maar — geen regel zonder uitzondering! Hier althans is het juist andersom dan men zou verwachten. Het is hier de heer Looman wiens werk zonder twijfel de voorkeur verdient. Wel heeft deze dat niet zoo gemeend: wel verzekert hij zelf van het andere werk, dat een weinig vroeger in het licht kwam (bladz. VI van de voorrede): „een werk, dat noch dezen Gids overtollig maakt, noch wederom door dezen Gids overtollig gemaakt wordt.” Maar hijzelf kon ook moeijelijk anders beslissen; en dat oordeel bindt anderen niet. Wie bekend is met den inhoud der beide geschriften, die stelt ze niet op gelijke lijn; hij beaamt van die uitspraak alleen maar het eerste gedeelte; en hij vindt den „Gids” zooveel beter, dat er aan de „Handleiding” zeker geen behoefte kan zijn. — Daaruit volgt nu volstrekt niet, dat men dus deze laatste verwerpt: de bedoeling is niet, om een afkeurend oordeel te vellen, als gold het een boek, dat men schadelijk vindt, of althans weinig bruikbaar. Juist integendeel, er staat zóóveel goeds in, dat het boek wel hoogst nuttig moet zijn: ’t was te wenschen, dat de meerderheid der gemeente dat alles reeds wist! ja al was het niet meer dan zijn tiende gedeelte! — Op zich zelve beschouwd, is die „Handleiding” goed en ook noodig; maar ze wordt overtollig, zoodra er een betere is. Wie haar inhoud reeds weet, kan dan toch nog uit het andere werek heel wat leeren; maar omgekeerd niet: wie het andere kent, heeft dit niet meer noodig. Al wat er goeds en belangrijks en nuttigs in de „Handleiding” staat, dat wordt ook in den „Gids” niet gemist; maar de laatste heeft nog veel wetenswaardigs er bij, en hij geeft het alles in een betere orde.
Uit de „Handleiding” zelve zou men dan ook zeker niet opmaken, dat haar schrijver een man is van studie; wat hij meedeelt, dat is doorgaans niet de slotsom van een eigen wetenschappelijk onderzoek, maar aan andere schrijvers ontleend. Reeds de inhoud zou dat telkens doen denken; en, behalve dat, maakt de schrijver zelf er ook volstrekt geen geheim van: hij noemt telkens zijn zegsman, en gebruikt dan een regtstreeksch citaat. ’t Spreekt van zelf, dat niet alles van elders ontleend is: er komt ook wel gedurig iets oorspronkelijks tusschen in; maar het grootste gedeelte is toch zeker compilatie: uit een aantal andere werken verzameld, naar het oogmerk des schrijvers gebruikt, en op zulk een wijze verwerkt dat er één geheel uit ontstaan zou. — De heer Looman heeft natuurlijk geheel eveneens moeten doen, ook al noemt hij gewoonlijk geen zegsman. En dat hij werkelijk zoo gedaan heeft, wordt ook door hemzelven verklaard. Naar zijn eigen getuigenis (bladz. VI en VII van de voorrede) heeft hij „vele en verschillende bronnen geraadpleegd, die, om geen schijn van geleerdheid aan te nemen, maar niet worden opgenoemd; wat hij vond dat hem dienstig kon zijn voor zijn doel, werd verzameld en geordend; en alzoo werden al die ophelderingen, welke anders in uitgebreide werken moeten gezocht worden, hier bijeengebragt in een kort bestek”. — Juist dezelfde methode is hier dus door beiden gevolgd, een methode, die ook goed is en voor niet-theologen onvermijdelijk, maar die toch met dat al één bezwaar heeft: dit bezwaar, dat men doorgaans op crediet van een ander moet afgaan, en dus zelf ook misleid wordt, zoo dikwijls die ander eens faalt. Daarom is het een vraag van belang, bij boeken naar zulk een methode bearbeid, een vraag, die hun waarde bepaalt, en die daarom van zelf ook een vraag der beoordeeling zijn moet: welk gezag men het meest heeft gevolgd? welke bronnen gewoonlijk gebruikt zijn? welke schrijvers men uitkoos tot zegsman en gids?
Op die vraag is het antwoord hier niet twijfelachtig; en dat antwoord is ook tevens voor beiden vrij gelijk. Beide werken zijn hoofdzakelijk Engelsch van

|26|

oorsprong. Bij de „Handleiding” ziet men dat aanstonds, want ze is geheel uit het Engelsch vertaald, en de Engelsche schrijver heeft blijkbaar niet anders dan Engelsche werken gekend: hij citeert een groot aantal namen, maar die namen zijn allen zonder uitzondering Engelsen: een buitenlandsch schrijver wordt nimmer genoemd en is stellig ook nimmer gebruikt. De heer Looman is niet zóó uitsluitend geweest, maar zijn „Gids” is toch ook „naar het Engelsch” bewerkt. De twee voorgaande drukken vermeldden dat ook op den titel; en al zijn ook die woorden thans opzettelijk weggelaten, omdat deze derde druk „geheel omgewerkt” is en „veel vermeerderd en verbeterd”, „waartoe” (bladz. VI van de voorrede) „vele en verschillende bronnen zijn geraadpleegd”, toch hebben ook thans nog de Engelsche bronnen zeer sterk gepraedomineerd. Wie het boek heeft gelezen, gevoelt dat van zelf: zoowel inhoud als vorm heeft een eigenaardigen Engelschen tint, en gedurig ontmoet men het een of ander, dat alleen onder Engelschen invloed kan geschreven zijn. En wil men een regtstreeksch bewijs, dan is zeker de vergelijking met het andere boek reeds voldoende. Beide werken hebben veel met elkander gemeen: gansche stukken uit het eene vindt men in het andere terug, en dan vaak woord voor woord: de heer Looman zegt dat zelf in zijn voorrede van één enkel gedeelte, bladzz. 113-118 van zijn werk, dat men bijna letterlijk zoo terugvindt bij den heer Nicholls, bladzz. 347-350, en dat beide daar geven als regtstreeksch citaat; maar hij had het buitendien nog kunnen zeggen van een aantal andere stukken. B.v. bladzz. 385-390 en 401-404 van den „Gids” komen bijna woordelijk overeen met bladzz. 85-99 van de „Handleiding”; en evenzoo bladzz. 390-392 (G.) met bladzz. 103-108 (H.), bladzz. 379-381 (G.) met bladzz. 120-123 (H.), bladzz. 447-450 (G.) met bladzz. 123-129 (H), bladzz. 444-446 (G.) met bladzz. 166-170 (H.), enz. Zulk een letterlijke overeenkomst in twee boeken, die onafhankelijk van elkander zijn geschreven, wijst natuurlijk, althans voor die stukken, op derde gemeenschappelijke bronnen; en die bronnen zijn dan uit het getuigenis van den heer Nicholls bekend: het zijn werken van Engelsche schrijvers.
Vraagt men, waarom juist dit, die Engelsche oorsprong, zoo bepaald en met nadruk vermeld wordt, dan is het antwoord eenvoudig: omdat met die opmerking tevens de voornaamste aanmerking is gemaakt. Dat de hier beoordeelde werken òf geheel òf bij voorkeur naar het Engelsch gemaakt zijn, dat is hun voornaamste gebrek, en de zeer natuurlijke oorzaak van verre de meeste gebreken. Immers, waar het onderwerpen geldt van een theologischen aard, daar zijn Engelsche gidsen voorwaar niet de beste: men kan Engeland volgen op menig gebied, maar juist hierin moest Engeland anderen volgen: even hoog als het staat, uit een Christelijk oogpunt beschouwd, even laag staat het ook, naar den stand van zijn theologische wetenschap beoordeeld. In dit opzigt is men daar veel ten achteren, althans lang niet zoo ver als in andere Protestandsche landen; en men kan zelfs bisschop zijn in de Engelsche kerk (getuige b.v. de bisschop Colenso), met een vrij wat mindere mate van theologische kennis, dan die hier te lande geëischt wordt voor den titel van candidaat. Daarom geeft het nog niet veel, of men al gedurig een bisschop citeert en volgt, zoo als bovenal de heer Nicholls gewoon is. Hij had beter gezag kunnen volgen, bijaldien hij, wat wel niet waarschijnlijk is, ook een vreemde taal had gekend. En datzelfde bezwaar geldt toch ook van het andere werk; wel in mindere mate, zoo als bij een Hollander ook natuurlijk is; maar de „Gids” zou er zeker nog veel bij gewonnen hebben, als zijn schrijver, nog veel meer en bij voorkeur, ook uit bronnen van andere landen had geput. Hij zal zelf die bedenking misschien beantwoorden met de tegenwerping, dat die

|27|

Duitsche en Fransche en Hollandsche wetenschap lang niet altijd te vertrouwen is. Maar daar kan alleen uit volgen, dat men goed moet toezien, of, waar men zelf dat niet doen kan, de noodige inlichtingen vragen. Er zijn gelukkig nog altijd theologen genoeg, op wie ook de heer Looman vertrouwt. Het blijft altijd een dringende eisch, dat een werk als het zijne zooveel mogelijk op de hoogte der wetenschap zijn moet; maar dan is ook noodig, dat men afgaat op het beste gezag, en dus niet allermeest op Engelsche schrijvers. Als hij zelf daarvan ook overtuigd is, dan zal dat zeker wel blijken bij een volgenden druk, ’t is ten minste te hopen; en het is alleen met die goede bedoeling, dat de aanmerking hier is gemaakt.
Daartoe diene dan ook nog een andere opmerking: een aanmerking omtrent het gebruik dat men thans van zijn bronnen gemaakt heeft. Beide schrijvers hebben vaak niet veel anders gedaan dan copiëeren, en dan soms, wat nog erger is, blindelings overgenomen hetgeen zij vonden, zonder eenige eigen kritiek. ’t Spreekt van zelf, dat zij alle kwesties niet zelve beoordeelen konden, maar ook zelfs gezag moet men volgen met oordeel des onderscheids: en dat laatste is hier lang niet altijd geschied. Van dat woordelijk overnemen zijn de boven aangehaalde stukken, die in beide werken geheel hetzelfde zijn, reeds een sprekend bewijs. En niet minder kan dat blijken uit de omstandigheid, dat de verschillende deelen van hetzelfde boek wel eens lijnregt met elkander in strijd zijn. De aandachtige lezer bemerkt dat niet zelden, vooral in den „Gids”. De Engelsche schrijver had uit den aard der zaak minder nood om die fout te begaan, daar hij minder bronnen gebruikt heeft en dan altijd bronnen van dezelfde soort. De heer Looman, die veel minder eenzijdig geweest is, vond natuurlijk gedurig zeer uiteenloopende gevoelens, en dan bleef hij in de keuze niet altijd aan zich zelven gelijk. Zoo b.v. (om slechts iets te noemen) heeft hij twee tabellen van den tijd der profeten en der profetieën (bladz. 113 vgg. en 120), en nu staat Obadja in de eene op het jaar v.C. 740, in de andere op het jaar 588. Zoo staat in de „Tijdtafel van den geheelen Bijbel” (bladz. 462) het Ev. van Johannes op het jaar 97, terwijl het in de „Tijdorde van de boeken des N.T.” (bladz. 205) aan de Openbaring voorafgaat en op 69 wordt gesteld. Zoo vindt men (bladz. 447 vgg.) een hoofdstuk „over de beteekenis der eigennamen in de Schrift”, en later (bladz. 463-498) eene ,,Alfabetische lijst van (ruim drie duizend!) bijbelserie eigennamen en hunne beteekenis”, maar de verklaring is op beide plaatsen niet altijd gelijkluidend, ook niet eens, waar uit die verklaring een gevolgtrekking wordt gemaakt, zoo als bij Misaël, Sadrach, Mesach, enz. — Zulk een strijd met zich zelven is in dit geval zeer verklaarbaar, maar in het werk van éénzelfden schrijver moest hij toch niet worden aangetroffen. Waar de bronnen verschillen, moet de schrijver een keus doen, of wel melding maken van dat verschil; maar in ieder geval moet hij altijd zich zelven gelijk zijn. Eigenlijk moet hij zóó in zijn onderwerp thuis zijn, en de te behandelen zaken zich zóó eigen hebben gemaakt, dat de minste tegenspraak van zich zelven inderdaad onmogelijk is.
In één opzigt alleen kan het goed zijn, zoowel dat de schrijvers met zich zelven in strijd zijn, als ook (wat zeer dikwijls gebeurt) dat zij van elkander verschillen; want een andere fout wordt juist daardoor gecompenseerd. Beide schrijvers hebben de gewoonte, van doorgaans den meest stelligen toon te gebruiken: bijna alles wat zij meêdeelen, wordt ook voorgesteld als ontwijfelbaar zeker, ja zelfs soms ook als de éénige wetenschap des geloofs; ook in bijzaken en onzekere punten wordt de afwijking of de twijfel wel eens gelijk gesteld met bepaald ongeloof; en ai wordt dat ook niet telkens met zooveel woorden herhaald, de eenvoudige lezer krijgt toch ligt op den duur zulk een indruk. Daarom nu is het zeer gelukkig, dat er

|28|

contradicties zijn, die den lezer het tegendeel leeren. Nu bemerkt hij vanzelf, dat niet alles zoo zeker kan zijn, en wordt daardoor bewaard, om een ieder die afwijkt terstond ongeloovig te noemen. Met dat al zou het zeker toch beter zijn, als de schrijvers zelven wat minder uitsluitend waren in hunne uitspraken. Niet, dat men eenvoudige gemeenteleden met allerlei vragen en onderzoekingen en geschilpunten moet gaan kwellen; dat zou doelloos zijn, en zelfs schadelijk; maar het is op zijn minst even schadelijk, om in die gevallen te doen als of er niet de minste kwestie meer is; en in ieder geval eischt de waarheid, dat men zeer betwistbare punten niet voor uitgemaakt zeker verklaart. Als dat laatste geschiedt door een schrijver die teregt veel crediet heeft bij de gemeente, dan geeft dat aanleiding dat men ieder die afwijkt aanstonds wantrouwt, ook al heeft hij dat anders volstrekt niet verdiend. En ook buitendien gaan de eischen der waarheid vóór alles. Daarmee strijdt een zoo groote beslistheid in bijna alle opgaven; en niet minder de voorstelling, veel of weinig geprononceerd, dat een tegenovergesteld gevoelen bij de ongeloovigen thuis hoort. Immers kan er eenheid zijn in de hoofdzaken, ook bij verscheidenheid van inzigt waar het bijzaken geldt. En, behalve dat, is het in den regel zeer gewaagd, om te willen oordeelen over iemands hart, of, wat op hetzelfde neerkomt, over zijn geloof, waarvan de zetel in het hart is. Het geloof toch is altijd in zijn diepste wezen een rigting tot God van hart en van leven; en nu is het zeker waar, dat iemands overtuigingen omtrent bijzonderheden van historischen, dogmatischen en anderen aard, daarvoor alles behalve onverschillig zijn: ze veranderen en wijzigen, ze belemmeren of bevorderen zulk een rigting: maar het is toch moeijelijk om, voor ieder individu en in elk geval, a priori te bepalen, wanneer die rigting er niet meer zijn kan. De ervaring getuigt, niet alleen dat er ongeloof zijn kan zelfs bij juiste inzichten des verstands, maar ook dat het hart een geloovige rigting kan hebben al is het verstand nog op een dwaalspoor. Onzerzijds is er telkens, en teregt, aan de tegenpartij verweten, dat zij altijd spreekt van de wetenschap, alsof zij alléén die bezat; maar laten wij dan ook niet vervallen in dezelfde fout, door steeds het geloof uitsluitend voor ons te willen nemen. Daarmee zeggen we nog volstrekt niet, dat het dan ook niet zamenhangt met theologische gevoelens, met gevoelens en overtuigingen ook omtrent de zaken die in deze werken zijn behandeld: juist integendeel; alleen maar, daar de grenzen waar het geloof moet ophouden, niet zoo ligt te bepalen zijn, stellen wij die grenzen niet al te naauw.
De voornaamste aanmerkingen omtrent inhoud en vorm in het algemeen zijn nu hiermee reeds meegedeeld; en de aard der zaak laat niet toe, om ook nog af te dalen in bijzonderheden. Uit die algemeene opmerkingen kan reeds worden afgeleid, dat er dan nog veel, zeer veel was te zeggen: op iedere bladzijde vindt men ligt wel het een of ander, dat minder juist is, of waarin de schrijver bepaald heeft gedwaald: nu eens een dogmatische bepaling waarvan de uitdrukking minder gelukkig is, dan weder een historische mededeeling die niet naauwkeurig is of wel verkeerd, elders een geographische bijzonderheid die fictief is of tenminste niet steunt op genoegzaam gezag, elders een chronologische opgave die foutief is of zeer onzeker, elders weer een linguistische verklaring die onderhevig is aan een groot bezwaar, enz. enz. Maar de aanwijzing van dat alles, met genoegzame redenen omkleed, is in een aankondiging en beoordeeling niet wel doenlijk: ’t zou een ruimte vereischen, even groot als de boeken zelve beslaan; en behalve dat zou men in denzelfden tijd nog beter een dergelijk werk kunnen schrijven. ’t Is de taak van de schrijvers zelven, om door voortgezette studie en onderzoek zulke fouten te ontdekken: elke volgende druk zal dan zijn, wat de 3e druk van den „Gids” nu geweest is, „geheel omgewerkt, veel vermeerderd en verbeterd.”

|29|

Zonder twijfel, ook dan zal de stof tot aanmerkingen niet ontbreken. Bij een onderwerp zoo als dit spreekt het wel van zelf, dat men nooit de volmaaktheid bereikt. Maar juist daarom strekt het de schrijvers tot lof, dat ze niet zijn afgeschrikt, en veel meer nog, dat hun arbeid zooveel goeds en voortreffelijks heeft. De heer Looman vooral heeft den dank der gemeente verdiend; en zijn moeite zal ook ongetwijfeld rijk beloond worden door de uitkomst. Het is daarvoor ook goed, dat zijn werk is uitgegeven door de „Vereeniging ter bevordering van Christelijke lectuur”: niet alleen dat het daar op zijn plaats is, maar het wordt ook daardoor te meerder verspreid. Hoe meer dat geschiedt, des te beter. Wel zal de lezing aan velen een zekere inspanning kosten, meer althans dan die boekjes die de gemeente doorgaans leest; maar het nut is dan hier ook oneindig veel grooter. Als de Schrift ons de bron is van Christelijke kennis, Christelijk geloof en Christelijk leven, dan zijn ook de boeken als de hier beoordeelde, vrij wat meer, dan een aantal dat zich daarvoor uitgeeft, waarlijk stichtende, en dus bij uitnemendheid „Christelijke lectuur”.

Soesterberg, Jan. 1865.

Dr. F.L. RUTGERS.

Men vergeve ons de opname van dit geheele stuk; maar we meenden het niet te mogen bekorten, omdat het in z’n geheel ook den geheelen Dr. Rutgers doet kennen, zooals hij van zijn eerste optreden af was: een welwillend en toch niets-sparend criticus.

 

Na vijfjarigen dienst nam hij 5 Maart 1865 afscheid van zijn gemeente, met een leerrede over Markus IV : 3-8. Den 19den Maart d.a.v. werd hij te

Eibergen

bevestigd door zijn vader, die tot tekst had gekozen Joh. 3 : 16. Des namiddags aanvaardde de zoon zijn dienstwerk in de nieuwe gemeente met 1 Cor. II : 2.

Eibergens kerkje in den Gelderschen Achterhoek droomde nog van de dagen toen Willem Sluyter als dominee-dichter de trouwe aanhankelijkheid bezong, die zoovele jaren (van 1652-1673) tusschen hem en zijn gemeentenaren bestond.

Waer yemandt duysend vreugden soeck,
Myn vreugd is in dees’ achterhoek.

zoo had de Eibergsche zanger gezongen.

Of Dr. Rutgers diens „Eybergsche Sanglust” in Eibergens pastorie ook gelezen zal hebben?

Men zou het niet licht veronderstellen; want poëtisch aangelegd was onze geleerde predikant allerminst. Toch kende hij veel verzen, vooral psalm- en gezangverzen, blijkbaar als vrucht van zijn opvoeding in een geslacht, dat een Gezangdichter en een lid

|30|

der Gezangencommissie had voortgebracht. Bij de godsdienstoefeningen kon hij dan ook de onbekendste verzen met de onmogelijkste wijzen laten zingen.

En of het nu kwam, omdat Willem Sluyter tot de Gezangendichters behoord heeft, maar een feit is het, dat Dr. Rutgers in Sluyters gedichten thuis was. En zijn bekendheid daarmee wist hij nog bij zijn afscheid van Eibergen op gelukkige wijze te pas te brengen.

Velen, die zijn afscheidspreek gehoord hadden, en ook anderen die haar niet hadden kunnen hooren, wenschten n.l. dat dit laatste woord gedrukt zou worden. Aan dat verzoek voldeed Dr. Rutgers. Wel verscheen de preek niet in den handel, maar aan ieder huisgezin, dat tot de gemeente behoorde, zond hij een present-exemplaar als aandenken. En met een fijne attentie tegenover Eibergens gemeentenaren, plaatste hij nu vóór zijn afscheidspreek van Eibergen deze regels uit de gedichten van Eibergens vroegeren pastor en poëet:

’t Gesproken woord
Vliegt haast weer voord;
Maer wat men schrijft,
Beklijfd en blijft.

De tekst voor zijn afscheid te Eibergen was dezelfde als die te Soesterberg. Hij had de preek echter gedeeltelijk geïmproviseerd, zoodat hij het niet geschreven gedeelte later uit het geheugen moest opschrijven.

Uit een vóór ons liggend „present-exemplaar” knippen we hier allereerst de inleiding uit:

Een afscheidswoord, M.V.! — vooral het afscheidswoord van een leeraar tot zijn gemeente, — en althans mijn afscheidswoord tot u, — zou dat woord niet een moeielijk woord zijn? en dan moeielijk voor ons beiden: zwaar voor mij die het moet gaan spreken, evenzeer als voor u die het hoort. — Dat het zwaar is voor u, dat durf ik gerust onderstellen, want ik weet hoeveel droefheid mijn keuze u gaf: ik heb ondervonden, zoo klaar als maar kon, door uw woorden en daden te zamen, dat gij waarlijk aan mij zijt gehecht. — Maar die band is voorwaar even vast aan mijn zijde, gelooft dat vrij! en de scheiding valt mij niet minder hard. Voor het laatst als uw leeraar te spreken, — te spreken tot u, mijn zoo geliefde gemeente, — tot u, die ik nu reeds zoo goed leerde kennen, — tot u, die mij niet alleen uw achting, maar ook uw vertrouwen en uw liefde, in een zeldzame mate, hebt getoond, — tot u, in wier midden ik gelukkig geweest ben, ook met name door de ondervinding van ongeveinsde hartelijkheid en toegenegenheid, — tot u, die ik allen „mijn vrienden” kan noemen, in den vollen zin van dat woord; — tot u, een afscheidswoord te spreken, — zou ik nog wel noodig hebben om te zeggen, hoeveel moeite die toespraak mij kost!
Maar toch ook weer, nu het eenmaal zoo zijn moet, nu eenmaal het heengaan voor mij is bepaald, nu zou ik niet gaarne dit uur willen missen. Hoe zwaar mij

|31|

dit spreken ook valt, ik zou waarlijk niet wenschen, dat ik ook wel heengaan kon zonder dat: want ik heb nog zooveel u te zeggen. — Wel heb ik u allen in uw woningen reeds een afscheidswoord toegesproken, of het is mijn plan om dat weldra te doen; maar dat woord kon slechts kort zijn, en daarom is mij de gelegenheid welkom, om nog eens opzettelijk tot u allen te zamen te spreken. — Immers hebben vrienden die scheiden, vóór het heengaan nog veel aan elkander te zeggen, dan vooral als zij een betrekkelijk langen tijd bij elkander zijn geweest. De verledene tijd geeft dan waarlijk wel rijkdom van stof! — Zoo althans ging het mij, toen ik dacht aan dit uur. In de laatste dagen heb ik veel teruggedacht aan den tijd dien ik hier geweest ben, aan dat tweetal jaren dat nu juist is vervuld; en als ik nadacht over dat verblijf in uw midden, als ik nadacht over alles wat ik hier ondervond, vooral met betrekking tot u, dan vond ik veel, nog zeer veel, wat ik u wilde zeggen. Mijn eigen herinnering had dan veel, wat ik ook an u nog herinneren moest.
Dat was, en dat is mij behoefte; en dan een behoefte die ik gevoel, niet alleenlijk als uw vriend die vriendschappelijk met u omging, maar ook als uw leeraar, als degeen aan wien al dien tijd de bediening van het Evangelie onder U was vertrouwd Als zoodanig heb ik ook nog zooveel u te zeggen: ja zelfs mag ik nu niet voorbijzien, dat ik hier op deze plaats vooral als zoodanig voor u sta. Daarom moet ik vooral als uw leeraar nu nog eens tot u spreken en mij bij mijn herinneringen zooveel mogelijk bepalen tot het werk dat ik onder u heb verricht. — En dan is de vraag die ik te dien aanzien mijzelven gedaan heb, — een gewichtige vraag én voor u én voor mij! — hoe het was en is met de vrucht van dat werk? Dat is toch ook eigenlijk de hoofdzaak: die herinnering raakt het allervoornaamste: van het antwoord op die vraag hangt zooveel voor ons af! — Laat mij daarom in dit uur die beslissende vraag eens trachten te beantwoorden, om dan mijn toespraak aan dat antwoord te verbinden. Andere herinneringen zal ik daarbij zeker niet geheel uitsluiten, maar toch deze herinneringen op den voorgrond stellen: en dus thans tot u spreken over mijn ervaringen onder u, vooral met betrekking tot de vrucht van mijn werk.
Ik voorzie reeds terstond een vraag, een bedenking: de vraag, of ik wel in staat ben om genoeg van die vruchten te zeggen? en indien ik het kan, doordat ik ligt nog iets meer van u weet dan menig ander, of ik dan wel vrijheid heb om te zeggen, wat mij eigenlijk is vertrouwd? — Weest gerust, M.V.! het vertrouwen dat ik van zoovelen uwer in zoo velerlei opzicht genoot, dat was, en dat is, en dat blijft mij altijd heilig; en ervaringen bij bepaalde personen zal ik nu zelfs in ’t geheel niet vermelden: dat zijn geheimen tusschen u en mij. — Maar dat is ook waarlijk niet noodig om te kunnen spreken over het onderwerp dat ik u daar aangaf. — De vruchten van het werk der Evangeliebediening, ze zijn met kleine wijzigingen bijna altijd dezelfde, en ze zijn beschreven, reeds voorlang, door dien Ééne, die er meer van wist dan eenig mensch, die er alles van wist, juist omdat hij de harten doorzien kon. Daarom kan ik mij nu door zijn leering doen leiden, en zijn woorden gebruiken, ook daar waar het mijn ervaringen geldt.

Dan leest de leeraar de gelijkenis van den zaaier als zijn tekst voor. En na een korte tekstverklaring komt hij vervolgens tot zijn eigen ervaringen bij de Evangeliebediening:

Mijn ervaringen, vooral met betrekking tot de vrucht van mijn werk, — ik heb ze straks reeds in het algemeen aan u meegedeeld, door de gelijkenis van den

|32|

zaaier; en die herinnering zou ik nu verder toepasselijk voor u uitwerken. — Wat verwacht gij dan nu allereerst? Toch niet dit, dat ik zal beginnen met klagen, met een uiting van droefheid en smart over zooveel zaad dat verloren ging, met een woord van bestraffing en dreiging tot zulke onvruchtbare hoorders ? — O neen! M.H.! juist het tegendeel staat bij mij op den voorgrond. Die ervaringen geven mij aanleiding, allereerst om te danken, en ook u moet ik allereerst daartoe stemmen.
Dankensstof geeft mij mijn ervaring; en dat zou zoo zijn, ook al kon zij niet getuigen van één enkele gunstige slotsom; want ook dan was ik toch nog altijd juist door die ervaring geleerd. — Ik ben in uw midden gekomen uit een kleine gemeente, die mij wel aanvankelijk heeft gevormd voor mijn practischen werkkring, maar die toch nog veel aan die vorming moest laten ontbreken, want haar kring was beperkt en gaf geen gelegenheid voor arbeid van allerlei aard; ook al heb ik veel aan die eerste gemeente te danken, ik was toch ook nog onervaren in velerlei opzicht, toen ik als uw leeraar hier kwam. Sinds dien tijd zijn nu bijna twee jaren verloopen; en door u is er in dien tijd misschien niet zooveel verandering bij mij opgemerkt: ik erken ook, dat ik meer, nog veel meer had kunnen en ook moeten leeren. Maar zonder ijdele zelfverheffing kan ik toch ook zeggen, dat die tijd voor mijzelven niet onvruchtbaar is geweest: hij was voor mijn eigen vorming zoo nuttig. Als ik thans dat tijdvak nog eens overzie, dan kan ik waarlijk niet zeggen dat ik met mijn eigen arbeid voldaan ben: als ik weer beginnen moest, dan zou ik in velerlei opzicht geheel anders te werk gaan; en dus, in menschenkennis, in levenswijsheid en in practische bekwaamheid ben ik althans een weinig gevorderd. — Nog eenmaal, ik zeg dat niet, om ook maar eenigszins op mijzelven te roemen, maar om mij erkentelijk te betoonen jegens de gemeente aan wie ik die vorming verplicht ben, opdat ik haar ook openlijk daarvoor danke, en die dank geldt dan allen, ook de minst ontwikkelden uwer: zelfs geen kind, dat mij niet somtijds iets goeds heeft geleerd. — Het kan zijn dat ge vreemd daarvan opziet, daar het nooit u te doen was om aan mij iets te leeren. Maar juist daarom dank ik u des te meer. Als ge hadt bedoeld om mij lessen te geven, als ge op een meesterachtigen toon mij hadt willen terechtwijzen (gelijk dat ongelukkig wel eens plaats heeft in sommige gemeenten), dan zou het nut zonder twijfel oneindig veel minder geweest zijn, en uw houding zou voor mij zeer onaangenaam geweest zijn. Juist dit, dat ge mij geleerd hebt in uw eenvoudigheid, en zonder dat ge het zelve eens wist of bedoeldet, dat is zoo goed; en ik hoop ook, dat het altijd onder u zoo zal blijven. Ik heb er zelf de goede vruchten van ondervonden; en reeds terstond die ervaring stemt mij nu tot oprechte dankbaarheid: tot dank aan u, die het middel tot mijn vorming geweest zijt, en tot dank bovenal aan dien God, die de plaats onzer woning en eens ieders werkkring bepaalt, en die mij een tijd lang in uw midden geplaatst heeft.

Doch niet alleen maar van ervaring in het algemeen, ook van blijde ervaring kan de scheidende leeraar getuigen als hij ziet op de vele vruchten van zijn arbeid. Daaronder noemt hij dan het volgende:

Menig woord, dat ik tot u sprak, is blijkbaar gevallen in goede aarde. Zoo herinner ik mij altijd met vreugde, dat ik niet te vergeefs heb gesproken over het rechte verstand van de Schrift: getuige uw groote belangstelling in onze

|33|

bijbellezingen; — dat ik niet te vergeefs u gewezen heb op de noodzakelijkheid van Christelijke kennis: getuige uw algemeene deelneming in onze vereeniging voor Christelijke lectuur; — dat ik niet te vergeefs u bepaald heb bij het gewenschte eener goede gelegenheid voor Christelijke vorming en ontwikkeling van jeugdige kinderen: getuige de krachtige medewerking der gansche gemeente tot stichting en instandhouding van zulk een inrichting; — dat ik niet tevergeefs u heb opgewekt tot meerdere offers voor den openbare eeredienst: getuige de inzamelingen, wier bedrag sinds dien tijd is verdubbeld; — en voorts in het algemeen, dat ik niet te vergeefs, door openbare prediking en door bijzondere toespraak, het Evangelie der zaligheid u heb voorgesteld: getuige onder anderen de verklaring die ik van sommigen uwer mocht vernemen, dat mijn woord inderdaad aan hun hart is gezegend geweest.

Toch zijn het niet enkel blijde ervaringen geweest:

In één opzicht alleen had ik soms mijn gemeente wel eens anders gewild: gij hebt mij ook wel eens reden gegeven tot klagen; niet met betrekking tot mijn persoon: in dat opzicht heeft geen enkele uwer zich iets te verwijten; maar wel met betrekking tot het woord dat ik sprak.
Week aan week in het openbaar, en gedurig op nieuw in uw huizen, ben ik tot u gekomen met leering en waarschuwing en vermaning, met de voorstelling van geloof en bekeering als den eenigen weg des behouds, met de aanwijzing van zooveel dat onchristelijk is en de opwekking tot waarachtig Christelijk leven; en dan moest ik later dikwijls zien, dat toch alles bleef zoo als het eenmaal was, of wel dat het goede spoedig weer verdwenen was. O! indien alle woorden, die ik u uit de Schrift heb herinnerd, nu eens over de zonde met alle hare gevolgen en over den eenigen Zaligmaker Jezus Christus, dan weer over de eischen van het Christelijk leven, en dan weer met name over misbruik van Gods Naam, over ontheiliging van den dag des Heeren, over onoprechtheid en oneerlijkheid en aardschgezindheid en wat dies meer zij, — indien alle die woorden eens bij u allen in goede aarde waren terecht gekomen, hoeveel meerder dankensstof zou er thans dan niet zijn, èn voor u èn voor mij! — Ja, ik weet wel, dat er nog wel zaad kan bewaard zijn, dat later opkomt; gave God, dat ook nu nog deze herinnering daartoe iets mocht bijdragen! Maar ik vrees toch, en daar is ook reden om te vreezen, dat er veel, zeer veel is vertreden of verdord of verstikt.
Hoe dat komt? — O! gewis ook door mijn nalatigheid en door mijn verzuim. Meer ijver, meer trouw en meer liefde bij mij zou al licht met een andere uitkomst bekroond zijn geworden. En die ervaring van veel teleurstelling is dus ook voor mij een roepstem tot verootmoediging. Al die tekortkomingen heb ik bovenal in den laatsten tijd diep gevoeld, en ik heb vergiffenis daarvoor noodig, ook van u wien ik daardoor soms schade gedaan heb, en vooral van mijn Zender en Heer die mij eenmaal tot rekenschap roept van mijn arbeid. — Maar hoezeer ik dat alles gevoel, toch weet ik dat de schuld niet enkel aan mij heeft gelegen. Het ging ook zoo met het woord, toen de Heer dat nog sprak; en Hij zelf. Hij verklaart ons in deze gelijkenis de voornaamste oorzaak. De onvruchtbaarheid van het woord ligt het meest aan de hoorders, gelijk die bij het zaad was te zoeken in de slechte gesteldheid van een zeker gedeelte des lands. — Is datzelfde, M.V.! ook niet de getuigenis uwer eigen conscientie? — Maar dan voelt ge ook zeker aanstonds, waartoe mijn ervaring in dit opzicht u roept, welke opwekking zij mij aangeeft. Als ge thans u zelven iets te verwijten hebt met betrekking tot mijn woord en mijn werk, laat dan die gedachte ook u verootmoedigen voor den Heer, en laat het dan ook verder niet zoo blijven.

|34|

Uit den afscheidswensch voor de gemeente volge eindelijk nog dit:

Ook voor uw aardsche belangen en uw tijdelijke welvaart hebt ge mijne beste wenschen en gebeden, maar toch meest voor dat ééne noodige: voor uw wezenlijk welzijn, voor uw geestelijk leven, voor uw eeuwig geluk. — Wat ik voor u wensch, het is ook, dat de gemeente al meer toeneme in aantal, gelijk in de laatste jaren door de aanneming van zoovele lidmaten is geschied; maar God geve toch vooral, dat ook innerlijke wasdom niet ontbreke: wasdom van geloof, en van liefde en van Christelijk leven! — Wat ik voor u wensch, het is ook, dat, gelijk in de laatste jaren, zoo ook verder het land overvloedige opbrengst u geve, en dat uw welvaart toeneme, ook doordat het dorre heideveld wordt herschapen in vruchtbaren grond: maar God geve toch vooral, dat het ook zoo gaan mag met den akker uwer harten: dat ook daar geen onvruchtbare bodem meer zij! — Wat ik voor u wensch, het is ook, dat het uiterlijk aanzien der gemeente al meer winne in netheid en schoonheid, gelijk dat in de laatste jaren werd gezien; maar God geve toch vooral, dat ook niet gemist worde wat het eigenlijke sieraad is eener gemeente; eenvoudigheid, godsvrucht, en reinheid van het hart! — Wat ik voor u wensch, het is ook, dat de goede gelegenheden, die er thans aanwezig zijn voor een Christelijke vorming en opleiding, steeds in stand blijven en nog worden vermeerderd: maar God geve toch vooral, dat zij ook getrouw gebruikt worden, en dan steeds beantwoorden aan haar doel: dat zij waarlijk wijs maken tot zaligheid!

Hoe eenvoudig en hoe getrouw was Dr. Rutgers ook als herder en leeraar in een dorpsgemeente!

 

Van Eibergen ging Dr. Rutgers naar

Brummen.

10 Maart 1867 werd hij daar tot zijn dienstwerk ingeleid door zijn vriend Ds. H.C. Bervoets, predikant te Zwolle, die bij deze gelegenheid sprak over 1 Kor. I : 23a. Des namiddags deed de bevestigde zijn intrede met een leerrede over 1 Kor. II: 2, dezelfde tekst, waarmee hij zich aan Eibergen verbonden had. Trouwens, deze tekst gold toentertijd als de intreetekst bij uitnemendheid: „Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en dien gekruisigd.” Dat was het Schibboleth, waarmee de nieuwe leeraar zijn orthodoxie uitsprak.

Er verscheen ook sinds 1865 bij A.J. Mulder te Delft een serie Wekelijksche Volks-Leerredenen van Ned. Hervormde Predikanten, die als het eenige fundament ter zaligheid prediken: Jezus Christus en dien gekruisigd. Iedere leerrede verscheen in den vorm van een aflevering voor den geringen prijs van vijf cents. Op de achterzijde van het omslag wees de uitgever, tot aanbeveling dezer uitgave, op de lijst van H.H. Medewerkers, „mannen, die zich niet schamen, tegenover het hedendaagsche ongeloof en

|35|

bijgeloof, den gekruisigden Christus te verkondigen, als den eenigen van God verordineerden weg tot zaligheid”.

Tot de 60 à 70 predikanten nu, die medewerkten, behoorde ook Dr. F.L. Rutgers van Brummen. In zijn Brummenschen tijd leverde hij dan ook voor bijna elken jaargang van deze preekenbundels een leerrede. We telden het volgende zestal:
1. De goddelijke oorsprong van Jezus’ leer door hem zelven tegen ontkenning gehandhaafd. Over Joh. 7: 17. Tweede jaargang, no. 33, 1868.
2. Hervorming. Over Rom. 12: 2b. Derde Jaargang, no. 20, 1868.
3. Jezus’ omgang met de tollenaars en zondaars. Over Luk. 15: 2. Vierde Jaargang, no. 30, 1870.
4. Davids overleggingen bij het zware lijden, dat door zijne schuld over Israël kwam. Over 1 Kron. 21: 17b. Vijfde Jaargang, no. 19, 1870.
5. Het laatste verhoor in Jezus’ terechtstelling voor Pilatus. Over Joh. 19: 7-11. Zesde Jaargang, no. 37, 1872.
6. De eerste ontvangst die aan Jezus bij zijn komst in de wereld ten deel viel. Over Luk. 2: 1-7. Achtste jaargang, no. 23, 1873.

Het treft aanstonds, dat de gekozen teksten op één na alle aan het Nieuwe Testament ontleend zijn. Herinneren we ons nu, dat ook het proefschrift van Dr. Rutgers een Nieuw-Testamentisch onderwerp behandelde, dan ontdekken we in hem geen voorliefde voor Oud-Testamentische studiën, die we toch bij den zoon van den Leidschen Hoogleeraar Rutgers allicht verwacht zouden hebben.

Verder valt de kortheid van deze preeken in ’t oog. De hierboven onder no. 2 en 3 genoemde tellen 8, de andere 12 bladzijden compres gedrukt. En aangezien meestal de 1e en 2e voorzang, de tusschenzang en de nazang volledig worden afgedrukt, ja soms ook het voorgelezen Schriftgedeelte, neemt de eigenlijke leerrede wel eens ternauwernood 7 bladzijden in beslag. Lang van stof was deze dominee dus zeker niet. Een zandlooper was op zijn kansel niet noodig.

Maar evenals zijn grootvader verstond hij de kunst „om met weinige woorden veel en zóó te zeggen, dat elk hem begreep.” Elke preek geeft een duidelijke tekstverklaring, en ruimt voorts een breede plaats in aan het toepasselijk gedeelte. Daarbij spreekt de leeraar zijn gemeente telkens toe, en dat in eenvoudige taal, gespeend aan alle geleerdheid en evenzeer aan alle gemaaktheid. Ook stuit men hier niet op die ultra-gereformeerde krachttermen, die bij sommige orthodoxe predikanten schering en inslag zijn. En toch zijn deze preeken gezond in de leer.

|36|

Met bizondere belangstelling doorbladeren we de leerrede over Rom. 12: 2b: Wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds. Het is een preek voor den gedenkdag der Hervorming. En we zijn verlangend te vernemen, wat de latere kerkhistoricus en reformator daarvan zegt.

Van zijn tekstkeuze geeft hij aldus rekenschap:

Het voorgelezen tekstwoord kan wel bij uitnemendheid een hervormingstekst heeten. Juist dit woord werd door de hervormers zelven gedurig aangehaald en gebruikt. Het is geheel in overeenstemming met het wezen en karakter van hun streven, dat vooral ontstaan is uit eene zedelijke behoefte, en waarbij een zedelijk beginsel ondubbelzinnig op den voorgrond stond. En ook zelfs de woorden zelven, waarin de vermaning vervat is, spreken letterlijk van hervorming. Volgens de vertaling, die toen ter tijd het gebruikelijkst was, las men voor het woord: veranderen, de Latijnsche uitdrukking: reformeeren. En waar dit, wat den zin betreft, geheel op hetzelfde neerkomt, zoo wordt deze opwekking juist daardoor voor den dag der Hervorming nog te meer geschikt. Wordt gereformeerd, zegt dan de Apostel, wordt veranderd en hervormd, door de vernieuwing uws gemoeds. Alzoo dan, hervorming door vernieuwing des gemoeds, dat is, volgens Paulus, de hervorming waarop het eigenlijk aankomt, de ware hervorming, in den hoogsten, den Christelijken zin van dat woord.

En uit deze uitspraak van den Apostel trekt de prediker dan deze conclusie:

Dus is het niet genoeg om hervormd te zijn, alleen maar door verzet tegen Roomsche dwaling, of alleen maar door te behooren tot de Hervormde Kerk, of alleen maar door het hebben van een eeredienst die hervormd is, of alleen maar door het aankleven van de echte Hervormde leer. Wie zich daartoe beperkt, ook al wordt hij een Hervormde genoemd, de Apostel Paulus zou zeggen, dat hij eigenlijk niet hervormd is.

Ten slotte wordt dan aangetoond, dat het hart hervormd moet zijn door vernieuwing in wedergeboorte en bekeering.

Dit alles nu moge hier goed gezegd zijn, toch stelt deze Hervormingspreek uit het jaar 1868 te leur. Want men merkt niet, dat de ziel van Dr. Rutgers ook maar eenigermate beroerd werd door den strijd voor kerkherstel, dien mannen als Groen van Prinsterer en Esser destijds reeds voerden.

Meer indruk schijnt de oorlog van 70 op zijn gemoed gemaakt te hebben. Althans, hij bespreekt het probleem van den oorlog in zijn predikatie over 1 Kron. 21: 17b: Maar deze schapen, wat hebben die gedaan?

Een inleidend woord brengt het probleem aldus naar voren:

|37|

Onder alle gewaarwordingen en gevoelens, die er in de laatste weken menigmaal in ons hart werden opgewekt, hoort ook zeker het gevoel van deelneming en van medelijden. Ja! dat moet wel zoo zijn bij een ieder die Christelijk denkt en gezind is; en ook bij dezulken die van het Christendom niet veel meer dan den naam hebben, bij dezulken in wier hart de natuurlijke zelfzucht nog leidt en regeert, ook zelfs bij dezulken is ongevoeligheid in een tijd als deze wel bijna ondenkbaar. Zonder twijfel, we verblijden ons dankbaar, dat ons land en ons volk tot nu toe is gespaard, en dat er ook zelfs geen reden meer is voor buitengewone maatregelen; maar met des te inniger deelneming zien we op die volken, die het voorrecht des vredes thans missen; en we durven bijna niet nadenken over al den jammer, die er sedert weken dag aan dag wordt gewerkt. Zooveel honderd duizenden, die voortdurend gereed staan voor een bloedig werk van vernieling, daardoor aan het onderhoud van de hunnen onttrokken en ook voor een groot gedeelte ten doode gewijd: wat al armoede en gebrek moet daarvan het gevolg zijn, en vooral welk eene spanning en onrust in den kring van ieders gezin! Zooveel duizenden die reeds vielen: wat al smart en ellende op die slagvelden, en vooral welk eene droefheid en rouw, waar de vader, de echtgenoot of het kind wordt gemist! En dat alles door menschen aan elkander aangedaan, zonder dat ze elkander zelfs kennen! Gansche volkeren met het zwaard tegenover elkander, slechts door enkelen tot die slachting geleid! Onuitsprekelijk leed over talloos velen, die het zelven toch niet bewerkt hebben, en die ook zelven niets er aan konden doen! O voorwaar! hoe meer we daarin komen, des te meer beklagen we al die slachtoffers: we gevoelen zelven ook iets van het leed dat hen treft: daar is in ons hart eene stem die het voor hen opneemt met nadruk en kracht; en hoe meer we zien op hun leed, des te meer dringt de vraag zich naar boven: maar hoe kan de Heer zulk een onrecht toelaten? Hij regeert, en Hij heeft gerechtigheid en gerichten lief; maar waarom, ja waarom moeten gansche volkeren dan zoo lijden?

Een dergelijke vraag deed ook David: „Maar deze schapen, wat hebben die gedaan?” Dit tekstwoord wordt nu eerst uit het tekstverband toegelicht, nadat als tusschenzang is opgegeven: Psalm 11: 2, 4, en ziedaar tevens een voorbeeld van een onbekend vers met een onmogelijke wijs, die we in Brummen wel eens hadden willen hooren zingen:

Soms wordt gewis, in ’t veilig samenleven,
 De grondslag van ’t vertrouwen omgerukt.
Wat heeft het volk, ’t rechtvaardig volk, misdreven?
 Maar d’ Opperheer, voor wien al ’t schepsel bukt,
Ziet van zijn troon oplettend naar beneden:
 Hij, die nooit duldt, dat de onschuld wordt verdrukt,
Proeft elks gedrag, zelfs met zijn oogenleden.

Rechtvaardig is de Heer in al zijn handel:
 Hij, die in ’t recht zijn welbehagen vindt,
Slaat gunstig ’t oog op aller vromen wandel.

De oplossing van het probleem zoekt Dr. Rutgers dan voorts in de solidariteit van schuld:

|38|

O! van Israël kon reeds gelden: de volkeren boeten wel voor de dwaasheden van de vorsten. maar ze hebben zelve ook deel aan die schuld. Zoo was het en zoo is het altijd. Als b.v. een volk geen belang stelt in de zaken des lands en die slechts aan weinigen overlaat, of als zij die er toe geroepen zijn die belangen lichtzinnig behandelen; als het gansche volk dwalingen toejuicht en mede verspreidt, of als het in het algemeen recht en waarheid niet meer boven alles stelt; als een geest van aardschgezindheid en zelfzucht en ijdelheid en hoogmoed alle standen doortrekt, en als daardoor de volksaard bedorven wordt; als er van dat alles het een of ander een tijd lang duurt, en het komt dan eindelijk tot eene uitbarsting of er vloeien rampen uit voort, kan dan zulk een volk wel van schuld worden vrijgepleit, ook al komt liet leed meer rechtstreeks door een ander? Zou b.v. een oorlog uit eerzucht en heerschzucht nog wel mogelijk zijn, althans hier in Europa, als de volkeren in het algemeen van het Christendom nog iets meer hadden dan den naam: als de doorgaande geest inderdaad ootmoedig was en zachtmoedig, vol des geloofs en der liefde, en tot zelfverloochening geneigd, als de Christelijke zuurdeesem nog iets meer dan de oppervlakte van het meel had doordrongen?

Eindelijk wordt gewezen op het mysterie van Golgotha’s kruis:

Ziet, daar is er Eén geweest, van wien ook gezegd wordt, dat hij als een schaap ter slachting is geleid, en van wien in vollen zin kan getuigd worden, dat hij niets onbehoorlijks gedaan had; en dat kruis des onschuldigen, het is juist de behoudenis van verlorenen! Als we zien op dat kruis en op zijne uitwerking, dan kan twijfel aan het Godsbestuur ook wel nooit meer opkomen; en als God ons gaf, er ook in te roemen, omdat door dat kruis ook wijzelven met Hem zijn verzoend, dan is al het leed dezer aarde geen waarlijk leed meer, maar slechts oefening, vorming, volmaking. — Ja! zoo is het met allen, die in waarheid schapen zijn van den goeden Herder; en in plaats van de vraag: wat hebben ze gedaan, om ook leed te ontvangen? is het dan ten hunnen aanzien juist de vraag: wat hebben ze gedaan, dat de Allerhoogste zoo goed is voor hen, dat Hijzelf hun toezendt wat een ieder noodig heeft, dat Hij ook door lijden hen vormen wil voor een eeuwig geluk? — Neen voorwaar! dat is iets, wat wel niemand verdiend heeft: dat is wel ten volle genade in plaats van recht: en in zulk een zin zal wel juist dit tekstwoord voor het Christelijk nadenken nooit zijn uitgeput; ook zelfs in de eeuwigheid heeft men met die vraag dan nooit afgedaan, en het beste antwoord blijft dan altijd: aanbidding en dankzegging.

Deze oorlogspreek bevredigt meer dan de zooeven besproken Hervormingspreek, wat te merkwaardiger is, omdat Dr. Rutgers zich later wel veel met kerkhistorie, maar heel weinig met wijsgeerige problemen als de hier aangeroerde theodicee heeft bezig gehouden.

Door zijn medewerking aan de Wekelijksche Volks-leerredenen kreeg de orthodoxe predikant van Brummen nu ook meer bekendheid in den lande. En zoo ontving hij dan ook gedurende zijn diensttijd aldaar onderscheidene beroepen; in 1869 naar Enschedé; in 1870 naar Wichmond; in 1871 naar Lichtenvoorde. Maar telkens vond

|39|

hij vrijmoedigheid om te bedanken. Toen echter in 1873 het beroep naar Vlissingen kwam, nam hij dat aan. Doch eer hij van Brummen naar Vlissingen vertrok, verbrak hij de eenzaamheid van zijn ongehuwden staat.

In Sluyters Gedichten had hij stellig ook wel gelezen van het echtelijk geluk in Eibergens pastorie, geschetst in dit tafereel uit het dagelijksch verkeer tusschen het Eibergensche echtpaar:

Spraecks’ aen den disch: „Lief, wilt gy my besoeken”,
Indien se my te lang sag by mijn boeken,
„Of sal ik u besoeken dezen dag?
„Indien ik op uw kamer komen mag.”

Dan saten wy, soo lang de tijd kon lijden
En deden elk het onse met verblijden.
Sy werkt’ yet met haer hand, terwijl ik las,
Of songen t’ saem, nadat het quam te pas.

Nu kon Dr. Rutgers helaas niet zingen. Maar converseeren met dames kon hij opperbest. Dan was het al hoffelijkheid en levendigheid en gezelligheid en geestigheid wat er aan hem was. En zóó wist de Brummensche pastor het hart te stelen van de schoone, die hij in zijn gemeente op een buitengoed bij haar peettante had leeren kennen. Het was mademoiselle Cornélie Cathérine Hermance Guye, dochter van den vroegeren Waalschen predikant Guye te Amsterdam, bij wien aanzienlijke families in de hoofdstad, als de Oyensen en de Piersons wel plachten te kerken. Sedert zijn emeritaat was hij met zijn gezin te Lutry in Zwitserland gaan wonen. Maar zijn dochter, in Amsterdam geboren, logeerde nog al eens bij de familie te Brummen.

Op 14 Januari 1874 werd het huwelijk te Lutry voltrokken.

 

Zoo kwam Dr. Rutgers dan in 1874 gehuwd te

Vlissingen.

Daar stelde men van oudsher zooveel prijs op degelijke prediking, dat de Vlissingsche gemeente, evenals de Hollandsche gemeente te Londen, er in de consistoriekamer een theologische bibliotheek op nahield, waaruit haar predikanten konden studeeren 1). En hieraan heeft men het wel eens toegeschreven, dat de prediking in Vlissingen exceptioneel zuiver bleef 2). Maar ook vonden historisch aangelegde geleerden als de latere professoren


1) Ds. N.A. de Gaay Fortman gaf er in 1882 voor ’t eerst een catalogus van uit.
2) De Heraut, no. 245.

|40|

J.W. te Water en J.J. van Toorenenbergen hier in hun predikantstijd een prachtige gelegenheid tot verrijking van hun kennis op het gebied der Vaderlandsche Kerkgeschiedenis.

Niet onwaarschijnlijk nu lijkt het ons, dat ook Dr. Rutgers hier almeer gedreven is in de richting van kerkhistorische studie.

En had Dr. Van Toorenenbergen hier in 1861 zijn gedenkschrift over de Nederlandsche Geloofsbelijdenis geschreven, thans vond Dr. Rutgers er gelegenheid en lust om die Belijdenis hier wekelijks met eenige gemeenteleden te bespreken. Het initiatief daartoe was uitgegaan van het personeel der Christelijke School, hoofd de heer P.J. Kloppers. Het had n.l. den heer J. Fransen afgevaardigd, om Dr. Rutgers te vragen, of het hem mogelijk zou zijn een cursus te geven in één van de vakken, die hem het noodigst voorkwamen.

De afgevaardigde werd zeer vriendelijk ontvangen, en kreeg ten antwoord, dat hij dan maar eens trachten moest eenige namen van hen, die er aan wilden deelnemen, op een lijst bijeen te brengen. Toen dit te Vlissingen bekend werd, gaven zich verschillende personen op; ook leden van het Schoolbestuur, als Dr. van der Beke Callenfels, de apotheker M.N. Baert, de postdirecteur Esser e.a. Het lijstje inziende, gaf Dr. Rutgers zijn bevreemding te kennen over de namen, die er op stonden. Hij had verwacht, dat het jongelui zouden zijn. Evenwel verklaarde hij zich bereid, met dit uitgelezen gezelschap de 37 Geloofsartikelen te behandelen, waarvoor welwillend de consistoriekamer werd afgestaan. En nu, na meer dan veertig jaren, zijn de leerzame uren, op dien cursus doorgebracht, nog niet vergeten. De heer Fransen, die er ons een en ander van vertelde, schreef in het Christelijk Schoolblad van 18 Mei 1917:

„Toen ondergeteekende bij zijn vertrek Dr. Rutgers kwam bedanken voor al hetgeen hij van hem geleerd en de vriendschap en hartelijkheid, die hij van hem had mogen ondervinden, erkende de zeer bescheiden en nederige man, dat die samenkomsten ook voor hem zelf van zooveel nut en zegen waren, omdat hij zich terdege moest voorbereiden, om zooveel mogelijk alle vragen te beantwoorden, en de bezwaren, die werden geopperd tegen zijn betoog, uit den weg te ruimen en op te lossen. Zoo was Dr. Rutgers!”

Ook de predikatiën van Dr. Rutgers, te Vlissingen gehouden, roemt men nog als bij uitstek leerzaam. Slechts één daarvan gaf hij uit in de Wekelijksche Volks-leerredenen, jg. 10, no. 10, 1875. Het is een leerrede naar Gal. 6: 7b: „Zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien.” Het thema luidt: De vergelding, waardoor

|41|

eenmaal ieders toestand aan zijn vroeger leven zal beantwoorden.

’t Is een kort preekje, van nog geen 8 bladzijden.

Vooreerst wordt daarin op de waarheid van het tekstwoord gewezen:

Er is eenheid, orde en samenhang tusschen dit en het volgende leven. Wat de dood teweegbrengt, dat is niet eene scherpe scheiding of een afbreken van de lijn: het is slechts ontwikkeling, voortzetting, vrucht van dit leven. En er is geene ontwikkeling, die niet overeenstemt met de kiem: geene voortzetting, die niet aan den aanvang beantwoordt, geene vrucht, die niet door het zaad is bepaald. Ook in geestelijke dingen is geen oogst, waar niet van te voren gezaaid is; ook in geestelijke dingen leest men geene vijgen van doornen en geene vijgen van distelen. Hier op aarde is er onder menschen een tweeërlei leven, meer of minder ontwikkeld, maar toch lijnrecht aan elkander tegenovergesteld, meer of minder naar buiten zichtbaar, maar toch scherp gescheiden voor de oogen Gods: een leven naar het vleesch, d.w.z. naar het goeddunken van het eigen hart, en een leven naar den Geest, d.w.z. door den Heiligen Geest bestuurd en geleid. En zooals het hier op aarde in dat opzicht bij ieder geweest is, zoo moet en zoo zal dan ook eenmaal zijne toekomst zijn. „In ’t verleden ligt het heden”, dat wordt hier op aarde reeds ten deele aan ieder bewaarheid; maar het wordt ons als volkomen zeker verkondigd en gestaafd, wat de dichter daarbij voegt: „in ’t geen is wat wezen zal”. „Die in zijn eigen vleesch zaait, zal uit het vleesch verderfenis maaien, maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien”.

Zulk een onderwerp op den kansel te behandelen, was vooral destijds een waagstuk. Want het ging geheel in tegen de heerschende lijdelijkheidsleer. Trouwens, op het eerste aanzien lijkt deze tekst beter in de theosophische leer van het karma, dan in de gereformeerde dogmatiek te passen. Toch blijft Dr. Rutgers goedgereformeerd, als hij aantoont, welk een heilzamen prikkel dit tekstwoord bevat:

Niet om eigengerechtigheid aan te kweeken, alsof door een deugdzaam leven eeuwig heil moest verdiend worden. Alles wat met die bedoeling gedaan wordt, ook al zou het bij de menschen uitnemend zijn en onberispelijk, dat is voorwaar geen zaaien in den Geest, maar ook een zaaien in het eigen vleesch ten verderve. Het is enkel de Wet des Geestes des levens dat in Christus Jezus is, die kan vrijmaken van de wet der zonde en des doods. Maar het kan bij aanvang en bij toeneming dringen, om dat heil te begeeren, te zoeken en aan te nemen, als bedacht wordt, dat het slechts dat zaad des geloofs is, waaruit heiligmaking opwast, en dat het leven heeft tot blijvende vrucht. „Wandelt door den Geest”, — wordt dan tot dezulken gezegd; en: „laat ons goeddoende niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zoo wij niet verslappen”.

Dat Dr. Rutgers zich blijkbaar tot de behandeling van zulk een op Gereformeerde kansels helaas weinig bepreekte stof voelde aangetrokken, wijst misschien wel op een familietrek. Althans, het

|42|

trof ons, in de „Afscheidsrede te Campen den 11 Maert 1798” door zijn grootvader Johannes Rutgers gehouden, o.m. deze regels te lezen: „Dikwijls heb ik u het nauw verband trachten aan te toonen tusschen dit leven en het toekomstige, in ’t welk wij maeyen sullen ’t gene wij hier gezaaijd hebben, en ontvangen sullen even ’t gene in ’t lichaam geschied is, naardat wij gedaan hebben, hetzij goed, hetzij kwaad. De kostelijkheid van den tijd, het onuytsprekelijk aanbelang van onze onsterfelijke zielen, voor welke God ook sijn eygen Zoon niet gespaard heeft, de onzekerheid van den dood, ’t gewicht der eeuwigheid, — deeze waren de geliefkoosde onderwerpen, waarmede ik uw aandacht onderhield1).

Nog zij vermeld, dat de slotzang, dien Dr. Rutgers op zijn preek laat volgen, weer een weinig bekend psalmvers is, zoowel wat de woorden als wat de zangwijs aangaat. Het is Psalm 58 : 8;

De mensch zal eerlang vroolijk zeggen:
 „Gewis, de deugd geniet haar vrucht;
 „Gods grootheid wordt terecht geducht,
„Die loon en straf weet toe te leggen;
 „Gewis, daar is een God die leeft,
 „En op deez’ aarde vonnis geeft.”

Te Vlissingen begaf Dr. Rutgers zich ook voor ’t eerst in het strijdperk. Nog wel niet in den strijd voor Kerkherstel, maar in den Schoolstrijd. Hij had er zijn politieke periode. En uit die Vlissinger periode is hij dan ook nu nog onder de Zeeuwen bekend als machtig debater op politieke vergaderingen. Daarvan vertelde de heer Fransen in genoemd Schoolblad-artikel het volgende:

„Toen Dr. Rutgers te Vlissingen predikant was van 1874 tot 1877, bestond aldaar een afdeeling van Volksonderwijs, die nog al wat beteekende. Officieren en predikanten en vele notabelen waren daarvan lid en deden hun best propaganda te maken voor de openbare school, Vergadering op vergadering voor ieder toegankelijk werd gehouden. Op één daarvan zou een der leiders van Volksonderwijs, een der vooraanstaande mannen uit Amsterdam, de welbekende heer A. van Otterloo, spreken. Het bestuur en de onderwijzers der Christelijke school en hare meest bekende voorstanders werden dringend uitgenoodigd om met den spreker te debatteeren. Den avond voor de vergadering kwamen de uitgenoodigden bijeen. Ieder gevoelde het gewicht van hetgeen den


1) Wij cursiveeren.

|43|

volgenden dag geschieden zou. Met algemeen goedvinden werd Dr. Rutgers, zooals we hem toen noemden, aangewezen om te debatteeren. Wel maakte deze bezwaren, maar toch bezweek hij voor den sterken aandrang. Natuurlijk werd de samenkomst met dankzegging gesloten en gebeden om de hulp en bijstand van Hem, die nooit beschaamd en verlegen laat, allen, die op Hem hopen.
„De avond brak aan. De zaal op de Groote Markt was propvol. Nadat de spreker zijn rede had gehouden, gaf Dr. Rutgers zich op voor ’t debat. Velen kenden hem nog niet. Hij was nog niet lang te Vlissingen en bewoog zich weinig op het publieke terrein. Wie is toch die lange, bleeke, kaarsrechte man, vroeg men min of meer spottend. Dr. Rutgers had geen aanteekeningen gehouden. Zijn geheugen was sterk genoeg en toch volgde hij den gedachtengang van den spreker op den voet en sprak zoo met vuur en bezieling, zoo meesterlijk, dat zelfs de tegenstanders verbaasd stonden. Hij bewees het goed recht van het Christelijk Onderwijs en de noodzakelijkheid daarvan voor Christenouders.
„De spreker van Volksonderwijs had zijn man gevonden in dezen onbekenden, orthodoxen dominé en wist ten slotte niet meer te zeggen dan dit: Men kan wel hooren, dat Dr. Rutgers zelf geen kinderen heeft.
„Nu dat laatste was waar, want hij was nog maar kort gehuwd. De liberale Middelburgsche Courant, het zij tot haar eer gezegd, gaf zoowel van de rede van den spreker als van het debat een zeer uitvoerig verslag, zoodat ook daardoor de naam van Dr. Rutgers tot ver buiten Vlissingen klonk.
„Niet lang daarna werd hij benoemd tot lid van de plaatselijke Schoolcommissie. Met al de gaven en krachten hem geschonken heeft hij gearbeid en geijverd voor den bloei en den welstand der Christelijke School te Vlissingen.
„Toen in December 1876 door Minister Heemskerk bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal een wetsontwerp werd ingediend tot herziening van de wet op het Lager Onderwijs, achtte Dr. Rutgers zich geroepen het te bestrijden. Hij deed het voortreffelijk, mag ik wel zeggen, in Het Zuiden, het toenmalige Christelijk Historisch of Antirevolutionnair blad voor Zeeland. In acht hoofdartikelen zette hij onze beginselen betreffende het onderwijs uiteen en deed dat op een wijze, die ook den tegenstanders eerbied afdwong, Van personen te bestrijden had hij een grooten afkeer en beschouwde de liberale partij liefst als dwalende en als onbekend met onze beginselen”.

|44|

Eén van die hoofdartikelen volge hier:

De strijd, die er in ons vaderland met betrekking tot de regeling van het onderwijs wordt gestreden, kan onmogelijk eindigen of ook maar verflauwen, tenzij dan dat vrijheid en recht voor alle richtingen inderdaad worden toegepast en erkend. Een wetsontwerp, dat daarmede geen ernst maakt, dat integendeel het privilege voor één richting niet slechts handhaaft, maar ook nog uitbreidt, zal dan ook aan de oplossing van de schoolkwestie in het minst niet bevorderlijk zijn. De tegenstand tegen zulk een regeling moet wel voortduren, ja zelfs toenemen in beslistheid, in omvang en in kracht. Zonder ophouden zullen we onze bezwaren telkens luider doen hooren. En we doen dat waarlijk niet uit lust tot strijden, maar wij kunnen niet anders.
Wij kunnen niet anders. Indien nu daartegenover van „liberale” zijde moest gezegd worden: en wij, we kunnen ook niet anders; dan zou zeker het vooruitzicht allertreurigst zijn, zoowel voor hen als voor ons. We gelooven niet, dat het ook zelfs dan gelukken zou, ons volk in het algemeen voor de „neutrale” richting te winnen. Eerder zou de uitkomst kunnen zijn, dat ten slotte een anti-„neutrale” richting de macht in handen kreeg; en naarmate de strijd langer duurde en met zwaarder druk gepaard ging, naar diezelfde mate zou er ook meer gevaar zijn, dat dan het voorbeeld van de tegenwoordige machthebbers gevolgd werd, en dat dus de macht weer misbruikt werd tot beperking van anderer vrijheid en recht. In ieder geval zou gedurende dien langen en heftigen strijd de schoolkwestie alle andere belangen blijven overheerschen en benadeelen. En misschien zou ook te midden van den strijd aan ons vaderland weer bewaarheid worden: dat een koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, niet kan bestaan. Donker zou de toekomst altijd wezen, indien het aan de „liberale” partij werkelijk onmogelijk was om aan onze bezwaren tegemoet te komen. Maar al is dit door sommige van haar woordvoerders wel eens beweerd, gelukkig behoeven we te dien aanzien nog niet te wanhopen. Er is en er wordt aan diezelfde zijde ook wel anders gesproken; en het is zelfs lichtelijk in te zien, dat ook. de sterkste voorstander der „neutrale” school tegenover ons nog volstrekt niet behoeft te zeggen: wij kunnen uwe eischen niet inwilligen. Ja! indien die inwilliging niet geschieden kon, zonder dat van godsdienstige overtuigingen of van opvoedkundige beginselen iets werd opgeofferd; of indien er te vreezen was, dat dan een aantal kinderen van goed onderwijs zouden verstoken zijn; of indien de eisch was, dat nu aan ons een privilege verleend werd; dan zou zeer zeker ons moeten geantwoord worden: onmogelijk toe te staan.
Maar is zulk een antwoord wel meer dan een uitvlucht, nu we inderdaad slechts eischen, dat onze richting met de „neutrale” wordt gelijk gesteld? Zou het toegeven aan dien eisch, wel verre van eenig liberaal beginsel te schenden, niet juist bij uitnemendheid liberaal zijn? Werkelijk wordt dat door sommigen onzer tegenstanders dan ook reeds toegegeven; en we zijn overtuigd, dat dit nog veel meer gedaan wordt dan de schijn zou doen denken. We gelooven, dat de „liberale” partij niet geheel moet beoordeeld worden naar degenen, die uit haar naam spreken en schrijven; dat er veel meer liberale „liberalen” zijn, dan men met het oog op de woordvoerders en leidslieden zeggen zou; en dat hun aantal in de laatste jaren niet onbelangrijk is toegenomen. Van hen hopen en verwachten we, dat zij hoe langer zoo meer zich zullen doen gelden, in het werkelijk belang hunner eigen richting, en in het werkelijk belang van ons land en ons volk. Op hen durven we zelfs vrijelijk een beroep doen, overtuigd, dat dat weerklank bij hen vinden zal. Bij de „liberale” partij in het algemeen zou dat in den regel doelloos zijn; gewoonlijk

|45|

leest men daar niet, wat van onze zijde geschreven wordt, of wel men neemt er slechts kennis van voor zoover en zooals „liberale” bladen het mededeelen. In hun eigen kring van denkbeelden als het ware opgesloten, kunnen velen zelfs niet eens op ons standpunt zich verplaatsen, of het ook maar begrijpen en waardeeren; en dezulken zullen natuurlijk met alle macht in de eens gekozen richting blijven voortdringen, ongeneigd om het punt van uitgang eens ernstig te toetsen en blind voor de treurige gevolgen, die hun streven noodzakelijk met zich brengt. Maar we gelooven, dat zij daarbij niet op den duur door al hun geestverwanten zullen gesteund worden: „liberalen”, zooals we boven bedoelden, kunnen dat onmogelijk blijven doen. Ook bij alle gehechtheid aan hun eigen beginselen, kunnen ze juist daarom die van anderen eerbiedigen, kunnen ze er op den duur geen vrede mede hebben, als die door dwang worden voortgeplant; en hoe langer hoe meer moeten dezulken tot het inzicht komen, dat het een verkeerde en heillooze weg is, als de staatsmacht gebruikt wordt tot ondersteuning van één partij. Indien deze allen zich eens meer uitspraken en alzoo hun invloed lieten werken, ze zouden aan ons vaderland een grooten en onwaardeerbaren dienst doen. Misschien zou de oplossing der schoolkwestie dan niet verre meer zijn. Of dat alzoo geschieden zal, en of we in deze beschouwing niet veel te gunstig oordeelen? De tijd zal het leeren; maar er zijn verschijnselen, die ons goeden grond geven voor onze hoop.
Toch kan dat uitzicht ook gemakkelijk falen, gelijk alle verwachting, die met menschen te rekenen heeft. Wat ons betreft, moet dan onze steun ook niet in menschen gezocht worden, maar tenslotte eeniglijk rusten op Hem, voor wiens eer en gezag, voor wiens woord en dienst, voor wiens naam en zaak ook deze strijd door ons gestreden wordt. Daarom mogen we dan ook volstrekt niet moedeloos worden, ook al is teleurstelling op teleurstelling ons deel, ook al worden onze rechtmatige eischen bij voortduring afgewezen, ook al wordt de druk, die ons hindert, nog veelszins verzwaard. Het is wel mogelijk, dat iets dergelijks ons te wachten staat, juist niet door dit wetsontwerp, dat waarschijnlijk wel nooit tot wet zal verheven worden, maar dan door andere voorstellen, die er voor in de plaats kunnen komen. Maar we zien en eerbiedigen ook daarin Gods leiding met ons; en we hebben daarin dan een roepstem te erkennen, die ons opwekt tot nog meer ijver en offervaardigheid. Laat dat nooit ons te veel zijn. Laat het nooit ons verleiden tot klagen en zuchten. Juist integendeel; ook die druk moet ons een weldaad Gods zijn. Nu reeds heeft die druk van een aantal jaren aan de uitbreiding en de levenskracht onzer beginselen veel meer goed dan kwaad gedaan, veel meer goed gedaan dan voorspoed en rust zou hebben kunnen uitwerken. En zoo zal het in de toekomst ook zijn, als wij maar blijven voortgaan voor recht en vrijheid te strijden, zoowel met het woord als metterdaad. Dat laatste is en blijft het onmisbaar vereischte; en het is zelfs noodig, dat er aan den strijd nog veel algemeener wordt deelgenomen dan nu reeds geschiedt. Ook in onze provincie (Zeeland) wordt bepaaldelijk te plattenlande, de beteekenis van den schoolstrijd nog volstrekt niet door allen begrepen. Velen, die beslist aan onze zijde staan, en die dat in andere kwesties ook krachtig toonen, zijn ten aanzien van den schoolstrijd toch nog altijd niet veel meer dan toeschouwers, of wel ze helpen zelfs de tegenpartij. Als men op zijn eigen dorp maar een onderwijzer heeft van rechtzinnige richting, en de Bijbel op school wordt gebruikt, en de school een christelijke kleur draagt, dan zijn velen volkomen tevreden en begrijpen soms zelf niet, wat het christelijk onderwijs toch eigenlijk wil.
En toch die beschouwing is niet anders dan kortzichtigheid. Wat gijlieden hebt, moeten we tot hen, die zoo oordeelen, zeggen, dat hebben verre de meesten niet.

|46|

In streken met gemengde bevolking en in alle grootere plaatsen zijn zulke christelijk gekleurde openbare scholen onmogelijk; want de wet verbiedt ze en dat verbod kan elders volstrekt niet worden terzijde gesteld. Ook al was het enkel daarom, moest ge toch anderen in hun strijd niet alleen laten staan. Maar er is nog veel meer. Wat de wet verbiedt, zult ook gij op den duur niet behouden kunnen. Hoe langer hoe meer zullen alle scholen, ook op kleinere dorpen, en alle onderwijzers „neutraal” worden, in den zin, dien we vroeger gezien hebben dat dat woord eigenlijk heeft. Hoe langer hoe meer zal de strijd, die hier eigenlijk gestreden wordt, openbaar worden als een strijd tusschen Gods gezag en een daarvan onafhankelijk menschelijk onderzoek, tusschen de beginselen van geloof en ongeloof.
Hoe langer hoe meer zal de „neutrale” school van een anti-Christelijk beginsel doortrokken worden. En dan ja, dan zult gij, die u nu nog in een Christelijk beginsel op uw staatsschool verblijdt, zonder twijfel u ook tegen haar verzetten. Maar wanneer gij eerst anderen bij denzelfden strijd hebt in den steek gelaten, dan kon uw bereidwilligheid tot medestrijden wel eens voor allen te laat komen. Onze strijd is ook nu reeds in vollen zin uw strijd. Het is de Christelijke opvoeding der jeugd, het woord Christelijk daarbij opgevat in zijn waren geschiedkundigen zin, waarover eigenlijk het verschil loopt: De aanval daartegen richt zich thans nog niet tegen u. Maar het zou een slechte berekening zijn, als men met verdediging tegen een vijand wilde wachten, tot dat die vijand ook op het eigen terrein verschenen was. Laat toch worden ingezien en erkend, dat de groote strijd onzer dagen, die zich ook op schoolgebied openbaart, alle Christenen aangaat, en dat allen geroepen zijn om daarin te doen, wat de hand vindt te doen. Laat het niemand der onzen blijven ontbreken aan belangstelling, ijver, offervaardigheid en gebed; en laat velen daarin volharden en nog toenemen. Laat ons daardoor vooral onze tegenstanders willen beantwoorden, overtuigen en winnen. Al wordt die bedoeling dan ook misschien niet bereikt, het Christelijk onderwijs zal er toch zeker bij winnen; we zullen voor ons zelve met des te meer vrede en kalmte de onzekere toekomst kunnen afwachten en we zullen dan in de laatste toekomst ons reeds nu verblijden kunnen: vrijheid en recht zullen toch ten slotte over dwang triomfeeren.

 

Den 15den Juli 1877 nam Dr. Rutgers met een predikatie over 1 Cor. III: 11-15 (elks werk zal door vuur beproefd worden) afscheid van Vlissingen, om te vertrekken naar

’s Hertogenbosch.

Daar bestonden eigenaardige, gespannen verhoudingen. Reeds in de jaren ’68 en ’69, toen hij nog te Brummen woonde, was Dr. Rutgers er door het kiescollege op twaalf-, zes- en drietallen genomineerd. Maar de liberale kerkeraad verlangde een modern predikant. Als zoodanig werd dan ook Ds. H. Pierson van Heinenoord er in 1869 beroepen, hoewel deze toen juist in zijn Gidsartikel over „de heerschappij der bourgoisie in de Nederlandsch Hervormde Kerk” het modernisme den rug toekeerde. Met verwijzing naar dat Gidsartikel vroeg hij nu den kerkeraad van Den Bosch, of men hem inderdaad wel begeerde. De kerkeraad, theologisch

|47|

weinig ontwikkeld, antwoordde toestemmend. En Pierson nam het beroep aan.

Toen hij zich echter te ’s Hertogenbosch als orthodox predikant ontpopte, achtten de meergegoede leden der gemeente, die vrijzinnig waren, zich in hem teleurgesteld. Maar door het volk werd zijn prediking des te meer gewaardeerd. Ook vond hij in Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman, lid van de Bossche Rechtbank en ouderling bij de Waalsche Gemeente, een geestverwant en vriend te midden van velerlei miskenning.

Er was nl. te ’s Hertogenbosch een schoolkwestie ontstaan, die de aanleiding werd tot den strijd, welken Pierson en Lohman sinds gezamenlijk voor het beginsel der vrije school hebben gevoerd, Deze „Bossche Schoolkwestie” zat ‘m hierin, dat de protestantsche diaconieschool er door den liberalen kerkeraad werd opgeheven, uit vrees dat het anders een confessioneele school van Piersons richting zou worden, en ook om den bloei en den invloed van het z.g. neutraal onderwijs der Openbare (maar half Roomsche) School, te bevorderen. Hiertegenover hadden toen Pierson en Lohman onder veel tegenwerking, een beslist orthodoxe school opgericht.

In de vacature, die ontstond door de benoeming van Ds. Pierson tot Directeur der Heldring-gestichten, werd nu opnieuw Dr. Rutgers genomineerd. En zeker ook wel, doordat het goed gerucht van zijn principieel optreden in den Zeeuwschen Schoolstrijd tot in ’s Hertogenbosch was doorgedrongen, gelukte het den twee voorvechters voor de vrije school aldaar, op hem de keuze te doen vallen. Aan den morgen van den 5den Augustus 1877 leidde zijn voorganger Pierson hem tot de gemeente in, en des namiddags hield de bevestigde zijn intrede met den gebruikelijken tekst: 1 Cor. II : 2.

Hier nu, in de hoofdstad van Noord-Brabant, zou spoedig de man hem vinden, wiens alter ego hij voortaan levenslang bleef, n.l. Dr. A. Kuyper.

Deze was toen reeds een publicist van naam. Hij schreef sinds 1869 in De Heraut, en sinds ’72 in De Standaard en het Zondagsblad. Bovendien had hij al ruim veertig geschriften over allerlei onderwerpen in het licht gegeven. Als predikant eerst te Utrecht en daarna te Amsterdam de erkende leider van de gereformeerde beweging tegen het Modernisme, was hij vooral sedert zijn kamerlidmaatschap in ‘74 ook de providentieel aangewezen opvolger van Groen gebleken in den staatkundigen strijd. Maar zijn schier bovenmenschelijke krachtinspanning had zich ten langen leste

|48|

gewroken. Een hooggaande zenuwoverspanning dwong hem in 1876 tot absolute rust. In Maart van dat jaar vertrok hij dan ook tot herstel van gezondheid naar het buitenland. In diezelfde maand stierf de jonge Doedes, en vervolgens, binnen ettelijke maanden, tusschen Maart en Juli 1876, viel heel een reeks van mannen weg, waarop Kerk en Vaderland hun hoop hadden gevestigd: Mackay, Van Loon, Groen van Prinsterer en Heldring.

Toen hief Soera Rana zijn klaagzang aan:

De helden zijn gevallen,
De besten heengegaan.

Welnu, nog onder den diepen indruk van al deze verliezen, keerde Dr. Kuyper in den zomer van 1877 hersteld in het vaderland terug. En nu voelde hij aanstonds behoefte om in Den Bosch steun te zoeken voor de zware worsteling, die tegen Kappeyne’s Schoolwetsontwerp moest worden ingezet. Daar immers woonde de raadsheer Lohman, wiens principiëele studie over Gezag en Vrijheid in 1875 van zijn liefde voor staatsrechtelijke vraagstukken blijk had gegeven, en die sinds de geruchtmakende Bossche Schoolkwestie, ook enkele scherpzinnige schoolstrijdbrochures had gepubliceerd. Wat lag dus meer voor de hand, dan dat Dr. Kuyper hem opzocht?

Dit geschiedde dan ook in het najaar van 1877. En bij die gelegenheid bracht hij nu tegelijk een bezoek aan den nieuwen orthodoxen predikant van Den Bosch, Dr. Rutgers. Beiden kenden zij elkander nog van aangezicht uit hun Leidschen studententijd. Maar vriendschappelijken omgang hadden ze destijds met elkaar niet gehad. Thans echter voelden zij zich, na eenige oogenblikken van samenspreking, onweerstaanbaar tot elkander aangetrokken. Immers bleek nu, dat beider levensdoel gericht was op de herleving der gereformeerde beginselen. En het is dan ook van die ure af, dat deze twee theologen als trouwe boezemvrienden, vereenigd zijn uitgetrokken in den strijd voor het Koningschap van Christus.

En zoo vond Dr. Kuyper dus, op dien onvergetelijken dag van zijn bezoek aan de hoofdstad van Noord-Brabant, meer dan hij zocht. Hij zocht een wapenbroeder, en vond dien in Lohman. Maar bovendien vond hij ongedacht in Rutgers zijn tweelingbroeder.

En dat gereformeerde driemanschap heeft toen in het Roomsche ’s-Hertogenbosch krijgsraad gehouden in den geest van dit krijgslied:

|49|

De helden zijn gevallen,
 De besten heengegaan;
De vele duizendtallen
 Des vijands groeien aan.

Wij zouden wel versagen
 Voor hun geduchte macht,
Daar wufte spotters vragen:
 Waar ligt dan thans uw kracht?

Maar vluchten ook verraad’ren,
 Getrouwe zonen niet!
Zij kennen nog der vaad’ren
 Ootmoedig krijgsmanslied;

En of hun hoop mocht falen
 En gansch te schande werd,
Zij zullen ’t nog herhalen,
 Zij ’t met verbrijzeld hart:

Mijn schild en mijn betrouwen
 Zijt Gij, o God, mijn Heer!
Op U zoo wil ik bouwen,
 Verlaat mij nimmermeer!

