Haitjema, Th.L. (1951)

Nederlands Hervormd Kerkrecht
Nijkerk
Callenbach N.V.
1951

Haitjema, Th.L. (1951) Inh

|5|

Inhoud

Inleiding — 7

I. Historisch Gedeelte

§ 1. De oorsprongen van ons Nederl. Geref. (= Hervormde) kerkrecht — 15
§ 2. De consolidatie van dit kerkrecht in de Dordtse Kerkorde — 23
§ 3. De ontwrichting van het Nederl. Geref. kerkrecht in de dagen der Bataafse Republiek en der Franse overheersing — 32
§ 4. De Kerkorde van 1816; de beheersregeling der daarop volgende jaren — 41
§ 5. De reglementaire organisatie van 1852; de verdere ontwikkeling van het beheersvraagstuk tot 1870 — 52
§ 6. De strijd voor herordening van het Hervormd-kerkelijk leven van het midden der 19e eeuw tot ± 1925 — 65
§ 7. De worstelingen om een „kerkelijk verantwoord” Nederl. Hervormd kerkrecht in de jaren 1927-1939 — 78
§ 8. De voorgeschiedenis van de huidige kerkorde gedurende de jaren 1940-1950 — 92

II. Beschrijvend Gedeelte: het thans geldend kerkrecht.

§ 1. De Nederl. Hervormde Kerk naar haar wezen en in haar oecumenische verbanden — 112
§ 2. De algemene Kerk en de plaatselijke gemeenten — 124
§ 3. Kerkorde en ordinanties: het absolute en het relatieve element daarin. De onmisbaarheid van de overgangsbepalingen — 140
§ 4. Gemeente en ambt; hoe de ambtsdragers verkozen worden — 148
§ 5. Ambten en bedieningen — 168
§ 6. De ambtelijke vergaderingen en de organen van bijstand — 183
§ 7. De apostolaire en de belijdende functie der Kerk — 202
§ 8. Opleiding en vorming tot de dienst des Woords — 211
§ 9. Kerkdienst en liturgie — 223
§ 10. Het doopssacrament — 233
§ 11. Catechese en geestelijke vorming der jeugd — 241
§ 12. Het avondmaalssacrament — 252
§ 13. Van het huwelijk en het gezin — 257
§ 14. Visitatie en opzicht, en de daaruit voortvloeiende kerkelijke rechtspraak — 264
§ 15. Het diaconaat der Kerk — 285
§ 16. De kerkelijke financiën en het toezicht daarop — 295
§ 17. De behandeling van bezwaren en geschillen — 316
§ 18. Het verbindende van kerkelijk noodrecht — 321
Plaatsenregister — 325
Zakenregister — 331

Haitjema, Th.L. (1951) Inl

|7|

Inleiding

 

Kerkrecht heeft als vak van wetenschap te doen met de systematische beschrijving van „de orde in het leven en werken der Kerk”.

Hiermede worde reeds aanstonds een fundamentele en samenvattende typering van het object van het kerkrecht in de ruimste zin in het geding gebracht, zoals Art. III van de nieuwe kerkorde der Nederl. Hervormde Kerk daarvan begint te spreken.

Mocht men zich bij deze benadering van het wezen van het kerkrecht nauwer bij onze Gereformeerde grootmeester in de wetenschap van de „Politica ecclesiastica” uit de 17e eeuw, de Utrechtse hoogleraar Gisbertus Voetius, willen aansluiten, dan zou men in navolging van Dr A. Kuyper (Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid, 1909, Dl. III, blz. 232) van „uiteenzetting van de architectoniek van het kerkelijk instituut als zodanig” kunnen spreken. Men zij echter wel op zijn hoede, dat men met zulk een definitie niet heimelijk een bedenkelijke overspanning van de onderscheiding tussen de Kerk als organisme en de Kerk als instituut binnenhaalt, zoals Kuyper’s theologie tegelijk drijfkracht voor zijn politieke en christelijk-sociale streven, daaronder geleden heeft. In het kerkrecht hebben wij niet uitsluitend te doen met de Kerk als instituut, doch evengoed met de Kerk als organisme. Trouwens, Dr Kuyper zelf wilde het mysterieuze verband tussen het kerkelijk instituut en het (organische) „Lichaam van Christus” tot geen prijs laten doorsnijden (a.w., blz. 233). De Kerk is ook volgens hem „de institutaire openbaring van het Lichaam van Christus” (a.w., blz. 244). Maar niettemin was het bij Kuyper toch zo, dat het kerkrecht uitsluitend met het kerkelijk instituut te maken had. En dat men mitsdien „de orde van het leven en werken der Kerk” kerkrechtelijk kan omschrijven zonder

|8|

iets anders dan de institutaire zijde der Kerk te belichten. Vandaar Kuyper’s voorkeur voor de uitdrukking „Christus, de Koning der Kerk”. Vandaar ook de gemakkelijkheid, waarmede Kuyper de veelvoudige gedeeldheid van het kerkelijk leven naar zijn institutaire zijde durfde idealiseren met zijn toverwoord: pluriformiteit!

Ik moet hier aanstonds tegenover stellen, dat naar mijn overtuiging de wetenschappelijke onderzoeker op het terrein van het kerkrecht doorlopend bezig is, zowel met de Kerk als instituut als met de Kerk als organisme. In de orde der Kerk zal het o.a. moeten gaan over essentiële functiën van de Kerk als verkondiging des Woords, bediening der sacramenten, verkiezing en bevestiging van ambtsdragers, onderhouding van de goede kerkelijke orde door middel van de ambten en door de ambtelijke vergaderingen, enz., enz. En het lijdt toch geen twijfel, dat èn de H. Schrift èn het sacrament èn het geestelijk ambt in de kerkordelijke regelingen zullen moeten benaderd worden zowel van hun „institutaire”, als van hun „organische” zijde.

De artikelen I-V van de nieuwe Kerkorde zijn zelfs niet meer te begrijpen, wanneer men die twee-eenheid van kerkelijk instituut en kerkelijk organisme niet ook voor het kerkrecht op het nadrukkelijkst stelt.

Daarmede is dan tevens gezegd, dat het kerkbegrip uit de christelijke geloofsleer, anders gezegd: het kerkbegrip, dat als „locus de ecclesia” in de dogmatiek uit Schrift en confessie opbloeit en tegelijk naar Schrift en belijdenis genormeerd wordt, de lichtende ondergrond van alle kerkrechtelijke regelingen blijven moet.

En hoe paradoxaler daarbij onze geloofswaarheid op het stuk der Kerk is, des te moeilijker zal ons kerkrecht ook te hanteren zijn door een jurist van het vak, die kerkelijke reglementen en verordeningen met noodwendigheid benadert vanuit de kategorieën-leer van het burgerlijk recht. Voetius moge dan ook al eens onderstreept hebben, dat de Kerk een in een rechtsorde georganiseerd gemenebest is evenals de burgerstaat, men vergete niet, dat hij daarnaast even nadrukkelijk stelde, dat de Kerk een geheel eigen wijze van bestaan heeft, en mitsdien ook op geheel bijzondere wijze zich in een rechtsorde zal openbaren.

|9|

Zeker, de Kerk en het recht sluiten elkander niet uit, zoals Rudolf Sohm ons heeft willen doen geloven, daarbij recht en liefde op een on-evangelische wijze tegenover elkander uitspelende. Maar het recht, dat in het kerkrecht aan de orde komt, blijft toch wel van een eigen karakter. Waar ook altijd iets van het „incommensurabele” van het wezen aller christelijke geloofswaarheid in doorschemert.

Naar Gereformeerd-Protestantse opvatting is er waarlijk geen reden om te betwijfelen, dat het kerkrecht als een theologisch vak in de theologische faculteit behoort te worden gedoceerd.

Als in Duitsland b.v. het kerkrecht gewoonlijk tot de vakken gerekend werd en wordt, die in de juridische faculteit onderwezen worden, hangt dit natuurlijk samen met overwegend Lutherse invloeden op de verhouding van Kerk en Staat 1. De Lutherse opvattingen over de „zwei Regimente” in deze wereld hebben maar al te gemakkelijk ten gevolge, dat men in Lutherse kringen heel licht geneigd is de ordeningen voor de empirische Kerk aan het overheids-regiment over te laten, dat daarvoor burgerrechtelijke regelingen treft. Iets van de stelregel „cujus regio, ejus religio” schemert hierbij kennelijk door. Eveneens iets van de voorkeur voor het territoriale of consistoriale stelsel van kerkrecht, waarin de predikantenstand van het „regeren” in de institutaire Kerk maar al te gemakkelijk afziet, omdat de lands-vorst daarvoor zijn „consistories” heeft, waarin juristen als politieke figuren de toon veel meer aangeven dan de predikanten, als dragers van het geestelijk ambt, die zich con amore op hun Woord-verkondigende en onderrichtende taak in de Kerk concentreren.

Het Gereformeerd Protestantisme kan zulk een „Ent-theologisierung” van het kerkrecht maar heel slecht verdragen. Het weet, dat alle ware kerkrecht geworteld moet blijven in de H. Schrift, en dat achter de orde der Kerk de christelijke belijdenis van de Una Sancta en de Gereformeerde belijdenis van de ware Kerk en hoe zij geregeerd moet worden (Artt. XXVII-XXXII der Nederl.


1 Men raadplege hiervoor b.v. Erwin Ruck, Kirchenrecht (Bnd XXIX van de Encyklopädie der Rechts- und Staatswissenschaft), Berlin, 1926.

|10|

Geloofsbelijdenis) normerende grondlijnen moeten doen oplichten. M.a.w. er ligt altijd een gehalte van jus divinum (= goddelijk recht) in de rechtsregelen van de christelijke Kerk, ook van onze Nederl. Hervormde Kerk. De moderne Lutherse overspanning van de tegenstelling tussen barmhartigheid en gerechtigheid, tussen liefde en recht, of ook: tussen Evangelie en wet, is voor ieder Gereformeerd gemoed ten diepste een miskenning van het wezen van de theologie des Kruises. De verzoenende kracht van het Kruis van Christus ligt niet hierin, dat op Golgotha de rechtsorde wordt doorbroken of terzijde gesteld. Veeleer is het zo, dat hier de volkomen handhaving der rechtsorde de onbegrijpelijke liefde Gods jegens zondaren op het allerhoogste doet openbaar worden.

 

Het kerkrecht, voor zover het in de Hervorming der XVIe eeuw zijn oorsprong vond, is heel duidelijk uit verzet tegen Rome en het Rooms-katholieke kerkelijke recht geboren. Het mag gerust een symbolische daad van Luther genoemd worden, wanneer deze in 1520 tegelijk met de banbul betreffende zijn excommunicatie ook het Corpus juris Canonici verbrandde. Daarmede zwoer toch eigenlijk zowel de Lutherse als de Calvinistische reformatie het Roomse papale stelsel van kerkrecht af. Rome’s „kanonieke recht” had in de Middeleeuwen hoe langer hoe meer de klassieke bron voor het kerkrecht, welke gelegen was in de algemene conciliebesluiten, in betekenis zien ineenschrompelen, vergeleken met de pauselijke decreten. In Luther’s dagen waren de kerkelijke verordeningen (= canones), die aan algemene conciliën hun oorsprong dankten, reeds geheel in de schaduw gedrongen, vergeleken met de rechtsbron der pauselijke brieven over de orde der Kerk (= epistolae decretales), waaruit steeds stelliger het kanonieke recht geput werd als de voornaamste en enige steeds vloeiende bron van kerkelijk recht. En het Rooms-katholicisme heeft na de eeuw der Reformatie deze „curialistische”, papale lijn in zijn kanonieke recht nimmermeer losgelaten, al werd met de inwerkingtreding van de R.K. Codex Juris Canonici in 1918 (één jaar tevoren afgekondigd door Paus Benedictus XV) wel erkend, dat er nog andere bronnen voor het kerkelijk recht waren dan concilie-besluiten en pauselijke decretalen. Men wees b.v.

|11|

op de traditie, op het gewoonterecht, en op regelingen bij concordaat. Maar de allervoornaamste bron blijft toch heel duidelijk: het geheel der pauselijke brieven en constituties. Dat is een onmiskenbare aanwijzing van het zichzelf handhaven van de papale grondlijn voor het kerkrecht. Waarmede gegeven is, dat de Kerk zal moeten gezien worden als één groot, zichtbaar heilsinstituut voor heel de wereld; met één liturgie, één belijdenis, één kerktaal, één centrale regering, aan het hoofd waarvan de paus staat als de opvolger van Petrus, Christus’ stedehouder op aarde. De clerus is in dit papale stelsel scherp onderscheiden van de gewone leken. De wijding tot het ambt drukt de priesters, die door het coelibaat tot op zekere hoogte losgemaakt worden uit het familieleven en het nationale leven, een „character in-delebilis”, d.i. een onvernietigbaar kenmerk, in. De aldus hiërarchisch-clericaal geordende Kerk heeft principieel ook over de Staat suprematie. Krachtens de Roomse leer van de twee zwaarden draagt de paus als opperkerkvorst het wereldlijk gezag over aan de vorsten, het geestelijk gezag aan de clerus.

Tegenover dit papale stelsel is het reformatorische kerkrecht van geheel andere stylering. En het Geref. Protestantisme was daarbij consequenter in zijn afweer van alle „paapse stoutigheden” dan het Lutheranisme. Een grondbeginsel van het Geref. kerkrecht is in de reformatorische eeuw steeds het verzet tegen alle hiërarchie geweest. „Geen ambtsdrager zal over een andere ambtsdrager, geen kerk over een andere kerk heersen”, zo heette het in de Acta van de Geref. Synoden in de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden reeds van 1563 af aan.

Natuurlijk kan er in dit Geref. kerkrecht ook geen sprake zijn van een heerschappij-hebben van de Kerk over de Staat. De Geref. „kerkstaat” overeenkomstig Art. XXXVI van de Nederl. Geloofsbelijdenis kondigt wel het organisch 1 verband tussen Kerk en Staat af, maar tast daarnevens de eigen wortel van het overheidsgezag volstrekt niet aan. Het gaat hier om de proclamatie van de zelfstandigheid der Kerk in


1 Men vergelijke voor de betekenis van dit begrip „organisch” in Calvijn’s denken: J. Bohatec, Calvins Lehre von Staat und Kirche, Breslau, 1937.

|12|

de vrije Staat, waarvan de overheid, zelfstandig oordelend, haar wegen zoekt en haar beslissingen treft bij het licht van het Woord Gods, dat de Kerk op de kandelaar houdt.

Tegenover het hiërarchisch-clericale stelsel van Rome’s kanonieke recht heeft het Protestantisme zijn kerkrechtelijk uitgangspunt aanvankelijk genomen in een kerkbegrip, waarbij van de coetus fidelium, d.w.z. van de vergadering der ware Christgelovigen, werd uitgegaan. In de afweer der geestdrijverige secten zijn de Hervormers er echter meer en meer toe gekomen, om de Kerk, al naar gelang van het front, waartegen zij zich te keren hadden, ook te zien als de Kerk des Woords, d.w.z. de Kerk der goddelijke „instituten”: die van Bijbel en sacrament en geestelijk ambt.

Het kerkelijk recht krijgt in het Protestantisme, en bijzonderlijk in het Geref. Protestantisme, alleen zijn echtheidsmerk van Christus zelf, het Hoofd der Kerk, Die door zijn Geest en Woord zijn gemeente regeert, en daarbij als zijn organen de ambten van predikant, ouderling en diaken gebruikt.

Het kerkelijk recht heeft zijn enige bron in de wettige besluiten van de ambtelijke vergaderingen; d.w.z. wettig, voor zover zij gelden mogen als decisies van Woord en Geest, waarbij de diepste bronader in niets anders te zoeken en te vinden is dan in de H. Schrift 1.

 

De twee hoofddelen van het handboek voor Nederl. Hervormd kerkrecht, dat ik in dit werk poogde te geven, duiden op zichzelf reeds aan, hoe ik het kerkrecht zou willen plaatsen in het geheel van de encyclopaedie der theologie.

Waar ik mij in dit boek beperken mag tot de behandeling van het kerkrecht der Nederl. Hervormde Kerk, daar ligt het voor de hand, dat ik een historisch gedeelte moet laten voorafgaan, vóór en aleer ik het thans geldende Nederl. Hervormde kerkrecht kan gaan beschrijven.

Dat „Historisch Gedeelte” in dit handboek trekt natuurlijk de wetenschappelijke behandeling van dit Hervormde kerkrecht heel dicht naar de historische vakkengroep der


1 Men vergelijke voor het bovenstaande mijn opstel over Kerkrecht in Inleiding tot de theologische Studie, Groningen, 1946, blz. 148 v.v.

|13|

theologie. Wij mogen niet vergeten in rekening te brengen, dat een groot deel van onze Vaderlandse kerkgeschiedenis in waarheid beheerst wordt door de strijd over de kerkorde. En wij mogen evenmin vergeten, dat uiteenzetting en uitlegging van de kerkelijke rechtsregelen, die van 1 Mei 1951 af gelden, toch inderdaad niet goed mogelijk zijn, wanneer men niet wil doordringen in de kerkelijke rechtsbedelingen, die daaraan zijn voorafgegaan: in het bijzonder de Kerkorde van 1816, en daarachter weer het Geref. kerkrecht uit de klassieke tijd van de Synode van Emden (1571) tot en met de Synode van Dordt (1618-1619).

Het tweede, beschrijvende hoofddeel van dit boek concentreert zich op het thans geldende Hervormde kerkrecht. Met dit „thans gelden” zal ik schier onophoudelijk de suggestie moeten wekken, dat het vak „kerkrecht” tot de systematische vakken der theologie behoort, omdat er toch iets van het gehalte ener „Normwissenschaft” in schuilt. Waar nog bijkomt, dat een ontvouwing van het positief-geldende kerkelijke recht steeds ook insluiten zal, dat men het jus constituendum als corrigerende, reformerende grootheid in het geding durft brengen. Want ook van het positief-geldende kerkelijke recht moet gezegd worden, dat, als het mèt de ecclesia reformata „gereformeerd” wil heten, het alleen zo heten kan, omdat het ook mèt die Kerk „alsnog te reformeren” wil zijn.

Voor mijn besef ligt het kerkrecht dus duidelijk in het grensgebied tussen de historische en de systematische vakkengroep der theologie.

En ten overvloede zij daarbij nog eens vastgesteld, dat het in het vak „kerkrecht” natuurlijk niet kan gaan om de z.g. rechten circa sacra. Dat zijn de rechten van de Staat ten aanzien van de Kerk, of de kerken. Het kan in een boek over het Nederl. Hervormde kerkrecht alleen gaan over de rechtsregelen in sacra, het zuiver kerkelijk recht; de rechten der Kerk om haar eigen leven en werken te ordenen. B.v. het recht om omtrent haar belijden zulke bepalingen te maken als haar geschikt en noodzakelijk voorkomen.

Of ook: het recht om haar eredienst te regelen;het recht haar bestuursinrichting te veranderen; het recht om haar eigen ambtsdragers te kiezen; het recht om zelf kerkelijk opzicht

|14|

en tucht uit te oefenen; het recht om haar eigen dienaren des Woords op te leiden; en ook het recht om het beheer der kerkelijke goederen en fondsen en het toezicht daarop op kerkelijk verantwoorde wijze te regelen.

De indeling der stof, die bij de beschrijving van deze rechten in sacra gevolgd zal worden, zal de samenhang in de artikelen der nieuwe kerkorde en in de daarna volgende twintig ordinanties, welke de „regulatieve” bepalingen op de grondslag van de „constitutieve” bepalingen der Kerkorde bevatten, duidelijk weerspiegelen.

De theologische vooronderstellingen van de orde der Kerk zullen zich het meest doen gelden in de oecumenische perspectieven der nieuwe kerkorde. Terwijl deze theologische vooronderstellingen het zwakst zullen weerklinken, wanneer dit Nederl. Hervormde kerkrecht zijn formuleringen moet zoeken binnen de kaders van het staatsrecht en het burgerlijk recht, zoals die thans in ons vaderland van kracht zijn.

Haitjema, Th.L. (1951) I

|15|

I. Historisch gedeelte

Haitjema, Th.L. (1951) I.1

§ 1. De oorsprongen van ons Nederl. Geref. (= Hervormde) kerkrecht.

 

Voor de zuivere fundering van het kerkrecht voerden onze Gereformeerde vaderen 1 reeds op het Convent van Wezel (1568) een drietal grondslagen aan, waarvan zij het niet geraden vonden „al te vrijmoedig van de algemene overeenstemming en het diep geworteld gebruik der kerken af te wijken” (Wezelse Artikelen, Hfdst. I, c. 11).

Deze drie grondslagen, waaraan derhalve volgens onze vaderen normatieve richtlijnen voor het kerkrecht konden worden ontleend, werden dan aangeduid als: het Woord Gods, het gebruik en voorbeeld der apostelen, en de ononderbroken gewoonte in de kerken.

De H. Schrift neemt bij deze opsomming niet toevallig de eerste plaats in, want zij is, strikt genomen, evengoed voor de kerkorde als voor het belijden der Kerk de enig normerende norm.

Verwijzing naar Schriftuurplaatsen is in de Wezelse Acta dan ook gedurig aan de orde bij de uitstippeling van de fundamentele lijnen van het kerkverband. En in de voorrede bij deze Acta wordt reeds onmiddellijk een beroep gedaan op een woord uit Paulus’ eerste brief aan de Corinthiërs (14: 40), wanneer betoogd wordt, dat in de Kerk alle dingen „ordentlick ende eerbaarlick” moeten toegaan.

Men kan overigens niet zeggen, dat in de oudste proeven van formulering van een kerkorde voor het Nederl. Geref. Protestantisme het gebruik van bewijsplaatsen uit de H. Schrift overdreven is. Integendeel, met grote soberheid worden er Bijbelplaatsen voor het kerkrecht aangehaald.

En dat daarbij veel vaker uit de brieven van Paulus wordt geciteerd dan uit de Evangeliën, behoeft ons natuurlijk niet te verbazen, als wij bedenken, hoe de apostel Paulus voor de noodzakelijkheid kwam te staan de organisatie der oudste christelijke gemeenten met kracht ter hand te nemen. In een brief aan Poppius van 26 Febr. 1559 heeft Calvijn dan ook


1 Voor litteratuur zie blz. 22-23.

|16|

met bijzondere nadruk op de autoriteit van Paulus voor de kerkenordening gewezen 1.

Het is bovendien heel goed te begrijpen, dat onze Gereformeerde vaderen tegenover Rome enigszins huiverig waren om op woorden van Jezus met betrekking tot het kerkrecht bijzondere nadruk te leggen, daar Rome juist van zulke woorden (men denke vooral aan Matth. 16: 18!) het grofste misbruik had gemaakt 2.

 

Behalve aan de H. Schrift, aan het gebruik en voorbeeld der apostelen, en aan de onafgebroken gewoonte der Christelijke Kerk, bleken onze vaderen van meet af ook grote betekenis voor de beslissing in vragen van kerkorde — zij het ook geen „fundamenteel” gezag — toe te kennen aan „de broeders van Genève”, en onder dezen natuurlijk aan Calvijn, die op de reformatie hier te lande zozeer zijn stempel heeft gezet, in de eerste plaats.

Het wezen der Kerk is in de Artt. XXVII en volg. van de Nederl. Geloofsbelijdenis precies zo omschreven als Calvijn dit gaarne deed. Wat wonder dan, dat deze zelfde Hervormer ook de gids werd voor de uitstippeling van de grondlijnen voor het Geref. kerkrecht hier te lande!

Maar al te geredelijk heeft men daarbij echter aan een indirecte invloed van Calvijn op onze Nederl. kerkrechtelijke regelingen gedacht. Sommigen wezen met voorliefde op de invloed, die de Hervormer van Genève op de constituëring van het kerkverband in Frankrijk heeft gehad; en via de Zuidelijke Nederlanden ziet men dan gaarne die lijn van Calvijn’s invloed doorlopen naar de oudste nationale Synode te Emden (1571), waar immers de Waalse broeders kennelijk domineerden boven de Noord-Nederlandse afgevaardigden. Met dat gevolg natuurlijk, dat, naar het heet, de opvattingen der „preciesen” in Emden een gemakkelijke overwinning behalen konden, terwijl de geest der „rekkelijkheid” zich op het Convent van Wezel (1568)


1 Vgl. Dr F.L. Rutgers, Calvijn’s invloed op de Reformatie in de Nederlanden, voor zooveel die door hemzelven is uitgeoefend, 2e druk, 1901, blz. 227 v.v.
2 Voor de vraag naar het Schriftbewijs voor de kerkorde is bijzonder belangrijk: Dr A.J. Bronkhorst, Schrift en Kerkorde, 1947.

|17|

gemakkelijker had kunnen laten gelden, wellicht ook omdat de politieke figuren, die geen predikant waren, hier veel talrijker vertegenwoordigd waren dan in Emden. In ieder geval vindt men dan de Synode van Emden veel sterker „Calvijns” dan Wezel, dat drie jaren vroeger begonnen was de constituëring van het kerkverband voor het Nederl. Geref. Protestantisme ter hand te nemen.

Weer anderen leidden de invloed van de „broeders van Genève” op het Nederl. Geref. kerkrecht liever af uit de bemiddelende functie van de kerkenordening van de Nederl. Vluchtelingengemeente te Londen. En daarbij heeft men dan het gevoel, dat men veel ongedwongener ook de baanbrekende betekenis van het Wezelse Convent voor het Nederl. Geref. kerkrecht in rekening kan brengen, omdat ook daar in Wezel de richtlijnen van de Geneefse Kerk via Londen gewerkt hebben. Aan een directe invloed van Genève op Wezel dacht men echter dan nog evenmin.

Dat de Londense kerkenordening door à Lasco vervaardigd werd naar het voorbeeld der Geneefse en der Straatsburgse kerkorde, is door à Lasco zelf verklaard. En dat deze Londense kerkorde op de Synode van Emden moeilijk van veel invloed kan zijn geweest, wordt wel duidelijk, zodra men bedenkt, dat er op de Synode van Emden in het geheel geen Engelse deputatie aanwezig was; hetzij doordat de weersgesteldheid in October 1571 de Londense afgevaardigden niet toeliet over te komen, hetzij doordat zij opzettelijk van deze synode zijn weggebleven.

Zonder nu te willen ontkennen, dat de Londense kerkenordening ook op het Wezelse Convent een kanaal kan zijn geweest, waardoor de invloed van de „broeders van Genève” merkbaar werd (ik denk b.v. aan de rol, die de „smalle” kerkeraad in Wezel speelt in verband met de tucht, waarbij wij zeker aan de kerkorde van Genève herinnerd worden), toch heeft het mij wel verbaasd, dat men voor Calvijn’s onmiddellijke invloed op het kerkrecht van Wezel zo lange tijd geen oog heeft gehad.

Bij de bestudering van de Wezelse Acta naast de Ordonnances ecclésiastiques van de Kerk in Genève 1 trof het mij


1 Volledige titel van het eerste ontwerp der Ordonnances is: Articles concernant l’organisation de l’Eglise et du culte à Genève, proposés au Conseil

|18|

meer dan vijf en twintig jaren geleden reeds, hoe de twee zondenlijsten (nl. die van de intolerabele, en die van de vergeeflijke domineeszonden) in beide kerkorde-projecten vrijwel letterlijk gelijk zijn. Dit is wel het klaarste bewijs, dat er op de tafel in de vergaderzaal te Wezel in 1568 een exemplaar van de Ordonnances ecclésiastiques moet aanwezig geweest zijn. En als we dan daarbij bedenken, dat Herman Moded, als de tweede ondertekenaar van de Wezelse Acta hoogstwaarschijnlijk op het convent als secretaris heeft gefungeerd, en dat hij dit convent op de terugreis van Genève naar zijn gemeente in Engeland (te Norwich) heeft kunnen bijwonen, wat ligt dan meer voor de hand, dan te vooronderstellen, dat Moded op het convent zelf deze Ordonnances als model voor de Nederl. kerkenordening heeft gebruikt en door de vergadering heeft doen gebruiken?

De inleiding bij de Wezelse Acta verwijst zonder twijfel in de allereerste plaats naar de Kerk van Genève, als het heet, dat bij de „kerken, die op de beste wijze tot reformatie zijn gebracht”, advies werd ingewonnen voor de grondlijnen der kerkinrichting. Voorts is de opsomming der ambten in de Wezelse Acta, cap. I, § 11, geheel overeenkomstig de formulering in de Ordonnances Ecclésiastiques van 1561. Evenzo herinneren de bewoordingen, waarin de dienaar des Woords de ambtsbelofte afleggen moet bij zijn bevestiging (Wezelse Acta, cap. II, § 12), heel sterk aan de Ordonnances; alleen met dit zeker niet toevallige verschil, dat in de Acta van Wezel de belofte van onderworpenheid aan de burgerlijke overheid, die in Genève van de dienaren des Woords gevraagd werd, geheel komt weg te vallen.

De Geneefse kerkorde ruimde trouwens over het algemeen veel te veel plaats in aan de beslissende bevoegdheden der burgerlijke overheid (nl. de gemeenteraad van Genève). Niet ten onrechte heeft men er wel eens de aandacht op gevestigd, dat een principiële grondlijn van het Geref. kerkrecht hier ietwat scheef getrokken werd, doordat in de


par les Ministres, le 16 Janvier 1537. De felle tegenstand der Geneefse libertijnen tegen de strenge regelen voor de tucht in deze artikelen leidde tot verbanning van Calvijn in April 1538. In Oct. 1540 werd hij eervol teruggeroepen.

|19|

„Ordonnances” het deciderend gezag der „meerdere vergaderingen” niet onder woorden gebracht kon worden. Het hoofdstuk over de bredere kerkelijke ressorten (Classes, Provinciale en Generale Synoden) ontbreekt in de Geneefse kerkorde geheel en al, omdat het hier een kerkorganisatie gold, welke een locaal karakter droeg, en behalve de stad Genève slechts de onmiddellijk aangrenzende buitengemeenten in het kerkverband opnam.

Voor de afdelingen van de kerkorde, die op het bredere kerkverband, provinciaal en landelijk vooral, betrekking hadden, waren onze Nederlandse Gereformeerden aangewezen op beïnvloeding door het Franse presbyteriaal-synodale systeem, dat in de oudste „zuid-nederlandse Synoden onder het Kruis” zo stimulerend gewerkt had op de uitstippeling van de richtlijnen voor de constituëring van het kerkverband in de Nederl. Geref. Kerken. Figuren als Petrus Dathenus, Herman Moded, die op het Convent van Wezel in 1568 zulk een dominerende rol vervulden, waren te nauw verbonden geweest met het Geref. kerkelijk leven in de Zuidelijke Nederlanden, dan dat zij niet voor het doorgeven van de presbyteriaal-synodale besteklijnen der kerkorde zouden hebben zorg gedragen in het hoofdstuk der Wezelse Acta, dat over de bredere kerkressorten handelt.

Bovendien willen wij nog even opnieuw in herinnering brengen, hoe van de Synode van Emden (1571) af aan de Waalse broeders, die natuurlijk zich het liefst aan de kerkrechtelijke regelen van het Franse Geref. Protestantisme oriënteerden, steeds duidelijker hun invloed deden gelden op de constituering van het kerkverband in de Noordelijke Nederlanden.

Merkwaardig was op het Wezelse Convent nog een andere nadrukkelijke afwijking van de Ordonnances van Calvijn. Ik bedoel de betekenisvolle plaats, die in de Wezelse Acta aan de „bediening” der „profetie” gegeven wordt. Terwijl in Genève bijna uitsluitend sprake komt van een wetenschappelijke „profetie”, die in de „ordre des écoles” opgenomen is, en dienen moet tot opleiding van predikanten en van dezulken, die eenvoudige bijbellezingen kunnen houden, is in de Wezelse Acta vooral van een gemoedelijke, meer tot opbouw van de kennis der Schriften van eenvoudige gemeenteleden strekkende, profetie sprake, waarbij de bespreking

|20|

van de predikatiën der dienaren des Woords en de toetsing daarvan aan de Schrift, ook een rol speelt.

Hier is de Londense kerkenordening, waarin in de geest van à Lasco ook Zwingliaanse invloeden hadden doorgewerkt met betrekking tot de „profetie”, ongetwijfeld de bron geweest, waaruit men te Wezel heeft geput. In cap. XII van de Londense kerkenordening wordt een vorm van „profetie” besproken, die in de eerste plaats een publieke toetsing van de leer der predikanten is. Iedere Donderdagmorgen zal volgens deze Londense kerkorde de dienaar des Woords na de preek aan ouderlingen en diakenen en aan daartoe aangewezen „gedeputeerden” (= profeten) gelegenheid geven om vragen voor te leggen naar aanleiding van duistere of twijfelachtige punten in de preken van de voorbijgegane week. De predikanten moesten dan op die vragen nader ingaan. Gewone gemeenteleden behoorden, opdat er geen opgeblazen twisting ontstond, hun vragen alleen voor te leggen door tussenkomst van de ouderlingen of diakenen, of van de daartoe aangewezen „profeten”.

In Londen zag men in deze gestalte der „profetie” vele voordelen.
Ten eerste achtte men, dat de eendracht in de leer daardoor op uitnemende wijze werd bewaard;
ten tweede bleef de gemeente daardoor verzekerd, dat in haar midden de zuivere leer gepredikt werd;
ten derde zou deze „profetie” er toe kunnen bijdragen, dat de predikanten zich naarstig bleven verdiepen in Gods Woord en zodoende niet verstrikt zouden raken in de strikken der traagheid.

Aan het slot van cap. XII maakt deze Londense kerkorde dan ook nog melding van een tweede vorm van „profetie”, waarin een bijbelboek op eenvoudige, toepasselijke wijze verklaard wordt, niet door de dienaren des Woords alleen, maar ook door ouderlingen, diakenen en „andere daartoe bekwame mannen”.

Het is wel duidelijk, dat vooral deze laatste vorm van profetie aan de op het Convent te Wezel vergaderde Gereformeerden voor ogen heeft gestaan. Men vergelijke daarvoor Hfdst. II, § 14-20 der Acta, waar het heet, dat „de orde der Prophetie in alle aankomende, ofte ook bloeyende

|21|

Gemeynten, daar ’t eenigzints kan geschieden, na Pauli instellinge behoort onderhouden, ende Collegien der Propheten aangestelt te worden, die op zekere dagen alle weke, ofte alle twee weken na de Predicatie, ofte op andere bequame tyden voor de Gemeynte zullen verschijnen, ende tot aller stigtinge t’een ofte t’ander boek des Bijbels met bequame ordre, by beurten zullen verhandelen: ende als die ’t zyn beurt is, zyn ampt zal hebben volbragt, zoo zullen degene, die hem in de zitplaatzen volgen, ook het hare, indien ’t hun goetdunkt, mogen bybrengen, ’tgene tot stigtinge dient; ende alzoo ten besluit, de vergaderinge met de gebeden van de voornaamste Propheet worden geëindigt” (S 17) 1.

Onze Geref. vaderen zagen in deze „orde der Prophetie” dus heel duidelijk een apostolische instelling, welke uit dien hoofde normatieve betekenis toekwam voor een verantwoorde kerkinrichting.

In ieder geval rekende men in Wezel, dat ook de predikanten deel uitmaakten van het „College van Propheten”, waartoe men als gewoon gemeentelid alleen maar toegelaten kon worden, nadat men eerst door te „proponeren” onderworpen was geweest aan „het oordeel ende goetvinden der Dienaren, ende andere Propheten” (§ 19). In kerkeraadsvergaderingen, waar kwesties over de leer of over de ceremoniën aan de orde komen, zullen ook „dusdanige Propheten ende Leeraars in de Kerkenraadt plaatze hebben” (§ 20).

 

Samenvattend kan van de bronnen van het Nederl. Geref. kerkrecht dus het volgende gezegd worden:

In de eerste plaats valt op andere kerkenordeningen van het Geref. Protestantisme uit de reformatorische eeuw te wijzen, die kennelijk als model gediend hebben in de oorsprongsgeschiedenis van ons Nederl. Geref. kerkrecht. D.w.z. men nam er ten onzent uit over, wat hier in verband met de bijzondere situatie, waarin de Reformatie zich doorzetten moest, bruikbaar was. Men greep daartoe voor het ene


1 Voor de oorspronkelijke Latijnse tekst dezer Wezelse Acta vergelijke men Dr F.L. Rutgers, Acta van de Nederl. Synoden der 16e eeuw (1899).

|22|

hoofdstuk der Nederl. Geref. kerkorde meer naar het Geneefse voorbeeld van Calvijn’s Ordonnances Ecclésiastiques, voor het andere meer naar de Franse presbyte-riaal-synodale kerkorde, voor weer andere punten naar de Londense kerkorde, die op haar beurt naast het eigenaardige stempel van à Lasco’s Gereformeerde religie ook Zürichse en Straatsburgse kerkordelijke regelingen liet doorschemeren. Al deze bronnen, en ook het gebruik, dat onze vaderen er van maakten in de eerste decenniën van de constituëring van het Geref. kerkverband in Nederland, brengen ons op het nadrukkelijkst in aanraking met de betrekkelijkheden ener tijdhistorische gebondenheid, waarbij het Gereformeerde wereldprotestantisme als vanzelf deze ingetogenheid in acht nam, die b.v. ook de buitenlandse afgevaardigden op de Dordtse Synode in 1619 toonden, toen zij de kerkordevragen ter behandeling aan de Na-zittingen overlieten, nadat zij zelf reeds uit Dordrecht vertrokken waren.

Achter deze drie modellen van een Geref. kerkorganisatie (Calvijn’s Ordonnances ecclésiastiques, de Franse Discipline ecclésiastique, en de Londense kerkenordening) wordt dan echter met normatiever gezag het gedeelte van de Nederl. Geloofsbelijdenis transparant, dat over de Kerk, haar ambten en haar regering handelt (de Artt. XXVII-XXXII). Hierbij komt in en met de locus de ecclesia uit de geloofswaarheid reeds die kant van het kerkrecht aan de orde, die legitiem als „goddelijk recht” mag worden aangeduid.

En achter en onder deze Confessio Belgica glanst ten slotte de H. Schrift met haar gezag als Woord van God op, zich ontsluitend als de diepste bron van ons Nederl. Hervormde kerkrecht, tegelijk de enige normerende norm voor de ware inrichting van het kerkelijk leven. Hierin komt het ten aller-duidelijkste uit, dat het Geref. Protestantisme in zijn kerkrecht nooit de erkenning verdoezelen mag, dat daarin ook goddelijk recht (jus divinum) zich doet gelden.

 

Litteratuur

Belangrijke litteratuur bij deze § 1 van het „Historisch Gedeelte” is o.a. J. Aymon, Tous les Synodes Nationaux des Eglises Réformées de France, 2 tom. La Haye, 1710; Dr H.E. von Hoffmann, Das Kirchenverfassungsrecht

|23|

der niederländischen Reformierten bis zum Beginne der Dordrechter Nationalsynode von 1618/9, Leipzig, 1902; G.V. Lechler, Geschichte der Presbyterial- und Synodalverfassung seit der Reformation, Leiden, 1854; Dr Karl Rieker, Grundsätze reformierter Kirchenverfassung, Leipzig, 1899; L.A. Richter, Die evangelischen Kirchenordnungen des 16en Jahrhunderts, 2 Bnde, Leipzig, 1899; Dr F.L. Rutgers, Acta van de Nederlandsche Synoden der 16e eeuw, Utrecht, 1899; C. Hooijer, Oude Kerkenordeningen der Nederlandsche Hervormde Gemeenten (1563-1638), Zalt-Bommel, 1865; Dr Th.L. Haitjema, Calvijn en de oorsprongen van ons Nederl. Geref. Kerkrecht, in Christendom en Historie, Lustrumbundel van het Gezelschap van Christelijke Historici, 1925; Dr J. de Jong, De Voorbereiding en Constituëring van het Kerkverband der Nederl. Gereformeerde Kerken, Diss. 1910; Dr B. van Meer, De Synode van Emden, Diss. 1894; Dr A.J. Bronkhorst, Schrift en Kerkorde, Diss. Utrecht, 1947.

Haitjema, Th.L. (1951) I.2

§ 2. De consolidatie van dit kerkrecht in de Dordtse Kerkorde.

 

Na het Convent van Wezel (1568) en de eerste nationale Synode van Emden (1571) zijn het de Nederlandse Synoden van Dordrecht (1574, een Provinciale Synode, die in haar besluiten nationale perspectieven voor de organisatie van het Gereformeerde kerkverband opent; 1578, een nationale Synode in dezelfde stad), van Middelburg (1581), en van ’s Gravenhage (1586) geweest, die het Nederl. Geref. kerkrecht verder tot ontwikkeling brachten naar de presbyteriaal-synodale grondlijnen, die reeds van Wezel af waren uitgestippeld! 1 Het waren vooral de concrete kerkrechtelijke puzzles (de z.g. „Quaestiones particulares”), die deze verdere ontwikkeling van ons kerkrecht gestuwd hadden. Terwijl de publieke erkenning van de Gereformeerde religie door de verschillende gewestelijke overheden korter of langer tijd na de Unie van Utrecht (1579) uiteraard ook nadere kerkrechtelijke regelingen voor de openbare eredienst (b.v. in beschikkingen over hoogtij-dagen, gebruik van liturgische formulieren, het kerklied, de Heid. Catechismus als stof voor de prediking) noodzakelijk maakten.

De na-zittingen van de Dordtse Synode in de Meimaand van het jaar 1619 hebben dit Nederl. Geref. kerkrecht tot een zekere consolidatie gebracht. Zó zelfs, dat nog in de 19e


1 Voor litteratuur bij deze § zie blz. 31-32.

|24|

eeuw vrijwel iedere beweging, die zich tegen de kerkordelijke vormen, waarin de Nederl. Hervormde Kerk zich met het Kon. Besluit van 7 Januari 1816 van koning Willem I had moeten voegen, principieel en bewogen had verzet, naar de „Dordtse Kerkorde” met heimwee had terugverlangd als naar een model voor een zuivere, typisch-Gereformeerde kerkinrichting.

Dat dit steeds maar weer terugzien op Dordrecht (1619) overigens niet weinig geforceerds heeft, is klaar als de dag. Twee eenvoudige en veelzeggende feiten moge ik aanvoeren, om het geforceerde van deze bewondering voor de Dordtse Kerkorde te doen gevoelen.

In de eerste plaats lag er reeds force majeure in het feit, dat er tussen de z.g. Leicester-synode te ’s Gravenhage in 1586 en de 19e-eeuwse jaarlijkse synoden onder de vigueur van het reglementaire kerkrecht uit de dagen van koning Willem I geen periodieke nationale Nederlandse synoden konden gehouden worden. Waren deze in die langdurige periode van meer dan twee en een kwart eeuw wel geregeld gehouden, zij het dan ook wat minder vaak dan men zich in de reformatorische eeuw aanvankelijk voorgenomen had (nl. om de drie jaren), dan zou stellig het Nederl. Geref. kerkrecht zich in dit omvangrijke tijdvak wel in zulk een zin verder ontwikkeld hebben, dat ook de stoerste Calvinist in het Koninkrijk der Nederlanden van de 19e eeuw niet op de gedachte zou zijn gekomen om op de Dordtse Kerkorde terug te grijpen als op het non plus ultra van een zuiver-Gereformeerde kerkenordening.

Het tweede feit, waarop ik de aandacht vestigen wil, laat wellicht nog duidelijker gevoelen, dat het teruggrijpen op de Dordtse Kerkorde door het Geref. Protestantisme van de 19e en de 20e eeuw geforceerd is. Zowel de Afgescheidenen van 1834 als de Dolerenden van 1886 hebben zich wel in hun kerkrechtelijke regelingen voor hun kerkformaties met geestdrift weer verbonden verklaard aan de Dordtse Kerkorde, maar ontnamen tegelijkertijd met nogal vèr gaande vrijmoedigheid alle actuele betekenis aan die bepalingen uit de Dordtse kerkenordening, welke door de veranderde situatie in de verhouding van Kerk en Staat in de 19e eeuw geen toepassing meer konden vinden. Zowel de mannen van

|25|

de „Christelijke Afgescheiden Kerk”, later de „Christelijk-Gereformeerde Kerk”, als die van de „Dolerende Kerken”, later de „Gereformeerde Kerken in Nederland”, drukten maar al te gretig díe kerkordelijke bepalingen van de Dordtse Synode cursief, of zetten ze tussen haakjes, waarin vanuit de theocratische belijdenis van een organische vereniging van Kerk en Staat aan de overheid bevoegdheden werden toegekend, die de 19e-eeuwse overheden niet meer begeerden te bezitten, b.v. het recht van approbatie op de beroeping van predikanten naar gemeenten, die over het territoir van hun burgerlijk gemenebest zich uitstrekten.

Wel wil ik niet verhelen, dat de Dolerenden doorgaans minder scrupules toonden in het blijmoedig accepteren van de scheiding van Kerk en Staat, dan de Afgescheidenen dat in de eerste periode van de worsteling om hun eigen vrije kerkformatie deden, doch hoe dit ook zij, vast staat in ieder geval wel, dat er bij beide groepen in de loop der jaren artikelen in de Dordtse Kerkorde bleken te staan, waartegenover men zich vrijblijvend wenste te verhouden. En in beide groepen legde hier uiteindelijk ook een belijdenisfout mede gewicht in de schaal, want Dr Hoedemaker had gelijk, toen hij op de gevaarlijke gevolgen van de inkorting van Art. XXXVI der Nederl. Geloofsbelijdenis wees, zoals die door „de Gereformeerde Kerken in Nederland” in 1905, dus na de fusie met het grootste deel der vroegere Afgescheidenen, afgekondigd werd; waarmede de geloofswaarheid een reductie onderging op het stuk van Kerk en Staat, die door geesteskinderen van Calvijn als Mr Groen van Prinsterer en Dr Hoedemaker, die toch geen van beiden hun kracht zochten in het repristinerend terugschroeven van het uurwerk der tijden, niet zonder reden onheilzwanger, wat Groen betreft, zou zijn genoemd en, wat Hoedemaker aangaat, inderdaad werd genoemd.

 

De consolidatie van het Nederl. Geref. kerkrecht, zoals wij dat in de Dordtse Kerkorde voor ons hebben, is wezenlijk eigenlijk niet anders dan een revisie van de Kerkorde van de Haagse Synode van 1586. In de Post-Acta van Dordrecht — in 1669 op initiatief van de Synode van Zuid-Holland met machtiging der Staten-Generaal gedrukt en uitgegeven

|26|

— lezen wij in het verslag van de 155e zitting van Maandag, 13 Mei 1619:

„Is voorgesteld, dat dit het goedvinden was van de Heeren Politieke commissarissen, dat de Canones van de Kerkenordening, beraamd in de laatstgehouden Nationale Synode, van deze Synode zouden overzien en onderzocht worden”. Even verder lezen wij in ditzelfde stuk notulen: „Zijn opgelezen de Canones van de Kerkenordening, gesteld in de laatste Nationale Synode, gehouden in ’s Gravenhage, anno 1586”.

Het behoeft dus in het geheel geen verwondering te wekken, dat opzet en bouw van de 79 artikelen der Haagse Kerkorde van 1586 geheel overeenkomen met de bouw van de Dordtse Kerkorde. Wel zijn er in de Post-Acta van Dordrecht in Mei 1619 nog verschillende nieuwe artikelen bijgekomen, zodat de Dordtse Kerkorde 86 artikelen telt. Maar de hoofdlijnen bleven geheel dezelfde als die van de Kerkorde van Leicester (1586). Eerst worden verscheidene artikelen gewijd aan de Diensten (Artt. 2 tot en met 28, die een uitwerking bevatten van de ambten van de Dienaren des Woords, de Doctores, de Ouderlingen en de Diakenen); daarna wordt over de Kerkelijke Vergaderingen gehandeld, die in vieren worden gerubriceerd, nl. als Kerkeraden, Classicale Vergaderingen, Particuliere Synoden en de Generale of Nationale Synode (Artt. 29-52). Daarna volgt er een hoofdstuk over de Leer, de Sacramenten en de andere Ceremoniën (Artt. 53-70), terwijl er ten slotte een hoofdstuk volgt over de Censuur en de kerkelijke Tucht (Artt. 71-83). Ook de drie daarop volgende slotartikelen (Artt. 84-86) van de Dordtse Kerkorde stemmen overeen met de Kerkorde van 1586. Het principiële verzet tegen iedere vorm van hiërarchie in de verhouding der gemeenten of der ambten onderling (Art. 84, een artikel, dat in 1571 te Emden aan het hoofd der kerkelijke bepalingen gezet was), het vermaan tot soepelheid in de erkenning van de christelijke geloofsverbondenheid met buitenlandse kerken, ook bij verschillen in middelmatige dingen (Art. 85), en de beschrijving van de wijze van binding en de procedure voor wijziging van de artikelen der kerkorde (Art. 86) werden in

|27|

1586 en in 1619 door onze Geref. vaderen op precies dezelfde wijze onder woorden gebracht.

Toch is er wel reden om, ondanks de zeer grote overeenkomst tussen de Kerkorde van Den Haag (1586) en die van Dordrecht (1619), alleen ten aanzien van de laatste van een consolidatie van het typisch-Gereformeerde kerkrecht, zoals het in een uitwerking van het presbyteriaal-synodale systeem van kerkregering zich kenmerkte, te spreken. Op de Synode van Dordrecht had men, stelliger dan in 1586 te ’s Gravenhage, de presbyteriaal-synodale lijnen voor een kerkorde te handhaven tegenover de in de eerste decenniën der 17e eeuw toenemende invloeden van het Engelse Independentisme.

Het independentistische of congregationalistische stelsel van kerkrecht wordt door Dr M. Bouwman in zijn belangrijke proefschrift Voetius over het gezag der Synoden (Diss. V.U., 1937) op voortreffelijke wijze in de volgende vier punten gekenschetst (blz. 13) 1:
1. Uitgangspunt is hier niet de plaatselijke Kerk, maar de groep van gelovigen („congregatie”), welke zich uiteraard in veelvoud in een en dezelfde plaats gemeente-vormend openbaren kan, in die zin, dat de willekeurige aaneensluiting van de gelovigen voor iedere gemeentevorming het essentiële is;
2. Het onderscheid tussen lerende en regerende ouderlingen wordt uitgewist, zodat de bevoegdheid tot prediken zozeer gaat domineren, dat het presbyteraat als „hoeksteen van de kerkregering” niet meer zijn betekenis houden kan;
3. De „ambtelijke” wortel van alle kerkelijke autoriteit moet in dit stelsel afsterven ten gunste van de gedachte, dat het besturend gezag bij de gehele gemeente der gelovigen moet berusten;
4. Kerkelijke synoden hebben in dit stelsel geen bindend gezag, dus zijn ze praktisch niet meer dan conferenties, die hoogstens dringende adviezen kunnen formuleren tegenover de in wezen souvereine gemeenten der gelovigen.

 

Hiertegenover heeft de Dordtse Synode de presbyteriaal-synodale grondlijnen voor het kerkrecht moeten


1 Ik geef deze punten met eigen woorden weer.

|28|

handhaven. Zij heeft dat b.v. gedaan, door het hoofdstuk over de ambten (of diensten) voorop te laten staan. Daarmede is ruimte gelaten voor de ambtsgedachte als hoofdpijler der kerkorde. En het lijkt mij niet juist, om met Dr A.J. Bronkhorst een karakteristiek van het presbyteriaal-synodale stelsel te beproeven, en daarin de gemeente de grondslag van dit stelsel te noemen (blz. 260).

Maar al te gemakkelijk zou hiermede aan het misverstand voet gegeven kunnen worden, als zou in het Geref. Protestantisme het geestelijk ambt in zijn drieledige vertakking van predikant, ouderling en diaken in wezen niets anders zijn dan een voorbeeldige demonstratie van het algemeen priesterschap aller gelovigen. 'Zodat dus het geestelijk ambt eenzijdig en uitsluitend zou moeten worden afgeleid uit het „ambt aller gelovigen”. Of anders gezegd: uit het profeet- en koning- en priester-zijn van ieder Christen, die zich „de zalving van Christus” deelachtig weten mag.

Doch daarmede verduistert dan de waarheid, dat er in het geestelijk ambt ook een factor schuilt, waarvan gezegd moet worden, dat hij van de andere zijde komt dan van onder op uit de gemeente. Het is die factor, die niet beter onder woorden gebracht kan worden dan zó, dat wij de ambten als „organen van Christus” omschrijven, welke in de opbouw van het lichaam van Christus hun functie hebben. Organen, die door Christus als het Hoofd des lichaams gebruikt worden om de gelovigen tot hun ware christen-zijn en de daarmede verbonden uitoefening van hun profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt rijp en bekwaam te maken.

Het wil mij voorkomen, dat wij er als Hervormden niet dankbaar genoeg voor kunnen zijn, dat ook in Fundamenten en Perspectieven, Art. 13, het geestelijk ambt in de Kerk van Christus zó gezien en beleden wordt. Alleen zó zullen wij er voor bewaard kunnen worden af te glijden naar het independentisme of congregationalisme in het kerkrecht.

Met Dr Hoedemaker zie ik vanuit deze fundamentele waardering van het geestelijk ambt het ouderling-ambt als de oervorm van alle gewone geestelijke ambten. Een predikant is eigenlijk niet anders dan een „lerende” ouderling; een diaken niet anders dan een priesterlijk-dienende ouderling. Hoedemaker zag zelfs de „bisschoppen” in de oudste

|29|

apostolische tijd met de ouderlingen ident, zodat dus oorspronkelijk ook de functies van de N.T.-sche „episcopen” plaatselijk-kerkelijk beperkt zouden gebleven zijn. In zijn De Kerk en het Moderne Staatsrecht stelde Hoedemaker in een bepaald verband zelfs heel duidelijk dit: dat de term „episcopen” oorspronkelijk niets anders zou geweest zijn dan de hellenistische benaming, speciaal in de heiden-christelijke gemeenten, voor de presbyters of ouderlingen. De heiden-christelijke gemeenten zouden tegenover de term „presbyters” wat vooringenomen hebben gestaan, omdat deze term „oudsten” toch eigenlijk overgegaan was vanuit de Joodse synagogale organisatie in de aanvankelijke organisatie-vormen voor het christelijk-kerkelijk leven.

Doch hoe dit ook zij, wij kunnen en mogen uit deze visie op het geestelijk ambt gerust wel dit vasthouden, dat het presbyteraat het grondleggende ambt is en blijft onder de gewone kerkelijke ambten. En is dat niet onderstreept door het eerste adjectief, waarmede het kerkrechtelijke stelsel der Gereformeerden wordt aangeduid? Wijst de term „presbyteriaal” niet overduidelijk naar het presbyteraat, of wel het ouderling-ambt, als de oervorm van het gewone geestelijke ambt? En is met deze vooropstelling van presbyteriaal in de bekende uitdrukking „presbyteriaal-synodaal” niet ondubbelzinnig zowel het congregationalisme als het episcopalisme afgewezen?

Eerst het begrip „presbyteriaal” geeft voorts ook aan het bijvoeglijk naamwoord „synodaal” een bepaalde Calvinistische kleur. Op zichzelf genomen is het kerkelijk samenkomen in „synoden” volstrekt niet iets kenmerkends voor het Geref. Protestantisme. Ook in episcopale stelsels van kerkregering kent men synoden. En in independentistische evenzeer, gelijk wij reeds gezien hebben.

Maar als het woord „presbyteriaal” de kleur van de term „synodaal” gaat bepalen, dan wordt het zó, dat in de synodale vergaderingen der Kerk „de ambten” geacht worden bijeen te komen. Dan worden de meerdere vergaderingen der Kerk eerst ambtelijke vergaderingen in de volle zin des woords. D.w.z. vergaderingen, waarin de ambtelijke bevoegdheden zich „accumulatief" uitbreiden. Zodat classicale vergaderingen, provinciale synoden en generale synoden

|30|

wezenlijk niets anders zijn dan „grote kerkeraden”, gesteld over een breder dan plaatselijk-kerkelijk ressort.

Ik zeg niet, dat het Geref. kerkrecht nimmer geïnfecteerd werd met independentistische of congregationalistische bacteriën. Het gebeurde veelvuldig: vanuit Engeland reeds in de 17e eeuw; door het Nieuw-Calvinisme, dat in de Doleantie-beweging werkte, heel duidelijk in de 19e eeuw; in de voor „de Gereformeerde Kerken in Nederland” zo pijnlijke separatie-beweging tot „vrijmaking” der Kerken (vlgs. Art. 31 der Dordtse Kerkorde) in de 20e eeuw. Dit independentistische infectieproces is altijd te onderkennen in een overschatting van de autonomie der plaatselijke kerken en van de gedachte van „afvaardiging” der leden van de meerdere vergaderingen vanuit de kerkeraden der plaatselijke gemeenten. De eis van bindende „lastbrieven” voor zulke afgevaardigden naar meerdere vergaderingen, speciaal naar de classicale vergaderingen, is steeds een symptoom van zulk aangetast-zijn door een independentistische infectie. Zij het soms ook tegen wil en dank, gelijk dit met Ds Lingbeek, en zijn geestverwanten, in hun critiek op het reorganisatie-ontwerp-1937, indertijd het geval was. Gelukkig zijn in onze thans geldende Kerkorde de presbyteriaal-synodale grondlijnen zuiver gehouden, doordat wel van geloofsbrieven en zelfs van instructie-brieven voor de afgevaardigden ter classicale vergadering gesproken wordt in het huidige Hervormde kerkrecht, doch aan het z.g. „gebonden mandaat” welbewust geen plaats ingeruimd werd (zie O. 1-24-3). Niet alleen omdat daarmede de openheid van de vrije werking van Geest en Woord in de meerdere vergaderingen der Kerk schade zou lijden. Ook omdat door deze bindende lastbrieven de afvaardigings-idee dermate zou geaccentueerd worden, dat de ambtsgedachte niet langer als de grondpijler voor heel het kerkverband en voor het geestelijk gezag der kerkregering zou kunnen blijven fungeren.

Ons Nederl. Geref. kerkrecht werd derhalve op de Dordtse Synode van 1618-1619 geconsolideerd in het presbyteriaal-synodale stelsel van kerkregering met een onmiskenbaar accent van afweer van het independentisme. Vooral een nadere bestudering van Voetius’ hoofdwerk Politica ecclesiastica onder theologen, die bij het Doleantie-kerkrecht

|31|

met zijn overschatting van de autonomie der plaatselijke kerken waren groot geworden, heeft dit aan het licht gebracht. In dit opzicht betekent de dissertatie van Dr M. Bouwman: Voetius over het gezag der Synoden (1937) een nieuwe lente en een nieuw geluid. De eerste dageraadsstrepen hiervan begonnen zich reeds kort na het Geelkerkenconflict van 1926 in de kerkrechtelijke arbeid van Prof. Dr H.H. Kuyper te openbaren.

Ten slotte moge nog het misverstand van de uitdrukking „consolidatie” van het Nederl. Geref. kerkrecht in de Dordtse Kerkorde afgeweerd worden, als zou deze kerkorde kort na 1619 in alle provinciën zijn aanvaard en als geldend kerkrecht zijn afgekondigd. Wel besloot men te Dordrecht in de 177e zitting der Synode om er bij de Generale Staten op aan te dringen, dat zij hun autoriteit in de schaal zouden werpen om deze kerkorde „overal in de kerken dezer landen te doen onderhouden”, maar in de toonaangevende gewesten der Unie, in Holland, Friesland en Zeeland, bleek er geen medewerking van de gewestelijke Staten te verkrijgen, omdat men vreesde, dat in deze kerkorde het gezag der overheid „te sober en te klein was gesteld”, of ook de aloude vrijheid van beroeping, zoals die vanouds (in Friesland) bij eigenerfden en dorpsnotabelen berustte, werd geschonden. Terwijl in Groningen en Drente de voorkeur voor de oude gewestelijke kerkorde te groot bleek dan dat men bereid was naar de Kerkorde van Dordrecht op korte termijn om te schakelen.

Doch hoe veelvuldig en langdurig de Dordtse Kerkorde ook nog aangevochten moge gebleven zijn door het souvereiniteitsgevoel van regenten en politieke figuren, dit neemt toch niet weg, dat wij in de Kerkorde van Dordrecht de hoofdlijnen van het klassiek-Gereformeerde kerkrecht voor de Noord-Nederlandse gewesten vastgelegd mogen achten gedurende een geheel tijdvak in onze geschiedenis.

 

Litteratuur

Belangrijke litteratuur bij deze § is, naast de reeds bij § 1 genoemde: Dr J. de Jong, Verklaring van de Kerkenordening van de Nationale Synode van Dordrecht van 1618-1619. College-voordrachten van Prof. Dr F.L. Rutgers over Gereformeerd kerkrecht, bewerkt en uitgegeven door Dr J. de

|32|

Jong, Rotterdam, 1918; J. Jansen, Korte Verklaring van de Kerkenordening, Kampen, 1923; Dr H.H. Kuyper, De Postacta of Nahandelingen van de Nationale Synode van Dordrecht, in 1618 en 1619 gehouden, Amsterdam, 1899; Charles Schüle, Die Grundlage des reformierten Kirchenrechtes, 2e Aufl., Basel, 1926; Dr D. Nauta, De Nederlandsche Gereformeerden en het Independentisme in de 17e eeuw, Amsterdam, 1936; M. Bouwman, Voetius over het gezag der Synoden, Diss. V.U., Amsterdam, 1937; Dr Ph.J. Hoedemaker, De Kerk en het moderne Staatsrecht, Eerste Stuk: De Kerk naar goddelijk recht, Amsterdam, 1904; Dr J. Reitsma en Dr S.D. van Veen, Acta der Provinciale en Particuliere Synoden, gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620, 8 delen, Groningen, 1892-1899; Reitsma-Lindeboom, Geschiedenis van de Hervorming en de Hervormde Kerk der Nederlanden, 5e druk, 1950.

Haitjema, Th.L. (1951) I.3

§ 3. De ontwrichting van het Nederl. Geref. kerkrecht in de dagen der Bataafse Republiek en der Franse overheersing.

 

Ogenschijnlijk gaf de periode van de Bataafse Republiek en van de Franse overheersing 1 stof genoeg voor een verdediging van de paradoxale stelling, dat de z.g. „Franse” tijd in Nederland, als de periode van de revolutionnering van ons staatsrecht, in vele opzichten de tijd van de „conservatie” van het oude Nederl. Geref. kerkrecht is geweest, terwijl daarna de z.g. „restauratie” van Nederland’s onafhankelijk staatsbestel al heel spoedig de „revolutie” in ons kerkrecht zich wist door te zetten. Want niet alleen, dat in de eerste jaren na de stichting van de Bataafse Republiek het oude Nederl. Geref. kerkrecht in ons vaderland althans in naam nog bleef gelden, daarnaast werden dikwijls genoeg in de jaren van het Koninkrijk Holland (1806-1810) en van de inlijving bij Frankrijk (1810-1813) vanuit Nederland missives tot de Franse regerings-autoriteiten gericht, waarin de onmogelijkheid werd betoogd van doorvoering van Franse kerkelijke wetten in de Nederlandse verhoudingen. De Raad van State ten tijde van koning Lodewijk Napoleon en de reeds van het bewind van raadpensionaris Schimmelpenninck (1805) af aan achter de schermen werkende departementsambtenaar Janssen hebben meermalen uit verzet tegen gelijkschakeling met verhoudingen en verordeningen in het Franse keizerrijk gepleit voor bewaring van het oude, zij het


1 Voor belangrijke litteratuur bij deze paragraaf vgl. blz. 41.

|33|

„gelouterde”, Nederlandse Gereformeerde kerkrecht.

En aan de andere kant zien wij het herstel van Nederland’s onafhankelijkheid in 1813 na een paar jaren reeds gevolgd worden door het beruchte Kon. Besluit van 7 Januari 1816, dat aan de oude nationale, Gereformeerde Kerk in Nederland een uitgesproken „revolutionnaire” kerkvorm op zeer onkerkelijke wijze oplegde!

Toch is de instandhouding van het oude Gereformeerde kerkrecht van 1795-1813 ten onzent, dieper gezien, niet meer dan schijn. Een omwenteling in het staatsrecht, zoals die met de nieuwe staatsregelingen onder de Bataafse Republiek reeds haar beslag kreeg, kan uiteraard niet zonder invloed blijven op het kerkrecht der voormaals heersende Kerk. Grondwetten, die zonder uitzondering het beginsel van een radicale scheiding van Kerk en Staat poogden door te voeren, — al had de ene ook een meer extreem-revolutionnair type en de daarop volgende een meer conservatief-federalistisch — konden natuurlijk in de artikelen over de godsdienst niet anders dan daarheen tenderen, dat de gehele ondergrond van de klassiek-Gereformeerde kerke-ordeningen wezenlijk ondermijnd werd. Vlijmscherp weliswaar, doch in wezen toch niet onjuist, oordeelde Groen van Prinsterer in zijn Geschiedenis des Vaderlands, dat in het staatsrecht van de Verlichtings-wijsbegeerte een constitutie „de lastbrief” betekent, „waarin het aanzijn der volken naar het algemeen model der nieuwe wijsbegeerte, als in een ijzeren keurslijf geperst wordt”. En dat brengt met noodzakelijkheid mede, dat al „het historisch-nationale als bekrompenheid afgewezen wordt”.

Werd b.v. het oude Geref. kerkrecht, al bleef het dan in naam nog gelden in de eerste jaren van de 19e eeuw, niet in zijn hartader aangetast door een artikel als Art. 12 van de Staatsregeling van 1801, — een grondwet, waarvan men gewoonlijk zegt, dat zij al zoveel gematigder en minder ongunstig voor de Hervormde Kerk was dan b.v. de eerste staatsregeling van de Bataafse Republiek uit het jaar 1798, waarin de uitbetaling van de rijkstraktementen voor Hervormde predikanten nog slechts voor een drietal jaren werd toegezegd, en dan nog alleen in de vorm van pensioen! — waarvan de tekst aldus luidde:

|34|

„Elk hoofd eens huisgezins en op zichzelf staand persoon van beiderlei kunne, mits de ouderdom van veertien jaren bereikt hebbende, doet zich inschrijven bij een of ander kerkgenootschap, hetwelk vrijwillig kan verlaten worden, om tot een ander over te gaan. Voor ieder kerkgenootschap wordt van de alzo ingeschreven leden tot onderhoud van deszelfs dienaren en eigendommen een jaarlijkse gift gevorderd, niet te boven gaande een zekere bepaalde som, achtereenvolgens hetgene aangaande dit een en ander nader bij de Wet zal worden vastgesteld”.

Hier wordt n.b. een vorm van verplicht hoofdgeld of kerkelijke belasting geformuleerd, die van staatswege geheven zal worden, terwijl een afzonderlijke wet het bedrag van die kerkbelasting en de wijze van verdeling onder de verschillende kerkgenootschappen zou regelen!

Welk een ingrijpen in de kerkelijke jura in sacra ligt in zulk een grondwetsartikel niet opgesloten! Ieder staatsburger wordt hier feitelijk gedwongen om tot het een of ander kerkgenootschap te behoren. Wie het ene verlaten wil, moet toch weer overgaan tot een der andere erkende kerkgenootschappen. En bovendien stelt de staat hier vast, welk bedrag een of ander kerkgenootschap van zijn leden zal mogen vragen!

Hiermede komen staatskerkelijke vormen van kerkinrichting binnen de gezichtseinder, die een grondige omwenteling in de hoofdbesteklijnen van het oude Geref. kerkrecht met zich zullen moeten meeslepen. De godsdienst wordt voor het voortbestaan van de burgerlijke maatschappij door de overheid van zulk een fundamentele betekenis geacht, dat aan deze de supervisie over de religie wel toevallen moet.

In deze zelfde lijn van staatsbevoogding ging de Grondwet van 1805, die het raadpensionarisschap van R.J. Schimmelpenninck inluidde, nog enkele schreden vrijmoedig verder, door aan deze raadpensionaris „de hoge Politie in heel de Republiek” toe te kennen, en dat wel „in burgerlijke, zowel als in kerkelijke zaken”. De raadpensionaris wordt daarmede ook voor de Hervormde Kerk vrijwel als „summus episcopus” erkend. Artikel 4 van de Staatsregeling van 1805 schept voor dit wereldlijk „episcopaat” in een

|35|

algemeen-christelijke religie van staat, welke boven iedere kerkelijke religie-vorm verheven is, de rechtsgrond en luidt aldus: „Er bestaat geen heersende Kerk. Het Gouvernement verleent gelijke bescherming aan alle Kerkgenootschappen, binnen dit Gemenebest bestaande. Het handhaaft dezelve bij de ongestoorde uitoefening van hunne kerkelijke instellingen, geschikt ter verbreiding van Godsdienstige beginselen en goede zeden, mitsgaders tot handhaving der goede orde. Het neemt de nodige maatregelen, welke de bijzondere omstandigheden van deze Kerkgenootschappen met betrekking tot de openbare rust en algemene welvaart vereisen”.

De Grondwet van 1806 bracht daarenboven nog een nieuwe bevoegdheid van het staatshoofd (koning Lodewijk Napoleon) onder woorden; nl. om de organisatie der kerken zelf ter hand te nemen. Bij Kon. Besluit van 2 Augustus 1808 werd door de Koning van Holland bepaald, dat er uit de boezem van de Hervormde Kerk een raadgevende commissie zou worden benoemd om „een geheel nieuw stelsel van kerk-regering voor te bereiden”.

En deze „raadgevende commissie” heeft zich onder voorzitterschap van de Leidse hoogleraar Prof. J.W. te Water ook aan het werk gezet om zulk een nieuwe kerkinrichting voor de Nederl. Hervormde Kerk voor te bereiden.

De minister van Eredienst, Mollerus, wond er in zijn installatie-rede van de 11e Januari 1809 geen doekjes om, dat het hoofdbeginsel voor de nieuwe kerkorde een strenge centralisatie van het kerkelijk bestuur zou moeten betekenen. De bekende hoofdcommies Janssen had blijkbaar minister Mollerus wel heel nadrukkelijk geadviseerd tot instelling van een algemene synode, die de gehele nationale Hervormde Kerk zou hebben te „vertegenwoordigen”, doch vóór alles toch te „besturen”. Daarnaast adviseerde hij ook tot instelling van een „collegie van synodale deputaten”, waarmede hij een centrale uitvoerende commissie bedoelde als prototype van de later ingestelde Algemene Synodale Commissie.

Eerst als een centraal algemeen bestuur van de Nederl. Hervormde Kerk alle ruimte zou hebben gekregen, mocht de raadgevende Commissie daarnaast dan nog overwegen,

|36|

in hoeverre er nog vrijheid voor eigen kerkelijke organisatievormen in de verschillende gewesten zou kunnen worden toegelaten. Tengevolge van de uitbreiding van het gebied van het Koninkrijk Holland o.a. met Oost-Friesland had de Commissie ook te overwegen, of in het nieuwe stelsel van kerkregering de methode van de „Oostvriesche Inspectiën en Superintendentiën” zou worden overgenomen dan wel of men de oude nationaal-Gereformeerde methode zou handhaven en aan Classes en Synoden onverkort haar regeerbevoegdheid zou laten. De Commissie koos nadrukkelijk voor het laatste, omdat dit traditionele presbyteriaal-synodale stelsel in Holland zo goed had gewerkt en iedere vorm van kerkelijke overheersing zó kennelijk op een afstand had gehouden, dat „de kerkendienaars” slechts bij handhaving van dit beproefde stelsel te geredelijker zich ondergeschikt zouden betonen aan het burgerlijk bestuur onder de schepter van koning Lodewijk Napoleon. Buitendien werd van de raadgevende Commissie ook een nieuwe indeling van het kerkgebied in gemeenten verwacht en vanwege financiële noodzakelijkheid evenzeer voorstellen tot inperking van het aantal predikantsplaatsen en tot verbetering van de predikantstraktementen. Daarnevens had de Commissie ook nog bepalingen voor te bereiden over de nauwkeurige administratie van kerke- en diaconiegoederen, terwijl zij eveneens haar gedachten zou moeten laten gaan over de kerkelijke eisen voor een godsdienstige opvoeding en voor de theologische opleiding en over de geregelde voortgang van het kerkewerk ook in tijden, waarin geen synoden konden worden gehouden, en, wat de gemeenten aangaat, in tijden van vacatures en van het gratie-jaar.

Minister Mollerus bood aan de pas geïnstalleerde Commissie ten slotte nog een reeds ten departemente gereedgemaakt concept voor een gehele kerkorde aan, waaraan de hoofdcommies Janssen reeds zijn beste krachten gegeven had.

Met dit regerings-concept als leidraad zag de Commissie kans om reeds op de 29e Augustus van hetzelfde jaar 1809 aan de opvolger van minister Mollerus, nl. Baron van der Capellen, haar rapport aan te bieden, waarin opgenomen werd een „Concept-Reglement op de organisatie van het hervormd Kerkgenootschap in het Koninkrijk Holland”.

|37|

Uit dit rapport van de raadgevende Commissie-te Water blijkt wel heel duidelijk, dat de Commissie, hoezeer ook bereid om de aanvankelijke adviezen van de heer Janssen te verwerken, zich niettemin de vrijheid wenste voor te behouden, om zoveel mogelijk van de oude Dordtse kerken-ordening te handhaven, „voorzoover het de tijdsomstandigheden toelieten”. Voor de juiste kerkregering wilde de Commissie teruggaan op de artikelen XXXI en XXXII van de Nederl. Geloofsbelijdenis, waar alle hiërarchie zo nadrukkelijk mogelijk wordt afgewezen. Over de kerkelijke tucht spreekt de Commissie in zeer positieve zin. Zij wil daarbij de klassieke formulieren tot afsnijding en wederopneming wel tot richtsnoer blijven nemen, omdat deze „geacht moeten worden uit onze geloofsleer voort te vloeien”. Als daarbij maar één ding blijft vaststaan — op grond van de grondwettelijk vastgelegde scheiding van Kerk en Staat — dat „zelfs van uitsluiting uit een kerkgenootschap in den tegen-woordigen toestand geen burgerlijke nadeelen behoeven gevreesd te worden”. Wel spreekt het volgens de Commissie vanzelf, dat ontzetting uit de dienst van predikanten behoort gepaard te gaan met inhouding van het traktement. „Niemand toch behoeft een Dienaar aan te houden en te bezoldigen, die zich tot zijn dienst nutteloos of zelfs schadelijk gemaakt heeft”.

Als een eis van de tijdsomstandigheden wil de Commissie het voorts wel zien, dat het aantal kerkelijke classes sterk verminderd wordt (heel Drente b.v. één classis!), dat de Waalse Kerken in ons vaderland met elkander één classicaal ressort uitmaken, en dat de provinciale synoden volledig uit ons stelsel van kerkregering worden weggewerkt om maar vooral geen voet te geven aan het federalisme van naast elkaar bestaande, vrijwel souvereine „Provinciën”, met eigen provinciale topvergaderingen der Kerk, wat alleen maar schade zou kunnen doen aan de gedachte van de eenheid des Koninkrijks.

In dit Concept-Reglement van 1809 vierde het bestuurlijke conservatisme ten aanzien van de „handhaving der leer” al reeds heel merkwaardig hoogtij in de bepaling van Hfdst. IV, § 15: „De Synode zal niet bevoegd zijn eenige verandering te maken in de aangenomen leer of liturgie der

|38|

hervormde Kerk, noch in hare oordeelen of beslissingen daarvan mogen afwijken”. En dat nog wel, terwijl wij hier met een „grote Synode” te doen hebben, bestaande uit 38 predikants-afgevaardigden uit de verschillende classes, en daarbij nog een 12-tal ouderling-afgevaardigden uit de departementen, Oostvriesland en de Waalse Kerken meegerekend!

Minister van der Capellen was, blijkens de vele wijzigingen, die hij in het Concept-Reglement nog aanbracht, met het resultaat van het werk der Commissie-te Water maar zeer matig tevreden.

Hij deed zijn uiterste best, om de bevoegdheden van de Koning in de nieuwe reglementering der kerkinrichting nog verder uit te breiden en de distantie tussen het nieuwe kerkrecht en de oude Gereformeerde confessie te vergroten. Voor de gedachte van het geestelijk ambt als dragende pijler van het Nederl. Hervormde kerkrecht gevoelde de minister blijkbaar niets. Het was er hem kennelijk vooral om te doen, dat „kundige en aanzienlijke leden der Kerk”, door de departementen der Kerk te verkiezen, mede deelnamen aan het bestuur der kerkelijke zaken. En deze kundige leden der Kerk konden dan volgens de minister wel ouderling zijn, doch nodig was dit niet! Als de overheersing der predikanten maar door middel van bekwame regenten-figuren een tegenwicht kreeg! Predikanten uit het begin der 19e eeuw dachten volgens deze minister over het algemeen nog veel te kerkelijk!

Gelukkig was het daarna gevraagde advies van de Raad van State weer sterker ten gunste van de oorspronkelijke lijnen, door de Commissie-te Water getrokken en sprak zij in haar memorie aan de Koning uit, dat de amendementen van minister Van der Capellen de vrijheid der oude landstreek te zeer kortwiekten. De minister trachtte echter voet bij stuk te houden, en de voorbereidende maatregelen werden reeds gedeeltelijk uitgevaardigd, die het door Van der Capellen geamendeerde Concept-Reglement in werking moesten doen komen, toen op eenmaal in verband met de terugroeping van koning Lodewijk Napoleon en de inlijving van ons vaderland bij het Franse Keizerrijk dit nieuwe kerkrecht zonder uitvoering bleef.

|39|

Niettemin zijn deze ontwerpen en adviezen kort nadien weer uit het departementaal archief te voorschijn gehaald, toen keizer Napoleon op 24 Januari 1812 een decreet uitvaardigde, waarbij commissarissen werden benoemd voor de organisatie der christelijke kerkgenootschappen. Voorzitter dezer commissarissen werd de intendant-generaal van binnenlandse zaken, Baron d’Alphonse. Deze commissarissen splitsten zich in vier sub-commissiën: een subcommissie voor de Roomsen en Jansenisten, een voor de Hervormden en Remonstranten, een voor de Luthersen en Hersteld-Luthersen, en ten slotte een voor de Doopsgezinden. De commissarissen voor de organisatie van de zaken der Hervormde en der Remonstrantse kerkelijke samenleving waren de oud-minister Mollerus, de hoogleraar Te Water, de Waalse predikant Delprat en de Remonstrantse predikant Stuart. Baron d’Alphonse liet aan deze subcommissie dadelijk al berichten, dat hij voor de Hervormde Kerk reeds een voorlopige regeling had laten voorbereiden. Waarmede hij niet anders bedoelde dan de regeling, die onder koning Lodewijk Napoleon reeds ontworpen was.

Intussen, dit Concept-Reglement zou natuurlijk aangepast moeten worden aan de Franse wet op de kerkgenootschappen „van de 18e Germinal van het jaar 10”. En bovendien zouden wijzigingen moeten worden aangebracht ten einde tegemoet te komen aan de uitdrukkelijke wens van keizer Napoleon om tot vermindering van het aantal kerkgenootschappen te geraken, en in verband daarmede dus op een kerkelijke samensmelting van Hervormden en Remonstranten aan te werken.

Van deze kerkelijke hereniging is in het rapport-d’Alphonse overigens niets terechtgekomen, omdat reeds in de eerste vergadering der Hervormd-Remonstrantse subcommissie door de heer Janssen niet zonder wijs inzicht werd opgemerkt, dat de historie van het oude Nederlandse kerkelijke leven de verwezenlijking van het keizerlijk ideaal niet toeliet. Het Remonstrantse commissie-lid Stuart bleek het daarmede volkomen eens, en in het rapport der plenaire commissie werd de vereniging van Gereformeerden en Remonstranten aan de Franse regering dan ook beslist ontraden. Men acht de tijd er nog niet rijp voor en vindt bovendien,

|40|

dat de Remonstrantse gemeenten gemakkelijk als een zelfstandig geheel kunnen worden georganiseerd, wanneer men ze in Franse stijl maakt tot één „consistoriale kerk” met tien predikantsplaatsen.

Voor de Hervormde Kerk stelt de Commissie d’Alphonse in haar eindrapport indelingen in 130 „consistoriale kerken” voor, te bedienen door 1033 predikanten. Daarmede zou dan een bezuiniging op predikantstraktementen verkregen zijn voor niet minder dan 299 predikantsplaatsen. De Commissie-d’Alphonse dacht zich boven deze „consistoriale kerken” (te presideren door een predikant naar keuze; niet noodzakelijk door de oudste predikant) „consistoriale Raden”, ter vervanging van de af te schaffen classicale vergaderingen. De „consistories” of „consistoriale kerken” hebben in deze consistoriale Raden een verenigingspunt nodig. Er zouden zeven „consistoriale Raden" moeten zijn, voor ieder departement één. De correspondentie met de overheid zou namens de „consistoriale kerken” door deze zeven Raden moeten worden gevoerd.

Zulk een regeling en kerkrechtelijke ordening voor de Nederl. Hervormde Kerk zou werkelijk radicaal een streep hebben gehaald door alle grondlijnen van het oude Geref. kerkrecht. Niet alleen doordat alle grenzen anders getrokken werden naar de kunstmatige indeling volgens kantons, arrondissementen en departementen, maar ook omdat de z.g. „consistoriale kerken” alleen nog slechts in de naam „consistoire” deden denken aan de vroegere plaatselijke gemeenten en kerkeraden. In werkelijkheid waren het geforceerd ingestelde ringverbanden. Niet iedere plaatselijke gemeente zou voortaan meer haar eigen kerkeraad kunnen hebben, doch slechts daar, waar men ± 6000 Gereformeerden bij elkaar had, zou men gerechtigd zijn een „consistoire” te vormen. Dientengevolge zouden allerlei kleinere gemeenten moeten samengevoegd worden tot één „consistoriale kerk”.

In naam zouden er volgens de lijnen van dit commissoriale rapport nog wel departementale „synoden” blijven naast de „consistoriale Raden”, maar gezag zouden zulke synoden toch eigenlijk niet meer kunnen uitoefenen. Iedere gemeente kan er één predikant èn één notabele of ouderling heen

|41|

afvaardigen; maar deze synoden kunnen niet samengeroepen worden dan met goedvinden van de regering, en ook slechts die onderwerpen behandelen, welke de regering heeft goedgekeurd! In deze synodale vergaderingen zal een prefect of onderprefect steeds tegenwoordig zijn!

Nadat dit rapport-d’Alphonse in Augustus 1812 naar het desbetreffende ministerieel departement te Parijs was gezonden, bleef het daar gelukkig als archiefstuk liggen, tot Napoleon’s machtsgesternte in 1813 onderging.

 

Litteratuur

Belangrijke litteratuur bij deze § 3: A. Ypey en I.J. Dermout, Geschiedenis der Nederlandsche Hervormde Kerk, IVe deel, Breda, 1827; J.Th. de Visser, Kerk en Staat, Deel III, 1927; J.C.A. van Loon, Het Algemeen Reglement van 1816, Diss. V.U., Wageningen, 1942; Mr G. Groen van Prinsterer, Handboek der geschiedenis van het Vaderland, Deel II, 2e druk, Amsterdam, 1852; Mr G. Groen van Prinsterer, Ongeloof en Revolutie, Leiden, 1847; C. Hooijer, Kerkelijke wetten voor de Hervormden in het Koninkrijk der Nederlanden, Zalt-Bommel, 1846; C. Hooijer, Oude Kerkenordeningen der Nederlandsche Hervormde Gemeenten (1563-1638) en het Concept-Reglement op de organisatie van het Hervormd Kerkgenootschap in het Koninkrijk Holland (1809), Zalt-Bommel, 1865; Prof. Dr L. Knappert, Geschiedenis der Hervormde Kerk onder de republiek en het koninkrijk der Nederlanden, Deel II, Amsterdam, 1912.

Haitjema, Th.L. (1951) I.4

§ 4. De Kerkorde van 1816; de beheersregeling der daarop volgende jaren.

 

De grondwet, die na de restauratie van Nederland’s onafhankelijkheid op 29 Maart 1814 door de Souvereine Vorst, de latere koning Willem I, als de grondwet van de Staat der Verenigde Nederlanden werd afgekondigd, draagt duidelijk het karakter van een compromis tussen twee partijen en geeft daarmede nog het meest uitdrukking aan het voorzichtige tussenstandpunt van Gijsbert Karel van Hogendorp in de kwestie van het al of niet herstellen van de oude lands-kerk in haar positie van heersende Kerk 1.

In de grondwets-commissie, welke de eerste constitutie na de restauratie had voor te bereiden, zaten een tweetal leden, die de oude, heersende Kerk in ere wilden herstellen, terwijl de grote meerderheid der leden, daarbij geleid door de


1 Voor de litteratuur bij deze paragraaf zie blz. 51-52.

|42|

juristen, die van de commissie deel uitmaakten, meende, dat men niet terugkomen moest op het principe van scheiding van Kerk en Staat, en op de afschaffing van een „bevoorrechte” religie.

De eerste, de meer theocratisch-Gereformeerde, partij achtte zich enigszins tevreden gesteld, omdat er in de Grondwet van 1814 een artikel voorkwam, dat aan de goede dagen van een heersende Hervormde godsdienst herinnerde. Art. 133 was van deze inhoud: „De christelijke Hervormde Godsdienst is die van den souvereinen Vorst”.

De andere partij, welke er op stond, dat het beginsel van scheiding van Kerk en Staat zou gehandhaafd blijven, was per slot tevreden, omdat op Art. 133 onmiddellijk een artikel volgde van deze inhoud: „Aan alle bestaande Godsdiensten wordt gelijke bescherming verleend; de belijders van dezelve genieten dezelfde burgerlijke voorrechten en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen”.

Art. 135 waarborgde in dezelfde lijn het onbelemmerde recht tot openbare eredienst aan alle gezindten, terwijl dan weer in de formulering van de artikelen 136 en 137 heel duidelijk een principieel verschil gemaakt werd tussen de uitbetalingen van rijkswege aan de „Christel. Hervormde Kerk” en de financiële toelagen aan andere gezindten slechts op deze grond, dat de godsdienst zulk een groot goed mocht heten voor de instandhouding der maatschappij.

Art. 139 van deze Grondwet van 1814 verdient nog onze bijzondere aandacht, omdat de redactie van dit artikel nadien nog wel eens een rol gespeeld heeft in de pogingen, om aan het Algemeen Reglement voor de organisatie van de Nederl. Hervormde Kerk, dat in Januari 1816 bij Kon. Besluit werd uitgevaardigd, een rechtsgrond te geven. Art. 139 luidt aldus: „Onverminderd het recht en de gehoudenis van den Souvereinen Vorst, om zoodanig toezicht over alle de godsdienstige gezindheden uit te oefenen, als voor de belangen van den Staat dienstig zal bevonden worden, heeft Dezelve bovendien in het bijzonder het recht van inzage en beschikking omtrent de inrichtingen van die gezindheden, welke, volgens eene der voorgaande artikelen, eenige betaling of toelage uit ’s Lands kas genieten”.

|43|

Dr de Visser heeft b.v. in Dl. III van zijn Kerk en Staat zich tegenover Mr Fabius ter adstructie van het grondwettig recht van koning Willem I, om aan de Hervormde Kerk een nieuwe organisatie te geven, nadrukkelijk beroepen op dit Art. 139 uit de Grondwet van 1814. Dr de Visser weet wel, dat in Januari 1816 reeds de Grondwet van 1815 die van 1814 had vervangen, en dat in de Grondwet van 1815 geen enkele bepaling voorkomt van soortgelijke inhoud als Art. 139 der Grondwet van 1814, doch hij meent te kunnen staande houden, dat de weglating van zulk een artikel in geen geval als symptoom van koerswijziging mag worden beschouwd, zodat dus eigenlijk Art. 139 van de Grondwet van 1814 nog kan beschouwd worden als grondslag voor het Kon. Besluit van 7 Januari 1816, te meer omdat nog onder de vigueur van de Grondwet van 1814 het voorbereidende werk voor de nieuwe organisatie der Nederl. Hervormde Kerk ter hand genomen was.

Intussen kan het gerust een illusie heten, te menen, dat de Grondwet van 1814 en die van 1815 één geest ademden. Vergeleken met 1814, is de Grondwet van 1815, die bij de vereniging van Noord-Nederland met België in werking moest komen, radicaal-liberaal. De grotere invloed van het Rooms-katholicisme heeft stellig niet weinig bijgedragen tot liberalisering van deze Grondwet van 1815. Het is zeker niet toevallig, dat in 1815 ieder verschil tussen de subsidiën uit ’s lands kas aan de oude Hervormde Kerk èn aan de andere gezindten komt weg te vallen.

Doch ook al zou men de Grondwet van 1814 in haar Art. 139 nog geldig willen verklaren tot op de afkondiging van het Kon. Besluit van 7 Januari 1816, waarbij het Algemeen Reglement voor de Nederl. Hervormde Kerk uitgevaardigd werd, dan zou toch nog geconstateerd moeten worden, dat de Raad van State vóór 1816 niet ten onrechte er op wees, dat het woord „beschikken” uit Art. 139 van de Grondwet van 1814 nooit zó ruim mocht worden uitgelegd, dat hier op „beschikkingen” zou kunnen zijn gedoeld, die verder zouden gaan dan de financiële contra-prestaties, waartoe de regering zich ten aanzien van de oude Hervormde Kerk verplicht gevoelen moest. En Dr van Loon wees in zijn Het Algemeen Reglement van 1816 (blz. 216-218) zelfs op een

|44|

Souverein Besluit van 1814, waar de Vorst van Oranje zelf verklaart, dat Art. 139 van de Grondwet van 1814 slechts een beperkte strekking heeft; nl. alleen geldt voor het terrein der financiën.

In ieder geval heeft de Raad van State, toen de Souvereine Vorst kort na de afkondiging van de Grondwet van 1814, blijkbaar op grond van het daarin opgenomen Art. 139, reeds de organisatie van de Nederl. Hervormde Kerk ter hand wilde nemen door het Concept-Reglement uit het jaar 1809 weer aan de orde te stellen, een ernstige waarschuwing laten horen, dat de Souvereine Vorst zich toch niet mocht laten verleiden aan de Hervormde Kerk een organisatie te geven met een centraal bestuurslichaam als „Algemene Synode”, doch beter deed niet verder te gaan dan het instellen van een Consulerende Commissie uit vooraanstaande kerkelijke figuren.

De Souvereine Vorst scheen geheel naar dit advies van de Raad van State te zullen handelen, maar toen eindelijk op de 28e Mei 1815 bij geheim besluit deze Consulerende Commissievoor de organisatie der Nederl. Hervormde Kerk werd benoemd, bleek toch de opzet weer zó, dat een naar de omstandigheden gewijzigd en omgewerkt Reglement voor de Hervormde Kerk, zoals het reeds ten departemente door de heer Janssen was voorbereid in de dagen van het Koninkrijk Holland, weer ter tafel zou komen. Dit ontwerp-Janssen heette „Algemeen Reglement voor het bestuur der hervormde Kerk van het Koninkrijk der Nederlanden” en werd de 17e Juni 1815 aan elk der leden van de Consulerende Commissie toegezonden met verzoek er hun op- en aanmerkingen bij te geven en die dan ter kennis te brengen van het departement. En deze correspondentie moest dan plaatshebben, voordat de leden der Commissie nog van elkander wisten, wie de andere leden waren, zodat er geen correspondentie tussen de leden kon ontstaan!

De ingekomen opmerkingen werden nog zoveel mogelijk verwerkt door de heer Janssen en daarna eerst kwam de gehele Commissie in Den Haag van 25 October tot 4 November 1815 samen om het ontwerp-Algemeen Reglement te bespreken. De 13e November 1815 werd het aan de Koning aangeboden met „aanprijzing van deszelfs beginselen”,

|45|

zoals Ypey en Dermout in Dl. IV van hun Vaderlandse Kerkgeschiedenis schrijven.

Dit in wezen van departementaal origine gebleven Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk van het Koninkrijk der Nederlanden, ook al hadden enkele kerkelijke figuren er hun ogen over laten gaan, werd in een Kon. Besluit opgenomen, en afgekondigd op de 7e Januari 1816. Natuurlijk was het niet de bedoeling, dat de „Algemene Synode” der Nederl. Hervormde Kerk dit reglement nog definitief zou hebben te aanvaarden. Integendeel, als de Algemene Synode in Juli 1816 in Den Haag samenkomt, komt zij daar samen op de basis van het reeds-in-werking-zijn van het Algemeen Reglement!

Er wordt in Juli 1816 te ’s Gravenhage dan ook met geen woord gediscussieerd over dit Algemeen Reglement. De eerste Handelingen der Algemene Synode uit het jaar 1816 vermelden alleen, dat er beraadslaagd werd over verschillende organieke reglementen, die toch eigenlijk onverwijld naast het Algemeen Reglement moesten gaan functionneren. Hier wilde men dus wel een synodale sanctie op ontwerpen voor organieke reglementen! Men bedenke echter wel, dat ook deze ontwerpen weer waren klaargemaakt op het ministerieel departement. Na kortere of langere discussie werden in Juli 1816 de volgende organieke reglementen ter Synode aanvaard: het Reglement op het examen, het Reglement op de classicale kosten, het Reglement op het godsdienstig onderwijs in de Nederl. Hervormde Kerk, het Reglement op de kerkvisitatie, het Reglement op de vacaturen, alsmede op de beroeping en het ontslag van predikanten, en ten slotte het Reglement op de uitoefening van kerkelijk opzicht en tucht, en de behandeling van kerkelijke geschillen.

Dat men in Den Haag kennelijk oordeelde, dat het nieuwe „Algemeen Reglement voor het Bestuur der Nederl. Hervormde Kerk” van 7 Januari 1816 af reeds gold, wordt bovendien wel ondubbelzinnig duidelijk, wanneer men bedenkt, dat in het Kon. Besluit van deze 7e Januari ook reeds artikelen waren opgenomen, die van de Commissaris-Generaal zonder uitstel maatregelen eisten, welke er voor zorgdragen konden, „dat de thans bestaande kerkelijke

|46|

collegiën en bestuurders hunne werkzaamheden regelmatig eindigen mochten, en dat gezorgd worde voor de behoorlijke liquidatie der pecuniëele administratiën, welke hun mochten zijn aanbevolen”.

Op grond van dit artikel (het was Art. 3) in het Kon. Besluit van 7 Januari 1816 richtte de Commissaris-Generaal zich op de ie Februari 1816 tot alle bestaande collegiën van deputaten van Provinciale Synoden en tot alle de Classen der nederduitsche Kerken met de aanschrijving, dat zij er op rekenen moesten tegen de 1e April 1816 hun functiën te beëindigen. En op 5 Februari 1816 heeft de Commissaris-Generaal reeds een aantal personen voorgedragen aan de Koning, om benoemd te worden, resp. tot secretaris en quaestor der Algemene Synode, tot secretarissen en leden der Provinciale Kerkbesturen, en presidenten daarvan voor het lopende jaar 1816, en tot scriba’s en leden der Classicale Besturen.

Tegen deze gang van zaken nu — zowel tegen de structuur van dit nieuwe hervormde kerkrecht zelf als tegen de wijze van invoering er van — rees verzet in meerdere Classes en uit een enkele Waalse gemeente (Dordrecht!). De interessante bijlagen bij de dissertatie van Dr van Loon over Het Algemeen Reglement van 1816 maken ons wel heel duidelijk, dat niet alleen de Classis Amsterdam geprotesteerd heeft tegen de nieuwe kerkelijke grondwet 1. Wel heeft de Classis Amsterdam hierbij uiteraard een leidende functie vervuld en schonk de regering kennelijk aan de bezwaren, vanuit Amsterdam geuit, het meest aandacht.

De Classis Amsterdam haastte zich om nog vóór 1 April 1816 in oude stijl bijeen te komen en haar bezwaren tegen het nieuwe Algemeen Reglement in een Adres aan „Zijne Majesteit onzen geliefden Koning, in naam der Classis te praesenteren”. Een daartoe opzettelijk aangewezen deputatie van predikanten zou het Adres aan de Koning persoonlijk overhandigen.

Behalve tegen de on-kerkelijke wijze van invoering


1 In deze bijlagen zijn ook protesten opgenomen van de Classes Tiel, Haarlem, Utrecht, Delft en Delftland, Tielerwaard, en van de Waalse gemeente te Dordrecht.

|47|

onderstreept dit Adres ook principiële bezwaren tegen de inhoud van het nieuwe Algemeen Reglement.

De Classis Amsterdam blijkt „geen geringe bekommeringen” te hebben ten aanzien van de leer der Hervormde Kerk. Onder de invloed van een regeringsdepartement gesteld, zou het met onze Kerk gemakkelijk zó kunnen gaan, dat een toekomstige Commissaris-Generaal zich niet zou bepalen tot de „uitwendige politie”, maar dat die zich ook met het „innerlijk bestuur” zou gaan bemoeien, speciaal met de leer en het godsdienstig onderwijs. Dan zou de godsdienstvrijheid, die de Hervorming tegenover de Roomse hiërarchie verworven had, weer verloren gaan door staatsdwang.

Het tweede ernstige bezwaar tegen het nieuwe kerkelijke Reglement is: de grote macht, die in dit besturenstelsel gegeven wordt aan „het Synode”, slechts uit zó weinig leden bestaande, en waarin „men stemmen zal, zonder aan lastbrieven gebonden te zijn”. Dit is het hiërarchisch-synodale beginsel, dat door de Classis gevoeld wordt als in strijd met „het Gereformeerde hoofdbeginsel voor het kerkverband”, nl., dat alle dienaren des Woords gelijk moeten zijn.

De Classis besluit haar Adres met ten sterkste te waarschuwen tegen de ernstige tweedracht, die in de Kerk van de invoering van dit nieuwe Algemeen Reglement het gevolg zal zijn.

Zonder nu te willen beweren, dat deze bezwaren van de Classis Amsterdam diep genoeg graven in de ontstellende belemmeringen, die dit nieuwe kerkrecht aan het Gereformeerd kerkelijk leven in de weg leggen zou — op de ontluistering van de idee van het geestelijk ambt en van de autoriteit der ambtelijke kerkelijke vergaderingen voor de regering der Kerk wordt in het Adres ternauwernood gewezen! — toch raakt de Amsterdamse Classis wel terdege aan fundamentele bezwaren tegen het Algemeen Reglement van 1816, als zij een liberalistische gelijkschakeling van de leer der Hervormde Kerk door staatsbemoeienis vreest en het hiërarchisch-synodale stelsel van de nieuwe kerkwet als het lijnrechte tegendeel van het klassieke presbyteriaal-synodale stelsel typeert.

De Classis Amsterdam had wel degelijk onderkend, dat dit op een regerings-departement uitgewerkte Reglement

|48|

voor de Hervormde Kerk de verburgerlijkte idee van een „kerkgenootschap” zozeer voet gaf, dat de gehele opbouw van het Algemeen Reglement maar al te sprekend gelijken ging op de structuur van „statuten” voor een vereniging. In dit geval een „Vereniging tot bevordering van de Hervormde Godsdienst in het Koninkrijk der Nederlanden”, waarbij uiteraard de ambts-idee geen ruimte kan krijgen, omdat het gesaeculariseerde begrip van „verenigingsbestuur” overheersend werd.

Natuurlijk kan men de bezwaren van de Classis Amsterdam op deplorabele wijze bagatelliseren. Zoals b.v. de Commissaris-Generaal, Repelaer van Driel, in zijn „communicatie” aan de Classis op 29 Maart 1816 gedaan heeft; daarmede tonen aanslaande, die later in de strijd voor reorganisatie van de Nederl. Hervormde Kerk maar al te vaak door tegenstanders van de herordening van het Hervormd-kerkelijk leven zouden worden herhaald. De heer Repelaer van Driel vindt o.a., dat de Classis geen reden had om van de rechten der classicale vergaderingen zó hoog op te geven. Een classis is immers zeker geen instelling der apostelen, doch alleen „een toevallige vrucht der omstandigheden van de zestiende eeuw, en der staatkundige gesteldheid dezer landen”. De Amsterdamse Classis is volgens de Commissaris-Generaal bezig geweest „zaken” en „vormen”, „christendom” en „kerkbestuur” met elkander te verwarren, ja bijna te vereenzelvigen. Repelaer van Driel achtte het „het eerste beginsel van het Protestantisme”, dat men wèl onderscheid make tussen het wezen van het christendom en „de uitwendige kerkvorm”. Een „algemene Synode” functionneert natuurlijk op het niveau van „de uitwendige kerkvorm”, en kan mitsdien niet geroepen zijn „om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de Kerk te besturen”. Art. 9 van het Algemeen Reglement van 1816 vorderde immers met ronde woorden van de Synode „om de leer der Kerk te handhaven”. De Commissaris-Generaal denkt hierbij vooral aan de praktische arbeid der Kerk, b.v. het in het leven roepen van instituten tot opleiding van goed onderlegde predikanten, enz.

De geschiedenis van de reorganisatie-strijd in de Hervormde Kerk na 1816 heeft ondanks al zulke sussende gebaren wel

|49|

bewezen, dat de Amsterdamse Classis niet te veel zei, toen zij ernstige tweedracht onder het kerkvolk vreesde als gevolg van de invoering van het Algemeen Reglement van 1816.

Wij zullen in de §§ 6 en 7 van dit „Historisch Gedeelte” daarop nog wel moeten terugkomen.

 

Dit Algemeen Reglement van 1816 was uitgesproken een regeling voor het bestuur van de Hervormde Kerk. Volgens Art. 15 van dit Reglement werd aan de Synode het hoogste kerkelijk bestuur opgedragen.

Het werkwoord „besturen” was in het spraakgebruik van de landsregering uit het tweede decennium der 19e eeuw met betrekking tot de levensuitingen van godsdienstige gezindten om te beginnen een tegenstelling suggererende tegenover „het oplossen van leergeschillen”, gelijk wij dat uit het antwoord van de Commissaris-Generaal aan de Classis Amsterdam konden opmaken.

Daarnevens echter ligt er in datzelfde woord „bestuur”, zoals de hoofdcommies Janssen het gestempeld had, evenzeer een tegenstelling tot de term „beheer” in de zin van het „beheren” van kerkelijke en geestelijke goederen.

De artikelen 90 en 92 van hetzelfde Reglement van 1816 sloten nadrukkelijk de bevoegdheid om het beheer der kerkelijke en geestelijke goederen te regelen van de Synode uit.

Art. 92 bepaalde, dat het ministerieel departement voor de Erediensten aan de Koning de nodige voordrachten zou doen „na ingewonnen te hebben de gedachten van de Provinciale Kerkbesturen en na voorafgaande raadpleging met de Staten der Provincie, welke zulks betreft”, terwijl Art. 90 met zoveel woorden stelde, dat „in de administratie der Kerk-, Pastorie-, en Kosterie-, en andere gemeentefondsen en de betrekkingen tusschen derzelven Bestuurders en de Kerkeraden, door de bepalingen van dit reglement geen veranderingen gemaakt worden”.

In deze twee artikelen ligt voor de aandachtige lezer wel duidelijk uitgedrukt, dat de Koning zichzelf als de Opperkerkvoogd beschouwde over de kerkelijke goederen, die de eindbeslissing inzake het beheer daarvan had te nemen.

En de Koning heeft ook niet nagelaten als Opperkerkvoogd

|50|

in de jaren na 1816 schikkingen te treffen omtrent „het beheer”. Tussen 1819 en 1823 heeft hij voor de verschillende provinciën Provinciale Reglementen vastgesteld op de administratie van de kerkelijke fondsen, volgens welke overal „kerkvoogdijen” moesten ingesteld worden onder een Provinciaal College van Toezicht, door de Koning benoemd. Dat koning Willem I ten opzichte van het beheer der kerkelijke goederen de zaak provinciaal regelde, en niet nationaal, en daarom ook niet verder ging dan het instellen van Provinciale Colleges van Toezicht, moet natuurlijk worden verklaard uit verstandig inzicht van de vorst, die adviseurs met kennis van zaken genoeg had, van wie verwacht kon worden, dat zij hem onder de indruk wisten te brengen van het verschillend verloop, dat de kwestie van het kerkegoed en het geestelijk goed na de reformatie in de onderscheidene provinciën gehad had. Koning Willem I was politicus genoeg, om zijn eenheids-idealen betreffende de éne nationale Kerk van Nederland niet op geforceerde wijze door te voeren.

Natuurlijk kan men ook ten aanzien van „het beheer”, evengoed als ten aanzien van „het bestuur”, de vraag opwerpen, of de Koning wel bevoegd was om zich als Opper-kerkvoogd in zulk een zin te doen gelden, dat hij zelfs „Provinciale Reglementen op de administratie van de kerkelijke fondsen” vaststellen kon. Ik voor mij zou hier inderdaad op het majesteitsrecht der overheid willen pleiten, om nadere regelen te stellen, wanneer bij „stichtingen” de regeling van het beheer in de statuten onvoldoende geregeld is, en stelliger nog, wanneer het stichtingsgoed praktisch vacant is geworden. Want het wil mij voorkomen, dat de gedachte van Prof. Cannegieter, uitgesproken in zijn De Bevoegdheid der Algemeene Synode tot regeling van Beheer van de kerkelijke Goederen der Hervormde Gemeenten, 1890, passim, dat nl. door de Staatsregeling van 1798 reeds met heel de gedachte van kerkelijk stichtingsgoed afgerekend zou zijn, een illusie moet genoemd worden. Het is een opvatting, die zeker niet met reden kan afgeleid worden uit een zinsnede van Art. 6 van de Additioneele Artikelen bij de Staatsregeling van 1798, waar Prof. Cannegieter gedurig mee opereert: .... „de genaaste kerken en pastorieën blijven te

|51|

allen tijde onder de bezitting, beheering en het speciaal onderhoud dier kerkgemeenten, aan welke zij zijn toegewezen”. Alsof het hier niet alleen ging over die kerk- en pastoriegoederen, waarover op grond van de Staatsregeling van 1798 schikkingen getroffen werden! En alsof uit de uitdrukking „bezitting en beheering en onderhoud der kerkgemeenten” .... zou mogen worden afgeleid, dat na 1798 aan de kerkgemeenten onmiskenbaar het eigendomsrecht over de kerk- en pastoriegoederen zou zijn toegevallen, en er nadien dus van het juridisch begrip „stichting” geen sprake meer mocht zijn!

Doch hoe dit ook wezen moge: de Provinciale Reglementen op het beheer uit de jaren 1819-1823 werden door de gemeenten van het betrokken Provinciaal ressort aanvaard, en kregen, zo nodig, hun rechtskracht ook „rebus ipsis et factis”. Zelfs Prof. Cannegieter wilde niet tornen aan de rechtsgeldigheid van de Provinciale koninklijke reglementen ter regeling van het beheer. Ook hij vond, dat de artikelen 90 en 92 van het Algemeen Reglement van 1816 te dezen opzichte te duidelijke taal spraken. Doch volgens hem veranderde alles, toen in het Algemeen Reglement van 1852, dat het eerste Algemeen Reglement van 1816 verving, juist de bewoordingen van de artikelen 90 en 92 van het Algemeen Reglement van 1816 ingrijpend veranderd werden.

Doch daarover moet nader gehandeld worden in de volgende § 5, waarin wij in vogelvlucht de ontwikkeling van het reglementaire kerkrecht in de tweede helft van de 19e eeuw willen overzien.

 

Litteratuur

Belangrijke litteratuur bij deze § 4 van het „Historisch Gedeelte”: Mr. H. Graaf van Hogendorp, Brieven en gedenkschriften van Gijsbert Karel van Hogendorp, 5e deel (1813-1815), ’s Gravenhage, 1901; J.Th. de Visser, Kerk en Staat, Dl. III, Leiden, 1927; J.C.A. van Loon, Het Algemeen Reglement van 1816, Wageningen, 1942; Th.L. Haitjema, De Kerkorde van 1816, verschenen in de brochure-reeks Naar het herstel der Kerk, Wageningen, 1933 v.v.; C. Hooijer, Kerkelijke wetten voor de Hervormden in het Koninkrijk der Nederlanden, Zalt-Bommel, 1846; Dr G.J. Vos, De tegenwoordige Inrichting der Vaderlandsche Kerk beschreven en naar de beginselen der Gereformeerde Kerkenordening beoordeeld, Dordrecht, 1884; Douwes en Feith, Kerkelijk Wetboek, 6e druk, Groningen, 1909; Prof. Dr Cannegieter, De Bevoegdheid der Algemeene Synode tot regeling van het

|52|

Beheer van de kerkelijke goederen, 1890; Mr L.J. van Apeldoorn, De Synode en de Kerkegoederen, 1919; Mr L.J. van Apeldoorn, Bestuur en Beheer in de Hervormde Kerk, 1927; Mr Ds J.F. Dijkstra, Kerk en Stichting, ’s Gravenhage, 1926; Praeadviezen over het rechtskarakter en de Vertegenwoordiging van Kerkgenootschappen en kerkelijke instellingen, door Prof. Mr W.J.A.J. Duynstee en Mr C. Punt, 1938; Rapport van het Hoofdbestuur van den Bond van Nederlandsche Predikanten over De Nederlandsche Hervormde Kerk en hare goederen, 1939.

Haitjema, Th.L. (1951) I.5

§ 5. De reglementaire organisatie van 1852; de verdere ontwikkeling van het beheersvraagstuk tot 1870.

 

Het is ons bij de korte schets van het ontstaan, de inhoud en de invoering van de Kerkorde van 1816 stellig wel duidelijk geworden, dat het beginsel der „staatsvoogdij” over de oude nationale Kerk een der donkere schaduwzijden betekent van het toen ingevoerde kerkrechtelijke stelsel.

Geheel onjuist moet het echter heten de kerkelijke situatie in de 19e eeuw in Nederland zó te tekenen, als zou deze staats voogdij, waardoor de vrijheid en zelfstandigheid der Kerk ernstig werden aangetast, in de grond der zaak de enige rechtmatige grief tegen de Kerkorde van 1816 hebben opgeroepen. Indien dit zo was, zou men kunnen beweren, dat reeds met het Algemeen Reglement van 1852 de veel-begeerde „reorganisatie” van de inrichting der Nederl. Hervormde Kerk in principe was verkregen, en dat er nadien dus nauwelijks reden kon zijn om de moeizame „strijd voor Kerkherstel” te blijven voeren 1.

Van meer dan een zijde is in deze richting wel eens geschreven. Waarbij men dan ten enenmale vergeet, dat de gehele structuur van het Algemeen Reglement van 1816 van zulk een burgerlijke stylering was, als betroffen de reglementsartikelen een verenigingsstatuut, dat dit gehele kleed ener „bestuursorganisatie”, zoals dat onze Kerk bij Kon. Besluit omgehangen werd, meer op een dwangbuis geleek dan op een gewaad, dat onze Kerk, kerkelijk gesproken, in het begin van de 19e eeuw passen kon.

Zeker, men kan gemakkelijk aantonen, dat na het aftreden van koning Willem I in 1840 de overheid steeds sterker


1 Voor de litteratuur bij deze § 5 vergelijk blz. 65.

|53|

neiging vertoonde om terug te treden van het epineuze terrein der kerkelijke wetgeving en om derhalve de wetgevende macht in kerkelijke zaken door de Kerk zelve vrijelijk te laten uitoefenen. In een principiële herziening van Art. 15 van het Algemeen Reglement van 1816 bracht men dit reeds in 1843 tot uitdrukking 1.

Daarna kwam de Grondwetswijziging van 1848 in radicaal-democratische geest. De vrijheid der „kerkgenootschappen” om haar eigen zaken te behandelen, zonder inmenging van de Staat, werd in deze grondwet nadrukkelijker dan ooit te voren onder woorden gebracht. En het sprak haast vanzelf, dat nadien een nieuw Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Nederl. Hervormde Kerk, dat geheel en al uit de Kerk zelve opgekomen was, niet lang meer op zich zou doen wachten.

Het kwam in 1852 tot stand, en werd als nieuwe kerkelijke „grondwet” ingevoerd, nadat de goedkeuring van de overheid op dit nieuwe Reglement verkregen was, behoudens dan een elftal reserves, die nadien geleidelijk aan, en de laatste reserves in 1870 nog, door de regering weer werden ingetrokken.

Op de kwestie van deze „reserves” kom ik in verband met het beheersvraagstuk nog wel eens terug. Hier dient er vooral alle aandacht voor gevraagd te worden, dat in de Aantekeningen bij Art. 1 van het Algemeen Reglement in de officiële uitgave van De Reglementen der Nederlandsche Hervormde Kerk (achtste druk, 1948) niet ten onrechte gezegd wordt, dat dit Reglement, hoezeer ook „langs kerkelijke weg tot stand gekomen”, rust in het Algemeen Reglement van 1816. Mr Groen van Prinsterer placht ditzelfde feit iets schamperder te signaleren, wanneer hij verzuchtte, dat het toch wel een gevaarlijke illusie was, te menen, dat een Kerk, die in 1816 in boeien geslagen was, na 1848 ineens wel onbelemmerd van de vrijheid van beweging zou kunnen gaan genieten, die de overheid haar goedgunstig had willen verlenen!

Het is dan ook bij aandachtige vergelijking van het Algemeen Reglement van 1852 met dat van 1816 kennelijk zó,


1 Vgl. voor de voorgeschiedenis van deze Reglementswijziging de volgende paragraaf.

|54|

dat er hier en daar ongetwijfeld verbeteringen zijn aangebracht in bepaalde fundamentele artikelen van de Kerkorde van 1852, maar dat niettemin de hoofdlijnen der kerkinrichting even verburgerlijkt „bestuurlijk” zijn gebleven als in 1816. De eerste artikelen van het Algemeen Reglement van 1852 zijn nog geheel en al in het schema gebleven ener statutaire ordening van een nationale „Vereniging tot bevordering van de Hervormde godsdienst” volgens de hoofdpunten: wezen van het genootschap — de leden — het stemrecht — het bestuur.

Toch mag deze onvoorwaardelijk te verwerpen grondslag van het Algemeen Reglement van 1852 ons niet doen voorbijzien, dat er in de opbouw van deze Kerkorde van 1852 dermate grote veranderingen zijn aangebracht, vergeleken met het „koninklijk” Reglement van 1816, dat wij van een aanvankelijke doorbraak van de kerkidee door de knellende omzwachteling van het genootschapsbegrip zouden kunnen spreken.

Daar is in de allereerste plaats de erkenning van de plaatselijke gemeenten als de fundamentele eenheden, waaruit de algemene Nederlandse Hervormde Kerk „bestaat”. Terwijl in Art. 1 van het Algemeen Reglement van 1816 van deze plaatselijke gemeenten in het geheel geen sprake kwam en men toen de algemene Nederlandse Hervormde Kerk liet „bestaan” uit individuele belijders van de Hervormde godsdienst, over heel het Koninkrijk der Nederlanden verspreid, wordt in 1852 deze algemene Nederl. Hervormde Kerk opgebouwd gedacht uit bijzondere plaatselijke gemeenten, en die gemeenten worden in Art. 2 geacht te worden gevormd door individuele leden. Het zuiver-kerkelijk probleem van de verhouding Algemene Kerk tegenover Plaatselijke gemeente duikt daarmede weer op in ons kerkrecht, al moet hier om der waarheid wil bij gezegd worden, dat de idee van de compleetheid der plaatselijke kerken (gemeenten) nog geen ruimte kan krijgen, daar het genootschappelijke begrip „plaatselijke afdeling” van een landelijke Hervormde Kerk nog te zeer domineert.

Ik wijs voorts op het belangrijke verschil tussen het kerkrecht van 1852, vergeleken met dat van 1816, dat in de wijze van opsomming der bestuursinstanties in de

|55|

Hervormde Kerk gelegen is. In 1816 begon men van boven af met „het Synode” en eindigde bij de kerkelijke bestuurslichamen over de kleinste, de gemeentelijke ressorten, nl. de kerkeraden. Deze laatste hadden zó weinig bestuursmacht, dat men na 1816 een negental jaren lang de Nederl. Hervormde Kerk kon „regeren”, zonder dringende behoefte te gevoelen aan de uitvaardiging van een synodaal Reglement voor de kerkeraden!

In 1852 daarentegen begon Art. 4 van het Algemeen Reglement met de kerkeraden, als regerende over de plaatselijke gemeenten, eerst te noemen, en dan zó van onder op voort te gaan met de bestuurslichamen over de bredere ressorten: Classicale Besturen, Provinciale Kerkbesturen, Algemene Synode.

Ook op een derde verschilpunt van het Algemeen Reglement van 1852 met dat van 1816 wil ik nog even wijzen. Het betreft de formulering van het recht der gemeente tot benoeming van ouderlingen en diakenen, en tot beroeping van predikanten (vlgs. Art. 23 van het Algemeen Reglement van 1852). In 1816 was van zulk een recht in het geheel geen sprake. Niet alleen dat het landsvaderlijk régime, dat zich ook op het erf der Kerk wilde doen gelden, daar geen ruimte voor liet; ook de verdringing van heel de idee der plaatselijke gemeente door de individualistisch-oudliberale idee van het „kerkgenootschap” maakte het uiteraard onmogelijk van het recht der „gemeenten” te spreken.

In 1852 echter kwam met het aanvankelijk eerherstel van de „plaatselijke gemeenten” als eenheden, waaruit de algemene Kerk is opgebouwd, ook het benoemings- en beroepingsrecht der gemeente naar voren. In de Aantekeningen bij Art. 23 van het Algemeen Reglement van 1852 wordt in de officiële uitgave der kerkelijke Reglementen (8e dr., blz. 19) dit feit belicht als de „volledige toepassing” van het „democratisch grondbeginsel”. Ik zou hierbij de vraag willen stellen: democratisch grondbeginsel waarvan? Van het burgerlijk gemenebest, òf van de Kerk van Jezus Christus? Zeker, als men naar de grondbeginselen van de burgerlijke samenleving vraagt, dan kan men zeggen, dat de Grondwet van 1848 tot volledige toepassing van het democratisch grondbeginsel in alle samenlevingskringen op het terrein der

|56|

volksgemeenschap noopte. Het blijft dan echter nog wel zeer de vraag, of ook de Kerk van Christus deze ruk naar de democratie zonder meer moet meemaken. Ik weet wel, dat Kuyper in de zestiger jaren der 19e eeuw, toen hij, nog in Beesd Hervormd predikant zijnde, begon deel te nemen aan de kerkelijke strijd, om deze term „democratie” wel eens het aureool van een typisch-Calvinistische wezenstrek voor het kerkrecht heeft gelegd, maar ik twijfel toch, of hier niet heimelijk mede in het spel is een nieuw-Calvinistische geneigdheid tot accommodatie aan de feitelijkheden ener omwentelingssituatie, uit het verlichte staatsrechtelijke denken der 19e eeuw voortvloeiende, meer dan uit de kerkrechtelijke grondbeginselen van het Calvinisme.

In de Kerk van Christus is er uiteindelijk voor geen andere regeringsvorm plaats dan voor die van het Hoofd der Gemeente, Jezus Christus Zelf. En ook al zou men met „demos” in de uitdrukking democratie met betrekking tot het kerkrecht alleen maar aan de „vergadering der ware Christ-gelovigen” willen denken, zelfs dan nog zou men er niet aan mogen denken een = teken te zetten tussen Christocratie en democratie. Want de Christusheerschappij in de Kerk des Heren zet zich door, volgens Antw. 54 van de Heid. Catechismus, in de werking van Diens Geest en Woord. Maar deze werking manifesteert zich door middel van het geestelijk ambt, dat als orgaan van Christus niet exclusief kan en mag gedacht worden als een toespitsing van het ambt aller gelovigen; anders gezegd: als opkomende uit het „volk” der ware Christgelovigen.

Ik heb er mij dan ook altijd over verheugd, dat in de tekst zelf van Art. 23 van het Algemeen Reglement van 1852 niet van „democratisch grondbeginsel” gesproken werd, doch alleen van het recht der gemeente. Deze laatste uitdrukking kan tenminste ook klassiek-kerkelijk worden gebruikt, en zodra wij dat doen, springt nog eens een keer te meer in het oog, dat de kerkelijke „grondwet” van 1852 in meer dan een opzicht inderdaad vooruitgang betekende, vergeleken met de grote lijnen van de Kerkorde van 1816.

 

Behalve de tot dusver genoemde drie punten is er nog één zeer belangrijk verschilpunt te noemen tussen het Algemeen

|57|

Reglement van 1852 en dat van 1816. Wanneer ik dit binnen ons gezichtsveld trek, kan ik meteen ongezocht overgaan tot het schetsen van de verdere ontwikkeling van het beheersvraagstuk in de tweede helft der 19e eeuw.

Het wil zonder twijfel heel wat zeggen, dat in 1852 de reeds door mij besproken artikelen 90 en 92 van het Algemeen Reglement van 1816, waarin de Koning zo merkwaardig als Opperkerkvoogd ten tonele werd gevoerd, kwamen te vervallen. En wat daarvoor in de plaats gesteld werd, was in de grond der zaak heel iets anders. Het opende in uitermate voorzichtige bewoordingen perspectieven voor een zuiver kerkelijke regeling van het beheer der kerkelijke goederen en fondsen. Art. 65, alin. 2 van het Algemeen Reglement van 1852 bevatte nl. deze bepaling: „Omtrent de administratie der bijzondere kerk-, pastorie-, kosterij- en andere gemeentefondsen en de betrekking tusschen hunne bestuurders en de kerkeraden, zullen nadere bepalingen worden ontworpen”.

Prof. Cannegieter las uit deze alinea van Art. 65 van het Algemeen Reglement van 1852 gaarne, dat de Synode daarin volledig bevoegd verklaard werd om „het beheer te regelen”. Volgens hem zou het alleen maar consequent geweest zijn, wanneer tegelijk met deze alinea ook reeds in enigerlei vorm aangeduid was, dat de Provinciale Reglementen op het beheer zouden worden ingetrokken.

Toch schijnt het mij nogal twijfelachtig, of de bewoordingen van de bewuste tweede alinea van Art. 65 wel zó uitgebreide beheersbevoegdheden aan de Synode bedoelen toe te kennen. Uit het werkwoord „ontwerpen”, dat hier wel niet onopzettelijk gebruikt zal zijn, kan men met evenveel, zo niet met meer recht lezen, dat de kerkelijke wetgever hier zijn onzekerheid wil laten doorschemeren, of de Synode wel verder zou mogen gaan dan het „ontwerpen” van bepalingen, nl. het definitief „vaststellen” er van.

Waar dan nog bijkomt, dat de tweede der elf „reserves”, die de Koning bij de goedkeuring van het Algemeen Reglement van 1852 maakte, nadrukkelijk het volgende inhield: „dat bij name het vaststellen van bepalingen omtrent de administratie der bijzondere kerk-, pastorie-, kosterij- en andere gemeentefondsen en goederen, niet kon

|58|

geacht worden daardoor [d.i. door de koninklijke bekrachtiging van het Algemeen Reglement] als een bevoegdheid der Synode te zijn erkend”.

Men lette hier op het werkwoord „vaststellen”, dat toch onmiskenbaar terugslaat op het woord „ontworpen” uit de tweede alinea van Art. 65. De Synode mocht dus zoveel bepalingen „ontwerpen” als zij wilde, dat zou nooit meer kunnen betekenen dan dit, dat zij als een adviserende instantie beheersbepalingen aan de Koning zou kunnen voorstellen; maar dat deze zelf zulke bepalingen zou hebben „vast te stellen” en af te kondigen. Dat schijnt mij toch duidelijk de zin van de tweede reserve.

Met de invoering van het Algemeen Reglement van 1852 bedoelde de regering dus aanvankelijk haar standpunt inzake het beheer niet te veranderen. Zij wilde blijkbaar vasthouden aan de bevoegdheden, die zij krachtens het „jus majestatis”, gelijk ik dat in de vorige paragraaf trachtte toe te lichten, vond, dat op haar rustten. De Provinciale Reglementen op het beheer van 1819-1823 bleven dus voorlopig na de invoering van het Algemeen Reglement voor het bestuur van de Nederl. Hervormde Kerk van 1852 nog gewoon van kracht.

De regering blijkt in de eerste helft van de 19e eeuw wel gedurig duidelijker ingezien te hebben, dat zij niet in de interne bestuursaangelegenheden der Kerk met recht ingrijpen mocht, en dus geen Algemeen Reglement voor het kerkbestuur mocht vaststellen en afkondigen, zoals dat in 1816 gebeurd was.

Doch dit groeiende inzicht gaat gepaard met een voorlopig nog hardnekkig vasthouden aan haar bevoegdheid om beheersregelingen vast te stellen. En deze houding is alleen goed te begrijpen, wanneer wij er mede willen rekenen, dat ook na de periode van de Franse overheersing het kerkelijk en geestelijk goed ten onzent nog het karakter van stichtingsgoed had behouden!

Een nieuwe phase in de kwestie van Bestuur en Beheer trad er eerst in in het jaar 1866 met het Kon. Besluit van de 9e Februari van dat jaar, waarmede beoogd werd „de rechtstreeksche tusschenkomst van den Staat bij het beheer der goederen van de Hervormde Kerk te doen ophouden en te

|59|

dien aanzien aan die Kerk gelijke vrijheid te verzekeren als door andere gezindheden genoten wordt”. Dit kon niet anders betekenen dan de uitgesproken wens van de regering om zich ten enenmale terug te trekken van het toezicht op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen. Terwijl voorheen de Kroon de samenbindende en centraal beschikkende macht in de zaken van het beheer geweest was, de macht ook, die centraliserend stond boven de Provinciale Colleges van Toezicht, zoals die met de Provinciale Reglementen op het beheer in het leven waren geroepen, wordt nu ingevolge de artikelen 5 en 6 van dit Kon. Besluit van 9 Februari 1866 een Algemeen College van Toezicht ingesteld voor de overgangstoestand gedurende een drietal jaren. Deze termijn was gesteld in de verwachting, dat na die drie jaren een algemene regeling op het beheer in werking zou kunnen komen, nadat dit Algemeen College de tekst van zulk een regeling zou hebben uitgewerkt.

Hoewel de bevoegdheden van dit Algemeen College van Toezicht in de tekst van het Kon. Besluit wel ietwat vaag waren omschreven — de Synode van de Nederl. Hervormde Kerk legde hier in een Adres aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal uit het jaar 1878 terecht de vinger bij — schemerde toch wel door de bewoordingen heen, dat de bedoeling was, dat dit Algemeen College dezelfde bevoegdheden zou bezitten, „welke bij besluiten of reglementen ten aanzien van het beheer der kerkelijke goederen of het toezicht daarop aan den Koning of een der Ministers waren toegekend”.

Intussen bleek het Algemeen College van Toezicht, dat in Februari 1866 was ingesteld, niet binnen de gestelde termijn van drie jaren gereed te kunnen komen met de uitwerking van een „Algemeen Reglement op het Beheer”. Een nieuw Kon. Besluit van 3 Februari 1869 voorzag in deze moeilijkheid, door het Algemeen College van Toezicht nog voor een half jaar dezelfde bevoegdheden te laten behouden, die het van 9 Februari 1866 af had. Maar 1 October 1869 zou dan ook de termijn zijn, waarop het Algemeen College van Toezicht zijn bevoegdheden en recht om beschikkingen te maken voor het beheer der kerkelijke goederen en fondsen onherroepelijk zou aflopen.

|60|

Toch zette dit Algemeen College ook na die fatale datum rustig zijn bestaan voort, maar begreep natuurlijk wel, dat het na de afwerking van het ontwerp „Algemeen Reglement op het Beheer” op een nieuwe wijze een rechtsgrond voor de inwerkingtreding daarvan moest maken.

Het riep tegen de 17e Juni 1870 een dubbel Algemeen College van Toezicht samen, dat een „Algemeen Reglement op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen van de Hervormde gemeenten in Nederland, en het toezicht daarop” vaststelde.

Dit dubbele „Algemeen College van Toezicht” droeg aan het enkelvoudige college de uitvaardiging van het Reglement op, aan welke opdracht op de 21e Juli van het jaar 1870 gevolg gegeven werd.

Inmiddels waren de gemeenten uitgenodigd, om zich omtrent de al- of niet-aanvaarding van dit reglement bij stemgerechtigden-referendum nader uit te spreken. Met het bekende gevolg, dat ongeveer tweederde van de Hervormde gemeenten het Reglement hebben aanvaardden nadien hun beheer van het kerkegoed dus „onder toezicht” van de in het Algemeen Reglement op het Beheer genoemde instanties hebben gesteld, terwijl ongeveer eenderde van de Hervormde gemeenten voor „vrij beheer” kozen en dus het bovengenoemde beheersreglement verwierpen. Als stemgerechtigden bij dit gemeentelijk referendum golden die lidmaten, die op de kiezerslijsten stonden naar de bepalingen van het synodale Reglement voor de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten (Reglement van 1867).

Het is klaar als de dag, dat er in de zo moeilijke beheerskwestie na 1 October 1869 wel een zeer verwarde toestand ontstond.

In de eerste plaats: de Provinciale Reglementen op het beheer waren blijkens de volgende clausule uit het Kon. Besluit van 9 Februari 1866 van rechtswege ingetrokken: .... „op dat tijdstip [d.i. na drie jaren] vervallen tevens de Provinciale Reglementen op de Administratie der kerkelijke fondsen en op de kosten van eeredienst bij de Hervormde Gemeenten, en alle andere op dat beheer betrekking

|61|

hebbende besluiten of reglementen, welke bij de afkondiging van dit besluit van kracht zijn”.

In de tweede plaats: Het Algemeen College van Toezicht continueert zichzelf, hoewel het geen rechtsgrond van voortbestaan meer vinden kan in een Kon. Besluit.

In de derde plaats zoekt dit Algemeen College van Toezicht voor zijn beheersreglement een rechtsgrond in het beginsel van de vrijwillige aanvaarding door de plaatselijke gemeenten, maar geeft daarmede tegelijkertijd de gedachte van de „algemeenheid”, d.w.z. de algemeengeldigheid van dit nieuwe beheersreglement in beginsel prijs.

In de vierde plaats blijft in de gemeenten, die deze regeling niet aanvaardden, en dus voor „vrij beheer” kozen, de toestand in verband met het beheer van de kerkelijke goederen en fondsen wel in zeer bedenkelijke mate ongeregeld!

Geen wonder, dat er na 1870 een „beheerskwestie” in onze Hervormde Kerk bleef bestaan, die nu eens als een moeilijk conflict tussen algemene kerkelijke bestuursinstanties en plaatselijke kerkvoogdij-colleges met een al te sterk ontwikkeld besef van „souvereiniteit in eigen kring” zich manifesteerde in een hardnekkige prestige-oorlog, dan weer het karakter aannam van een vrij academisch rechtshistorisch probleem, waarbij zeer oude fundatie-brieven voor kerkvoogdij-goed, dat in de rechtsvorm van een „stichting” slechts als rechtspersoon te begrijpen was, meer gezag opeisten dan 19e-eeuwse Kon. Besluiten en kerkelijke wetten.

Dat de opheffing van de tweede „reserve”, die indertijd bij de goedkeuring van het Algemeen Reglement van 1852 was gemaakt, bij Kon. Besluit van 22 Juli 1870 de voorstanders van een synodale, algemeengeldige regeling van het beheer spoedig reeds aanleiding gaf om de regeling van het beheer van de zijde van het hoogste bestuurslichaam der Hervormde Kerk opnieuw aan te vatten, ligt voor de hand. Op de Synode van het jaar 1871 kwam het vraagpunt van de beheersregeling dadelijk al ernstig aan de orde, doordat verscheidene Provinciale Kerkbesturen en Classicale Vergaderingen dringende verzoeken tot de Synode hadden gericht, om nu de regeling van het beheer toch definitief te willen ter hand nemen. Maar alle aandacht verdient, dat de

|62|

commissie, die over deze verzoeken rapport had uit te brengen, juist over de vraag, of de Synode wel bevoegd was om een algemene regeling op het beheer te maken, onderling verdeeld was. De meerderheid dier commissie was zelfs zó vast van de onbevoegdheid der Synode overtuigd, dat zij in het rapport liet neerschrijven, dat zij, „zoo de Synode onverhoeds tot het ter hand nemen van de geprojecteerde eigenmachtige organisatie besluiten mocht, zij zich verplicht zouden gevoelen, met al de macht, die in hen is, daartegen te protesteeren” (Handel. der Synode, 1871).

En zo is in het hoogste bestuurslichaam onzer Kerk ook na 1871 de stemming verdeeld gebleven inzake de competentievraag bij een algemene beheersregeling. Soms zocht de Synode wat veiliger te gaan door haar Algemene Synodale Commissie op te dragen een Ontwerp-Reglement op het beheer te maken, maar daarbij zó te werk te gaan, dat allereerst contact gezocht moest worden met het Algemeen College van Toezicht. Zo geschiedde nog in 1871, maar dit College antwoordde natuurlijk prompt, dat het de bevoegdheid der Synode, om iets te ondernemen in beheerszaken, niet kon erkennen!

Soms ook waagde de Synode het, gelijk in 1874, om een eenzijdig uit synodale bestuurskring opgekomen Reglement op het beheer in eerste instantie aan te nemen, en de Kerk in te zenden, om er de consideratiën op in te winnen, doch dan niet alleen bij de kerkelijke lichamen, die reglementair geraadpleegd moesten worden, doch ook bij .... de plaatselijke beheerscolleges en de Colleges van Toezicht!

Een enkele maal, zoals in 1875, komt er zelfs op aandrang der Synode een gecombineerde Commissie uit het Algemeen College van Toezicht en de Synode tot stand. Haar arbeid heeft echter geen ander resultaat dan een advies aan de Synode om zich tot de regering te wenden en van deze te vragen een gelegenheidswet te maken, opdat er een rechtsgrond geschapen mocht worden voor de oplossing van het beheers vraagstuk. De poging werd ondernomen in 1876, maar liep op niets uit.

In 1888 komt de Synode zelfs tot het instellen van een Commissie van Rechtsgeleerde Adviseurs, opdat heel het beheersvraagstuk deskundig bestudeerd mocht worden. Natuurlijk

|63|

waren ook de rechtsgeleerden het onderling weer volmaakt oneens. De minderheid slechts waagt het voorstel aan de Synode, om op Art. 65, alin. 2 van het Algemeen Reglement van 1852 verder te bouwen, en aan te nemen, dat de Synode bevoegd is. Evenwel niet dan nadat een reglementswijziging in genoemd artikel 65 zou zijn verkregen, waarbij i.p.v. „ontworpen” voortaan gelezen zou worden: „vastgesteld”. De verdeeldheid der juristen-commissie deed de Synode er weer voor terugdeinzen door te tasten.

In 1892 ging de Synode zelfs, op verzoek van het Algemeen College van Toezicht, zó ver, haar medewerking toe te zeggen bij een actie, om gemeenten met „vrij beheer” te bewegen zich alsnog onder de bepalingen van het Algemeen Reglement op het Beheer van 1870 te stellen!

In 1894 begon onder invloed van de pleidooien van de praeadviseur Prof. Cannegieter de Synode in de beheerskwestie echter weer het roer om te wenden. Zij kwam er in 1895 zelfs toe geen lid-afgevaardigde en geen secundus uit de synodeleden meer aan te wijzen in het Algemeen College van Toezicht! Een jaar later is men in synodale kring reeds weer van dit eenzijdig voor zich opeisen van beheers-regelende bevoegdheden teruggekomen!

Tot tweemaal toe (in 1899 en in 1906) heeft een synodaal wetsvoorstel tot regeling van het beheer het tot de hoofdelijke eindstemming van de leden der Provinciale Kerkbesturen gebracht. Beide malen werd het Reglement bij deze laatste barrière weer teruggewezen, doordat het niet voldoende stemmen kreeg.

In 1913 beproefde de Synode nog eens weer op een nieuwe wijze de beheersregeling verder te brengen, door op een voorstel van Dr J.A. Bruins uit Friesland in te gaan en een Reglement te doen ontwerpen, „dat het beheer der kerkegoederen alleen zal regelen in gemeenten der Nederl. Hervormde Kerk, die zoogenaamd vrij beheer hebben”. Dr J.A. Bruins had zich in de beheersvragen reeds naam gemaakt door zijn werk aan het Reglement op de Pastoriegoederen, dat in 1905 inderdaad tot kerkelijke wet verheven was. En hij had dit nieuwe Ontwerp-Reglement voor de gemeenten met „vrij beheer” zó soepel gemaakt, dat de

|64|

plaatselijke kerkvoogdijcolleges zich nauwelijks in hun zelfstandigheid aangetast konden gevoelen.

Toch strandde ook dit pogen weer, voornamelijk op grond van het bezwaar, dat de Synode geen reglementen mag maken, die niet in overeenstemming met Art. 62 van het Algemeen Reglement op het Bestuur der Nederl. Hervormde Kerk van 1852 verbindend zouden zijn voor de gehele Kerk. Nadat in 1914 weer een synodaal Reglement op het beheer, dat alle gemeenten en haar kerkegoed raken zou, door de ongunstige consideratiën der Kerk terzijde gelegd was en in 1919 een zelfde ondernemen van de Synode doorkruist werd door de al spoedig daarna veel zorg gevende uitwerking van een synodaal Reglement voor de predikantstraktementen (1920), kwam er in 1938 nog eenmaal een „ontwerp-regeling voor de financieele aangelegenheden der Gemeenten”, stammend uit de Bond van Nederl. Predikanten, op de synodale tafel. Niet op Art. 65 van het Algemeen Reglement van 1852 grondden zich de voorstellers (M. van Empel, H.C.J. van Deelen en D. Boer) ditmaal, doch op Art. 55, dat van deze inhoud was: „De algemeene belangen der gemeenten, behoorende tot de Nederlandsche Hervormde Kerk, zijn toevertrouwd aan de Algemeene Synode, die de Kerk vertegenwoordigt en voor haar in rechten optreedt”.

Na ampele bespreking besloot de Synode in diezelfde zomer-zitting van 1938 geen regeling van het beheer door te zetten dan na overleg en verkregen overeenstemming met de beheersinstanties, voornamelijk met het Algemeen College van Toezicht en de Vereniging van Kerkvoogdijen in Nederland.

Sindsdien heeft de Synode onzer Kerk deze gedragslijn gehandhaafd en het voorbereidende werk aan de nieuwe Kerkorde van 7 December 1950 is dan ook steeds zó opgezet, dat het beheer van de kerkelijke goederen en fondsen in de materie van deze kerkorde niet anders betrokken werd dan in telkens hernieuwd overleg met de beheersinstanties, terwijl bovendien van meet af een vertegenwoordiger van het Hoofdbestuur van de Vereniging van Kerkvoogdijen als gewoon lid in de Commissie voor de Kerkorde, benoemd in het najaar van 1945, zitting had.

|65|

Litteratuur

Belangrijke litteratuur bij deze § 5 van het „Historisch Gedeelte” is, naast al hetgeen bij de vorige paragraaf reeds gezegd is, het volgende: Mr D.P.D. Fabius, Het reglement van ’52. Historisch-juridische studie over het Hervormd Kerkbestuur, Amsterdam, 1888; W.H. de Savornin Lohman Azn., De Kerkgebouwen van de Gereformeerde (Hervormde) kerk in Nederland, Diss. Amsterdam, 1888; A.T. Schuitema Meyer, De Kerkgebouwen en andere kerkelijke goederen in de stad Groningen, Groningen, 1950; J.J. Prins, Het kerkrecht der Ned. Herv. Kerk, historisch-critisch beschreven, Leiden, 1870; en ten slotte de Handelingen der Synode van de Ned. Herv. Kerk van 1852 tot 1920.

Haitjema, Th.L. (1951) I.6

§ 6. De strijd voor herordening van het Hervormd-kerkelijk leven van het midden der 19e eeuw tot ± 1925.

 

Het laat zich moeilijk ontkennen, dat in de eerste helft van de 19e eeuw, althans in de eerste decenniën na de invoering van de Kerkorde van 1816 de aandacht van hen, die zich bezwaard gevoelden over de gang van zaken in de Hervormde Kerk, meer gericht was op het belijdenis-vraagstuk dan op het eigenlijke kerkrechtelijke probleem, dat met het Kon. Besluit van 7 Januari 1816 was geschapen 1. Het losser worden van de binding aan de klassieke belijdenis der Gereformeerde vaderen, zoals dit bevorderd werd door de dubbelzinnigheid van het nieuwe „ondertekeningsformulier” voor aanstaande dienaren des Woords (de z.g. quia- of quatenus-kwestie) 2, scheen veel intenser verzet te wekken dan de kerkrechtelijke kant van het vraagstuk, dat de „koninklijke” bestuursorganisatie van 1816 had opgeroepen. De Afscheidingsbeweging van 1834, in haar achtergronden en haar oorsprongsgeschiedenis, is een duidelijke illustratie van deze stelling.

Toch mogen wij ook weer niet uit het oog verliezen, dat de kwestie van de handhaving der belijdenis en het onkerkelijk karakter van het Algemeen Reglement van 1816 ook weer ten nauwste samenhangen. Het dubbelzinnige


1 Voor belangrijke litteratuur bij deze paragraaf zie men blz. 77-78.
2 Men vergelijke hiervoor Dr W. Volger, De Leer der Nederlandsche Hervormde Kerk, Franeker, 1946, blz. 149-170.

|66|

ondertekeningsformulier was in het Reglement op het examen (van 1816) opgenomen, en had daarmede in een kerkrechtelijk kader een plaats gekregen, waarvan gezegd moet worden, dat het geheel en al rustte op de Kerkorde van 1816. Het is dan ook niet te verwonderen, dat er meermalen „adressen” van bezwaarden bij de Hervormde Synode binnenkwamen, waaruit wel heel duidelijk bleek, dat men de verwatering van de Gereformeerde leer en de verslapping der prediking in één gezichtsveld zag met het verlies van de oude Dordtse kerkenordening.

Meer bewust werd dit nauwe verband tussen het belijdenisvraagstuk en het kerkorde-probleem echter eerst in de veertiger jaren van de 19e eeuw uitgesproken. Ik denk b.v. aan het Adres van Ds Moorrees, en nog vijf predikanten, uit het jaar 1841, waarin aan de Synode verzocht werd de Gereformeerde Kerk te herstellen „op hare oude en vaste grondslagen, door het handhaven der Formulieren van Eenigheid, door het herstellen van het oude formulier tot onderteekening van aankomende Leeraren, en herziening der Kerkelijke Reglementen en verordeningen, ten einde dezelve in overeenstemming te brengen met Gods Woord en de Kerkorde van Dordrecht”.

Heel merkwaardig is wel, dat Ds Moorrees, toen hij van de Synode van 1841 nul op zijn request kreeg, zich tot de Koning richtte met het dringend verzoek om òf de Synode te doen terugkomen op haar besluit van 1841, òf zelf de nodige verordeningen te geven „ten einde de Herv. Kerk op den ouden voet worde hersteld, en allen, die daarvan afwijken, uit dezelve gaan”.

Ditmaal scheen Ds Moorrees bij de Koning — Willem II — niet aan dovemans-deur geklopt te hebben. Op de 1e Juli 1842 kwam er een ministeriële verklaring af, waarin het heette, dat het noch met de bepalingen der grondwet, noch met de bedoelingen der regering zou overeenkomen, wanneer de Kerk niet vrijgelaten zou worden in haar eigen kerkordelijke regelingen, en dat mitsdien alle veranderingen in de bestaande kerkorde voortaan alleen van de Kerk kunnen uitgaan ....

Nu was het echter klaar als de dag, dat de strekking van deze regeringsverklaring al heel weinig harmonieerde met de

|67|

letter van Art. 15 van het Algemeen Reglement van 1816, aldus luidende: „Geene veranderingen kunnen in dit Reglement gemaakt worden, dan door Zijne Majesteit, op voorstel, of immers na voorafgaande overweging bij het Synode, hetwelk echter, vóór en aleer ten dezen besluit te nemen, daarop de consideratiën zal inwinnen van de provinciale kerkbesturen”. Het ligt voor de hand, dat in 1843 „het Synode” een herziening van Art. 15 van het Algemeen Reglement van 1816 ter hand ging nemen, waarin de kerkelijke procedure bij de totstandkoming van veranderingen in het Algemeen Reglement onderstreept werd. En de regering keurde deze belangrijke wetswijziging goed, daarmede haar eigen bevoegdheid in de totstandkoming van kerkelijke wetten prijsgevende!

Ook in het „Adres der zeven Haagsche Heeren” van 1842 is het requisitoir tegen de ketterijen der z.g. Groninger Godgeleerdheid op het nauwste verbonden met de uiteenzetting van kerkrechtelijke desiderata in het vierde deel van dit breedvoerige Adres, waaronder te noemen zijn: eerherstel van de Classicale Vergaderingen; vermeerdering van het aantal synodeleden met onderstreping van hun vertegenwoordigende verantwoordelijkheid; herstel van de ambtelijke bevoegdheden der kerkeraden; ruimere afvaardiging van ouderlingen naar de meerdere vergaderingen; handhaving van de kerkelijke tucht op grond van onvoorwaardelijke onderwerping aan Gods Woord 1.

Dat het kerkordelijk aspect van de strijd voor Kerkherstel in het Haagsche Adres van 1842 echter eerst als vierde en laatste punt aan de orde komt, laat al wel vermoeden, dat het ook na de invoering van het Algemeen Reglement van 1852 aanvankelijk nog wel zó zal blijven, dat in de handhaving van de belijdenis heil gezocht wordt, desnoods zonder doorbreking van de ongeestelijke, verburgerlijkte, reglementaire bestuursorganisatie.

Als men maar genoeg positieve belijders van de Gereformeerde waarheid in de kerkelijke besturen kreeg, dan zou men immers met hun medewerking ook op het doornige terrein van de leertucht nog wel wat kunnen bereiken! En


1Adres aan de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk, Leiden, 1842, blz. 36-43.

|68|

als men maar een meerderheid van belijders in het hoogste kerkelijke wetgevende lichaam (= de Algemene Synode) kreeg, dan zou men immers ook nog wel een en ander in de richting van handhaving der aloude belijdenis kunnen verkrijgen door b.v. bij de doophandeling het gebruik der doopformule van Matth. 28: 19 verplicht te stellen (Handel. der Synode, 1869); bij de aanneming van nieuwe leden de drie vragen van Art. 39 van het Reglement op het godsdienstonderwijs letterlijk te laten stellen (vgl. Handel. der Synode van 1874-1880); bij de toelating tot de Evangeliebediening een verscherpte proponentsformule bindend te verklaren (Handel. der Synode van 1883 en volgende jaren).

Het is Dr Hoedemaker geweest, die in zijn worstelingen met Kuyper’s doleantie-streven tot volkomen klaarheid kwam, dat dit alles de ijdelheid der ijdelheden zelve was, min of meer te vergelijken met het onheilzwangere begeren „een sanatorium te willen bouwen in een moeras”. Het is Hoedemaker geweest, die ten volle bewust het kerkrechtelijke probleem in de frontlinie heeft gezet bij de strijd voor Kerk-herstel. Eerst reorganisatie, en dan reformatie!

Hoedemaker heeft zelf wel eens bekend, dat dit inzicht eerst geleidelijk aan bij hem is gaan doorbreken. Het inzicht was er echter reeds wel, voordat de Doleantie een feit geworden was; want anders had hij niet reeds in Mei 1885 in een uitvoerige open brief Aan den Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te Schaarsbergen 1 over het Hervormd-kerkelijk vraagstuk het volgende kunnen schrijven: „De Synodale organisatie is niet slechts een dwangbuis, dat de Kerk in hare vrijheid van beweging belemmert; maar eene macht, die, in strijd met haar wezen, met verloochening van haar levensbeginsel, als zoodanig hare openbaring belet” (a.w., blz. 64). En ook dit: „De meening dat de Synodale organisatie door verandering van personeel, wijziging van reglementaire bepalingen, of wat ook voor eene Kerk, die haar belijdend karakter wenscht te handhaven, kan worden bruikbaar gemaakt, is te verwerpen. Haar beginsel is lijnrecht in strijd met het wezen der Kerk als zoodanig, omdat zij haar belet wat haar allereerste plicht is: de waarheid te


1 Opgenomen in de eerste jaargang van Op het Fondament der Apostelen en Profeten, 1886, blz. 53-84.

|69|

belijden, die belijdenis aan het Woord Gods te toetsen en haar bijgevolg ook te handhaven” (a.w., blz. 69).

Wel is in de jaren van Hoedemaker’s verzet tegen Dr Kuyper’s beginselen om tot „reformatie der kerken” te komen dit inzicht, dat reorganisatie het eerst nodige is, hoe langer hoe klaarder geworden. In De Congresbeweging beoordeeld (1887, blz. 23) schrijft Hoedemaker scherp en raak: „Het onbijbelsche ligt in het isoleeren en vooropstellen van het confessioneele element”. Tot een Gereformeerde partij zeide Hoedemaker in 1888 1 tot geen prijs te willen behoren: „ik behoor en wensch te behooren tot een Gereformeerde Kerk”.

Tegenover Kuyper’s visie op de belijdenis als „accoord van kerkelijke gemeenschap” stelde Hoedemaker in deze zelfde brochure van 1888 het volgende: „De leer van het accoord rukt de belijdenis uit het lichaam der Kerk. Uit die Kerk is zij geboren, in die Kerk wordt zij gedragen en gevoed. De krankheid der Kerk nu tast wel niet de belijdenisschriften, niet hun normatief gezag, niet hun karakter aan, maar heft de overeenstemming op tusschen hetgeen de Kerk als zoodanig belijdt en daarom als toets van de rechtzinnigheid beschouwt, en het inzicht, de overtuiging van de leden. In een kranke Kerk leeft men niet uit en in de belijdenis. Het baat niet, of men haar opnieuw oplegt, onderteekent, aanvaardt. Dat kan huichelaars maken, dienaars van den vorm, zelfbedrog voeden, maar het geneest niet. In het kabinet van den geneesheer staat een hart op sterk water. Het is niet nagemaakt, niet geboetseerd. Integendeel. Zóó ziet mijn hart er uit en het uwe. Kamers, wanden, bloedvaten, alles is in volmaakte orde. Wat ontbreekt er aan? Dat hart behoorde in een lichaam. Daar klopte het. Daar is het geworden, wat het is. Neem het weg en gij hebt alleen den vorm van het hart over” 2.

Volkomen terecht schreef Dr P.J. Kromsigt in de brochure Hoedemaker en Kerkherstel (blz. 8) een vijftien jaren geleden, dat Dr Hoedemaker „al meer zag, om een beeld van hemzelf te gebruiken, dat die organisatie is als een Nessus-kleed, waardoor de Kerk als ’t ware wordt verstijfd in hare


1 In De Roeping der Gereformeerden in de Herv. Kerk, blz. 19.
2De Roeping der Gereformeerden, 1888, blz. 14.

|70|

geledingen en leden, waardoor de Kerk wordt gedenatureerd, waardoor zij wordt verhinderd zich in haar eigenaardigheid als Kerk te openbaren en ook als zoodanig actie te ontwikkelen op het gebied van zending, van diaconaal en sociaal werk, van de bearbeiding der groote steden, enz.”.

„Thans kan de Kerk zich niet als Kerk openbaren, omdat de „vaste besturen” haar grootendeels maken tot een Genootschap of gewoon-menschelijke vereeniging. De kerkeraden zijn gelukkig nog wel blijven bestaan, doch daarboven is de Kerk zoo goed als geheel als een Vereeniging of Genootschap ingericht door het eigenaardige bestuursapparaat, dat over haar heen is gelegd. Door deze bestuursorganisatie zijn namelijk de ambten van dienaren des Woords en ouderlingen („leerende” en „regeerende” ouderlingen, 1 Tim. 5: 17; vgl. Ef. 4: 11, waarbij men lette op de onderscheiding tusschen buitengewone en gewone of blijvende ambten) wel niet afgeschaft, maar toch in hunne werking voor de Kerk als geheel opzij gezet”.

Als een strijder voor reorganisatie, die het kerkrechtelijke aspect van de ontreddering van het Hervormd-kerkelijk leven onder de reglementaire bestuursorganisatie van 1816 (èn van 1852) welbewust en met hardnekkige consequentie naar voren keerde, richtte Dr Hoedemaker zich in 1889 aan het hoofd van zijn Nijlandse kerkeraad dan ook tot de Algemene Synode, om aan deze te betuigen, dat hij zich met zijn kerkeraad niet vrijwillig, maar alleen noodgedwongen aan de synodale organisatie bleef onderwerpen en dat zij bevrijding van de ongeestelijke bestuursorganisatie zagen „als een recht, dat der Kerk toekomt”. De commissie uit de Synode, die over dit Adres te rapporteren had, begon met te verklaren „den schrijver op elk punt niet te begrijpen”! Hoe kon adressant zo protesteren tegen het Algemeen Reglement van 1852! Dat was toch immers volkomen wettig, „want de Kerk zelf heeft deze kerkorde gemaakt” ....!

Bij de wending van de 19e naar de 20e eeuw werd echter de kring van hen, die het met de visie van deze „onbegrepen denker”, Dr Hoedemaker, op de kerkordelijke vragen wilden wagen, steeds breder. Vooral nadat Prof. Gunning zich openlijk bij Dr Hoedemaker aangesloten had, toen hij was beginnen in te zien, hoe geweldig vèr-strekkend de

|71|

uitdrukking van Hoedemaker „de Kerk als Kerk”, of ook: „de Kerk als zodanig” was.

Van 1901 af strijdt Gunning samen met Hoedemaker voor reorganisatie, omdat hij nu verstond: „destijds te veel den nadruk gelegd te hebben op het individueele geloofsleven en te weinig op de eere Gods, die allereerst eischt, dat de Kerk als Kerk, als Geheel, als Lichaam, den Naam des Heeren Jezus belijde”. Dat een kerkelijke organisatie het leven niet scheppen kan, wist ook Gunning. Maar hij wist daarbij ook, en sprak dit ook wel eens uit, dat een organisatie wèl het leven „ten onder houden en belemmeren kan”.

Gunning èn Hoedemaker geven samen in de eerste jaren van de 20e eeuw leiding aan de reorganisatie-beweging, die door de deining rondom het door de Synode voorgestelde Reglement op de Generale Kas (met de verplichte bijdragen van ƒ 0.25 van alle lidmaten der Kerk!) weer met ongewone kracht begon op te leven. Geestdriftige en bewogen vergaderingen van ambtsdragers werden te Utrecht gehouden. Op die van April 1901 sprak Hoedemaker over het onderwerp: „Ontwerp tot reorganisatie der Herv. Kerk, naar de beginselen der Presbyteriale Kerkregeering, in overeenstemming met de eischen des tijds”. Gunning drong in redevoeringen en brochures aan op het „uit den grond opbouwen” bij alle pogen om tot waarachtig herstel der Kerk te komen. Hij wees op de noodzaak de Classicale Vergaderingen mobiel te maken, opdat die zich weer tot de Synode mochten richten met het verzoek, tot de Classicale Vergaderingen de synodale uitnodiging te willen doen uitgaan: aan de Synode voor te stellen een ontwerp tot reorganisatie onzer Kerk naar de beginselen der belijdenis, in onze Kerk nog altoos wettelijk geldig, te willen aanhangig maken, „opdat in die Kerk de kracht des Heeren tot inwendige en uitwendige hervorming openbaar worde”.

In deze geest ging er ook metterdaad een missive uit aan de Classicale Vergaderingen van dat jaar 1901, ondertekend door Gunning, Hoedemaker en Kromsigt. Talrijke Classicale Vergaderingen reageerden daar gunstig op, maar de rapporterende Commissie uit de Synode, die deze classicale verzoeken om reorganisatie der Kerk te behandelen kreeg, oordeelde zeer ongunstig, boudweg ponerende, dat zij het

|72|

verkeerde van de huidige organisatie niet vermocht in te zien. Het verzoek van Gunning e.a. werd afgewezen. Prof. Gunning kreeg zelfs geen kans, hoewel hij daarom gevraagd had, om in de Synode voor reorganisatie der Kerk te mogen komen pleiten!

Het daarop volgende jaar bracht hernieuwing van de reorganisatie-pogingen van Gunning en Hoedemaker, maar liet tevens zien, dat ook de „verbeteraars” van de reglementaire organisatie nog aan bod wilden blijven; figuren, die niet zo radicaal-ongunstig dachten over de Kerkorden van 1816 en 1852, en zeker niet wilden toegeven, dat deze „bestuursorganisatie”-vorm onbijbels zou zijn, al wilden zij er wel toe medewerken op tal van punten reglementswijzigingen te bevorderen, die verbeteringen zouden kunnen betekenen. In 1902 kwam er zulk een partieel reorganisatievoorstel uit de pen van Dr G.J. Vos, de bekende Amsterdamse predikant, die na zijn successen bij het reglementaire schaakspel in het Doleantie-conflict in de hoofdstad des lands tegen Dr Kuyper en de hem volgende kerkeraadsleden hoe langer hoe stelliger het type van een reglementair kerkbestuurder geworden was, zoals een scriba van een Classicaal Bestuur in het laatste kwartaal der 19e eeuw dat maar al te gemakkelijk werd. Hoewel deze scherpzinnige canonicus toch wel een tijd gekend had, dat hij het onwettig èn onkerkelijk karakter van de reglementaire bestuursorganisatie beter doorzag 1. Het voorstel van de Classicale Vergadering van Amsterdam van 1902, waarin vooral Dr G.J. Vos de hand gehad had, kwam hierop neer, dat de Classicale Besturen in dit Voorstel tot wijziging van het bestaande Algemeen Reglement wel zouden komen weg te vallen, dat echter hun bestuursmacht in ouderwetse stijl zou worden gecontinueerd door Classicale Commissies, al zou als achtergrond dezer „Commissies” de Classicale Vergadering wel iets meer bevoegdheden krijgen dan onder het oude besturen-stelsel. Ook lag in dit partiële reorganisatievoorstel van Dr G.J. Vos de wijziging, dat de Algemene Synode voortaan een „Grote Synode” zou zijn, bestaande uit evenveel


1 Ten bewijze daarvan leze men, wat Ds C.A. Lingbeek citeert op blz. 76 van zijn Schets van de Geschiedenis der Reorganisatiebeweging in de Nederlandsche Hervormde Kerk, Wageningen, 1925.

|73|

afgevaardigden van Classicale Vergaderingen als er Classes waren in de Nederl. Hervormde Kerk.

Evenwel, dit veel meer „bestuurlijke” voorstel van de Classicale Vergadering van Amsterdam kon al evenmin genade vinden in de ogen van de Synode van 1902 als een Utrechts voorstel, dat veel meer de geest van Gunning en Hoedemaker ademde en ernst wilde maken met een der fundamentele stellingen uit Dr Hoedemaker’s Advies voor de Reorganisatie, die aldus luidde: „De Bestuursinrichting van onze Kerk is onwettig in haren oorsprong, onbijbelsch in haar karakter en onnatuurlijk in haar wezen”. Met een typisch synodale methode van schaakmat-zetten misbruikte de rapporterende Commissie een postscriptum bij het Amsterdamse voorstel, waarin gezegd werd, dat men niet van mening was, dat de reglementaire bestuursorganisatie onwettig enz. moest verklaard worden, en vermaande zij de Amsterdamse voorstellers, om bij zulk een zienswijze ook niet zoveel drukte te maken van een ingrijpende ombouwing van het Algemeen Reglement van 1852!

Op hetzelfde niveau van „verbetering” van de bestuursorganisatie zonder haar radicaal te doorbreken, lag eigenlijk ook het Concept van een gewijzigd Algemeen Reglement, in 1905 bij de Synode ingediend door de ontwerpers Dr J.R. Slotemaker de Bruïne en Ds L.J. Blanson Henkemans. Ook in dit voorstel werd weer de gedachte van de Grote Synode, bestaande uit 45 leden, afgevaardigd door de Classes, opgenomen, en werden de bevoegdheden der Classicale Vergaderingen enigszins uitgebreid, o.a. met de tuchtoefening over predikanten en de bespreking van het jaarverslag der Classicale Commissie. Bovendien zouden er weer Provinciale Synoden zijn en wilden de voorstellers de kerkelijke tucht in haar proces-vormen vereenvoudigen.

Gunning en Hoedemaker misten ook in dit voorstel uiteraard het élan, dat het echte kerkelijke uitgangspunt alleen maar geven kan, maar waarbij dan ook uitgegaan zal moeten worden van de onscheidbaarheid van de Kerk in haar zichtbaar-institutaire vorm èn de Kerk als de openbaring van het Lichaam van Christus 1.


1 Waar b.v. Dr J.R. Slotemaker de Bruïne volstrekt niet aan wilde!

|74|

De Synode wees echter ook dit schijnbaar zo zakelijk omschreven reorganisatie-concept af, doch was toch genoegzaam onder de indruk gekomen van de brieven uit vele Classes, waarin adhaesie betuigd werd aan het voorstel-Slotemaker de Bruïne-Blanson Henkemans, dat zij niet met een negatieve daad durfde volstaan, doch besloot een commissie te benoemen, die de opdracht kreeg, „de zaak der Reorganisatie te onderzoeken”. Deze commissie werd echter zó typisch „synodaal”, en dus zó weinig homogeen samengesteld, dat het niet behoeft te verwonderen, dat er geen enkel positief resultaat in de jaren, die op hun jaar van benoeming (1905) volgden, van hun commissoriale arbeid gezien werd. Tenzij misschien, dat het „Grote Synode”-voorstel van Dr G.J. Vos, zelf lid dezer synodale commissie, weer aan de orde kwam. Het kon het echter niet tot de eindstemming brengen. Bij de behandeling van dit voorstel-„Grote Synode” in tweede instantie (in 1907) oordeelde de Synode o.a., dat de Provinciale Kerkbesturen bij een hoofdelijke eindstemming er toch wel niet met de ⅔ gequalificeerde meerderheid vóór zouden zijn, en daarom .... verwierpen zij het voorstel maar vast bij voorbaat!

Nog meermalen is nadien een voorstel-„Grote Synode” op de synodale tafel teruggekomen. Soms uitsluitend als zulk een partieel voorstel tot tegemoetkoming aan de wens tot uitbreiding van het de gehele Kerk vertegenwoordigende hoogste bestuurslichaam der Kerk in ledental, en tot verandering van hun wijze van afvaardiging.

Een enkele maal werd zulk een „Grote Synode” echter ook in breder verband voorgesteld. Zo door Ds Schrieke, die in 1907 met het voorstel kwam, dat naast een „bestuurlijke” Synode van 19 leden, die hij Bijzondere Synode noemde en die de rechtspraak zou moeten oefenen en de reglementen vaststellen, een Algemeene Synode van 90 leden (uit elke classis één predikant en één ouderling) zou worden ingesteld, aan welke de taak zou toevallen de kerkelijke belangen te bespreken, de wetgevende arbeid van de „bijzondere” Synode te beoordelen en de eindstemming te hebben over al de door de bijzondere Synode aangenomen voorstellen.

In het jaar 1923 heeft een „Grote Synode”-voorstel het eenmaal zó ver gebracht, dat het door de Synode op grond van

|75|

de consideraties uit de Kerk ook voor de tweede maal werd aangenomen. Maar helaas, toen struikelde in het najaar van dat jaar dit voorstel op het „veto” van de hoofdelijke eindstemming der Provinciale Kerkbesturen.

Hoewel nu zulk een „Grote Synode”-voorstel op zichzelf nog geen reorganisatie in grote stijl betekent, heeft de geschiedenis van de Kerkherstel-pogingen in de laatste twintig jaren toch wel duidelijk bewezen, dat zulk een inkeping in het keurslijf van het besturen-stelsel de grondslag kan helpen leggen voor de doorvoering van een geheel nieuwe kerkelijk verantwoorde kerkorde.

Vóór wij nu in de volgende paragraaf een schets beproeven te geven van de reorganisatie-strijd in het laatste decennium vóór het uitbreken van de tweede wereldoorlog, dien ik er nog een ogenblik aandacht voor te vragen, hoe de reorganisatie-strijd in de geest van Hoedemaker en Gunning telkens en telkens weer reacties wekte van uiterst links en uiterst rechts, zodat zowel van de zijde der Vrijzinnig-Hervormden als uit de kringen van de Gereformeerde Bond voorstellen bij het hoogste bestuurslichaam onzer Kerk werden ingebracht, die ik wel eens als „averechtse reorganisatie-voorstellen” gekenschetst heb.

Van vrijzinnige zijde kwamen ter Synode telkens voorstellen ter tafel om bepalingen te scheppen, die de „rechten der minderheden” garanderen konden; of ook om „filiaal-gemeenten” in het leven te roepen. Tot het aanhangig maken van dit laatste voorstel nam de Vereniging van Vrijzinnig-Hervormden het initiatief in 1918, nadat de gemeenschappelijke actie van de Utrechtse theologische professoren — van Prof. Cannegieter tot en met Prof. Visscher! — om tot een „modus vivendi” te geraken in het richtingvraagstuk binnen de Hervormde Kerk als administratief-reglementair kerkverband, op niets uitgelopen was 1. De bedoeling van het vrijzinnige voorstel om ontspanning te verkrijgen in de zo pijnlijke richtingstrijd, was deze, dat „lidmaten eener Gemeente zich kunnen aaneensluiten tot gemeenschappen, die den naam dragen van filiaalgemeenten” 2. Zulk een


1 Vgl. mijn De Richtingen in de Nederlandsche Hervormde Kerk, Wageningen, 1934, blz. 217-220.
2Synod. Handel., 1918, blz. 187 v.v.

|76|

„filiaalgemeente” zou dan eigen statuten hebben, waarin de geloofsgrond wordt omschreven. Voor die statuten zou dan de goedkeuring van het Classicaal Bestuur nodig zijn, welk bestuur verplicht zou zijn die goedkeuring te verlenen, wanneer deze statuten niet in strijd zouden blijken te zijn met de kerkelijke Reglementen in het algemeen, en wat de geloofsgrond betreft, niet in strijd met Art. 39 van het Reglement op het godsdienstonderwijs, Art. 27 van het Reglement op het examen en Art. 6 van het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht. Een erkende „filiaalgemeente” zou eigen predikant, of predikanten, kunnen beroepen en ook eigen ouderlingen en diakenen kunnen benoemen, en ook het medegenot hebben van de kerkelijke fondsen en gebouwen.

Van de kant van uiterst rechts kwam op de Synode van 1923 uit de kring van het z.g. „Convent van Gereformeerde Kerkeraden” een Concept-Reglement ter tafel, dat in wezen evenzeer de strekking had om de eenheid van de Nederl. Hervormde Kerk in ons vaderland als Kerk (met een grote K) te breken 1, maar in deze Synode al bitter weinig weerklank kon vinden, omdat het veel te doorzichtig slechts op de vrijmaking van de „Nederduitsche Gereformeerde Kerken” van onder het juk van de reglementen van het „synodale Genootschap” gericht was. De „Nederduitsche Gereformeerde Kerken”, om welker vrijmaking het eigenlijk alleen maar ging, zijn volgens Art. 1 van dit Concept-Reglement „de Gemeenten, waar de Kerkeraad zich thans gebonden acht aan de Heilige Schrift en de belijdenis”. Zij zullen alleen door stoffelijke banden aan de Hervormde Kerk verbonden zijn, maar geestelijk van haar gescheiden blijven en, naar haar principe, veel meer tegenover dan naast haar staan! Zij zullen onder elkaar ook een nieuw kerkverband mogen onderhouden, en daartoe de Dordtse Kerkorde weer invoeren!

Maar of men nu van vrijzinnige zijde, zoals in 1918, op de instelling van „filiaalgemeenten” aandrong, of van de kant van de liefhebbers der Gereformeerde waarheid, zoals in 1923 onder de leiding van Prof. Dr J.A.C. van Leeuwen


1 Vgl. mijn De Richtingen, enz., blz. 220-224.

|77|

en Dr J. Severijn, op de invoering van een Concept-Reglement, dat „levensruimte” zou geven aan de Nederduits-Gereformeerde elite-kerk in de algemene Hervormde kerk (met een zeer kleine k), het blijft toch over de gehele linie een pogen om tot averechtse reorganisatie te komen. De worsteling om de Nederl. Hervormde Kerk als geestelijke eenheid, nl. „als Christus-belijdende geloofsgemeenschap” te midden van ons volksleven meer en meer te doen uitkomen, is hier principieel opgegeven. De algemene Hervormde Kerk wordt hier consequent ingekapseld in de burgerrechtelijke sfeer van een administratief verband, ten aanzien waarvan het zinloos is te eisen, dat er een „kerkelijk verantwoorde kerkorde” geschonken worde aan deze landelijke Nederl. Hervormde Kerk, waarin een „geloofsgrond” (voorstel-„filiaalgemeenten”) òf de Gereformeerde Belijdenis (voorstel van het z.g. „Convent”) de grondslag zou moeten uitmaken, waarop men de kerkinrichting bouwt naar de besteklijnen van het gezag der ambtelijke vergaderingen en het geestelijk gehalte van opzicht en tucht. Geloofsgrond en belijdenisgrondslag blijven bij deze „averechtse” reorganisatiepogingen gereserveerd voor de „kerkjes in de Kerk”. Hoe burgerlijker daarbij de algemene Hervormde Kerk georganiseerd is volgens haar reglementaire orde, hoe beter het is!

 

Litteratuur

Belangrijke litteratuur bij deze § 6 van het „Historisch Gedeelte” is — naast de Handelingen der Synode uit dit vele decenniën omvattende tijdvak —: Adres aan de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk, van de z.g. „zeven Haagse Heren”, Leiden, 1842; Aan de Hervormde Gemeente in Nederland, van dezelfden, Leiden, 1843; Dr G.J. Vos Azn., Groen van Prinsterer en zijn tijd, Dl. I, 1800-1857, Dordrecht, 1886; Dr G.Ph. Scheers, Philippus Jacobus Hoedemaker, Wageningen, 1939; Dr Ph.J. Hoedemaker, De Congresbeweging beoordeeld uit het oogpunt der Gereformeerde belijdenis, Amsterdam, 1887; Th.L. Haitjema, De Richtingen in de Nederlandsche Hervormde Kerk, Wageningen, 1934, vooral van blz. 166 af; Ds C.A. Lingbeek, Schets van de Geschiedenis der Reorganisatiebeweging in de Nederlandsche Hervormde Kerk, Wageningen, 1925; Dr J.H. Gunning, e.a., Leven en werken van Prof. Dr J.H. Gunning, Rotterdam, Dl. III, 1925; Prof. Dr J.H. Gunning, De Opbouw der Kerk op haren grondslag, Nijmegen, 1900; Prof. Dr J.H. Gunning, Niet bij elkander houden, maar uit den grond opbouwen (1901); De Reglementen der Nederlandsche

|78|

Hervormde Kerk, met Aantekeningen. Uitgegeven op last van de Algemene Synodale Commissie, 8e druk, tweede nood-uitgave, blz. 35-37; Dr Th.L. Haitjema, Gebondenheid en vrijheid in een belijdende Kerk, Wageningen, 1929.

Haitjema, Th.L. (1951) I.7

§ 7. De worstelingen om een „kerkelijk verantwoord” Nederl. Hervormd kerkrecht in de jaren 1927-1939.

 

Wij zijn thans aan de tekening toegekomen van de laatste phase van die moeizame, verdrietige en schijnbaar uitzichtloze strijd om tot een „kerkelijk verantwoorde” herordening van ons kerkelijk leven te komen. Ik bedoel de phase van ruim tien jaren, eindigende vlak vóór het uitbreken van de tweede wereldoorlog in September 1939 1.

Dr H. Bartels heeft in zijn proefschrift Tien jaren strijd om een belijdende Kerk (Den Haag, 1946) deze phase reeds uitvoerig, met gebruikmaking van onuitgegeven archiefstukken, beschreven. Ik moge iedere lezer, die de kerkelijke strijd in deze jaren, vaak zo bewogen en hartstochtelijk gevoerd, op de voet wil volgen en kennis wil nemen van de bijzonderheden der in deze periode ingediende reorganisatievoorstellen, naar dit geschrift verwijzen.

Omdat ik zelf in de strijd voor reorganisatie dezer laatste phase vóór 1940 als praeadviseur van de Algemene Synode en na 1930 ook als voorzitter van het Nederl. Hervormd Verbond tot Kerkherstel een nogal op de voorgrond tredende rol heb moeten vervullen, lust het mij trouwens heel weinig op de details van de kerkelijke strijd in deze periode vlak vóór 1940 in te gaan. Het meest kardinale van de ontwikkeling van het reorganisatie-vraagstuk in dit tijdperk onmiddellijk vóór de laatste wereldoorlog wil ik slechts trachten aan te stippen.

In 1927 gebeurde er in de zomerzitting der Algemene Synode op „dringend verzoek” van de jaarvergadering der Confessionele Vereniging in het strijdpunt der reorganisatie iets, dat nog nimmer te voren geschied was. De Synode nam het besluit — zij het met de al te stereotiep-synodaal uit de bus komende kleinst mogelijke meerderheid van 10-9 stemmen! — om een Commissie voor de reorganisatie te benoemen, voor welker leden door de synodeleden namen


1 Voor belangrijke litteratuur bij deze paragraaf zie blz. 91-92.

|79|

mochten worden genoemd tot vorming van een grostal, terwijl de Algemene Synodale Commissie de opdracht kreeg, daaruit een vijftal leden te benoemen. En nu gebeurde in de najaarszitting van de Algemene Synodale Commissie het nieuwe, dat, vooral op aandrang van het lid-Prof. Aalders, slechts een keus gedaan werd uit die candidaten van het grostal, van wie bekend was, dat zij voorstanders van een reorganisatie der Kerk waren „naar presbyteriaal beginsel” (Hoedemaker) en „naar het beginsel der belijdenis” (Gunning). De keuze viel op de heren Ds M. van Grieken, Prof. Dr Th.L. Haitjema, Dr J.C.S. Locher, Dr J. Riemens en Ds A.B. te Winkel. Onder voorzitterschap van Ds te Winkel werkte deze commissie gestadig door en kwam vóór de Synode van 1929 — na in een 17-tal zittingen samen vergaderd te hebben — gereed met een Concept-Algemeen Reglement, benevens een ontwerp voor een gewijzigde proponentsformule, een ontwerp van enkele wijzigingen en aanvullingen in het synodale Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht (waar een hoofdstuk VI, getiteld „Leergeschillen en Leertucht” aan werd toegevoegd), voorts enkele wijzigingen in het Reglement op de kosten en overgangsbepalingen.

Dit gehele complex reglementswijzigingen werd nadien in onze vaderlandse kerkgeschiedenis gewoonlijk aangeduid als het Ontwerp-1929. Het droeg inderdaad het stempel van grote kerkelijke figuren als Hoedemaker en Gunning op het stuk van de pijler van het geestelijk ambt; van de regeermacht der ambtelijke vergaderingen; van de belijdenis van ’s Heren Naam, waarvoor de Kerk als Kerk niet langer terughuiveren mocht en dus ook bij ernstige ondermijning van de grondslagen der belijdenis niet aarzelen mocht effectieve, justitiële en tegelijk geestelijke leertucht toe te passen.

In een buitengewone zitting der Algemene Synode (7-10 Januari 1930) werd dit Ontwerp-1929 met de reeds eerder gesignaleerde stemmenverhouding (10-9) verworpen. Dit teleurstellende votum en vooral de wijze, waarop het door de synodale discussies ingeleid werd, verwekte zulk een beroering bij alle vrienden van een nieuwe, kerkelijk verantwoorde, kerkvorm voor onze oude nationale Hervormde

|80|

Kerk, dat na een voorbereidende vergadering te Apeldoorn in Februari 1930 het „Nederl. Hervormd Verbond tot Kerkherstel” op 10 Juni 1930 te Amersfoort werd opgericht. De voorbereidende vergadering te Apeldoorn was gehouden om de stemming ter zake van een reorganisatie der Kerk in de geest van figuren als Gunning en Hoedemaker bij vele jongere predikanten, die volstrekt niet van confessionelen huize waren, maar goeddeels wel onder de invloed van de dialectische theologie waren geraakt en hun verontwaardiging over de synodale hardnekkigheid in het handhaven van de „status quo” bij principiële kerkorde-vragen tegenover mij niet onder stoelen of banken gestoken hadden, enigszins nader te peilen. Want als iets zeker was, dan stellig dit, dat er geen nieuwe organisatie onder de naam van „Verbond tot Kerkherstel” in het leven mocht worden geroepen, welke al spoedig een doublure zou blijken van de veel oudere Confessionele Vereniging.

Het Nederl. Hervormd Verbond tot Kerkherstel wist rondom zijn beginsel, uitgedrukt in Art. 1 zijner statuten, waarbij ten aanzien van de locus de ecclesia van het Geref. Protestantisme, — inzonderheid zoals deze beleden werd in Antw. 54 van de Heid. Catechismus —, erkend werd, dat zij consequenties van kerkrechtelijke aard met zich brengt voor de inrichting van het Hervormd-kerkelijk leven, lidmaten der Hervormde Kerk, ambtsdragers en gemeenteleden, te vergaderen, die evengoed uit de kringen van de Geref. Bond, en van de ethische orthodoxie, en van de z.g. Kohlbruggianen kwamen, als uit de geestverwanten der Confessionele Vereniging. In Art. 2 zijner statuten stelde het Verbond tot Kerkherstel zich expressis verbis ten doel „voor te staan, en zoo mogelijk te bevorderen een reorganisatie der Ned. Herv. Kerk in den geest en volgens de grondlijnen van het reorganisatie-rapport 1929”.

De formuleringen van grondslag en doel van het Nederl. Hervormd Verbond tot Kerkherstel waren van meet af wel zo duidelijk en weloverwogen, dat de sterke toeneming van het ledental en de homogeniteit bij het optreden naar buiten in de jaren 1930-1938 geen bevreemding behoeven te wekken. „Kerkherstel” liet na de oprichtingsvergadering onmiddellijk van zich horen, doordat het moderamen zich

|81|

aanstonds tot de Synode richtte met het verzoek om alsnog het Ontwerp-1929 aan de Kerk voor te leggen; en als de Synode daarvoor geen termen aanwezig achtte, dan tenminste weer op te nemen het „Grote Synode”-voorstel, dat eigenlijk in 1927 niet verder behandeld was, omdat men de instelling van een synodale Reorganisatie-commissie en de afwikkeling van de opdracht, die deze commissie ontving, meende te kunnen laten voorgaan, in de verwachting, dat deze commissie ook de „Grote Synode” wel in haar nieuw te ontwerpen kerkorde zou opnemen.

Het eerste optreden van „Kerkherstel” werd niet al te gunstig opgenomen. Ogenschijnlijk werden alle vroegere tegenstanders van de reorganisatie der Kerk er door op één hoop gedreven.