In dezen geest heeft toen stellig ook dit driemanschap van jonge helden krijgsraad gehouden.

Een historisch moment, dat waard is vereeuwigd te worden.

Als Davids drie helden in de spelonk van Adullam, hebben ook zij toen een beroep gedaan op elkanders krachten en moed, en gezworen hun leven te zullen wagen voor hun Koning, den grooten Davidszoon.

En nog geen tien jaar later, in 1886, als datzelfde driemanschap op Dinsdag 5 Januari ’s middags, in de hoofdstad des lands, over den Dam wandelt en dan aan de kosterij van de Nieuwe Kerk de deur der consistoriekamer op het nachtslot vindt, zullen deze drie helden, Rutgers voorop, metterdaad hun heroisme toonen, door, indien al niet ten koste van hun leven, dan toch wel ten koste van hun goeden naam, met leeuwenmoed de citadel tegen overrompeling te bewaken, overeenkomstig het devies hunner kerk: Justus ut leo confidit 1).

Maar keeren we terug naar ’s-Hertogenbosch.

Daar bracht de heer De Savornin Lohman — misschien wel als gevolg van den krijgsraad — zijn attestatie van de Waalsche naar de Nederduitsche gemeente over. En nu verkoos het orthodoxe


1) Zie mijn: Kerkherstel, 2e dr., blz. 291.

|50|

deel der gemeente hem in December 1877 tot ouderling.

Tegen zijn benoeming werd echter door den modernen predikant Ds. Koch en elf andere gemeenteleden bezwaar ingebracht, op grond van de reglementaire bepaling, dat iemand, om tot ouderling gekozen te worden, minstens één jaar „in het midden der kerkelijke gemeente gevestigd” moest zijn.

Nu was Jhr. Mr. De Savornin Lohman al sinds vele jaren te ’s-Hertogenbosch gevestigd, en alzoo ook in het midden der kerkelijke gemeente binnen die plaats. De opposanten beweerden echter, dat „in het midden der gemeente gevestigd beteekende: lidmaat zijn der gemeente”; wat de heer Lohman nog slechts sinds een half jaar was. En ook het Classicaal Bestuur besliste, dat ouderlingen sedert één jaar als lidmaten der gemeente in haar midden moeiten gevestigd zijn, hoewel die woorden „als lidmaten der gemeente” in de reglementen niet gevonden werden.

Tegen die beslissing was toen de heer Lohman bij het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Brabant in hooger beroep gekomen, met duidelijke en uitvoerige aanwijzing van de onjuistheid der gronden, waarop zij rustte, en overwegende o.m., dat er over deze kwestie slechts één uitspraak bestond in het hoogste ressort, n.l. eene van het Provinciaal Kerkbestuur van Friesland, en dat bij die uitspraak de benoembaarheid in een geval als het onderhavige was aangenomen. Het Kerkbestuur van Noord-Brabant deed echter een andere uitspraak. Wel erkende het de onjuistheid van de door het Classicaal Bestuur genoemde gronden, maar toch handhaafde het de slotsom, bouwende die nu op een anderen grond.

Volgens dit Bestuur toch eischte het kerkelijk reglement, dat een ouderling, niet als lidmaat, maar toch als lid der gemeente (b.v. alleen door den doop) sedert één jaar in haar midden gevestigd zou zijn. Van deze beslissing vroeg de heer Lohman echter vernietiging aan bij de Algemeene Synodale Commissie.

En geheel denzelfden loop nam ook een andere procedure, die op dezelfde zaak betrekking had, en die door Dr. Rutgers gevoerd werd. De leden n.l., die de benoeming van den heer Lohman vernietigd wilden zien, hadden niet na de afkondiging hun bezwaren ingediend, maar zich, volgens art. 68 Reglement Opzicht en Tucht, direct tot het Classicaal Bestuur gewend. En in strijd met de duidelijke bepaling van Art. 8 Regl. Kerkeraden, volgens welke een benoemde tot ouderling als zoodanig aan de gemeente moet worden voorgesteld, had de Kerkeraad besloten deze bepaling niet uit te voeren, zoolang niet uitgemaakt was, dat de heer De Savornin Lohman als ouderling zou mogen optreden.

|51|

Daartegen nu was niet alleen de benoemde, maar ook Dr. Rutgers in verzet gekomen, op grond van het stellige voorschrift der wet. Het Classicaal Bestuur had echter hun klacht te dien aanzien afgewezen, en niet alleen geweigerd alsnog de afkondiging te gelasten, maar tevens beslist dat stemmen, uitgebracht op iemand, die niet aan de vereischten van het ouderlingschap voldoet, door het kiescollege van onwaarde moesten verklaard worden, en dat dan de candidaat der minderheid metterdaad en wettig benoemd was.

Dientengevolge werd de tegencandidaat van den heer Lohman, n.l. de heer Van der Schuyt, als wettig gekozen geproclameerd.

Ging deze beschouwing op, dan moest dus in het vervolg het Kiescollege in eerste instantie uitmaken, of de candidaat, op wien eenige stem was uitgebracht, aan de wettelijke vereischten voldeed, b.v. „of hij onberispelijk was in belijdenis en wandel”! Tot welk een Babelsche verwarring dit aanleiding kon geven, behoeft geen betoog. Een ander gevolg van deze beschouwing zou zijn de mogelijkheid, dat, na afloop van de twee procedures, èn de heer De Savornin Lohman en zijn tegencandidaat beiden geacht zouden moeten worden bij dezelfde verkiezing gekozen te zijn geweest. En toch, bij hooger beroep stelde het Provinciaal Kerkbestuur wel de meeste gronden van het Classikaal Bestuur ter zijde, maar het handhaafde niettemin de slotsom, zoodat de afkondiging van den heer Lohman aan de gemeente achterwege bleef. Dr. Rutgers vroeg nu ook van deze uitspraak vernietiging aan bij de Algemeene Synodale Commissie.

Ten slotte werd de verkiezing nietig verklaard op grond van een bepaling, voorkomende in een alleen voor Brabant geldend reglement — dus op een geheel nieuwen, vroeger niet aangevoerden grond — dat men een jaar lang in de hollandsche kerk lid moest zijn geweest. Daarmee was de zaak toen uitgemaakt. Inmiddels was nu een jaar verloopen, en werd Mr. Lohman toch tot ouderling gekozen.

De procedure blijft echter historisch belangrijk, inzooverre Dr. Rutgers hier nu voor het eerst de worsteling aanbond tegen kerkelijke machthebbers, die de reglementen misbruikten om het orthodoxe element uit den kerkeraad te weren. Hij viel hen aan met wapenen uit hun eigen tuighuis. En daarbij betoonde hij zich een geharnast strijder, wiens bewonderenswaardige kennis van het kerkrecht, zijn wapenbroeder, Mr. Lohman, zeer te stade kwam. Echter was het hier voor beiden nog slechts een voorpostengevecht; maar toch reeds een profetie van hun gemeenschappelijk optreden te Amsterdam in den beslissenden Doleantie-strijd, als

|52|

zij samen hun meesterlijk pleidooi zullen schrijven voor de rechtsbevoegdheid der plaatselijke Kerken.

Maar reeds hier te ’s-Hertogenbosch begon Dr. Rutgers nu ook werkzaam aandeel te nemen aan den strijd voor kerkherstel, die sedert het optreden van Groen van Prinsterer alom in de Nederlandsen Hervormde Kerk gevoerd werd.

Op 7 December 1877 verscheen het eerste nummer van Dr. Kuyper’s Heraut. En als medewerker voor de rubrieken Kerkrecht en Buitenland werd daarin genoemd: Dr. F.L. Rutgers.

In een inleidend woord over den kerkelijken toestand had de hoofdredacteur reeds verklaard, dat dit weekblad bevorderlijk wilde zijn aan de Gereformeerde studie. „In agitatie op kerkelijk gebied”, zoo schreef Dr. Kuyper, „zal dit streven van ons blad minder kracht zoeken dan in het keuren van de spijs, die in onze Gereformeerde Kerk aan het God vreezend volk wordt voorgezet. Het gereformeerde leven moet gevoed en de schadelijke spijs moet afgewezen . . . . De strijd over den kerkvorm kan, na zijn aanvankelijk algeheele mislukking, eerst na inhaling van dit lang verzuimde, weer als eertijds aanspraak op onze belangstelling maken; een orde, die we te eer durven aanbevelen, wijl vooreerst aan belangrijke wijziging op dat met doornen en distels bezaaide terrein wel niet te denken valt, en meer dan ooit het Psalmwoord recht van gelding kreeg: „Het is nu tijd, dat de Heer werke!” Door die overweging geleid, wordt er in dit blad meer ruimte voor bijbelmeditatie en beoefening der Gereformeerde studiën beschikbaar gesteld; . . . en zal het kerkelijk vraagstuk meer principieel dan ten believe eener bepaalde richting besproken worden.”

Hierbij sloot zich nu aanstonds een artikelenreeks van Dr. Rutgers over De aanneming tot lidmaat in Gereformeerden zin aldus aan:

Nog altijd is het onderwerp, dat hierboven genoemd wordt, in de Ned. Herv. Kerk aan de orde van den dag. Ontzaglijk veel is er sedert meer dan twee jaren over de regeling van die zaak geschreven en gesproken. En geen wonder voorwaar! De groote kerkelijke strijd, die reeds van veel ouder dagteekening is, concentreert zich thans slechts tijdelijk op dat punt. Het is volkomen dezelfde strijd, als die in onzen tijd ook reeds gevoerd werd over de Doopsformule, over de Avondmaalsviering, over de „handhaving van de leer der Hervormde Kerk”, enz.
Dit verschil is er slechts in de onderscheidene phasen, die de veeljarige strijd reeds doorloopen heeft, dat telkens duidelijker aan het licht komt, hoe onvereenigbaar de twee beginselen zijn, die tegenover elkander staan, en die velen desniettegenstaande in één Kerkverband willen blijven samenbinden. Hoe zou de moderne kunnen blijven, als de belijdenis der kerk wordt gehandhaafd? En is de Gereformeerde niet reeds feitelijk uitgedreven, als de Kerk wordt tot hetgeen de

|53|

moderne van haar maken wil? Want als iemand het gebouw, waarin ik woon, geheel afbreekt, dan ben ik metterdaad daar ook uitgezet, al is het op eene andere manier dan wanneer men mij de deur gewezen had; en het aanbod eener woning, die ik om der conscientie wil niet zou kunnen betrekken, zou dan natuurlijk aan de zaak niets veranderen. Daarom juist is die strijd zoo gewichtig; en in zooverre (maar ook in zooverre alleen) geldt het hier de belijdeniskwestie . . . .
. . . . Het is enkel de vraag, of er in het algemeen eene belijdenis zijn zal, ja dan neen; maar de Gereformeerde belijdenis in in dezen geheel buiten kwestie. Er zal nog heel wat moeten veranderen, voordat men zal kunnen zeggen, dat de Kerk bij de aanneming tot lidmaat volgens hare beginselen handelt. En al wordt nu het volgende jaar de bestaande toestand soms bestendigd, onze leuze zal ook dan moeten zijn: dankbaar, maar onvoldaan.
Waarom? En wat we dan willen? Terugkeer tot de toestand van vorige eeuwen? o Neen! repristinatie en reactie is nooit Gereformeerd. Die benaming zelve sluit reeds het denkbeeld van ontwikkeling in zich: gelijk dan ook de Gereformeerde beginselen bij uitnemendheid voor ontwikkeling vatbaar blijken. Maar dan ontwikkeling van diezelfde beginselen, niet van beginselen, die daar lijnrecht tegenover staan: een voortbouwen op denzelfden grondslag, niet op een anderen, noch ook zonder fondament. Dat is eisch des tijds: dat is roeping der Hervormde Gemeente.
Daartoe is natuurlijk noodig, vóór alle dingen, om die beginselen goed te kennen, en er diep van doordrongen te zijn. En het is alleen studie van de geschiedenis en van de leer der Gereformeerde Kerk, die ons daartoe brengen kan. Met betrekking tot het punt in kwestie, de aanneming tot lidmaat, is dus een historisch onderzoek dringend noodig. Wat is te dien aanzien, volgens de geschiedenis, Gereformeerd te noemen, zoowel wat de theorie als ook wat de praktijk betreft? Door het antwoord op die vraag wordt voor velen, en ook voor ons, onze houding en ons streven bepaald en geleid, zoowel in den kerkdijken strijd als ook verder in het kerkelijk leven.
Daarom willen we beproeven, op die vraag eenig antwoord te geven. Natuurlijk in de verste verte geen volledig antwoord. Daarvoor zouden niet slechts de kolommen van een weekblad, maar ook zelfs de vellen van een tijdschrift aan ruimte te kort komen. Slechts enkele aanwijzingen zijn hier mogelijk; te meer omdat de kolom, die in dit blad voor stukken van zoodanigen aard bestemd is, niet te lang met dezelfde zaak zich mag bezighouden. Maar iets kan er toch in een drie- of viertal artikelen wel van gezegd worden. En indien dit anderen opwekt tot eigen studie, ten einde met leer en leven onzer Kerk hoe langer hoe meer bekend te worden, dan zal daarmede tevens een der hoofdbedoelingen van dit korte overzicht zijn bereikt.
Het is een geschiedkundig onderzoek, dat we wenschen in te stellen; en daarbij mogen we natuurlijk verschillende tijden en toestanden niet door elkander warren. Ook ten aanzien van de aanneming tot lidmaat is in onze kerk noch de theorie noch de praktijk, van den aanvang af tot nu toe, steeds dezelfde geweest. We zijn dus genoodzaakt, verschillende tijdperken te onderscheiden, en maken daartoe de volgende verdeeling:
1e tijdperk: de Nederlandsche Gereformeerde Kerken onder het Kruis en in de verstrooiing. Van haar bestaan als zoodanig, tot aan de eerste Synode, die in het vaderland in vrijheid bijeenkwam: omstreeks 1550 tot 1574. Periode van wording en van innerlijken bloei, onder allerlei verdrukking en bestrijding van buiten.
2e tijdperk: de Nederlandsche Gereformeerde Kerken in den eersten tijd van

|54|

hare uitwendige rust. Van de eerste Synode te Dordrecht tot de groote Nationale Synode aldaar: 1574 tot 1618. Periode van vestiging en uitbreiding, in botsing met de Staatsmacht en met afwijking in haar eigen boezem.
3e tijdperk: de Nederlandsche Gereformeerde Kerken in den tijd van hare zoogenoemde heerschappij. Van de Dordtsche Synode tot aan of na de Omwenteling: 1618 tot 1795 of 1816. Periode van insluipend dogmatisme en van voortgaande verzwakking der Gereformeerde beginselen.
4e tijdperk: de Nederlandsche Gereformeerde Kerken in het Nederlandsche Hervormde Kerkgenootschap: 1816 tot op onzen tijd. Periode van ontbinding en van aanvankelijke herleving.
Wat we tot kenschetsing van dit tijdperken met een enkel woord hebben aangestipt, dient alleen om de verdeeling zelve eenigszins te rechtvaardigen; en omdat die kenschetsing zelve voor ons tegenwoordig doel weinig ter zake doet, moeten we het bij die korte aanstipping thans laten. Met betrekking tot de zaak, die we te onderzoeken hebben, willen we elk van die tijdperken achtereenvolgens beschouwen.

In plaats van een drie- of viertal artikelen te vormen, dijde de reeks echter onder het schrijven tot een zevental uit, opgenomen in De Heraut, nrs. 1-6, en 8.

Deze artikelen nu vertoonen aanstonds de meesterhand van den schrijver, en bewijzen overtuigend, dat Dr. Rutgers reeds toen in het gereformeerde kerkrecht doorkneed was.

Neem b.v. als proeve deze historische uiteenzetting in artikel II;

Hoe was in het eerste tijdperk van de geschiedenis onzer Nederlandsche Gereformeerde Kerken, toen zij „onder ’t cruijs” en „in de verstroijinghe” ontstonden en bloeiden, de theorie en de praktijk met betrekking tot de aanneming van lidmaten? — Opzettelijke beschouwingen zijn er over dat onderwerp toen ter tijd niet geleverd; en natuurlijk kon er in dien tijd van verdrukking en bestrijding nog veel minder sprake zijn van een vasten regel, die in alle gemeenten gevolgd werd. Maar toch zijn er voor het onderzoek van dat tijdperk wel gegevens, die ons met genoegzame zekerheid, duidelijkheid en volledigheid inlichten. De bovengenoemde vraag laat zich nl. beantwoorden:
deels uit opmerkingen en uitdrukkingen, die in geschriften van toenmalige Nederlandsche Gereformeerden hier en daar voorkomen;
deels uit den inhoud en de voorreden van de oudste voor Nederland bewerkte uitgaven van liturgische geschriften, onder welke natuurlijk die van Petrus Dathenus en die van Gaspar van der Heyden, om hunne bekendheid met en hun invloed op de Nederlandsche Kerken, inzonderheid van gewicht zijn;
deels uit de hierop betrekking hebbende artikelen in de Handelingen van de Synoden onder het Kruis, die in dit tijdperk in de Zuidelijke Nederlanden, te Wezel en te Embden gehouden zijn;
deels uit getuigenissen en verklaringen van later levende geschiedkundigen, vooral van hen die nog betrekkelijk dicht bij dien ouden tijd staan;
en deels ook uit hetgeen bekend is omtrent Gereformeerde Kerken, die toen ter tijd in het buitenland gevestigd waren, voorzoover die door gevluchte Nederlanders gesticht waren of met de Nederlandsche Kerken in de nauwste betrekking stonden, en voorzoover die met de Kerken in ons vaderland ten aanzien van de leer en

|55|

de ceremoniën overeenstemden; waarbij dus in aanmerking komen: eenigszins de Gereformeerde Kerk van Genève, meer nog die van Straatsburg en die van de Paltz, en het meest die van de talrijke uitgewekenen te Londen, in 1550 aldaar gesticht.
De slotsommen, waartoe hete onderzoek van die verschillende bronnen ons brengt, zijn niet slechts ten aanzien van de hoofdzaken, maar ook ten aanzien van allerlei bijzonderheden, volkomen dezelfde, en dus juist daardoor des te zekerder.
Het voornaamste van die resultaten is natuurlijk datgene, dat betrekking heeft op de theoretische beschouwing van de zaak. Daarvan spreken we dus het eerst; en we vragen: wat was toen ter tijd de beteekenis van de aanneming tot lidmaat?
Het was geenszins eene aanneming tot lid of lidmaat (tusschen die twee woorden is men eerst in veel later tijd een willekeurig en bovendien onmogelijk vol te houden onderscheid gaan maken) in den eigenlijken zin van dat woord; en het werd dan ook slechts zelden zoo genoemd. Ja, wat meer is, wanneer soms deze of eene daarmede overeenkomende uitdrukking gebruikt werd, dan bedoelde men daarmede volstrekt niet, dat de aangenomen persoon lid of lidmaat was geworden van de Kerk in het algemeen, maar alleen, dat hij zich gevoegd had bij deze of gene bijzondere, plaatselijke kerk of gemeente. Daarom werd volkomen dezelfde terminologie dan ook gebruikt ten aanzien van hen, die op attestatie van elders in de kerkelijke gemeenschap werden opgenomen: deze heetten dan, evenzeer als de jeugdige belijders, „tot leden of lidmaten te zijn aangenomen”, nl. tot lidmaten van de plaatselijke kerk.
Volgens de oude Gereformeerde beschouwing zijn alle „kinderen der geloovigen”, d.i. allen die tot „het zaad der Kerk” moeten gerekend worden, juist daardoor ook „lidmaten” in den vollen zin van het woord, en worden dientengevolge bij den doop als zoodanig erkend en aangenomen. Helder en krachtig werd die beschouwing toen ter tijd overal op den voorgrond gesteld, ’t geen ook noodig was tegenover de Wederdoopers, wier aantal en invloed juist toen zoo toenam. Uit den grooten overvloed van getuigenissen, die we dienaangaande zouden kunnen aanhalen, voegen we een paar uitspraken hierbij, bij voorkeur ontleend aan geschriften en schrijvers, van welke overbekend is, dat onze Kerk het geheel met hen eens was.

De schrijver citeert nu enkele uitspraken van Marten Micron en van Guydo de Brès, waarna hij aldus vervolgt:

Geheel in den zelfden geest zijn dan ook de leeringen uit dien tijd, die nu nog gedurig herinnerd worden. Ieder weet, dat het 75ste Antwoord van onzen Heidelbergschen Catechismus aangaande de jonge kinderen betuigt, dat „zij zoowel als de volwassenen in het Verbond van God en in zijne gemeente begrepen zijn”; en ieder kent de 2de vraag uit ons doopformulier (dat wel zelf in dit tijdvak niet thuis hoort, maar waarvan de vragen toch ook in oudere, toen gebruikte formulieren reeds voorkomen), waarin beleden wordt, dat „onze kinderen in Christus geheiligd zijn, en daarom als lidmaten zijner gemeente behooren gedoopt te wezen.” Met al zulke uitdrukkingen maakten onze vaderen, in den bloeitijd onzer kerk, vollen ernst.
Maar als dan de eigenlijke aanneming tot lidmaat reeds bij den doop geschiedde, wat was dan toen de handeling, die tegenwoordig zoo genoemd wordt?
Het was toen ter tijd niets meer en niets anders, dan de toelating tot het Heilig Avondmaal. Dat was dan ook de uitdrukking, die er bijna altijd voor gebruikt werd.

|56|

Welke van de uit dien tijd afkomstige geschriften, kerkelijke bepalingen of liturgiën we ook opslaan, telkens blijkt, dat er geen ander doel aan werd toegekend. De leerboeken, die er in dien tijd voor de jeugd gemaakt werden, spreken ook opzettelijk uit, in hun titels en voorreden, dat zij opgesteld zijn tot leering voor hen, die zich voor het eerst tot het Nachtmaal des Heeren begeven willen. Juist daarom ging de aanneming ook altijd onmiddellijk aan de Avondmaalviering vooraf. En die zelfde beschouwing is ook de oorzaak, dat we er nooit en nergens over zien handelen, dan alleen in het nauwste verband met de leer of de viering van het Avondmaal. Ondersteld, dat dat Bondszegel niet gegeven was, er zou dan toch wel altijd Christelijk onderwijs voor de jeugd zijn geweest, en er zou misschien ook wel onderzocht zijn naar de resultaten, opdat men weten zou of er ook reden was voor de toepassing van kerkelijke censuur (want ieder die gedoopt en dus lidmaat was, werd toen, zoo als van zelf sprak, beschouwd en en behandeld als aan de censuur onderworpen), maar van een bepaalde opneming in de volle Christelijke gemeenschap, en van eene inschrijving in afzonderlijke registers zou ten aanzien van gedoopte kinderen dan zeker geen sprake geweest zijn. Die opneming en inschrijving had haar reden van bestaan alleen in de Avondmaalsviering; zij was daarbij zelfs volstrekt noodzakelijk; en de redenen die men daarvoor opgaf, zijn ook gemakkelijk te begrijpen. Daarover, ten besluite van dit artikel, nog een enkel woord, waarbij we kortheidshalve geen van dien tijd meer laten spreken.
Het Avondmaal (zoo was de beschouwing) is o.a. hierin van den Doop onderscheiden, dat dit Sacrament kan ontvangen worden, zonder dat men er bewustzijn van heeft, maar het Avondmaal niet. Het moet waardiglijk gevierd worden, tot gedachtenis aan den Heiland, met onderscheiding van Zijn lichaam en bloed, om Zijn dood te verkondigen, en alleen na voorafgaande zelf beproeving. Daarom mogen kinderen, zoo lang zij tot dat alles niet in staat zijn, aan de viering nie: deelnemen. Zij moeten eerst genoegzaam onderwezen zijn, en alsdan is de Kerk, die verplicht is, zooveel mogelijk te zorgen, dat het Avondmaal niet ontheiligd worde, daardoor juist ook verplicht, die kinderen van te voren te onderzoeken, ten einde zoo goed mogelijk te weten, of zij tot eene goede viering bekwaam zijn. Dat nu, en dat alleen, was bij onze vaderen de bedoeling van hetgeen thans de aanneming tot lidmaat genoemd wordt. Het was in den grond der zaak niet anders dan een onderdeel van het kerkelijk opzicht en van de kerkelijke tucht. Omtrent alle Avondmaalgangers in het algemeen werd vóór elke bediening een onderzoek ingesteld, individueel en nauwkeurig. Ten aanzien van hen, die reeds vroeger waren toegelaten, geschiedde dat bij het huisbezoek, bij de hier en daar vereischte aangifte voor de ouderlingen, enz.; en ten aanzien van hen, die voor het eerst zich aangaven, geschiedde het bij de afneming van belijdenis des geloofs. De zaak was bij allen eigenlijk dezelfde; alleenlijk de vorm was verschillend, naar gelang men òf voor het eerst òf bij vernieuwing tot het Avondmaal kwam.

Deze beschouwing nu is thans, tenminste onder Gereformeerden, weer vrij algemeen, dank zij met name de verspreiding als belijdenis-geschenk van Dr. Kuyper’s Voor een Distel een Mirt, waarin heel dat denkbeeld van „aanneming” als een miskenning van den voorafgaanden Doop wordt gewraakt. Maar wie bedenkt, hoe zelfs nu nog in zekere kringen het kerkelijk spraakgebruik bij voorkeur zich bedient van uitdrukkingen als „aanneming van

|57|

nieuwe lidmaten”, kan zich voorstellen, welk een ontdekking het was, toen Dr. Rutgers in 1877 voor het eerst met deze gezond-gereformeerde opvatting kwam aandragen.

En niet minder gezond is de gedachte, die hij in artikel VI (De Heraut nr. 6) over de kerkelijke organisatie sedert 1816 uitspreekt:

het jaar waarin de Hervormde Kek georganiseerd is door Koning Willem I, die wel tot die regeling onbevoegd was, maar aan wien het toch gelukt is, haar in te voeren. Zonder twijfel is die organisatie toen aan de Kerk opgelegd, en feitelijk door haar aanvaard, met de beste bedoelingen en verwachtingen. Maar zij was toch door en door ongereformeerd, niet slechts in haar oorsprong, maar ook in haar karakter. Blijkbaar triomfeerde nu de richting, die reeds meer dan twee eeuwen vroger zich had doen gelden, en die vooral in het laatst der vorige periode groote vorderingen gemaakt had; en al was ook die richting in den loop des tijds natuurlijk in velerlei opzicht gewijzigd, zij was bij vroeger vergeleken, er toch waarlijk niet meer Gereformeerd op geworden. De geheele organisatie van 1816 weid o.a. gekenmerkt door een geest van centralisatie, van clericalisme, van eenvormigheid, en van anti-gereformeerd universalisme; alles gesteund en gehandhaafd door den sterken arm van den Staat. Niet, dat allen die er aan meewerkten of er zich aan onderwierpen, zich van die beginselen ten volle bewust waren of de volle toepassing daarvan bedoelden; en evenmin ontkennen we, dat er in die regeling ook veel goeds was. Maar dat laatste kon op den duur wel niet baten tegen het ontbindend karakter van de hier genoemde beginselen; en wie eenmaal een beginsel heeft aangenomen, om het even hoe hij dan gezind is en wat hij bedoelt, die wordt bij de handhaving van dat beginsel ook vanzelf gedreven tot een steeds volkomener toepassing. Zoo is het ook gegaan met die vier beginselen, in betrekking tot de aanneming van lidmaten . . . .
Sedert 1816 zijn de Nederlandsche Gereformeerde Kerken officieel samengesmolten, of (’t geen misschien juister is) samengeketend tot ééne Hervormde Kerk, of (zooals men toen zich bij voorkeur uitdrukte) tot één Hervormd Kerkgenootschap.
Ook in 1809 was dit reeds alzoo voorgesteld. Of dat ook zou geschied zijn, indien de Kerken zelven zich vrij hadden kunnen uitspreken, is zeer zeker de vraag. Maar men was weer afhankelijk van den Staat; en men moest de beschouwing, die er te dien aanzien op Staatsgebied heerschte, wel aanvaarden en ook op kerkelijk gebied laten toepassen. Dienovereenkomstig werd nu ieder, die belijdenis deed, daardoor lidmaat van de Kerk in het algemeen. Zij werd, en zij is nog, een groot gebouw met meer dan 1200 deuren, terwijl iedere deur ook den toegang opent tot al de kamers, die er in het gansche gebouw zijn. Langen tijd bestond nog de bepaling, dat er voor ieder, die wilde ingaan, eene bepaalde deur, en slechts die ééne, was aangewezen, zoodat al wie daar niet kon aankloppen, of wie daar werd afgewezen, ook buiten moest blijven. Maar hoe grooter het verschil werd van overtuigingen en van inzichten, zoowel tusschen de personen, die toelating wenschten, als tusschen hen en de deurwachters, en tusschen deze onderling, des te meer werd ook noodig, althans indien men allen en alles wilde bijeenhouden, dat de keuze van de deuren werd vrijgelaten. En daarom werd in 1867 bepaald, dat men ook buiten de gemeenten waar men woont, en zonder de toestemming van haar Kerkeraad, tot lidmaat der Kerk kan worden aangenomen, en dan overal als zoodanig moet worden erkend.

|58|

Kenmerkend noemt de schrijver dan het verschijnsel, dat sedert 1816 alle kerken genoodzaakt werden tot eenvormigheid in de wijze van aanneming; een eenvormigheid, waarop te meer nadruk gelegd werd, naarmate de wezenlijke eenheid meer te wenschen overliet.

Als het Kerkverband eigenlijk reeds is losgemaakt, doordat de gemeenschappelijke belijdenis werd ter zijde gesteld of bestreden, en men wil dan toch nog een Kerkverband overhouden, dan zoekt men dat natuurlijk in de inrichting en in het bestuur, en men hecht dan des te meer aan reglementaire bepalingen en aan uiterlijke vormen. Ook met onze Kerk is het zoo gegaan. Wel werd de belijdenis officieel niet veranderd, en werd ook de leer in een wetsartikel steeds gehandhaafd, maar terzelfder tijd werd door de meeste leiders en toongevers een anti-gereformeerd universalisme zoo veel mogelijk begunstigd; en, zooals in den aard der zaak lag, heeft dat beginsel allengs meer zóó doorgewerkt, dat zijne negatieve zijde telktens duidelijker op den voorgrond kwam. De richting, die in 1816 den boventoon had, heeft langzaam, maar zeker, op de eenmaal gekozene lijn moeten voortgaan; en ook in de zaak der aanneming is die voortgang zeer duidelijk waar te nemen. Eerst stond de belijdenis des geloofs daarbij nog op den voorgrond, en werd de eisch van genoegzame kennis daaraan slechts toegevoegd. Openlijk moest toen nog verklaard worden, dat men van harte geloofde de leer die men had beleden; welke uitdrukking nu wel niet veel beteekende, omdat allerlei leer door den predikant kon geleerd zijn, maar die toch de Gereformeerde leer geenszins uitsloot, ja, zelfs eigenlijk onderstelde. En overeenkomstig het karakter der Gereformeerde Kerk werd in die voorgeschreven vragen ook nog gesproken van de onderwerping aan de kerkelijke tucht. Later, in 1861, is op al die punten de afwijking reeds veel grooter. Nu staat de verkregen kennis op den voorgrond, en is de belijdenis des geloofs slechts een toevoegsel; terwijl daarom ook niet meer geëischt wordt „de belijdenis van oprecht geloof aan het Evangelie”, maar alleen „eene belijdenis des geloofs”. In de voorgeschreven vragen is geen sprake meer van „de leer”, waaronder altijd nog de Gereformeerde kon en moest verstaan worden; maar in plaats daarvan wordt gevraagd naar de persoonlijke geloofsbetrekking tot God, in bewoordingen, die, hoe schoon ook op zich zei ven, toch niet meer bevatten dan eene algemeene Christelijke geloofsbelijdenis. En in de derde vraag wordt van kerkelijke tucht in het geheel niet meer gesproken, en in plaats daarvan de belofte afgeëischt, dat men de kerkelijke verordeningen zal opvolgen. Zoover was men in 1861; en thans zijn er weer een aantal, voor wie de regeling nog veel te dogmatisch is. Van die zijde wil men geenerlei formule meer, die omtrent leer of geloofsovertuiging iets bepaalt. De aannemelingen zouden voor een predikant en ouderlingen nog wel belijdenis moeten afleggen van hun Christelijk geloof; maar alles wat zij daarvoor zouden willen uitgeven, zou ook als zoodanig moeten worden aangenomen; en een toestemmend antwoord zou alleenlijk noodig zijn op de eene of andere gezindheidsvraag. En voorts wordt van diezelfde zijde hoe langer hoe meer nadruk gelegd op de verkregene kennis: men verlangt van te voren een zeer veel omvattenden cursus van godsdienstwetenschap (natuurlijk met de noodige toegeeflijkheid voor het volk) die dan door de aanneming als door een soort eindexamen besloten wordt. Uit den aard der zaak zal men ook op dat standpunt onmogelijk kunnen blijven staan. Op die lijn steeds voortgaande, misschien met nog eenige halten, maakt men van de Kerk

|59|

slechts eene soort van Nutsmaatschappij, tot het houden van godsdienstige lezingen (zoolang men daarin nog smaak heeft), en tot bevordering van godsdienstonderwijs (zoolang men dat nog noodig acht); en daarmede zou dan voor de Nederlandsche Gereformeerde Kerken het ontbindingsproces zijn voltooid.
Maar de periode van ontbinding is ook tevens eene periode van aanvankelijke herleving. De Gereformeerde Kerken zijn hier nog niet gestorven en zij blijven ook volstrekt niet alleenlijk, of zelfs hoofdzakelijk, voortleven in de Christelijke Gereformeerde Kerk. Door allerlei oorzaken, ook door het optreden van die laatstgenoemde Kerk, is in het Hervormd Kerkgenootschap de oude Gereformeerde geest weêr ontwaakt! die eigenlijk nooit verdwenen was, maar alleenlijk ten onder werd gehouden. Met betrekking tot de aanneming is het zelfs opmerkelijk, hoe de Gereformeerde beschouwing, met hetgeen daaruit volgt, nog overal diep geworteld is. Ook al is in de kerkelijke reglementen de aanneming van de Avondmaalsviering geheel afgescheiden, in de praktijk gaat zij er toch nog altijd onmiddellijk aan vooraf. Bijna iedere aangenomene voelt zich nog verplicht, aan die viering dan deel te nemen, ook al is hij reeds van plan om er later nooit weêr te komen. Onder het volk zijn nog allerlei uitdrukkingen, die bewijzen, dat men de aanneming opvat als eene toelating tot het Avondmaal, en dat men er dezelfde eischen voor stelt. De nog altijd gebruikelijke formuleering van de meeste kerkelijke attestatiën vloeit ook voort uit diezelfde beschouwing. En voorts brengt de algemeene onvoldaanheid met de wijze waarop thans de zaak der aanneming geregeld is, velen tot de vraag, wat nu eigenlijk te dien aanzien Gereformeerd is, en wat er op dien grondslag kan gedaan worden tot vernieuwde reformatie voor den tegenwoordigen tijd. Dat alles, en nog zooveel meer, geeft bewijs op hoop van herleving.

Hoe die herleving zich zou moeten openbaren, stipt een slotartikel aan, waarin de gereformeerde beginselen ten opzichte van de aanneming worden herinnerd en op de toepassing daarvan in den tegenwoordigen tijd wordt aangedrongen. „Van volledige toepassing kan zeer zeker nog geen sprake zijn; maar wel van het zich bewust worden der historische lijn, van het volgen der richting, die daardoor is aangewezen, en van medewerking tot bereiking van het voorgestelde doel.”

Vraagt men ten slotte, wat naar aanleiding van het bovengenoemde reeds nu zou kunnen of moeten voorgesteld worden, dan zouden we slechts te antwoorden hebben: nu nog niets. Dat er bij ons geen sprake kan zijn van aanneming der thans nog aanhangige synodale voorstellen, of van onderwerping, als die soms mochten doorgaan, spreekt vanzelf. Bij de laatste verandering, in 1861, was er ook wel afwijking, maar dan zóó, dat de algemeene Christelijke belijdenis werd op den voorgrond gesteld; deze werd duidelijk uitgesproken, en men was slechts wat ruimer dan vroeger. Maar thans wordt heil gezocht, niet in meerdere ruimte maar in dubbelzinnigheid, terwijl de afwijking bijna zoo ver mogelijk voortgaat: zijdelings worden algemeene Christelijke waarheden ontkend, en bedektelijk wordt alle geloofsbelijdenis ter zijde geschoven. Bij aanneming van dat allertreurigste expediënt moet en zal de kerkelijke crisis slechts des te eerder tot een einde komen. Intusschen was voor de Synode wei niets anders mogelijk, als zij tot elke prijs ook de moderne richting in de Kerk wilde houden. En zoolang nu de Synode

|60|

aan dat denkbeeld (van tot elken prijs bijeenhouden) zich blijft vastklemmen, zijn alle mogelijke voorstellen, die onzerzijds zouden gedaan worden, volkomen doelloos: zij moeten dan wel afstuiten op onwil, of misvormd worden door dubbelzinnigheid. Bij zoo groote en principieele verschillen, als met betrekking tot de aanneming in allerlei opzicht bestaan, is eene regeling, die aan allen voldoen zou, eenvoudig eene onmogelijkheid.
Afzien van alle voorstellen is echter niet hetzelfde als stilzitten en in den toestand berusten. Het niet opereeren in den regeeringskring sluit het bewerken van den volksgeest niet uit, maar vordert integendeel op dat veld des te grooter ijver; waartoe allereerst geroepen zijn zij, die door hunne betrekking in de Kerk leiders van den volksgeest te noemen zijn. Indien deze weten, wat zij willen, en waarom zij dat willen; indien zij dan ook doen wat zij kunnen om hunne beschouwingen en beginselen te verspreiden en te laten werken; en indien zij dienovereenkomstig ook zelven handelen, waar daartoe gelegenheid is; dan wordt ook een betere toestand allengs voorbereid. Voor onze kerkelijke quaestiën geldt voorzeker: het is nu tijd, dat de Heer werke. Maar dal wil niet zeggen, dat wijzelven het werken nu wel kunnen of mogen of moeten nalaten. Het sluit juist integendeel in zich, dat er meer dan ooit door ons gewerkt worde, niet om daardoor de uitkomst ook maar eenigszins zelven tot stand te brengen, maar in gehoorzaamheid aan de roeping des Heeren en in de kracht van Hem, die niet alleen in, maar ook door de gemeente zijn werk volbrengt.

Het is nu tijd, dat de Heer werke!” zóó had Dr. Kuyper geschreven in het eerste nummer van De Heraut. Hier echter, in het achtste nummer, waarschuwt Dr. Rutgers nu tegen misvatting van deze woorden. En zelf zal hij het voorbeeld geven van werkzaamheid in de kracht des Heeren.

Niet evenwel door zijn arbeid aan De Heraut. Want die wordt van lieverlee minder. De rubriek Buitenland blijft hij een tijdlang nog geregeld verzorgen. Maar een kerkrechtelijk artikel van Dr. Rutgers vinden we er maar zelden meer.

Doch wel had hij reeds in no. 6 een kerkhistorisch artikel geschreven. Het was getiteld: Reconstructie onzer Kerkgeschiedenis, en gericht tegen Dr. C.P. Hofstede de Groot. Deze had in het tijdschrift „Geloof en Vrijheid”, een der organen van de zoogenaamde Groninger richting, iets over Zwingli geschreven. En het was tegen de eerste alinea van dit stukje, dat Dr. Rutgers meende te moeten protesteeren. Immers: „De beschouwing, die daarin vervat is, heeft in de laatste eeuw reeds zooveel afbreuk gedaan aan onze Hervormde Kerken, dat zij wel eens opnieuw mag worden tegengesproken; en dat is te meer noodig, nu zij zoo beslist wordt voorgestaan door een schrijver van naam en crediet.”

De bedoelde alinea van Dr. Hofstede de Groot luidde aldus:

„Er zijn weinig geschiedschrijvers, die zooveel, ik zou bijna zeggen zoo onbepaald (Dr. H. d. G. spatiëerde zelf) vertrouwen

|61|

verdienen, als Brandt, de auteur van de Historie der Reformatie. Dit is trouwens algemeen erkend, zoodat een beroep op dezen naam gewoonlijk den strijd beslist.”

Hiervan nu schreef Dr. Rutgers:

Deze woorden zijn duidelijk en ondubbelzinnig. En toch hebben wij ze tweemaal moeten lezen, eer wij konden gelooven, dat het er werkelijk alzoo staat. Als hetzelfde getuigenis, dat hier omtrent Brandt gegeven wordt, ons eens even stellig verzekerd werd, b.v. ten aanzien van de levensbeschrijving van Calvijn door Bolsek, of ten aanzien van de legerbulletins die Napoleon I uit Rusland afzond, de verbazing, die dan daardoor bij ons gewekt werd, zou bezwaarlijk grooter kunnen zijn, dan zij nu ook is.
Zonder twijfel, de genoemde auteur, de Remonstrantsche predikant Brandt, heeft zich een oogenblik verbeeld, of althans gehoopt, dat zijn werk ook door vele Gereformeerde predikanten gunstig beoordeeld werd, of althans zou worden. Maar dat was blijkens de dl opdracht van het 2e deel aan alle Gereformeerde predikanten, zeer kort na de uitgave van het 1e deel, waarin nog maar weinig voorkwam, dat bepaald ten doel had, zijne eigene geestverwanten te verheerlijken en de Gereformeerde Kerken te minachten. En wel is hij aanstonds daarna, en later zijn zoon bij de uitgave van het 3e en 4e deel, vrij wat beter ingelicht omtrent de ene opinie over het gehalte van zijn Historie! Wel terecht schrijft W. Goeree in zijne „Kerkelijke en Wereldlijke Historiën” dat Brandt „met de opdragt van zijn eerste stukken weijnig dank by de Gereformeerde Kerk behaalde.” Van alle kanten gaf zich de verontwaardiging en de ergernis lucht, en gedurig verschenen er zoowel groote als kleine geschriften tot wederlegging. We hebben hier geene ruimte om veel daaruit aan te halen. Daarom strekke tot bewijs slechts een enkel citaat „uit de pers” van het laatst der 17e en het begin der 18e eeuw.

En dan volgen twee breede citaten, één uit 1675 van H. Rulaeus, predikant te Amsterdam, en één uit 1705 van J. Leydekker, predikant te Middelburg, die beiden in voorwaar niet malsche termen de groote partijdigheid van Brandt als geschiedschrijver laken.

Daarna besluit Dr. Rutgers als volgt:

Nog zeer veel, en van velen, alles in denzelfden geest, zouden we hier kunnen bijvoegen; maar het aangehaalde is genoeg om te doen zien, hoe er door de eigen tijdgenooten van Brandt, de Remonstranten zelven daarbuiten gelaten, over zijne Historie werd gedacht. Alles wat door hen daartegen werd in het midden gebracht, nemen we natuurlijk niet voetstoots voor onze rekening; maar we houden hun oordeel in het algemeen toch voor juist. En we voelen ons gedrongen dit openlijk uit te spreken, terwijl we het telkens bij voorkomende gelegenheden zullen staven, vooral omdat, ook in onze eigene Kerk, door tal van schrijvers Uitenbogaart en Brandt bijna als orakelen geëerbiedigd en gevolgd worden, terwijl een gansche reeks van Gereformeerde geschiedschrijvers, met Trigland aan het hoofd, zoo goed als geïgnoreerd worden. Sedert vele jaren wordt niet slechts onze Kerk, maar ook de studie van de geschiedenis onzer Kerk, bijna beheerscht

|62|

door hen, die de geestverwanten zijn van Brandt en de tegenvoeters onzer kerkelijke vaderen. Opdat het zoo niet blijve, mag eene krasse uitdrukking, gelijk we die hierboven uit „Geloof en Vrijheid” aanhaalden, niet zonder protest blijven. En zóóveel zal nu in ieder geval wel worden toegestemd, dat, sedert Brandts Historie in het licht kwam, volstrekt niet „algemeen erkend is, dat die auteur onbepaald vertrouwen verdient,” en dat „een beroep op dien naam” niet voldoende is om „den strijd te beslissen.”

Hieruit zien we, hoe Dr. Rutgers reeds toen volkomen thuis was in onze kerkhistorische literatuur, en de aangewezen man bleek om tegenover de remonstrantsche geschiedschrijving, die langen tijd de alleenheerschende geweest was, met klem van argumenten de gereformeerde te stellen.

Ook een ander artikel uit die dagen strekt daarvan nog tot bewijs. Het was gericht tegen Ds. P. Huet, Ned. Herv. predikant te Nunspeet. Meegesleept door de bekende Brightonbeweging 1). was deze hoe langs zoo meer in de wateren van het Wesleyanisme verzeild geraakt. En in een brochure van 1877: Niet om te twisten, maar uit gewetensdrang, bestreed hij nu heftig de gereformeerde praedestinatieleer. In 1878 liet hij daarop volgen: De oude zuivere waarheid gehandhaafd en verdedigd tegen de valsche en verderfelijke nieuwigheden van later tijd, welk vlugschrift hij opdroeg „aan de heeren Professoren, Docenten, Leeraren, Kandidaten en Studenten aan de Theologische School der Christelijk-Gereformeerde Kerk te Kampen”.

Ruim de helft van deze brochure bestond uit een herdruk van een klein geschrift, in 1617 uitgegeven door de vier Kamper predikanten Goswinius, Schotlerus, Voscuilius en Matthisius, die daarin hun gevoelen over de praedestinatie openbaar maakten, en die dat deden door in twee kolommen nevens elkander te stellen de „oude waarheid”, die zij geloofden, en de „nieuwe valschheid”, die zij verwierpen.

Tot inleiding en tot besluit voegde nu Ds. Huet enkele opmerkingen daarbij, waarmee hij zich richtte tot de bovengenoemde heeren der Chr. Geref. Kerk, blijkbaar vertrouwende, dat hij door een beroep op dat oude geschrift van die oude schrijvers, niet alleen zijn zaak uitnemend verdedigde, maar ook diepen indruk zou maken op het personeel der Kamper-School en voorts op het Gereformeerd publiek in het algemeen. Immers kon de waarde lezer uit dit zeldzame manifest van een viertal oude Gereformeerde Predikanten te Kampen te weten komen, hoe in den jare 1617,


1) Zie daarover Kuyper, Uit het Woord, 3e Bundel, 1879, blz. 177-182.

|63|

volgens deze Gereformeerde Predikanten de „oude suyvere leer” was, die ook Ds. Huet geloofde en leerde.

De Kamper docent S. van Velzen beantwoordde deze brochure van Huet in De Bazuin met een brief, die later, meer uitgebreid, in druk verscheen onder den titel: De onveranderlijke waarheid van Gods vrijmacht, tot beschaming van het ijdel spreken der afgewekenen. Daarin werd de kwestie vooral dogmatisch behandeld. Maar Dr. Rutgers interesseerde zich meer bizonder voor de historische zijde der zaak, en stelde een geschiedkundig onderzoek in naar de autoriteit van deze „gereformeerde” predikanten uit 1617. In een artikel met het opschrift: Een allerzonderlingst beroep op onze Kerkgeschiedenis, schreef hij van Huet’s brochure (De Heraut, 10 Febr. 1878, no 10):

De lezing van die brochure maakt een allerzonderlingsten indruk; en al zijn het zeer ernstige zaken, die daarin behandeld worden, de lezer kan er bezwaarlijk altijd ernstig bij blijven. Men oordeele zelf, nadat we eene korte historische herinnering hebben laten voorafgaan.
De vier predikanten, wier geschrift nu door Ds. Huet opnieuw wordt uitgegeven, zijn in onze kerkgeschiedenis geene onbekende personen. Ieder weet, dat er in 1617 reeds sedert eenige jaren een heftige strijd was tusschen Remonstranten en de Contra-Remonstranten of Gereformeerden, en dat de Dordtsche Synode van 1618 eenige der voornaamste Remonstrantsche predikanten voor hare Vergadering ter verantwoording heeft geroepen. Die alzoo gedaagden waren gekozen uit de Remonstrantsche leiders, die zich het meest op den voorgrond geplaatst hadden en die gerekend werden het best hunne zaak te kunnen verdedigen. Ook uit de provincie Overijssel, waarin met name de classis van Kampen geheel onder Remonstrantsche leiding stond, waren twee predikanten als beschuldigden opgeroepen. En de twee, die men daarvoor uitkoos, waren niemand anders dan de bovengenoemde Goswinius en Matthisius, beide predikanten te Kampen. Beide zijn dan ook met name door de Synode veroordeeld, en bovendien, omdat zij weigerden de acte van stilstand te onderteekenen, gedeporteerd. Hunne twee ambtgenooten en geestverwanten, Schotlerus en Voskuil, zijn ter zelfder tijd afgezet, en om dezelfde reden ook gedeporteerd. Evenwel hebben later, in 1623, de drie eerst genoemden, en misschien ook Voskuil, de acte van stilstand geteekend; terwijl Schotlerus bovendien eene wederroeping teekende, en Goswinius o.a. schriftelijk verklaarde, dat hij voortaan de Confessie zou voorstaan, de prediking der Contra-Remonstranten dagelijks zou bijwonen, ook anderen daartoe zou aansporen, enz.; welke belofte hij ook getrouw is nagekomen, zoodat hij sedert weer tot de Gereformeerden gerekend werd.
In 1617 behoorden die vier predikanten dus onder de aanvoerders van de Remonstranten; en zij hebben zich als zoodanig voorwaar niet onbetuigd gelaten. Wie de kerkelijke geschiedenis van dien tijd ook maar even inziet, of de handelingen der Dordtsche Synode ook maar even doorloopt, ontmoet daar telkens hunne namen. In allerlei voorvallen, waarbij Remonstranten betrokken waren, ook bepaaldelijk in Kampen, treden zij op den voorgrond.
Edoch, Ds. Huët heeft dat blijkbaar niet geweten, en (vreemd genoeg!) er ook zelfs niets van vermoed. Hij houdt de vier Remonstranten (’t geen nog vreemder

|64|

is) blijkbaar voor zuiver Gereformeerd. En hij zendt hun geschrift naar de Hoogeschool der Christelijke Gereformeerde Kerk, in het vaste vertrouwen, dat hare professoren enz. nu voor die autoriteit wel zullen bukken. Aan scherts mag men hierbij niet denken. Ds. Huët meent het wezenlijk ernstig met de zaak, die hij voorstaat . . . .
. . . . En wanneer hij dan met wezenlijke overtuiging aan Gereformeerde professoren, enz., tegemoet voert: „Ziet, het gevoelen dat ik voorsta, is reeds voor 2½ eeuw door zuiver-Remonstrantsche predikanten verdedigd: nu gij dat weet, zult gij toch niet voortgaan met mij te bestrijden?” wat moet men tot die dingen dan zeggen?
Ons dunkt, dat de schrijver met deze brochure slechts dit ééne overtuigend bewezen heeft, dat hij dringend noodig heeft de geschiedenis onzer Kerk in den tijd der Remonstrantsche twisten eenigszins te leeren kennen. De gevoelens, die hij voorstaat, zijn voorwaar niet nieuw. Maar wanneer hij ze weer te berde wil brengen en ze door woord en schrift met allen ijver wil verdedigen, dan mag toch wel geëischt worden, dat hij van te voren zich eenigszins op de hoogte stelle van hetgeen er vroeger over die zaken is gedebatteerd. Niemand behoeft zich in het openbaar daarover uit te laten. Maar wie het doet, en vooral wie het doet met den niets ontzienden ijver van Ds. Huët, moet er niet zóó over heen loopen, dat hij bij vergissing Remonstrantsche leeringen als Gereformeerd gaat voorstellen. Door de in deze brochure begane historische en dogmatische dwalingen, wordt de anti-Gereformeerde houding van den schrijver voor een groot gedeelte verklaard. Hij zou stellig anders zich uitlaten, wanneer hij uit de geschiedenis de tegenstelling van Remonstrantsch en Gereformeerd had leeren kennen, en wanneer hij van de uitnemende geschriften, die er, vooral in dien tijd, tot verdediging der Gereformeerde leer geschreven zijn, een of ander bestudeerd had. Zelfs de enkele lezing van de Handelingen der Dordsche Synode zou hem menige uitspraak hebben doen terughouden.
Het is vooral om dit te doen uitkomen, dat we op deze pas verschenen brochure de aandacht vestigden. Ook van het daarin behandelde onderwerp geldt de oude en bekende waarheid, dat de studie der geschiedenis voor veel afdwaling bewaren kan. Het zou waarlijk treurig zijn en onverantwoordelijk, als de groote strijd onzer Kerk in den aanvang der 17de eeuw voor een later levend geslacht geheel tevergeefs zou gestreden zijn. Zonder twijfel kan die strijd worden voortgezet; maar dan zij het niet eene matte herhaling van hetgeen reeds vroeger veel beter gezegd is; het zij dan inderdaad eene voortzetting, die dus eischt dat men met den vroegeren strijd genoegzaam bekend is. In het hier bedoelde geval is van zulke voortzetting nog geen sprake; op den aanval van Ds. Huët heeft de Gereformeerde Kerk reeds voor 2½ eeuw uitvoerig en grondig geantwoord.

Hier kon Ds. Huet het mee doen!

Inmiddels bleek uit den pers-arbeid van Dr. Rutgers al duidelijker, welk een schrander geleerde hij was.

Geen wonder dan ook, dat de Nederlandsch Hervormde Predikantenvereeniging het zich een eere achtte, zulk een uitnemend theoloog onder hare leden te mogen tellen. En toen op haar voorjaarsvergadering in 1878 Professor J. Cramer, wegens den verren afstand zijner woonplaats, Groningen, als bestuurslid bedankt had, werd Dr. Rutgers er in het moderamen gekozen.

|65|

Op diezelfde vergadering voerde hij ook het woord over „vrije studie”.

De Synode had n.l. in Januari 1878 de herziening aanhangig gemaakt van het Reglement op het Examen ter toelating tot de Evangeliebediening. Op 26 Juni d.a.v. moesten de classicale vergaderingen hun consideraties daaromtrent kenbaar maken. En zoo lag het dan in den aard der zaak, dat dit onderwerp ook voorkwam op het agendum van de Predikanten-vergadering, die 24 April te Utrecht gehouden werd.

De Voorzitter, Ds. J.C. Verhoeff, van Utrecht, leidde de bespreking met een enkel woord in, en gaf daarna gelegenheid tot gedachtenwisseling. Nu volgde een zeer levendige discussie over dit onderwerp, waarbij vooral de aandacht gevestigd werd op wat in de Synodale voorstellen aan bedenking onderhevig was.

Zoo zeide Dr. Bronsveld het te betreuren, dat de toekomstige leeraren, door dit Synodale Reglement, zich de gelegenheid benomen zagen, om desverkiezende een gedeelte van hun studietijd aan een buitenlandsche academie door te brengen.

Hierop nam Dr. Rutgers het woord, en zeide, dat hij dit bezwaar van Dr. Bronsveld deelde, maar dat hij veel verder wilde gaan. Het verblijf aan één onzer drie (of vier) vaderlandsche universiteiten, en het volgen van bepaald aangewezen lessen, moest z.i. niet verplicht worden gesteld.

Met het groote talent, waarover hij te beschikken had, ontwikkelde hij nu zijn gedachten op dit punt. En door zijn klemmend betoog sleepte hij de vergadering kennelijk mee. Er gingen nu meerdere stemmen op voor vrije studie. Op velerlei gronden werd dit beginsel, dat in bijna alle landen door de Protestantsche Kerken reeds lang was aangenomen, en dat ook hier te lande op ieder ander gebied als vanzelfsprekend beschouwd werd, krachtig aangeprezen en in de tegenwoordige omstandigheden als noodzakelijk voorgesteld. En het was met name Dr. Rutgers, die bij herhaling ten gunste van dit beginsel der vrijheid sprak.

Bij deze gedachtenwisseling bleek nu al spoedig, dat er groote eenstemmigheid was met betrekking tot de hoofdzaak. De voor zulke studievrijheid aangevoerde gronden vonden dan ook geen weerlegging of tegenspraak. Het beginsel zelf werd trouwens door niemand bestreden. Alleen hadden sommige leden, althans in het eerst, nog eenige bedenkingen tegen zijn volledige toepassing.

Maar ook op die bedenkingen antwoordde Dr. Rutgers. En de daarover gevoerde discussie werkte er zelfs toe mede, om het beginsel zelf nog beter ingang te doen vinden. Blijkbaar werd

|66|

dat beginsel dan ook door de geheele vergadering met ingenomenheid aanvaard. En ten slotte werd, zonder hoofdelijke stemming, met algemeen goedvinden besloten, zooveel mogelijk er voor te zorgen, dat op de aanstaande Classikale vergaderingen het verlangen naar vrijheid algemeen en nadrukkelijk zou worden uitgesproken.

Nog werd ten behoeve van die kerkelijke vergaderingen een woord van inlichting en van voorlichting nuttig geoordeeld. En zóó was de geheele vergadering onder de charme van Dr. Rutgers’ woord, dat hij met aandrang werd uitgenoodigd, zijn gedachten over deze zaak door den druk bekend te maken, niet slechts uit zijn eigen naam, maar ook als het gemotiveerd gevoelen van de Hervormde Predikantenvereeniging.

Dr. Rutgers aanvaardde die opdracht gaarne, voor zooveel hij in zóó kort tijdsbestek gelegenheid zou hebben om eraan te voldoen.

En nog juist op tijd, begin Juni, verscheen nu zijn kort geschrift: Vrije Theologische Stadie, voorgestaan en verdedigd, van wege de Nederl. Hervormde Predikanten-Vereeniging. De uitgever, C. van Bentum te Utrecht, berichtte per advertentie, dat hij deze brochure, na ontvangst van het bedrag, 30 cent, franco per post zou toezenden, „ter bespoediging voor afgelegen plaatsen”.

Het was een kort, maar keurig vlugschrift.

Na eerst de aanleiding tot het opstellen en uitgeven van dit betoog te hebben meegedeeld, wijst de schrijver in de bepalingen van het voorgestelde Reglement het beginsel van dwang aan, waartegen hij dan met den meesten nadruk protesteert.

Daarna lezen we:

Misschien zal deze of gene over dat protest zich eenigszins verwonderen, en mij tegenwerpen, dat die dwang toch niet nu eerst in onze Kerk zou ingevoerd worden, maar dat thans eenvoudig zou bestendigd worden hetgeen altijd in onze Kerk heeft bestaan. Ook al was dit laatste inderdaad het geval, dan zou daaruit toch volstrekt niet volgen, dat er nu geene reden was om tegen die bestendiging te protesteeren. Integendeel, nu de Staat bij zijn Hooger Onderwijs allen studiedwang afgeschaft heeft, nu terzelfder tijd de theologische Staatsfaculteiten geheel van karakter veranderd zijn, en nu daarmede ook nog samenvalt dat voortaan elke universiteit theologische professoren heeft van allerlei richting, nu zou eigenlijk in den aard der zaak liggen dat de Kerk, bij de thans in ieder geval noodzakelijke herziening van haar Reglement op het examen, tevens alle studie-voorschriften daaruit wegnam en te dien aanzien volle vrijheid gaf. Bovendien wordt in het thans voorgestelde Reglement de op dit oogenblik bestaande toestand niet eenvoudig bestendigd; integendeel, de dwang wordt in menig opzicht verscherpt. Onder de tot dusver geldende bepalingen kon men op allerlei wijze aan dien dwang zich geheel onttrekken, b.v. door in de Godgeleerdheid te promoveeren of door eerst bij een buitenlandsch Hervormd kerkgenootschap proponents-examen af te leggen; maar het voorgestelde Reglement wil al zulke zijpaden onverbiddelijk afsluiten,

|67|

zooals duidelijk blijkt uit hetgeen hierboven van de voorgestelde uitzonderingen is vermeld. En voorts, wat in mijne schatting nog veel meer afdoet, ik ontken ten sterkste, dat er altijd zulke studiedwang in de vaderlandsche kerk heeft bestaan. Integendeel, hij is aan de Kerk van buiten opgelegd; en dat is nog niet eens zoo lang geleden; terwijl inzonderheid de bedoeling was om de kerk te bewerken in een aan de leiders welbehagelijken geest en zin. Om dat te bewijzen, moet ik, met betrekking tot dit onderwerp, uit de geschiedenis een en ander ophalen. Ook hier, gelijk bij iedere quaestie van kerkrechtelijken aard, is de geschiedenis zeer leerzaam; en ook hier werpt zij op de zaak, die het geldt, een voor velen misschien nieuw en eigenaardig licht.

Nu volgt een rijk gedocumenteerd historisch overzicht van den loop der zaak hier te lande, samen te vatten in deze conclusie:

In den bloeitijd der orthodoxie was de vrijheid het grootste; en naarmate de Kerk in naam liberaler werd, kwam er des te grooter dwang.

Dit is dan ook het eerste argument tegen het dwang-ontwerp.

Juist in die geschiedenis ligt dan ook de eerste grond, waarop tegen zulken studiedwang geprotesteerd wordt. Hij is met alle traditiën van de Nederlandsche Hervormde Kerk in strijd. Hij is, eerst in deze eeuw, door het Staatsgezag aan haar opgelegd. En Hij is eigenlijk slechts een middel van geestelijke tirannie, bestemd om de alles behalve gereformeerde richting, die de machthebbers voorstaan, in de Gereformeerde Kerk te doen heerschen, en om andersdenkenden te onderdrukken en zoo mogelijk te doen uitsterven. Reeds daardoor alleen is die dwang eigenlijk genoegzaam veroordeeld: het moet voor Nederlandsche Hervormden, met het oog op de geschiedenis, onmogelijk zijn, dien te verdedigen. Maar daar is nog veel meer.

En nu volgen stuk voor stuk nog zeven afdoende argumenten, die, kort samengevat, hierop neerkomen:
2°. Bijna alle Protestantsche Kerken laten de theologische studie vrij. Waarom zou dan in Nederland de min of meer Roomsche methode noodzakelijk zijn?
3°. Op ieder ander gebied is in Nederland studiedwang reeds verdwanen. Waarom zou de Kerk in dit opzicht een uitzondering moeten maken?
4°. De Nederlandsche Hervormde Kerk zelve heeft in alle andere opzichten, b.v, voor catechisanten en aanstaande godsdienstleeraars, vrijheid van opleiding reeds als beginsel aangenomen. Maar hebben dan aanstaande predikanten op zulk een vrijheid ook geen recht?
5°. Het laatst aangevoerde argument klemt vooral, omdat aan de hoogleeraren, die door Staat en Kerk zijn aangesteld, volkomen leervrijheid is toegestaan. Bij leervrijheid nu is althans ook hoorvrijheid een vereischte.

|68|

6°. Des te meer is die vrijheid thans een vereischte, omdat thans meer dan ooit aan alle Academiën inderdaad groot verschil is van godsdienstige richting. Maar krijgt dan juist daardoor de hoordwang niet een allerhatelijkst karakter? Is hij dan niet eigenlijk een soort van geloofsdwang?
7°. Ander theologisch onderwijs zou onmogelijk zijn, omdat het Reglement zou belet hebben, dat er hoorders voor komen konden. Maar zou dat stelsel van protectie voor de wetenschap zelve voordeelig zijn? Zou ook op dit gebied een edele concurrentie en een strijd met gelijke wapenen niet gewenscht zijn?
8°. Niet slechts voor de wetenschap, maar ook voor de Kerk zou dit goede vruchten kunnen afwerpen. Immers, dan alleen zal er gelegenheid zijn, om hetgeen elders goed is bevonden, ook hier te beproeven of om zelfstandig een eigen weg in te slaan.

Ziedaar de argumenten van Dr. Rutgers, waarop zelfs tegenstanders der vrijheid, blijkens de ervaring, die hij tot dusver uit geschriften, couranten, gesprekken enz. verkregen had, niet veel konden aanmerken. Wederlegging werd door dezulken dan ook weinig beproefd. Maar gewoonlijk zochten zij dan door bedenkingen en tegenwerpingen het dwangstelsel nog te verdedigen. Daarom meende de schrijver, tot handhaving van het vrijheidsbeginsel, ook die bezwaren niet stilzwijgend te mogen voorbijgaan. En zoo ziet hij dan negen van die tegenwerpingen onder de oogen.

Zijn antwoord op één van die bedenkingen volge hier nog:

Gij zijt tegen den voorgestelden studiedwang, zeggen sommigen, omdat gij bang zijt voor de vrije lucht aan de universiteit, en de predikanten bij hunne opleiding liever kunstmatig wilt afsluiten. Dat riekt naar Rome! — Ik antwoord; o Neen! voor Akademische opleiding zijn we volstrekt niet bevreesd: integendeel, die wordt ook door ons zeer op prijs gesteld en begeerd; en we zijn ook overtuigd, dat die wel de regel zal blijven. Maar moet van te voren worden vastgesteld, dat die zoo gewenschte vrije lucht slechts op drie of vier plaatsen kan worden ingeademd? Kan het Reglement ook maar eenigszins voorkomen, dat zelfs daar afsluiting plaats heeft, als dit door eenig student of door degenen die hem laten studeeren gewenscht wordt? En is voorts het rechte genot van die vrije lucht juist hierin gelegen, dat men den geheelen dag voorgeschreven colleges van bepaald aangewezen hoogleeraren moet volgen? Waarlijk, indien iets naar Rome riekt, dan is het juist zulke dwang! Er zijn nu eenmaal, met betrekking tot de opleiding van Kerkdienaars, allerlei zienswijzen: er is b.v. een stelsel, waarbij onderwerping aan de alleen-zaligmakende Kerk als het hoogste beschouwd wordt; en zoo is er ook een stelsel, waarbij men het wenschelijk vindt, dat de meest verschillende richtingen aan de studenten worden aangeprezen, en dat zij in het ééne vak uit het ééne beginsel, en in een ander vak uit een lijnrecht daaraan tegenovergesteld beginsel onderwezen worden. Er zijn buitendien ook nog wel andere stelsels. En nu is, ten aanzien der methode, het eigenaardig Roomsche niet hierin gelegen, dat men een of ander van die stelsels verkieslijk acht, maar wel hierin, dat men allen

|69|

dwingt tot hetgeen men zelf voor de juiste zienswijze houdt. Vrij te laten kiezen, is Protestantsch; en evenmin als de waarheid ooit door leugen bevorderd wordt, evenmin kan de vrijheid gediend zijn door het opleggen van dwang.

Na zoo een negental bedenkingen te hebben opgelost, geeft de schrijver nog een concept-artikel, waarmee het beginsel van studievrijheid gemakkelijk in het reglement ware op te nemen. En dan besluit hij zijn brochure aldus:

Intusschen is het voor de Classicale vergaderingen juist niet noodig, daaromtrent bepaalde voorstellen aan de Synode te doen. Indien zij met betrekking tot de hoofdzaak haar gevoelen maar duidelijk uitspreken! Laten alle hare leden, die het in deze zaak met de Nederlandsche Hervormde Predikanten-vereeniging eens zijn zich krachtig doen hooren; en laat als hunne consideratie althans dit naar de Synode worden opgezonden, dat zij ten ernstigste aandringen op wijziging van het Reglement in dien zin, dat alle opleidingsdwang daaruit wordt weggenomen, en dat aan allen die zich voor de evangeliebediening voorbereiden, volle vrijheid van theologische studie wordt verleend.

Deze pleitrede, vanwege de Ned. Hervormde Predikantenvereeniging door Dr. Rutgers met zoo zeldzame zaakkennis en schranderen zin toegelicht en verdedigd, wekte de hoop, dat de orthodoxie nu als één man bij de Synode zou aandringen op vrije studie, vooral toen ook Ds. Buytendijk in het Wageningsche Weekblad er zich warm vóór verklaarde. Hij toch schreef: „Dit pleidooi munt uit door helderheid en volledigheid; en we gelooven niet, dat er iemand gevonden wordt, die het op goede gronden zou kunnen ontzenuwen. Mogen we nu ook hopen, dat de Synode van de noodzakelijkheid van vrije studie zal overtuigd worden? Ja, indien geen bijkomstige redenen, maar die men zich wel wachten zal uit te spreken, de helderheid van ’t oordeel belemmeren, en een gewenschte beslissing beletten.”

Maar ter kwader ure zond Professor Doedes, die de Predikantenvergadering niet bijgewoond had, nog even vóór de classes samenkwamen, een contra-brochure in ’t licht: Vrije studie, in welken zin al dan niet voor te staan of te verdedigen? Volgens dezen hoogleeraar zou het voorstel van Dr. Rutgers, indien het werd aangenomen, volstrekt niet de vrije studie bevorderen, omdat den studenten dan toch leerdwang, leesdwang, onderzoekdwang, van-buiten-leeren-dwang, ja, welke dwang al niet, bleef opgelegd. Ook vond hij den tegenwoordigen studiedwang nog zoo erg niet.

Deze kritiek van een Staatshoogleeraar, die persoonlijk bij de kwestie geïnteresseerd was, geleek veel op een oratio pro domo. Maar ze miste haar uitwerking niet. Op een enkele uitzondering

|70|

na, zwenkte nu plotseling heel het corps irenische predikanten. En zoo vond het denkbeeld van „vrije studie” ook op de classicale vergaderingen geen bijval.

Maar het volgend jaar, op de predikantenvergadering in Mei 1879, kwam de kwestie nogmaals ter sprake, bij het referaat van Dr. F.W. Merens, dat eindigde met een concept-adres aan de Synode, waarin aangedrongen werd op vrijheid van opleiding voor de aanstaande leeraren der Kerk. En nu verzocht Dr. Rutgers alle aanwezigen, die niet ingenomen waren met het beginsel van „vrije studie”, hun bezwaren kenbaar te maken, opdat over de zaak zou kunnen worden gediscussieerd, en opdat niet straks, bij de classicale vergaderingen, eerst zou uitkomen, dat velen er eigenlijk tegen waren. Met meerderheid van stemmen verklaarde de Predikanten-vereeniging zich nu andermaal voor „vrije studie”.

Doch alweer leverde Professor Doedes een tegen-pleidooi, nu in het Juli-nummer der Stemmen voor Waarheid en Vrede, met een artikel: Zijt gij vóór of tegen verplicht Godgeleerd Hooger Onderwijs, en waarom? Het was gericht tegen Ds. Buytendijk, die gezegd had, dat Professor Doedes „het rechte spoor bijster” was.

Nu, dat bleek ook zonneklaar uit dit verweerschrift. Want Zijn Hooggeleerde deed het voorkomen, alsof Dr. Rutgers pleitte voor een zoo gemakkelijk mogelijke, voor een zoo goedkoop mogelijke en voor een zoo spoedig mogelijke studie!

Toch gebeurde nu inderdaad, wat Ds. Buytendijk had gevreesd. Bijkomstige redenen maakten de Synode voor overtuiging onvatbaar. In haar zitting van 9 Augustus 1879 wees zij het verzoek om „vrije studie” af. En den 1sten Januari 1880 trad het reglement met het gewraakte beginsel van studiedwang toch in werking.

Behalve dezen strijd voor „vrije studie” had Dr. Rutgers intusschen nog een andere actie te voeren. Ze gaat terug tot 1876.

Nog te Vlissingen staande, had hij toen, evenals de predikanten J.W. Felix, Ph.J. Hoedemaker, J.D.B. Brouwer en nog onderscheidene andere, het adres van Dr. Bronsveld onderteekend, waarin bij de Tweede Kamer werd aangedrongen op handhaving der theologische faculteit aan onze Rijkshoogescholen. Maar in de nieuwe wet op het Hooger Onderwijs werd dit verzoek slechts schijnbaar ingewilligd. In naam toch bleef de theologische faculteit nog bestaan, maar inderdaad werd ze een faculteit van godsdienstwetenschap, beroofd van alles wat den christelijken godsdienst eigen is. Ze werd, zooals Ds. Moquette het uitdrukte: „onthoofd”; of, zooals Ds. Van Rhijn schreef: „de Staat sneed

|71|

uit de theologische faculteit het hart weg, het geloof in den levenden Christus” 1). En omdat zoo’n faculteit nu niet langer kon dienen tot opleidingsschool voor predikanten, werd er van Rijkswege geld toegezegd, om daarmee het staatsonderwijs door oprichting van kerkelijke leerstoelen te kunnen aanvullen.

Met deze wrange vrucht van politiek geknutsel kon echter een principieel man als Dr. Rutgers geen vrede nemen. En nog toen hij te ’s-Hertogenbosch woonde, nam hij dan ook reeds deel aan de beraadslagingen van een kleinen broederkring, die sedert het einde van 1877 maandelijks te Amsterdam ten huize van den heer W. Hovy samenkwam, om te overwegen, wat er gedaan kon worden tot redding van het heilig beginsel der theologie. Daar waren uit Amsterdam, behalve den heer Hovy, de predikanten Hoedemaker en Van Ronkel; uit ’s-Gravenhage de heeren Esser en Kuyper, benevens nog een vijftal andere broeders, en na de eerste samenkomst, ook Dr. Rutgers. Allerlei kansen werden door hen gewikt en gewogen; allerlei mogelijkheden van alle kanten bezien; allerlei uitwegen in gedachten afgeloopen. O.m. ook het plan van Dr. Vos, die in Augustus 1878, namens eenige Amsterdamsche raadsleden, Dr. Kuyper en Dr. Rutgers polste over een eventueele benoeming aan de Stedelijke Universiteit voor de dogmatiek en de practische vakken. Maar in hun oogen was zulk een professoraat aan een beginsellooze universiteit een „lap op den deken”, en werd een gereformeerd man, die zich tot zulk een positie leende „een apostaat van de gereformeerde beginselen”. Aldus rijpte onder stil gebed en ernstige samenspreking in dezen broederkring almeer het denkbeeld van de oprichting eener vrije, gereformeerde Universiteit.

Dr. Rutgers was toen reeds te

Amsterdam

beroepen, en werd daar den 1sten September 1878 bevestigd door zijn ambtgenoot Ds. H.V. Hogerzeil. Deze behoorde tot de irenische richting; een richting, waarmee Dr. Rutgers al spoedig in conflict zou komen juist door de Hooger Onderwijs-kwestie.

De Synode beging n.l. in 1878 den grooten misstap, om voor het Kerkelijk Hooger Onderwijs in de dogmatiek mannen van Groninger richting te benoemen. En nu plaatste De Heraut sinds 13 October, week aan week, aan het begin van zijn leaders dit bericht:

„Onze aanstaande predikanten zullen voortaan in de hoofdzaak der godgeleerdheid, t.w. in de dogmatiek, aan alle drie onze


1) Zie Stemmen voor Waarheid en Vrede, 1877, blz. 861 en 1049.

|72|

hoogescholen onderwezen worden door mannen, wier richting jaren lang opzettelijk de belijdenis van het goddelijk gezag der Heilige Schrift, van Gods Drieëenig Wezen, van de Godheid des Zoons, van de persoonlijkheid van den Heiligen Geest, en van de verzoening door het bloed des Lams, als onware verzinsels van menschen heeft zoeken uit te roeien en bespot.
Mag dit lijdelijk geduld?”

Daarop volgde in het nr. van 20 October 1878 de mededeeling van zekere pogingen, die aangewend werden „om o.a. aan een Gereformeerde Kerk weer uitzicht te openen op het verkrijgen van Gereformeerde predikanten, die tevens wetenschappelijke beoefenaars zijn van de Gereformeerde theologie”, en dat er voor dit doel ook reeds bijdragen inkwamen, waaronder giften van vijf en twintig duizend gulden.

Dr. Bronsveld, in zijn Kroniek van 28 October dit bericht opnemende, voegde er aan toer „Ware ik in de plaats van de „heeren”, die nu reeds zulke aanzienlijke giften toezeggen, dan zou ik eerst willen weten, of er van deze geheele zaak iets kan komen. Ik acht, dat het een plan zal blijven, ondanks al de talenten van Dr. Kuyper.”

Maar in een particuliere correspondentie met Dr. Rutgers schreef Dr. Kuyper: „Het werk zal niet mislukken, als wij persoonlijk maar bereid zijn erbij onder te gaan.” 1) En dat woord was Dr. Rutgers uit de ziel gegrepen en is hem altijd bijgebleven.

In De Heraut van 27 October volgde nu de uit De Standaard overgenomen mededeeling, dat in de vergadering van broeders uit Amsterdam, Rotterdam, ’s Gravenhage en Utrecht het gewichtige besluit was gevallen om een Vereeniging voor Hooger Onderwijs op te richten op den grondslag der Gereformeerde beginselen.

Omstreeks dienzelfden tijd was ook het moderamen der Predikanten-vereeniging samengeroepen om te spreken over de vraag òf er iets, en zoo ja, wat er dan inzake het hooger onderwijs moest gedaan worden. Dr. Rutgers, als lid van het moderamen geconvoceerd, had toen doen weten, dat hij om meer dan één reden die samenkomst niet kon bijwonen.

Toen nu De Standaard van 21 October berichtte, dat er, met het oog op een gewenschte aanvulling van het theologisch onderwijs aan de Universiteiten, tegen 31 October een bijzondere vergadering van de Ned. Herv. Predikantenvereeniging zou gehouden worden, schreef De Heraut (no. 46): „Men is alzoo voornemens een orthodoxen lap te zetten op een veelkleurig


1) 28ste Jaarverslag van de Vereeniging voor H.O., blz. XXXIII.

|73|

staatskleed, met Groninger agrement omboord.” — En afgezien van het beginsellooze van dit aanvullings-systeem, oordeelde het blad, dat de Predikanten-vereeniging er niet op aangelegd was om zulk een privaat-docent aan te stellen.

Toch ging de vergadering door. Ze was bezocht door bijna 100 predikanten.

Het moderamen stelde nu allereerst de vraag aan de orde: mag deze predikantenvereeniging de zaak, waartoe zij nu werd samengeroepen, ter harte nemen? Is het in overeenkomst met haar ontstaan, roeping en geschiedenis, alzoo handelend op te treden?

Dr. Rutgers, uit Amsterdam, achtte, dat het moderamen deze vraag zeer te onpas op den voorgrond had gesteld en sprak als zijn meening uit, dat de predikanten-vereeniging voorzeker wel mocht doen wat werd voorgesteld, al was een dergelijk handelend optreden haar tot dusver vreemd gebleven. Hij voegde er echter bij, dat het geheel in overeenstemming met haar ontstaan en roeping en geschiedenis zijn zou, als zij de zaak wel ter harte nam en bediscussieerde, maar niet zelve haar ter hand nam. Zoo sterk mogelijk verdedigde hij dan ook de stelling, dat het voor de predikanten-vereeniging niet raadzaam en niet wenschelijk was, zelve als zoodanig voor het theologisch onderwijs te gaan zorgen, vooral, omdat er geen ander voorstel was, noch ook kon verwacht worden, dan het aanvullingsplan van haar moderamen, en omdat de aanneming van dat voorstel minstens een honderdtal leden, die op een anderen grondslag iets anders wilden, noodzaken zou de Vereeniging te verlaten. In verband hiermede deelde spreker nu een en ander mede over wat men had gedaan en nog deed om te komen tot de oprichting van een vrije gereformeerde Universiteit, die dus meer wilde geven dan alleen godgeleerd hooger onderwijs. Ook wees Dr. Rutgers er op, dat de leden der predikanten-vereeniging lang niet allen op hetzelfde standpunt stonden, en dat met name het beginsel der „gereformeerden” een gansch anders was dan het beginsel der „ethischen”; zoodat in zake van hooger onderwijs, waarbij natuurlijk het beginsel een hoofdzaak is, voor de eerstgenoemden samenwerking met de laatstgenoemden onmogelijk was, en ook zelfs niet kon beproefd worden zonder groote schade voor hun plan. En zeer bepaaldelijk van de „ethischen” sprekende, zeide hij, dat de „gereformeerden” om des beginsels wille hunne medewerking moesten afwijzen, en dat er dus bij de „gereformeerden” ook geen plaats was voor hen, die volstrekt de „ethischen” wilden laten meedoen.

Nu ontstond er een zeer levendige discussie over de kwestie:

|74|

„aanvullingsonderwijs” of „vrij theologisch onderwijs”. Dr. Bronsveld oordeelde, dat de Predikanten-vereeniging het aanvullingsplan thans moest aannemen, of anders voortaan zich in tweeen scheiden. Dr. Rutgers daarentegen wilde allen, die men orthodox placht te noemen, in de Vereeniging bijeenhouden, om geen scheiding te maken waar zulks onnoodig was, en om allen door onderlinge gedachtenwisseling telkens van elkander te doen leeren.

In dien geest werd ten slotte met groote meerderheid de motie-Gronemeyer aangenomen, waarbij verklaard werd, dat de predikantenvereeniging als zoodanig de zaak niet moest ter hand nemen, opdat een anders onvermijdelijke scheuring voorkomen mocht worden. Daarop werd de vergadering gesloten, waarna de kleinste helft, ruim 40 leden, als voorstanders van het aanvullingsplan, nog eenigen tijd samen bleef en een vereeniging oprichtte voor hooger godgeleerd onderwijs. De Heeren J.C. Verhoeff, J.J. van Toorenenbergen, J.G. Verhoeff, W.F. Merens, C.F. Gronemeyer, H.V. Hogerzeil en A.W. Bronsveld werden uitgenoodigd zich te belasten met het opstellen van conceptstatuten en dan de leden samen te roepen. Op 15 November d.a.v. werden de statuten der vereeniging gearresteerd, terwijl aan de zoo even genoemde Heeren nog toegevoegd werden de H.H. S.H. Buytendijk, E. Cesar Segers en Jhr. W.F. Trip van Zoudtlandt. Zij stelde in 1880 Dr. Bronsveld aan als privaat-docent te Utrecht tot het geven van onderwijs in de dogmatiek, tegenover Prof. Cannegieter, een beslist aanhanger der Groninger richting, wiens benoeming tot kerkelijk hoogleeraar in het orthodoxe Utrecht grooten aanstoot had gegeven.