Het behoeft dan ook niet al te zeer te verwonderen, dat op de 16e Februari 1931 in Utrecht een tweede vereniging ontstond onder de naam „Kerkopbouw”. Voorzitter werd Prof. Dr A.M. Brouwer te Utrecht. De vereniging was van ethisch-orthodox signatuur, maar zag ook vele rechts-vrijzinnigen tot zich toetreden. Zij ontvouwde een werk-program van wel 15 punten met allerlei kerkelijke desiderata: in verband met de oecumenische vragen; de inrichting van de eredienst; de hernieuwing van de belijdenis, opdat de moderne mens er beter door aangesproken zou kunnen worden; de verhouding van Kerk en theologie en van geloof en natuurwetenschap; de christelijk-ethische vragen van huwelijk en gezin, van oorlog en vrede, van internationale verhoudingen en overzeese gebiedsdelen, enz., enz. Slechts het vierde punt van dit uitgebreide programma was aan de herziening der kerkorde gewijd en hield — n’en déplaise de latere rechtervleugel van Kerkopbouw onder leiding van figuren als Dr Noordmans en Prof. Paul Scholten! — zelfs de uitgesproken verwerping van de procesmatige leertucht bij voorbaat reeds in 1.

Wij kunnen de moeilijke eerste jaren van het bestaan van deze twee, elkander onophoudelijk bestrijdende, verenigingen „Kerkherstel” en „Kerkopbouw” met een gerust


1 Men vergelijke: Kerkopbouw. Toespraken gehouden op de stichtingsvergadering der Vereeniging op 16 Februari 1931, Zeist, 1931.

|82|

hart stilzwijgend voorbijgaan, omdat wij geen kerkgeschiedenis hebben te schrijven, doch slechts in vogelvlucht de ontwikkeling van het probleem der kerkrechtelijke herordening van het Hervormd-kerkelijk leven hebben te tekenen. Het werk van de vereniging „Kerkopbouw” wordt voor deze schets eerst belangrijk, wanneer ook deze vereniging zich met het reorganisatie-vraagstuk intens gaat bezighouden.

Ik kan mij overigens voorstellen, dat het de voorzitter van „Kerkopbouw” wel wat moet gekost hebben, om in de richting van een breed opgezet reorganisatie-ontwerp mede te werken, aangezien hij zich in 1930 nog in de zomer-Synode had opgeworpen als een verdediger van een partieel voorstel „tot vredig samenwonen der richtingen”, en dat wel in bond met de links-vrijzinnige Dr C.J. Niemeijer en met de ethisch-orthodoxe Dr H.E.G. van de Meene.

Ook dit initiatief moet gerekend worden tot de pogingen een „averechtse reorganisatie” te verkrijgen, zoals ik daarover in de vorige paragraaf sprak, en ik kan begrijpen, dat de rechtervleugel van „Kerkopbouw” van deze voorstellen schrok, waaraan n.b. de eigen voorzitter had medegewerkt met zijn, ook door de Algemene Synodale Commissie van November 1930 aangewezen medeleden Dr C.J. Niemeijer, Dr H.E.G. van de Meene, Prof. Dr J. Lindeboom en Ds A.J.A. Vermeer 1.

Nadat het Verbond tot Kerkherstel in de zomer van 1933 bij de Algemene Synode nogmaals tevergeefs een poging gedaan had om een voorzichtig en aannemelijk geformuleerd „Grote Synode”-voorstel opnieuw kerkelijk aan de orde te krijgen, werd in October van datzelfde jaar het grote reorganisatie-ontwerp van „Kerkopbouw” gepubliceerd. Het werd in de zomer van 1934 op de synodale agenda geplaatst, doch de toen reeds zwaarbelaste zomer-Synode achtte het beter ook ditmaal een buitengewone zitting aan dit veelomvattend ontwerp te wijden. Op 8 Januari 1935 kwam deze buitengewone Synode bijeen. Ook deze keer werd zeer uitvoerig over dit reorganisatie-voorstel in grote stijl gehandeld. Maar ook ditmaal werd het ongewijzigde


1 Vgl. voor de tekst dezer voorstellen: H. Bartels, a.w., blz. 58-59. En de sterke bestrijding er van in de brief van het Hoofdbestuur van „Kerkherstel” aan de Synode: Bartels, a.w., blz. 67-68.

|83|

ontwerp verworpen, en wel met de verpletterende meerderheid van 14-5 stemmen, terwijl de vraag, of men verder trachten zou amendementen in dit ontwerp te verwerken, ten slotte afgewezen werd met de kleinst mogelijke meerderheid van 10 tegen 9 stemmen.

Ernstige bedenkingen had ook het Hoofdbestuur van „Kerkherstel” in een brochure, onder de titel: Het reorganisatie-ontwerp van „Kerkopbouw” beoordeeld, te Wageningen uitgegeven in 1934, tegen het voorstel van haar zustervereniging geuit. Met vele onderdelen van het ontwerp kon „Kerkherstel” zich volledig verenigen. Zo b.v. met de regelingvan de positie der Walen in de Nederl. Hervormde Kerk, en met de uitschakeling der kerkelijke bestuurscolleges ten gunste van de bredere ambtelijke vergaderingen. Ook met de kerkelijke inschakeling van allerlei kerkelijke arbeid. Doch op heftige tegenstand van „Kerkherstel” stuitte „Kerkopbouw” bij de oecumenische inzet van haar kerkorde-ontwerp (Artt. 1 en 2), dat voor „Kerkherstel” zoveel als een in een kerkrechtelijke formulering, en daarom ongepaste, invoering van een nieuwe, gereduceerde belijdenis betekende.

Daarnaast was het stelsel der „huisgemeenten” voor „Kerkherstel” een onoverkomelijk bezwaar, omdat het Nederl. Hervormd Verbond daarin niet anders dan een gecamoufleerde erkenning van de „rechten der minderheden”, of ook der vrijzinnige „filiaalgemeenten” van 1918 kon zien. Ook de wijze, waarop de figuren van de kerkvisitatoren en van de moderator in „Kerkopbouw’s” voorstel waren uitgewerkt, wekte bij „Kerkherstel” principieel verzet, omdat men er dezerzijds een beschroomde inschakeling van een episcopaals element in zag, waarbij deze moderator- en visitator-figuur bijna als een apart ambt te voorschijn trad in de kerk-ordelijke bepalingen.

Men kan zeker niet zeggen, dat bij de besprekingen over het ontwerp-„Kerkopbouw” in het jaar 1934 de beide verenigingen dichter bij elkaar gekomen waren. Integendeel, de discussie was vaak in scherpe vorm gevoerd en „Kerkopbouw” heeft wel enige reden gehad om de teleurstellende uitslag van de stemming over haar voorstel in de Synode

|84|

mede aan de tegenstand van de zijde van „Kerkherstel” te wijten.

Maar zodra is die teleurstelling door „Kerkopbouw” in Januari 1935 niet geïncasseerd en enigszins verwerkt, of „Kerkherstel” wendt zich aan het einde dier maand reeds tot het Hoofdbestuur van „Kerkopbouw” met het verzoek om een ernstige samenspreking over die urgente punten, waaromtrent een gemeenschappelijke stap bij de Algemene Synode mogelijk zou zijn.

De gemeenschappelijke conferentie van de beide Hoofdbesturen had te Amersfoort plaats in September 1935 onder leiding van Prof. Mr P. Scholten. Uit dit praesidium blijkt reeds, dat het vooral de rechtervleugel van „Kerkopbouw” heilige ernst was om zo enigszins mogelijk verder te komen op de weg tot reorganisatie der oude volkskerk in de geest van Gunning en Hoedemaker. Het resultaat van deze conferentie was dan ook, dat er van beide Hoofdbesturen een gemeenschappelijke brief zou uitgaan tot de Synode, waarin verzocht zou worden, een nieuwe Reorganisatie-commissie te benoemen, bestaande uit leden van „Kerkopbouw” èn „Kerkherstel”.

Het Moderamen der Synode had bezwaar op dit verzoek een beslissing te nemen in haar buitengewone zitting van 4 October 1935, die voor de behandeling van een bepaald agenda-punt bijeengeroepen was, doch meldde aan adressanten, dat zij aan de Algemene Synodale Commissie opgedragen had op dit verzoek te beslissen. Deze laatste nam met belangstelling kennis van de gemeenschappelijke missive der beide Hoofdbesturen, en gaf te kennen, dat zij er mede rekende, dat de beide Hoofdbesturen zelf uit eigen kring de geschikt geachte leden voor een nieuwe Reorganisatie-commissie zou aanwijzen. De Algemene Synodale Commissie zou harerzijds gaarne een drietal harer leden, de heren Ds J.W.J. Addink, Ds F. Tammens en Ds L.S. van Zwet, als „waarnemers” afvaardigen om de vergaderingen van deze commissie uit de Hoofdbesturen bij te wonen.

Aan deze commissie-vergaderingen behoud ik als een der afgevaardigden van „Kerkherstel” de allerbeste herinneringen. De leiding, die door Prof. Mr P. Scholten aan deze samensprekingen gegeven werd, was onovertrefbaar. Hij

|85|

heeft er niet weinig toe bijgedragen, dat op vrijwel alle punten overeenstemming verkregen werd, zodat een „Accoord” werd bereikt, dat de hoofdlijnen voor een nieuw reorganisatie-ontwerp bevatte. Dit werd pas uitgewerkt, toen de beide Hoofdbesturen zich achter het „Accoord” gesteld hadden, en nadat de „waarnemers” uit de Algemene Synodale Commissie een rapport hadden uitgebracht, dat op het voorstel uitliep, om door de Algemene Synodale Commissie aan de Synode te doen voorstellen een nieuwe Reorganisatie-commissie te benoemen, die bij de uitwerking van haar voorstellen ernstig rekening zou hebben te houden met het bereikte „Accoord” 1.

Op de 6e Augustus 1936 werd door de Algemene Synode de gevraagde Reorganisatie-commissie benoemd. Aangewezen werden de 9 heren uit „Kerkopbouw” en „Kerkherstel”, die reeds aan de totstandkoming van het „Accoord” hadden samengewerkt. Bovendien de drie „waarnemers” uit de Algemene Synodale Commissie, en uit de kring van de Gereformeerde Bond voorts Ds J.G. Woelderink, terwijl Prof. Dr A.S. de Blécourt als representant van de Walen ook als lid in deze commissie benoemd werd.

Vooral met laatstgenoemde zijn de besprekingen in deze grote Reorganisatie-commissie, die ook weer onder leiding van Prof. Mr P. Scholten werkte, menigmaal heel moeilijk geweest. Hij verdedigde naar alle kanten een „averechtse reorganisatie”, voortvloeiende uit een burgerlijk-liberale kerkopvatting. Ten slotte kwam hij niet meer op de vergaderingen, doch zond een aparte minderheidsnota bij het in Juni 1937 gereedgekomen ontwerp in.

Ook de rechts-vrijzinnige Ds B.J. Aris (uit de „Kerkopbouw”-groep) distantieerde zich uiteindelijk van het ontwerp, omdat daarin de „verscheidenheid” in de eenheid van de algemene Hervormde Kerk niet voldoende tot haar recht kwam en het volgens hem ontoelaatbaar moest heten deze essentiële aangelegenheid in overgangsbepalingen af te doen.

Het bleek trouwens al heel gauw, dat mannen van de


1 Het „Accoord” kan men volledig afgedrukt vinden in Bartels’ dissertatie, blz. 114 v.v.

|86|

statuur van Scholten en Noordmans de grootste moeite zouden hebben om de ouderwets-ethische vleugel van „Kerkopbouw” en ook de vrijzinnige ledengroep bij het „Accoord” te houden. De meningsverschillen tussen deze laatsten en de „Kerkopbouw”-leden van de Reorganisatie-commissie traden steeds gevaarlijker aan de dag.

Terwijl „Kerkherstel” homogeen kon blijven in deze uitermate bewogen periode van de kerkelijke strijd, trad de tegenstelling in houding tegenover de richting, die de oplossing van het kerkorde-probleem te zien gaf, onder Kerkopbouwers steeds gevaarlijker aan de dag.

En toch had ook „Kerkherstel” wel wijzigingen in de uitzichten van de doorvoering ener reorganisatie in grote stijl aanvaard. Het „Accoord” stippelde reeds lijnen uit, die niet alle gelijk waren aan de besteklijnen van het Ontwerp-1929. Ik kan het Bartels eigenlijk wel nazeggen, dat „in Kerkherstel geen verschuiving plaatsgevonden had, maar wel een verbreding en verdieping, gevolg van een anders gericht-zijn” (a.w., blz. 143). En Bartels zag ook terecht in, dat „inderdaad tussen beide [het Ontwerp-1929 en het „Accoord”] geen principieel verschil is aan te wijzen” (a.w., blz. 142).

Maar „Kerkherstel” kon zich dan ook volledig openstellen voor de waarheidsaccenten, die „Kerkopbouw” zo nadrukkelijk op het reorganisatie-probleem begeerde te leggen (ik noem alleen: de grote eschatologische openheid, het missionaire motief, het actuele belijden tegenover de afgoden van onze tijd, enz.), omdat „Kerkopbouw” van haar kant bereid gebleken was haar artikelen 1 en 2 van het Ontwerp-1934 terug te nemen en de hoofdinhoud pas verder op in het Algemeen Reglement, waar de uit wezen en doel van de Nederl. Hervormde Kerk voortvloeiende taken werden omschreven, op te nemen. Kerkopbouw had eveneens goedgevonden de bepalingen over de huisgemeenten te laten vervallen, en de daarin behandelde materie het stempel te laten krijgen van een vooralsnog voortbestaande krankheid der Kerk, zoals dat in overgangsbepalingen kan gestipuleerd worden. Kerkopbouw had ook goedgevonden, ouderlingen verkiesbaar te stellen tot visitator of moderator, om daarmede te onderstrepen, dat zij geen episcopaalse elementen

|87|

bedektelijk in het nieuwe reorganisatie-ontwerp wilde binnensmokkelen.

Het Ontwerp-1938 was in een vijftiental zittingen door de in Augustus 1936 benoemde Reorganisatie-commissie inderdaad naar de besteklijnen van het „Accoord” uitgewerkt. In de lijn van het ontwerp-„Kerkopbouw” van 1934 bleef ook nu de verkiezing van de leden der Algemene Synode berusten bij de Provinciale Synoden. De Classicale Vergaderingen bleven met tuchtoefening belast. De Walen werden als een Provinciaal ressort gehandhaafd, met één classis en met één afgevaardigde naar de Synode. Lange discussies waren nodig, voordat men er in berusten kon, dat in het ontwerp de taak van de ouderling zó werd omschreven, dat daarbij de medeverantwoordelijkheid van deze ambtsdragers voor de inhoud der prediking tot uitdrukking kwam. Moeilijke besprekingen gingen ook vooraf aan de formulering van het wezenlijke van de zorg der Kerk voor haar belijdenis in Art. 8, ten 5e, van het ontwerp-,,Algemeen Reglement”.

Prof. Scholten’s formulering „door hervorming en handhaving” werd ten slotte aanvaard, om de schijn te vermijden, dat de belijdenis der Kerk zich ooit als norma normans 1 op de plaats van de H. Schrift zou mogen dringen. Omdat er in de discussies in de kerkelijke pers over dit Art. 8 vooral in de eerste helft van 1938 zoveel te doen geweest is, neem ik de tekst van dit belangrijke artikel bij uitzondering in extenso op.

Art. 8. Het wezen en doel der Nederlandsche Hervormde Kerk, door haar zelve, als deel van de Eene Algemeene Christelijke Kerk, tot uiting gebracht in hare historische belijdenisgeschriften en liturgische formulieren, sluit in voor al hare lidmaten bij de vervulling van hun roeping, voor alle ambtsdragers bij hun ambtsbediening, voor de Kerk-visitatoren en den Moderator bij de vervulling van hun taak en voor alle kerkelijke vergaderingen bij bestuur en toezicht over de gemeenten volgens de artt. 5, 6 en 7 van dit Algemeen Reglement, voor allen binnen de grenzen van elks bevoegdheid:


1 d.i. normerende norm in de zin van enige en laatste regel voor geloof en leven.

|88|

1. de zorg voor de prediking van het heilig Evangelie, de bediening van de heilige Sacramenten en wat verder tot den openbaren eeredienst behoort;
2. de herderlijke zorg voor de gemeenten en hare leden tot opbouw in kennisse Gods, onderlinge liefde en Christelijken levenswandel;
3. de zorg voor den dienst der barmhartigheid;
4. de zorg voor de opleiding van de dienaren des Woords;
5. de zorg voor hare belijdenis door hervorming en handhaving, opdat het geloof der Kerk in hare verkondiging en in hare symbolische en liturgische geschriften steeds zuiverder tot uitdrukking kome en opdat de openbaring van God, Vader, Zoon en Heiligen Geest naar de Heilige Schrift, als regel van geloof en leven, worde geëerbiedigd en het karakter der Kerk als Kerk van Christus worde bewaard;
6. de behartiging van de zending, in het bijzonder in het Koninkrijk der Nederlanden binnen en buiten Europa;
7. het onderhouden van betrekkingen met andere deelen van de Eene Algemeene Christelijke Kerk;
8. het getuigen van den eisch, dien Gods gebod stelt ten aanzien van het leven van enkeling, maatschappij en staat, ook door te arbeiden aan de ordening van het leven”.

Het verdient ten slotte bij een nauwgezette vergelijking van het Ontwerp-1938 met het „Accoord” van 1936 nog wel de aandacht, dat een verschilpunt tussen beide zeker hierin uitkomt, dat in het „Accoord” een nieuwe proponentsformule was opgenomen, terwijl in het Ontwerp-1938 dit niet geschiedde, maar wel in een der overgangsbepalingen (Art. 10) op voorstel van schrijver dezes het voorschrift werd opgenomen, dat de Kerk na invoering van de Kerkorde-1938 de proponentsformule en de belijdenis vragen zou hebben te herzien, en dat voor wijziging van de tegenwoordige formule en vragen een gequalificeerde meerderheid van ⅔ noodzakelijk zou zijn.

Ook het Ontwerp-1938 is aan de hand van een zeer uitvoerig rapport ener rapporterende Commissie, die reeds in

|89|

de zomerzitting van 1937 door de Synode was aangewezen, in een buitengewone zitting der Algemene Synode in Januari 1938 behandeld.

Het werd na langdurige en vaak emotie-volle besprekingen (ik denk aan Prof. Berkelbach v. d. Sprenkel’s telefonische contacten met Prof. Scholten en schrijver dezes over een voor te stellen amendement in Art. 8, ten 5 e, nl. de wijziging van „de zorg voor haar belijdenis” in „de zorg voor haar belijden”!) ten slotte ongeamendeerd met 10 tegen 9 stemmen aangenomen in eerste aanleg. D.w.z. dat het Ontwerp-1938 daarna officieel de Kerk in ging om er de adviezen van Provinciale Kerkbesturen en Classicale Vergaderingen op in te winnen.

Een uitermate spanningsvolle tijd in ons kerkelijk leven brak toen aan. Dr Bartels overdrijft niet, als hij schrijft: „Het eerste halve jaar van 1938 kenmerkte zich door een actie in de kerk als nooit te voren. Alle krachten werden van weerszijden ingespannen, alle persorganen, kerkelijke en niet-kerkelijke, kwamen in beweging, overal werden vergaderingen en redevoeringen gehouden. De gang van zaken werd alom gevolgd met een belangstelling, zoals aan kerkrechtelijke kwesties nog niet eerder gegeven was. Naarmate de Classicale Vergaderingen naderden, nam de spanning toe en deze bereikte einde Juni haar hoogtepunt” (a.w., blz. 171).

Een breed Reorganisatie-Comité werd door de voorstanders gevormd. Van 18 Maart 1938 af begon dit Comité een klein weekblad uit te geven onder de titel „Reorganisatie 1938”, om allerlei misstanden nog tijdig te kunnen wegnemen bij ambtsdragers en kerkvolk. Prof. Scholten verdedigde het ontwerp in een brochure en in een referaat op de Utrechtse Predikantenvergadering, die in grote meerderheid geestdriftig achter het ontwerp bleek te staan 1.

Ook de tegenstanders echter, nl. de linkervleugel van „Kerkopbouw”, de ethischen, die in het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur de toon aangaven, de meeste figuren van de Geref. Bond, Ds Lingbeek en zijn politieke geestverwanten, en de Vrijzinnig-Hervormden in hun


1 Bartels, a.w., blz. 171.

|90|

organisatie en in hun kerkelijke bladen, spanden zich in tot het uiterste om de consideraties der Kerk zó te beïnvloeden, dat de Synode de moed missen zou om het Ontwerp-1938 ook in tweede instantie weer aan te nemen.

De breuk in de kringen van „Kerkopbouw” werd heel diep, toen Prof. Brouwer aan de vooravond van de Classicale Vergaderingen in een onzer grootste dagbladen zich na de gevoerde discussie zonder meer tegen het ontwerp verklaarde, nadat hij in het Juni-nummer van Kerkopbouw eerst nog een „Advies” tot amendering gepubliceerd had, dat de schijn wekte, als stond de Vereniging „Kerkopbouw” daar achter. Wat een scherp protest van Dr Noordmans uitlokte, en hem al spoedig besluiten deed, de gelederen van „Kerkopbouw” te verlaten.

Helaas, de bedrijvige agitatie tegen het Ontwerp-1938 had haar invloed op het „oordeel der Kerk” niet gemist. De consideraties werden, alles samengenomen, een teleurstelling voor de vrienden van het Reorganisatie-Comité. En het valt niet te verwonderen, dat de Synode van Augustus 1938 op voorstel van de rapporterende Commissie voor de consideratiën besloot: „het Ontwerp-Januari 1938 niet vast te stellen, maar te besluiten, de zaak der reorganisatie over te brengen bij de Algemeene Synodale Commissie, teneinde deze in overleg met de gezamenlijke kerkelijke hoogleeraren beraadslage, wat te doen zij, om de in de consideratiën der Kerk over het Ontwerp-1938 tot uiting gebrachte inzichten en wenschen het beste tot haar recht te doen komen”. Dit besluit zou in de zomer van 1939 blijken een opdracht te zijn geweest aan de Algemene Synodale Commissie om voor een eervolle begrafenis van het reorganisatie-streven te willen zorgen.

De Algemene Synodale Commissie bracht aan de Synode van 1939 een drietal voorstellen over, waarbij er een was, door vijf van de zes kerkelijke hoogleraren gesteund, dat de kerkrechtelijke aspecten van de herordening van het Hervormd-kerkelijk leven volop aan de orde trachtte te doen blijven, door de Synode te raden „de kerkelijke organisatie meer in overeenstemming” te doen brengen „met haar presbyteriaal-synodaal karakter”, en dat zonder vooruit te lopen „op wat de nieuw georganiseerde Kerk ten aanzien van hare

|91|

belijdenis zou besluiten”. Prof. de Vrijer wilde een nieuw reorganisatie-rapport, dat meer van „handhaving” dan van „hervorming” der belijdenisgeschriften zou uitgaan. Ds. K.H.E. Gravemeyer als toegevoegd lid van de Algemene Synodale Commissie in deze Commissie van beraad wilde alleen een „Grote Synode”-voorstel „of een dergelijk ontwerp weer aan de orde stellen”.

In de Synode van 1939 zelf probeerde Dr Oorthuys nog als synodelid een voorstel aangenomen te krijgen om toch weer een nieuwe Reorganisatie-commissie te benoemen ter concipiëring van een kerkorde, die het wezen der Kerk, neergelegd in de drie Formulieren van Enigheid, zou uitdrukken.

Alles was tevergeefs. Het ene voorstel na het andere werd afgestemd met een grotere of kleinere meerderheid. Het voorstel van de vijf kerkelijke hoogleraren samen met Prof. Aalders zelfs met 17-2 stemmen. Het bestuurlijk-synodale stelsel had treffend zijn vermogen om te duren gedemonstreerd.

 

Litteratuur

Belangrijke litteratuur bij § 7 van het „Historisch Gedeelte”: Handelingen der Synode, van 1926 af tot en met 1939; afzonderlijk uitgegeven zijn de Handelingen der Buitengewone Vergadering van de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk., 7-10 Januari 1930, ’s Gravenhage, 1930; Dr H. Bartels, Tien jaren strijd om een belijdende Kerk, Den Haag, 1946; Twee brochures van mijn hand: Reorganisatie en Leertucht, Wageningen, 1929; Leertucht (in de serie Naar het Herstel der Kerk), Wageningen, 1933; Ontwerp van een Nieuw Algemeen Reglement en eenige organieke reglementen voor de Ned. Hervormde Kerk; opgesteld namens de Vereen. „Kerkopbouw”, Baarn, 1933; Ds O. Noordmans en Prof. Dr C.G. Wagenaar, Het Reorganisatie-ontwerp van „Kerkopbouw” toegelicht, Baarn, 1933; Het reorganisatie-ontwerp van „Kerkopbouw” beoordeeld (door het Hoofdbestuur van „Kerkherstel”), Wageningen, 1934; Ontwerp van een nieuw Algemeen Reglement en eenige organieke Reglementen voor de Nederlandsche Hervormde Kerk (het z.g. Ontwerp-1938), ’s Gravenhage, 1937; O. Noordmans, Kerkelijk denken voorwaarde voor Kerkorde, in de serie Onze Tijd, verschenen te Nijkerk, 1938; W.A. Zeydner, De Hervormde Kerk op den Tweesprong: Kerk of Genootschap?, Rotterdam, 1938; Het Reorganisatie-ontwerp 1938 beoordeeld; uitgave van de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden in Nederland, Assen, 1938; Dr J. Koopmans, Vrijzinnige Bezwaren beantwoord, Nijkerk, 1938; Prof. Mr Paul Scholten, „Kerk”, Rede, gehouden over de reorganisatie der Ned. Herv. Kerk, ter Predikantenvergadering

|92|

te Utrecht op 27 April 1938, uitgeg. te Nijkerk in opdracht van het Reorganisatie-Comité; id. id. van dezelfde auteur: Het Reorganisatie-Ontwerp verdedigd, 1938; Critiek en Amendementen op de Reorganisatie-voorstellen-1937, Nijkerk, 1938.

Haitjema, Th.L. (1951) I.8

§ 8. De voorgeschiedenis van de huidige kerkorde gedurende de jaren 1940-1950.

 

Zelfs het tragische „naspel” bij de kerkelijke behandeling van het Ontwerp-1938 in de Augustus-maand van het jaar 1939 ter Algemene Synode heeft de vrienden ener principiële hervorming van ons Nederl. Hervormd kerkrecht niet met moedeloosheid geslagen 1. Zij hadden zich terdege door Dr O. Noordmans laten zeggen, dat het synodale, bestuurlijke stelsel een ongekend vermogen bezat om voort te duren.

Het Hoofdbestuur van het Nederl. Hervormd Verbond tot Kerkherstel bleef actief en belegde in het winterhalfjaar 1939-1940 nog menige vergadering in den lande, om de vraag in bespreking te brengen: Wat nu? In de kleinere kring van het moderamen van „Kerkherstel” begon de gedachte te rijpen, dat hernieuwing der pogingen om het „synodale” bastion te veroveren, althans krachteloos te maken, niet moesten herhaald worden in dezelfde stijl, waarin de strijd in de jaren 1930-1938 gevoerd was. Het was de strijd geweest, die twee fronten tegenover elkander tot het vormen ener slagorde drong. Een kerkelijke strijd, rijk aan de pijnlijkste oorlogsverschijnselen als verdachtmaking, partij-agitatie, onbegrensd wantrouwen in elkanders bedoelingen. Een kerkelijke strijd, waarin men beiderzijds het zegevierend einde zocht te forceren met inschakeling van de in wezen onkerkelijke, en stellig ongeestelijke, machtsfactor van de stemmen-meerderheid, die de minderheid zou dwingen zich bij het votum der meerderheid neer te leggen. Ongetwijfeld, „Kerkherstel” had deze vorm van kerkelijke strijd welbewust aanvaard. En dat niet enkel uit overweging, dat het doel toch zo hoog en goed en geestelijk was; en dat men nu eenmaal door de enge poort van in hoogspanning verkregen meerderheidsbesluiten heen moest om in de ruimte te komen, waar alles in de kerkelijke samenleving


1 Voor de litteratuur bij deze § 8 zie blz. 110-111.

|93|

zou kunnen gemaakt worden „naar het voorbeeld, dat ons op de berg Gods getoond was” (Exod. 25: 40). Wij hadden ook gesteund op ons principiële inzicht, dat de Kerk op aarde, ook de institutaire Hervormde Kerk, steeds een strijdende, aangevochten Kerk zou zijn: een vergadering van zondige mensen, aan wie God de genade gaf de Christus te belijden, maar die overigens ook als gerechtvaardigden zondaren bleven, tot alle kwaad geneigd. Die strijd van „de strijdende Kerk” op aarde kon daarom in de empirische kerkelijke verhoudingen en in haar aangevochten zijn door de wereld van buiten en van binnen niet volstrekt afzien van het aanwenden van de machtsfactor.

Toch had de bittere teleurstelling van Augustus 1939, toen de krachtigste reorganisatie-poging, die ooit in onze vaderlandse kerkgeschiedenis ondernomen was, volledig vastgelopen scheen, ons wel veel te denken gegeven.

Het waren vooral twee gedachten in de richting van een andere aanvat van de pogingen om tot een principiële reorganisatie van de Nederl. Hervormde Kerk te komen, die in het Moderamen van het Verbond tot Kerkherstel steeds duidelijker vaste vorm aannamen.

Ten eerste was het de gedachte, dat in de reorganisatiebeweging voortaan van onder op zou moeten gewerkt worden. D.w.z., dat de plaatselijke gemeenten, en heel in ’t bijzonder de ambtsdragers en het kerkvolk daarin, hoe langer hoe meer wakker gemaakt dienden te worden in hun verantwoordelijkheid Kerk, Christus-belijdende Kerk, en geen wereld te zijn. Hoe warmer de gemeenten in de vragen rondom de vernieuwing van de kerkvorm gingen meeleven, hoe indrukwekkender ook ten slotte hun roep om reorganisatie zou gaan doorklinken. Ten slotte zelfs tot in de vergaderzaal van de Algemene Synode, hoe doof deze ook schijnen mocht aan dit oor!

Ten tweede begon de gedachte onder de Moderamen-leden van „Kerkherstel” al meer te rijpen, dat de reorganisatie in grote stijl slechts in twee etappes te bereiken zou zijn; en dat wij nu beginnen moesten met een partieel voorstel tot wijziging der kerkelijke wet voor te dragen. Het werd aanvankelijk onder ons in reglementaire vorm ook uitgewerkt. Het was het voorstel, om een kerkelijke „Constituante”

|94|

eerst krachtens een wijziging van het Algemeen Reglement in het leven te roepen, en aan deze grondwet-gevende vergadering van afgevaardigden uit alle classes der Kerk de bevoegdheid te geven een nieuwe kerkorde voor te bereiden of te doen voorbereiden, en daarna te behandelen.

Het was dus niet iets gloednieuws, wat door de „Commissie voor de beginselen van Kerkorde” in 1944 aan de Algemene Synode voorgesteld werd in het z.g. Werkorde-voorstel, al dient toegegeven, dat dit voorstel aanzienlijk meer bevatte dan het uitermate beperkt gehouden „Constituante”-voorstel van het Moderamen van „Kerkherstel” uit het vroege voorjaar van 1940.

In ieder geval, — in aansluiting aan de Utrechtse Predikantenvergadering van April 1940 belegde het Reorganisatie-Comité 1938 nog eens weer een grote vergadering, waarin de professoren Kraemer en Gerritson als sprekers optraden om de acute nood onzer Kerk na de mislukking van de reorganisatie-arbeid tot en met 1939 aan de consciëntie van alle aanwezigen te leggen. Het laat zich niet ontkennen, dat op die bewuste middag vooral door de gloedvolle toespraak van Prof. Kraemer de gedachte van het „opbouwend” werken van onder op zwaarder nadruk kreeg dan de idee van een partiële reglementswijziging ter verkrijging van een draagvlak voor wetgevend werk ter omvorming van de gehele kerkinrichting. Doch de ernst van heel het probleem der reorganisatie onzer Hervormde Kerk was niettemin op nieuwe wijze indrukwekkend gesteld!

 

Toen raakte een paar weken nadien Nederland in de vreselijke wereldoorlog ten gevolge van de Duitse inval.

In het vuur der verdrukking onder het geweld van de meedogenloze bezetter werd een nieuwe eenheid in ons volksleven en ook in ons door partijschap zo verscheurde kerkelijk leven gesmeed. Wat men vóór Mei 1940 in onze Hervormde Kerk voor volslagen onmogelijk had gehouden, óf, zo men het al voor denkbaar hield, toch in ieder geval onder de bedenkelijkste grensoverschrijdingen van het synodale bestuurslichaam meende te moeten rubriceren, gebeurde: de Kerk begon te spreken. Getuigenissen en kanselafkondigingen verschenen op gezag van een Synode, die naar de

|95|

grondlijnen van het Gereformeerde kerkrecht tot zulk belijdend spreken volstrekt niet in staat was, wijl een administrerend bestuurscollege toch immers niet kòn doen, wat alleen een ambtelijke vergadering, met het Woord Gods open vóór zich, wagen mocht.

Zó bleek ook hier nood wet te breken; zelfs de wet van de kerkelijke „ordelijkheid”.

In Augustus 1940 werd in de synodezaal van Javastraat 100 te ’s Gravenhage de Commissie voor kerkelijk Overleg geïnstalleerd, waarvan een der sub-commissies, nl. die voor Gemeenteopbouw, onder de stuwende leiding van Prof. Kraemer, alras gelegenheid kreeg om in de praktijk te bewijzen, wat de wekroep tot de plaatselijke gemeenten om waarlijk Kerk te zijn, te betekenen had. Kraemer wierp zich met zijn grote missionaire bewogenheid op het Hervormd-kerkelijk vraagstuk. De Gemeenteopbouw-geest begon in onze Kerk zijn bijdrage te leveren voor de reorganisatie der Kerk. De krankheid onzer Kerk werd door Kraemer in zijn nauwe aanraking met het leven van zo vele plaatselijke Hervormde gemeenten in hun ingezonkenheid, scherpe verdeeldheid en burgerlijkheid diep gepeild. Maar gelukkig heeft hij zich nimmer voor de rol van bemiddelaar in de plaatselijk-kerkelijke richtingsverdeeldheden laten vinden, wanneer hij niet onder de ontplooide banier met het devies, dat door hemzelf in 1941 voorgeslagen was, nl. „in gehoorzaamheid aan de H. Schrift, staande op den bodem der belijdenisgeschriften”, werken mocht.

En Kraemer heeft dit devies steeds zó willen verstaan, dat hij naar Prof. Gunning’s woord „uit den grond opbouwen” kon. Het ging er Kraemer dus niet om, in de aloude Volkskerk „alles bij elkander te houden”. Hij erkende de sombere mogelijkheid, dat bepaalde deelnemers aan het kerkelijk richtingsgesprek zouden móeten eindigen met losgelaten te worden om der waarheid wil. Deze kant van Kraemer’s bezielende leiding in „Gemeenteopbouw” mag niet in het duister gelaten worden of achter de schermen van een schier onbegrensde drang naar eenheid gezet worden.

Doch hoe onmiskenbaar dit accent er bij Kraemer ook geweest moge zijn, de weerklank, die zijn intense arbeid in de kringen van „Gemeenteopbouw” vond, was over de gehele

|96|

linie toch wel zó, dat de eigenlijke reorganisatie der Kerk in kerkrechtelijk opzicht op het tweede plan geraken moest. „Gemeenteopbouw” werd algemeen verstaan als „reformatie” van het plaatselijk-kerkelijk leven, geconfronteerd als het werd met Bijbel èn confessie als de twee spiegels voor het echte Kerk-zijn. En deze reformatie scheen aan de reorganisatie vooraf te moeten gaan!

Het is eigenlijk ook alleszins begrijpelijk, dat men in 1940 en 1941 de nieuwe aanpak van het oude probleem, dat met de desorganisatie der Nederl. Hervormde Kerk zo ten nauwste samenhing, gaarne zó duidde, dat „reformatie” vóór „reorganisatie” zou moeten gaan, een nieuwe geest in de Hervormde Kerk vóór en aleer het tot een nieuwe kerkorde komen mocht. Had men in de kerkelijke strijd vóór reorganisatie tot en met 1938 niet genoeg bittere ervaringen opgedaan, om de hier en ginds gehoorde kreet „zó niet weer!” te verstaan als een erkenning van de noodzakelijkheid, dat reformatie aan reorganisatie moet voorafgaan?

Toch hebben de vrienden van „Gemeenteopbouw”, die zich in de jaren 1940 en 1941 tegen de waarheid van Hoedemakers diepe inzicht poogden af te sluiten, dezelfde les moeten leren, die „Kerkopbouw” na de eerste twee jaren van haar werkzaamheid ook heeft geleerd: dat nl. de volle actualiteit en het wijde uitzicht eerst in dit kerkelijk opbouw-werk komen, wanneer men zich met de vragen van kerkorde en kerkrecht gaat bezighouden. Zeker, het hoofdbestuur van „Kerkherstel” heeft zich in diezelfde jaren 1940 en 1941 niet onbetuigd gelaten om de vrienden van „Gemeenteopbouw” over hun weerstanden tegenover de Hoedemakerse gedachtenwereld, waarin de reorganisatie als „de sleutel van heel de positie” verschijnt, heen te helpen. Maar daarnaast mag toch gesteld: Kraemer’s induiken in het probleem, dat zovele bijzondere Hervormde gemeenten te zien gaven, leerde hem steeds duidelijker in de loop van 1941, dat het niet verantwoord was de kerkrechtelijke zijde van het probleem der gedesorganiseerde kerkelijke samenleving nog langer buiten beschouwing te laten.

Als subcommissie van de Werkgroep „Gemeenteopbouw” werd in Februari 1942 de „Commissie voor beginselen van kerkorde” ingesteld (Handel. Synode, 1944, blz. 28). En

|97|

aan deze commissie werd het gegeven onder zeer moeilijke omstandigheden het z.g. Werkorde-ontwerp samen te stellen, dat aan een „Grote Synode” als ambtelijke vergadering en tegelijk vertegenwoordiging van de gehele Hervormde Kerk als eerste taak toewees „de Kerkorde voor te bereiden en vast te stellen”. In een achttal Additionele Artikelen bij het Algemeen Reglement en een 23-tal Invoeringsbepalingen bij deze Additionele Artikelen werd eigenlijk de wig in het oude besturen-stelsel ingedreven, dat intact scheen te blijven behoudens de uitschakeling van de oude Algemene Synode als „hoogste bestuurslichaam der Kerk”.

De bestuurlijke functies van deze oude Synode, voor zover zij voorlopig zouden moeten blijven doorgaan in onze Kerk, omdat b.v. de gehele onderbouw nog „bestuurlijk” bleef en uit de aard der zaak om een topleiding vroeg, die bij deze lagere bestuurscolleges der Kerk paste, zouden overgenomen worden door de Algemene Synodale Commissie. Voor alle geestelijke, typisch-kerkelijke zaken zou de opperste leiding toevallen aan de nieuwe Generale Synode (= de grote Synode van 45 leden, afgevaardigden uit alle Classes, predikanten en dienstdoende ouderlingen in de verhouding van 2 : 1), terwijl deze Generale Synode ook de wetgevende bevoegdheid voor heel de Kerk ontving en de rechtsprekende macht door bemiddeling en krachtens het optreden van een door die Synode zelf gekozen Commissie van 9 leden, alleen voor die gevallen, waar het een einduitspraak geldt.

Behalve de kerkelijke cassatie-rechtspraak, die aan de plenaire Algemene Synodale Commissie verblijven zou, precies als voorheen, zou een Commissie van vijf leden uit deze Algemene Synodale Commissie uit naam van deze recht te spreken hebben in alle gevallen, waarin vroeger de z.g. Synodus Contracta (vlgs. Art. 15 van het Algemeen Reglement van 1852) zou hebben moeten optreden.

Ik sprak daarstraks van een eerste taak der in te stellen Generale Synode, nl. het voorbereiden en vaststellen ener nieuwe kerkorde. Hetzelfde Additionele Artikel I, dat deze taak onder woorden bracht, liet daarop nog de formulering van drie andere hoofdtaken volgen. Het gehele Art. I luidde aldus:

|98|

Van de Generale Synode

De Nederlandsche Hervormde Kerk komt in Generale Synode bijeen.
Deze Synode heeft, in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en staande op den bodem der belijdenisgeschriften, inzonderheid de taak:
de Kerkorde voor te bereiden en vast te stellen;
te getuigen, met de Kerk in al haar geledingen, van het Evangelie van Jezus Christus tegenover overheid en volk;
leiding en vorm te geven aan den arbeid, waartoe de Kerk wordt geroepen op alle terreinen des levens;
gehoor te geven aan de roeping der Kerk inzake de eenheid der Christenheid.
Voorts zijn haar opgedragen de werkzaamheden, genoemd in invoeringsbepaling no. 9.”

De inhoud van dit artikel doet wel heel duidelijk zien, dat de „Grote Synode” in het ontwerp-Werkorde meer is dan een „constituante”. Haar worden toegekend, behalve de wetgevende en een deel van de rechtsprekende macht, de benoemingsrechten en de bevoegdheid om noodrecht af te kondigen, als de omstandigheden daartoe nopen (volgens de hoofdinhoud van Invoeringsbepaling 9), ook drie taken, die de in 1940 begonnen kerkelijke arbeid van de „Commissie voor kerkelijk overleg” en haar werkgroep „Gemeenteopbouw” in normaler kerkelijk verband bedoelen voort te zetten. Vandaar dan ook, dat de door Gemeente-opbouw gestempelde formule „in gehoorzaamheid aan de H. Schrift en staande op den bodem der belijdenisgeschriften” in de inzet van dit eerste Additionele Artikel weer opgenomen wordt. Vandaar ook, dat het Ille der Additionele Artikelen van de adviseurs der Synode spreekt, die als vertegenwoordigers van de meeste Raden, welke van 1940-1944 uit de „Commissie voor kerkelijk overleg” waren voortgekomen, naar alle zittingen van de Generale Synode zullen worden opgeroepen gedurende het kalenderjaar, waarvoor hun benoeming geldt. Gelukkig heeft de „Commissie voor beginselen van kerkorde” aan de aandrang vanuit de Kerk, welke tot uiting kwam in meerdere

|99|

consideraties der classicale vergaderingen, nadat het voorstel-Werkorde in eerste aanleg reeds aangenomen was, weerstand weten te bieden en een amendement tegengehouden, dat daartoe strekte deze adviseurs uit de Raden alleen ter Synode te roepen, als de zaken, op die bepaalde Raad betrekking hebbende, aan de orde kwamen. Met dit amendement zou de weg goeddeels gebarricadeerd zijn, die de „Commissie voor beginselen van kerkorde” trachtte te wijzen voor een harmonisch samengroeien van het werk der Raden met het direct synodaal-kerkelijk werk.

Nog twee onopvallend ingevlochten onderdelen van het ontwerp-Werkorde moge ik ten slotte vermelden, die beide zeer diepe inkepingen betekenden in het oude „bestuurlijke” synodale stelsel.

De Waalse reünie als Classicale Vergadering van het Waalse kerkressort zou als één der 45 classes steeds één afgevaardigde naar de Synode zenden, en dus niet meer, als voorheen bij de afvaardiging door de Provinciale Kerkbesturen van de 19 leden van de vroegere Algemene Synode, door haar Waalse Commissie bij toerbeurt soms zelfs twee stemhebbende leden in een Synode van 19 stemhebbende leden kunnen aanwijzen, terwijl het totale zielental van het Waalse ressort niet ver over de 5000 kwam!

Ten tweede zou uit Art. 62 van het Algemeen Reglement de bepaling komen te vervallen, dat alle door de Synode definitief (dus: tot tweemaal toe) aangenomen wetsvoorstellen nog aan de hoofdelijke eindstemming van de leden der Provinciale Kerkbesturen en der Waalse Commissie moesten worden onderworpen. In het „bestuurlijke” stelsel, waarbij de Algemene Synode eigenlijk de top van de hiërarchische ladder betekende, mocht deze rem van het veto-recht der Provinciale Kerkbesturen soms nuttig werk gedaan hebben, en dus in zekere zin te verdedigen zijn, nu de wetgevende macht kwam te rusten in handen van een ambtelijke vergadering, die in gehoorzaamheid aan de H. Schrift en staande op de bodem der belijdenisgeschriften had te oordelen en besluiten te nemen, zou het veto-recht alleen maar storend kunnen werken, vooral als men bedenkt, dat de Generale Synode waarlijk heel de Kerk vertegenwoordigde,

|100|

en bovendien voor ingrijpende wetgevende zaken (b.v. bij de vaststelling der kerkorde) in dubbel getal zou moeten worden opgeroepen volgens Invoeringsbepaling no. 20 1.

Het voorstel om te komen tot een „kerkelijk verantwoorde Werkorde” kwam tegelijk met een begeleidend schrijven van de Commissie voor beginselen van kerkorde, die het opgesteld had, in een buitengewone zitting der Algemene Synode op 24 April 1944 in behandeling. In deze begeleidende missive berichtte de Commissie haar huidige samenstelling (Prof. Mr P. Scholten, Prof. Dr S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel, Dr E. Emmen, Ds K.H.E. Gravemeijer, Ds A.A. van Ruler, Prof. Dr J. Severijn, Dr H. de Vos en Dr H.M.J. Wagenaar) en maakte tevens melding van het bedanken als commissie-lid door Prof. Bakhuizen van den Brink uit Leiden, die zich blijkbaar als aanhanger van Rudolf Sohm’s kerkrechtelijke theorieën in de koers, die de Commissie varen wilde met haar opkomen voor de zinvolle verbinding van de begrippen Kerk en recht — zelfs „goddelijk recht” — niet heel lang vinden kon. Verder werd natuurlijk ook gememoreerd, hoe de Voorzitter, Prof. Scholten, een tijdlang afwezig moest zijn door zijn gedwongen verblijf, onder Duits toezicht, in Limburg, en hoe zijn vervanger, Prof. Kraemer, al spoedig als gijzelaar gevangengenomen werd, evenals ook Ds K.H.E. Gravemeijer. De Commissie legde er voorts nogal nadruk op, dat zij over haar voorstellen overleg gepleegd had „met eenige vooraanstaande figuren uit de Hervormde Kerk”, .... „die allen verklaard hebben zich met den inhoud dezer voorstellen te vereenigen en bereid te zijn ze in hun kring te steunen” (Handel. Synode, 1944, blz. 29).

Na breedvoerige discussies in de Synode van April 1944, waarbij over het algemeen het ontwerp-Werkorde met grote dankbaarheid gunstig bleek te zijn ontvangen, en nadat nog een paar kleinere wijzigingen betreffende het aantal leden der Algemene Synodale Commissie en de taak, de eerste


1 Het uitschakelen van het veto-recht in het Werkorde-ontwerp wordt doeltreffend en krachtig verdedigd door Ds A.J. Bronkhorst in zijn Op weg naar een nieuwe Kerkorde, Amsterdam, 1945, blz. 49-50.

|101|

zitting van de in te stellen Generale Synode te openen 1, waren aangebracht, werd het voorstel met algemene stemmen aanvaard (Handel., 1944, blz. 53).

Gelet op de gang der discussies in deze buitengewone Synode, moge dit resultaat misschien met reden enigszins geflatteerd genoemd worden, de uitslag demonstreert niettemin heel sterk, dat er een uitgesproken verlangen bij de verantwoording dragende leden der Kerk was gaan leven, om de kwestie der reorganisatie niet langer uit te vechten met de machtsfactor van een stemmen-meerderheid.

Dit teken des tijds als blijk van kentering in kerkelijke „tijden en stonden” spreekt nog te meer, als men bedenkt, dat ook de Synode onmiddellijk na de tweede behandeling van deze voorstellen, vooral overwegende de inmiddels ingekomen consideratiën der Kerk, wederom met algemene stemmen besloot het ontwerp-Werkorde definitief te aanvaarden en aan de hoofdelijke eindstemming van de leden der Provinciale Kerkbesturen en der Waalse Commissie te onderwerpen (Handel., 1944, blz. 212). Dit merkwaardige votum had plaats op de 26e Juli 1944, nadat de Synode twee volle dagen in het bijzijn van de als gast aanwezige leden van de „Commissie voor beginselen van kerkorde” over het ontwerp gediscussieerd had aan de hand van een zeer uitvoerig en nauwkeurig rapport van de Commissie voor de consideratiën. De Handelingen der Synode van 1944 wijden aan de behandeling van deze zaak ongeveer 65 bladzijden druks. Enkele vanuit de Kerk aanbevolen amendementen worden uiteindelijk door de Synode overgenomen. Het zijn met name twee invoegingen, een in Art. IV der Additionele Artikelen en een in Invoeringsbepaling no 22, die beogen voor besluiten, die betrekking hebben op de belijdenisgeschriften en voor het besluit tot definitieve vaststelling der nieuwe kerkorde in de verdubbelde Synode een gequalificeerde meerderheid van ⅔ te eisen.

Door de oorlogsomstandigheden kon de hoofdelijke eind-stemming der leden van Provinciale Kerkbesturen en Waalse


1 Ds J. Boonstra drong er sterk op aan, dat de oudste in diensttijd van de afgevaardigde predikanten deze taak zou opgedragen krijgen, en niet de secretaris van de Algemene Synodale Commissie, zoals de Commissie aanvankelijk voorgesteld had.

|102|

Commissie in November 1944 niet plaatsvinden. Alles bleef verder in deze laatste vreselijke oorlogswinter liggen, tot de inmiddels ingestelde Urgentie-raad het waagde, kort na de bevrijding, de vergaderingen van de Provinciale Kerkbesturen en van de Waalse Commissie, waarin de eind-stemming zou moeten worden gehouden over het voorstel-Werkorde, te stellen op 25 Juli 1945 (Handel. Synode, 1945, blz. 15). Deze eindstemming bracht met de ongekende meerderheid van 62 tegen 2 stemmen het voorstel over de eindstreep. Slechts twee leden van het Provinciaal Kerkbestuur van Drente stemden tegen. Op het historische ogenblik, waarop deze uitslag in de Synode van 1945 vastgesteld was geworden, verrichtte de secretaris, Ds Gravemeijer, de symbolische daad, en bedekte ostentatief de reglementenbundel der Kerk met de Bijbel!

Toen kwamen de voorbereidingen, om de classicale vergaderingen tijdig te doen bijeenkomen ter aanwijzing van de afgevaardigden, met hun secundi en tertii, naar de eerste Generale Synode volgens de Werkorde, die op 31 October 1945 in Amsterdam in de Nieuwe Kerk bijeenkwam. Op Dinsdag 11 December 1945 werd in een voortgezette zitting der Generale Synode in den Huize „Blankenburg” te Wassenaar de nieuwe „Commissie voor de Kerkorde” benoemd, waarmede de Generale Synode derhalve haar eerste hoofdtaak volgens Art. I van de Additionele Artikelen onverwijld aanvatte.

De Synode was blijkbaar niet van plan om het „generaties” te laten duren, zoals in vele vergaderingen der Kerk en in de Algemene Synode van 1944 door meerderen uitgesproken was, vóór en aleer zij in het kader der Kerkorde als interim-Synode voorgoed terugtreden mocht. Naast de leden van de „Commissie voor beginselen van kerkorde”, die haar ontwerp-Werkorde aangenomen zag, en de Moderamen-leden van de Generale Synode van 1945 worden in de nieuwe reorganisatie-commissie benoemd: Ds J. Boonstra, Mr Vixseboxse, en schrijver dezes. Prof. Dr H. Kraemer had verzocht buiten de Commissie te mogen blijven vanwege zijn tijdrovende buitenlandse betrekkingen. De benoeming van Mr Vixseboxse, als lid van de Algemene Kerkvoogdijraad, onderstreepte kennelijk, dat de nieuwe te ontwerpen

|103|

kerkorde ook een proeve zou moeten bevatten van oplossing van het zo gevoelige „beheersvraagstuk”. In alle vorige reorganisatie-ontwerpen was dit probleem opzettelijk buiten beschouwing gelaten. Thans liet de Synode doorschemeren, dat zij een oplossing beproefd wilde zien, maar dan langs de weg van overleg en minnelijke schikking tussen bestuurs- en beheersinstanties in de Nederl. Hervormde Kerk.

In hetzelfde hotel-pension te Nunspeet, waar ook de Werkorde-Commissie vergaderd had, kwam de nieuwe Kerkorde-Commissie gewoonlijk iedere maand van Donderdag tot Zaterdag samen. Zij begon met grote dankbaarheid een schetsontwerp van de hand van Dr H.M.J. Wagenaar als leidraad te gebruiken. Overeenkomstig een in de Generale Synode van 11 Dec. 1945 reeds uitgesproken wens kreeg zij in de tijd van haar voorbereiding van de nieuwe kerkorde met bijbehorende ordinanties ook de gelegenheid om officiële deputaties van andere kerken te ontvangen en ook met hen over de hoofdlijnen der nieuwe kerkorde te spreken. Voor zover deze officieel door de Generale Synode uitgenodigde deputaties uit de Geref. Kerken in Nederland (synodaal) kwamen, zat bij de aanmoediging van deze samensprekingen natuurlijk het diepe inzicht voor, dat het kerkelijk vraagstuk in Nederland eerst in grote stijl opgelost kan heten, wanneer de hereniging met die kerken, die in de 19e eeuw uit de Afscheiding en de Doleantie werden geboren, nadrukkelijk als leidstar aan de reorganisatie-commissie voor ogen kwam te staan.

Ten aanzien van de andere kerken, die vroeger of later uitgenodigd werden deputaten naar Nunspeet te zenden, gold alleen de eis van het oecumenisch verband, behalve misschien met betrekking tot de Remonstrantse Broederschap. Dat deze eisen van oecumenisch verband echter klemmend genoeg zijn, zal wel blijken uit wat in § 1 van het „Beschrijvend Gedeelte” reeds dadelijk ter sprake moet komen.

Menigmaal heeft de Generale Synode bij monde van een of meer van haar leden in de jaren 1946 en 1947 de wens uitgesproken van de vorderingen der „Commissie voor de Kerkorde” bij hun omvangrijk werk wat meer bijzonderheden te vernemen.

De Commissie was terecht zeer bevreesd voor ontijdige

|104|

publicatie van inhouden der nieuwe kerkorde, die nog telkens aan verandering onderhevig blijven moesten. Ook al vanwege de noodzaak der coördinatie van de kerkorde-artikelen met de inmiddels stuk voor stuk klaargekomen ordinanties; en niet minder vanwege de noodzakelijke coördinatie van de ordinanties onderling. In de maand Januari van het jaar 1947 echter kwam de Commissie er toe enkele „richtlijnen” te ontwerpen voor de bespreking van het onderwerp „De komende Kerkorde” in de eerlang bijeen te roepen classicale vergaderingen. Zij werden in de Generale Synode van Blaricum op 28 Februari 1947 aanvaard en omdat ik in de samenstelling er van nogal de hand gehad heb, is de verklaring mijnerzijds al heel weinig opzienbarend, dat ik mij in deze tekening van de voornaamste perspectieven bij de structuur van het bestek der nieuwe kerkorde zó goed vinden kan, dat ik de lezers van dit handboek voor Nederl. Hervormd Kerkrecht gaarne raden wil, de bewuste Richtlijnen, enz., afgedrukt op de bladzijden 139-142 van de Handelingen der Synode van 1947, eens rustig te bestuderen, voordat men zich tot de lezing van het „Beschrijvend Gedeelte” van dit boek zet.

Ik moge deze bladzijden met kleine letter plaats geven:

Richtlijnen voor de bespreking van het onderwerp:
„De komende Kerkorde”
.

1. De groote belangstelling, die er zonder twijfel in onze Kerk bestaat voor den inhoud der nieuwe, thans in voorbereiding zijnde, kerkorde, kan alleen dan recht gericht heeten, wanneer zij in het verlengde ligt van wat de reeds ingevoerde, kerkelijk verantwoorde werkorde op dit onderhavige punt mocht en moest doen verwachten. Belangstelling voor deze materie, welke in den grond der zaak geboren werd uit de zondige partij-verhoudingen in onze Kerk, mag tot geen prijs bevredigd worden, omdat het onderling wantrouwen en de sfeer van achterdocht, die met de partijschap in de Kerk gegeven is, een zeer ongeschikte bodem is om het zaad van een nieuwe kerkorde op de juiste wijze te ontvangen. Komt de Generale Synode aan dit soort verlangen naar nadere voorlichting omtrent de details van de komende kerkorde tegemoet, dan is het gevaar groot, dat straks blijken zal, dat wij van 1939 tot 1946 tevergeefs samen geleefd en geleden en gestreden hebben in onze oude volkskerk en dat de discussie over de richtlijnen der komende kerkorde eenvoudig een repetitie te zien zal geven van zoo menig onverkwikkelijk debat over het reorganisatie-ontwerp-1938.

2. De „kerkelijk verantwoorde Werkorde” van 1945, die thans kerkelijke wet is, na met zoo verrassend groote meerderheid van stemmen door de leden

|105|

onzer Provinciale Kerkbesturen definitief aanvaard te zijn, is veel meer dan een simpele wetsverandering, waarbij eindelijk „de groote Synode” aanvaard werd. Zij toont heel duidelijk, een vrucht te zijn van den arbeid van een Commissie, welke zich intens met „de beginselen eener nieuwe kerkorde” had beziggehouden en opent onmiskenbaar reeds vergezichten op het hoofdbestek voor de toekomstige kerkinrichting. Met deze vergezichten zal heel onze Kerk hoe langer hoe meer moeten gaan medeleven, want zij staat nu reeds meer dan een jaar op den grond, waar reeds de hoofdlijnen voor de nieuwe behuizing onzer Christus-belijdende Volkskerk duidelijk uitgezet staan volgens de thans geldende Additioneele Artikelen bij het Algemeen Reglement.

3. Het eerste perspectief, dat vanuit de werkorde-bepalingen op de komende kerkorde geopend wordt en waar de Commissie voor de Kerkorde bij haar arbeid steeds mede gerekend heeft, is de terzijdestelling der geheele 19e eeuwsche, kerkelijk zeker niet verantwoorde, bestuursinrichting onzer Kerk, waardoor deze nu al meer dan een eeuw lang zoo zwaar belemmerd werd, hare roeping als Kerk van Christus midden in ons volksleven te vervullen. De werkorde werd kerkrechtelijk op zoo duidelijke wijze interimair ingevoegd in ons Algemeen Reglement, dat wij wel moeten inzien, hier met een inkeeping in het oude besturen-stelsel te doen te hebben, welke van zulk een aard is, dat zij om consequenties roept voor de gansche structuur onzer kerkelijke samenleving. Als de Nederlandsche Hervormde Kerk in haar geheel „bijeenkomt in Generale Synode” (Add. Art. I), dan zal de consequentie toch niet ontweken mogen worden, dat ook de Hervormde Kerk regionaal, nl. provinciaal en classicaal, moet kunnen bijeenkomen in een wettige, ambtelijke, presbyteriaal ingerichte vergadering.
Een uitgesproken episcopaalsch-liturgisch type van kerkorde is daarmede reeds voor ons uitgesloten. Hiermede is echter allerminst gezegd, dat de komende kerkorde bij de oefening van het opzicht de persoonlijke vertrouwenshouding niet zal moeten weten te eeren. Ook voor de inrichting van den eeredienst zal zij meer orde moeten eischen dan de huidige reglementaire organisatie doet. En wanneer de idee van den „notabelen kerkbestuurder”, die in de organisatie onzer Nederlandsche Hervormde Kerk sedert 1816 troef was, ten aanzien van de leden der Generale Synode uitgeschakeld wordt om plaats te geven aan de idee van het geestelijk ambt, zal dan de consequentie niet eischen, dat deze idee ook beheerschend wordt voor de Provinciale Kerkvergadering en de Classicale Vergadering, welker taak het is de orde voor het leven en werken der Kerk van Christus mede te onderhouden?
De uitdrukking „kerkelijk verantwoorde werkorde” is reeds een gevleugelde aanduiding voor den hefboom geworden, waarmede het onkerkelijke besturenstelsel van na 1816 uit zijn voegen gelicht is. Men late dit „kerkelijk verantwoord” vooral niet klankloos worden ten gunste van een al te activistische uitlegging van het woord „werken” in werk-orde. In „kerkelijk verantwoord” ligt zeer stellig een onderstreping van den eigen aard eener kerkelijke samenleving en een erkenning van gebondenheid aan Recht van goddelijke orde voor een kerk, die waarlijk Kerk, d.i. openbaring van de

|106|

eene, heilige, algemeene Christelijke Kerk wil zijn. Daarmede is gevonnist de kerkorganisatie, die wij thans nog hebben en daarmee wordt in een door het mysterie der Christusopenbaring bepaalde richting gewezen voor de nieuwe kerkorde, die de Generale Synode volgens het eerste Additioneele Artikel der werkorde als haar eerstaangelegen hoofdtaak heeft voor te bereiden en vast te stellen.

4. Het tweede perspectief, waardoor de Commissie voor de Kerkorde zich bij haar arbeid wilde en moest laten leiden, was ook reeds in en met de werkorde gegeven. Het is gelegen in het gespannen verlangen om aan hare apostolisch-missionaire en oecumenische roeping te midden van ons volk getrouw te zijn en met het oog daarop alle krachten in te schakelen, die vóór dezen laatsten oorlog in vereenigings-kader en niet krachtens kerkelijke opdracht een missionaire taak in de Woord- of daadzending vervulden. Dr E. Emmen schreef volkomen terecht in het Weekblad van de Hervormde Kerk van Zaterdag 4 Januari 1947: „Anderzijds beseft de Commissie (voor de Kerkorde) terdege, dat zij, nu de organisatie van 1816 de Kerk ten aanzien van haar eigen leven en haar opdracht in de wereld zooveel schade heeft berokkend, welbewust een bestek moet leveren, waar de Kerk in haar huidige ontwrichting en in de ontkerstening van het Nederlandsche en Europeesche geestesleven dienende en belijdende, missionaire en apostolische Kerk zal kunnen zijn”.
Reeds in de omschrijving, welke de kerkorde in Add. Art. I van het Algemeen Reglement gaf van de verdere hoofdtaken der Generale Synode, lag dit perspectief duidelijk besloten. De apostolische zending der Kerk tegenover Overheid en Volk wordt er in onderstreept. Het is dus geen wonder, dat de Commissie voor de Kerkorde in de uitwerking van de functiën van ambten en bedieningen bijzondere aandacht moest schenken aan dit apostolisch-missionair motief en mitsdien bv. bij de omschrijving van de functiën van den dienst des Woords ook sterk te rekenen heeft met den zendingsarbeid, de herkersteningstaak en het getuigenis der Kerk jegens de Overheid om de door God geboden levensorde in het volk te bewaren en te herstellen.
Het leiding en vorm geven aan den arbeid, waartoe de Kerk wordt geroepen „op alle terreinen des levens”, zooals de werkorde daaraan reeds accent gaf bij de omschrijving van de derde taak der Generale Synode (Add. Art. I), opent nadrukkelijk het uitzicht op een besteklijn in de komende kerkorde, welke de organische plaats, die allerlei raden, commissies en werkgroepen in onze kerkelijke samenleving zullen moeten hebben, duidelijk aangeeft. De ambtelijke vergaderingen zullen bij de differentiatie en specialisatie van ons Christelijke leven in de toekomst van zulke organen van bijstand veelvuldig gebruik moeten maken, zonder daarbij haar ambtelijke verantwoordelijkheid prijs te geven en zonder deze adviseerende organen te laten ontaarden tot wat Rome in haar geestelijke orden en congregaties bezit.
De laatste hoofdtaak van de Generale Synode volgens onze huidige werkorde (Add. Art. I) opende voor de Commissie, die de nieuwe kerkorde moet voorbereiden, het oecumenisch perspectief.
Krachtiger dan voorheen gevoelen wij thans de roeping der Kerk inzake de

|107|

eenheid der Christenheid. De toekomstige kerkorde zal het oecumenisch streven, verdiept en gelouterd, en klaarder gericht door de onderscheiding tusschen „verband” met andere Kerken èn „hereeniging” met Kerken in Nederland, waarmede eenheid of verwantschap in geloof en kerkorde bestaat, zeer opzettelijk moeten bedding geven.

5. Het derde perspectief, dat voor de Commissie voor de Kerkorde bij al haar werk gedurende 1946 uiteraard richtinggevend was, is de aanvaarding van het normeerende karakter van Schrift en Belijdenis, ook voor onze kerkelijke samenleving. Het gehoorzamen aan de H. Schrift en het staan op den bodem van de belijdenisgeschriften kan en mag immers niet alleen gelden voor de Generale Synode (Add. Art. I, Algemeen Reglement), maar moet eveneens geldig geacht worden voor de minder breede kerkelijke vergaderingen. En ook voor alle ambtsdragers in onze Kerk; en voor alle kerkleden zelfs, die vol-bewust aan het leven der Kerk willen deelhebben.
Als de Nederlandsche Hervormde Kerk in waarheid een openbaring wil zijn van de eene, heilige, algemeene, Christelijke Kerk, zal zij, als deze, zich richten naar de belijdenis der Vaderen, zooals die vervat is in de oecumenische symbolen, terwijl deze zelfde Hervormde Kerk, als stammende uit het Gereformeerd Protestantisme hier te lande, ook op den bodem van den Heidelbergschen Catechismus en de Nederlandsche Geloofsbelijdenis met de Dordtsche Leerregels zal staan.
De Heilige Schrift blijft daarbij als eenige bron der prediking en als eenige regel des geloofs de laatste norm voor het zuivere belijden onzer Kerk. Het staan op den bodem der belijdenisgeschriften in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift dient de Kerk nimmer te realiseeren in een starre standbeeldpositie, doch actueel te demonstreeren in het levend en beweeglijk getuigen van haar Hoofd en Heer. De Kerk belijdt in haar prediking, getuigenissen, herderlijke brieven, kerkliederen, gebeden, formulieren en leerboeken telkens opnieuw den Christus als Hoofd der Kerk, en als Heer der Wereld. Als onze Volkskerk een Christus-belijdende Kerk wil wezen, zal zij gehouden zijn van al hare organen, ambten en bedieningen te vorderen zich te blijven bewegen in den weg van het belijden der Kerk. Indien geboden, zal de Kerk ook metterdaad moeten weren, wat haar belijden weerspreekt op een wijze, dat de grondslagen van haar rechte leven zouden worden ondermijnd. Het kerkelijk opzicht over leer en leven van ambtsdragers en gemeenteleden blijve daarbij steeds gegrond in de barmhartigheid van den Heer der Kerk, Die oneindig geduldig is tegenover wie Hem niet volgen in den geijkten weg, doch Die tevens uit deernis met de schare Zijn heilgeheim in de kerkelijke verkondiging niet kan laten profaniseeren. Het opnemen van de belijdenis-vragen en van de proponentsformule in daartoe strekkende nog te ontwerpen liturgische formulieren zal bovendien een statutair-wettisch hanteeren van deze maatstaven voor den weg van het belijden der Kerk kunnen voorkomen.
Men bedenke, dat de Kerk, bewogen over het normlooze en chaotische leven van duizenden, geroepen is het volk te wekken tot gehoorzaamheid aan Christus, Die, de schare ziende, met ontferming bewogen is.

|108|

6. Het vierde en laatste perspectief, waarvoor reeds onze werkorde de sluiers wegtrok, en dat de nieuwe kerkorde dus zal moeten concretiseeren, is het op hun volle kerkelijke plaats brengen van het diaconaat en de kerkvoogdij. Reeds thans is onder de werkorde een eerste stap op dezen weg gezet door de beteekenis, die aan de adviseurs van den Algemeenen Diaconalen Raad en aan den Algemeenen Kerkvoogdij raad gegeven wordt in Generale Synode en Algemeene Synodale Commissie. In de komende kerkorde zal dit over heel de linie in de ambtelijke vergaderingen der Kerk moeten worden uitgewerkt. Als diakenen èn kerkvoogden daarbij ten volle als „ambtsdragers” kerkordelijk kunnen worden aanvaard, zullen beide groepen van alle kerkelijke vergaderingen, te beginnen met de kerkeraden, ook als leden met concludeerende stem deel kunnen uitmaken.
Daarmede zou ten aanzien der diakenen een hinken-op-twee-gedachten weggenomen zijn, wat de vraag betreft, of zij ten volle deel van den kerkeraad uitmaken, en ten aanzien van de kerkvoogdijen zou een oud en netelig probleem, dat van „Bestuur en Beheer”, waaromtrent de Additioneele Artikelen èn de Invoeringsbepalingen der werkorde reeds duidelijk toonen, dat er hoopvol mede geworsteld werd, tot een gelukkige oplossing zijn gebracht.

 

Op Maandag 24 November 1947 was de gewichtige dag aangebroken, waarop in de Domkerk te Utrecht door de „Commissie voor de Kerkorde” het boekdeel, dat het resultaat van haar arbeid was, met een speech van haar Voorzitter, Prof. Berkelbach van der Sprenkel, aan de Generale Synode werd aangeboden.

Op Donderdag 8 Januari 1948 besprak de Generale Synode reeds uitvoerig de procedure van behandeling van kerkorde en bijbehorende ordinanties en benoemde een Centrale Commissie van Rapport onder voorzitting van Dr H.J. Honders en daarnevens een tiental subcommissies, die elk een of meer ordinanties te bestuderen kregen, zodat alle Synodeleden in dit belangrijke commissoriale werk betrokken werden. Aan de heren Prof. Dr A.A. van Ruler en Dr H.M.J. Wagenaar, leden van de Commissie van eindredactie voor het Nunspeetse kerkorde-ontwerp, werd verzocht de vergaderingen der Synode, waarin over de nieuwe voorstellen zou gehandeld worden, te willen bijwonen en van hun adviezen te willen dienen.

Op Woensdag 14 Juli 1948 komt de Generale Synode reeds gereed met de behandeling van de artikelen der kerkorde, die het constitutieve recht voor onze Hervormde Kerk onder woorden bracht, en besluit met algemene stemmen

|109|

deze in eerste lezing te aanvaarden met dien verstande, dat de punten „ouderling-kerkvoogd” en „de vrouw en het ambt” nog open bleven staan, terwijl bovendien het voorbehoud gemaakt werd, dat „na de behandeling van de ordinanties nog wijzigingen zullen kunnen worden aangebracht” (Handel., 1948, blz. 191). Op soortgelijke wijze werd daarna gehandeld met iedere ordinantie, nadat zij artikelsgewijs behandeld en, zo nodig, geamendeerd was.

Op Vrijdag 14 October 1949 wordt de Kerkorde met de ordinanties met 39 stemmen vóór en 3 stemmen tegen in eerste lezing aanvaard om aan de Kerk ter consideratie te worden voorgelegd, overeenkomstig alin. 1 en 2 van de Invoeringsbepaling 20 bij het Algemeen Reglement.

Op Dinsdag 10 Januari 1950 komen in de Generale Synode de Overgangsbepalingen, behorende bij de eerste lezing van de Kerkorde der Nederl. Hervormde Kerk, voor het eerst in behandeling. Zij worden de 18e Februari 1950 in eerste lezing vastgesteld en aan de Kerk ter consideratie toegezonden, na uitvoerige bespreking en amendering in de Synode (Handel., 1950-1951, Dl. I, blz. 525). Deze consideraties zouden worden ingewacht en voor de tweede, definitieve beoordeling van het grote Kerkorde-ontwerp worden behandeld tegelijk met de consideraties op de kerkorde en de twintig daarbij behorende ordinanties.

Het rapporteren over al deze consideraties was een reuzenwerk. Geen wonder, dat de synodeleden, die in dit commissioriale werk betrokken waren, daarvoor tijd nodig hadden. Zij slaagden er in een zeer overzichtelijk rapport over al die consideraties met meer dan 6000 amendementen samen te stellen, dat op zichzelf ook reeds weer een boekdeel vormde.

Op de 20e November 1950 kwam de Generale Synode in dubbele sterkte op „Woudschoten” samen voor de slotbehandeling van de voorstellen. Het Moderamen had terecht geoordeeld, dat het dienstig was de tweede afgevaardigde uit iedere classis, die naar de letter der Invoeringsbepaling 20, alin. 4, bij de Werkorde, slechts bij de eindstemming op te treden had, van meet af als gast ter Synode te nodigen bij de gehele tweede behandeling van het ontwerp-Kerkorde, en hem zelfs in de gelegenheid te stellen aan de discussies deel

|110|

te nemen, echter uitdrukkelijk zonder concluderende stem, omdat alleen de enkelvoudige Synode de bevoegdheid had het Ontwerp in de definitieve vorm te brengen, waarover dan de Synode van 90 leden stemmen moest.

Het belangrijkste van de vaak niet geringe wijzigingen, die van de eerste en tweede behandeling van de Kerkorde met de ordinanties in de Synode het gevolg waren, zal verwerkt worden in het „Beschrijvend Gedeelte” van dit werk. Onder grote spanning volgde op 7 December 1950, nadat ieder synodelid in de gelegenheid gesteld was zijn stem nader te motiveren, deze eindstemming.

Als een wonderlijk geschenk van God werd aan onze Kerk het nieuwe „kerkelijk verantwoorde” kerkrecht gegeven met 76 tegen 14 stemmen. Vijf jaren na de instelling van de „Commissie voor de Kerkorde” en drie jaren nadat deze Commissie haar voorstellen (behalve de Overgangsbepalingen) had aangeboden, was de principiële herordening van het Hervormd-kerkelijk leven een feit geworden onder de voortreffelijke leiding van een praeses der Synode, Ds H.J.F. Wesseldijk, die zonder aan te jagen toch met grote rust en zakelijkheid op het doel aanwerkte, dat hij in zijn onvergetelijke slottoespraak op 7 December 1950 als „de heling van het altaar” zo treffend aanduidde.

 

Litteratuur

Belangrijke litteratuur bij deze § 8 van het „Historisch Gedeelte”: De Handelingen der Synode van 1940 tot en met het eerste halfjaar van 1950; Prof. Dr H. Kraemer, De Nood der Kerk, 1940; Prof. Dr Th.L. Haitjema, Handelen naar de opdracht der Kerk of leven uit de belijdenis?, Wageningen, 1941; Prof. Dr H. Kraemer, De Roeping der Kerk ten aanzien van de wereld en van het Nederlandsche volk, ’s Gravenhage 1945; De Reglementen der Ned. Herv. Kerk, officiële uitgave op last van de Algem. Synodale Commissie, 8e druk (tweede nooduitgave), ’s Gravenhage, 1948; Ds A.J. Bronkhorst, Op weg naar een nieuwe Kerkorde, Amsterdam, 1945; Het Ontwerp-Kerkorde, zoals dit aan de Synode werd aangeboden; ’s Gravenhage, 1947; Dr A.A. van Ruler, De belijdende Kerk in de Nieuwe Kerkorde, Nijkerk, 1948; Dr A.A. van Ruler, Het apostolaat der kerk en het ontwerp-kerkorde, Nijkerk, 1948; Rapport van de Studiecommissie voor de Kerkorde, uitgebracht aan het Hoofdbestuur der Vereeniging van Vrijzinnige Hervormden in Nederland, Dl. I en II, Assen, 1950; Verzamelde Rapporten over de aangeboden Kerkorde, opgemaakt door de Kerkorde-Commissie van de Gereformeerde Bond, April 1950; Ontwerp-Kerkorde, Advies van de

|111|

Commissie voor civiel-rechtelijke vraagstukken, September 1950; De Vrouw en het Ambt, Rapport, besproken door de Generale Synode in haar zittingen van 20 en 21 Maart 1950; Fundamenten en Perspectieven, Den Haag, 1949; Het Ontwerp-Dienstboek; Dl. I, 1949; Dl. II, 1950; Rapport over Fundamenten en Perspectieven, uitgebracht door de Vrijzinnige Hervormde Studie-commissie, Assen, 1950; Prof. Dr Th.L. Haitjema, Het eerste doel bereikt. Verantwoording inzake Kerkherstel, Wageningen, 1951.

Haitjema, Th.L. (1951) II

|112|

II. Beschrijvend gedeelte

1

 


1 In dit „Beschrijvend Gedeelte” wordt naar de kerkorde verwezen met K., gevolgd door een romeins cijfer, aanduidende het artikel; daarna volgt meestal het cijfer, dat de alinea aanduidt; naar de ordinanties verwijs ik met O., onder aanduiding van het nummer der ordinantie, gevolgd door het cijfer van het artikel èn het cijfer van de betrokken alinea uit het artikel. De Rapporten van de commissie van rapport, betrekking hebbende op de consideraties der Kerk op het in eerste lezing door de Generale Synode aanvaarde ontwerp-Kerkorde, worden kortweg als „Rapporten” geciteerd.

Haitjema, Th.L. (1951) II.1

§ 1. De Nederl. Hervormde Kerk naar haar wezen en in haar oecumenische verbanden.

 

„De Nederlandse Hervormde Kerk, overeenkomstig haar belijdenis openbaring van de ene heilige katholieke of algemene Christelijke Kerk, bestaat uit al de Hervormde gemeenten, waartoe mede worden gerekend de Waalse, Presbyteriaans-Engelse en Schotse gemeenten in Nederland, alsmede de in haar verband opgenomen Nederlandse Hervormde gemeenten buiten Nederland” (K. I).

Tweeërlei stijl is in de omschrijving van wat de Nederl. Hervormde Kerk, waarover het verder in de kerkorde en de bijbehorende ordinanties gaan zal, naar haar wezen is en hoe zij wordt gevormd, heel duidelijk te ontdekken.

Als wij afzien van de tussenzin, die ik cursief liet drukken, treft ons de overeenkomst in stijl met het vroegere Art. 1 van het Algemeen Reglement van 1852. Het is de stijl, die juristen het gemakkelijkst dienen kan, wanneer zij het kerkrecht moeten hanteren op hetzelfde niveau, waarop zedelijke lichamen of rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen hun reglementen laten lezen en toepassen.

Het is niet van betekenis ontbloot, dat deze stijl ook in Art. 1 van de pas in werking getreden kerkorde zich deed gelden. Er mocht geen ogenblik twijfel ontstaan over de vraag, of de Kerk, waarvan de nieuwe kerkorde handelen wilde, wel dezelfde Kerk was, die in het Algemeen Reglement van 1852 omschreven werd zoals zij daar omschreven werd.

Doch nu is het niet minder belangrijk, dat in de cursief gedrukte tussenzin de echt-kerkelijke stijl aanstonds al doorbreekt.

Want dat er een geheel nieuwe kerkorde komen moest, was

|113|

toch immers vooral hierom noodzakelijk, omdat wij van 1816 af eigenlijk zuchtten onder een verburgerlijking van ons Geref. kerkrecht, waarbij de Kerk niet meer als „van eigen rechte” kon worden gezien, doch zich had te voegen in de burgerrechtelijke kategorieën van een „genootschap”, dat niet anders was dan een speciale verschijningsvorm van de „vereniging” in onze burgerlijke samenleving.

De cursief gedrukte zin in Art. I der Kerkorde herinnert er ons weer aan, dat het wezen der Kerk door haar geloofsbelijdenis bepaald en omschreven wordt. Kerkorde-artikelen en kerkelijke verordeningen en reglementen moeten transparant laten worden, wat op het stuk van het wezen der Kerk in de geloofsbelijdenis beleden wordt.

Daarmede krijgt Mr Groen van Prinsterer gelijk, die in zijn dagen reeds zo tegen de pretenties van de 19e-eeuwse kerkelijke reglementen te worstelen had en niet ophield van te betogen, dat de „Hervormde gezindheid” niet uit de reglementen, maar uit de confessie van het klassieke Geref. Protestantisme afgelezen moet worden.

En wat zegt die „belijdenis” dan over het wezen der Kerk? Zij zegt allereerst, dat onze Nederl. Hervormde Kerk gezien mag worden en beleden moet worden als „openbaring van de ene heilige katholieke of algemene christelijke Kerk”.

Onze Kerk is naar haar wezen openbaring van de Una Sancta. Hier staat niet: deel van de Una Sancta 1, hoewel dit woord juridisch ietwat gemakkelijker te hanteren zou zijn. Hier staat het specifiek-theologische woord „openbaring”. Dat betekent zonder twijfel dit: dat wij, in onze Kerk staande en „in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen” mee belijdende (K. X), in deze onze Kerk de levenskrachten en levensuitingen van de Una Sancta mogen belijden, wanneer wij met de aloude Apostolische Geloofsbelijdenis uitspreken: „ik geloof één heilige, algemene (katholieke), christelijke Kerk”.

Tegelijkertijd schuilt in de voorkeur voor de uitdrukking „openbaring van de Una Sancta” ook een ontzaglijk grote distantie tussen de empirische Nederl. Hervormde Kerk en de Una Sancta. Deze Hervormde Kerk, zoals zij empirisch


1 gelijk in Art. 1 van het „Kerkopbouw”-ontwerp van 1934.

|114|

thans onder ons volk verschijnt, kan hoogstens op weg heten naar dit openbaring-zijn van deze éne, heilige, katholieke, christelijke Kerk. Zij is nog geen openbaring van deze Una Sancta als geloofsobject. Zij moet het nog worden. In het reiskleed van haar nieuwe kerkorde jaagt zij daarnaar, of zij het ook grijpen mocht, waartoe zij door Christus Jezus gegrepen is!

De geloofsbelijdenis van onze Kerk zegt in de locus de ecclesia in de tweede plaats dit: dat onze Nederl. Hervormde Kerk een Christus-belijdende geloofsgemeenschap is — ook hier weer: is, en ook weer niet is, doch moet zijn! — midden in deze wereld (K. VIII-1).

Onze Kerk is dus wel als een gemeenschapsvorm, een societas-vorm te zien in deze wereld, doch deze samenlevingsvorm is van een heel bijzonder karakter. Zij is een geloofsgemeenschap. Een gemeenschapskring dus, waarvan het geldt: dat het geloof in één Heer daarin samenbindt tot gemeenschapsoefening, zoals die in geen wereldse vereniging met een strikte en veelzeggende grondslag-bepaling gekend wordt.

Onze Kerk wil een geloofsgemeenschap zijn rondom het Kruis van die éne Heer, Die in West-Europa zovele oude kerkgebouwen, waarin de geloofsgemeenschap der Christenen haar God en Verlosser wil komen verheerlijken, in het teken zijns kruises funderen en oprichten liet.

Deze geloofsgemeenschap wil immers geen samenleving van romantisch-vromen zijn, voor wie het liggen aan de boezem van het Oneindige, het Universum — aldus de jonge Schleiermacher in zijn Reden über die Religion — het eigenlijke wezen van alle godsdienstig geloof uitmaakt, maar van Christgelovigen, die in de historische Christus-verschijning de unieke en absolute openbaring Gods belijden. Daarom staat er dan ook in het begin van K. VIII, dat de Nederl. Hervormde Kerk een Christusbelijdende geloofsgemeenschap wil zijn.

„Gesteld in de wereld” is deze geloofsgemeenschap, opdat wij er terdege van doordrongen mogen blijven, dat de Nederl. Hervormde Kerk zulk een Christus-belijdende geloofsgemeenschap alleen maar zijn kan in strijd en veel aanvechting. Geen harmonieuze, hemelse en in principe reeds

|115|

verheerlijkte geloofsgemeenschap, doch in waarheid een strijdende Kerk op aarde, die midden in de zwaarste aanvechting alleen haar boodschap uitdragen en zending drijven kan.

Wat het belijden van Christus inhoudt, wordt dan nog nader omschreven in K. X-3, waar van een belijden — „telkens opnieuw” in het heden — van Jezus Christus als Hoofd der Kerk en Heer der wereld gesproken wordt. Dit belijden van Jezus Christus bloeit uit de H. Schrift alleen op, en wordt naar diezelfde Schrift uitsluitend gereguleerd (K. X-1), terwijl „de weg van het belijden der Kerk” afgebakend wordt door de drie oecumenische symbolen, die de Hervormde Kerk met de algemene christelijke Kerk mede belijdt, en door de Drie Formulieren van Enigheid (met, daarnaast, speciaal voor het Waalse ressort: de Catechismus van Genève van 1537), die de grensbakens waren en zijn en blijven van de Kerk, die in ons vaderland uit de Gereformeerde reformatie is opgekomen, nu ongeveer vierhonderd jaren geleden (K. X-2).

 

Dat zulk een Nederl. Hervormde Kerk, als Christus-belijdende geloofsgemeenschap, „deelneemt aan de oecumenische arbeid in Nederland en in de wereld” (K. XXV-1), spreekt vanzelf. Sloot zij zich daarvan af, dan zou zij al heel weinig als „openbaring van de ene heilige katholieke of algemene christelijke Kerk” uitkomen.

Het is natuurlijk niet toevallig, dat deze zelfde omschrijving van het wezen der Nederl. Hervormde Kerk, waarop wij in artikel I der Kerkorde reeds stieten, weer terugkeert in K. XXV-1.

In de meeste fundamentele zinsneden van alle artikelen der kerkorde, die aan K. XXV voorafgaan, klinkt trouwens steeds achter het woord Kerk (met een hoofdletter) het begrip Kerk in de zin van de Una Sancta mee door.

En hoewel in K. XV-XVIII de artikelen over de Heilige Doop, de catechese, de openbare belijdenis des geloofs en het Heilig Avondmaal het begrip „gemeente” centraler naar voren komt dan het begrip „Kerk”, geldt van het „gemeente”-begrip in deze artikelen onmiskenbaar, dat ook hierin de „gemeente van Jezus Christus” als Una Sancta

|116|

mede doorklinkt. Men vergelijke daarvoor maar eens K. XVII-1. Zodra in een christelijke Kerk, en dus ook in onze Nederl. Hervormde Kerk, de beide sacramenten, Doop en Avondmaal, binnen het gezichtsveld komen, gevoelen wij intuïtief, dat de grenzen van een empirische, nationale kerk-formatie zich terugtrekken. Vandaar ook onze (Nederl. Hervormde) bereidheid om de Doop van andere kerken te erkennen, als deze aan bepaalde kenmerken voldeed (O. 8-4-1). En ten aanzien van het Heilig Avondmaal kwam in hetzelfde perspectief van de geloofsgemeenschap der Una Sancta natuurlijk de figuur op van het als „gast” deelnemen aan de dis des N. Verbonds (O. 10-2-2 en ook O. 20-4-1). Het oecumenische perspectief gaat even stellig voor ons open in K. II-1, waar de „gemeente”-vorming in de Nederl. Hervormde Kerk uit de drijfkrachten van het genadeverbond wordt afgeleid, en het toch wel aan geen twijfel onderhevig is, of de idee van het genadeverbond voert boven de empirische Kerk uit.

De woorden „krachtens het genadeverbond” uit K. II-1 maken het wel heel duidelijk, dat het oecumenisch perspectief zich moet openen over de Nederl. Hervormde Kerk in al haar geledingen, zoals dat in O. 20-1-1 wordt gesteld. Iedere plaatselijke gemeente in de Hervormde Kerk heeft evengoed „bevestiging en versterking van het verband met andere Kerken te zoeken” als de algemene Nederl. Hervormde Kerk in haar synodale leiding. Oecumenische vragen gaan evengoed de kerkeraden, classicale vergaderingen en provinciale kerkvergaderingen aan als de generale synode en haar organen van bijstand voor de zaken der Wereldkerk. O. 20-2-1 mag dus niet zó worden misverstaan, als had bij de oecumenische vragen alleen de generale synode actief te zijn, omdat zij de „raad voor het verband met andere Kerken” benoemt. De taak van deze raad is toch wel zó omschreven, dat ook hier weer de activering van de Hervormde Kerk „in al haar geledingen” doorschemert.

De gemeente èn haar leden moeten door deze raad worden opgeroepen tot het belijden in woord en daad van de eenheid der Kerk in Christus (O. 20-2-2). Het in het leven roepen van commissies en kleinere organen van bijstand voor plaatselijk-kerkelijke, classicale of provinciale ressorten der

|117|

Hervormde Kerk ligt in het verlengde hiervan (deels overeenkomstig K. VI-2).

 

Het oecumenisch verband van de Hervormde Kerk met andere kerken in binnen- en buitenland is gericht op samenwerking, òf op hereniging. Met het oog hierop valt O. 20 in twee afdelingen uiteen. Als de doelstelling van het oecumenisch streven niet verder gaat dan samenwerking, „gericht op het gemeenschappelijk getuigen en arbeiden in de wereld” (O. 20-1-2), is er voorts toch nog tweeërlei graad van innigheid in de onderlinge betrekking bij het „gemeenschappelijk getuigen en arbeiden”.

Het kan in de eerste plaats een betrekking zijn, die wortelt in het eenheidsverband met de Una Sancta zonder meer. Voor de bevestiging en versterking van deze oecumenische verbanden is vooral de deelneming van onze Kerk aan de arbeid van de Wereldraad van Kerken 1 en gedeeltelijk ook de deelneming aan het werk van de Oecumenische Raad van Kerken in Nederland dienstig, zoals hiervan gesproken wordt in O. 20-1-1.

Het kan voorts ook een betrekking zijn, die van een inniger aard mag wezen, omdat het kerken geldt, „waarmede de Nederl. Hervormde Kerk door bijzondere banden van belijdenis of van geschiedenis is verbonden” (O. 20-2-3). Daarbij valt deels te denken aan kerken, die, evenals de Nederl. Hervormde Kerk, uit de reformatorische confessies van het Geref. Protestantisme zijn opgekomen. Voor een ander deel echter wil ons Hervormde kerkrecht ook ruimte geven aan de verinniging der betrekkingen tussen onze Hervormde Kerk en andere kerken, waarmede wij door bijzondere historische banden verbonden zijn (O. 20-2-3, slot). Hoewel wij ons niet zullen mogen ontveinzen, dat deze banden van andere aard zijn dan de band, die door een en dezelfde belijdenis gelegd wordt, het lijdt toch zeker geen twijfel of ook de eenheid van geschiedenis zal een bijzondere innigheid kunnen geven aan het verband met zusterkerken. Laat ons


1 Vgl. b.v. W.A. Visser ’t Hooft, The first Assembly of the World Council of Churches, The official Report, London, 1948.
Vol. V van een reeks uitgaven van de Wereldraad. Vol. I-IV bevatten de studie-rapporten der vier secties.

|118|

daarbij maar eens denken aan de Hervormde kolonisten-kerken in Amerika en Zuid-Afrika; en in zekere zin ook aan de uit het Geref. Protestantisme stammende kerken in Vlaams België. Is de bijzondere innigheid van het oecumenisch verband tussen zulke in geschiedenis en traditie ons verwante kerken bovendien niet ten volle gerechtvaardigd, zolang wij in onze geloofsbelijdenis voor Gods verbondsbeloften in de lijn der geslachten (Ps. 105; het sacrament van de kinderdoop!) oog hebben en dus met Schüle in zijn Grundlagen des reformierten Kirchenrechtes (Basel, 1926) zullen getuigen van de waarheid, dat de zichtbare Kerk op aarde altijd in haar grondbestek binnen haar gewelven iets wil laten zien van het kruispunt van het Verbond der genade èn het Verbond der natuur?

Het is door middel van het deelnemen aan het werk van de Wereldbond van de gereformeerde Kerken (= de Presbyterian Alliance of Churches holding the presbyterian system of churchorder) 1, dat onze Hervormde Kerk haar bijzondere banden met de kerken van Gereformeerd leertype en presbyteriale orde van kerkinrichting beleeft en versterkt (Art. 1-1 van O. 20).

Bij de behandeling van het ontwerp-Kerkorde in de synode en in de kerkelijke lichamen, die consideraties hadden voor te bereiden, werd er hier en daar aanmerking op gemaakt, dat in O. 20-1-1 bepaalde oecumenische organisaties met name genoemd werden, omdat immers deze organisaties in de toekomst van karakter zouden kunnen veranderen, of zouden kunnen ophouden te bestaan. Gelukkig heeft de synode het advies van de meerderheid in de „Centrale Commissie van rapport” gevolgd en de duidelijke aanduiding van de Wereldraad van Kerken, in Augustus 1948 op de Assembly te Amsterdam tot stand gekomen, en van de veel oudere Presbyterian Alliance laten staan 2. Men moge toch niet vergeten, dat dit met name noemen een waardevolle


1 Vgl. voor oorsprong en geschiedenis van deze „Presbyterian Alliance” R.H. Wallace, Die Einigung der Kirche, Berlin, 1925, S. 51-54; of ook de uitvoerige acta der verschillende „General Councils”. Tijdschrift der Alliantie is thans: The Presbyterian World, uitgegeven te Genève, Rue de Malagnou 17.
2Rapporten, blz. 227-228.

|119|

beslissing verraadt, die broodnodig is in een tijd, waarin zich exclusieve, confessionalistische vormen van oecumenisch contact tussen enkelingen en kerken „van Gereformeerde belijdenis” aan het Gereformeerd-religieuze leven beproeven op te dringen 1, terwijl het bovendien niet te verwachten is, dat bovengenoemde organisaties wezenlijk van aard veranderen zouden of verdwijnen. En — mocht dit onverhoopt al gebeuren — dan kan onze Kerk immers ordinantie 20 weer wijzigen. De veel moeilijker te veranderen „Kerkorde” bevat in Art. XXV dan ook terecht de namen van bepaalde oecumenische organisaties niet.

Het spreekt wel vanzelf, dat er in O. 20 geen afzonderlijk intermediair in de vorm van een bepaalde, naast Wereldraad en Presbyteriaanse Alliantie nog te noemen, oecumenische organisatie wordt aangewezen, die de Hervormde Kerk zou moeten dienen om de nauwere betrekkingen met die kerken te onderhouden, waarmede zij door een bijzondere band van geschiedenis en traditie verbonden is (K. XXV-2). In de eerste plaats zal hier de „Wereldbond van de Gereformeerde Kerken” wel de organisatie zijn, waarin ook deze bijzondere historische banden met bepaalde kerken zich zullen doen gelden. Deze overweging bracht er waarschijnlijk sommige classes toe om voor te stellen in K. XXV-2 alleen van „belijdenis èn geschiedenis”, of nog duidelijker: van „belijdenis en belijdenis en geschiedenis” te spreken. De Centrale Commissie van rapport oordeelde terecht, dat het mogelijk moet blijven „nauwere betrekkingen aan te knopen met Kerken, waarmede men alleen door banden van geschiedenis is verbonden” (Rapporten, blz. 32). Uiteraard zal, indien dit laatste geval zich zou voordoen, de Wereldraad van Kerken de organisatie zijn, waarin dan deze bijzondere banden kunnen worden beleefd.

De nauwere betrekkingen, in K. XXV-2 bedoeld, kunnen volgens O. 20-3 ten aanzien van Kerken buiten Nederland tot bepaalde besluiten leiden, welke alleen de generale synode bevoegd is te nemen:

1e kan inschrijving in lidmatenboek of doopledenregister


1 Men leze de publicatie van de Oecum. Raad in Nederland van de hand van Prof. Berkelbach van der Sprenkel, De Oecumenische Beweging en de fundamentalisten (1950).

|120|

van die Hervormde gemeente plaatshebben, waar lidmaten of leden van zulke buitenlandse Kerken, behorende tot de kategorie van K. XXV-2, zich komen vestigen;
2e kan afgifte van attestatie c.q. bericht van vertrek naar het land van een dier betrokken Kerken aan een door die kerken aangewezen centraal adres plaatshebben van hen, die in lidmatenboek of doopregister ener Hervormde Gemeente hier te lande ingeschreven staan. Dit laatste is uiteraard van groot belang voor Nederl. Hervormde lidmaten of leden, die gaan emigreren!
De inschrijving van zulke lidmaten en leden van deze groep buitenlandse Kerken in de lidmatenboeken of doopregisters ener Hervormde gemeente hier te lande brengt kennelijk met zich, dat zij in de volle rechten en plichten van gewone Nederl. Hervormde lidmaten en leden gaan delen. Men lette er nl. wel terdege op, dat hier in O. 20-3-1 er niet bij staat, zoals in O. 20-4, dat zij als gast worden ingeschreven;
3e aan dienaren des Woords uit zulke buitenlandse Kerken (van K. XXV-2) onder door de generale synode te stellen voorwaarden het recht te geven zich beroepbaar te stellen in de Nederl. Hervormde Kerk; evenwel niet dan geval voor geval en met inachtneming van O. 7-10.
De laatste woorden van O. 20-3 zijn daarbij zo ruim gesteld, dat de bedoeling schijnt te zijn om predikanten uit buitenlandse Kerken, vallende onder de rubriek K. XXV-2, zonder de vervulling van enige formaliteit, gerechtigd te verklaren tot de bediening van Woord en sacramenten in de Nederl. Hervormde Kerk.

Zijn er geen „nauwere betrekkingen” in het geding dan de oecumenische tout court, dan moet O. 20-4 in werking treden.

Het is ook volkomen logisch, dat in O. 20-4-1 naast „leden van een buitenlandse Kerk” ook „leden van een andere Kerk in het binnenland” genoemd worden, terwijl deze laatste in O. 20-3-1 kennelijk buiten beschouwing blijven. Een Kerk in het vaderland, met welke wij door bijzondere banden van belijdenis en geschiedenis verbonden zijn, moet van meet af worden gezien en gesteld onder het perspectief van de „hereniging”, waarvan in O. 20-7 en 8 sprake komt. Nederlandse Luthersen, Doopsgezinden, Baptisten, Vrij-Evangelischen

|121|

daarentegen komen kennelijk in aanmerking voor toepassing van O. 20-4-1.

Ten aanzien van de Remonstranten kan men in twijfel verkeren, of zij ook niet van meet af geacht moeten worden te behoren tot een kerkformatie in het binnenland, die naar K. XXV-2 gerubriceerd moet worden onder het gezichtspunt van O. 20, Hfdst. II, Hereniging van Kerken.

Bij voorkomende gevallen zou overeenkomstig O. 20-4-1 het breed moderamen der synode in ieder geval eerst toestemming hebben te geven, of ook voor Nederlandse Remonstranten door een Hervormde kerkeraad de gedragslijn mag worden gevolgd, omschreven in O. 20-4.

Wat deze gedragslijn is?

Kort gezegd: inschrijving als gastlid in het Hervormd register hunner woonplaats, wat dan voor de lidmaten het recht tot medevieren van het H. Avondmaal medebrengt, en voor allen — lidmaten èn leden — het recht om te delen in de pastorale zorg.

Zou het om een grote groep lidmaten of leden van zulk een buitenlandse Kerk gaan, zodat de betrokken buitenlandse Kerk uitzending van een harer predikanten voor de pastorale verzorging overweegt, dan opent O. 20-4-2 het uitzicht op een speciaal verband van die buitenlandse predikant met de Hervormde Kerk, waarvoor de generale synode de regelen zal hebben te stellen.

 

En nu de andere mogelijkheid: dat nl. nog nauwer oecumenisch verband met de Nederl. Hervormde Kerk met andere Kerken binnen de gezichtskring moet komen dan een verband van samenwerking, zij het zelfs samenwerking in de zeer innige vorm van O. 20-3.

Het is het oecumenisch verband, dat op hereniging moet uitlopen. Deze ook bij de behandeling van het ontwerp-Kerkorde in de synode en in de andere kerkelijke lichamen gehandhaafde term bewijst wel, dat hier vooral aan de verhouding tot binnenlandse formaties van Kerken, die met ons door belijdenis èn geschiedenis wel op het allernauwste verwantschap demonstreren, gedacht is.

Op zichzelf beschouwd zou natuurlijk ook aan fusie van onze Hervormde Kerk met buitenlandse, uit het Geref.

|122|

Protestantisme opgekomen, en met ons door traditie en geschiedenis nauw verbonden kerkgemeenschappen kunnen gedacht zijn. Aangezien zulke Kerken — b.v. de Hervormde Kerk van Zuid-Afrika — nimmer in de volle zin van het woord met ons één geweest zijn, spreekt het vanzelf, dat zulk een fusie dan nimmer als hereniging zou kunnen worden gekenschetst. Hoogstens als „vereniging”, of „éénwording”, uitdrukkingen, die tijdens de behandeling van het ontwerp-Kerkorde dan ook wel eens zijn aanbevolen ter vervanging van het begrip „hereniging” 1.

Wij zijn dus met O. 20-7 en 8 (d.i. Hfdst. II, Hereniging van Kerken) wel heel nadrukkelijk op oecumenische doelstellingen voor binnenlands gebruik georiënteerd.

O. 20-7 behandelt in verband daarmede de voorbereiding van een hereniging, die hier dus in de allereerste plaats de kerken die geboren zijn uit de afscheidingsbewegingen van de 19e eeuw (1834 en 1886!), raken zou en, wat meer op de achtergrond, voorts ook de Remonstrantse Broederschap.

Deze voorbereiding kan niet bij een eenvoudig besluit der generale synode afgekondigd worden, doch moet vastgesteld worden in een ordinantie der Kerk. Dit zal wel de reden zijn, waarom hier staat, dat „de Hervormde Kerk” het besluit tot voorbereiding der hereniging neemt, en niet: „de generale synode”.
De voorbereiding omvat toelating der lidmaten van de betrokken kerkgemeenschap tot het gebruik van de sacramenten. D.w.z. zonder enige inschrijving in het lidmatenboek der Hervormde Gemeente; men blijft voorlopig nog staan in het lidmatenboek van de eigen kerkgemeente.
De voorbereiding der hereniging omvat mogelijkerwijs verder ten aanzien van de dienaren des Woords uit die betrokken Kerk een toekenning aan dezen van de bevoegdheid tot bediening van Woord en sacramenten en, nog een stap verder, zelfs een beroepbaarverklaring van deze predikanten in de Hervormde Kerk.
Het is duidelijk, dat dit veel verder gaat dan O. 20-3, slot. In O. 20-7 en 8 is geen sprake meer van „geval voor geval”, noch ook van een inachtneming van O. 7-10. De nieuwe ordinantie, die zulk een hereniging inleiden moet, kent aan de betrokken dienaren des Woords de bevoegdheden in de Hervormde Kerk zonder meer en over heel de linie toe.
O. 20-8 stipuleert ten slotte terecht, dat het besluit tot hereniging (met de nadere regeling daarvan) uiteindelijk niet anders tot stand komen kan dan na de kerkrechtelijke procedure, die voor het wet-worden van iedere ordinantie noodzakelijk is volgens K. XXVII.


1Handel. 1949, blz. 564-565.

|123|

Twee artikelen uit de „oecumenische” ordinantie bleven tot dusver nog onbesproken. Het zijn de artikelen 5 en 6, waarvan het eerste heel terecht de gehele pastorale zorg voor de leden van de eigen Kerk in het buitenland in oecumenisch verband zet. De subcommissie van rapport, die in de Synode van 1949 deze 20e ordinantie voor de behandeling in eerste instantie rijp te maken had, gaf bij dit artikel de juiste toelichting, toen zij schreef (Handel., 1949, blz. 653): „Dit artikel drukt uit de verantwoordelijkheid onzer Kerk voor al haar leden in het buitenland, terwijl zij het aan de omstandigheden overlaat of deze zorg de vorm moet hebben van eigen Nederlandse gemeenten in het buitenland dan wel de vorm moet hebben van het bijstaan van de nationale zusterkerken daar, om de overgang van emigranten tot die Kerken te vergemakkelijken”.

Bij de emigratie van Hervormden naar Canada en Australië is al wel gebleken, hoe belangrijk een soepele en ruime formulering van de vorm der pastorale zorg van de Nederl. Hervormde Kerk voor haar emigranten naar die landen is!

 

O. 20-6 ten slotte maakt het aan de generale synode mogelijk om „gemeenschappelijke synoden of vergaderingen” met andere kerken bijeen te roepen of officieel daaraan deel te nemen. De toelichting van de commissie, die over O. 20 bij de eerste behandeling ter synode adviseerde, is vooral voor het vasthouden aan het begrip „gemeenschappelijke synode” belangrijk. Deze uitdrukking onderstreept „het Gereformeerd besef, dat de nationale synode niet het laatste is, maar boven zich uitwijst naar „synodes” van een of meer landen, en zelfs naar de oecumenisch-Gereformeerde synode”. Artikel 6 wil zich hoeden voor te grote woorden, maar ziet „de mogelijkheid van synodes met een of meer andere landen in de komende jaren als geheel niet ondenkbaar” 1.


1Handel., 1949, blz. 563.

Haitjema, Th.L. (1951) II.2

|124|

§ 2. De algemene Kerk en de plaatselijke gemeenten.

 

„Kerk” en „Gemeente”.

Zoals in de vorige paragraaf (zie blz. 115-116) al wel reeds doorschemerde, behoeft men het afwisselende woordgebruik „Kerk” en „gemeente” in de XXIX Artikelen der nieuwe kerkorde niet zo heel lang zorgvuldig na te gaan, om te ontdekken, dat aan beide woorden primair een theologische kleur kleeft, doch dat zij daarnaast toch ook op zulk een wijze in zinsverbanden voorkomen, dat men deze woorden ook burgerrechtelijk hanteren kan.

Keren de beide termen hun theologische kleur naar voren, dan ligt in het woordgebruik van onze kerkorde duidelijk de tendens met het woord „Kerk” in de richting van de ecclesia universalis, de algemene Kerk, te wijzen; en met het woord „gemeente” in de richting van de ecclesia localis, de plaatselijke gemeente. Evenwel dan toch met dien verstande, dat in de plaatselijke gemeente als „gemeente Gods” door de gelovigen het deelhebben aan de Kerk als ecclesia universalis wordt beleefd 1. De „plaatselijke gemeente” is onder geen voorwaarde als een „deel” van de algemene Kerk, dus eigenlijk als een „stukje” Kerk, te beschouwen. Zij is compleet Kerk, omdat zij volledig de sacramenten en het volle geestelijk ambt in haar gebied mag zien functionneren. De begrippen „Kerk” en „gemeente” schuiven daarbij over elkaar heen. De gemeente komt in haar kerkdiensten samen (K. XI-1). De Kerk viert de dag des Heren als de gemeente samenkomt (K. XII-1 en 3). Door openbare belijdenis des geloofs af te leggen in het midden der gemeente (K. XVII-1), wordt men lidmaat der Kerk (K. II-1; XVIII-2).

Onder de indruk van deze paradoxaal-theologische verhouding van algemene Kerk en plaatselijke gemeente had de „Commissie voor de Kerkorde” dan ook aanvankelijk in K. I-1 gesteld, dat de Nederlandse Hervormde Kerk al de Hervormde gemeenten .... omvat 2.


1 Men vergelijke hierbij Dr P.A. van Stempvoort, Eenheid en Schisma in de gemeente van Korinthe, Nijkerk, 1950, Hfdst. I, blz. 21-69.
2 Ontwerp-Kerkorde van 1947, blz. 17.
Voor het probleem „algemene Kerk” en „plaatselijke gemeente” moge ik ➝

|125|

Bij de behandeling van dit artikel in de synode kwam de eis van een burgerrechtelijke hanteerbaarheid van Art. I der kerkorde zó sterk naar voren, dat de formulering deze werd: „De Nederlandse Hervormde Kerk .... bestaat uit al de Hervormde gemeenten ....” Het behoeft wel geen betoog, dat dit een formulering is, die minder doorzichtelijkheid heeft met betrekking tot de theologische ondergrond van ons kerkrecht, al bracht ze winst ten aanzien van de civielrechtelijke duidelijkheid.

Naar de civielrechtelijke kant gekeerd, komt met het begrip „Kerk” dadelijk de precisering „Nederl. Hervormde Kerk” op, en met het woord „gemeente” de concretisering „Hervormde gemeente”. En die „Hervormde gemeenten” zijn dan weer nader te onderscheiden in Nederduitse, Waalse, Presbyteriaans-Engelse en Schotse (K. I-1) en voorts te rubriceren in gewone gemeenten, centrale gemeenten (met haar wijkgemeenten), buitengewone gemeenten. Aldus de hoofdverdeling van ordinantie 2. En de buitengewone gemeenten kunnen nog eens weer onderverdeeld worden in gestichtsgemeenten, schippersgemeenten, gemeenten in het buitenland, gemeenten in wording, gemeenten in herstel (O. 2-18 tot 22).

Al deze Hervormde gemeenten, hoe zij ook in K. I-1, en vooral in O. 2 verder worden gerubriceerd, worden opgebouwd uit individuele personen, lidmaten en leden (K. II; O. 2-1-2 en 3). Lidmaten of belijdende leden zijn: „zij, die door openbare belijdenis des geloofs belijdende leden (lidmaten) der Kerk zijn geworden” (K. II-1), of die uit een andere Kerk, waartoe zij krachtens openbare aflegging hunner belijdenis behoorden, naar de Hervormde Kerk zijn overgekomen (K. II-1 en 2).

Leden zijn ten eerste: zij, „wier inlijving in de gemeenschap der Kerk is bekrachtigd door de Heilige Doop”, of ook degenen, die als dooplid naar de Hervormde Kerk zijn overgekomen; ten tweede ook diegenen, die uit Hervormde ouders geboren zijn, óf met hun ouders van een andere Kerk


➝ verder verwijzen, behalve naar bekende litteratuur uit de Doleantie-tijd (b.v. Prof. Kleijn’s boek), naar mijn artikel over dit onderwerp in het tijdschrift Onder eigen Vaandel, jaarg. 1927, blz. 232-252.

|126|

naar de Hervormde Kerk geacht moeten worden te zijn overgekomen (K. II-1 en 2) 1.

Men bedenke hierbij wel, dat kerkorde en ordinanties het begrip „leden” meermalen ook ruimer willen opgevat hebben, zodat daaronder allen vallen, die op een der in K. II genoemde wijzen tot de Kerk behoren. Men vergelijke daarvoor b.v. O. 2-1-2 en 4; of ook O. 2-2-1 tot 4, waar het register van gemeenteleden besproken wordt in de ruime zin van: kerkelijk bevolkingsregister; duidelijk onderscheiden van lidmaten-register, waarvan eerst in O. 2-3 sprake komt.

 

Voortgezet eerherstel der bijzondere plaatselijke gemeenten.

Wat de verhouding van de algemene Nederl. Hervormde Kerk en de bijzondere (plaatselijke) Hervormde gemeenten betreft, kan derhalve met reden geconstateerd worden, dat de huidige kerkorde het eerherstel van de plaatselijke gemeenten, waarmede het Algemeen Reglement van 1852 een aanvang gemaakt had, zoals ik dat in § 5 van het „Historisch Gedeelte” beschreef, heeft voortgezet, en theologisch heeft verdiept. Men kan geen lid zijn van de Nederl. Hervormde Kerk (in ’t algemeen), tenzij men in een bijzondere Hervormde gemeente als lid opgenomen en erkend is. Slechts één uitzondering schijnt daarbij te moeten worden gemaakt; maar dat is dan ook een uitzondering, welke uit geheel uitzonderlijke omstandigheden voortvloeit. „Leden der Nederlandse Hervormde Kerk die naar het buitenland vertrekken en zich daar niet kunnen aansluiten bij een in haar verband opgenomen Hervormde gemeente of bij een verwante Kerk en zij, die in gelijke omstandigheden leden der Kerk worden, kunnen in een daartoe door het breed moderamen van de generale synode bijgehouden register van leden en lidmaten der Nederlandse Hervormde Kerk worden opgenomen” (O. 2-1-4).

Reeds vele jaren deed zich onder het oude kerkrecht de behoefte gevoelen om voor verspreid wonende Nederlanders in het buitenland (het Ruhrgebied, Noord-Frankrijk, enz.) zulk een algemeen-kerkelijk, synodaal register aan te leggen en bij te houden met de gegevens van incidenteel belegde Hervormde doopdiensten en diensten voor de bevestiging


1 Men raadplege hierbij vooral ook O. 8-4-1 tot 4 en O. 10-3-1 tot 10.

|127|

van nieuwe leden, opdat kerkrechtelijk duidelijk zou blijven, dat deze in het buitenland vertoevenden leden der Nederl. Hervormde Kerk waren, werden en bleven.

 

De grenzen der bijzondere Hervormde gemeenten.

Deze grenzen worden vastgesteld door de (algemene) Kerk ingevolge O. 2-1-1; daarbij gelden in het algemeen geografische indelingsprincipes, zodat het breed moderamen van de classicale vergadering zich ook de plicht opgelegd ziet om op kaarten deze begrenzingen der gemeenten duidelijk bij te houden. Men zie hiervoor O. 2-5-1, waar tevens de mogelijkheid van grenswijziging omschreven wordt, en vooral aandacht geschonken wordt aan de deugdelijke motieven, die er aanleiding toe kunnen geven; O. 2-5-2 tot 5 handelen over de procedure bij de grenswijziging en de gevolgen, die ze met zich brengen kan.

Met dit vasthouden aan het principe van de geografische grenzen der gemeenten onderscheidt ons Gereformeerde kerkrecht zich duidelijk van het Congregationalisme, dat — gelijk in Amerika ook bij de Reformed Churches onder invloed van het congregationalisme in het kerkrecht het geval is — aan gemeenteleden volle vrijheid wil laten om zich aan te sluiten bij de gemeente hunner kerkformatie, waar zij voorkeur voor hebben; ook al ligt die gemeente met haar vergadercentrum ver buiten het ressort, waar de betrokkene zijn vaste woonplaats heeft.

Het begrip „plaatselijk” vóór gemeente willen wij op geen enkele manier klankloos laten worden, door het vrije aaneensluitingsbeginsel bij de kerkelijke gemeentevorming ongeremd te laten domineren. Er kan in principe maar één gemeente van onze Hervormde Kerk op een en dezelfde plaats zijn. Wel zullen er meerdere wijkgemeenten moeten ontstaan in het ressort van een en dezelfde burgerlijke gemeente, doch zelfs dan gaan voor die wijkgemeenten weer zo strikt mogelijk de geografische grenzen gelden (men vergelijke b.v. O. 2-10-2 en O. 2-11-3. In het plaatselijk ressort van de een of andere wijkgemeente kan dus kennelijk maar één wijkgemeente functionneren).

De geografische begrenzing der bijzondere Hervormde gemeenten geldt evenwel in één opzicht niet. Ten aanzien van

|128|

de in K. I-1 genoemde Waalse, Presbyteriaans-Engelse en Schotse gemeenten in ons vaderland worden de grenzen mede, en zelfs in de eerste plaats, bepaald door het verschil in taal, zodat b.v. een Waalse gemeente haar leden heeft in het „plaatselijk” ressort van een gewone Nederduits Hervormde gemeente, c.q. wijkgemeente. Terwijl uiteraard voor de aan het slot van K. I-1 genoemde „Nederlandse Hervormde gemeenten buiten Nederland” geen geografische grenzen kunnen worden getrokken.

Ik gebruikte op bladzijde 125 en hier voor het eerst het adjectief „Nederduits” vóór Hervormde gemeente. Het schijnt thans het ogenblik, om het verschil tussen de bijvoeglijke naamwoorden „Nederlands” en „Nederduits” even nader te verklaren. Er wordt nog steeds met dit woordgebruik vaak geknoeid, zodat men niet alleen van Nederlands Hervormde Gemeente schier onophoudelijk hoort spreken, doch soms ook — als men iets van een klok heeft horen luiden zonder te weten, waar de klepel hangt — van Nederduits Hervormde Kerk.
Het eerste kan men desnoods nog laten passeren, maar het tweede is er bijna belachelijk naast. Nederduits is altijd een nadere aanwijzing van een bijzondere Hervormde gemeente, nooit van de algemene Hervormde Kerk. Men gebruikte deze nadere aanwijzing uiteraard in de tijd, waarin de Waals-Hervormde gemeenten in ons vaderland veel talrijker en belangrijker waren dan thans. En met „Nederduits” accentueerde men dan het taalgebied der betrokken Hervormde gemeente tegenover de Waals-Hervormde in dezelfde stad of plaats. Ook de Walen behoren tot de Nederlandse Hervormde Kerk. Maar Nederduits-Hervormd zijn zij vanzelfsprekend niet! Ondanks de ogenschijnlijk algemene regel van O. 2-1-1 blijft het zinvol een Hervormde gemeente aan te duiden als (Nederduits) Hervormde gemeente in plaatsen, waar ook een Waals-Hervormde gemeente is.

 

De Waalse gemeenten.

Wat ik hierboven in het met kleine letter gedrukte over de Waals-Hervormden in de Nederl. Hervormde Kerk zeide, geeft mij aanleiding er reeds in dit verband aandacht voor te vragen, dat in K. I-1 de Waalse, Presbyteriaans-Engelse en Schotse gemeenten wel naast elkander genoemd worden, maar dat daaruit niet mag worden afgeleid, dat zij alle groepsgewijze op dezelfde wijze ingeschakeld zijn in het algemene kerkverband der Nederl. Hervormde Kerk. Aanvankelijk was dit wel de opzet van de „Commissie voor de Kerkorde”. Zij liet zelfs in K. I-1 iedere nadere aanduiding

|129|

van deze door taalverschil van de andere Hervormde gemeenten afgegrensde bijzondere gemeenten achterwege. De behandeling van K. I-1 in onze kerkelijke vergaderingen en in de synode bracht de Presbyteriaans-Engelse en Schotse gemeenten weer terug in de tekst van het artikel, en dat wel op dezelfde voet, als waarin deze gemeenten ook in Art. 1 van het Algemeen Reglement van 1852 genoemd werden, nl. zó, dat aan haar in het bredere kerkverband geen bijzondere bevoegdheden toekwamen.

Wat de Waalse gemeenten betreft, de pleidooien voor haar historische en traditionele rechten, zoals zij door Waals-Hervormde afgevaardigden ter generale synode — en niet alleen door hen — gehouden werden met enthousiasme en vasthoudendheid, lieten niet na indruk te maken op de kerkelijke vergaderingen en op de generale synode. Men liet zich er van terughouden om naar de voorstellen van de meerderheid in de „Commissie voor de Kerkorde” te handelen, nl. om heel het „Waalse ressort” als een breder kerkelijk ressort te liquideren. Er werden uiteindelijk geen verdere reducties op de „apartheid” der Waalse gemeenten in het kerkverband der Nederl. Hervormde Kerk toegepast dan de Werkorde van 1945 geformuleerd had. In O. 1-14-1 werd de bepaling gecodificeerd, dat de Waalse gemeenten een afzonderlijke Waalse classis zouden vormen en in haar Waalse Reünie (= haar classicale vergadering) zouden samenkomen in dier voege, dat deze Waalse Reünie niet alleen de bevoegdheden zou hebben van een classicale vergadering, maar ook van een provinciale kerkvergadering. Dit laatste betekent een volledige aanpassing aan de historie van het Waalse ressort: op de Nationale Synode van Dordrecht in 1578 was het Waalse kerkressort als een provinciaal ressort in het kerkverband van de Nederlandse nationaal-Gereformeerde Kerk ingeschakeld. Al behoeft men op dit feit stellig niet terug te grijpen als was het in de rechtsvorm van een „contract”-matige overeenkomst tussen Waals- en Diets-Hervormden in 1578 tot deze inschakeling gekomen. O. 1-14-2 neemt zelfs de oude naam „Waalse Commissie” weer op. Dat was volgens het Algemeen Reglement van 1852 de naam voor het Provinciaal Kerkbestuur, tegelijk ook het Classicaal Bestuur van het Waalse

|130|

kerkressort, en wordt nu, geheel parallel daarmede, de naam voor het breed moderamen van de classicale vergadering, en tevens voor het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering van het Waalse ressort! Het spreekt wel vanzelf, dat bij deze angstvalligheid in het tegemoetkomen aan de historische stralenkrans, die nog steeds om de Waalse gemeenten ligt, deze laatste ook een afzonderlijke ring moeten vormen in ons huidige kerkverband (O. 2-8-1, slot).

 

Ringen van gemeenten.

Wat „ringen van gemeenten” zijn, wordt met het oog op alle Hervormde gemeenten aldus geformuleerd: „in elkanders nabijheid gelegen gemeenten of wijkgemeenten in een classis zijn, naar de indeling krachtens de artikelen 32 en 33 van de ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen (O. 1), samengevoegd tot een ring van gemeenten” (O. 2-8-1).

Het begrip „ring” is in het Hervormde kerkrecht van de 19e eeuw vooral in ere gekomen om een zekere compensatie, wat onderling hulpbetoon en samenwerking op allerlei terreinen van het kerkelijk-godsdienstig leven betreft, mogelijk te maken tegenover het proces van uitholling, dat door de Kerkorde van 1816 op de betekenis van de classicale vergaderingen toegepast was. Als men deze „ringen” van ge-nabuurde gemeenten dan maar volledig buiten alle „bestuurlijke” bevoegdheden, dus geheel buiten de regering der Kerk in haar bredere verbanden, hield, dan mochten deze „ringen van gemeenten” hun geestelijke energie vrijelijk oefenen op allerlei terrein, dat geëigend bleek voor gemeenschappelijke activiteits-ontplooiing.

Weliswaar had ook het Gereformeerde kerkrecht uit de klassieke tijd (b.v. in het Genève van Calvijn en in het Oost-Friesland van à Lasco) het begrip ring (= coetus) wel gekend, maar in die klassiek-reformatorische periode was de ring zonder twijfel een sub-classicaal verband van gemeenten geweest, waarin de regeermacht door een kleinere ambtelijke vergadering uit dat ring-ressort uitgeoefend werd. In de 19e eeuw verandert dit alles heel duidelijk krachtens de kerk-organisatie, waarin de niet-ambtelijke bestuurscolleges de

|131|

kerkelijke regeermacht uitoefenen. En in de hiërarchie der besturen is er geen kleinere bevoegdheidssfeer dan die van het classicaal bestuur — dat dan toch in ieder geval de schepter nog zwaait over een gehele classis!

Ook in het huidige, nieuwe kerkrecht is een ring van gemeenten een ressort gebleven, dat als zodanig niet een kerk-ressort afgrenst, dat afzonderlijk onder de autoriteit van een uit eigen verband opgekomen ambtelijke vergadering staat.

 

Samenvoeging en combinatie van gemeenten.

Een veel nauwer verband tussen meerdere Hervormde gemeenten dan het ring-verband, dat slechts samenwerking beoogt, wordt geschapen door wat in O. 2-6-1 tot 4 onder samenvoeging en in O. 2-7-1 tot 7 onder combinatie wordt beschreven. Men verwarre deze beide begrippen niet. „Samenvoeging van gemeenten” gaat gepaard met het verdwijnen van de oude gemeenten die samengevoegd werden, zó dat er dus één nieuwe gemeente ontstaat, waarvan de leden uiteraard ook onmiddellijk stembevoegd en tot ambtsdrager verkiesbaar worden verklaard in dit nieuwe gemeente-geheel (O. 2-6-2). Bij „combinatie van gemeenten” echter blijven de gemeenten, die het aangaat, bestaan; alleen de predikantsplaats(en) worden gemeenschappelijk: twee gemeenten b.v. krijgen na combinatie samen één predikantsplaats; drie gemeenten samen twee, enz. Bij „samenvoeging” zijn er natuurlijk wel regelingen te treffen voor de samenstelling van de kerkeraad der nieuwe, samengevoegde gemeente, de diaconale en andere bezittingen, het dienst hebben in de kerkgebouwen, enz. Maar deze „regelingen” hebben niet het karakter van „overeenkomst”, een term, die voor de combinatie wel gebruikt wordt (O. 2-7-2), en dat wel om de eenvoudige reden, dat bij een „overeenkomst” de partijen als partijen blijven bestaan, en de overeenkomst hebben te houden.

Voor de procedure van de „samenvoeging” en van de „combinatie” vergelijke men O. 2-6 en O. 2-7 in de uitvoerige uitwerking. Het breed moderamen van de classicale vergadering is in het algemeen het kerkelijk lichaam, dat hier actief heeft op te treden — onder goedkeuring van het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering —, doch

|132|

het heeft bij dit actief optreden op een verzoek van de kerkeraden van de, c.q. lidmaten uit de, betrokken gemeenten te wachten. Liggen de gemeenten niet in hetzelfde classicaal ressort, dan schuift de bevoegdheid om tot handelen over te gaan naar het in rang opvolgende breed moderamen op. Liggen de gemeenten eventueel zelfs niet in een en dezelfde kerkprovincie, dan schuift de bevoegdheid om te handelen zelfs op naar het breed moderamen der synode (O. 2-6-4 en O. 2-7-7).

 

De vorming van nieuwe gemeenten.

Het zal zonder twijfel wel in verband staan met de structuur van het Reglement op de stichting en indeeling van gemeenten in de oude reglementenbundel, dat wij in ordinantie 2 over de vorming van nieuwe gemeenten gesproken vinden, nog voordat over de samenvoeging en combinatie van gemeenten gehandeld werd en zelfs voordat de grenzen der gemeenten ter sprake kwamen. Het is O. 2-4, dat over de vorming van nieuwe gemeenten spreekt: over het verzoek tot stichting er van, dat van de belanghebbende lidmaten of van een of meer der betrokken kerkeraden moet uitgaan (alin. 1); over de kerkelijke instantie, die de beslissing nemen moet (alin. 1-3); over de vereiste stukken, die bij het verzoek moeten worden overgelegd (alin. 4); over de procedure, die dan volgt (alin. 5 en 6); over de taak van het betrokken breed moderamen, om „te doen, wat des kerkeraads is”, zolang er in de nieuwe gemeente nog geen ambtsdragers zijn (alin. 7).

Alleen bij gemeenten, die in nieuwe gebieden, door landaanwinning of anderszins verkregen, moeten worden gevormd, wordt een andere procedure gevolgd, daar in zulke gevallen het breed moderamen der synode van meet af de zaken in handen moet hebben tot het treffen van voorlopige regelingen, enz. (alin. 8).

 

Centrale gemeente en wijkgemeenten.

De in Hfdst. II van ordinantie 2 verwerkte stof moest meerdere malen door de kerkelijke molen, vóór en aleer de formulering gevonden was, waarin deze materie thans kerkrechtelijke geldigheid heeft verkregen.

|133|

Uit de handen van de „Commissie voor de Kerkorde” ontving de generale synode in 1947 een ontwerp, waarbij boven dit hoofdstuk de titel kwam te staan: Gedecentraliseerde gemeenten. Daarbij werd uitgegaan van de gedachte, dat het strikt noodzakelijk was om de grotere gemeenten met meer dan één predikantsplaats in te delen in wijkgemeenten, om zo te komen tot een pastorale bewerking, die de toenemende vervreemding van Kerk en godsdienst in alle grotere centra zou kunnen tegengaan. Het was een voorstel, dat in de lijn lag van het vroegere Hfdst. VI „Buurtgemeenten” van het Reglement op de stichting en indeeling van gemeenten (mèt het op 1 Jan. 1947 pas in werking getreden Art. 31* met zijn ruime mogelijkheden voor afwijkende bepalingen daarbij inbegrepen).

Alleen zou het vrijwilligheidsbeginsel van dit Hfdst. VI van het oude reglement moeten worden vervangen door het verplicht voorschrijven van de indeling der grotere gemeenten in wijkgemeenten, zij het dan ook met de daarbij omschreven mogelijkheid tot dispensatie voor een tijdvak van telkens ten hoogste vijf jaren.

De behandeling van deze voor een Kerk, die nog steeds onder het richtingsvraagstuk zucht, zo moeilijke stof, in de kerkelijke pers, de vergaderingen onzer Kerk, en vooral in de generale synode zelf leidde er vóór de tweede, definitieve overweging van het ontwerp-ordinantie 2 enerzijds toe, om de mogelijkheden tot dispensatie, telkens voor vijf jaren, nog wat soepeler te maken, maar anderzijds leidde de kerkelijke discussie tot zulk een geestdriftige aanvaarding van de éénmansgemeente als het enig normale, dat men niet aarzelde Hfdst. II van ordinantie 2 te herschrijven onder een nieuwe titel: Gecentraliseerde gemeenten. Daarmede bedoelde de synode natuurlijk dit, dat men in ons nieuwe kerkrecht diende uit te gaan van de gedachte, dat alle echte Hervormde gemeenten éénmansgemeenten zijn, en dat men derhalve alleen handelen moest in ordinantie 2 over het „centraliseren” van éénmansgemeenten (wijkgemeenten) tot één grote, centrale gemeente. En voor zover de kerkelijke werkelijkheid in de grote gemeenten tegen dit schema van wetgeving indruiste, diende men te trachten deze

|134|

tegenstrijdige realiteit af te leiden naar de uitwegen der overgangsbepalingen!

In deze vorm kwam deze epineuze stof in bespreking bij de kerkelijke instanties, die in 1950 hun consideratiën in gereedheid hadden te brengen.

Toen ging echter ook de inmiddels door de generale synode zelve benoemde juristen-commissie voor civielrechtelijke vraagstukken weer met Hfdst. II van ordinantie 2 aan het werk, en herschreef nog eens weer dit gehele hoofdstuk in verband met de vragen rondom de (centrale) diaconie en de (centrale) kerkvoogdij, en de juridische onmogelijkheid om in deze gevallen de juridische rechtspersoon in dit kerkelijk stichtingsgoed (voor de gehele gemeente dienende) op te splitsen in wijkdiaconieën en wijk-kerkvoogdijen, die ook rechtspersoon zouden zijn 1. En de consequentie van deze juridische onmogelijkheid was voor de commissie ad hoc, die overigens niets wilde afdingen op het ideaal van de één-mansgemeente, dat zij raden moest aan de synode, alleen de centrale gemeente „gemeente” met rechtspersoonlijkheid te laten zijn. Daarmede moest weer ten dele ruimte gegeven worden aan de gedachte, dat niet de wijkgemeente, maar de centrale gemeente het uitgangspunt is van de formuleringen over de verhouding van centrale gemeente en wijkgemeente. De commissie voor civiel-rechtelijke vraagstukken adviseerde dan ook, om boven dit Hfdst. II van ordinantie 2 te schrijven: II. Centrale gemeenten. En van hieruit concipieerde zij het gehele hoofdstuk opnieuw. De synode nam bij de definitieve behandeling in November 1950 de voorstellen der commissie vrijwel geheel over. Met het gevolg, dat wij nu een kerkelijke wetgeving over deze moeilijke materie gekregen hebben, die telkens iets van de tegenstrijdige stromingen: nu eens „van wijkgemeente naar centrale gemeente”, en dan weer „van centrale gemeente naar wijkgemeente” laat bemerken.

Dit alles maakt het niet gemakkelijk om in de praktijk met dit Hfdst. II uit ordinantie 2 te werken. Waar dan nog bijkomt, dat de kerkelijke wetgever in O. 2-10-1 wel kortweg stellen kan, dat in het algemeen — behoudens nadere


1 Vgl. Rapport van de commissie voor civiel-rechtelijke vraagstukken, blz. IV en V en 15-22.

|135|

aanduidingen in de betrokken bepalingen — overal waar in ordinantie, generale of plaatselijke regeling van gemeente of kerkeraad gesproken wordt, daarbij in alle gevallen, waarin de centrale gemeente haar indeling in wijkgemeenten verkreeg, onder gemeente wijkgemeente en. onder kerkeraad wijkkerkeraad moet worden verstaan, .... doch dat daarnaast toch uit de formuleringen in de verschillende ordi-nanties keer op keer blijkt, dat deze formuleringen ontstaan zijn, zonder dat men ook maar enigszins op de ontwikkeling in de lotgevallen van Hfdst. II van ordinantie 2 zich had kunnen instellen. D.w.z. dat in vele ordinanties argeloos met „gemeente” een gemeente met één predikantsplaats, of ook met meer predikantsplaatsen bedoeld wordt; in ieder geval aan een gemeente gedacht wordt in haar traditionele eenheid, vóórdat ze in de puzzle van het decentraliseren of centraliseren verward geraakt is.

Zonder de breed uitgewerkte artikelen 9 tot en met 17 van dit Hfdst. II van ordinantie 2 in bijzonderheden na te gaan, volsta ik met het naar voren halen van enkele saillante punten.

De bepaling, die de dispensatie-mogelijkheid van de verplichting om éénmans-wijkgemeenten te vormen aangeeft voor gemeenten met twee of drie predikantsplaatsen, is te vinden in O. 2-9-2.
De parallelle bepaling voor gemeenten met meer dan drie predikantsplaatsen, welke bij de verkrijging van dispensatie alleen vrijheid erlangen tot het vormen van een of meer wijkgemeenten met twee of drie predikantsplaatsen voor gewone werkzaamheden, is te vinden in O. 2-9-3.
Een wijkkerkeraad wordt, wat de ouderlingen en diakenen betreft, gekozen door de wijkgemeente uit haar lidmaten volgens O. 3. De centrale kerkeraad, die het recht van verkiezing van de wijkpredikant overeenkomstig O. 3-13-3 heeft, doch „tezamen met de wijkkerkeraad der betrokken wijkgemeente” (O. 2-15-1), bepaalt het aantal leden der wijkkerkeraden met als minimum zes ouderlingen, onder wie drie kerkvoogden en drie diakenen (O. 2-11-1). De taken van de wijkkerkeraden worden omschreven in O. 2-12-1.
De centrale kerkeraad is de ambtelijke vergadering van de centrale gemeente. Hij bestaat uit zoveel leden, als bij plaatselijke regeling is bepaald, mits er maar uit iedere wijkgemeente minstens één ambtsdrager in deze centrale kerkeraad zitting heeft, en het aantal predikanten daarin gelijk is aan het aantal ouderlingen, die geen kerkvoogd zijn. Daarnaast moeten er nog half zoveel (ouderlingen)-kerkvoogd èn half zoveel diakenen zitting hebben in deze centrale kerkeraad (O. 2-14-1).

|136|

De leden van deze centrale kerkeraad worden, met hun secundi en tertii, voor vier jaren benoemd door de vergadering van alle ambtsdragers der wijkgemeenten, in het ontwerp van de commissie voor de Kerkorde oorspronkelijk „de grote kerkeraad” genoemd (O. 2-13-2). In centrale gemeenten met minder dan vier wijkgemeenten kan bij plaatselijke regeling worden bepaald, dat de centrale kerkeraad bestaat uit alle ambtsdragers van de wijkgemeenten (O. 2-13-4).
De taken van de centrale kerkeraad worden omschreven in O. 2-15-1. In verband met de taak-verdeling tussen wijkkerkeraden en centrale kerkeraad, welke volgens O. 2-12-1 en O. 2-15-1 in het algemeen zó is, dat de wijkkerkeraden vooral belast worden met die taken, die onder de vroegere reglementaire orde toevielen aan de „bijzondere kerkeraad”, en aan de centrale kerkeraden hoofdzakelijk als taak is toegewezen wat vroeger de taken van de „algemene kerkeraad waren 1, staat in O. 2-12-2 nog een zeer belangrijke en soepele bepaling: „Indien bijzondere plaatselijke omstandigheden dit noodzakelijk maken, kunnen onder goedkeuring van het breed moderamen der provinciale kerkvergadering, het breed moderamen van de classicale vergadering gehoord, in de plaatselijke regeling, telkens niet langer dan voor een tijdvak van vijf jaren, een of meer wijzigingen worden aangebracht in de verdeling van de werkzaamheden over de wijkkerkeraden en de centrale kerkeraden, aangegeven in de artikelen 12 en 15 dezer ordinantie”.
De vergadering van de ambtsdragers der wijkgemeenten is ten slotte de derde vorm van een ambtelijke vergadering in een centrale gemeente. Zoals ik reeds opmerkte, heette deze vergadering in het ontwerp-Nunspeet en ook nog in het ontwerp in eerste aanleg, zoals het in 1949 de Kerk inging, „de grote kerkeraad”. Deze titel is teruggenomen op aandrang van de commissie voor civiel-rechtelijke vraagstukken, omdat het haar onmogelijk scheen, parallel met de betiteling van de kerkeraden, te spreken van grote kerkvoogdij naast centrale kerkvoogdij en naast wijk-kerkvoogdij, en zij bovendien het begrip „centrale gemeente" met het oog op de rechtspersoonlijkheid zo bijzonderlijk stempelde.
De „vergadering van de ambtsdragers der wijkgemeenten” heeft tot taak de vaststelling van de plaatselijke regeling voor de vorming en inrichting van de centrale gemeente (O. 2-13-2) en benoemt tevens uit haar midden de leden van de centrale kerkeraad (O. 2-13-3). Zij kan voorts nog bijeenkomen ter bespreking van aangelegenheden, die voor de centrale gemeente van bijzonder belang zijn, hetzij bij besluit van de centrale kerkeraad, hetzij op gemotiveerd verzoek van tenminste ¼ deel der wijkkerkeraden (O. 2-13-5).
Buurtkerkeraden ontstaan alleen daar, waar ingevolge O. 2-16-1 een


1 Ik weet, dat dit natuurlijk niet te strikt genomen mag worden. Want enerzijds hebben b.v. de wijkkerkeraden ook tot taak: de diaconale zorg in de wijkgemeente, terwijl anderzijds getal, tijd en plaats van de kerkdiensten thans door de centrale kerkeraden geregeld worden en aan deze o.a. ook de zorg voor het bijbelonderricht op de scholen toevertrouwd is.

|137|

buurtgemeente gevormd wordt door het samenbrengen van twee of meer wijkgemeenten, indien daaraan in een centrale gemeente behoefte wordt gevoeld. Deze buurtkerkeraden bestaan uit al de ambtsdragers der in de buurtgemeente samengebrachte wijkgemeenten.
Regionale kerkelijke commissies worden in het leven geroepen door de (centrale) kerkeraden van gemeenten, die een samenhangend complex van wooncentra vormen. Deze worden bijeengebracht op initiatief van het breed moderamen der synode (O. 2-17-1). De taak dezer regionale commissie wordt omschreven in O. 2-17-3.

 

Buitengewone gemeenten.

De opsomming van de soorten van buitengewone gemeenten, die in de thans wet geworden ordinantie 2 wordt gegeven, is de volgende: gestichtsgemeenten (O. 2-18-1 tot 9), schippersgemeenten (O. 2-19-1 en 2), gemeenten in het buitenland (O. 2-20-1 tot 3), gemeenten in wording (O. 2-21-1) en gemeenten in herstel (O. 2-22-1).

Zoals men ziet, nemen de „schippersgemeenten” thans eenvoudigweg een bescheiden plaats in in deze reeks van buitengewone gemeenten. In het oorspronkelijk voorstel van de „Commissie voor de Kerkorde” echter was een geheel afzonderlijk hoofdstuk (Hfdst. III) in ordinantie 2 gewijd aan „de varende gemeente” (de Artt. 14-17; Ontwerp-Kerkorde, blz. 85-87).

Tijdens de behandeling van ordinantie 2 volgens dit ontwerp in de generale synode bleek echter duidelijk, dat men in de kring van de „Raad voor de varende gemeente” het onderling nog in ’t geheel niet eens was over de meest juiste organisatie-vorm der schippers- en zeemans-gemeenten (Handel. Synode, 1948, blz. 343-357). Zo kwam de synode op voorstel van haar commissie van rapport er toe, de Artt. 14-17 van O. 2 in het ontwerp-Kerkorde samen te trekken tot één artikel, en dit dan plaats te geven onder de rubriek „Buitengewone gemeenten” (Handel., 1948, blz. 357).

Dit Art. 19 van O. 2 stelt nu slechts het bestaan van een eigen schippersgemeente onder een centrale kerkeraad en constateert, dat de inrichting dezer gemeente krachtens „nadere bepalingen”, door het breed moderamen der generale synode aan de synode voor te leggen, nog moet plaatshebben.

Over de gestichtsgemeenten, die gevormd kunnen worden

|138|

krachtens een besluit van het breed moderamen der classicale vergadering uit de „als een gesloten geheel levende bevolking van een inrichting of gesticht”, handelt O. 2-18-1 tot 9. Slechts predikanten voor bijzondere of buitengewone werkzaamheden (vgl. O. 13-3 en O. 13-4) kunnen bij zulk een gestichtsgemeente worden beroepen. Het spreekt vanzelf, dat bij de keuze van een predikant voor zulk een stichting het bestuur der inrichting doorslaande invloed moet hebben (O. 2-18-4). De gestichtsgemeente heeft een aparte kerkeraad van tenminste twee ouderlingen en één diaken (O. 2-18-5). Zij kan als wijkgemeente in een centrale gemeente worden opgenomen, maar dat behoeft niet en is zeker ook niet aangewezen, wanneer de predikant der gestichtsgemeente een predikant voor buitengewone werkzaamheden (ingevolge O. 13-3-1) is, die niet aan een bepaalde (centrale) gemeente is verbonden.

Gemeenten in het buitenland (O. 2-20-1 tot 3) zijn uiteraard ook buitengewone gemeenten. Zij kunnen door het breed moderamen van de synode in het leven geroepen worden, „zo de omstandigheden dit wenselijk maken” en er dus van afgezien wordt O. 20-5-1 op de groep in het buitenland vertoevende Hervormde Nederlanders toe te passen.

 

Gemeenten in wording.

Dat hieraan een afzonderlijk artikel gewijd is onder het hoofdstuk „Buitengewone gemeenten” (O. 2-21-1) en hier dus niet zonder meer de procedure van O. 2-4-1 tot 7 kan toegepast worden, moet ons nopen bijzondere nadruk te leggen op buitengewone omstandigheden, die een abnormale vestiging van nieuwe bewoners in een deel van een bepaalde gemeente tengevolge hebben en het nodig maken de zelfstandigwording van dit deel te bevorderen. In zulke buitengewone omstandigheden kan het breed moderamen van een classicale vergadering zelfs ongevraagd tot stappen overgaan, wat bij O. 2-4-1 onmogelijk is.

Gemeenten in herstel zijn zulke gemeenten, die op grond van het oordeel van visitatoren-provinciaal „een zodanige inzinking” vertonen, dat de generale synode er toe moest overgaan haar voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaren tot

|139|

„gemeente in herstel” te verklaren. Hetgeen insluit, dat er dan bijzondere maatregelen voor haar inrichting en pastorale verzorging worden getroffen, die afwijken van de in de ordinanties der Kerk gestelde regelen (O. 2-22-1).

 

Op de drie hoofdstukken over gewone, centrale en buitengewone gemeenten volgt nu in ordinantie 2 nog een IVe hoofdstuk onder de titel: Bijzondere verbanden van gemeenten. In andere redactie en onder een andere titel, nl. die van gemeenten in regionaal verband, had het ontwerp-Nunspeet in ordinantie 2 een slot-artikel gebracht, dat volgens een mededeling van Prof. van Ruler in de Synode van 1948 (Handel., 1948, blz. 360-361) hierin door de „Commissie voor de Kerkorde” gebracht was met het oog op de positie van de Hervormde gemeenten in het Rooms-katholieke zuiden des lands, nadat men aanvankelijk in de ordinantie voor het apostolaat daarvoor een volgens sommige leden der commissie al te doorzichtige plaats gezocht had.

De praeses der synode drong nu op schrapping van dit laatste artikel van ordinantie 2 aan. De generale synode aanvaardde dit, op voorwaarde dat voor deze materie (het apostolaat tegenover Rome) weer plaats gevonden zou worden in ordinantie 4 (Handel., 1948, blz. 362).

Ten slotte is echter deze materie toch weer teruggebracht naar het slot van ordinantie 2. En zoals de formulering nu luidt, heeft men nauwe aansluiting gezocht bij het artikel over „gemeenten in herstel”. Deze gemeenten zijn het nu, die allereerst in aanmerking dienen te komen voor zulke „bijzondere verbanden”. Daarnaast heeft men dan ook het oog op gemeenten, gelegen in een streek met een overwegend niet-Hervormde bevolking.

Zulke „bijzondere verbanden van gemeenten” staan onder leiding van het breed moderamen der betrokken ambtelijke vergadering, hetzij van een aparte commissie, door dit breed moderamen in het leven geroepen.

Bij de keuze van hen, die in zulk een verband in het pastoraat werkzaam zullen zijn, heeft de betrokken ambtelijke vergadering, of de expresselijk ingestelde commissie, doorslaande invloed (O. 2-23-3).

|140|

De bedoeling van dit slotartikel van ordinantie 2 is nu duidelijk deze: het leven der Kerk in een bepaalde streek te versterken — en dat evengoed tegenover de gevaren der toenemende onkerkelijkheid als tegenover de invloed van Rome — en de kerkeraden van zulke gemeenten in bijzonder verband te doordringen van hun bijzondere verantwoordelijkheid tegenover de streek, waarin deze ingezonken of zwakke en kleine gemeenten gelegen zijn.

Haitjema, Th.L. (1951) II.3

§ 3. Kerkorde en ordinanties: het absolute en het relatieve element daarin. De onmisbaarheid van de overgangsbepalingen.

 

Had ik het „Beschrijvend Gedeelte” niet met deze paragraaf moeten aanvangen? M.a.w.: staat K. III, dat het opschrift draagt: „Van de orde der Kerk”, eigenlijk te laat in de kerkorde? Is dit IIIe artikel niet het artikel, waarmede de gehele beschrijving van het huidige kerkrecht eigenlijk beginnen moest? Men moet toch immers eerst weten wat een kerkorde is, en wat ordinanties zijn, voor en aleer men de inhoud er van beschrijven kan, zoals toch van meet af gebeuren moet, en in het „Beschrijvend Gedeelte” van dit boek immers ook van meet af geschiedde?

Ook in de boezem van de „Commissie voor de Kerkorde” is aanvankelijk dit standpunt wel ingenomen. Prof. van Ruler, die het verdedigde, vreesde vooral, dat dit voorop laten gaan van een tweetal artikelen over de Nederl. Hervormde Kerk in het algemeen en de plaatselijke Hervormde gemeenten in het bijzonder deels te zeer de belijdenis-inhoud van het stuk der Kerk zou brengen in de tekst van de kerkrechtelijke omschrijvingen, — waar hij niet thuishoort —, deels ook te duidelijk verraden zou, dat men overdreven bevreesd was voor een gans nieuwe inzet der kerkorde om voor het forum van het burgerlijk recht de continuïteit tussen de Nederl. Hervormde Kerk onder het Algemeen Reglement van 1852 èn deze Hervormde Kerk onder de huidige Kerkorde niet in de waagschaal te stellen.

Toch ben ik nog steeds dankbaar, dat de artikelen „Van de Kerk” en „Van de gemeenten” bleven vooropstaan in de Kerkorde van 1950.

|141|

Zeker, het buiten twijfel laten blijven van de continuïteit onzer Kerk voor het forum van het burgerlijk recht was mij ook wat waard. Doch bovenal is het toch immers principieel kerkrechtelijk verdedigbaar, dat men eerst wat van de Kerk en van de gemeenten, waaruit zij opgebouwd is, zal moeten zeggen, voordat men er toe kan overgaan de orde van deze Kerk als zodanig in het oog te vatten. Dat ik intussen in de beide vorige paragrafen van dit „Beschrijvend Gedeelte” reeds niet weinig van de inhoud van de kerkorde en bijbehorende ordinanties (vooral de ordinanties 20 en 2) behandelde, is waar. Maar het is, naar mij voorkomt, geen ernstig bezwaar tegen de volgorde in de eerste drie artikelen der kerkorde. Het heeft juist z’n oriënterende betekenis onmiskenbaar om de kerkorde en de ordinanties zich eerst eens op bepaalde punten te laten uitspreken, om zodoende met haar structuur en taaleigen nader kennis te maken, voordat men opzettelijk en samenvattend tracht te formuleren, waarover de kerkorde en ordinanties „zich uitstrekken in het leven en werken der Kerk” (K. III-1).

Laat ons — om tot zuivering van het spraakgebruik iets bij te dragen — dan maar aanstonds afspreken, dat wij de wenk van de „Commissie voor de Kerkorde” willen volgen en „orde der Kerk” voor een meer omvattende uitdrukking zullen houden dan „kerkorde” 1.

„Kerkorde”: daarmede bedoelen wij, tenzij een andere betekenis duidelijk blijkt, de XXIX artikelen, die de hoofdbeginselen, „de belangrijkste constitutieve elementen” (aldus de „Commissie voor de Kerkorde”), bevatten van het thans geldende Nederl. Hervormde kerkrecht. Men zou hier, gedachtig aan het bijvoeglijk naamwoord „constitutief”, van kerkelijke grondwet kunnen spreken, mits men de parallel met een grondwet in het staatkundige leven niet te ver doortrekt. De „kerkorde” met haar XXIX artikelen èn de daarbij behorende twintig ordinanties, èn ook de op grond hiervan gegeven „generale regelingen” vormen samen „de orde der Kerk”. De twintig ordinanties bevatten dan bepalingen van meer „regulatieve” aard, hoewel toch bepalingen, die alleen krachtens de wetgevende bevoegdheid der synode in


1Ontwerp-Kerkorde 1947, Inleiding, blz. 7.

|142|

de kerkelijke weg (ingevolge K. XXVII) geldigheid kunnen verkrijgen. „Generale regelingen” echter komen krachtens besluiten der synode tot stand en worden dus als „beschikkingen” uitgevaardigd.

Deze „orde der Kerk” moet „van Christuswege” onderhouden worden (K. IV-1) en kan daarom zeker niet gezien worden als een kwestie van praktisch menselijk inzicht. Dat laatste komt er stellig wel bij en deed zich gelukkig ook gelden bij de uitwerking van de huidige kerkorde met haar ordinanties. Het relatieve element in het kerkrecht, dat onze Kerk thans in haar nieuwe orde aanvaardde, wordt volmondig toegegeven. De historie van de ontwikkeling van de Hervormd-kerkelijke verhoudingen in Nederland roept dit relatieve element als vanzelf naar voren. Schrift en confessie geven hier de concrete oplossingen niet. Met de fundamenten van de kerkorde en de ordinanties is het echter een andere zaak. Die vertegenwoordigen het absolute moment in dit kerkrecht. De „Commissie voor de Kerkorde” sprak in de inleiding bij haar Ontwerp-1947 terecht van een orde der Kerk, die gebouwd was „op het bijbelse gegeven, dat Christus zijn Kerk regeert door middel van het ambt”. In de Christus-heerschappij ligt derhalve de diepe en absolute ondergrond van dit kerkrecht. En van deze ondergrond mag gezegd worden, dat hij „goddelijk recht” schept; al weet het Geref. Protestantisme ook terdege, dat het deze schat in aarden vaten heeft.

In de opsomming van de gebieden en werkzaamheden, waarover de orde der Kerk zich moet uitstrekken, waarin de gehele structuur van de XXIX Artikelen der kerkorde zich weerspiegelt, komt wel heel duidelijk uit, dat het hier gaat over functies van de Kerk, die alleen gehalte-vol kunnen worden uitgeoefend in gemeenschap met Christus, het Hoofd der Gemeente.

Ook de Commissie van rapport over de consideratiën der Kerk op het ontwerp-Kerkorde wilde blijkbaar met kerkorde en ordinantiën zo dicht mogelijk bij de erkenning van het heilgeheim van Christus als Hoofd en Heer der Kerk blijven, toen zij de synode ontried aan de wens van een Provinciaal Kerkbestuur gevolg te geven, dat aan het slot van K. III toevoegen wilde: „en wat zich voorts als taak der

|143|

Kerk zal openbaren”. De Commissie verwierp dit amendement, „aangezien de kerkorde hiermede te veel aan het statuut van een vereniging gelijkgesteld zou worden” (Rapporten, 1950, blz. 7).

In voortreffelijke bewoordingen legde de „Commissie voor de Kerkorde” dan ook in het begin van de inleiding bij het Ontwerp-1947 er grote nadruk op, dat een kerkorde „niet een administratieve functie heeft, maar een geestelijke. Haar eenig doel is om Kerk en gemeente die inrichting en bewerktuiging te geven, die zij behoeven om, rondom Woord en Sacrament, in deze wereld als gemeenschap der ware Christgeloovigen in belijden, leven en werken gemeente des Heeren te zijn.
De commissie voor de kerkorde heeft dan ook gevoeld voor de Kerk niet een wet te moeten maken, maar den leefregel te moeten zoeken, die het onze Kerk mogelijk maakt naar binnen en naar buiten weer als Kerk te functionneeren, voor welken leefregel de Heilige Schrift het inzicht geeft. Ook de meest zakelijke en dagelijksche bepalingen moeten steeds zoo worden gelezen en toegepast, dat zij de verschijning der Kerk beoogen als de openbaring van het lichaam van Christus. Verliest men dit — bij welke groote of kleine kerkelijke handeling en beslissing ook — uit het oog, dan is er het gevaar van versteening, van verschrompeling tot een uitwendige corporatie en van een wegzakken van het kerkordelijke naar het administratieve als doel in zichzelf”.

K. XXVII-7 legt aan de generale synode de verplichting op „voor bundeling en uitgave van de kerkorde, ordinanties, generale regelingen en andere voor de kennis van de orde der Kerk van belang zijnde stukken” zorg te dragen.
K. XXVII-2 tot 4 beschrijft de procedure voor de totstandkoming van een ordinantie, of van wijzigingen daarin.
Rechtstreeks door ambtsdragers, lidmaten ener gemeente of kerkeraden bij de synode ingezonden voorstellen, zoals dat vroeger onder de reglementaire organisatie zo vaak gebeurde, worden thans niet meer door de synode in overweging genomen. Het betrokken voorstel moet zijn ingediend door een classicale vergadering, door een provinciale kerkvergadering of door een der organen van bijstand van de generale synode. Het kan echter ook opkomen en ingediend worden in de synode zelve.
Ook voor de ordinanties blijft een vorm van wetgeving in twee etappes

|144|

nodig, waarbij een voorstel betreffende een der ordinanties na vaststelling in eerste lezing door de synode aan de kerkeraden wordt toegezonden ter consideratie door middel van de classicale vergaderingen. Wat is hier de formulering veel kerkelijker gesteld dan onder de Kerkorde van 1852, toen vlgs. art. 62 van het Algemeen Reglement de consideratiën gevraagd werden door rechtstreekse toezending aan provinciale kerkbesturen en classicale vergaderingen!
K. XXVII-6 bevat de soepele bepaling, dat de verordeningen in ordinanties geen wetten van Meden en Perzen zijn, doch dat buitengewone omstandigheden in bepaalde gevallen, waarin de naleving der ordinantie-bepalingen „tot kennelijke onrechtvaardigheid zou leiden”, aan de generale synode vrijheid geven om in zulke bijzondere gevallen, volgens met redenen omkleed besluit, dat ter algemene kennis van de Kerk moet worden gebracht, ontheffing te verlenen van de naleving dier bepaling.
K. XXVIII behandelt de procedure voor veranderingen in de Kerkorde. Tot zulke veranderingen kunnen alleen classicale vergaderingen, provinciale kerkvergaderingen, of synodeleden in de synode zelve, voorstellen doen. De organen van bijstand worden in dit verband niet meer genoemd. Voor de „constitutieve” bepalingen van de kerkorde zelf wordt het initiatief tot wijzigingen derhalve strikter aan de ambtelijke vergaderingen gebonden.
Ook hier weer: wetgeving in twee etappes. Na vaststelling van een wijziging in een der kerkorde-artikelen zendt de synode het betrokken stuk aan de kerkeraden toe, ter consideratie door de classicale vergaderingen, die eerst voor dat doel drie maanden nadien mogen worden gehouden.
Voor de tweede behandeling van de wijziging in kwestie wordt ook voor de beraadslagingen reeds uit iedere classis een tweede afgevaardigde naar een verdubbelde synode afgevaardigd; met adviserende stem, zolang de discussies leiden moeten tot een eindredactie van het onderhavige voorstel. Eerst bij de eindstemming krijgen de extra-afgevaardigden concluderende stem.
De Synode van November 1950 heeft bij de vaststelling van de definitieve tekst van K. XXVIII het voorstel, ook hier weer een gequalificeerde meerderheid van ⅔ te eisen, verworpen. De verdubbeling van het ledental der generale synode gaf naar haar oordeel waarborg genoeg, dat hier niet overrompelend tot wijziging der kerkorde zou kunnen worden besloten.

Dat overgangsbepalingen bij zulk een totale herordening van de gehele kerkelijke samenleving onmisbaar zijn, spreekt wel vanzelf. De „Commissie voor de Kerkorde” heeft dit ook van meet af wel begrepen, doch tevens het standpunt steeds ingenomen en volgehouden, dat het ogenblik voor het ontwerpen der overgangsbepalingen eerst rijp kon heten, „als bij de eerste lezing de definitieve gestalte der kerkorde

|145|

zichtbaar wordt” (Inleiding bij het Ontwerp-1947, blz. 13). Merkwaardig is overigens wel, dat, toen de Commissie dit schreef, zij zelf blijkbaar nog heel weinig in grote lijnen voor zich zag, wat er dan in die overgangsbepalingen zou moeten komen te staan. Aan de Commissie stond toentertijd kennelijk nog het meest voor ogen, dat de stof van de overgangsbepalingen betrekking zou moeten hebben „op de huidige zendingsorganen, op de zendelingen, de godsdienstonderwijzers, de inwendige zending, de zorg voor de financiën en het beheer van kerke- en pastoriegoederen, het opzicht, het toezicht en het gebruik van Formulieren en orden van dienst”.

Wel enigszins anders wordt door deze zelfde Commissie een paar jaar later de niet te ontwijken formulering van overgangsbepalingen gemotiveerd in haar inleiding bij de Overgangsbepalingen, als het daar heet (blz. 5): „Men raakt het beste met de betrokken stof vertrouwd, als men zich indenkt, wat er gebeuren moet op de dag, waarop de kerkorde in werking treedt. In het hierachter volgende ontwerp is daarvoor de datum gesteld van 1 Mei 1951.
De overgangsbepalingen geven dus het antwoord op de vraag: hoe moet het en wat gebeurt er, als de kerkorde de plaats inneemt van de huidige kerkelijke reglementen?
Dan zijn er wel ineens andere namen, andere organen, andere regelingen, maar het is dezelfde Kerk met dezelfde gemeenten en dezelfde mensen. Bij het lezen van deze overgangsbepalingen moet men zich dus steeds voor ogen houden: hoe is deze grote verandering in de inrichting en bewerktuiging der Kerk zó te regelen, dat alles toch blijft lopen? Van dat gezichtspunt uit zijn de hier volgende overgangsbepalingen gedacht. Ogenschijnlijk zijn het soms kleinigheden, maar ook de voorziening daarin kan in de praktijk niet gemist worden”.

Wanneer nu het complex van 368 overgangsbepalingen van dit gezichtspunt uit als in vogelvlucht wordt overzien, zal het wel duidelijk zijn, dat een zeer groot deel van deze bepalingen voor de overgangstijd zó uitsluitend hulpinstrumenten willen zijn voor de overschakeling van de oude reglementen op de nieuwe „orde der Kerk”, dat zij voor een deel slechts éénmaal toepassing hebben gevonden en aldus

|146|

hun werking hebben gedaan, zodat zij reeds kerkrechtelijk zijn uitgeschakeld tegen de tijd, dat dit boek verschijnt. Dat geldt van vrijwel alle overgangsbepalingen van technisch-formele aard. Verreweg de meeste van de algemene overgangsbepalingen 1-97 en van de slotbepalingen (365-368) kunnen hiertoe gerekend worden.

Nu zijn er daarnaast ook vele overgangsbepalingen, die wel als van technisch-formele aard geformuleerd zijn, maar die op de achtergrond iets laten doorschemeren van de krank-heden der Kerk, b.v. van het stil verzet van ambtsdragers, leden en kerkelijke lichamen, die toch maar liever alles bij het oude willen laten, van de richtingsmoeilijkheden in vele gemeenten, en van de onwil van niet weinige figuren uit beheerskringen om voortaan „kerkvoogd” te zijn in de nieuwe stijl van de Kerkorde van 1950.

Deze brede groep overgangsbepalingen noemen dikwijls een terminus ad quem, die zó ver in de toekomst ligt, dat het gewenst schijnt met de inhoud dezer overgangsbepalingen nog ettelijke jaren te rekenen, en er dus in een handboek voor Nederlands Hervormd kerkrecht, dat betrekkelijk kort na de invoering van de Kerkorde van 1950 verschijnt, niet stilzwijgend aan voorbij te gaan. Ik hoop dit niet te vergeten bij de verdere beschrijving en toelichting van de inhoud van de sinds 1 Mei 1951 in werking getreden nieuwe orde onzer Kerk.

Aangezien ik echter in § 2 van dit „Beschrijvend Gedeelte” reeds ordinantie 2 van naderbij bekeken heb, schijnt het mij niet overbodig, de overgangsbepalingen bij deze 2e ordinantie, die waarschijnlijk nog wel enige jaren van kracht zullen zijn, en reeds daarom iets van de achtergrond laten doorschemeren, waarover ik daareven sprak, even in het volle licht te trekken. Dan wordt meteen concreet, wat ik met de typering van deze soort overgangsbepalingen bedoelde.

O.v.b. 1 112 verklaart het college van kerkvoogden bevoegd om het in gebruik zijnde kerkelijk bevolkingsregister nog tot einde 1954 onder bepaalde, in O.v.b. 112 duidelijk omschreven, voorwaarden in gebruik te houden.


1 O.v.b. is voortaan de verkorting voor overgangsbepaling, zoals O. voor ordinantie.

|147|

O.v.b. 117 geeft aan de brede moderamina der classicale vergaderingen tot einde 1952 de tijd om de kaarten met de aanduiding der geografische grenzen van de gemeente in gereedheid te brengen. Dat moet wel, want zulke kaarten bestaan, naar in de synode verklaard werd, nergens!
O.v.b. 125 laat aan de kerkeraden van gemeenten met meer dan één gewone predikantsplaats tot 1 Januari 1953 de tijd om het wijk-gemeenten-stelsel door te voeren. Die ruimte van tijd is niet overbodig, gelet op het vele werk, dat aan deze ingrijpende veranderingen vastzit (b.v. het uitwerken van een geheel nieuwe plaatselijke regeling!)
O.v.b. 126 geeft dezelfde bevoegdheid aan kerkeraden van grotere gemeenten, waar men op 30 April 1951 reeds een indeling in wijk-gemeenten of buurtgemeenten in oude, reglementaire stijl bezat.
O.v.b. 127 geeft aan het breed moderamen der synode de bevoegdheid om op het stuk van de centrale gemeente in onderdelen afwijkende regelingen aan bepaalde centrale gemeenten geval voor geval toe te staan, echter uiterlijk voor een tijdvak, dat op 31 Dec. 1955 ten einde moet lopen.

Naast de twee groepen overgangsbepalingen, die ik tot dusver onderscheiden heb, nl. die van technisch-formele aard zijn zonder meer èn die wel in deze vorm geredigeerd zijn, maar toch vrij duidelijk een achtergrond laten doorschemeren, is er nog een derde groep overgangsbepalingen te noemen; nl. deze, die kennelijk in het verlengde liggen van de betekenis, die de overgangsbepalingen hadden in het reorganisatie-ontwerp-1937. Dat waren overgangsbepalingen, die niet alleen de krankheden onzer Kerk, die onder de bestuursorganisatie van de 19e eeuw zo chronisch geworden waren, lieten doorschemeren, doch die veeleer openlijk in hun structuur de hoofdkrankheid der Hervormde Kerk na 1816, nl. dat ze tot een hotel-kerk (aldus de typering van Prof. Kraemer) verworden was, waarin de partijschap kankerachtig voortwoekeren kon, nadat zij in de wortel bestreden was met een principiële herordening van het kerkelijk leven, de tijd en de ruimte bedoelden te geven om uit het lichaam der Kerk geleidelijk in haar nawerkingen te verdwijnen. Deze soort overgangsbepalingen treffen wij vooral aan in ordinantie 11. Ik denk daarbij aan de O.v.b. 235-238 over het nevenpastoraat in gemeenten, waar „een aantal lidmaten verklaart binnen de grenzen van artikel X der kerkorde behoefte te hebben aan een andere modaliteit van prediking en catechese, dan ter plaatse wordt gevonden”. Ik

|148|

denk ook aan de O.v.b. 248-251, waar de opschorting van de definitieve maatregelen van sancties op de judiciële leertuchtelijke oordelen der Kerk tot 1 Mei 1961 afgekondigd wordt.

Haitjema, Th.L. (1951) II.4

§ 4. Gemeente en ambt; hoe de ambtsdragers verkozen worden.

 

Het zou veel te weinig gezegd zijn, wanneer wij de overgang van gemeente naar ambt alleen maar zó trachtten te vinden, dat wij dit geestelijk ambt in de Kerk slechts onmisbaar zouden willen verklaren vanwege de noodzakelijkheid om „de orde der Kerk van Christuswege te onderhouden”. Deze schijn zou de inzet van K. IV wel even kunnen wekken. Maar dan vergeet men toch, dat er in dit zeer fundamentele artikel onzer kerkorde verder volgt, dat de ambten er evenzeer zijn om „in de verscheidenheid der diensten te voorzien”.

En nu begint de opsomming van de verschillende „diensten” in onze Kerk in K. III niet toevallig met de verkondiging van het Woord Gods en de bediening van de sacramenten. Het zijn de twee diensten, die mèt de ambtsdragers, die er in dienen, eigenlijk slechts instrumenten zijn in de hand van die Christus, Die naar de bewoordingen uit Antw. 54 van de Heid. Catechismus zelf zijn gemeente vergadert, onderhoudt en beschuttend regeert. Door K. III heen worden wij zodoende weer teruggeleid tot K. II-1, waarin van de Hervormde gemeente gezegd wordt, dat zij „vergaderd wordt rondom Woord en sacramenten”. Het ambt bedoelt dus niet enkel de orde „van Christuswege” te onderhouden in de Kerk, die er reeds is, en in de gemeenten, die er reeds zijn; het geestelijk ambt strekt even stellig, althans voor zover het met de bediening des Woords en der sacramenten te doen heeft, hiertoe, dat de gemeente gebouwd en vergaderd worde: dat zij dus tot openbaring kome als gemeente van Jezus Christus; bekwaam gemaakt en zonder vlek of rimpel, zoals de bruid voor haar bruidegom versierd is (Ef. 5: 23-27). Zó stelt Christus, de Bruidegom, zijn gemeente vóór zich door middel van de wondere diensten van het geestelijk ambt, dat

|149|

bepaaldelijk als Christus’ orgaan de opdracht heeft om Woord en sacrament te bedienen. En het lijdt geen twijfel, of dit aspect van het geestelijk ambt — dat gelukkig ook in Art. 13 van Fundamenten en Perspectieven in het licht van een actueel belijden van het stuk der Kerk gesteld werd! — zal ons doen inzien, dat het onmogelijk is om het geestelijk ambt geheel en al uit het algemeen priesterschap der gelovigen, of uit het ambt aller gelovigen te laten opkomen. Als orgaan van Jezus Christus, de Heer der gemeente, moet het ambt een van zijn diepste wortels houden in die mysterieuze gemeente-vergaderende en heiligende functie van Christus zelf. Van het profeet-, priester- en koning-zijn van alle Christ-gelovigen kunnen wij niet zonder meer uitgaan. Christus gebruikt als zijn orgaan dat geestelijk ambt der Woord- en sacramentsbediening ook om de Zijnen, de uit de wereld geroepenen, tot profeten, priesters en koningen te maken.

Daarmede is voor mij ook reeds beslist, dat ingevolge het bijbelse gegeven van deze functie van het geestelijk ambt hier volgehouden moet worden, dat het volle geestelijk ambt, vooral in de bediening van het Woord en de sacramenten, niet voor de vrouw opengesteld mag worden. Waar de H. Schrift de verhouding van Christus tot de gemeente bijna met sacramentele geladenheid onder de beeldspraak van man en vrouw in het huwelijk stelt, daar moet er in het geestelijk ambt een complex diensten overblijven, dat zó dicht bij de geestelijke werkelijkheid van een representatie van Christus, de Bruidegom der gemeente, blijven kan, aangezien alleen een man daarin dient, dat wij met onze kerk-ordelijke vernieuwing van de mogelijkheden voor de vrouw om in de gemeente in het geestelijk ambt te dienen ons niet schuldig gaan maken aan de verzwakking of de ontluistering van het mysterie, dat groot genoemd mag worden: dat nl. Christus de Bruidegom zijner Gemeente is!

Tot dusver is noch in de kerkorde noch in de ordinanties tot deze verruiming van mogelijkheden tot het bekleden van een geestelijk ambt door een vrouwelijk lidmaat overgegaan. De generale synode onder de vigueur van de Werkorde heeft er veel en ernstig over gesproken.

Een breed en belangrijk rapport van een aparte studie-

|150|

commissie over deze kwestie 1 heeft de synode trachten voor te lichten. Het heeft ten slotte slechts tot een voorlopige conclusie geleid: om nl. vooralsnog in deze vragen nog geen decisie te nemen, die tot ingrijpende veranderingen in kerkorde en ordinanties aanleiding zou moeten geven. Men handelde hierbij echter meer uit de overweging, dat dit vraagpunt in de oecumenische samensprekingen der Kerken nog zo weinig tot klaarheid gekomen was, en deels ook uit vrees, dat veranderingen op dit punt grote beroering bij een deel van ons kerkvolk zouden teweegbrengen, en tegelijk verscherping van de tegenstand tegen de gehele nieuwe „orde der Kerk”, — dan dat de synode principieel uit Schrift en belijdenis zou hebben toegelicht, waarom zij hier niet toegeven kon aan de aandrang van velen; en onder die velen missionair-apostolisch gerichte leidende figuren der Christenheid.

Overigens dient ook erkend te worden, dat de tegenstand tegen de pleidooien van zulke figuren, die met voorliefde van Gal. 3: 28: „in het Evangelie is geen man en vrouw” ... uitgingen, als zij pogen wilden de poorten van het geestelijk ambt voor de vrouw ten volle te openen, menigmaal niet heel sterk stond in de synodale discussies. Er waren te veel argumenten bij, die het verwijt van conservatisme en van onontvankelijkheid voor de eisen, die de ontwikkeling der maatschappelijke verhoudingen in alle levenskringen stellen mag, als vanzelf opriepen. Er werd bovendien veel te veel geopereerd met het argument, dat de vrouw in ieder geval buiten de regerende functies der Kerk in haar ambtelijke vergaderingen moest blijven. Ik zie helemaal niet in, waarom. Immers met het „deelhebben aan de zalving van Christus” heeft ook iedere Christin deel aan diens koninklijk ambt. En waarom zou dan b.v. het ambt van ouderling niet voor de vrouw opengesteld kunnen worden, zolang men staande houden kan, dat de wortel van het ouderlingambt ook aanslaat in de levensbodem van de gemeente, die alle gelovigen als profeten, priesters en koningen wil doen uitkomen? Als men maar één verschijningsvorm van het geestelijk ambt, nl. die met de „diensten” van verkondiging des Woords en


1De Vrouw en het ambt, Maart 1950 (bevattende een meerderheids- en een minderheidsrapport).

|151|

uitdeling der sacramenten voluit te maken heeft, duidelijk van de andere kant, — waar Christus, de Bruidegom der gemeente, staat en gemeente-vormend werkt door zijn Geest en Woord, — laat komen en dus laat wortelen in het „grote geheimenis”, dat in het teken staat van „naar de gemeente toe van Christus uit”. Hetgeen iets anders is dan in het teken „van de gemeente uit naar Christus toe”.

Wat ten slotte wel heel merkwaardig is, is dit: dat Karl Barth in zijn anthropologie (Kirchl. Dogmatik, III 2) deze visie op het probleem van de vrouw en het geestelijk ambt op mijns inziens diepzinnige wijze verdedigt, maar dat hij terzelfdertijd daarmede een ambts-opvatting verbindt in de vragen met betrekking tot het kerkverband, die hem stelselmatig wegtrekt naar de congregationalistische voorstellingen over de gemeente der gelovigen, waaruit alles, ook het geestelijk ambt, opkomt. Onder de invloed van Barth zijn er zodoende in Duitsland bij de behandeling van kerkordelijke vragen na de laatste oorlog (Martin Niemöller, Hermann Diem!), en ook wel in Nederland in sommige kringen, die warm geporteerd zijn voor het lekenapostolaat, ambtsbeschouwingen naar voren gekomen, waarbij men Barth al te geredelijk bijvalt, wanneer hij de huidige kerkorde onzer Hervormde Kerk veel te clericalistisch noemt.

 

In het thans geldende Nederl. Hervormde kerkrecht is het klassieke schema van de drie ambten: predikanten, ouderlingen en diakenen, gehandhaafd gebleven (vgl. K. IV-1). Dit schema mag klassiek genoemd worden, omdat het ook in Art. XXX van onze Nederl. Geloofsbelijdenis reeds staat aangegeven als de ambten-driedeling, die instrumenteel de orde der Kerk dient en onderhoudt. In de synode werd bij de discussie over K. IV-1 niet ten onrechte wel eens opgemerkt, dat wij dit artikel onzer confessie toch eigenlijk eerst zouden moeten herzien, indien wij in onze kerkorde van meer dan drie ambten zouden willen uitgaan. De beroemde vier-deling van Calvijn — met de „doctores ecclesiae” als vierde ambt — zou ons daarbij nauwelijks enige dekking kunnen geven, omdat het nog altijd de vraag is, of Calvijn hier inderdaad wel aan iets anders dan een differentiatie, een aftakking van de dienst des Woords, heeft gedacht.

|152|

Voor mij blijft een voorzichtige herinnering aan het drievoudig ambt van Christus voor dit driedelig ambten-schema nog steeds van betekenis. Het verheugde mij te bemerken, dat ook Dr A.J. Bronkhorst in zijn dissertatie over Schrift en Kerkorde (1947) de N.T.-sche ondergrond van deze driedeling na zorgvuldig onderzoek der in aanmerking komende Schriftuurplaatsen erkent. Het is dan ook weloverwogen, wanneer deze auteur ten slotte samenvattend schrijft: „wanneer het schema van het munus triplex niet star, maar met Bijbelsche vrijheid wordt toegepast op de verschillende ministeria in de gemeente, is het m.i. uitstekend geschikt om voortdurend te doen uitkomen, dat Christus alleen het logische subject van alle ambten kan zijn” (a.w., blz. 118).

Laat ons nu over de drie ambten afzonderlijk spreken, en daarbij de hoofdlijnen mogen toelichten van wat kerkorde en ordinanties over dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen nader zeggen.

K. IV-2 onderscheidt de dienaren des Woords in drie groepen:
de herders en leraars (predikanten),
de zendingspredikanten en
de predikant-evangelisten.

Bij die eerste groep, de herders en leraars, of predikanten, wordt kennelijk in de kerkorde aan de predikanten voor gewone werkzaamheden gedacht. Althans alle taken van zulke predikanten worden opgesomd, zoals deze ook in O. 13-2-1 worden herhaald.

Het enige verschilpunt in de opsomming ligt in de omschrijving van de laatste taak, het opzicht over de gemeente. O. 13-2-1 zegt daarvan alleen, dat dit opzicht met de ouderlingen wordt uitgeoefend. K. IV-3 schrijft nadrukkelijker: met de ouderlingen tezamen, wat het voordeel heeft, dat daarmede ondubbelzinniger in de richting van de vergadering van predikanten en ouderlingen gewezen wordt, nl. de ambtelijke vergadering van het consistorie (K. V-5).

Een poging, in de generale synode gedaan bij de eerste behandeling van de XXIX artikelen der kerkorde, om de opsomming uit te breiden met de taak: „de leiding der begrafenissen”, kon geen meerderheid verkrijgen, omdat men vreesde, dat deze onderstreping van wat iedere predikant tot zijn ambtsfunctiën behoort te rekenen, slechts het

|153|

bedektelijk invoeren van „paapse stoutigheden” in de hand zou kunnen werken 1.

Van de predikanten voor gewone werkzaamheden zijn de predikanten met een bepaalde opdracht nog weer te onderscheiden. Het zijn predikanten, die wel een predikantsplaats voor gewone werkzaamheden bezet houden, maar tengevolge van een bepaalde opdracht van de (centrale) kerke-raad voor een of meer van de opgesomde gewone werkzaamheden zich vrijgesteld mogen weten van de andere gewone werkzaamheden (O. 13-2-2). Wordt er in de gemeente voor dit bepaalde werk een nieuwe predikantsplaats gevestigd, dan schuift de voor een bepaalde opdracht aangewezen predikant der gemeente naar deze nieuw gestichte predikantsplaats op, en veroorzaakt derhalve het vacant worden van de tot dusver door hem bezette predikantsplaats. Wordt de predikant van zijn bepaalde opdracht weer ontheven, dan heeft hij het recht weer in de eerstvolgende vacature van een der predikanten voor gewone werkzaamheden in te schuiven (O. 13-2-3 en 4) 2.

Predikanten voor buitengewone werkzaamheden zijn predikanten, die in strikte zin geen gemeente hebben, althans geen gemeente in de geografisch begrensde zin van het woord, doch die „van algemeen belang zijnde werkzaamheden verrichten voor de Kerk in het algemeen, hetzij voor een classis, of voor een kerkprovincie of voor de Kerk in haar geheel” (O. 13-3-1; de bevoegdheden van zulke predikanten worden opgesomd in O. 13-3-2). Bij deze groep predikanten denke men allereerst aan figuren als de secretaris-generaal der synode, de zendingsdirectoren, de rector van het theologisch seminarium in Driebergen, maar verder ook aan ziekenhuispredikanten en vroegere „predikanten in algemene dienst” als legerpredikanten, predikant-secretarissen van raden, enz.

Het ligt voor de hand, dat deze rubriek predikanten, die in de gewone zin van het woord geen gemeente dient, ook geen zitting kan hebben in een kerkeraad, tenzij hun standplaats


1Handel., 1948, blz. 123-124.
2 Deze alinea’s schijnen mij echter te slaan op die „predikanten met een bepaalde opdracht” alleen, die te voren reeds predikant der gemeente voor alle gewone werkzaamheden waren.

|154|

aan een bepaalde gemeente verbonden is (O. 1-1-2). Wat mogelijk is volgens O. 13-3-1. En ook geschieden kan bij toepassing van O. 2-18, het artikel over „gestichts-gemeenten”. Deze groep predikanten heeft als zodanig wel het recht om de classicale vergaderingen bij te wonen met adviserende stem (O. 13-3-3).

Tot deze rubriek van „predikanten voor buitengewone werkzaamheden” kunnen uiteraard ook het meest ongedwongen gerekend worden de zendingspredikanten en predikant-evangelisten, die naast de herders en leraars in K. IV-2 de beide vertakkingen vormen van de dienaren des Woords.