In de Kroniek der Stemmen voor Waarheid en Vrede gaf Dr. Bronsveld een beknopt verslag van de vergadering der Predikanten-vereeniging. Van de voorgenomen stichting eener vrije gereformeerde universiteit schreef hij daar (jaargang 1878, 2e deel, blz. 695 vg.): „De inrichting, welke men wil doen verrijzen, wijst beslist alle aansluiting, alle hulp af van allen, die niet zijn wat men sinds eenige maanden gelieft gereformeerd te noemen. Op de predikanten-vergadering heeft de woordvoerder dier fractie niet geschroomd het onderwijs der Utrechtsche hoogleeraren Doedes, Van Oosterzee en Beets vergift te noemen. Een voorstel werd gedaan, om onzen arbeid te beginnen met de aanstelling van een privaat-docent te Utrecht, en dan tevens het daarheen te richten, dat de stichting eener Vrije Universiteit met vereende krachten bevorderd werd. Het antwoord van den Gereformeerden pleitbezorger luidde: Wij zijn van uw hulp niet

|75|

gediend. Wie deze dingen leest, weet nu wat er van aan is van de klacht, dat wij de orde verstoren, dat wij de gereformeerde broederen zoo bemoeilijken . . . . . dat wij den vrede van Jeruzalem niet zoeken, dat wij de Broeders voor het hoofd stieten. Juist het omgekeerde is waar. Dr. Rutgers zegt het openlijk: „bij ons is voor u geen plaats””.

Hiertegen nu zond Dr. Rutgers een open brief in, die opgenomen werd in de Stemmen van 1879, 1e deel, blz. 52-59, waarop Dr. Bronsveld een antwoord liet volgen van blz. 60-67.

Wat betreft dat niet-kunnen-samenwerken schreef Dr. Rutgers:

Wij sluiten niemand uit, maar we spreken ons beginsel duidelijk uit; en wie op een anderen grondslag staat, kan niet meedoen. En nu vraag ik u: doet gij zelf niet evenzoo? Worden wij niet door u uitgesloten, tengevolge van hetgeen in uwe statuten over uwen grondslag gezegd wordt, waarmede wij ons vol niet vereenigen kunnen? Hoe kan mijne houding dan door u onverdraagzaam genoemd worden? Ik begrijp dat niet bij iemand zooals gij, die toch zelf ook een man van beginselen zijt. En ik moet integendeel zeggen: uwe eigene houding was en is zeer onverdraagzaam. Uw eisch was en blijft, gelijk gij ook mededeelt, dat wij ons eigen, reeds lang overdacht en eindelijk tot rijpheid gekomen, plan voorloopig (?) zouden opgeven en met uw aanvullingsplan zouden mededoen, niettegenstaande, zooals ook uit uwe en onze statuten blijkt, het wederzijdsch standpunt een ander is, en niettegenstaande gij, zooals thans ook uit uwe statuten blijkt, en zelfs in een onveranderlijk artikel is opgenomen, nooit tot iets meer wilt komen dan tot hooger godgeleerd onderwijs. Uw eisch was en is dus m.a.w. dat wij ons doel, eene vrije universiteit, zouden opgeven, en dat wij, (wat nog meer zegt) ons theologisch en kerkelijk standpunt verlaten zouden, om op het uwe te gaan staan. Of, om het nog korter te zeggen, uw eisch was en is, dat wij, met verloochening van ons ideaal en beginsel, ons geheel naar u zouden schikken. En omdat we nu wel moesten en moeten verklaren, dat we dat niet kunnen en mogen doen, worden we door u voorgesteld als onverdraagzaam en onverdragelijk, als verstoorders van den vrede tusschen broederen, en als menschen die hen met opzet tegen het hoofd stooten en bemoeilijken. Is die voorstelling, moet ik vragen, niet zelve een bewijs van groote onverdraagzaamheid?

En wat betreft de beschuldiging, dat hij het onderwijs van Doedes, Van Oosterzee en Beets vergift zou hebben genoemd, schreef Dr. Rutgers:

Ik moet daarop antwoorden, dat dat ten eenenmale onwaar is. Ik heb ter vergadering met opzet in het geheel geen namen van hoogleeraren genoemd: ik heb slechts in het algemeen van het theologische onderwijs aan onze universiteiten gesproken. En daarvan heb ik geenszins gezegd, dat het enkel vergift was, maar bij herhaling en zeer duidelijk de uitdrukking „vergiftigde spijze” gebruikt. Ik wist en ik weet, dat er, ook met name te Utrecht, nog heel wat spijze aan de Studenten wordt aangeboden; ik weet dat ook bij eigen ervaring, doordat ik veel van de drie boven genoemde hoogleeraren gelezen heb, en aan die boeken en geschriften veel te danken heb; en al kan ik nu hunne, ook onder elkander uiteenloopende, zienswijze niet in alle opzichten deelen, noch ook hunne kerkelijke gedragslijn volgen,

|76|

ik heb toch, van spijze die wordt aangeboden sprekend, natuurlijk in de eerste plaats hun onderwijs op het oog gehad. Maar bij die spijze zie ik te Utrecht, hoofdzakelijk bij de andere drie hoogleeraren, die aldaar werkzaam zijn, 1) toch ook iets, en zelfs veel, dat naar mijne schatting vergift is, d.w.z. bestanddeelen, die zeer schadelijk zijn voor het leven en voor de gezondheid der Gereformeerde Kerk, waarin de theologanten eenmaal zullen optreden; en krachtens het beginsel der staatswet, die neutraal of liever modern theologisch onderwijs wil, moet over weinige jaren bij nieuwe benoemingen de spijze wel minder en het vergift meerder worden.

In het hierop volgend antwoord noemde Dr. Bronsveld deze onderscheiding tusschen spijze en vergift spitsvondig. Maar merkwaardig genoeg, treffen we deze zelfde onderscheiding ook aan bij Dr. G.J. Vos Azn. Deze toch schrijft op blz. 26 van Het Keerpunt: „De wijsheid van onderscheidene synodale en andere kerkelijke vergaderingen ging in die dagen nog verder. Zij benoemden kerkelijke Hoogleeraren, die elkander neutraliseerden, opdat de leerlingen, zeker nog bekwamer dan de leermeesters, uit de verschillende systemen een keuze voor zichzelven zouden kunnen doen, en alzoo zichzelven zelfstandig, onafhankelijk zouden vormen, ja, blijkens de in 1878 gedane benoemingen moest de Groninger Theologie de Orthodoxe en de Moderne beide tot tegengif wezen, terwijl de studenten maar uitmaken moesten, wat goede spijs en wat vergif scheen te zijn”.

Dr. Bronsveld eindigde zijn antwoord aan Dr. Rutgers met iets, dat hij verklaarde sinds lang tegenover hem op het harte te hebben. Het was dit verwijt: „U beschouw ik als een der personen, aan wie wij voornamelijk de droeve scheuring te wijten hebben, waarover thans de gemeente treurt . . . . In u, meer nog dan in Dr. Kuyper, zie ik op dit oogenblik den man, die de breuke tusschen broeders onheelbaar tracht te maken”.

Dit woord, als verwijt bedoeld, was zeer grievend voor het broederhart van Dr. Rutgers, maar bevatte toch ingewikkeld tegelijk een welverdiend compliment aan zijn adres. En we bewonderen hier den scherpzienden blik van Dr. Bronsveld. Want volkomen terecht zag hij in Dr. Rutgers, meer nog dan in Dr. Kuyper, den man, die bij de toepassing der beginselen, voor geen offer terugdeinsde. Dr. Kuyper zelf immers bekende bij zijn 25-jarig jubileum als Hoofdredacteur van De Standaard, van nature zóó sympathetisch te zijn aangelegd, dat hij, aan zichzelf overgelaten,


1) Dat waren de H.H. Cannegieter, Lasonder en Valeton.

|77|

licht geneigd was om op het stuk der beginselen iets toe te geven, wanneer hij daardoor de gemeenschap met al zijn broederen behouden kon. Maar dan was het voornamelijk zijn „niet genoeg te waardeeren vriend” Dr. Rutgers, die hem in zoo hachelijk oogenblik ontnuchterde. Meer nog dan Dr. Kuyper was Dr. Rutgers dan ook onverzettelijk op het stuk der beginselen.

En wie van hen beiden het meest gedaan heeft aan het stichtingswerk der Vrije Universiteit, valt moeilijk te zeggen. Want wie doet meer voor het gezin, de vader, die buitenshuis arbeidt, of de moeder, die binnenshuis alles regelt? Dr. Kuyper nu was de vader van deze Hoogeschool, Dr. Rutgers zou men haar moeder kunnen noemen.

Met waarlijk moederlijke zorg, die ook de kleinste zaken mei over het hoofd ziet, heeft Dr. Rutgers deze onderneming op touw gezet. De groote lijnen die te volgen waren, bespraken de beide boezemvrienden eerst samen, maar de geheele voorbereiding voor de formeele uitvoering van deze veelomvattende conceptie nam Dr. Rutgers op zich. Bij het ontwerpen van alle plannen en het opstellen van alle statuten, was hij steeds de accurate en preciese verzorger van alle stukken, die dan ook meestal in voltooiden vorm van stapel liepen.

In het voorloopig comité der Vereeniging fungeerde Dr. Rutgers op verzoek der leden als Voorzitter. Aanstonds in de eerste vergadering benoemde men hem en Dr. Kuyper, om bijgestaan door Professor De Geer en Jhr. De Savornin Lohman, als rechtsgeleerde adviseurs, de concept-statuten in gereedheid te brengen. En met het eminent talent dat hij daarvoor bezat, legde hij ze als mozaiek zoo keurig ineen. Reeds op 24 November 1878 kon De Heraut ze als voorloopig vastgesteld aan zijn lezers voorleggen, teneinde een ieder gelegenheid te geven tot het betuigen van instemming met de daarin uitgedrukte beginselen, terwijl bepaaldelijk de Gereformeerde predikanten en ouderlingen, die vrijheid en roeping mochten gevoelen om deze onderneming zedelijk te steunen, uitgenoodigd werden hiervan onverwijld kennis te geven aan den Voorzitter van het Comité, Dr. F.L. Rutgers, die zich tijdelijk met de correspondentie der Vereeniging belast had.

En nauwelijks waren zoo de concept-statuten openbaar gemaakt, of uit alle streken des lands kwamen de warmste adhaesie-betuigingen binnen. Daarop riep Dr. Rutgers in De Heraut van 1 December een stichtingsvergadering samen tegen 5 December in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen te Utrecht.

Op deze constitueerende vergadering besloot nu een veertigtal

|78|

belangstellenden tot de oprichting der geprojecteerde vereeniging. Vervolgens werden de concept-statuten, behoudens kleine redactiewijzigingen, definitief vastgesteld. En eindelijk werd een circulaire aangenomen, die over de voorgenomen stichting aan de Gereformeerden in den lande zou geadresseerd worden. Dit machtig-aangrijpende-stuk stelde Dr. Kuyper op. Deze toch en niet Dr. Rutgers was de aangewezen man om in een publieke acte de geboorte der Vereeniging den volke kond te doen. De arbeid en invloed van Dr. Rutgers daarentegen bleef voor het groote publiek meest verborgen. Hij was de „stille kracht” der Vereeniging.

IJverig voerde hij de correspondentie, met al de beslommeringen daaraan verbonden. Zoo had hij aan al de predikanten en ouderlingen, wier namen nu onder de circulaire stonden, van tevoren schriftelijk gevraagd, of zij „onder de hun toegezonden circulaire hunne namen wilden geven, tot betuiging van instemming met de zaak en toi aanbeveling.” En alleen op een ondubbelzinnig toestemmend antwoord had hij hun namen er onder geplaatst. Op dien grond was ook de naam van Dr. G.J. Vos Azn. pred. te Amsterdam, daarbij opgenomen. 1) Want diens antwoord op de bovengenoemde vraag was zonder eenig voorbehoud toestemmend, en geheel vervat in deze woorden: „Tot aanbeveling van de zaak moogt gij gerust van mijn naam gebruik maken, als één der adhaerenten aan het doel”.

Toen echter overeenkomstig dat antwoord gehandeld was, deelde Dr. Vos aan Dr. Rutgers mede, dat er z.i. iets te veel uit was afgeleid. Wel wilde hij van het door hem geschrevene geen woord terugnemen; ook wilde hij volstrekt niet, dat de circulaire zou worden rondgezonden met weglating van zijn naam. Maar voor de gevraagde adhaesie en aanbeveling had hij een andere formule verwacht, dan die nu onder de circulaire stond en die aldus luidde:
Uit hartelijke belangstelling in deze zoo gewichtige zaak, en volkomen instemmende met het openbaar gemaakte plan en beginsel, vereenigen de ondergeteekenden zich gaarne met bovengenoemde broeders.”

In deze formule las Dr. Vos de verklaring, dat nu al de onderteekenaars ook lid der Vereeniging werden op een contributie van ƒ 25.—; dat zij allen zich beschikbaar stelden voor later hun op te dragen werkzaamheden in het belang der Vereeniging, en dat zij de bepalingen der openbaar gemaakte concept-statuten in


1) Zie De Heraut, no. 53. Ten onrechte is de naam van Dr. Vos, van Amsterdam, dan ook weggelaten in de circulaire, zooals die herdrukt werd in den Almanak v. h. Stud. Corps a. d. V. U., 1906, blz. 315.

|79|

alle bijzonderheden en ook met betrekking tot bijzaken, voor zichzelven persoonlijk als volkomen goed en doeltreffend erkenden. En daarom wilde hij de formule liever aldus gesteld zien: „In aansluiting aan bovenstaande circulaire verklaren de ondergeteekenden gaarne, dat zij volkomen instemmende met het in Art. 2 omschreven beginsel, op dien grond de stichting van zulk een Universiteit van harte aan de gemeente aanbevelen”. En voorts werd Dr. Rutgers door Dr. Vos verzocht in de Heraut te willen openbaar maken, dat hij die formuleering beter en juister oordeelde.

Aanstonds antwoordde nu Dr. Rutgers. dat hij, voor zooveel dat van hem afhing, gaarne aan dit verzoek zou voldoen, ofschoon hij tevens bekennen moest, tusschen beide formules geen noemenswaard verschil te kunnen zien, en, wat de redactie betrof, de formule der circulaire verkieslijk te achten, Wat Dr. Vos in deze formule las, kon, meende Dr. Rutgers, uit de woorden zelve niet worden afgeleid, en ook dacht hij niet, dat iemand anders er dat alles in zou lezen. Maar nu dit met Dr. Vos het geval was geweest, en nu deze voor zijn persoon er op aandrong, dat de onjuistheid van zulk een opvatting door Dr. Rutgers zou worden uitgesproken, was deze gaarne bereid, aan dien wensch gevolg te geven, en deed hij dat in den vorm van een ingezonden stuk in De Heraut van 22 December 1878.

In datzelfde Herautnummer vinden we ook een vrij lang artikel van zijn hand over het verschil tusschen de twee bekende plannen ten behoeve van Hooger Onderwijs.

Zoowel uit berichten in couranten en tijdschriften, als uit brieven en gesprekken was hem n.l. gebleken, dat lang niet ieder zich bewust was van het verschil tusschen de twee plannen, die met betrekking tot het Hooger Onderwijs aan de Hervormde gemeenten in ons vaderland werden voorgesteld. Daarom achtte Dr. Rutgers het niet ondienstig, tot inlichting der gemeente, iets in het midden te brengen omtrent de twee bekende plannen, die hij, om ze van elkander te onderscheiden, kortheidshalve het aanvullingsplan en het stichtingsplan noemde.

Reeds daarin ligt een punt van verschil. Het eene bedoelt aanvulling of correctie van hetgeen men in het theologisch onderwijs gebrekkig en verkeerd acht, en wil daartoe privaat-docenten aanstellen, des noods zelfs voor alle theologische vakken. Het andere ziet in die aanvulling weinig heil, vooral omdat dat gebrekkige en verkeerde dan toch zijn invloed op de studenten blijft uitoefenen; het wil daarom tegenover het bestaande eene eigene stichting, en dan niet slechts voor de godgeleerdheid maar ook voor andere vakken, daar op elk gebied tegen den thans heerschenden geest wetenschappelijk moet gestreden worden, en de voorstanders van dat plan achten zulk eene stichting niet slechts noodig maar ook mogelijk, al is het

|80|

dat zij eerst langzamerhand kan tot stand komen, en al zal zij eerst na verloop van tijd erkend en gewaardeerd worden, met name door de bestuurders van de Nederlandsche Hervormde Kerk.
Met dit punt van verschil staan een aantal andere in verband. B.v. het aanvullingsplan wordt geheel beheerscht door de gedragslijn van de machthebbers in Staat en Kerk, en gedurig zullen privaat-docenten niet slechts aangesteld, maar ook weer ontslagen moeten worden, naar gelang de benoemingen der officiëele hoogleeraren uitvallen. Het stichtingsplan daarentegen werkt naar eene eigene, vaste gedragslijn, en blijft geheel onafhankelijk van Staat en Kerk. En (wat nog veel meer beteekent), daar de theologische staatsfaculteit, krachtens het beginsel der wet, steeds meer neutraal of liever modern moest worden, moet het aanvullingsplan van lieverlede komen tot eene volledige theologische faculteit, die dan echter geheel buiten alle universitair verband staat; terwijl het stichtingsplan dat verband niet slechts in beginsel handhaaft, maar ook in zijne ontwikkeling en zijn voortgang juist de universitaire idée hoe langer zoo meer verwezenlijkt.

Evenwel is hiermee de hoofdzaak nog niet gezegd. Het hoofdpunt van verschil ligt in de theologische, godsdienstige en kerkelijke richting. En men behoeft de van beide zijden openbaar gemaakte statuten slechts te raadplegen, om het onderscheid te leeren kennen.

Het aanvullingsplan wil, volgens Art. 1: „Hooger Godgeleerd Onderwijs in overeenstemming met de leer der Nederlandsche Hervormde kerk, zooals die uit hare levensgeschiedenis en belijdenisschriften gekend wordt”, en verlangt in Art. 10, dat de aangestelde leeraren verklaren „met de belijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk in te stemmen”.

Tegen dezen grondslag nu brengt Dr. Rutgers ernstige bezwaren in.

Eerst ten aanzien van Art. 10:

1. Wat beteekent bij de aan te stellen leeraren hunne „instemming met de belijdenis der Ned. Herv. Kerk?” Als er sprake was van „instemming met de belijdenisschriften”, zoo zou de zaak zeer duidelijk zijn. Maar dat is natuurlijk niet bedoeld. Die twee uitdrukkingen worden nooit door elkander gebruikt, allerminst in een officieel en met zorg opgesteld stuk, dat reeds in art. 1 van „belijdenisschriften” spreekt, en dan in art. 10 dat woord wel wederom gebruiken zou, als de daardoor uitgedrukte zaak werd bedoeld. Maar wat meent dan de gebezigde uitdrukking? De gemeente denkt daarbij al licht aan de Nederlandsche geloofsbelijdenis, d.i. aan de 37 artikelen; maar ook deze is natuurlijk niet bedoeld, en wordt door theologen ook altijd op duidelijker wijze aangeduid. Bedoeld zal wel zijn de belijdenis, zooals die uit de levensgeschiedenis en de belijdenisschriften der Kerk gekend wordt; maar terwille der duidelijkheid had er dit wel bij mogen staan, en had dan, evenals in art. 1, het woord „leer” moeten gebruikt zijn. Zooals art. 10 nu luidt, zegt het niets; want tusschen de verschillende richtingen in de Kerk loopt de strijd juist over de quaestie der belijdenis: allen, of bijna allen, beweren echte kinderen der Hervorming te zijn, en in te stemmen met de belijdenis der Ned. Herv. Kerk, waarbij velen dan denken aan hetgeen die belijdenis huns inziens in der waarheid is, ten gevolge van ontwikkeling harer beginselen en na uitzuivering van vreemde bestanddeelen. Nu dat zoo is, moet ieder zijn standpunt

|81|

natuurlijk wat nader omschrijven; en wie nu slechts spreekt van „instemming met de belijdenis” bepaalt en verklaart daarmede eigenlijk niets.

Maar ook tegen Art. 1 heeft Dr. Rutgers bezwaar:

2. In art. 1 schijnt iets meer bepaald te worden; maar bij nader inzien zegt dat eigenlijk nog minder. Voor de kennis van de leer der Ned. Herv. Kerk werden deze twee bronnen genoemd: vooreerst haar levensgeschiedenis, en daarna hare belijdenisschriften. Even duidelijk als het laatstgenoemde is, even onduidelijk is hetgeen daaraan voorafgaat. Bij bijzondere personen liet zich nog denken, dat men hunne beschouwingen, hunne denkbeelden, hunne leer, uit hun leven afleidt, althans tot op zekere hoogte. Maar hoe kan dat, wanneer men te doen heeft met Kerk, d.i. met eene groote verzameling van personen, en wanneer die allen het volstrekt niet eens zijn, maar in zeer tegenstrijdige richtingen uiteenloopen? Dan letten we (zal wel het antwoord zijn) op dat gedeelte, dat onzes inziens de ware, de levende Kerk is. Nu ja (moeten we daarop tegenwerpen), maar dan moest ook gezegd worden, wat men voor de ware Kerk houdt: iedere richting maakt natuurlijk op dat voorrecht aanspraak; en wanneer men te dien aanzien dan niets bepaalt, gebruikt men eigenlijk een uitdrukking, waarin allen zich vinden kunnen, en die dus tot bepaling van het standpunt dat men inneemt, niets beteekent. — En bovendien, de levensgeschiedenis waaruit men putten wil, omvat eene tijdruimte van meer dan drie eeuwen, en in al dien tijd heeft de Kerk (althans in hare voor menschen waarneembare uitingen) zich voorwaar niet dezelfde betoond: in onze eeuw b.v. is zij feitelijk belijdenisloos geworden. Aan welke periode zal men nu het meeste gewicht hechten? Als de formule iets beteekenen zou, had juist te dien aanzien althans iets moeten gezegd worden. Thans laat zij juist hetgeen bepaald moest worden, onbepaald.

Doch er is nog meer tegen dezen grondslag in te brengen:

3. Niet slechts is de uitdrukking onbepaald, maar ook het denkbeeld, dat daaraan ten grondslag ligt: „de leer uit het leven te kennen,” is ten eenenmale ongereformeerd, vooral omdat er eene ontkenning van het goddelijk gezag der Heilige Schrift, of althans eene terzijdestelling van die bijzondere openbaring Gods in verscholen ligt. — Wel kan zonder twijfel iemands leer uit zijn leven eenigszins gekend en beoordeeld worden; maar alleen voor zoover leer en leven volmaakt overeenstemmen; en gewoonlijk geldt juist omgekeerd, dat iemands leven eerst uit zijne beschouwingen en uit zijn leer recht gekend en beoordeeld kan worden. — En voorts wordt de Christelijke leer waarlijk niet in de eerste plaats uit het leven der Christenen opgemaakt, maar uit Gods openbaring in de Schrift, zonder welke èn van Christelijk geloof èn van Christelijk leven zelfs geen sprake zou wezen. Waarom dan uit het leven te putten, d.i. uit een afgeleid beekje dat zeer onzuiver is, in plaats van uit de heldere en overvloedige bron der Heilige Schrift? Wordt daardoor die bron niet eigenlijk miskend en terzijde gesteld ? — Wel is het natuurlijk ook waar, dat de Heer in gemeenschap is met de zijnen, en het ware leven hun mededeelt; maar indien men daarbij ook maar eenigszins zich onttrekt aan het regelend en beoordeelend gezag van de Heilige Schrift, staat men of op modern terrein of op het standpunt der geestdrijvers; en in beide gevallen stelt men subjectivisme in de plaats van of boven de objectief geopenbaarde waarheid. De Gereformeerde Kerk is ook in hare belijdenisschriften, met den meesten nadruk daartegen opgekomen.

|82|

Verder wijst Dr. Rutgers nog op een tegenstrijdigheid:

4. Uit den aard der zaak moet dan ook de leer, zooals die uit de levensgeschiedenis der Kerk wordt afgeleid, vaak een andere zijn dan de leer, zooals die uit de belijdenisschriften der Kerk gekend wordt. In het boven aangehaalde art. 1 wordt dat ook ondersteld; want anders zou de nevens elkander stelling van levensgeschiedenis en belijdenisschriften volkomen overbodig zijn, Maar wanneer er dan verschil of strijd is, welke bron staat dan bovenaan? Denkelijk de levensgeschiedenis, omdat die het eerst genoemd wordt. Maar wanneer we nu daarbij in het oog houden, dat, zooals boven is aangewezen, die uitdrukking eigenlijk niets bepaalt, komen we tot de slotsom, dut de gansche grondslag uiterst los is en zwevend, terwijl bovendien de nevens elkander stelling van de twee bedoelde woorden in vele gevallen tot tegenstrijdigheid brengen moet.

Vervolgens tracht Dr. Rutgers te verklaren, hoe men aan zoo ’n vage formule gekomen is:

En toch is die formule nu de grondslag waarop gebouwd zal worden! En toch zijn de voorstanders van het aanvullingsplan voor zich zelven voorwaar niet onvast, dubbelzinnig of tegenstrijdig! Integendeel, we zijn overtuigd dat zij, voor misschien het grootste gedeelte, veeleer zelven formeel op Gereformeerden grondslag staan, en waarlijk niet met opzet eene zoo ongelukkige formule tot basis gekozen hebben. Dat zij daartoe gekomen zijn, heeft o.i. geen andere oorzaak, dan dat men voorstanders van de zoogenaamde ethische richting niet heeft willen uitsluiten. Op dit oogenblik loopt de theologische en de kerkelijke strijd, tot op zekere hoogte, over het beginsel van die richting. Sommigen, die hoofdzakelijk zien op de personen door welke die richting wordt voorgestaan, houden dat beginsel voor heilzaam of althans voor onschadelijk. En anderen, die alleen op het beginsel letten, omdat zij van oordeel zijn dat een beginsel, ook ondanks de personen die het voorstaan, altijd doorwerkt, zien in dit beginsel groot gevaar, en worden daardoor gedrongen die richting tegen te staan. De voorstanders nu van het aanvullingsplan, ook al zijn zij lang niet allen volgers van de ethische richting, staan ten haren aanzien op eerstgenoemd standpunt; en vanzelf moest daar wel uit volgen, dat men eene formule koos. waarmede ook de ethische broeders zich zouden kunnen vereenigen.

Nu was op het verband tusschen deze formule en de ethische richting door Dr. Kuyper al eerder gewezen. Daarop had toen Dr. Bronsveld in zijn Decemberkroniek geantwoord, dat de gemaakte woorden reeds in 1848 gekozen waren door Groen van Prinsterer en andere mannen, aan wier Gereformeerden zin niemand nog ooit getwijfeld had. Maar ook voor dit argument gaat Dr. Rutgers niet uit den weg. Immers, hij vervolgt:

Zeker heeft daar ook nog toe meegewerkt, dat die formule reeds in 1848 gebruikt was, en dat wel door mannen die zeer beslist Gereformeerd waren. Intusschen heeft men bij die overneming uit het oog verloren: 1e dat die formule toen gebruikt werd in eene vrij lange en duidelijke verklaring van gevoelens, waardoor de bedoeling niet twijfelachtig zijn kon; terwijl zij in de statuten van het aanvullingsplan op zichzelve staat, en dienen moet als alles omvattende bepaling;

|83|

2e dat in zulk eene lange verklaring zeer licht de eene of andere uitdrukking opgenomen wordt, die er eigenlijk niet door kan, maar waarop dan minder wordt gelet, omdat het geheel toch reeds voldoende is; en 3e dat sedert 1848 dertig jaren verloopen zijn, en dat in dien tijd o.a. vallen de onderscheidene uitgaven van de leer der Hervormde Kerk door prof. Scholten, die op zijne wijze uit de levensgeschiedenis der Hervormde Kerk hare leer heeft opgemaakt, en voorts ook valt de opkomst, de bloei en de crisis der ethische richting. Reeds met het oog op die verschijnselen zouden de Gereformeerden van 1848 thans zonder twijfel hunne formule niet zoo maar herhaald hebben, maar integendeel tegen haar gebruik thans ten ernstigste hebben gewaarschuwd. Om die drie redenen doet een beroep op bedoeld stuk van 1848 dus volstrekt niets af van de bezwaren, waardoor de statuten van het aanvullingsplan gedrukt worden. De grondslag, dien men daarin heeft willen omschrijven, is en blijft onvast, dubbelzinnig en tegenstrijdig, ook al hebben de opstellers dat volstrekt niet bedoeld.

En nu stelt Dr. Rutgers daartegenover den grondslag zijner Vereeniging:

Zijn er nu tegen de basis van het stichtingsplan soortgelijke bezwaren? Dat is wel eens beweerd, maar o.i. geheel ten onrechte. Die basis is omschreven in art. 2 der statuten, dat bij eindredactie aldus luidt; „de Vereeniging staat voor alle onderwijs dat in hare scholen gegeven wordt geheel en uitsluitend op den grondslag der Gereformeerde beginselen, en erkent mitsdien als grondslag voor het onderwijs in de godgeleerdheid de drie formulieren van eenigheid, gelijk die in den jare 1619 door de Nationale Synode van Dordrecht voor de Nederlandsche Gereformeerde Kerken zijn vastgesteld; een zoodanig gezag daaraan hechtende, als genoemde Synode, blijkens hare eigene handelwijze en hare acten, aan de belijdenisschriften der Nederlandsche Gereformeerde Kerken heeft toegekend.” Naar aanleiding van die woorden is wel eens gevraagd, hoedanig gezag dan aan die formulieren gehecht wordt, en gezegd, dat de een dat zoo, en een ander weer anders zal opvatten. Wij gelooven dat niet, en antwoorden gerust aan een ieder, die dat tegenwerpt, dat hij zeker de acten der Dordtsche Synoden nooit goed heeft gelezen, en evenmin bekend is met hetgeen kort te voren en kort daarna door de uitnemendste leden van die Synode, door Trigland, Voetius enz. te dier zake geschreven is. Wat men aan de Dordtsche vaderen ook soms mag verweten hebben, niemand die ze kent, heeft nog ooit beweerd, dat zij dubbelzinnig, onduidelijk of tegenstrijdig zich hebben uitgedrukt; ook niet met betrekking tot de waarde en het gezag der belijdenisschriften, de verhouding van die schriften tot Gods Woord, de quaestie van hun handhaving of herziening, enz. Hoe de mannen van de Dordtsche Synode over dat alles gedacht hebben, is een zuiver historisch vraagstuk, en een vraagstuk waarop door modernen, door Groningers en door orthodoxen gelijkluidend geantwoord wordt; terwijl men ieder die in hoofdpunten van dat antwoord afwijkt, met de documenten zelven, als het ware zwart op wit, van de waarheid overtuigen kan. Natuurlijk wordt dan vervolgens door modernen en door Groningers gezegd, dat zij die beschouwingen der Dordtsche Synode niet deelen, terwijl art. 2 der genoemde statuten verklaart, dat men het daarmede wel eens is. Maar twijfelachtig is die formule dan toch voor niemand. En de voorstanders van het stichtingsplan hebben haar met opzet gekozen, omdat zij juist een beslist Gereformeerden grondslag wilden, en dan in de beschouwingen van de Dordtsche vaderen de Gereformeerde beginselen zuiver en duidelijk vonden uitgesproken.

|84|

Hiermee had Dr. Rutgers zoo scherp mogelijk het principieel verschil tusschen de twee plannen voor Hooger Onderwijs aangewezen en levens verklaard, waarom het eene slechts aanvulling, en het andere daarentegen een eigen stichting noodig achtte. Ten slotte herhaalde hij echter nog eenmaal, tot voorkoming van misverstand en verkeerde beoordeeling, dat er z.i. onder de voorstanders van het aanvullingsplan zeer velen waren, die in beginsel bijna geheel op den grondslag van het stichtingsplan stonden, en die dan ook later wel zouden gedrongen worden, daaraan hun medewerking te verleenen. Reeds nu bleek dat bij sommigen; want onder het groot aantal adhaesiën, die predikanten en ouderlingen uit alle provinciën aan het stichtingsplan betuigd hadden, waren er ook, die eerst meer met aanvulling schenen ingenomen „Laten beide plannen” zoo besloot Dr. Rutgers zijn artikel, „slechts hoe langer hoe meer openbaar worden, opdat de gemeente des te beter kunne zien en beoordeelen, en laat ieder die er iets van zeggen kan, door woord of geschrift daartoe medewerken.”

De voorgenomen stichting der School werd nu weldra bespoedigd door het besluit van de algemeene vergadering op 4 Juni 1879, dat de Directeuren der Vereeniging, in overleg met de Curatoren, reeds nu een tweetal hoogleeraren zouden aanwijzen, die de beide genoemde colleges als adviseurs zouden ter zijde slaan bij al wat er van nu af zou te doen zijn tot organisatie der Vereeniging en tot voorbereiding van de opening der gewenschte Universiteit. En zoo werden dan in September d.a.v. met ingang van 1 November e.k, tot hoogleeraren in de op te richten theologische faculteit nu reeds benoemd de heeren Dr. A. Kuyper, emer. predikant en oud-lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, en Dr. F.L. Rutgers, predikant te Amsterdam.

Beide heeren namen de op hen uitgebrachte benoeming aan. Dit lijkt ons thans vanzelfsprekend. Maar destijds was het een finantiëel waagstuk. Want de geldmiddelen om de Universiteit in stand te houden, moesten toen nog meerendeels gezocht worden. Men profeteerde den benoemden dan ook smalend, dat zij nog eens terecht zouden komen in de „Toevlucht voor behoeftigen” aan de Passeerdergracht te Amsterdam. Maar gesterkt door den steun van het Gereformeerde volk. geloofden zij, dat de middelen hun uit Gods vaderhand wel zouden toekomen.

Dr. Rutgers vroeg en verkreeg tegen 15 November 1879 emeritaat als Predikant; waarbij het Provinciaal Kerkbestuur den wensch voegde, „dat de rust van zijn dienstwerk hem goed zij, en hij in

|85|

anderen werkkring de belangen van het Godsrijk bevorderen moge”. Deze wensch nu is ook vervuld, maar zeker wel in gansch anderen zin dan althans de secretaris van genoemd Kerkbestuur, Ds. H. Steenberg, volbloed modern en synodaal, bij het schrijven van den ontslagbrief bedoeld zal hebben.

Op 2 November reeds hield Dr. Rutgers in de Westerkerk zijn afscheidspredikatie, naar 1 Petr. V : 5: „Zijt met de ootmoedigheid bekleed”.

Slechts 14 maanden was hij als dienstdoend predikant de Amsterdam werkzaam geweest. Toch is de klare en heldere wijze, waarop hij het Woord Gods wist uit te leggen, daar zelfs nu nog niet vergeten.

Enkele proeven van zijn preeken vinden we terug in het volgende tiental stichtelijke artikelen, die hij, bij afwezigheid van den hoofdredacteur, in De Heraut schreef:
1. De verdeeldheid die door Jezus op aarde gebracht is. Matth. 10: 34. De Heraut Nrs. 65-66.
2. Kennis en ontwikkeling zonder Godsvrucht. Gen. 4: 16-24. Nr. 101.
3. Christelijke mededeelzaamheid. Mark. 12: 41-44. Nr. 102.
4. De weg der zaligheid naar den eisch der wet. Luk. 10: 25-28. Nr. 103.
5. De bekeering als het werk van Gods almacht erkend en beleden. Jerem. 20: 7a. Nr. 104.
6. Godsdienst uit berekening. 1 Tim. 6: 5. Nr. 105.
7. Het Evangelie van den Kerstdag. Luk. 2: 10, 11. Nr. 107.
8. Gods hand en raad in Jezus’ lijden. Hand. 4: 27, 28. Nr. 119.
9. Het Evangelie van den Paaschdag. Matth. 28: 1-8. Nr. 120.
10. De heiligende invloed van de Christelijke hoop. 1 Joh. 3: 3. Nr. 121.

Typeerend voor zijn eigen levensstrijd is vooral de eerste verhandeling, waarin hij zich beroept op de ervaring van hen, die Christus aannemen en zich aan zijn woord onderwerpen. Juist door den strijd, dien Jezus op aarde gebracht heeft, wordt hun geloof versterkt:

Zonder twijfel heeft die strijd ook eene bedroevende zijde; maar hij kan op dit gebied toch bewaren voor traagheid en lauwheid, voor stilstand en dood. In de Christelijke Kerk zijn dan ook de tijden, waarin bijna geen verdeeldheid openbaar werd, of waarin men, onder de leuze van verdraagzaamheid, vrede en liefde, zelfs over gewichtige verschilpunten stelselmatig zweeg, tevens de tijden geweest, die het meest gekenmerkt waren door verval, achteruitgang en zwakheid. En wanneer de Kerk in bloeienden toestand was, vol van opgewektheid en kracht, en zelfs in het midden der verdrukking; triumfeerend, dan was zulk een tijd ook

|86|

in allerlei opzicht een tijd van verdeeldheid en strijd. Dat was niet toevallig, of aan andere oorzaken toe te schrijven. Het een en het ander staat in het nauwste verband. Hoe meer geloof, des te minder vrede met hetgeen dat geloof ondermijnen zou of daarmede niet kan samengaan; en de strijd, die dan daardoor ontstaat, is ook weer oefening en bevestiging des geloofs.

We kunnen ons voorstellen, hoe stoere Amsterdammers als een Bechthold, een Breen en een Versluis, om nu van nog levenden niet te spreken, genoten onder zulk een prediking. En het verwondert ons niet, dat deze „Vrienden der Waarheid” Dr. Rutgers op hun Algemeene Vergadering van 14 Mei 1879 in hun Hoofdbestuur kozen.

Kanselredenaar was hij echter in geenen deele. Met zijn kaarsrechte houding, zijn  ietwat scherp stemgeluid, zijn nuchteren betoogtrant en zijn sobere gebaren was hij niet de man om de groote menigte te boeien. Dit wist hij zelf ook wel. En bovendien kostte het hem groote geestelijke inspanning om te preeken. In zekeren zin was hel dus een uitkomst voor hem, toen hij het predikambt kon neerleggen. Eenmaal Hoogleeraar geworden, liet hij zich trouwens heel zelden, en dan nog slechts met de grootste moeite, tot het vervullen van een predikbeurt bewegen.

Zijn kracht lag niet op den kansel, maar op den katheder. Dr. Rutgers was, zooals Dr. Van Toorenenbergen eenmaal schreef, „een man van het hout, waar men professoren uit snijdt.”

Rullmann, J.C. (1918) HIV

|87|

 

 

IV.
De Hoogleeraar.

 

 

Rullmann, J.C. (1918) HIV.1

1. Als Schoolstichter.

Tot plaats waar de school voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag zou gevestigd worden, was de hoofdstad gekozen. Daarheen verhuisde Dr. Kuyper dan ook primo November 1879. Den daarop volgenden dag preekte Dr. Rutgers er zijn afscheid als predikant. En zoo konden de twee benoemde hoogleeraren dan nu voortaan dagelijks met elkander de stichting der school voorbereiden. Ze waren nu in letterlijken zin een tweespan dat, gelijk trekkend, het voertuig op den vaak moeilijken weg vooruit hielp.

Er moest een school-reglement ontworpen worden, een instructie voor de curatoren, en een voor de directeuren, bij wie de bestuurshoogheid over de school berustte, een reglement voor de algemeene vergaderingen, enz. En het was ook nu weer Dr. Rutgers, die op zich nam geheel die reglementeering te concipieeren. Heel de architectonische opbouw der hoogeschool met al haar verordeningen en regelingen is dan ook vooral het werk van zijn hand geweest.

Middelerwijl voerde Dr. Kuyper een „papieren” oorlog, waarin Dr. Rutgers hem van ammunitie voorzag.

Deze strijd was al begonnen in December 1878, toen Dr. J.J. van Toorenenbergen als anoniem steller van de Gereformeerde Brieven in de Stemmen voor Waarheid en Vrede, het gezag der Drie Formulieren van Eenigheid als verbintenis voor de Theologische Professoren, in de basis der op te richten school had gewraakt met een beroep op de geschiedenis van het Dordtsche onderteekeningsformulier en op de weigering van de Leidsche Hoogleeraren in 1621 om dat formulier te onderteekenen.

Tegen dezen aanval had toen Dr. Kuyper in April 1879 een verweerschrift uitgegeven onder den titel: De Leidsche Professoren en de Executeurs der Dordtsche nalatenschap, waarin hij aantoonde dat de Hoogleeraren Walaeus, Polyander, Thysius en Rivetus

|88|

de onderteekening der Dordtsche formule niet geweigerd hadden, uit hoofde zij het standpunt der Dordtsche Synode ten deze afkeurden, maar om redenen die met dat standpunt niets te maken hadden.

Dat Dr. Rutgers dit historische debat met groote belangstelling gevolgd had, spreekt vanzelf. En in De Heraut, no. 74, gaf hij als zijn indruk te kennen, dat de verwering en aanval van Dr. Kuyper voor beslissend moesten gehouden worden.

We beweren daarmede niet, dat er in de ruim 100 bladzijden van Dr. K.’s geschrift, waarin zooveel en zoo velerlei is samengeperst, geene enkele onjuistheid zal gevonden worden. Wij erkennen zelfs terstond, dat dit het geval is op blz. 39-41, waar de schrijver blijkbaar niet gedacht heelt aan de Resolutiën der Staten van Holland van 27 Oct. en 5 en 6 Nov 1618, op welke Dr. v.T. had gedoeld. En we durven dat te eerder vermelden, omdat we tevens overtuigd zijn, dat die ééne vergissing inderdaad een uitzondering is, en dat in eene studie, waarvoor zoo ontzaglijk veel moest worden nagespoord en waarbij uit een groot aantal verspreide bronnen bijna alles moest worden opgediept, algeheele feilloosheid bijna ondenkbaar zou wezen. Maar al zou het anderen ook gelukken, nog andere onjuistheden aan te wijzen, daardoor zouden de slotsommen, waartoe Dr. K. gekomen is, toch volstrekt niet onzeker of twijfelachtig worden. De bewijsgronden, die hij bijbrengt, zijn zoo talrijk en zoo sterk, dat het niets ter wereld afdoet, of men al kan aantoonen dat er één bewijsgrond is, waarvan een gedeelte moet vallen. Daardoor mag de aandacht ook niet worden afgeleid van het eigenlijke punt, dat in kwestie was.

Uit deze enkele aanhaling blijkt reeds voldoende, hoe Dr. Rutgers ook zelf in deze kwestie geheel thuis was. Trouwens, over de daarmee samenhangende kwestie: het kerkelijk gezag van de Formulieren van Eenigheid, volgens de Synode van Dordrecht, in onzen tijd, bewerkte hij voor de Predikanten vergadering van 1879 een referaat, dat evenwel wegens het vergevorderde uur niet meer kon worden voorgedragen.

Ook het door De Heraut van 16 Maart 1879 aangekondigde afzonderlijke geschrift, waarin Dr. Rutgers deze uiterst gewichtige kwestie voor het groote publiek tot klaarheid zou brengen, bleef in de pen. Maar we wagen de veronderstelling, dat de door Dr. Rutgers verzamelde stof mede verwerkt is in de artikelenreeks over dit onderwerp, die Dr. Kuyper in De Heraut schreef, en op het einde van 1879 afzonderlijk uitgaf in een tweede brochure tegen Dr. Van Toorenenbergen, die tot titel droeg: Revisie der Revisie-legende. Ook dit vlugschrift werd door Dr. Rutgers gerecenseerd, en nu zonder eenige aanmerking, in De Heraut, no. 110.

Op dezen pennestrijd met Dr. Van Toorenenbergen over de basis der Vrije Universiteit, volgde in den loop van 1880 een polemiek met Dr. Bronsveld over het recht van Universiteitsstichting.

|89|

In twee brochures: Bede om een dubbel Corrigendum en Strikt genomen handhaafde Dr. Kuyper dat recht met schitterend succes. Vooral zijn tweede strijdschrift, meer een boek dan een brochure, was verpletterend voor Dr. Bronsveld. Maar de eere van deze glansrijke overwinning dankte Dr. Kuyper mede aan Dr. Rutgers. Want aan deze „kenner van historiën” had hij zijn denkbeelden ten deele ontleend, en eer ze ter perse gingen had hij ze alle breedvoerig met dezen „zeldzaam logischen doctor” besproken (zie Strikt genomen, blz. 18).

Voorts vinden we de twee hoogleeraren-adviseurs nu geregeld samen op de meetings, die zij vanwege de Vereeniging voor Hooger Onderwijs in het voorjaar van 1880 op een aantal plaatsen in ons land hielden, om het gewichtig belang der op te richten hoogeschool voor het volk te bepleiten, in de noordelijke provinciën vergezeld van den curator Mr. L.W.C. Keuchenius, die pas uit Batavia teruggekeerd was.

Het waren deels openbare, deels besloten vergaderingen. En daarbij werd dan ook gelegenheid gegeven tot het vragen van inlichtingen, het inbrengen van bedenkingen, en het doen van opmerkingen; een gelegenheid, waarvan bijna altijd, hetzij dan in meerdere of in mindere mate, gaarne werd gebruik gemaakt. En meestal bleek dan een duidelijker toelichting voldoende, om de bezwaren en bedenkingen één voor één te doen wegvallen. Alleen werd, gelijk vanzelf spreekt, de discussie steeds binnen zekere grenzen beperkt; daar men, bezig zijnde met bouwen, zich niet meer mocht ophouden door beraadslaging over de vraag, op welken grondslag het zijn zou, en of men zelfs wel tot bouwen zou overgaan.

De eerste openbare meeting vond plaats op 20 April te Bolsward in De Doele, en daarop volgde er in Friesland nog eene te Dokkum. Samensprekingen in kleiner kring werden dan voorts nog in de omliggende streken gehouden. Zoo ging het al voort en verder, naar Leeuwarden, Groningen, Assen, Zwolle, Zutphen, Utrecht, ’s Gravenhage, Leiden, Rotterdam, Dordrecht, Middelburg en Breda. En het geleek wel een zegetocht. Want allerwegen bleek de zaak, die het gold, vat te hebben op het hart des volks. Verrassend, ja zelfs beschamend was de hartelijke belangstelling, de zichtbare opgewektheid, de krachtig zich uitende instemming, waarmee overal van het streven der Vereeniging werd kennis genomen. Daaraan doen we mee, met volle overtuiging en met al de kracht, die de Heere ons geeft; zoo werd bij en na die meetings gedurig uit den mond van geestverwanten vernomen. En het schaadde daaraan weinig, dat bepaaldelijk door vele

|90|

predikanten nog vooreerst een afwachtende houding werd aangenomen. Getrouw aan het beginsel der Vereeniging trachtten de de hoogleeraren-adviseurs nooit tot medewerking op te wekken, als juist met betrekking tot het beginsel nog bezwaren aanwezig waren. Maar uit den boezem der gemeente werd hun, reeds aanstonds in Friesland, kort en duidelijk verklaard: wij gaan mede, liefst met onze predikanten, en we bidden God, dat het zoo mag worden, maar wanneer het niet anders kan, dan zonder hen en desgevorderd ook tegenover hen. Dat werd door enkelen uitgesproken, en het werd door velen getoond.

Te Amsterdam werden er twee openbare meetings gehouden; de eerste op 28 Mei, de tweede op 11 juni; beide malen in de Schotsche Zendingskerk. Als gewoonlijk hield Dr. Kuyper eerst een opwekkende toespraak; waai na Dr. Rutgers de bezwaren en bedenkingen onder de oogen zag, die daar met name door de Christelijk Gereformeerde predikanten Beuker en Lindeboom werden geopperd.

Bij al deze samenkomsten nu werd ook tevens, voor den omtrek binnen welken zij plaats hadden, de organisatie der Vereeniging voorbereid. Deze werkzaamheid voor de organisatie geschiedde vanwege de door directeuren in het leven geroepen commissie tot vermeerdering van de inkomsten der Vereeniging, waarvan ook Dr. Kuyper en Dr. Rutgers tijdelijk leden waren, totdat de geheele organisatie gereed zou zijn.

Deze Commissie nu stelde zich allereerst tot taak, het gansche land in ongeveer 200 districten te verdeelen, aan het hoofd van ieder district een correspondent te plaatsen, die bevoegd zou zijn zelf zijn agenten te kiezen, en dan die districten provinciesgewijs onder een provincialen directeur en secretaris te vereenigen. En dat alles, opdat er in den te verleenen steun zooveel mogelijk regelmaat en bestendigheid komen zou, en opdat de instandhouding en de uitbreiding van de ontworpen stichting, voorzooveel dit aan menschen gegeven is, zou worden gewaarborgd. Uit den aard der zaak kon dit omvangrijke werk niet dadelijk op de gehouden meetings volbracht worden. Maar het werd daar toch genoegzaam voorbereid, om binnen betrekkelijk korten tijd te kunnen constateeren, dat de oprichting en instandhouding der school reeds aanvankelijk was gewaarborgd, en dat er ook gegevens waren om haar uitbreiding in de toekomst te kunnen verwachten.

Met energie werd deze organisatie doorgezet, dank zij vooral het organiseerend talent van Dr. Rutgers, die daarbij bovendien zijn afkomst uit een koopmansgeslacht verried in de preciese

|91|

becijferingen, waarmee hij als goed financier de inkomsten der Vereeniging uit bijdragen en giften, hetzij van particulieren, hetzij van corporatiën (kerkeraden, kerkvoogdijen, lidmaten-catechisatiën en jongelings-vereenigingen) wist te berekenen.

Behalve met deze huishoudelijke aangelegenheden, hielden de twee reeds benoemde hoogleeraren zich echter ook bezig met de vraag, hoe zij voor hun theologische faculteit uit de gereformeerde beginselen zulk een encyclopaedie zouden kunnen ontwikkelen, als geëischt werd door den toestand, waarin de Gemeente thans, ook op wetenschappelijk terrein, verkeerde.

Met de oude gereformeerde encyclopaedieën viel niets meer uit te richten, en evenmin konden ze ten deze het spoor volgen der moderne of ethische godgeleerden. Alvorens nu het leerplan voor de theologische faculteit vast te stellen, wenschten genoemd hoogleeraren ten behoeve van het godgeleerd onderwijs, dat aan de Vrije Universiteit zou gegeven worden, in breeden kring over de encyclopaedische kwestie van gedachten te wisselen.

Daartoe riepen zij op 1 April 1880 te Utrecht een conferentie samen van Gereformeerde predikanten, voorzoover deze hun adhaesie hadden geschonken aan art. 2 van de statuten der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag. De bijeenkomst slaagde uitnemend, en men besloot in het najaar, ter gelegenheid van de opening der Vrije Universiteit, opnieuw zulk een conferentie op denzelfden grondslag te houden, om alsdan over een en ander, dat nu reeds was ter sprake gekomen, verder te beraadslagen.

Deze tweede conferentie vond plaats op 21 October 1880, des voormiddags, in het lokaal De Vrede op het Rapenburg, te Amsterdam.

Dr. Rutgers fungeerde als voorzitter. Allereerst werd nu gehandeld over de door velen gewenschte oprichting van een Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, en vervolgens over de uitgave van een Bibliotheek der belangrijkste werken onzer oude Gereformeerde Theologen, voorzoover die thans zeldzaam geworden waren. Over de vraag, of men deze uitgave in het Latijn, dan wel in het Hollandsen zou doen verschijnen, liepen de gevoelens echter uiteen. En wegens de inaugureele oratie van Professor Fabius, die ’s middags stond gehouden te worden, duurde deze conferentie slechts kort.

Twee dagen tevoren, op 19 October, was er, eveneens onder leiding van Dr. Rutgers, in hetzelfde lokaal op Rapenburg, met het oog op de aanstaande opening der Vrije Universiteit, nog een algemeene vergadering der Vereeniging voor Hooger Onderwijs

|92|

gehouden. En al kwamen daar uit den aard der zaak meest huishoudelijke zaken aan de orde, als vaststelling van reglementen en benoemingen voor onderscheidene betrekkingen, toch verkeerde de vergadering, onder den machtigen impuls van het warme en bezielde woord van Dr. Rutgers, in een zóó opgewekte en dankbare stemming, dat zij zich dit alles gaarne getroostte. En die stemming werd nog versterkt en verhoogd, door al wat de voorzitter aan het einde der vergadering kon mededeelen o.a. over de vermeerdering van het aantal leden der Vereeniging, over de belangstelling die uit het buitenland in de stichting der school betoond werd, over studenten, dit zich nu reeds hadden aangemeld, enz.

En die goede tijdingen konden als bekroond worden door de mededeeling, dat het stichtingskapitaal, waarvoor reeds een paar jaar geleden twee ijverige voorstanders der zaak elk vijf en twintig duizend gulden hadden toegezegd, en met welks aanvulling tot op honderd aandeelen, elk van duizend gulden, men zich in de laatste dagen had beziggehouden, juist den dag te voren volteekend was, daar een ongenoemde per telegraaf had doen berichten, dat hij de nog ontbrekende aandeelen voor zijn rekening nam, terwijl door de bij den aanvang dezer vergadering nog toegezegde aandeelen, nu reeds kon gedacht worden aan de bevordering van een ander belang der te stichten school.

Een en ander vinden we vermeld in het Overzicht van de geschiedenis der stichting, geschreven door Dr. Rutgers in het Feestnummer van De Heraut van 31 October 1880. Hij besluit daar zijn overzicht met een naamlijst van de medestichters. „Niet om door die vermelding henzelven ook maar eenigszins te verheerlijken, daar toch ieder hunner genoegzaam weet, dat er in die gave hoegenaamd niets verdienstelijks is. Maar om ook hier aan den eisch der geschiedenis recht te doen, en om des te meer te stemmen tot dank jegens God, die het aan zoo velen in het hart gaf, van het hunne, of liever, van het zijne, iets te geven”.

En dan eindigt Dr. Rutgers met deze woorden:

Bij het overzien dier schare van medestichters mogen de gedachten nog wel eens teruggaan tot voor omtrent drie jaren, toen die uiterst kleine broederkring daar in Amsterdam begon samen te komen. Wie had toen kunnen denken, dat dit nietige aantal reeds zoo spoedig in die mate zou aangroeien, en dat naast die stichters dan nog zooveel duizenden in het gansche land de zaak zouden steunen, niet slechts door hun opwekkend woord en door hun gebed, maar ook door hun persoonlijken arbeid en door hunne gaven!
Soli Deo Gloria! zij en blijve bij de ervaring van dat alles ieders leuze. En voorts zij ieder er van doordrongen, dat nu nog slechts een begin is gemaakt.

|93|

Al wat waarlijk leeft, is ook bestemd om te groeien. En ook voor dien groei zij aller vertrouwen, niet op menschen, die uit zichzelven niets vermogen, maar op Hem, die tot hiertoe geholpen heeft, en die trouwe houdt tot in eeuwigheid!

Overigens trad Dr. Rutgers, de stichter bij uitnemendheid, op den stichtingsdag zelven niet op den voorgrond. Dr. Hoedemaker hield zijn wijdingsrede, Dr. Kuyper zijn openingsrede, Mr Fabius zijn inaugureele oratie, maar Dr Rutgers hield . . . . zich stil.

Doch juist daarom was het zoo fijn gevoeld, toen Professor Fabius aan den officiëelen feestdisch een dronk der waardeering vroeg voor één der hoogleeraren, wiens stem men dezer dagen minder had vernomen, maar wiens karakter en toewijding in dit stille schuilen niet minder uitblonk, t.w. op Professor Ruters. Op den man, die in echt Gereformeerden geest, de bezorging der kleine details niet beneden zich had geacht, en, voor wie slechts luisteren wilde, een niet minder schoone oratie dan de Rector, geleverd had in de schoone harmonie en den uitnemenden gang van dit feest.

Professor Rutgers, die al eerder een dronk had ingesteld op die vele honderden in den lande, die in tal van steden en dorpen niet minder ijver in den bouw dezer stichting betoond hadden dan de Heeren Directeuren en Curatoren, vroeg nu nogmaals het woord, omdat hij meende iets te moeten afdingen van den lof, hem door zijn ambtgenoot Fabius toegezwaaid. Immers, niet hij alleen had het werk der organisatie tot stand gebracht. Op de meetings was het leeuwenaandeel der speeches meest voor Dr. Kuyper geweest. En voorts, wat zou hij hebben uitgericht zonder den onwaardeerbaren ijver der Correspondenten. Vooral aan Friesland kwam de eere toe, den stoot, den energieken stoot voor de zaak gegeven te hebben. Terwijl verder door de aanwezigen niet moest worden voorbijgezien, wat ook deze stichting verschuldigd was aan de ijverige bemoeiing van den wakkeren uitgever Kruyt, die èn als expediteur èn als uitgever, ook de zaak der Vrije Universiteit met onwaardeerbare toewijding had gediend.

Zoo was Dr. Rutgers altijd weer groot in het kleine.

En dat bleef hij ook als schoolstichter, zelfs nog na de opening der school, omdat er in het academische leven nog langen tijd veel te ordenen viel. Niemand wist dit zoo van nabij als de rector, Dr. Kuyper. En daarom sprak deze den 20sten October 1881 bij het overdragen van de rectorale waardigheid aan zijn opvolger, Dr. Rutgers: „Wat in mijn hart voor U leeft, is te teeder om het U hier te zeggen, maar dit ééne mag ik dan toch getuigen, dat ge meer dan een gekozen, dat ge een geboren

|94|

Rector zijt, voor Rector in de wieg gelegd; ja, vroeg men mij een rectorstype, ik wees op U als archetypisch model. Orden Gij dan met uw schoon geordenden en daarom alles om u ordenenden geest, wat Uw minder gedisciplineerde voorganger nog ordeloos achterliet”.

___

 

Rullmann, J.C. (1918) HIV.2

2. Als Leermeester.

Met een vijftal studenten werden in December 1880 de lessen aan de Vrije Universiteit begonnen. Voorloopig deden de lokaliteiten der Schotsche Zendingskerk aan den Binnen-Amstel als collegezalen dienst. Elken morgen vond men daarop met nachtelijk krijt het opschrift van Dante’s Inferno geschreven:

Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt.

En inderdaad waren de vooruitzichten met name voor de theologische studenten dan ook allerdroevigst. De Synode toch had de admissie tot de kerkelijke examens voor hen uitgesloten door haar stelsel van college-dwang bij door haar aangewezen hoogleeraren. En te Amsterdam voorzag de Gemeenteraad met stadsgeld in de onkosten van het kerkelijk Professoraat der heeren Gunning en Knappert, onder beding, dat de Synode geen andere studenten dan van Overheids-hoogescholen tot haar examina zou toelaten.

Met het oog op deze hinderpalen die de voorstanders eener z.g. liberale richting aan de theologische studenten der Vrije Universiteit in den weg legden, mocht de eerste rector bij de overdracht van het rectoraat op 20 October 1881 er dan ook wel in roemen, dat het aantal studenten, reeds daags na de opening, grooter dan eens Leidens aanvang was. En toen in het volgend jaar de tweede rector, Professor Rutgers, aftrad, bedroeg het getal, alleen reeds voor de godgeleerdheid, 25. In zijn rectorale oratie over Het Kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde Kerken, gelijk dat gekend wordt uit de handelingen van den Amsterdamschen kerkeraad in den aanvang der 17e eeuw noemde hij dezen aanwas van het getal studenten verblijdend. Maar, zoo voegde hij er aan toe:

Maar nog veel meer dan op een groot aantal stellen we prijs op een goed gehalte; op jongelingen, die uit overtuiging tot ons komen, die met ernst hunne studiën aanvatten, en die vrij kunnen zijn zonder bandeloosheid, vrij ook van menschenvrees en die utiliteitsleer, die zoovele karakters bederft. Laat dat blijken

|95|

bij U, mijne heeren studenten. Ziet, het was in den tijd, dien ik straks behandeld heb, een zoo goed en gelukkig teeken, dat in 1610, in hetzelfde jaar, waarin de verdrukking der Gereformeerden begon en terwijl zooveel predikanten nog aarzelden of wel toegaven, dat juist toen zooveel studenten, n.l. bijna alle theologanten aan de Leidsche Academie, zich beslist en openlijk uitspraken. Toen des zomers Vorstius, die nog heel wat verder ging dan Arminius, tot hoogleeraar te Leiden beroepen was, zonden de studenten, ten getale van vijf of zes en vijftig, reeds in October een eerbiedig Request aan de H.H. Curatoren en aan de H.H. Gedeputeerde Staten, waarin zij om der wille van hun studie en van hunne toekomst, ja ook van de toekomst der hoogeschool, „met alle ootmoedigheyt remonstreerden ende suppliceerden, dat doch hetselve beroep gheenen voortganck mocht hebben, ende volghens dien, den voorgeschreven D. Conradus Vorstius voor hen als Meester, Leeraer ende Professoor, niet en wierde gestabilieert”. Het was toentertijd wel voor hen zoo erg niet als het nu zou geweest zijn; want wàt er toen ook bedacht is, om de Gereformeerden ten onder te houden, een collegedwang is er toen in Holland toch niet uitgevonden. 1) Maar als Vorstius kwam, zouden zij bij hun studie toch in menig opzicht verlegen worden; en de éénheid, wier noodzakelijkheid zij bij ervaring geleerd hadden, kwam dan toch niet tot stand, Laat mij, nu we toch weer naar dien tijd zijn teruggekeerd, U daarbij nog mededeelen wat er toen geschied is. De hooge colleges, bij wie dat Request was ingediend, waren uitermate verstoord. Op de onderteekeningen werd nauwkeurig acht gegeven. En ja! daar waren twee namen, op wier eigenaars het gebeurde kon verhaald worden. ’t Waren twee studenten die in het Staten-college door de Leidsche Burgemeesters onderhouden werden. Weldra werd hun nu de eisch gesteld: herroept uwe onderteekening en „bekent dat ge daerin qualijck ghedaen hebt.” Maar het antwoord was: dat kunnen wij niet, want dat zou met onze overtuiging in strijd zijn. En toen zijn die twee moedige jongelingen, enkel daarom, „uyt het College geset ende van haren onderhout berooft”. Of die dwang nu dienstig was, om een flink studentencorps voor de machthebbers te doen buigen, is zeer zeker de vraag. Of liever: het tegendeel bleek al spoedig, toen de Leidsche studenten hun Request met de noodige bijlagen lieten drukken. En het was zonder twijfel met voldoening, dat zij daarin o.a. berichten konden, hoe die twee van alles beroofden hunne studiën toch hadden kunnen voortzetten. Nu, zij zijn er bovendien wel niet minder op geworden; en die tijdelijke achteruitzetting heeft hun voor den strijd, dien zij tegemoet gingen, ook voorwaar niet geschaad. Laat het zoo ook wezen bij U, die in die geschiedenis eenigszins uwen eigen toestand geteekend vindt, die U ook iets hebt moeten getroosten om tot ons te komen, en die ook uwe overtuiging niet kunt blijven volgen, zonder juist daarom te worden achteruitgezet, hetzij dan op het punt van ondersteuning, of wel op het punt van vooruitzichten, of op andere wijs. Als Gij dat kunt uithouden in de kracht des Heeren met vrijmoedigheid en blijmoedigheid, ja! dan is er goede verwachting, van U en ook voor U. Gij zult dan kunnen doen, wat ook onze stichting doen moet: eene positie, die men aan de Staatsuniversiteiten reeds gereed vindt, zelven


1) In een noot verwijst Professor Rutgers hier naar zijn ten jare 1878 uitgegeven brochure Vrije Theologische Studie, die op blz. 9-20 omtrent dit onderwerp een historisch overzicht geeft, waarvan de sedert door niemand bestredene of weersprokene slotsom aldus moet worden uitgedrukt: „In den bloeitijd der orthodoxie was de vrijheid het grootste; en naarmate de kerk in naam liberaler werd, kwam er des te grooter dwang.”

|96|

veroveren. Gij zult dan uitnemend daartoe medewerken, ook voor onze stichting zelve. En Gij zult haar dan tot sieraad en eer zijn: de vervulling van haar hoop en haar wensch.

De uitbreiding van het studentental deed allengs de noodzakelijkheid inzien van een eigen Universiteitsgebouw. Dit vond men eindelijk in het perceel Keizersgracht, bij de Leliegracht, no. 162. En daar werden dan ook sedert Februari 1884 de academische lessen voortaan gegeven.

Slechts vijftien huizen verder, op no. 192, aan gene zijde van de Leliegracht, woonde Dr. Rutgers, Van zijn huis naar de Universiteit was dus maar een korte afstand. En het is deze korte afstand geweest, dien Professor Rutgers van nu af aan, jaar in jaar uit, steeds weer heeft afgelegd, zoo dikwijls hij college had te geven.

Als hij dan op zijn studeerkamer de Westertoren het collegeuur had hooren slaan, maakte hij zich gereed, verzamelde zijn aanteekeningen; greep, al naardat het een college Exegese, Kerkgeschiedenis of Kerkrecht gold, zijn Hebreeuwsch Oud-Testament, of ’n Calvijn-studie, of Voetius’ Politica Ecclesiastica, en met zijn boeken onder den arm, kon men dan in het professsoraal kwartiertje deze rijzige, slanke figuur, al naardat het seizoen het meebracht, gekleed in pelsjas, demisaison of enkel jaquette, maar altoos in ’t zwart, en gedekt door een zwarten, breed-geranden, slappen deukhoed, met korte vlugge pasjes de brug van de Leliegracht zien oversteken, om nog juist op tijd (hij telde precies het aantal stappen, dat hij daarvoor noodig had), het Universiteitsgebouw te bereiken, waar hij in de senaatszaal het kwartier-spel afwachtte. Dan ging hij naar de collegezaal boven, vanwaar soms het luidruchtig „amok-maken” der studenten hem reeds op de trap in de ooren klonk. Maar zijn onverstoorbaar kalme deftigheid, die precies deed, alsof hij niets van dit oorverdoovend lawaai gemerkt had, bracht bij zijn binnentreden opeens volkomen stilte in de zaal. Allen stonden op en bleven staan, totdat hij in zijn volle lengte kaarsrecht op den katheder stond. En onderwijl men was gaan zitten, had hij intusschen met snelle handbeweging den Bijbel opengeslagen, waaruit hij gewoonlijk eenige verzen uit het Spreukenboek voorlas. De vreeze des Heeren, waarvan dit boek spreekt, beval hij zijn studenten trouwens meermalen 1) als het beginsel der wijsheid bij hun studie en bij hun leven aldus aan:


1) Zie: De Geldigheid van de oude Kerkenordening, blz. 48, en: De Beteekenis der Gemeenteleden, blz. 30.

|97|

Bij de studie; omdat wordt gewaakt tegen tweeërlei afwijking: tegen een vergoding van de wetenschap als zoodanig, en tegen eene geringschatting, alsof zij geen ander nut had dan om aan een ambt of betrekking te helpen. En terzelfder tijd bij het leven; zoodat wederom tweeërlei verre blijft: gelijkvormigheid aan de wereld en gelijkvormigheid aan het klooster. „De vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid”. Dus geen wijsheid uit een ander beginsel; maar ook geen bedenksel der traagheid, alsof het begin reeds genoeg was, en alsof men zich den arbeid van uitwerking en toepassing dan ook eigenlijk wel besparen kon . . . . Waar erkend wordt, dat „de vreeze des Heeren het beginsel der wijsheid” is, ligt juist daarin een prikkel te meer, om dan dat beginsel ook te laten werken, en dus op den weg van wijsheid en wetenschap het „altijd verder” tot leuze te nemen. . . . . En wederom: „de vreeze des Heeren het beginsel der wijsheid”. Dus geen levensopvatting en geen levensregel uit een ander beginsel, noch ook godsvrucht, die zich in zichzelve zou terugtrekken, zonder ook als levenswijsheid openbaar te worden . . . . Moge blijken, dat dit ook zoo begrepen wordt in het corps der studenten, zoodat velen daaruit voortkomen, op wie later het Schriftwoord van toepassing is: „een wijs man is sterk en een man van wetenschap maakt de kracht vast”.

In overeenstemming met het voorgelezen Schriftgedeelte ging Professor Rutgers nu verder voor in het gebed om die wijsheid, waarvan de vreeze des Heeren het beginsel is. Het was gewoonlijk een kort, eenvoudig formuliergebed. Van formuliergebeden was deze Hoogleeraar trouwens een beslist voorstander. Op zijn college-Kerkrecht drong hij er, bij de behandeling van Artikel XXXII van de Dordtsche Kerkenorde, altoos weer sterk op aan, dat men ook kerkelijke vergaderingen toch steeds zou openen en sluiten met de Formuliergebeden uit onze Liturgie, gelijk in de 16e en in het begin der 17e eeuw algemeen gebruikelijk was. Eerst later is men begonnen zoogenaamd „vrij” te bidden. Een „vrij” gebed was echter volgens Professor Rutgers in samenkomsten onmogelijk, aangezien de saamvergaderden dan toch steeds gebonden zijn aan het gebed van den voorbidder. De vergadering moet dus altijd met de woorden van een ander bidden. En dan is een formuliergebed, dat na rijp beraad werd vastgesteld, verre te verkiezen boven een spontaan gebed onder den indruk van het oogenblik uitgesproken. Juist omdat men bij een formuliergebed van tevoren weet wat er komt, kunnen de saamgekomenen daarbij veel inniger en hartelijker meebidden, dan wanneer zij moeten afwachten welke verrassingen de wisselvallige stemming van den voorbidder hun bereidt. Moet echter een vergadering geacht worden geestelijk zóó laag te staan, dat ze een formuliergebed slechts gedachteloos, en niet in geest en in waarheid zou bidden, dan is een z.g. „vrij” gebed aan te bevelen. Ook de tegenwerping, als zou een formuliergebed alleen goed zijn voor hen, die de gave des gebeds missen, bestreed Professor Rutgers met de opmerking, dat Calvijn, een gebedsman

|98|

bij uitnemendheid, wel 5000 maal bij den aanvang zijner colleges dit gebed heeft gebeden: „De Heere geve ons, bij de kennis van de verborgenheden der hemelsche wijsheid, een waar toenemen in Godsvrucht, tot Zijne eere en onze stichting, Amen.” 1)

De colleges van Professor Rutgers golden in de studentenwereld voor colleges van. de eerste orde. Hadden indertijd coryphaeën als Fruin en Acquoy, voor hun onderwijs in schijnbaar dorre vakken als kerkhistorie en kerkrecht, bij de Leidsche academie-burgers slechts matige belangstelling kunnen wekken, te Amsterdam aan de Vrije Universiteit doceerde onze Hoogleeraar deze vakken steeds voor een talrijk auditorium.

Wel vonden pas aankomende theologanten ze eerst nog wat droog en saai. En dat schenen ze dan ook bij oppervlakkige kennismaking. Want Professor Rutgers boeide zijn gehoor niet, zooals Professor Kuyper, door imponeerende denkbeelden, en evenmin kruide hij zijn colleges, zooals Professor Geesink, met een korreltje humor.

Ook ontbrak aan zijn verschijning de bewegelijkheid die dezen zijn collega’s eigen was. Onbeweeglijk slak zijn lange, magere gestalte hoog boven den katheder uit; het opgerichte hoofd slechts nu en dan een weinig bukkende om even een blik te slaan in de aanteekeningen, die hij voor zich op den lessenaar had liggen, of de rechterhand slechts van tijd tot tijd grijpend naar het stapeltje boeken, dat hij bij het binnenkomen op den rand van den katheder naast zich had neergelegd. Maar overigens staarde hij, al doceerend, recht voor zich uit, met de vingers van de rechterhand zachtkens spelend in de franje van de katheder-rand; een gewoonte, die hij slechts afwisselde door een stereotype beweging van den rechterwijsvinger, wrijvend langs het oog boven het voorhoofd of in den neushoek.

Maar wat Professor Rutgers in beweeglijkheid tekort, schoot, vergoedde hij ruimschoots door degelijkheid. En voor een geoefend student was het daarom een lust zijn colleges te volgen. „Dan bewonderden we”, schreef Dr. Grosheide, „het ontzaggelijke geheugen, de kennis, de preciesheid, de gave om het heden te belichten door het verleden. En straks in kalmte nagaand, wat Rutgers had gegeven, viel ons immer weer op de groote duidelijkheid, de „afheid” van wat hij ons bood”. „De ingewikkeldste problemen”, zoo verklaarde Dr. Aalders, „kregen door de helderheid van uiteenzetting, waarmede ze besproken werden, een eenvoudigheid, die


1) Zie Doumergue: Calvijn in het strijdperk, blz. 358.

|99|

den student verbaasd deed staan, dat niet de geheele wetenschappelijke wereld het evenzoo inzag”.

Qui bene distinguit, bene docet, zegt het spreekwoord. Welnu, Professor Rutgers was een eminent docent om het helder inzicht, dat hij zijn leerlingen aanbracht.

Maar daarom niet alleen. Ook om de bezieling, die er van zijn onderwijs uitging. Want als docent paarde hij aan logische klaarheid warme liefde voor de gereformeerde beginselen. Niemand twijfelde ooit aan den heiligen ernst, waarmede hij ons steeds op het hart bond om onvoorwaardelijk te buigen voor het gezag der Heilige Schrift. Als een echt geesteskind van Calvijn hield hij ons altoos weer voor, dat de eere Gods boven alles moest gaan. En met onwankelbare trouw waarschuwde hij ons gedurig om toch ook in het kerkelijk leven nimmer af te wijken van het zuivere spoor der ordinantiën Gods.

De invloed, door dit onderwijs uitgeoefend, was onberekenbaar groot. Het maakte steeds diepen indruk op allen die het voorrecht hadden het te mogen volgen. Het zette op hen een stempel, dat niet licht zal worden uitgewischt. Professor Rutgers heeft aan de Vrije Universiteit een school gevormd van stoere Calvinisten. En indien deze zich ook nu nog kenmerken door beginseltrouw, dan hebben ze dat, naast God, zeker niet het minst te danken aan het onderwijs van Professor Rutgers.

De verschillende vakken, waarin deze Hoogleeraar onderwijs gaf, brengen we in de volgende paragrafen afzonderlijk ter sprake. Hier zij evenwel reeds gewezen op de methode van studie die hij indertijd aangaf, en die, naast een andere van Dr. A. Kuyper, onder zijn studenten de ronde deed.

Men moet niet studeeren op goed geluk af, en zich niet laten drijven op eigen gevoel, maar zich rekenschap geven van hetgeen men doet.
Welke vakken zijn hier te bestudeeren en op hoeveel jaren is de academische studie ingericht?
De vakken zijn:
Exegese O. en N.T.
Algemeene en Vaderlandsche Kerkhistorie.
Encyclopaedie.
Dogmatiek.
Ethiek.
Geschiedenis der Philosophie.
Geschiedenis van de Idolatrie.
Kerkrecht.
Liturgische vakken.
Voorts moet er tijd zijn voor studie van het Nederlandsch en litteratuur in het algemeen, classieke en nieuwe; eindelijk tijd voor liefhebberijstudie.

|100|

De studie dier vakken loopt aan de Vrije Universiteit in 4 jaren af, met dien verstande, dat aan het einde van het 3e jaar het candidaatexamen kan afgelegd en het 4e jaar dient tot voorbereiding voor de bediening zelve. 1)
Geen practische studie zou het worden, zoo men in het eerste jaar aan elk der vakken evenveel tijd ging wijden. Dan zou de stof te overweldigend worden, en ook de studie niet goed vlotten, omdat het eene min of meer voorbereidend is voor het andere en eenige kennis van het eene vak maakt, dat men het andere spoediger meester wordt.
Zoo gaan bijv. de exegetische en historische vakken of de bibliologische en ecclesiologische meer voorop. Schriftuitlegging en kennis van de geschiedenis eischt minder denkkracht dan de dogmatische vakken, die dan des te beter gaan.
In het eerste theologische jaar slaan dus exegese en historie op den voorgrond.
In het tweede meer de dogmatische vakken.
In het derde jaar staan deze laatste geheel op den voorgrond.
In het vierde jaar vragen de liturgische meer de aandacht.
De eerste zijn dan niet non-actief, althans de exegese blijft voortdurend hoofdzaak, omdat alle theologie weer berust op de H. Schrift, het principium theologiae. Van al die vakken is er dus geen, dat in al die studiejaren geheel mag verwaarloosd.
Hoeveel tijd aan elk vak te besteden is, hangt samen met de vraag, hoeveel tijd men dagelijks hebben moet. Een vaste regel is niet te geven; de werkkracht verschilt bij den een van den ander. Toch moet gezegd, dat de bekende achturige werkdag niet te hoog gesteld is. Acht uren is een minimum.
Stelt men dien tijd op ongeveer acht uren, dan kan men weer onderscheiden tusschen vacantie- en collegetijd. Bij den werktijd worden de colleges meegerekend. In den vacantietijd kan het getal uren iets dalen. Zijn er 4 uren colleges op een dag, dan moet men rekenen op vijf uren om te werken.
Dag aan dag kan dit niet in acht genomen, dan wordt de studie mechanisch; maar het ingeboete moet worden ingehaald.
54 uur studeeren in de week, en in de vacantie 42 kan volstaan.
Hoe men den dag verdeelt hangt van de omstandigheden af.
De vraag is nu, met het oog op vakken en tijd, hoeveel tijd aan elk vak te geven is, zooals dat voor een goede voorbereiding het meest wenschelijk is.
Een practische indeeling is deze:


1) In De Geldigheid van de oude Kerkenordening, blz. 47, maakt Professor Rutgers onderscheid tusschen een Academische studie die inderdaad, en eene die naar de schatting van vacante Kerken en van de studenten zelven voleindigd is. En dan licht hij die onderscheiding aldus toe: „Het boven gezegde ziet bepaaldelijk op de studie der Godgeleerdheid, welke aan de Vrije Universiteit in den regel niet voleindigd kan heeten, wanneer men, na het propaedeutisch examen, niet nog minstens vier jaren aan de Academie is blijven studeeren. Aan de Staats- en Stads-Hoogescholen is voor de geheele wetenschappelijke opleiding van aanstaande predikanten de tijd iets korter gesteld, en in meerdere mate nog is dit het geval aan de Theologische School te Kampen. Dit werkt zeker mede met den nood van vele vacante Kerken, om ook voor studenten aan de Vrije Universiteit den cursus vaak iets korter te maken. Maar voldoende is de studietijd dan toch eigenlijk niet. Bij gewonen aanleg moet als regel gelden, dat na behoorlijke gymnasiale opleiding en Academische propaedeuse (samen gewoonlijk 7 jaren kostende) nog 4 jaren aan de studie van de Godgeleerdheid zelve gewijd worden”.

|101|

Exegese O.T. gedurende de 4 studiejaren geregeld 6 uren per week. In den collegetijd dus minder eigen studie, in den vacantietijd dus meer. Men kan dit doen door de helft te besteden aan grondige exegese met gebruik van commentaren; men kan dus soms zeer weinig vorderen. Den anderen tijd cursorisch doorlezen, dus een gemakkelijk boek en alleen bij moeilijkheden de hulp van het lexicon. In het cursorisch lezen ligt een groot nut. Men gewent aan het Hebreeuwsch en dit helpt weer voor de grondige studie.
Aangaande het N.T. kan hetzelfde gesteld: 6 uren per week, 3: grondige exegese en 3 cursorisch. Het N.T. kan men zoo meer dan eens in ’t Grieksch hebben omgelezen.
Algemeene Kerkgeschiedenis eischt in ’t eerste jaar 6 uren per week, in het tweede 5, in het derde 4, in het vierde 3 uren.
Voor Vaderlandsche Kerkgeschiedenis zou men het eerste jaar 4 uren kunnen nemen, en de volgende 3 jaren telkens 2 uren per week.
Voor Encyclopaedie het eerste jaar in den collegetijd 2 uren per week, in den vacantietijd niet; in het tweede en derde jaar 3 uren per week, het geheele jaar door.
Dogmatiek in ’t eerste jaar 4 uren per week, in de vacantie niet; in het tweede jaar 5 uur per week, steeds door, en in het derde jaar 8 uren, in het vierde jaar 4 uren.
Voor Ethiek zal men het 1e en 2e jaar met 3 uren kunnen volstaan in den collegetijd; in den vacantietijd niet; in het derde jaar 4 uren steeds door; in het vierde jaar 2 uren.
Aan de Geschiedenis der Philosophie per week steeds door 4 uur, in het tweede jaar 3 uren in den collegetijd, in het derde jaar evenzoo 3 uren, in het vierde jaar 2 uren het geheele jaar door.
Idolatrie 1e jaar 2 uren per week; tweede en derde jaar 2 uren in den collegetijd.
Kerkrecht 2 uren per week in den collegetijd het eerste, tweede en derde jaar. In ’t vierde 3 uren het geheele jaar door.
De diac. vakken rusten eerst; in het tweede en derde jaar 2 uur per week in den collegetijd, in het vierde jaar 4 uren per week.
Het Nederlandsch en Litteratuur eischt steeds 6 uren per week, alleen het derde jaar in de vacantie 2 uren per week.
Liefhebberijstudie kan in het eerste en tweede jaar over 8, het derde 7 en het vierde 10 uur per week beschikken.
Zoo komt men tot een slotsom van 54 en 42 uren. In het vierde jaar 48 uren.

Aan dit verstandige studieplan hielden we ons echter niet allen. En dat wreekte zich dan wel eens op het tentamen bij Professor Rutgers, als het „vlijmend ontleedmes, met hoe zachte hand ook gevoerd, doordrong tot in de diepste schuilhoeken van onzen geest, en helaas niet altijd Minerva uit ons brein te voorschijn kwam”. Gelukkig liep na zoo’n tentamen het examen toch meestal nog weer redelijk goed af, doordat deze examinator dan vooral gewoon was zachtheid van beoordeeling aan ernst te paren.