De zendingspredikanten, van wie de opleiding en vorming besproken worden in O. 7-11-1 tot 3, hebben ingevolge K. IV-4 de opdracht om het Evangelie des Koninkrijks uit te dragen in de niet-gekerstende wereld, opdat ook daar de Kerk worde geplant en de volkeren komen tot de dienst des Heren.
De ordinantie voor het apostolaat (O. 4) regelt verder de bevoegdheden van de zendingspredikanten in de Kerk in Nederland, en stelt hen in hun bevoegd-zijn tot ambtelijke handelingen en hun beroepbaar-zijn gelijk met predikanten voor buitengewone werkzaamheden (O. 4-13-2 en 3). Ik moge er nog op wijzen, dat in verband met de aparte plaats, die in de nieuwe orde der Kerk het gesprek met Israël heeft (K. VIII), de predikanten voor de arbeid onder Israël niet tot de zendingspredikanten moeten worden gerekend, doch afzonderlijk besproken worden in O. 13-3.
De predikant-evangelisten worden in K. IV-3 getekend als predikanten, aan wie in het bijzonder is toevertrouwd: de verkondiging van het Evangelie, de geestelijke zorg en het onderricht ten behoeve van hen, die van het Evangelie zijn vervreemd, om door deze arbeid mede werkzaam te zijn in de kerstening der wereld. De formulering dezer bevoegdheden is met opzet zó, dat daaruit de bijzondere instelling van deze arbeid op hen, onder wie deze predikanten werkzaam zijn, duidelijk blijkt. Vandaar b.v. ook de uitdrukking „verkondiging van het Evangelie” i.p.v. „de verkondiging des Woords”. Hetgeen echter niet wegneemt, dat deze predikant-evangelisten ook de bevoegdheid tot de „verkondiging des Woords” hebben, „al naar gelang zij beroepen zijn voor gewone, buitengewone of bijzondere werkzaamheden” (O. 4-26-1). Uit deze laatste zin blijkt tevens, dat het kerkrechtelijk mogelijk is, deze predikant-evangelisten ook te laten werkzaam zijn vanuit een positie als „predikant voor gewone werkzaamheden”, of ook als „predikant voor buitengewone werkzaamheden”.
O. 4-26-3 bevat de omschrijving van de mogelijkheid, dat er als „tijdelijk verband” een afzonderlijke gemeente voor buitenkerkelijken

|155|

wordt ingesteld met als aantrekkende kern een eigen bediening van Woord en sacramenten, ongeveer naar de visie, die Ds J.J. Buskes te Amsterdam in het Weekblad voor de Hervormde Kerk eens verdedigde.

Predikanten voor bijzondere werkzaamheden zijn ingevolge O. 13-4-1 predikanten, die op het territoir van een bepaalde gemeente belast zijn met bijzondere werkzaamheden, die een kerkelijk karakter dragen, doch niet van die gemeente uitgaan. Deze figuur is kerkrechtelijk vrijwel dezelfde als die van predikanten op een buitengewone predikantsplaats onder het vroegere Reglement op de predikantsplaatsen. Ook de huidige figuur van predikant voor bijzondere werkzaamheden kan alleen geschapen worden krachtens een overeenkomst tussen de kerkeraad en het lichaam, ten behoeve van hetwelk de predikant werkzaam is (O. 13-4-3). Hij heeft ook zitting in de kerkeraad en in het ministerie en wordt mede ter classicale vergadering afgevaardigd. Heeft ook bevoegdheid tot alle ambtswerkzaamheden, behalve het leiden van de ambtelijke vergaderingen der Kerk (O. 13-4-2).

De ordinantie voor het pastoraat (O. 13) is in de gehele structuur zich nauw aansluitend bij het Reglement op de predikantsplaatsen, dat in 1943 eerst in werking trad. Alleen het gedeelte over, of samenhangend met de verkiezing en beroeping van predikanten, dat beter paste in ordinantie 3, is er uitgelicht en naar O. 3 verhuisd.

Emeriti-predikanten, die hun emeritaatsacte verkregen hebben van het breed moderamen der provinciale kerkvergadering (O. 13-24-1), behouden alle ambtsbevoegdheden van predikanten voor gewone werkzaamheden, behalve het recht tot leiden van de ambtelijke vergaderingen.

Op emeritaatsaanvragen van zendingspredikanten en predikanten voor buitengewone werkzaamheden beschikt uiteindelijk het breed moderamen van de generale synode (O. 13-24-2 en 3).

Er zijn drie gronden voor het verkrijgen van emeritaat: invaliditeit (O. 13-25-1 en 2), volbrachte diensttijd van veertig jaren (O. 13-26-1) en het bereiken van de vijfenzestig-jarige leeftijd (O. 13-27-1 en 2), terwijl het emeritaat ambtshalve wegens invaliditeit ook verleend kan worden aan hem, die, hoewel redelijkerwijze daarvoor in aanmerking komende, nochtans niet bereid of in staat is een aanvrage daartoe in te dienen, of ook ambtshalve verleend wordt wegens het

|156|

bereiken van de vijfenzestigjarige leeftijd, wanneer iemand naliet een verzoek om emeritaat in te dienen.

In dit hoofdstuk van ordinantie 13 is het voorheen in Art. 50 van het Reglement op de predikantsplaatsen geformuleerde in O. 13-25 korter en doeltreffender omschreven.
Aandacht verdient, dat bovendien een rechtsgrond geschapen is voor het ingrijpen der Kerk, wanneer een predikant kennelijk ongeschikt is voor zijn ambtsvervulling in de gemeente, waaraan hij verbonden is, terwijl hij nochtans niet bereid is zich van zijn gemeente los te maken. Hij kan van zijn ambt worden ontheven met een wachtgeldregeling (O. 13-30).

Eervol van hun ambt ontheven predikanten, aan wie de bevoegdheden als van een emeritus-predikant verleend zijn. Deze procedure wordt omschreven in O. 13-29-5, waar tevens tot uitdrukking gebracht wordt, dat zulke bevoegdheden aan de betrokkenen ook weer kunnen worden ontnomen door het breed moderamen der synode, „indien het voortduren daarvan niet stroken zou met de waardigheid of de belangen der Kerk” 1.

Het breed moderamen der synode kan, indien daartoe aanleiding bestaat, ook aan een predikant, die door het breed moderamen ener provinciale kerkvergadering van zijn ambt ontheven werd wegens ongeschiktheid voor een verdere ambtsbediening ter plaatse, de bevoegdheden als van een emeritus-predikant verlenen (O. 13-30-7).

Dat in de orde der Kerk, waarin zóveel gewichtige en veel omvattende ambtelijke werkzaamheden van de predikanten gevraagd worden, ook de kwestie van de nevenwerkzaamheden ter sprake moest komen, spreekt welhaast vanzelf. De huidige ordinantie 13 neemt daarvoor vrijwel de bepalingen over, die vóór 1 Mei 1951 in het Reglement op de predikantsplaatsen, Art. 51 (slot) en Art. 59, te lezen stonden. Wel moet gezegd worden, dat er thans veel minder aanleiding is dan toen, om met het argument te werken, dat een predikant, wiens salariëring op peil gebracht is, het vanzelfsprekend moet vinden, dat men van hem verwacht, dat hij al zijn tijd en krachten aan zijn directe ambtswerk zal geven.

De nevenwerkzaamheden, die predikanten voor gewone, buitengewone en bijzondere werkzaamheden ingevolge


1 Ook O.v.b. 269 worde hierbij, zo nodig, in rekening gebracht.

|157|

O. 13-32-1 niet mogen verrichten, zijn alle staatsrechtelijke functies (b.v. het zitting hebben in enig vertegenwoordigend lichaam). Het gaat hierbij natuurlijk minder om de tijd, die in zulke functies gaat zitten, dan wel om de principiële onverenigbaarheid van geestelijk ambt en politieke functie. Bij de discussie in de synode over de consideraties der Kerk op het ontwerp van ordinantie 13 is nog een ernstige poging gedaan om deze verbodsbepaling uit ons kerkrecht weg te nemen. Het daartoe strekkende voorstel kon geen meerderheid verwerven.

Van alle andere nevenwerkzaamheden, die de predikant op zich zou willen nemen, moet de betrokkene mededeling doen aan het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering onder overlegging van alle gegevens, die een inzicht kunnen geven in de kwestie van de verenigbaarheid van de nevenwerkzaamheden met het ambt van dienaar des Woords (O. 13-33-1). Het geldt hier dan vooral nevenwerkzaamheden, „waaraan inkomsten zijn verbonden”. Intussen is het betrokken moderamen ook bevoegd in te grijpen, wanneer hem klachten bekend worden over het onevenredig groot stuk tijd en werkkracht, dat de predikant aan een of meer nevenwerkzaamheden, waaraan geen vergoeding verbonden is, besteedt (O. 13-33-3; let echter op de uitzondering in O. 13-33-4).

Een afzonderlijke procedure voor de behandeling van bezwaren tegen beslissingen van het breed moderamen der provinciale kerkvergadering in deze materie wordt onder woorden gebracht in O. 13-34-1 tot 3. Men rekene hierbij ook met O.v.b. 272.

Moet een predikant steeds op een predikantsplaats staan, om zijn ambtelijke functiën als dienstdoend predikant te kunnen uitoefenen?

Hoewel het in het Nunspeetse ontwerp-Kerkorde aanvankelijk zó was, dat de figuur van de predikantsplaats alleen als noodzakelijk grondvlak zou worden gesteld voor predikanten voor gewone werkzaamheden, is bij de behandeling van deze materie in de synode de wenselijkheid sterk naar voren gekomen, dat ook voor de diensten van predikanten voor buitengewone of bijzondere werkzaamheden eerst een predikantsplaats zou worden gevestigd (O. 13-8-2).

Het moet niettemin nog opvallen bij een vergelijking van de

|158|

huidige ordinantie 13 met het vroegere Reglement op de predikantsplaatsen, dat thans deze predikantsplaats-figuur in haar betekenis zeer werd afgezwakt. In 1943 was deze figuur van de predikantsplaats wel allerbelangrijkst. Men onderstreepte er toen op een m.i. overdreven wijze de onafhankelijkheid en zelfstandigheid van de predikant tegenover zijn gemeente mee, en kwam daarbij tot de geforceerde constructie, dat een predikant „bij” een gemeente gevestigd is op een predikantsplaats.

Dit alles is nu in ordinantie 13 voorzichtiger gesteld, terwijl het waarheidsmoment van deze constructie in het reglement van 1943 toch geëerd bleef in O. 13-8-1, dat dadelijk inzet met de woorden: „ter verzekering van de vrijheid van het ambt van dienaar des Woords” ....

Voor de bijzonderheden van de procedure van vestiging en opheffing en samenvoeging van predikantsplaatsen leze men O. 13-8-4 tot 10 nauwkeurig na.
De waarneming van het dienstwerk der predikanten in vacante gemeenten en in met vacature gelijkgestelde gevallen is geregeld in dezelfde zin als vóór 1951. Alleen wordt de naam voor de ringvergadering van predikanten nu „breed ministerie”. De artikelen 18-23 van O. 13 handelen daarover naar dezelfde grondlijnen als die van het vroegere Reglement op de predikantsplaatsen, behoudens nadere regelingen voor centrale gemeenten en voor kleinere gemeenten, die geen uitzicht hebben op bezetting der predikantsplaats.

 

Het tweede van de drie ambten in onze Hervormde Kerk is het ouderlingambt.

Er is misschien wel aanleiding om te zeggen, dat het Geref. kerkrecht dit tweede ambt als het centrale wil beschouwd zien: het wortelambt in heel de orde der Kerk, de „hoeksteen” van de gehele kerkorde, zoals wel eens gezegd is. Men kan inderdaad in het Geref. Protestantisme de dienaren des Woords als „lerende presbyters” zien, terwijl dan de ouderlingen de „regerende presbyters” moeten heten 1. Het diakenambt zou ik als derde ambt met Prof. van Ruler ook liever een vorm van presbyterschap noemen dan dat ik het met het synodelid ouderling De Geer eigenlijk buiten de sfeer van het ambt zou willen dringen, om het dan als


1 Vgl. b.v. G.D. Henderson, D.D. and D. Litt., The Scottish ruling elder, London, 1935; of ook de brochure van mijn hand over Het Ambt van ouderling, Rotterdam, 1938.

|159|

reactie, als antwoord, te willen zien, zoals die uit de gemeente opkomen moet, nadat het eigenlijke ambt van predikant en ouderling zijn werking gedaan heeft 1.

Het nieuwe kerkrecht van 1951 in onze Hervormde Kerk heeft aan het presbyter-ambt dan ook bijzonder reliëf willen geven, o.a. door een afzonderlijke ordinantie op te nemen over het presbyteraat (O. 14). Daarin worden de taken der ouderlingen, zoals die in K. IV-6 worden opgesomd, meer in bijzonderheden uitgewerkt.

De grondlijnen van het ouderlingambt worden in K. IV-6 met forse lijnen getrokken:

„Aan de ouderlingen is toebetrouwd
het vergaderen van de gemeente,
de zorg, dat alles in de gemeente met orde geschiedt,
het dragen van de medeverantwoordelijkheid voor de bediening des Woords en het rechte gebruik van de sacramenten,
de ambtelijke tegenwoordigheid bij de kerkdienst,
de verzorging van de stoffelijke belangen der gemeente, voorzover niet van diaconale aard, door daartoe in het bijzonder aangewezen ouderlingen, die als zodanig de naam kerkvoogd dragen, en
de leiding van de meerdere vergaderingen, zo zij daartoe geroepen worden,
en voorts, met de herders en leraars tezamen, het opzicht over de gemeente,
alsook, met de herders en leraars, bezig te zijn in
de herderlijke zorg,
de catechese,
de arbeid onder hen, die van het Evangelie zijn vervreemd, en
de geestelijke vorming van de jeugd".

Deze opsomming wordt in O. 14-1-1 letterlijk herhaald, doch daarbij alles onder deze doelstelling gebracht, dat al deze werkzaamheden der ouderlingen strekken moeten „tot de opbouw van de gemeente als het Lichaam der Kerk”.

De ouderling-functie van herderlijke zorg en opzicht wordt in O. 14-2-1 geconcretiseerd in het huisbezoek en in het


1Handel., 1948, blz. 127-128.

|160|

deelnemen — samen met het diaconaat — aan de zorg bij moeilijkheden in het gezinsleven.

Wat catechese en jeugdwerk betreft, op deze terreinen heeft de ouderling, behalve dat hij de verantwoordelijkheid voor de catechese in haar geheel mededraagt, ook, indien hij er gaven voor heeft, mede onderricht te geven aan de leden der gemeente, en bijbelonderricht op de scholen, en moet hij mede zich betrokken weten in de leiding aan het werk onder de jeugd (O. 14-2-2).

Voorts moet de ouderling zich bij al zijn arbeid mede richten op hen, die buiten het kerkelijk leven staan (O. 14-2-3), terwijl hij in noodgevallen ook geroepen kan worden tot het leiden van een kerkdienst onder gebruikmaking van een daartoe bestemde orde van dienst (O. 14-2-5).

Moet het oefenen van opzicht ten slotte effectief leiden tot een beslissing om een tuchtmiddel toe te passen, dan kan alleen in een consistorie-vergadering deze beslissing vallen (O. 14-2-4).

Zoals er voorts predikanten met een bepaalde opdracht en predikanten voor bijzondere werkzaamheden in de huidige orde der Kerk hun plaats hebben, zo stippelt O. 14-4-1 tot 5 ook de lijnen uit voor een presbyteraat „met bepaalde opdracht” en een presbyteraat „voor bijzondere werkzaamheden”. In O. 14-4-4 en 5 worden deze figuren geschetst, parallel met, en (of) tot medewerking met zulke bijzondere predikanten. Deze ouderlingen kunnen van het gewone ambtswerk der ouderlingen worden vrijgesteld.

In O. 14-4-1 tot 3 wordt echter op een heel bijzondere vorm van een ouderlingschap „met een bepaalde opdracht” gewezen. Het zijn de ouderlingen, die reeds bij hun verkiezing door de gemeente zijn aangewezen „om de stoffelijke, niet-diaconale zaken der gemeente” te behartigen.

In het Nunspeetse ontwerp-Kerkorde werden deze ouderlingen ouderling-kerkvoogd genoemd. Thans heten zij eenvoudigweg kerkvoogden naar K. IV-6: „ouderlingen voor de stoffelijke, niet-diaconale belangen der gemeente, die als zodanig de naam kerkvoogd dragen1.

In deze ouderlingen „met een bepaalde opdracht”, welke


1 Volgens een amendement, voorgesteld door de classicale vergadering van ’s Gravenhage.

|161|

dus in wezen de kerkvoogdelijke functie met het ouderlingschap verbindt, hoe zelfstandig deze „kerkvoogden” ook in een eigen college (het college van kerkvoogden) mogen kunnen beraadslagen over de hun speciaal toevertrouwde zaken, hebben wij te doen met een zeer fundamenteel onderdeel van de nieuwe orde der Kerk. Ik zal er nog wel nader op terugkomen bij de behandeling van §16: „De kerkelijke financiën en het toezicht daarop”, maar wil nu toch wel reeds zeggen, dat wij hier m.i. een beloftenrijke proeve van oplossing van het beheers-vraagstuk door minnelijke schikking bij gemeenschappelijk overleg voor ons hebben, die praktisch de enige oplossing is, die perspectieven opent, nadat in de nieuwe kerkorde aan de driedeling van het geestelijk ambt werd vastgehouden en daarmede de uitweg naar het kerkvoogdelijke ambt als vierde ambt afgesloten was.

En zonder nu het ouderlingambt van deze ouderlingen met een bepaalde opdracht, die als zodanig kerkvoogd heten, al te zeer te laten uithollen, kon onze Kerk toch, naar ik meen, wel de bepaling maken, dat deze kerkvoogden niet geroepen worden tot de werkzaamheden, omschreven in de eerste drie leden van Art. 2 van ordinantie 14, „tenzij de kerkeraad hem op zijn verzoek met een of meer daarvan belast” (O. 14-4-3).

De overgangsbepalingen bij O. 14 bewijzen voorts ook duidelijk genoeg, dat onze Kerk met grote soepelheid en groot geduld de terughoudendheid en traagheid in het omschakelen naar de nieuwe situatie, die vooralsnog vele plaatselijke beheersinstanties zullen blijven openbaren, wil trachten te overwinnen. Vooral O.v.b. 286, 287, 290, 291 zijn in dit opzicht van een wijze voorzichtigheid getuigende. En de grote Vereniging van Kerkvoogdijen doet al jaren lang zulk prachtig werk, om in de kerkvoogdij-colleges de nieuwe geest wakker te roepen, die verstaat, dat de verzorging van de stoffelijke belangen der gemeente in de Kerk een zeer geestelijke zaak is, dat ook hierin wel een factor van grote betekenis mag worden gezien tot verhaasting van de volledige oplossing van het probleem van „het beheer” in de gereorganiseerde Nederl. Hervormde Kerk.

 

Het derde ambt in K. IV is het diakenambt.

In deze paragraaf mogen wij er ons toe bepalen, alleen licht te laten vallen op de ambtelijke taken der diakenen, die in K. IV-7 omschreven zijn. De volle ontplooiing van hun ambtelijk werk zullen wij eerst kunnen zien op de achtergrond

|162|

van het diaconaat der Kerk, dat in § 15 nog opzettelijk aan de orde komt. Drie van de vier ambtelijke taken der diakenen, in K. IV-7 genoemd, sluiten nauw aan bij wat wij vanouds gewend zijn geweest als hun werk te zien. Het zijn: de dienst der barmhartigheid jegens gemeente en wereld; de ambtelijke tegenwoordigheid bij de kerkdienst, in het bijzonder voor de leiding van het inzamelen der liefdegaven en het dienen aan de Tafel des Heren; het beheren van de diaconale gelden en goederen.

De dienst der barmhartigheid wordt zelfs zó omschreven, dat door de uitdrukking „door bijstand en vertroosting” duidelijk het klassieke formulier tot bevestiging van ouderlingen en diakenen mede doorklinkt, waar het spreekt van „troostelijke redenen” naast stoffelijke bijstand. Daaruit moge ook al weer blijken, hoe onjuist het is het diakenambt zo geheel anders gericht te achten dan het ouderlingschap 1.

Nieuw is kennelijk de omschrijving van de tweede taak der diakenen. Zij wil ruimte scheppen voor de verlevendiging van het christelijk-sociaal besef der Kerk te midden van de moderne maatschappij-structuur met haar velerlei sociale noden. Van de diakenen der gemeente wordt op grond van de kennis, opgedaan door hun nauw samenleven met velerlei noden van deze geïndustrialiseerde maatschappij in de praktijk van hun eerstaangelegen dienst der barmhartigheid, verwacht, dat zij aan de Kerk voorlichting zullen geven; „opdat deze ook overheid en samenleving wijze op haar roeping, de gerechtigheid te betrachten”.

Ik acht het van bijzonder gewicht, dat in ons kerkrecht thans ook deze taak der diakenen is opgenomen. Er wordt prachtig door onderstreept, dat in het Koninkrijk Gods de barmhartigheid nooit zonder de gerechtigheid is, en de gerechtigheid niet zonder de barmhartigheid. Het Evangelie van Jezus Christus, dat de Kerk heeft uit te dragen, is immer en altoos een boodschap van Gods liefde èn Gods recht, van barmhartigheid en gerechtigheid in énen!

Men leze hierbij vooral het uitvoerige artikel 3 van ordinantie 15 na over „het beleid van de diakenen”. In O. 15-3-2 wordt nadrukkelijk de richtlijn aangegeven, dat de zorg der diakenen zich niet beperken mag


1 Zie blz. 158-159.

|163|

tot de leden der gemeente, maar als dienst der barmhartigheid van de gemeente van Christus verder reiken moet, de wereld in. De kerkeraad in zijn geheel moet daarom ook de verantwoordelijkheid blijven dragen voor deze arbeid der diakenen (O. 15-3-10 en 11).

Gelijk er in de orde der Kerk predikanten en ouderlingen met een bepaalde opdracht, of ook predikanten en ouderlingen voor bijzondere werkzaamheden zijn, zo kunnen er ook diakenen met een bepaalde opdracht (in verband met de omvang van bepaalde diaconale werkzaamheden, of ook in verband met vereiste deskundigheid op bepaalde terreinen van het diaconale werk), en soms ook diakenen voor bijzondere werkzaamheden benoemd worden, wanneer het er om gaat in diaconale werkzaamheden, die niet van de gemeente uitgaan, een „predikant voor bijzondere werkzaamheden” ter zijde te staan (O. 15-4-1 en 2).

 

Hoe worden de ambtsdragers in de Nederl. Hervormde Kerk verkozen?

Het antwoord op deze vraag moet, afgezien van de korte formulering van het hoofdbeginsel (in K. IV-8), gezocht worden in de zeer minutieus uitgewerkte bepalingen van ordinantie 3. Er is een reusachtig groot verschil b.v. tussen Hfdst. II van O. 3, waar de verkiezing (en bevestiging) van ouderlingen en diakenen aan de orde is, in de eerste lezing van de kerkorde (off. uitg., blz. 72-73) en in de definitieve lezing. Eerstgenoemde lezing volstaat met één artikel over de verkiezing van ouderlingen en diakenen (O. 3-4-1 tot 6), terwijl de definitieve lezing dit artikel wel opneemt (als O. 3-11-1 tot 6), doch daaraan een zevental breed uitgewerkte nieuwe artikelen laat voorafgaan (O. 3-4 tot 10). De definitieve lezing heeft daarmede weer een niet gering gedeelte van de stof uit het vroegere Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten, dat tot 1 Mei 1951 gegolden heeft, opgenomen 1. Daardoor echter is het geheel niet alleen


1 B.v. dat in gemeenten onder de 200 lidmaten (stembevoegde) alle lidmaten optreden bij de predikantsverkiezing; en de z.g. zesjaarlijkse stemmingen over de vraag, of de kerkeraad zal gemachtigd worden, zijn punten, die sterk doen denken aan de vroegere regeling, al waren het toen ook tienjaarlijkse stemmingen, enz., enz.

|164|

tamelijk ingewikkeld geworden, maar bovendien is m.i. deze invlechting van een stuk van het oude systeem in het nieuwe kerkrecht niet vrij gebleven van een onklare dooreen-menging van het zuiver-kerkelijk begrip van een „gemeente”, die als zodanig het draagvlak voor de ambten moet zijn, en daarom ook haar grote verantwoordelijkheden bij de verkiezing van ambtsdragers moet doen gelden, èn het verburgerlijkt begrip van een democratisch ingerichte vorm van een religieuze samenleving, die in deze orde der Kerk „Hervormde gemeente” heet.

Mijn doel mag alleen zijn om in deze paragraaf de lezers van dit boek enigszins wegwijs te maken bij het hanteren van deze ordinantie 3, waar men, zonder op hoofdlijnen attent gemaakt te zijn, zo licht in zou kunnen verdwalen 1.

Het praeludium van deze ordinantie, dat in de eerste lezing (blz. 71), helaas, ontbrak, luidt aldus: „Bij de voorbereiding en leiding van de verkiezing van ambtsdragers herinnert de kerkeraad de gemeente aan de plaats en het werk van de ambten in de gemeente des Heren” (O. 3-1-1).

Tegen deze geestelijke achtergrond gesteld, wordt het zinvol, in O. 3 aanstonds reeds een onderscheid gemaakt te zien tussen de verkiezing van predikanten (voor gewone werkzaamheden), die door de kerkeraad geschiedt — behalve dan in gemeenten, waar het register van de tot stemmen bevoegde lidmaten minder dan 200 namen bevat; hier treden de lidmaten voor de verkiezing van een herder en leraar op — èn de verkiezing van ouderlingen en diakenen, waaraan de stembevoegde lidmaten 2moeten deelnemen.

De verkiezing van predikanten voor buitengewone en bijzondere werkzaamheden geschiedt naar de regelen, daarvoor opgenomen in de op hun arbeid betrekking hebbende ordinanties der Kerk (O. 3-2-5).

Nu kunnen echter de stembevoegde lidmaten ener


1 Er dient hierbij wel aandacht geschonken te worden aan O.v.b. 142, waar in de Artt. 4-11 van O. 3 eerst van toepassing verklaard worden na 31 Oct. 1951. Tot die datum gelden de regelingen van het Reglement op de benoeming en beroeping, enz., enz. Vgl. ook O.v.b. 130, 137, 139 en 141.
2 Voor de vereisten van stembevoegdheid naast de leeftijdsgrens van 21 jaar zie O. 3-2-2. Voor de samenstelling van het register der stemgerechtigden vergelijke men O. 3-3-1 tot 7.

|165|

(wijk)gemeente op verschillende wijzen aan de verkiezing van ouderlingen en diakenen deelnemen. De verkiezing geschiedt echter steeds voor een tijdvak van vier zittingsjaren, waarbij in elk oneven zittingsjaar de helft der ouderlingen en diakenen aftreedt (O. 1-1-5).

Zij kunnen ten 1e krachtens een zesjaarlijkse stemgerechtigden-stemming over het dilemma: òf de kerkeraad machtigen voor het eerstvolgend tijdvak van zes jaren, òf de verkiezing aan de stembevoegde lidmaten voorbehouden, de beslissing nemen om de gehele verkiezing van ouderlingen en diakenen aan zich te houden.

In dit geval moet de procedure van O. 3-5-1 tot 12 gevolgd worden. De kerkeraad roept de lidmaten op, schriftelijk en ondertekend door minstens tien lidmaten, namen te noemen voor iedere vacature afzonderlijk. Deze aanbevelingen worden op een „verkiezingslijst”, groslijst van aanbevolenen, gebracht.
Mocht er geen enkele aanbeveling worden ingediend, dan heeft de kerkeraad het recht zelf in de vacature te voorzien 1.
Zijn er wel namen voor de „verkiezingslijst” genoemd, dan heeft de kerkeraad het recht bij de bekendmaking van de „verkiezingslijst” aan de lidmaten zijn advies te voegen over de naar zijn inzicht meest aanbevelenswaardige candidaten (O. 3-5-6). Op deze wijze blijft er dus steeds leiding van het ambt bij de verkiezing mogelijk.
Indien enigszins mogelijk, moeten de verkiezingen van ouderlingen en diakenen door de lidmaten in een vergadering worden gehouden onder leiding van het moderamen van de kerkeraad. Bij dit soort verkiezingsvergaderingen van stembevoegde lidmaten is geen quorum vereist (O. 3-10-3). Mochten de omstandigheden het houden van een verkiezings-vergadering onmogelijk maken, dan kan de verkiezing ook als een stembus-verkiezing plaatshebben (O. 3-5-8 en 9).
Om het nu gemakkelijker doorvoerbaar te maken, dat er verkiezingsvergaderingen zullen zijn, wordt in O. 3-6-1 tot 8 over de indeling der gemeente in „geografische onderdelen” gehandeld, naar een regeling, op te nemen in de z.g. „plaatselijke regeling”, en waarbij ook de gedachte voorzit, zelfs éénmans-wijkgemeenten in grote steden nog weer op te delen in verkiezingsdistricten.

Ten tweede is er de mogelijkheid, dat de stemhebbende lidmaten voor een zesjaarlijkse periode de kerkeraad gedeeltelijk machtigen tot het verkiezingswerk van ouderlingen en diakenen, nl. door hem het recht van voordracht (nl. een bindend dubbeltal) te geven 2.


1 Overeenkomstig het beginsel, uitgedrukt in de algemene bepaling voor voordrachten en aanbevelingen, O. 1-18-2 en 5.
2 Zie O. 3-8-5.

|166|

Deze gedeeltelijke machtiging moet door de lidmaten plaatshebben in een tweede stemming, nadat het resultaat van de eerste, z.g. zes-jaarlijkse stemming heeft uitgewezen, dat de lidmaten voor een zes-jaarlijkse periode tot machtiging van de kerkeraad willen overgaan (O. 3-7-1). Terstond in dezelfde vergadering of althans vóór 1 Januari d.a.v.
De gedeeltelijke machtiging van de kerkeraad — het recht van voordracht — betekent echter niet, dat de invloed der gemeente {der lidmaten) bij de voorbereiding van het bindend tweetal geheel uitgeschakeld zou zijn. De lidmaten worden ook in dit geval door de kerkeraad tut genodigd, schriftelijk en ondertekend, aanbevelenswaardige candidaten te noemen (O. 3-8-1). Eerst na kennisneming dezer aanbevelingen stelt de kerkeraad in alphabetische volgorde dubbeltallen op voor iedere vacature (O. 3-8-2), waar de stembevoegde lidmaten der (wijk)gemeente uit kiezen, nadat zij ook weer bij voorkeur in een vergadering bijeengekomen zijn (O. 3-8-6).

Ten derde is er dan ook de mogelijkheid nog, dat de stemhebbende lidmaten voor een zesjaarlijkse periode de verkiezing van ouderlingen en diakenen geheel aan de kerkeraad opdragen (O. 3-9-1 tot 4). Ook dan zelfs blijven de lidmaten in het voorbereidende stadium van het verkiezingswerk betrokken, doordat de kerkeraad deze lidmaten heeft uit te nodigen, binnen acht dagen na de ontvangen mededeling daaromtrent, schriftelijk en ondertekend, aanbevelingen voor bepaalde candidaten in te zenden (O. 3-9-1).

Men rekene er wel mede, dat de procedure voor de verkiezing van ouderlingen, die met de kerkvoogdelijke functie belast zullen zijn, op een andere, eigensoortige wijze verloopt in geheel dit hoofdstuk II van ordinantie 3. Hiervoor is te vergelijken O. 3-5-2; O. 3-8-3; O. 3-9-4. Zie ook O.v.b. 315, 316. Evenmin vallen onder deze procedure de ouderlingen en diakenen met een bepaalde opdracht, of ook voor bijzondere werkzaamheden, zoals daarvan gesproken wordt in O. 14-4-4 en O. 15-4-1 en 2. Deze uitzonderingsbepaling wordt aangetroffen in O. 3-10-1.

Als predikant is men alleen verkiesbaar en beroepbaar, wanneer men aan de vereisten voldoet, opgesomd in O. 3-16-1.

Behalve de leeftijdsgrens van drie en twintig jaren wordt hier ook geeist: een verblijf van vier jaren op de tegenwoordige standplaats; een diensttijd van minstens vier jaren, vóór men in een gemeente met drie of meer predikantsplaatsen beroepbaar is (het totaal van de standplaatsen der wijkgemeenten geldt daarbij voor een centrale gemeente); een diensttijd van tenminste vijf jaren voor de beroepbaarheid naar een

|167|

ongeklassificeerde standplaats; dat het niet een vacature geldt, die men zelf veroorzaakt heeft, of deed voortduren.
De dispensatie-mogelijkheden worden omschreven in O. 3-16-2.

Voor ouderling of diaken is men verkiesbaar, wanneer men tot de tot stemmen bevoegde lidmaten behoort (O. 3-11-1). De synode is niet op enig voorstel ingegaan om in dezen door een leeftijdsgrens te stellen de keuze te beperken, en volgde hierbij het advies van de Commissie voor de consideratiën Rapporten, blz. 65-66).

Natuurlijk is in een gemeente met wijkgemeenten de verkiesbaarheid van ouderlingen en diakenen beperkt tot die stembevoegde lidmaten, die op de registers van stemhebbende leden dier wijkgemeente staan, omdat zij daar hun vaste woonplaats hebben. Zie O. 2-10-2 tot 4, en O. 2-11-3.
Ook ligt er uiteraard een beperking van de verkiesbaarheid in de bepaling van de leeftijdsgrens van 70 jaar voor niet-bezoldigde ambtsdragers (O. 1-16-4), van het zitting hebben met bloedverwanten (O. 1-16-8) en van het slechts tweemaal herkiesbaar zijn (O. 1-20-2).

In verband met de verkiesbaarheid en beroepbaarheid van predikanten moge ik ten slotte nog een drietal veelgebruikte, en met deze materie verband houdende kerkrechtelijke begrippen toelichten.

1. De z.g. handopening. Hoewel deze term in ons huidige kerkrecht niet meer voorkomt, is de zaak nog wel omschreven, nl. in O. 3-15-1. Zodra het genoegzaam zeker is, dat er een predikantsvacature zal ontstaan, heeft het college van kerkvoogden de taak om „handopening” te vragen bij het daartoe aangewezen ministerieel departement (in casu: het Departement van Financiën). D.w.z. in sobere vorm betoogt het betrokken college van kerkvoogden in dit schrijven de noodzakelijkheid van de voorziening in de komende predikantsvacature, en dus van de uitbetaling derzelfde rijks-toelagen bij het predikantstraktement en van de toezegging van vanouds aan de predikantsplaats verbonden rijks-pensioenrechten, en bepaalde emolumenten uit 's Rijks kas (als kinder- en academiegelden).

Ik formuleerde dit met opzet zó, dat duidelijk worden kan, dat ook met het oog op predikantsvacatures op standplaatsen, waar geen rijkstraktement genoten werd, deze handopening dient te worden aangevraagd. Het bewijsstuk, waaruit blijkt, dat het departement gunstig op dit verzoek

|168|

van het college van kerkvoogden heeft beschikt, en dus verklaart, dat de ten laste van het rijk komende inkomsten en rechten van de standplaats ter beschikking zullen staan van de te beroepen predikant, moet dienen onder de stukken, die nodig zijn, om autorisatie met het oog op een uit te brengen beroep te verkrijgen.

2. Wat is autorisatie? Autorisatie is de machtiging, gegeven door het breed moderamen der classicale vergadering aan een kerkeraad op zijn aanvrage, het verkiezingswerk in een predikantsvacature met de officiële beroeping te mogen bekronen. Behalve bovengenoemd bewijs van handopening is bij die aanvrage voorts over te leggen: een ligger voor het predikantstraktement, die voldoet aan de eisen, daarvoor in de ordinanties der Kerk gesteld; en een verklaring, dat de gemeente heeft voldaan aan alle bij of krachtens ordinantie vastgestelde financiële verplichtingen (O. 3-15-1 en 2).

3. De approbatie. Dit is de officiële goedkeuring van het breed moderamen der classicale vergadering op een door een predikant of proponent aanvaarde beroeping, zodat dan de overkomst naar die bepaalde gemeente voortgang kan vinden. De voor het verkrijgen der approbatie noodzakelijke stukken worden opgesomd onder O. 3-20-1 en betreffen verklaringen over de kerkrechtelijke ordelijkheid van het beroepingswerk en de beslissing op het beroep; over de integriteit in belijdenis en wandel van de betrokken predikant volgens getuigenis van het breed moderamen der provinciale kerkvergadering, waaronder de beroepene ressorteert; ten slotte over het voldaan hebben, zowel door de roepende gemeente als door de beroepen predikant, aan alle financiële verplichtingen, uit de ordinanties voortvloeiende voor gemeente en predikant beiden.

Over de bevestiging van een predikant lezen wij nader in O. 3-21-1 tot 6. Een predikant, van een andere standplaats komende, denke er aan, zijn „acte van losmaking” tijdig aan te vragen bij de scriba van het breed moderamen der classicale vergadering van het ressort, waartoe de gemeente behoort, die hij diende. Ook de betrokken kerkeraad geeft acte van zulk een losmaking.

Haitjema, Th.L. (1951) II.5

§ 5. Ambten en bedieningen.

 

Naast het drietal ambten, waarbij wij nu uitvoerig stilgestaan hebben, is er in de orde van onze Kerk ruim plaats

|169|

gemaakt voor een veelheid van „bedieningen”. Zonder enige twijfel is het de apostolische gerichtheid van de nieuwe kerkorde geweest, die het allermeest noodzaakte om in de structuur van de nieuwe „orde der Kerk” deze figuur der „bedieningen” organisch in te bouwen in onderscheiding van het reglementaire Hervormde kerkrecht van vóór 1951.

In K. VII-1 wordt de overgang van de ambten naar de bedieningen aldus gebaand, dat uit de eis tot innige samenwerking tussen ambten en gemeente èn met het oog op de dienst der Kerk in de wereld de onmisbaarheid der bedieningen voortvloeit en gegeven is.

Hiermede worden althans twee wezenskenmerken van de bedieningen duidelijk aangewezen:
ten eerste, dat van de bedieningen kan worden gesteld, wat, naar ons bleek, van de ambten niet zonder meer geponeerd mocht worden: dat ze uit de gemeente, uit het algemeen priesterschap der gelovigen, opkomen, en zodoende reeds vooronderstellen de werking van het ambt, voor zover het van de andere kant „van tegenover” de gemeente komt als orgaan van Christus, waardoor deze bekwaammakend tot het drievoudig ambt van iedere Christen als lid zijner bruidsgemeente werkt (Ef. 5: 23-27).

De „bedieningen” zijn dus demonstraties of exemplaire toepassingen van het profeet-, priester- en koning-zijn, waarin de gehele gemeente der ware Christgelovigen zich uitleven moet. De ambten daarentegen moeten in het christologisch gefundeerde „van tegenover de gemeente” geworteld blijven, opdat de zelfstandigheid van het Woord Gods — het hoorbare Woord Gods in de verkondiging en het zichtbare Woord Gods in de sacramenten — tegenover het geloof en de gemeente gehandhaafd blijve. Prof. van Ruler schrijft heel terecht in zijn Het apostolaat der kerk en het ontwerp-kerkorde (Nijkerk, 1948, blz. 87): „De tegenstanders van de ambtsidee vrezen de hoogkerkelijkheid. Zij schijnen mij daarin aan een misverstand ten prooi te zijn. Maar zij zelven vallen in het gevaar van een volledige verkerkelijking van het Woord Gods. De prediking moeten zij als functie van de gemeente verstaan! De oorspronkelijke gereformeerde reformatie had meer eschatologische reserve, hield het Woord Gods en het geloof zuiverder

|170|

der uit elkaar en liet aan het Woord weer zijn zelfstandigheid, ook in dezen zin, dat het, ten principale genomen, zelfstandig tegenover de Kerk, de gelovende en belijdende gemeente, in de wereld optreedt” 1.

Ten tweede worden in K. VII-1 de bedieningen sterk geaccentueerd in de dienst der Kerk in en aan de wereld. Hoewel niet uitsluitend, zijn toch de meeste bedieningen derhalve wel sterk op de vervulling van de apostolaire taak van de Kerk gericht. Geen wonder, dat dus vooral in de ordinanties voor het apostolaat (O. 4), voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school (O. 5) en voor het diaconaat (O. 15) verscheidene bedieningen opgesomd worden. Terwijl de bedieningen voor het interne leven der Kerk meer in de ordinanties voor de catechese (O. 9) en voor het pastoraat (O. 13) aan de orde komen 2. Maar zelfs dan nog hebben zij „een apostolisch accent” (Van Ruler, a.w., blz. 95). En daarom zal in de functies der bedieningen vooral moeten uitkomen „de veelvormige bewerktuiging der kerk in den modernen tijd” (Van Ruler, t.a.p.).

Intussen, wanneer lidmaten der gemeente in een kerkelijke bediening werkzaam zijn, zullen zij steeds moeten blijven aanleunen tegen de ambten. Dat bedoelt K. VII-2 dan ook eigenlijk met de uitdrukking: „naast de ambtsdragers werkzaam zijn”. Misschien legt Van Ruler bij het expliceren dezer uitdrukking wel wat te veel nadruk op het vloeiende van de overgang van ambten naar bedieningen, zodat het onderscheid tussen beide toch weer vervaagt, maar in ieder geval tekent hij voortreffelijk het moment „bewerktuiging voor de moderne tijd”, wanneer hij schrijft (a.w., blz. 93):

„In dit instituut [der bedieningen] wordt zichtbaar het bijzondere ambt uiteengebroken in tal van partikels en functies, zonder dat het daardoor ophoudt te bestaan. Een straal van


1 Aandacht verdienen ook de andere argumenten, die Van Ruler nog bijbrengt, om „de stormloop op de ambtsidee” af te slaan. Het zijn: de praedestinatiaanse kern van de Geref. ambtsidee — God verkiest „bijzondere personen” tot het ambt! —; de afzonderlijke universitaire opleiding tot de dienst des Woords; de liturgische intimiteit der Kerk (a.w., blz. 87-92).
2 Waarbij echter bedacht worde, dat b.v. O. 4-23-2 ook weer met zoveel woorden de arbeid van de kerkeraad in het pastoraat, even stellig als die in het diaconaat „gericht” laat zijn „op deze apostolische opdracht der gemeente”.

|171|

den praedestinatiaansen glans van het ambt valt ook op de bedieningen. Een wika draagt iets van het ministerium verbi divini. Daarin blijkt, dat het Woord Gods niet zit opgesloten in de liturgische ruimte der Kerk. Op een samenkomst voor buitenkerkelijken wordt het ook bediend. Alleen geschiedt dit alles naar zijn eigen aard en wijze. Den énen keer dichter bij den apostolischen oorsprong (de grondtalen), den anderen keer dichter bij den apostolischen uitgang (de taal van den modernen mens) van het Woord”.

Op de apostolaire gerichtheid van het instituut der bedieningen zou ik zelf het liefst de grootste nadruk leggen, als het verschil tussen ambten en bedieningen — afgezien van de levensgronden, waarin beide wortelen — moet worden aangegeven. Men kan natuurlijk ook op andere verschilpunten wijzen. Dr A.J. Bronkhorst gaf b.v. in zijn Een gang door het ontwerp-kerkorde (blz. 220) naast de accentuering van de bedieningen in de wereld nog twee kenmerkende verschillen aan: 1. de ambten staan in de regering der Kerk, en de bedieningen niet; 2. het ambt is in zijn drievoudige ontplooiing voor de gemeenten wezenlijk en duurzaam, terwijl de bedieningen slechts incidenteel zijn en ingesteld worden naar tijd en gelegenheid.

Dr Bronkhorst legt op dit laatste verschilpunt de meeste nadruk, maar vergeet daarbij, dat K. VII wel van het aantal en de uitbouw der bedieningen gezegd wil hebben, dat zij incidenteel zijn, maar niet van het instituut der bedieningen zelf. Prof. van Ruler ziet de kern van het onderscheid tussen ambten en bedieningen veeleer hierin, dat „bedieningen” niet in de regering der Kerk betrokken zijn, en de ambten wel. Ik betwijfel echter, of ook dit wel zo scherp gesteld mag worden. Mag ik weer even herinneren aan wat ik in de vorige paragraaf zeide over het koninklijk ambt, waarin ook iedere Christen, dus ieder lidmaat der gemeente, dienen mag, omdat hij deelt in de zalving van Christus tot profeet, priester en koning? Is de consequentie hiervan niet, dat ook de bedieningen iets van de koninklijke functiën zullen mogen openbaren? Dat ook „lidmaten, die in een bediening gesteld zijn” onder bepaalde voorwaarden en in bepaalde omstandigheden, geroepen kunnen worden tot iets, dat met koninklijk-leiding-geven toch stellig iets te maken

|172|

heeft, kan men zien uit de bepaling omtrent hulppredikers (O. 13-37-3), waar staat, dat dezen zelfs belast kunnen worden met het voorzitterschap van een kerkeraad, zij het dan ook, dat zij in de vergaderingen van dit college slechts adviserende stem mogen hebben.

 

Voordat ik nu de kerkelijke bedieningen naar de indeling in vijf groepen volgens K. VII-2 (bedieningen in het apostolaat, de geestelijke vorming van de jeugd, de catechese, het pastoraat en het diaconaat) enigszins nader ga behandelen, moet ik eerst nog spreken over de enige tussenvorm tussen ambten en bedieningen, die in de huidige kerkorde onder de titel vicarissen voorkomt. O. 13-38-1 tot 5 spreekt er van onder het hoofd „Bijstand in het pastoraat”, en brengt voor deze dienst in de Kerk slechts proponenten en vrouwelijke lidmaten in aanmerking, die aan de Universiteit haar theologische studie met een kerkelijk examen en een daarna gehouden proefpreek beëindigd hebben (vlgs. Art. 8 van O. 7). Mannelijke lidmaten, die dit kerkelijk examen aan de Universiteit èn de daarna te houden proefpreek achter de rug hebben, zijn derhalve niet tot vicaris benoembaar, als zij niet ook hun „colloquium” afgelegd hebben, waarmede zij de toelating tot de Evangeliebediening verkregen. Zelfs moeten deze proponenten, zo zij reeds vier jaren als „tot de Evangeliebediening toegelaten proponent” stonden genoteerd, en nog nimmer als dienstdoend predikant werden bevestigd, het in O. 3-17-4 bedoelde consent van (hernieuwde) beroepbaarheid overleggen, om in aanmerking te kunnen komen voor de benoeming tot vicaris.

De bevoegdheden van de vicaris, voor de mannelijke proponenten ten dele reeds voortvloeiende uit hun testimonium tot toelating tot de Evangeliebediening, en voor een ander deel afzonderlijk opgesomd in O. 13-37-2, voor de vrouwelijke vicarissen daarentegen onder verwijzing naar O. 13-37-2 en 3 aangegeven l, zijn de volgende:

„de prediking van het Evangelie,
de dienst der gebeden,
de leiding van kerkdiensten met gebruikmaking van een


1 nl. in O. 13-38-3. 

|173|

daartoe bestemde orde van dienst uit het dienstboek der Kerk,
de kerkelijke bevestiging en inzegening van het huwelijk,
voorts, met medewerking van de ouderlingen,
de herderlijke zorg,
de catechese,
de arbeid onder hen, die van het Evangelie zijn vervreemd,
het medewerken aan de geestelijke vorming van de jeugd", èn het bijwonen, c.q. voorzitten van de kerkeraadsvergaderingen 1.

Deze laatste mogelijkheid, nl. die van voorzitting bij de kerkeraadsvergaderingen, wordt wel uitdrukkelijk geopend voor de vrouwelijke, maar niet, voor zover ik zien kan, voor de mannelijke vicarissen (vgl. O. 13-38-1, slot naast O. 13-38-3).

Aangezien ik echter niet aannemen kan, dat de kerkelijke wetgever hier bedoelde aan de mannelijke vicarissen iets minder bevoegdheden te geven dan aan de vrouwelijke, zelfs dan aan hulppredikers, expliceer ik de uitdrukking „bijwonen” uit O. 13-38-1, slot als „bijwonen, c.q. voorzitten”. De bewijzen, dat wij met deze vicaris-functie in een tussen-phase tussen ambt en bediening in zijn beland, liggen in de (thans) geldende orde der Kerk voor het grijpen.

In de eerste plaats is het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering in iedere vicaris-benoeming mede oordelend, en goedkeuring gevend, wat er op wijst, dat wij hier op het niveau van de algemene Kerk verkeren, waarop de voorwaarden voor het ambt der Evangeliebediening in een bepaalde gemeente moeten gewikt en gewogen worden.

In de tweede plaats blijkt van deze vicarissen geëist te worden, dat zij de universitaire vorming achter de rug hebben, en daarmede dus de kennis der grondtalen van de Bijbel (en van wat daar cultureel meer aan vast zit!) bezitten, wat met zich medebrengt, dat de prediking van het Evangelie, zoals de vicarissen die krachtens hun opdracht verrichten, op de zelfkant van de vol-ambtelijke bediening des Woords geschieden kan, nl. op de grenzen van wat Prof. van Ruler noemen zou „de apostolische oorsprong van het Woord”.


1 Dit laatste bij ontstentenis of het ontbreken van een predikant, en met goedkeuring van het breed moderamen der classicale vergadering.

|174|

In de derde plaats komen in meerdere ordinanties ook opsommingen voor, waaruit duidelijk blijkt, dat vicarissen noch in een ambt noch in een bediening gesteld zijn, doch tussen beide in een aparte groep van werkers in dienst der Kerk aanduiden.

Men vergelijke daarvoor b.v. O. 4-17-1, waar van inkomsten en rechten, verbonden aan het ambt van zendingspredikant, aan het vicariaat en aan een bediening in de zendingsarbeid gesproken wordt. Of ook O. 17-2-1, waar het heet: „de zorg voor de traktementen van predikanten en vicarissen en van hen, die in een bediening werkzaam zijn” (vgl. ook O. 4-12-1).
Niet geheel in overeenstemming met deze opsommingen in drie groepen is de structuur van O. 1-16-1 tot 10, waarin met zoveel woorden slechts aandacht schijnt te worden geschonken aan (vereisten voor) ambten, bedieningen en functies. Het gevolg is, dat hier, nl. in O. 1-16-6, van vrouwelijke lidmaten .... „die in een bediening zijn gesteld” .... gezegd wordt, dat zij haar bediening moeten neerleggen, wanneer zij in het huwelijk treden, of wanneer zij de zestigjarige leeftijd hebben bereikt. Nu moeten deze restricties dan ook weer nadrukkelijk worden herhaald voor vrouwelijke vicarissen in O. 13-38-4.

De bedieningen, die aan de orde komen in de ordinantie voor het apostolaat (O. 4), zijn de volgende:

1. de evangelisten, speciaal opgeleid voor het gesprek met Israël. Hun opleiding, of de voltooiing van hun opleiding, geschiedt naar bepalingen, vast te leggen in een generale regeling der synode, waarin tevens moet worden opgenomen, ten overstaan van wie zij hun evangelisten-belofte moeten afleggen, alvorens hun testimonium te ontvangen.

Deze evangelisten-belofte is een bevestigend antwoord op een drietal vragen, die wel in O. 4-3-3 geformuleerd zijn, doch in zo weinig specifieke zin, — d.w.z. zó weinig gericht op hun speciale bediening, — dat men eigenlijk beter zeggen kan, dat wij hier met de vragen voor de bediening in het algemeen te doen hebben.
De Commissie voor de consideratiën op het kerkorde-ontwerp heeft dat blijkbaar ook zo gezien en daarom aan de synode voorgesteld bij alle andere bedieningen deze zelfde vragen te doen stellen. Rapporten, 1950, blz. 74. Hetgeen ook wet geworden is.

Deze vragen, die door de aanstaande evangelisten onder Israël, en evenzo door allen, die een testimonium wensen te ontvangen, dat hen geschikt verklaart om in een bepaalde kerkelijke bediening werkzaam te zijn, bevestigend moeten worden beantwoord, luiden aldus:

|175|

„Belooft gij in het werk van uw bediening te getuigen van het heil in Christus Jezus en te blijven in de weg van het belijden der Kerk?
Zijt gij bereid, ijverig en getrouw uw arbeid te verrichten in de Nederlandse Hervormde Kerk, in gemeenschap met het voor uw bediening aangewezen orgaan?
Zijt gij bereid, u te onderwerpen aan de regelen, in de orde der Kerk voor haar leven en werken gesteld?”

2. Bedieningen in de zendingsarbeid. Waarbij in het bijzonder gedacht wordt aan arbeid, naast de zendingspredikanten, in de verbreiding van het Evangelie, aan medische arbeid, aan het sociale werk en aan het onderwijs (O. 4-15-1).

De raad voor de zending treft, onder goedkeuring van de generale synode, de nodige regelingen terzake van de opleiding en voorbereiding van deze zendingsarbeiders voor hun werk (O. 4-15-3).
Vóór de uitreiking van het testimonium worden dezelfde vragen gesteld als hierboven (O. 4-15-3).

3. Evangelisten voor de arbeid onder hen, die van het Evangelie zijn vervreemd of van de Kerk nog verre staan (O. 4-27-1).

De arbeid van deze evangelisten kan geschieden, òf geheel in dienst van een of meer gemeenten, òf ook in een niet-kerkelijk verband (b.v. in een fabriek of industrieel groot-bedrijf). Voorts kan bij dit evangelistenwerk het hoofdaccent liggen: òf op het pastorale, òf op het sociale werk, òf ook op het werk onder de jeugd (O. 4-27-2), Hun opdracht houdt in: de verkondiging van het Evangelie, het leiden van kerkelijke samenkomsten, alsmede het geven van kerkelijk onderricht, de betoning van geestelijke zorg en de sociale bijstand aan degenen, onder wie zij werkzaam zijn (O. 4-27-3).

De opleiding en scholing van deze evangelisten geschiedt aan het instituut „Kerk en wereld” naar bepalingen vast te leggen in een generale regeling der synode (O. 4-25-2). Momenteel geldt voor deze bediening een opleiding van drie jaren, met een praktijkstage als jeugdwerkleider, nadat twee jaren van de opleidingstijd zijn voleindigd. In gemeenschap met de raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie

|176|

en in overleg met het instituut „Kerk en Wereld” hebben de benoemingen in deze bediening plaats door de ambtelijke vergadering of de ambtelijke vergaderingen, in welker ressort de evangelist werkzaam zal zijn (O. 4-28-1 tot 4; ook O. 4-28-5 tot 8 is belangrijk voor de procedure van de beëindiging van het dienstverband van zulke evangelisten.

Voor de geestelijke vorming der jeugd is er één bediening in de huidige orde der Kerk, nl. de jeugdwerkleider (O. 5-3-1 tot 4).

De opleiding van deze jeugdwerkleiders zal geschieden naar bepalingen, vast te leggen in een generale regeling der synode. Een binding van de opleiding aan het instituut „Kerk en Wereld” treffen wij hierbij niet aan. Wat begrijpelijk is, omdat dit jeugdwerk onder een andere raad ressorteert dan het evangelistenwerk, dat in O. 4-25 en 27 aan de orde was.
Hoewel de leerkrachten voor het bijbelonderwijs op de scholen ook voor de geestelijke vorming van de jeugd werkzaam zijn, moeten zij toch niet als degenen, die in een kerkelijke bediening zijn gesteld, worden beschouwd. Deze leerkrachten worden bij voorkeur gedacht als leerkrachten der scholen, waar dit onderwijs in bijbelse en kerkgeschiedenis in opdracht van een kerkeraad wordt gegeven. De leerkrachten, die een door de raad voor de zaken van kerk en school afgegeven Testimonium I bezitten, kunnen voor lagere scholen, nijverheidsscholen en voor de eerste twee klassen van middelbare scholen en van scholen voor voorbereidend hoger onderwijs door een kerkeraad benoemd worden, terwijl een Testimonium II, na zwaardere voorstudie slechts te verkrijgen, de bevoegdheid tot het geven van godsdienstonderwijs aan de hogere klassen van middelbare scholen, kweekscholen en scholen voor voorbereidend hoger onderwijs verleent (O. 5, art. 6 tot 8).

Ook voor de catechese is er in de orde der Kerk één bediening bij ordinantie uitgewerkt, nl. de catecheet, die de predikant krachtens opdracht van een kerkeraad bijstaat in het werk van de voorbereidende, de gewone en de voortgezette catechese. De kerkeraad kan echter in dezen niets opdragen dan nadat door hem met de betrokken predikant overeenstemming is verkregen (O. 9-9-2).

De opleiding voor catecheet zal geschieden naar bepalingen, vast te leggen in een generale regeling der synode; zie verder O. 9-9-4.
Een catecheet kan door een of meerdere kerkeraden worden aangesteld, maar niet dan na verkregen overeenstemming met de raad voor de catechese (O. 9-10-3). Wanneer de catecheet bovendien een opdracht krijgt voor het jeugdwerk, moet ook „contact” opgenomen en onderhouden worden met de raad voor het jeugdwerk (O. 9-10-1).

|177|

O. 9-10-4 tot 7 handelt over de mogelijkheid van beëindiging van het dienstverband met een catecheet, desnoods tussentijds.
De hulpkrachten bij de voorbereidende catechese, welke in O. 9-12-1 ter sprake komen, zijn geen figuren, die in een bediening zijn gesteld. Zij presteren hun „bijstand” in de catechese volkomen als een neven-werkzaamheid, zij het ook op grond van een verworven „testimonium”, door een kerkeraad uit te reiken aan hen, die naar zijn oordeel voldoende kennis bezitten van de bijbelse geschiedenis, de geschiedenis der reformatie, kennis van de christelijke liederenschat en enige bekwaamheid hebben tot vertellen.
Er is dan ook geen sprake van, dat aan deze hulpkrachten de vragen worden voorgelegd, geformuleerd in O. 4-3-3, en geldend voor alle bedieningen.
Uit het ontbreken van iedere bepaling in deze richting bij de functies van koster, en van cantor-organist, welke besproken worden in O. 6-5-1 en O. 6-6-1 tot 6, zou ik eveneens willen concluderen, dat ook deze twee functies geen kerkelijke „bedieningen” zijn in de volle kerkrechtelijke zin van het woord. Waar dan in dit geval nog bijkomt, dat K. VII-2 in de opsomming der gebieden, waarop bedieningen werkzaam zijn, de kerkdiensten met hun liturgie niet noemt.
Het traditionele benoemingsrecht voor deze beide functies, dat steeds bij het college van kerkvoogden berustte, heeft het uiteraard ook bezwaarlijk gemaakt, hier vormen van een „dienst der Kerk in de wereld” aanwezig te zien, welke de „bedieningen” naast het werk der ambtsdragers en met toespitsing op het apostolaire perspectief kenmerkt.

De bedieningen tot bijstand in het pastoraat zijn de volgende:

1. Pastorale medewerkers.

Voor wie de achtergrond niet kent van de huidige vorm van Hfdst. VIII, Bijstand in het pastoraat, waarin de bedieningen in het pastoraat worden behandeld, zal van O. 13-36-1 tot 5, dat de kerkelijke staat van de „pastorale medewerkers” beschrijft, weinig begrijpen. De definitieve lezing van deze artikelen in O. 13 is uiterst moeizaam tot stand gekomen, omdat zeer verschillende en onderling tegenstrijdige motieven in de formulering drongen naar openheid voor bepaalde perspectieven, waar bepaalde groepen of personen in onze Kerk bijzondere belangstelling voor hadden. Zo heeft in deze wetgeving de bezorgdheid voor het lot der godsdienstonderwijzers van vóór 1950 mede een rol gespeeld; doch de bezorgdheid voor de toekomstmogelijkheden van aan de academie „Kerk en Wereld” opgeleiden evenzeer. Voorts heeft men van zekere zijde getracht de kerkelijke wetgeving

|178|

in dit Hfdst. VIII te gebruiken om een vicaris-figuur te creëren, die, hoewel niet universitair gevormd, toch in kleinere gemeenten praktisch al het domineeswerk zou kunnen doen, tot de bediening der sacramenten toe; en men zag dit dan wel eens als de enige mogelijkheid om economisch-zwakke kleinere gemeenten aan geregelde, en minder salaris-uitgaven eisende, pastorale verzorging te helpen. Sommigen ook wilden de formuleringen in Hfdst. VIII van O. 13 gaarne aanwenden om de perspectieven van de vrouwelijke theologen wat verder te doen reiken in onze Kerk dan het hulpprediksterschap in oude, reglementaire stijl.

Geen wonder, dat vanuit de Kerk vooral tegen de eerste lezing van dit Hfdst. VIII een lawine van amendementen loskwam. De Commissie voor de consideratiën der Kerk op het ontwerp in eerste lezing raakte er bijna in verward, en wist niet beter te doen dan de synode aan te raden, uit te spreken:

„dat de consideraties der Kerk geen uitgewerkte bijdrage hebben geleverd, om deze kwestie tot verheldering te brengen; dat het noodzakelijk is terug te vallen op een practische oplossing;
dat de Kerk in de toekomst bezig moet zijn met de bezinning op het wezen van het ambt, de aard der bedieningen en plaats en betekenis der sacramenten” (Rapporten, blz. 158).

Het praktische van de oplossing, welke de Commissie voor de consideratiën aan de hand deed, en ook door de synode aanvaard werd, ligt hierin, dat men de toegang tot de bediening van „pastoraal medewerker” slechts openen wil voor hen, die te voren reeds in een kerkelijke bediening gestaan hebben, en wel meer bepaaldelijk in de bediening van catecheet of van evangelist.

Dat wordt bedoeld met de weinig concrete aanduiding in O. 13-36-1, dat een kerkeraad „hen, die ter plaatse of binnen de classis in een kerkelijke bediening werkzaam zijn, als pastoraal medewerker .... mede belasten kan met” .... Zulke catecheten en evangelisten zullen echter eerst een vijftal jaren in hun bediening werkzaam moeten geweest zijn, en daarna een examen moeten doen, waarvoor de eisen door

|179|

een generale regeling der synode zullen worden vastgesteld. Het slagen voor dit examen geeft hun telkens voor ten hoogste vier jaren de bevoegdheid om binnen de grenzen der kerkprovincie het Evangelie te prediken in een kerkdienst der gemeente (of gemeenten van het provinciaal ressort). Deze predikbevoegdheid qualificeert de betrokkene dan tegelijk tot de functies, waarmede een kerkeraad hem of haar (telkens voor ten hoogste drie jaren) belasten kan, nl. het huisbezoek, het jeugdwerk, de catechese en de arbeid onder hen, die van het Evangelie zijn vervreemd.

Het breed moderamen der provinciale kerkvergadering moet zijn fiat geven aan het verlenen van de predikbevoegdheid van een „pastoraal medewerker” door het breed moderamen der classicale vergadering (O. 13-36-2).
De predikbevoegdheid buiten de gemeente, waar hij werkzaam is als pastoraal medewerker, is tot bepaalde situaties in die gemeenten beperkt, vlgs. O. 13-36-2.
Van de termijn van vijf jaren praktijk als catecheet of evangelist is dispensatie mogelijk (O. 13-36-4).
Na pensionnering als pastoraal medewerker wordt de bevoegdheid om het Evangelie te prediken binnen het provinciaal ressort, behouden 1.

De bevoegdheid van een pastoraal medewerker om „het Evangelie te prediken” werd in de eerste lezing van het kerkorde-ontwerp aangeduid als „een herderlijke toespraak houden”. Onze Kerk oordeelde over deze uitdrukking, die gekozen was om het onderscheid tussen een bediening en het ambt, dat slechts tot vol-ambtelijke „verkondiging des Woords” bevoegd kan heten, terdege te doen uitkomen, niet erg gunstig. Men mene niet, dat dit onderscheid nu weggevallen is. In de huidige orde der Kerk is „prediken van het Evangelie”, of „verkondigen van het Evangelie”, ook een uitdrukking, die het onderscheid tussen deze prediking èn de vol-ambtelijke Woordverkondiging (om met Van Ruler te spreken: „van de apostolische oorsprong uit”!) voelbaar wil maken.

Enigszins uit het kader valt O. 13-36-3, waar van de mogelijkheid gesproken wordt, dat het breed moderamen ener classicale vergadering een aangestelde catecheet reeds na drie )aren dienst op verzoek van de


1 Volgens O. 13-36-5.

|180|

betrokken kerkeraad de bevoegdheid kan geven om het Evangelie te prediken in de gemeente, waarin hij werkzaam is. In O. 9-10 was deze bepaling m.i. beter op haar plaats geweest.

2. Hulppredikers.

Dat deze hulppredikers gerecruteerd zullen moeten worden uit hen, die gedurende vijf jaren praktijk hebben gehad als „pastoraal medewerker”, wordt wel duidelijk uit O. 13-37-1, waar van „daartoe begaafde lidmaten uit de kerkprovincie, die tenminste vijf jaren de bevoegdheid om het Evangelie te prediken, hebben bezeten”, gesproken wordt. Zij moeten echter dan weer een nieuw examen doen volgens eisen, door de generale synode in een generale regeling te stellen. Zulke hulppredikers krijgen praktisch vrijwel alle bevoegdheden van een predikant, hoewel de nuancering tussen „prediken van het Evangelie” en „verkondiging des Woords” natuurlijk gehandhaafd blijft. Ook het recht, om de kerkeraadsvergaderingen bij te wonen, hebben zij. Zelfs tot het praesidium van de kerkeraad kunnen zij onder bepaalde omstandigheden worden geroepen (O. 13-37-2 en 3). De vergaderingen van het breed ministerie en de classicale vergaderingen wonen zij als gast bij (O. 13-37-4). De bediening der sacramenten is hun echter niet toegestaan.

Geen wonder, dat bij dit reliëf van de hulppredikers-bediening het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering hier, onder goedkeuring van het breed mode-ramen der generale synode, optreden moet om de bevoegdverklaring tot deze bediening te geven (O. 13-37-1). Wij zijn hier aan de rand van het geestelijk ambt.

Het is een nieuwe bediening, — wat bij een „pastoraal medewerker” niet het geval is. Vandaar dat van een hulpprediker weer gevraagd wordt een bevestigend antwoord op de vragen, geformuleerd in O. 4-3-3; en dat de benoeming van een hulpprediker ook niet geschieden kan door een kerkeraad, dan nadat hij eerst contact opgenomen heeft met de raad voor de herderlijke zorg (O. 13-37-5 en 6). Over de benoemingsprocedure en de beëindiging daarvan leze men O. 13-37-7 tot 14.

Voor een juiste toepassing van deze artikelen 36 en 37 van ordinantie 13 zal het in de eerstvolgende jaren nog gedurig nodig zijn ook de overgangsbepalingen 273-276 zorgvuldig

|181|

te raadplegen, als ook de achtergrond daarvan in de overgangsbepalingen 220-226.

 

Ten slotte nog de bedieningen in het diaconaat.

O. 15-5-1 omschrijft duidelijk twee takken in deze diaconale bedieningen, nl. het werk in de verpleging en het werk op sociaal terrein. De toelating tot een van deze twee bedieningen geschiedt ook weer naar bepalingen, neergelegd in een generale regeling der synode, terwijl ook vóór de toelating tot deze bedieningen van de betrokkenen een bevestigend antwoord gevraagd wordt op de vragen, geformuleerd in O. 4-3-3. De benoeming van deze werkers(-sters) in een diaconale bediening geschiedt door de ambtelijke vergaderingen), in welker ressort de betrokkene werkzaam zal zijn, maar niet dan na verkregen overeenstemming met het betrokken „orgaan van bijstand” der synode (wat voor de twee takken der diaconale bedieningen natuurlijk zal neerkomen op de (bijzondere) diaconale raad voor ziekenzorg, òf voor kinderbescherming en reclassering, òf voor gezinszorg en gezinsverzorging (O. 15-5-4).

Gezinsverzorgsters volgens O. 15-6-1 en 2 zijn niet werkzaam in een diaconale bediening, doch zijn „in dienst genomen” door een diaconie, zonder dat er van toelating tot zulk een bediening, of van beantwoording van bepaalde vragen sprake komt; evenmin van overleg met het betrokken orgaan van bijstand vóór de aanstelling door de diaconie.

Voor die lidmaten der Hervormde Kerk, die behoren tot een door de generale synode erkende gemeenschap van diaconessen of diaconen, zijn er mogelijkheden tot gemeenschappelijke erkenning door een plaatselijke kerkeraad als lidmaten, die in de kerkelijke bediening van diacones of diacoon staan, of door een kerkeraad in een andere gemeente, waar zij werkzaam zijn, in de kerkelijke bediening onder deze titel van diacones of diacoon gesteld kunnen worden (O. 15-5-9 en 10).

Voor de bezoldiging en pensionnering van de predikant-ambtsdragers en van de kerkelijke bedieningen vindt men gedurig in de verschillende ordinanties, waar het predikantsambt en deze verschillende bedieningen uitvoeriger beschreven worden, verwezen naar de generale regeling der synode, gegeven en van kracht verklaard op grond van ordinantie 17 over traktementen en pensioenen.

|182|

Deze ordinantie 17 was in het ontwerp-Kerkorde van 1947 vrij uitvoerig in 34 artikelen uitgewerkt, en nam aanzienlijke gedeelten der vroegere synodale reglementen op de predikantstraktementen, en op de pensioenen van de predikanten der Nederl. Hervormde Kerk en van hunne weduwen en wezen, en ook op de regeling voor de bezoldiging der kerkelijke medewerkers in zich op.
Bij de besprekingen in de synode, die voorafgingen aan de vaststelling van de tekst van O. 17 in eerste lezing, werd het geheel sterk ingekrompen (nl. tot 4 artikelen), overeenkomstig het advies van de desbetreffende commissie van rapport, die oordeelde, dat de kerkorde niet moest worden bezwaard met allerlei technische details. Deze konden gerust plaatsvinden in de generale regeling, te meer daar immers het voorstel bij deze inkorting van O. 17 was, dat ingevolge de nieuwe redactie van Art. 4 (eerste alin.) zulk een generale regeling voor bezoldiging en pensionnering niet zou kunnen worden vastgesteld of gewijzigd dan na ingewonnen advies van de provinciale kerkvergaderingen, de algemene kerkvoogdijraad, de provinciale kerkvoogdij commissies en — voor zover het de traktementen en pensioenen der predikanten betreft — de brede ministeries.
Daarmee was naar het oordeel der commissie een vrijwel gelijkwaardige garantie tegen willekeurige en eenzijdige verandering van de rechtspositie der gesalarieerden gegeven, als die in de procedure voor de totstandkoming van ordinanties gelegen is (Handel., 1949, blz. 781).
In de definitieve tweede lezing kreeg O. 17 weer enige uitbreiding (van 4 tot 11 artikelen), doordat de besprekingen er toe leidden — buiten het rapport van de Commissie voor de consideratiën om (vgl. Rapporten, blz. 206-211) — de organen van bijstand voor de zaken van traktementen en pensioenen onder de drang van de feitelijke verhoudingen tussen de volgens de vroegere reglementen reeds aanwezige instanties voor deze aangelegenheden weer te gaan splitsen tegen de aanvankelijke opzet van de commissie-kerkorde en de synode in. Er werden nu zelfs een drietal raden gecodificeerd: voor de traktementen (Art. 2), voor de predikantspensioenen (Art. 5), èn voor de pensioenen van kerkelijke medewerkers (Art. 8); terwijl men daarbij hoopte de gespletenheid van deze zorg voor traktementen en pensioenen onschadelijk te kunnen maken, door een slotartikel (Art. 11) op te nemen, dat de samenwerking tussen deze raden in de hand werken moet. —
Voor alle verdere bijzonderheden inzake bezoldiging en pensionnering van predikambt en bedieningen kan voor het ogenblik verwezen worden naar het tot 1 Mei 1951 gegolden hebbende reglement op de predikantstraktementen, dat ingevolge O.v.b. 339, behoudens enkele noodzakelijke wijzigingen, voorlopig deel uitmaakt van de generale regeling, in O. 17-4-1 bedoeld; eveneens naar de regeling op de bezoldiging der kerkelijke medewerkers, het reglement op de predikantspensioenen en de regeling op de pensionnering der kerkelijke medewerkers, die ingevolge O.v.b. resp. 340, 343 en 346 ook het karakter van geldende generale regeling kregen.

Haitjema, Th.L. (1951) II.6

|183|

§ 6. De ambtelijke vergaderingen en de organen van bijstand.

 

De ambtelijke vergaderingen vormen in het Geref. Protestantisme de achtergrond, waarop de ambten naar voren treden en hun dienende rol vervullen in het kerkelijk leven; de organen van bijstand vormen de krachtcentrale, in verbinding waarmede de bedieningen in de Kerk alleen maar goed kunnen functionneren.

Het is dus niet meer dan natuurlijk, dat deze paragraaf onmiddellijk op die over „ambten en bedieningen” volgt.

In het Geref. Protestantisme is de kwestie van het gezag der ambtelijke vergaderingen altijd een zeer gevoelig punt. Voor niets was men in het Geref. kerkrecht zó bevreesd, reeds van de 16e eeuw af aan, als voor het hiërarchisch beginsel in de kerkelijke samenleving, d.i. voor het heerschappij voeren dat de ene gemeente over de andere in hetzelfde kerkverband zou kunnen doen, of ook het ene ambt over het andere, of mogelijk ook de ene ambtsdrager over de andere. Het is dan ook een zeer oud en klassiek accoord, dat in K. V-1 aanstonds wordt aangeslagen, wanneer hier voor het eerst de geheimenisvolle „regering der Kerk” zich in onze kerkorde openlijk vertoont in het enige intermediair, dat haar effectief verwerkelijkt, nl. de „vergaderingen, waarin de ambten bijeen zijn”. Reeds van 1563 af hadden de Nederlandse Geref. Synoden onder het Kruis dit anti-hierarchisch grondbeginsel geproclameerd. En op de eerste nationale Synode te Emden in 1571 vormde ditzelfde accoord de inzet van de Handelingen dezer Geref. synode, die aan het gezag en de werkingssfeer der ambtelijke vergaderingen zoveel artikelen in haar kerkordelijk project wijdde.

Ik acht het winst, dat de generale synode onder de Werkorde niet toegegeven heeft aan veler aandrang, om i.p.v. „vergaderingen, waarin de ambten bijeen zijn” te lezen: „vergaderingen, waar de ambtsdragers bijeen zijn”. Dat vergaderingen alleen maar samenkomsten van personen kunnen wezen, schijnt wel vanzelf te spreken, maar deze stelling mag hier met haar klaarheid en duidelijkheid toch met het geheimenis profaan maken van een geestelijk ambt, dat als zodanig orgaan van Christus is en dat „accumulatief” zijn

|184|

autoriteit verbreden en verdiepen moet, opdat de heerschappij-voering van de enkele personen, of ook de overheersing van het ene ambt over het andere, in de Kerk niet de overhand neme!

Het personalisme en het individualisme zullen niet de hoogste wijsheid mogen zijn in een Kerk, die openbaring van het éne Lichaam van Christus wil wezen. In een Kerk, die Christus, de Heer, als het enige Subject, dat eigenlijk heerschappij voert, wil eren. Een Kerk ook, die weet, dat Christus door zijn Geest en Woord zijn gemeente niet alleen vergadert, maar ook regeert.

Daarom moest die kwestie van de ambtelijke vergaderingen zulk een teer punt blijven in het Geref. kerkrecht, omdat het Woord open moest liggen voor de werking van Christus’ Geest. En dat Woord moest daarbij gedragen en gehanteerd worden door al de ambten samen. Genève en ook het Franse Geref. Protestantisme hebben van meet af dan ook de lijn aangewezen om de ambtelijke vergaderingen van de kerkeraad als vergaderingen van alle drie de ambten: predikanten, ouderlingen en diakenen, te doen uitkomen. Waarom toefde men dan toch zo lang om hieruit de consequentie te trekken, die nu in de nieuwe kerkorde voor onze Hervormde Kerk inderdaad getrokken is, zodat men ook diakenen zitting deed nemen in de ambtelijke vergaderingen boven de kerkeraad? Ja, de kwestie van de ambtelijke vergaderingen is zelfs in zulk een mate een gevoelig punt in het Geref. kerkrecht, dat men haast wel zou kunnen zeggen, dat heel de reorganisatie-strijd van de 19e en 20e eeuw in de Nederl. Hervormde Kerk toch eigenlijk ging om het eerherstel dier ambtelijke vergaderingen, die gekortwiekt, ontluisterd en voor de regering der Kerk door hogere „bestuurscolleges” geheel en al uitgeschakeld waren. En waren er ook na invoering van de Werkorde in 1945 niet vele leidende figuren in onze Kerk, die gevoelden, dat de roep om reorganisatie nog even dringend was, ook al had men nu een grote generale synode, die op de titel van „ambtelijke vergadering” gerust aanspraak kon maken; omdat de classicale vergaderingen en de provinciale synoden nog steeds niet als ambtelijke vergaderingen in ere hersteld waren?

|185|

Omdat de kwestie van de ambtelijke vergaderingen in het Geref. kerkrecht zulk een teer punt is en blijft, is het zelfs begrijpelijk, dat in de jaren van voorbereiding der nieuwe kerkorde, die nu achter ons liggen, zo dikwijls de vrees geuit werd, dat ondanks de uitzuivering der „bestuurscolleges” in de nieuwe orde voor onze Kerk weer een ander gevaar ging dreigen, nl. dat de „organen van bijstand", die in zo groten getale gelegenheid tot ontplooiing kregen in het Nun-speetse ontwerp van 1947, de ambtelijke vergaderingen geleidelijk aan overwoekeren zouden in macht en invloed.

Wel stonden in Art. V en Art. VI der Kerkorde de ambtelijke vergaderingen en de „organen van bijstand” heel vredig naast elkaar en scheen ook O. 1-23-1 duidelijk genoeg te onderstrepen, dat de organen van bijstand steeds in opdracht en onder leiding van en in verantwoordelijkheid aan de ambtelijke vergaderingen dienstbaar hebben te zijn aan de zorg der Kerk op een bepaald terrein des levens, zodat er toch voor die gevreesde nieuwsoortige verlamming van de betekenis der ambtelijke vergaderingen weinig reden scheen te zijn; niettemin bleven velen uitermate achterdochtig, en in de synode, zowel als in de Kerk, waren de amendementen tegen de levensruimte van de organen van bijstand niet van de lucht.

Zo komt er in de betiteling van deze paragraaf weer in nieuwe vorm een oud probleem aan de orde.

Ik zal in hoofdlijnen pogen aan te geven, wat ons huidige kerkrecht van de ambtelijke vergaderingen en de organen van bijstand leert. Ik vlei mij, dat uit deze eenvoudige beschrijving duidelijk zal worden, dat men zich nodeloos angstig maakt en dat de bevoegdheid van de organen van bijstand naar geen enkele kant groter is dan die van de z.g. deputaten, die vanouds in het Geref. kerkrecht hun plaats en betekenis gehad hebben 1.

Er is intussen één betiteling, waaronder zowel ambtelijke vergaderingen als organen van bijstand vallen, en dat is de benaming „kerkelijke lichamen”. Deze benaming omvat zelfs ook alle „colleges, aan welke


1 Dr A.A. van Ruler, Het apostolaat der kerk en het ontwerp-kerkorde, Nijkerk, 1948, blz. 104 v.v.; Dr H.C. Rutgers, Kerkelijke Deputaten, Kampen, 1905.

|186|

enige taak of bevoegdheid op kerkelijk terrein is toebedeeld, alsmede alle door ambtelijke vergaderingen of kerkelijke organen en colleges ingestelde vaste of tijdelijke commissies” (O. 1-15-2).
In het algemeen kan gezegd worden, dat de gehele rubriek „Algemene bepalingen” uit O. 1-15 tot 31 voor alle samenkomsten geldt, die de ambtelijke vergaderingen, de organen van bijstand, colleges en commissies, enz., beleggen, tenzij op de betrokken plaatsen in de ordinanties bepaaldelijk van één der kerkelijke lichamen gesproken wordt (O. 1-15-1).
Het geldt hier vooral de bepalingen over de vereisten voor het lidmaatschap van de verschillende kerkelijke lichamen (O. 1-16-1 tot 10), de benoeming van secundi en tertii 1 (O. 1-17-1 tot 3), de voordrachten en aanbevelingen (O. 1-18-1 tot 7), de zittingstijd (O. 1-19-1 tot 7), de herkiesbaarheid (O. 1-20-1 en 2), de orde der vergaderingen (O. 1-21-1 tot 14), de besluitvorming over zaken (O. 1-24-1 tot 8), stemmingen over personen (O. 1-25-1 tot 8), de overdracht van werkzaamheden (O. 1-26-1 en 2), de secretariaten en instituten (O. 1-27-1 tot 10), de jaaroverzichten (O. 1-29-1 en 2), afkondigingen en bekendmakingen (O. 1-30-1 tot 3), kennisgevingen van verkiezingen en benoemingen (O. 1-31-1 tot 3).
Verschillende punten, die in O. 1 in een van deze artikelen over „Algemene bepalingen” zijn ondergebracht, zullen in ander verband nog wel weer even belicht worden.
Hier verdient echter wel reeds nadrukkelijk vermeld te worden, dat voordrachten voor een benoeming steeds tenminste twee namen moeten bevatten, tenzij anders bepaald is (O. 1-18-6), en dat de volgorde der namen de voorkeur voor de aanbevolenen uitdrukt, tenzij vermeld is, dat de volgorde alphabetisch is (O. 1-18-7).
Voorts is het belangrijk te weten, dat in het algemeen de leden van ambtelijke vergaderingen en kerkelijke organen niet meer dan tweemaal terstond herkiesbaar zijn, behoudens een in de ordinanties aangegeven afwijkende regeling of dispensatie-mogelijkheid (O. 1-20-2); en dat de quorum-bepaling, die vroeger in Art. 9 van het Algemeen Reglement (van 1852) stond, thans in O. 1-21-10 en 11 is opgenomen, doch nadrukkelijk slechts geldt voor ambtelijke vergaderingen.

De ambtelijke vergaderingen worden in K. V-2 opgesomd van onder op, naar presbyteriaal-synodaal beginsel, uit kracht waarvan reeds de ban der „bestuurlijke” en „genootschappelijke” kerkorganisatie aanvankelijk doorbroken werd in het Algemeen Reglement van 1852, gelijk wij in het „Historisch Gedeelte” (§ 5) gezien hebben.

Wij schenken derhalve eerst onze bijzondere aandacht aan:


1 Deze heeft niet plaats bij het lidmaatschap van de kerkeraden; met uitzondering van de centrale kerkeraden in centrale gemeenten (O. 2-14-2).

|187|

de ambtelijke vergadering voor de plaatselijke gemeente, nl. de kerkeraad.

 

1. Waaruit hij bestaat.

In de kerkeraad komen al de drie ambten in de plaatselijke gemeente samen. Derhalve „bestaat hij uit de bij de gemeente dienstdoende dienaren des Woords, de ouderlingen en de diakenen” (K. V-4 en O. 1-1-1).

De predikanten voor gewone werkzaamheden bepalen het getal van de dienaren des Woords, dat normaliter in de kerkeraad zitting heeft (O. 1-1-2). Voorts hebben ook de predikanten voor bijzondere werkzaamheden zitting in de kerkeraad (O. 13-4-2).
Predikanten voor buitengewone werkzaamheden (O. 13-3-1) hebben slechts zitting in de kerkeraad, indien zij aan een bepaalde gemeente verbonden zijn (O. 1-1-3).
Het getal der ouderlingen en diakenen wordt door de kerkeraad vastgesteld, doch moet tenminste drie ouderlingen en drie diakenen bedragen, en in elke gemeente bovendien tenminste drie tot kerkvoogd aangewezen ouderlingen. Behoudens dispensatie-mogelijkheid voor gemeenten met minder dan 1000 zielen (O. 1-1-4).

In verband met de samenstelling van de kerkeraad zijn de volgende kerkrechtelijke onderscheidingen van groot belang:

a. de kerkeraad in zijn geheel is een term ter onderscheiding van delen van de kerkeraad, waaraan ook in de ordinanties bepaalde taken zijn toevertrouwd. Deze delen van de kerkeraad kunnen zijn:

1. het consistorie, bestaande uit predikanten èn ouderlingen in de plaatselijke gemeente. Onder het vroegere reglementaire kerkrecht heetten deze consistories „bijzondere kerkeraden”. Zij hebben hun speciale taken bij het opzicht over de bediening van de Doop (O. 8-1-4), bij het Avondmaal (O. 10-1-4), bij het opzicht over de leden der gemeente (O. 11-5-1), bij de zaken der huwelijksbevestiging (0.12-1-2) en bij de catechese (0.9-1-4).
2. het ministerie, bestaande alleen uit de predikanten van de plaatselijke gemeente. Alleen de predikanten voor gewone werkzaamheden fungeren bij toerbeurt als praeses en als scriba (O. 13-5-2), terwijl overigens predikanten voor bijzondere en voor buitengewone werkzaamheden wel tot het ministerie behoren, voor zover

|188|

zij zitting hebben in de kerkeraad (O. 13-5-1). Een bepaalde opgedragen taak van het ministerie is de vaststelling van de rooster van predikbeurten (O. 13-5-3).
3. het college van kerkvoogden, waaraan de zorg voor alle financiële aangelegenheden der gemeente is opgedragen, voor zover niet van diaconale aard (O. 1-2-3).
4. het college van diakenen, waaraan de zorg is opgedragen voor alle diaconale aangelegenheden der gemeente (O. 1-2-2).
Men zal in deze opsomming het presbyterie, d.i. de vergadering van alle in een plaatselijke gemeente dienstdoende ouderlingen, missen, hoewel in K. V-5 dit presbyterie wel met name genoemd wordt. De reden is, dat in de ordinanties aan het presbyterie geen bepaalde taken zijn toevertrouwd. Het presbyterie heeft alleen de vrijheid om bijeen te komen ter verdeling van de werkzaamheden onder de ouderlingen en ter bespreking van de geestelijke vragen, hun ambtswerk in gemeente en Kerk betreffende (O. 14-3-1).

b. de centrale kerkeraad, een begrip, dat slechts voorkomen kan in gemeenten met meer dan één predikantsplaats, die zijn overgegaan tot de vorming van wijkgemeenten, en daar mede onder de groep centrale gemeenten van ordinantie 2 gaan behoren. In zulk een centrale kerkeraad, waarvan de taken 1 omschreven zijn in O. 2-15-1, hebben niet alle ambtsdragers in de centrale gemeente zitting, doch slechts een afvaardiging, verdeeld over de drie ambten in een bepaalde verhouding (O. 2-14-1), benoemd uit en door alle ambtsdragers samen van alle wijkgemeenten, die voor deze verkiezing in vergadering bijeen moeten komen (O. 2-13-2). Slechts in centrale gemeenten met minder dan vier wijkgemeenten kan bij plaatselijke regeling worden bepaald, dat de centrale kerkeraad bestaat uit alle ambtsdragers van de wijkgemeenten (O. 2-13-4).

c. de wijkkerkeraad, evenzeer een begrip, waarmede slechts


1 In § 2 van het „Beschrijvend Gedeelte” lichtte ik reeds toe, dat primair deze taken van de centrale kerkeraad liggen op het terrein van de dingen, die vroeger aan de algemene kerkeraad waren toevertrouwd in gemeenten met 3 of meer predikantsplaatsen.

|189|

te rekenen valt in gemeenten, die naar O. 2 tot de groep „centrale gemeenten" zijn gaan behoren. Alle ambtsdragers der wijkgemeente behoren er toe, en zijn taken zijn ingevolge O. 2-12-1 vóór alles zulke, die gelegen zijn op het terrein van de herderlijke zorg, en zodoende voorheen volgens het Algemeen Reglement van 1852 aan de „Bijzondere kerkeraad” waren opgedragen. Met dien verstande natuurlijk, dat in de wijkkerkeraden natuurlijk ook de consistories der wijkgemeenten afzonderlijk optreden voor de vervulling der opdrachten, volgens de hierboven gegeven opsomming aan de consistories toevertrouwd.

d. Buurtkerkeraden. Deze worden alleen genoemd in O. 2-16-2 en 3, en treden op in centrale gemeenten, waar men sterk de behoefte heeft gevoeld aan het bijeenbrengen van twee of meer wijkgemeenten in één buurtgemeente. De buurtkerkeraad bestaat uit de ambtsdragers der bijeengebrachte wijkgemeenten en ziet zich zijn werkzaamheden toegewezen in een plaatselijke regeling, die de verdeling der kerkeraads-werkzaamheden tussen centrale kerkeraad, buurtkerkeraad en de betrokken wijkkerkeraden zorgvuldig moet omschrijven.

O. 1-3-1 tot 7 regelt de werkwijze der kerkeraden; stelt het aantal kerkeraadsvergaderingen, dat „in de regel” zal dienen gehouden te worden, op „eens per maand”. Het minimum-aantal zal zes per jaar moeten zijn.
Het scribaat van de kerkeraadsvergaderingen zal officieel moeten berusten bij een ouderling of diaken.
De predikant is praeses: dat kan voor de kerkeraad dus geen ouderling zijn; wel is voor de meerdere vergaderingen een ouderling verkiesbaar tot praeses!
Voor regelingen van plaatselijke aard kan de kerkeraad een „plaatselijke regeling” maken, ter goedkeuring aan het breed moderamen der classicale vergadering voor te leggen (O. 1-3-5).
De laatste alinea’s van O. 1, art. 3, handelen over de voorzieningen, in geval van de daling van het getal kerkeraadsleden tot onder ⅔ (het quorum!). Een deputatie van twee leden uit het breed moderamen der classicale vergadering kan dan, mèt de overgebleven kerkeraadsleden, doen wat des kerkeraads is. Deze bepaling herinnert aan het vroegere artikel 1 van het Reglement voor de Kerkeraden.

2. Het arbeidsveld der kerkeraden.

Slechts op de hoofdpunten daarvan wil O. 1-2-1 expressis verbis ingaan. En deze hoofdpunten worden op zulk een

|190|

wijze omschreven, dat wij er wel van onder de indruk moeten komen, hoe beleidvol hier de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente met de idee van haar afhankelijkheid van de algemene Kerk verbonden wordt.