Voorts was deze Hoogleeraar ook in den persoonlijken omgang een humaan Professor. Wel wist hij met de afgemeten deftigheid van den oud-Hollandschen edelman steeds den noodigen afstand tusschen zich en de studenten te bewaren, maar daarbij toonde

|102|

hij toch oor en hart te hebben voor ieder die tot hem kwam. De thee-uurtjes in het oude, deftige woonhuis op de Keizersgracht waren dan ook zeer gezocht. Trouwens, Mevrouw Rutgers verwierf zich door haar aangeboren tact om als gastvrouw op te treden den eerenaam van studenten-moeder. En Professor Rutgers kon, als hij op dreef was, allergezelligst converseeren. Waren er dan bovendien, zooals wel eens gebeurde, eenige Zwitsersche dames tegenwoordig, dan was hij wel zoo vriendelijk aan zijn studenten de keuze te geven om met deze dames in het Fransch of in het Engelsch de conversatie te hebben „wat voor sommigen onzer, dank zij het geheel onvoldoende onderricht in de nieuwe talen op het gymnasium, een keuze was tusschen hangen en worgen” (W.H. Gispen Jr.).

Maar wie Professor Rutgers in zijn element wou zien, moest op zijn studeerkamer komen. En dan niet in de zenuwachtige spanning van een die tentamen kwam doen, maar b.v. om zijn hulp in te roepen bij de samenstelling van een proefschrift. Aan het einde van den langen gang klomt ge dan de weinige treden op van het met fraai gesneden leuning versierde trapje. Dan stondt ge voor de groote deur van een groote achterzaal, en op uw kloppen gaf een vriendelijk: „binnen!” u vrijheid, om dit merkwaardig heiligdom binnen te treden. In het gedempte licht, achter een breede schrijftafel, rijk bevracht met boeken, brieven en papieren, schijnbaar in schilderachtige wanorde dooreen geworpen, rijst nu, uit een hoogen stoel, de ranke, steile gestalte op, liefst in grijzen chambre-cloak, van den beminnelijken geleerde, die zijn bezoeker verwelkomt met een vriendelijk woord en een vraag in de tintelende oogen: omtrent welk punt ge zijn voorlichting begeert. En aanstonds vindt ge hem hulpvaardig. De gordijnen van de boekenkasten worden weggeschoven. Met koninklijke mildheid ontsluit hij u de schatten van zijn kostbare bibliotheek. En tien tegen één, dat hij u een foliant of pamflet reikt, waarvan ge zelfs het bestaan niet vermoed hadt.

Ook in de moeilijkheden van het studentenleven klopte men bij Professor Rutgers nooit te vergeefs om raad en steun aan, zooals o.a. blijkt uit dit schrijven inzake de bekende Corps-quaestie:

In de quaestie, die de studenten der Vrije Universiteit thans verdeeld houdt, geeft de ondergeteekende, van wien de vertegenwoordigers der beide in geschil zijnde groepen een advies gevraagd hebben, als zijn gevoelen het volgende:
De uitdrukking „het Corps der studenten aan de Vrije Universiteit” kan niet anders beteekenen, dan de vereeniging van alle studenten aan de Vrije Universiteit, gezamenlijk als één lichaam optredende.

|103|

Strikt genomen, is die uitdrukking dan ook enkel gewettigd, wanneer werkelijk alle studenten tot het Corps behooren, en zou zij niet meer bruikbaar zijn, zoodra er slechts één student was die daar buiten stond.
Intusschen, wanneer dit laatste tot de uitzondereingen behoort, en wanneer het Corps zelf daartoe geenerlei aanleiding geeft, maar zijn lidmaatschap zonder eenige beperking of belemmering voor allen, die aan de Vrije Universiteit student zijn, openstelt en openhoudt, kan er weinig bezwaar zijn, de absolute uitdrukking „het studentencorps” toch te gebruiken.
Dat er zulk een Corps bestaat, kan in sommige opzichten wenschelijk geacht worden. Bepaald noodig is het zeker niet. Trouwens aan verre de meeste Universiteiten, beide in Europa en in Amerika, wordt een dergelijk Corps niet gevonden. Maar het kan toch goeden dienst doen voor de behartiging van belangen, die alle studenten met elkander gemeen hebben, en voor onderscheidene gevallen, waarin het gewenscht is dat zij gezamenlijk kunnen optreden.
Bij een zoodanig Corps nu volgt van zelf uit zijn naam en uit zijn geheele optreden, dat ieder die als student aan de Vrije Universiteit is ingeschreven, aanstonds, en alleen op vertoon zijner inschrijvingsbul, als lid van het Corps wordt aangenomen. Met name een novitiaat, d.i. een voorafgaande proeftijd, is dan onbestaanbaar. Het Corps, zulks toch eischende, zou daarmede zichzelf verloochenen, en niet langer „het studentencorps” kunnen genoemd worden.
En ook volgt uit dien naam en uit dat geheele optreden, dat de grondslag van vereeniging en de band van samenvoeging niet op zulk een wijze kan bepaald worden, dat studenten van de Vrije Universiteit reeds daardoor van het Corps zouden kunnen uitgesloten worden. Met name kan die grondslag en die band niet gesteld worden in de belijdenis der Gereformeerde beginselen; want men kan student zijn aan de Vrije Universiteit, zonder persoonlijk die belijdenis te zijn toegedaan, maar men zou in dit geval geen lid kunnen zijn van een Corps, dat als zoodanig een gereformeerd karakter had. Door dat zeer bepaalde karakter zou het Corps dus ook uitspreken „het studentencorps” niet te zijn.
In het gezegde ligt nu echter niet opgesloten, dat het Corps der studenten aan de Vrije Universiteit zou geroepen zijn, in godsdienstig opzicht absoluut neutraal op te treden. Ook een ongeloovige kan er lid van zijn; maar hij kan niet geacht worden, daarin den toon te moeten aangeven, zoodat alle anderen zelfs in het geval zouden komen, van hunne conscientie geweld te moeten aandoen. Juist integendeel, aan de Vrije Universiteit, waar alle onderwijs geheel en uitsluitend rust op den grondslag der gereformeerde beginselen (art. 2: Statuten, Vereeniging Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag), waar het mede aan de studenten als roeping wordt voorgehouden om, gedachtig aan het „nil contra Deum aut bonos mores”, de Universiteit te helpen dienstbaar maken aan de bevordering van Gods eer en van godzaligheid in den lande (art. 24, Regl. der Vrije Universiteit) en waar volgens die beginselen ook het oefenen van toezicht en tucht door den Senaat geregeld is, (Regl. toez. en tucht), mag en moet bij ieder, die aldaar komt studeeren, ondersteld worden, dat hij, welke ook zijne eigene godsdienstige overtuiging zij, niet gekwetst of bezwaard wordt, wanneer de student, die eene corpsvergadering heeft te leiden, of die uit naam van het Corps, eene toespraak heeft te houden, in gereformeerden geest bidt en spreekt. Aan de Vrije Universiteit zal dit altijd wel de geest zijn van de overgroote meerderheid der studenten, en dus ook de geest van de door hen gekozen leiders en woordvoerders. Maar dat is dan enkel een feitelijke toestand, waarbij in het corps voor eene dissentieerende minderheid plaats overblijft; en dus gansch iets anders, dan wanneer in het statuut zelf van het Corps de gereformeerde

|104|

beginselen als zijn grondslag genoemd worden en juist daarom een gereformeerd optreden uitdrukkelijk geschieden zou uit naam van alle studenten zonder onderscheid.
Voor een dergelijk studentencorps, dat naar zijn idee en naar zijn karakter generaal is, zal de werkkring uit den aard der zaak altijd vrij beperkt zijn, daar alleen hetgeen alle studenten als zoodanig betreft, daar binnen kan vallen. En naast dat studentencorps is er aan de Vrije Universiteit dan ook zeker wel plaats vooreen Corps of vereeniging, met een engeren, speciaal gereformeerden grondslag; waarbij, ook zonder dat er voor de toetreding eene belofte of verklaring gevraagd wordt, toch ondersteld wordt, dat alle leden persoonlijk de gereformeerde beginselen aanvaard hebben.
Bij een zoodanig Corps of vereeniging kunnen dan voor het lidmaatschap onderscheidene bepalingen gemaakt worden: bijv. dat er een proeftijd of noviaat aan voorafga. Alleenlijk, dit moet dan geheel anders geregeld zijn, dan bijv. aan de overheids-universiteiten hier te landt hel geval is. Aldaar heeft het eigenaardige en geheel verkeerde begrip van studentikositeit uit den aard der zaak geleid tot een daarmede overeenstemmend begrip van ontgroenen, d.w.z. van inwijden en geschikt maken tot het in dien zin bedoelde student zijn. Maar bij een gereformeerd studentencorps zou dit ongerijmd zijn. Een novitiaat. waarbij dingen verlangd worden van welke sommigen om gezondheidsredenen zouden zijn vrij te stellen, of waarbij de novitius zelfs een patroon tot zijne bescherming zou noodig hebben, zou zeer zeker geen speciaal gereformeerd karakter dragen.
Voor het overige verwachte men voor den bloei van het studentenleven niet te veel van regelen en bepalingen, noch ook van corpsen of vereenigingen als zoodanig. Ook in de studentenwereld zijn zij zeker nuttig en soms noodig; maar toch, daar nog veel meer dan op ieder ander gebied, is de wederkeerige invloed en werking bovenal persoonlijk.

F.L. RUTGERS.

Amsterdam, Mei 1895.

Dit fijne en heldere advies was voor geen tweeërlei uitlegging vatbaar. Toen nu desniettemin slechts in schijn conform dit advies gehandeld werd, ontging dit aan het scherpziend oog van Professor Rutgers niet, en antwoordde hij op een desbetreffend schrijven nog omstandiger aldus:

Aan het Corpus Studiosorum in Universitate Libera enz., te Amsterdam.

Mijne Heeren!

Onlangs mocht ik een schrijven van U ontvangen, d.d. 27 September 1895, strekkende om mij mededeeling te doen van de besluiten, die in zake de aanhangige corpsquaestie den 26 September l.l. door U genomen zijn; om die besluiten eenigs-zins toe te lichten; om mij uwen dank te brengen voor het aandeel, dat ik daarin had door mijn advies van Mei l.l.; en om mij in kennis te stellen van de circulaire die Gij den 28 Sept. l.l. aan alle studenten gericht hebt.
Naar hetgeen ik U den 29 Sept. l.l. reeds voorloopig mededeelde, heb ik op dat schrijven iets te antwoorden, daar een misverstand, dat er blijkbaar bestaat, anders inderdaad voor mijne rekening zou komen.
Volgens de bovengenoemde stukken nl. hebt Gij de bedoeling gehad, overeenkomstig mijn advies te handelen, en hebben uwe besluiten van 26 Sept, l.l. werkelijk

|105|

die strekking; waarmede ook overeenkomt dat Gij in uwe dankbetuiging mijn advies op zoo hoogen prijs stelt, aan mijne kleine bemoeiingen in deze eene m.i. veel te groote waarde toekennende. Maar terzelfder tijd blijkt mij uit die stukken, dat mijne meening moet zijn misverstaan; in die mate zelfs, dat uwe goed gemeende betuiging op mij den indruk maakt van eene protestatio actui contraria.
Laat mij trachten, dit zoo kort mogelijk in het licht te stellen.
Er was onder onze studenten sedert lang verdeeldheid, en zelfs scheuring, naar aanleiding van de vraag, wat het studentencorps eigenlijk zijn zou. Het trad op als de institueering van onze studentenwereld, als het corps der studenten aan de Vrije Universiteit; maar terzelfder tijd gaf het zich een bepaald gereformeerden grondslag, en stelde het voor zijn lidmaatschap nog een andere voorwaarde dan alleen het student-zijn, n.l. het voldoen aan de verplichting van een zeker novitiaat. Om aan die tweeslachtigheid een einde te maken, wilde men nu eenerzijds het bepaald Gereformeerd karakter op den voorgrond stellen, en dus een corps of vereeniging worden, niet van, maar in de studentenwereld, met prijsgeven van alle optreden in een generaal karakter. En anderzijds wilde men juist dat generale karakter op den voorgrond stellen en bij toeneming doen uitkomen.
Het advies nu, dat ik te dien aanzien, op verzoek der beide partijen, in Mei l.l. gaf, was ten gunste van het laatstgenoemde gevoelen, met bijvoeging dat er naast dat generale corps zeker ook wel plaats was voor een corps of vereeniging met een speciaal Gereformeerd karakter, en voorts met herinnering dat, wanneer men een generaal studentencorps wilde, zulks ook ernstig moest gemeend zijn, zoodat dit corps niet slechts nominaal en schijnbaar, maar wezenlijk en metterdaad generaal was; hetgeen medebracht, dat de bestaande bepalingen omtrent een Gereformeerden grondslag en omtrent een novitiaat als voorwaarde van toelating noodzakelijk moesten wegvallen.
Met dit advies hebben de voorstanders van een speciaal Gereformeerd studentencorps, die reeds uit het bestaande corps waren uitgetreden, zich den 10 juni l.l. geheel vereenigd. Niet omdat het zoo bijzonder in hunnen geest was; want zij hadden juist geijverd, om voor het studentencorps de bepaling van een generaal karakter te doen wegvallen en het als een Gereformeerd corps te doen optreden. Maar omdat zij, met behoud van hunne overtuiging, hier wel konden toegeven, hebben zij om des vredes wille, tot herstelling van de verbrokene eenheid aanstonds verklaard, dat zij voor het beste hielden, het gegeven advies in allen deele op te volgen. En bij die verklaring zijn zij daarna steeds gebleven; terwijl zij ook getoond hebben, haar geheel en zonder voorbehoud te willen gestand doen.
Van de andere zijde heeft het bestaande corps op dezelfde wijze willen handelen, blijkens de telkens herhaalde verklaring dat het zijn Reglement in overeenstemming met het gegeven advies wilde wijzigen. Maar tevens blijkt uit de onderscheidene besluiten, die het achtereenvolgens genomen heeft, dat die overeenstemming eigenlijk niet verder ging, dan in zoover ten gunste van een generaal studentencorps geadviseerd was, en dat men voor de toepassing van dit beginsel terugdeinsde. Waar een generaal studentencorps tot eenigen grondslag heeft, dat men samen student is aan de Vrije Universiteit, wilde men daarnaast nog een geestelijken grondslag, en dan zóó geformuleerd, dat men het woord „Gereformeerd” wel niet uitsprak, maar toch aanduidde.
En waar een generaal studentencorps voor de toelating van leden geen andere voorwaarde kan stellen dan het student-zijn, wilde men de oude voorwaarde van het zoogenaamde groenloopen toch behouden, wel niet onder den naam van een novitiaat dat aan de toelating zou voorafgaan, maar dan onder den naam van

|106|

verplichte kennismaking, die terstond na de inschrijving zou moeten volgen, op straffe dat de inschrijving toch niets beteekenen zou.
Slechts eenmaal heeft het corps van dat streven afgezien, blijkbaar onder den indruk van de bezwaren, die de uitgetredenen daartegen hadden ingebracht, en ook onder den indruk van het ernstig, vredelievend en broederlijk woord, waarmede zij bij het corps hadden aangedrongen, om nu toch, terwille van de zoo gewenschte verzoening en vereeniging, met het beginsel ook de volle toepassing te aanvaarden. Inderdaad heeft het corps toen den 21 sten juni besloten, a) wat in zijn reglement op een geestelijken grondslag en op een novitiaat betrekking had, eenvoudig te doen wegvallen; met bijvoeging dat, indien de uitgetredenen zich daarmede vereenigden, op het eigen oogenblik der verzoening de bedoelde artikelen geschrapt waren.
Evenwel, ofschoon de uitgetredenen den 9den September geheel bevredigend daarop antwoordden, is het corps op dat besluit van 21 Juni weer teruggekomen, en in zijn laatste besluiten van 26 September is het weer geheel gaan staan op zijn vroeger standpunt. Het meest komt dat uit in hetgeen die besluiten over de verplichte kennismaking bepalen, maar toch ook eenigszins in de formuleering van den grondslag.
Wat dit laatste betreft, bij een generaal studentencorps is de grondslag eenvoudig: het student zijn aan de Vrije Universiteit, zonder meer. Alles wat men bovendien daarvan nog zou willen zeggen, is òf in dien grondslag reeds begrepen, òf het staat er naast en is dan met dien grondslag in strijd. Welk van die beide gevallen hier aanwezig is, zou ik niet durven zeggen, want de formuleering is hier zóó algemeen en zóó duister, dat ik voor mijzelven geen antwoord vind op de vragen, wat men eigenlijk reglementair wil handhaven, hoe die handhaving bedoeld is, door welke middelen zij zou kunnen geschieden, waarom in den vorm eener verklaring daarvan gesproken wordt, enz. Maar op welke wijze zulke vragen ook beantwoord worden, de bepaling is m.i. toch altijd óf geheel overbodig, óf met den reeds in art. 1 gelegden grondslag in strijd. Intusschen erken ik gaarne, dat zij in de practijk wel geen bezwaar zal opleveren, daar zij blijken zal, door hare vaagheid wel een rijke bron te zijn voor discussiën en debatten, maar voor toepassing niet wel vatbaar te zijn. Het hoofdbezwaar ligt dan ook niet hierin, maar in de andere bepaling, die op de verplichte kennismaking betrekking heeft.
Indien hiervan de bedoeling en de strekking was, eenvoudig uit te spreken, dat de nieuwe corpsleden zedelijk verplicht zijn met de oudere leden zooveel mogelijk kennis te maken, vooral ook om daardoor op de hoogte te zijn van personen en toestanden, dan zou tegen zulk eene verklaring zeker geen bezwaar zijn. Maar blijkbaar is het niet zoo gemeend. Dan toch zou men tot dit ééne punt zich niet bepaald hebben, maar ook tevens hebben uitgesproken, wat de nog veel dringender zedelijke plichten zijn van de oudere corpsleden tegenover de jongere, en verder in het algemeen, wat de zedelijke verplichtingen zijn der corpsleden als zoodanig. Voorts zou men in dat geval de verklaring wel niet in een reglement hebben opgenomen, in zulk een vorm, dat er eene wettelijke verplichting van gemaakt werd. Allerminst zou men dan eene strafbepaling daaraan hebben toegevoegd, noch ook eenige bepaling die een eenigszins dwingend karakter heeft. Men zou dan ook de zedelijke verplichting der oudere leden (b.v. de verplichting om de jongere leden inderdaad als corpsleden, op een voet van volkomen gelijkheid, te ontvangen), wel onder poenale sanctie gesteld hebben. En (om nog iets te noemen) men zou, aan zoodanige bekendheid met de corpsleden zooveel gewicht hechtende, die niet slechts voor den aanvang, maar ook later voortdurend als eisch moeten gesteld hebben, zoodat b.v. leden, die niet eens in Amsterdam wonen, geene rechten in

|107|

het corps zouden kunnen uitoefenen. — Ik bedoel volstrekt niet, dat dit alles mij noodzakelijk of geraden of wenschelijk voorkomt. Maar ik voer het aan, om te doen uitkomen, wat van de genoemde bepaling de eigenlijke beteekenis is.
Blijkbaar ligt die hierin, dat zij het bestaande novitiaat onder een anderen naam eenvoudig bestendigt. Schijnbaar is dit nu wel afgeschaft; maar die afschaffing is niet anders dan schijn.
Immers, het is zeker waar, dat de pas aankomende studenten nu terstond als lid kunnen worden ingeschreven; maar het is niet minder waar, dat zij, als verstoken van het stemrecht en zelfs van het recht om vergaderingen bij te wonen, toch feitelijk dan nog geheel van het corps zijn uitgesloten, en dat de eigenlijke toegang tot het corps hun eerst verleend wordt, als zij het daarvoor ingestelde novitiaat hebben doorgemaakt. Aan den eisch, dien het geheele karakter van het corps nu eenmaal meebrengt, is dan nominaal en formeel zonder twijfel voldaan, maar ook enkel nominaal en formeel, geenszins wat zaak betreft. En natuurlijk komt het op dit laatste toch aan. Als er quaestie is van den toegang tot een huis, en als dan erkend wordt, dat iemand daarop recht heeft, en dat dus de deur voor hem moet geopend zijn, dan kan niet gezegd worden, dat men aan dien eisch voldoet, als men, ja, de voordeur voor hem openstelt, maar onmiddellijk achter die voordeur een tweede deur maakt, die den toegang toch weer sluit.
En daartegen kan men niet aanvoeren, dat de nieuwe leden zich aan de gestelde voorwaarden niet behoeven te onderwerpen, en dat zij dan later, wanneer de senaat van het corps het goedvindt, toch wezenlijk lid kunnen worden. Immers, zij hangen te dien aanzien dan geheel van dat goedvinden af, en zij ontvangen dan het wezenlijk lidmaatschap niet als eene qualiteit waarop zij deugdelijk recht hebben, maar alleen als eene gunst die hun ondanks hunne nalatigheid toch maar wordt geschonken. En voorts liggen zij dan ook steeds onder den blaam, dat zij niet hebben willen voldoen aan hetgeen in hun eigen corps voor een zedelijke verplichting gehouden wordt. Uit den aard der zaak kan dit slechts bedoelen en uitwerken, dat de nieuwe leden zooveel mogelijk gedwongen worden zich aan de gestelde voorwaarden maar te onderwerpen. Schijnbaar zijn zij te dien aanzien wel vrij, maar feitelijk komt de zaak voor hen zóó te staan, dat die vrijheid niet veel meer dan nominaal is.
Inderdaad wordt door het bedoelde besluit het oude novitiaat dus eenvoudig bestendigd. Slechts met dit onderscheid, dat het vroeger althans eenigszins geregeld was en er althans eenige waarborg was tegen misbruiken, maar dat thans alle regel en waarborg geheel ontbreekt. Of een nieuw lid, al dan niet, voldaan heeft aan den eisch van verplichte kennismaking, kan natuurlijk niet anders worden uitgemaakt dan door het getuigenis van de ouderen, en wel van die allen. Van die allen, en van ieder hunner in het bijzonder, is het nieuwe lid dus geheel afhankelijk. En terwijl er vroeger nog eenig middel was tegen eventueel misbruik van die overmacht, is de toestand te dien aanzien nu geheel ongeregeld.
Door het gezegde meen ik nu althans eenigszins gemotiveerd te hebben, waarom ik van oordeel ben, dat uwe besluiten van 26 Sept. l.l., hoewel zij bedoelden mijn advies te volgen, toch inderdaad daartegen ingaan, vooral door de wettelijke bepaling over de verplichte kennismaking. Wie een zeker soort van groenloopen, onder welken naam dan ook, wil behouden, reageert daardoor tegen het karakter van een generaal studentencorps, en kan inderdaad dit laatste niet behouden. Er moet hier gekozen worden. En dan kan m.i. de keuze niet twijfelachtig zijn.
Immers het is duidelijk, dat gij allen voor het corps op een generaal karakter gesteld zijt, zoodat het ook kan optreden als het corps der studenten aan de Vrije Universiteit.

|108|

Welnu, dan moet hieruit volgen, dat men ook aanvaardt, wat uit het beginsel voortvloeit. Allermeest bij studenten, wier leeftijd eerder medebrengt al te radicaal te zijn, dan wel met de beginselen te gaan transigeeren. Ook al heeft men wenschen of lievelingsdenkbeelden, die daarmede in strijd zijn, wat men als beginsel aanvaardt, wil men dan toch geheel en ten volle, onvoorwaardelijk en zonder voorbehoud.
En dat nog te meer, als men inziet, dat men anders toch zijn wensch niet verkrijgen zou, en nog bovendien gevaar zou loopen de hoofdzaak te verliezen. Eenerzijds toch is volkomen waar, dat studenten, bij de inrichting van hun corpsen of vereenigingen, aan de meening der hoogleeraren in het minst niet gebonden zijn. Maar anderzijds is even waar, dat professoren, bij hun oordeel over zulke corpsen of vereenigingen, aan de opvatting van studenten ook niet gebonden zijn. En wanneer dan de Senaat eens tot de overtuiging kwam, dat het corps, dat zich als het corps der studenten aandient, bleef vasthouden aan eene organisatie, die in het eerst wel niet veel bezwaar opleverde, maar die later gebleken was aan het corps zijn generaal karakter metterdaad te ontnemen, dan zou daaruit volgen dat het binnen den kring der Universiteit niet langer als het corps der studenten zou kunnen optreden en natuurlijk nog veel minder daarbuiten. Het zou in zijne eigene schatting dan nog wel „het Studentencorps” zijn; maar het zou toch zulk eene positie hebben, dat ook onder de studenten bijna niemand er nog iets aan zou hechten. En nu kan ik mij wel voorstellen, dat er zijn, die een zeker novitiaat zeer gaarne in stand houden; maar ik kan mij niet voorstellen, dat zij daarvoor zelfs het studentencorps zouden willen opofferen.
En nu, Mijne Heeren, wilt mij ten goede houden, dat ik more Academica mijn vroeger advies rond en open heb toegelicht; en wilt de verzekering aannemen, dat ik in de studentenwereld en al wat op haar betrekking heeft, steeds hartelijk blijf belangstellen.

(w. g.) F.L. RUTGERS.

Voor kopie conform,

F.L. RUTGERS.

Amsterdam, 5 October 1895.

Uit zulk een advies spreekt niet alleen verstand, maar ook karakter.

En het was dan ook niet het minst om zijn hoogstaand karakter dat deze soliede persoonlijkheid den studenten eerbied afdwong.

Bij de herdenking van zijn vijf-en-twintig-jarig professoraat 1) maakte Dr. H.H. Kuyper zich daarom de tolk zijner oud-leerlingen toen hij tot Professor Rutgers zeide: „Meer nog dan voor de persoonlijke welwillendheid, steeds aan al uw studenten zonder onderscheid betoond, danken we u voor het exempel, dat ge in uw leven ons hebt geschonken. Het studentenoog ziet zoo scherp, en waar tusschen theorie en practijk een klove gaapt, daar wordt de kracht van het beginsel zoo licht gebroken. Daarom danken we God, die ons in U een leermeester schonk, bij wien theorie en practijk, leer en leven in zoo schoone harmonie waren verbonden. Vir probus ac integer is de eeretitel, dien ons hart


1) Dit jubileum werd gevierd op het zilveren feest der Universiteit, in October 1905.

|109|

in stilte u schonk, waar ons oog op uw ridderlijk blazoen nooit een smet ontdekte”.

Namens oud-leerlingen werd den jubileerenden Hoogleeraar bij die gelegenheid een bureau ministre aangeboden, welk geschenk de Professor zijnerzijds, bij de herdenking van zijn 70sten verjaardag op 26 November 1907, beantwoordde door aan de gevers zijn portret toe te zenden. Het was een reproductie van het meesterstuk door Jozef Israels geschilderd, en aan den jubilaris geschonken door Dr. A. Kuyper.

Dit portret, in de vitrine der firma Buffa tentoongesteld, werd door het publiek zeer verschillend beoordeeld. De een vond het mooi, de ander leelijk. De meeste menschen hadden er veel op te zeggen. Er waren er, die de gelijkenis niet photographisch juist vonden, anderen beviel niet de eenigszins groezelige toon, waarin het portret was geschilderd. Maar toch, het hield honderden vast en dwong ze tot beschouwen. Het boeide. Het leefde. Dit was het groote geheim, de macht van Israels’ werk. Met een weinig verf had de kunstenaar de quintessence van Rutgers’ leven uitgedrukt.

Daarvan nu schreef Carel L. Dake in De Telegraaf, ochtendblad, 4 December 1906: „Hoe grootsch, hoe stijlvol is dit meesterwerk. Hoe is het model hier in de ziel gekeken! Niets behoeft men van Dr. Rutgers te weten om den man volkomen juist aan dit portret te beoordeelen. Dat is wel de austère Calvinist. Dat is de man, die, als we in het midden der 16e eeuw leefden, hagepreeken zou houden, net zoo lang tot hij gevat en tot den brandstapel zou veroordeeld worden. Die man houdt het alleen met een kerk, die op een rots is gebouwd, verlaat haar nooit en zal haar tot den laatsten ademtocht verdedigen. Het „Woord” is zijn wapen en zijn rusting. Ziet die rechte houding, dat opgeheven hoofd, dien vèrzienden blik . . .”

Inderdaad, zóó hebben we onzen leermeester gekend. En zóó blijft deze eerbiedwaardige academische figuur ons ook na zijn dood nog een ideaal exempel.

___

 

Rullmann, J.C. (1918) HIV.3

3. Als Oud-Testamenticus.

Encyclopaedisch behoort de Exegese tot de eerste groep der theologische studiën. Daarom gaat hier bij een bespreking van de onderscheidene vakken, waarin onze Hoogleeraar college gaf, het

|110|

Oude Testament voorop, hoewel hij daarin niet zóó uitblonk als in Kerkhistorie en Kerkrecht.

Trouwens, niet met het oog op dat studievak was Professor Rutgers oorspronkelijk benoemd geworden. Wel scheen deze zoon van den Leidschen Hoogleeraar A. Rutgers, krachtens erfrecht, voor Oud-Testamenticus in de wieg te zijn gelegd, maar in den loop der jaren hadden zijne studiën zich nu eenmaal in andere richting ontwikkeld. En toen dan ook bij de oprichting der Vrije Universiteit de leerstoel in de Oostersche talen en uitlegkunde des Ouden Testaments moest bezet worden, dacht men niet aan hem, maar zocht men een Oud-Testamenticus van professie.

In ons vaderland viel het echter moeilijk zulk een man te vinden. Wel werd de aandacht gevestigd op Dr G. Wildeboer, een discipel der Leidsche Hoogeschool, maar deze bleek reeds toen meer onder invloed te staan van zijn modernen leermeester A. Kuenen, dan van den orthodoxen Professor A. Rutgers, wiens leerling hij nog een jaar was geweest.

En zoo zocht men dan hulp in het buitenland.

Benoemd werd eerst Dr. Eduard Böhl, van Weenen, 1) nadat deze zijn onvoorwaardelijke instemming met de statuten der Vereeniging en zijn sympathie voor de stichting had uitgesproken. Maar hij bedankte, omdat hij geen vrijheid vond het hoogleeraarschap aan de theologische faculteit te Weenen op te geven.

Vervolgens benoemde men den diepzinnigen Schriftgeleerde Ds. P. Geyser, van Elberfeld. 2) Maar deze durfde op 57-jarigen leeftijd zulk een taak in een vreemd land niet meer te aanvaarden en vreesde ook dat na zijn vertrek het Gereformeerde element te Elberfeld te veel verzwakt zou worden.

Eindelijk, Juni 1880, werd licentiaat F.W.J. Dilloo, predikant bij de Gereformeerde Gemeente te Soldin (Pruisen), bereid bevonden het professoraat in de semietische talen en de exegese van het Oude Testament aan de Vrije Universiteit te aanvaarden. Van zijn hand verscheen in 1885 Das Wunder an den Stufen des Ahaz; vervolgens: 95 Sätze für das Deutsche Protestantische Volk, en eindelijk: De moedertaal van onzen Heere Jesus Christus


1) Hij schreef o.a. Zum Gesetz und zum Zeugniss, een verweerschrift tegen de nieuw-kritische studie van het O. T., waarvan in 1884 ten onzent een vertaling verscheen.
2) Zie De Heraut, no. 134. Met nog enkele broeders uit Elberfeld woonde hij ook de stichting der V.U. bij. Zijn Feestgroet uit den Vreemde, in het Latijn gedicht en in het Duitsch vertaald, werd opgenomen in het Feestnummer van De Heraut, no. 150. Paul Geyser’s Schriften zijn thans reeds in vier deelen verschenen te Neukirchen (Kreis Mörs).

|111|

en van Zijne Apostelen, rede, uitgesproken bij de overdracht van het Rectoraat, 20 October 1885. Toen deze doorwrochte rede werd uitgegeven was het echter reeds beslist, dat Professor Dilloo tot zijn vroegeren werkkring in het Duitsche vaderland zou terugkeeren.

Zijn Oud-Testamentische colleges werden daarna tijdelijk waargenomen door de Professoren Hoedemaker en Rutgers. Eerstgenoemde kreeg de Inleiding, laatstgenoemde de Exegese te doceeren.

Professor Hoedemaker begon aanstonds met behandeling van de reconstructie van Israels geschiedenis door Wellhausen en Kuenen. Hij was daarvoor de aangewezen man. In zijn studententijd toch had hij Straatsburg bezocht, waar Professor Reuss sedert 1833 propaganda maakte voor de hypothese van een na-exilischen oorsprong der wet, welke hypothese in 1866 door zijn leerling Graf voor ’t eerst gepubliceerd werd in Die geschichtlichen Bücher des A.T.; een werk, dat de student Hoedemaker reeds in de gelegenheid was te ontbieden, nog eer het de pers verlaten had. Thans, als opvolger van Professor Dilloo geroepen tot opzettelijke studie van de Grafsche hypothese en de daaruit afgeleide resultaten der moderne Schriftkritiek, kostte het Professor Hoedemaker dus weinig moeite zich ook in de detailkwesties in te werken. 1)

Toch wendde men inmiddels pogingen aan, om de vacature-Dilloo door een specialiteit bezet te krijgen. Den heer G. Vos, van Grand-Rapids, van geboorte een Hollander, die in 1886 een verhandeling had geschreven over The Mosaic Origin of the Pentateuchal Codes, werd deze leerstoel aangeboden onmiddellijk nadat hij aan de Universiteit te Berlijn den doctorstitel verworven had. Maar hij sloeg deze aanbieding af en aanvaardde het Lectorschap aan Hope-College. En toen nu in 1887 ook Dr. Hoedemaker de Vrije Universiteit verliet, bleef het terrein der Inleiding op het Oude Testament daar helaas verder braak liggen. 2)


1) Zijn college-dictaten over het historisch-kritisch onderzoek maakte hij voor de pers gereed en gaf hij in 1895, omgewerkt en uitgewerkt, in het licht onder den titel: De Mozaïsche oorsprong van de wetten in de boeken Exodus, Leviticus en Numeri. Dr. Adolf Zahn noemde het ,,neben Greens Geschichte der Feste der Hebräer das bedeutendste apologetische Werk, welches uns das Ausland bietet.” En Eduard Rupprecht nam in zijn Wissenschaftliches Handbuch der Einleitung in das Alte Testament de Duitsche overzetting van Hoedemakers boek op onder de apologetische literatuur over den Pentateuch, en wel met deze sprekende karakteristiek: „eine tiefgehende Kritik gegen die moderne Gesamtkritik”.
2) Zie hiervoor mijn artikel: Apologetische Literatuur in Ons Tijdschrift, jg. 12, afl. 9, December 1908.

|112|

Professor Rutgers toch verleende wel hulpdienst voor de Exegese, maar niet voor de Inleiding. En wel verre van hem het laatste tot een verwijt te mogen aanrekenen, mocht men hem voor het eerste dankbaar zijn. Non omnia possumus omnes. De kracht van Professor Rutgers lag sedert jaren op kerkhistorisch en kerkrechtelijk gebied. Maar des te meer viel het daarom in hem te prijzen, dat hij bovendien ook nog een reeks van jaren met eere de Exegese van het Oude Testament gedoceerd heeft.

Knap Hebraïcus als hij was, las hij vlot het Hebreeuwsche Oude Testament, en wist hij gemakkelijk den weg te vinden ook in een exemplaar zonder Latijnsche opschriften boven de pagina’s. Met de hem aangeboren acribie stelde hij altijd eerst de juiste beteekenis der woorden vast. En bij zijn exegese evenaarde hij Calvijn in klaarheid van gedachte en belijndheid van voorstelling.

Gewoonlijk behandelde hij de Psalmen of de Profeten, meestal zich aansluitend bij de commentaren van Keil en Delitzsch, met voorkeur evenwel voor Keil boven Delitzsch, die ook naar het oordeel van Keil aan de nieuwere kritiek hoogere waarde toekende dan haar eigenlijk toekomt.

Vooral tegenover de door Delitzsch beweerde exilische afkomst van den z.g. deutero-Jesaia, handhaafde Professor Rutgers de eenheid van dit Bijbelboek; waarbij hij zich dan gaarne beriep op het bekende en nog niet verouderde werk van zijn vader: De echtheid van het tweede gedeelte van Jesaja.

Ook wanneer hij het ontstaan van den canon des Ouden Testaments besprak, verwees hij meermalen naar dit geschrift, met name naar de op blz. 28-36 gegeven oplossing van de moeilijkheid, hoe de bekende woorden van den kleinzoon van Jezus, zoon van Sirach, vóór de Grieksch-Alexandrijnsche vertaling van zijns grootvaders werk moeten worden opgevat.

Voorts beriep Professor Rutgers zich ook meermalen op de uitnemende studie van zijn vader: Het tijdvak der Babylonische Ballingschap, chronologisch bepaald, en het nieuwste onderzoek daaromtrent, beschouwd en wederlegd. Wel erkende hij dat de daarin voorkomende hypothese omtrent Belsasar door de later gevonden Keil-inschriften onjuist was gebleken, maar wat Prof. A. Rutgers omtrent Darius, den Meder, geschreven had, bleef nog zijn volle waarde behouden. En ook voor de zeventig weken uit Daniël was het nog steeds de moeite waard van deze studie nota te nemen. 1)


1) Ook Prof. Dr. G. Wildeboer beriep zich nog in 1891 op dezen zijn reeds ontslapen leermeester, in wiens opvattingen hij veel oorspronkelijks en vernuftigs waardeerde. Zie Theol. Studiën, jg. IX, blz. 257.

|113|

Ook voor het historisch-kritisch onderzoek sloot Professor Rutgers nauw aan bij Keil, al erkende hij, dat de wetenschap na diens handboek niet was blijven stilstaan. Voor opgaaf van literatuur verwees hij naar de Einleitung van Strack in Zöcklers Handbuch, echter met de opgave erbij, dat deze literatuuropgave althans voor wat de auteurs van positief geloovige richting betreft, minder volledig was.

In 1890 was het Dr. Hoedemaker, die hier te lande het eerst de aandacht vestigde op de Einleitung van Rupprecht als een wetenschappelijk handboek, dat naast Keil en anderen, na kennisneming van den arbeid der nieuweren, zelfstandig is bewerkt. 1) Professor Rutgers, hieromtrent geïnformeerd, kende het toen nog niet, maar schafte het zich aan en beval het na eenigen tijd ook op zijn college aan, ter aanvulling van Keil met het oog op de nieuwere kwesties.

Toch liet hij daarbij ook weer niet na aan te toonen, dat Keil en Rupprecht beiden, zoowel wat hun standpunt als wijze van behandeling betreft, niet gereformeerd waren, maar luthersch. Zoo b.v. Rupprecht in § 1 van zijn boek, waar hij zegt, dat de Oud-Testamentische Inleiding naar Keil terecht historisch-kritisch wordt genoemd, omdat de weg, waarop deze historische onderzoekingen gedaan moeten worden „van geen enkel dogma mogen uitgaan”, ook niet van het dogma der inspiratie; en in § 100, waar hij schrijft, dat niet de Inleiding, maar de Dogmatiek, over dit dogma heeft te handelen.

Met klem betoogde Professor Rutgers nu, dat we moeten uitgaan van het canoniek gezag der Heilige Schrift. En als men dit dan dogmatisch vooroordeel beliefde te noemen, wierp hij tegen: het is veeleer dogmatisch vooroordeel, wanneer men uitgaat van het beginsel, dat er geen inspiratie kan zijn. Immers, de Schrift getuigt van zichzelve, dat ze geïnspireerd is. Wanneer men echter van tevoren reeds den goddelijken factor der H. Schrift terzij stelt en haar als Oud-Hebreeuwsche Letterkunde op één lijn plaatst met ieder ander menschelijk geschrift, loochent men principieel de mogelijkheid der bizondere openbaring. Beiderzijds wordt dan ook uitgegaan van geloof, als een primum verum, maar eenerzijds van een positief, anderzijds van een negatief geloof. En aan beide zijden kan men slechts getuigen. Overtuigen kan alleen God, door het testimonium Spiritus Sancti.

Zoo deed Professor Rutgers geen enkele transactie tegenover


1) Bijeengebracht, jg. 1, afl. 1 en 2, Correspondentieblad.

|114|

de nieuwere kritiek en het verwaterd inspiratie-begrip der ethische theologie. Kloek en fier mainteneerde hij de heerlijke belijdenis van de Kerk aller eeuwen, dat de Schrift het Woord Gods is, aan de gemeente geschonken als openbaring van den vollen raad Gods. Voor het gezag van dat Woord boog hij ootmoedig het hoofd. En de schatten van dat Woord uit te stallen, was zijn doel op het college Exegese.

___

 

Rullmann, J.C. (1918) HIV.4

4. Als Kerkhistoricus.

Aan zijn college Kerkgeschiedenis liet Professor Rutgers eenige algemeene opmerkingen over dit vak en zijn studie voorafgaan. Ze kwamen in hoofdzaal hierop neer:

Taak der Kerkgeschiedenis is, om wat zich in den loop der eeuwen als kerk aandiende, te toetsen aan de kenmerken in Gods Woord, en na te sporen waar hel mees! en het zuiverst de Kerk des Heeren zich openbaarde. Men moet dus als beoefenaar der kerkgeschiedenis zelf een vaste overtuiging aangaande de Kerk bezitten en op kerkelijk terrein partij gekozen hebben. Wel wordt vaak beweerd, dat dit aan een goede behandeling van de kerkhistorie in den weg zou staan. Maar met de beste historici achtte Professor Rutgers partij kiezen noodig, reeds om de kerkgeschiedenis te kunnen begrijpen, en dus nog veel meer om haar te kunnen beoordeelen.

Doch deze beoordeeling moet dan onpartijdig zijn. Zulk een onpartijdigheid in de beoordeeling kan zeer wel met partijkiezen gepaard gaan. Groen van Prinsterer schreef: „Onpartijdig is alleen hij, die partij kiest”. Onpartijdig behoort men de waarheid op te sporen met betrekking tot toestanden, gebeurtenissen en personen, die zich in den loop der tijden hadden voorgedaan. Men dient na te gaan wat er geschied is, hoe het geschied is, met welke motieven en in welken samenhang, om zóó den gang te kunnen volgen, dien de Christelijke Kerk in den loop der eeuwen genomen heeft, vooreerst in haar meest zuiveren vorm en verder ook in haar deformatie.

De geschiedenis is echter een onmetelijk groot veld van onderzoek. De meest uitvoerige kerkhistorie geeft er nog maar een klein deel van. De bedoeling van een college kerkgeschiedenis kan dan ook niet zijn om den student op dat geheele veld thuis te brengen. Zelfs een overzicht daarvan is op een college van ’n paar uur per week in drie jaar niet te geven. Een beknopt

|115|

overzicht als van Kurtz beslaat toch nog 1200 bladzijden. Maar vaststaande zaken, als namen, feiten en jaartallen kan men uit een aantal handboeken zeer wel verkrijgen.

Zulk een handboek moet men evenwel verstandig gebruiken. Het zou onvruchtbaar zijn den geheelen inhoud zich in het geheugen te prenten. Het dient slechts om eenig begrip van het vak te krijgen, en voorts om een en ander te kunnen naslaan, zooals men dat ook in een lexicon doet.

Op een college is nu de bedoeling te leeren, hoe men dit studievak moet beoefenen. De kerkhistorie moet wetenschappelijk beoefend worden. Anders kan men wel een ontzaglijke hoeveelheid kennis verzamelen en toch niet wetenschappelijk ontwikkeld zijn. Bij wetenschappelijk onderzoek komt het hoofdzakelijk op de methode aan, zoodat men inderdaad leert de bronnen te vinden en te gebruiken. Om dat doel te bereiken dient het academisch onderwijs. Het leert de methode van studie der kerkhistorie. Het leert hoe men de eigen studie moet inrichten.

Nu moet bij het behandelen der kerkgeschiedenis een keuze gedaan worden uit de verschillende perioden. Zij hangt af van voorkeur, en deze staat weer in verband met den tijd, waarin men leeft. Het ligt voor de hand, dat thans het tijdvak der Reformatie de voorkeur heeft. Voor eenige jaren was dat zoo niet. Toen richtte zich de historische studie op de eerste eeuwen, omdat toen de Tübingsche School met Bauer de grondslagen des christendoms wilde ondermijnen. Daarna kwam er een mystiek-piëtistische strooming, die door vroomheid des levens het Evangelie zocht te handhaven tegen de aanvallen op het Christendom. Wie zich tot die mystiek aangetrokken voelde, had niet veel op met den Patristischen tijd, en evenmin met den tijd der Reformatie, maar hij werd het meest aangetrokken door de Middeleeuwen, door de reactie tegen het bederf der kerk. Zoo zijn er vele werken verschenen over de Middeleeuwsche mystieken. Daarna is echter de kwestie dieper opgevat en heeft men gevoeld, dat noch met practische vroomheid noch met logische apologetiek de zaak der kerk kon gered worden, maar dat men tot de beginselen terug moest keeren en de zaken met betrekking tot de kerk principieel moest opvatten. Het stuk der kerk kwam op den voorgrond.

Toen er weer oog kwam voor Gods werk onder de menschen en zijn doel daarmee, liep de tegenstelling over de vraag: God of de mensch voorop, en daarmee kwam men op den tijd der Reformatie, toen die tegenstelling alles beheerschte. Die tijd is de tijd van de machtigste beweging der geesten, waarin God uitnemende

|116|

leiders aan Zijn kerk gaf. Reformatie was er wel niet alleen in de 16e eeuw, maar ze was nooit zoo krachtig als toen. Vroegere reformatiën bleven meest binnen de grenzen van één land, drongen niet principieel tot den wortel door, waren partieel. Maar die van de 16e eeuw was generaal en drong tot op den wortel der beginselen door. Daarom is zij de Reformatie. De strijd, toen gevoerd, is de meest principiëele. Rome heeft op ieder gebied tusschen God en den mensch weer een mensch ingevoegd, die in Gods plaats treedt. Hiertegen verzette de Reformatie zich principieel. Ze bedoelde tegenover Rome God God te laten en tegenover de revolutionairen den mensch op zijn plaats te zetten en God boven allen te erkennen

Diezelfde strijd moet ook nu volgens dezelfde beginselen worden aangebonden, al is het ook, dat daarbij de veranderde omstandigheden dienen in aanmerking te worden genomen. Zoo trekt de periode der Reformatie voor onzen tijd het meest aan en daaruit is voor ons het meest te leeren. Vooral moet in aanmerking genomen, dat God toen zooveel geniale mannen verwekte. Het waren groote mannen, die juist door hun grootheid van karakter hebben uitgeblonken. Erasmus was ook wel een genie, de geleerdste van zijn tijd, maar hij was geen groot man; veeleer een groot egoist, die zichzelf niet gaf voor de waarheid. Maar nu maakt dit de eeuw der Reformatie zoo uitnemend, dat er toen zooveel waarlijk groote mannen waren.

Over enkele van deze groote mannen wilde Professor Rutgers op zijn colleges Algemeene Kerkgeschiedenis handelen. En aan dat program is hij steeds getrouw gebleven. Hij heeft behandeld de geschiedenis der Reformatie in Frankrijk, in Duitschland, in Engeland, in Schotland, in Italië en in Spanje. En daarbij heeft hij zich bepaaldelijk bezig gehouden met het leven van de groote mannen der Reformatie.

Met name Calvijn was de Reformateur, met wien hij zich één voelde in het diepste levensbeginsel. Tot dezen machtigen geloofsheld ging dan ook al de liefde van zijn hart uit. In de kennis van diens leven en beginselen, arbeid en geschriften, verlustigde zich zijn geest. Heel Calvijn’s denkwereld nam hij in zich op. En op zijn colleges teekende zijn meesterhand ons het beeld van dezen Hervormer ten voeten uit.

Hij gaf ons daar een volledige biographie van Calvijn, ingedeeld in 7 perioden:
1. Calvijns jeugd en studietijd tot zijn bekeering, 1509-’33.
2. Zijn omzwervingen in Frankrijk, Zwitserland en Italië tot zijn eerste komst in Genève, 1533-’36.

|117|

3. Zijn eerste werkzaamheid in Genève tot zijn verbanning, 1536-’38.
4. Zijn verblijf te Straatsburg, 1538-’41.
5. Zijn terugkeer in Genève en doorvoering van de reformatie aldaar, 1541-’46.
6. Zijn strijd met de Libertijnen, 1546-’55.
7. Zijn bevestiging van de reformatie, 1555-’64.

In iedere periode, vooral in de 3e tot en met de 7e, kwam vanzelf ook ter sprake Calvijns werkzaamheid voor de Christenheid buiten Genève. En aan het einde vatte Professor Rutgers het geheele leven samen en beschreef hij Calvijn op verschillend gebied, als reformator, als schrijver, als prediker, als theoloog, als hervormer van het onderwijs, als aangevende de beginselen voor het burgerlijke leven, en zijn invloed in Zwitserland, Frankrijk, Polen, Duitschland, Nederland, Schotland, Spanje en Italië, dus in bijna geheel Europa.

Zoo wist Professor Rutgers heel de glorieuse geschiedenis van het Calvinisme voor onze oogen te doen herleven. Hij deed ons zien, hoe het zaad, door Calvijn in de voren geworpen, overal waarheen het gedragen werd en wortel schoot, de rijkste vruchten heeft voortgebracht, en Kerk en wereld ten zegen is geweest. En aldus ons inleidende in dit schitterend verleden van het Calvinisme, vervulde hij onze harten met warme liefde voor de Calvinistische levensgedachte als een wortelbeginsel tegenover dat van Rome en de Revolutie.

Dat was dus geheel iets anders dan Dr. Allard Pierson meende, toen hij het weeroplevend Calvinisme aan de Vrije Universiteit uitsluitend hierin zocht, dat men „den Hervormer, wien het zoo dikwerf hapert aan zedelijke grootheid, zoowel als aan aantrekkelijke vroomheid, in allen ernst een karakter acht, waarop het goed is de jongelingschap te wijzen.” Neen, zoo leerde Professor Rutgers ons, het Calvinisme hangt niet aan den persoon van Calvijn. Dan zou het ontaarden in menschvergoding. En het was juist Calvijn, die er steeds op aandrong, dat de mensch geheel opzij zou worden geschoven, om aan God alleen eere toe te brengen. Maar het Calvinisme is de belichaming van het beginsel, dat God verheerlijkt moet worden door de volkomen heerschappij van Zijn Woord in alle levensverhoudingen.

Toch werd ook de Hervormer zelf, dien God gebruikt had als instrument om dat beginsel in de Protestantsche Christenheid in te dragen, ons steeds sympathieker, naarmate het grondig en nauwkeurig onderzoek van Professor Rutgers den karakteradel van

|118|

Calvijn uit het slijk van den vuigen laster zoo blank als Carrarisch marmer te voorschijn bracht.

Het bleek dan telkens, dat Pierson zijn Studiën over Johannes Kalvijn geschreven had, zonder eerst de noodige studie van zijn onderwerp te hebben gemaakt.

En Professor Rutgers was zoo verstandig om dit voorbeeld van grenzenlooze oppervlakkigheid niet na te volgen, al sprak Pierson er reeds in 1883 zijn teleurstelling over uit, dat er van de zijde der Vrije Universiteit nog geen studiën verschenen waren over de Hervorming te Genève, over den persoon, het werk en de bedoeling van Calvijn. De Hoogleeraar in de Kerkgeschiedenis aan de Vrije Universiteit bewaarde op deze klacht een pijnlijk stilzwijgen; maar arbeidde intusschen jaar in jaar uit voort aan het reuzenwerk, om Calvijns leven uit de bronnen zelve, en niet uit wat anderen over Calvijn geschreven hadden, te bestudeeren. En zoo werd hij ten onzent de Calvijn-kenner bij uitnemendheid. 1)

Het verwondert ons daarom niet, dat de Fransche Hoogleeraar E. Doumergue, van Montauban, die meer dan twintig jaren bezig was aan de voorbereiding van zijn monumentale Calvijn-biographie, gaarne bij Professor Rutgers logeerde, die hem in kennis van Calvijns leven minstens evenaarde, en zich aan den geest van Calvijn stellig nog nauwer verwant gevoelde dan deze ethische theoloog.

Daarom blijft het ook te betreuren, dat Professor Rutgers zijn college-aanteekeningen over Calvijn niet heeft uitgewerkt en ter perse gelegd. Want deze biographie „zou ons heel wat solieder Calvijns geest uit zijn leven vertolkt hebben, dan ’t geen Doumergue ons in zijn ampel werk bood” (Kuyper).

Toch werd de leemte in Doumergue’s Calvijn-monument voldoende aangevuld door een stuk werk van Professor Rutgers, dat als zoodanig een meesterstuk op zichzelf is.


1) Ook voor zijn vriend Dr. Kuyper. In een polemiek met De Nederlander over den democratischen regeeringsvorm te Genève schreef de Hoofdredacteur van De Standaard, 10 Mei 1895; met betrekking tot Prof. Dr. F.L. Rutgers: „Bij alle vraagstukken die Calvijns biographie raken, volgen we dan ook steeds de gewoonte, om nimmer ons oordeel te publiceeren, dan na ons vergewist te hebben dat ons inzicht met de resultaten zijner studiën strookt, en het, waar noodig, met de resultaten dier studiën verrijkt te hebben”.
Doorzichtig is de hand van Prof. Rutgers vooral achter de volgende rijk gedocumenteerde Standaard-artikelen van dat jaar: Calvijns politiek te Genève, 5 April; Feiten of opiniën? 29 April, en Bijdrage tot de kennis van het Calvinistisch Staatsrecht, I en II, 7 en 10 Juni.

|119|

We bedoelen zijn studie: Calvijns invloed op de Reformatie in de Nederlanden, voor zooveel die door hemzelven is uitgeoefend.

Het was oorspronkelijk een rectorale oratie, uitgesproken op den gedenkdag der Vrije Universiteit, 20 October 1898.

Nooit vergeten we dien middag.

De Vrije Universiteit moest zich voor die gelegenheid behelpen met de zaal der „Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen” op den Nieuwezijds Voorburgwal tegenover het Paleis: een ongezellig, leelijk, somber zaaltje. In een triestig halfdonker zat het auditorium Hoog boven den spreker was een baldakijn aangebracht, waarin hier reeds om 2 uur op den middag een lamp moest branden Maar juist onder het centrale licht van die lamp kwam, legen den donkeren achtergrond van een groen gordijn, de ge-toga-de gestalte van den aftredenden rector nu bijzonder mooi uit. Een zachte glans van goudachtig licht omscheen het edele hoofd met de zilveren haren. Zóó gunstig hadden we deze eerbiedwaardige academische figuur nog nooit belicht gezien.

En Professor Rutgers sprak over Calvijn. Over Calvijns persoonlijke aanraking met Nederlanders en zijn persoonlijken invloed op het leven der Nederlandsche Kerken. Hier was de Hollandsche Calvinist der 19e eeuw ten volle in zijn element. Hier zagen we den Rutgers onzer Vrije Universiteit in zijn eigen lijst, in zijn historische beteekenis voor onzen tijd.

Eindelijk was het eigenlijke onderwerp afgehandeld, in zoover het beschouwd moest worden als een bijdrage voor een hoofdstuk van Calvijns biographie. Maar men zou het ook kunnen behandelen als een onderdeel van de Nederlandsche Kerkgeschiedenis. En om nu ook dit oogpunt niet geheel buiten rekening te laten, gaf spreker ten besluite nog een paar opmerkingen, inzonderheid tot bestrijding van de gangbare voorstelling, alsof de reformatie hier te lande in beginsel eigenlijk allesbehalve calvinistisch zou geweest zijn, en alsof het Calvinisme veel later door vurige veldpredikers uit het zuiden van Frankrijk in ons land zou zijn ingevoerd.

Het een was al even onjuist als het ander. Integendeel, de Reformatie is in de Nederlanden van den beginne aan Calvinistisch geweest, zonder dat door één Fransch prediker hierop eenige invloed is uitgeoefend.

Of, ja toch: — en nu geraakte spreker in geestdrift, en zijn woord had vat op de kleine schare, welke in plechtige stilte staarde naar hem, die in de thans geheel in ’t donker gehulde zaal alleen in ’t volle licht daar stond, een bezield drager van een hoog ideaal, geestdrift uitgietend in de harten zijner hoorders.

|120|

„Ja toch, er is één te noemen, die uit Frankrijk was, en die hier zulken invloed gehad heeft, en die eene is geweest: Calvijn zelf”.

Het was een treffend oogenblik, toen Professor Rutgers, zelf onder den indruk zijner woorden, vol bezieling in een welsprekende peroratie Calvijns beteekenis voor onze reformatie schetste. Wie het genot had daarbij tegenwoordig te zijn, zal zich immer dien stond herinneren, die bewees dat het door velen als intellectualistisch verworpen Calvinisme, toch iets anders is; dat het toch ook de harten tot geestdrift kan opwekken, omdat het waarlijk een ideaal heeft. Van dat ideaal was Professor Rutgers hier de bezielende tolk, Calvinus redivivus.

Vol gedachten over het gehoorde, verlieten we de Nutszaal. En de eerste vraag, die we elkander deden was: zou de rede ook in druk verschijnen? Er waren er die het betwijfelden, want de redenaar had ze niet in druk, maar geschreven voor zich gehad. En ’s avonds zochten we in De Standaard tevergeefs naar een advertentie, die de uitgave van deze oratie aankondigde.

Zou dan alleen de kleine schare in het kleine zaaltje van het Nut van dat meesterstuk hebben mogen genieten? Zou eenmaal bij den dood van Rutgers de Calvijn van Rutgers mede met hem in het graf gaan?

Maar dat mocht immers niet!

En met spanning zagen we dag aan dag uit, of de genoten oratie nog niet verscheen.

De dagen werden weken, de weken maanden. Een jaar verliep, en nog was dat kostelijke stuk niet uitgegeven.

Eindelijk, begin Januari 1900, zag de rede het licht.

En met vreugde werd ze begroet. Ziehier, wat De Heraut, no. 1152, ervan schreef:

„Men heeft er tot zelfs in den Studentenalmanak Prof. Rutgers een verwijt van gemaakt, dat hij zijn rectorale oratie van 20 October 1898 niet eerder in het licht gaf. Wie thans zijn boekwerk, getiteld: Calvijns invloed op de Reformatie in de Nederlanden, voor zooveel die door hemzelven is uitgeoefend, ook maar vluchtig doorziet, zal van dien waan genezen zijn.
Het is zoo, men kan de vraag stellen, of het stuk, en de noten op het stuk, de rollen mogen omkeeren, zoodat, gelijk hier, het stuk in 34 bladzijden afloopt, en daarna de noten op het boek tot 225 bladzijden doen zwellen. En ook kan men het betreuren, dat zoo ongemeen rijke stof ons niet in een zelfstandig werk, ingedeeld naar een andere orde, dan die toevallig de oratie aanbood, en dan niet in den kleinen notendruk, maar in heldere letter is voorgelegd.

|121|

Maar afgezien hiervan zal de erkentenis dan toch algemeen zijn, dat ons hier door Prof. Rutgers een stuk is geboden, dat door oorspronkelijkheid, belangrijkheid en nauwkeurigheid op het hoogste mikte en het hoogste trof.
Calvijn’s invloed op Nederland is een nog nooit met eenigen ernst onderzocht onderwerp, en dat toch èn uit algemeen historisch oogpunt, èn met het oog op de jongste Calvinistische beweging, van het uiterste belang is te achten. De denkbeelden, die over Calvijn’s invloed hier te lande bestonden, blijken nu grootendeels op geheel verkeerde voorstelling van de historie te hebben berust. En ook zij, die bij de studie der vaderlandsche historie aan dit punt toekomen, zullen voortaan genoodzaakt zijn, de dusver heerschende opinie geheel te wijzigen.
Het blijkt nu toch, dat die invloed een zoo rechtstreeksche, een uitgebreide, een zoo tot in het bijzondere afdalende is geweest, dat zelfs aan de biografie van Calvijn voortaan een geheel nieuw hoofdstuk zal zijn toe te voegen; en voor dat nieuwe hoofdstuk is de stof door Prof. Rutgers zoo volledig in oogenschouw genomen, en zoo nauwkeurig afgemaaid, dat die na hem komen niet dan een are-lezing achter zijn oogst zullen kunnen aanbrengen.
Doch hiertoe heeft de geleerde schrijver zich niet bepaald. Hij heeft, wat niet minder waarde voor ons heeft, tevens critiek geoefend over hetgeen de laatste jaren hier te lande min juist over Calvijn geschreven was. Toen Dr. A. Pierson voor kort ons met zijn studiën over Calvijn overviel en Calvijn poogde af te takelen, vroeg men zich wel eens af, waarom men onzerzijds op zulke aanvallen zweeg. Welnu, op blz. 48 v.v. vindt men thans hiervan rekenschap gegeven, en wordt de onbeduidendheid van zulke aanvallen in het helderst licht gesteld. Zelfs wijlen Dr. R. Fruin wordt op vergissing betrapt. En behalve deze critiek op anderer verkeerde voorstelling heeft Prof. Rutgers nog plaats en tijd gevonden, om op allerlei belangrijke bijzonderheden uit Calvijn’s leven de aandacht te vestigen, meer dan één nog hangend punt, tot evidentie te brengen, en over allerlei gewichtige, kerkelijke en leerstellige vragen ons Calvijn’s gevoelen in bijzonderheden mede te deelen, zoo b.v. over de feestdagen en over de verhouding tot de Lutherschen. Ook quaestiën als over de juiste spelling van Guido de Brès’ (niet de Braye) naam, over het aantal martelaren, over het koddig verzinsel van het Nederlandsch Zwinglianisme enz. vinden in deze noten toelichting.
Een goed register, dat eerst zakelijk, daarna alphabetisch, aan het keurig boekdeel is toegevoegd, maakt het raadplegen van

|122|

dezen schat van bijzonderheden uiterst gemakkelijk, en het werk is hierdoor alleszins geschikt geworden, om telkens te worden nageslagen ook door hen, die zelve niet in het bezit van Calvijn’s werken zijn, en veel min nog in staat zijn, om uit den vloed van zijn geschriften op te visschen wat ze zoeken.
Wel verre van-het te betreuren, dat we, met heel het publiek, wat lang op de oratie moesten wachten, spreken we er dan ook onze ingenomenheid mede uit, dat de geachte schrijver met onverstoorbare kalmte het publiek heeft laten aankloppen, en rustig met zijn arbeid is doorgegaan tot hij geheel gereed was.
Nu toch heeft hij onze vaderlandsche kerkhistorie en de Calvinistische biografie verrijkt door het leveren van een wetenschappelijke bijdrage, die ook builen onzen kring, ja zelfs buiten ons vaderland, hoogelijk zal worden gewaardeerd.
De arbeid, aan dit boekwerj ten koste gelegd, is metterdaad zeer groot geweest. Er staan regels in, die één voor één, soms dagen studie gevorderd hebben. Ja, men kan er zeker van zijn, dat achter dit werk menige dag van studie ligt, die tot geen resultaat leidde en waarvan zelfs niet één regel de heugenis bewaarde.
Zoo dringen we op wetenschappelijk gebied steeds verder in het verleden door, en mag zelfs de hoop gekoesterd worden, dat die velen onder de Nederlandsche Christenen, die nog steeds huiveren als ze den naam van Calvijn hooren noemen, en hun pen het scherpst snijden als ze tegen het Calvinisme te velde gaan trekken, ten slotte met meerder eerbied voor dezen diepsten denker onder de Reformatoren zullen vervuld worden.
Men kan zich tegen de macht der historie wel verharden, en tegenover de diepte van een man als Calvijn wel heil zoeken in de uit Engeland tot ons overwaaiende theologische oppervlakkigheden; maar zulk een studie als Prof. Rutgers aanbood, zal door haar degelijkheid de verharding toch steeds moeilijker maken.
Worde het aan Dr. Rutgers gegeven om ons na deze nog dikwijls met een zoo rijke vrucht van zijn studiën te verrassen, en hebbe zijn jongste werk ook deze uitwerking, dat het onder ons Calvinisten den lust voor dege studie aanwakkere.”

Ook de bekwame deskundige Doumergue verheugde zich hartelijk in de verschijning van deze waardevolle bijdrage voor de kennis van het leven van Calvijn en besprak ze in het tweede deel van zijn biographie, gewijd aan de nagedachtenis van den Lausanner hoogleeraar Herminjard, een geschiedvorscher van den eersten rang, die met groote nauwkeurigheid en volledigheid

|123|

de brieven der Reformatoren, voorzien van historische en biografische aanteekeningen, had uitgegeven.

Onder „Quelques historiens de Calvin” spreekt Doumergue daar van Pierson als „la lamentable victime de son hypercriticisme”, wiens „bonne foi est aussi incontestable que son aveuglement”. Daarentegen noemt hij het werk van Professor Rutgers: „volume qui est une mine de renseignements précis, à la façon des volumes d’Herminjard”.

De oratie van Professor Rutgers over Calvijns invloed op de Reformatie in de Nederlanden, leidt ons als vanzelf uit zijn colleges Algemeene Kerkgeschiedenis tot die der Vaderlandsch Kerkgeschiedenis in. Die historie onzer vaderlandsche kerk had vooral de liefde van zijn hart, met name de geschiedenis van de Gereformeerde kerken hier te lande, omdat die het Calvinistisch beginsel het zuiverst beleden hadden.

Daarover handelde hij op zijn colleges dan ook het uitvoerigst. Wel werd de tijd vóór de Reformatie niet ganschelijk overgeslagen. Integendeel, we herinneren ons leerzame college-uren, gewijd aan den tijd vóór de Reformatie, verdeeld in twee tijdperken: van de stichting en uitbreiding der Christelijke kerk tot aan het einde van haar strijd met het Heidendom, en het tweede tijdperk: van de vestiging der Christelijke kerk tot aan de Reformatie. Maar hoofdzaak was toch de geschiedenis der Reformatie zelve, en wat daarop volgde, ingedeeld in 4 tijdperken:
I. De geschiedenis der Gereformeerde Kerken hier te lande onder het kruis en in de verstrooiing, loopende van de reformatie der kerken tot het begin der vrijheid; 1550-1572. De periode van wording en innerlijke bloei onder druk en bestrijding van buiten.
II. De geschiedenis der Gereformeerde kerken hier te lande in den eersten tijd der uitwendige rust; van 1572-1618. De periode van vestiging en uitbreiding der Gereformeerde kerken in botsing met de staatsmacht en afwijking in eigen boezem.
III. De geschiedenis der Gereformeerde kerken hier te lande in den tijd van haar z.g. heerschappij; van 1618 tot de staatsomwenteling van 1795. De periode van allengs toenemende verslapping in de handhaving der gereformeerde beginselen.
IV. De geschiedenis der Gereformeerde kerken hier te lande in den tijd van de doorwerking der revolutionaire beginselen van 1795 tot op onzen tijd. De periode van ontbinding en deformatie, tevens van herleving der gereformeerde beginselen en vernieuwde reformatie.

|124|

Vooral de kruiskerken en haar geloofshelden, de doleerende kerken en de Dordtsche vaderen lagen hem na het hart. Guido de Brès en Datheen, Plancius en Helmichius, Gomarus en Bogerman, Voetius en Hommius, Comrie en Holtius waren de mannen met wie hij dagelijks in den geest verkeerde. Bij hen toch vond hij de belichaming van dat Calvinistisch beginsel, dat aan de Nederlandsche Reformatie haar eigen karakter had gegeven. De werking van dat beginsel op den bodem onzer vaderlandsche erve ons te doen zien, was het hoofddoel zijner colleges in de Nederlandsche Kerkgeschiedenis. En wel het meest onder zijn inspiratie ontstonden aan de Vrije Universiteit voortreffelijke kerkhistorische monographiëen als over Alexander Comrie, Wernerus, Helmichius, Festus Hommius en Johannes Maccovius.

Professor Rutgers zelf gaf de Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw in hun oudsten tekst en met al de daartoe behoorende bescheiden uit. ’t Is een verzameling van allerbelangrijkste archiefstukken, voor de kennis van de oudste geschiedenis onzer Gereformeerde kerken onschatbaar en onontbeerlijk, „een werk dat van stalen vlijt, uitgebreide belezenheid en groote hier vooral onmisbare nauwkeurigheid getuigt” (J.J. van Toorenenbergen). De bewering van Reitsma in zijn Handboek, als zou Professor Rutgers hier nog officieele stukken over het hoofd hebben, gezien, bewees alleen, dat Reitsma zelf over het hoofd had gezien wat aan het einde dezer Acta in een naschrift was vermeld. Ook leerde Dr. Kleyn uit deze editie, om niet te boud te spreken. Deze toch had tegenover Professor Rutgers staande durven houden, dat in de kist der autographa van de Dordtsche Synode, berustende in het Oud-Archief te ’s Gravenhage, de Acta van 1574 niet authentiek waren, maar slechts een copie. En wat bleek nu? Dat Dr. Kleyn zoo sprak, zonder het stuk ooit gezien te hebben, alleen afgaande op een verkeerde opgave in een catalogus.

De Acta van 1619 komen in deze uitgave van Professor Rutgers niet voor. Ze werden later door Dr. H.H. Kuyper uitgegeven in een afzonderlijke studie, „opgedragen aan Professor Dr. F.L. Rutgers, den uitnemende kenner van de historie onzer Gereformeerde kerken, uit wiens bibliotheek menig zeldzaam werk over de Dordtsche Synode mij ten dienste stond”, o.a. het bijna unieke exemplaar van de Latijnsche Postacta uit 1668.

Ook was Professor Rutgers de gelukkige bezitter van een foliant, waarin de Acta der Zuid-Hollandsche Synoden, van 1618-1655, met een hand van de zeventiende eeuw, op keurige wijze zijn overgeschreven. Daarin bevond zich o.m. het belangrijke rapport

|125|

van Festus Hommius ten aanzien van den authentieken tekst der Liturgie, ingeleverd bij de Zuid-Hollandsche Synode van 1621. Dit rapport legde Professor Rutgers ten grondslag aan zijn, in 1897 met Dr. H.H. Kuyper bezorgde uitgave van den officieelen tekst onzer liturgische geschriften. 1)

En zoo droeg het nauwgezet onderzoek van Professor Rutgers meermalen ook goede vrucht voor het leven onzer kerken.

Zijn grootste verdienste als kerkhistoricus dunkt ons echter, dat hij den eersten stoot gegeven heeft tot een bestudeering van den bloeitijd onzer Gereformeerde kerken uit de eerste bronnen, en daardoor aan het werktuigelijk napraten van partijdige geschiedschrijvers een einde heeft gemaakt.

___


1) Volgens Dr. Van Langenraad zou Prof. Rutgers zich met deze uitgave „jammerlijk” vergist hebben. Zie echter de afdoende weerlegging van dit beweren door Dr. H.H. Kuyper in: De authentieke tekst der liturgische geschriften (1901) en: Is de authentieke tekst der liturgie in 1586 of 1619 vastgesteld? (1902).

 

Rullmann, J.C. (1918) HIV.5

5. Als Canonicus.

Op het gebied der wetenschap heeft Professor Rutgers bovenal geschitterd als grootmeester in het Gereformeerd Kerkrecht. Dit was zijn fort. En ook in de laatste jaren van zijn hoogleeraarschap, toen vermeerdering van het onderwijzend personeel aan de Vrije Universiteit hem van andere colleges onthief, bleef hij de lessen in dit zijn lievelingsvak toch nog gaarne geven.

Ook het Kerkrecht was hem in den vollen zin des woords een wetenschap. Geen aaneenschakeling van reglementen en wetsbepalingen, die op kerkelijk gebied moeten gelden; maar de architectoniek van het gereformeerd beginsel voor den opbouw van het instituut der Kerk.

Alle Kerkrecht moet uit God zijn oorsprong nemen. Hoofdbron voor de kennis ook van het Kerkrecht is daarom de Heilige Schrift, die de grondbeginselen aangeeft, welke in de Kerk moeten gelden. Als afgeleide bronnen komen dan voorts in aanmerking de kerkelijke belijdenisschriften, regelingen en beslissingen, mits na onderzoek, of zij met Gods Woord overeenstemmen. Ook behooren tot die bronnen de geschriften der beoefenaars van het kerkrecht, voorzoover zij dat getoetst hebben aan de Heilige Schrift. En onder die geschriften staan de Politica Ecclesiastica van Gisbertus Voetius vooraan. 2)


2) Een exemplaar van dit werk, dat in de zeventiger jaren nog graag voor f 12 verkocht werd, kostte in de tachtiger jaren f 90 en was toen zelfs voor zoo ➝

|126|

Sedert Voetius was de studie van het Kerkrecht ten onzent in verval geraakt. Daarom begon Professor Rutgers met principiëele aansluiting aan het standaardwerk van dezen grooten Gereformeerden canonicus. Geen plaats uit diens lijvige kwartijnen was hem onbekend. En haast geen college ging er voorbij, of we vernamen ook het gevoelen van Voetius op het punt in kwestie.

Meestal verklaarde Professor Rutgers op zijn college-kerkrecht artikelsgewijs de Dordtsche Kerkenordening. 1) In de inleiding daarop werden dan o.m. de verschillende stelsels van Kerkregeering besproken. 2) Gedurende de jaren 1884 en 1885 leverde hij een gedetailleerde kritiek op het Algemeen Reglement der Nederlandsche Hervormde Kerk. In 1888 besprak hij onderscheidene kerkrechtelijke kwesties van actueel belang. In 1901 gaf hij een overzicht met korte kritiek van Richter’s Grundsätze reformierter Kirchenverfassung en van Voetius’ Politica Ecclesiastica. In 1906 weer een bespreking van een aantal kerkrechtelijke kwesties.

Ook in zijn redevoeringen bij de overdracht van het Rectoraat


➝ hoogen prijs bij geen antiquaar meer op bestelling te bekomen (zie De Heraut nos 386 en 478). Daarom legde de Bibliotheca Reformata, waarvoor Dr. Kuyper in 1882 reeds de Encyclopaedie en Dogmatiek van Junius had uitgegeven, vervolgens ook een aantal van de belangrijkste tractraten uit Voetius’ Politica Ecclesiastica ter perse. Zoo gaf Dr. Rutgers in 1885 de Series prima uit en Dr. Hoedemaker in 1886 de Series secunda. Was echter de Kuyper-uitgave van Junius door de Theologische Faculteit der V. U. ondernomen, deze onderneming bleek te kostbaar om zichzelve te bedruipen. Daarom stichtte men daarna een afzonderlijke Vereeniging voor den herdruk van Gereformeerde Theologische werken. Het lidmaatschap kostte f 5.— per jaar. Daarvoor ontving men dan jaarlijks een boekdeel. Voor het lidmaatschap had men zich aan te melden bij Dr. Rutgers, die met Dr. Kuyper en Dr. Hoedemaker het Bestuur der Vereeniging vormde. Zie De Heraut, no. 384. Dat de werken in het Latijn werden uitgegeven, schijnt aan de deelneming niet bevorderlijk te zijn geweest.
In 1893 bezorgde Dr. Rutgers in deze Bibliotheek echter een herdruk van de Nederlandsche uitgave van Bastingius’ verklaring op den Catechismus, vertaald door Van Corput. — Van een uitgave in de Nederlandsche taal van Drie Kerkrechtelijke Verhandelingen (door de heeren F.F.C. Fischer en R.J.W. Rudolph) vertaald uit de Politica Ecclesiastica van Gisbertus Voetius, met voorrede van Dr. F.L. Rutgers, verschenen jammer genoeg slechts het eerste en tweede stuk. Vanzelf bleef daardoor ook de toegezegde voorrede van Dr. Rutgers achterwege.
1) Dr. J. de Jong, predikant bij de Gereformeerde Kerk te Winsum (Fr.), heeft deze college-voordrachten met veel zorg voor de pers bewerkt en bij de Drukkerij Libertas, Rotterdam, uitgegeven. Zie daaromtrent De Heraut, no. 2099 en 2102.
2) Een duidelijke uiteenzetting van die stelsels vindt men thans ook in het Kerkelijk Handboekje, uitgegeven door de Professoren P. Biesterveld en H.H. Kuyper. Zie de aanbeveling van deze uitgave door Professor Rutgers in De Heraut, no. 1434.

|127|

sprak Professor Rutgers liefst over kerkrecht. Vier van zijn vijf rectorale oraties zijn dan ook aan dit studievak gewijd.

In de eerste, over Het Kerkverband (1882), begon de aftredende Rector al aanstonds met te klagen over het verval van de studie van het kerkrecht:

Hier te lande althans valt er in dat opzicht lang niet te roemen. Bij de rechtsgeleerden staat dat vak geheel op den achtergrond; ook al bleef hun titel voortdurend „iuris utriusque doctor”, inderdaad wordt dat „utriusque” toch door niemand opgevat in zijn ouden en oorspronkelijken zin. 1) En nu is het zonder twijfel anders bij de godgeleerden, in wier encyclopaedie dat vak ook eigenlijk thuis hoort. Onder hen is zeer zeker veel gedaan voor het leeren kennen en helpen wijzigen van kerkelijke reglementen. Maar natuurlijk is dat op zichzelf nog geen wetenschappelijke studie; het is eerder geschikt om die te belemmeren, daar toch alle wetenschap in de eerste plaats systematisch is en principieel, en de bedoelde reglementen er juist op uit zijn om ook voor de meest uiteenloopende richtingen bruikbaar te wezen; en voorts in het algemeen geldt bij ieder recht, en zelfs bovenal bij het kerkrecht, dat het voor den bloei van de wetenschap geen goed teeken is, wanneer in de practische studie van de bestaande bepalingen alle heil wordt gezocht. Feitelijk laat men dan ook doorgaans de wetenschap van het kerkrecht voor hetgeen zij is. Wel wordt erkend, althans niet ontkend, dat die wetenschap slechts de toepassing en de slotsom is van andere wetenschappen, en dat er niets in kan worden vastgesteld, zonder dat men tevens eene uitspraak doet op het gebied van exegese, dogmatiek en geschiedenis. Maar aan dat verband laat men zich dan verder bijna in ’t geheel niet gelegen liggen, quaestiën die zich voordoen worden in den regel uitgemaakt volgens utiliteit en conveniëntie; en in de gewone practijk van het kerkelijk leven heerscht gemeenlijk het goedvinden van den predikant. En bleef het dan nog maar altijd bij onverschilligheid en terzijdestelling, zonder dat ook tegenzin en geringschatting openbaar werd! Maar zelfs daarmede heeft de wetenschap van het kerkrecht niet zelden te strijden. Daar is nu eenmaal een opvatting van „den geest des Evangelies”, die het met die wetenschap niet goed vinden kan, en die uit een valsch begrip van recht en van liefde, of wel uit een ziekelijk vooruitloopen op hemelsche toestanden, haar alleen nog maar toelaat als een noodzakelijk kwaad. Laat dat kwaad, zoo is dan natuurlijk de slotsom, tot een minimum worden ingekort. Laat het kerkrecht, als het zijn moet, nog worden meegeteld, maar laat dit er bij op den voorgrond staan: In de Christelijke kerk hoort het eigenlijk niet thuis; wat daar thuis hoort en heerschen moet, dat is niet het recht, maar de liefde, en al moet er ook natuurlijk orde en regel zijn, met de vroomheid heeft die waarlijk toch niet te maken; als maar ieder zich voegt, en des noods wat toegeeft, dan is dat wel het best voor den bloei der kerk.

Tegenover deze onverschilligheid, terzijdestelling, tegenzin en geringschatting der studie van het kerkrecht in den tegenwoordigen tijd, plaatste Professor Rutgers nu de eeuw der Hervorming, waarin


1) Natuurlijk wordt dit niet gezegd met het oog op alle de vakken, die eertijds tot het „ius canonicum” gerekend worden; maar alleen met het oog op dat recht als zoodanig, en voorzooveel het kerkrecht daartoe mede behoort.

|128|

die studie op den voorgrond stond; en stelde hij in het licht, dat er anders zelfs in ’t geheel geen kerkhervorming zou zijn tot stand gekomen:

O! ik weel wel, die is niet geboren uit de studie van het kerkrecht. Maar toch ook niet zonder die studie. En als die ontbroken had, zou er wel een gansche schare van hervormingsgezinden geweest zijn; maar de groote meerderheid zou zich toch ten slotte voor de Roomsche Kerk weer gebogen hebben, en ook waar de reformatie doordrong en stand hield, zou zij zich bepaald hebben tot personen, zonder zich ook tevens uit te strekken tot de Kerk. Eer men daartoe kon overgaan, moesten heel wat vragen onderzocht en beantwoord worden. Wat is de Kerk? Waaraan is zij te kennen? Wie heeft daarin te zeggen? Hoe behoort het daarin toe te gaan? Wat is de band die haar samenhoudt? Welke is het gezag van de sedert lang erkende en nog steeds vigeerende canones? Kan er in den toestand der Kerk niets veranderd worden, dun alleen langs den kerkdijken weg en door middel van hel kerkbestuur? En als daarvan niets te verwachten is, wat is dan het recht en de roeping van plaatselijke kerken, ja, van iederen geloovige in het bijzonder? Ziet, alle die vragen en nog zooveel andere meer, bijna allemaal vragen, die geheel van kerkrechtelijken aard zijn, zij moesten uit Gods Woord en uit de daarop gegronde geloofsovertuiging, en uit de geschiedenis der kerk voldoende zijn opgehelderd, voordat de geloovigen (en in deze lag natuurlijk de kracht van de gansche beweging) drang en vrijmoedigheid hadden om zich aan te gorden tot het reformeeren der kerk, of om zich bij degenen, die dat reeds begonnen hadden, aan te sluiten. Wie met al die vragen nog niet in het reine was, neen! hij kon de gemeenschap met Rome nog onmogelijk afbreken. Hij zou dan in eigen schatting hebben meegewerkt tot verbreking van de eenheid der kerk; hij zou dan in eigen oog een scheurmaker zijn geworden, hij zou dan naar eigen oordeel de kerk. het lichaam van Christus, verlaten hebben, en alzoo zelf van zijn zaligheid hebben afstand gedaan.

De ontzettende kracht van die overwegingen voelt men des te meer als men bedenkt, hoe het toen ter tijd nog bij allen vast stond, dat er maar één eenige kerk was, die zich op aarde als zoodanig openbaarde en die de geloovige niet verlaten mocht. Van jongs af had men immers geleerd en gezien, dat Rome’s gemeenschap die ééne en ondeelbare kerk was.