De ambtelijke vergadering in het plaatselijk-kerkelijk ressort heeft daarom allereerst verantwoordelijkheden voor het geestelijk leven binnen de grenzen der plaatselijke gemeente en voor de heilighouding van deze; vandaar de opdracht tot het onderhouden van de dienst des Woords en der sacramenten en tot het opzicht over de leden der gemeente.

Doch dan gaan bij het derde punt, nl. het leiding geven aan de opbouw der gemeente en haar dienst in de wereld, de vensters wijd open naar de grote wereld toe, waarin ook de heiliging van de Naam Gods zich uitbreiden moet. Hier kan de plaatselijke gemeente niet blijven buiten de steun en de raadgeving van organen van bijstand. En dat niet alleen in de zin van gemeentelijke commissies, die voor de bijzondere terreinen van de dienst in de wereld mede hulp en bijstand kunnen geven (O. 1-1-6). Ook de organen van bijstand, die als „raden” onmiddellijk onder de generale synode ressorteren, zullen de kerkeraad in de plaatselijke gemeente mogen helpen met aanwijzingen, die voor de plaatselijk-kerkelijke dienst in de wereld van onschatbare betekenis zullen blijken te zijn, b.v. bij de aanstelling van bepaalde werkers in de een of andere „bediening”, die een wel ingerichte en op het apostolaat in de wereld ingestelde gemeente niet missen kan. Hier moet de lijn „van boven naar beneden” de lijn „van beneden naar boven” (d.i. de lijn vanuit het plaatselijk-kerkelijk gewortelde drieledige ambt) aanvullen en voor eenzijdigheid bewaren. En dat de Kerk hier bindend niet alleen contact, maar ook overeenstemming in overleg met de organen van bijstand, die van de synode uitgaan, voorschrijft, is alleen maar natuurlijk voor iedere vorm van kerkelijk denken, die haar lijnen niet heeft laten scheef trekken door de zelfgenoegzaamheidswaan, welke met de idee van de autonomie en de souvereiniteit der plaatselijke gemeente maar al te licht gepaard gaat.

Op nog weer andere wijze onderstreept O. 2-2-1 in de omschrijving van de vierde en vijfde opdracht der kerkeraden de afhankelijkheid der plaatselijke gemeente van de

|191|

algemene Kerk. Als het hier gaat over de bespreking van de agenda vóór, en van het verslag der afgevaardigden na iedere gehouden classicale vergadering, dan wordt in de direct-ambtelijke lijn de wisselwerking tussen de mindere en de meerdere ambtelijke vergadering als een levensbehoefte voor de bloei der plaatselijke gemeente geproclameerd. En in deze ambtelijke lijn doordenkend, zal de plaatselijke kerkeraad nog weer eens te meer het gezag, waarmede de hoogste ambtelijke vergadering der Kerk (= de generale synode) de dienst van haar organen van bijstand begeert in te schakelen voor heel de Kerk, als vanzelfsprekend gaan beschouwen.

 

Wij komen nu als vanzelf tot een korte bespreking van de meerdere ambtelijke vergaderingen.

Ten 1e: de classicale vergaderingen, volgens K. V-2 de ambtelijke vergaderingen voor de in een classis verenigde gemeenten. Zij zijn samengesteld uit door elke kerkeraad van het classicaal ressort af te vaardigen predikanten en ouderlingen en diakenen, nl. alle predikanten voor gewone en bijzondere werkzaamheden uit zijn gemeente, en daarbij evenveel ouderlingen of diakenen, naar een rooster, door het breed moderamen van de classicale vergadering in dier voege op te maken 1, dat er steeds uit het classicale ressort vijf kerkvoogden en vijf diakenen worden afgevaardigd. De zittingstijd van de afgevaardigden naar de classicale vergadering is drie jaren (O. 1-4-1).

Ook de predikanten zullen dus een geloofsbrief van de hen afvaardigende kerkeraad moeten ontvangen, wat vroeger niet behoefde.
Predikanten voor buitengewone werkzaamheden worden niet afgevaardigd, maar wonen de classicale vergadering als adviserend lid bij (O. 1-4-3 en O. 13-3-3).
Indien een predikantsplaats, die de kerkeraad recht tot afvaardiging geeft, vacant is, wordt in plaats van de predikant een ouderling afgevaardigd (O. 1-4-5).
Over de afvaardigingsprocedure bij combinatie van predikantsplaatsen handelt O. 1-4-6.
In centrale gemeenten geschiedt de afvaardiging steeds door de wijkkerkeraden (O. 1-4-7); met dien verstande, dat de eerste afvaardiging ingevolge O.v.b. 61 van kracht blijft tot einde 1953 (O.v.b. 62 en 63).


1 Voor het opmaken van deze rooster en de tijdslimiet, waarbinnen hij definitief gereed moet zijn, zie O.v.b. 62 en 63.

|192|

Eén lid van elk der classicale organen van bijstand woont als adviseur de classicale vergadering bij, evenals ook de quaestor van de classis en de afgevaardigde der classis naar de generale synode, voor zover zij niet reeds uit anderen hoofde lid zijn der vergadering (O. 1-4-8).

De classicale ressorten zijn opnieuw ingedeeld in de thans geldende orde der Kerk. Het aantal classes is tegelijk uitgebreid en van 45 op 54 gebracht, inclusief het ressort der Waalse gemeenten 1.

Tenminste tweemaal per jaar komen de classicale vergaderingen bijeen: éénmaal in de laatste volle week van de maand Mei en éénmaal in de laatste volle week van de maand September. De moderamen-verkiezingen hebben bij de aanvang van haar eerste vergadering in het kalenderjaar plaats onder leiding van de in leeftijd oudste der aanwezige predikanten. Voor het praesidiaat kan ook een als primus afgevaardigde ouderling in aanmerking gebracht worden, doch als die verkozen wordt, moet de assessor uit de predikant-afgevaardigden aangewezen worden. De scriba moet uit de afgevaardigden gekozen worden. De quaestor der classis behoeft geen afgevaardigde te zijn, maar kan „uit de lidmaten van de gemeenten der classis” gekozen worden (O. 1-6-4 tot 7).

Extra classicale vergaderingen worden bijeengeroepen op initiatief van het moderamen, of op verzoek van tenminste vijf kerkeraden, of op verlangen van het breed moderamen, hetzij der provinciale kerkvergadering, hetzij der synode (O. 1-6-2 en 3). Deze beide lichamen kunnen in dat geval ook de vergaderdatum vaststellen.

Wat ten slotte het arbeidsveld van deze ambtelijke vergaderingen van het classicaal ressort betreft, bij een zorgvuldige lezing van O. 1-5-1 zal men bemerken, dat de daar gegeven opsomming van taken heel duidelijk de opvatting laat doorschemeren, dat deze ambtelijke vergaderingen in de grond der zaak „grote kerkeraden” zijn voor meerdere gemeenten tezamen, en dat de grond van het gezag dezer vergaderingen in de ambtelijke autoriteit der afgevaardigde ambtsdragers gelegen is, veel meer dan in de afvaardigingsgedachte zelf, welke, op zichzelf beschouwd, de classicale vergadering


1 Voor de indeling raadplege men de nieuwe Kerkorde, off. uitgave, blz. 233-247. Het aantal ringen werd ook aanzienlijk uitgebreid en op 160 gebracht.

|193|

hoogstens tot een min of meer democratisch parlement voor het kerkvolk uit de classis zou stempelen.

Merkwaardig is zeker, dat de kwestie van de benoemingen van afgevaardigden naar de meerdere vergaderingen, welke onder de reglementaire organisatie eigenlijk het enige was, dat aan de ontluisterde classicale vergaderingen reële betekenis gaf, hier in O. 1-5-1 zelfs niet met één woord expresselijk genoemd wordt! Misschien is dit — naast hetgeen wèl genoemd wordt — welhaast het duidelijkst symptoom van het daadwerkelijk eerherstel van de classicale vergaderingen.

 

Ten 2e: de provinciale kerkvergaderingen; dit zijn de ambtelijke vergaderingen „voor de in een kerkprovincie verenigde gemeenten en classes” (K. V-2).

De samenstelling dezer vergaderingen, die in het reglementaire besturen-stelsel van vóór 1950 geheel ontbraken, is verschillend in kleinere en grotere kerkprovincies. Waar minder dan vijf classes in een provincie zijn, vaardigt elke classis in het ressort (= elke classicale vergadering) drie predikanten en drie ambtsdragers, die geen predikant zijn, af in dier voege, dat bij toerbeurt en volgens een door het breed moderamen der provinciale kerkvergadering vast te stellen rooster twee classes onder die niet-predikanten naast twee ouderlingen één kerkvoogd kiezen, en twee classes naast twee ouderlingen één diaken. Is de kerkprovincie meer dan vier classes omvattende, dan vaardigt iedere classis naar de provinciale kerkvergadering twee predikanten en twee niet-predikanten af, ook hier weer met de bepaling, dat volgens een vastgestelde rooster bij toerbeurt die afvaardiging zó is, dat er onder die niet-predikanten ook kerkvoogden en diakenen zijn; in een provincie met vijf classes twee van elk, en in grotere kerkprovincies drie van elk. De zittingstijd dezer afgevaardigden is vier jaren.

Behalve de stemhebbende leden nemen als adviseurs aan de beraadslagingen in deze ambtelijke vergaderingen deel de praeses van de visitatoren-generaal en uit elk der provinciale organen van bijstand — telkens voor één kalenderjaar door het breed moderamen aan te wijzen — één lid; en ook de scriba, zo deze niet uit het midden der vergadering, b.v. dus

|194|

uit de eervol ontslagen predikanten, die de bevoegdheden als van een emeritus-predikant hebben, in het ressort wonende, gekozen is (O. 1-7-1 tot 3 en O. 1-9-5 en 6).

Voor de details der nog al ingewikkeld geregelde wijze van afvaardiging raadplege men vooral O.v.b. 72-79, waarin de schema’s voor de afvaardiging in de kerkprovincies van verschillende grootte zijn opgenomen. In de kleinste kerkprovincie Drente met slechts 3 classes blijkt de provinciale kerkvergadering 18 stemhebbende leden te omvatten. In de grootste provincie van 10 classes (Zuid-Holland) blijkt de omvang 40 stemhebbende leden te zijn, met daaronder 3 kerkvoogden en 3 diakenen.

Tenminste eenmaal per jaar komt de provinciale kerkvergadering bijeen op een door haar moderamen vast te stellen tijdstip. Bovendien moet zij extra bijeengeroepen worden, wanneer tenminste twee classicale vergaderingen het verzoeken, of ook wanneer de generale synode (of haar breed moderamen) het verlangt (O. 1-9-1 tot 3).

Ieder jaar wordt op de eerste vergadering in het kalenderjaar eerst een moderamen gekozen. De mogelijkheid van de verkiezing tot praeses van een ouderling is er ook hier weer, doch ook hier met de restrictie, dat in ieder geval de praeses óf de assessor een predikant moet zijn (O. 1-9-4).

Het arbeidsveld van de provinciale kerkvergaderingen is in O. 1-8-1 zó omschreven, dat wij ook deze vergaderingen weer als een „kerkeraad” voor het territoir van al de gemeenten samen in het provinciaal ressort zullen moeten zien, precies als bij de classicale vergaderingen.

Men heeft bij de discussies over het ontwerp-Kerkorde wel eens de vrees geuit, dat deze provinciale ambtelijke vergaderingen der Kerk maar heel weinig belangrijke taken zouden hebben. Deze vrees schijnt mij ijdel, vooral als men bedenkt, hoe nadrukkelijk deze vergadering of haar breed moderamen op allerlei terreinen van ons kerkelijk leven een gewichtige functie heeft (b.v. in O. 7 en O. 13, en vooral in O. 11 voor het opzicht!).

Op de importantie van deze provinciale kerkvergaderingen wijst b.v. ook de bepaling uit O. 1-9-7, waar gezegd wordt, dat de scribae der provinciale kerkvergaderingen tenminste tweemaal per jaar bijeenkomen, om onder leiding van de secretaris-generaal der Kerk de hun toevertrouwde belangen te bespreken.

|195|

In de lijn van de gezonde decentralisatie van het algemene kerkewerk wilde de wetgever trachten de leiding van deze provinciale kerkvergaderingen hoe langer hoe directer te betrekken bij de arbeid, die door middel van de synodale organen van bijstand (de raden) aanvankelijk centraal moest worden gestuwd.

Ten 3e: de generale synode, d.i. de ambtelijke vergadering „voor de gemeenten, classes en kerkprovincies tezamen en mitsdien voor de gehele Kerk” (K. VII-2).

De afvaardiging naar de generale synode is classicaal geregeld gebleven, evenals dat ook onder de Werkorde reeds het geval was. Alleen zijn nu uiteraard onder de afgevaardigde niet-predikanten ook, naar een door het breed moderamen der synode op te maken rooster, kerkvoogden en diakenen, zeven van iedere groep (O. 1-10-1). Voorts zijn er als vertegenwoordigers van de overige 40 classes 27 predikanten en 13 ouderlingen afgevaardigd.

Met adviserende stem zijn ter synode aanwezig de secretaris-generaal der synode (O 1-12-4)1, en, telkens voor één kalenderjaar bij toerbeurt aan te wijzen: twee der kerkelijke hoogleraren, één der leden van het college der kerk-visitatoren-generaal, en voorts uit 9 met name genoemde raden één bij alle zittingen zijn plaats innemend adviseur. Terwijl bovendien naar behoefte vertegenwoordigers van andere organen ter synode kunnen worden genodigd (O. 1-10-2).

De twee kerkelijke hoogleraren zijn dus ook onder de nieuwe kerkorde geen prae-adviseurs meer, zoals zij dat waren, vóór de Werkorde in 1945 werd ingevoerd.
De negen raden, die steeds een vertegenwoordiger in de synode hebben, zijn:
de raad voor de zending,
de raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie,
de raad voor het jeugdwerk,
de raad voor de zaken van Kerk en theologie,
de raad voor de herderlijke zorg,
de algemene diaconale raad,
de algemene kerkvoogdij raad,
de generale financiële raad,
de raad voor het verband met andere Kerken.


1 Een tweede secretaris wordt met de titel secretaris voor algemene zaken door de generale synode benoemd tot bijstand en ter vervanging van de secretaris-generaal, doch deze heeft als zodanig geen adviserende stem in de synode (O. 1-27-1).

|196|

De zittingstijd der synodeleden is weer één jaar langer dan die van de leden der provinciale kerkvergaderingen, nl. vijf jaren. In deze eerste jaren van de geldigheid der nieuwe kerkorde bedenke men echter, dat deze zittingstijd voor vele voor de eerste maal afgevaardigde synodeleden veel korter dan vijf jaren zal zijn om een hanteerbare rooster van aftreding te kunnen verkrijgen. Bijzonder belangrijk is in dit verband O.v.b. 89, dat de rooster van afvaardiging voor de duur van meer dan vijftig jaren overzichtelijk aangeeft (Kerkorde, blz. 268-269).

Over de methode van afvaardiging naar een eventueel noodzakelijke verdubbelde synode spreekt O. 1-10-3.

De generale synode komt tenminste éénmaal per jaar, in de maand Juli, bijeen. Buitendien zal zij bijeenkomen op initiatief van haar breed moderamen, of op verzoek van tenminste twee provinciale kerkvergaderingen, of ook tien classicale vergaderingen, aan welk verzoek uiterlijk binnen drie maanden gevolg moet worden gegeven (O. 1-12-1 en 2).

In de eerste vergadering van ieder kalenderjaar heeft de benoeming van een praeses en een assessor plaats, waarbij de mogelijkheid van de verkiezing van een ouderling op dezelfde wijze is omschreven als bij de classicale vergaderingen en de provinciale kerkvergaderingen (O. 1-12-3).

De omschrijving van de taken der generale synode is consequent gehouden in de stijl, waarin men van een ambtelijke vergadering in het Geref. kerkrecht moet spreken. Ook deze hoogste (of liever: breedste) ambtelijke vergadering is in zekere zin een „kerkeraad”, die de accumulatie der ambtelijke autoriteit in haar meest omvattende vorm als de diepste grond van haar bevoegdheid om bindende besluiten te nemen, even laat doorschemeren.

Het spreekt welhaast vanzelf, dat de omschrijving der synodale taken daarbij zo sterk mogelijk aansluiting zoekt bij de Werkorde-bepaling van het Ie Additionele Artikel van het Algemeen Reglement, dat tot 1 Mei 1951 nog gold, en waarin het ambtelijk reliëf aan deze generale synode zo duidelijk gegeven werd.

|197|

Aan het slot van de artikelen over de generale synode komt nog een artikel voor onder de titel: de synodus contracta (O. 1-13-1 en 2), waarmede kennelijk een tussenvorm bedoeld wordt tussen „ambtelijke vergadering” en „breed moderamen”. Bij de besprekingen in de Synode van 1948 naar aanleiding van het rapport der betrokken subcommissie over O. 1 werd door de rapporteur, en ook door de secretaris van de commissie-Kerkorde, van „een verkleinde synode” gesproken (Handel., 1948, blz. 268). Volgens de rapporten was zij synode, als de generale synode niet vergaderd was. Begrijpelijk is, dat toen van meer dan een zijde in de synode op het noodzakelijke van een verschil in ledental tussen „synodus contracta” en „breed moderamen der synode” gewezen werd. Dat is toen echter niet — en ook later niet — in dit artikel der ie ordinantie opgenomen. Zowel synodus contracta als breed moderamen bleven gesteld op een twaalftal leden (zes predikanten, vier ouderlingen, één kerkvoogd en één diaken) met inbegrip van het moderamen der generale synode, dat ook in de zittingen van synodus contracta, of van breed moderamen, als moderamen fungeert (O. 1-13-1).

Het verschil tussen synodus contracta en breed moderamen kan nu alleen afgeleid worden uit de enigszins ruimere taakomschrijving in O. 1-13-2 [de synodus contracta] .... „heeft tot taak te verrichten wat in de ordinanties der Kerk aan de generale synode is opgedragen, voor zover dit haar door de synode wordt gedelegeerd”.

 

De brede moderamina van alle ambtelijke vergaderingen boven de kerkeraad worden samen in één artikel (O. 1-22-1 en 2) op zulk een wijze behandeld, dat uit de formulering duidelijk blijkt, dat zij principieel eigenlijk niet anders zijn dan een uitbreiding van het moderamen zonder meer, bestaande uit praeses, scriba en assessor, terwijl deze verbreding van het moderamen kennelijk de bedoeling heeft aan het (smalle) moderamen een achtergrond te geven voor de tijd, waarin de volle ambtelijke vergadering niet bijeen is.

En nu is het begrijpelijk, dat de inzet van O. 1-22 alleen ten aanzien van de classicale vergadering en de provinciale kerkvergadering wordt geformuleerd. De bredere achtergrond,

|198|

waar het in O. 1-22-1 blijkbaar om gaat, heeft het moderamen der generale synode immers reeds op andere wijze, nl. in haar synodus contracta.

De uitbreiding in ledental van het moderamen der classicale vergadering tot haar breed moderamen heeft plaats tot een totaal aantal van drie predikanten, twee ouderlingen, één kerkvoogd, één diaken en de quaestor van de classis met adviserende stem. De uitbreiding van het moderamen der provinciale kerkvergadering tot haar breed moderamen geschiedt tot een getal van drie predikanten, twee ouderlingen, één kerkvoogd en één diaken (O. 1-22-1).

De brede moderamina der verschillende ambtelijke vergaderingen zien zich in de ordinanties der Kerk ontzaglijk veel opdrachten toevertrouwd, waarvan er vele van een controlerend en goedkeuring-gevend karakter zijn. Daarnevens liggen uiteraard op het terrein van de brede moderamina al de zaken, die in O. 1-21-5 aan de (smalle) moderamina als uitvoerende commissie der meerdere ambtelijke vergaderingen toevertrouwd werden.

Dat de z.g. synodus contracta toch iets meer in de werkingssfeer der ambtelijke vergaderingen blijft dan het breed moderamen der generale synode, blijkt ook uit O. 1-22-1, waar aan de synodus contracta, al fungeert zij dan ook als breed moderamen, de bevoegdheid wordt toegekend om daarvoor in aanmerking komende werkzaamheden aan haar (kleine) moderamen te delegeren. In het smalle moderamen der generale synode heeft de secretaris-generaal concluderende stem.

Een bijzondere taak krijgen de brede moderamina van de ambtelijke vergaderingen in de opdracht leiding te geven aan en coördinerend te werken in de arbeid van de organen van bijstand, behorende bij hun resp. ambtelijke vergaderingen (O. 1-22-2). De ambtelijke vergaderingen, en, in haar naam, de brede moderamina blijven dus kennelijk de leiding gevende en ten laatste verantwoordelijke lichamen bij het gehele werk van de organen van bijstand.

 

Over deze organen van bijstand moge ik ten slotte in deze paragraaf nog enkele opmerkingen maken, die ons gemakkelijker de weg zullen doen vinden in de thans van kracht geworden ordinanties der Kerk.

Naast K. VI, dat de hoofdlijnen geeft voor de organen van bijstand, moet steeds O. 1-23-1 tot 9 gelegd worden, waarin

|199|

deze hoofdlijnen wat meer in bijzonderheden worden uitgewerkt, en b.v. de beperkingen, waaronder de initiatieven van een classicale vergadering of provinciale kerkvergadering in de richting van de instelling van een eigen orgaan van bijstand staan, concreter worden omschreven (O. 1-23-7 tot 9).

De organen van bijstand mogen nooit anders dan „dienstbaar zijn aan de zorg der Kerk op een bepaald terrein des levens”. Aan de bijstand van lidmaten der Kerk, die op een bepaald terrein door deskundigheid en ervaring uitmunten, mag een Kerk, die in deze gecompliceerde, moderne wereld dienen wil, nimmer achteloos voorbijgaan. En de band van dit dienende werk met de ambtelijke vergaderingen wordt op ongedwongen wijze hecht gehouden door de bepaling, dat er altijd minstens één lid van de ambtelijke vergadering, die een orgaan van bijstand in het leven riep, in dit orgaan moet zitting hebben (O. 1-23-2).

De geregelde vergaderingen van de voorzitters en secretarissen der raden met het breed moderamen der synode kunnen ook niet anders dan tot verinniging van die banden bijdragen en bovendien de coördinatie in het werk der raden doeltreffend maken (O. 1-23-6).

Prof. van Ruler schrijft in zijn Het apostolaat der kerk en het ontwerp-kerkorde (Nijkerk, 1948, blz. 115 v.v.) zo terecht, dat men de organen van bijstand „speelruimte en armslag” moet geven, en dat men zich heus niet angstig maken moet, als het aantal „raden” zich steeds meer uitbreidt. Ten slotte is het waagstuk van de Kerk in de wereld zo groot, dat alleen eendrachtige inspanning van ambtelijke vergaderingen èn organen van bijstand in het wérk — ook de ambtelijke vergaderingen zijn niet alleen „regeer-colleges, doch ook werkgemeenschappen” (a.w., blz. 100) — en niet „de meer of minder enge, beperkende bepalingen van een ordinantie, waarborgen geeft, dat er geen ongelukken gebeuren” (a.w., blz. 116).

Van Ruler somde uit het Nunspeetse ontwerp-Kerkorde 15 raden op 1, maar wie de huidige orde der Kerk zorgvuldig nagaat, ontdekt er zelfs 23; of althans 20, wanneer men de


1 waarbij hij bovendien abusievelijk ook de commissie voor het theologisch hoger onderwijs onder de raden rekende (a.w., blz. 105).

|200|

bijzondere diaconale raden (onder de algemene diaconale raad) niet afzonderlijk meetellen wil.

In de volgorde, waarin ze in de ordinanties voorkomen, wil ik alle raden even opsommen, het aantal leden er van aangeven, en voor elk der raden naar de plaats in de betreffende ordinantie verwijzen, waar de taken der verschillende raden meer in het bijzonder onder woorden worden gebracht.

1. De raad voor de zaken van pers en publiciteit. Inrichting, werkwijze en ledental worden bij generale regeling geregeld (O. 1-28-1 en 2).
2. De raad voor de verhouding van Kerk en Israël. Geen vast ledental (O. 4-2-1).
3. De raad voor de zending. Geen vast ledental (O. 4-8-1 tot 5).
4. De raad voor de zaken in Kerk en overheid. Geen in de ordinantie vastgelegd ledental (O. 4-20-1 en 2).
5. De raad voor de zaken van Kerk en samenleving. Tenminste tien leden, van wie twee leden benoemd worden op voordracht van de „raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie” en twee op voordracht van de „raad voor de zaken van Kerk en overheid” (O. 4-22-1 tot 5).
6. De raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie. Geen ledental aangegeven in de ordinantie. Secretaris van de raad is een lid van het directorium van het instituut „Kerk en wereld” (O. 4-24-1 tot 3).
7. De raad voor het jeugdwerk. Geen ledental vastgelegd (O. 5-2-1 en 2).
8. De raad voor de zaken van Kerk en school. Eveneens geen ledental vastgelegd (O. 5-5-1 en 2).
9. De raad voor de eredienst. Negen leden, van wie één lid gekozen uit de raad voor de zaken van Kerk en theologie. Daarnevens vaste commissies voor bepaalde onderdelen van het arbeidsveld (O. 6-7-1 tot 5).
10. De raad voor de zaken van Kerk en theologie. Vijftien leden: lidmaten der Kerk, onder wie tenminste vijf en ten hoogste tien doctores in de godgeleerdheid; en bovendien ambtshalve de acht kerkelijke hoogleraren. Samen dus drie en twintig leden (O. 7-19-1 tot 3).
11. De raad voor de catechese. Geen ledental vastgesteld (O. 9-13-1 en 2).
12. De raad voor de zaken van Kerk en gezin. Geen ledental vastgesteld (O. 12-7-1 en 2).
13. De raad voor de herderlijke zorg. Negen leden, onder wie twee predikanten, vier ouderlingen en één lid uit hen, die in een bediening zijn gesteld (O. 14-5-1 tot 3).

|201|

14. De algemene diaconale raad. Dertien leden, nl. vijf diakenen, vijf leden naar vrije keuze en drie leden uit de bijzondere diaconale raden, hieronder te noemen (O. 15-24-1 en 2).
14a. De bijzondere raad voor de ziekenzorg.
14b. De bijzondere raad voor kinderbescherming en reclassering.
14c. De bijzondere raad voor gezinszorg en gezinsverzorging.
De wijze van benoeming, begrenzing van arbeidsveld, enz. worden voor deze secties, of bijzondere diaconale raden bij generale regeling geregeld.
15. De algemene kerkvoogdijraad. Negen leden, onder wie zes leden benoemd worden op enkelvoudige voordracht van tenminste veertig colleges van kerkvoogden, één lid uit de dienstdoende predikanten en twee leden naar vrije keuze (O. 16-14-3). Als toporgaan bij de „provinciale kerkvoogdij commissies” laat zich van deze algemene kerkvoogdijraad betwisten, dat hij een orgaan van bijstand is.
16. De generale financiële raad. Negen leden, van wie vijf door de generale synode te benoemen naar vrije keuze, twee op voordracht van de algemene kerkvoogdijraad en twee op voordracht van de algemene diaconale raad.
De financiële taken met betrekking tot de algemene fondsen der Kerk en de kassen voor het algemene kerkewerk, tot 1 Mei ’51 vervuld door de algemene synodale commissie, zijn nu op deze raad overgegaan.
Hij kreeg zelfs recht tot enkelvoudige voordracht voor de benoeming van een quaestor-generaal, formeel door de generale synode (O. 16-16-1 tot 3) te benoemen.
17. De raad voor de traktementen. Acht leden, onder wie twee naar vrije keuze en de rest op voordracht van kerkelijke lichamen, in O. 17-2-2 genoemd. Hij zet het werk van de vroegere commissie voor de predikantstraktementen voort, maar krijgt ook bemoeienis met de traktementen van vicarissen en hen, die in een bediening zijn gesteld (O. 17-2-1 en 2 en O. 17-3-1 tot 3).
18. De raad voor de predikantspensioenen. Acht leden, allen op voordracht van in O. 17-5-2 genoemde kerkelijke lichamen te benoemen. Zet het werk van de vroegere Pensioenraad voort (O. 17-5-1 en 2 en O. 17-6-1 tot 3).
19. De raad voor de pensioenen van kerkelijke medewerkers. Zes leden, allen op voordracht te benoemen. Deze raad zet het werk van de beheerders van het een paar jaar geleden gestichte Pensioenfonds voor kerkelijke medewerkers voort (O. 17-8 en 9).
20. De raad voor het verband met andere Kerken. Geen ledental bij ordinantie vastgelegd. Deze raad kan „vaste commissies” in het leven roepen voor bepaalde oecumenische contacten (O. 20-2-1 tot 3).

Haitjema, Th.L. (1951) II.7

|202|

§ 7. De apostolaire en de belijdende functie der Kerk.

 

Vanuit een diep besef van de „verstrengeling van het confessionele en het apostolische” 1 is de gehele Kerkorde van 1950 met haar bijbehorende ordinanties geschreven. De apostolaire en de belijdende functie behoren als hol en bol bij elkander, maar zijn ook niet zonder elkander denkbaar in een gezond kerkelijk leven. „Het een brengt het ander met zich mee: het apostolische schept met een innerlijke noodzakelijkheid het confessionele der kerk en het confessionele is zonder het apostolische niets” 2.

Ik heb in deze paragraaf niets anders te doen dan deze, links en rechts in onze Kerk tot tegenspraak prikkelende, stelling te bewijzen door licht te laten vallen op de verborgen confessionele binnenkant van allerlei apostolair gerichte artikelen in kerkorde en ordinanties, en door voorts ook een poging te doen om in die gedeelten van onze huidige orde der Kerk, die kennelijk meer op het belijden en de belijdenis gericht zijn, de gevoelige plekken aan te duiden, waar van het confessionele hart der Kerk uit het apostolaat op doorbreken staat.

Zodra nl. de apostolaire functie der Kerk uit de verstrengeling met de belijdende functie losraken zou, gaat zij verlopen in een oppervlakkig activisme en een wettische dadendrang. En zodra de belijdende functie zich van de apostolische bewogenheid losscheurt, begint de belijdenis der Kerk als een grondslag-formulering in een verenigingsstatuut kil-juridisch te werken.

Eerst wil ik nu dus iets laten zien van het confessionele „gehalte” van heel de apostolische „gestalte” onzer nieuwe kerkorde.


1 Dr A.A. van Ruler, De belijdende kerk in de nieuwe kerkorde, Nijkerk, 1948, blz. 15. Men leze dit voortreffelijke boekje vooral in zijn geheel bij deze paragraaf van mijn handboek. Wie het op zich heeft laten inwerken, zal het niet meer zo vreemd vinden, dat de pleidooien van Prof. van Ruler in de Synode vóór het anterieure karakter van het apostolaat in een kerkorde voor 1950 er niet weinig toe bijgedragen hebben, dat K. VIII vóór K. X is blijven staan.
2 Dr A.A. van Ruler, a.w., blz. 15-16.

|203|

Ik laat dit expresselijk vooropgaan, en sluit mij daarmede bewust aan bij de volgorde van K. VIII en K. X in de kerkorde, waar ik mij van de aanvang af uitnemend in heb kunnen vinden. O.a. omdat ik over de binding aan belijdenis en formulieren en over de leertucht nooit anders gedacht en geschreven heb dan vanuit de bekommering over de apostolische boodschap, die zuiver en klankvol aan de wereld gebracht moet worden. Wat iets heel anders is dan bekommering over de ondubbelzinnigheid der formulering van een statutaire grondslag voor een gemeenschapskring, die Kerk wil heten, doch van deze laatste bekommering uit nimmer iets anders zal kunnen zijn dan een „Kerk der belijdenis”; althans nooit een „belijdende Kerk”.
K. VIII welbewust vóór K. X te blijven stellen, dat betekent zoveel als er terdege van doordrongen te zijn, dat de oorsprong van het belijden der Kerk strikt apostolisch is bepaald (vgl. Van Ruler, a.w., blz. 11-14).
Het artikel over het apostolaat voorop te laten gaan, wil echter volstrekt niet zeggen, dat het apostolaat in rangorde hoger, dus superieur zou zijn aan het confessionele „gehalte” in de orde der Kerk 1.
Om principiële en om praktische redenen, gelet ook op de ontwikkelingsgeschiedenis van ons kerkrecht en van de oude nationaal-Gereformeerde Kerk in Nederland, moet thans wel nadrukkelijk K. VIII met zijn grondbestek voor het apostolaat anterieur worden verklaard aan K. X (over het belijden der Kerk). Men leze hierover ook de belangwekkende discussies in de Synode van 1948 (Handel., 1948, blz. 87-101).

Over de confessioneel bepaalde inzet van K. VIII sprak ik reeds uitvoeriger in § 1 van dit „Beschrijvend Gedeelte”. De Kerk staat „als Christus-belijdende geloofsgemeenschap” met een bepaalde waarheid over een bepaalde God, nl. de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, in deze wereld, tot Zijn dienst in de wereld bereid. Ik leg er met Van Ruler graag volle nadruk op, dat in de kerkorde niet staat, dat onze Kerk de dienst van haar apostolische opdracht te vervullen heeft aan de wereld, doch in de wereld. En dit laatste wil zeggen, dat de Kerk met haar apostolisch Evangelie primair in de dienst van God en Zijn Rijk staat. D.w.z. dat de Kerk in haar apostolische functie zich tot geen prijs verlopen mag in moraliserende casuïstiek of ethisch-idealistische wetsprediking, maar dat zij primair te worstelen heeft om in de wereld de heiliging van de Naam van de


1 Men vergelijke hierbij: Dr P.A. van Stempvoort, Eenheid en Schisma in de gemeente van Korinthe volgens I Korinthiërs, Nijkerk, 1950, Hfdst. 2 en 3, vooral blz. 193-214.

|204|

God der aartsvaders en de Vader van onze Heer Jezus Christus te proclameren. In de omschrijving van de apostolische opdracht der Kerk, die in K. VIII-1 bij de tweede lezing een plaats gekregen heeft op voorstel van het curatorium van „Kerk en wereld” (Rapporten, blz. 18), blijft gelukkig het „getuigenis” der Kerk bij de uitoefening van de apostolische functie fundamenteel. En de Evangelische inhoud van dit getuigenis blijft confessioneel bepaald door het stellen van „geboden” na „beloften”; anders gezegd dus: Evangelie vóór wet.

Het „gesprek met Israël” als de omschrijving van de eerste concretisering van de apostolische functie der Kerk (K. VIII-2) kan voorts op geen enkele manier goed op gang komen, wanneer de belijdende binnenkant van dit leven der Kerk niet van ogenblik tot ogenblik zijn beweegkracht laat voelen. Bij dit gesprek zal de Bijbel moeten open liggen „als de bron der prediking en enige regel des geloofs” (K. X-1). Het gehalte van de confessionele bepaaldheid, waartoe de volstrekte onderworpenheid aan de Heilige Schrift als het profetisch-apostolisch getuigenis betreffende Jezus de Christus vanzelf moet leiden, mag geen ogenblik buiten geding blijven, zal men enige hoop op een vruchtbaar resultaat van het gesprek met Israël kunnen voeden.

De artikelen 2 en 3 van ordinantie 4 geven aan deze zelfde grondgedachten over het apostolaat onder het volk Israël enige nadere uitwerking. Ook hier moeten de eerste en laatste ernst, waarmede „het onderzoek van de Heilige Schrift” vooropgesteld is, treffen. En evenzeer valt de nadruk op, waarmede in dit verband de bijzondere scholing en opleiding van predikanten en evangelisten, die onder Israël in het Evangelie zullen hebben te werken, beklemtoond wordt.

De tweede concretisering van de apostolische opdracht der Kerk, zowel volgens de structuur van K. VIII als die van ordinantie 4, is het werk der zending. Ook hier onthult zich het confessionele gehalte van deze apostolische opdracht van meet af weer heel duidelijk door de woorden „in gehoorzaamheid aan het bevel van Christus” (K. VIII-3). Christus is de enige Heer voor zijn gemeente. En waar deze clausule uit K. VIII-3 onmiskenbaar zinspeelt op het woord

|205|

uit Mattheüs 28: 19 en 20 1, worden wij ook bij de kerkordelijke omschrijving van deze zendingsopdracht van de aanvang af weer aan de confessionele bepaaldheid van de roeping der Kerk om zending te drijven, herinnerd. Het is de „Christus der Schriften”, die de grote Zender is en uitdrijft tot de verkondiging van het Evangelie des Koninkrijks in heel de wereld.

Maar het zendingsbevel van Matth. 28: 19 en 20 is tegelijk doopbevel. En daarom komen de sacramenten ook spoedig binnen de gezichtseinder van de apostolische visie op het leven en werken der Kerk. De apostolaire zendingsactie bedoelt gemeenten en kerken te „planten” (O. 4-11-2), die als zodanig sacramentsgemeenschappen zijn en zodra mogelijk ook tot zelfstandigheid willen gebracht worden. Het lijdt wel geen twijfel, of de sacramentsgemeenschappen van de jonge kerken op het zendingsveld demonstreren ook weer de ergerlijke bepaaldheid van de heilsboodschap, welke in de zendingsarbeid werd uitgedragen 2. De beide sacramenten zijn tekenen en zegelen van een verborgenheid, die groot is (1 Tim. 3: 16), nl. die van een God, Die geopenbaard is in het vlees, en Die door zijn kruis en zijn opstanding de verzoening en de levendmaking voor hen, die weten niets buiten Christus te hebben, verwierf.

O. 4 werkt in de artikelen 5-18 deze apostolische taak der Kerk in de zending dan verder uit in dezelfde stijl van zich-gedreven-weten door de verborgenheden van de binnenkant van alle leven in de Kerk van Christus, nl. de belijdenis van het „één Heer, één geloof, één Doop” .... Naar de binnenkant van dat leven der Kerk wordt dadelijk al heengewezen, wanneer de gemeenten en haar kerkeraden worden aangeduid als die lichamen, waarop de roeping tot het apostolaat ten aanzien van de niet gekerstende wereld rust. En nog duidelijker doet zich die binnenkant gelden, wanneer dan verder in die kerkeraden speciaal het consistorie wordt aangemerkt als het kerkelijk lichaam, waarbij „het initiatief, de voortdurende zorg en de verantwoordelijkheid voor de


1 In het Nunspeetse ontwerp-Kerkorde van 1947 stond de tekstaanduiding er nog bij.
2 Men vergelijke hierbij: Dr J.H. Enklaar, De scheiding der Sacramenten op het zendingsveld, Amsterdam, 1947.

|206|

zendingsarbeid der gemeente berusten” (O. 4-5-1 en 2). Trilt in dat handelen van het consistorie — met zijn verantwoordelijkheden voor de dienst des Woords, voor de catechese en voor het belijdende gehalte in de toetreding tot een viering van de sacramenten — niet noodwendig de confessionele drijfkracht in de vervulling der zendingsopdracht heel sterk mede door?

Het confessionele gehalte van de zendingsopdracht schemert evenzeer door, wanneer o.a. aan de raad voor de zending opgedragen wordt om in het bijzonder ook te denken aan „het verruimen in de gemeenten van het inzicht in de zendingsvragen” (O. 4-8-2); en even stellig wanneer van de zendende Kerk gevraagd wordt, dat zij zodra mogelijk zal overgaan tot de vorming van gemeenten, met het doel zó te komen tot het „planten van geheel zelfstandige Kerken” (O. 4-11-1 en 2).

In de artikelen 13, 14 en 15 van ordinantie 4 treft ons weer de zorg, waarmede over de onderrichting en vorming van de verschillende groepen van zendingsarbeiders gesproken wordt, om hen zodoende op de juiste wijze voor te bereiden op hun toekomstige taak.

Zelfs de financiën van de zending (O. 4-17 en 18) zijn geen uitwendige zaak, waar de binnenkant van het belijdende leven der Kerk buiten staat; de consistories moeten ook hier krachten losmaken.

Het derde hoofdstuk van het apostolaat der Kerk is de arbeid ter kerstening. Van drie taken op dit terrein spreekt K. VIII-4. De eerste is de verbreiding van het Evangelie onder hen, die van dat Evangelie zijn vervreemd. Hier ligt het arbeidsveld, dat men in de 19e eeuw zo gaarne het terrein der inwendige zending noemde; het terrein, waar de Kerk, of de gelovigen, handelden uit een onlesbare „soif des âmes”. De tweede is de verbreiding van het Evangelie in het publieke leven, zó dat men daarbij voortdurend weet te staan in de strijd „voor het reformatorisch karakter van staat en volk”.

De derde taak bij deze kersteningsarbeid is gelegen in het kerkelijk appèl op overheid en volk, om het leven naar Gods beloften en geboden te richten.

De vervulling van deze drie taken blijft onbegonnen werk,

|207|

wanneer het confessionele gehalte zich niet zou doen gelden in deze apostolaire opdracht met haar eindperspectief: de kerstening van de gehele samenleving, waarop het ganse openbare leven naar Gods beloften en geboden is gericht. Wie kan waarlijk bezig zijn met arbeid aan de zielen, wanneer een daadkrachtige belijdenis niet het doel laat oplichten van de waarachtige en welbewuste gemeenschap met Christus en zijn Kerk? En wie kan strijden voor het reformatorisch karakter van staat en volk, wanneer niet de diepe accoorden van het reformatorisch belijden van de rechtvaardigmaking door geloof alleen doorlopend medeklinken bij dit werken in het apostolaat?

En meent ge, dat een Kerk zich waarlijk apostolair zal kunnen wenden tot overheid en volk, als niet de confessie der geloofswaarheid in Art. XXXVI der Ned. Geloofsbelijdenis, hoezeer ook in 16e-eeuwse bewoordingen gevat, in haar actualiteit begon óp te lichten voor de Hervormde Kerk van heden?

In O. 4, Hfdst. III, De arbeid ter kerstening (Artt. 19-35) worden deze drie taken uitvoerig en geheel in dezelfde stijl verder uitgewerkt. Wij zouden bovendien in ordinantie 5, over het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school, een uitwerking kunnen zien, voor een groot gedeelte althans, van wat K. VIII over het apostolaat der Kerk in haar arbeid ter kerstening heel kort onder woorden brengt.
Het behoeft ons bij de formulering van K. VIII-4 niet te bevreemden, dat hier minder duidelijk dan bij de arbeid der zending het initiatief begint „van onder op”.
Van een initiatief der „consistories” is in deze apostolaire kersteningsarbeid der Kerk weinig sprake 1. De synodale organen van bijstand (de raden) zijn nog al rijkelijk in het geding in O. 4-19 tot 3 5 en O. 5. En daarmede is ook gezegd, dat bij deze kersteningsarbeid de lijn „van boven naar beneden” in de apostolische arbeidsvormen der Kerk nogal domineert. O. 4-19-2 beperkt b.v. de vrijheid der mindere vergaderingen om zich zonder meer met een openlijk getuigenis tot overheid of volk te wenden. En dat moet wel, omdat de generale synode met haar raden ten slotte het lichaam is, dat de achtergronden ener bepaalde situatie het best overzien en beoordelen kan.
Toch is niettemin het confessionele gehalte van deze apostolische taken van evangelistiek en kerstening van cultuur en samenleving ook in de tweede helft van O. 4 en in O. 5 wel degelijk speurbaar in zijn bewegende kracht.


1 Wel in O. 4-23-4, waar het over het typische werk der „inwendige zending” gaat.

|208|

Ik wijs op enkele punten. De raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie heeft ingevolge O. 4-24-1 als allereerste opdracht: de beginselen uit te dragen, die aan deze arbeid ten grondslag moeten liggen. En deze beginselen zijn meer dan de kwesties over „aanknopingspunt” en „approach”!
Verder is ook hier de zorg der Kerk voor de doeltreffende opleiding van predikant-evangelisten, evangelisten, jeugdwerkleiders en leerkrachten voor het bijbelonderwijs op de scholen zó nadrukkelijk en zó breed uitgewerkt, dat hier uiteraard een systematische onderrichting in de confessionele diepten van het essentiële van het Evangelie en de dogmatische achtergronden van alle kersteningsvragen niet kan worden gemist. Men vergelijke maar eens de eisen voor de Testimonia I en II in de artikelen 7 en 8 van O. 5 voor leerkrachten voor het bijbelonderwijs op de scholen. Zowel voor Testimonium I als Testimonium II wordt kennis van de belijdenisgeschriften en formulieren der Kerk gevraagd, en voor Testimonium II bovendien nog afzonderlijk: kennis van dogmatiek en ethiek (dogmatiek gelukkig zelfs voorop!).

Hebben wij tot dusver het apostolaat der Kerk in zijn confessionele diepte (naar zijn binnenkant) gepeild, dan rest ons nu nog een toelichting van het omgekeerde: de drang tot apostolische vormgeving in het belijden der Kerk iets nauwkeuriger te meten aan de formuleringen in K. X, en in verschillende ordinanties, die nauw met dit belijden der Kerk in relatie brengen.

Daarbij is er wel aanleiding om allereerst bijzondere aandacht te vragen voor het feit, dat in K. X tot driemaal toe de belijdende functie der Kerk ondergeschikt gesteld wordt aan de enige regulerende laatste norm: de H. Schrift, of het Woord Gods. In K. X-1 wordt de H. Schrift als enige regel des geloofs genoemd; in K X-5 en 7 het Woord Gods. H. Schrift en Woord Gods worden daarbij als synoniemen gebruikt, maar dat er tweemaal van „Woord Gods” en éénmaal van „H. Schrift” als laatste norm voor de geloofswaarheid gesproken wordt, onderstreept toch terecht, dat er met de gegevenheid van het „boek der boeken" iets gebeuren moet in de bedeling des Geestes, tegelijk die der Kerk, voordat een mens, of beter een mensengemeenschap, deze laatste en enige regel des geloofs hanteren kan. En wat er dan eerst met de H. Schrift gebeuren moet, vóór zij in de hoogspanningsstroom van de zelf-evidentie van Gods volstrekt gezaghebbend Woord komt, schemert wel duidelijk door in K. X-1, als daar vóór het norm-zijn der H. Schrift geponeerd

|209|

wordt, dat diezelfde H. Schrift „de bron der prediking” is. Daarmede wordt de regel van alle waar en zuiver kerkelijk belijden: het geschreven èn verkondigde Woord Gods in énen. Maar dat wil ook zeggen, dat de belijdende functie der Kerk in de allerinnigste „verstrengeling” met de levende verkondiging des Woords, die altijd apostolair is, zal moeten blijven. Die altijd apostolair is, ja, want de prediking der heilsboodschap kan niet anders dan poorten openstoten naar de wereld, die zonder Christus is. En deze prediking reguleert mede de ganse confessionele functie der Kerk.

Ik wijs op nog een tweede punt, dat doet gevoelen, hoezeer aan de belijdende functie de drang tot apostolische vormgeving inhaerent is. In K. X-3 worden o.a. de getuigenissen, kanselboodschappen en herderlijke brieven genoemd als gestalten, die het actuele belijden der Kerk „in haar verantwoordelijkheid voor het heden en levende in de uit de Schrift geputte belijdenis der vaderen” aannemen kan. En nu ligt de zware tijd van onderdrukking en verzet in de laatste oorlogsjaren nog te kort achter ons dan dat wij ons niet met dankbaarheid zouden herinneren, hoe apostolisch geladen de synodale getuigenissen, kanselboodschappen en herderlijke brieven toen menigmaal bij verrassing waren, en hoe deze synodale stukken tegelijkertijd de belijdende functie in werking brachten, hoewel de algemene synode dier dagen theoretisch volstrekt incompetent om te belijden heette.

En hierbij voeg ik nog een derde opmerking, die m.i. de vervlochtenheid van de confessionele functie der Kerk met de apostolische pelgrimstocht der gelovigen door deze wereld kan illustreren. Ik zinspeel nu op de veelbesproken clausule uit K. X-4, welke het gehouden-zijn van de gehele Kerk in al haar geledingen „zich te bewegen in deze weg van het belijden der Kerk” onder woorden brengt. Hier wordt de Christus-belijdende geloofsgemeenschap, welke onze Nederl. Hervormde Kerk wil zijn, duidelijk vergeleken met een leger op mars. En dat „op mars” wil zeggen: zich voluit bewust van haar apostolische verantwoordelijkheid voortschrijdend in de wereld. De betrokken weg is duidelijk begrensd en afgepaald, zodat van dit leger niet kan gezegd worden, dat het onzeker is over de richting, waarin voortgeschreden moet worden. De oecumenische symbolen en

|210|

Gereformeerde belijdenisgeschriften van K. X-2 zijn echter geen schuttingen, waardoor de geloofsgemeenschap der Kerk aan alle zijden ingesloten wordt, en dus ook roerloos moet blijven zitten op de plaats, waar zij zich beveiligd weet. Symbolen en belijdenisgeschriften zijn grenspalen langs de weg, waarlangs de gemeente van Christus voortschrijden moet om „de krijgsbanier tot in Gods handen te dragen”.

En nu meen ik, dat over het belijden der Kerk in deze zelfde toonaard geschreven wordt in verscheidene ordinanties.
De inkleding van de vragen, die aan dienaren des Woords, aan functionarissen in verschillende bedieningen, en ook aan kerkelijke hoogleraren vóór hun ambtsaanvaarding, gedaan moeten worden opdat het opzicht der Kerk over het belijden inderdaad effectief worde, wijst er op, hoezeer ook hier alles aankomt op dat binnen de grenzen van de afgepaalde en duidelijk uitgezette weg van het belijden der Kerk blijven, maar dan tegelijk dynamisch in beweging, voortschrijdend op deze weg.
De proponentsformule is te vinden in O. 7-18-3; de vragen voor de functionarissen in bedieningen in O. 4-3-3; terwijl de binding aan de weg van het belijden der Kerk voor a.s. kerkelijke hoogleraren geformuleerd werd in O. 7-3-6.
Verder is de wijze, waarop de raad voor de zaken van Kerk en theologie ingeschakeld is in de nieuwe orde der Kerk, een klaar bewijs voor de apostolische tendenties, die de Kerk bij haar theologische arbeid voor ogen wil houden. Men lette eens op twee der onmiddellijk na elkander opgesomde taken van deze raad: „theologisch werkzaam te zijn in de geestelijke strijd der Kerk tegen de machten van ongeloof en bijgeloof; mede te werken aan de opbouw der Kerk in haar belijden” (O. 7-19-3). Dat juist deze raad sterk betrokken zal zijn in de complicaties, die het kerkelijk opzicht over de dienst des Woords en de catechese (O. 11-15-5, O. 11-16-3 en O. 11-20-1 en 2) bij hun werken ontmoeten kan, moge ons een waarborg zijn voor de apostolische openheid, waarmede onze Kerk wil, dat in de toekomst leertuchtkwesties zullen worden behandeld.
Hoofdstuk V van O. 11 ten slotte, over Gravamina, dat duidelijk een uitwerking is van K. X-7, is ook in zulk een vorm onder woorden gebracht, dat hier — ondanks strenge zifting der ingediende bezwaren tegen het belijden, — toch ook het uitzicht op een mogelijke uitbouw en verrijking van de belijdenis der Kerk vrij blijft. Wel heeft de Kerk zich niet kunnen verenigen met de visie van Prof. van Ruler, die zelfs aan „ieder, die op de een of andere manier tot de Hervormde Kerk behoort” de vrijheid wilde geven om gravamina in te dienen (Handel,. 1949, blz. 455).
Nu ging dit m.i. ook te ver, omdat toch alleen belijdende leden (= lidmaten) der Kerk kerkelijk „mondig” zijn te achten en mitsdien in staat om bezwaren tegen de gecodificeerde „belijdenis” uit te spreken. Hier

|211|

te argumenteren met de wijdheid van de waarheid Gods, waarover ieder, die op enigerlei wijze tot de Hervormde Kerk behoort, moet kunnen „nadenken” op een „zo breed mogelijk vlak”, gaat niet aan, omdat hier veel dodelijker ernst dan die van het „nadenken over de waarheid Gods” in het geding is. In ieder geval blijkt uit zulke synodale discussies bij het hoofdstuk over de gravamina toch wel, dat de verstrengeling van de belijdende met de apostolische functie zich hier kennelijk en bewust demonstreerde.

Zullen wij na deze peiling van de huidige orde der Kerk op het stuk van de verhouding tussen de apostolische en de belijdende functie der Kerk nog de moed hebben, om er over te klagen, dat er onder de ordinanties der Kerk geen afzonderlijke ordinantie over het belijden te vinden is? Bleek ons de gehele ordinantie 4 en de gehele ordinantie 5 per slot niet een regeling van het belijden der Kerk, die met haar Evangelieprediking jong en oud in de wereld dienen wil? Moge mijn poging om in deze paragraaf synthetisch een fundamentele verzoening tussen de mannen der apostolische bewogenheid en de mannen der confessionele zuiverheid dichter bij te brengen, niet geheel vruchteloos blijven! Als beide groepen maar eens beginnen wilden voor gevaarlijke dwaalbegrippen in hun eigen kring oog te krijgen: enerzijds de dwaling ener geïsoleerde apostolische dadendrang, en anderzijds de even ernstige dwaling van een statische verknochtheid aan de klassieke vruchten van het belijden der Kerk!

Haitjema, Th.L. (1951) II.8

§ 8. Opleiding en vorming tot de dienst des Woords.

 

Meer dan van enige andere der twintig ordinanties bij de Kerkorde van 1950 geldt van ordinantie 7 „voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk”, dat daarin goeddeels in oude stijl herschreven moest worden, wat voorheen reeds over deze voor de Kerk zo belangrijke materie in de reglementen onzer Kerk geschreven stond. Behalve de laatste twee artikelen over de „raad voor de zaken van Kerk en theologie”, welke geheel op de nieuwe uitzichten van een gereorganiseerde Hervormde Kerk zijn ingesteld, is eigenlijk de gehele ordinantie 7 een samenvlechting van de hoofdinhoud

|212|

van het vroegere synodale Reglement voor het hoger onderwijs en het Reglement op het examen gebleven. Laatstgenoemd reglement ontstond in hoofdtrekken reeds op de eerste Algemene Synode onder de kerkorde van koning Willem I in de zomer van 1816. Het Reglement voor het hoger onderwijs moest worden geconcipieerd en ingevoerd nadat de nieuwe „Hoger onderwijs”-wet van het Rijk in 1876 in werking getreden was.

Men kan in de artikelen 1 tot en met 18 van O. 7 schier onophoudelijk bemerken, dat bepaalde formuleringen moesten worden gekozen vanwege de restricties, waaronder het kerkelijk hoger onderwijs voorlopig nog zal moeten blijven staan op straffe van zijn goede verstandhouding en zijn harmonieuze samenwerking met het Rijk en de burgerlijke gemeente Amsterdam met hun theologische faculteiten te verbeuren.

Bij de behandeling van O. 7 van het Nunspeetse ontwerp in eerste aanleg is b.v. duidelijk genoeg gebleken, dat onze Kerk niet zonder meer poneren mag in de huidige situatie van haar samenwerking met het theologisch hoger onderwijs van Rijkswege, dat zij het getal der kerkelijke hoogleraren bepaalt. Het begrip „kerkelijk hoogleraar” is een door de Rijkswet op het Hoger onderwijs geijkt begrip geworden sinds 1876; met een bepaalde status en nadrukkelijk onderscheiden van „gewone” èn van „bijzondere” hoogleraren. Prof. van Ruler leidde ter Synode van 1949 hieruit af, dat de kerkelijke hoogleraren niet uitsluitend uit het initiatief van de Kerk kunnen geboren worden (Handel., 1949, blz. 78-79). Natuurlijk zou men in de kerkelijke wetgeving het volle recht der Kerk kunnen stipuleren om naast deze „kerkelijke hoogleraren” nog andere „hoogleraren der Kerk” geheel voor rekening van de Kerk aan te stellen, maar men zou er wel op bedacht moeten zijn, dat dan misverstanden met het Rijk en de curatoria der Universiteiten toch heel gemakkelijk zouden kunnen ontstaan en bovendien de universitaire positie van zulke hoogleraren der Kerk wel uitermate wankel zou moeten heten.

Een zeer typisch voorbeeld van een ordinantie-bepaling in oude stijl is b.v. ook O. 7-3-16, waar aan de kerkelijke hoogleraren jaarwedde en pensioenrechten worden verzekerd tot een zelfde bedrag als zijn of

|213|

zullen worden toegekend aan de rijkshoogleraren, terwijl voor de verplichting tot aftreding na volbrachte diensttijd gelijke bepalingen gelden als voor rijkshoogleraren. Deze bepaling is in hoofdzaak overgenomen uit het Reglement op het hoger onderwijs, Art. 15.
Een herziening van de Rijkswet op het H.O. van 1876 is momenteel nog steeds aan de orde; op grond van een zeer uitvoerig rapport van een Staatscommissie, ingesteld in 1946. Ook twee der kerkelijke hoogleraren hadden in deze Staatscommissie zitting gehad, evenals de secretaris der synode, Dr E. Emmen.
De synode van haar kant had reeds gedurende de oorlogsjaren een commissie ingesteld, die o.a. tot taak had om de vragen rondom de opleiding van de dienaren des Woords aan de Universiteiten in het oog te vatten. De Generale Synode van October 1946 verwierp verschillende voorstellen dezer commissie (Sectie B), o.a. het voorstel van een verplicht doctoraal examen voor alle theologen. De gedachte van een afsluitende seminarie-periode werd aanvaard in Febr. 1947. Zie Handel., 1945-1946, blz. 559-642; Handel., 1947, blz. 109-122.

Intussen kan men van het XlVe artikel van de Kerkorde gerust zeggen, dat de generale synode onder de Werkorde van 1945 bij de vervulling van haar eerste hoofdtaak ingevolge Add. Art. I van het Algemeen Reglement haar principiële visie op het kerkelijk hoger onderwijs onbelemmerd daarin heeft kunnen tot uitdrukking brengen. Daarom is er wel aanleiding, de zes korte alinea’s van K. XIV tot ons uitgangspunt te maken bij de nadere uitwerking van de hoofdinhoud van ordinantie 7.

 

1. De zorg voor de opleiding en vorming van de dienaren des Woords berust bij de generale synode.

Deze zorg wordt in O. 7 wel duidelijk onderstreept, wanneer de benoeming en het ontslag van de kerkelijke hoogleraren en andere docenten vanwege de Nederl. Hervormde Kerk aan de daarvoor aangewezen Nederlandse Universiteiten (O. 7-3-1 en 3 en 7) en ook van rector en docenten van het theologisch seminarie (O. 7-13-1) aan de generale synode voorbehouden blijven. Ook bepaalt alleen de generale synode, welke inrichtingen voor theologisch hoger onderwijs in het buitenland gelijk gesteld kunnen worden met de standing, wat de theologische studie betreft, van de Nederlandse Universiteiten (O. 7-9-1). En het breed moderamen der generale synode mag alleen definitief een oordeel vellen over de vraag, of aan een lidmaat der Kerk „singuliere gaven” zijn geschonken voor het ambt van dienaar des

|214|

Woords (O. 7-17-1). Niettemin zal het aan een ieder wel duidelijk zijn, dat de generale synode „bij haar voortdurende zorg voor de opleiding en vorming van de dienaren des Woords” een lichaam van deskundig prestige en gezag nodig heeft om haar in de vervulling van deze taak bijstand te verlenen. Vóór 1 Mei 1951 was het de Algemene Synodale Commissie, die deze bijstand aan de synode gaf 1.

Meermalen werd in onze Kerk echter wel gevoeld, dat er voor het kerkelijk hoger onderwijs toch eigenlijk ook een soort „curatorium” komen moest, dat in het bijzonder de onderwijsbelangen toegewezen zou krijgen, en dat, naar vooral in de laatste periode vóór 1950 heel sterk vaak bepleit werd, ook het recht zou krijgen om de voordrachten (drietallen) voor een vacature van kerkelijk hoogleraar op te maken, gelijk dat voorheen door een „Commissie van Voordracht”, waarin ieder Provinciaal Kerkbestuur één lid-afgevaardigde benoemen kon (zie oud Reglement op het hoger onderwijs, Art. 7), placht te geschieden.

Met de invoering van de nieuwe kerkorde heeft onze Kerk dit „curatorium” voor het kerkelijk hoger onderwijs gekregen in de commissie voor het theologisch hoger onderwijs, die inderdaad de taak ontving: „in naam van en in verantwoordelijkheid aan de generale synode, de belangen te verzorgen van de opleiding en vorming van de dienaren des Woords, voor zover zulks niet behoort tot de opdracht der hoogleraren of van de rector van het seminarium” (O. 7-2-5).

Het is een commissie van zeven leden, door de synode uit de lidmaten der Kerk te benoemen. Ten hoogste vier der leden mogen maar (dienstdoend) predikant zijn, ten minste twee der leden moeten synodelid zijn. Uiteraard kunnen de kerkelijke hoogleraren en de rector van het seminarium geen lid dezer commissie zijn. De commissie kiest zichzelf een voorzitter, een vice-voorzitter en een secretaris (O. 7-2-2 tot 4).
Voorzitter is thans Prof. Dr H. de Vos te Groningen; secretaris Dr G.J. Streeder, pred. te ’s Gravenhage.
Ook de voorstellen tot verlening van theol. studiebeurzen uit het synodaal Studiefonds gaan van deze commissie uit (O. 7-2-6).
Ook de leiding van het seminarium en van eventuele, nog nader op te richten, instituten berust bij deze commissie.


1 Vóór 1945 ingevolge Algemeen Reglement, Art. 70, ten 7e; onder de Werkorde ingevolge Invoeringsbepalingen 10 en 16 bij de Add. Artt.

|215|

Jaarlijks vóór 1 October zal deze commissie aan de generale synode verslag hebben uit te brengen over de opleiding en vorming van de dienaren des Woords (O. 7-2-8). Zij maakt daarbij gebruik van gegevens, die haar door de kerkelijke hoogleraren en de rector van het seminarium aan het eind van een studiecursus verstrekt worden. Daarin schuilt natuurlijk de vooronderstelling, dat de kerkelijke hoogleraren hun jaarlijks verslag ieder jaar bij de commissie zullen hebben in te zenden, gelijk zij dat vroeger deden (ingevolge Art. 19 van het Reglement op het hoger onderwijs) bij de Algemene Synode, c.q. Algemene Synodale Commissie.

Overeenkomstig O. 7-3-2 zal de commissie voor het theologisch hoger onderwijs voortaan ook als „Commissie van voordracht” hebben te fungeren; ingeval van een vacature van kerkelijk hoogleraar door een drietal op te maken (dat echter de synode niet meer bindt op de manier waarop dat vroeger het drietal van de „Commissie van voordracht” wel deed!); bij een vacature van rector of docent aan het seminarium heeft de commissie alleen een „aanbeveling” in te zenden (O. 7-13-1).

De commissie voor het theologisch hoger onderwijs treft voorts ook regelingen voor de vorming van theologen, die in het buitenland opgeleid zijn (O. 7-9-2), stelt zo nodig de vereisten vast voor een bijzonder „kerkelijk examen”, waaraan degenen, die bij een andere Kerk in de evangeliebediening zijn werkzaam geweest (O. 7-10-1) zich zullen hebben te onderwerpen, en kan ook in overleg met de „raad voor de zending” bepalen, dat de vorming tot zendingspredikant aan een daarvoor aangewezen instituut of seminarium zal plaatsvinden (O. 7-11-2).

 

2. Zij [d.i. de aanstaande dienaren des Woords] ontvangen hun opleiding en vorming hij de theologische faculteit van de daarvoor door de Kerk aangewezen universiteiten (K. XIV-2).

Een uiterst belangrijk beginsel spreekt de Kerk met deze voorkeur voor de universitaire opleiding harer predikanten uit. Wij denken daarbij natuurlijk terug aan wat in § 5 (Ambten en bedieningen) gezegd werd over de kennis der grondtalen en de daarmede verbonden culturele achtergrond

|216|

en „Umwelt”. Dat „een andere weg tot het predikambt” (K. XIV-4) alleen in zeer „singuliere” gevallen mag geopend worden, blijve dan ook vaststaan.

De docenten in het universitaire kader, die zich geheel te wijden hebben aan de opleiding en vorming van de dienaren des Woords, zijn de kerkelijke hoogleraren. Naast hen kunnen er ook docenten vanwege de Nederl. Hervormde Kerk worden benoemd door de generale synode, die slechts voor een deel van hun tijd zich aan een bepaald onderdeel van de opleiding en vorming wijden, en ook krachtens een kerkelijke leeropdracht kunnen werkzaam zijn aan meer dan één Universiteit (O. 7-3-3 en 8). De mogelijkheid is daarbij niet uitgesloten, dat ook een rijks- of gemeentelijk hoogleraar door de synode uitgenodigd wordt een opdracht te aanvaarden in een of meer der vakken, die vanwege de Kerk moeten worden gedoceerd (O. 7-3-7). Hierbij valt b.v. te denken aan de vakken bijbelse theologie, christelijke ethiek en vaderlandse kerkgeschiedenis, waarvoor mogelijk een der gewone hoogleraren ener aangewezen theologische faculteit met goedvinden van de betrokken kerkelijke hoogleraar een leeropdracht zou kunnen ontvangen.

De kerkelijke hoogleraren, die dus eerst na de Rijks-Hoger-Onderwijswet van 1876, gelijk ik reeds zeide, aan de drie Rijksuniversiteiten zijn opgetreden, zijn wettelijk leden der theologische faculteit, adviserend lid van de Acad. Senaat, terwijl zij bij het doctoraal examen in de godgeleerdheid kunnen examineren, als een der door de candidaat gekozen bijvakken een der kerkelijke vakken is. De theologische sectie van de Staatscommissie voor de reorganisatie van hoger onderwijs (Sectie J) heeft verruiming van deze mogelijkheid tot examineren voorgesteld (c.q. ook zó, dat nader aan te wijzen kerkelijke vakken hoofdvak voor het doctoraal examen kunnen zijn). Het promotie-recht had de kerkelijke hoogleraar reeds overeenkomstig het Acad. Statuut van 1921.
In afwijking van het vroegere synodale Reglement op het hoger onderwijs wordt in O. 7-3-4 de benoembaarheid tot kerkelijk hoogleraar beperkt tot hen, die tenminste vijf jaren als dienaar des Woords de Nederl. Hervormde Kerk hebben gediend.
De gezamenlijke kerkelijke hoogleraren komen onder leiding van de in diensttijd oudste aanwezige hoogleraar naar behoefte in vergadering bijeen (O. 7-3-12).
Verdere detailbepalingen, goeddeels ontleend aan het vroegere Reglement op het hoger onderwijs, zijn over deze materie te vinden in Ord. 7, Art. 3.

|217|

De door de kerkelijke hoogleraren te doceren vakken zijn vrijwel dezelfde gebleven, die vóór de nieuwe kerkorde tot hun leeropdracht behoorden. Alleen de betiteling van sommige vakken is een andere geworden. I.p.v. van „de geschiedenis der Nederl. Hervormde Kerk en harer leerstellingen” wordt nu gesproken van „geschiedenis van de Nederl. Hervormde Kerk en van haar symbolische en liturgische geschriften”; i.p.v. „de zending, zowel de inwendige als de uitwendige”, heet het nu: „wezen en geschiedenis van het apostolaat”, en zo nog enkele kleinere veranderingen meer (Vgl. Art. 2 van het vroegere Reglement op het hoger onderwijs met O. 7-3-9).

Van de zeven kerkelijke vakken, in O. 7-3-9 genoemd, werden er vroeger op het z.g. „kerkelijk voorbereidend examen” vijf geëxamineerd, terwijl praktische theologie en Nederl. Hervormd kerkrecht alleen testimonium-vakken waren.
Ook dat is nu zó veranderd, dat er thans reeds drie op het „kerkelijk examen” (hetzelfde examen dus als het vroegere „kerkelijk voorbereidend examen”) zullen worden geëxamineerd, terwijl de overblijvende vier vakken tentamen-vakken zullen zijn, waarin een z.g. „afdoend” tentamen moet worden afgelegd.
Aan alle Universiteiten zijn voorlopig bijbelse theologie, dogmatiek en geschiedenis van de Nederl. Hervormde Kerk examenvakken. In de toekomst kunnen in deze regeling wijzigingen worden aangebracht, voor elke Universiteit afzonderlijk, na overleg met het college van kerkelijke hoogleraren, door de commissie voor het theologisch hoger onderwijs (O. 7-8-4).
Voor verdere bijzonderheden over dit „kerkelijk examen” raadplege men geheel artikel 8 van ordinantie 7.

De Universiteiten, die momenteel aangewezen zijn door de synode voor de opleiding en vorming van de Hervormde theologen, zijn de Rijksuniversiteiten te Leiden, Groningen en Utrecht, en de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam (O. 7-1 -1). Aan de drie Rijksuniversiteiten is deze Hervormde opleiding tot de dienst des Woords ondergebracht geweest van 1876 af zonder onderbreking; aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam heeft de instelling van het Hervormd-kerkelijk professoraat bestaan van 1881-1893, en is daarna afgeschaft tot na de tweede wereldoorlog. In 1946 werd door een nieuwe overeenkomst tussen het Gemeentebestuur van Amsterdam en de generale synode

|218|

het kerkelijk professoraat weer hersteld, doch met een enigszins andere benoemingsprocedure.

 

De theologische studenten, die begeren te worden opgeleid voor de dienst des Woords in de Nederl. Hervormde Kerk, moeten allen worden ingeschreven in het album der Kerk, zoals dat bij iedere Universiteit onder beheer is van een der beide kerkelijke hoogleraren. Deze inschrijving moet aan het begin van iedere nieuwe academische cursus worden hernieuwd.

Het inschrijvingsgeld voor het kerkelijk album behoeft niet meer dan viermaal te worden betaald (O. 7-4-1).
Het bedraagt momenteel ƒ 50 per jaar. Bovendien is voor het „kerkelijk examen” examengeld verschuldigd, dat op het ogenblik ƒ 40 bedraagt, waarvoor men slechts éénmaal examen kan doen. Veranderingen in deze bedragen kunnen door de commissie voor het theologisch hoger onderwijs worden vastgesteld, onder goedkeuring van het breed mode-ramen der synode (O. 7-4-2).
Ook vrouwelijke studenten, die het „kerkelijk examen” begeren af te leggen, worden ingeschreven in het album der Kerk (O. 7-4-3).
Deze inschrijvings- en examengelden worden, evenals andere geregelde inkomsten van overheidswege voor de opleiding van dienaren des Woords, zoals de internaats- en lesgelden van hen, die aan het seminarie deelnemen, enz., gestort in een Kas voor de vorming van de dienaren des Woords.
Onder de geregelde inkomsten dezer kas behoren ook de „renten van ten name der kas belegde gelden en van daarvoor aangewezen generale fondsen der Kerk”.
Twee van zulke fondsen, die er in ieder geval zullen zijn, zijn het Fonds voor het theologisch hoger onderwijs en een Studiefonds. Eerstgenoemd Fonds bevat het gekapitaliseerde bedrag van de inschrijvingsgelden voor de kerkelijke alba na 1876, en moet nu met zijn renten o.a. dienen tot bestrijding van de onkosten, aan het theologisch seminarium verbonden.
De commissie voor het theologisch hoger onderwijs heeft de beslissing over de besteding van de gelden der Kas en der Fondsen, hierboven bedoeld, met dien verstande, dat de generale financiële raad de begroting der commissie heeft goed te keuren (O. 7-6-2 en O. 7-7-3).

Voor alle ingeschrevenen in het kerkelijk album geldt, dat zij onder de bijzondere zorg staan van de kerkelijke hoogleraren en van andere hoogleraren der Universiteit, die daartoe door de Kerk worden uitgenodigd. Ook het betonen van geestelijke zorg aan de ingeschrevenen is hierin mede begrepen (O. 7-1-2 en 3).

|219|

Degenen, die voor de eerste maal ingeschreven zijn, maken binnen drie maanden na die inschrijving persoonlijk kennis met de kerkelijke hoogleraren der Universiteit en onderwerpen zich op verlangen dier hoogleraren aan een onderzoek, betrekking hebbende op de aanvankelijke geschiktheid voor het predikambt of vicariaat (O. 7-5-1).

Deze zeer moeilijke, en toch niet overbodige, aanvankelijke selectieprocedure bij de eerstejaars-theologen is ook met deze nieuwe kerkorde pas voor het eerst ingevoerd.
Bij de toepassing er van zal de uiterste voorzichtigheid moeten worden betracht, doch in het belang der studenten zelf is het toch zeker, dat zij reeds bij het begin van hun theologische studie gewaarschuwd worden, indien de overtuiging der kerkelijke hoogleraren èn die van de commissie voor het theologisch hoger onderwijs overeenstemmen in het oordeel, dat de betrokkenen beter doen niet in de richting van een ambt, waarvoor zij niet geschikt zijn, verder te werken (O. 7-5-3).

 

3. Zij [= de ingeschreven theologische studenten] ontvangen een nadere voorbereiding voor hun ambtelijke bediening aan een seminarium der Kerk (K. XIV-3).

Dit theologisch seminarium der Kerk wordt jaarlijks tweemaal voor een viermaandelijkse periode opengesteld in het Eykmanhuis te Driebergen, waar de studenten allen in een internaat bijeen zijn. Rector van dit seminarie, dat reeds onder de oude kerkelijke wet krachtens wijzigingen in het Reglement op het hoger onderwijs in werking begon te komen op 1 Maart 1950, is Dr H. Berkhof. Ook voor vrouwelijke theologen is het seminarium toegankelijk. Mannelijke theologen zijn verplicht er aan deel te nemen na hun verplichte hulppredikersleertijd van vier maanden en vóór hun colloquium (O. 7-13-2). Studenten, die ouder zijn dan 3 5 jaar, ontvangen op hun verzoek vrijstelling van het seminarie. Het werkplan aan het seminarie wordt onder goedkeuring van de „commissie voor het theologisch hoger onderwijs” zó ingericht, dat vóór alles aandacht zal worden geschonken aan
de praktijk van het gemeentelijk leven,
de pastorale zorg in de gemeente,
het werk onder de jeugd
, en
de arbeid onder hen, die van het Evangelie zijn vervreemd,
dit laatste onder inschakeling van het instituut „Kerk en Wereld” (O. 7-13-3).

 

4. De generale synode kan, in geval van een opleiding elders of singuliere gaven, een andere weg tot het predikambt openen (K. XIV-4).

Doet het geval van opleiding elders zich voor, dan treden de

|220|

artikelen 9 en 10 van ordinantie 7 in werking, en wordt voor iedere betrokkene een regeling getroffen door de „commissie voor het theologisch hoger onderwijs”, en dat wel in overleg met de kerkelijke hoogleraren, opdat b.v. door een bijzonder kerkelijk examen de opleiding en vorming van de betrokkene zó worden aangevuld en voltooid, dat hij op het ambt van dienaar des Woords in de Nederl. Hervormde Kerk doeltreffend voorbereid mag heten (O. 7-10-1).

De „singuliere gaven”, die ook in de Dordtse Kerkorde reeds in het bekende Art. 8 de mogelijkheid openden tot toelating langs een ongewone, niet-universitaire, weg tot het predikambt, komen in O. 7-17 ter sprake. Zoals het reeds door mij aangestipt werd, zullen het wel heel „singuliere” gevallen moeten blijven, waarin dit artikel toepassing kan vinden. En in ieder geval zal de „commissie voor het theologisch hoger onderwijs” hier geval voor geval moeten bezien, en „eisen mogen stellen van ontwikkeling en kennis der theologie” (O. 7-17-1).

Deze clausule sluit m.i. ook in, dat de „commissie voor het theologisch hoger onderwijs” bevoegd is een tijd van studie en voorbereiding van de betrokkene te vragen; een periode, die afgesloten wordt met een examen, b.v. door een commissie uit de kerkelijke hoogleraren af te nemen. Pas na dit examen zal de toelating tot het colloquium mogelijk zijn.

 

5. Degene, wiens opleiding en vorming zijn voltooid, onderwerpt zich aan een onderzoek inzake zijn geschiktheid, bekwaamheid en roeping tot het ambt (K. XIV-5).

De Kerk heeft niet gewild, dat dit onderzoek weer binnen korter of langer tijd het karakter van een examen in min of meer academische stijl zou gaan aannemen, zoals dat met het vroegere proponentsexamen steeds weer het geval geworden is; ook nog na 1919, toen een reeks wijzigingen in het Reglement op het examen de duidelijke tendens had, dit laatste „onderzoek” van de theologische candidaten uitsluitend te laten gericht zijn op „de praktijk der Evangeliebediening” (Art. 21 van bedoeld reglement). In O. 7-16-1 staat daarom zeer nadrukkelijk, dat dit colloquium bedoeld is „als gesprek over het ambt van de dienaar des Woords in het geheel van het leven en werken der Kerk”, en dat de gedelegeerden der provinciale kerkvergaderingen het

|221|

„voornamelijk aan de hand van de door de candidaat ingezonden preek” moeten laten plaatsvinden 1.

Voor dit colloquium „zakt” de betrokkene dan ook niet als voor een examen; wel kan de delegatie, die het gesprek met hem voerde, te kennen geven, dat zij het resultaat niet bevredigend vindt. In dat geval moet de candidaat zelf vragen, dat het gesprek bij een latere gelegenheid voortgezet worde (O. 7-16-2).

Is na zulk een voortzetting van het colloquium de delegatie onverhoopt van oordeel, dat tegen de toelating van betrokkene „onoverkomelijke bezwaren” bestaan, dan wordt hem dit onder opgaaf van redenen mondeling medegedeeld en schriftelijk bevestigd. Tegen dit oordeel van de delegatie kan de candidaat nog in beroep komen bij de generale synode, die ten slotte na raadpleging van de commissie voor het theologisch hoger onderwijs „eindbeslissing geeft” (O. 7-16-3).

Het colloquium wordt driemaal in het jaar afgenomen, nl. in de eerste volle week van Februari, van Juli en van October. De aanvrage voor het colloquium moet worden ingezonden bij de secretaris-generaal der synode uiterlijk op de 16e van de maand, die voorafgaat aan die, waarin het colloquium wordt gehouden.
Tegelijk met de aanvrage moet in vijfvoud een preek worden ingezonden over een tekst, door aanvrager te kiezen, met orde van dienst, Schriftlezing en liederen bijgevoegd (O. 7-14-1 tot 3).
Van de verdere stukken, die bij de aanvrage moeten worden overgelegd, spreekt O. 7-15-1. Ten dele zijn het bewijsstukken en testimonia, die ook in Art. 7 van het Reglement op het examen vermeld stonden. Aandacht verdient, dat daarbij twee geheel nieuwe stukken nodig zijn, vermeld in O. 7-15-1 c. en e. Het eerste bevat de verklaring der kerkelijke hoogleraren over de geschiktheid van betrokkene voor het predikambt (en vervangt dus het vroegere „testimonium morum”); het tweede betreft het getuigschrift over zijn viermaandelijkse praktisch pastorale werkzaamheid onder leiding van een door hem met toestemming van de rector van het seminarium gekozen predikant.
Van de overlegging van dit laatste bewijsstuk kan door de commissie


1 Deze in te zenden preek draagt een ander karakter dan de „proefpreek”, welke de candidaat binnen drie maanden na het kerkelijk examen moet houden, en die de Kerk als een sluitstuk van de universitaire theologische opleiding wil beschouwd hebben. Vandaar dat ook vrouwelijke candidaten in de theologie die kunnen houden. Deze proefpreek qualificeert voor een tijdvak van drie jaren, tot de prediking van het Evangelie in een kerkdienst (O. 7-8-7).

|222|

voor het theologisch hoger onderwijs dispensatie gegeven worden in het belang der Kerk, òf uit hoofde van bijzondere omstandigheden, òf in verband met een andere pastorale opdracht (O. 7-15-1 e, slot).
Mocht de verklaring van de kerkelijke hoogleraren over de geschiktheid voor het ambt onverhoopt ongunstig hebben te luiden, dan moet ze met redenen omkleed en van het visum van de commissie voor het theologisch hoger onderwijs voorzien zijn (O. 7-15-1 c, slot).

De gedelegeerden voor dit colloquium (of proponentsexamen) worden door de provinciale kerkvergaderingen gekozen, uit ieder provinciaal ressort drie gedelegeerden, onder wie tenminste één ouderling (O. 7-12-1). Met deze delegatie, gekozen door de provinciale kerkvergaderingen, wordt het kerkelijk karakter van dit laatste onderzoek onderstreept, en tegelijk de definitieve verantwoordelijkheid van de ambtelijke vergadering der kerkprovinciën.

De gedelegeerden vormen uit hun midden zes delegaties van vijf leden, die volgens rooster en bij toerbeurt in verschillende delen van het land bijeenkomen voor het houden der colloquia; door elke delegatie ten hoogste zes in hetzelfde centrum des lands (O. 7-12-2). Verdere bijzonderheden over deze delegaties leze men in O. 7-12.

 

6. Zo geen bezwaren bestaan, wordt de betrokken candidaat na het afleggen van de daartoe bestemde belofte als candidaat tot de Heilige Dienst toegelaten tot de evangeliebediening in de Nederlandse Hervormde Kerk en verkrijgt hij het recht te staan naar het ambt van dienaar des Woords (K. XIV-6).

De bevoegdheden van candidaten tot de Heilige Dienst worden opgesomd in O. 7-18-2, en zijn: de verkondiging des Woords, de dienst der gebeden en de leiding van kerkdiensten. De uitdrukking „verkondiging des Woords” is in dit verband zinvol, omdat deze toegelaten proponenten immers mogen staan naar het ambt van dienaar des Woords.

De oude belofte, dat men zich vrij weet van de zonde der simonie, is gehandhaafd gebleven, voordat men de vragen der proponentsbelofte voorgelegd krijgt, die bevestigend beantwoord worden en ter bekrachtiging schriftelijk ondertekend worden.

|223|

Ik acht het een belangrijke omlijsting van dit jawoord van de a.s. proponent, dat de voorzitter der colloquium-delegatie hem eerst het gehele artikel X van de Kerkorde voorleest, voordat de vragen der proponentsbelofte worden gesteld (O. 7-18-3).

De vragen der huidige proponentsbelofte zijn de volgende:
„Belooft gij in geheel uw ambtelijk werk Christus Jezus te verkondigen naar uitwijzen van het Heilig Evangelie, daarmede blijvende in de weg van het belijden der Kerk?
Zijt gij van harte bereid, ijverig en getrouw te arbeiden in de Nederlandse Hervormde Kerk, als openbaring der ene heilige katholieke of algemene christelijke Kerk?
Zijt gij bereid, u te onderwerpen aan de regelen, in de orde der Kerk voor haar apostolaat en belijden, haar leven en werken gesteld?

Haitjema, Th.L. (1951) II.9

§ 9. Kerkdienst en liturgie.

 

Natuurlijk zal het zaak zijn in deze paragraaf van een handboek voor het huidige Nederl. Hervormde kerkrecht uitermate sober te blijven, en b.v. zeker niet het gehele probleem der liturgie aan de orde te laten komen.

Dat kan al daarom niet, omdat in twee latere paragrafen van ditzelfde boek nog afzonderlijk over het doopssacrament en het avondmaalssacrament zal worden gesproken, en het toch zeker niet aangaat de vragen rondom de Hervormde eredienst 1 volledig te willen laten meespelen, terwijl over de plaats van de sacramenten, inzonderheid van het avondmaalssacrament, voorlopig nog zou moeten gezwegen worden.

Waar nog bijkomt, dat de generale synode, die ons ten slotte de nieuwe kerkorde gaf in de vorm, waarin zij thans kerkelijke wet is geworden, nadrukkelijk niet heeft gewild, dat wij uit de Kerkorde-artikelen XI, XII en XIII en uit de daarbij behorende ordinantie 6 zouden afleiden, dat reeds bepaalde knopen in het liturgisch vraagstuk voor de Hervormde Kerk definitief zouden zijn doorgehakt. Het dienstboek,


1 Aldus de titel van het proefschrift van Dr E. van der Schoot, in October 1950 aan de Groningse Universiteit verdedigd. De lectuur er van zij aanbevolen aan een ieder, die de ontwikkelingsgeschiedenis van de liturgische beweging in de Hervormde Kerk wil leren kennen.

|224|

bevattende de orden van dienst, de liturgische formulieren en de gebeden met de ziekentroost, is in ontwerp toch eigenlijk pas voorlopig door de generale synode doorsproken van Februari 1950 af tot Juli 1951 toe. Uit deze laatste datum blijkt zelfs, dat b.v. de orden van dienst eerst zijn afgehandeld — en dat alleen om tot een voorlopig ontwerp te komen, waarover kerkeraden en classicale vergaderingen zich zullen hebben te beraden — in een zitting van de generale synode in een samenstelling, zoals die door de inmiddels in werking gekomen nieuwe kerkorde geëist werd. In de synode is tijdens deze behandeling van het dienstboek door de praeses vóór 1 Mei 1951, Ds Wesseldijk, meer dan eens opgemerkt, dat het werk der synode met dit dienstboek voorlopig niet meer wilde betekenen dan voorbereidend werk. En dat in dezelfde zin, waarin de Nunspeetse Commissie voor de Kerkorde voorbereidend werk gedaan had met het dóórspreken en gereedmaken van een kerkorde met bijbehorende ordinanties.

De synode heeft dus kennelijk de vragen rondom de liturgie nog open willen houden, en met de publicatie van het ontwerp-dienstboek en de toezending er van aan de kerkeraden niet anders bedoeld dan „reacties” en het „uiting geven vanuit de Kerk” aan bepaalde inzichten over het gebodene uit te lokken. In het stadium, dat er „consideraties” van de classicale vergaderingen over het ontwerp-dienstboek kunnen worden tegemoet gezien, zijn wij dus nog lang niet. Wel zal de synode onzer Kerk graag zien, dat de kerkeraden reeds bij de kerkdiensten van dit ontwerp-dienstboek gebruik gaan maken om daardoor mede van het kerkvolk bepaalde reacties te verkrijgen. Maar „consideraties” zullen eerst gevraagd kunnen worden, als de synode van 1952, of later, dit dienstboek in ontwerp weer ter hand neemt en stuk voor stuk gaat bespreken om zodoende tot een eerste lezing te komen ingevolge K. XIII-2.

Bijzondere aandacht verdient, dat de generale synode onder de Werkorde in haar Februari-vergadering van 1950 haar bespreking van het ontwerp-dienstboek, voor het grootste deel de vrucht van het werk van meer dan een subcommissie van de raad voor Kerk en eredienst, welbewust inzette met de behandeling van een Proeve van omschrijving van de

|225|

Hervormde Kerkdienst in X stellingen, waarvan de hoogleraren Van der Leeuw en Miskotte, en ook Dr Lekkerkerker, samen de ontwerpers waren (vgl. Handel., 1950-1951, Dl. I, blz. 299-316, en blz. 526-529).

De X stellingen werden na enige amendering door de synode aanvaard en aan de kerkeraden en de classicale vergaderingen toegezonden met een begeleidend schrijven, waarvan het slot belangrijk genoeg is om het te citeren: „De synode vertrouwt, dat zij door de aanbieding van deze proeve het zo noodzakelijk beraad over deze dingen in de kerkeraden en de classicale vergaderingen zal kunnen dienen. Zelf heeft de synode in haar Februari-vergadering eerst deze proeve, daarna de orden van dienst en enige formulieren uit het ontwerp-dienstboek behandeld. Deze volgorde van behandeling geven wij U eveneens in overweging. Gaarne zien wij Uw oordeel over deze proeve van omschrijving van de Hervormde kerkdienst uiterlijk 31 December 1951 tegemoet” (Handel., 1950-1951, Dl. I, blz. 529).

Hoewel nu bij de eerste behandeling in de Synode van 1948 van de artikelen XI, XII en XIII van de Kerkorde (Handel., 1948, blz. 169-177) en in die van 1949 van ordinantie 6 (Handel., 1949, blz. 531-543), toen het er om ging tot een eerste lezing voor een nieuwe „orde der Kerk” te komen, bitter weinig nog bleek van de diepe problematiek, welke voor onze huidige Hervormde Kerk in de woorden „kerkdienst” en „liturgie” verborgen ligt, kan toch wel gezegd worden, dat bij de tweede behandeling van de kerkorde met de 20 ordinanties in het late najaar van 1950 in de generale synode terdege de achtergrond heeft meegetrild, welke in de X stellingen van de „Proeve van omschrijving” zo evenwichtig, hoewel niet eenvoudig van woordkeuze, heeft meegeklonken.

Een paar citaten uit deze X stellingen mogen mij veroorloofd zijn, om u iets te doen aanvoelen van de principiële, oecumenisch-Gereformeerde, omlijsting, welke bij K. XI-XIII en ordinantie 6 behoort.

Uit stelling II: „De grondslag van de samenkomst der gemeente vinden wij in hetgeen de grondslag van heel het christelijk leven is, nl. in het verbond, dat God heeft

|226|

opgericht met de zijnen, waarin Hij Zich aan ons wil openbaren” ....

Uit stelling IV: „De hoofdlijnen voor de orde van de samenkomst der gemeente kunnen uit de Heilige Schrift — behoudens de concrete gegevens, welke zij biedt — in zoverre worden afgelezen, als zij ons onderwijst in de praktijk der Godzaligheid. Daarvan is wat wij de kerkdienst of eredienst noemen, waarin ons loven van God door het oefenen van barmhartigheid aan den naaste mede zijn plaats heeft, een bijzondere toepassing” ....