Slechts wie dat in het oog houdt, kan zich een recht denkbeeld vormen van den innerlijken strijd, die er toen te strijden was, en die voelt dan ook tevens, wat die strijd het meest heeft verzwaard. Iemand, die hem zelf had beleefd en doorleefd, niemand minder dan Johannes Calvijn, getuigt niet slechts van zich-zelven, maar ook van al zijn geestverwanten, dat er eene zaak was, die hen wel het meest en het langst had teruggehouden, en dat ééne hoofdbezwaar was geweest: „ecclesiae reverentia”. 1) En wanneer hij dan vervolgens aanwijst, hoe het desniettegenstaande tot den laatsten stap is gekomen, dan blijkt juist uit die beschrijving dat dat niet geschied is zonder heldere voorlichting omtrent allerlei vragen van kerkrechtelijken aard. Inderdaad moest de strijd juist met zulke vragen wel het meeste te doen hebben. Hij zou niet volstreden zijn, als men niet geleerd


1) Calvini Opera Omnia (Ed. Brunsvig), vol. V, pag. 412.

|129|

had, wat er op het stuk van het kerkverband was in acht te nemen. En waarvoor geen lid der Gereformeerde Kerk dan ook onverschillig mag wezen, zeker nooit voor dat zoo belangrijke deel van den strijd der Hervorming en voor de gewichtige slotsommen, waartoe toen die strijd heeft geleid.

Voorts herinnerde de spreker, hoe de kwestie van het kerverband ook na den tijd der Hervorming voortdurend een hoofdvraag gebleven is, en hoe zij thans, vooral in ons Nederland, opnieuw als vanzelf aan de orde is.

O! zeer zeker, daar zijn er, die die quaestie wel voor goed willen begraven, en die wenschen dat nu ieder maar berusten zal in den feitelijken toestand, bepaaldelijk met betrekking tot de Nederlandsche Hervormde Kerk. Het kan zijn, zoo is veler gedachte, dat haar wettelijk kerkverband niet Gereformeerd is, het kan zijn, dat dat aan de kerken is opgelegd en alleen door onrecht is tot stand gekomen; het kan zijn, dat het stof geeft tot allerlei aanmerking en zelfs aan de meeste kerken mishaagt. Maar, zoo wordt er dan bijgevoegd, laat het toch gehandhaafd worden om der wille van de rust en de wettelijke orde; laat het toch gehandhaafd worden om der wille van de eenheid der kerk; laat het toch gehandhaafd worden om der wille van de macht, die we daarin nog hebben, opdat we niet overvleugeld worden door Rome en niet onderliggen in den strijd met het ongeloof. Alzoo dan, M.H.! want hierop komt die redeneering ten slotte neer, ook al is zij de redeneering van welmeenende menschen, alzoo dan: op de erve der Hervorming de banier van het legimitisme omhoog heffen; in de kerken der Hervorming haar oorspronkelijke eenheid voor de toen verworpen eenheid weer uitruilen, voor de handhaving der Hervorming een beginsel aannemen, waarmee juist de hoofdzaak aan den tegenstander reeds zou zijn toegegeven! Ziet, als dat geen tegenstrijdigheden zijn, dan zou ik niet weten wat dien naam wel verdient. Maar juist daarom is het voorwaar wel volstrekt onmogelijk, om voor zulke overwegingen uit den weg te gaan. Eerder kan slechts dit het gevolg zijn, dat de quaestie van het kerkverband des te dringerder wordt. Het is waarlijk geen quaestie, die maar zoo naar willekeur kan gemaakt of geweerd worden. Zij hangt samen met de diepste geloofsovertuiging, die nu eenmaal niet werkeloos zijn kan. Wie gelooft, dat de Christus, en Hij alleen, in zijn Kerk Souverein is, en dan daarbij inziet, wat er uit die waarheid rechtstreeks volgt, die kan nooit berusten in een toestand, waarbij dat geloof gekrenkt wordt. Hij kan des te minder zwijgen, als hij mag behooren tot een kerkverband, dat reeds voor drie eeuwen door de werking van dat geloof gereformeerd is, en dat in zijn eigen recht van bestaan met de handhaving van die waarheid staat of valt. En vanzelf vloeit dan voort uit dat alles, gelijk nu ook bij vernieuwing hier te lande het geval is, dat de daar genoemde quaestie zich hoe langer hoe sterker doet gelden, en zelfs tot op zekere hoogte den toestand beheerscht. Of men het betreurt dan wel toejuicht, of men het bevorderen dan wel keeren wil: aan de orde is nu eenmaal de vraag naar den aard van het kerkverband der Gereformeerde kerken. En die vraag is dan voor ons vaderland nog volstrekt niet afgedaan met de bloote aanhaling van een nog vigeerend reglement.

Spreker gaf nu zijn voornemen te kennen over die vraag te handelen, maar dan niet over die kwestie in haar ganschen omvang.

|130|

Hij wilde blijven binnen het gebied, waarop hem zijn werkkring was aangewezen; hij wilde sprekende feiten laten getuigen; en dan handelen over: het kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde kerken, gelijk dat gekend wordt uit de handelingen van den Amsterdamschen kerkeraad in den aanvang der 17de eeuw.

Na te hebben aangetoond, waarom voor een onderzoek naar den aard van ons kerkverband bovenal dit tijdperk onzer geschiedenis, en juist de Amsterdamsche kerkeraad, in aanmerking moeten komen, vestigde hij de aandacht op de handelingen van genoemden kerkeraad, in zoover zij de strekking hadden: 1°. om het kerkverband in het algemeen krachtig te handhaven; 2°. om het in sommige opzichten buiten werking te stellen; 3°. om het desgevorderd tijdelijk te verbreken; en 4°. om het terzelfder tijd zooveel mogelijk te herstellen.

Bij het eerste punt werd vermeld en toegelicht, wat die kerkeraad toen gedaan heeft, in en buiten de gemeente, officieel en officieus, om het kerkverband krachtig te handhaven; a. in zijn recht van bestaan, tegenover het independentisme; b. in zijn nationaal karakter, tegenover het provincialisme; en c. in zijn onmisbaren grondslag, tegenover het arminianisme. Bij het tweede punt werd vooral ter sprake gebracht, hoe er toen gehandeld is, en gehandeld mocht, ja moest worden, met betrekking tot attestatiën, waaraan wegens de personen die ze inleverden of wegens de kerkeraden die ze onderteekend hadden, geen vertrouwen en dus ook geenerlei waarde kon worden toegekend. Bij het derde punt kwam inzonderheid ter sprake, hoe kerkeraden en classen, die van de belijdenis afweken, toen eenvoudig beschouwd en behandeld zijn als vergaderingen van particulieren, door die afwijking zelve reeds van het kerkverband losgeraakt; en wat de Amsterdamsche kerkeraad toen gedaan heeft, ook met betrekking tot de Acte van Separatie van de Remonstranten, om te dien aanzien eenheid en eenparigheid te bevorderen. En bij het vierde punt werd gehandeld over des kerkeraads bemoeiingen met de doleerende kerken en met de vergaderingen van correspondentie.

Aan het eind van dat overzicht werd aangewezen, dat alle die handelingen niet anders waren dan de toepassing van éénzelfde beginsel; en werd daaruit afgeleid, waarin eigenlijk het kerkverband der Nederl. Geref. kerken bestaat; hoe de bijkomstige regeling van kerkelijke vormen te dien aanzien van weinig beteekenis is; hoe de verhouding tot de Overheid daartoe niets afdoet; en hoe zelfs verdrukking en vervolging, gelijk indertijd gebleken is, trouwe kerkeraden niet bewegen kan om dat kerkverband los te laten.

|131|

Met een enkel woord werd daaraan toegevoegd, dat zulke handhaving der belijdenis, blijkens de geschiedenis, waarlijk niet eenzijdig of traag of liefdeloos maakt; en met name werd aangewezen, hoe de Amsterdamsche kerkeraad juist toen bijzonder gekenmerkt was door een grooten ijver voor een zuiveren levenswandel, voor de bevordering van geestelijk leven in de gemeente en voor het werk der in- en uitwendige zending.

 

Bracht dit meesterstuk van historische studie, bij de uitgave nog verrijkt met een schat van aktestukken, door zijn scherpheid van betoog, aan de legitimistische opvatting reeds een gevoeligen slag toe, niet minder was dat het geval met de rectorale redevoering, die Professor Rutgers in 1889 hield, toen hij voor de tweede maal als rector moest aftreden.

Ditmaal begon hij met een herinnering aan de rectorale oratie, die de Groninger Hoogleeraar Cornelis van Velzen, 3 September 1737 hield „over de noodzakelijkheid der beoefening van het kerkrecht aan de Academiën”. Er was toen ter tijd, en dat sedert lang reeds, verwaarloozing van het kerkrecht aan de Academiën, en daaruit voortvloeiende onkunde in de kerken zelve. Ruim een kwart eeuw later, zoo deelde Professor Rutgers verder mede, werd aan de Hoogeschool te Groningen wel geregeld onderwijs in het kerkrecht gegeven, zelfs maakte toen de hoogleeraar in de rechtsgeleerdheid Friedrich Adolph van der Marck, die terwille van zijn theologische toehoorders dat onderwijs op zich nam, van dit college zelfs veel werk. Maar de klacht van den ouden Van Velzen kon ook toen nog blijven gelden, zelfs nog meer dan in diens eigen tijd, want de vroegere verwaarloozing was nu overgegaan in terzijdestelling, ondermijning en bestrijding van het Gereformeerde kerkrecht. Het kerkrecht toch van Van der Marck was zuiver collegiaal. En nog boven alle rechten, die de kerk als collegium hebben kon, liet hij deze twee beginselen gelden: aan de Overheid, ook op kerkelijk gebied, alle macht van. wetgeving en uitvoering; en in de kerk zelve tolerantie, in den zin van leervrijheid, slechts beperkt door de grenzen, die de Overheid uit staatsbelang noodig zou achten. In die kerk konden, volgens Van der Marck, de Formulieren van eenigheid toch wel blijven. Hij ontraadde zelfs alle poging om ze te veranderen of af te schaffen, daar dan nieuwe twist, en misschien wel uitbreiding van die Formulieren te wachten was. Maar men zou ze kunnen handhaven en dan tevens practisch de leervrijheid invoeren. Wat op dit college met zooveel ijver en bekwaamheid

|132|

gedoceerd werd, was dus eigenlijk juist het tegendeel van Gereformeerd Kerkrecht. Voor dit laatste was nu inderdaad zelfs geen plaats meer. En zoo werd het allengs meer, ook in de kerken, toen het onderwijs van Van der Marck daarin doordrong, en toen dit na de Revolutie als het ware het program werd, dat men zich ter uitvoering voorstelde.

Toch is de belijdenis, ondanks alle pogingen om haar, naar den raad van Van der Marck, op non-activiteit te brengen, op kerkelijk gebied weer actief geworden. En toen kon ook de herleving van het daaruit voortvloeiende kerkrecht wel niet uitblijven. De leerstellige strijd, die in eenzelfde kerkverband over de grondslagen te voeren was, werd, gelijk in dergelijke omstandigheden altijd het geval is, hoe langer hoe meer ook kerkrechtelijk. En bevorderd werd die opleving van het kerkrecht, doordat wetenschappelijke studie daarmede samenviel, en doordat die studie zich met name richtte op de oude kerkenordeningen en op hare geschiedenis. Thans valt wel niet te klagen, dat dit vak wordt verwaarloosd. En al laat de kennis ook nog vaak te wenschen over, de belangstelling is toch bijna algemeen.

Voor de tweede maal geroepen tot het houden eener rectorale rede, wenschte de aftredende rector dan ook wederom over kerkrecht te spreken, en dan wederom zooveel mogelijk met historische toelichting. In het laatste jaar had hij zich bizonder bezig te houden met de Nederlandsche Synoden van de 16e eeuw; 1) met die samenkomsten, die in vollen zin constitueerende vergaderingen waren, en bij welke een aanzienlijk deel van haar arbeid dus aan kerkelijke regeling was toegewijd. En omdat nu een belangrijke vraag was, welke beteekenis aan die regeling toekomt, terwijl juist in onzen tijd deze vraag ook belangstelling vond, achtte Professor Rutgers het niet ondienstig zijn hoorders te bepalen bij de geldigheid van de oude Kerkenordening der Nederlandsche Gereformeerde Kerken.

Na een korte bepaling van de hier bedoelde oude Kerkenordening werd nu achtereenvolgens gehandeld over de vragen, waarom, voor wie, in welken zin en in welke mate bij de oude ordening onzer Kerken van geldigheid sprake kan zijn.

Ter beantwoording van die vragen werd inzonderheid de geschiedenis te hulp geroepen, en daaruit aangewezen: welke beginselen van kerkregeering tegelijk met de reformatie door de Nederlandsche Gereformeerde Kerken waren aangenomen; hoe het karakter en de handelwijze van de synodale vergaderingen,


1) Nl., om voor de, toen reeds ontbonden, Marnix-vereeniging, de uitgave te bewerken van haar laatste deel (Serie II, Deel III), dat in Juli 1889 verschenen was onder den titel: „Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw”. Zie blz. 124.

|133|

die zich met de Kerkenordening bezighielden, daarmede overeenkwam; hoe de toestand gewijzigd werd, sedert de Overheid als zoodanig de reformatie bevorderde; hoe er tusschen Overheid en Kerk over de macht tot het maken van kerkelijke ordinantien gestreden is; welke in dit opzicht de gevolgen waren der revolutie, en in hoeverre de Kerkenordening bindend was, naar het oordeel der Kerken zelve.

Wat dit laatste punt aangaat, merkte spreker o.a. dit op:

In het algemeen leert de geschiedenis, dat in de Nederlandsche Kerken altijd zekere ruimte was met betrekking tot de opvolging van de kerkenordening. Toezicht was er, zeer stipt en zeer streng, dat de grondslag van het kerkelijk samenleven, d.i. de belijdenis, werd gehandhaafd. Maar betrekkelijk slap was daartegenover de handhaving van de kerkenordening; formalisme of reglementaire preciesheid was er eer te weinig dan te veel. Eigenzinnigheid of willekeur mocht natuurlijk niet heerschen, bandeloosheid of wanorde werd natuurlijk niet beschermd. Maar wanneer de orde, de rust en de welstand der kerken geen gevaar liepen; wanneer die integendeel nog bevorderd werden door eene kleine afwijking van de ordinantien, dan werd zulk een afwijking niet verkeerd geacht, en dus niet slechts geduld, maar ook goedgekeurd . . . .
Ook de afwijking zelve was als het ware geregeld. Natuurlijk niet door opzettelijke bepalingen. Maar dan toch door beginselen, die onmiskenbaar waren uit Gods Woord, uit den aard der zaak en uit de kerkenordening zelve . . . 1)
Op die wijze was er ruimte, maar binnen zekere grenzen, en regelmaat zonder formalisme. Er kon vrijheid zijn, zonder dat die vrijheid op losbandigheid en willekeur uitliep. En bindend werd juist daardoor het doel van de gansche kerkenordening; ook nog bij de afwijking zelve werd dan daaraan voldaan.
Altijd echter onder één voorwaarde, n.l. dat de Kerken eén blijven in belijdenis en tezamen onderworpen aan Gods Woord. Dat wordt altijd ondersteld; daarop rust de bruikbaarheid van de gansche ordening; en zóó geheel is zij daarop ingericht, dat zij bij een anderen toestand wel niet anders dan ontbindend kan werken. Maar wel verre van een bezwaar te zijn, is dit juist in haar voordeel. Zij bevordert die eenigheid, juist doordat zij haar onderstelt en vereischt.

Zoo bracht Professor Rutgers in deze oratie het fel bestreden en netelige punt van de geldigheid der Kerkenordening op de hem eigen nauwkeurige en bondige manier tot volle helderheid.

Dr. Kuyper, in De Heraut van 27 October 1889 terug komende op de overdracht van het rectoraat, gaf zijn blijdschap te kennen over het door Professor Rutgers daarbij ingestelde onderzoek. „Slechts in één opzicht”, zoo ging hij verder, „schrikten we, namelijk toen we onder de lezing dezer redevoering merkten, dat


1) In een noot op blz. 43 van de gedrukte oratie wordt hiervoor verwezen naar Voetius, Polit. Eccl., Tom I, pag. 272-280 en 284-288 (Ed. Rutgers, pag. 227-233 en 236-239.

|134|

ze nog niet gedrukt was. Het ware toch zoo wenschelijk geweest, dat reeds onder den eersten indruk van de oratie de verspreiding ervan had kunnen plaats hebben. Kome nu van uitstel maar geen afstel, en verrasse Dr. Rutgers ons na niet te lange dagen met de uitgave van dit kostelijk stuk; dan waarschijnlijk nog verrijkt met een enkele kantteekening”.

Einde April van het volgend jaar verscheen de oratie, met als eerste noot deze opmerking:

„De hier volgende rede, die zonder eenige verandering teruggeeft wat den 21en October 1889 werd uitgesproken, was natuurlijk ook toen reeds geheel klaar om in druk te worden uitgegeven. Het scheen echter wenschelijk, bij de uitgave eenige aanteekeningen en aktestukken daaraan toe te voegen. En nu is daardoor de uitgave omtrent vier maanden vertraagd, daar velerlei werkzaamheden en ook ongesteldheid, juist in de Kerstvacantie, den schrijver veelszins belemmerden. Gelukkig is de actualiteit van het onderwerp niet aan weken of maanden gebonden”.

In het eerstvolgend nummer van De Heraut, 4 Mei 1890, schreef Dr. Kuyper toen van zijn kant weer:

„Dezer dagen verliet eindelijk de rectorale oratie van Prof. Rutgers de pers.
Nu zulk een uitgave mag heeten, de belangstelling van het publiek op de proef te hebben gesteld.
De oratie wierd toch gehouden op 20 October 1889 en eerst omstreeks 20 April 1890 kon de grage kooper zich bij den heer Wormser aanmelden, om een exemplaar machtig te worden.
De geachte redenaar heeft dan ook gevoeld, dat hij er ditmaal niet zonder een woord van publieke verontschuldiging af kon.
Toch heeft hij het niet gewaagd, de verantwoording van heel deze zes maanden uitstel op zich te nemen. Hij zegt althans op blz. 5, dat de uitgave vier maanden vertraagd is. De twee resteerende maanden blijven dus voor rekening van den heer Wormser.
Maar voor die vier maanden uitstel is zijn excuus dan ook voldoende.
Vooreerst de alles dekkende influenza die ook hem een tijdlang uit de studeerkamer naar de slaapkamer deed verhuizen. En dan, wat nog meer zegt, hij heeft zijn kindeke niet zonder behoorlijken uitzet de wereld in willen zenden, en daarom aan zijn oratie een schat van aanteekeningen en bijlagen toegevoegd, die best vier maanden wachtens waard zijn.
De oratie zou geen 40 pagina's hebben beslagen, en nu krijgen we een klein boekdeel van 110 bladzijden.

|135|

„Door deze oratie met haar bijlagen en aanteekeningen zijn we nu in vierderlei opzicht weer een belangrijken stap verder gebracht.
Vooreerst toch prent deze oratie aan ons kerkelijk publiek eens en voor altoos de overtuiging in, dat er eigenlijk nooit meer dan één Gereformeerde kerkenordening bestaan heeft, en dat deze kerkenordening wel nu en dan gewijzigd is, maar toch als stam, altoos door, de ééne zelfde kerkenordening is gebleven. Zoodat al het gehaspel, of de kerkenordening van 1586 of wel die van 1619 gold, nu van achteren blijkt doelloos gekeuvel te zijn geweest.
In de tweede plaats licht deze oratie den sluier op, waarachter de boosaardige toeleg, om ons kerkrecht opzettelijk te vervalschen, langen tijd verborgen bleef.
In de derde plaats wordt de principieele quaestie rakende den grond van geldigheid onzer kerkenordening eens voor goed uitgemaakt, en aangewezen in de vrijwillige aanneming der kerken.
En in de vierde plaats levert de 2de bijlage ons het volledig dossier van alle stukken over de agreatie der kerkenordening, in haar vorm van 1619; ten gevolge waarvan aan al het gekibbel over de geldigheid dezer kerkenordening in de onderscheidene provinciën nu eens voor goed een eind is gemaakt.
Minder principieel, maar daarom niet minder belangrijk is de eerste bijlage, die ons een rijke bijdrage voor het dossier der Emdensche Synode voorlegt.
Dit dossier strekt minder om geschilpunten uit te maken, dan veelmeer, om ons een historisch genot te geven.
Want ja, een historisch genot is het, zoo met: de brieven en instructiën voor u, van stukje tot beetje, te kunnen nagaan, wat er destijds geworsteld en gewoeld is, om uit zoo kleine beginselen op weg te gaan naar zoo groote toekomst.
Dat dit kon, lag alleen daaraan, dat de mannen van die dagen muurvast in de beginselen stonden.
Van schipperen of loven en bieden wisten ze niet.
Ze hadden de ster van de toekomst der kerk in het Oosten gezien, en het schijnsel van die ster volgden ze”.

 

Zijn derde rectorale rede hield Professor Rutgers op 20 October 1894. Ditmaal begon hij met deze historische herinnering:

Onder de historische datums, die van algemeene bekendheid zijn, hoort ook de 10e December van het jaar 1520. En dat met volle recht. De dag, waarop Luther op de markt te Wittenberg zijn papieren brandstapel aanstak, was juist daardoor de beslissende dag van zijn breken met Rome, de dag, waarop de Hervorming als het ware positie nam als hervorming der Kerk, de dag die wel niet den naam heeft van

|136|

Gedenkdag der Kerkhervorming, maar die inderdaad toch het meest aan dien naam zou beantwoorden. Immers, wat heeft Luther toen gedaan? Nog iets anders en iets meer, dan de zaak, waaraan vaak uitsluitend gedacht wordt. Het is zeker waar, dat hij toen de pauselijke bul, die zijn banvonnis inhield in het openbaar verbrand heeft. Maar dat was toch niet het eenige, en ook niet de hoofdzaak. Het had zelfs wel kunnen wegblijven, zonder dat de beteekenis van de handeling zelve daardoor zou verminderd zijn. Waar het bij dien brandstapel eigenlijk om te doen was, dat was niet de banbul, die slechts aan het andere werd toegevoegd, maar het bundeltje boeken, dat er eerst op was neergelegd. Luther zelf heeft gezorgd, dat er te dien aanzien wel geen misvatting zijn kan. Toen hij reeds een half jaar vroeger bij herhaling dreigde, dat, wanneer Rome voortging met de openlijke executie van zijn hervormingsgeschriften, door hem zou geantwoord worden met een soortgelijken brandstapel; en toen hij daarna op den reeds genoemden 10en December de uitvoering van zijn voornemen aan de Wittenbergsche Academie door aanplakking liet bekend maken, en toen hij den volgenden dag de verrichte daad bij zijn onderwijs toelichtte, en toen hij in den loop dier maand het geschrift uitgaf, dat haar openlijk voor een ieder verantwoordde; toen werd bij dat alles natuurlijk ook telkens gezegd, wat er zou verbrand worden of verbrand was. Maar dat wordt dan niet gezegd van de pauselijke banbul, die in alle die stukken zelfs niet eens genoemd wordt. Wat ten vure gedoemd was, wat hij met de meeste beslistheid en zoo openlijk mogelijk wilde tegenstaan, wat hij wilde weg doen tot vernietigens toe, dat was de verzameling van Canones en Decreta, waar het destijds geldende kerkrecht in was samengevat, „die Bücher des Papbsts und seiner Jünger”, „die Päpstliche Stuhl” en „das ganze päpstliche Recht”. Hij bedoelde een protest, niet slechts tegen het vonnis, dat over hemzelven was uitgesproken, maar veeleer tegen het beginsel, waaruit dat vonnis voortkwam, tegen het geheele stelsel, waarvan het slechts de toepassing was. Als met vlammend schrift wilde hij betuigen, en ook aan de gansche Christenheid voorhouden: het Corpus Iuris Canonici moet de wereld uit! Weg daarmee, voor altijd!

Luthers verwerping van het Canonieke recht werd echter niet door al zijn geestverwanten toegejuicht. Afkeuring en verzet liet zich merken, met name in den kring der rechtsgeleerden, zelfs het meest aan de Wittenberger Academie zelve. Zij bleven het Ius Canonicum beoefenen en in practijk brengen in adviezen en beslissingen, waartoe zij in allerlei qualiteit door de Overheid geroepen werden. Zulk een houding was dan natuurlijk voor een man als Luther niet om uit te staan. Met de volle kracht van zijn overweldigend woord, en met de niets ontziende onstuimigheid, die hem eigen was, trok hij telkens tegen de Juristen te velde. Maar het baatte niet. Zij handhaafden hun standpunt. En dat blijft te meer te betreuren, omdat in hun stelsel ook paste, dat de vorst des lands aan het hoofd der kerk werd gesteld.

Daarna wees Professor Rutgers er op, dat in onzen tijd die strijd tusschen Luther en de rechtsgeleerden als vernieuwd wordt. Wel in anderen vorm, en vooral met een voorstelling van het oude geschilpunt, die van de gewone voorstelling geheel afwijkt. Maar

|137|

dan toch met de uitgesproken bedoeling, om in alle opzichten Luthers standpunt te handhaven, en den strijd, dien hij daarvoor gevoerd heelt, thans voort te zetten.

Te zijnen aanzien is dan de opvatting, dat hij niet bedoelde het Roomsche kerkrecht als zoodanig te bestrijden, maar dat hij in en met dat stelsel ook het kerkrecht in het algemeen wilde in den ban doen; dat hij niet slechts verwierp wat als kerkelijke rechtsorde in het toen reeds afgesloten Corus Iuris Canonici was vastgesteld, maar ook tevens alle regeling van dien aard, n.l. wat in de oude kerk aan het Kanonieke Recht was voorafgegaan; al wal in de Roomsche kerk nog daarnevens zou ingevoerd worden, en al wat de Protestantsche kerken daarvoor in de plaats zouden kunnen stellen; in één woord, dat het eigenlijk zijn leuze was, niet: weg met het Ius Canonicum! maar veel meer omvattend en veel dieper doordringend: het kerkrecht als zoodanig moet verdwijnen, weg met alle kerkrecht in het algemeen! Dat wordt dan geprezen als bij uitnemendheid christelijk. Met volkomen aansluiting aan een dergelijk streven wordt dan alle kerkrecht als onchristelijk en verderfelijk voorgesteld. En dat alles wordt gedaan onder zulke omstandigheden, dat het zeker niet aangaat, dien aanval met een minachtend schouderophalen voorbij te gaan.

Of nu Luther zelf inderdaad zoo geoordeeld heeft, was een vraag, die Professor Rutgers, als betrekkelijk van minder gewicht, thans liet rusten. Hoofdzaak was, of de gronden, waarop die veroordeeling van het kerkrecht gebaseerd was, den toets konden doorstaan. Welnu, Spreker wenschte dit aan hem opgedragen vak van wetenschap te verdedigen, en wel door te spreken over het kerkrecht in zoover het de kerk met het recht in verband brengt.

Op de aankondiging van het onderwerp volgde voorts eene korte kenschetsing van het boek, waarin thans het kerkrecht werd aangevallen, het „Kirchenrecht” van Dr. R. Sohm, hoogleeraar in de rechten te Leipzig. Dit werd zeer geroemd, in allerlei opzicht, inzonderheid om vele kerkhistorische onderzoekingen, om de besliste doorwerking van des schrijvers geloofsbeginsel, en om den schoonen vorm; waarbij ook gewezen werd op de groote waardeering, die het nu reeds gevonden heeft. Alleenlijk, de hoofdgedachte kon niet worden toegestemd.

Deze was vervat in de stelling, dat het recht als zoodanig met het wezen der kerk in strijd is; en hiervoor was in hoofdzaak als bewijs aangevoerd: 1. dat alle recht formeel is, terwijl voor de kerk niet de vorm, maar het wezen alles afdoet; 2e. dat alle recht een dwingend karakter heeft, terwijl in de kerk niet de dwang, maar de vrijheid en de liefde heerschen; en 3e. dat alle recht van en voor de wereld is, terwijl het karakter der kerk zuiver geestelijk is.

|138|

Daartegenover werd door Spreker ontwikkeld: ad 1um, dat vorm en wezen op zichzelf niet met elkander strijden, maar juist ten nauwste samenhangen, en dat bepaaldelijk het kerkrecht, mits naar Gereformeerde opvatting, vorm en wezen zóó vereenigt, dat het wezen den vorm geheel beheerscht en zelfs in den vorm mede opgenomen is; ad 2um, dat, wanneer het recht met dwang gepaard gaat, gelijk b.v. op staatsgebied het geval is, dit niet voortvloeit uit het wezen des rechts, maar uit der menschen onwilligheid om zich daaraan te onderwerpen; dat in de kerk, als de vergadering der geloovigen, in beginsel niet te rekenen is op verzet, maar het recht wordt gehandhaafd door eene vrije gehoorzaamheid die uit liefde voorkomt; en dat, ook waar in de kerk door de werking der zonde aan het recht wordt tekort gedaan, de kerk toch niet straft of tot gehoorzaamheid dwingt, maar integendeel zooveel mogelijk zoekt te overtuigen, en als dit niet baat, het recht handhaaft, door met zulke schending geenerlei gemeenschap te houden; en ad 3um, dat bij de tegenstelling, die gemaakt wordt tusschen kerk en recht in het algemeen, beide in hun wezen miskend worden; dat aan die miskenning eigenlijk de oude Doopersche beschouwing ten grondslag ligt, en dat daartegenover de Gereformeerde beschouwing is te handhaven; volgens welke de kerk niet eene nieuwe schepping is, maar de door God herschapen menschheid zelve, bestemd om zich hier op aarde te openbaren in den vorm van menschelijke samenleving, waarvoor ook de H. Schrift zelve reeds de beginselen aangeeft; en volgens welke het recht niet uit den mensch, maar uit God zijnen oorsprong heeft, zoodat wel zijne opvatting of zijne handhaving, maar niet zijn wezen zelf met het wezen der kerk kan in strijd zijn.

Ten slotte werd nog opgemerkt, dat de aanklacht van Dr. Sohm zeker alleszins grond heeft tegenover de door hem beschreven stelsels van kerkrecht, maar eigenlijk aan de Gereformeerde opvatting juist ten goede komt; en dat dus dit kerkrecht is te handhaven; niet alsof het in staat was aan de kerk te geven wat alleen Gods Geest haar kan schenken, maar om aan het samenleven der geloovigen zulke leiding te geven, als het wel-wezen van de kerk vereischt.

Waarom Professor Rutgers hier openlijk den strijd aanbond met een buitenlandsch geleerde van hoogen wetenschappelijken naam, lichtte Dr. Kuyper in De Heraut van 9 December 1894 aldus toe:

„Met name in zake het kerkrecht zijn onze Duitsch-Luthersche broederen steeds van een slechte markt thuis gekomen.
Ze stonden welbewust tegen het hiërarchisch beginsel van de

|139|

Roomsche Canonisten over; maar misten den moed, om het eenig principieel daartegenover houdbaar systeem, gelijk onze Gereformeerde kerken dit aan de Schrift ontleenen, over te plaatsen.
Als straf voor deze halfslachtigheid zijn de Luthersche kerken in Duitschland dan ook steeds meer innerlijk ontredderd, en een speelbal in de handen der hofjuristen geworden.
De hieruit voortspruitende zwakheid der Luthersche kerken werd voor de ernstige denkers onder de leiders van hel kerkelijk leven in Duitschland steeds dieper oorzaak van smart, en keer op keer zijn van die zijde voorslagen gedaan en plannen geopperd, om aan dien onhoudbaren toestand een einde te maken.
Maar al zulke poging stuitte steeds af op den invloed der vorsten.
Nog onlangs is een Pruisisch hofprediker, die ook ten onzent geen vreemdeling is, door Duitschlands keizer zonder vorm van proces van het hof verwijderd, enkel wijl hij de meening had durven uiten, dat de koning van Pruisen aan de Luthersche kerk de grootste weldaad zou bewijzen, indien hij van zijn onschriftuurlijke bisschoppelijke macht afstand deed.
Juist daarom was het feit van zoo hooge beteekenis, dat in Professor Sohm eindelijk eens niet een theoloog, maar een jurist opstond, die zonder sparen critiek op den bestaanden toestand en op zijn historische ontwikkeling dorst oefenen.
Had nu Prof. Sohm het Gereformeerde kerkrecht historisch gekend en principieel begrepen, dan had zijn critiek ongetwijfeld tot een aanprijzen van het Calvinistisch kerkrecht moeten leiden.
Alle gegevens daarvoor waren in zijn uitgangspunt en in zijn persoonlijke overtuiging aanwezig.
Ongelukkigerwijze echter was hij in ons kerkrecht een vreemdeling, en kwam er daardoor toe, na zijn veroordeeling van den bestaanden toestand, opruiming van al wat naar kerkrecht zweemde, als met het wezen der kerk in strijd, voor te staan.
Hiertegen nu is Prof. Rutgers in verzet gekomen, en heeft in zijn oratie op waardeerende en glasheldere wijze aangetoond, hoe Sohm’s critiek over de Duitsch-Luthersche toestanden metterdaad onverbeterlijk is, maar hoe zijn conclusie daarom moest falen, omdat de eenig ware oplossing, die het Gereformeerde kerkrecht bood, hem vreemd was.
Prof. Sohm heeft, naar ons ter oore kwam, van deze hoogst ernstige tegenspraak met veel waardeering kennis genomen, en uitzicht geopend dat in het tweede deel van zijn werk, dat nog

|140|

niet ter perse is, de critiek van Dr. Rutgers veelszins zal bevredigd worden.” 1)

 

Den 20sten October 1906 hield Professor Rutgers voor de laatste maal een rectorale oratie.

Ze begon met deze schoone inleiding:

Sedert Thomas Carlyle zijn bekende opstellen „On Hero-Worship” in het licht gaf, zijn reeds bijna zeventig jaren verloopen; maar de geest, die daaruit spreekt, of wel de gedachte waar die studiën door beheerscht worden, is toch allerminst verouderd te noemen. Ook in onzen tijd, zelfs nog meer dan vroeger, kan er van een „hero-worship” gesproken worden; van een soort van eeredienst voor talent of genie, waar dit samengaat mei werkkracht en wilskracht. Niet alsof daaraan alleen zou zijn tot te schrijven, dat men groote mannen waardeert en huldigt. Er is ook een plicht van dankbaarheid, die tot zulke huldiging aandrijft, en die zonder twijfel bij velen op den voorgrond staat. Maar dat kan toch alleenlijk bij hen, die gevoelen, dat zij inderdaad iets ontvangen hebben; of wel, voor zooveel men in den man, die geëerd wordt, iets terugvindt van het eigen leven en streven. Voor zooveel dat anders is, werkt dan naast die dankbaarheid, ofwel daarvoor In de plaats, de bekoring van eene werking, die het gewone te boven gaat, enkel en alleen, omdat zij buitengewoon is. Kracht en macht als zoodanig, waar die in bijzondere mate betoond wordt, is voor menigeen stof genoeg tot bewondering en verheerlijking, bijna als een god der eeuw, waar men zich met eerbied voor buigt.
Waar een dergelijke drang min of meer algemeen is, en zich dan nog vaak verbindt met gevoelens van dankbaarheid, daar is zeker niet vreemd, dat er veel gedaan wordt om beroemde mannen te vieren, als het vol worden van een eeuw sedert hun geboorte- of sterfdag daartoe de gereede aanleiding geeft. En het is zelfs begrijpelijk, dat dit ook geschiedt met een man als Calvijn, nu de tijd nabij komt, dat er sedert zijn geboortedag juist een viertal eeuwen zal verloopen zijn. Inderdaad zijn voor dien gedenkdag grootsche plannen in wording. En wanneer het Comité, dat zich te Genève daarvoor gevormd heeft, zijne wenschen vervuld ziet, dan moet die herdenking eene waardige feestviering zijn, niet uitsluitend voor Genève of in kerkdijken kring, maar internationaal en met algemeene strekking, en dan moet zij als het ware uitgedrukt en bekroond worden door een monument, met het standbeeld van Calvijn als den hoofdpersoon.
Nu, dat er zulke plannen gemaakt worden, is in zeker opzicht geen wonder. Want indien werkelijk een standbeeld de rechtmatige hulde is, die aan groote mannen altijd toekomt, ook bij dezulken, wier grootheid een zuiver geestelijk en gedsdienstig karakter draagt, en die een werk tot stand brachten, dat op zichzelf de eeuwen verduurt, dan zou zeker een man als Calvijn daarop alle aanspraak hebben. Onder hen, die in de geschiedenis als „mannen van beteekenis” bekend


1) Dit tweede deel van Sohm’s „Kirchenrecht” laat nog steeds op zich wachten. Maar zijn foutieve grondgedachte vindt men terug in zijn „Kirchengeschichte im Grundriss”, die in het Nederlandsch bewerkt werd door Ds. L.H.F.A. Faure en met een voorrede voorzien van Prof. Dr. H.G. Kleyn. De derde druk van dit werkje verscheen onlangs te Nijkerk, bij G.F. Callenbach. Zie daarover het artikel: Sohm en zijn Kerkgeschiedenis in de „Letterkundige Kroniek” van De Standaard, 8 Juni 1918.

|141|

staan, zal wel niemand hem een plaats ontzeggen; en misschien, zijn er wel niet velen geweest, die hem evenaarden, niet slechts in zijn velerlei geestesgaven, maar ook in den invloed, die er voor de leiding der geesten van hem is uitgegaan. Een invloed, dien hij niet alleen persoonlijk oefende door zijn geestelijk overwicht, maar die door de leerlingen, die hij vormde, en door zijne geschriften zich alom deed gevoelen, en die niet beperkt bleef tot zijn eigen tijd, maar voortdurend blijft werken.
En toch, als Calvijn zelf nog eens kon gehoord worden, er zou van een dergelijke huldiging wel niets komen; zelfs niet eens van eene feestviering. Ziende hoe het thans gesteld is in die landen, waarop indertijd zijn invloed zoo groot was, en wat thans geworden is van die kerken en scholen, die van hem Gereformeerd karakter ontvingen, zou hij aanleiding vinden, niet voor een feestdag, maar veeleer voor een vast- en biddag. En een monument zou ook zeker niet in zijn geest zijn: het zou zelfs niet passen bij hem, die van menschelijk eerbetoon zóó afkeerig was, dat dit bij zijn leven hem niet veel kon gegeven worden, en ook op zijn graf door hemzelven verhinderd is, doordat naar zijn eigen beschikking dat graf zelfs niet door een steen of teeken mocht gekenmerkt worden, en juist daardoor later niet eens was terug te vinden.
Uiterlijke hulde, met een zichtbaar gedenkteeken, zou dus voor Calvijn minder passen. En ik mag wel verder gaan en daarbij voegen: zulk een monument heeft hij eigenlijk ook niet noodig; want hij heeft het reeds lang, op de rechte wijze en zoo eervol mogelijk. Toen hem in zijn laatste levensjaren door een smaadschrift o.a. was voorgeworpen dat hij geene kinderen had, was zijn antwoord kort en treffend: „God had mij een zoontje gegeven; Hij heeft het genomen. En nu word ik ook gesmaad wegens kinderloosheid. Maar ik heb immers zonen, bij tienduizenden, in de gansche Christelijke wereld”. Welnu, in die zonen, die hij sinds dien tijd nog voortdurend gehad heeft, in die groote familie, die met hem verwant is in geloof en beslistheid en ijver en zelfverloochening, en die de door hem weer aan het licht gebrachte beginselen verder uitwerkt en toepast, in die allen heeft hij voortdurend, niet slechts hetzelfde als een standbeeld geven kan, maar ook inderdaad nog veel meer: iets dat zijn aandenken levend houdt, niet op eene plaats en dan onbewegelijk, maar door heel de wereld en in volle actie. En zijn monument, dat is wel inzonderheid dat geheel van Gereformeerde Kerken, voor wier bouw en inrichting hij de grondlijnen weer zoo duidelijk in het licht heeft gesteld; althans voor zooveel dat gebouw in zijn eigen stijl onderhouden is. Marmer en steen zou er voor Calvijn eerst noodig zijn, wanneer al die levende gedachtenis weg was. Thans gelukkig nog niet. 1)


1) Om de overeenstemming in gedachte volge hier een vers van Adolph Stöber, uit het Duitsch vertaald door P.H. Wiersma, te Harmeien, en opgenomen in De Heraut van 22 November 1885 (zie ook de rectificatie van 29 November):

KALVIJNS GRAFPLAATS.

Waar hebt gij, Genève, de grafzuil gesticht,
 Uws grooten Hervormers, Kalvijn?
Wiens stem u den nacht deed verdwijnen voor ’t licht,
 Gods Woord u ten morgenstar zijn.

Het kerkhof is hier, maar geen praalziek gesteent’
 Verkondigt bewondrend zijn lof,
Hij wilde geen grafzerk, zoodat zijn gebeent’
 Vermengd is met anderer stof. ➝

|142|

Na deze inleiding werd nu op een gedeelte van dat groote geheel de aandacht gevestigd, en als onderwerp genoemd: de beteekenis der gemeenteleden als zoodanig, volgens de beginselen die Calvijn, toen hij openlijk optrad, heeft ontwikkeld en toegepast.

Die beginselen werden afgeleid uit de twee geschriften, die als het ware het program waren van Calvijns reformatie, en dan een program waaraan hij steeds trouw is gebleven. Daaruit werd aangetoond, welke hooge beteekenis door Calvijn aan de gemeenteleden werd toegekend, in tegenstelling mei de in zijn tijd vigeerende stelsels; waarbij ook gewaarschuwd werd tegen misverstand van zijne opvatting. Voorts werd opgemerkt, dit die hooge beteekenis slechts werd toegekend aan geloovigen, wier belijdenis dus onmisbaar was voor het kerkelijk instituut, en wier leven met die belijdenis moest overeenstemmen. Daarna werd gesproken van


➝ Dit was, o getrouwe, dit was Uwe leus:
 „De God der genâ zij geëerd”.
Zijn roem slechts, niet d’ Uwe, dat was uwe keus,
 Dat d’ ijver, die u heeft verteerd.

Toch wil men bezwalken, bezoedlen Uw naam,
 En gunt U geen rust in het graf;
De dwerg knaagt al lastrend, o, reus aan uw faam,
 En trekt u ’t stof tot zich af.

Door velen bemind en door velen gehaat,
 Was het deel der getrouwen uw lot,
Door velen beladen met hoon en met smaad,
 Dankt menig om U zijnen God.

Gij streedt voor de vrijheid, zooals ze moest zijn,
 Geen juk, maar een geestelijke tucht;
Des haten om strijd u Papist, Libertijn,
 En geven hun helwoede lucht.

O wist gij hoezeer hij de Schriften verstond,
 Wat paarlen hij vond in die zee;
En ze, als Augustijn, tot een krans samenbond,
 Hij droeg uw bewondering meê.

Al dreigend verheft hij de taaf’len der wet,
 Als Mozes, om ’t kwaad te weerstaan;
Hij wijst op den vloek, overtreders gezet,
 Opdat zij dien mochten ontgaan.

Als Paulus verheft hij het kruis van den Heer,
 Den God der genâ kondt hij aan;
Bekommerden biedt hij zoo vriendlijk en teer
 Den troost uit de Heilige Blaân. ➝

|143|

de discipline, die de Kerk zelve te dien aanzien had uit te oefenen, en van de wederinstelling van opzieners uit de gemeenteleden, die daarvoor zouden te zorgen hebben; waarbij in eenige bijzonderheden werd aangewezen, hoe dan, volgens Calvijn, de kerkelijke macht naar de Schrift te gebruiken was, onder contrôle en medewerking van de gemeente zelve. En ten slotte werd de vraag behandeld, bij wie dan, in geval van een mogelijk conflict, het overwicht was te stellen.

Aanstonds na de overdracht van het Rectoraat schreef Dr. H.H. Kuyper in het eerstvolgend nummer van De Heraut (no. 1504):

,,Al zal de beteekenis van deze rede voor de buitenwereld eerst blijken, wanneer ze, met rijke noten gestoffeerd, het licht ziet, toch mag reeds thans een woord van dank gebracht aan Prof. Rutgers, die ons weer een kostelijke bijdrage leverde om de


➝ Hij was niet gestreng voor een ander alleen,
 Maar bond ook zichzelven aan tucht,
En dreef met het tweesnijdend zwaard er doorheen,
 Waar afval of zwakheid hij ducht.

Hij kende geen roem dan in ’t kruis van den Heer,
 Daarin stond alleen zijne kracht;
Zoo was hij der wereld gekruisigd, wier eer,
 Wier schittring en glans hij veracht.

Zoo stond hij, de held, als gegoten in staal,
 Gepantserd van ’t hoofd tot den voet;
Doch ’t hart is niet koud en beweegloos als staal,
 Maar tintelt van geestdrift en gloed.

Hij stond als de rotsen der Alpen zoo pal,
 Voor ’t Woord, meer dan ’t leven hem waard;
Als d’ Alpen verhief hij zijn kruin boven al
 Wat zich in de diepte om hem schaart.

Op reuzen te vitten, doen dwergen zoo graag;
 Kom, wereld der kleinen, aan ’t werk!
Vermaak u aan hem, zoo ’t uw dwaasheid behaag’,
 Toon thans u manmoedig en sterk!

Zijn hart was gewislijk geen Alpenroosgaard,
 Toch diep, o Genève als uw meer,
Waar d’ Alpen als torens omheen staan geschaard,
 Hoe blikt de Mont Blanc er in neêr!

Geen marmer, geen erts moog verbreiden uw faam,
 Vermeldend uw grafschrift, Kalvijn,
Elk hart, dat nog klopt voor den roem van Gods Naam,
 Zal u ten gedenkteeken zijn! —

|144|

beginselen van Calvijn beter te verstaan. Indien iemand Calvijn’s leven en werken, daden en beginselen kent, dan is het wel de nestor onzer hoogeschool, die aan de bestudeering van Calvijn’s leven schier heel een leven heeft gewijd. Al wat hij uit den rijken schat zijner kennis van Calvijn meedeelt, heeft reeds daarom groote waarde. Maar niet minder, omdat Prof. Rutgers wel dit met Calvijn in bijzondere mate gemeen heeft, dat, gelijk Stähelin als een der grootste verdiensten van onzen Reformator roemt, zijn denken zoo logisch is. Prof. Rutgers heelt niet alleen aphoristisch enkele uitspraken van Calvijn over de rechten en plichten der gemeenteleden naast elkander gesteld, maar in streng logisch betoog doen gevoelen, hoe dit alles bij Calvijn voortkwam uit één beginsel, de opvatting die Calvijn aan Gods Woord ontleende over karakter en wezen der Kerk. Dat daarbij telkens gewezen werd op de antithese met Rome, Luther en de Wederdoopers, diende niet weinig om de opvatting van Calvijn in hare juistheid nog meer te doen waardeeren. Terwijl ten slotte volkomen terecht door Prof. Rutgers gewaarschuwd werd tegen een eenzijdige en daarom onjuiste opvatting van de rechten der gemeenteleden, gelijk die bij de Independenten en de voorstanders van het Collegiale stelsel gevonden wordt. Al liet het bestek eener rectorale oratie niet toe, dat alle moeilijkheden, waarvoor het hier aangeroerde probleem ons in de practijk plaatst, werden opgelost, toch was het goed, dat Prof. Rutgers de eenvoudige en toch zoo krachtig doorwerkende beginselen van Calvijn op dit punt eens helder in het licht stelde; gevoelen deed hoe uitnemend deze beginselen zijn voor het kerkelijk leven, en het daarbij niet ontbreken liet aan bakens in zee, waar van een al te „democratische” strooming gevaar dreigde. Een zoo klare en heldere uiteenzetting van Calvijns beginselen op dit belangrijke punt van het kerkrecht heeft niet alleen als historische studie waarde, maar geeft tegelijk uitnemende lessen voor het heden. Niet, alsof met Calvijn het laatste woord zou gesproken zijn of Calvijn voor ons als onfeilbare autoriteit gelden zou, maar omdat Calvijn zuiverder dan een der andere Reformatoren hier de beginselen van Gods Woord weer aan het licht gebracht heeft en op dat fundament ook in onzen tijd moet worden voortgebouwd.”

Het duurde tot Januari van het volgend jaar, eer deze rede het licht zag.

Toen kwam Dr. Geesink er in de „Leestafel” van De Heraut (no. 1515) nog eens op terug, en gaf er dit breede overzicht van:

„De jongste rectorale oratie van onzen Oud-Meester op het

|145|

gebied van de Kerkhistorie en het gereformeerde Kerkrecht ligt thans in druk voor ons.
Is deze oratie reeds, terstond nadat zij gehouden was, in ons blad kortelijk besproken, wij meenen geen overbodig werk te doen, nu zij in het licht verscheen, er nog eens door breeder bespreking de aandacht op te vestigen.
Na een inleiding, waarin Prof. Rutgers de groote plannen van het Comité te Genève om Calvijns geboortedag — 10 Juli 1509, — in 1909 feestelijk te herdenken en dan een monument, met het standbeeld van Calvijn als den hoofdpersoon te onthullen, zóó onderhanden neemt, dat nu wel geen Calvinist er meer aan zal denken de verwezenlijking dier plannen te bevorderen, komt hij tot zijn onderwerp.
Uit twee geschriften van den Reformator: zijn in 1535 van de pers gekomen Institutie en het, wel op naam van Farel staande maar door hem opgestelde vertoog aan de Overheid van Genève uit 1536, wordt dan de beteekenis der gemeenteleden als zoodanig, in het licht gesteld.
In 1536 trad Calvijn openlijk voor de Reformatie op, en het is zeker merkwaardig hoe de toen zes-en-twintig jarige ook op dit stuk niet slechts in het eerste zijner bovengenoemde geschriften, een program van beginselen, maar in het tweede ook een program van actie ontwierp.
Welke die beginselen zijn en hoe zij op het leven moeten toegepast, wordt dan verder in kort bestek, maar met een helderheid welke die van Calvijn zelf evenaart, uiteengezet.
Maken volgens Calvijn de gemeenteleden de kerk uit, zoodat deze door hen wordt gevormd en uit hen bestaat, uit dit beginsel volgt, dat hij aan hen veel hoogere beteekenis toekent, dan krachtens het roomsche, anabaptische en luthersche kerkbegrip wordt gedaan. Maar, al wordt volgens hem de kerk door de leden der gemeente gevormd, toch heeft zij niet uit hen, maar uit God haar oorsprong. Zij, de kerk, is vrucht der verkiezing; het vol getal der uitverkorenen; niet een product van menschelijk willen, maar een schepping Gods. „Daarom kan er bij Calvijn dan ook geen sprake van zijn, dat het in de kerk gaan zou als in eene door menschen opgerichte vereeniging”.
Hoe hooge beteekenis Calvijn ook toekent aan de gemeenteleden als zoodanig, hun vrijheid is gebonden aan het Woord van Christus hun Koning, en het is een dwaling wanneer Calvijn wordt voorgesteld als „de man van het individualisme”.
Verder wordt er door Rutgers op gewezen hoe Calvijn,

|146|

waar hij zulk een hooge beteekenis toekent aan de Kerkleden, krachtens zijn onderscheiding van de eene kerk „voorzoover zij onzichtbaar” en „voorzoover zij zichtbaar” is, die beteekenis geheel afhankelijk stelt „objectief van hun al of niet door God verkoren zijn en subjectief van hun al of niet geloovig zijn”, en hoe van dit laatste „het eerste kenmerk is de belijdenis des geloofs”. De beteekenis der gemeenteleden is bij Calvijn alzoo verbonden aan hun qualiteit van geloovigen.
Zoo in dit als het voorafgaande deel van de rede wordt dan telkens uit het historisch document aangetoond, hoe Calvijn bij zijne komst te Genève naar deze beginselen ook heeft gehandeld.
Lezenswaardig is daarbij, wat de rede ons op pag. 17 omtrent Calvijns gevoelen over het „geloof der kinderen” te lezen geeft. Vervolgens wijst Rutgers aan, hoe Calvijn waar hij de beteekenis der gemeenteleden aan hun qualiteit van geloovigen bond, ook moest eischen, dat dit kenmerk bewaard bleef en bevestigd werd door het tweede kenmerk: een christelijken levenswandel. Metterdaad hèèft Calvijn dit dan ook geëischt, en hij zag in, dat daarbij noodig was een „toezicht, dat met tucht gepaard ging en, waar deze niet baatte, ook met excommunicatie”. En zulk een toezicht moest dan uitgaan niet van de overheid, maar van de kerk zelve, en wel door opzieners, die uit de gemeente aan de Dienaars des Woords worden toegevoegd. En ook naar dit beginsel heeft Calvijn bij zijn komst te Genève gehandeld. In zijn vertoog aan de Overheid stond de invoering van de kerkelijke discipline op den voorgrond.
Bij deze macht der kerk, die haar als vergadering der geloovigen toekomt, doet Rutgers de beteekenis der gemeenteleden, volgens Calvijn, nog nader uitkomen.
Calvijn was, zooals hier geestig wordt gezegd, op dit stuk evenzoo „anti-clericaal” als „anti-revolutionair”.
Was hij gekant tegen de roomsche theorie, volgens welke de kerkelijke macht geheel en uitsluitend berustte bij de hiërarchie, niet minder was hij dit tegen de theorie van een aantal hervormingsgezinden, „volgens welke juist de kerkdienaren geenerlei macht hadden, maar over alle discipline, en daarmede tevens over alle kerkelijke inrichting en regeering, steeds moest gehandeld en beslist worden door de gezamenlijke gemeenteleden”; een theorie, later door de „Independenten” tot stelsel gemaakt.
Volgens Calvijn toch „berust de kerkelijke macht, die in dienst van den Koning der kerk te gebruiken is, en die geconcentreerd

|147|

is in de macht tot excommunicatie, bij de kerk zelve, d.i. bij de geloovigen die haar samenstellen”.
Maar die macht wordt niet uitgeoefend door allen gezamenlijk; want door Christus zelven zijn daarvoor kerkelijke diensten ingesteld, die in zijnen naam en volgens zijne opdracht zijn te vervullen”. En tot die kerkelijke diensten behoorde dan de dienst der opzieners. „Van opzieners, die niet tevens tot den dienst des Woords zouden geroepen zijn, maar die uit de leden der gemeente gekozen, naast en met de Dienaren des Woords, opzicht en tucht zouden oefenen”.
Hier wordt niet verzuimd er op te wijzen èn hoe men zich van een niet juiste terminologie bedient wanneer men zegt, dal Calvijn met deze „opzieners” of „ouderlingen” het „leeken”element in de regeering der kerk heeft ingevoerd, èn hoe ook de uitdrukking „regeerouderlingen” min gewenscht is.
Met enkele historische bijzonderheden over de instelling van ouderlingen te Genève; over de approbatie ook van het volk bij de keuze der kerkedienaren; over de medewerking der gemeenteleden bij de kerkelijke discipline — wordt dit deel van de rede besloten.
Op het einde wordt dan nog de vraag aan de orde gesteld, „hoe het in de kerk moet gaan wanneer over het gebruik van de macht soms een ernstig verschil komt.”
In het stelsel van Calvijn kan daarop slechts één antwoord mogelijk zijn: De kerk is geen republiek, maar een absolute monarchie. Christus is de Koning. Aan het woord van den Koning zijn allen gebonden. Alleen waar de kerkedienaren in hiërarchisch streven, of de gemeenteleden in revolutionair individualisme het Woord ter zijde stellen, is ernstige botsing mogelijk. En dan moet het overwicht zijn bij wie aan hun Koning getrouw zijn.
Met deze zijn jongste rectorale oratie heeft onze groote leeraar van het gereformeerde kerkrecht een werk èn voor de school èn voor het leven gegeven.
De theologen zullen er hun kennis van het kerkrecht, „dat onze kerken inzonderheid van Calvijn hebben geleerd”, op menig punt door zien verhelderd, en door de breede aanteekeningen die Prof. Rutgers er op pag. 32-68 met zijn bekende akribie aan heeft toegevoegd, op menig punt zien verrijkt.
Maar ook gemeenteleden, die geen theologen zijn, zullen door deze oratie in de kennis hunner kerkelijke rechten worden voorgelicht, worden verrijkt.
In de gereformeerde kerken, „voor wier bouw en inrichting

|148|

bij de grondlijnen zoo duidelijk in het licht heeft gesteld”, bezit Calvijn, ook in ons vaderland, een monument van rijker beteekenis dan dat, hetwelk men in Genève wil oprichten.
Dat dit hem passend en, als hij zelf nog eens kon gehoord, zeker ook wèlgevallig monument, ten onzent „in zijn stijl onderhouden bleef”, daartoe heeft Prof. Rutgers èn als academisch docent èn als synodaal adviseur èn als de vraagbaak in kerkrechterlijke zaken èn ook nu weer door zijn oratie, in de kracht van zijn God, het zijne gedaan.
Niet alleen zijn leerlingen in enger of ruimer zin, maar alle meelevende gemeenteleden onzer gereformeerde kerken gevoelen, dat zij hierin „iets ontvangen hebben” in Dr. Rutgers; zij eeren hem, omdat zij in dezen man „iets terugvinden van hun eigen leven en streven”.
God late hem ons nog lang en sterke hem in deze zijne kracht”.

 

Als Hoogleeraar in het Kerkrecht was Professor Rutgers ook steeds de vraagbaak, tot wien men zich wendde om advies in kerkelijke moeilijkheden.

Hoeveel predikanten en ouderlingen zijn in den loop der jaren den stoep van dat deftige huis op de Keizersgracht opgegaan, om aan dat welbekende adres raad in te winnen bij den man, van wien men zei: „al wat kerkrecht heet, is in zijn hoofd gevaren”. Van David in de spelonk van Adullam staat geschreven: „En tot hem vergaderde alle man, die benauwd was, en alle man, die een schuldeischer had, en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was (1 Samuel 22: 2)”. Welnu, het was met zinspeling op deze Schriftwoorden, dat Ds. H.W. van Loon, bij gelegenheid van den 70sten verjaardag van Professor Rutgers, namens een Commissie van Gereformeerde vrienden, den jubilaris op zijn studeerkamer gelukwenschende, o.m. zeide: „En als de wanden van deze opperkamer eens konden spreken, zij zouden ons de spelonk van Adullam voor den geest brengen, waar zoo menig man, die benauwd was. vriendelijk werd ontvangen, en van waar niemand, die Sions nood op het hart droeg, om haar van zondige banden te verlossen, ongetroost wegging”. 1)

En zonder overdrijving mocht de jubilaris daarop antwoorden, dat het hem immer een vreugde was geweest om hen die zich tot hem wendden in kerkelijke zaken, met zijn hulp te kunnen bijstaan. Inderdaad, met zeldzame bereidvaardigheid en vriendelijkheid stelde hij den bezoeker dan in de gelegenheid om uit te


1) Zie De Standaard, 27 November 1906, onder „Stadsnieuws”.

|149|

spreken wat deze op zijn hart had. En nooit was zijn tijd hem te kostbaar om zelfs in kleine en schijnbaar nietige dingen raad te geven. Geen twistgeding in onze gemeente, geen casus conscientiae in huwelijkszaken, geen lastig tuchtgeval, geen moeilijkheid bij samensmeltingsprocessen van A en B, of men mocht hem de zaak voorleggen. En hoe moeilijk en verward de kwestie ook was, nooit maakte hij er zich met een Jantje van Leiden af, maar steeds ontving men van hem een klaar, belijnd en afdoend antwoord, principieel en toch voorzichtig, ondubbelzinnig en toch weloverwogen. En de gedachtenwisseling, aldus mondeling begonnen, werd dan vaak nog schriftelijk voortgezet in breedvoerige correspondentie over en weer.

Toch waren het betrekkelijk maar weinigen, die bij Professor Rutgers aan huis om advies aanklopten. Meestal deed men het alleen per post. Rusteloos overstelpten particulieren en corporaties hem met brieven, waarin zijn voorlichting gevraagd werd in allerlei kerkrechtelijke kwesties. En er zal wel haast geen Gereformeerd predikant en geen Gereformeerde Kerk in Nederland zijn, die niet één- of meermalen aan dezen beproefden canonist geschreven heeft om advies. Elke postbestelling vulde zijn brievenbus, zoodat er op zijn schrijftafel geregeld een heel stapeltje brieven lagen, die dan doorgaans binnen enkele dagen beantwoord werden, ook zelfs, wanneer de vrager vergeten had een postzegel voor antwoord in te sluiten.

Legio is het aantal adviezen, die Professor Rutgers op deze wijze in de meest verscheidene kerkelijke kwesties aan plaatselijke kerken en aan kerkelijke vergaderingen van Classes en Synoden, aan zendingscomité's en andere corporaties, of aan particuliere personen, met de grootste bereidwilligheid en belangeloosheid, heeft verstrekt. En dan niet met een vluchtig woord op een correspondentiekaart neergeschreven, maar uitvoerig en met redenen omkleed in brieven van vier of ook wel acht bladzijden.

Deze epistolaire arbeid van Professor Rutgers maakte dan ook een groot en belangrijk deel van zijn levenswerk uit. De waarde van dezen brievenschat zal echter dan eerst bepaald kunnen worden, wanneer zijn zoon, Dr. H.C. Rutgers, geslaagd zal zijn in de uitvoering van het door hem ontworpen plan, om al deze, tot dusverre in kerkelijke en particuliere archieven verspreid liggende adviezen, te bundelen en uit te geven.

Intusschen volge hier alvast zulk een advies, door schrijver dezes ontvangen als antwoord op een vraag inzake moeilijkheden bij de kerkeraadsverkiezing op zijn eerste standplaats Garijp.

|150|

AMSTERDAM, 20 Nov. ’03.

Amice,

Het schijnt, dat er in uwe gemeente bij sommigen een zonderling misverstand is, waardoor zij denken, dat „opgeven van namen” hetzelfde zijn zou als „stemmen”, en een „groslijst” hetzelfde zijn zou als een „dubbeltal”.
Toch hebben die onderscheiden woorden natuurlijk hun onderscheiden beteekenis; en men gebruikt ze juist, om reeds daarmede het verschil aan te geven.
Een „groslijst” is (gelijk het woord „gros” reeds aangeeft) eene lijst, waarop alle namen gezet worden van personen, die voor eene later te houden stemming in aanmerking kunnen komen, zoodat dan die latere stemming ook gebonden is aan de namen van die groslijst. Natuurlijk is het maken van zulk eene groslijst op zichzelf nimmer noodig. B.v. bij eene verkiezing van ouderlingen en diakenen kan de kerkeraad ook wel een dubbelgetal maken zonder groslijst; en dus zóó, dat bij de stemming voor dit dubbeltal alle mansleden der gemeente in aanmerking kunnen komen. Maar doorgaans maakt men eerst een groslijst, teneinde de stemming niet al te veel over vele namen uiteen te doen loopen, en dus ten einde ze te bekorten; — voorts ook, teneinde de personen, op wie de aandacht valt, eerst nog eens (vóór de stemming voor het dubbeltal) confidentieel in den kerkeraad te kunnen bespreken; — en eindelijk, teneinde allen gemeenteleden gelegenheid te geven, op personen de aandacht des kerkeraads te vestigen, aan welke de kerkeraad soms niet gedacht zou hebben (’t geen vooral in grootere gemeenten licht het geval is), terwijl de kerkeraad dan bovendien ook ziet, welke personen door gemeenteleden geschikt geacht worden, waarmede hij dan, voorzooveel noodig en mogelijk, kan rekening houden; altijd met dien verstande, dat de samenstelling van het dubbelgetal, volgens de K.O. en naar Gereformeerde opvatting, steeds blijft voor de verantwoordelijkheid van den kerkeraad zelven (niet voor die van opgevende gemeenteleden, want de kerkeraad is vrij daarmede naar zijn beste inzicht en naar zijn conscientie te handelen).
De opgave voor een groslijst is dus volstrekt geen „stemming”, zoodat degenen, die door de meeste gemeenteleden zijn opgegeven, reeds daardoor op het dubbelgetal zouden moeten staan. Dan toch zou het dubbelgetal niet meer door den kerkeraad gemaakt worden, maar door de gemeenteleden; en de kerkeraad, wel verre van daarbij, naar zijne goddelijke roeping, eenige leiding te hebben, zou dan (geheel naar het stelsel der Independenten, die van geen eigenlijke ambten willen weten, tenzij dan om den wil van de meerderheid der leden van het genootschap eenvoudig te constateeren en uit te voeren) slechts dienst doen als bureau om de stemming te registreeren; dus m.a.w. de revolutionaire volkssouvereiniteit in de Kerk. Natuurlijk moet een Gereformeerde kerkeraad zeer zeker met de wenschen der gemeenteleden rekenen; maar niet om zich van te voren en blindelings daaraan te onderwerpen; te minder omdat bij opgeven van een groslijst doorgaans niet alle gemeenteleden opgaven komen inbrengen; en men daaruit alleen dus den wensch der gemeente nog niet geheel kent, en voorts omdat bij zulke opgaven bespreking en voorlichting ook niet kan voorafgaan.
Hier in Amsterdam ziet men dat alles goed in, en geschiedt de opgave voor de groslijst dan ook volstrekt niet op de manier van een stemming, terwijl zij ook nooit zóó genoemd wordt. Misschien is er in dit een en ander wel eens iets bij u geschiedt, dat sommige menschen in de war kon brengen, en dat dan voortaan beter vermeden worde.
Uit de groslijst (samengesteld uit alle opgaven, natuurlijk ook die van de kerkeraadsleden zelven) moet dus de kerkeraad een dubbelgetal maken, door

|151|

vrije stemming, waarbij ieder kerkeraadslid zijn eigen verantwoordelijkheid voele, en dus stemme naar zijn eigen conscientie, niet naar die van anderen; terwijl voorts over personen een schriftelijke en geheime stemming altijd gewenscht is. — Wees met al uw werk Gode bevolen, van

t.t.

F.L. RUTGERS.

Dergelijke adviezen schreef Professor Rutgers telkens en telkens weer aan verschillende personen of kerken. Waren echter de vragen te veelomvattend om aan een aantal correspondenten afzonderlijk beantwoord te worden, dan deed hij hun allen wel eens een gemeenschappelijk antwoord toekomen door de tusschenkomst van De Heraut. Zoo lezen we in het nr. van 26. Februari 1893 een schrijven van zijn hand, voorafgegaan van de volgende inleiding:

Aan de Redactie van De Heraut.

Van onderscheidene zijden word ik telkens aangezocht, eenig advies te geven over de vraag:
„of ook de „doopleden” als zoodanig, d.i. zonder tot geloofsbelijdenis enz. te zijn gekomen, objecten zijn te achten van de kerkelijke tucht, bepaaldelijk van censuur en ban; en zoo ja, in hoeverre en op wat wijze de kerkelijke tucht op de zoodanigen zou moeten toegepast worden”.
Ter volledige beantwoording van die vraag, met de noodige dogmatische, historische en kerkrechtelijke toelichting, zou zeker een boekje noodig zijn. Maar al trekt men de grenzen ook veel nauwer, een eenigszins gemotiveerd antwoord is toch niet met enkele regels af te doen. En omdat het wel niet aangaat, telkens een zeer langen brief te schrijven, kom ik u verzoeken, uw antwoord, dat ik voor eenigen tijd gaf, in uwe kolommen te willen opnemen. Daarheen kan ik dan verder de vragers verwijzen.

Op deze wijze verrijkte Professor Rutgers De Heraut meermalen met zijn hooggewaardeerde kerkrechtelijke bijdragen. Ook schreef hij tijdens de ongesteldheid van den Hoofdredacteur in 1894 en ’95 tijdelijk de leaders van kerkrechtelijken aard.

Een volledige opsomming van al zijn artikelen in De Heraut kunnen we niet geven. De voornaamste echter zijn:
1. Doopleden; nrs. 792 en 799.
2. Doop van kinderen, die de eerste kindsheid reeds ontwassen zijn; nr. 882.
3. De verplichting tot het helpen van vacante kerken; nr. 883.
4. Kerkelijke Deputaten (I-IX); nrs. 884, 885, 887, 888, 890-893, 896. 1)
5. De verplichting van vacante Kerken tot aanvaarding van de hulp der classen; nr. 889.


1) Op een proefschrift over ditzelfde onderwerp promoveerde zijn zoon, Dr. H.C. Rutgers, in 1910.

|152|

6. De bepaling van den diensttijd der ouderlingen historisch eenigszins toegelicht (I-IV); nrs. 944-946, 948.

Dat zulke opstellen van Professor Rutgers geen alledaagsche lectuur waren voor de gewone lezers van De Heraut, achtte de Hoofdredacteur geen bezwaar. Integendeel, naar aanleiding van de artikelenreeks over Kerkelijke Deputaten schreef Dr. Kuyper (nr. 893):

„Al stemmen we toe, dat ze voor menig eenvoudige in den lande wel wat zwaar waren, toch vat ook de eenvoudige wel, dat een blad als De Heraut niet voor hem alleen is.
Immers behalve die eenvoudige zijn er ook meer nadenkende leden in onze Gereformeerde Kerken, wien zulk een onderwerp wel ter dege interesseert; en wat men vooral niet vergete, er zijn een drie à vier duizend ouderlingen, die op allerlei kerkelijke vergaderingen geroepen worden, om in zulke aangelegenheden advies te geven, en te handelen, en het mag betwijfeld, of deze drie à vier duizend man, zonder de voorlichting van Dr. Rutgers, nu wel zoo precies van de beteekenis, de roeping en het karakter van een kerkelijk Deputaat op de hoogte zouden geweest zijn, als ze dit thans zijn kunnen.
Schrijver dezes althans, die nu op dit terrein nog niet eens tot de meest achterlijken behoort, heeft uit deze stukken zooveel bijzonderheden geleerd, en meer dan één predikant zelfs heeft deze opstellen als zoo leerzaam geprezen, dat we het een verlies voor onze Kerken zouden achten, indien Prof. Rutgers, denkende dat de hoofdredacteur het nu wel weer alleen af kan, 1) te spoedig, te vroeg, den tap toedeed, en deze kerkrechtelijke beekskens niet meer liet vloeien.”

Maar ook al vloeiden die kerkrechtelijke beekskens in De Heraut slechts bij druppeltjes, toch verplichtte deze Hoogleeraar in het Kerkrecht de kerken telkens weer aan zich door zijn tegenwoordigheid als adviseerend lid op onze Generale Synodes. Mocht een ander Hoogleeraar het bijwonen van zulk een eerwaarde vergadering wel eens beschouwen als een corvee, Professor Rutgers was daar geheel in zijn element en in zijn kracht. Zijn ordenende geest, zoo bizonder op het formeele aangelegd, leefde geheel in het agendum in. En altijd op dezelfde plaats, in dezelfde houding gezeten, was hij steeds vaardig tot het geven van zijn hooggewaardeerde adviezen. Zóó was hij daar de adviseur bij uitnemendheid, de ziel der vergadering. „Gelijk een trouwe


1) Dr Kuyper was nu weer hersteld.

|153|

geneesheer voor de gezondheid van zijne patiënten, waakte hij er voor, dat geen ding besloten werd, dat de Gereformeerde kerkelijke gezondheid van onze voornaamste en eerwaardste vergadering zou kunnen schaden. Als hij met zijn kerkrechtelijke microscoop ongeïnformeerde bacteriën had ontdekt, dan maakte hij er een cultuur van zoo groot, dat ook het eenvoudigste lid ze zag en er voor begon te vreezen.” (W.H. Gispen Jr.). En zóó logisch was steeds zijn betoogtrant en zóó glashelder zijn voorstelling, dat men hem wel volgen moest. Jarenlang, en vooral nadat Prof. A. Kuyper tot een anderen staat des levens was overgegaan, dreef de Synode dan ook schier uitsluitend op de voorlichting van Prof. Rutgers, en gaf ze zich vol vertrouwen als vanzelf aan zijn leiding over. En het is wel meest aan zijn wijsheid en voorzichtigheid te danken geweest, als ze meermalen bewaard werd voor verkeerde stappen en bleef in het goede Gereformeerde spoor. Menigvuldig zijn ook de rapporten door hem opgesteld en uitgebracht ter Synodale vergadering. En niet het minst om die rapporten van zijn hand zijn de Acta onzer Generale Synodes een rijke kennisbron van Gereformeerd Kerkrecht. 1)

Met name ook voor het missionaire recht heeft Professor Rutgers de zuivere lijnen getrokken, in aansluiting aan „de Zendingsleer van Gisbertus Voetius”. 2) En vooral aan de Zending der Gereformeerde Kerk te Amsterdam liet hij zich alles gelegen liggen. 3) Zelfs


1) Bekend zijn vooral het „Doopleden-advies” (1896) en het rapport ter uitvoering van art. 13 K.O. (1905). Zie voor liet laatste ook een brief van Professor Rutgers, gepubliceerd in Friesch Kerkblad van 30 Maart 1917, en: Oude en Nieuwe Koers, door Ds. H.C. van den Brink. Ter verbetering van de predikantstractementen werd in 1909 aan alle Kerkeraden der Gereform. Kerken in Nederland een circulaire toegezonden, eveneens opgesteld door Prof. Rutgers.
2) Op een proefschrift over dit onderwerp promoveerde in 1912 Dr. H.A. van Andel, dienaar des Woords van de Gercf. Kerk te Amsterdam voor den missionairen dienst te Solo. Deze huwde met de oudste dochter van Prof. Rutgers, die jaren lang te Djocjacarta den dienst in het Petronella-Hospitaal had waargenomen. Zijn tweede dochter huwde met Dr. B.J. Esser, dienaar des Woords van de Geref. Kerk te Rotterdam voor den missionairen dienst te Poerbolingo. Deze promoveerde in 1905 op een dissertatie over: Zending en Polygamie. Zijn groote liefde voor de zending toonde Professor Rutgers wel allermeest door zijn toestemming tot deze huwelijken, waarmee hij twee zijner dochters voor Indië afstond. Ook zijn zoon, de heer A.A.L. Rutgers, gehuwd met de dochter van den Gouverneur-Generaal Idenburg, vertrok naar Indië, waar hij een eervolle aanstelling kreeg aan den Botanischen tuin te Buitenzorg. Verder zij er in dit verband nog op gewezen, dat Prof. Rutgers ook zitting had in de Commissie voor het examen van de adspiranten ter toelating tot de Indische studie.
3) Zooals blijkt uit zijn vele adviezen aan deze zendende kerk, zie o.a. zijn ➝

|154|

achtte hij het niet beneden zich om tot in de kleinste details dit Zendingswerk te steunen. Zoo was hij van den beginne aan de raadsman der Vereeniging „Dr. Scheurers Hospitaal” en van het Damescomité, dat zich wijdt aan de verzorging van de Christelijke School voor meisjes uit den Javaanschen adelstand te Djogja. Mede door zijn toedoen liepen ook deze hulpdiensten der Zending in het goede spoor. Kortom, er was geen kwestie, of men kwam bij hem om raad. En dankbaar voor zijn beproefde adviezen bood het Bestuur van „Scheurers Hospitaal” hem op zijn 70sten verjaardag de jaarverslagen der Vereeniging op Oud-Hollandsch papier met Oud-Hollandsche letters in een perkamenten portefeuille aan, versierd met Indische motieven, het Indische wapen, en den welgekozen tekst: „Elke gedachte wordt door raad bevestigd” (Spreuken 20: 18).

___


➝ „advies inzake de toelating tot het Heilig Avondmaal te Djokjakarta, wanneer die voor eenmaal gevraagd wordt door iemand die er tijdelijk vertoeft”. Dit advies is opgenomen in de Acta der Generale Synode, gehouden te Amsterdam, 1908.

 

Rullmann, J.C. (1918) HIV.6

6. Als Reformateur.

Door de studie van de Kerkgeschiedenis en van het Kerkrecht was Dr. Rutgers reeds in den loop zijner predikantsbediening hoe langer hoe meer overtuigd geworden van de noodzakelijkheid om in een Gereformeerde Kerk de Gereformeerde Belijdenis ook metterdaad te handhaven, en tevens van de onmogelijkheid om zulks te doen onder de werking van het Algemeen Reglement, dat in 1816 door Koning Willem I aan de Gereformeerde Kerken was opgelegd. 1) Wel maakte zijn Hervormingspreek uit het jaar 1868 nog in geenen deele den indruk, dat zijn ziel ook maar eenigermate beroerd werd door den strijd voor Kerkherstel, dien mannen als Groen van Prinsterer en Esser destijds reeds voerden, 2)


1) Zie: Enkele gegevens uit het leven van Prof. Rutgers, door Mevrouw J.C. van Andel-Rutgers, 23 Maart 1917. Kerkblad van Ned. Oost-Indië.
2) Zie blz. 36. Aan zijn vader, Prof. A. Rutgers, schreef Groen op 19 December 1869 nog een briefje, dat aldus begon: „Waarde Vriend! Gij weet wel, hoe groote waarde ik steeds aan Uw oordeel gehecht heb. Zoo gaarne zou ik nu vertrouwelijk Uwe meening weten over den eisch van opheffing der Besluiten van 1816 en 1852.”
Mr. V.H. Rutgers was zoo vriendelijk mij een afschrift van dit briefje te doen toekomen. Het antwoord, gedateerd 21 December 1869, vindt men op het Rijksarchief, onder de nagelaten papieren van Mr. Groen van Prinsterer, waar 21 brieven van Prof. A. Rutgers aan Groen berusten.

|155|

maar nauwelijks was in 1877 De Heraut opgericht, of daar keerde nu ook Dr. Rutgers, in zijn artikelenreeks over „de aanneming tot lidmaat in Gereformeerden zin”, zich tegen de kerkelijke organisatie van 1816, met een opwekking tot „vernieuwde reformatie”. 1) Een jaar later schreef Dr. Kuyper in De Heraut (no. 51):

„Er zijn maar twee punten in het Synodaal geheel, waarbij aanvatten met kans op slagen denkbaar is, t.w. òf van onderen bij het erkennen als lidmaten van uw plaatselijke gemeente, òf van boven bij de Synodale autoriteit.
Indien een gemeente, of ook meerdere gemeenten, het aandorsten, om in eigen kring geen lidmaten aan te nemen en van buiten geen lidmaten te laten inkomen, dan die belijden wat de kerk belijdt, en onder hen die er in zijn onder tucht te brengen al wie openlijk de belijdenis der kerk weerspreekt, redde zich de toestand vanzelf.
En zoo ook, indien een gemeente of ook meerdere gemeenten, den moed hadden aan de Synode een scheidsbrief te zenden, zou eveneens de weg tot gezondwording betreden zijn”.

En nu koos weldra de Gereformeerde Commissie van Advies 2) Dr. Rutgers tot haar voorzitter, onder wiens leiding in 1879 het voorstel tot organisatie van het verzet tegen den Synodalen gewetensdwang tot stand kwam, en van wiens hand in 1880 de meesterlijke Memorie in zake de Aannemingsquaestie verscheen.

Zonneklaar toonde hij daarin aan, dat de nieuwe bepalingen van de „hoogere besturen” inzake de aanneming, lijnrecht indruischten tegen de gebiedende voorschriften van Gods Woord. En met herhaalde verwijzing naar Voetius’ Politica Ecclesiastica adviseerde hij nu tot trouw aan Gods Woord en tot verzet tegen de Synodale voorschriften. De te verwachten tegenwerpingen: Dat is revolutie! of: Dat is reactie! of: Dat is slooping van de oude Hervormde Kerk! ontzenuwde hij bij voorbaat aldus:

Het zou eene slooping zijn van de oude Hervormde kerk! Nu ja; wanneer men geene oudere Hervormde kerk kent, dan het kerkgenootschap van het jaar 1816. Maar wanneer men ook een vroeger bestaan aan haar toekent, en haar bloeitijd vindt, niet in deze eeuw, maar twee en drie eeuwen vroeger, dan is waarlijk niet in te zien, hoe vrijmaking van de in het jaar 1816 aangelegde banden met slooping


1) Zie blz. 59.
2) Over haar en over heel den kerkelijken strijd, die hier verder slechts wordt aangestipt, zie men uitvoeriger mijn twee kerkhistorische werkjes: De strijd voor kerkherstel en De Doleantie.

|156|

kan worden gelijkgesteld. Die Gereformeerd zijn, blijven wel Gereformeerd, ook al verdwijnt de opgelegde organisatie.

En nu moet daarvoor zonder twijfel worden teruggegaan tot vóór het jaar 1816. Maar zou dat reactionair te noemen zijn? Nu ja; met hetzelfde recht, als waarmede ook zoo kan gesproken worden van een wandelaar, die een verkeerd pad is ingeslagen, en die daarna op zijne schreden terugkeert tot het punt waar de afwijking begon, om dan verder voort te gaan op den rechten weg; of wel met hetzelfde recht, als waarmede de Gereformeerde kerk der 16e eeuw, wegens haar terugkeer tot de beginselen der oude kerk, van repristinatie zou te beschuldigen zijn. Daar is een zoogenaamde vooruitgang, waarbij men hoe langer hoe verder achteruitraakt; en daar is een schijnbare teruggang, die in waarheid vooruit brengt.

Maar dan het daarbij aanbevolen verzet! Dat is toch revolutie! Nu ja; maar dan in denzelfden zin, als waarin men handhavers van de orde, die, om eene barricade te forceeren, een bij oproer omgeworpen wagen weer op zijne wielen helpen, deswege revolutionair zou moeten noemen. Dat is zeker eene omkeering van de op dat oogenblik bestaande orde. Maar het is toch inderdaad anti-revolutionair, want het is eene herstelling van de door de revolutie omgekeerde orde. Dat is geheel van toepassing op den strijd, die gevoerd wordt tegen de kerkelijke organisatie van het jaar 1816 in het algemeen. Het is evenzeer van toepassing op den tegenstand tegen de pas ingevoerde bepalingen op de aanneming tot lidmaat. En het geldt ook bepaaldelijk van de wijze, waarop die tegenstand wordt geboden, m.a.w. van de beschouwing, die aan het gansche verzet ten grondslag ligt. Die beschouwing laat zich in korte woorden aldus wel samenvatten: In de Christelijke kerk mogen nooit en nergens kerkelijke belijdenissen en kerkelijke verordeningen ook maar eenigszins worden gelijkgesteld; zij verschillen ontzaglijk veel, zoowel in beteekenis en in waarde, als in kracht en gezag ; en zoo vaak het geval zich voordoet, dat er tusschen beiden moet gekozen worden, dan geldt altijd, dat men zich beslist te houden heeft aan de Formulieren van eenigheid, met verwerping van alle daartegen strijdende reglementaire bepalingen.
Opzieners, die aan hunne roeping getrouw willen zijn, mogen en moeten dus tegen de nieuwe bepalingen op de aanneming zich verzetten, en de Gereformeerde beginselen daarvoor in de plaats stellen, met aanvaarding van al hetgeen er aan die handelwijze verbonden is. Voor hen is de keuze, ter laatster instantie: Gods Woord of de geboden van menschen. En dan kan het ook wel niet onzeker zijn, wat zij hebben te kiezen, en wat inderdaad hunne keuze is en blijft. Zij verklaren dan, met de apostelen onzes Heeren, onbewimpeld en met de meeste beslistheid: „Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen”. En wanneer dan door de kerkelijke machthebbers straf bedreigd wordt, dan is wederom hun antwoord, gelijk door Petrus en Johannes geantwoord werd op de scherpe dreigingen van het Sanhendrin te Jeruzalem: „Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te hooren dan God”.

Reeds had de schorsing van de ouderlingen der gemeente te Dordrecht duidelijk getoond, wat getrouwe opzieners van de „hoogere besturen” te wachten hadden. En ook in dit Dordtsche conflict van 1880 gaf de Gereformeerde Commissie van Advies, en met name Dr. Rutgers, leiding; een leiding, die echter deels

|157|

door de droeve houding van enkele leden der Commissie, deels door de evenzeer te betreuren gedragslijn van de geschorste Dordtsche predikanten, zonder resultaat  bleef. Maar de vele op deze kwestie betrekking hebbende brieven, aan Professor Rutgers gericht en door hem na jaren nog in zijn particulier archief bewaard, getuigen van zijn groot aandeel in dit conflict. 1) Ook schreef hij, in verband met de Dordtsche kwestie, een leader in De Heraut, nr. 119, die aldus eindigde:

Het is nu, voor ieder, één van tweeën: de Christelijke Kerk of het moderne genootschap; de Gereformeerde belijdenis of de Synodale reglementen; Gods Woord of de geboden der menschen.
Kan de keuze voor onze lezers wel onzeker zijn? En zouden zij in Gods kracht ook niet moeds genoeg hebben, om daar openlijk en beslist voor uit te komen?

Daarop volgde in no. 122, nog een opstel over terugkeer der pauselijke tyrannie, met dit slotwoord:

Waarlijk, wel terecht is er in de Gereformeerde kerk, eeuwenlang, bij voortduring gewaarschuwd tegen de instelling van „hoogere besturen!” Wel terecht is er gedurig op gewezen, dat „hoogere bestuursleden”, omdat het toch ook menschen en geen engelen zijn, zoo licht weer zouden treden in het spoor der Roomsche hiërarchie! En wel terecht wordt er bij toeneming op aangedrongen, dat de organisatie van het jaar 1816, met haar ganschen nasleep van pausjes, kardinaaltjes en bisschopjes, nu toch eindelijk eens plaats make voor een kerkvorm die beter overeenkomt met de op Gods Woord gegronde Gereformeerde beginselen!

Meer reformatorischen moed dan de Gereformeerde Commissie van Advies betoonden de Vrienden der Waarheid, in wier Hoofdbestuur sinds 1879 ook Dr. Rutgers zitting had. 2) Uit deze nachtschool, zoo erkende hij later op zijn 70sten verjaardag, 3) kwamen de mannen, die gevoel hadden voor den nood der Kerk en mede wilden werken om haar uit haar banden te verlossen. In andere landen — Doumergue herinnerde er aan — zag men de breuk der Kerk wel, maar moesten de predikanten alleen het werk doen; in de gemeenten was geen meeleven. In Nederland echter stond het er anders voor. Hier was het juist met behulp


1) Over allerlei bizonderheden hieromtrent vroeg ik Professor Rutgers in December 1913 om inlichtingen bij de bewerking van mijn: Strijd voor kerkherstel. Met zijn bekende welwillendheid heeft hij toen in zijn zeer groote collectie van brieven en stukken naar eenig materiaal uit dien tijd en over die zaak gezocht, en mij wat hij vond gemeld in een brief van 8 zijdjes. Ik verwerkte dit in genoemd boek, hfdst. VII, § 10.
2) Zie blz. 86.
3) Zie De Standaard, 27 Nov. 1906.

|158|

van de „Vrienden der Waarheid”, dat de Hervormde Kerk tot reformatie zou komen.

Vooral toch sedert Dr. Rutgers zich de benoeming tot lid van het Hoofdbestuur had laten welgevallen, spelen de jaarverslagen dezer Vereeniging een belangrijke rol in de historie van den strijd voor Kerkherstel. Bizonder was dit het geval, toen op de 29ste Algemeene Vergadering, den 12den April 1882 in het gebouw De Vrede te Amsterdam gehouden, de vraag in behandeling kwam: In hoeverre heeft de genootschappelijke band, die sedert 1816 aan de Nederlandsche Gereformeerde Kerken is opgelegd, voor de bijzondere Kerken, die daarin geplaatst zijn, eene bindende kracht? Tot de inleiding van deze zoo gewichtige vraag hadden zich Professor Rutgers en Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman bereid verklaard, eerstgenoemde om den toestand der Gereformeerde Kerken vóór 1816 te bespreken, laatstgenoemde om te behandelen, wat na dat tijdstip met haar was voorgevallen. En de heldere referaten van deze beide inleiders werden straks door De Heraut in hun geheel uit het Jaarverslag overgenomen en bovendien nog afzonderlijk uitgegeven, waardoor de kennis der Gereformeerde beginselen van Kerkrecht nu almeer onder het volk verspreid werd.

En hoe uitermate practisch Professor Rutgers zijn referaat inrichtte, blijkt wel uit dezen aanloop:

De Vergadering heeft de vraag gehoord. Het Hoofdbestuur heeft haar aan de orde gesteld, niet omdat het voor zichzelf daarop geen antwoord zou weten, ook niet, omdat er geen geschriften uit vroeger of later tijd zijn, waaruit het antwoord genoegzaam valt op te maken; maar omdat men, ook met name in gereformeerde kringen, aan die vraag nog te weinig aandacht wijdt, en omdat, waar het belang er van wordt ingezien, vaak een antwoord gegeven wordt, dat ten eenenmale onjuist is en allerschadelijkst werkt.

Wat het eerste betreft:

Er zijn nog veel rechtzinnigen, die wel belang stellen in de ontwikkeling der waarheid, die degelijke, stichtelijke lectuur beminnen, die veel op hebben met evangelisatie en practische werkzaamheid, maar die zich met kerkrechtelijke vragen niet inlaten. Die laten ze maar over aan de gestudeerden, aan de predikanten; zij achten ze niet practisch voor ’t leven, niet stichtend. Alsof die vragen niet nauw samenhangen met het heil der Kerk, met de leer der waarheid, en met de practijk der godzaligheid! Alsof vorm, inrichting en regeering der Kerk geen grooten invloed uitoefenen op de handhaving van de zuiverheid in leer en leven! Alsof voor den opbouw van het huis wel genoeg is, wanneer maar steenen en kalk worden aangedragen, terwijl men dan naar het bestek niet zou behoeven om te zien, en onverschillig zou mogen zijn voor het ondermijnen der fundamenten! En

|159|

alsof men ook hierin niet Gods Woord had te hooren en te volgen! Onze vaderen voor ruim twee en halve eeuw dachten gansch anders. Hunne uitnemendste leeraren als Junius, Helmichius, Donteclock, Walaeus, van Metren, Trigland, Acronius, e.a., schreven veel over de kerkrechtelijke vragen van die dagen, en wel bepaaldelijk ten behoeve van de gemeente, voor welke hetgeen in het latijn geschreven werd dan al spoedig vertaald werd. En die werken of werkjes hadden toen een groot debiet, zoodat zij blijkbaar veel gelezen werden en de Gemeente dus kennis kreeg van deze dingen.

Wat het tweede betreft:

Waar het belang dezer vraag wel wordt ingezien, zeide ik, wordt vaak een verkeerd antwoord gegeven, inzonderheid door rechtzinnige predikanten. De gewone voorstelling is dan deze: dat de band, in 1816 opgelegd, bindend is voor zoover niet iets geboden wordt, dat rechtstreeks tegen den Woorde Gods ingaat. Dan (zegt men) dan doe ik dat ééne niet. Maar anders houdt men de bestaande organisatie, met al wat daaraan vastkleeft, voor bindend, totdat zij door de Synode en de „hoogere besturen” langs reglementairen weg gewijzigd is. En op zulke wijziging (zoo meent men verder) moet dus met alle kracht worden aangehouden. Men moet zien, in de besturen ten slotte de macht en de meerderheid te verkrijgen.
Ook ik heb mij langen tijd in dien gedachtenkring bewogen, en in Classicale en Provinciale Besturen zitting genomen, met de uitgesproken bedoeling om langs reglementairen weg de Kerken van die besturen te helpen verlossen. Later evenwel ben ik daarvan hoe langer hoe meer teruggekomen, vooral om de volgende redenen; 1°. Het kerkelijk kiesstelsel tot verkiezing van de leden voor de zoogenaamde Hoogere Besturen is zóó ingericht, dat een liberalistische minderheid, al is die ook klein, toch blijft predomineeren en daardoor alle wezenlijke verbetering blijft beletten. 2°. Al kon men de meeste plaatsen in die Besturen met rechtzinnige predikanten bezetten, zou het toch te vreezen zijn, dat velen op het stuk van kerkregeering niet rechtzinnig zouden handelen. Het is dan zoo verleidelijk, die bestuursmacht te handhaven, die men toch in gemoede meent zoo goed te zullen gebruiken. En ook verder bederft dat zitting nemen in allerlei opzicht. Het is op den duur alleen uit te houden door verloochening van beginselen. 3°. Alle verandering in de organisatie der Kerk, te maken door Besturen, die alleen uit kracht van de organisatie van 1816 bestaan, blijft natuurlijk gegrond op een verkeerde basis, en behoudt de grondfout, waaruit dan telkens weer kerkbederf voortvloeit, en 4°. indien de „Besturen” van de basis van 1816 afgingen en het oude kerkverband, met het recht der bijzondere kerken, herstelden, zouden de liberalisten, en dat niet zonder grond, de wettigheid van zoodanige verandering betwisten; die besturen zijn nu eenmaal op een weg, die ten slotte doodloopt.
Daarom juist is het des te meer zaak op het fundament van den genootschap-schappelijken band van 1816 de aandacht te vestigen; en indien blijkt, dat dat fondament niet deugt, dan moet het verlaten worden. Intusschen moet men niet onbesuisd of onnadenkend te werk gaan, of alleen op het zeggen van anderen handelen. Onbezonnen zou het zijn, indien nu maar aanstonds een kerkeraad de „gehoorzaamheid aan de Synode opzei”. Bij afbraak van hetgeen niet kan blijven staan, moet reeds van te voren de opbouw zijn voorbereid; en ook de afbraak zelve eischt overleg, opdat men niet soms onder het puin bedolven worde. En daarom moet de vraag, die ons nu bezighoudt door en in de gemeente met allen ernst onderzocht en overwogen worden.

|160|

Na dezen practischen aanloop formuleerde Professor Rutgers de door hem te beantwoorden vraag aldus: Hoedanig was het kerkverband van de Nederlandsche Gereformeerde Kerken toen de organisatie van 1816 haar werd opgelegd?

Het antwoord op deze vraag is ons reeds bekend uit de rectorale oratie over het Kerkverband, die Professor Rutgers in October d.a.v. hield, 1) en waaruit we hier nu alleen nog een bladzijde overnemen, die getuigt van zijn reformatorischen moed:

Zooals toen in Holland gezien is, kan die beschouwing van het kerkverband zonder twijfel wel leiden tot een ernstig conflict, en de kerken kunnen dan zeer zeker wel in de verdrukking komen. Maar het is toen ook in Holland gezien, hoe dat niets vermag tegen den drang der conscientie. Juist de Amsterdamsche Kerkeraad is daar bovenal een bewijs van. Het is in die jaren van strijd hem voorwaar wel eens bang geworden. En er zijn zelfs wel tijden geweest, dat hij in zijn principieele gedragslijn bijna alleen scheen te staan, en dat het maar gelukkig was dat Wtenbogaert en Oldenbarneveldt te dien aanzien niet zoo op de hoogte waren als de Amsterdamsche predikanten. Iets daarvan, hoewel zeker niet alles, is in later tijd door één hunner vermeld; 2) en hij voegt er dan bij: „My heucht nog hoe bekommert wy Predikanten tot Amsterdam te dier tijdt waren, somtijds met malkanderen, in droefheydt ende bekommernisse onses harten, tot of met malkanderen sprekende” — ja! en dan sprekende waarover? Of zij ook wat water in hun wijn zouden doen? Of zij op het stuk van beginselen zouden transigeeren? Of zij er wel alles aan wagen zouden? O neen! niets daarvan! Een Plancius, die op jeugdigen leeftijd in de Zuidelijke Nederlanden bij de Kruiskerken had gediend, met voorbeeldeloozen ijver, onder allerlei levensgevaar, en zonder daarvoor iets te ontvangen, hij kon nu op zijn ouden dag nog wel eens weer in het open veld of in schuren optreden! Een Rolandus, die eertijds den naam had dat hij wel wat vreesachtig was, en die daarom te Amsterdam eerst beroepen was toen men op dat punt was gerustgesteld, hij had waarlijk wel getoond, terstond bij zijn komst, dat hij over de geschilpunten zich kras durfde uitspreken, zoo zelfs, dat Arminius hem daarin den ergste van allen noemde! Een Ursinus, die zich reeds eenmaal te Utrecht om den wille zijner conscientie had laten afzetten, hij was waarlijk niet bang om zich nog eens weer daaraan bloot te stellen! En zoo waren zij, de een na den ander, en de leden van den kerkeraad desgelijks, en de leden der gemeente voor een goed gedeelte, ook met name die talrijke Vlamingen en Brabanters, die reeds om des geloofs wille hun vaderland verlaten hadden. Bijna allemaal mannen, die het vuur gezien hadden, die het in de kracht huns Gods tegen Rome en tegen Spanje hadden durven opnemen, en die nu nog stonden in diezelfde kracht. Neen! waar die Amsterdamsche predikanten toen gedurig over spraken, dat was alleen: „van de plaatse daerhenen wy souden vluchten, als de Religie ons benomen wiert, ende wy ten lande uyt souden moeten wijcken.” O! voorwaar, wel was hunne overtuiging omtrent den aard van het kerkverband diep geworteld. Het was niet eene zaak, waar zij zoo maar eens over redeneerden. Het was een bestanddeel van hun Christelijk geloof, waar zij alles voor over hadden.


1) Zie blz. 127.
2) Trigland.

|161|

Hier is wel de austère Calvinist aan het woord, „de man, die,” om met Prof. Dake te spreken, „als we in het midden der 16de eeuw leefden, hagepreeken zou houden, net zoo lang tot hij gevat en tot den brandstapel zou veroordeeld worden. Die man houdt het alleen met een kerk, die op een rots is gebouwd, verlaat haar nooit en zal haar tot den laatsten ademtocht verdedigen. Het „Woord” is zijn wapen en zijn rust ing.”

Hier spreekt wel reeds de aanstaande Reformateur!

En had Professor Rutgers in zijn rectorale oratie aangetoond, hoe in den aanvang tier 17de eeuw het kerkelijk „Amstelredam”, met omzetting van de letters, d’mater salem voor de doleerende kerken van dien tijd was geweest, thans zou diezelfde gemeente, bizonder ook door zijn invloed, voorgaan en leiding geven in het werk der reformatie. Evenals destijds riep zij ook nu, bij de invoering van de nieuwe proponentsformule, de zusterkerken samen tot gemeenschappelijk overleg op de basis der Drie Formulieren van Eenigheid als accoord van kerkgemeenschap.

Deze Conferentie van Gecommitteerde kerkeraadsleden, mede door ouderling Rutgers uitgeschreven, werd den 11den April 1883 te Amsterdam in „Frascati” gehouden. Na aanneming van enkele en verwerping van andere amendementen, werden daar met bijna algemeene stemmen drie reeksen van voorgestelde resolutiën aangenomen, waarin de Gecommitteerde Kerkeraadsleden uitspraken, dat de raden hunner Kerken niemand tot den Dienst des Woords behoorden toe te laten, dan die met de Belijdenisschriften instemde, en dat het kerkverband, waarin de Kerken sedert 1816 stonden, mocht en moest afgebroken, waar de Gereformeerde Kerken hierdoor zouden belet worden, overeenkomstig haar Belijdenis, Jezus als Koning in Zijn Kerk te eeren. Voorts, dat Gereformeerde belijders, die onder een Kerkeraad verkeerden, wiens doen en toeleg tegen Jezus’ Koningschap inging, gehouden waren eendrachtelijk de gemeenschap met zulk een Kerkeraad af te breken en als doleerende Kerk op te treden. Eindelijk werd toen op voorstel van den heer W.M. Oppedijk, uit IJlst, besloten, dat, bijaldien de nood der Kerken nogmaals zulk een conferentie noodzakelijk mocht maken, de Kerk van Amsterdam gelast zou zijn, de oproeping tot zulk een samenzijn te doen.

„En alzoo zijn de Gecommitteerde Opzieners gescheiden, vermanende de Kerken dezer landen met ernst, op te staan uit den slaap, waarin ze tot dusver verzonken lagen, en weer, als geroepene Kerken des Heeren, het schepsel voor niets te achten, Gode alleen alle eer te geven, en te staan naar de bereidvaardige onderwerping

|162|

aan het Woord des Heeren, die, door geen geboden of ordonnantiën van menschen ooit krachteloos te maken, vrucht is van de inwerking des Heiligen Geestes, en daarom liefelijk voor God. Daartoe verwekke en bevestige ons die Opperste Herder onzer zielen, het verheerlijkt Hoofd en de eenige Koning Zijner Kerk, Wien, als den eenigen Zoon, met den Vader en den Heiligen Geest toekomt de eere, de prijs en de dankzegging. Amen.”

Vooral de aanneming dezer slotresolutie droeg een plechtig karakter; ze werd door alle aanwezigen met een overluid Amen bevestigd.

En zoo werd hier dan de gedragslijn, door Professor Rutgers reeds in 1880 in de „Memorie inzake de Aannemingsquaestie” voorgesteld, nu verder uitgestippeld, om bij de dreigende conflicten tot richtsnoer te kunnen dienen.

Als onderling had hij zelf al in Maart 1883 een voorbeeld van mannelijk optreden gegeven door, bij de aanneming van leerlingen van den modernen predikant Dr. J.P. Stricker, niet te willen assisteeren, omdat zij geschiedde naar den regel van het vigeerende Synodale reglement, waarbij de ouderling slechts dienst mocht doen als figurant. En op het voorbeeld van Professor Rutgers weigerden de meeste Amsterdamsche ouderlingen aan zulk een onzedelijke schijnvertooning mee te doen.

In 1884 herhaalden zij deze weigering van presentie. En toen nu daardoor de aanneming van de moderne leerlingen niet kon doorgaan, beklaagden hun moderne ouders zich bij den Kerkeraad in een adres van 14 Januari 1885 over de h.i. onwettige weigering der ouderlingen. Op deze klacht antwoordde de Kerkeraad echter bij missive van 23 Maart d.a.v. door een betuiging van volkomen instemming met de handelwijze dier ouderlingen, die geweigerd hadden te assisteeren bij een handeling, welke niet geschieden zou naar de ordinantie van den Koning der Kerk. Met deze betuiging ging gepaard een ernstig vermaan aan de ouders, zich te wachten voor hun zielen en die hunner kinderen, en een herinnering aan de heilige belofte, bij den doop hunner kinderen ook door hen afgelegd.

Om toen den Kerkeraad toch te dwingen hen te erkennen als gerechtigden tot het Heilig Avondmaal, vroegen de teleurgestelde leerlingen hem om een bewijs van goed zedelijk gedrag, ten einde elders als lidmaten te kunnen worden aangenomen. De Kerkeraad antwoordde hun echter, dat hij zulk een attest niet kon uitreiken, tenzij vooraf uit een verklaring hunnerzijds bleek, dat het hun bedoeling was, den Heere Jezus Christus te belijden als den

|163|

eenigen en algenoegzamen Zaligmaker, die overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.

Dit nu leidde in 1886 tot het bekende conflict van den Amsterdamschen Kerkeraad met de „hoogere” Besturen, waarvan de lezer niet van noode heeft, dat we hier uitvoerig schrijven.

Wel echter moeten we hier nog iets zeggen van de beheerskwestie, die met deze attestenkwestie samenviel, en waarin Professor Rutgers als kerkvoogd zeer nauw was betrokken.

Getrouw aan de traditie van zijn voorgeslacht, 1) was hij er steeds op bedacht om het vrij beheer tegen mogelijke aanvallen van de „hoogere” Besturen te verdedigen. Trouwens, al sedert 1875 moesten de leden der kerkelijke Commissie te Amsterdam met hun handteekeningen plechtiglijk verklaren en beloven, dat zij „nooit eenigen stap zouden doen, waardoor, zonder uitdrukkelijke toestemming der gemeente, het beheer der goederen aan toezicht of regeling, hoegenaamd ook, van eenig hooger kerkelijk of politiek college zou worden overgelaten, tenzij door de rechterlijke uitspraak gelast.” Tien jaren van kalm beheer verliepen sinds. Maar intusschen scheen het noodig, in de instructie voor de Kerkelijke Commissie een nieuwe borstwering op te nemen ter verdediging van het vrij beheer. Het stond immers te voorzien, dat er een conflict kwam. In den loop van zulk een conflict zou de Kerk van Amsterdam misschien verplicht kunnen worden, Gode meer te gehoorzamen dan menschen. Zoo kon er een tijdlang tweeërlei publieke Kerkeraad komen. En dan stond de Kerkvoogdij voor de vraag, aan welken van die twee ze gehouden zou zijn. Welnu, om bij zulk een kans en keus de Kerkvoogdij niet verlegen te laten staan ten aanzien van de te volgen gedragslijn, diende Professor Rutgers den 12den November 1885 bij de Kerkelijke Commissie eenige voorstellen in tot wijziging van de Beheersregeling, o.m. door opneming van deze bepaling in artikel 41, dat de Commissie, bij eventueel conflict, „den oorspronkelijken Kerkeraad, die de gemeente bij Gods Woord zocht te houden, als den eenig wettigen zou erkennen.” In de eerstvolgende vergadering van Kerkmeesters werden deze voorstellen van Professor Rutgers in behandeling gebracht en, ondanks protest van Ds. Hogerzeil, aangenomen.

Laatstgenoemde predikant ging toen naar zijn collega Dr. Vos en sprak met dezen over de aangenomen voorstellen. En deze, die voorstellen doorloopen hebbende, begreep terstond, dat het beslissend oogenblik nu gekomen was, en nam zijn maatregelen.


1) Zie blz. 12, 18, 19.

|164|

Maandag 7 December kwamen de wijzigingen ter tafel in den Algemeenen Kerkeraad. Ds. B. van Schelven diende nu een voorstel in, ten einde bedoelde wijzigingen te stellen in de handen eener Commissie, met last, binnen acht dagen haar rapport ter tafel te brengen, om alsdan in een op 14 December te houden Kerkeraadsvergadering behandeld te worden. En ondanks heftige protesten van Dr. Vos c.s. nam de Kerkeraad het voorstel-Van Schelven aan, waarna Dr. Vos en zijn vrienden de vergadering verlieten, verontwaardigd over een Kerkeraad, „die zich tot zulke misdaden bevoegd achtte.”

Alsof niet de Kerkeraad nu, evengoed als in 1875, bevoegd was, het beheer over zijn eigen kerkgebouwen te regelen! En moest het dan niet geprezen worden in de Kerkvoogden, dat zij aan den Kerkeraad vroegen, hoe zij hadden te handelen, ingeval er twee bestuurscolleges tegenover elkaar kwamen te staan? Ook zonder reglementswijziging zouden zij toch òf het een òf het ander hebben moeten doen. Het reglement van 1875 gaf hun daaromtrent een volkomen vrijheid, die zij natuurlijk zouden uitoefenen precies in denzelfden zin, waarin nu de bepaling van art. 41 zou beslissen; want de Kerkvoogdij was overwegend Gereformeerd. Het verschil was dus alleen maar, dat de Kerkeraad nu als regel zou stellen, wat de Kerkvoogdij vóór dien tijd doen mocht en ook doen zou op eigen gezag. Maar was het dan voor de Kerkvoogdij niet veel raadzamer, een regel te volgen, door haar lastgevers voorgeschreven, dan uitsluitend te rade te gaan met eigen inzichten? De Kerkvoogdij toch was geen geestelijk bestuurscollege, en moest dus, voor al wat het geestelijk terrein betrof, zooveel mogelijk de aanwijzingen volgen, die de Kerkeraad haar gaf. Bleef nu art. 41 uit, dan ontbrak die regel, en zou de Kerkvoogdij zelve een geestelijk oordeel moeten vellen. Dit nu juist wilden Kerkmeesters niet, en daarom stelden zij aan den Kerkeraad voor, dat door dezen zou bepaald worden: bijaldien tegenover een Kerkeraad, die Gods Woord volgt, een reglementaire tegen-Kerkeraad komt te staan, houd u dan aan den eersten en niet aan den laatsten.

Geen wonder dus ook, dat het rapport der Commissie van prae-advies tot aanneming van de voorgestelde wijzigingen adviseerde. Na voorlezing van dit rapport in de vergadering van den Algemeenen Kerkeraad op 14 December, diende Dr. Vos een breed gemotiveerde motie van orde in, waarbij hij, „overwegende” dit en „overwegende” dat, de onwettigheid der voorgestelde wijzigingen trachtte aan te toonen, en voorstelde de verdere behandeling van deze aangelegenheid te schorsen en de voorstellen

|165|

terug te zenden aan het college, dat ze voordroeg, met verzoek ze te herzien. Deze motie werd echter verworpen met 80 stemmen tegen. En daarop nam de Kerkeraad de voorgestelde wijzigingen met 80 stemmen aan.

Daags daarna zond het Classicaal Bestuur al een dreigbrief aan den Kerkeraad op de post. Dit Bestuur, dat zich van de attestenkwestie niet veel had aangetrokken, werd dus opeens diligent, nu het een beheerskwestie gold En het schorste de voorstemmers reeds op 4 Januari 1886, wetende, dat tegen den avond van dien eigen dag de Kerkeraadsvergadering was uitgeschreven, waar het rapport over de attesten aan de orde zou komen. Dat rapport stelde voor, de attesten niet af te geven. En dat voorstel zou zeker aangenomen worden. Er zou dus ongetwijfeld conflict komen. Maar dan op de belijdeniskwestie. En juist dit moest vermeden worden. Want tot geen prijs wilde men, dat bleek voor de buitenwereld, hoe het hoofdpunt van geschil gelegen was in de leer. Daarom moest het van de attestenkwestie worden overgeschoven op de beheerskwestie. Dan eerst durfde men den strijd aan.

Te twaalf uur ’s morgens ging de schorsing in. Tegen drie uur ’s middags kwam het Classicaal Bestuur bijeen met de niet-geschorste kerkeraadsleden. Ds. Westhoff presideert. Aan de orde is de attestenkwestie. Het rapport van de Commissie voor deze kwestie was reeds aan alle leden van den Kerkeraad verzonden, om dienzelfden avond te 7 uur in de Kerkeraadsvergadering behandeld te kunnen worden. Maar door de schorsing heeft het Classicaal Bestuur dit nu nog juist kunnen beletten. En ofschoon dit rapport zou geadviseerd hebben de gevraagde attesten te blijven weigeren, besluit nu het Classicaal Bestuur met de niet-geschorste kerkeraadsleden, de attesten toch uit te reiken. Wel had datzelfde Bestuur vroeger in deze zelfde zaak de aanvragers afgewezen, en verklaard dat de kerkeraad niet verplicht was de attesten af te geven; maar nu de Synodale organisatie door dit conflict in gevaar blijkt te komen, nu mag er geen uur langer verspild, nu moet die gevaarlijke attestenkwestie zoo spoedig mogelijk uit de wereld geholpen. „Met haaste, zonder debat, zwijgend alsof men een doode uitdroeg, wordt het besluit genomen, om, ingaande tegen Gods Woord (gelijk de heeren Krayenbelt, Deetman, Lütge, Brummelkamp, en wie niet al, oorspronkelijk verklaard hadden), en niet minder ingaande tegen den uitdrukkelijken wil van drie vierden van den kerkeraad, de attesten toch uit te reiken”.

En zoo is de aanneming van deze moderne leerlingen dan toch

|166|

doorgegaan. Op den 24sten Maart vond de plechtigheid te Koog aan de Zaan onder groote belangstelling plaats. En binnen acht dagen werden nu de namen der aannemelingen door de gemeente Koog aan de Zaan aan die te Amsterdam ter inschrijving in haar registers opgegeven.

Inmiddels stond Professor Rutgers vooraan in den strijd tegen geweldpleging aan de Nieuwe Kerk. 1) Als president-kerkvoogd belast met het toezicht op dat kerkgebouw, en aansprakelijk voor het beheer daarvan, althans totdat de vergadering van kerkvoogden op Woensdag 6 Januari omtrent zijn al of niet in functie blijven nader zou hebben beslist 2) was hij dan ook reglementair verplicht, dezen vermetelen aanval op het beheersrecht zonder eenige aarzeling te weerstaan. Zijn instructie schreef hem dit voor. Zelf had hij immers met zijn handteekening uitdrukkelijk moeten beloven, zich stipt te zullen gedragen naar de bepalingen dezer instructie, en nooit eenigen stap te zullen doen, waardoor, zonder uitdrukkelijke toestemming der stemgerechtigden, het beheer aan eenig „hooger Bestuur” zou worden toegelaten. En al mocht hij dus, de gevolgen zijner handelingen voorziende, om wat liefs gewenscht hebben, dat de Nieuwe Kerk niet aan zijn verzorging ware toevertrouwd geweest, hij kon nu niet doen wat hij het liefst wilde, neen, hij moest doen wat zijn instructie hem voorschreef, hij was gebonden aan zijn ambtseed. En die ambtseed bleef hem heilig. Waar deze eed ondubbelzinnig was, bestond er voor hem geen keus meer. Het gold hier niet zijn persoonlijk recht, maar het recht der gemeente. Hij moest dus zijn plicht doen.

Letterlijk schreef hij hieromtrent in een ingezonden stuk in De Standaard van 19 Januari 1886 onder het opschrift: Schending van beloften:

Ik bepaal mij thans tot het eene punt, dat ik in het opschrift reeds noemde, en dat mij voorkomt voor alle richtingen, zonder onderscheid, een zaak van groot gewicht te zijn. Trouw en eerlijkheid, ook al gebruikt men die woorden niet in haar diepere Christelijke beteekenis, maar uitsluitend in den gewonen maatschappelijken zin, worden gelukkig nog door alle partijen zeer hoog gesteld. En tot


1) Zie blz. 49.
2) Zijn schorsing als ouderling sloot n.l. allerminst een schorsing in voor het lidmaatschap der Commissie van beheer. Onder de bepalingen toch, wier stipte naleving hij plechtig beloofd had, behoorde ook, sedert 1875, dat alle kerkelijke censuur op het gebied der Synodale reglementen, van wat aard ook, niet zou gelden op het beheersgebied, totdat de Commissie zou beslist hebben, of en in hoeverre deze censuur gevolgen had voor de rechten van den betrokkene als kerkvoogd.

|167|

zulke trouw en eerlijkheid hoort ook, naar ieder toestemt, dat men plechtige beloften niet schendt, maar met nauwgezetheid nakomt.

Tegenover het beweerde, maar uit de lucht gegrepen feit, dat de Amsterdamsche kerkeraadsleden en kerkmeesters als lidmaten der Kerk beloofd zouden hebben, om de Synodale verordeningen onvoorwaardelijk op te volgen, wijsi Professor Rutgers dan verder op het wezenlijke feit, dat bijna alle Amsterdamsche predikanten en ouderlingen, bij hunne openlijke bevestiging in die bedieningen, plechtig beloofd hebben voor God en de Gemeente (welke belofte dus in beteekenis gelijk staat met een eed), om zich volgens de kerkenordening, in overeenstemming met de in het Formulier omschreven leer, aan de kerkelijke tucht te onderwerpen; en voorts om „de gemeente te regeeren op zulk eene wijze als de Heere geboden heeft”, om „naarstiglijk toe te zien of een ieder zich behoorlijk gedraagt in belijdenis en wandel”, om „te verhoeden, dat de Sacramenten niet ontheiligd worden, zooveel mogelijk is”, om „toezicht te houden, dat geen vreemde leer worde voorgesteld”, enz. Dat is aan bijna allen afgevraagd overeenkomstig de Formulieren van bevestiging van predikanten en ouderlingen. En eindelijk is het ook een feit, dat de Amsterdamsche kerkmeesters sedert 1810 bij hun eerste optreden ook een ambtsbelofte hebben af te leggen en te onderteekenen. En dan wordt bijzonder gewezen op het feit, dat alle kerkmeesters, sedert 1875 (ook b.v. de vroegere kerkmeesters Ds. Adriani, Dr. Vos, enz., die thans als leden van het Classicaal Bestuur geageerd hebben) door hun ambtsbelofte (die in beteekenis met een ambtseed gelijk staat) verplicht zijn, alle toezicht of regeling van een hooger kerkelijk bestuur, ten sterkste af te weren, voorts alle kerkelijke censuur, van wat aard ook, voorloopig slechts op het gebied der Synodale Reglementen, maar niet op het beheersgebied te doen gelden, en eindelijk de kerkelijke commissie zelve definitief te laten beslissen, of en in hoeverre zulke censuur ook op beheersgebied werking zal oefenen.

Professor Rutgers besluit zijn stuk dan aldus:

Ziedaar feiten, die onbetwistbaar zijn, en die misschien menigeen tot nadenken kunnen brengen.
Het is voorwaar geen kleinigheid, een ambtseed te schenden; en de zaak wordt er niet beter op, wanneer zulke schending op kerkelijk terrein zou plaats hebben.
Althans, wat mij betreft, ik had er heel wat meer voor over gehad, indien ik in geheel dit conflict niet had behoeven op te treden, noch als ouderling, noch als kerkmeester. Ik kon lichtelijk nagaan, wat daarvan de gevolgen zouden zijn; o.a. hoe dat zou beoordeeld worden door eene redactie als die van het

|168|

Handelsblad, en door de maatschappelijke kringen, die onder haren invloed zich een oordeel vormen. Maar voor mij, evenals voor mijne vrienden, was en is een ambtseed heilig; en waar zulk een eed ondubbelzinnig is, daar bestaat dan geen keus.
Dat dit ook nog veler overtuiging is, durf ik veilig vertrouwen. En in dat vertrouwen werk ik er gaarne toe mede, om de feiten, waarop alle oordeel hier rusten moet, openbaar te maken.

Dat is weer de taal van den strengen Calvinist, gevormd in de school van een Trigland, een Plancius, een Rolandus en een Ursinus, die om der wille van hun conscientie, ook in het ernstigste conflict, hun principieele gedragslijn vasthouden.

Als nasleep van het Amsterdamsche conflict dient hier ook nog vermeld te worden het proces om het archief.

Reeds in Februari 1886 had het Classicaal Bestuur in zijn bekende Memorie o.m. ook geklaagd over de besliste weigering van de heeren Dr. F.L. Rutgers en P. Goedhuys om aan een Commissie van den kerkeraad het archief, dat onder hun berusting was, af te geven. Dit kleedde de Classicale Memorie in deze termen in: „Zij weigeren den tegenwoordigen kerkeraad te erkennen, maken zich dus schuldig aan verzet en aan verstoring der orde, zoo niet aan verduistering van stukken, die den kerkeraad toekomen”.

In hoeverre nu de zijdelingsche beschuldiging van „verduistering van stukken” de grenzen van het civiel geoorloofde overschreed, blijve thans rusten. De ongegrondheid van de aanklacht zelve bleek echter reeds uit een contra-deurwaardersexploit, beteekend 11 Januari 1886, waarin namens requiranten werd opgemerkt, dat zij wel bericht hadden ontvangen geschorst te zijn als ouderlingen, doch dat zij daarom nog niet, gelijk het Classicaal Bestuur insinueerde, gewezen subscriba en gewezen archivaris van den kerkeraad waren, dat zij intusschen volkomen bereid waren, alle notulen-boeken, doop-, trouw- en lidmatenboeken en andere bescheiden, tot het archief behoorende, voor zoover die onder hun berusting waren, af te leveren aan zoodanig persoon, als bewijzen zou, van den kerkeraad een opdracht tot het overnemen daarvan te hebben ontvangen, tegen volledige décharge, en desnoods tot vervoer de behulpzame hand te zullen bieden.

Twee exploten echter werden tot dusver aan de heeren Rutgers en Goedhuys beteekend, het eene van 7 Januari 1886 door Ds. Westhoff in zijn kwaliteit van „Voorzitter van den Bijzonderen en Algemeenen kerkeraad”, en het tweede door Ds. Deetman en vier anderen, als gelastigden door „het Classicaal Bestuur, doende wat des kerkeraads is”, waar tusschenin dan nog lag een

|169|

schrijven van de predikanten Deetman en Aalders, d.d. 1 Februari, insgelijks namens „het Classicaal Bestuur, doende wat des kerkeraads is”. Overmits nu een voorzitter zonder besluit van den kerkeraad niets op te eischen had, en de Synodale reglementen geen optreden van het Classicaal Bestuur, doende wat des kerkeraads is, „in plaatsen, waar men wel tot samenstelling van een kerkeraad is kunnen geraken”, kenden, mochten de heeren Rutgers en Goedhuys niet anders handelen, dan zij deden. Goed, door den kerkeraad hun toevertrouwd, mochten zij alleen aan den kerkeraad weer afgeven.

Toch stelde toen „het Classicaal Bestuur, doende wat des kerkeraads is”, bij de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam tegen de heeren Rutgers en Goedhuys een eisch tot afgifte van het kerkeraadsarchief. In December 1886 werden de pleidooien gehouden. En bij monde van Mr. H.F. baron De Kock concludeerde het Openbaar Ministerie op 20 Januari van het volgende jaar tot afwijzing van den eisch. Het oordeelde, evenals de gedaagden, dat de dagvaarding geen dagvaarding, en de eischer onbevoegd was om als Classicaal Bestuur te doen wat des Kerkeraads is. Het Classicaal Bestuur werd veroordeeld in de kosten. 1)

Tegen de Kerkelijke Courant van 29 Januari 1887, waarin Prof. Gooszen de conclusie van hei Openbaar Ministerie bestreed, richtte Professor Rutgers daarna nog een artikel in De Heraut (no. 476), getiteld: Hiërarchische rechtsbegrippen, en eindigde met deze woorden:

Gelukkig het land, waar nog rechters zijn, die ook daden van kerkelijke machtshebbers durven onderzoeken! En gelukkig de Kerke, die ontkomen is aan de ongerechtigheden eener Protestantsche hiërarchie.

Toen Professor Rutgers dit schreef, was de Kerk van Amsterdam reeds ontkomen. Maar om haar aldus vrij te maken van het juk der Synodale Hiërarchie, had hij tijd noch krachten gespaard. In dat jaar 1886 kende hij geen vermoeienis, en gaf hij zich geheel, bij dagen en bij nachten. Met Dr. Kuyper om ’t hardst samenwerkende, nam hij steeds de helft, vaak meer dan de helft van den arbeid voor zijn rekening.


1) Spoedig daarop publiceerde Mr. Heineken de conclusie van het Openbaar Ministerie en het vonnis, door de rechtbank gewezen, in een brochure, getiteld: Het Classicaal Bestuur van Amsterdam contra de heeren Dr. F. L. Rutgers en P. Goedhuys. Hij liet er een voorwoord aan voorafgaan, dat zeer der lezing waard is.

|170|

Op de uitnoodiging der Algemeene Synode aan de geschorsten, om haar schriftelijk mede te deelen, wat zij meenden naar aanleiding van de Classicale Memorie te hunner verdediging te moeten in het midden brengen, richtten de geschorsten, onder dagteekening van den 27sten Februari, een Openbaar Schrijven aan de Synode, met zeven bijlagen, waaronder een Contra-Memorie, volgens opdracht der geschorsten in gereedheid gebracht door Dr. A. Kuyper en Dr. F.L. Rutgers, een stuk van 74 bladzijden folio. En zelfs Dr. Bronsveld schreef daarvan: „Wanneer men bedenkt, hoeveel tijd het kost, deze stukken aandachtig te lezen, dan moet men hulde brengen aan het talent en de bekwaamheid van hen, die dit alles in betrekkelijk korten tijd hebben weten op te stellen en voor de pers gereed te maken. . . . .  We brengen gaarne hulde, niet alleen aan de geestesgaven van de auteurs dezer processtukken, maar ook aan den toon, waarin ze zijn gesteld, die over het algemeen waardig is. Hier werd niet uit het oog verloren, dat men op een zeker publiek geen indruk maakt met het gebruik van „dierbare” termen. Hier moesten geen woorden, maar argumenten, gronden aangevoerd worden. Nu spreekt het wel vanzelf, dat er voor het optreden en de handelwijze van Dr. Kuyper c.s. iets te zeggen valt; en dat het Classicaal Bestuur geen zwakke plaatsen hebben zou in zijn pantsier, zou ik niet gaarne beweren. En een ieder, die de eigenaardige gaven der HH. Kuyper en Rutgers kent, kan wel bevroeden, met hoeveel talent van deze twee omstandigheden in hun Contra-Memorie is partij getrokken. Het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland mag zich de oogen wel ter dege goed uitwrijven, om in dit pleidooi schijn van wezen te kunnen onderscheiden.” Dr. Rutgers had dan ook bij de samenstelling van deze Contra-Memorie handig gebruik gemaakt van de omstandigheid, dat het kerkeraadsarchief zich nog onder zijn berusting bevond.

Voor de Memorie van Consideratiën, de Memorie van Grieven, en de Memorie van Rechten, door een rechtsgeleerde voor de geschorsten opgesteld, leverde eveneens Professor Rutgers de bouwstoffen. Trouwens, hij was het ook, die door hen aangewezen werd om, alvorens de „Memorie van Grieven” werd ingezonden, op 29 Juli 1886 inzage te nemen van de stukken bij de Synode. En hij was het verder ook, die zich aansprakelijk stelde voor de aanteekeningen in de „Memorie van Rechten” bij de Processen-verbaal der getuigen-verhooren ter Synode. Daarin leverde hij een niet onnoodige critiek op onderscheidene onjuistheden in de antwoorden der gehoorde getuigen.

|171|

Houden we nu voorts in het oog, dat voor de inlevering dezer memories ongehoord korte termijnen werden gesteld, zoodat er zelfs hooge kosten moesten gemaakt worden voor den overijlden druk, dan kan men zich wel indenken, hoe de leverantie dezer stukken Professor Rutgers niet weinig inspande, en hoe de nacht er vaak ten deele mee gemoeid was.

Bovendien had hij in minder dan geen tijd met Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman een lijvig actestuk opgesteld ter verdediging van de rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken. Dit kostelijke verweerschrift, in Maart 1886 verschenen, lokte nu in den loop van dat jaar veel critiek uit, met name van Ds. César Segers, Dr. Kleyn en Prof. Gooszen. Maar toen zag in Juli 1887 een tweede, veel vermeerderde uitgave van dit werk het licht, met volledige repliek aan genoemde opponenten. Hun tegenwerpingen werden behandeld in een schat van aanteekeningen, waaruit men van bladzijde tot bladzijde Professor Rutgers kan proeven, al was het alleen reeds uit de herhaalde verwijzingen naar Voetius, en uit opmerkingen als deze, blz 40:

Gelijk hier en elders telkens blijkt, heeft Dr. Kleyn de „Politica Ecclesiastica” van Voetius niet doorgelezen, en veel minder bestudeerd. Hij heeft haar slechts hier en daar opgeslagen en toen, door vooringenomenheid verblind, menigmaal ongeveer het tegendeel van den wezenlijken inhoud daaruit afgeleid. En volkomen hetzelfde moet gezegd worden van Prof. Gooszen.

Aan het adres van laatstgenoemde lezen we op blz. 201 dit:

Het kan Prof. Gooszen zeker niet ten kwade geduid worden, dat hij dit [n.l. het bestaan van een classis Leiden voor 1574] niet wist. Men kan een zeer geleerd en wetenschappelijk man zijn, zonder de geschiedenis onzer oude Synoden bestudeerd te hebben. Vooral op historisch gebied kan ieder slechts een klein gedeelte van zijn vak onderzoeken. Maar men weet toch zelf wel, wat men, al of niet wetenschappelijk onderzocht heeft. En ons dunkt, dat het dan wetenschappelijk is, zich niet uit te spreken over hetgeen men niet bestudeerd heeft; en nog minder om dan anderen op zoodanig punt te willen terechtwijzen; en wel allerminst, om dat dan te doen op zóó hoogen toon.

Maar genoeg, om te laten zien, hoe Professor Rutgers hier punt voor punt onderzoekt en toetst, al wat men tegen zijn geschrift had ingebracht.

Het geheele werk wordt besloten met deze Resumtie:

Bij den betrekkelijk grooten omvang van dit geschrift, zal den lezer een korte resumtie van ons betoog wellicht niet onwelkom zijn. Dat betoog komt in hoofdzaak op het volgende neer:

|172|

Reeds in de eerste eeuwen onzer jaartelling maakten de Christelijke Kerken, hoewel als plaatselijke openbaringen van de ééne Christelijke Kerk onderling verbonden, op zichzelve staande rechtspersonen uit.
Toen de Reformatie opkwam, bestonden die Kerken uit afzonderlijke, van elkander onafhankelijke groepen. In de grootste groep, die der Westersche Kerken, waren de Kerken verbonden door hare gemeenschappelijke erkenning van de Pauselijke hiërarchie, eene verbinding, tot welker totstandkoming de wereldlijke overheid het hare had bijgebracht.
Telkens wanneer meerdere Kerken deze pauselijke hiërarchie verwierpen, traden de Kerken in een ander verband.
In de streken, welke thans het Koninkrijk der Nederlanden uitmaken, aanvaardden reeds ten tijde der vervolging die Kerken, welke later de Gereformeerde Kerken genaamd zijn, als zelfstandige lichamen, vrijwillig, zonder eenige medewerking der overheid, enkel daartoe gedreven door het goddelijk recht, een ander verband, dat zij oordeelden overeenkomstig de Heilige Schrift te zijn, en dat zijn zuiverste uitdrukking gevonden heeft in de Kerkenordening, gelijk die door opeenvolgende nationale synoden is samengesteld en gewijzigd.
In dat verband wordt de Kerkeraad een college dat, samengesteld uit de Opzieners, de predikant daaronder begrepen, de gemeente vertegenwoordigt. Dat college oefent geestelijk gezag uit over de gemeenteleden, en zorgt voor de zuiverheid der leer. Hoewel de opzieners als ambtsdragers gekozen worden door door menschen, is naar der Gereformeerden belijdenis hun ambt zelf evenzeer van goddelijke inzetting, als naar Roomsen geloof, het pauselijk ambt dit is. Dit ambt is dus van nature geheel verschillend van het bestuur eener vereeniging, dat niets anders vertegenwoordigt dan den wil der leden. Het brengt o.a. mee, dat de ambtsdrager verplicht kan zijn zich te plaatsen tegenover al de leden der gemeente.
Geen eigenlijk bestuur, allerminst een hooger bestuur of een Overheid, is in deze organisatie bestaanbaar. Elke Kerk is, als instituut, een volkomen geheel, en als zoodanig in beginsel rechtens van alle andere Kerken onafhankelijk.
Niettemin onderhouden de Kerken naar den eisch der Heilige Schrift onderling een nauw verband. Zij komen daartoe op geregelde tijden in classen en synoden bijeen. Wel niet door het samenkomen van gansche Kerkeraden, maar van hare daartoe van lastbrieven voorziene afgevaardigden. Wat in deze „meerdere” vergaderingen door de gezamentlijke Kerken wordt vastgesteld, is, onder straks te noemen voorbehoud, bindend voor alle. De omvang van het kerkverband is niet van nature tot de grenzen van eenig land beperkt, maar in beginsel universeel.
De aard van dat verband is, uit juridisch oogpunt beschouwd, contractueel. De gezamentlijke Kerken maken niet een bestuur of overheid uit; niemand is aan haar als aan eene overheid gehoorzaamheid schuldig; maar, krachtens de oorspronkelijke overeenkomst, wordt wat in de „meerdere” vergaderingen besloten wordt als datgene beschouwd, wat ieder die zich verplicht in het verband te blijven heeft te volgen.
Zoowel elke Kerkeraad, als alle Kerkeraden te zamen, zijn in de eerste plaats gebonden aan Gods Woord, waaronder verstaan wordt de Heilige Schrift. Deze is op kerkelijk terrein de eenige wet. Die deze willens en wetens ter zijde stelt, is de facto vervallen van zijn ambt. Met den zoodanige is geestelijke omgang of kerkelijk verband niet meer geoorloofd.
Alzoo hangt het voortbestaan van elk kerkelijk verband, zelfs van het locale, af van het eerbiedigen van die wet. Indien een Kerkeraad toont zich aan het gezag van Gods Woord niet te onderwerpen, zijn de leden der Kerk verplicht

|173|

zich tegenover zulk eenen Kerkeraad te stellen, ook al is het dat zij niet zelve als vertegenwoordigers der gemeente kunnen optreden.
Vermits over de uitlegging van Gods Woord verschil bestaat, hebben verschillende groepen van Kerken, ook de Gereformeerde, hare overtuigingen in Belijdenisschriften neergelegd, welke schriften een engeren band vormen, waaraan alle ambtsdragers in Kerkeraad of samenkomsten van Kerken contractueel gebonden zijn, tot zoolang zij met gemeen consent zijn gewijzigd.
Hoezeer, naar eisch van Gods Woord, het samengaan der Kerken plicht is, moet naar den eisch van datzelfde beginsel hij, die oordeelt dat ambtsdragers Gods Woord ter zijde stellen, zich aan dat verband onttrekken; zoodat een lid der Kerk tegenover den Kerkeraad, de Kerk tegenover de gezamentlijke Kerken kan komen te staan.
Bij onttrekking aan zoodanig verband hebben de gezamentlijke Kerken evenmin dwangmiddelen tegenover de enkele Kerk, als de Kerkeraad die heeft tegenover het enkele lid. Wel mag de classis of synode kerkeraadsleden ontzetten van hun ambt zoolang de Kerk in het verband staat; maar als de Kerk dat vonnis niet erkent, verblijft aan de gezamentlijke Kerken geen ander verweermiddel dan om deze Kerk van het verband af te snijden.
Dit kerkrecht ontstond en gold onafhankelijk van elke overheidsbemoeiing.
Overheidsbemoeiing ten deze is gedurende de Republiek alleen voortgevloeid uit de erkenning van de Gereformeerde Kerken als publieke Kerken, in onderscheiding van die welke slechts geduld werden, alsmede van de overheidsverplichting om te zorgen dat de kerkelijke goederen niet aan hunne bestemming onttrokken worden.
De overheid heeft ondubbelzinnig het zelfstandig bestaansrecht der plaatselijke Kerken, op bovenomschreven wijze onderling contractueel verbonden, erkend. Op die erkenning steunt het feit, dat de overheid de Gereformeerde Kerken ten opzichte van het bezit der goederen gehandhaafd heeft in de rechten, die zij eertijds, toen zij nog onder de pauselijke hiërarchie stonden, bezaten.
Het genot van deze rechten, niet het beslaan der Kerken in rechtskundigen of geestelijken zin, hing af van het feit, of de overheid de Kerk als publieke Kerk erkende. De overheid was uiteraard wel verplicht om, bij verschil van gevoelen, wie zich aan de belijdenis hield, zich te houden aan de uitspraken der „meerdere” vergaderingen, hoewel zij gedurig, van haar standpunt ten onrechte, het tegendeel heeft gedaan.
Deze overheidsbemoeiing, eisch van het publiek recht dier dagen, heeft in geenen deele den aard van het kerkelijk recht gewijzigd; maar zij bracht mee dat geene Kerkenordening als rechtsgeldig kon worden beschouwd, dan die welke door haar zelve was goedgekeurd. Het volgen van elke andere gedragslijn ten opzichte van eene publieke Kerk zou het burgerlijk gezag onderworpen hebben aan de Kerk. Elke poging der overheid om een in beginsel verder reikende macht over de Kerken te verkrijgen, dan voor de zelfstandigheid van het overheidsgezag noodig was, is steeds verijdeld.
Van het oogenblik af dat de Gereformeerde Kerken ophielden de „publieke” Kerk te zijn, en de overheid zich tegenover alle Kerken, onverschillig welke hare belijdenis was, in dezelfde verhouding plaatste, gold rechtens voor iedere Kerk die ordening, welke zij zelve goedvond; alzoo in alle provinciën, voor de Gereformeerde Kerken de bepalingen der oude Kerkenordening, laatstelijk gewijzigd in 1618/19.
De Dordtsche Kerkenordening gold dus na 1795 overal, en was nog geldig in

|174|

1816. Met name in dat tijdperk kan de zelfstandigheid onzer Gereformeerde Kerken op geen enkelen goeden grond worden ontkend of betwist.
In 1816 stelde Koning Willem I over de Gereformeerde Kerken een bestuur aan; daartoe vooral geleid door de overweging, dat de overheid wederom de zorg voor het onderhoud der Kerk op zich had genomen, en derhalve moest weten, wie zij als Kerk had te erkennen, terwijl zij tevens, teneinde noch onbillijk te zijn, noch de schatkist ter beschikking te stellen van elke zich als nieuwe Kerk constitueerende fractie, de vorming der Kerken tot één onverbreekbaar geheel moest bevorderen.
Dit bestuur was iets geheel nieuws. Het ontleende zijn bestaan aan den koninklijken wil, en werd niet volgens het voorschrift van art. 86 der bestaande Dordtsche Kerkenordening, ja zelfs zonder medewerking of medeweten der Kerken tot stand gebracht. Het verschilde in aard en wezen geheel van de vroegere organisatie, en beoogde ook minder de geestelijke belangen te behartigen, dan een administratieven band te vestigen. Het reglement heette dan ook niet Algemeen Reglement voor de N.H. Kerk, maar Algemeen Reglement voor het Bestuur dier Kerk.
Deze geheel nieuw ingevoerde hooge en hoogere besturen werden nochtans geënt op de bestaande, in functie blijvende Kerkeraden, en ontvingen benamingen die deden denken aan de bestaande classes en synoden. Tegelijkertijd werd het samenkomen der Kerken in classen en synoden verboden, maar van het al of niet voortbestaan der geldende Kerkenordening werd niet gerept.
Op die wijze ontstond de tegenwoordige hybridische toestand; eene organisatie met twee tegenstrijdige beginselen; eenerzijds de verplichting om eene bepaalde belijdenis te handhaven; anderzijds de bevoegdheid om een van die belijdenis onafhankelijk algemeen bestuur te kiezen. De plaatselijke Kerken, uit haren aard bestaande uit belijders van den Christus, werden tegelijkertijd samengesnoerd tot één algemeen, naar louter menschelijke inzichten bestuurd genootschap, waarin belijders en bestrijders gelijke rechten hadden. De Kerkeraad, als geestelijk college zijn gezag ontleenende aan de goddelijke instelling van het ambt, werd te gelijker tijd, als deel van eene bestuursorganisatie, geheel afhankelijk van naar menschelijk goedvinden ingestelde hoogere besturen.
De Koning ontleende zijne bevoegdheid om zich met de Kerken te bemoeien niet aan de Iandswet, niet aan de Kerken; niet aan zijn koninklijk ambt; maar hij kende ze zich zelven toe als betaalsheer. Noch aan de Kerken, afzonderlijk of in onderling verband, noch aan de individueele leden werd gevraagd of zij zulk een Bestuur wilden. Met geen verzet er tegen, hoe aanhoudend en ernstig ook, (Afscheiding), werd gerekend.
Onder dat door den Koning ingesteld bestuur stonden de Kerken van 1816 af. Wel trok sinds 1842 de Koning langzamerhand zijne openlijke bemoeiing terug, maar het door hem ingesteld Bestuur bleef op denzelfden grondslag, den koninklijken wil, rusten. Nooit werden, ook niet na 1816, de Kerken afzonderlijk of vereenigd in de gelegenheid gesteld zelve te beslissen of zij dat Bestuur wilden. Zelfs niet na invoering van het algemeen stemrecht. Alleen wanneer en zoolang men dat Bestuur feitelijk erkent, dus zich niet tegen het opgelegd beginsel verzet, werd en wordt ook nu nog recht van spreken gegund. Wie dat weigerde werd beschouwd als afstand te doen van het recht, dat hij als lid der Kerk bezat, ja als de Kerk waartoe hij behoorde te verlaten. Bestuur en Kerk werden vereenzelvigd.
Het is niet te loochenen dat aan hetgeen de Kerken onder het haar opgelegd Bestuur, zij het dan ook vaak in strijd met hare nimmer afgeschafte Kerkenordening,

|175|

hebben verricht, rechtsgevolg behoort te worden toegekend. Het feit, dat zij gedurende 70 jaren geduld hebben, dat de Besturen verrichten, wat zij vroeger zelve in Classen en Synoden vereenigd, plachten te doen, kan niet worden ter zijde gesteld. Evenmin datgene, wat uit het feitelijk niet-handhaven der Belijdenis als accoord van kerkelijke gemeenschap is voortgevloeid. Men zou zelfs niet behoeven te ontkennen, dat de Kerken zich als leden van een algemeen kerkgenootschap, genaamd de Nederlandsche Hervormde Kerk, hebben gedragen.
Doch daaruit volgt geenszins, dat die Kerken hart oorspronkelijke, nooit afgestane en ook onvervreemdbare rechten zouden hebben prijs gegeven, of dat, wanneer zij zich wederom onder hare zoolang geslapen hebbende Kerkenordening zouden hebben willen stellen, het vermogen daartoe hebben verloren. Zoolang de belijdenis niet op wettige wijze, d.i. naar art. 86 der Dordtsche Kerkenordening, is gewijzigd, is nog elke Kerk naar Gereformeerde beginselen verplicht en dies bevoegd deze tot grondslag te leggen aan elk kerkelijk ambt, en de gemeenschap af te breken met elke Kerk, die zulks weigert te doen. Laten de vigeerende reglementen dat niet toe, dan verlaat de Kerk dat genootschap met verlies van de rechten die uitsluitend in de genootschappelijke verbinding haar oorsprong hebben, maar zij verliest geenszins hare eigenschap van Gereformeerde Kerk, in welke hoedanigheid zij sinds de Hervorming tot op dezen dag toe bestaan heeft.
Over het belang of de plichtmatigheid van zulk eene uittreding uit het verband oordeelt in de eerste plaats de Kerkeraad, onverschillig of hij nog al dan niet tevens deel uitmaakt van het sinds 1816 geschapen Kerkbestuur, daar de Opzieners krachtens de natuur van hun ambt juist daartoe geroepen zijn. Het zijn ook de Kerkeraden, die in 1816 de bestuursreglementen hebben aangenomen, althans indien er van aanneming sprake mag zijn. Een kerkverband als geheel bestaat toch uit Kerken, niet uit individuen.
In de tweede plaats, n.l. wanneer de Kerkeraad zelf weigert zijn ambt zóó op te vatten als dit in de Schrift, naar Gereformeerde belijdenis, staat omschreven, hebben de geloovige leden der Kerk zelven te beoordeelen wat hun te doen staat. Nochtans kan in wettelijken zin alleen de vertegenwoordiger der Kerk, n.l. een Kerkeraad, voor de Kerk optreden.
Noch kerkeraadsleden, noch andere gemeenteleden worden van deze verplichting door afgelegde beloften ontslagen.
De bevoegdheid van elke Kerk om zich aan het algemeen bestuur dat van Koningswege over alle Kerken gesteld is te onttrekken, zonder daarvoor in rechtskundigen zin hare rechtsbevoegdheid te verliezen, is dus buiten twijfel.
De vraag of, en zoo ja, welke voordeden aan eene Kerk welke van die bevoegdheid gebruik maakt, uit de publieke kas toekomen, hangt af van het antwoord op deze andere vraag, of die voordeden zijn toegekend aan de Kerken afzonderlijk, zij het dan ook met het oog op een bestaand contractueel, in zekere gevallen verbreekbaar verband, dan wel hetzij aan de Kerken als genootschapsafdeelingen, hetzij aan een algemeen Kerkgenootschap, staande onder een algemeen bestuur?

Volkslectuur was dit zeker niet. Maar voor juristen en predikanten ontstak het het noodige licht over de juridische zijde van de kerkelijke kwestie.

Dat overigens ook Professor Rutgers, zonder nu juist gebruik te maken van „dierbare” termen, de geestelijke zijde der zaak

|176|

allerminst vergat, blijkt b.v. uit drie leaders, die hij, toen Dr. Kuyper uitstedig was, in De Heraut van 25 April 1886 schreef.

In de eerste wijst hij er op, hoe door het Classicaal Bestuur in den kerkdijken strijd de majesteit van het Recht op allerlei wijze, en hoe langer hoe meer, werd miskend. En dan vraagt hij:

Zullen we dat vreemd, ja onbegrijpelijk achten? Maar neen! dat moest komen, sedert in de godgeleerdheid en in de prediking Gods recht hoe langer hoe meer op den achtergrond is gesteld. En de gevolgen zullen nog veel treuriger worden, naarmate die miskenning van Gods recht meer en meer doordringt in alle standen.
Laten zij, die Gods recht hebben leeren kennen, die zich naar dat recht veroordeeld en verloren gevoeld hebben, en die geen rust gevonden hebben dan door het geloof dat hun Verlosser aan dat recht heeft voldaan; laten zij althans toonen, dat zij blijven vasthouden aan de goddelijke majesteit van het Recht. Laten zij er toe meewerken om in hun omgeving althans het natuurlijke rechtsgevoel te handhaven. En wanneer zij zelven onrecht lijden, laat het dan hun troost zijn, dat de Heere zelf het recht der zijnen zal handhaven.
„Een iegelijk die den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.”

In de tweede leader wijst hij op de verbastering van de kerkelijke tucht, als ze gesteld wordt in den dienst der hiërarchie:

Kerkelijke bestuursleden, die, onder welken naam ook, zichzelven beschouwen als eene soort van kerkelijke overheden, worden door die positie als vanzelf gedrongen, hunne macht als zoodanig te handhaven. Vindt dit tegenstand in de gemeente, dan komen zij er van zelf toe, met alle hun ten dienste staande middelen het verzet te breken. En wanneer dan dat verzet zich gronden kan op Gods Woord, terwijl hunne eigene heerschappij zich daaruit niet laat rechtvaardigen, dan is wederom zeer natuurlijk, dat zij hoe langer hoe meer Gods Woord gaan ter zijde stellen, om zich achter hunne menschelijke inzettingen te verschansen. Op de zuiverheid van leer en van leven wordt dan allengs minder gelet; meer en meer wordt uitsluitend geijverd tegen alles wat de hiërarchie in gevaar brengt; strijd tegen haar gezag en ongehoorzaamheid aan haar reglementen wordt ten slotte de groote, de meest strafbare, de bijna onvergeeflijke zonde; en het is dan deze zonde, die bepaaldelijk getroffen wordt door de toepassing van de kerkelijke tucht. Zij verandert dan geheel van karakter, al behoudt men ook het woord en de vormen. Zij ontaardt tot een middel om de reglementen te handhaven, tot een steunsel voor de kerkelijke hiërarchie, tot een dwangbuis voor de overheerschte gemeenten, tot een wapen in den kerkdijken strijd.

En dan besluit hij met de bede:

Zij er maar in onze kerken, door des Heeren gunst, kennis van Gods Woord en van zijne ordonnantiën; bereidvaardigheid om zich daaraan tot eiken prijs te onderwerpen; opmerkzaamheid op de teekenen des tijds en op de lessen der geschiedenis; en een vast vertrouwen op de macht van de wezenlijke en de eenige kerkelijke overheid, op de almacht van den eeuwigen Koning, die door revolutie zijner dienaars toch nooit kan worden onttroond!

In de derde leader herinnert hij aan den modus vivendi, dien de Synode getracht had in het leven te roepen. Hij wijst er dan

|177|

op, dat orthodoxen en zelfs Irenischen, het recht des ongeloofs in de kerk nooit erkennen kunnen; zij het ook, dat eerstgenoemden wel bereid zijn tot eene schikking, wat de stoffelijke zijde der quaestie betreft.

Wil men dat niet, zoo gaat Prof. Rutgers voort, nu, het is ons ook goed. Het Koninkrijk Gods is niet: gebouwen en goederen en Staatstraktementen; maar gerechtigheid, vrede en blijdschap door den Heiligen Geest. En Christus’ kerk is niet een samenstel van reglementen, maar de vergadering der Christgeloovigen. Die kerk en die schatten kan geen mensch ons ontrooven. En daarvoor hebben we van de Synode ook geen modus vivendi noodig. We hebben en we houden dat leven, niet bij de gratie der Synode, maar bij de gratie Gods.

Om zulk een modus vivendi, ter voorkoming van de afzetting der geschorsten, met Professor Rutgers te bespreken, had Ds. Tinholt, lid der Synode In 1886, hem in Februari van dat jaar zelfs een bezoek gebracht. Ook had Professor Rutgers destijds een particuliere conferentie met den scriba van het Provinciaal Kerkbestuur, den heer J. van Witzenburg, met wien hij nog in Leiden gestudeerd had. Maar desondanks werden de geschorsten den 1sten Juli van dat jaar door het Provinciaal Kerkbestuur uit hun ambten ontzet.

Het was onder den indruk van dat vonnis, dat op den avond van Maandag 5 Juli d.a.v., de „geschorsten” met de wettige kerkmeesters en enkele hunner dames bijeen kwamen in Odeon, om aan Dr. Kuyper en Dr. Rutgers een bewijs van dank en hulde aan te bieden als blijk van broederlijk gevoel en ongeveinsde vriendschap, en tevens om hun daarin eenige vergoeding te schenken voor den smaad en hoon, in de laatste maanden en dagen hun aangedaan.

Aan Dr. Kuyper werd een Bijbel overhandigd, waarop afgebeeld stond de tempelreiniging, met het onderschrift: „De ijver van Uw huis heeft mij verslonden”; aan Dr. Rutgers een, waarop Petrus en Johannes voor den Joodschen raad, met het onderschrift: „Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen”.

Dit was dan ook inderdaad het Schriftwoord, waarmee Dr. Rutgers sinds zijn „Memorie inzake de Aannemingsquaestie” rusteloos tot reformatie had opgewekt. En al trad hij daarbij voor het groote publiek op den achtergrond, al liet hij het aan zijn trouwen wapenbroeder over, om het klavier der volksconscientie te bespelen, zijn aandeel in de bange worsteling was daarom toch niet minder dan dat van Dr. Kuyper. Was Kuyper de veldheer, Rutgers was de chef van de generale staf. Ook de Synode wist dat wel. En

|178|

daarom heeft ze er zelfs over gedacht, de geheele beweging tot reformatie te doen verloopen, door van de 80 geschorsten 78 vrij te spreken, en alleen Kuyper en Rutgers als de hoofdschuldigen af te zetten en uit te bannen. Om voor dat geval de gedragslijn der „geschorsten” te bepalen, heeft er in November ’86 dan ook een strikt vertrouwelijke conferentie plaats gehad met een dozijn medestanders uit alle provinciën. 1)

Maar op het Laatste Woord der bezwaarden in November tot de conscientie van de leden der Synode gericht, volgde den 1sten December haar bevestiging van het afzettingsvonnis.

Na deze definitieve uitspraak der voltallige Synode, brak de kerkeraad nu onverwijld den band met de Synodale organisatie van 1816 door, en keerde hij terug tot de op de Belijdenis gegronde Dordtsche Kerkenordening van 1618. Onder dagteekening van 16 December 1886 gaf de weer opgetreden kerkeraad van deze reformatie kennis in een door Dr. Kuyper opgesteld „Bericht van Reformatie”. Voor de kennisgeving echter aan Z.M. den Koning, gelijk voor allerlei officieele berichten, zorgde natuurlijk Professor Rutgers.

Wat er na dat breken met de Synodale organisatie in zijn ziel omging, worden we gewaar uit zijn leerrede, op den 2den Kerstdag 1886 in „Frascati” uitgesproken. In een voorafspraak herinnerde hij aan de ontvangst, die aan Jezus bij zijn komst in de wereld ten deel viel: „Geen plaats voor Hem!” De herinnering aan die eerste ontvangst drong zich in dit jaar wel bijzonder op.

Ziet, we waren er lang aan gewoon geraakt, dat er, hier en elders, hoe langer hoe minder met den Heere gerekend werd; dat in telkens ruimeren kring huis en hart voor den Heiland gesloten werd; dat in Staat en maatschappij op bijna ieder gebied de leuze gevolgd werd: hier is voor Jezus geen plaats! Ook zelfs in de kerk, die zich naar Hem noemt, nog wel met den titel van gezuiverde kerk; ook zelfs in die kerk was het ons al lang niet vreemd meer, ook al had het nooit mogen toegelaten of geduld zijn, dat Hij bij de prediking, bij het onderwijs, bij de kerkregeering, door velen werd terzijde gesteld. Maar het jaar dat voorbijging heeft nu aan dat alles nog toegevoegd, dat men die verwerping als een regel, die voor al onze kerken bindend zou zijn, heeft willen doordrijven; dat men haar heeft willen stempelen tot het levensbeginsel der Hervormde kerk, zoodat ieder die zich daartegen inzette, zoo hij niet vrijwillig uittrad, met geweld zou moeten worden uitgeworpen. Het zou nog vergund zijn, in Hem te gelooven en van Hem te spreken, maar daarnevens zou het recht om Hem te verwerpen ook moeten


1) Een en ander weet ik van Prof. Rutgers zelf, uit een brief, dien hij mij 20 Nov. ’15 schreef naar aanleiding van mijn Strijd voor Kerkherstel.

|179|

erkend worden; en voorts zou dat geloof en die prediking zich tot woorden te bepalen hebben, zonder dat ook mocht beproefd worden om er kerkelijk naar te leven. Metterdaad dus geen plaats voor Hem in zijn eigen kerk! In die kerk, die reeds eenmaal gereformeerd is, juist om Hem te laten op de plaats die Hem toekomt, met verwerping van de hiërarchie, die zich in zijne plaats had gesteld! In die kerk, wier roeping het juist is om met woord en daad van Hem te getuigen, en Hem daardoor plaats te maken in de menschenwereld! O! het is ontzettend en ook diep verootmoedigend, dat het zoover moest komen. Maar dit althans heeft de Heere er door uitgewerkt, dat dan nu toch de oogen beginnen open te gaan; en dat op de leuze der machthebbers die Hem willen verdringen: „plaats voor ons en voor onze hoogheid, voor ons gezag en voor onze reglementen!” door de kerk des Heeren, hier en elders, geantwoord is, en nog wel meer geantwoord zal worden: „Neen, dat nooit! Weg met eene organisatie, die zoo duidelijk blijkt met het recht des Heeren niet bestaanbaar te zijn, en dan weer gebogen voor Hem alleen! Hij is onze Rechter, Hij is onze Wetgever, Hij is onze Koning; en al zijn we dan ook klein van aantal en kracht tegenover tegenstanders die talrijk en machtig zijn, Hij zal ons toch behouden!” — Moge dat bij toeneming onze leuze zijn; en en moge ook de herinnering van den Kerstdag er toe hebben meegewerkt om Hem plaats te doen vinden; om Hem plaats te maken bij al de zijnen, in hun hart en hun huis, maar dan ook juist daarom in de kerk.

Met die leuze was door de Kerk des Heeren hier en elders reeds geantwoord, n.l. te Kootwijk, Voorthuizen, Reitsum en Amsterdam. Maar Professor Rutgers voorspelde, dat er nog wel meer kerken zouden volgen. En zijn voorspelling kwam uit, nadat, overeenkomstig het besluit der conferentie van 11 April 1883, de kerkeraad van Amsterdam tegen 11 Januari 1887 en drie volgende dagen in het gebouw Frascati een Kerkelijk Congres bijeenriep van opzieners en gemeenteleden, „die de afwerping van het juk der Synodale Hiërarchie plichtmatig achtten voor ieder, die het Koningschap van Jezus in Zijn kerk wil eeren”.

In de voorbereiding voor dit keurig ineengezette Congres had Professor Rutgers met zijn organiseerend talent zonder twijfel weer het hoofdaandeel.

Dr. Hoedemaker echter, die het recht der plaatselijke kerk tot verbreking van het kerkverband ontkende, had bezwaar tegen de onderteekeningsformule, en disputeerde daarover, even voor den aanvang van het Congres, in de poort van Frascati, met Dr. Rutgers. „Dr. Hoedemaker tegenover Dr. Rutgers! Twee achtbare, twee geleerde mannen, beiden Hoogleeraren aan de Vrije Universiteit, maar overigens tegenvoeters. De man van de golvende lijn tegenover den man van de strakke lijn. De man, die in de geheele wereld beelden zag van de geestelijke dingen, tegenover den man die — om zoo te spreken — alles terugbracht tot wiskunstige formules. De idealist tegenover den realist. Die twee moeten

|180|

elkaar wel als levende raadselen hebben aangestaard!” (C.A. Lingbeek). 1) Een korte, kerkrechtelijke schermutseling ontstond, waarin Dr. Rutgers zich beriep op Voetius, die wel degelijk het recht der plaatselijke kerk erkend had, om iemand, die met attestatie uit een onrechtzinnige gemeente kwam, niet tot de gemeenschap der kerk toe te laten. Maar het einde was, dat Dr. Hoedemaker geen deel nam aan het Congres.

Op den eersten dag van het Congres hielden de Professoren Rutgers, De Savornin Lohman en Kuyper hun referaten over de voorgestelde resolutiën inzake de afwerping van het juk der tweede Hiërarchie. Dat van Professor Rutgers was getiteld: De Hiërarchie in haar kerkbedervend karakter. En de resolutie van zijn referaat luidde:

„De broeders van Gereformeerde belijdenis, uit onderscheiden Nederlandsche Gereformeerde Kerken voor het aangezicht des Heeren alhier saamgekomen;
op grond van Gods Woord van harte instemmende met de belijdenis, die onze Kerken op het stuk van kerkregeering tegenover Rome hebben uitgesproken, en mitsdien in hunne conscientie gebonden om die belijdenis ook thans tegenover openbaar geworden afwijking te handhaven;
betuigen en verklaren, dat de Synodale Hiërarchie, die in 1816 aan onze Kerken is opgelegd, gebleken is onbestaanbaar te zijn met de erkenning van Jezus Christus als haar Hoofd en haar Koning; en door het haar inwonend beginsel er met onweerstaanbare kracht toe drijft, dat voor de vergadering der geloovigen met hun zaad, gelijk de Kerke Christi zijn moet, in de plaats komt een gansch wilde vermenging; dat het gezag van Gods Woord vervangen wordt door de willekeur en de autoriteit van menschelijke inzettingen; en dat het Koninklijk Regiment van den Zone Gods wordt teruggedrongen door eene hiermee onbestaanbare bestuurstirannie”.

Ook in dit referaat verloochende Dr. Rutgers zijn kerkhistorischen zin niet. Lees slechts:

Nooit meer een nieuwe hiërarchie! was de leuze van den Amsterdamschen Kerkeraad, toen hij, (gelijk in zijne Acten te lezen staat) kort na de Reformatie, van een drietal predikanten één naam weer schrapte, enkel en alleen omdat van dien predikant verzekerd werd, dat hij vroeger in Duitschland zich niet ongenegen getoond had om een kerkelijk super-intendentschap te aanvaarden. Nooit meer eene nieuwe hiërarchie! bleef de leuze toen een honderd jaar later een Leidsch


1) In: Dr. Ph.J. Hoedemaker. Gedenkboek. (1908), blz. 135.

|181|

hoogleeraar (Frederik Spanheim) zich wat al te ingenomen toonde met de inrichting der Episcopale Kerk in Engeland, en toen hij door het krachtig verzet dat zich openbaarde wel gedwongen werd, de tegen hem gerezen verdenking door eene nadere verklaring zooveel mogelijk van zich af te weren. En voorts is datzelfde de ernstige waarschuwing, die door de uitnemendste leeraars onzer kerken haar telkens gegeven werd, en die met name door Voetius zoo gedurig herhaald en zoo met nadruk ingescherpt is.
En voorwaar! er was alleszins reden om met zooveel waakzaamheid toe te zien en zoo dringend te waarschuwen. Men wist uit de geschiedenis, en men had nog pas te voren gezien en ervaren, wat de aard en de werking is eener hiërarchie: hoe zij in haar eerste opkomen zeer onschuldig en zelfs zeer aanbevelenswaardig kan schijnen; maar hoe zij daarna allengs en geleidelijk zich ontwikkelt tot eene voor de Kerk verderfelijke en den Heere vijandige macht; en hoe, als zij wel gevestigd is, die macht inderdaad tot een werktuig des Satans wordt, met een bijna onweerstaanbaar geweld alles aan zich onderwerpende, en er juist op berekend om het leven der Kerke te drukken, te binden, te beschadigen en te dooden.

Vervolgens wees de referent nu aan, dat ook de Synodale organisatie van 1816 een hiërarchie is; waarna hij met deze opmerking besloot:

O! dat toch al onze kerken daarvoor eenig oog mochten krijgen! Dat toch algemeen mocht erkend en gevoeld worden, hoe verderfelijk zulk een toestand is! Dat het iederen geloovige toch met ernst mocht ter harte gaan, wanneer onze Koning door zijn eigen dienaars naar de kroon wordt gestoken; wanneer zijn gezag en zijn Woord in zijn Koninkrijk niet meer geldt; en wanneer zijn lichaam, voor zooveel dat aan menseden hangt, wordt mishandeld, verminkt en vermoord.
Ja! het is de Synodale hiërarchie, die zich aan dien gruwel schuldig maakt. Maar gij allen, leden van die kerken, die aan daar nog verbonden zijn, het geschiedt toch ook van uwentwege; ook in uw naam.
En wat dan te dien aanzien uwe roeping is? O! als God u de oogen geopend heeft, dan behoeft dat eigenlijk geen aanwijzing meer. Ge kunt dan niet zwijgen en toezien. Diep verootmoedigd over eigene ontrouw en schuld, kunt ge met die zonde dan geen vrede hebben. De conscientie dringt dan, om er mee te breken, allereerst door een openlijk getuigenis. En van ganscher harte neemt gij de verklaring dan over, die in de Eerste Resolutie wordt voorgesteld.
Als dat waarlijk meenens is, dan ligt daarin eene kracht, die ook zelfs de machtigste hiërarchie te sterk is. Zij kan stand houden, als het zijn moet tegenover alle machten der wereld; maar is volkomen machteloos tegenover eene gemeente, die haar in den Naam des Heeren oordeelt.
Dat oordeel blijft, juist omdat het door den Heere reeds is uitgesproken. Dat vonnis werkt, juist omdat Hij zelf het voltrekt. Dat getuigenis overwint, juist omdat het rust op zijn eigen getuigenis.
Alzoo dan, „gij allen die des Heeren doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij u zijn!”

Voorts presideerde Professor Rutgers onderscheidene secties, die in de bijzalen van het gebouw gehouden werden om allerlei

|182|

classicale, plaatselijke en bijzondere belangen te bespreken. En de Adviezen dezer zakelijke sectiën werden later door hem of in overleg met hem vastgesteld. En gelijk hij reeds in 1880 aan zijn „Memorie inzake de Aannemingsquaestie” eenige modellen voor de te nemen besluiten als bijlagen had toegevoegd, zoo zorgde hij nu ook voor een Modelboekje, met Concept-formulieren voor alle besluiten en brieven, die bij de afwerping van het juk der Synodale Hiërarchie te schrijven waren.

En op den laatsten dag van het Congres, Vrijdag 14 Januari, hield Professor Rutgers nog de toespraak ter inleiding van de vierde zitting. Hij begon toen aldus;

M.H.! Het is de laatste zitting van ons Gereformeerd Kerkelijk Congres, die zoo even geopend is. Als zij straks zal gesloten zijn, gaan we uit elkander, om weer verspreid te zijn in de honderden steden en dorpen, waaruit we herwaarts zijn opgekomen. Maar al is ons samenzijn dan voorbij, de zaak die ons samenbracht laten we hier niet achter. Zij gaat mee met een iegelijk onzer, om dan nu in kleiner kring te worden ter harte genomen. Immers is juist dit de bedoeling van het gansche Congres, dat het hier behandelde onderwerp nu in al onze kerken zou worden aan de orde gesteld. Als broeders van Gereformeerde belijdenis waren we hier bijeen; en dus niet alleenlijk, of ook in de eerste plaats, voor eigen geestelijke genieting; maar wel degelijk tot verheerlijking van den Naam des Heeren. Dat die Naam ook op kerkelijk erf weer de eere ontvange die Hem toekomt, dat was en is en blijft onze eerste bede. En juist daarom was ons doel, om elkander te wijzen op hetgeen Gods Woord te dien aanzien aan een iegelijk onzer als zijne roeping voorstelt. Als het goed is, gaat de indruk van het hier gehoorde dan ook straks met ons mee. We zijn dan te dieper verootmoedigd over onze kerkelijke ontrouw; maar ook des te meer opgewekt om nu voortaan met die zonde te breken. De zoo noodige Reformatie onzer Kerken, ook door afwerping van het juk der Synodale hiërarchie, is ons dan een zaak van heiligen ernst. En we gorden ons dan aan, in de mogendheid des Heeren, voor de roeping die we te dien aanzien te vervullen hebben, met verhoogde veerkracht, met verhelderd inzicht, en met een eenparigen zin.
Uit den aard der zaak gaan we dan ook strijd, en misschien wel zwaren strijd te gemoet. Ook in dit opzicht zijn Gods gedachten en wegen geheel anders dan de wegen en gedachten, die er bij den mensch van nature opkomen. Voor des Heeren discipelen blijft het altijd gelden, dan althans wanneer zij in der waarheid Hem trouw willen zijn: „In de wereld zult gij verdrukking hebben.” En er komt dan veel en velerlei, dat de vijand der ziele gebruikt, om ons van des Heeren wegen weer af te leiden.
Laat mij, daaraan gedachtig, bij deze laatste samenkomst u een Schriftwoord medegeven, dat de Heere oorspronkelijk bestemd heeft voor de onderscheiden verzoekingen, waarin we zullen gebracht worden, en dat dan voor ieder van die verzoekingen eene bepaalde waarschuwing geeft.