Uit stelling VII: „Hoewel de prediking van Gods Evangelie en Wet zich richt tot de ganse wereld en alle mensen aangaat, geschiedt zij als bediening van het Woord in de ruimte der gemeente, onderstelt steeds de Heilige Doop en noodt telkenmale tot de Tafel des Heren” ....

Stelling IX: „In de orde van de dienst worden de rechtmatige vrijheid en verscheidenheid der Kerk gevormd en bepaald door het catholiek karakter onzer Kerk en haar reformatorische belijdenis. Wat tot het vaste bestand van de dienst behoort, moge kerkelijk worden vastgesteld en ambtelijk worden gehandhaafd, zowel ten aanzien van de hoofdlijnen, die de algemene orde bepalen, als ook wat betreft de gang van het kerkelijk jaar, de nadere vormgeving van de liturgische handelingen en de tekst van het dienstboek, dat bestemd wordt voor het gebruik in de heilige kerkdienst”.

 

Het artikel in de Kerkorde, dat over de kerkdienst in zijn hoofdlijnen handelt (K. XI-1 tot 4), wordt m.i. het meest ongedwongen verstaan, wanneer wij ons goed blijven herinneren, dat het genadeverbond de grondslag is van de samenkomst der gemeente, zoals de IIe stelling van de „proeve” dat omschreef. Van daaruit wordt eerst recht zinvol de ontvouwing in drieën, welke in K. XI van het begrip „kerkdienst” gegeven wordt.

Er wordt daarbij eerst gesproken over de predikdienst (K. XI-2a), om daarmede te onderstrepen, dat in het woord der prediking God komt tot Zijn gemeente, haar aanspreekt, en Zich aan haar openbaart. Het genadeverbond is immers een uitgaan van God tot de mens, en met Zijn Woord gemeenschap oefenend met, souverein beschikkend over die

|227|

mens, en hem genade voor genade gevend. In het profetische woord der prediking betuigt Hij, dat Zijne genade „vóórkomend” is en Zijn verbond „monopleurisch” (= één-zijdig in die zin, dat de hoofdnadruk valt op de souvereine beschikking Gods als eerste partij in het genadeverbond).

Natuurlijk weet ik wel, dat deze vooropstelling van de predikdienst in de kerkdiensten der gemeente ook samenhangt met de structuur van het oorspronkelijke Nunspeetse ontwerp, waarin K. XI tot titel had: Van de predik- en eredienst. Maar dat die titel toen zo gesteld werd, verried juist, dat men het profetisch-eschatologische karakter van de dienst des Woords het hoofdaccent geven wilde; en dat wel, omdat in iedere ware kerkdienst Gods handelen met ons de primeur moet hebben.

Als tweede vorm van de kerkdienst wordt in K. XI-2b de leerdienst genoemd. Het is die vorm van dienst in de samenkomst der gemeente, waarin het inzicht in de samenhangen der christelijke leer en der Gereformeerde geloofsleer wordt verrijkt en verdiept, niet uit intellectualistische overwegingen, maar om de samenhangen in de prediking van het Woord Gods uit de Schriften beter te kunnen verstaan. Ook de leerdienst steunt derhalve de wonderlijk-aansprekende werking van het aansprekende Woord Gods.

Als in K. XI-2 gezegd wordt, dat in de leerdiensten ook kan gehandeld worden over de belijdenisgeschriften, in het bijzonder de Heidelbergse Catechismus, begrijpe men dit dus wel terdege zó, dat ook zulke leerdiensten diensten des Woords behoren te wezen. Vgl. mijn bijdrage over Catechismus prediking in het Handboek der prediking, Dl. II, 1948.

Als derde vorm van de kerkdienst komt in K. XI-3 het woord eredienst naar voren.

Met dit woord komt het accent te liggen op wat de mens als de tweede partij in Gods genadeverbond in de kerkdienst der gemeente heeft te doen. In stelling IV van de Proeve van omschrijving van een Hervormde kerkdienst wordt dit doen van de mens nader gekenschetst als het „loven van God”. Achter deze term beginnen de dienst der gebeden en de dienst der barmhartigheid uit K. XI-1 vol accent te krijgen, terwijl met de dienst des Woords en de dienst der sacramenten de hoofdnadruk valt op Gods handelen met ons, mensen, in Zijn verbond. Het allerduidelijkst echter wordt

|228|

het „loven van God” als essentieel voor de eredienst onderstreept door K. XI-4, waar over het gezang der gemeente gehandeld wordt, en de gemeente daarbij gebonden wordt aan de liederen, „welke zijn bijeengebracht in het kerkboek”.

Van het kerkboek spreekt de kerkorde nog afzonderlijk in K. XIII. De onderdelen er van zijn de volgende: a. het psalm- en gezangboek, b. het dienstboek met de orden van dienst, de liturgische formulieren en de formuliergebeden, c. het belijdenis- en leerboek en d. de kerkorde. K. XIII-2 handelt over de procedure bij wijzigingen in het kerkboek (behalve van de kerkorde, waarover apart gesproken wordt in K. XXVIII), en verklaart deze procedure gelijk aan die voor de kerkorde in K. XXVIII.

De samenkomsten der gemeente op de grondslag van Gods genadeverbond zullen in de allereerste plaats gehouden worden op de Zondag, die „de Kerk als de dag des Heren viert” volgens K. XII-1.

In de lijn van deze viering van de dag des Heren ligt het uiteraard ook, dat het breed ministerie (d.i. het predikantencollege van een ring van gemeenten) zorg te dragen heeft, dat bij vacature in een gemeente met één predikantsplaats op elke Zondag — „ter plaatse waar en zo mogelijk ten tijde waarop deze diensten gewoonlijk plaatsvinden” — één kerkdienst wordt gehouden (O. 13-20-1).

Met de Zondag op één lijn wordt in deze ordinantie 13 alleen de eerste Kerstdag gesteld. Hoewel de Kerk als christelijke feest- en gedenkdagen in het algemeen onderhouden zal, ingevolge K. XII-2, de beide Kerstdagen, de Goede Vrijdag, de beide Paasdagen, de Hemelvaartsdag en de beide Pinksterdagen.

Het Geref. Protestantisme is overigens lang niet in alle landen van zulk een levensstijl, dat het de tweede Paas-, de tweede Pinkster-, en de tweede Kerstdag, en ook zelfs de Hemelvaartsdag „als bijzondere dag” onderhoudt. In de Verenigde Staten b.v. zal men zelfs in gebieden, waar Nederlandse Gereformeerde kolonisten een stempel op zetten (b.v. Iowa en Michigan), bemerken hoe deze tweede feestdagen èn de Hemelvaartsdag gewone werkdagen geworden zijn.

Zonder op de dag van de herdenking der kerkhervorming, de Oudejaarsavond en de Nieuwjaarsdag, of ook op boete-, bede- en dankdagen het stempel te willen drukken van

|229|

„een bijzondere dag", die dus uit de reeks van gewone werkdagen uitgelicht en afgezonderd wordt, stelt K. XII-3 toch nadrukkelijk, dat de gemeente ook op die dagen samenkomt.

Een poging, in de Synode van 1948 gedaan, om de Oudejaarsavond en de Nieuwjaarsdag als al te „burgerlijke” gedenkdagen uit deze reeks te schrappen, strandde op het verweer van Prof. van Ruler, dat het ons „hartelijk lief” kan zijn, „dat de Kerk in haar jaar door het burgerlijk jaar gestoord wordt” (Handel., 1948, blz. 175).

Deze uitdrukking „de gemeente komt samen” betekent nu in de orde der Kerk steeds, dat zij in een kerkdienst samenkomt. En dat wil dus zeggen, dat er in deze kerkdiensten altijd iets van de bediening des Woords, van de dienst der gebeden en de dienst der barmhartigheid moet gelegen zijn.

Ook dus, wanneer het „buitengewone kerkdiensten” of ook „bijzondere kerkdiensten” geldt.

Met gebruikmaking van een in de nieuwe kerkorde meer voorkomende onderscheiding tussen „buitengewoon” en „bijzonder” kan uit O. 6-1-2, vergeleken met O. 6-2-1 en 2, afgeleid worden, dat een „buitengewone kerkdienst” een dienst is naar aanleiding van belangrijke gebeurtenissen in het leven van Kerk, staat en volk, terwijl een „bijzondere kerkdienst” een dienst is, bepaaldelijk ingesteld op een deel van de gemeente, of ook op buitenkerkelijken, of ook gericht op het oecumenisch perspectief van de gemeenschap der heiligen.

Aan de kerkeraad — en in centrale gemeenten aan de centrale kerkeraad — is de vaststelling van getal, tijd en plaats van de kerkdiensten opgedragen (O. 6-1-3 en O. 2-15-1). De kerkeraad heeft nu ook — anders dan onder de reglementaire organisatie van vóór 1 Mei 1951 — de bevoegdheid ontvangen van plaats en tijd der kerkdiensten, en desgewenst ook van de naam van de voorganger, publiekelijk mededeling te doen in een eigen kerkblad en (of) ook in plaatselijke nieuwsbladen, zonder daarvoor betaling te verlangen (O. 6-1-8).

Bij nog lopende contracten voor de uitgave van een predikbeurtenblad kan uitstel van de toepassing van O. 6-1-8 verkregen worden tot uiterlijk 31 December 1951 (O.v.b. 189).

De kerkeraad heeft voorts ook medezeggenschap — anders dan voorheen onder het oude Reglement voor de kerkeraden,

|230|

Art. 22 — over de orde van dienst, die in de kerkdiensten zijner gemeente zal worden gebruikt (O. 6-1-6).

Het spreekt vanzelf, dat deze bepaling in concreto nog niet gelden kan zolang het dienstboek niet definitief door de Kerk is aanvaard. Wel is het belangrijk, dat het echt kerkelijk beginsel van de medezeggenschap van de kerkeraad hier onder woorden gebracht is. Trouwens ook in O.v.b. 188 wordt deze medezeggenschap reeds geponeerd onafhankelijk van de nog niet mogelijke binding aan het dienstboek. Voor de hantering van het dienstboek in ontwerp in deze overgangstijd zie men ook O.v.b. 186 en 187.

Een kerkdienst der gemeente, zowel een gewone als een buitengewone, wordt alleen geleid door een dienaar des Woords, een emeritus-predikant, of die de bevoegdheid van een emeritus heeft; (onder zekere restricties) een pastoraal medewerker, een hulpprediker, een vicaris, of in bepaalde gevallen ook door een predikant van een andere Kerk (ingevolge O. 20-3 en 7); in noodgevallen kan een ouderling optreden en een kerkdienst leiden (O. 6-1-5).

De opsomming van O. 6-1-4 is niet geheel in overeenstemming met O. 7-18-2, waar het leiden van kerkdiensten als een bevoegdheid van iedere proponent gesteld wordt.
Voor het leiden van bijzondere kerkdiensten geldt O. 6-1-4 niet. Men vergelijke daarvoor O. 6-2-3. De vervanging van de pastor loci bij het leiden van kerkdiensten moet in overleg met de kerkeraad geregeld worden (O. 6-1-7).

Behalve van kerkdiensten is in Ordinantie 6, Art. 8 ook nog van huisdiensten sprake. De generale synode heeft bij de behandeling van dit artikel uit het ontwerp-Kerkorde duidelijk geaarzeld, of zulk een artikel wel in de ordinantie over de samenkomsten der gemeente thuishoorde (Handel., 1949, blz. 543). Het artikel is per slot toch hier blijven staan, maar begrijpelijk is, dat sommigen in de synode het belang van de huiselijke godsdienstoefening in de gezinnen der gemeenteleden liever onder woorden zagen gebracht in de ordinantie over het pastoraat (O. 13), of over het presbyteraat (O. 14).

Voor de bewerking van geschikte handleidingen voor de huisdiensten zal de raad voor de zaken van Kerk en theologie aan de „commissie voor de huisdiensten” bepaalde adviezen hebben te geven (O. 6-8-1).
Deze zelfde „raad voor de zaken van Kerk en theologie” is ook

|231|

ingeschakeld — daarmede voortzettende het werk, dat van 1940 af door de werkgroep „Kerk en prediking” gedaan werd — bij het verlenen van hulp en voorlichting voor de predik- en leerdiensten (O. 6-3-1).

Het orgaan van bijstand, dat de generale synode van advies heeft te dienen bij alle vragen, die met kerkdienst en liturgie verband houden, is de raad voor de eredienst, bestaande uit negen leden (O. 6-7-1). Deze raad heeft een bijzonder gewichtige functie op terreinen, die in het Hervormd-kerkelijk leven voor een goed deel nog braak liggen, en voor een ander deel tot 1951 toe prijsgegeven schenen aan de vrijbuiterige willekeur van gaarne zich aan liturgische experimenten wagende predikanten, of ook van predikanten, die zich van iedere ontplooiing en ordening van de Hervormde eredienst afkerig betoonden.

In de eerste jaren na 1945 dreigde deze raad — toen nog Raad voor Kerk en eredienst geheten — op ietwat bedenkelijke wijze uit te groeien tot een al te massaal kerkelijk lichaam, waarin soms ook de zucht naar liturgische vernieuwing wel eens gevaar liep weg te drijven van „de grondgedachten der Reformatie” 1, maar is thans tot een bescheiden omvang teruggebracht; zij het ook, dat tal van vaste subcommissies van deze raad door de generale synode kunnen worden benoemd.

O. 6-7-5 zegt, dat er in ieder geval vaste commissies zullen zijn voor
het dienstboek der Kerk,
het psalm- en gezangboek,
de kerkmuziek,
de beginselen van kerkbouw, en
de huisdiensten.
Merkwaardig is zeker, dat bij de synodale behandeling van het ontwerp-dienstboek Ds Zeydner, de voorzitter van de toenmalige Raad voor Kerk en eredienst, zo keer op keer met nadruk pleitte voor grote soepelheid in de kerkelijke inperking van de vrijheid inzake de liturgie, o.a. door binding aan orden van dienst en formulieren uit het dienstboek (zie Handel., 1950-1951, Dl. I, blz. 320 en Handel., 1949, blz. 536).

De plaats, waar de kerkdiensten der gemeente normaliter worden gehouden, is het kerkgebouw, waarover O. 6-4-1 tot 3 handelt.


1 Een mooie uitdrukking uit O. 6-4-2.

|232|

Het is uiteraard een voortwerken in de lijn van de eeuwenoude situatie inzake het beheer van het kerkelijk goed in de plaatselijke gemeenten, wanneer in O. 6-4-1 de zorg voor de kerkgebouwen aan de kerkvoogden wordt toevertrouwd. Alleen bij nieuwbouw, restauratie of vernieuwing van het interieur van een kerkgebouw beslist de kerkeraad in zijn geheel over het bouwplan, de schikking der kerkmeubelen, enz., doch dan onder goedkeuring van bepaalde toezichthoudende provinciale en deskundige landelijke instanties (O. 6-4-2).

Beschikbaarstelling van de kerkgebouwen voor andere dan „gemeentelijke en kerkelijke doeleinden” zal niet meer geoorloofd zijn. En iedere beschikbaarstelling van een kerk zal afhankelijk zijn van de overeenstemming, die het college van kerkvoogden met de kerkeraad heeft verkregen („in overleg” volgens O. 6-4-3).

Een al te strak-kerkelijke, bijna liturgische formulering van de doeleinden, waarvoor men een kerkgebouw beschikbaar zou mogen stellen, stuitte in de synode op het bezwaar van praktische ondoorvoerbaarheid (Handel., 1949, blz. 538-540).

De koster is de figuur, die de kerkvoogden bijstaat in de zorg voor het kerkgebouw en voor de orde tijdens de kerkdiensten. De traditionele bevoegdheid tot benoeming van deze functionaris is door het college van kerkvoogden herkregen in afwijking van de door de Commissie voor de kerkorde aanvankelijk gegeven redactie van dit artikel 5 uit ordinantie 6.

Wel is overleg met de kerkeraad in zijn geheel voor zulk een benoeming nodig, doch niet in de meest bindende vorm. Hier staat „na overleg” (O. 6-5-1).

Over de cantor-organist of de organist wordt gehandeld in O. 6-6-1 tot 6. In de Hervormde opvatting van de eredienst, waar het „loven van God” zulk een fundamentele waardering moet vinden, gelijk wij uit de „Proeve van omschrijving” in het begin van deze paragraaf zagen, heeft uiteraard de organist, of de cantor-organist, een zeer belangrijke functie in de kerkdienst, maar, zo mogelijk, evenzeer bij het onderricht van de jonge leden der gemeente in

|233|

het geestelijk en kerkelijk lied, en ook bij het kerkelijke muziekleven der gemeente.

De benoeming ook van deze functionarissen is bij het college van kerkvoogden gebleven als vanouds, doch ook hier is voorafgaand overleg met de kerkeraad in zijn geheel voorgeschreven, evenals bij de koster (O. 6-6-3). Wel verdient het nog bijzondere aandacht, dat de cantor-organist of de organist de aanwijzingen voor de kerkdienst van de kerkeraad in acht te nemen heeft, en dat hij zich heeft te richten „naar de redelijke wensen van hem, die de leiding van de kerkdienst heeft” (O. 6-6-1). Voorwaar geen gemakkelijk hanteerbare formulering voor de handhaving der juiste verhouding tussen het aandeel van de cantor-organist in de eredienst en het aandeel daarin, dat met de „leiding” van de kerkdienst gegeven is!

Bijzonderheden over aan kerkorganisten uit te reiken diploma’s of testimonia, over aanstelling en bezoldiging zal men aantreffen in O. 6-6-4 tot 6.
Drie soorten van testimonia worden daarbij onderscheiden: die naar eenvoudige, naar gewone, of ook naar buitengewone geoefendheid van de organist kunnen daarbij door de „commissie voor de kerkmuziek”, een der vaste commissies van de raad voor de eredienst, uitgereikt worden. Vereisten voor deze testimonia zijn, breed uitgewerkt, behandeld in de Generale Synode van 17 Februari 1950, evenals ook de salaris-schalen dezer kerkorganisten, enz. Het uitvoerige rapport werd na enige amendering door de synode (d.i. de generale synode onder de Werkorde) aanvaard. Men leze daarvoor de Handel., 1950-1951, Dl. I, blz. 459-495.

Haitjema, Th.L. (1951) II.10

§ 10. Het doopssacrament.

 

Slechts één enkele dag nadat in November 1947 het Nunspeetse ontwerp-Kerkorde aan de generale synode in de Domkerk te Utrecht was aangeboden, heeft de synode na ernstige en belangwekkende besprekingen een rapport over het doopvraagstuk aanvaard, — naar aanleiding van tal van ingekomen brieven van kerkeraden en bredere kerkelijke vergaderingen over moeilijkheden bij de doopspraktijk 1 — waarvan met reden gezegd kan worden, dat het de juiste klankbodem vormt voor het recht verstaan van


1 Vgl. Handel., 1947, blz. 435-447.

|234|

K. XV „van de Heilige Doop”, en van de daarbij behorende ordinantie 8, welke de regulatieve nadere bepalingen geeft voor de bediening van de Heilige Doop.

Dit dooprapport grijpt telkens terug op een breder rapport over de kinderdoop, dat door de Generale Synode van einde Februari 1947 na zeer principiële discussies werd aanvaard en dat daarna in Franse vertaling ook toegezonden is geworden aan de Eglise Réformée de France, die dit memorandum over de kinderdoop uitgelokt had door aan de synode van onze Hervormde Kerk om voorlichting te vragen in dit — mede onder Barth’s invloed — zo netelig geworden probleem van de rechtmatigheid van de toepassing van de kinderdoop (zie Handel., 1947, blz. 80-97). Zodoende kan men gerust wel staande houden, dat onze generale synode reeds vóór zij van de inhoud van de voorstellen voor een nieuwe kerkorde officieel kennis had kunnen nemen, met alle kerkrechtelijke aspecten van het doopssacrament reeds instantelijk bezig geweest was.

Om te beginnen had de generale synode nadrukkelijk gekozen voor de visie, dat de kinderdoop-vorm bij het doopssacrament in de kerkelijke situatie van onze Hervormde Kerk, met als achtergrond de leer van het genadeverbond, de primaire vorm van dopen is, terwijl de z.g. volwassenendoop eerst in de tweede plaats aan de orde komen mag. Precies ditzelfde inzicht beheerst ook de structuur van K. XV. De eerste alinea van dit artikel handelt over de doop, zoals die door de dienaren des Woords op gezette tijden behoort bediend te worden aan de kinderen der gemeente. De tweede alinea handelt over ditzelfde sacrament, zoals het behoort bediend te worden aan „degenen, die niet als kind zijn ten doop gehouden”.

Onze kerkorde blijft daarmede in de lijn van de Pfaltzische formulieren voor de kinderdoop en voor de volwassenen-doop, die immers ook in vertaling reeds heel spoedig zijn opgenomen in de formulierenschat van het Nederl. Geref. Protestantisme.
In de Keurpfaltz was de primaire „Forme zur Taufe” het formulier voor de kinderdoop. Het formulier voor de volwassenen-doop is naar het model daarvan opgezet, en neemt dan ook vrijwel het gehele didactische gedeelte van het kinderdoop-formulier over.
Bij de discussies in de synode over het formulier voor de volwassenen-doop is wel gebleken, dat men met dit formulier eigenlijk ietwat

|235|

verlegen zat, wanneer men bedacht, dat in het toekomstige dienstboek der Kerk ook een formulier voor de openbare belijdenis des geloofs (ingevolge K. XVII-3) zou opgenomen worden. Omdat immers de volwassenen-doop doorgaans plaatsvindt in dezelfde kerkdienst, waarin de openbare belijdenis des geloofs wordt afgelegd, wilde men gaarne in de redactie van K. XV-2 de mogelijkheid openhouden, dat de uitdrukking „een daartoe bestemd formulier” ook op het formulier voor de aflegging van de openbare belijdenis des geloofs zou kunnen slaan (Handel., 1948, blz. 179).

Deze zelfde primeur van de vorm van doopsbediening aan de kleine kinderen der gemeente komt even stellig uit in de bouw van O. 8, vooral in de artikelen 1 en 2. Het eerste artikel is geheel op de kinderdoop ingesteld, terwijl O. 8-2-4 slechts in deze éne alinea de aandacht even richt op de bediening van de Doop aan een volwassene. En O. 8-1-1 laat tussen de regels door toch eigenlijk wel doorschemeren, dat de hoofdaanleiding voor een doopsbediening aan een volwassene in de Kerk des Verbonds gelegen is in een verzuim van de ouders. Vandaar, dat hier dan ook staat, dat het opzicht over de gemeente, dat de kerkeraad (= het consistorie ingevolge O. 8-1-4) heeft te houden, ook strekken moet tot het wakker maken van de begeerte der ouders om hun kinderen ten doop te houden.

Hoewel de redactie van O. 8-1-2 zó is, dat daarbij ook gedacht kan worden aan een gesprek over de Doop bij het gewone pastorale huisbezoek, is het uit de discussies ter synode van 1949 (Handel., 1949, blz. 58-61) en uit O. 8-1 van het eerste Nunspeetse ontwerp toch wel duidelijk, dat hier hoofdzakelijk aan een onderricht over de betekenis van de Doop gedacht wordt, waartoe een doopaangifte door of namens een ouderpaar de kerkeraad aanleiding gaf. De waarde van dit nader onderricht op de doopzitting zelve is in October 1949 nog eens weer uitvoerig besproken naar aanleiding van een rapport over een brief van de kerkeraad van Vlaardingen over de doopspraktijk (Handel., 1949, blz. 885-893).

Bij dit primaire accent op de bediening van het doopssacrament in de vorm van de kinderdoop kan de vraag natuurlijk niet vermeden worden, tot welke leeftijd de kinderen der gemeente door hun ouders of verzorgers ten doop gehouden mogen worden. De orde der Kerk vermijdt ter beantwoording van deze vraag gelukkig iedere zinspeling op een biologisch kriterium, als b.v. de eerste symptomen der reeds

|236|

aangebroken puberteitsphase, doch stelt eenvoudig en duidelijk, dat als regel met de bediening van de Doop behoort gewacht te worden tot na de openbare belijdenis des geloofs, „indien een kind de leeftijd heeft bereikt, waarop het de gewone catechese kan volgen” (O. 8-2-3) 1.

Maar moet nu een kerkeraad eenvoudigweg alles in het doophuis toelaten, wat nog beneden deze leeftijd blijft, waarop de gewone catechese kan worden gevolgd?

Onze Kerkorde wijst zeker niet in de richting van zulk een tuchteloze ruimheid in de doopspraktijk, wanneer het in O. 8-1-1 heet, dat „heilighouding” van de Doop in het midden der gemeente een zeer ernstige opdracht van de kerkeraad is. Vandaar dan ook, dat de doopzitting bij de doop-aangifte een zeer essentiële pastorale aangelegenheid is, waarbij de kerkeraad, of een commissie van ambtsdragers uit de kerkeraad, heeft op te treden met een diep verantwoordelijkheidsbesef ter zake van de heiligheid van Gods genadeverbond. Vandaar ook, dat de doopaangifte minstens acht dagen vóór de dag der doopsbediening moet plaatshebben. Er moet ruimte zijn tot nadere bespreking in het consistorie van bepaalde doopaanvragen, en tot het inwinnen van nadere adviezen bij de meerdere vergaderingen (O. 8-2-1 en 2). Hoewel de kerkeraad ten slotte voor eigen verantwoording zijn beslissing heeft te nemen.

Wordt deze beslissing dan een negatieve, dan stelle de kerkeraad die in de vorm van een uitstel, en niet van een volstrekte weigering. Kwam de doopaangifte van de zijde van godsdienstig niet-belangstellende en kerkelijk niet meelevende ouders, die geen van beiden belijdend lid der Nederl. Hervormde Kerk zijn, dan kan immers steeds nog een doopgetuige, die zijn jawoord op de doopvragen ernstig en zinvol, b.v. als godvruchtig familielid, geven kan, de beletselen tegen de bediening van de Doop doen wegvallen.
Zonder dat het woord „doopgetuige” in O. 8 gebruikt wordt, wordt wel naar dit instituut heengewezen in O. 8-3-6, en wordt het aan het beleid van de kerkeraad overgelaten, om, als de omstandigheden dit wenselijk maken, een doopgetuige (in casu natuurlijk een belijdend lid) de vragen te laten beantwoorden in plaats van de doopouders. Doch heel terecht wordt daarbij onderstreept, dat deze doopgetuige dan in


1 De „gewone catechese” is de vorm van catechese, die op de „voorbereidende catechese” volgt en een aanvang neemt, als de kinderen 12-14 jaar zijn geworden (O. 9-2 en 3).

|237|

ieder geval bereid moet zijn, „bij de geestelijke opvoeding van het kind mede verantwoordelijkheid te dragen”.
Het door de Synode op 25 November 1947 aanvaarde dooprapport heeft het stelsel der doopgetuigen, mits beleidvol toegepast, nadrukkelijk bepleit.

De heilighouding van het Verbond Gods, die derhalve bij de toelating tot de Doop duidelijk op het spel staat, maakt het natuurlijk ook nodig, dat de kerkeraad van een andere gemeente in deze vraag over al of niet toelating tot de Doop kan en moet betrokken worden, wanneer het de doopsbediening van een kind uit de gemeente van die kerkeraad betreft, maar dan in een andere gemeente, dan waar de doopouders wonen (O. 8-2-5 tot 8). De kerkeraad, die deze ouders onder zijn toezicht heeft, omdat zij er wonen, moet schriftelijk toestemming tot de Doop geven, voordat deze elders kan plaatsvinden.

Deze schriftelijke toestemming van een betrokken wijkkerkeraad is naar de letter van O. 8-2-5 ook zelfs nodig, wanneer een kind uit een wijk-gemeente ener centrale gemeente in een andere wijkgemeente dierzelfde centrale gemeente ten doop gehouden wordt. In de praktijk zal dit echter wel heel vaak niet doorvoerbaar zijn in centrale grote stadsgemeenten.
O. 8-2-6 is, helaas, een kerkelijke wetsbepaling, die wel wat sterk riekt naar de reglementaire wetgeving uit de, naar wij hopen, thans voorbijgegane periode van de richtingstrijd in een „hotelkerk”, om met Prof. Kraemer te spreken.
Weigert een kerkeraad zulk een schriftelijke toestemming — en dat moet „met redenen omkleed” — dan kunnen ouders of verzorgers zich beroepen op de „provinciale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen” (O. 8-2-8).

Een tweede grondbeginsel in de dragende ondergrond van de synodale dooprapporten uit het voor- en najaar van 1947 bij de stylering van de artikelen over het doopssacrament in de nieuwe orde der Kerk is heel terecht door Prof. van Ruler tijdens de behandeling van K. XV in de Synode van 14 Juli 1948 aldus omschreven: „de Doop geschiedt niet zonder belijdenis des geloofs, zij het dan van de ouders en de gemeente” (Handel., 1948, blz. 179).

In het dooprapport van Februari 1947 werd er de nadruk op gelegd, dat er bij een legitieme sacramentsbediening in Protestantse zin altijd „geloof in actu” moet aanwezig zijn, al is het nog zulk een zwak geloof.

|238|

En dat daarom bij de Doop van zuigelingen het geloof der ouders en het geloof der verbondsgemeente mede in het geding gebracht moesten worden. De H. Geest versterkt door middel van het sacrament een vorm van geloof, die reeds op enigerlei wijze door het Woord gewerkt is (Heid. Cat., Zond. XXV). Dit brengt met zich mede, dat men voor de consequentie niet terugdeinzen mag, dat ook de doopouders (c.q. doopgetuigen) medeontvangers van het doopssacrament zijn.
In het dooprapport van November 1947 werd de onmisbaarheid van de geloofsbelijdenis bij de doopsbediening vooral gesteld naar aanleiding van een brief van een onzer kerkeraden van een provinciestad, die er toe neigde, met handhaving van een ruime doopspraktijk aan de niet-belangstellende ouders, hoewel zij lidmaten der Kerk waren, de bevestigende beantwoording der doop vragen te verbieden; en dat wel uit overweging, dat immers de objectieve toezeggingen Gods in het sacrament het doorslaggevende zijn, en niet de houding van de mens, die met zijn kind bij het doopvont komt. De synode heeft deze praktijk terecht verworpen, omdat het genadeverbond, hoe „monopleurisch” ook in wezen, toch een tweede, menselijke partij in zich besluit, wier jawoord niet kan en mag worden gemist.

Vanuit dit grondbeginsel van de noodzakelijkheid van een geloofsbelijdenis bij het doopvont is — behalve O. 8-1-2, dat wij reeds bespraken — ook O. 8-3-5 alleen maar goed te begrijpen. Dat „in de regel” de ouders beiden de doopvragen dienen te beantwoorden, tenzij bij de kerkeraad bezwaren bestaan, wijst er wel heel duidelijk op, dat beide ouders op het innigst behoren deel te nemen aan de doopsbediening. En wel zó innig, dat zij, samen met hun kind, ontvangers mogen heten van dit sacrament des Doops.

Deze zo wenselijke aanwezigheid van beide ouders voerde natuurlijk ook tot afweer van de z.g. vroegdoop. De Doop van een kind behoort niet eerder plaats te hebben, dan wanneer ook de moeder bij de bediening van dit sacrament tegenwoordig kan zijn (O. 8-3-4).

De noodzakelijkheid van een geloofsbelijdenis bij het doopvont wordt voorts ook nog onderstreept door de bepaling in O. 8, dat dit sacrament des Doops behoort bediend te worden „in een gewone kerkdienst der gemeente”. Dat onderstreept natuurlijk, dat het geloof der gemeente bij het doopvont constitutief mede in het geding is. En dat heel de gemeente in haar geloof versterkt zal kunnen worden door het mee-beleven van de dienst bij het doopvont.

Slechts in heel bijzondere omstandigheden kan de kerkeraad een doopsbediening buiten een kerkdienst toestaan; mits daarbij kerkeraad en gemeente vertegenwoordigd zijn (O. 8-3-3).

|239|

Dit is geen bepaling, die een z.g. nooddoop van kleine kinderen, die door dodelijke ziekte niet meer ten doop gehouden kunnen worden in een gewone kerkdienst der gemeente, bedoelt in de hand te werken. Waarbij zo licht een ongereformeerde, min of meer magische, doop-opvatting van de Doop begerende ouders in het spel is (Handel., 1949, blz. 66-67).
Dit als regel voor de bediening van de Doop aangewezen zijn op een gewone kerkdienst moet er dan natuurlijk ook de kerkeraad toe nopen, „indien nodig, tenminste eenmaal in de maand” gelegenheid te geven tot het bedienen van de Doop (O. 8-3-1).

Het noodzakelijke van de geloofsbelijdenis bij het doopvont werd ten slotte in de orde onzer Kerk ook nog duidelijk onderstreept door, ingeval de doopsbediening volwassen dopelingen betreft, deze bediening nadrukkelijk te doen volgen op de geloofsbelijdenis. K. XV-2 stelt het zo met de woorden: „na openbare belijdenis des geloofs te hebben afgelegd”, en O. 8-2-4 werkt ditzelfde nog eens ten overvloede uit: de bediening van de Doop aan een volwassene geschiedt niet dan nadat hij openbare belijdenis des geloofs heeft gedaan.

Slechts „in zeer bijzondere gevallen” kan — zo staat er bij — het breed moderamen der generale synode „om gewichtige redenen van pastorale aard” anders beslissen! Deze exceptie ziet echter meer op het woordje „openbaar” vóór geloofsbelijdenis, dan op het woord geloofsbelijdenis zelf. Het gaat hier hoogstwaarschijnlijk om de mogelijkheid ook de volwassenen-doop (na geloofsbelijdenis) buiten een kerkdienst te doen plaatshebben.
In de Synode van 1948 pleitte slechts een enkel synodelid voor de volwassenen-doop vóór de geloofsbelijdenis (Handel., 1948, blz. 179).

Het derde grondbeginsel, dat in de beide dooprapporten, aan de generale synode uitgebracht in 1947, maar toch voor dit punt het meest in het dooprapport, dat op 25 November 1947 in de synode behandeld en aanvaard werd, de achtergrond van ordinantie 8 vooral stijl gaf, betreft de erkenning van de Doop, binnen een andere kerkgemeenschap dan de Nederl. Hervormde bediend.

Daarover handelt O. 8-4-1 tot 4 onder de titel „het dooplidmaatschap”. De erkenning van zulk een doop, in andere kerkgemeenschappen bediend, blijkt volgens O. 8-4-1 in het algemeen afhankelijk van de vraag, of zulk een kerkgemeenschap, die de Doop bediende, door de generale synode

|240|

geacht wordt in haar doopspraktijk aan bepaalde voorwaarden te voldoen, terwijl in bijzondere gevallen door het breed moderamen van de classicale vergadering kan worden beslist, of de Doop al of niet geldig zal worden verklaard „aan de hand van de door de synode gegeven richtlijnen”.

Men mag het er voor houden, dat de generale synode op 25 November 1947, door zich aan te sluiten bij het toen aanvaarde doop rapport, zulke richtlijnen gaf (zie Handel., 1947, blz. 438-439 en 446) 1. Bij de zes punten, waaraan de wettigheid van de Doop, in andere kerken bediend, was af te lezen volgens een vroeger reeds uitgebracht rapport van de Raad voor Kerk en Kerken (d.d. 29 Oct. 1946), werd nog een zevende punt gevoegd op voorstel van de rapporterende doopcommissie van 1947, zodat de zeven kriteria voor de wettigheid van de Doop nu de volgende zijn:
1. Zat de bedoeling voor, de Doop naar Christus’ bevel te voltrekken?
2. Geschiedde dit binnen een kring, die zichzelf als rondom de heilsmiddelen vergaderde gemeente van Christus beschouwde?
3. Werd de Doop voltrokken door iemand die in deze kring daartoe de bevoegdheid bezat?
4. Geschiedde de Doop met water?
5. Had de Doop de vorm van onderdompeling? Of besprenkeling?
6. Geschiedde hij onder het uitspreken der formule uit Mattheüs 28: 19?
7. Is er op de doopvragen bevestigend geantwoord door doopouders (of doopgetuigen)?
De Synode van Januari 1949, die O. 8 besprak, sloot zich bij deze richtlijnen aan, doch wilde dit zevental kriteria voor de wettigheid van de Doop opgenomen hebben in een behandeling voor generale regelingen (Handel., 1949, blz. 76).

De ordinantie voor de bediening van de Doop bedoelt echter in geen geval te stellen, dat erkenning van een doop in een andere kerkgemeenschap bij overkomst van het betrokken dooplid naar de Nederl. Hervormde Kerk zou insluiten een boeking in het doopboek der gemeente, waartoe een in een andere kerk gedoopte wil gaan behoren als daar vaste woonplaats hebbende. Zulke doopleden zullen wel geboekt worden in het „register der gemeenteleden”, bedoeld in O. 2-2-1, onder aantekening van plaats, datum en naam der kerkgemeenschap, waarin de Doop werd bediend. Het eigenlijke


1 O.v.b. 215 schrijft wel wat heel simpel, dat „de ter plaatse vóór 1 Mei 1951 bestaande praktijk” gevolgd kan worden, zolang de generale synode zich over de richtlijnen voor de geldigheid van een Doop „nog niet heeft uitgesproken”.

|241|

doopboek blijft gereserveerd voor de namen van hen, die ter plaatse de Doop hebben ontvangen of in een andere Hervormde gemeente binnen de Nederl. Hervormde Kerk werden gedoopt (O. 8-3-7).

Vreemd lijkt mij het argument van de subcommissie van rapport in de Synode van 1949, dat het „in strijd zou zijn met de katholiciteit van de Doop in andere Kerken gedoopten in het doopboek in te schrijven” (Handel., 1949, blz. 70). Ik kan met evenveel recht precies het tegenovergestelde betogen.
In O. 8-3-7 staat, dat de kerkeraad de inschrijvingen in het doopboek verricht. Bedoeld is natuurlijk: het college van kerkvoogden namens en als onderdeel van de kerkeraad (zie O. 2-3-1).
De doopboeken worden ingericht naar een door het breed moderamen der synode vast te stellen model; voorts in duplo bijgehouden, en maandelijks bijgewerkt. Het tweede exemplaar van het doopboek moet op minstens 200 meter afstand van het eerste (wegens brandgevaar of ander schade-risico natuurlijk!) worden bewaard (O. 2-3-2 en 3).
De laatste alinea van O. 8-4 spreekt m.i. zó vanzelf, dat ze gevoeglijk had kunnen worden weggelaten, zoals dan ook de subcommissie van rapport aan de synode had voorgesteld (Handel., 1949, blz. 71).
O. 8-4-3 behoort in de ordinantie voor de Doop eigenlijk niet thuis 1. De alinea bevat een uiteenzetting, die burgerrechtelijke formuleringen geeft over de vraag, hoe ten aanzien van minderjarigen uit gezinnen, waarvan een der ouders niet tot de Hervormde Kerk behoort, of slechts een der ouders tot deze Kerk overkwam, of een der ouders tot een andere Kerk overging, geoordeeld moet worden bij toepassing van K. II-1 en 2.


1 Meerdere classes blijken dit in hun consideraties te hebben opgemerkt, en willen deze materie geregeld zien bij ordinantie 2 (Rapporten, blz. 113).

Haitjema, Th.L. (1951) II.11

§ 11. Catechese en geestelijke vorming der jeugd.

 

Catechese en geestelijke vorming der jeugd zijn niet een en hetzelfde, al kan men misschien wel zeggen, dat in de catechese — zowel in haar vooronderstellingen als in haar volle ontplooiing — eigenlijk de geestelijke vorming der jeugd reeds opgesloten ligt.

Daarom is er in de grond der zaak dan ook geen aanmerking op te maken, dat K. III in de opsomming van de terreinen, waarover de zorg der Kerk gaat, ten aanzien van de kerkelijke bemoeienis met de jeugd alleen het woord „catechese”

|242|

gebruikt, terwijl in het daarop volgende artikel over de ambten tot tweemaal toe, nl. bij de bespreking van het predikambt èn bij de opsomming van de taken van het ouderlingambt de catechese en de geestelijke vorming der jeugd na elkander genoemd worden.

In ieder geval zou het geheel fout zijn, wanneer men van kerkelijk gezichtspunt uit „de geestelijke vorming der jeugd” voorop zou willen gaan stellen, als zou deze de primeur hebben bij de bemoeienissen der Kerk met de jeugd. Het is evenmin mogelijk, om de verhouding van „catechese” en „geestelijke vorming der jeugd” zó te stellen, dat in deze laatste uitdrukking eigenlijk ook reeds de catechese begrepen zou zijn.

Vooral in een paragraaf, die op die over het doopssacrament volgt, zal de catechese het eerste begrip moeten zijn, dat binnen onze gezichtseinder komt. En deze catechese mag hier binnen ons gezichtsveld komen met de wijdste perspectieven. Zij schijnt wel in eerste aanleg alleen een vorm van onderricht, waarmede de gedoopte kinderen der gemeente in aanraking zullen komen. Maar K. XVI-1 gaat dan dadelijk toch veel verder, als het deze catechese wil uitgebreid zien tot „allen, die dit onderricht begeren”.

Tussen „de kinderen der gemeente” en „de jeugd van het gehele volk” (K. IX-2) ligt er in onze kerkorde geen afgronddiepe kloof, maar veeleer een vloeiende overgang en een gedurig verschuivende grens.

Men zou misschien een ogenblik nog willen tegenwerpen, dat deze visie op de verhouding van „catechese” en (geestelijke) vorming der jeugd ons toch op gespannen voet brengt met de structuur van de XXIX artikelen der kerkorde, waarin het artikel over de geestelijke vorming der jeugd (K. IX) aan het artikel over de catechese (K. XVI) voorafgaat, en daarmede schijnbaar de catechese aan zich subordineert.
Dit is echter alleen maar in schijn zo. K. IX-1 laat in de vorming der jeugd toch weer vooropstaan: het „brengen van de jeugd tot haar plaats in de gemeente”; en dat is toch welbeschouwd weer een omschrijving, die typisch geschikt is om aan te duiden, wat de kerkelijke catechese in wezen beoogt.
Voorts vergete men niet, dat het artikel over de geestelijke vorming der jeugd zo ver naar voren is gekomen in de kerkorde, omdat de opstellers er heel sterk in wilden horen de toonaard van het apostolair gerichte werk der Kerk.
De Alexandrijnse „catechetenschool” uit de 3e eeuw onzer jaartelling

|243|

is een duidelijk bewijs van dit samenzijn van de „catechese” en de apostolair gerichte geestelijke vorming der jeugd.
Bij de synodale discussies over K. IX in 1948 was er bij sommigen nog al huivering voor een al te spiritualistisch misverstand inzake de vorming der jeugd. In de tekst van het artikel schrapte men dat woord „geestelijk”, maar in de titel van K. IX liet men het staan (Handel., 1948, blz. 150-151).

Voor de klaarheid van inzicht in de samenhangen van ons huidige kerkrecht acht ik het dus gewenst om nu eerst over de catechese en de openbare belijdenis des geloofs (K. XVI en XVII en O. 9) te handelen en daarna pas over K. IX en de daarbij behorende ordinantie 5.

Wat de algemene regelen voor de catechese betreft, de formulering daarvan is zó gekozen, dat in de tweede helft van O. 9-6 meerdere bepalingen werden opgenomen, die ook in de vroegere reglementen der Kerk reeds voorkwamen, hetzij in het Reglement op het godsdienstonderwijs, hetzij in dat op de predikantsplaatsen. De hoofdinhoud van O. 9-6-4 stamt b.v. uit het Reglement op het godsdienstonderwijs, Art. 23, terwijl O. 9-6-5 goeddeels teruggaat op Art. 63 van het Reglement op de predikantsplaatsen (laatste alinea).

De eerste helft van O. 9-6 onderstreept op veelszins nieuwe wijze de verantwoordelijkheid van de kerkeraad (= het consistorie) voor het catechetisch onderricht der Kerk. Wel heeft de predikant bij dit werk laatste en beslissende bevoegdheden, waarin ook een kerkeraad niet treden mag, door b.v. tijd en plaats van de catechisaties aan de predikanten voor te schrijven. Maar al komt het recht tot „vaststelling” van die tijden en plaatsen ook aan de predikant toe volgens O. 9-6-1, een en ander zal door hem toch alleen kunnen geschieden „in overleg met de kerkeraad”, d.w.z. zó, dat de kerkeraad er mede instemt. Ook de keuze van leerstof en methode zal door de predikant niet eigenmachtig kunnen geschieden. Hierbij geldt de eis van hetzelfde artikel der ordinantie, dat hij te voren de kerkeraad raadpleegt (dat wil dus zeggen: na overleg met de kerkeraad).

Dat bij de keuze van de leerstof in O. 9-6-2 de Heid. Catechismus en ook — voor de Waalse gemeenten — de Catechismus van Genève een plaats vooraan krijgen, kan tot vreugde stemmen, omdat er uit blijkt, hoe centraal het fundamentele artikel over het belijden der Kerk (K. X)

|244|

ook bij de catechese de aandacht blijft houden, en van allen, die in het catechetisch onderricht der Kerk bezig zijn, dus even nadrukkelijk bij de catechese als bij de prediking des Woords gevraagd mag worden, dat zij zullen „blijven in de weg van het belijden der Kerk”.
Met de „andere, door de generale synode aanbevolen, leerboeken”, zoals daarvan gesproken wordt in O. 9-6-2, kan niet op „Fundamenten en Perspectieven” gedoeld zijn, omdat dit veel meer een leidraad bij het kerkelijk gesprek over het belijden der Kerk dan een catechetisch „leerboek” is.

De catechese onzer Kerk wordt in vierderlei vorm onderscheiden: de voorbereidende catechese (O. 9-2), de gewone catechese (O. 9-3), de voorbereiding tot de openbare belijdenis des geloofs (O. 9-4) en de voortgezette catechese (O. 9-5).

De voortgezette catechese is reeds, strikt genomen, geen onderricht aan „catechumenen” meer, die de toelating tot het Heilig Avondmaal begeren, omdat dit onderricht gegeven wordt aan belijdende leden der gemeente (O. 9-5-1). Vandaar dat er bij de behandeling van deze ordinantie 9 in de Kerk wel stemmen zijn opgegaan, die deze voortgezette catechese wilden ondergebracht zien bij de geestelijke vorming der jeugd. Een bewijs te meer, dat de kerkelijke catechese, ruim en apostolisch verstaan, op ongedwongen wijze uitzichten opent naar de geestelijke vorming der jeugd, gelijk ik in het begin van deze paragraaf stelde. Want natuurlijk is er op het tijdstip van de aflegging der openbare geloofsbelijdenis, b.v. op 18-jarige leeftijd, nog geen eindpunt bereikt van de geestelijke vorming van de jonge belijdende leden. De voortgezette catechese heeft ten doel, daarin te voorzien, door „diepere kennis van het Woord Gods en de wegen der Kerk” bij te brengen, de onderlinge „gemeenschap te versterken en het apostolaat der gemeente in de wereld te bevorderen” (O. 9-5-3).

Men lette er wel op, dat de woordkeuze bij de omschrijving van het doel der voortgezette catechese in O. 9-5-3 zó werd, dat er toch nog accentverschil blijft tussen deze catechese en de geestelijke vorming der jeugd. Bij de eerste straalt de werkzaamheid der Kerk duidelijk van haar binnenste heiligdom uit; bij de vorming der jeugd staat de betrokken jongere midden in de wereld, en moet de Kerk daarheen tot hem uitgaan, opdat hem de weg gewezen worde in de wereld (K. IX-1).

|245|

De voorbereidende catechese (O. 9-2-1 tot 3) wordt gegeven aan de kinderen, totdat zij de leeftijd van twaalf tot veertien jaar hebben bereikt. Ook zonder dat er de schoolse vorm van de catechetische leerkamer aan gegeven wordt, kan dit voorbereidende onderricht der Kerk gegeven worden in kinderkerk en zondagsschool. Dat hierbij vooral beoogd wordt de kinderen vertrouwd te maken met de inhoud van de bijbel, en ook met het christelijk lied en de belangrijkste gebeurtenissen uit de geschiedenis van Kerk en zending, spreekt welhaast vanzelf en knoopt geheel aan bij de reeds vóór 1951 gegroeide praktijk in dezen. Alleen werd het kerkelijk karakter dezer catechese nu wat zwaarder onderstreept.

De drieledige opsomming van de stof van het kerkelijk catechetisch onderricht in K. XVI-3 (H. Schrift, Kerk en kerkboek) schemert dus reeds duidelijk door bij de voorbereidende catechese.

Met de gewone catechese begint onze Kerk, wanneer de kinderen de leeftijd van twaalf tot veertien jaar hebben bereikt. Ook hier valt de stof weer uiteen naar dezelfde driedeling van Schrift, Kerk en kerkboek, die in K. XVI-3 toegepast werd, en die wij reeds bij de voorbereidende catechese een rol zagen spelen. Alleen zijn nu uiteraard naast de hoofdzaken van de geschiedenis der Kerk ook de elementaire kernpunten van de belijdenis der Kerk binnen de gezichtskring getrokken (O. 9-3-a).

De z.g. belijdeniscatechisatie, die voorbereidt tot de openbare belijdenis des geloofs, wil O. 9-4-1 liefst niet eerder zien aanvangen dan met jonge mensen van omstreeks achttien jaar.

Een poging, in de Synode van 1949 bij de behandeling van dit artikel van ordinantie 9 gedaan, om de leeftijd van achttien jaar hier niet te noemen en een openbare belijdenis des geloofs op aanmerkelijk jongere leeftijd althans mogelijk te maken, werd door de synode afgewezen (Handel., 1949, blz. 205).

De duur van deze belijdeniscatechisatie is bepaald op „tenminste zes opeenvolgende maanden getrouw” (O. 9-4-4), terwijl men aan deze catechisatie eerst mag deelnemen, wanneer men te voren gedurende tenminste twee jaren de gewone catechisatie heeft gevolgd (O. 9-4-2). Voor bijzondere

|246|

gevallen kan de kerkeraad (= het consistorie) ontheffing verlenen van deze bepaling.

De stof voor de belijdeniscatechisatie wordt onder handhaving van het driedelig schema van K. XVI-3 toegespitst op het persoonlijk toetreden tot de volle gemeenschap der Kerk. Dat wil zeggen, dat in dit verband gesproken wordt van een leiden van de leerlingen „tot het persoonlijk gebruik van de bijbel”, van een hen-vertrouwd-maken „met het belijdenis- en leerboek en het dienstboek der Kerk”, en van een hen bepalen „bij de roeping van het belijdend lid der gemeente van Christus” (O. 9-4-3).

Aan het einde van de periode der belijdenis-catechisatie zal de kerkeraad (of een delegatie van deze) hebben te onderzoeken of de bereidheid om openbare belijdenis des geloofs af te leggen bij de leerling aanwezig is, en of de door hem verkregen kennis voldoende is (K. XVII-2 en O. 9-4-4). Bij gunstige uitslag van dit onderzoek wordt de betrokkene toegelaten tot de openbare belijdenis des geloofs en „daardoor tot het Heilig Avondmaal” (O. 9-4-4, slot).

Deze éne alinea van artikel 4 van O. 9 is alles, wat er overgebleven is van het vrij uitvoerige artikel 38 van het vroegere Reglement op het godsdienstonderwijs, dat in de geschiedenis van de Nederl. Hervormde Kerk in de 19e eeuw, vooral in de zeventiger jaren, zo vaak ernstige deining veroorzaakt heeft. Over de vraag, of de ouderling bij het z.g. onderzoek der „aanneming” van hen, die zich voor het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis gemeld hadden, alleen maar figurant is, behoeft in het kerkelijk recht van de huidige kerkorde geen ogenblik onzekerheid meer te bestaan: de ambtelijke vergadering van de kerkeraad, in casu zijn delegatie, heeft hier volle verantwoordelijkheid. De predikant, die het onderzoek der leerlingen leidt, blijft hier deel van de kerkeraad (= het consistorie), zodat het deelnemen aan het onderzoek, ook door de ouderlingen, thans naar de kerkelijke wet volkomen normaal geacht moet worden. Een groot verschil met de formulering van de vroegere alinea 4 van artikel 38 van het Reglement op het godsdienstonderwijs!

De tot de openbare belijdenis des geloofs door de kerkeraad toegelatenen leggen deze af in een kerkdienst der gemeente, bij voorkeur op Palmzondag, onder gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier uit het dienstboek der Kerk, en worden daarna in het lidmatenboek der gemeente ingeschreven.

|247|

In artikel 39 van het vroegere Reglement op het godsdienstonderwijs waren de drie belijdenis vragen in extenso opgenomen. Met het bedenkelijke gevolg, dat deze drie vragen, en dan nog alleen „wat betreft de geest en de hoofdzaak”, naast de z.g. proponentsformule gingen functionneren als de kriteria voor „de geest en de beginselen van de belijdenis der Hervormde Kerk” (Art. 6 van het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht).
De belijdenis vragen maken van 1 Mei 1951 af deel uit van het thans nieuw opgestelde formulier voor de bevestiging van de nieuwe belijdende leden der gemeente.
In het Nunspeetse ontwerp-Kerkorde stonden de belijdenis vragen uit het in 1947 nog niet gereedgekomen ontwerp-dienstboek afgedrukt in een noot bij K. XVII. De tekst is sindsdien bij de behandeling van het desbetreffende formulier in de Synode van 1950 nog in meer dan één opzicht gewijzigd, zodat de drie belijdenisvragen thans aldus luiden (Dienstboek in ontwerp, 1950, Dl. I, blz. 15-16):
„Belijdt gij te geloven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde en in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onzen Heer, en in den Heiligen Geest?
Ten andere: aanvaardt gij de roeping om, als lidmaat van de gemeente, die God zich in Christus ten eeuwigen leven verkoren heeft, door zijn genade tegen de zonde en de duivel te strijden, uw Heiland te volgen in leven en in sterven, Hem te belijden voor de mensen en met blijdschap te arbeiden in zijn Koninkrijk?
Ten derde: wilt gij, in de gemeenschap der Nederlandse Hervormde Kerk en onder haar opzicht, getrouw zijn onder de bediening van het Woord en van de Sacramenten, volharden in het gebed en in het lezen van de Heilige Schrift en naar de u geschonken gaven medewerken aan de opbouw der gemeente van Christus?
Wat is daarop voor God en de gemeente uw antwoord?”
(Zie ook Handel., 1950-1951, Dl. I, blz. 378-386) 1.

Deze belijdenisvragen worden in ieder geval opnieuw gesteld aan lidmaten, die, nadat zij zich eerst van de Kerk afgescheiden hadden, de begeerte te kennen geven om wederom in haar midden te worden opgenomen. Evenwel behoeft er in dit geval geen openbare belijdenis des geloofs in een kerkdienst plaats te vinden, doch kan dit hernieuwde bevestigende antwoord op de belijdenisvragen geschieden ten overstaan van de kerkeraad, of een commissie daaruit (O. 9-7-4).


1 Zolang het dienstboek nog niet definitief door onze Kerk is aanvaard, gelden volgens O.v.b. 219, juncto 188, nog de drie belijdenisvragen van Art. 39 van het Reglement op het godsdienstonderwijs, tenzij een kerkeraad volgens O.v.b. 187 besloot de formulieren van het dienstboek in ontwerp reeds te gaan gebruiken (zie ook Rapporten, blz. 29).

|248|

In heel bijzondere gevallen kan ook een eerste bevestiging tot belijdend lid der gemeente buiten een kerkdienst plaatshebben, wanneer b.v. om gezondheidsredenen een openbare belijdenis des geloofs in een kerkdienst niet mogelijk is (O. 9-7-2).

Bij de overgang van een belijdend lid van een andere kerkgemeenschap naar de Hervormde Kerk beslist de kerkeraad op grond van hetgeen eertijds reeds door de betrokkene beleden werd, en aan de hand van de richtlijnen, door de synode verstrekt, op welke van de drie belijdenisvragen — al dan niet na voorafgaand onderricht — nog bevestigend zal moeten worden geantwoord (O. 9-7-5).

Het doen van belijdenis in een andere gemeente, dan waarin men woont, blijft ook onder de huidige kerkorde mogelijk, gelijk voorheen onder de vigueur van artikel 40 van het Reglement op het godsdienstonderwijs. Zelfs sloop bij de codificatie van deze mogelijkheid in O. 9-8-2 een bepaling binnen, die — evenals ter zake van de doopsbediening in een andere gemeente volgens O. 8-2-6 — mij wel wat te veel uit het oude hout van een reglementering ener door partijschap verscheurde Kerk gesneden is (in O. 9-8-2 vooral die woorden, dat na vier weken verzuim in het beantwoorden van een brief van een kerkeraad ener andere gemeente, zulk een kerkeraad geacht wordt, tegen inwilliging van het gedane verzoek geen bezwaar te hebben!). Wel is in onze nieuwe kerkelijke wetgeving gelukkig een einde gemaakt aan de kerkelijk zo onverantwoorde reductie van de bevoegdheid van de kerkeraad, die toestemming moet geven om een zijner op zijn territoir wonende leden vrijheid te schenken om elders belijdenis des geloofs af te leggen, om alleen over het zedelijk gedrag van betrokkene een verklaring af te geven. De verklaring van zulk een kerkeraad, die door de betrokkene zelf behoort te worden aangevraagd, moet nu tenminste de toestemming voor de openbare belijdenis elders bevatten onder vermelding van de redenen, die de betrokkene voor zijn verzoek aanvoerde (O. 9-8-1).

Deze toestemming moet, ingeval de aanvrager de belijdeniscatechisatie in de gemeente zijner woonplaats heeft gevolgd, bovendien ook de mededeling bevatten, dat de kerkeraad zich vergewist heeft, dat de kennis voldoende is, en de bereidheid tot het afleggen der geloofsbelijdenis aanwezig is (O. 9-8-3).

|249|

Binnen acht dagen legt de kerkeraad der gemeente, waar de openbare belijdenis plaatsvond, een verklaring daarvan over aan de kerkeraad van de gemeente der woonplaats, opdat inschrijving in de lidmatenregisters dier gemeente daarna plaatshebbe.
Voor deze lidmatenboeken zie O. 2-3-1 tot 4 en O. 16-1-2.
Wanneer een kerkeraad de door betrokkene gevraagde toestemming om elders openbare belijdenis des geloofs te mogen afleggen, weigert, kan het betrokken gemeentelid zich beroepen op de provinciale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen (O. 9-8-5).

Over de catecheet en de hulpkrachten bij de voorbereidende catechese sprak ik reeds nader in de paragraaf over „Ambten en bedieningen”; over de raad voor de catechese (O. 9-13-1 en 2) deels in diezelfde paragraaf, deels in de paragraaf over „de ambtelijke vergaderingen en de organen van bijstand”.

Bij O. 9-10-2 en 3 moet ik duidelijkheidshalve nog slechts de opmerking maken, dat een kerkeraad, die een catecheet wil benoemen, wel heeft te bedenken, dat het — evenals voor de aanstelling van functionarissen in andere bedieningen — nodig is om eerst contact op te nemen met het betrokken centrale orgaan van bijstand (hier: de raad voor de catechese); en dat het voorts van belang is voor de rechtszekerheid van de te benoemen catecheet de aanstellingsbrief mede te doen ondertekenen door het college van kerkvoogden, aangezien een kerkeraad als kerkeraad geen rechtspersoonlijkheid heeft. De „gemeente” heeft deze rechtspersoonlijkheid wel, maar kan in rechte niet vertegenwoordigd worden door de kerkeraad, doch alleen door het college van kerkvoogden, dat vermogensrechtelijke verbintenissen kan aangaan (zie O. 16-5-1 tot 3).

De overgang van de catechese naar de geestelijke vorming der jeugd, waarover wij nu nog iets meer moeten zeggen, is een vloeiende. Wij hebben niet het gevoel een grote sprong te moeten maken, als wij van het ene op het andere onderwerp overgaan. Wel kan men zeggen, dat de catechese der Kerk meer op het belijder-worden van de catechumenen gericht is, en dat de kerkelijke taak in de vorming der jeugd veel sterker in apostolair licht verschijnt. Maar het heeft toch ook al weer meer dan eens onze aandacht getrokken, dat ook de catechese in de nieuwe kerkorde aan zulk een apostolaire belichting niet geheel vreemd is. Het allereerste doel der catechese is b.v. volgens K. XVI-2 niet het brengen tot de openbare geloofsbelijdenis en daardoor tot het deelnemen aan het Heilig Avondmaal. Het eerste doel der

|250|

catechese is: de leerlingen te leren leven uit Gods beloften en naar Zijn geboden. Daarin klinken de accoorden van het apostolaat der Kerk bij de arbeid ter kerstening, „om het leven naar Gods beloften en geboden te richten” (K. VIII-4). Van zulk een apostolair gerichte catechese der Kerk is het dan ook maar één stap naar de erkenning der opdracht onzer Kerk medeverantwoordelijkheid te hebben voor de opvoeding van en het onderwijs aan de jeugd van ons gehele volk (K. IX-2), teneinde haar „de weg te wijzen in de wereld” (K. IX-1). Onze Kerk wil daarbij de ouders niet wegdringen uit hun primaire verantwoordelijkheden (vgl. O. 5-1-1: „naast de ouders draagt de Kerk medeverantwoordelijkheid” ....) En evenmin wil onze Kerk treden in wat de primaire taak van de school en haar leerkrachten is. De Kerk vooronderstelt, dat er „inrichtingen van onderwijs” zijn (O. 5-4-2), en dat haar bijzondere zorg zich allereerst zal uitstrekken tot de bevordering van het onderwijs in de bijbelse geschiedenis en de kerkgeschiedenis, en dan ook onmiddellijk daarna tot het leggen van contacten tussen de kerkelijke gemeente, de school, de leerkrachten en de ouders der leerlingen, „opdat de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de kinderen gestalte krijge” (O. 5-4-2).

De commissie van rapport uit de Synode van 1950 over de consideratiën der Kerk op het ontwerp-Kerkorde in eerste lezing heeft, min of meer onder de indruk van de bezwaren, die verscheidene classes tegen dit artikel over Kerk en school in eerste lezing inbrachten (o.a. dat in deze redactie te weinig de feitelijke situatie op het schoolgebied onder ogen wordt gezien), beproefd in een der alinea’s het christelijk en het openbaar onderwijs met name aan te duiden. De synode nam deze wijziging niet over, die trouwens ook maar heel weinig bevrediging kon wekken bij die voorstanders van het christelijk onderwijs, die eigenlijk vonden, dat een Christus-belijdende Kerk alleen in de richting van samenwerking met het bijzonder christelijk onderwijs mocht willen gaan! Zie Rapporten, blz. 86-87.
Het kan niet ontkend worden, dat vele voorstanders van het bijzonder christelijk onderwijs te kritiekloos de kaders van de L.O.-Wet-De Visser als het non plus ultra voor een op de kerstening van het onderwijs gerichte schoolpolitiek schijnen te aanvaarden; en daarmede te weinig oog hebben voor een vorm van kerstening van heel het onderwijs, zoals die in O. 5-4-1 bedoeld is en die theocratisch de jeugd van het gehele volk in het vizier blijft houden.

|251|

Terwijl voorts wel eens te gemakkelijk vergeten wordt, dat kerkorde en ordinanties uitzichten dienen te openen op langere termijn dan de levensduur van organieke wetten van de Staat der Nederlanden.

Dat onze Kerk met de definitieve vorm, die zij aan ordinantie 5 als de ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school gegeven heeft, de geestelijke vorming der jeugd wel zeer hoog aanslaat, kan nog uit drie dingen blijken. Ten eerste uit de beide raden, als synodale organen van bijstand, die reeds kort na het uitbreken van de laatste wereldoorlog, en dus lang vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Hervormde kerkrecht in het leven geroepen waren, nl. de raad voor het jeugdwerk en de raad voor de zaken van Kerk en school, welke beide raden reeds onder de Duitse onderdrukking zulk mooi werk onder uiterst moeilijke omstandigheden gedaan hebben.

Over de samenstelling dier raden vergelijke men de paragraaf over „de ambtelijke vergaderingen en de organen van bijstand” (blz. 200).

Ten tweede uit het feit, dat de „commissies voor het jeugdwerk”, als organen van bijstand voor de kerkeraden en daarboven ook voor de meerdere ambtelijke vergaderingen geen commissies zijn, die facultatief in het leven kunnen worden geroepen. Neen, ze moeten worden gevormd in de plaatselijke gemeenten ingevolge O. 5-1-2, en O. 5-2-1.

Er is in sommige classes bij het geven van consideraties wel aangedrongen, om deze verplichting tot instelling van commissies voor het jeugdwerk weg te nemen — goeddeels uit vrees voor de overwoekering van het werk der ambtelijke vergaderingen door een netwerk van organen van bijstand —, maar de commissie uit de synode voor de consideratiën wees deze verandering in meerderheid af (Rapporten, blz. 85).

Ten derde ook uit de grote zorg, die de Kerk blijkt te besteden aan de opleiding en training van jeugdwerkleiders en leerkrachten voor het bijbelonderwijs op de scholen (men vergelijke hiervoor O. 5-3-1 tot 4 en O. 5-6-7 en 8).

Meer bijzonderheden over deze geschoolde helpers bij de vorming der jeugd kan men vinden in de paragraaf over „Ambten en bedieningen” (blz. 176).

Haitjema, Th.L. (1951) II.12

|252|

§ 12. Het avondmaalssacrament.

 

Het is naast het fundamentele kerkorde-artikel XVIII vooral ordinantie 10, die over de bediening van het Heilig Avondmaal handelt. In de synodezitting van 17 Mei 1949, waar deze ordinantie uit het ontwerp-Kerkorde voor de eerste maal besproken werd, maakte een der leden de opmerking, dat er in de ordinanties 8 en 10 eigenlijk veel te weinig over het wezen van Doop en Avondmaal gezegd werd, zodat nauwelijks kon verwacht worden, dat deze bepalingen, die zo zeer aan de buitenkant bleven, er toe zouden kunnen bijdragen, dat er verbetering komen zou in de nood van onze doopspraktijk en van onze avondmaalsviering.

Daartegen werd door de rapporteur voor de subcommissie, die O. 10 van naderbij bezien had, heel terecht opgemerkt, dat de kerkordelijke bepalingen steeds uitermate sober moeten zijn en men geen beschouwingen moet zoeken over het wezen van het sacrament en over de plaats en betekenis van de liturgische viering er van, welke in een geloofsbelijdenis en een dienstboek der Kerk thuishoren. Zowel de confessie als het dienstboek zijn in de grond der zaak vooronderstellingen van de kerkordelijke regelingen (Handel., 1949, blz. 245-246).

Men verwachte in deze paragraaf dan ook geen dogmatische of liturgische uiteenzettingen over het Heilig Avondmaal. Er is een zee van litteratuur over dit onderwerp. Ik moge in dit verband volstaan met een enkele aanhaling uit Art. 10 van Fundamenten en Perspectieven, dat over de heilsmiddelen handelt en aan het slot bijzonder inhoudrijk over het wezen van het Heilig Avondmaal het volgende zegt: „In het Heilig Avondmaal wordt ons door het breken en vergieten, het rondreiken en nuttigen van brood en wijn de offerdood van Jezus Christus betekend en verzegeld als de grond van ons waarachtige leven. Hierin is Christus met de verzoenende kracht van zijn offer door de Heilige Geest tegenwoordig, verbindt Hij ons tot de waarachtige gemeenschap met Zich en met elkander en doet Hij ons met vreugdevolle verwachting uitzien naar het Feest van het Koninkrijk Gods” (a.w., blz. 27).

„Fundamenten en Perspectieven” is natuurlijk geen confessie

|253|

van onze Kerk. Maar het is wel een „proeve van belijden”, welke ongeveer in dezelfde tijd in de synode doorsproken is, waarin ook O. 10 van de nieuwe kerkorde voor de eerste lezing behandeld werd. En daarom is er wel enige reden, deze korte en rijke wezensomschrijving van het Heilig Avondmaal de achtergrond te achten van de bijna sober-zakelijke artikelen van ordinantie 10.

 

Dat vóór de omschrijving van de eigenlijke bediening van het Heilig Avondmaal, die in één artikel (O. 10-5) besproken wordt, daarmede de „regulatieve” uitwerking gevende van K. XVIII in zijn geheel, in een viertal artikelen gehandeld wordt over de voorbereidende zorgen, die een kerkeraad (= consistorie) vóór iedere avondmaalsbediening heeft, moge op zich zelf reeds een bewijs zijn van de betekenis, die de avondmaalsviering als hoogtij in het geestelijk leven der Hervormde gemeenten heeft. Opdat ieder lidmaat met dit hoogtij in het plaatselijk-kerkelijk leven ten volle ernst make, geschiedt er een nodiging tot iedere avondmaalsviering in de prediking en bij de herderlijke zorg (O. 10-1-1 en 2).

Een bepaalde verplichting tot een afzonderlijke voorbereidingspredikatie heeft de synode niet willen geven, deels omdat toch eigenlijk iedere prediking „voorbereiding” tot de avondmaalsviering behoort te zijn, deels ook omdat het praktisch niet altijd mogelijk is vooraf een aparte voorbereidingsdienst te houden (b.v. op Palmzondag en Goede Vrijdag). Wel kan gezegd worden, dat de afzonderlijke voorbereidingsdiensten in de lijn van O. 10-1-1 tot 3 liggen (Handel., 1949, blz. 246-247). Men zie ook O. 10-5-3.

In O. 10-2-1 wordt nadrukkelijk gesteld, dat men lidmaat (= belijdend lid) der gemeente moet zijn, om tot het Heilig Avondmaal te kunnen worden toegelaten. De kerkelijke mondigheid, welke met de aflegging van de openbare belijdenis des geloofs verkregen werd, wil en moet zich allereerst manifesteren in het verkondigen van de dood des Heren aan de Dis des nieuwen Verbonds.

Juist als dit geloof in al zijn zwakheid beleden wordt, zal de noodzaak der geloofsversterking uitdrijven naar de Tafel des Heren. Er kan in de Hervormde Kerk dus geen sprake zijn van een kinder-avondmaal, zoals dat bij sommige secten

|254|

bestaat. Het gaat ook niet aan, daar iets zinvols in te willen vinden op grond van het feit, dat God in de sacramenten van Zijn kant bezegelt en bevestigt, dat Zijn verlossingsdaad en Zijn verlossend woord ons genade en eeuwig leven schenken wil, en dat onze bekentenis van ons geloof daarbij van geen betekenis is. In de paragraaf over het doopssacrament heb ik mij reeds tegen deze eenzijdige overschatting van het souverein-monopleurisch karakter der heilsmiddelen moeten verzetten (zie blz. 237-238).

Behalve de lidmaten der eigen plaatselijke gemeente, die aan het geregelde opzicht en de herderlijke zorg van hun kerkeraad toevertrouwd zijn — uitgezonderd natuurlijk degenen, die door toepassing van een bijzondere maatregel van tucht van deelneming aan het Heilig Avondmaal zijn uitgesloten — worden ook lidmaten, die een reisattestatie overleggen, en lidmaten uit een andere Hervormde gemeente, die een verzoek tot deelneming aan de avondmaalsviering deden, tot de viering toegelaten, de laatsten als gast (O. 10-2-1). Belijdende leden van andere Kerken worden tot het Avondmaal toegelaten naar de regelen, daarvoor in ordinantie 20 gesteld (O. 10-2-2; zie ook § 1 van het „Beschrijvend Gedeelte”, blz. 120-122).

Een reisattestatie kan door de kerkeraad van de gemeente zijner woonplaats aan een lidmaat op diens verzoek worden uitgereikt, wanneer hij gedurende langere tijd van zijn woonplaats afwezig zal zijn. De reisattestatie wordt ingericht naar een model, door het breed moderamen der synode vastgesteld (O. 10-3-10). Ook een reisattestatie bevat natuurlijk een verklaring van de kerkeraad, waaronder de betrokkene ressorteert, over zijn belijdenis en wandel, gelijk dat ook met een gewone attestatie het geval is. Alleen wordt de reisattestatie uiteraard niet naar een met name genoemde Hervormde gemeente afgegeven.
Een bewijs van lidmaatschap behelst niet meer dan een verklaring van de kerkeraad, waaronder men ressorteerde, dat men ingeschreven stond in het lidmatenregister der gemeente (O. 10-3-6).

Niet het bewijs van lidmaatschap zonder meer, doch een volledige attestatie over belijdenis en wandel kan een nieuw ingekomen lidmaat in de gemeente zijner woonplaats slechts toegang geven tot het Heilig Avondmaal. Daarom zal de kerkeraad bij het huisbezoek, vooral wanneer een avondmaalsviering aanstaande is, de nieuw ingekomen lidmaten hebben op te wekken, hun attestatie uit hun vorige gemeente

|255|

op te vragen en daarna in te dienen bij de kerkeraad van de nieuwe woonplaats (O. 10-3-1 tot 3).

Een nieuw ingekomene, die nog geen attestatie indiende, kan ingevolge O. 10-3-4 éénmaal als gast tot de avondmaalsviering worden toegelaten, mits hij toezegt, de attestatie onverwijld te zullen aanvragen.
Een attestatie, die zes maanden na het tijdstip der afgifte door de kerkeraad der vorige woonplaats nog niet is ingediend, wordt waardeloos vanwege het vacuüm ener zo lange periode in het pastorale opzicht (O. 10-3-5).

Een attestatie over belijdenis en wandel is derhalve iets anders en veel meer dan een kerkelijk verhuisbiljet. Zij kan daarom ook nooit automatisch worden afgegeven, doch moet worden aangevraagd door het belijdend lid, dat naar een andere gemeente verhuist (O. 10-3-4).

Iedere aanvrage van een attestatie wordt door de kerkeraad aan de gemeente medegedeeld, opdat deze gelegenheid krijge eventuele bezwaren tegen belijdenis of wandel in te dienen (O. 10-3-8). Ook van nieuw ingekomenen met attestatie wordt aan de gemeente mededeling gedaan, opdat K. XX-2 volledig kunne functionneren ten opzichte van de herderlijke zorg der gemeenteleden onder elkander.
Eerst acht dagen na de afkondiging mag de aangevraagde attestatie worden afgegeven (O. 10-3-9).
Zie voorts nog Handel., 1949, blz. 252-253.

Ten slotte behoort ook de censura morum vóór elke viering van het Heilig Avondmaal nog tot de noodzakelijke voorbereiding van de gemeente op haar hoogtij in de avondmaalsgemeenschap. Het is noodzakelijk van de vergadering voor de „censura morum” aan de gemeente mededeling te doen, opdat ook lidmaten der gemeente de gelegenheid krijgen bezwaren in te brengen tegen de toelating tot de Tafel des Heren van die lidmaten, die openlijk ergernis gegeven hebben door hun zedelijke wandel of door hun in-openbare-strijd-komen met de belijdenis der Kerk op aanstoot gevende wijze (O. 10-4-1).

Het openlijk ergernis en aanstoot geven in belijdenis of wandel blijve bij deze avondmaalscensuur van de kerkeraad het kriterium. Op een opmerking uit de classis Nijmegen over het „wettische” van deze censura morum, die het nodig zou maken liever een „censura poenitentiae”, d.i. een censuur over de boetvaardigheid van de aanstaande avondmaalsgangers

|256|

toe te passen, is de commissie van rapport over de consideratiën der Kerk op de kerkorde in eerste lezing gelukkig niet ingegaan. Zij antwoordde terecht: de intimis non judicat ecclesia (= over het innerlijk spreekt de Kerk geen oordeel uit), en voegde er bij, dat lidmaten, die over onboetvaardigheid van medelidmaten klachten hadden in te brengen, stellig verdienden zelf het allereerst van de Tafel des Heren geweerd te worden (Rapporten, blz. 123-124). Omdat het bij de avondmaalscensuur gaat om de heilig-houding van de Verbondsgemeente, die gesteld werd midden in de wereld, moet hier de openbare ergernis, die lidmaten onverhoopt geven, kriterium zijn bij een niet-toelaten tot de bediening van het Avondmaal in de gemeente, die voor de kritiek der wereld zozeer openstaat.

Het is een fijn trekje in O. 10-4-2, wanneer bij de uitoefening van de „censura morum” zoveel nadruk gelegd wordt op de censuur, die de ambtsdragers der gemeente vóór de avondmaalsviering op zichzelf en elkander hebben uit te oefenen, en op de ernst, waarmede dezen hebben te trachten uit eigen midden weg te nemen, wat een beletsel voor de rechte viering van het Avondmaal zou kunnen zijn.

De viering van het Heilig Avondmaal moet in iedere gemeente tenminste viermaal per jaar plaatshebben. Minder dan viermaal per jaar gelegenheid geven tot viering van het Avondmaal is aan een kerkeraad slechts geoorloofd na overleg met kerkvisitatoren-provinciaal (O. 10-5-1).

Slechts zij, die daartoe in de orde der Kerk zijn aangewezen, mogen de tekenen van brood en wijn als bedienaar der sacramenten uitreiken. Twee ouderlingen zijn daarbij als ouderlingen van dienst aanwezig, en hebben toe te zien, „dat niet tot de dis des Heren toegaat, die daarvan geweerd moet worden”. Twee diakenen dienen aan de tafel (O. 10-5-2).

Dit dienen kan in bepaalde omstandigheden ook daarin bestaan, dat deze diakenen brood en beker uitreiken aan de avondmaalsgangers. Natuurlijk is dit niet een dienst aan het sacrament, die op één lijn zou staan met de „bediening”, die door de predikant geleid wordt krachtens zijn ambtelijke bevoegdheid. Wel zal het een Gereformeerd gemoed goed doen, als deze leiding bij de avondmaalsviering zo weinig mogelijk priesterlijk-clericale allures aanneemt.

Natuurlijk wordt bij de avondmaalsbediening, zo goed als bij de doopsbediening, de bevestiging van nieuwe lidmaten

|257|

der gemeente, als ook bij de bevestiging van ambtsdragers de gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier uit het dienstboek der Kerk voorgeschreven. Het dienstboek in ontwerp geeft voor de avondmaalsviering aan de kerkeraden (niet aan de predikanten, zoals vroeger volgens Art. 22 van het Reglement voor de kerkeraden!) de keuze uit meerdere avondmaalsformulieren.

Ook hierbij dient, zolang het dienstboek nog niet officieel door de Kerk aanvaard is, vooral aandacht te worden geschonken aan O.v.b. 188. Men lette voorts ook op het verschil van binding aan het oordeel van de kerkeraad, dat in O.v.b. 188 ten aanzien van de eigen predikant èn ten aanzien van de ringpredikant van buiten de gemeente geformuleerd is.

Het Avondmaal bij ziekbedden (dus „buiten een kerkdienst”) wordt kerkelijk gewettigd door de slotbepaling van O. 10-5-4. Maar het huidige kerkrecht wil deze vorm van avondmaalsbediening toch alleen in bijzondere omstandigheden, en dan toch liefst in tegenwoordigheid van een stukje „gemeente” naast de vertegenwoordigers van de kerkeraad. Bovendien zal er naar gestreefd moeten worden, dat zulk een bijzondere avondmaalsviering toch altijd plaatsvindt „in aansluiting aan de regelmatige viering van het Avondmaal door de gemeente”.

Al deze restricties hebben uiteraard de bedoeling, niet-reformatorische drijfveren en „paapse stoutigheden” bij deze avondmaalsbediening aan zieken te weren.

Enkele classes wilden blijkens hun ingezonden consideraties dit lid 4 van artikel 5 van ordinantie 10 geschrapt hebben uit vrees voor bijgelovige misbruiken bij deze vorm van avondmaalsviering. De commissie van rapport over de consideratiën merkte daartegen met reden op: „Het misbruik heffe het gebruik niet op .... De bediening van het Avondmaal aan zieken is een reformatorische traditie” (Rapporten, blz. 125).

Haitjema, Th.L. (1951) II.13

§ 13. Van het huwelijk en het gezin.

 

„Het huwelijk, als een inzetting Gods, zal heilig worden gehouden”.

Zo vangt K. XXI in de eerste alinea aan met over het

|258|

huwelijk te spreken. In deze volzin staan een tweetal uitdrukkingen, die heel gemakkelijk zouden kunnen misverstaan worden. Het zijn de uitdrukkingen „inzetting Gods” en „heilig houden”, die beide gemakkelijk in de richting van een romaniserende misvatting zouden kunnen doen verdolen, als ware het huwelijk een sacrament, een der heilsmiddelen Gods.

Het woord „inzetting” zou gedachtenassociaties kunnen losmaken met het woord „instelling”, nl. instelling van Christus, dat de typische inzet van de omschrijving van het wezen van Doop en Avondmaal in het Gereformeerd Protestantisme is; en van „heilig houden” hebben wij in de vorige paragrafen meermalen moeten spreken, toen de voorbereiding van de doopsbediening en van de avondmaalsviering aan de orde was; dat „heilig houden” bedoelt dan de opdracht der Kerk te onderstrepen, het genadeverbond heilig te houden.

Toch is voor het Geref. Protestantisme het huwelijk geen sacrament, al ontkent het niet, dat een Schriftuurplaats als Efes. 5: 22 v.v. met bijna sacramentele geladenheid over het huwelijk spreekt, als aan de verhouding van man en vrouw in het huwelijk het beeld ontleend wordt van Christus’ verhouding tot zijn gemeente, korter gezegd: van de God des genadeverbonds tot de mens, die in dit verbond de tweede partij mag zijn.

De uitdrukking „inzetting Gods” in K. XXI-1 wijst op een inzetting van de Heer der schepping „van den beginne” en duidt dus zeker niet het plechtanker voor Gods heilgeheimen in de bediening der verzoening van de Kerk van Christus aan. En zulk een inzetting heilig te houden, is natuurlijk wel ook de taak der Kerk, maar toch evengoed de opdracht aan de mensheid als zodanig, die door God in deze wereld gezet is als de „tweezame”, man èn vrouw. Het „heilig houden” slaat hier dus op die ordinantiën Gods, die van de schepping af gelden voor iedere mens, en niet op verbondsvoorwaarden, die slechts kunnen gelden voor hen, die uit de wereld uitgeroepen zijn tot deelgenootschap aan het Lichaam van Christus (= de ekklesia = de uit de wereld uitgeroepene).

Natuurlijk gaat het ook weer niet aan, dat men het sacramenteel karakter van het huwelijk zó boud ontkent, als dit

|259|

gebeurde door een van de synodeleden in Mei 1949 bij de eerste behandeling van O. 12, toen hij poneerde, dat het eigenlijk zinloos was van een kerkelijke bevestiging en inzegening van het huwelijk te spreken, omdat het huwelijk een saeculair karakter heeft: „de huwenden sluiten het huwelijk en de overheid bevestigt het”. Was dit waar, dan zou de Kerk dus alleen het huwelijk kunnen „begeleiden met het Woord Gods” (Handel., 1949, blz. 258). De consequentie daarvan zou zijn, dat alle aanleiding om in de Kerkorde een afzonderlijk artikel over het huwelijk en daarnaast nog een afzonderlijke ordinantie „voor de zaken van huwelijk en gezinsleven” op te nemen, in de grond der zaak vervallen moet heten. Want de Kerk moet zonder twijfel alle menselijk handelen in deze wereld „met het Woord Gods begeleiden”.

Gelukkig, dat de woorden „bevestiging en inzegening” van het huwelijk door de Kerk in K. XXI-2 en O. 12 zijn blijven staan. Onze Kerk heeft niet willen kiezen tussen de beide termen. Zij heeft gemeend, dat zij beide nodig waren, om het eigenlijke van de speciaal-kerkelijke bemoeienis met de huwelijkssluiting te omschrijven. In het woord „bevestiging” ligt de verbondsmatige stipulatie van het bepaalde huwelijksverbond, dat God wil sluiten met het bruidspaar, dat voor Zijn aangezicht verschijnt. En met het woord „inzegening” wordt volgens Prof. Berkelbach van der Sprenkel onderstreept, dat „het huwelijk wordt ingebracht in de zegen des Heren” (Handel., 1948, blz. 186).

Dat onze Kerk met deze haar bemoeienis met de huwelijkssluiting volle ernst wil maken, opdat de ordinantiën Gods heilig mogen gehouden worden, blijkt wel heel duidelijk uit de inzet van ordinantie 12 met de omschrijving van de zorg, waarmede de Kerk mede deelneemt aan de voorbereiding op het huwelijk van de leden der gemeente, die voor de vorming van een huisgezin komen te staan. In het Nunspeetse ontwerp-Kerkorde droeg O. 12-1 zelfs de titel „huwelijkscatechese1 en ging daarbij dus van de gedachte uit, dat alle leden der gemeente, die na hun verloving zich gaan


1 Voor deze bijzondere vorm van catechese zij verwezen naar het boek van Prof. Dr S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel, Huwelijkscatechisatie, Nijkerk, 1946.

|260|

voorbereiden op de vorming van een gezin, zulk een bijzondere catechese zouden volgen, om hen beter opgewassen te doen zijn tegen de taak, die hen in het huwelijk wacht.

Omdat men in de synode oordeelde, dat van een verplicht stellen der huwelijkscatechese als praktisch ondoorvoerbaar geen sprake kon zijn, heeft men de titel boven O. 12-1 veranderd, en de vorm, waarin een kerkeraad een aanstaand echtpaar wil voorbereiden op zijn toekomstige taak, niet meer exclusief gebonden aan de huwelijkscatechisatie, al bleef de uiteindelijke redactie van O. 12-1-1 voorkeur uitspreken voor deze bijzondere catechese (Handel., 1949, blz. 257-259).

Waar men deze vorm van voorbereiding niet in werking kan laten treden, zal het „pastoraal gesprek” vóór de bevestiging van het huwelijk van het bruidspaar met de predikant ter plaatse, óf met de bevestiger (O. 12-2-2) ten dele moeten opvangen, wat anders in de huwelijkscatechisatie reeds kan besproken zijn met dit bruidspaar vóór hun ondertrouw.

Er ligt in O. 12 nog wel een ander bewijs, dat de Kerk ook van haar kant ernst wil maken met de voorbereiding op het huwelijk, bijzonderlijk op de plechtigheid der kerkelijke huwelijksbevestiging en -inzegening, en dat is de hoofdstrekking van alles, wat in O. 12-2 en O. 12-3 besproken wordt aangaande de aanvrage der huwelijksinzegening, de afkondiging dier aanvrage in het midden der gemeente en aangaande de mogelijke beletselen tegen een kerkelijke huwelijksbevestiging, die na de bovenbedoelde afkondiging door „lidmaten der Kerk” bij de kerkeraad ter plaatse, waar de bevestiging en inzegening van het huwelijk worden begeerd, zouden kunnen worden aangebracht, óf die ter kennis van deze kerkeraad zouden kunnen komen, doordat de kerkeraad van de woonplaats van bruid en (of) bruidegom ingevolge O. 12-2-5 bezwaren inbracht tegen de inzegening van het huwelijk.

Juist om het opzicht van de kerkeraad in de beoordeling van een aanvrage tot kerkelijke huwelijksbevestiging en -inzegening, en evenzo het opzicht van de leden der gemeente op elkander (zie K. XX-1) zo effectief mogelijk te doen zijn, eist O. 12-2-1, dat een verzoek om bevestiging en inzegening van een huwelijk tenminste drie weken te voren bij de betrokken kerkeraad moet worden ingediend, tenzij de

|261|

kerkeraad om bijzondere redenen deze termijn in een bepaald geval verkort. Bij de indiening van dit verzoek worden de door de kerkeraad gevraagde gegevens over de kerkelijke en burgerlijke staat van het bruidspaar overgelegd en tevens gezegd, door wie men de bevestiging en inzegening wil verricht hebben.
Volgens O. 12-2-3 wordt het ingediende verzoek zo spoedig mogelijk aan de gemeente bekendgemaakt. Kerkrechtelijk make men dus wel onderscheid tussen de afkondiging van de aanvrage èn de afkondiging daarna van datum en uur der kerkelijke huwelijksplechtigheid. De afkondiging der aanvrage behoeft maar éénmaal plaats te hebben. Na die afkondiging moeten eventuele bezwaren tegen deze kerkelijke huwelijks-bevestiging en -inzegening door lidmaten der Kerk, schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend bij de kerkeraad worden ingediend uiterlijk op de derde dag na de bekendmaking (O. 12-3-1). Dat in dit artikel ook nadrukkelijk van „een lidmaat der Kerk”, en niet van „een lidmaat der gemeente” gesproken wordt, heeft deze betekenis, dat men op deze wijze ook een lidmaat uit de gemeente, waar bruid of bruidegom hun woonplaats hebben, terwijl zij in een andere gemeente de huwelijksbevestiging en -inzegening aanvroegen, in de gelegenheid stellen wil, om bezwaren in te brengen tegen deze kerkelijke plechtigheid (Handel., 1949, blz. 262). Er staat echter niet in de ordinantie, dat zulk een huwelijksaanvrage van een bruid of (en) bruidegom, die in een andere gemeente woont, ook door de kerkeraad dier gemeente aan de leden der gemeente bekend moet worden gemaakt. Wel staat er, dat de kerkeraad, die de aanvrage ontving, tenminste veertien dagen vóór de datum van de aangevraagde huwelijksinzegening aan de kerkeraad (-raden) van de gemeente der woonplaats(en) bericht zenden moet (O. 12-2-4). Meent dan zulk een kerkeraad van de gemeente der woonplaats der bruid of (en) des bruidegoms, dat er bezwaren bestaan tegen de aangevraagde huwelijksinzegening, dan moet onverwijld en in ieder geval binnen een week daarover bericht gezonden worden naar de kerkeraad, die de aanvrage kreeg (O. 12-2-5).