Professor Rutgers bepaalde nu de aandacht zijner hoorders bij Lukas XII : 1-12. O.m. sprak hij:

„Vooreerst, wacht uzelven voor den zuurdeesem der Farizeën, welke is geveinsdheid.”

|183|

Ge zult toch wel niet meenen, M.H.! dat die waarschuwing nu voor ons overbodig is? Wie dat dacht, zou den Heere zelven tegenspreken, en zou eigenlijk toonen dat dat woord juist voor hem te meer noodig is. o! Zeer zeker, ik wil gaarne aannemen, dat gij hier niet als een hypocriet onder de broederen geweest zijt, en dat ge waarlijk gemeend hebt wat ge deze dagen op allerlei wijze hebt uitgesproken. Maar zou daaruit nu reeds volgen, dat ge ook in het midden der tegenstanders even kloek en krachtig getuigen zult; dat ook in het licht van u zal gehoord worden, wat hier in het verborgen gesproken is; dat ook van de daken door u zal gepredikt worden, wat hier in de blnnenkameren is gezegd? Och! er waren er zoovelen, in de dagen der groote Hervorming, die in den vertrouwden kring van Gereformeerde broederen o! zoo beslist voor den dag kwamen, maar dan daarna in eene Roomsche omgeving er weer niets van lieten merken; die, zooals men dat toen wel uitdrukte, alleen ’s nachts Gereformeerd waren en dan overdag weer goed Roomsen waren; juist zooals Nicodemus, gelijk zij tot verontschuldiging hunner halfheid dan nog durfden zeggen. Ja! valschelijk zoogenaamde Nicodemussen, riep Calvijn hun toen toe; hadt ge maar een weinigje van dien Nicodemus, die, met veel minder kennis dan u gegeven is, toch reeds in het Sanhedrin voor den Heere durfde opkomen, en Hem daarna openlijk beleed juist bij en na zijn kruis! — Ziet, M.H.! daar is velerlei geveinsdheid; en ons hart is arglistig. Laat toch niemand meenen, dat hij ’s Heeren waarschuwing niet zou noodig hebben. En laten we allen bedenken, dat toch eens de dag der openbaring komt. Ge hebt zeker niet te vreezen, dat door menschen al het hier verhandelde, ook met bijvoeging van uw naam, zal geopenbaard worden. Maar het zal toch eens gedaan worden door den Heere zelven. God verhoede, dat het dan voor iemand onzer tot beschaming zou zijn; dat de bijwoning dezer samenkomsten dan nog tegen hem getuigen zou!

Van hoeveel menschenkennis getuigde deze waarschuwing! En hoe heeft later de droeve houding van menig Congres-bezoeker wel bewezen, dat deze waarschuwing waarlijk niet overbodig was!

Volgens besluit van het Congres kwam er ’n half jaar later, den 28sten Juni, te Rotterdam een Synodaal Convent van ontkomen kerken bijeen. En hier werd Dr. F.L. Rutgers, emeritus predikant, die als consulent van ’s Gravenhage met keurstem was afgevaardigd, tot praeses gekozen. Van zijn openingswoord geeft art. 6 der Acta dit resumé:

,,De praeses wijst er op, dat hij zich niet behoeft aan te bevelen in de welwillendheid van de leden der vergadering, daar men vooral van broeders van éénzelfde gereformeerde belijdenis samenwerking verwachten mag. Hij herinnert, dat het op dezen 28 Juni, den eersten dag van dit Synodaal Convent, juist 313 jaren geleden is, dat de eerste Synode van de ontkomene Kerken uit Holland en Zeeland hare laatste zitting te Dordrecht hield. Tusschen toen en thans is veel overeenkomst, maar ook nog veel onderscheid. Ook nu hebben wij in meerdere of mindere mate dagen van strijd achter ons, maar de broeders van 1574 kenden

|184|

den strijd nog in geheel andere mate. Men was te Dordrecht samen, als het ware te midden van Spaansche legers, die op drie verschillende plaatsen Holland bezet hadden, en die pas te voren het leger der Gereformeerden op de Mookerheide verslagen hadden. Leiden was sedert kort weer belegerd. De Noord-Hollandsche Kerken moesten berichten, dat haar afgevaardigden, te land en ter zee door den vijand ingesloten, van de reize naar Dordrecht hadden moeten afzien. Op slechts weinige uren af stands, en terzelfder tijd dat de Synode gehouden werd, vielen twee predikanten uit de Dordtsche Classis zelve, van welke de een door die Classis ter Synode was afgevaardigd, den Spanjaarden in handen, en werden terstond opgehangen. In het algemeen was de toestand van dien aard, dat allen, die aan die Synodale vergadering deelnamen, zich wel konden beschouwen als met een strik om den hals en met één voet op het schavot daar ter neder zittende. En toch, — op de 60 bladzijden folio van de notulen dier vergadering komt geen enkel woord voor dat verraadt onder welke pijnlijke omstandigheden deze broeders .samen waren. Zelfs omtrent Noord-Holland en de Classis van Leiden werd niet meer opgeteekend, dan dat er uit die Kerken niemand was opgekomen. Kalm en rustig werd alles afgehandeld. Laat dit ons ten voorbeeld zijn. Zij er onder ons, gelijk onder hen, geloofsmoed, geloofskalmte, geloofsrust, om, ziende op het Woord, te gaan in de wegen des Heeren, zucht voor orde en regel, om, gelijk de vaderen te midden van zooveel zwaarderen strijd, de zuivere lijnen te trekken. Dan mogen wij vertrouwen, dat God het werk uit genade zegenen zal.” 1)

Van geloofsmoed, geloofskalmte en geloofsrust getuigde ook het optreden van Professor Rutgers te Wons, 24 Juli d.n.v., toen hij er den heer T.D. Prins, candidaat in de Heilige Godgeleerdheid aan de Vrije Universiteit, tot de bediening des Woords inleidde. Er was daar te Wons in de laatste dagen veel beroering doorleefd. De strijd om het kerkgebouw had er zelfs tot een verwoed gevecht geleid. En bij de bevestiging bevond zich onder de kerkeraadsleden ook een Malchus, wiens oor nog niet eens geheeld was van den ontvangen houw. Op dezen dag der bevestiging


1) Vermeldenswaard is voorts nog, dat dit Convent, door Dr. Mr. W. van den Bergh, namens de samenroepende kerk van Voorthuizen geopend met het gebruikelijke gebed voor de handelingen van den kerkeraad, aan het einde van den eersten zittingsdag door Professor Rutgers als praeses gesloten werd met het gebed na de handelingen van den kerkeraad. En ook de volgende zittingen opende en sloot hij telkens met deze formuliergebeden. Vergelijk voor zijn gevoelen omtrent formuliergebeden blz. 97.

|185|

was nu de burgemeester met negen rijks- en gemeente-veldwachters voor het gebouw tegenwoordig, om den synodalen ringpredikant tot den kansel toe te laten. Deze voorzorg was echter geheel onnoodig, aangezien bij Professor Rutgers en bij den consulent Ds. J.C. Sikkel, van Hijlaard, die aan de handoplegging zou deelnemen, volstrekt geen plan bestond om geweld tegenover geweld te gebruiken. Vergezeld van zijn moedige gade, stapte Professor Rutgers dan ook rustig tusschen de gewapende macht door, naar een voor de godsdienstoefening ingerichte schuur. Daar bevestigde hij zijn leerling, na een voortreffelijke predikatie over Hand. 3: 22b: „Dien zult gij hooren in alles, wal Mij tot u spreken zal”. Aangetoond werd, dat de gemeente den den Heere alleen, Hem in alles en van ganscher harte moest hooren. Inzonderheid richtte de bevestiger zich tot den jeugdigen Bedienaar des Woords, hem toebiddende wijsheid en kracht om te midden der beroeringen in deze gemeente, in liefde werkzaam te zijn, opdat de band, tusschen leeraar en gemeente thans gelegd, mocht worden versterkt en gegrond mocht blijven enkel en alleen op het fundament van Gods Woord in Christus Jezus den Heer.

Het was wel een bewijs van zijn reformatorischen ijver, dat Professor Rutgers, die zich anders zelden tot het vervullen van een predikbeurt liet bewegen, in deze dagen meermalen, niet alleen te Amsterdam, maar ook elders, in den dienst des Woords voorging, om een reformatiepreek te houden.

Zoo had hij als consulent van ’s Gravenhage daar op 26 Juni 1887 de verkozen ouderlingen en diakenen in hun ambt bevestigd met een indrukwekkende leerrede over het opschrift boven het kruis: „Deze is Jezus, de Koning der Joden”. En nadat daar onder zijn leiding, Ds. Sikkel, van Hijlaard, tot herder en leeraar beroepen was, bevestigde hij dezen op 18 November 1888 met een predikatie over 1 Cor. 3: 9-17.

Des avonds hield de bevestigde een intreepreek over De eenheid der Kerk, volgens Efeze 4: 4-13. Aan het einde sprak Ds. Sikkel zijn bevestiger aldus toe:

„Geliefde broeder Rutgers! Als Consulent hebt gij de Kerk van ’s Gravenhage in haar nood treffelijk bijgestaan. Vergun mij u daarvoor bij dezen openlijk den dank der Gemeente te betuigen. Och, of in mijn arbeid de zegen, de vrucht ook nog van uw arbeid volge! Ontvang ook mijn persoonlijken dank voor de wijze waarop gij als Dienaar des Woords mij in mijn dienst hebt willen bevestigen. Blijft mij steunen door uw gebed, door uw raad, door al uw arbeid, waardoor gij ’s Heeren Dienaars en zijn Kerken in

|186|

Nederland door de rijke bedeeling der genade Gods over u in zoo groote mate tot leering, leiding en ondersteuning zijt. Neen, wij zullen U niet verheerlijken, maar wij laten U ook niet verguizen; wij zullen niet vergeten en verzwijgen, dat het den Heere beliefd heeft, bijzonder door uw dienst ons de paden weer te wijzen, die naar het Woord zijn tot opbouwing des lichaams van Christus; tot eenigheid. Uw arbeid is ook voor mij persoonlijk ten rijken zegen geweest. Spare, zegene u de Heere!
Spare en zegene Hij de Hoogeschool ook, wier Rector gij zijt. Zij heeft mede den regel van isolement aanvaard, teruggaande naar het fundament. Tot wederopbouwing van wat verbroken ligt. De vrucht zal volgen, ten bate van het lichaam van Christus, van de wetenschap en van geheel ons volk. Rector! houd uwe school bij het Woord; en groeie zij door de genade, die in Christus Jezus is!”

Ook voor de reformatie der Kerk heeft deze Hoogeschool veel mogen doen. Want al meende de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag, zelve als vereeniging zich buiten het kerkelijk conflict te moeten houden, toch werd in die dagen niet vergeten, dat juist het diep verval der Kerk de reden was geweest, waarom de Vereeniging indertijd was opgericht. Daarom heeft toen met name Professor Rutgers als Hoogleeraar in het Kerkrecht zijn heilige roeping niet verzaakt, om ook op zijn colleges het recht der kerken in helder licht te stellen, en zijn studenten te wapenen in den strijd tegen de reglementaire organisatie van 1816. Onwaardeerbaar is de hulp, die de Vrije Universiteit hierin geboden heeft tot vrijmaking der Kerken, en voorts in het verschaffen aan die vrijgemaakte kerken van heel een corps wel-onderlegde candidaten in de godgeleerdheid.

Hoeveel Professor Rutgers door zijn mondelinge en schriftelijke adviezen gedaan heeft tot verlossing der kerk uit zondige banden, zagen we reeds in de vorige paragraaf. 1) Hier echter wijzen wij nog op een bijdrage van zijn hand in De Heraut van 8 en 15 Januari 1888: Van de Kercke. Ze begon aldus:

In het jaar 1579 heeft een der leiders van de Gereformeerden in Frankrijk, de beroemde Mornay du Plessis, een boek in het licht gegeven, dat bestemd was om de reformatie tegenover Rome te verdedigen. Het is betrekkelijk klein en handelt ook slechts over één enkel geschilpunt; maar het is toch een belangrijk werkje, om zijn degelijken vorm en voor ieder verstaanbaren inhoud; zeker een der beste strijdschriften uit dien tijd. Vandaar, dat reeds terstond na de uitgave


1) Blz. 148.

|187|

eene Hollandsche vertaling door velen gewenscht werd; en Lukas de Heere, dien men voor die taak als aangewezen achtte, heeft in overleg met den schrijver aan dien wensch voldaan, door in het jaar 1580 zijne vertaling, met een opdracht aan Prins Willem, te doen uitkomen. Belangrijk is dat werkje ook nu nog in allerlei opzicht, onder anderen om het kerkelijk standpunt der Gereformeerden tegenover Rome kort en duidelijk in het licht te stellen. En dat heeft dan waarlijk niet alleen maar een historisch belang. Daar de kerkelijke quaestiën van de 16de eeuw telkens opnieuw zich weer voordoen, heeft het ook zijn practisch nut, telkens weer op te merken, hoe men in den bloeitijd onzer kerken daarover gehandeld heeft. Daartoe volgen hier dan een paar uittreksels uit het bedoelde „Tractaet ofte Handelinge van de Kercke”.

O.a. werd het volgende aangevoerd tot verdediging van het kerkelijk standpunt der Gereformeerden tegenover Rome:

Ten vierden, houden sy ons voren datter gheenen Doop en is dan in de Kercke; ende dat wy ons van hen scheydende, oock van de Kercke scheyden. Het is waer daer en is gheenen Doop buyten de Kercke, ende wy en loochenen oock niet dat de Roomsche Kercke een Kercke sy, want selfs als wy houden dat de Antechrist daerin regneert soo houden wy dien volghende dattet een Kercke is, midtsgaders dat hy nerghens en can sitten dan in de Kercke. Maer het is een ander saecke hem van de Roomsche Kercke te scheyden, ende een ander saecke hem van de ghemeynschap der alghemeyner Kercke te onttrecken, ghelykerwys wy hier bouen verclaert hebben. Ten anderen wy en scheyden ons vanden tempel niet, maer van de afgoderye die in den tempel ghebuert, noch van de ghemeynte niet maer van de tyrannie die de selue onderdruckt, noch van de stadt niet, maer van de peste die de selue verghift, noch van de ghemeynschap des volcks, dwelck wy alle voorspoet ende geluck toe wenschen, inner van de conspiratie des Antechrists ende synder supposten. Soo dat wy haeren Doop niet en versaecken, maer den seluen beuestighen. Wy syn door den seluen verbonden Godt te dienen, ende den Duuel te uersaecken ende wy loecken hem volghende dien naer syn woort te dienen, ende de afgoden te uersaecken. Wy syn door die brieuen des borgherschaps verbonden de oude wetten der Christelicker ghemeynte, de welcke de Kercke is, te onderhouden, ende volghende de selue houden wy haer de wet Godes haeres eenighen wethouders wederom voren, ende begheeren de Kercke te verlossen van alle die nieuwe instellinghen, waermede de Antichrist de consciencien beswaert heeft. Wy hebben door den Doop Christo eedt ghcdaen, ende de Paus wilt ons van Christi dienst tot syn afgoden, ende tot hem seluen aftrecken. Soo dat wy nu Christo dienen teghen den Antechrist, ende de Kercke teghen syn conspiratie; want het is te dier oorsaecke dat wy door de ghenade Godes in de Kercke ghedoopt syn ghewecst, hoe seer dat de selue ghetyranniseert ende verdruckt gheweest is.

Welnu, gelijk onze vaderen in de eeuw der Hervorming met de afschudding van het juk der Pauselijke hiërarchie slechts bedoelden, tot den getrouwen dienst des Heeren in Zijn Kerk terug te keeren, zoo handhaafde Professor Rutgers nu ook krachtig het beginsel, dat de nieuwe reformatie onder zijn leiding enkel en

|188|

alleen bedoelde een afwerping van het juk der synodale Hiërarchie, om daardoor de aloude kerk, die eens in het bloed der martelaren gezuiverd was, weer in het aloude historische kerkverband te doen optreden. En in navolging van de doleerende kerken, uit den aanvang der 17e eeuw, wier aktenstukken hij reeds in zijn rectorale oratie van 1882 van onder het stof had te voorschijn gehaald, is hij de ontkomene kerken in doleantie voorgegaan, toen haar belet werd zich als de aloude Gereformeerde kerken te doen gelden. Bij haar gedwongen zelfstandig optreden als Nederduitsche Gereformeerde kerken heeft hij ze vaderlijk geleid in het pad van het zuivere kerkrecht. Het nieuw opkomend kerkelijk leven is door hem met veel tact georganiseerd. Heette Dr. Van den Bergh „het geweten der Doleantie” en Dr. Kuyper „de ziel” ervan, Dr. Rutgers was het denkende en beraadslagende hoofd, dat de beginselen uitdacht en uitwerkte. De verhouding en gedragslijn van de vrijgemaakte kerken ten aanzien van hen, die in het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap waren achtergebleven, de positie van „de Kerkelijke Kas”, het voeren van de kerkelijke processen, de verhouding tot de theologische Faculteit der Vrije Universiteit, en nog zooveel meer, het weid alles door hem geformuleerd en geregeld. Heel de reformatorische beweging der Doleantie zou dan ook, zonder zijn leiding, naar den mensen gesproken, ondenkbaar zijn geweest.

Ook tot de reformatie van het ouderlingschap gaf hij een krachtigen stoot op het Ouderlingen-Congres, dat 12 en 13 December 1888 te Utrecht gehouden werd, en waar hij bij elk onderwerp, dat aan de orde kwam, onvermoeid zijn principieele en zaakrijke adviezen gaf.

Voorts ging van hem het initiatief uit tot kerkelijke zending en in verband daarmee tot bijeenroeping van het Zendings-Congres te Amsterdam op 28-30 Januari 1890. In de Acta der voorloopige Synode te Utrecht, 1888, 1e gedeelte, blz. 62 en 63, lezen we dienaangaande:

„Het volgende voorstel, door Dr. F.L. Rutgers ingediend, wordt door de Synode aangenomen:
De Synode, kennis genomen hebbende van het verslag van Deputaten, door het Synodaal Convent benoemd inzake het werk der Zending onder Heidenen en Mahomedanen, en van het rapport der Commissie van Praeadvies;
ontslaat de Deputaten met dankzegging;
zij besluit de B.B. Ds. F. Lion Cachet en ouderling W. Hovy, andermaal te committeeren om de kerken tot meerdere

|189|

belangstelling in het werk der Zending, bepaaldelijk in onze eigen koloniale bezittingen, op te wekken, daarvoor bestemde gelden te administreeren, en voorts verder voorbereidende stappen te doen, opdat de Zending, thans door Vereenigingen in ons land behartigd, zoo spoedig door de Kerken worde overgenomen en voortgezet.
Aan die Deputaten zij ook opgedragen, in overleg met Dr. L. Wagenaar, het saamroepen van een zendingscongres in een geschikt daartoe gelegen plaats, ter bespreking v.m het werk der zending met daartoe afgevaardigde leden van kerkeraden. Eindelijk zij aan de genoemde Deputaten opgedragen, de eerstvolgende Synode te dienen van advies inzake de verkondiging van het Evangelie aan de Joden, wonende in ons land en in onze koloniën.”

Maar vooral heeft Professor Rutgers er toe meegewerkt dat de kerken uit de Doleantie zich in 1892 vereenigden met de kerken uit de Afscheiding. Op de voorbereidende conferenties daartoe legde zijn oordeel groot gewicht in de schaal. En toen de vereeniging eindelijk tot stand kwam, was hij de ontwerper van die gansche reeks van overgangsbepalingen en nieuwe regelingen, die zoowel voor de Overheid als voor de innerlijke organisatie noodig waren, en die alle door hem zóó juist geformuleerd werden, dat ze tot geen enkele moeilijkheid aanleiding gaven. En zoo mag hij met recht ook de vader genoemd worden van „de Gereformeerde Kerken in Nederland” in haar tegenwoordigen vorm. 1)

Op de laatste voorloopige Synode van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken, waarop tot de vereeniging met de Christelijk Gereformeerde Kerk besloten was, dankte Dr. Van Goor als assesor den praeses, Dr. Kuyper, om wat hij voor de kerken uit de Doleantie geweest was. Dr. Kuyper zeide toen, dat hij die dankbetuiging alleen dan kon aannemen, als hij dien eerlijk deelen mocht met zijn kerkelijken tweelingbroeder, Dr. Rutgers, wien zeer zeker de helft van den dank toekwam. „Want”, zoo sprak Dr. Kuyper, „we hebben alles samen gedaan”. En bij het afsterven van zijn trouwen vriend Rutgers betuigde Dr. Kuyper in De Heraut (no. 2044), dat Rutgers in de Doleantie-beweging steeds de helft, vaak meer dan de helft der vele besognes voor zijn rekening nam, en dat zijn aandeel in die bange worsteling zooveel rijker is geweest dan dat van Dr. Kuyper.


1) Ook de vele concepten ten dienste van de kerkeraden opgesteld, en opgenomen in de uitgave der Kerkenordening van de predikanten Renkema en Rudolph, 1906, zijn van zijn hand of op zijn advies geplaatst.

|190|

Ongetwijfeld kwam dan ook aan Dr. Rutgers het hoofdaandeel toe in de reformatie der Kerk. Niemand toch heeft zóó beslist en zóó aanhoudend als hij, het verzet tegen de Synodale Hiërarchie georganiseerd. Hij heeft haar een slag toegebracht, die in de historie blijft natrillen, en die tot in geslachten de toekomst van ons kerkelijk leven zal blijven beheerschen. Deze beoefenaar der kerkhistorie heeft door zijn reformatorische actie ook zelf kerkhistorie gemaakt en zal in de heugenis der kerkhistorie allermeest als kerkreformateur blijven voortleven. En hij heeft haar gereformeerd met een onversaagden geloofsmoed en een ijvervolle liefde, die men bij dezen stillen geleerde niet zou hebben verwacht. Want zijn aangeboren neiging was veelmeer, om zich in zijn studeerkamer te midden van zijn rijke bibliotheek op te sluiten. Maar de nood der Kerk was hem opgelegd. Het recht van den Koning der Kerk ging hem boven alles ter harte. Daardoor is zijn leven, in overgegevenheid aan het Woord des Heeren, een held inleven geworden. En zijn heldenmoed werd bekroond in de ontkoming van vele kerken aan zondige banden, en in haar gehoorzaam buigen onder het zachte juk van Jezus Christus.

___

 

Rullmann, J.C. (1918) HIV.7

7. Als Spreker.

Reeds gedurende zijn predikantschap hebben we Dr. Rutgers nu en dan als spreker zien optreden; in zijn Vlissinger-periode als machtig debater op politieke vergaderingen, 1) en in zijn Bosscher tijd als talentvol verdediger van „vrije studie” op de Predikanten-vereeniging. 2)

Maar ook gedurende zijn Hoogleeraarschap is Prof. Rutgers een spreker van beteekenis gebleven. Geen redenaar in den gangbaren zin van dat woord; hij was evenmin volksredenaar als kanselredenaar. 3) Schoone zinswending, bloemrijke taal, schitterende beeldspraak moest men bij hem niet zoeken. Als hij sprak hield hij geen memorisatie, maar een improvisatie. Niet op den vorm, maar op den inhoud kwam het bij hem allereerst aan.

En als hij in het openbaar sprak, scheen het wel, of hij eerst nog eenigen schroom moest overwinnen. Maar weldra werd zijn stem vaster, kwam er gloed in zijn woord, en gleed de eene


1) Zie blz. 42.
2) Zie blz. 66.
3) Zie blz. 86.

|191|

volzin na den anderen als vanzelf over zijn lippen, zoo vlot en vloeiend, dat het de hoorders meesleepte.

Die gladheid van tong en losheid van stijl, vaak nog gepaard met fijnen humor, maakten hem tot een boeiend en pakkend spreker.

En wat hij sprak was altijd frisch en keurig. Als men dan ook hoorde, dat Professor Rutgers het woord kreeg, spitste een ieder de ooren.

Vooral debatteeren kon hij meesterlijk. Met zijn scherp onderscheidingsvermogen wist hij de zwakke plaatsen in het harnas van zijn tegenpartijder aanstonds te ontdekken, en dan was elke pijl dien hij op hem afschoot, raak. „Als de wereld met logica te regeeren was, zou Professor Rutgers haar regeeren”, zoo verklaarde Professor H.H. Kuyper eens in een debat met hem. 1) Zijn argumentatie was dan ook altijd streng logisch, ofschoon soms ietwat spitsvondig. Onder de pletrolmachine van zijn ijzeren logica hoorde men alle botjes kraken. Toch waren zijn woorden slechts een enkel maal vlijmend scherp. Meestal ging het fortiter in re op zeldzaam gelukkige wijze gepaard met het suaviter in modo. Met fluweelen hand rafelde hij dan het argumentenweefsel van zijn tegenstander draad voor draad uiteen, maar intusschen toch zóó volstrekt, dat er op het einde niets meer van overbleef.

Als debater trad Professor Rutgers o.a. op in de Jaarvergadering der Vereeniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs, 2 Juni 1887 te Amersfoort gehouden. 2) Het was in de dagen der Doleantie. De strijd om de kerkgebouwen was op vele plaatsen een brandende kwestie. Te Voorthuizen en te Kootwijk, waar het kerkgebouw nog in het bezit van de z.g. doleerenden bleef, gebruikte de tegenpartij voor haar godsdienstoefeningen de Openbare School. Elders, waar de z.g. doleerenden uit hun kerkgebouw waren verdreven, kwamen zij, behalve in schuren en stallen of op zolders, ook wel eens samen in de Christelijk-Nationale School. Dit echter was Dr. Vos en velen met hem een doorn in het oog. De Vereeniging werd beschuldigd, dat zij in den kerkdijken strijd partij trok voor de doleerenden. Alsof de plaatselijke afdeelingen buiten schooltijd niet vrij waren, om het schoolgebouw te bezigen voor een hun believend doeleinde! Maar Dr. Vos meende deze zaak als twistappel in de genoemde jaarvergadering te moeten werpen. Terwijl hij echter in den eenen hoek van de zaal stond, vond hij in de anderen hoek Professor Rutgers tegenover zich. En deze twee


1) 27e Jaarverslag der Ver. v. H. O. o. G. grondslag, blz. XLI.
2) Zie het officieele Verslag der Vereeniging en ook De Standaard van 4 en 6 Juni 1887.

|192|

geharnaste strijders voerden nu een duel, waarin twee heterogene beginselen om de voorrang in C. N. worstelden: dat van Dr. Vos die de Vereeniging beschouwde als een zaakwaarneemster van de Hervormde Kerk in haar reglementairen vorm, en dat van Professor Rutgers, die ook wel verband erkende tusschen de Vereeniging en de Hervormde Kerk; doch die dat verband dan niet zocht in de synodale organisatie van 1816, maar in de Belijdenis van die ,,onveranderlijke waarheden”, die den grondslag van C. N. S. vormden. Een motie van Dr. S.D. van Veen, gesteund door Dr. Vos, en bestreden door Ds. H. Pierson en Prof. Rutgers, werd met 52 tegen 43 stemmen verworpen wat tengevolge had, dat vele Hervormden zich aan C. N. S. onttrokken en in Christelijk Volksonderwijs een nieuwe vereeniging stichtten. Naar het onverdachte getuigenis van Dr. J.Th. de Visser, 1) zouden de meesten hunner tegen wil en dank hun kinderen naar de Openbare School hebben gezonden, liever dan nog langer naar een school van C. N. S. Deze mannen waren dus door hun kerkelijk fanatisme niet weinig verblind. Intusschen blijft het vooral aan het cordate optreden van Professor Rutgers te danken, dat hun toeleg verijdeld werd, om de Hoofdcommissie van C. N. S. te spannen voor de zegekar van het staatscreatuur, waartegen Groen van Prinsterer, de oprichter der Vereeniging, zoo rusteloos getuigd had.

Overigens woonde hij deze jaarvergaderingen maar zelden bij. Op het 50-jarig jubileum echter, 31 October 1910, was hij nog tegenwoordig, en hield hij deze toespraak: 2)

Zeer gaarne wil ik met een enkel woord uiting geven aan mijne hartelijke belangstelling in den arbeid der Vereeniging voor Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs. Allereerst dank ik de Hoofdcommissie zeer voor de vriendelijkheid eener speciale uitnoodiging tot deze samenkomst, waartoe ik toch als lid reeds toegang heb. De eer van deze uitnoodiging heb ik denkelijk daaraan te danken, dat ik een der oudste leden ben. Ja, ik durf wel zeggen, dat niemand langer lid is dan ik, want reeds bij haar oprichting heb ik mij bij haar gevoegd. Ik was destijds predikant in de Nederlandsche Hervormde Kerk. Ik durf echter gerustelijk verklaren, dat ik niet behoorde tot die predikanten, over wier openlijken of bedekten tegenstand, gelijk de Voorzitter ons in zijne openingsrede herinnerde en gelijk ik ook uit eigen ervaring wel weet, Groen van Prinsterer zoozeer te klagen had. Ik heb mij altijd en van ganscher harte aan zijne zijde geschaard. Niet alleen echter bij predikanten, ook bij vele andere mannen van naam en positie, van wie men wat anders had mogen hopen, vond onze vereeniging veel tegenkanting; maar onder het volk kreeg zij allengs meer vasten voet. Hare Algemeene Vergaderingen waren jaren achtereen de groote momenten voor ieder, die voor de Christelijke


1) Van Strijd en Zegen, blz. 671.
2) Zie Paed. Tft v. h. Chr. Ond. Jg. III, 1910-1911, blz. 230 en 231.

|193|

belangen een hart had. Uit alle deelen des lands kwam men dan op tot gemeenschappelijk gebed en beraadslaging.
Vaak waren groote lokalen te klein om allen te bevatten. Het is niet te zeggen, wat opwekking er destijds van die samenkomsten uitging. En nu is er wel veel gewijzigd. Het getal leden werd kleiner en de opkomst is ook thans niet meer zoo groot. Maar zullen wij ons nu daarover bedroeven? Neen, als wij de oorzaken daarvan nagaan, is er zelfs stof om dankbaar te wezen. Want de voornaamste oorzaak is toch wel gelegen in de zeer vermenigvuldigde actie op allerlei gebied van Christelijke werkzaamheden.
Vroeger was een fatsoenlijk Christenmensch lid van slechts enkele vereenigingen, het Bijbelgenootschap, van eene Zendingvereeniging en van C. N. S. Maar thans is het getal vereenigingen, die op velerlei gebied alle hetzelfde bedoelen, niet meer te tellen. En wie van al die vereenigingen de jaarvergaderingen en de feestelijke bijeenkomsten zou willen bijwonen, zou een groot deel van het jaar tusschen de wielen zijn. En dat gaat niet. Men kan niet aldoor van huis zijn. Maar nu is het juist voor een groot deel aan C. N. S. te danken, dat zich het terrein van Christelijken arbeid zoo heeft uitgezet. Want C. N. S. hielp ons ook aan Christelijke Scholen en de onderwijzers dier scholen hebben onder Gods zegen een geslacht mogen opkweeken van mannen en vrouwen, die voor dien Christelijken arbeid op alle gebied hart toonden. En daarom, wel verre van te klagen, meen ik te mogen zeggen, dat die breede ontplooiing van den Christelijken arbeid is de kroon op het werk dezer Vereeniging.
Intusschen heeft de Vereeniging voor C. N. S. nog volstrekt niet afgedaan. De strijd voor de uitbreiding van ons Christelijk Schoolonderwijs kan en mag in ons vaderland nog niet opgegeven worden. Steeds meer nieuwe scholen moeten worden gebouwd. En de onderwijzers hebben altijd voort te gaan met de heerlijke taak, om de kinderen des volks mei Gods Woord te leeren rekenen. Moge de vreeze des Heeren maar steeds ook in hun eigen hart gevonden worden en stelle de Heere ook in de volgende vijftig jaren deze Vereeniging tot de behartiging van al die belangen steeds meer in staat.

Hier sprak nog de oud-strijder, die zelf reeds als predikant te Vlissingen het goed recht van het Christelijk onderwijs had bepleit.

Maar niet alleen op schoolgebied, ook op sociaal terrein heeft Professor Rutgers meegestreden.

Het was op het Sociaal Congres, dat van 9 tot 12 November 1891 te Amsterdam gehouden werd. Daar leidde hij als Voorzitter de vergaderingen van de sectie, die de Sociale quaestie van haar christelijk religieuse zijde behandelde. En Professor Rutgers bewees ook hier een geboren voorzitter te zijn, die zorgde, dat de discussie niet op zijpaden afdoolde. Een staaltje daarvan biedt onderstaande woordenwisseling, letterlijk overgenomen uit het Procesverbaal. 1)

In bespreking is het rapport van Ds. A. Brummelkamp Jr. over de Kerk en de sociale nooden.


1) t.a.p. blz. 390 en 391.

|194|

„Ds. Fernhout, van Dordrecht: Het heeft mij verwonderd, dat in dit rapport met geen enkel woord wordt melding gemaakt van de diaconie.
De Voorzitter: En terecht; want morgen komt, door punt 5, over de diaconie en haar taak een geheel rapport van Prof. Geesink in behandeling. Hierover mag dus nog niet gesproken worden. Anders zouden de grenzen der discussie, waarover br. Fernhout gisteren sprak, door hemzelven overschreden worden.
Ds. Fernhout: Ik dank u voor deze herinnering, M.H. de „Voorzitter, en kom dus nu tot mijn tweede opmerking . . ."

Een poosje daarna 1) nam de Voorzitter, Professor Rutgers, zelf even het woord. Even slechts. Maar wat hij toen even zei, was zóó hoogstbelangrijk, dat het na jaren nog verdient met nadruk herinnerd te worden. Het ging toen over het verhuren van zitplaatsen in de kerk. En nu sprak Professor Rutgers:

Ik zou zeggen, dat ik het op dit punt met den Rapporteur geheel eens was, indien hij niet zelf aan zijn beginsel ontrouw was geworden door op blz. 2 van zijn rapport te schrijven: „voorloopig zal de verhuring van zitplaatsen wel een der gemakkelijkste middelen blijven om de onkosten van den eeredienst te dekken; in strijd met eenige uitspraak der Schrift kunnen we haar dan ook niet noemen". Wel wil de Rapporteur dit dan verder goedmaken door te verlangen, dat „de verschillende zitplaatsen tegen een vaste huur (niet bij opbod) naar ieders keuze en geldelijk vermogen worden toegewezen”. Maar zelfs al wordt deze veiligheidsklep aangebracht, dan heb ik tegen het verhuren van zitplaatsen toch nog groot bezwaar. Immers, dat verhuren bestaat niet hierin, dat men aan gemeenteleden, die zulks wenschen, recht geeft op een eigen vaste zitplaats; dat is integendeel zeer gewenscht; maar het wil bepaaldelijk zeggen, dat zoodanig recht slechts verleend wordt onder voorwaarde van betaling van zekere geldsom. Hoe men het ook verzachte, het komt altijd hierop neer, dat de Kerk voor geld een zeker privilege geeft, waarvan ieder die dat geld niet kan geven, natuurlijk verstoken is. En nu acht ik op kerkelijk gebied iederen voorrang, die uitsluitend op geldbezit steunen zou, stellig in strijd met Gods Woord.
Inderdaad raakt dit punt niet een bijzaak, maar een gewichtig beginsel; juist voor een samenkomst als deze, op een Sociaal Congres. Immers, ik geloof, dat de Kerk een hooge roeping heeft, ook in maatschappelijk opzicht. Ik geloof, dat zij het eenige organisme is, dat tegen de ontbindende kracht van het Socialisme op den duur bestand zal blijken. Wanneer dit zich uitbreidt en geheel zal georganiseerd zijn, zullen de Maatschappij en de Staat, op zichzelven, tot weerstand onmachtig zijn; en het kan zelfs wel gebeuren, dat zij er geheel door worden ingenomen, en, althans tijdelijk, zijn instrumenten worden. Maar dit is onmogelijk bij de Kerk. Die kan er nooit door vernield of bedorven worden; want van haar geldt de belofte, dat zelfs de poorten der hel haar niet zullen overweldigen. Het


1) t.a.p. blz. 393.

|195|

zal al meer blijken, dat de machtige worsteling op maatschappelijk gebied ook weer een strijd is vóór of tegen Christus, de oude strijd tusschen licht en duisternis. Juist daarom zeide ik, dat de Kerk in dien strijd een hooge roeping heeft; maar ik voeg er aan toe, dat dan ook op dit punt geldt: ,,indien het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden?” En wat is nu op dit gebied de roeping der Kerk? Zeer zeker, gelijk in Stelling IV ook gezegd wordt, om de ordinantiën Gods, die voor het sociale leven gelden, op te diepen, te verklaren, in te prenten en aan te dringen. Maar hoe zal de Kerk daarin goed kunnen slagen, wanneer hare leering omtrent de beteekenis van geld en goed enz., met een beroep op haar eigen voorbeeld kan gewraakt worden? De Kerk heeft ook metterdaad haar Hoofd te volgen; en dat Hoofd leerde uitdrukkelijk, dat het terrein der Kerk in aard en karakter een geheel ander is dan dat van Staat en Maatschappij en dat beide zelfs zóó zijn gescheiden, dat op het eene terrein juist het omgekeerde geldt van wat op het andere regel is. In den Staat zijn naar Gods ordinantie overheden en onderdanen, en de eerstgenoemde hebben heerschende, dwingende macht; en op maatschappelijk gebied is er door den wil van God groote ongelijkheid, door geboorte en geld en positie enz. Maar juist met het oog op al die rangen en standen heeft Christus tot de zijnen gezegd: „alzoo zal het onder u niet zijn”. De Schriftuurplaatsen, die de Rapporteur op blz. 1 en 2 daarvoor heeft aangehaald, spreken duidelijk genoeg. Wel is er ook in de Kerk allerlei onderscheid: tusschen degenen die leeren en degenen die geleerd worden, tusschen sterken en zwakken, tusschen grooten en kleinen, enz.; ja zelfs, zoo men wil, ook tusschen rijken en armen of tusschen aanzienlijken en geringen: maar dan met dien verstande, dat die in kerkdijken zin rijken en aanzienlijken vaak maatschappelijk zeer arm en gering zijn, en omgekeerd; in de Kerk zijn de onderscheidingen altijd zuiver geestelijk. Past men nu de maatschappelijke onderscheidingen in de Kerk toe, dan vervalscht men haar karakter, en dan heeft zij eigenlijk weinig kracht meer tegenover den eisch van gelijkheid in den zin van het Socialisme. Ook in dien eisch ligt een waarheid, die men niet aan den tegenstander laten moet, maar die men tot haar recht moet doen komen op het terrein waar zij thuis hoort, d.i. niet in de maatschappij, maar in de Kerk. Deze is juist het gebied, waar al die maatschappelijke verschillen moeten wegvallen, en waar reeds hierdoor aan den arme een groote vertroosting geboden wordt. In de zes dagen, waarin hij hard, vaak al te hard, moet werken, en waarin hij al het drukkende van het maatschappelijk onderscheid telkens voelt, is het een heerlijke gedachte, dat er dan toch telkens weer een dag komt, waarop hij vrij is en kan opgaan naar Gods huis, waar allen als broeders en zusters gelijk zijn. Daarom heeft het mij vaak gehinderd en zeer gedaan, wanneer ik zelf bij kerkbezoek aanstonds een goede zitplaats kreeg, terwijl vele anderen op de steenen moesten staan, enkel om der wille van een weinig geld; en terwijl toch die anderen voor God wellicht heel wat meer waren.
Met dien eisch van gelijkheid moet de kerk op haar eigen gebied vollen ernst maken; ook om hem met een goed geweten en met des te meer nadruk te kunnen bestrijden op het terrein, waar hij niet thuis hoort. Maar juist daarom moet zij aan het geld dan ook geenerlei voorrang toekennen. In kleine gemeenten, waar in het kerkgebouw altijd plaats genoeg is, kan, ik stem dit gaarne toe, de plaatsen-verhuring wel zoo geregeld worden, dat het kwaad slechts kleine afmetingen heeft; b.v. door het onderscheid tusschen verhuurde en onverhuurde plaatsen onmerkbaar te maken, of door alle minvermogenden aan de noodige huur te helpen. Maar in groote gemeenten gaat dat niet, en dan moet het verhuren wel zeer

|196|

slecht werken. En ook voor kleine gemeenten acht ik altoos beter dat het niet geschiedde, en dat, waar het, om der wille van de inkomsten, en dus wegens menschelijke zwakheden, nog in stand blijft, de zaak toch niet in beginsel verdedigd worde. In de Kerk mag niemand eenig voorrecht, hoe klein ook, aan zijn geld te danken hebben; en een voorrecht is het huren altijd; anders zou wel niemand het willen handhaven. Ziet, als ik mij een kerk voorstel, waar de plaatsen ten deele verhuurd worden, dan zou ik willen vragen, waar de Heere Jezus met zijn Apostelen hebben moeten zitten, als zij met de gemeente daar opgingen. De Zoon des menschen was maatschappelijk arm en moest met de zijnen van gaven leven. Hunne plaats zou er dus geweest zijn bij de minvermogenden, op de onverhuurde banken. (Levendig applaus). Of neen, ik vergis mij: één van de twaalven zou een plaats hebben kunnen huren: Judas, die de beurs droeg en daardoor zelf ook geld had. (Herhaalde bijvalsbetuiging). Nu, — ik zou dan het liefst met Jezus en de zijnen op de onverhuurde plaatsen willen zitten!

De indruk van dit aangrijpende woord was onbeschrijflijk. Men voelde diep, hoe Professor Rutgers ook in dit geding een knellenden boei verbrak tot vrijmaking van de gemeente des Heeren. De zuivere beginselen van Gods Woord stelde hij niet slechts in het licht, maar hij drong ook ernstig aan op toepassing van die beginselen in de praktijk. Over het verband tusschen beginselen en practijk sprak hij in de laatste algemeene zitting van het Congres nog dit: 1)

Met eenige ingenomenheid mag ik constateeren, M.H. de Voorzitter, dat onze Sectie geheel klaar kwam met haren arbeid. Dit is voornamelijk daaraan te danken, dat wij met de beginselen te doen hadden, en de andere Secties met de practijk. En uit eigen ervaring kan ik volkomen begrijpen, dat de practijk tot langdurige discussies stof oplevert, want in mijne eigene Secties had ik wel eens toe te zien, dat de sprekers niet op dat terrein overstapten. Intusschen worde dit niet alzoo opgevat, alsof de arbeid van onze Sectie de practijk had uit het oog verloren, of wel daarom minder geven zou. En allerminst worde ons tegengeworpen, dat wij de beginselen te hoog stelden, te idealistisch waren. Dit moest onze Sectie juist doen. Hadden wij beginselen gesteld, die terstond hunne toepassing konden vinden, dan waren die beginselen juist daardoor geoordeeld. We moeten voelen, wanneer we ons het ideaal voor oogen stellen, dat wij er nog o zoover vanaf zijn en er wel nooit komen zullen. In de zedeleer is ook immers de algemeene regel: „Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is.” Ook al weet men dat dit bij niemand zoo is, noch ook hier op aarde zoo zijn kan, toch mag er van dien eisch niets worden afgedaan; en wie om der wille van de practijk, het ideaal wat liet dalen, zou juist daardoor de practijk geheel bederven. Daarom was het van de Regelingscommissie goed gezien, dat het de beginselen voorop stelde. Wie alleen met de practijk rekent, komt er zoo licht toe, om de teugels te laten schieten, de lijn te vieren, hier en daar wat in te schikken, en zoo raakt men van Gods weg af. Wie daarentegen een ideaal hoog stelt en daarop nadruk legt, moet straks in de practijk ook wel verder komen. Vandaar dat in


1) t.a.p. blz. 125 en 126.

|197|

onze Sectie niet is gevraagd naar wat kon of mogelijk was, maar naar wat moest volgens Gods Woord. 1)

In de sociale beweging zelve trad Professor Rutgers echter nooit naar voren. En evenmin deed hij aan de actueele politiek.

Toch is er één critiek moment geweest, waarin hij meende ook op dit terrein voor het voetlicht te moeten treden. Het was in 1894 tijdens de Kieswetagitatie. Tien antirevolutionaire leden der ontbonden Kamer, onder welke ook Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman, afgetreden Kamerlid voor Goes, hadden in een „Manifest” aan hun kiesvereenigingen verklaard, dat zij Tak’s plannen niet, gelijk De Standaard dat wenschte, konden bevorderen, en dat men, als men dit van hen begeerde, maar naar andere mannen moest omzien. Op de Deputatenvergadering, 30 Maart 1894, stelde Dr. Kuyper nu als Voorzitter de bekende resolutiën aan de orde, die ingingen tegen het conservatisme van alle gading en stuurden in democratische richting, opkomende voor het „Volk achter de kiezers”. Tegen deze resolutiën werd oppositie gevoerd door Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman, Hoogleeraar aan de Vrije Universiteit, Professor Fabius, Dr. Schot en Jhr. Mr. W.H. de Savornin Lohman uit Groningen. Voor de aanneming dezer resolutiën pleitten de heeren Ds. W. Diemer, Mr. Heemskerk, Dr. Bavinck, K. Kater, H. Seret, Professor Rutgers en de Voorzitter. Het debat duurde drie uren. Met de hem eigen welsprekendheid werd door Dr. Bavinck het conservatisme naar het leven geteekend en aan de Antirevolutionaire partij de eisch gesteld om toch nimmer den weg van het conservatisme op te gaan. Strijd tegen het conservatisme noemde hij het recht van haar bestaan. Pijnlijk was het daarbij, toen deze spreker zich tot Professor Lohman wendde, om hem te zeggen, welke schoone hoop de Antirevolutionairen op dezen vaardigen strijder hadden gebouwd, maar hoe zij telkens bitter werden teleurgesteld, als Lohman zich in het felle van den strijd terugtrok in den


1) In Vrijmaking van den Arbeid, blz. 71, noot, schreef Ds. J.C. Sikkel: „We moeten op de christelijk-sociale beginselen ingaan, indien we tot christelijk-sociale praktijk willen komen. Daartoe heeft ons God Zijn Woord gegeven.” En tegenover het ingebrachte bezwaar, dat zijn voorstelling te „idealistisch” was, herinnerde deze schrijver nu aan bovenstaande woorden van Professor Rutgers; een herinnering die, „sterkt tot principieele studie en tot principieel adviseeren, in hope alzoo God naar Zijn Woord te mogen dienen, in Gods weg te blijven, en daardoor waarlijk in de practijk verder te komen. Juist de praktijk van het heden moet de aansluiting aan het zuivere beginsel zoeken; dan werkt het leven in de praktijk naar Gods wil.”

|198|

conservatieven hoek. Wij weten het allen wel, zeide Dr. Bavinck tot Professor Lohman, dat gij geen conservatief zijt, maar waarom moesten wij U dan steeds vinden, daar waar gij niet behoort? Zeker, gij hebt met het conservatisme niets gemeen, maar waarom hebt gij ook daarin niet gehandeld naar het Woord onzes Gods: „Wacht u, ook voor den schijn des kwaads”. Vervolgens kwam het debat, onder Kater en Seret, op zijn hoogst en op zijn felst, tot op ’t persoonlijke af. Toen echter, in het moment der hoogste spanning, trad Professor Rutgers op om, kon ’t zijn, nog als vredestichter te dienen. Hij stond aan de zijde van zijn tweelingbroeder Kuyper, maar hij wou ook zijn wapenbroeder Lohman niet verliezen. En op zijn eigenaardige, krachtige wijze, deed hij nu even teeder als ernstig dezen uitweg aan de hand, dat Lohman die tegen kiesrechtuitbreiding zonder grondwetsherziening onover-komenlijk bezwaar had, zich eenvoudig lijdelijk uit de Kamer zou terugtrekken, totdat de finale kiesrechtuitbreiding had plaats gehad, om dan straks weer als vanouds mee op te trekken met de partij, aan welke éénzelfde beginsel hem bond.

Deze voorslag van Professor Rutgers was zóó naar het hart der partij, dat de (antir.) Nederlander en De Zeeuw, er na de Deputatenvergadering nog op terug kwamen, en den heer Lohman smeekten, er alsnog gehoor aan te geven. Maar het heeft zóó niet mogen zijn. En dit leidde tot de droeve splitsing in een Antirevolutionaire en een Christelijk-Historische partij. En nu na zooveel jaren van verwijdering de hereeniging nog steeds op zich laat wachten, kan men het slechts des te meer betreuren, dat de raad van Professor Rutgers toen niet is opgevolgd. 1)

’s Avonds op dienzelfden dag, aan den gemeenschappelijken maaltijd, kwam Professor Rutgers weer naar voren. Men drong er toen van alle zijden op aan, dat Dr. Kuyper in de Kamer zou terugkeeren, en deze voelde daar veel voor, althans voor deelneming aan de behandeling der kieswet. Professor Rutgers echter zag aankomen, dat Dr. Kuyper zich dan aan de Vrije Universiteit zou onttrekken, en hield nu een welsprekend pleidooi voor de wetenschap, die op Dr. Kuyper meer rechten had dan de politiek. Maar ook dit optreden had geen succes. Op dezen Deputaten-dag in het jaar 1894 zijn in beginsel de wegen van het sedert 1877 verbonden driemanschap 2) uiteengegaan, in politieken


1) Zie De Standaard van 2 April 1894 en volgende nummers. Vgl. ook Friesch Dagblad van 24 Maart 1917 en De Nederlander van 19 Juni 1918 (2e Blad).
2) Zie blz. 43.

|199|

zin, doordat Lohman’s weg leidde naar een eigen partij, en geografisch, doordat Kuyper van Amsterdam naar ’s Gravenhage vertrok, eerst nog slechts tijdelijk als Kamerlid, straks voorgoed als Minister.

Sedert was, gelijk in de vorige § reeds werd opgemerkt, 1) ook op kerkelijke vergaderingen Professor Rutgers de meest gezaghebbende woordvoerder. Om nu maar van den Amsterdamschen Kerkeraad niet te spreken, waarin hij vóór de doleantie als ouderling en na dien tijd als emeritus predikant zitting had, noch ook van de Vereeniging „de Kerkelijke Kas” aldaar, wier jaarvergaderingen hij als voorzitter meermalen met een inleidend woord opende. 2) Toch vinde hier nog een plaats de toelichting, die Prof. Rutgers volgens de Amsterdamsche Kerkbode in een vergadering met mansleden der Gereformeerde Kerk te Amsterdam in het najaar van 1909 van Marc. 19: 41-44 gaf:

Hierbij werd achtereenvolgens gewezen op:
de schatkist die bij het voorhof van den tempel geplaatst was, ten behoeve van het onderhoud van dat groote gebouw met zijn vele bijgebouwen en met al zijn gereedschap; voor het eerst daar geplaatst in den tijd van koning Joas, sinds dien tijd altijd noodig geweest en ook nu nog, telkens als het ware vóór ons staande; ook nu nog, gelijk zij oudtijds schijnt geweest te zijn, met een aantal openingen en afdeelingen, die thans wel niet allen bestemd zijn voor den kerkedienst, daar de schatkist des Heeren thans bovendien ook dienen moet voor diakonale armenzorg, christelijk schoolonderwijs, zending en nog velerlei andere belangen; maar waarvan de afdeeling voor den kerkedienst toch op den voorgrond moet staan, omdat alle andere grootendeels van den bloei der kerk afhankelijk zijn.
den Heere, die er tegenover zat en zijn oog daarop hield; hetgeen Hij ook nu nog doet, al is het niet in eene zichtbare gestalte: terwijl Hij ook nu nog weet, niet alleen wat ieder in het verborgen geeft, maar ook met welke gezindheid hij dat doet; en evenzeer wat hij kan en moet geven; zoodat men te dien aanzien wel anderen en zichzelven misleiden kan, maar niet dien éénen Getuige, die ook tevens de Rechter is, wiens onfeilbaar oordeel ten slotte beslist.
de schare, die hare giften in de schatkist wierp; en dit, niettegenstaande al die gevers reeds, overeenkomstig de voor Israël geldende wet, meer dan een tiende van alle hunne inkomsten voor den dienst des Heeren gegeven hadden; wel tot beschaming van menigeen uit den tegenwoordigen tijd, die, ook al heeft hij nog lang niet zijn tiende ten offer gebracht, toch bij aanvragen voor de schatkist des Heeren allicht denkt en ook zegt: maar ik doe al zooveel!
de groote gaven van vele rijken, die zeer zeker door den Heere niet geminacht werden, al werd daarvan hier niet uitdrukkelijk door Hem gesproken; die integendeel ook behooren tot de roeping der meervermogenden; en die, waar de behoeften vele zijn, inderdaad ook noodig zijn en gewaardeerd worden.
de twee penningskens van een arme weduwe, al wat zij had, al haar leeftocht;


1) Zie blz. 152 en 153.
2) Zie mijn De Doleantie, blz. 270.

|200|

dus eene gift, waarbij het haar aan voorwendsels om die maar voor zichzelven te behouden, niet kon ontbreken, en die zij toch, in vertrouwen op haren God, uit een diep gevoel van verplichting, met blijmoedige toewijding voor den Heere overhad.
het welgevallen dat de Heere daaraan had, en dat Hij in zijne lofspraak ook openlijk toonde; ten bewijze, dat voor Hem het groote wel eens klein is, en het kleine waarlijk groot, omdat Hij de daden naar het hart beoordeelt; en ook ten bewijze, dat Hij bij al wat voor zijn dienst gegeven wordt, hetzij veel of weinig altijd hierop let, of het al dan niet uit een dankbaar, liefderijk hart komt, dat zichzelven weet te verloochenen, en dan geeft hetgeen inderdaad een offer is, en toch voor het besef van den gever zelven weer geen offer, maar gewillig en gaarne gegeven.
de leering, die Hij zijne discipelen daarbij voorhield; doordat Hij ze tot zich riep, om zijne uitspraak te hooren; tot leering ook voor alle volgende tijden, om bij het gebruik van de goederen, waarover de tijdelijke bezitters altijd slechts rentmeesters zijn van Hem, niet eerst aan onszelven te denken en dan pas ten slotte aan Hem, maar juist allereerst aan Hem en aan hetgeen door Hem van ons gevraagd wordt.
den zegen, waarmede de Heere die gave der weduwe beeft bekroond; doordat onder zijne leiding dit verhaal in de Schrift is opgeteekend en alzoo voor talloos velen tot eene krachtige opwekking is geweest; zoodat inderdaad die twee penningskens, door het woord des Heeren tot een kapitaal zijn gemaakt, dat in den loop der eeuwen millioenen aan rente heeft voortgebracht, en dit nog bij voortduring blijft doen, als het goed zal zijn, ook nu, in onze gemeente.

Dit kernachtige woord sloot zich uitnemend aan bij de circulaire, door Prof. Rutgers, Prof. Noordtzij en ouderling Van Muiswinkel als deputaten der Synode aan alle kerkeraden der Gereformeerde Kerken in Nederland toegezonden ter verbetering der predikantstraktementen (zie blz. 153) en kon zelfs gebruikt worden als een populaire verklaring van dat meer officieele stuk. Herinneren we er slechts aan, hoe ook op de Generale Synode zijn woord steeds insloeg, hetzij hij als rapporteur zijn eigen voorstel had te verdedigen, hetzij hij als opponent aan de discussie over een ander rapport deelnam.

Professor M. Kolijn, van de Reformed Church van Noord-Amerika, die in 1911 de Synode te Zwolle bijwoonde, deelde later mede, bij welke gelegenheid het hem duidelijk werd, dat een zekere humor aan Professor Rutgers niet vreemd was. Het was bij een bespreking van de ,,opleidingskwestie”. Het ging o.a. over het z.g. beding in verband met de vereeniging van de beide kerkengroepen in 1892. De vraag was, wat het bewuste „beding” eigenlijk beteekende. Onderscheidene broeders hadden er het hunne al van gezegd. Maar waar de gevoelens zeer uiteenliepen, opperde iemand de gedachte, dat misschien Professor Rutgers er iets van zou weten te zeggen. Gevraagd naar zijn meening, stond hij nu heel kalm en bedaard op, en met een ondeugenden glimlach op

|201|

zijn gelaat, begon hij met te verklaren, dat hij wel iets meende te kunnen zeggen, aangaande de beteekenis van het besproken „beding”, aangezien hij het indertijd zelf geschreven had. 1) Hoe de geleerde en halfgeleerde debatteerders toen langs hun neus keken, laat zich wel eenigszins verstaan. 2)

„De Poortwachter” (Ds. S. Huismans), die wat hij op deze Synode zag en hoorde, kinematisch en fonetisch beschreef in Friesch Kerkblad van 8 Sept-27 October 1911, bezorgde ons o.m. deze „opnamen” (nrs. VI, XII, XVIII en XXV).

„Deze zaak en hare regeling”
of
„De regeling dezer zaak”.

Bij de discussiën over de beteekenis van het z.g. beding, bracht Prof. Dr. Rutgers een aardige herinnering te berde.
„Ik zal niet spreken,” zoo begon hij, „over de zaak van de Eenheid der Opleiding zelve.
Ieder lid dezer Synode zou daar wel een uur lang over kunnen spreken, en dan waren wij nog niet uitgepraat. Maar wel wil ik wegnemen de gedachte, alsof de kerken na de vereeniging van 1892 het recht zouden missen in de zaak der Theol. School als zoodanig verandering aan te brengen.
In het accoord, waarop de vereeniging gesloten is, heeft dat oorspronkelijk zelfs met zoovele woorden gestaan. Ik kan dat goed weten, want ik ben zelf de opsteller ervan.
Daar heeft gestaan, dat de Synode der Ned. Geref. Kerken geen bezwaar had, „dat de Synode der Chr. Geref. Kerk het behoud der Theol. School wilde, onverminderd het recht eener latere Generale Synode om „van deze zaak en hare regeling” te handelen.”
Toen is op verlangen van de Chr. Geref. broeders deze clausule aldus gewijzigd:


1) In de discussie met Professor Rutgers over de bewoordingen van het actestuk der Vereeniging in 1892, erkende Professor Lindeboom, dat Professor Rutgers als gewoonlijk de opsteller van die kerkrechtelijke stukken was, „die dat zeer mooi in zijn fatsoen zette, veel beter dan wij Christelijk Gereformeerden dat ooit hadden kunnen doen” (medegedeeld door den Poortwachter in zijn hierna te noemen „opnamen”, nr. XL).
2) Zie De Hope, 8 Mei 1917. Prof. Kolijn zegt daar ook, welken indruk Professor Rutgers op hem als buitenlandsch afgevaardigde maakte: „We hadden wel eens hooren vertellen hoe lang hij was, en hoe dun hij was; maar de werkelijkheid verraste ons nog. Hij deed ons denken aan de mummies van de Pharaohs, die we in Egypte hadden gezien. Hij was juist geen mooie, maar toch eene indrukwekkende verschijning; men moest in meer dan één zin tegen hem opzien. Maar, wie met hem in aanraking kwam, gevoelde zich aanstonds op zijn gemak, want hij was door en door vriendelijk en voorkomend, „the perfect gentleman of the old school.” Met de grootste welwillendheid diende hij ons met antwoorden op vragen, die voor ons, in verband met ons werk, van het grootste gewicht waren.”

|202|

„onverminderd het recht eener latere Generale Synode om van de regeling dezer zaak te handelen.”
Maar deze wijziging is niet toegegeven om daarmede te erkennen, dat nu nooit of te nimmer van de zaak zelve gehandeld mocht worden, doch juist omdat zulks eigenlijk vanzelf sprak.
Als dat niet geoorloofd was, dan zou de zaak der Theol. School boven onze Confessie gaan, want zelfs de Confessie, die de grondslag was van de vereeniging der kerken, kan op grond van Gods Woord door een volgende Synode gewijzigd moeten worden.
Alleen in het onfeilbare Woord Gods mag geen verandering worden aangebracht en dan zou de zaak der Theol. School gelijk staan met Gods Woord.
Al doet de Synode dus in de zaak der Theol. School geen stappen, vast moet staan, dat zij daartoe het volste recht bezit.”
Prof. Lindeboom voerde toen het woord om den indruk weg te nemen, die het spreken van Prof. Rutgers zou kunnen vestigen, alsof hij en de zijnen de dwaze gedachte koesterden, dat de zaak der Theol. School zelfs boven de Confessie stond, ja onfeilbaar was als Gods Woord. Hij acht het eenvoudig eisch van trouw aan het gegeven woord, dat men de school met rust liet. Maar men is reeds terstond na de vereeniging begonnen haar positie aan te vechten.

Een lesje in het kerkrecht.

Prof. Rutgers deed voorlezing van zijn rapport inzake het voorstel om de vakken Dogmatiek en Exegese O. en N.T. van het het peremptoir Examen af te nemen en in die zelfde vakken bij het praeparatoir examen een breeder en dan beslissend onderzoek in te stellen, om dan voorts bij het peremptoir Examen het onderzoek in de ambtelijke vakken beter tot zijn recht te doen komen.
Menigeen zal gedacht hebben: „Zulk een wijziging, daar is veel voor te zeggen!”
Het rapport-Rutgers was evenwel een ontnuchtering voor dezulken.
Met stille aandacht werd de voorlezing gevolgd.
Raak was het, en toch niet wreed in het afmaken van de voorgestelde nieuwigheid.
Heelemaal niet arrogant, hoogst bescheiden evenals de rapporteur zelf, sprak het rapport, en toch op een toon van groote zekerheid.
Wij dachten, dat er college werd gegeven in het kerkrecht. In een oogwenk bracht de vliegmachine van ons geheugen ons terug in den studententijd „die schoone dagen van Aranjuez!”
Het praeparatoir examen, zoo las de rapporteur, moet ook praeparatoir, d.i. voorbereidend blijven; het zou peremptoir d.i. beslissend worden, wanneer het onderzoek in de hoofdvakken Dogmatiek en Exegese eens voor goed bij dat examen plaats had.
Bovendien het zou te kort doen aan het recht van de beroepende kerk om haar aanstaanden dienaar zelve met behulp van de genabuurde kerken te onderzoeken in zijn kennis, want de Ambtelijke vakken zouden dan wel overblijven voor een onderzoek, en die zijn ook wel van gewicht, maar Dogmatiek en Exegese zijn natuurlijk van het hoogste gewicht.
En nu wordt er wel geklaagd, dat men in den minimum tijd van drie uren, dien de Generale Synode voor het Peremptoir examen gesteld heeft, het onderzoek in de Ambtelijke vakken niet tot zijn recht kan doen komen, maar dat is een euvel waarin niet de Generale Synode, doch de klagers zelven moeten voorzien.
Want niets belet de mindere vergaderingen om dit minimum van 3 uren nog te verlengen.

|203|

Bovendien hangt er bij het onderzoek ook nog veel van de . . . examinatoren af. Als er goed gevraagd wordt, kun het onderzoek ook in de ambtelijke vakken in den gestelden tijd zeker wel tot rijn recht komen.
Tot zoo ver!
Hier zwegen alle fluiten.
Geen redelijk mensch, die er wat op tegen had.
Alle Synodeleden bleken redelijke menschen te zijn, Ds. Lindeboom, van Gorkum, de voorsteller naar ik meen, niet minder dan de anderen
Hamerslag!
Zonder één kik er tegen, zonder één tittel of jota eraf aangenomen.
Wij konden het in onzen zak steken.
Als wij „Examinator” zijn moeten, zullen wij het nog eens nalezen.

„Professor Rutgers heeft het woord”.

De Praeses geeft het woord aan Prof. Rutgers inzake den „vijfden Hoogleeraar”.
Onmiddellijk is de aandacht gespannen.
Wat zal „hij” eens van dit punt zeggen?
„Hij” dien wij studenten (laat ik het maar verklappen) al voor meer dan 15 jaar „de ouwe Rut” noemden, en die heden nog wel dezelfde schijnt als toen.
„Hij” die straks (D.V. 26 Nov.) 75 jaar oud wordt, en toch niet schijnt te verouderen.
„Hij” die geen enkele poging doet om zich bemind te maken, en toch door elk bemind is.
„Hij”, die niets vernietigends in zijn blik, of zijn stem, of zijn „woorden” heeft, en wiens ,,woord” gewoonlijk toch zoo vernietigt.
Het rimpelige gelaat ontplooit zich en wordt ineens vol uitdrukking.
Het anders zielloos voor zich neerstarend oog wordt bezield.
Zal hij voor de gewenst benoeming van een vijfden hoogleeraar spreken? Hij is goedhartig genoeg om aan billijke wenschen te voldoen.
Zal hij tegen de gewenschte benoeming spreken? Hij is openhartig genoeg om het te doen, wanneer hij meent er tegen te moeten zijn.
Hij spreekt er tégen.
„Daar is gezegd”, zoo begint hij, „dat al laat de finantieële toestand der Theol. School niet toe om nu een vijfden Hoogleeraar te benoemen, wij toch daartoe moeten overgaan in het geloof dat de Heere in onzen finantieëlen nood wel zal voorzien. Maar zulk een zeggen maakt op mij altijd den indruk van eigenlijk niets anders dan ongeloof te zijn.
Christus zelf heeft ons geleerd om eer wij een toren te gaan bouwen de kosten te berekenen.
Dat is de geordende weg.
En dat kan men geen geloof noemen om buiten den geordenden weg te gaan en dan toch den zegen des Heeren te verwachten, want dat is eigenlijk ongeloof. Maar geloof is het juist om in den geordenden weg te gaan, en in dien weg alleen des Heeren zegen te verwachten.
President Krüger zei dan ook altijd (ik hoor het hem nog zeggen):
Buiten den weg is buiten den weg, en dat is allemaal niets waard”.
En zoo is het toch eigenlijk ook.
Nu komt daar nog bij, dat men ook blijkens het rapport wel toestemt, dat zulk een benoeming niet absoluut noodzakelijk is. Maar dan is deze zaak eigenlijk ook niet anders dan één van de vele dingen die voor de kerken wel wenschelijk zijn.

|204|

En dan heeft de een meer wenschen dan de ander. Diogenes kon leven in een ton.
Absoluut noodzakelijk voor de kerken is alleen dat de Heere met zijnen Geest in haar blijve werken.
Maar als deze zaak dan behoort tot de dingen die voor de kerken wel wenschelijk zijn, dan zijn er nog andere dingen, die niet minder, ja nog meer wenschelijk zijn.
Dan is het mijns inziens allereerst wenschelijk, dat de kerken zorgen voor de verbetering van de tractementen der predikanten, want het is een schande voor onze Gereformeerde kerken om hare dienaren niet goed te verzorgen.
En dan zou mijns inziens vóór de benoeming van een vijfden hoogleeraar ook nog moeten gaan de verhooging van het inkomen der tegenwoordige hoogleeraren, en dat kunnen de kerken ook doen, want een gemeente als die van Amsterdam, welke hoofdzakelijk uit arbeiders bestaat, geeft aan hare predikanten nog meer dan de Kerken aan hare hoogleeraren.
Voorts kunnen er nog wel andere dingen zijn, die voor de kerken misschien wenschelijker geacht konden worden, dan deze zaak.”
Aldus ongeveer sprak Prof Rutgers, zich daarmede aansluitende bij de meerderheid van de rapporteerende commissie, die voorstelde om tot benoeming van een vijfden hoogleeraar vooralsnog niet over te gaan . . . .
Ten slotte stemde Professor Rutgers voor het bemiddelingsvoorstel-Landwehr: een vijfde professor wel noodig, maar eerst moet er geld zijn.

Eindelijk moeten we Professor Rutgers aan onze lezers nog voorstellen als spreker op de jaarlijksche Universiteitsdagen, waarvan hij een zeer getrouw bezoeker was. Meermalen presideerde hij een Algemeene Vergadering der Vereeniging voor Hooger Onderwijs; te Middelburg in 1887, te Utrecht in 1894, te Groningen in 1905, waar hij niet naliet er op te wijzen, dat hij zelf ook in de provincie Groningen geboren was. Nu en dan leidde hij een onderwerp in. Te Arnhem in 1893 de vraag: Ligt het op den weg der Vrije Universiteit, om, in aansluiting aan de onlangs in Engeland opgekomen beweging, aan het academisch onderwijs zoodanige uitbreiding te geven, dat ook ongeletterden er rechtstreeks aan kunnen deelnemen? Deze vraag beantwoordde hij beslist ontkennend, omdat zoodanige uitbreiding van het academisch onderwijs onmogelijk is, en à l’impossible nul est tenu. Daarom kan het niet liggen op den weg der Vrije Universiteit en zelfs niet van eenige universiteit in het algemeen. Aard en karakter toch van het academisch onderwijs is:

1°. dat het een vrij groote hoeveelheid kundigheden en algemeene ontwikkeling veronderstelt; waar die niet zijn, kan geen academisch onderwijs gegeven worden.
2°. onderscheidt het academisch onderwijs zich door zijn methode; hoofdzaak daarbij is de samenhang van het gegeven onderwijs, n.l. van het eene vak met de andere vakken, en wat een bepaald vak aangaat, van de onderdeelen met elkaar. Het komt er aan op het beginsel, omdat het uiteraard systematisch is.

|205|

3°. dat het doel van academisch onderwijs niet is, zooals bij lager en middelbaar onderwijs, het meedeelen van zekere hoeveelheid kennis aan den leerling, maar den student de methode te leeren, volgens welke hij studeeren moet, om hem op te wekken en te prikkelen tot eigen onderzoek. De hoeveelheid kennis moet de student zichzelf veroveren; het academisch onderwijl moet hem daartoe in staat stellen.
En is dit nu de aard en het karakter van hei academisch onderwijs, dan is het uit den aard der zaak onmogelijk, dat ook ongeletterden er rechtstreeks aan kunnen deelnemen, althans niet zóó, dat ze er iets aan hebben. Bij hen ontbreken de veronderstelde aanwezige kundigheden en de vereischte ontwikkeling. Ze zijn niet bij machte, alles in samenhang en stelsel te beschouwen, en niet rijp genoeg om zelf te studeeren. Het zou dus een even vruchteloos werk zijn, als het voordragen van poëzie aan een kind, dat nog niet eens lezen kan. Academisch onderwijs rechtstreeks aan ongeletterden te geven is eenvoudig doelloos.
Nu zal men tegenwerpen, dat men het in Engeland en Amerika toch sinds 20 jaar reeds doet, sedert daar opgekomen is de beweging, bekend onder den naam van „University-extension-movement”. Inderdaad, dat is zoo, zegt spreker; in Engeland en Amerika zijn er professoren, fellows, lectoren, doctoren en studenten van het laatste studiejaar, die ook buiten de universiteit er op uitgaan om onderwijs te geven, wat ze dan noemen academisch onderwijs, cursussen over allerlei onderwerpen, die met de wetenschap in verband staan en dat niet voor geletterden, maar voor het volk, bepaaldelijk voor de arbeidende klasse, zooals in Schotland in de mijndistricten voor mijnarbeiders. Dat onderwijs wordt stelselmatig gegeven; er zijn aangewezen personen, die traktementen krijgen voor het houden dier cursussen onder het volk. En wat bovendien het geval is, het volk zelf betaalt daar ook geld voor en na afloop van den cursus wordt een examen gehouden, waaraan zoowel mannen als vrouwen kunnen deelnemen en waardoor een graad kan worden verkregen
Dat dit echter academisch onderwijs zou zijn, ontkent spreker te eenenmale. Dit is geen uitbreiding: hij zou het eer noemen een inkrimping van het hooger onderwijs, een afdalen van de universiteit tot het gebied van lager en middelbaar onderwijs. In zooverre zou het universiteitsuitbreiding kunnen heeten, als de universiteit de leiding dier zaak heeft en docenten uitzendt. Maar dit is dan toch een uitwendige en zeer formeele band, waardoor het onderwijs nog niet academisch wordt.
Goed, zal iemand zeggen, wat doet die naam er toe! Maar is de zaak zelf dan niet goed? Is het vooral in onzen tijd niet wenschelijk, dat onze universiteit haar werkkring niet alleen bepale tot den kring van geletterden, maar dat zij ook onder het volk in zijn breede vertakkingen optrede? En ligt het vooral niet op onzen weg, nu van alle zijden op het volk in verkeerde richting wordt gewerkt, een tegenwicht daartegenover te bieden? Op deze vragen luidt sprekers antwoord bevestigend. Als men dat onder uitbreiding der universiteit verstaat, dan ligt zulks wel degelijk op den weg der Vrije Universiteit.
Toch stelt hij daarbij een enkele voorwaarde, die goed in het oog moet gehouden:
1°. dat zoodanige invloed van de universiteit op het volk door onderwijs in de volkskringen geen academisch onderwijs zijn moet, maar geheel moet zijn ingericht naar de bevatting en de behoeften der toehoorders. Anders baat het niets. In dit opzicht wordt in Engeland en Amerika wel aan de eischen te kort gedaan. Hij herinnert aan een verslag der cursussen in de mijndistricten van Schotland. Daar waren winterlezingen gehouden over den staat van Athene in Pericles’ tijd

|206|

Dit alles zou aan de arbeiders glashelder gemaakt zijn. Wel erkent spreker, dat dit niet geheel onvruchtbaar zal zijn, omdat het allicht verruiming van blik geeft; maar toch vraagt hij, wat men er aan heeft, wanneer niet b.v. het verband met andere staatsregelingen ook wordt aangetoond. Wat baat het dien arbeiders, of ze slechts één punt uit het groote geheel van nabij hebben bezien en dat nog wel van meer dan 2000 jaren geleden? Wat geeft het, zegt spreker, voor kennis eener machine, wanneer men iemand slechts één fijn rad heeft laten zien?
2°. dat men bij zoodanige universiteitsuitbreiding de hoorders nooit in den waan brenge, dat ze nu academisch onderwijs genieten en wetenschappelijk worden gevormd, en het publiek niet in den waan, dat al dat voorbereidend lager en gymnasiaal onderwijs eigenlijk overbodig is. Dit is toch aan het volk al moeielijk duidelijk te maken; hoe zou het zijn, wanneer de universiteit zelf daartoe aanleiding zou geven?
3°. dat aan de universiteit zelf, die zich met zoodanige volksbewerking bezighoudt, het noodige personeel aanwezig zij, om te voorkomen, dat het academisch onderwijs geen schade lijde. Anders zou dat zelf het kind van de rekening worden en zou de universiteitsuitbreiding uitloopen op universiteitsvernietiging. Hiervoor nu is in Engeland minder bezwaar, waar veel personeel is en de universiteiten schatrijk zijn, maar bij ons is dat waarlijk het geval niet; hier komt veel personeel te kort
4°. en dit is, zegt spreker, wel de voornaamste voorwaarde, laat men toch nooit de eigenlijke vrucht van eene universiteit daarin zoeken, dat de universiteit doceerend het land doorga om op het volk te werken. Zeker moet eene universiteit op het volk werken. Maar niet rechtstreeks. Aan de universiteit moet de schat der wetenschap, van de vaderen overgeërfd, zoo het kan vermeerderd, aan het jonger geslacht worden overgeleverd; ten tweede moeten de jonge mannen, daar wetenschappelijk gevormd, ieder in den kring, waarin zij worden gesteld, de verworven wetenschap gebruiken en de vruchten van het onderwijs daarin uitdragen; in de derde plaats moet niet het wetenschappelijk onderwijs zelf, maar de vruchten daarvan in de verschillende kringen worden verspreid, om in die kringen weder te worden verwerkt en als uit de tweede hand tot het volk te komen; en ten slotte worden aan eene universiteit gevormd de leiders van het volk in Staat, Kerk en Maatschappij.
Aldus moet de universiteit op het volk werken.
Toch kan er daarom wel een directe werking der universiteit op het volk zijn; maar het worde aan de academische docenten zelf dan overgelaten, in hoeverre zij rechtstreeks daartoe willen medewerken. In zooverre dit geschieden kon, heeft de Vrije Universiteit zich tot hiertoe niet onbetuigd gelaten. In dien zin zijn er van den aanvang af rechtstreeksche werkingen op het volk geweest door geschrift en woord, door Standaard, Heraut, boekwerken, oraties, lezingen, optreden in in vergaderingen, enz. Zoo opgevat, is de Vrije Universiteit van „university-extension” een sprekend bewijs.
Spreker zou den naam „universiteitsuitbreiding” binnen onzen kring in gansch anderen zin willen handhaven. Het ligt op den weg van het Christelijk publiek, niet om de wetenschap van haar hoogte naar beneden te halen, niet om daartegen jaloersch op te zien en het onmogelijke te eischen, dat het universiteitsonderwijs voor hen zonder voorbereiding beschikbaar zij; maar om, als er eene stichting is, die op den grondslag van Gods Woord de wetenschap beoefent, die stichting te steunen en in staat te stellen een kring van geletterden te vormen, die het gezag van Gods Woord hoog houden, in de vaste overtuiging dat dit aan

|207|

heel het volk ten goede komt. Uitbreiding zal ook de leuze zijn van het Christelijk publiek op eene jaarvergadering als deze. In zooverre ligt het op den weg der Vereeniging voor Hooger Onderwijs, om uitbreiding te geven, niet aan het academisch onderwijs, maar aan de belangstelling daarvoor. Zulk een uitbreiding kan nooit ver genoeg gaan. Des te meer zal het volk er aan hebben.

Te Middelburg in 1899 behandelde Professor Rutgers de vraag: Moet art. 2 van de Statuten der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag gewijzigd worden, om het Gereformeerd karakter van de Vrije Universiteit zoo goed mogelijk te waarborgen?

Art. 2 van de Statuten luidt aldus:

De Vereeniging staat voor alle onderwijs, dat in hare scholen gegeven wordt, geheel en uitsluitend op den grondslag der Gereformeerde beginselen en erkent mitsdien als grondslag voor het onderwijs in de Godgeleerdheid de drie Formulieren van eenigheid, gelijk die in den jare 1619 door de Nationale Synode van Dordrecht voor de Nederlandsche Gereformeerde kerken zijn vastgesteld; een zoodanig gezag daaraan hechtende, als genoemde Synode, blijkens hare eigen handelwijze en hare acten, aan de belijdenisschriften der Nederlandsche Gereformeerde kerken heeft toegekend.

De vraag was nu: moet dit artikel gewijzigd worden om te beter aan zijn doel te  beantwoorden?

Spreker herinnerde er aan, hoe men zich alle moeite had gegeven om dit artikel juist te formuleeren. En hij kon daarvan meespreken, omdat hij de geboorte van het artikel had bijgewoond en dus wist hoeveel er over gediscussieerd was; hoevele amendementen er werden ingediend, en hoe het eindelijk, na lang en rijp beraad, was vastgesteld:

Vatten we nu het artikel scherp in het oog, dan ligt daar allereerst in, dat alle onderwijs aan de Vrije Universiteit geheel en ten volle aan de Heilige Schrift is gebonden; en wel zóó, dat men aan dien band niet ontkomen kan. Want had men slechts gezegd, dat het onderwijs aan de Heilige Schrift gebonden is, men zou geen vastheid hebben verkregen. Immers onder de uitdrukking „Heilige Schrift” verstaat men zoo velerlei; ieder dekt daarmee eigen inzicht. Doch nu men spreekt van de Gereformeerde beginselen in het algemeen en van de Formulieren van eenigheid in het bijzonder, nu is alle quaestie over de Schrift in eens opgelost en weet ieder, waaraan men zich op dit punt heeft te houden. Daarmee is uitgesproken, dat de Heilige Schrift in alles het onderwijs aan de Vrije Universiteit beheerscht; geen gelijk gezag daarnevens, van welke andere geschriften ook. Voorts is daarmede ook vastgesteld, hoe die Schrift te beschouwen is. En er ligt tevens in, dat en hoe het gezag van die Schrift metterdaad is te handhaven.

|208|

Juist om dit art. 2 werd in 1878 dan ook zelfs van Groningsche zijde erkend, dat de eenige grondslag van het onderwijs aan de Vrije Universiteit de Heilige Schrift is.
Doch het artikel geeft ook te kennen, dat niet ieder maar den Bijbel vóór zich nemen kan om er uit op te diepen wat er voor de wetenschap uit op te diepen is. Er is sprake van „Gereformeerde beginselen”. Een Gereformeerde erkent, dat er in de kerk van Christus ook een leiding is des Heiligen Geestes, die, vooral tegenover opkomende dwalingen, de beteekenis van het Schriftwoord hoe langer hoe beter leert verstaan, en die, naarmate het leven rijker en voller wordt, ook des menschen gedachten, althans bij de geloovigen, al meer inleidt in hetgeen God zelf ons van zijn gedachten heeft geopenbaard. Daardoor is er in den loop der tijden een wel samenhangende belijdenis gekomen, en een daarmee overeenkomende levens- en wereldbeschouwing, die historisch den naam draagt van „Gereformeerd”. En nu wordt in art. 2 mede uitgedrukt, dat dit Gereformeerde (in tegenstelling met Roomsch, Luthersch, Doopersch, revolutionair, enz.) het karakter van de Vrije Universiteit is, en zulks moet blijven.
In de derde plaats wordt hier uitgesproken, dat deze Gereformeerde beginselen, wat de Godgeleerdheid betreft, uitgewerkt zijn in de drie Formulieren van eenigheid. Dit ligt in het woordje „mitsdien”, dat nooit beteekend heeft of beteekenen kan: „op gezag van”; of: „uit kracht van”; maar de beteekenis heeft van „daardoor”; „door middel van” (in de officieele Fransche vertaling van onze kerkelijke bevestigingsformulieren: „par elle”); „daarom”; dan ook”; of iets dergelijks; altijd ter verbinding van twee volzinnen, waarin zaken genoemd worden die met elkander in verband staan, maar nooit met de strekking om daardoor de eene zaak als lager dan de andere en van haar afhankelijk voor te stellen.
Met betrekking tot de Formulieren van eenigheid wordt voorts uitgesproken, dat die niet gelijkstaan met de Heilige Schrift, maar toch gelden, zoolang zij niet wettiglijk door de Gereformeerde kerken naar de Schrift zijn gewijzigd; en dat zij dan niet alleen gelden als historische gedenkstukken, maar ook metterdaad zijn te handhaven: „een zoodanig gezag daaraan hechtende”, enz. Immers, het gezag dat de Dordtsche Synode in 1619 aan die Formulieren heeft toegekend, is niet een betwistbaar punt. Hoedanig dat gezag geweest is, staat historisch vast; en wordt dan ook door ieder, om het even van welke richting, erkend.
Ook de niet-Theologische wetenschappen zijn aan die Formulieren gebonden, in zooverre deze de bedoelde wetenschappen raken. Dit ligt mede in het woordje „mitsdien”, dat te kennen geeft, dat in die Formulieren „Gereformeerde beginselen” liggen; waaraan volgen, het begin van het art. alle onderwijs gebonden is. Maar tevens wordt hier uitgesproken, dat er voor die andere wetenschappen nog Gereformeerde beginselen zijn, die wel samenhangen met die der Formulieren, maar die er toch niet in zijn uitgedrukt. Zoodat dus, ook te dien aanzien, het Gereformeerd karakter van het onderwijs nu gehandhaafd kan worden.
Ten slotte verdient het opmerking dat alle onderwijs aan de Gereformeerde beginselen gebonden is; de persoonlijke belijdenis van de docenten geniet dus eenige vrijheid. Bij de Theologie is zulke vrijheid natuurlijk het kleinste, daar men hier gebonden is aan de drie Formulieren van eenigheid. En bij de Litterarische en Juridische Faculteiten zal, door den aard van die wetenschappen zelve, de docent ook persoonlijk in bijna alle opzichten goed Gereformeerd moeten zijn. Maar het zou bijv. denkbaar zijn, dat voor een op te richten Medische faculteit een bekwaam chirurg te vinden ware, die van de Gereformeerde beginselen, b.v. in zake het kerkrecht afwijkende meeningen had. Natuurlijk zou zulk een chirurg hoogleeraar

|209|

aan de Vrije Universiteit kunnen zijn, mits zijn medisch onderwijs niet in strijd kwam met de Gereformeerde beginselen.
En wanneer men nu zegt dat dus alleen voor de Theologische faculteit de Gereformeerde beginselen zijn aangewezen en uitgewerkt, en voor de andere faculteiten niet, dan is dit volkomen juist; maar vergeten mag het niet, dat er voorde andere faculteiten van het opsporen der beginselen schier nog geen werk is gemaakt terwijl op theologisch gebied de Gereformeerde beginselen eeuwen lang zijn doorgedacht.
Thans herinnert de inleider nog eens aan de drie tegen het artikel ingebrachte maar ook door het gezegde reeds genoegzaam weerlegde bezwaren, dat 1e. de Gereformeerde beginselen wel genoemd maar niet omschreven worden; 2e. dat blijkens het woordeken „mitsdien” de Gereformeerde beginselen boven de Formulieren zouden zijn geplaatst; en 3e dat men het gezag der Formulieren scheen te hebben beperkt; om welke bezwaren weg te nemen, men het begin en het slot van het artikel wilde laten vervallen en een nieuw artikel 2 ongeveer aldus wilde formuleeren: „De grondslag is de Heilige Schrift, naar de verklaring van (of overeenkomstig) de drie Formulieren van eenigheid”.
Maar, zegt spreker, zulk een artikel zou het onderwijs binden met een absoluten band aan de Formulieren, gelijk de kerken zelve dien nimmer hebben willen aanleggen. Dat zou feitelijk zijn een gelijkstellen van de Formulieren met de Heilige Schrift.
Dan zou ook niet zijn uitgesproken, dat en hoe men de Formulieren wil handhaven.
En dan zou metterdaad gesteld zijn, dat er voor de niet-Theologische Faculteiten geen andere Gereformeerde beginselen zijn, dan die in de Formulieren te vinden zijn; en dat deze die beginselen genoegzaam aangeven en uitwerken, ook voor de Letteren, de Rechten, de Geneeskunde, de Natuurkunde, enz. Tenzij men de uitdrukking: „naar de verklaring” mocht opvatten alsof zij beteekende: ,,Naar en ook buiten, de verklaring!”
De conclusie van den inleider was dan ook, dat wijziging van art. 2 niet is aan te bevelen, en dat de aan de hand gedane verbetering wel waarborgen wegnam, maar geen waarborgen schonk.

In de Openbare Meeting, die aan de jaarvergadering van 1897 te Rotterdam verbonden was, 1) hield Professor Rutgers een referaat


1) In 1886 was Prof. R. door ongesteldheid verhinderd op de meeting te Leiden de stelling te verdedigen: Het onderwijs in de godgeleerdheid, dut aan de Hoogescholen hier te lande gegeven wordt, en dat meest gebruikt wordt om voor de Bediening des Woords wetenschappelijk op te leiden, is hiervoor niet alleen ongeschikt, maar schadelijk. In de plaats van Professor Rutgers verdedigde nu Professor Kuyper deze thesis, waarbij spreker begon met te wijzen op een door Professor Rutgers in het Synodaal Archief ontdekt, hoogst belangrijk document, waarin o.a. voorkwam een reeds in de 16e eeuw ontworpen schets voor een Vrije Gereformeerde Universiteit. Een stuk, dat nu pas ontdekt, en dus in 1880 nog geheel onbekend, toch geheel met onze stichting in overeenstemming bleek, en alzoo ongezocht een kostelijk historisch bewijs leverde, dat de stichters onzer Universiteit op zuiver Gereformeerde paden wandelden.

|210|

over het rechtstreeksch belang, dat de Vrije Universiteit heeft bij de thans aanhangige quaestiën over art. 36 van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis. Resumeerende, verklaarde de spreker: de Vrije Universiteit heeft er rechtstreeksch belang bij,

1o. dat de confessie, die mede tot den grondslag van haar onderwijs behoort, niet willekeurig worde opgevat, maar naar den regel van alle gezonde opvatting;
2o. Dat het gezag van die confessie niet als absoluut beschouwd worde, maar bepaald blijve door den regel, dien de kerken zelven daarvoor gesteld hebben;
en 3o. dat het aan de Overheid als roeping gesteld worde, niet om op geestelijk gebied exclusief en dwingend op te treden, maar om de geestelijke ontwikkeling van hare onderdanen geheel vrij te laten. 1)

Maar behalve die enkele malen, dat Professor Rutgers een inleiding of een referaat leverde, voerde hij op de Universiteitsdagen jaar op jaar het woord bij de vaststelling van het jaarverslag, en dan kon men er zeker van zijn, dat de vergadering aan zijn lippen hing. Want dan bleek wel duidelijk, dat deze man van strenge logica toch allerminst buiten de realiteit van het leven stond.

Hoe tintelde zijn oog van schalkschen humor, als hij te Arnhem in 1893 eenige opmerkingen maakte in verband met de klacht van H.H. Directeuren, dat de college-zalen te klein werden. Dat er soms een lokaal te klein is, zoo zei hij toen, dit geldt slechts één enkel college, waar behalve studenten, ook anderen, hoorderessen, worden toegelaten. Spreker zou daar nu niet tegen opkomen, maar adviseerde, om daarom toch de lokalen niet te vergrooten; laat er dan desnoods een lokaal voor worden gehuurd.

Nu echter vraagt Professor Kuyper het woord. Deze toch acht zich persoonlijk in het debat gemengd. Hij verhaalt dan het feit, dat een kring van zusters met toestemming van den Rector der Universiteit één zijner colleges bezoekt. Prof. Rutgers nu, zegt spreker, schijnt ietwat jaloersch te zijn, omdat hij zulk een voorrecht niet heeft. Hij verklaart bovendien, dat de aanvankelijke oppositie van prof. R. tegen het vergrooten der collegelokalen voortkomt uit eene corporeele indifferentie, waarvan bij hem een te geringe sympathie voor gezette menschen het gevolg zou zijn. Vervolgens wijst spreker er op, dat Calvinisten geen spiritualisten zijn, die slechts voor den geest zorgen. De ware Calvinist draagt ook zorg voor de gezondheid van zijn lichaam. Het goede woord dankt zijn effect niet alleen aan den geest, maar ook aan den corporeelen toestand, die eene bezielende voordracht mogelijk


1) Zie over art 36 nog de Acta der Generale Synodes van 1905 en 1914.

|211|

maakt. Elk chemisch onderzoek nu naar den toestand der atmosfeer in de lokalen tijdens de colleges ingesteld, zou te allen tijde een onbevredigend resultaat opleveren. Daarom brengt spreker aan HH. Directeuren zijn hartelijken dank, dat zij de quaestie van betere lokalen aan de orde gesteld hebben. Sterk verklaart hij zich tegen het huren van lokalen; beter is het, er naar uit te zien, dat wij een behoorlijk academie-gebouw krijgen.

Professor Rutgers, nu weer aan het woord komende om Professor Kuyper te antwoorden, merkt, wat die jaloerschheid aangaat, op, dat hij uit eigen huis zelfs contingent aan de dames levert. Juist heeft hij dit punt ter sprake gebracht om het tegendeel van jaloerschheid te toonen. Op het agendum immers stonden slechts enkele professoren. De anderen zouden nu zwijgen, dacht hij, en dat moest niet; en met name Prof. Kuyper wilde hij aan het spreken krijgen, ook al kwam hijzelf dan in de schaduw te staan. Dit nu kon het best, door de atmosfeer der collegekamers ter sprake te brengen, want bij zijn bestrijden is juist dat de kwetsbare Achilles-hiel. En inderdaad is Achilles nu ook dadelijk uit zijne tent gekomen en de gansche vergadering heeft hem zijne wapenen goed zien hanteeren.

Wat verder het huren betreft, sprekers bedoeling was alleen, om voor dat ééne college een ander lokaal te krijgen, en met betrekking tot de ongezonde lucht vindt hij toch een zonderling contrast tusschen het klagen daarover van Prof. Kuyper, en diens welvarendheid.

Een ander maal, te Arnhem 1909, over het jaarverslag sprekende, is het niet om een aanmerking te maken op iets, dat er in staat, maar om eene opmerking te maken over iets dat er in had kunnen voorkomen, en toch z.i. terecht daaruit is weggebleven.

Er wordt in het jaarverslag gesproken over de behoefte die er bestaat aan uitbreiding van het aantal hoogleeraren, met name in de literarische, de juridische en de medische faculteiten; een behoefte, die ook blijkbaar door heeren Directeuren zeer sterk wordt gevoeld, al hebben zij daarin thans nog niet kunnen voorzien. Maar nu is bij sommigen de vraag gerezen, of onze universiteit niet bovendien thans kon gaan zorgen voor het Hooger Onderwijs, dat met betrekking tot Indië noodig is.
Zij arbeidt voor de landen daarginds reeds door de opleiding van jonge mannen die in de tropen als missionair Dienaar des Woords optreden; maar de vraag is gedaan: kunnen we ook niet gaan zorgen voor de opleiding van Indische ambtenaren? Aan mannen van onze beginselen, bekwaam om in Indië in allerlei bestuursfuncties op te treden, bestaat groote behoefte, en het zou voortreffelijk zijn, indien wij daarin konden voorzien. Doch daarop bestaat vooralsnog geen uitzicht. Te Leiden heeft men voor de opleiding van Indische ambtenaren zeven

|212|

„onderwijskrachten”, vijf hoogleeraren en twee lectoren. Zóó grootscheeps zouden wij nu wel niet behoeven op te treden; we zouden het denkelijk wel met een drietal kunnen doen. Doch al zou een groote vermeerdering van inkomsten daartoe in staat stellen, zouden dan die straks genoemde behoeften toch niet moeten voorgaan? En gesteld zelfs, dat er thans geld genoeg kwam voor een zestal katheders waar zouden we de geleerden vinden, die bij ons voor Indië eene wetenschappelijke opleiding kunnen geven? Ze moeten niet alleen ten volle bekwaam zijn voor hun taak, ze moeten ook onze beginselen deelen; en zulke mannen zijn ons tot heden niet bekend. Terecht hebben dus onze Directeuren, hoe gaarne zij aan den uitgesproken wensch ook zouden voldoen, toch geenerlei beloften in die richting afgelegd, omdat de verwezelijking er van zich toch zou moeten laten wachten.

Overigens drong hij voortdurend sterk aan op uitbreiding van de Universiteit; b.v. te Utrecht in 1907, toen hij er op wees, dat het jaarverslag melding maakte van de benoeming van een hoogleeraar in de medische faculteit.

Misschien heeft deze mededeeling hier en daar eenige zorg verwekt en de vraag doen opkomen, of het wel met de bekende voorzichtigheid van Directeuren is overeen te brengen geweest, thans tot die benoeming over te gaan.
Immers dit kan niet anders dan nieuwe en niet onbelangrijke uitgaven met zich brengen, en dat terwijl melding wordt gemaakt van een tekort, dat ongeveer f 7000.— bedraagt.
Wie oppervlakkig oordeelt, zou misschien aan heeren directeuren eenige onvoorzichtigheid kunnen verwijten; maar toch zou zulk een verwijt ongegrond zijn. Immers, als men met de medische faculteit zou moeten wachten, totdat er voldoende inkomsten reeds werkelijk aanwezig waren, d.w.z. totdat de jaarlijksche rekening een voldoend batig saldo had aangewezen, dan zou zij er denkelijk wel nooit kunnen komen. Op die manier is er vroeger trouwens nimmer gehandeld, ook niet bij de stichting zelve. Men is met het werk begonnen en men heeft dat voortgezet, toen gebleken was van genoegzame sympathie in den kring der Gereformeerden, in het geloof, dat de middelen ons dan uit Gods Vaderhand wel zouden toekomen, en in dat geloof zijn we niet beschaamd.
Toen de Universiteit zou worden opgericht 1) en spr. een hoogleeraarsbenoeming reeds had aanvaard, werd er tot hem gezegd: Maar wat moet daarvan komen? Heeft men de middelen, die noodig zijn om een Universiteit in stand te houden? Immers neen. Ironisch werd zelfs gezegd, dat spr. en de zijnen nog eens terecht zouden komen in de „Toevlucht voor behoeftigen” aan de Passeerdergracht te Amsterdam; hem werd stellig verzekerd, dat men het voldoende steunen van die Universiteit op den duur niet zou volhouden. Doch al die sombere profetieën zijn niet verwezenlijkt, integendeel. Ons volk heeft voor onze Universiteit mildelijk gezorgd en bestendig gegeven. En naar het oordeel van directeuren is die steun nog voor heel wat uitbreiding vatbaar; immers zeggen zij in hun verslag, niet te zullen rusten, vóór ieder Gereformeerd belijder aan de instandhouding van onze Universiteit meewerkt. Dit wil zeker heel wat zeggen, want Gereformeerde belijders zijn er hier te lande door Gods goedheid nog velen, niet alleen in, maar ook


1) Zie blz. 84.

|213|

buiten „de Gereformeerde Kerken”, en daaronder ook velen, die nog wel aan de rij van leden of begunstigers zouden zijn toe te voegen.
Er is wel in de toekomst allerlei zorg, ook die met oog op hoogleeraren, wier leeftijdsgrens nadert, waarbij spreker echter niet aan zichzelven denkt, want te dien aanzien is voor eene eventueele vacature reeds nu gezorgd, en voorts, zoolang God de Heere hem de krachten spaart, hoopt hij de Vrije Universiteit te blijven dienen. (Applaus.)
Doch welke zorgen er ook mogen zijn, directeuren hebben goed gedaan met de hand te slaan aan het werk. Een Medische faculteit is zeer noodig. Niet alleen om aan den zeer begrijpelijken wensch van velen te voldoen, dat het aantal Christelijke geneesheeren toeneme, die aan het ziekbed niet staan als een vreemde en ook in staat zijn een Christelijk woord te spreken. Van hoeveel belang dat ook is, de hoofdzaak is het echter niet. Men moet niet alleen geloovige menschen hebben, een dokter die óók bekeerd is, doch een man, wiens geloof ook op zijne wetenschap heeft doorgewerkt.
Om slechts iets te noemen: we hebben eene medische wetenschap noodig, die den mensch niet maar beschouwt als een aggregaat van materie of als een zeer saamgesteld mechanisme, dat door een soort van kracht als b.v. de electriciteit, in beweging wordt gebracht en welks leven ophoudt, wanneer de electrische stroom niet meer vloeit, maar die rekent met den mensch, gelijk God hem geschapen heeft, en dus ook met de beteekenis van des menschen ziel, met den aard van het menschelijk leven en met de daarvoor gestelde zedelijke eischen.
Van het hoogste belang is daarom, dat de aanstaande medici door mannen van Christelijke wetenschap worden opgeleid; van het hoogste belang ook, dat, om daartoe te komen, thans door directeuren de eerste schrede is gedaan, die mogelijk werd door de welwillende medewerking van de Vereeniging tot Christelijke verzorging van zenuwlijders.
Spreker bindt hel belang van de Medische faculteit allen aanwezigen op het hart en spreekt den wensch uit, dat de geestelijke gemeenschap, die in eene samenkomst als deze bijzonder gevoeld wordt, ook daarna nog opwekkend werke, tot bevordering van den groei onzer Universiteit.

Het volgend jaar, 1908 te Leeuwarden, merkt hij op, dat het jaarverslag een optimistischen toon aanslaat en daardoor in een aangename stemming brengt.

Zijn, zoo rees de vraag bij hem op, de mededeelingen en beschouwingen van het Bestuur hier en daar niet al te optimistisch? Met betrekking tot één enkel punt is dat zeker het geval. In het verslag van de Vrije Universiteit (blz. XC) wordt, blijkbaar tengevolge van een misverstand bij de opgaven, vermeld, dat 66 studenten geëxamineerd zijn, en dat geen enkele zou zijn afgewezen. Dit nu is helaas niet juist; er zijn wel enkele afwijzingen voorgekomen. ’t Is jammer, dat dit verzuim in het verslag de afgewezenen niet helpen kan; ze kunnen er zich niet op beroepen en zeggen: het staat er toch, dat we niet afgewezen zijn. Spr. wijst op deze fout, opdat men niet in den waan zal komen, dat aan de Vrije Universiteit alles vanzelf gaat. Vrome zin en beginsel vastheid, hoe onmisbaar ook, zijn hier niet genoeg; er moeten ook talenten zijn, en deze dienen door gedurig werken ontwikkeld. Mag spreker een wensch uiten, dan is het deze: het volgende verslag melde wederom, dat er niemand werd afgewezen; maar melde het dan naar waarheid.

|214|

Maar wel kwam spreker tot de straks genoemde bedenking door hetgeen op blz. XXV vgg. over de financiën gezegd wordt. Ook hier rees bij hem de vraag: zijn directeuren niet wat te optimistisch? Maar toen hij die vraag zich stelde, gingen zijn gedachten terug naar den tijd, nu 29 jaar geleden, toen de Vereeniging werd gesticht. Hoe klein was toen de kring der belangstellenden! Toen Dr. Kuyper en Spreker tot Hoogleeraar werden benoemd, had de Vereeniging nog geen inkomen van f 4000.— per jaar; wat moest daarvan terechtkomen? vroeg men. Men zou de belangstelling zien te vermeerderen. De beide eerste Hoogleeraren en Mr. Keuchenius werden aangewezen om tot dat doel een propaganda-tocht door het land te doen. Zij besloten het eerst naar Friesland te gaan. De broeders Van Munster, Hoekstra en anderen meenden, dat men wel in Dokkum en Sneek eene meeting zou kunnen houden, maar nog niet in Leeuwarden, waar de kring van geestverwanten nog zoo uiterst klein was. We hielden hier toen wel eene vergadering; maar de belangstellenden konden allen plaats vinden in een ruime kamer, die de heer Oppedijk daarvoor afstond. En zie nu deze jaarvergadering in Leeuwarden eens, waar zeker wel de meerderheid van elders kwam, maar waar toch uit Leeuwarden en zijn omtrek heel wat meer menschen zijn dan ook zelfs de grootste kamer zou kunnen bevatten. Welk een kolossale vooruitgang! Nooit hebben de Friezen ons teleurgesteld; ze hebben ons gesteund met hun gebed, met hun gaven, en ’t waren mee hun zonen, die ’t eerst aan onze Universiteit kwamen studeeren.
Zijn we te optimistisch? Die vraag zal Spreker hier nu niet behandelen; het is een vraag, waarop het antwoord moet gegeven worden door de leden en begunstigers zelven. Groote plannen zijn ontworpen, maar hun verwezenlijking vraagt meerdere inkomsten. Daarin ga nu ook Friesland voor. Het antwoorde op de vraag: Neen, directeuren waren niet te optimistisch; we kunnen méér dan zij verwachten; en voor dat meerdere kunnen brengen we ootmoedigen dank aan den Heere onzen God. (Applaus).

Van dien ootmoedigen dank getuigde ook zijn woord bij de herdenking van het 25-jarig bestaan der Vrije Universiteit, toen hij o.m. sprak:

O, onze Universiteit kan nog tot groote dingen worden geroepen, indien wij maar kleine gedachten van ons zelven hebben en groote gedachten van den Heere. Toen spr. met Dr. Kuyper correspondeerde over de oprichting van deze Hoogeschool. en door sommigen de gedachte was uitgesproken, dat de poging wel eens zou kunnen mislukken, schreef Dr. Kuyper hem te dien aanzien: „Het werk zal niet mislukken, als wij persoonlijk maar bereid zijn er bij onder te gaan”. 1) Dat is het geheim van onze kracht; we moeten er desnoods persoonlijk bij willen ondergaan. En nu, ziende op de groote zegeningen, die de Heere schonk, kan spreker eindigen met het: „Verblijdt u in den Heere re allen tijde”; „dankt God in alles”; „wie roemt, roeme in den Heere”.

Pas nadat hij emeritus-Hoogleeraar geworden was, voerde Professor Rutgers op de jaarvergadering zelve niet meer het woord.


1) Zie blz. 77.

|215|

Maar wel hield hij in 1911 te Zwolle, als steeds, aan den gemeenschappelijken disch nog een toespraak. Zulke „tafels” worden echter niet „verslagen”. Besluiten we daarom deze paragraaf met er alleen dit van te zeggen, dat zijn woord te allen tijde, niet enkel bij een speech of dispuut, maar ook bij een toast, met zout besprengd was.

___

 

Rullmann, J.C. (1918) HIV.8

8. Als Schrijver.

Nu we aan den Hoogleeraar Rutgers als schrijver toe zijn, denken we ons hem allereerst als briefschrijver. En dan weten we, dat hij even gemakkelijk schreef als sprak. Bij zijn epistolaire bezigheid hokte of stootte de pen nimmer, maar ze vloog over het papier. Het kostte hem niet de minste moeite om de juiste uitdrukking voor zijn gedachten te vinden. Wat hij neerschreef vloeide aanstonds in zóó gereeden vorm uit zijn pen, dat het geen wijziging meer van noode had.

Het facsimilé tegenover bladzijde 176 toont zijn handschrift. 1) Hoeveel van zulke brieven en briefjes hij wel geschreven heeft, valt niet te berekenen. Hun aantal (we merkten het reeds eerder op) 2) is legio. Bijeenverzameld zouden ze op onze boekenplank zeker de plaatsruimte van eenige folianten innemen.

Ook is het moeilijk te gissen, hoe ver de arbeid van Professor Rutgers door deze stille correspondentie zich heeft uitgestrekt. Wel mogen we aannemen, dat hij, behalve met vele particulieren en kerken hier te lande, ook met niet weinige personen in het buitenland correspondentie onderhield, al was het alleen maar met die velen, die gedurende den loop der jaren in zijn huis gastvrijheid genoten. Het lijdt dan ook geen twijfel of Professor Rutgers heeft eenigermate als Calvijn, door zijn brieven invloed uitgeoefend in heel de wereld.

Zelfs met het Wereldgodsdienstencongres, dat in September 1893 te Chicago samenkwam, stond hij in correspondentie.

Uitgenoodigd toch om als adviseerend lid voor het welslagen van dit Congres mede te werken, berichtte hij kort maar krachtig, waarom hij pertinent elke gemeenschap met dit Congres moest afwijzen. Hij deed dit in het hier volgend schrijven, dat, mèt de vertaling, gepubliceerd werd in De Heraut, no. 797.


1) De rouwrand er omheen herinnert aan het overlijden van Mevrouw Rutgers op 22 October 1908.
2) Bladz. 149.

|216|

Amsterdam, 23 March 1893. 1)
Rev. John Henry Barrows D. D.
Chicago.

Reverend Sir,

In answer to your Information, that I am appointed a member of the Advisory Council on Religious Congresses etc, I can only return my sincere thanks to the General Committee for the honour which it was their intention to confer upon me, but the invitation herself I can really not accept. The whole idea of such a Parliament of Religions, and also the tendency of the General Programme, is in my opinion thoroughly pantheistic, an effect of the pantheistic current which presently overflowes nearly the whole dominion of modern science; a negation of the fact, that God Himself has learned us in his Word how He will be worshipped and that He rejects all so-called religious worship of man’s own invention; indeed nothing less than an actual negation of the true religion herself. Of course I don’t mean, that such is the intention of the General Comittee, of yourself, honoured Sir, or of all the eminent men who have given their names to promote this action. I don’t doubt the good faith of the members of the Committee, when they say, that it is their desire to indicate the impregnable foundations of theism. But still this assertion seems to me a protestatio actui contraria. I regret, that so many Christians have expressed their cordial approval of the plan. And for myself I can only say, that I am not at liberty to follow their example, as it is not safe, and even not allowed, to do anything against the conscience.
I have the honour to be

Yours respectfully,
Prof. Dr. F.L. RUTGERS.

Dit schrijven doet ons onwillekeurig denken aan het door Professor Rutgers in zijn familie-archief bewaarde antwoord van zijn vader uit Sept. 1848, op een benoeming tot „Correspondeerend Medelid” van het Haagsche Genootschap. Het was gericht aan den Secretaris, Prof. W.A. van Hengel. Het begin en het slot ervan volge hier:

Kopie.

HoogEw. H. Gel Heer!

Ik ben zeer gevoelig voor de eer die Gij en Uwe mede-Directeuren mij hebt toegedacht door mij tot Correspondeerend Medelid te benoemen van het Haagsche Genootschap, en


1)

Amsterdam, 23 Maart 1893.
Weleerw. Heer John Henry Barrows,
Theol. Doct., Chicago.

Weleerw. Heer

In antwoord op uwe mededeeling, dat ik benoemd ben tot lid van den Raad van Advies voor Godsdienstcongressen enz., kan ik slechts mijn oprechten dank betuigen aan het Generale Comité voor de eer die zij bedoelden mij te bewijzen, maar de uitnoodiging zelve kan ik inderdaad niet aannemen. Het geheele denkbeeld van zulk een Parlement van Godsdiensten en desgelijks de strekking van ➝

|217|

verzoek U mijn oprechten dank voor die vereerende benoeming aan te nemen en aan Uwe mede-Directeuren te willen mededeelen.
Hoogst aangenaam zou het mij intusschen geweest zijn, indien ik, eer het zooverre kwam, hiervan een wenk had mogen ontvangen. Ik was dan in slaat geweest om zonder onheusch te zijn, althuis te schijnen, Uwe heusche bedoelingen te voorkomen. Nu wil ik wel erkennen, dal het mij zeer veel kost U door eene afwijzing te ontstemmen. En toch, ik heb geen keus, daar ik dat bezwaar blijf houden, dat ik U gisteren mondeling mededeelde.
Geheel vereenigd met den geest en de bedoelingen van het Oude Haagsche Genootschap, kan ik mij niet vereenigen met de strekking van het tegenwoordige. Het Genootschap bestrijdt thans ook wel vele afdwalingen der Theol. wetenschap, doch schijnt mij toe meer vooruitgang te bedoelen van Theologische wetenschap en christelijke kennis, dan behoud en verdediging van die hoofdpunten van den christ. godsdienst, waarvan der christenen rust en troost afhangt en waarmede de bloei der Chr. Kerk in het nauwste verband staat . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Onzijdigheid en vrije discussie, hoe wenschelijk en noodzakelijk waar het Letterkunde of Theologie of eenige andere wetenschap geldt, is omtrent de hoofdzaken hier niet


➝ het Algemeen Program, is naar mijn gevoelen door en door pantheïstisch, eene uitwerking van de pantheïstische strooming, die op dit oogenblik bijna het geheele gebied der hedendaagsche wetenschap overstroomt; eene loochening van het feit, dat God zelf ons in Zijn Woord geleerd heeft hoe Hij wil gediend zijn, en dat Hij alle zoogenaamde dienst en vereering, die de mensch zelf uitvindt, verwerpt; inderdaad niets minder dan eene feitelijke verloochening van den waren Godsdienst zelven. Natuurlijk wil ik niet zeggen, dat zulks de bedoeling is van het Generale Comité, van Uzelven, geachte Heer, of van alle de mannen van beteekenis die hunne namen gegeven hebben om deze zaak te bevorderen. Ik twijfel niet aan de goede trouw der leden van het Comité, wanneer zij zeggen dat het hunne begeerte is de onwrikbare grondslagen van het theïsme aan te wijzen. Maar toch is deze bewering naar mij voorkomt, eene betuiging, die door de daad zelve weersproken wordt. Ik betreur het, dat zoovele Christenen hunne hartelijke goedkeuring van het plan hebben uitgesproken. En voor mij zelven kan ik slechts zeggen, dat het mij niet vrij staat hun voorbeeld te volgen, daar het niet veilig, en zelfs niet geoorloofd is, tegen de conscientie iets te doen.
Ik heb de eer te zijn, hoogachtend

Uw Dwl. Dr.,
Prof. Dr. F.L. RUTGERS.

|218|

mogelijk; hier evenmin waar men de wapens heeft aangegord tot verdediging van den Chr. Godsdienst, als waar men ze draagt tot verdediging des Vaderlands.
Ik weet intusschen dat dit mijn bijzonder gevoelen is en heb dit niet geschreven om de Dir. van het H.G. te beoordeelen; maar omdat ik niet onheusch genoeg wilde zijn om zonder reden op te geven, voor eene zoo vereerende benoeming te bedanken.
Het smart mij innig, dat ik niet met u den schoonsten strijd kan strijden, maar zoo ergens dan moet er eenheid zijn van gevoelens daar, waar men zijn dierbaarste belangen zal gaan verdedigen.
In heb de eer met hoogachting te zijn,

enz.,
A. RUTGERS.

Over de beteekenis van den epistolairen arbeid van Professor F.L. Rutgers is in de paragraaf over den Hoogleeraar als Canonicus reeds gehandeld. Daarop komen we dus nu niet terug. Maar wel moeten wij thans nog wijzen op een eigenaardige tegenstrijdigheid in Professor Rutgers als schrijver.

Zoo gemakkelijk en vlot hij schreef in private correspondentie, zoo moeilijk en stram penvoerder was hij, als het op publicaties naar buiten aankwam. Dan durfde hij geen zin op ’t papier brengen, of hij moest de vier of vijf zinnen, die op den eersten volgen zouden, reeds volkomen in zijn geest doordacht en gestyleerd hebben. En zoo zag men hem dan voor zijn schrijftafel tobben en worstelen, om een vel druks voor de pers gereed te krijgen. Zelfs werd van hem verteld 1) dat hij eens, een rectorale oratie uitwerkend, zeer voldaan was over zijn arbeid van één dag, toen hij kon verklaren elf regels schrift tot negen te hebben kunnen reduceeren. En de drukkersjongen, die op de copy stond te wachten, ontving ten slotte „papiertjes met zweetvlakjes, die met moeite een vel vulden.” 2)

Dit uiterst langzaam opkomen en voortschrijden van zijn thetischen arbeid weet men aan zijn al te groote correctheid en preciesheid, waardoor hij nooit iets in het licht durfde zenden, eer het volkomen, ook wat den vorm betrof, aan zijn ideaal beantwoordde. Alleen in de dagen der Doleantie viel deze hindernis, gelijk we zagen, weg. 3) Als er niet slechts drang, maar dwang was, kwam hij


1) Zie De Standaard, 19 Maart 1917.
2) Zie het In Memoriam van Dr. A. Kuyper Sr. in den Almanak van het Studentencorps a. d. V. U. voor 1918, blz. 53.
3) Blz. 169.

|219|

altoos gereed. „Drong er een heilig moeten, gelijk voor een rectorale oratie, dan worstelde hij er pijnlijk en met beklemden stijl ten slotte door heen. Maar ontbrak er het heilige moeten, dan neigde hij er toe om de pen al spoedig neer te leggen.”

Hierin ligt de verklaring van de droeve en teleurstellende uitkomst, dat het reuzenwerk over Calvijn, dat in hem zat en zijn geest als perste, niet uit de pen kwam, dat hij zich niet waagde aan een handboek voor onze vaderlandsche kerkgeschiedenis, zooals alleen hij ons had kunnen geven, en dat zelfs een standaardwerk voor het Gereformeerde Kerkrecht of althans een toelichting op de Kerkenorde, hoe vaak ook van hem begeerd, niet verscheen.

De werken die hij naliet zijn dan ook niet zoo vele.

Zie hier de lijst:

 

Disquisitio de fundamento quo Johanne auctore fidem sibi habendam niti voluit Christus. Academisch proefschrift, verdedigd 31 Mei 1860. Lugduni Batavorum, apud E.J. Brill, MDCCCLX, 113 pagg.
Besproken op blz. 20-35.

Ervaringen bij de Evangelie-bediening. Toespraak over Mark. IV: 3-8. Afscheid te Eibergen 3 Maart 1867. Zutphen, A.C.E. van Someren, 1867. 32 pagg. Niet in den handel.
Besproken op blz. 30 tot 34.

Preeken in: Wekelijksche Volksleerredenen, over: Joh. VII: 17, Rom XII: 2b, Luk. XV: 2, 1 Kron. XXI: 17b, Joh. XIX: 7-11, Luk. II: 1-7, Gal. VI: 7b. Delft, J.A. Mulder, 1865-1876, 8 à 12 pagg., per jaargang f 2.60.
Besproken op blz. 35 tot 38 en 40 tot 42.

Vrije Theologische Studie. Utrecht, C. van Bentum, 1878, 32 pagg. f 0.30.
Besproken op blz. 66 tot 70.

Memorie in zake de aannemingsquaestie. Uitgegeven door de Gereformeerde commissie van advies. Amsterdam, J.H. Kruyt, 1880. 44 pagg. f 0.50.
Besproken op blz. 155 en 156.

In hoeverre heeft de genootschappelijke band, die sedert 1816 aan de Nederlandsche Gereformeerde kerken is opgelegd, voor de

|220|

bijzondere kerken, die daarin geplaatst zijn, een bindende kracht? Beantwoord op de algemeene vergadering der Nederlandsche vereeniging van „Vrienden der waarheid”, enz., op 12 April 1882, door Prof. Dr. F.L. Rutgers en Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman. Amsterdam, H.J. Winter, 1882, 11 pagg. van Prof. R.
Besproken op blz. 158 tot 160.

Het kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde Kerken, gelijk dat gekend wordt uit de handelingen van den Amsterdamschen kerkeraad in den aanvang der 17de eeuw. Rede bij de overdracht van het Rectoraat der Vrije Universiteit te Amsterdam, op 20 October 1882. 192 pagg. f 1.40.
Besproken op blz. 94 tot 96, 127 tot 131 en 160.

Gisberti Voetii Tractatus Selecti de Politica Ecclesiastica. Bibliotheca Reformata, series prima. vol. secundum, Amstelodami, apud J.H. Kruyt MIXICCI, XXXV, XXIV en 371 pagg.
Besproken op blz. 126.

Contra-Memorie in zake het Amsterdamsch conflict, opgesteld met Dr. A. Kuyper. Amsterdam, J.H. Kruyt; 1e druk 1886, 92 pagg. f 1.50; 2e druk, met openbaar schrijven aan de algemeene synode, 1886, 132 pagg. f 0.90.
Besproken op blz. 170.

De Rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken, opgesteld met Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman, 1e uitgave; Utrecht, Kemink en Zn., 1886, 106 pagg. f 1.25; 2e, veel vermeerderde, uitgave: Amsterdam, J.A. Wormser, 1887, 216 pagg. f 2.25.
Besproken op blz. 171.

De Hiërarchie in haar kerkbedervend karakter. Referaat op het Gereformeerd congres, op 11 Januari 1887. Uitgegeven met referaten van Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman en Dr. A. Kuyper. Amsterdam, J.A. Wormser, 1887. 13 pagg. van Prof. R.
Besproken op blz. 180 en 181.

Preek, in de serie „Uit de diepte”, over: Luk. II: 34 en 35

|221|

en Toespraak over Luk. XII: 1-12. Amsterdam, J.A. Wormser, 1887. 14 en 7 pagg.
Besproken op blz. 178 en 179, 182 en 183.

Acta van de Nederlandsche Synoden der 16e eeuw. Werken der Marnixvereeniging, serie II, deel III. Utrecht, Kemink en Zn., 1882. 674 pagg. f 6.—.
Besproken op blz. 124 en 132.

De geldigheid van de oude kerkenordening der Nederlandsche Gereformeerde Kerken. Rede bij de overdracht van het rectoraat der Vrije Universiteit te Amsterdam op 21 October 1889. Amsterdam, J.A. Wormser, 1890. 106 pagg. f 1.10.
Besproken op blz. 131 tot 135.

Verclaringe op den Catechisme der Christelicker Religie, door Hieremiam Bastingium. Bibliotheca Reformata, deel VII, VIII en IXa. Amsterdam, J.A. Wormser, 1893, XXX en 804 pagg., f 15—.
Besproken op blz. 126.

Het kerkrecht, in zooverre het de kerk met het recht in verband brengt. Rede bij de overdracht van het rectoraat der Vrije Universiteit te Amsterdam, op 20 October 1894. Amsterdam, J.A. Wormser, 1894. 44 pagg. f 0.60.
Besproken op blz. 135 tot 140.

Levensbericht van Mr. L.W.C. Keuchenius. In de levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leiden, 1895-1895. Leiden, E.J. Brill, 1895. 66 pagg. Niet in den handel.
Besproken op blz. 228. Zie ook onze voorrede.

Uitgave van de Statenvertaling van den Bijbel. Met Dr. A. Kuyper en Dr. H. Bavinck. Middelharnis, Flakkeesche boekdrukkerij, 1895; en later in verschillende andere uitgaven, waaronder 1897 eene met berijmde psalmen, Formulieren van Eenigheid en liturgie der Nederlandsche Gereformeerde kerken.
Besproken op blz. 125.

Calvijns invloed op de Reformatie in de Nederlanden, zooals die door hem zelven is uitgeoefend. Rede bij de overdracht

|222|

van het rectoraat der Vrije Universiteit te Amsterdam, op 20 October 1898. 1e Uitgave, Leiden, D. Donner, 1899, 236 pagg. f 2.75. 2e Uitgave (met vertaling der noten) 1901. 250 pagg. f 2.75.
Besproken op blz. 119 tot 123.

Beoordeeling van F.W. Kampschulte’s: J. Calvin, Seine Kirche und seine Staat, en C.A. Cornelius’ Historische Arbeiten vornehmlich zur Reformationszeit. In: „Museum”, Maandblad voor philologie en geschiedenis. 9e Jaargang, Nrs. 4 en 5, Juni-Juli 1901.
Aansluitend aan het vorige werk.

De beteekenis der Gemeenteleden als zoodanig, volgens de beginselen, die Calvijn, toen hij openlijk optrad, heeft ontwikkeld en toegepast. Rede bij de overdracht van het rectoraat der Vrije Universiteit op 20 October 1906. Amsterdam, J.W.A. v. Schaïk 1906. f 0.90.
Besproken op blz. 140 tot 148.

Zoo bleef dan de reeks van zijn uitgegeven werken beneden het aantal en den omvang, die men anders van zijn helder hoofd en zijn schitterend toegerusten geest had mogen verwachten. Maar wat hij ons in zijn gepubliceerde studiën naliet is, zij het al niet multa, dan toch wel multum. De bloemlezing daaruit, die we in deze levensschets invlochten, bewijst dit, naar ons voorkomt, reeds genoegzaam. Voorts zagen we, dat hij De Heraut menigmaal met kostelijke studiën verrijkte. 1) En van wat hij hier en daar sprak, is gelukkig nog veel opgeteekend. Ook wordt de schat van kerkrechtelijke wijsheid, in zijn adviezen neergelegd, reeds verzameld. 2)


1) Zie blz. 151 en 152. In De Heraut van 1894 vinden we, tijdens de ongesteldheid van den Hoofdredacteur, ook eenig recensies van de hand van Prof. Rutgers. Één daarvan in nr. 886, bespreekt een mottopreek. Dit gebruik van teksten als motto’s, d.w.z. in een geheel anderen zin dan waarin zij oorspronkelijk bedoeld zijn, keurt Prof. Rutgers hier ten sterkste af: „Daar is de Heilige Schrift te heilig voor. Indien reeds eens menschen woord niet met opzet geheel anders dan het luidt mag opgevat en gebruikt worden, dan mag zeker met het Woord Gods nog oneindig veel minder zoo gehandeld worden. Al geschiedt zulks met de beste bedoelingen, het komt toch den Bijbel te na, en het kan bij velen de uitwerking hebben, dat zij in allerlei opzicht Gods Woord gaan geringschatten en misbruiken”.
Verder zijn er ook in andere bladen nog stukken van de hand van Prof. Rutgers te vinden, o.a. een in De Bazuin, om aan te toonen, dat de Gereformeerde kerken geen generale emeritus-predikanten kennen. (Zie De Heraut, no. 794.)
2) Zie blz. 149.

|223|

En verder bezitten we in zijn college-dictaten nog veel blijvende vruchten van zijn wetenschappelijken arbeid.

Alles bijeengenomen is dit een nog niet zoo geringe schriftelijke nalatenschap, waarop dus van toepassing zijn de laatste twee regels van het vierregelig versje van Willem Sluyter, dat Dr. Rutgers in 1867 vóór zijn eerste publieke geschrift plaatste:1)

’t Gesproken woord
Vliegt haast weer voord;
Maer wat men schrijft,
Beklijfd en blijft.


1) Zie blz. 30.

___

Rullmann, J.C. (1918) HV

|224|

 

 

V.
De Oud-Hoogleeraar.

 

1. Zijn Emeritaat.

Bij de herdenking van het vijf-en-twintig-jarig Professoraat van Dr. Rutgers wees Professor H.H. Kuyper er op, hoe de Vrije Universiteit ook hierin haar vrijheid handhaafde, dat ze den 70-jarigen leeftijd niet als limiet voor het professoraat gesteld had. En zoo kon dan ook Professor Rutgers, nog vier jaren nadat hij, volgens de usantie aan andere academiën, emeritaat had moeten nemen, zijn krachten aan onze Hoogeschool blijven geven. Toen echter trok hij zich in het otium cum dignilate terug. Bij den ingang van den nieuwen cursus op 21 September 1910 werd hij emeritus.

Wat dit voor de Vrije Universiteit beteekende, drukte Dr. A. Kuyper Sr. treffend uit, toen hij in zijn openingsrede op de 32e jaarvergadering der Vereeniging voor Hooger Onderwijs zeide, dat met Rutgers a pound flesh uit het lichaam onzer Universiteit was uitgesneden. 1) Want hij was nog een theologische hoogleeraar van het echte, oude stempel, die de vergelijking met de beste professoren aan de andere universiteiten glansrijk kon doorstaan. En had Mr. Th. Heemskerk dezen theoloog en jurist, man van strenge wetenschap, maar zoo vriendelijk van hart, eens den père noble van onzen kring genoemd, 2) dan kan het ons ook niet verwonderen, dat zijn aftreden als Hoogleeraar diep werd betreurd en op de jaarlijksche samenkomst der Vereeniging met weemoed doorleefd.

De Voorzitter, Ds. B. van Schelven, herinnerde er toen aan, 3) dat heden, 7 Juli 1910, voor het laatst een der hoogleeraren aan de Vrije Universiteit in zijn gewone qualiteit hier tegenwoordig was.


1) Een geloofsstuk, blz. 31.
2) 26e jaarverslag, blz XIII.
3) 31e jaarverslag, blz. XXIX, XXX en XXXI.

|225|

Een tweetal namen (zoo sprak hij) is sinds dertig jaren in het leven onzer Vereeniging zoo in onzen geest vereenigd, dat wij ze bijna geregeld als in éénen adem hebben genoemd. Het zijn die van de professoren Kuyper en Rutgers. Wel is ons nog daarenboven een tweetal gebleven, dat eveneens zoogoed als van den aanvang af aan deze hoogeschool verbonden is; maar zij zelven zullen het mij ten goede houden, zoo ik de eerste twee nog afzonderlijk als een soort van eenheid vermeld.
Dertig jaren terug denken wij ze ons bij voorkeur, beiden in het stille studeervertrek; de een bezig met het schrijven van de tot een boekwerk uitgedijde brochure, waarin de vraag werd beantwoord, of strikt genomen onze Vereeniging wel tot bet stichten van een hoogeschool bevoegd was; de ander verdiept in het samenstellen van statuten en reglementen en regelingen van allerlei soort, bestemd om het leven zoo van de Vereeniging als van de school te leiden. En wie eenigermate meer dan anderen in de gelegenheid was om de werking van al deze ordonnantiën gade te slaan, heeft een indruk ontvangen van de groote voorzienigheid — dit woord nu genomen in den algemeenen zin van vooruitberekenende wijsheid — waarmede deze regelingen zijn samengesteld. Dit is voornamelijk het werk geweest van Prof. Dr. Rutgers.
Nu is van de twee, die ik noemde, de eerste reeds sinds ettelijke jaren op de lijst der hoogleeraren als emeritus genoemd. De politiek ontvoerde hem ons. Maar de andere is in zijn functie gebleven tot nu toe. Doch zijne jaren zijn geklommen; en hij heeft behoefte gevoeld te verzoeken, dat ook hij mocht worden ontslagen van den actieven dienst. Aan dat verzoek moest gehoor gegeven worden, hoe pijnlijk dat viel; voortaan zal ook hij als emeritus te rekenen zijn. Reeds werd het laatste college door hem aan zijn studenten gegeven. En nu ben ik zeker de tolk van u allen, als ik een woord van dank, uit het hart geweld, tot den scheidenden professor richt.
Hooggeachte broeder, het is ons eene behoefte, in deze ure een woord van hartelijke waardeering tot u te spreken, voor wat gij gedurende dat dertigtal jaren, zoowel voor de Vereeniging als voor hare school, zijt geweest en hebt gedaan. Bij hare oprichting hebt ge uwen naam gegeven, en uwe positie die ge reeds verworven hadt, voor haar over gehad, om haar te dienen met al de kracht van de van God u

|226|

geschonken talenten. Rusteloos hebt gij voor haar geijverd en uwe gaven gesteld in haren dienst. Wij zeggen u daarvoor in oprechtheid dank. Wij billijken uw besluit, al doet het ons leed, dat die ure nu reeds aanbreken moest. U vergelden wat gij door Gods goedheid ons waart, wij kunnen het niet; dat vermag alleen de Heere. Het is onze bede, dat Hij dat doe! Hij geve u in den vereenzaamden toestand, waarin Zijn bestel u bracht, doordien allen, die naast u stonden in huis en familiekring van u zijn weggenomen, toch nog een aangenamen levensavond door de herinnering aan wat gij mocht verrichten, en door de wetenschap, dat zoovelen, ook buiten den kring uwer kinderen, u liefhebben. Onthoud ook ons verder niet, zoolang als de Heere u dat nog zal vergunnen, uw hulp en bijstand in alle omstandigheden, waarin dat noodig zal zijn en mogelijk! (Hartelijke toejuiching).
De vergadering zingt:

Dat ’s Heeren zegen op u daal’, enz.

Professor Rutgers dankte daarna voor de hartelijke woorden, hem door den Voorzitter toegesproken, en voor de zegenbede, hem door de vergadering toegezongen. Spreker was er nu toe gekomen, emeritaat aan te vragen, wijl zijn levensjaren klommen en jongere krachten in het werk moesten ingaan. Toch zou hij niet allen arbeid opgeven, integendeel hoopte hij nog te blijven werken en strijden, ook voor de Vereeniging en haar school (applaus).

___

 

2. Zijn Levensavond.

Stil was het geworden in het eertijds zoo drukke gezin van Professor Rutgers. De vroolijke kinderschaar was opgegroeid tot een reeks van volwassen zonen en dochteren, die nu, tot een eigen levenspositie gekomen, de een na den ander het ouderlijk huis verlieten. En een donkere schaduw was over dat huis gevallen door het overlijden van Mevrouw Rutgers, 22 October 1908. Gelukkig was zijn oudste dochter uit Indië toen tijdelijk met verlof in het vaderland, en kon zij eenigermate de ledig geworden plaats innemen.

Op het intieme huiselijke leven uit dien tijd gaf zij ons een eigenaardig kijkje door deze woorden ter inleiding van enkele

|227|

gegevens uit het leven van haar vader: „In December 1908 was mijn Vader gevraagd enkele gegevens te verstrekken over het leven van mijn Grootvader. Vader dicteerde die ’s middags in het theeuurtje, en toen het klaar was, vroegen we Vader, het nu ook op dezelfde wijze van zich zelf te doen. Dit stuk volgt hier, enz.”

Dat theeuurtje wekt bij de oudstudenten de herinnering op aan nog andere theeuurtjes, als Professor Rutgers de vriendelijke gastheer was, toch professor blijvend, en Mevrouw Rutgers vol lieve zorgen van studenten-moeder; of aan de gezellige avondjes, als Professor Rutgers den deftigen lezenaar met Staten-Bijbel plaatste in het midden van de gasten en dan door het Woord en gebed de ververschingen heiligde, die werden aangeboden. (W.H. Gispen Jr.)

Na den dood van Mevrouw Rutgers hielden die gezellige avondjes op. En met het aftreden van Professor Rutgers als Hoogleeraar vervielen ook vanzelf de studenten-theeuurtjes. Toch waren het niet weinigen, die ook daarna nog meermalen als vrienden des huizes onder dit gastvrije dak werden opgenomen, o.a. de vrienden van zijn zoon, den heer H.C. Rutgers, die toen nog thuis was, en als secretaris van de Nederlandsche Christen-Studentenvereeniging dikwijls gasten ontving. Zij denken met groote dankbaarheid terug aan de uren, die zij in de warme huiskamer aan den maaltijd, in de woonkamer, een enkele maal ook in de studeerkamer, in de nabijheid van Professor Rutgers mochten doorbrengen. Een hunner, Dr. M. van Rhijn, schreef:1)

Wie het voorrecht had Professor Rutgers persoonlijk te mogen ontmoeten, werd onweerstaanbaar geboeid door geheel zijn verschijning, die eerbied afdwong, maar tegelijk tot een vertrouwend zich geven noodigde. Men was het zich aanstonds bewust, dat het hem ernst was met zijn overtuiging, dat de souvereiniteit van God op elk levensterrein moest worden gehuldigd. Er ging van zijn persoonlijkheid wijding uit. Hoe menigmaal heb ik het van N.C.S.V.-leden vernomen, dat zij alleen reeds hierom een middagmaaltijd in het huis aan de Keizersgracht op prijs wisten te stellen, omdat zij dan in de gelegenheid zouden zijn Prof. Rutgers in den familiekring uit den Bijbel te hooren voorlezen. Wat lag daar een eigenaardige bekoring in de wijze, waarop hij de huiselijke


1) Eltheto, Mei-Juni 1917, jaarg. 71. no. 8.

|228|

godsdienstoefening wist te leiden! En verder, welk een genot was het, hem zijn gedachten over allerlei vragen van religieus-kerkelijk, wetenschappelijk of maatschappelijk, ook van N.C.S.V.-belang, te hooren uiteenzetten! Dan trof het ons, hoe hij telkens gewoon was, eerst die meeningen waarin hij zich niet kon vinden, volkomen recht te laten wedervaren, en er het zijns inziens juiste in aan te wijzen, om eerst daarna zijn beschouwingen tegenover die van anderen te plaatsen.

De helderheid van zijn geest ook als Oud-Hoogleeraar wekte de hoop, dat hij in de jaren van zijn emeritaat nog een deel van zijn college-arbeid in blijvenden vorm zou uitgeven. Maar die hoop werd niet vervuld. Zijn niet al te sterke gezondheid veroorloofde hem geen inspannenden arbeid meer. Wel echter bleef hij met zijn keurige adviezen de kerken nog geregeld dienen. Verder hield hij zich onledig met het nazien en ordenen van zijn aan waardevolle documenten zoo zeldzaam rijk archief. Ook stelde hij nog levendig in alles belang. De literatuur van den dag hield hij vrij geregeld bij. 1) En ’s Zondags ging hij getrouw naar de Bloemgrachtkerk, waar hij zijn vaste hoekje in de kerkeraadsbank had.

Zoo vierde hij nog in tamelijk goede gezondheid op 26 November 1916 zijn tachtigsten verjaardag. Omdat hij dien dag liefst stil in den huiselijken kring wilde doorbrengen, werd er echter


1) Persoonlijk mocht ik het bewijs daarvan ontvangen in de zeer gedetailleerde opmerkingen, waarmee hij schriftelijk de toezending van mijn drie kerkhistorische werkjes beantwoordde. En hoe nauwkeurig hij tijdschriften bleef lezen, bleek mij uit het volgende. In de Leestafel van Stemmen des Tijds, Dec. 1915, besprak ik kortelijk de Volledige lijst der boeken en geschriften van Dr. A. Kuyper, waarbij ik o.m. opmerkte, dat in deze bibliografie m.i. ten onrechte was opgenomen het „Kort Verhaal van den kerkdijken strijd te Amsterdam in de eerste dagen van Januari 1886”. Deze brochure toch, staat niet op den naam van Dr. Kuyper, maar van de niet-geschorste kerkeraadsleden C.A. Renier, J.A. ter Wolde, J. Ingwersen en M. Eichelberg. En voorzoover anderen in dit geschrift de hand hebben gehad, was het toch, zoo schreef ik, niet Dr. Kuyper, maar Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman en misschien ook Dr. F.L. Rutgers. — Een paar dagen na de verschijning van dit nr. van St. d. T. kreeg ik van Prof. R. in een brief, die overigens over geheel andere zaken liep, aan het slot ongevraagd deze inlichting; „Uwe opmerking over het „Kort Verhaal” (in eene aankondiging van „Stemmen des tijds”) is volkomen juist. Dr. A. Kuyper is daar geheel buiten. Het is opgesteld door Jhr. de Sav. Lohman en door mij; waarbij, als ik mij goed herinner, het grootste deel van zijn hand is; maar wat ik zelf er aan bijdroeg, kan ik nu natuurlijk niet meer aanwijzen.”

|229|

geen openlijk huldebetoon aan verbonden. Slechts de meer intieme vrienden kwamen hem bij die gelegenheid gelukwenschen. Daags tevoren kwam Dr. Kuyper uit Den Haag over, om als oude vrienden nog eens rustig van hart tot hart met elkander te kunnen spreken.

In zijn laatsten brief aan zijn kinderen in Indië, schreef Professor Rutgers zelf nog over zijn tachtigsten verjaardag:

Ik was die dagen heel wel en ook niet oververmoeid. En voorts ook dankbaar voor al wat ik, in 80 levensjaren, van Gods goedertierenheid en genade in Christus heb mogen ondervinden.

Deze schriftelijke mededeeling van Prof. Rutgers zelve heeft dubbele waarde, omdat ook van hem geldt, wat hij in zijn levensbericht van Keuchenius schreef: „Hij was in den vollen zin des woords een nederig man, en dit openbaarde zich bij hem o.a. hierin, dat hij, ook in vertrouwden kring, uiterst zelden van zich-zelven sprak.” 1)

___

 

3. Zijn Sterfbed.

Dr. Rutgers was van een sterk geslacht. En al scheen hij zelf zwak, toch had zijn gezondheid in den loop der jaren eer gewonnen dan verloren. Maar op zijn 80sten verjaardag deed de toenemende verzwakking van het lichaam reeds vreezen, dat zijn einde niet zoo heel verre meer zou zijn. Toch overviel dat einde hem nog eerder dan men verwachtte. De strenge winter van 1916/17 greep hem te veel aan. Een zware verkoudheid ontaardde in een aandoening der borstvliezen. En al genas de krankheid, de krachten kwamen niet terug. De levensvlam doofde allengs uit. Hoe geestelijk sterk ook, physisch was hij reeds te ver ingezonken om nog merkbaren weerstand te kunnen bieden.

Evenwel bleef hij, ofschoon bedlegerig, nog lang door lezing van zijn Standaard, op de hoogte van wat er gebeurde. En zoo kon de familie voorshands nog geen berichten aangaande zijn toestand in de bladen publiceeren. Maar eindelijk moest hij ook


1) Zie Levensbericht van Mr. L.W.C. Keuchenius, door F.L. Rutgers. Overgedrukt uit de Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1894-1895, blz. 4.

|230|

het zelf-lezen van de krant opgeven, en nu las men in De Standaard van 13 Maart 1917 de volgende mededeeling:

Niet zonder toenemende bezorgheid verneemt men de laatste berichten omtrent den gezondheidstoestand van den hoogleeraar Rutgers van de Vrije Universiteit. Hoe wakker zijn geest nog moge zijn, toch blijkt wel, dat zijn physieke krachten op bedenkelijke wijze afnemen, en dat men zich op het naderend einde heeft voor te bereiden. Temeer zal dit in breeden kring in het kerkelijk leven teleurstelling wekken, daar hij tot het laatste toe, ook al kon hij niet meer de pen hanteeren, de Kerken nog altoos diende met zijn zoo op prijs gestelde consistorale adviezen. Het blijkt, dat deze noodlottige winter ook van hem te veel gevergd heeft.

De daarop volgende dagen nam de zwakte toe, maar het verstand bleef helder. Hij wist, dat hij sterven ging. En in den morgen van Maandag 19 Maart ontsliep hij, zonder smart of lijden, in vertrouwen op het dierbare bloed van Christus.

Had zijn voorgeslacht geleefd uit het verbond der genade, en gepleit op de verbondsbelofte, „die met het bloed des Zoons geteekend, nooit kan falen”, 1) in dat geloof stierf ook Dr. F.L. Rutgers. En zoo ging in vervulling, wat zijn vader hem had toegebeden bij zijn bevestiging te Soesterberg, 24 Juni 1860, in een predikatie over 1 Cor. 3: 9a:

Hij geve U een lange loopbaan, en doe U eens uit dit leven scheiden, voorafgegaan en gevolgd van velen die door Uwen dienst behouden werden. Hij plaatse U eens in den hemel, naast zoovele waardige voorgangers, wier naam gij draagt, onder onze voorvaderen, in wie Christus gewoond heeft, en doe U daar het loon der genade ontvangen, dat Hij aan zijne getrouwe medearbeiders heeft toegezegd, Amen. 2)

De rouwbrief dien de familie aan vrienden en bekenden toezond, luidde aldus:


1) Zie blz. 10.
2) De geschreven bevestigingspreek van Prof. A. Rutgers, waaraan deze woorden ontleend zijn, werd mij, met vele andere documenten, welwillend ter inzage gezonden door den heer F.L. Rutgers Jr., doctorandus in de plant- en dierkunde te Dedemsvaart, bij wien het familie-archief berust.

|231|

Het rouwbericht in verschillende bladen noemde onder den naam. behalve het Oud-Hoogleeraarschap, nog den titel: Ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw. Die ridderorde was hem in 1901 door H.M. de Koningin geschonken. Kort daarop werd hem een plaats gegeven in de Staatscommissie voor de uitgave van Nederlandsen-Historische Oorkonden, alsook in de Commissie tot onderzoek van de adspiranten tot toelating lol de Indische studiën. Voorts was Professor Rutgers lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde en van het Historisch Genoot schap te Utrecht.

___

 

4. Zijn Uitvaart.

In stillen eenvoud, geheel overeenkomstig het leven van Professor Rutgers, vond ook zijn begrafenis plaats.

|232|

Onder groote belangstelling van den wetenschappelijken en kerkelijken kring, waarin de ontslapen emeritus-hoogleeraar zoo zeer bemind en gezien was, werd de lijkbaar door theologische studenten der Vrije Universiteit naar de groeve gedragen. Nadat voorts het stoffelijk overschot in het familiegraf was bijgezet, nam de heer A.W.F. Idenburg het woord en sprak: 1)

Het is in den geest van Prof. Rutgers, dat aan deze groeve niet gesproken wordt van zijn publieke leven. Indien iemand dan was wel hij afkeerig van alles wat lijkt op grootmaking van den mensch, was wel hij bezorgd dat van elke gave, van elk werk, van elke vrucht Gode en Gode alleen de eer werd gegeven.
Op deze plaats worde dit inzicht geëerbiedigd en wordt dus gezwegen van zooveel dat ons gereformeerde volk — en daaronder ook velen buiten de gereformeerde kerken — door zijn gemis met rouw vervult, maar dat het tevens met groote dankbaarheid gedenkt.
Gezwegen wordt van zijn arbeid als dienaar des Woords; als medestichter der Vrije Universiteit; als hoogleeraar aan die school van wetenschap; als reformator der kerken; gezwegen wordt van velerlei arbeid op het terrein der wetenschap, der liefdadigheid, der zending; gezwegen wordt ook van zijn scherp verstand, zijn groote geleerdheid, zijn diepgaande kennis; gezwegen ook van zijn warme liefde voor de gereformeerde beginselen en voor het gereformeerde volk.
Dat volk kent die liefde en geniet de vrucht er van ook in zijn kerkelijk leven; met de velen, die een deel hunner vorming aan Rutgers te danken hebben; met de talloozen die hij diende uit den schat zijner kennis: dankt het God den Heere voor wat ons zoovele jaren lang in prof. Rutgers werd geschonken.
Van dit alles wordt dus hier niet gesproken; slechts een enkel woord werd mij als vriend gegund. Rutgers heeft gedurende zijn lange leven vele goede, beproefde vrienden gehad. Velen zijn hem voorgegaan; sommigen staan aan deze groeve; anderen — en daaronder de oudste — zijn verhinderd om persoonlijk hier tegenwoordig te zijn, maar hebben vooral deze laatste weken veel in den geest bij hem vertoefd en


1) Deze grafrede werd letterlijk opgenomen in het Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, jg. 18, afl. 1, Mei 1917, blz. 2-6.

|233|

in hunne gebeden hem gedragen. Eén hunner — Dr. Kuyper — verzocht mij het hier uit te spreken, dat Rutgers de vriend is geweest, die in de groote worsteling van zijn leven het naast bij hem heeft gestaan; en dat het hem zoo zeer heeft gesmart, dat zijn gezondheidstoestand hem heeft belet, om Rutgers nog de hand te komen drukken.
In dien kring van zijne vrienden ben ik misschien een der jongste; maar zeker een van hen, die het meest de hartelijkheid en de bestendigheid van zijne vriendschap mochten genieten. Nimmer zullen wij vergeten wat wij en de onzen te danken hebben aan hem, die ontsliep en aan zijn zorgzame gade, die hem in heerlijkheid voorging. Doch al heeft God in latere jaren onze wegen wel zeer dicht bij elkander gebracht, toch is in het wezen der zaak onze ervaring van Rutgers’ vriendschap geen andere als van allen, welke het voorrecht genoten van meer intiem met hem te verkeeren.
Mondelinge uiting van teederder gevoelens viel hem niet gemakkelijk; daarentegen getuigden zijn daden en zijn gansche wezen van eene liefde en trouw, als op aarde zelden worden gevonden. Hoe zeer velen gedenken met groote dankbaarheid de blijken van zijn oprechte vriendschap, waarvoor nooit iets te veel was; die altijd aan anderen dacht, nooit zich zelf zocht, maar integendeel zich zelf achterstelde bij den lust om anderen te helpen en te dienen.
Wij zien hem in dit oogenblik vóór ons: die trouwe vriend, zoo eenvoudig; met zulke beminnelijke vormen; met zulk een zacht oordeel over anderen — zij die hem jaren dienden herinneren zich van hem niet één hard woord of onverdiend verwijt —; met zulk een scherpen blik; zoo aandachtig luisterend; zoo belangstellend antwoordend; zoo rustig sprekend; zoo opgewekt soms vertellend; wij gevoelen dien warmen handdruk; we herinneren ons bovenal zijn eenvoudig, rotsvast geloof, voor welks eisch hij onvoorwaardelijk boog.
En zóó als hij thans voor ons geestesoog staat met het teedere vriendenhart, met die krachtige geloofsovertuiging, met die volkomen overgave aan datgene wat eisch van beginsel was — zóó zal hij voor ons blijven leven. Van zijn geloofskracht toch en van zijn beginselvastheid gingen Kracht uit en invloed op zijn vrienden — een invloed, dien wij gaarne ondergingen en waar wij God voor dankten.
Zóó als hij leefde zóó is hij gestorven.

|234|

Het is bekend dat Rutgers van jongs af den Heere heeft gediend. 1) Zijn leven wijst geen periode aan van zware geloofsbestrijding of van afdwaling van het geloof.
Van zijn geloof gaf zijn leven overvloedig blijk; het was het leidend en verklarend beginsel er van; van zijn geloof getuigde niet minder zijn sterfbed.
Van zijn leven en sterven beide gaat een roepstem uit tot ons allen; een roepstem tot een volkomen, onwankelbaar zich gevend geloofsvertrouwen; tot een eenvoudige, onwankelbaar zich gevende geloofsgehoorzaamheid.
Toen het duidelijk werd dat hij zijn ziekbed niet meer verlaten zou, was hij niet levensmoede. Hij heeft dit wel uitgesproken, en zij die hem goed kenden, wisten dat hij voor dit leven nog verwachtingen had van terugzien en ontmoeten van geliefden, die ver zijn. Maar van het oogenblik af dat hij verstond, dat God hem zou wegroepen, van datzelfde oogenblik af was hij volkomen overgegeven. Zijn eerste woord was toen een woord v.m dank aan God, dat Hij hem niet deed lijden; zijn tweede: de wensch dat hem het eerste hoofdstuk uit den eersten brief van Petrus zou worden voorgelezen; het hoofdstuk waarin de geloofsverzekerdheid juicht in de wetenschap, dat wij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, zijn verlost van onzen ijdelen wandel maar door het dierbaar bloed van Christus als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam; de geloofsverzekerdheid, die weet, dat alle vleesch is als gras en alle heerlijkheid des menschen als een bloem van het gras — maar dat het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid.
En die overgegevenheid aan Gods wil, dat gewillig, haast zou ik zeggen blijmoedig berusten, is gebleven al dien tijd van de stage voortgaande slooping van zijn lichaamskracht.
Zijn voorlaatste woord was de betuiging dat alles goed was: dat al wat God doende was goed was; zijn laatste de begeerte naar Schriftlezing en gebed.
Ik doe deze korte mededeelingen, omdat ik weet, dat zij


1) Hieromtrent vond ik in de preek, waarmee zijn vader hem te Soesterberg bevestigde, nog deze merkwaardige woorden tot de gemeente gesproken: „Gij verkrijgt in hem een voorganger, die door Gods genade van zijn jonkheid af den Heer voor oogen gehouden en gediend heeft, en die vele van zijne tijdgenooten tot opwekking, allen ten voorbeeld is geweest. Hij heeft ook onder vele afleiding het geloof behouden en is in de waarheid en in de liefde door des Heeren gunst staande gebleven.” J.C.R.

|235|

het hart zullen verheugen van die talloos velen, die zich geestelijk met Rutgers verbonden gevoelen, maar vooral, omdat zij luide verkondigen den roem van Gods genade, die zijn kind als in vaderarmen uit dit aardsche en tijdelijke in het eeuwige en hemelsche overdroeg.
Met diepen weemoed hebben wij aan het ziekbed gestaan en staan wij thans aan deze groeve; maar ook met rijke vertroostingen.
Ook gij zijne kinderen.
Hoe zwaar is het verlies van zulk een vader; zóó zorgzaam, zóó zich gevend, zóó belangstellend, zóó deelend in uw aller lief en leed; met zulk een oneindige liefde voor zijne kinderen; maar toch ook welk een voorrecht, welk een zegen, dat God zulk een vader u gaf; dat Hij hem u zoo lang spaarde; dat Hij door hem u zooveel schonk. En welke versterking moet uw geloof hebben ondervonden deze laatste weken. Althans zóó ging het mij. Neen waarlijk, gij zijt „niet onwetend” omtrent hem, die ontslapen is; gij zijt naar het apostolisch woord „niet bedroefd als die anderen, die geen hope hebben”. Gij weet, dat uw vader een levenden Heiland had; dat hij is ingegaan in het Vaderhuis daarboven, waar hem plaats was bereid; waar ook wij zullen ingaan voor zooveel wij dezelfde hope met hem deelachtig zijn. Daarom blijft uw blik niet op deze groeve gevestigd, maar richt God zelf hem opwaarts van de aarde naar de hemelen, vanwaar wij ook onzen Heiland verwachten.
God de Heere, die u troosten kan „als eenen, die zijne moeder troost” zij u nabij en tot steun! Ook hun uit uw kring, die thans niet hier kunnen zijn, maar die op grooten afstand in diepen rouw zijn gedompeld; die daar hun vader beweenen en die zich in hun smart zoo nauw met u voelen verbonden.
Uit hun naam aan deze groeve een woord van innige dankbare kinderlijke liefde aan dien teederen, zorgzamen vader, die ook voor hen nog zoo heel veel was.
Moogt gij allen ervaren, dat God zelf elk ledig wil vervullen; dat bij Hem balsem is voor elke wonde. Moogt gij het verstaan dat deze scheiding tijdelijk is; maar dat eeuwig zijn de banden die in Christus zijn geheiligd.
Trooste Hij u — en allen, die met u treuren — met het heerlijk getuigenis van den Apostel, dat uw vader op zijn sterfbed tot zijn belijdenis heeft gemaakt: ik heb den goeden

|236|

strijd gestreden; ik heb den loop geëindigd; ik heb het geloof behouden. Voorts is mij weggelegd de Kroon der rechtvaardigheid, welke de Heere de rechtvaardige Rechter mij in dien dag geven zal — en niet alleen mij maar ook allen, die zijne verschijning liefgehad hebben.

Daarop sprak Mr. V.H. Rutgers namens de kinderen nog een woord van dank voor den zegen, dien God hun in dezen vader geschonken had. Met groote zorg en liefde waren zij door hun vader omringd, maar die liefde en zorg heeft hem niet weerhouden zonder aarzeling zijn toestemming te geven tot vertrek van sommige zijner kinderen naar Java, in dienst van den Koning der Kerk. Spreker dankte den heer Idenburg voor zijn hartelijk woord, voor alle liefde en vriendschap, waarmede velen Dr. Rutgers bij zijn leven hadden verkwikt en voor de belangstelling aan het graf.

___

 

5. Zijn Nagedachtenis.

Daags na het overlijden van Professor Rutgers schreef De Standaard in een asterisk:

Wie Rutgers niet persoonlijk gekend heeft en hem niet van nabij in zijn werkkring gadesloeg, kan zich niet voorstellen, wat dit droeve afsterven voor geheel den Gereformeerden volkskring, zoo in de Hervormde als in de Gereformeerde groep, te betreuren geeft.
Hij was zulk een lange reeks van jaren, zoo op allerlei wijs, der Gereformeerden voorganger en wetenschappelijke leider geweest. Er ging op de samenkomsten der Gereformeerden zulk een machtige impuls van zijn warm en bezield woord uit. En bovenal, zijns was zulk een stiptheid bij het wetenschappelijk onderzoek, en zulk een juistheid in zijn uitingen, dat wat hij zei of schreef, nimmer herroeping of wijziging van noode had.
Of ook hem de ongunstige temperatuur, die dezen winter zoo talrijke slachtoffers maakte, te sterk aangreep, durven we niet zeggen, maar wel mag ’t uitgesproken, dat onder de zoo talrijke verliezen, die schier elke groep, en zoo ook de onze, dit jaar treffen, het heengaan van den Hoogleeraar

|237|

Rutgers voor ons in de heugenis der historie vooraan zal blijven staan.
Anderen zijn nog te vervangen.
Een tweeden Rutgers vindt ge niet meer.

In De Heraut van diezelfde week volgde daarop nog een meer persoonlijk woord van Dr. A. Kuyper bij het afsterven van zijn trouwen vriend Rutgers.

Dit artikel eindigde aldus:

Voor mij is Rutgers de rijkste steun in mijn levensstrijd geweest, en ik voel het daarom zoo diep, dat het einde van ons innig saamleven een heengaan was van mijn trouwsten vriend, onderwijl zwakheid mij niet toeliet, hem nog de hand van trouw ten afscheid te drukken.
Ook zijn begrafenis heb ik niet mogen bijwonen.
Maar al roofde dit mij de anders zoo goed doende heiliging van de uitvaart, in mijn hart ligt Rutgers als mijn alter ego besloten, tot de ure komt, dat ook ik hem volgen mag.

In al onze kerkelijke organen werden voorts artikelen gewijd aan de nagedachtenis van dezen ontslapene. 1)

Treffend werd zijn persoon en karakter door een zijner leerlingen, Ds. S. Huismans, als volgt geteekend: 2)

Hij is heengegaan, deze invloedrijkste aller hoogleeraren van de Vrije Universiteit,
deze meest gezochte aller raadslieden van de Gereformeerde Kerken,
deze meest eerwaardige en toch minst eerzuchtige van alle eerwaarde Godgeleerden.
Weinig gehuldigd, maar veel geliefd.
Gaarne vergeten, maar onvergetelijk.
In niets bemoeizuchtig, maar in alles gemoeid.
Als prediker geen Guldenmond of Honinglip, maar Waarheidsgetuige, eenvoudig, zakelijk en daardoor treffend.
Als hoogleeraar man van echte, klare wetenschap,


1) Enkele nam ik op onder het Bibliografisch Overzicht in het Jaarboek ten dienste van de Geref. kerken, voor het jaar 1918, zie blz. 289, 290 en 293.
2) Het stukje werd ook opgenomen in het 37e jaarverslag der Ver. v. H. O. o. G. G., blz. XXII en XXIII.

|238|

belangstelling en studielust bij zijn leeringen opwekkend, wier onbegrensd vertrouwen hij genoot.
Als adviseur ter Generale Synode zich geen gezag aanmatigend, maar gezag-hebbend; in het debat geestig en overtuigend.
Geoefend in den krijg, maar minnaar van den vrede.
Strijdbaar held, maar zonder persoonlijke vijanden. Als een Richter in Israël heeft hij onder ons geleefd.
En hij werd tachtig jaren en hij stierf.

Op de eerstvolgende Jaarvergadering der Vereeniging voor Hooger Onderwijs, 5 Juli 1917 te Zutfen gehouden, verzocht de Voorzitter, Professor Anne Anema, den aanwezigen, van hun zitplaatsen op te staan, en aan te hooren de volgende woorden, die ter nagedachtenis van wijlen Professor Rutgers werden uitgesproken: 1)

Broeders en zusters, toen in Maart de mare door het land ging, dat Prof. Rutgers van ons was weggenomen, toen voelden we allen, dat een verlies was geleden, dat nooit meer kan worden goed gemaakt, dat een plaats was leeg geworden die niet meer vervuld zal worden. Met Dr. Kuyper is hij de man geweest, die de geloofsdaad heeft aangedurfd om onze Universiteit op te richten en wiens ordenende geest heeft gewaakt, dat men niet verliep in een impulsieve gevoelsuiting, maar dat men een welgeordend en weldoordacht geheel verkreeg, dat voor de toekomst duurzaamheid zou bezitten.
Als geleerde was hij een universitair man in den besten zin des woords, die nooit door anderer bril keek, maar steeds zelf uit de bron putte. Door stille persoonlijke Godsvrucht was hij een ieder ten voorbeeld en geestelijken steun. Op onze jaarvergaderingen was hij, hoewel geen redenaar in den gewonen zin van het woord, toch een zeer geliefd spreker, wiens woord beurtelings uitblonk door ernst en tintelde van humor. Hij was ons aller vriend en raadsman, niet alleen voor publieke, maar dikwerf ook voor zuiver persoonlijke aangelegenheden. Zijn hart kende maar één groote liefde en die liefde was gewijd aan de zaak van Gods Koninkrijk.
En dat is dan ook de beste bekroning voor dit leven van


1) Zie 38e jaarverslag, blz. XXVII en XXVIII.

|239|

trouwe toewijding, dat wij, thans op dat leven terugziende, mogen getuigen, dat de vrucht daarvan is geweest onverdeelde eere voor Gods Naam bij vriend en tegenstander.
Laat ons daarom God danken voor wat Hij ons in Prof. Rutgers wilde schenken, en laat ons tevens de nagedachtenis van dezen grooten doode eeren door samen aan te heffen het laatste vers van den 72en Psalm:
„Zijn naam moet eeuwig de eere ontvangen.”

En bij de overdracht van het rectoraat aan de Vrije Universiteit op den 20sten October 1917 sprak Professor Sillevis Smitt: 1)

Den 19den Maart is Prof. Dr. Frederik Lodewijk Rutgers de eeuwige ruste ingegaan. Wel genoot hij reeds eenige jaren emeritaat, maar, na ruim dertigjarigen dienst, leefde hij met zijn helderen geest en zijn warm hart het leven onzer School nog immer mede. Het is hem nog vergund als tachtigjarige de goedertierenheden Gods te herdenken. En daarom voegt ons, meer dan klagen, innige dankbaarheid, zij ’t ook met weemoed gemengd. Het is moeilijk te zeggen voor wie Rutgers méér geweest is, voor Kerk of voor School. Voor beiden is hij in dagen van spanning en ontluiking een Vader geweest. Van onze Universiteit is hij met Dr. A. Kuyper, die in zijn trouwen vriend zijn alter ego zag, de stichter. Hij bezat daarvoor de onmisbare kwaliteiten van een moedig geloovige, van een overtuigd Calvinist, van een geboren organisator. Hij heeft de Universiteit gediend van haar geboorte af aan, als eerbiedwaardige academische figuur, met een zeldzamen schat van wetenschap en met de gave om breeden invloed te oefenen. Hij heeft haar geleid door al de phasen van haar groei met de kracht van zijn beginseltrouw. En hij heeft haar gesierd, voor het oog van vriend en tegenstander, door zijn hoogstaand karakter, door zijn ongekunstelde godsvrucht, door zijn nobelen, onzelfzuchtigen geest. Het beginsel, de eere Gods boven alles, was in hem verpersoonlijkt. Het dienen in het kleine was hem deswege even groot als het dienen in het groote. Daardoor had hij oor en hart voor ieder, die tot hem kwam om wijzen raad te ontvangen. En hier ligt ongetwijfeld het geheim van groote en stille kracht door hem geoefend, en de oorzaak dat hij meer gehuldigd


1) Ambt en Persoonlijkheid, blz. 35 en 36.

|240|

is in de harten dan in het openbaar. Rutgers blijft voor talloos velen een ideaal exempel, bovenal door de innerlijke kracht zijner persoonlijkheid. Nooit zal het volk, dat de Vrije Universiteit liefheeft, zijn Rutgers vergeten. En moge zijn’ kinderen, nabij en verre, grootendeels reeds van naam in den lande, bij het dienen in Gods Koninkrijk, het beeld van den beminden Vader steeds voor den geest staan.

Mevrouw Jacqueline van Andel-Rutgers had toen reeds in één van haar Brieven uit Solo, gedateerd 24 Juni 1917, geschreven:

Aan het slot van dezen brief een woord van hartelijken dank aan allen, die ons woorden van deelneming en troost zonden bij het heengaan van onzen Vader. Ik heb allen persoonlijk geantwoord, maar het is mogelijk, dat er brieven verloren gingen. Uw meeleven heeft ons goed gedaan. Het is voorons zulk een groot gemis, dat we elken dag voelen, een groote leegte in ons leven, die niet weer aangevuld wordt. Ik kan daarover nog niet veel zeggen. Het is ook niet noodig. Vaders vrienden kunnen aan hun verlies dat van zijn kinderen afmeten.

En hiermee zijn we gekomen aan het einde van onze levensschets

Ten slotte nog dit:

Op het graf van Professor Rutgers is geen monument opgericht. Op de blauw hardsteenen zerk staat niets anders dan de namen met de geboorte- en sterfdagen van Mevrouw Rutgers, Mejuffrouw W.J. Rutgers 1) en Professor Rutgers.

Zóó heeft hij zelf het gewild, geheel in den geest van Calvijn. 2)

Maar gelijk deze, naar het woord van Professor Rutgers, zijn levend monument heeft in dat geheel van Gereformeerde Kerken voor wier bouw en inrichting hij de grondlijnen zoo duidelijk in het licht heeft gesteld, althans voor zooveel dat gebouw in eigen stijl onderhouden is, evenzoo zal ook het aandenken aan Professor Rutgers levend gehouden worden in onze Vrije Universiteit, die hij stichtte, en in onze Gereformeerde Kerken, die hij reformeerde, althans voor zooveel die beide getrouw blijven aan de grondlijnen, die hij voor haar bouw en inrichting heeft getrokken.


1) Zij was de eenige zuster van Professor Rutgers. Na het overlijden van haar vader kwam zij te Amsterdam wonen, ook op de Keizersgracht, slechts ’n paar huizen ver van de woning van Professor Rutgers. Zij leefde in den Amsterdamschen kerkelijken kring van haar broeder hartelijk mee, en was daar bekend en geliefd. Zij overleed 1 Maart 1910.
2) Zie blz. 140 v.v.