Wat de beletselen tegen de kerkelijke bevestiging en inzegening van een huwelijk kunnen zijn, wordt in O. 12-3 niet concreet aangegeven. Wel schemert in O. 12-3-3 één bepaald beletsel door, maar dat is eigenlijk nog meer een beletsel voor de burgerlijke wet dan voor de kerkelijke wet. O. 12-3-3 vordert, om niet met een bepaling van de burgerlijke wet in conflict te komen van hem, die het huwelijk bevestigen zal, dat hij het bewijs gezien hebbe, dat het desbetreffende bruidspaar naar de burgerlijke wet gehuwd is.

Art. 449 van het Wetboek van Strafrecht luidt aldus: De bedienaar van den godsdienst, die, vóór dat partijen hem hebben doen blijken dat hun huwelijk ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand is voltrokken, eenige godsdienstige plechtigheid daartoe betrekkelijk,

|262|

verricht, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan, inplaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste twee maanden worden opgelegd.

De beletselen, die door het opzicht van kerkeraden èn van gemeenteleden tegenover elkander aan de dag kunnen komen, zijn natuurlijk van heel andere aard, en zullen vooral het zedelijk leven van bruid en (of) bruidegom betreffen.

In de synode, die deze ordinantie met het oog op de eerste lezing der Kerkorde behandelde in Mei 1949, werd voorgesteld om hier als concreet beletsel tegen een kerkelijke huwelijksinzegening te codificeren, dat één der partijen reeds gehuwd geweest is, maar door echtscheiding aan zijn (of haar) huwelijke staat een einde gemaakt zag. Zolang de andere partij uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk nog niet overleden is, zou dan de kerkelijke inzegening van zulk een huwelijk verboden moeten zijn. De synode heeft dit amendement niet aanvaard, en was daarbij duidelijk gedachtig aan een in 1947 voorlopig aanvaarde reglementswijziging in deze geest, die door de provinciale kerkbesturen en classicale vergaderingen blijkens hun consideratiën zó ongunstig ontvangen werd, dat de reglementswijziging bij de tweede behandeling weer teruggenomen werd, doch een commissie ad hoc wel weer de opdracht vernieuwd kreeg, om met het echtscheidingsprobleem in verband met de huwelijksinzegening bezig te blijven (Handel., 1947, blz. 486-487; het betrof hier het rapport over de consideratiën op een toevoeging aan Art. 14, sub 4, van het vroegere Reglement voor de kerkeraden).

Zijn er geen bezwaren uit een andere gemeente of uit de gemeente, waarvan de kerkeraad de aanvrage ontving, ingekomen, of ook oordeelt de kerkeraad, dat zulke door gemeenteleden ingediende bezwaren geen beletselen behoeven te vormen voor een toestemming tot de huwelijksinzegening, dan kan de plechtigheid voortgang hebben en geleid worden of door de eigen predikant der gemeente, wier kerkeraad de aanvrage ontving, óf door een andere predikant, hulpprediker, vicaris of emeritus-predikant door het bruidspaar

|263|

te kiezen, doch met goedvinden van de kerkeraad (O. 12-4-1).

Bij de plechtigheid, die in een kerkdienst der gemeente geschiedt, zijn minstens een of meer ouderlingen en diakenen tegenwoordig (O. 12-4-2). De gezinsbijbel zal worden uitgereikt door de kerkeraad namens de gemeente op een geschikt ogenblik tijdens de huwelijksinzegening, welke geschiedt „onder gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier uit het dienstboek der Kerk” (O. 12-4-1 en 3).

Natuurlijk gelden ook ten aanzien van het gebruikmaken van een der huwelijks formulieren uit het dienstboek-in-ontwerp vooralsnog de overgangsbepalingen 187 en 188, die ik al meer dan eens even besprak in ander verband, waar een formele binding aan de formulieren van het dienstboek in de ordinanties reeds gecodificeerd is.
Dat hier de plechtigheid wordt voorgeschreven als te houden „in een kerkdienst der gemeente”, bedoelt te voorkomen, dat z.g. huwelijks-wijdingen in particuliere woningen of althans in intieme kring de schijn zouden kunnen voeren van officiële kerkelijke huwelijksinzegeningen te zijn, ook al is de leider van zulk een particuliere wijdingsdienst een tot de kerkelijke huwelijksinzegening bevoegde.

Een sympathieke bepaling is te vinden in O. 12-4-4, waarin de inrichting van het kerk- of dienstgebouw, waarvan gebruik wordt gemaakt bij een trouw-kerkdienst, aan het toezicht van het college van kerkvoogden toevertrouwd blijft, die er voor zorgen moeten, dat deze inrichting onafhankelijk blijft van de vergoeding, die het bruidspaar voor deze kerkelijke bevestiging en inzegening betalen wil.

In deze bepaling schemert wel duidelijk door, dat de nieuwe kerkorde wil trachten misstanden in vele gemeenten tegen te gaan, die bij huwelijksinzegeningen in verband met allerlei door het bruidspaar of door familie op touw gezette vormen van opluistering, of ook versieringen van het kerk- of dienstgebouw gemakkelijk zouden kunnen insluipen, terwijl ook het in de gemeente van Christus al heel weinig verantwoorde stelsel van hoge en lage tarieven — voor rijken en armen met en zonder kostbare tapijten! — wordt tegengegaan.

Na de bevestiging en inzegening van het huwelijk tekent de kerkeraad op verzoek van het bruidspaar datum en plaats van de kerkelijke huwelijksinzegening in het familieregister (of trouwboekje), dat de burgerlijke overheid uitreikte, aan. En hij schrijft tevens het echtpaar in in het trouwboek (in duplo; zie O. 2-3-1 en 2), terwijl deze kerkeraad binnen acht

|264|

dagen mededeling van het betrokken kerkelijk huwelijk doet aan de gemeente, waar de gehuwden zich vestigen (O. 12-5-1 en 2).

De artikelen 6 en 7 van ordinantie 12 zijn eerst bij de besprekingen in de synode over de tweede lezing van het ontwerp-Kerkorde bij deze ordinantie gevoegd. Men kon nergens een geschikter plaats vinden om bepalingen over de bemoeienissen der Kerk met het gezinsleven onder te brengen dan hier.
Het gevolg werd toen, dat de hele titel van deze ordinantie 12 veranderd moest worden. Nu werd de titel: Ordinantie voor de zaken van huwelijk en gezinsleven.
Dat O. 12-6 en 7 in strikte zin niet in de oorspronkelijke opzet van deze ordinantie een plaats hadden, wordt dadelijk reeds geïllustreerd door de eerste woorden van O. 12-6, waar plotseling „de kerkeraad in zijn geheel” weer de verantwoordelijkheden van de zorg voor het gezinsleven te dragen krijgt, terwijl O. 12-1-2 toch aangekondigd had, dat „de in deze ordinantie aan de kerkeraad opgedragen zaken namens deze worden verricht door het consistorie”.
Het orgaan van bijstand, dat de synode terzijde staat in deze zaken van huwelijk en gezinsleven, is de raad voor de zaken van Kerk en gezin (O. 12-7-1).
Men verwarre deze raad vooral niet met de raad voor de herderlijke zorg, die aan het slot van O. 14 in zijn samenstelling en met zijn opdrachten wordt omschreven. Deze laatste raad vindt zijn bakermat héél duidelijk in de herderlijke zorg, voor zover die taak van het consistorie is. Hier in O. 12-7 gaat het over een raad, die aan de herderlijke zorg van de kerkeraad voorlichting en steun geeft, voor zover deze ook de diakenen en het diaconaat heeft aan te spreken.
Historisch heeft deze raad voor Kerk en gezin zijn achtergrond in het moeilijke en gezegende werk, dat in de zware bezettingsjaren onder leiding van Dr C.P. Gunning geschiedde voor de onnoemelijk vele gezinnen, die door de deportatie-maatregelen der Duitse onderdrukkers uiteengescheurd waren.

Haitjema, Th.L. (1951) II.14

§ 14. Visitatie en opzicht, en de daaruit voortvloeiende kerkelijke rechtspraak.

 

Onder de vroegere kerkelijke reglementen, die op 1 Mei 1951 door de nieuwe kerkorde werden vervangen, bestond een afzonderlijk Reglement op de kerkvisitatie, dat van 15 Januari 1921 af in werking was geweest 1. Het was ontstaan


1 Vgl. De Reglementen der Nederlandsche Hervormde Kerk, uitgegeven op last van de Algemene Synodale Commissie, 8e druk, Tweede Nooduitgave, 1948, blz. 111 v.v.

|265|

uit een na afloop van de eerste wereldoorlog duidelijk aan de dag getreden behoefte om het gehele systeem van de persoonlijke kerkvisitatie grondig te herzien. Vóórdien was de persoonlijke kerkvisitatie classicaal geregeld geweest. De kerkvisitatoren waren uit en voor een bepaalde classis benoemd. Maar o.a. omdat ook de tabellen voor de schriftelijke kerkvisitatie door de Classicale Besturen volgens een classicale opzet verzonden en verwerkt werden, deels ook, omdat vele classicale kerkvisitatoren te dicht bij de ambtsdragers stonden, over wier taakvervulling de visitatie zich mede uitstrekte, gaf de classicale persoonlijke kerkvisitatie bitter weinig bevrediging, doordat zij maar al te gemakkelijk ging gelijken op een onderzoek van de toestand der gemeenten, waarbij in het persoonlijk contact met de kerkvisitatoren uit de classis dezelfde formuliervragen werden afgewerkt, die ook op de tabellen voor de schriftelijke kerkvisitatie samengebracht waren.

Men wilde in de Kerk in die dagen een geestelijke kerkvisitatie, waarbij men misschien wel ietwat te eenvoudig reeds grote winst verwachtte van een nieuwe, nl. provinciale regeling der persoonlijke kerkvisitatie. De kerkvisitatoren zouden voortaan door de Provinciale Kerkbesturen worden benoemd voor het gehele provinciale ressort en dan wel uit elke classis der provincie één visitator en één secundus. Eens in de vijf jaren dienden alle gemeenten van het provinciaal ressort een bezoek van de kerkvisitatoren te hebben gehad, terwijl daarnaast om het andere jaar de tabellen voor de schriftelijke kerkvisitatie op de oude voet door de Classicale Besturen zouden blijven toegezonden aan alle gemeenten. Dat Reglement op de kerkvisitatie van 1921 schreef dus in twee zijner hoofdafdelingen zowel de schriftelijke als de persoonlijke kerkvisitatie voor en nam aan het slot twee tabellen met vragen op, waarvan de eerste speciaal voor de schriftelijke visitatie en de tweede als leidraad bij de persoonlijke kerkvisitatie bedoeld was, hoewel ook in Tabel A punten van onderzoek waren aangegeven, waarmede de kerkvisitatoren bemoeienis dienden te hebben.

De thans geldende kerkorde heeft het vraagstuk der visitatie op een geheel andere wijze aangevat, en deze zo sterk mogelijk onder de greep van het geestelijk opzicht

|266|

trachten te brengen, door de kerkvisitatie als zodanig in te schakelen bij het opzicht, dat de Kerk heeft te houden over gemeenten, ambtsdragers, bedieningen, organen en functies, doch ook over gewone gemeenteleden, — en wel als eerste hoofdstuk van de ordinantie voor bet opzicht.

Vrijwel alles, wat vroeger op de tabellen voor de schriftelijke kerkvisitatie gevraagd werd, is thans, als van administratieve en statistische aard, ondergebracht bij het toezicht, dat in ordinantie 19 nader geregeld wordt.

In finesses wordt verder het toezicht op de kerkelijke bezittingen, administraties en archieven geregeld in een generale regeling der synode, te ontwerpen door het generaal college van toezicht (O. 18-9-1).

Opzicht en toezicht zijn derhalve in het huidige Hervormde kerkrecht twee begrippen, die wij scherp van elkander behoren te onderscheiden.

Toezicht is de waakzame zorg der Kerk met betrekking tot de stoffelijke belangen van de plaatselijke gemeenten en de algemene Kerk, zowel ten aanzien van de kerkelijke bezittingen als de administraties, archieven en financiën (O. 18-1-1).

Opzicht is de term voor het onderzoek naar en het waken over het geestelijk leven der gemeenten, over de juiste taakvervulling in de ambten, bedieningen, organen en functies (O. 11-1-1), doch ook over belijdenis en wandel van de leden der Kerk (O. 11-4-1), en over de dienst des Woords en de catechese, opdat deze blijven strekken tot opbouw van de gemeente als het lichaam des Heren en niet aantasten de fundamenten der Kerk (O. 11-14-1 juncto O. 11-1-1). K. XX-4 tot 7 vormt de grondslag voor deze opvatting van het opzicht.

En nu is de kerkvisitatie in de huidige orde der Kerk volledig ingeschakeld in het opzicht, terwijl er voor de uitoefening van het toezicht andere instanties in het leven geroepen zijn in zulk een kader, dat daardoor tevens de definitieve liquidatie van het beheersvraagstuk de beste kansen krijgen kan. Wij komen hierop nader terug in § 16 van dit „Beschrijvend Gedeelte”.

In het oorspronkelijke ontwerp-Kerkorde van 1947 kwam aan het slot van O. 18 een Ve afdeling voor over „de zorg voor de kerkelijke statistiek en sociographie” (O. 18, 25 en 26). De waarde, welke aan de

|267|

statistische gegevens van de vroegere reglementaire kerkvisitatie toe te kennen viel, werd hierin als een stuk zorg voor de in te stellen „kamers van toezicht” gezien. De synode ging met deze omschakeling van de zorg voor de kerkelijke statistiek geheel accoord, doch oordeelde, dat deze materie — vooral ter zake van het in z.g. kerkrechtelijk verband stellen van het sociologisch instituut — niet aan het slof van O. 18 thuishoorde. Wel bleef uiteindelijk in de doelstelling van het toezicht (O. 18-1-1) opgenomen, dat het hierbij ook ging om „het bijeenbrengen van gegevens ten behoeve van de kerkelijke statistiek en het sociologisch onderzoek”, maar wat er over het instituut voor sociologische onderzoekingen in de kerkelijke wetgeving te zeggen viel, werd ten slotte ondergebracht in O. 1; nl. in artikel 27-8 tot 10 van deze ordinantie. Zie Handel., 1949, blz. 806.

Laat ons nu in deze paragraaf achtereenvolgens nader mogen handelen over de drie onderwerpen, die in de betiteling reeds door mij gesteld werden: a. de visitatie; b. het opzicht; c. de kerkelijke rechtspraak, voor zover zij uit het geestelijk opzicht voortvloeit.

Deze drie onderwerpen omvatten in hoofdzaak de stof, die in ordinantie 11 aan de orde komen moest. De Ve afdeling aan het slot van O. n kunnen wij in dit verband laten rusten, omdat wij over de inhoud daarvan (nl. over gravamina tegen de belijdenis) reeds hebben gesproken in § 7, De apostolaire en de belijdende functie der Kerk.

 

a. De visitatie.

Onder de huidige kerkorde blijft — dit mag wel in de eerste plaats geconstateerd worden — de provinciale regeling der visitatie bestendigd. Ogenschijnlijk dus in overeenstemming met een der hoofdlijnen van het vroegere Reglement op de kerkvisitatie. In werkelijkheid echter zijn er vier diep-grijpende verschillen met de vroegere provinciale regeling.

Ten 1e wordt de bijstand, die de ambtelijke vergaderingen der classes bij deze provinciaal geordende visitatie te geven hebben, veel nadrukkelijker omschreven dan voorheen. In O. 11-1-2 wordt aanstonds reeds zeer fundamenteel gesteld, dat de visitatoren-provinciaal in hun arbeid worden „bijgestaan” door de brede moderamina der classicale vergaderingen. Voorts vergete men niet, dat elke classicale vergadering in een provinciaal ressort zelf twee kerkvisitatoren mag benoemen, nl. één dienaar des Woords en één ouderling

|268|

(O. 11-2-3). Verder rust op de visitatoren-provinciaal de verplichting om ieder jaar een overzicht over het kerkelijk leven der gevisiteerde gemeenten van een bepaalde classis in te zenden bij haar classicale vergadering ter behandeling (O. 11-3-13; aan de provinciale kerkvergadering en aan visitatoren-generaal wordt alleen een afschrift van dit overzicht gezonden ter kennisneming!). Eindelijk wordt bovendien nog aan de brede moderamina der classicale vergaderingen de bevoegdheid gegeven om in overleg met visitatoren-provinciaal zelf het initiatief te nemen tot een bijzondere visitatie binnen hun classis (O. 11-3-2), terwijl deze brede moderamina ook tot visitatoren-provinciaal het verzoek kunnen richten tussentijds een buitengewone visitatie in een bepaalde gemeente der classis te houden (O. 11-3-3).

Men geve ook hier weer acht op het verschil tussen de termen „bijzonder” en „buitengewoon”.
Een bijzondere visitatie in een gemeente is een visitatie, die geleid wordt door een breed moderamen van een classicale vergadering. Volgens artikel 4 van het vroegere Reglement op de kerkvisitatie was dit ook vóór Mei 1951 wel reeds mogelijk. Toen noemde de wetgever deze vorm van visitatie echter: „een buitengewone persoonlijke kerkvisitatie”!
Thans is een buitengewone visitatie in een gemeente een visitatie, die geleid wordt door visitatoren-provinciaal, hetzij op verzoek van een kerkeraad, hetzij op aandrang van een breed moderamen ener classicale vergadering, hetzij geheel op eigen initiatief (O. 11-3-3).

Het tweede diepgrijpende verschil tussen de huidige en de vroegere provinciale regeling der kerkvisitatie ligt in de nieuwe instelling van de visitatoren-generaal, die „als samenbindend orgaan voor de kerkvisitatie algemene leiding aan de kerkvisitatie hebben te geven” (O. 11-3-5) en visitatoren-provinciaal bij hun arbeid even nadrukkelijk hebben bij te staan als de brede moderamina der classicale vergaderingen (O. 11-1-2).

Behalve het visitatie-recht in eerste aanleg over ambten, bedieningen, functies en organen, die met hun werkzaamheid niet binnen de grenzen van een bepaalde kerkprovincie blijven (O. 11-1-3), hebben deze visitatoren-generaal de verantwoordelijke taak om heel het werk der visitatie, dus ook dat over de gemeenten, op de juiste wijze te coördineren.

|269|

Vandaar b.v. de op visitatoren-provinciaal gelegde verplichting om ieder jaar een overzicht over het kerkelijk leven in gevisiteerde gemeenten in bepaalde classes in afschrift ook aan visitatoren-generaal te doen toekomen (O. 11-3-13); om voorts ook ieder jaar, o.a. bij de visitatoren-generaal, een rapport in te zenden over hun werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar (O. 11-3-15); om ten slotte ook om de vier jaren een overzicht samen te stellen over het kerkelijk leven in de kerkprovincie, waarvan afschrift gezonden moet worden aan de visitatoren-generaal, die uit die overzichten een algemeen overzicht over het geestelijk leven van gemeenten en Kerk hebben samen te stellen ten behoeve van de generale synode (O. 11-3-14).

Men geve hier acht op het verschil tussen overzicht en rapport. In het eerste woord ligt de tendens, de Kerk en de gemeente geestelijk in kaart te brengen op grond van de gegevens, die door de visitatie verkregen zijn. Bij het tweede woord ligt de nadruk op de wijze van vervulling van de taak, die aan visitatoren was opgedragen; en de desbetreffende ambtelijke vergadering komt op grond daarvan tot een beoordeling van de taakvervulling der visitatoren.

Het derde belangrijke verschilpunt tussen de vroegere en de huidige visitatie-regeling is gelegen in de bijzondere plaats, die zowel in het college van visitatoren-provinciaal als in het college van visitatoren-generaal aan de praeses wordt toegekend.

In eerstgenoemd college wordt de praeses benoemd door de provinciale kerkvergadering, en niet — zoals de andere leden — door de verschillende classicale vergaderingen uit de kerkprovincie. Hij wordt bovendien aangewezen voor een tijdvak van acht jaren, en kan gekozen worden uit de predikanten òf uit oud-predikanten, die de rechten als van een emeritus hebben uit het provinciaal ressort.

In het college van visitatoren-generaal, dat uit vijf personen bestaat, wordt de praeses door de generale synode benoemd voor een tijdvak van tien jaren uit de dienstdoende predikanten òf uit de oud-predikanten, die de rechten als van een emeritus hebben (O. 11-2-2 en O. 11-2-4 en 5).

Door zulk een bijzondere plaats te geven aan de praesides der visitatoren-colleges, en door bovendien hun zittingstijd

|270|

dubbel zo lang te maken als die van de andere leden der betrokken colleges, kunnen er figuren in ons kerkelijk leven gezag en betekenis krijgen enigszins in dezelfde lijn, waarin het reorganisatie-ontwerp van 1934 van de Vereniging „Kerkopbouw” zich de moderatoren gedacht had. Niemand zal met recht kunnen beweren, dat deze regeling van het praesidiaat der visitatoren-colleges te veel in episcopaalse richting de hekken van het presbyteriaal-synodale stelsel zal open zetten.

Zeer terecht schrijft de Commissie voor de consideratiën in haar Rapporten, blz. 126: „De praesides zijn voor eens zo lange tijd benoemd als de overige leden dier colleges. Dat is belangrijk. De verbindingen, die zodoende mogelijk worden tussen visitatoren en gemeenten en ambtsdragers, bevorderen de nodige rust en continuïteit bij dit werk. Het reliëf tussen de zittingstijd van de visitatoren-provinciaal en van die van visitatoren-generaal maakt het mogelijk de winst van een bepaalde werkperiode te behouden en over te leiden naar de nieuwe bezetting. De visitatie, zoals deze hier geregeld is, geeft op geen enkele plaats aanleiding tot de mogelijkheid, dat dit stille en opbouwende werk zou kunnen uitgroeien tot welke vorm van dictatuur dan ook”.

Dat voor benoeming tot kerkvisitator geen diakenen in aanmerking kunnen komen, hangt natuurlijk samen met het uitgesproken pastoraal karakter van het geestelijk opzicht, dat in de visitatie moet worden gehouden. Daarom behoort deze visitatie in de lijn van de herderlijke zorg der consistories te blijven liggen. Waren de diakenen wel in de visitatie betrokken, dan zou onwillekeurig de visitatie weer gaan verschuiven in de richting van het toezicht.

Visitatoren kiezen zich uit eigen midden een assessor en een scriba, telkens voor een kalenderjaar (O. 11-2-7). Naast elke visitator wordt een secundus benoemd, behalve bij de praeses, die bij ontstentenis door de assessor vervangen wordt (O. 11-2-8 en 9).
De regeling van de visitatie in de gemeente, onder bijeenroeping van een kerkeraadsvergadering, die door een der visitatoren-provinciaal gepraesideerd wordt, wordt omschreven in O. 11-3-8 tot 11, en heeft meerdere punten van overeenkomst met de bepalingen van het oude Reglement op de kerkvisitatie (o.a. de verwittiging der gemeente in een kerkdienst ten minste veertien dagen vóór de voorgenomen visitatie van dag en uur van de betrokken kerkeraadsvergadering, volgens artikel 10 van het oude reglement).
Eenmaal in de vier jaren moeten alle gemeenten in een provinciaal ressort zijn bezocht (O. 11-3-1; men zie ook O.v.b. 240).

|271|

Het vierde verschilpunt tussen de vroegere regeling der visitatie en de huidige ligt in het aan visitatoren-provinciaal toegekende recht van initiatief, om in bepaalde gemeenten, waar zij het opzicht over het geestelijk leven hebben uit te oefenen, de instelling van een nevenvoorziening in het pastoraat ter hand te nemen ingevolge O.v.b. 235. Wel draagt in zulke gevallen van een nevenpastoraat het „breed mode-ramen der provinciale kerkvergadering” ten slotte de medeverantwoordelijkheid mèt de betrokken kerkeraad; maar het verzoek om in deze richting actief op te treden, moet daarbij toch uitgaan van de visitatoren-provinciaal na raadpleging van visitatoren-generaal. Dit belangrijke recht van initiatief, — zij het dan ook, dat het feit hun hiertoe aanleiding gaf, dat een aantal lidmaten uit zulk een gemeente binnen de grenzen van artikel X der kerkorde de behoefte uitte aan „een andere modaliteit van prediking en catechese dan ter plaatse wordt gevonden” — zal wellicht nog verscheidene jaren in ons door partijschap verscheurd Hervormd-kerkelijk leven het proces der gezondwording geleidelijk en pastoraal hebben te bevorderen. De oude regeling der visitatie in het Reglement op de kerkvisitatie vermocht niet meer dan alles te houden in statu quo.

De nevenvoorziening in het pastoraat kan worden geregeld door de bijstand van een of meer pastorale medewerkers, of van een hulpprediker, of ook van een vicaris, of ook van een predikant ener andere gemeente, hetzij ook door vestiging van een predikantsplaats voor buitengewone werkzaamheden, verbonden aan de kerkprovincie (O.v.b. 235, slot). De bijzondere regelingen, die uit zulk een nevenvoorziening voortvloeien, worden omschreven in O.v.b. 236, 237 en 238. Vooral O.v.b. 237, dat de bevoegdheden van een predikant in het nevenpastoraat, die op een daarvoor gevestigde predikantsplaats voor buitengewone werkzaamheden komt te staan, opsomt, is belangrijk.

 

b. Het opzicht.

Het opzicht der Kerk richt zich in het thans geldende kerkrecht op tweeërlei gebied. Het zijn twee terreinen, die men vooral niet met elkander verwarren mag. Om ons daarvoor te bewaren heeft ordinantie 11 zelfs die twee terreinen willen gescheiden houden, door er een hoofdstuk (III) tussen in te plaatsen over de handhaving van de kerkelijke tucht.

Het eerste terrein is het opzicht der Kerk over belijdenis en

|272|

wandel der leden. Het tweede is het opzicht over de dienst des Woords en de catechese. De onderscheidenheid dezer beide terreinen kan natuurlijk niet toegelicht worden met de beide woorden „levenstucht” en „leertucht”, want ook het opzicht over belijdenis en wandel der leden heeft met de leer te doen en beoogt o.a. het behoud van hen, die in dwaalleer verstrikt dreigen te raken (O. 11-4-1).

Het is evenmin mogelijk om de beide terreinen zó tegenover elkander af te grenzen, dat men het eerste betrekking zou laten hebben op gewone gemeenteleden en het tweede op hen, die in het predikambt staan of in een bediening, die met prediking en (of) catechese van doen heeft (O. 11-14-1 en 3); want ook de dragers van ambten of bedieningen zijn steeds tegelijk ook „leden der Kerk”, die onder het opzicht ingevolge hoofdstuk II van ordinantie 11 (over belijdenis en wandel der leden) vallen.

Het verschil tussen de beide gebieden, waarover het opzicht der Kerk zich uitstrekt, is veel beter zó te typeren, dat het opzicht over belijdenis en wandel der leden de persoonlijke spits heeft van gericht te zijn op het individuele geestelijke en zedelijke leven der gemeenteleden, terwijl het opzicht over de dienst des Woords en de catechese veeleer het behoud en de opbouw van de gehele gemeente beoogt, in welker midden prediking en catechese hun werking ten goede of ten kwade niet missen.

Op beide terreinen echter zal het opzicht der Kerk niet anders dan zó mogen plaatshebben, dat eerst zo mogelijk 1 het uiterste beproefd is in de weg van broederlijke samenspreking en herderlijk vermaan (O. 11-4-2 en O. 11-14-2).

Grondslag voor deze gedragslijn is K. XX-7.

Het opzicht der Kerk op het eerste terrein wordt gehouden:
voor zover het de gewone gemeenteleden betreft, door het consistorie;
voor zover het de ouderlingen en diakenen en degenen, die in een bediening zijn gesteld, aangaat — mits van hen geldt, dat zij geen aanleiding tot klachten geven in verband met


1 Er zijn natuurlijk ergerlijke en openbare zonden, of ook vormen van ondermijning van de fundamenten der Kerk, welke tot onmiddellijke toepassing van een bijzonder middel tot handhaving der kerkelijke tucht nopen (vgl. O. 11-6-1, middelste gedeelte).

|273|

hun prediking of catechese —, door de classicale vergadering;
voor zover het de dienaren des Woords aangaat, de emeriti-predikanten, de vicarissen en hen, die de rechten als van een emeritus hebben — met dien verstande, dat het gevallen betreft, die niet op het terrein van prediking of catechese liggen —, door de provinciale kerkvergadering (O. 11-5-1 en 2).

Zowel de classicale vergadering als de provinciale kerkvergadering laten in haar naam dit opzicht uitoefenen door een commissie voor het opzicht van vijf leden, uit het midden dier resp. vergaderingen telkens voor één jaar gekozen. Ook voor deze commissies zijn uit hoofde van hun direct pastorale taak slechts predikanten en ouderlingen benoembaar, geen diakenen (O. 11-5-3).
Moet er door de commissie voor het opzicht uit de provinciale kerkvergadering een zaak tegen een dienaar des Woords ter hand genomen worden, die buiten het terrein van prediking en catechese valt, dan moet eerst het advies van visitatoren-provinciaal gevraagd worden (O. 11-5-4).
Geheimhouding kan in zaken van opzicht over belijdenis en wandel aan de leden van kerkelijke lichamen worden opgelegd (O. 11-5-6).

Provisionele schorsing in de bevoegdheid kerkelijke handelingen te verrichten krachtens ambt, bediening of functie, kan door een commissie voor het opzicht worden opgelegd, zonder dat daarvan herziening kan worden gevraagd. Het consistorie heeft in soortgelijke onherroepelijke vorm de bevoegdheid provisioneel uit te sluiten van de deelneming aan het Heilig Avondmaal (O. 11-5-5).

 

Het opzicht op het tweede terrein, nl. dat van de dienst des Woords en de catechese, wordt gehouden door de provinciale kerkvergadering en de generale synode. Zolang dit opzicht echter nog kan worden gehouden binnen de phase van broederlijke samenspreking en herderlijk vermaan, treden ook de ouderlingen der betrokken gemeente er krachtens hun medeverantwoordelijkheid voor de bediening des Woords bij op, en nemen ook de classicale vergaderingen met hun brede moderamina er nog deel aan (O. 11-14-2).

Het doel van dit opzicht is te waken voor het welzijn en de geestelijke gezondheid van Kerk en gemeenten overeenkomstig de perspectieven, die inzonderheid artikel X van de

|274|

Kerkorde voor ons opent. Daarom zal dit opzicht moeten strekken „tot opbouw van de Evangeliebediening en tot wering uit verkondiging en kerkelijk onderricht van datgene, wat de fundamenten der Kerk aantast” (O. 11-14-1). De treffende karakteristiek van het opzicht in K. XX-4 blijve hierbij onze leidster.

Op voorstel van het synodelid Ds Bakker, afgevaardigde van de classis Leeuwarden, werd de uitdrukking „de fundamenten der Kerk” nader verduidelijkt in overeenstemming met de hoofdstrekking van artikel X der Kerkorde (Handel., 1949, blz. 280). Het aantasten van de fundamenten der Kerk wordt nu in dier voege geconcretiseerd, dat het gezegd wordt hierin te bestaan, dat de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift wordt uitgesloten en de gemeenschap met de belijdenis der vaderen wordt verbroken (O. 11-14-1). Het opzicht over de dienst des Woords en de catechese gaat, zodra het tot de bijzondere taak van de provinciale kerkvergadering moet gerekend worden te behoren, vrij spoedig in de phase der leertuchtelijke behandeling over. Die overgang ligt m.i. in O. 11-15-4. In de eerste drie alinea’s van dit artikel 15 van ordinantie 11 is het opzicht nog in het stadium van het opzicht der visitatoren-provinciaal in de weg van broederlijke bespreking en herderlijk vermaan (O. 11-15-2), al is het ook, dat deze visitatoren tot dit speciale opzicht een opdracht hebben gekregen van de provinciale kerkvergadering of haar breed moderamen, nadat bij een der lichamen een klacht is ingekomen tegen een bepaalde prediking of catechese, althans nadat de betrokken provinciale kerkvergadering of haar breed moderamen „redenen heeft gekregen om aan te nemen”, dat een dienaar des Woords in de betrokken kerkprovincie zo predikt en leert, dat hij de fundamenten der Kerk aantast (O. 11-15-1). Leidt het pastoraal gesprek met de betrokkene, dat visitatoren-provinciaal hebben te voeren, dan echter tot geen resultaat, dan wordt door hen de zaak teruggegeven aan de provinciale kerkvergadering. Deze kan nog in dat geval geen termen aanwezig achten om de zaak voortgang te doen hebben (O. 11-15-4) en dan blijft de leertuchtelijke behandeling achterwege. Zij kan echter ook de zaak zó ernstig achten, dat zij in de phase der kerkelijke rechtspraak komen moet

|275|

(O. 11-15-4). Men geve er echter wel terdege acht op, dat deze overgang naar de procedure-vorm der kerkelijke rechtspraak zó voorzichtig en pastoraal wordt gebaand, dat de aanvang er van nog geheel in het teken blijft staan van de broederlijke samenspreking. Alleen heeft de ambtelijke vergadering der kerkprovincie daarvoor in dit stadium dan de bijstand ingeroepen van een vijftal leden van de raad voor de zaken van Kerk en theologie in plaats van van de visitatoren-provinciaal (O. 11-15-5).

Volkomen in de geest van een pastoraal gesprek, en niet van een gerechtelijk verhoor is het ook, dat na de samenspreking de vijf leden van de raad voor de zaken van Kerk en theologie hun oordeel schriftelijk moeten vastleggen, en dat zelfs die leden van deze commissie van vijf, die een ander gevoelen hebben dan de meerderheid, een minderheidsnota, waarin hun oordeel is vervat, zullen hebben in te dienen, terwijl aan de betrokken dienaar des Woords een afschrift van al deze stukken toegezonden wordt (O. 11-15-5).
Nadat dit alles geschied is, wordt de betrokken dienaar des Woords nogmaals in de gelegenheid gesteld een samenspreking te hebben met de provinciale kerkvergadering, als ook een schriftelijke nota in te dienen over zijn opvattingen (O. 11-15-6).
En zelfs nadien kan de provinciale kerkvergadering de zaak nog terzijde leggen (O. 11-15-8). Doet zij dit niet, dan brengt zij de zaak over, met haar met redenen omkleed oordeel, bij de generale synode (O. 11-15-7).

Uit deze gang van zaken ziet men m.i. duidelijk, dat men ook het standpunt innemen kan, dat de eigenlijke kerkelijke leertucht-rechtspraak eerst begint, als een klacht over prediking of catechese door de provinciale vergadering bij de generale synode is overgebracht. Daarover zo aanstonds meer.

 

Doch eerst nu over c. de kerkelijke rechtspraak, zoals zij uit het geestelijk opzicht voortvloeit, doch dan speciaal op het terrein van belijdenis en wandel der leden (Hfdst. II van ordinantie 11).

Ook onder de vigueur van het vroegere synodale Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht wist men reeds terdege, dat opzicht en tucht alleen maar formeel te onderscheiden zijn, en dat ze nimmer gesplitst mogen worden op gevaar af, dat

|276|

het opzicht zou worden gedenatureerd 1. Het formele verschil tussen opzicht en tucht is volgens het bovengenoemde reglement slechts dit, dat opzicht zich uitstrekt tot allen, lidmaten en leden, die tot de Kerk behoren; en dat tucht alleen in bepaalde gevallen en uitsluitend op lidmaten kan worden toegepast.

In de huidige ordinantie 11 is de kerkelijke tucht nog veel dichter onder de overkoepeling van het opzicht gehouden. Wat nog stelliger het „trekkend” en terechtbrengend karakter der kerkelijke tucht doet uitkomen, gelijk dat woord „trekken” ook in de etymologie van het woord „tucht” immers doorschemeren wil. Anderzijds echter is door die overkoepeling van de tucht door het opzicht in O. 11-6-1 wel wat onduidelijk geworden, dat de toepassing van „bijzondere middelen ter handhaving van de kerkelijke tucht” toch wezenlijk alleen voor lidmaten gelden kan.

Het in O. 11-6-1 tot tweemaal toe herhaalde „degenen, die” in plaats van „lidmaten, die” is een symptoom van deze onduidelijkheid.

Er zijn zes bijzondere middelen tot handhaving van de kerkelijke tucht tegenover lidmaten, die „ondanks broederlijke samenspreking en herderlijk vermaan voortgaan het leven der Kerk op ernstige wijze te verstoren” door nalatig te blijven in de vervulling van ambtstaken of kerkelijke functiën, of ook door te volharden in een onchristelijke belijdenis en wandel (O. 11-6-1).
1. een vermaning;
2. uitsluiting van de deelneming aan het Heilig Avondmaal, totdat er genoegzame reden is, de uitgeslotene wederom toe te laten;
3. schorsing in ambt, bediening of functie voor een ten hoogste op twaalf maanden te bepalen tijd, al of niet met geheel of gedeeltelijk verlies van de inkomsten, aan dat ambt, die bediening of functie verbonden;
4 losmaking van de ambtsbediening, alsmede van de standplaats, waar de betrokkene is gevestigd, eventueel onder bepaling, dat hij gedurende een vast te stellen tijdvak


1 Zie De Reglementen der Nederlandsche Hervormde Kerk, uitgegeven op last van de Algemene Synodale Commissie, 8e druk, 2e nooduitgave, blz. 87.

|277|

(maximaal drie jaren) niet naar een ambt, bediening of functie mag staan;
5. ontzetting uit het ambt of uit een bediening of functie, met verlies van het recht om naar een ambt, een bediening of een functie te staan;
6. uitsluiting uit de gemeenschap der Kerk, met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier uit het dienstboek der Kerk.

In hoofdzaak zijn dit dezelfde tuchtmiddelen, die ook in artikel 7 van het vroegere Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht opgesomd werden. Nieuw is het vierde bijzondere middel, dat in de praktijk van onze kerkelijke rechtspraak toch zo veelvuldig onmisbaar is gebleken. Ik sprak daarover reeds bij de uitlegging van O. 13-30; zie blz. 156.
Het laatste en zwaarste tuchtmiddel is veel geestelijker en kerkelijker omschreven dan zoals het in het bovengenoemde reglement, artikel 7, stond: „ontzetting van het lidmaatschap der Nederlandsche Hervormde Kerk”.
In October 1949 heeft de generale synode langdurig en zeer principieel gediscussieerd over de ban of excommunicatie. Verschillende synodeleden wilden daarbij in het geheel geen liturgisch formulier gebruikt zien. Zij vergaten daarbij echter wel te veel, dat het complement van het formulier van de ban het formulier voor de wederopneming is (Handel., 1949, blz. 973-981).

Tot het toepassen van een dezer zes bijzondere middelen ter handhaving van de kerkelijke tucht kan echter slechts worden besloten, nadat aan een vijftal voorwaarden is voldaan, die uitvoerig zijn omschreven in O. 11-7-1, en die, kort samengevat, hierop neerkomen, dat de betrokkene persoonlijk moet gehoord worden, en daartoe, zo nodig, minstens tweemaal moet worden opgeroepen; dat hem op zijn verzoek afschriften van processen-verbaal en van getuigenissen gegeven moeten worden; dat hij de gelegenheid moet krijgen zich bij zijn verhoor te doen vergezellen door een ambtsdrager der Kerk, gekozen in overleg met de praeses van de visitatoren-provinciaal; dat hij een protocol van zijn afgelegde verklaringen moet voorgelezen krijgen, opdat hij voor accoord kunne tekenen; dat toepassing van het zesde tuchtmiddel alleen kan worden overwogen, nadat met de betrokken visitatoren overleg is gepleegd.

De term „besluit” voor de tuchtrechtspraak valt hier op als een verschil met de vroegere reglementaire kerkelijke wetgeving, waarin zo

|278|

zorgvuldig onderscheid gemaakt werd tussen „besluiten” (in bestuurszaken), „beslissingen” (in geschillen), en „uitspraken” (in tuchtzaken). Onze Kerk wilde zich op die onderscheidingen niet meer vastleggen, hoewel een enkele consideratie er wel op aandrong (Rapporten, blz. 136, no. 77). Onwillekeurig duikt soms wel weer ineens het woord „uitspraak” op; b.v. in O. 11-7-4 en O. 11-9-7.

In O. 11-7-3 wordt ten aanzien van ieder besluit tot toepassing van een bijzonder middel der kerkelijke tucht van de rechtsprekende instantie gevorderd, dat o.a. aan de betrokkene binnen acht dagen per aangetekende brief bericht gedaan wordt. Dat geldt dus ook van tuchtmiddel no. 1, de vermaning.

Is een kerkelijke uitspraak ter handhaving van de kerkelijke tucht in kracht van gewijsde gegaan, doordat de termijnen van beroep en verzoek om vernietiging zijn voorbijgegaan, dan zendt de rechtsprekende instantie een afschrift van het betrokken besluit aan de commissie voor het opzicht uit de generale synode (O. 11-7-4).

Vroeger moesten alle afschriften van uitspraken van classicale besturen en provinciale kerkbesturen in hoger beroep o.a. aan de Algemene Synodale Commissie gezonden worden, die dan echter alleen aanmerkingen kon maken, die voor toekomstige inkledingen van uitspraken, enz. betekenis konden hebben (Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht, artikel 59 en 61). Thans echter kan de commissie voor het opzicht uit de generale synode corrigerend en repressief handelen ten aanzien van zulke afschriften van besluiten. Ordinantie 11 spreekt daarvan in artikel 10 onder de titel verwijzing. Binnen dertig dagen na ontvangst van het afschrift kan de commissie voor het opzicht uit de generale synode het in het afschrift vervatte besluit buiten werking stellen, „indien door die uitspraak naar het oordeel der commissie de gelijkheid in de uitoefening van het opzicht ernstig wordt gekwetst”.
Zulk een verwijzing brengt de nu nog onbesliste zaak over bij een andere ambtelijke vergadering van dezelfde rang, als die de gewraakte uitspraak deed, met de opdracht bij de nieuwe beoordeling der vastgestelde feitelijke gegevens rekening te houden met de motieven, die tot de verwijzing leidden (O. 11-10-2). Van dit nieuwe besluit staat voor de betrokkene weer hoger beroep open volgens O. 11-8-1.

Het recht tot hoger beroep is omschreven in O. 11-8. Binnen veertien dagen na ontvangst van het desbetreffende afschrift moet daarvan gebruik gemaakt worden. Het beroep moet gedaan worden op de in rang opvolgende meerdere vergadering. Zo dit de generale synode is, spreekt deze zich

|279|

in hoger beroep uit door middel en bij monde van haar commissie voor het opzicht, uit vijf leden bestaande en voor één kalenderjaar benoemd (met secundi en tertii).

Het hoger beroep moet verzonden worden in een gemotiveerd en gedagtekend schrijven, te verzenden per aangetekende brief (O. 11-8-4).

Ook in hoger beroep kan geen besluit genomen worden dan nadat de vijf in O. 11-7-1 gestelde voorwaarden vervuld zijn (O. 11-8-5). Ik somde ze op op blz. 277.

Ook de mogelijkheid van cassatie of vernietiging — althans in tuchtzaken — is in het huidige kerkrecht gehandhaafd gebleven, ondanks de bezwaren, die er in de synode bij de behandeling van het ontwerp voor ordinantie 11 tegen geuit werden 1.

Cassatie-rechter voor deze zaken ter handhaving van de kerkelijke tucht is de commissie voor het opzicht uit de generale synode. Zij kan uitspraken tot toepassing van een bijzonder middel tot handhaving der kerkelijke tucht eigener beweging binnen drie weken na de ontvangst van het afschrift van het betrokken besluit vernietigen, indien daarbij de in de ordinanties der Kerk voorgeschreven vormen niet zijn in acht genomen (O. 11-9-1 en 2).

Deze „commissie voor het opzicht uit de generale synode” kan echter ook tot zulk een besluit komen, na een verzoek tot vernietiging wegens vormgebreken in de uitspraak ontvangen te hebben van hem, die in hoger beroep onder een der tuchtmiddelen van O. 11-6-1 gesteld werd.

De termijn, waarbinnen cassatie of vernietiging kan worden gevraagd, is die van veertien dagen na de dag, waarop hem het afschrift van de uitspraak in hoger beroep is toegezonden.
De commissie voor het opzicht beslist eveneens binnen veertien dagen, of zij tot vernietiging overgaat (O. 11-9-3). In geval van vernietiging krijgt het lichaam, dat de vernietigde uitspraak deed, de zaak opnieuw te behandelen tot herstel van de geconstateerde vormgebreken (O. 11-9-5).

Herziening is in deze kerkelijke rechtspraak over belijdenis en wandel der leden (ook der ambtsdragers enz., mits niet


1 O.a. dat deze cassatie-aanvragen steeds ontaarden tot een nieuw hoger beroep op een reeds ingesteld appèl, dat tot een aan de betrokkene onwelgevallige beslissing leidde.

|280|

ter zake van functiën, die de prediking of de catechese betreffen) de term voor het optreden van de „commissie voor het opzicht uit de generale synode”, wanneer zij feiten en omstandigheden ontwaart, waarmede geen rekening kon worden gehouden, toen het laatste besluit tot toepassing van een of ander bijzonder middel tot handhaving der kerkelijke tucht in een bepaalde zaak viel. Zij kan dan in herziening de zaak zelve weer in behandeling nemen en berechten in de geest, waarin naar haar mening het gewraakte besluit zou uitgevallen zijn, had men toen met die feiten en omstandigheden kunnen rekenen.

In enigszins gewijzigde vorm is dit het vroegere artikel 66* van het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht, dat aan de Algemene Synodale Commissie deze bevoegdheid tot revisie toekende uit hoofde van dezelfde aanleiding, en ook alleen in tuchtzaken.
Toegespitst op klachten over belijdenis en wandel van een lid der Kerk is ook in ordinantie 11 het vroegere artikel 30 van het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht weer teruggekeerd. O. 11-7-5 geeft aan het breed moderamen van een meerdere vergadering de bevoegdheid om in te grijpen, indien een mindere vergadering in gebreke blijft ter zake van het houden van opzicht over belijdenis en wandel van enig lid der Kerk. Het breed moderamen kan eerst inlichtingen vragen, en brengt dat de mindere vergadering niet tot een andere houding, dan kan het zijn eigen ambtelijke vergadering verzoeken de zaak ter hand te nemen.

Ook de rehabilitatie-mogelijkheid is in ons huidige kerkrecht omschreven. Tenminste vijf jaren nadat het besluit, waarbij het vijfde tuchtmiddel van O. 11-6-1 werd toegepast, in kracht van gewijsde ging, kan zulk een eerherstel aangevraagd worden.

Om zulk een aanvrage toegewezen te krijgen door de generale synode in pleno, die daarbij voorgelicht moet worden door haar commissie voor het opzicht, is tenminste nodig „berouw, bevestigd door belijdenis en wandel” (O. 11-12-1). De tweede alinea van O. 11-12 omschrijft het herstel of de rehabilitatie in het lidmaatschap der Kerk voor iemand, die uit dit lidmaatschap ontzet was op grond van toepassing van het zesde tuchtmiddel.

Bij dit herstel in het lidmaatschap is niet een bepaald aantal jaren vereist, waarbinnen men de aanvrage niet kan indienen. Dit spreekt ook bij het lidmaatschap der Kerk vanzelf, mits er maar is oprecht

|281|

berouw en bevestiging daarvan door belijdenis en wandel, — wat wèl met zoveel woorden geëist wordt.

Algemene bepalingen, die bij deze vorm van kerkelijke rechtspraak met betrekking tot belijdenis en wandel der leden over heel de linie gelden, worden nog aan het slot van dit hoofdstuk III van ordinantie 11 opgesomd (in artikel 13).

Het zijn goeddeels uit het vroegere Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht overgenomen bepalingen; b.v. dat men nimmer aan de behandeling van een zaak mag deelnemen, wanneer men in een vroeger stadium reeds aan diezelfde zaak tot handhaving der kerkelijke tucht heeft deelgenomen; dat bloedverwantschap tot in de derde graad met een „beklaagde” in kerkelijke zin iemand uitsluit van deelneming aan de kerkelijke rechtspraak; uiteraard is ook een lid van een commissie voor het opzicht uitgesloten van het deelnemen aan de rechtspraak in zijn eigen zaak, of in een zaak, waarin hij als getuige moet optreden (O. 11-13-3). Vgl. Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht, artikelen 17-19.

Troffen wij onder het hoofd „pastoraal opzicht” reeds de bepaling aan, dat geheimhouding kon worden opgelegd aan de leden van kerkelijke lichamen (zie O. 11-5-4), hier doet het ons goed een plicht tot geheimhouding, als laatste der algemene bepalingen, omschreven te zien, die voor iedere kerkelijke vergadering zonder meer geldt met betrekking tot hetgeen daar terzake van de levenswandel van een lid der Kerk is behandeld (O. 11-13-4).

 

Hoe verloopt nu ten slotte de kerkelijke rechtspraak, die uit hoofdstuk IV van ordinantie 11 — dus ten aanzien van de dienst des Woords en de catechese — voortvloeien kan, wanneer de generale synode uiteindelijk van een provinciale kerkvergadering een met redenen omkleed oordeel over een dienaar des Woords ontvangt, dat deze zich niet meer beweegt in de weg van het belijden der Kerk en daarmede dus de fundamenten der Kerk aantast (O. 11-15-6)?

Ik moge samenvattend de stadia tekenen, die de leertuchtelijke behandeling bij de generale synode doorloopt volgens de artikelen 16, 17 en 18 van ordinantie 11, en volgens de daarbij behorende overgangsbepalingen.

|282|

Ten 1e wordt de zaak allereerst aan een bijzondere commissie uit de generale synode in handen gegeven ter voorbereiding. Dus niet aan de commissie voor het opzicht (van vijf leden), die wij reeds tegenkwamen bij de kerkelijke rechtspraak, die voortvloeien kan uit het opzicht over belijdenis en wandel der leden. Daarmede is onderstreept, dat men deze „judiciële” behandeling zo duidelijk mogelijk wil distantiëren van de tuchtrechtspraak in het kader van hoofdstuk II en III van ordinantie n. Maar daarmede is tegelijkertijd gegeven, dat de commissoriale behandeling der zaak nog zoveel mogelijk ruimte zal openlaten voor de pastorale momenten in het verdere contact met de betrokken dienaar des Woords, vicaris of functionaris in een kerkelijke bediening, die op het gebied van prediking of catechese werkt (O. 11-16-1).

De betrokken commissie van voorbereiding begint met de betrokkene te verzoeken zijn eventuele bezwaren tegen het oordeel der provinciale kerkvergadering schriftelijk bij haar in te brengen (O. 11-16-2). Verder zorgt deze commissie in een later stadium, dat de betrokkene gelegenheid krijgt om persoonlijk in de generale synode zijn gevoelen nader uiteen te zetten, desgewenst onder bijstand van een of twee ambtsdragers der Kerk, die hij zelf aanwijzen mag (O. 11-16-5).

Ten 2e wordt door deze zelfde voorbereidende commissie het dossier over deze zaak aan de raad voor de zaken van Kerk en theologie in zijn geheel voorgelegd, en schriftelijke uiteenzetting van het oordeel van de raad gevraagd met verzoek de memories van die leden van de raad, die van een afwijkend gevoelen zijn, daarbij ook in te zenden (O. 11-16-3).

Ten 3e zorgt de „raad voor de zaken van Kerk en theologie” zijnerzijds, dat in de synode-zittingen, waar de zaak behandeld wordt, behalve de permanente representatie uit de raad ook nog drie extra-vertegenwoordigers uit zijn midden tegenwoordig zijn, voor wie de convocatie tijdig uitgaat van het secretariaat der synode (O. 11-16-4).

Ten 4e wordt na zulk een ampele voorbereiding en onder volledige bijstand van de „raad voor de zaken van Kerk en theologie” in de plenaire zitting van de generale synode het

|283|

eindoordeel vastgelegd, en, met redenen omkleed, ter kennis gebracht van de betrokkene, van diens kerkeraad, van de meerdere vergaderingen, waaronder hij in classis en provincie ressorteert, en van de „raad voor de zaken van Kerk en theologie”, — dit alles alvorens dit eindoordeel ter kennis van de Kerk wordt gebracht (O. 11-16-6).

In verband met de opschorting van de inwerkingtreding van O. 11-16-6 tot 10, èn van artikel 17 tot 1 Mei 1961 „teneinde de Kerk de gelegenheid te geven zich op de rechte wijze in te stellen op de uitoefening van haar opzicht over de dienst des Woords en de catechese” wordt ingevolge O.v.b. 248 het zesde lid van O. 11-16 van 1 Mei 1951—1 Mei 1961 als volgt gelezen:
„De synode beraadt zich vervolgens over de tegen verkondiging en onderricht van de predikant ingebrachte bezwaren en brengt haar bij dit beraad aan de dag getreden inzicht ter kennis van de Kerk”.

Ten 5e stelt de generale synode, wanneer ingevolge O.v.b. 250 de tijd van opschorting van de inwerkingtreding van het laatste gedeelte van O. 11-16 voorbijgegaan zal zijn, voor de betrokkene een termijn vast van tenminste zes en ten hoogste negen maanden, waarbinnen hij zich op het oordeel der synode kan beraden (O. 11-16-7). Gedurende deze bedenktijd onthoudt de betrokkene zich van alle ambtelijke handelingen en uiterlijk aan het einde van deze termijn legt hij een schriftelijke verklaring, gericht aan de generale synode, af (O. 11-16-8).

Ten 6e. Is deze verklaring van dien aard, dat de betrokkene het oordeel der synode kennelijk niet, of althans niet ondubbelzinnig aanvaardt, wordt hem door de generale synode verzocht ontheffing van zijn ambtsbediening te vragen (O. 11-16-9).

Ten 7e. Indien hij niet bereid is, dit te doen, wordt hij door de generale synode van zijn ambt ontheven (O. 11-16-10).

De aldus van zijn ambt onthevene heeft nog gedurende volle drie jaar recht op ⅔ van de aan zijn ambt of functie verbonden inkomsten, verminderd met ⅔ van de inkomsten, welke hij in die tijd uit arbeid geniet. Natuurlijk geldt deze garantie in deze vorm niet dan tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van vijf en zestig jaar. Lees voor de bijzonderheden, ook wat betreft het voortduren der

|284|

pensioenaanspraken bij voortgaande premiestortingen: O. 11-17-1 tot 3.
Deze soepele financiële regelingen bedoelen natuurlijk  te voorkomen dat voor de betrokken predikant wegens financiële zorgen ondraaglijke consciëntie-conflicten zouden ontstaan.
Voor de predikanten, die op 30 April 1951 reeds dienstdoend predikant waren, en dat onder de nieuwe kerkorde ook onafgebroken gebleven zijn, geldt een nog gunstiger regeling, indien zij na 1 Mei 1961 met toepassing van O. 11-16-10 van hun ambt zouden wonden ontheven. Zij krijgen volgens O.v.b. 251 als wachtgeld tot aan hun 65-jarige leeftijd het volle traktement, aan hun standplaats verbonden, onder aftrek van de inkomsten, welke uit arbeid genoten werden, en onder voorwaarde dat geen pastorale werkzaamheden worden verricht, die nadelig voor de belangen der Hervormde Kerk zijn.
Deze uitzonderingsbepaling heeft natuurlijk de bedoeling, behalve consciëntie-conflicten aan de betrokkene te besparen, ook verkregen rechten te ontzien, aangezien deze kategorie van predikanten zich misschien zou kunnen beroepen op de blijvende geldigheid, die aan de ondertekening van de oude proponentsbelofte moet worden toegekend. Ook vóór 1 Mei 1961 is het reeds mogelijk, dat de een of andere predikant onder de gunstige regeling van O.v.b. 251 komt te vallen; nl. wanneer hij aan de synode verzoekt van zijn ambt ontheven te worden, nadat deze omtrent hem overeenkomstig de tussentijdse formulering van O. 11-16-6, zoals O.v.b. 248 die omschrijft, als haar inzicht aan de Kerk heeft kenbaar gemaakt, dat de ingebrachte bezwaren tegen verkondiging en onderricht van de betrokken predikant inderdaad gegrond zijn (O.v.b. 249).
Men verzuime niet hierbij te bedenken, dat de leertuchtelijke kerkelijke rechtspraak steeds geval voor geval beziet en overweegt. Het is dus niet mogelijk, dat een predikant uit solidariteitsbesef, wat zijn denkbeelden betreft, ook zou kunnen trachten de overgangsbepalingen 249 en 251 op zich te laten toepassen, al werd er nimmer een klacht tegen zijn leer ingediend.

Ten 8e is het altijd nog weer mogelijk, dat een volgens O. 11-16-10 van zijn ambt ontheven predikant opnieuw het recht verkrijgt om te staan naar het ambt van dienaar des Woords, nadat hij verklaard heeft het oordeel der synode alsnog te aanvaarden en zich te zullen bewegen in de weg van het belijden der Kerk (O. 11-18-1 en 2).

Een consideratie van de classis Haarlem werd door de synode met dankbaarheid aanvaard en heeft tot opneming van dit 18e artikel van O. 11 geleid (Rapporten, blz. 143).

Haitjema, Th.L. (1951) II.15

|285|

§ 15. Het diaconaat der Kerk.

 

Onmiddellijk na het kerkorde-artikel XVIII over het Heilig Avondmaal heeft de synode bij haar behandeling van het Nunspeetse ontwerp voor de eerste lezing een afzonderlijk artikel ingevoegd „van de dienst der barmhartigheid” (Art. XIX derhalve), om daarmede tot uitdrukking te brengen, hoezeer de gemeenschap der heiligen, zoals die aan de avondmaalstafel met Christus en met de medelidmaten van het lichaam van Christus genoten wordt, drijven zal tot vervulling van de diaconale opdracht der gemeente in de Kerk en in de wereld (K. XIX-1). Waarschijnlijk zal de „Commissie voor de kerkorde” dit „samen één lichaam zijn”, zoals het slot van het avondmaalsformulier daarvan zo praktisch-diaconaal en naar Calvijn’s vertolking van de „communicatio” van (= het elkaar laten delen in) de heilsgoederen en gaven, welke in Christus besloten zijn, getuigt, wel dermate als de grote drijfkracht tot het diaconaat gevoeld hebben, dat zij een afzonderlijk artikel over de dienst der barmhartigheid overbodig achtte. Achteraf kunnen wij toch niet anders dan dankbaar zijn, dat dit artikel plaats gekregen heeft in de Kerkorde. De „dienst der barmhartigheid” is hoe langer hoe stelliger reliëf gaan krijgen in eredienst en kerkelijke praktijk. In de opsomming van de functiën der Kerk in K. III kwam de „dienst der barmhartigheid” zelfs onmiddellijk na de meest wezenlijke ambtsfunctiën van de dienaren des Woords te staan. En volgens K. IV-7 is deze dienst (als dienst der gehele gemeente) toch eigenlijk van meet af het draagvlak voor het werk der diakenen. Daarom is m.i. O. 15-2-1 voortreffelijk geformuleerd, wanneer van de gemeenteleden gezegd wordt, dat zij aan hun diaconale roeping gehoor te geven hebben en zodoende de arbeid der diakenen hebben te dragen.

Ik kan dan ook niet inzien, dat de ambtsgedachte, zoals door een der synodeleden werd gevreesd 1, in het diaconaat, vooral de zelfstandigheid van het diakenambt door die uitdrukking: „de leden der gemeente dragen de arbeid der diakenen”, zou worden verkort.


1Handel., 1948, blz. 185; K. XIX-1 spreekt aan het slot dan ook van de diaconale opdracht in de Kerk en in de wereld.

|286|

Alle drie de ambten hebben in het Geref. Protestantisme hun draagvlak in de gemeente volledig nodig. En dat, hoewel dit Protestantisme tegelijkertijd voluit erkent, dat het geestelijk ambt — maar nu in zijn enkelvoudigheid! — steeds ook een zijde heeft en hebben moet, die het als „orgaan van Christus” qualificeert.

Wanneer bovendien „de gemeenschap” met Christus en met elkander in de viering van het Heilig Avondmaal op de juiste wijze verstaan wordt, is het gevaar nauwelijks te duchten, dat het diaconaat der Kerk al te zeer „binnenkerkelijk” gehouden wordt. Het kan dan misschien wel een ogenblik schijnen, dat het onderling dienstbetoon en het elkander bijstand verlenen uit K. XIX-2 alleen voor de avondmaals-gangers tegenover elkander geldt, doch als men dan weer al zijn gedachten concentreert op de gemeenschap met Christus in het Avondmaal, wordt het wel spoedig overduidelijk, dat hier gemeenschap met Hem, Die niets deed dan dienen, en in zijn kruisoffer juist de wereld in volledige overgave gediend heeft, niet anders dan inscherpen kan aan iedere Christen om de diaconale opdracht juist ook in de wereld te vervullen 1.

De subcommissie van rapport over de ordinantie voor het diaconaat oordeelde in de Generale Synode van 1949 dan ook terecht, dat uit de opbouw van ordinantie 15 wel heel duidelijk blijkt, „dat een kerkorde niet wordt gemaakt, maar wordt geboren. Sedert 25 jaar zijn nieuwe diaconale inzichten, mede door de arbeid der Federatie van Diaconieën, bezig zich baan te breken. In het ontwerp-Kerkorde krijgt de dienst der barmhartigheid nu ook kerkelijk de plaats, die hij in feite reeds gedeeltelijk innam, terwijl bovendien nieuwe en slechts door weinigen vermoede perspectieven zich openen. De nieuwe apostolische visie in het ontwerp-Kerkorde op het wezen en de roeping der Kerk, met een afwijzen van een quietisme, dat de Kerk al te lang overwoekerd heeft, kan uitermate vruchtdragend blijken te zijn voor het diaconaat in de wereld. En omgekeerd kan de grote nadruk op dit laatste de Kerk er voor bewaren de kerkorde


1 Men leze voor deze grondgedachten van het diaconaat der gemeente vooral het proefschrift van Dr P.J. Roscam Abbing, Diakonia, ’s Gravenhage, 1950; inzonderheid blz. 357-482.

|287|

,,stichtelijk” te interpreteren. Zij krijgt er eenvoudig de kans niet toe, indien zij de diaconale mogelijkheden, die er thans reeds zijn, wil uitbuiten, en zij zal met verwondering ontdekken, dat hier een veld ligt van onafzienbare mogelijkheden. Het ontwerp-Kerkorde is sterk diaconaal bepaald. Reeds in het tweede artikel wordt uitgesproken, dat de leden der gemeenten gehouden zijn tot dienstbetoon aan elkander en in de wereld” (Handel., 1949, blz. 691-692).

Inderdaad, de „Commissie voor de kerkorde” bleek in haar ontwerp voor een ordinantie voor het diaconaat wel zó doordrongen van het nieuwe inzicht in de diaconale opdracht der Kerk, dat zij b.v. in de opbouw van ordinantie 15 het gehele begrip „diaconie” verdrong, en door „diaconaat” verving. Daarmede week de structuur van deze ontwerp-ordinantie wel heel ver af van het vroegere Reglement voor de diaconieën, dat het zou moeten vervangen, en dat alle diaconale regelingen juist liet cirkelen om het begrip „diaconie of kerkelijke instelling ter verzorging der armen”.

Het zou ondankbaar zijn om niet te erkennen, dat het Reglement voor de diaconieën, dat in 1857 werd ingevoerd, op zichzelf al een grote vooruitgang betekende vergeleken met de regeling der kerkelijke armenzorg in de eerste helft der 19e eeuw. Het kerkelijk karakter der diaconale zorg werd er, na de invoering van de Armenwet van 1854, tenminste in onderstreept.
In 1912 stelde een nieuwe Armenwet van staatswege onze Kerk voor de noodzakelijkheid haar Reglement voor de diaconieën grondig te herzien. Het trad in werking op 15 Januari 1915.
Uit de „Vereeniging van diakenen in de Nederl. Hervormde Kerk” kwam op 29 Maart 1922 de Federatie van Diaconieën in de Nederl. Hervormde Kerk voort. Uit de boezem dezer Federatie zijn na haar oprichting tal van vruchtbare initiatieven voortgekomen, die de nieuwe aanvat der diaconale taak ook meermalen in reglement wijzigingen voor de Kerk tot uiting zochten te brengen. Een door de synode ingestelde commissie van advies voor de vraagstukken van de diaconale armenzorg, die niet enkel uit de kring der diakenen was samengesteld, steunde deze vernieuwingsdrang van ietwat meer officieel-synodale zijde. Men vergelijke daarvoor De Reglementen der Nederlandsche Hervormde Kerk, officiële uitgave, 8e druk, 2e nooduitgave, blz. 174-176.

De opzet van de „Commissie voor de kerkorde” bleek echter op het punt van dit ten-enenmale-wegdrukken van het begrip „diaconie” op ernstige bezwaren te stuiten, hoe voortreffelijk men het ook vond, dat de artikelen 1 en 2 van

|288|

ordinantie 15 zó apostolair-actueel de diaconale roeping omschreven en daarbij het diaconaat van de gehele gemeente sterk belichtten.

In de opsomming van al hetgeen het diaconaat omvat, is de definitieve tekst van O. 15-1-2 dan ook in hoofdzaak gelijk gebleven aan het Nunspeetse ontwerp. Alleen werkte men het in de synode nog iets meer uit, en voegde men er met nadruk één nieuw punt bij in, gedachtig aan de zorg voor onderduikers, enz. in de tweede wereldoorlog: „de zorg voor verdrukten, vervolgden en verdrevenen, inzonderheid van hen, die lijden om der gerechtigheid wil” (zie Handel., 1949, blz. 696-697).
Ook het slot van O. 15-1-2, waarin het diaconaat in zo nauwe betrekking werd gebracht met de sociale noden, is letterlijk overgenomen uit het eerste kerkorde-ontwerp:
.... „de Kerk te dienen in haar taak om ook overheid en samenleving te wijzen op haar roeping, ten aanzien van de sociale vraagstukken de gerechtigheid te betrachten”.
En deze zelfde toon der sociale bewogenheid klinkt nog door in het slot van O. 15-2-1 (welk artikel in zijn geheel in het Nunspeetse ontwerp ontbrak). Als laatste antwoord op de vraag, hoe de leden der gemeente aan hun diaconale roeping kunnen gehoorzamen in de praktijk, wordt hier gezegd: „.... door de gelegenheid te benutten om in het burgerlijk leven sociale diensten te verrichten". Dit is een tekstuitbreiding, die dit 2e artikel van O. 15 onderging op voorstel van de Algemene Diaconale Raad, die hiermede een aanmoediging aan gemeenteleden wilde geven, om in armenverzorging, kinderbescherming, reclassering op uitnodiging van overheidsinstanties sociale diensten te verrichten (zie Rapporten, blz. 171).

De subcommissie van rapport over het Nunspeetse ontwerp oordeelde, dat de term „diaconie” tenminste bewaard diende te blijven als aanduiding van de instelling met rechtspersoonlijkheid, ook al met het oog op de continuïteit voor de burgerlijke wet. Zo kwam de uitdrukking „diaconie”, hoe erfelijk belast ook, in de eerste lezing der Kerkorde (blz. 190) weer nadrukkelijk terug als titel van een der hoofdafdelingen van ordinantie 15.

De subcommissie adviseerde te dezer zake ten slotte, dat de Kerk zich zou vastleggen op het volgende woordgebruik: de dienst der barmhartigheid is de taak der gemeente; het woord „diaconie” worde in het Hervormde kerkrecht de naam voor het orgaan, waardoor de dienst der barmhartigheid diaconaal functionneert, het college, dat de diakenen samen vormen, èn de rechtspersoonlijkheid bezittende instelling.
Van de diakenen kan gezegd worden, dat hun het diaconaat der

|289|

gemeente bij zonderlijk is toevertrouwd, dat zij als college de diaconie vormen, doch ook zitting hebben in de diaconie als orgaan, en ten slotte de bestuurders zijn van de diaconie als rechtspersoonlijkheid bezittende instelling (Handel., 1949, blz. 692).

Nadat de eerste lezing van het ontwerp-Kerkorde door de synode was aanvaard en aan de verschillende kerkelijke lichamen was toegezonden om er hun consideratiën op in te winnen, is door de generale synode nog voorzichtigheidshalve een commissie voor civiel-rechtelijke vraagstukken in het leven geroepen, die ook advies over de formuleringen van het ontwerp-Kerkorde zou hebben uit te brengen.

Deze commissie heeft o.a. ook ordinantie 15 van haar gezichtspunt uit critisch bekeken, en kwam tot zulke wijzigingen in de nomenclatuur, dat de gehele ordinantie door haar nog eens weer opnieuw werd geschreven. De uiteindelijke tekst van O. 15 sluit overeenkomstig het voorstel van de commissie voor de consideratiën heel nauw aan bij de voorstellen van deze deskundigen in het burgerlijk recht, die er vooral op uit waren de diaconie als aparte rechtspersoon te doen uitkomen naast de gemeente, die als zodanig ook rechtspersoon is. Gemeente en diaconie hebben beide als rechtspersoon een eigen terrein, eigen bezittingen en een eigen orgaan, door middel waarvan zij kunnen handelen en naar buiten kunnen optreden. Wat dit eigen orgaan betreft, voor de gemeente is dat het college van kerkvoogden, gevormd door de (ouderlingen)-kerkvoogd, voor de diaconie is het het college van diakenen, gevormd door de diakenen 1.

Onder invloed van dit juristen-advies kwam in de definitieve structuur van ordinantie 15 voor het eerst de nieuwe afdeling II, het college van diakenen (Artt. 8-10).
Deze afdeling II was voor de mannen van het burgerlijk recht terecht zo belangrijk, omdat goed uitkomen moest, dat in centrale gemeenten de diaconie als rechtspersoon niet gesplitst kon worden, maar onder beheer diende te blijven van het college van diakenen 2, waaraan de zorg


1 Zie Advies van de commissie voor civiel-rechtelijke vraagstukken, 1950, blz. III. Belangrijk is voorts de bepaling van O. 15-12-2, die de kerkeraad machtigt om uit zijn midden een of twee leden aan te wijzen ter aanvulling van het bestuur der diaconie, indien door bijzondere omstandigheden het college van diakenen minder dan twee leden telt.
2 Ditzelfde wordt nog eens met zoveel woorden uitgedrukt in O. 15-14-1 en 2 en O. 15-12-1.

|290|

voor de algemene diaconale belangen bleef toevertrouwd (O. 15-10-2). De wijkdiakenen in de wijkgemeenten van een centrale gemeente vormen, als zij samenkomen, geen college, maar een wijkraad van diakenen (O. 15-9-1); alle diakenen uit alle wijkgemeenten samen komen in vergadering bijeen om uit hun midden de afgevaardigden naar het college van diakenen te benoemen (O. 15-9-2). Over aantal en zittingstijd van de leden van het college van diakenen in een centrale gemeente en over de verdeling der werkzaamheden tussen het college van diakenen en de wijkraden van diakenen worden bepalingen gegeven in een plaatselijke regeling, die na overleg met de centrale kerkeraad wordt opgesteld en de goedkeuring behoeft van de provinciale diaconale commissie (O. 15-9-4 en O. 15-23-1).
In O. 15-10-1 en 2 worden de werkzaamheden opgesomd die in elk geval aan de wijkraad van diakenen en aan het college van diakenen moeten worden opgedragen.

Hoezeer nu echter ook in de definitieve tekst van ordinantie 15 de diakenen weer meer naar het begrip „diaconie” als „een met rechtspersoonlijkheid toegeruste instelling” (O. 15-11-1) toegeschoven zijn, zij blijven toch daarnaast ook uitdrukkelijk de ambtsdragers, aan wie „in het bijzonder het diaconaat der gemeente is toebetrouwd” (O. 15-1-1).

Vandaar, dat dan ook artikel 3 van ordinantie 15 zijn plaats behield onder de titel: het diaconaat (der Kerk). Alleen vond men het op voorgang van de commissie voor civiel-rechtelijke vraagstukken nu juister en voorzichtiger om onder dit hoofd niet langer van „het werk der diakenen”, doch van „het beleid der diakenen” te spreken (Advies, blz. 28).

Dit artikel 3 van O. 15 regelt de verhouding der diakenen tot de andere ambtsdragers der gemeente, die belast zijn met de herderlijke zorg; omschrijft voorts de verplichting tot verantwoording over het diaconale werk aan de kerkeraad in zijn geheel (O. 15-3-10 en 11) en, behoudens bijzondere besluiten van de kerkeraad om van overleg in diaconale zaken af te zien, ook de verplichting tot overleg met de kerkeraad in zijn geheel (O. 15-3-10).
Het college van diakenen krijgt voortaan ook de bevoegdheid om met de praeses van de kerkeraad en de voorzitter van het college van kerkvoogden samen de collecterooster voor een kalenderjaar op te maken (O. 15-3-12).
De apostolaire gerichtheid van dit diaconaat der diakenen komt vooral uit in de richtlijn, dat diakenen hun arbeid niet tot de leden der gemeente beperken, maar de opdracht der gemeente tot de dienst der barmhartigheid te vervullen hebben ook jegens hen, die niet tot haar behoren (O. 15-3-2). Niet minder ook in de gedragslijn, dat diakenen naar behoefte hebben samen te werken „met instellingen, welker

|291|

doeleinden op een zelfde of overeenkomstig terrein zijn gelegen, zij het met handhaving van het eigen karakter van het diaconaat” (O. 15-3-8).
Voor de verdere hoofdlijnen voor het beleid der diakenen leze men het gehele artikel.

Ook het brede artikel over de diaconale bedieningen (O. 15-5) wordt zó duidelijk als een vorm van bijstand der diakenen als de ambtsdragers in het diaconaat ingeschakeld, dat hierbij in die lidmaten, die hun tijd en krachten geheel aan deze diaconale bediening willen geven, duidelijk de gemeente in haar diaconale roeping uitkomt, effectief „dragend de arbeid der diakenen” (K. XIX-2).

Over de diaconale bedieningen sprak ik reeds uitvoeriger in § 5 van het „Beschrijvend Gedeelte" (over „Ambten en bedieningen). Zie blz. 181.
Voor de overgangsperiode van de oude naar de nieuwe kerkrechtelijke situatie regelen de O.v.b. 293—295 de positie der diaconale bedieningen.

Behalve door de bijstand van diaconale bedieningen kan het college van diakenen voor een doeltreffende vervulling van zijn opdrachten in het diaconaat ook locale diaconale instellingen in het leven roepen, wanneer aard en omvang van een onderdeel van zijn arbeidsveld de behoefte daaraan doen gevoelen (O. 15-15-1); en ook in samenwerking met colleges van diakenen in genabuurde gemeenten komen tot het oprichten van regionale diaconale organen en instellingen (O. 15-16-1).

Bij de stichting van locale diaconale instellingen wordt de goedkeuring vereist van het bredere diaconale orgaan, waarover ik hieronder nog iets meer zeg: de provinciale diaconale commissie (O. 15-15-1); bij de oprichting van regionale diaconale organen en instellingen heeft het breed moderamen van de meerdere ambtelijke vergadering, welker ressort de gebieden van de deelnemende gemeenten omvat, goedkeuring te verlenen in overleg met de algemene diaconale raad (O. 15-16-2).
Voor op 30 April 1951 reeds bestaande, of in oprichting zijnde locale en regionale diaconale instellingen of organen zijn de overgangsbepalingen 299-302 geformuleerd met aanduiding van de gedragslijn, die tot en met 31 December 1951 gevolgd kan worden.

Het beheer van de diaconale gelden en goederen wordt gevoerd door of namens het college van diakenen (O. 15-17-1), dat daarbij de bevoegdheid heeft, indien de omstandigheden dat wenselijk maken, om eigener beweging of op verzoek van de kerkeraad voor bepaalde doeleinden of onderdelen van

|292|

het diaconaat afzonderlijke kassen of fondsen in het leven te roepen (O. 15-18-3).

Zelfs is het mogelijk voor zulke doeleinden een afzonderlijke stichting met rechtspersoonlijkheid in het aanzijn te roepen met toestemming van het provinciaal college van toezicht en onder inachtneming van de volgens O. 15-18-4 vast te stellen regelen.

Voor de op 30 April 1951 reeds bestaande kassen is O.v.b. 303 in het leven geroepen.
Het kerkrechtelijk verschil tussen kas en fonds is hierin gelegen, dat van een kas jaarlijks het gehele saldo besteed kan worden; van een fonds slechts de rente.
Over de boeking en besteding van schenkingen, erfstellingen en legaten spreekt O. 15-19-1 en 2 nader.

Ten aanzien van de besteding van diaconale gelden vraagt O. 15-20-1 nog een ogenblik onze bijzondere aandacht. Het is een artikel over bijdragen aan andere instellingen, waarin kennelijk is opgenomen het vroeger veelgebruikte artikel 28 van het Reglement voor de diaconieën, dat schenkingen uit het batig saldo van de diaconierekening aan de plaatselijke kerkekas mogelijk maakte. De nieuwe regeling van zulke schenkingen is eensdeels ruimer en anderdeels enger dan de vroegere. Ruimer is dit, dat nu niet meer het „batig slot” als de enig mogelijke bron voor zulke bijdragen aangegeven is, — wat voorheen vaak stelde voor de puzzle, wat de wetgever hier met „batig saldo” bedoeld kan hebben 1. Ruimer is ook de omschrijving der mogelijkheid, dat behalve de kerkekas der eigen gemeente ook locale, regionale of generale diaconale kassen, fondsen of instellingen deze bijdragen kunnen toegewezen krijgen. Enger is echter de nieuwe restrictie, die voor zulke schenkingen aan de kerkekas gemaakt is: gemeenten, groter dan 1000 zielen, komen als regel voor zulk een bijdrage niet in aanmerking.

Zie echter O.v.b. 305, waar de provinciale diaconale commissie de bevoegdheid gegeven wordt, deze laatste restrictie op te heffen tot ultimo 1955 voor gemeenten boven de 1000 zielen, die in hun kerkekas zulk een diaconale bijdrage ingevolge artikel 28 van het Reglement voor de diaconieën geregeld kregen.


1 Zie De Reglementen der Nederl. Hervormde Kerk, offic. uitgave, 8e druk 2e nooduitgave, blz. 183-184.

|293|

De jaarlijkse begroting en de jaarlijkse rekening van de diaconie worden vastgesteld door de (centrale) kerkeraad, de begroting telken jare vóór 1 November, de rekening vóór 1 Juni.

Wat de begroting betreft, deze wordt door de kerkeraad vastgesteld aan de hand van een door het college van diakenen opgestelde ontwerp-begroting, die eerst gereedgemaakt mag worden na overleg van praeses en scriba van de kerkeraad met de voorzitter en een lid van het college van diakenen (O. 15-21-1 en 2).

Uiteindelijk blijft het natuurlijk mogelijk, dat, gelet op het recht tot vaststelling van begroting en rekening, zoals dit bij de (centrale) kerkeraad berust, het college van diakenen bezwaren heeft tegen de vorm, waarin begroting en (of) rekening worden vastgesteld. Het kan dan die bezwaren binnen veertien dagen na de vaststelling ter kennis brengen van het provinciaal college van toezicht (O. 15-21-3 en O. 15-22-3).

Men leze voor de verdere bijzonderheden O. 15, artikel 21 en 22 in hun geheel.
De terinzagelegging van de goedgekeurde diaconie-rekening voor de gemeente geschiedt binnen een maand na de mededeling der goedkeuring, en dat wel in verkorte vorm. Publicatie van dit ter inzage gelegd zijn geschiedt „op de daartoe meest geëigende wijze” (O. 15-22-4).

Ten slotte nog enkele verduidelijkende opmerkingen over hoofdstuk VI van ordinantie 15: de bredere diaconale organen.

Deze organen hebben in het bijzonder tot taak leiding te geven aan het diaconale leven in hun gebied, o.a. door de colleges van diakenen in hun ressort generaal, provinciaal, classicaal of regionaal in werkverbanden bijeen te brengen ter overweging en behartiging van de gemeenschappelijke belangen; voorts ook door voorlichting te geven, diaconale periodieken 1 en publicaties te doen uitkomen; en ook door uitvoering te geven aan hetgeen in ordinantie 15 aan deze bredere diaconale organen is opgedragen (O. 15-25-1, dat


1 Wie denkt hierbij niet aan het zo goed geredigeerde Maandblad „Diakonia”? Het nummer van Augustus-September 1951 is bijzonder interessant vanwege zijn principiële artikelen over het diaconaat der gemeente.

|294|

voor de volledige opsomming der taken in zijn geheel dient gelezen te worden).

De in dit artikel genoemde werkverbanden van colleges van diakenen hebben ook kerkrechtelijke betekenis, in zoverre zij voor de benoeming van een drietal diakenen in de „provinciale diaconale commissie” recht van voordracht hebben (O. 15-23-1 en 2).

Er zijn twee bredere diaconale organen:
1e de provinciale diaconale commissie, over de samenstelling waarvan O. 15-23 uitvoerig inlicht. Wij zijn deze commissie bij het doorlopen van de ordinantie voor het diaconaat al meerdere malen tegengekomen, en hebben gezien, dat aan dit orgaan verschillende bevoegdheden tot goed- of afkeuring van plannen zijn gegeven, die colleges van diakenen maken met het oog op de effectieve vervulling van hun diaconale taken (b.v. O. 15-15-1 en O. 15-18-2) 1.

Deze provinciale diaconale commissie worde vooral niet verward met het provinciaal college van toezicht, dat in O. 15 ook meermalen genoemd wordt, en dat zijn taak heeft ter zake van het financieel beheer der diaconale gelden en goederen (b.v. op het stuk van goedkeuring van diaconie-rekening en begroting; O. 15-21-3 en 4 en O. 15-22-2 en 3). Men late zich tot dit misverstand ook niet verleiden door de omstandigheid, dat het provinciale (diaconale) college van toezicht en de provinciale diaconale commissie uit dezelfde personen bestaan.
Natuurlijk wordt in ordinantie 15 met „provinciaal college van toezicht” altijd bedoeld de provinciale diaconale kamer van het provinciaal college van toezicht volgens O. 18-2-2 juncto O. 18-3-1. Daarnevens is er voor het kerkvoogdij-beheer een aparte kamer (de provinciale kerkvoogdij-kamer) in deze provinciale colleges van toezicht. En hiermede werd een vorm van verdubbeling van het provinciale toezicht op het kerkelijk beheer van goederen en fondsen geschapen, waarmede zoveel mogelijk tegemoet gekomen werd aan de wensen der beheersinstanties en stellig ook het overschakelen van dit toezicht op het kerkvoogdelijk beheer vanuit de oude regeling van de uitsluitend voor kerkvoogdijen bestaande „provinciale colleges van toezicht” (ingevolge de bepalingen van het z.g. Algemeen Reglement op het Beheer van 1870; zie § 5 van het „Historisch Gedeelte”) naar de nieuwe ordening volgens ordinantie 18 vergemakkelijkt werd.

2e de algemene diaconale raad, bestaande uit dertien leden, die door de generale synode worden benoemd naar de regel,


1 Hoe de eerste samenstelling van de provinciale diaconale commissies tot stand kwam, wordt beschreven in O.v.b. 308.

|295|

in O. 15-24-1 gesteld 1. Een of meer bezoldigde secretarissen buiten de leden worden daarenboven — met adviserende stem en onder goedkeuring van de generale synode — door de raad benoemd met het oog op al het werk voor stimulering en coördinatie van het diaconale leven over heel het land (O. 15-24-2).

De bijzondere diaconale raden en secties (O. 15-26 en 27) besprak ik reeds kort in § 6 van dit „Beschrijvend Gedeelte”; zie blz. 201.


1 Hoe de samenstelling van de algemene diaconale raad de eerste maal geschiedde, wordt aangegeven in O.v.b. 309. Voor het aanblijven der secretarissen van algemene diaconale raad en bijzondere raden en secties zie O.v.b. 311-313.

Haitjema, Th.L. (1951) II.16

§ 16. De kerkelijke financiën en het toezicht daarop.

 

Om de structuur van ordinantie 16 (voor kerkelijke financiën) goed te kunnen begrijpen, is het nodig vooral op een tweetal, de opbouw van deze ordinantie bepalende, factoren te letten.

In de eerste plaats schemert er in deze ordinantie een tweedeling van de kerkelijke financiën door, die in wezen teruggaat op het vroegere artikel 65 van het Algemeen Reglement van 1852.

Vóór de invoering der z.g. „Werkorde”-bepalingen van 1945 handelde nl. de eerste alinea van dit artikel 65 over de algemene kerkelijke fondsen, waarvan het beheer berustte bij de Algemene Synode, c.q. bij de Algemene Synodale Commissie. De vorming van deze algemene fondsen dateert uit de 19e eeuw (na 1816), en de bedoeling daarvan was geen andere dan bronnen aan te boren, waaruit het algemene kerkewerk zou kunnen worden gefinancierd; waaruit in ieder geval aan de stoffelijke en geestelijke behoeften van bepaalde gemeenten en personen zou kunnen worden tegemoet gekomen krachtens een beschikking van een, het beheer dier fondsen voerende, instantie der algemene Nederl. Hervormde Kerk.

De tweede alinea van dit artikel 65 van het vroegere Algemeen Reglement daarentegen handelde over „bijzondere

|296|

kerk-, pastorie-, kosterij en andere gemeentefondsen”. Omtrent de administratie daarvan, en de betrekking „tusschen hunne bestuurders en de Kerkeraden” zouden volgens deze alinea „nadere bepalingen worden ontworpen”. Over de bevoegdheid-inperkende betekenis van dit woord „ontworpen” sprak ik reeds in het „Historisch Gedeelte” (zie blz. 57-58).

Deze zelfde tweedeling nu tussen algemene kerkelijke fondsen en bijzondere gemeentefondsen beheerst ook de stofverdeling in de ordinantie voor de kerkelijke financiën nog eens weer, zij het ook, dat verschil in beheersbevoegdheid op deze twee brongebieden der kerkelijke financiën bij de verdeling der stof in de huidige ordinantie geen rol meer speelt 1. De afdelingen I en II van ordinantie 16 handelen over het beheer der „bijzondere gemeentefondsen” uit de periode van het vroegere reglementaire kerkrecht; afdeling IV daarentegen regelt onder het hoofd „De algemene financiën der Kerk” het beheer van wat in het oude Algemeen Reglement (Art. 65) „de algemene kerkelijke fondsen” heette. Afdeling III van ordinantie 16 legt de verbinding en vormt zodoende, ook in beheersopzicht, de overgang van het ene naar het andere brongebied der kerkelijke financiën, door de bredere kerkvoogdij-organen en hun taak op de beide brongebieden der kerkelijke financiën ter sprake te brengen.

In de tweede plaats is er in de definitieve redactie van de artikelen van ordinantie 16 een grote mate van parallelisme ontstaan tussen de bouw van de ordinantie voor het diaconaat (O. 15) en die voor de kerkelijke financiën (O. 16). De oorzaak daarvan ligt kennelijk in het rapport, dat in 1950 door de Commissie voor civiel-rechtelijke vraagstukken werd ingediend. Daarin werden zowel O. 15 als O. 16 opnieuw geschreven met het oog op de hantering van de artikelen van beide ordinanties in het burgerlijk recht. Met het oog op het rechtspersoon-zijn zowel van „de gemeente” als van „de diaconie” kwam de bovengenoemde juristen-commissie


1 Doordat de gehele nieuwe kerkorde met de daarbij behorende overgangsbepalingen alle beheersinstanties, die met „de bijzondere gemeentefondsen” te maken hadden, naar het beginsel der vrijwilligheid wil doen overgaan tot de regelingen van de „synodale” ordinantie 16.

|297|

tot een algehele omwerking van beide ordinanties in zulk een stijl, dat duidelijk te bemerken is, dat voor de hoofdopzet van O. 15 en O. 16 hetzelfde schema voor de stof indeling gediend heeft. Wie dan echter de tekst van beide ordinanties eens rustig na elkander leest, zal het natuurlijk niet ontgaan, dat ondanks de vele punten van overeenkomst in structuur en van parallelisme in uitdrukkingswijze toch diepgrijpende verschillen in de verhouding van de bevoegdheden van de colleges van diakenen enerzijds en de colleges van kerkvoogden anderzijds tot de kerkeraden te voorschijn treden, verschillen, welke een gevolg zijn van het gecompliceerd karakter, dat het beheersvraagstuk in de loop der geschiedenis heeft gekregen in onderscheiding van de vragen rondom het beheer der diaconale gelden, waarbij vanouds de kerkeraden direct en innig waren ingeschakeld geweest.

Eén treffend voorbeeld van dit verschil tussen O. 15 en 16 kan men b.v. vinden in de regeling van de vaststelling van de begroting en van de rekening ten aanzien van het diaconale èn van het kerkvoogdij-goed. Bij het diaconale goed worden begroting en rekening vastgesteld door de (centrale) kerkeraad ingevolge O. 15-21-2 en O. 15-22-1. Bij het kerkvoogdij-goed is de bevoegdheid van het college van kerkvoogden, of, waar ook notabelen zijn, van het college van kerkvoogden en notabelen, kennelijk uitgebreider. Dit college stelt begroting en rekening voorlopig vast, en geeft daarna aan kerkeraad en gemeente gelijkelijk de gelegenheid om eventuele bezwaren in te dienen (zie O. 16-12-3, 4 en 5; O. 16-13-2, 3 en 4). Daarna wordt binnen veertien dagen door hetzelfde college van kerkvoogden (of: van kerkvoogden en notabelen) de begroting en ook de rekening definitief vastgesteld (zie O. 16-12-7 en O. 16-13-5). Alsdan is er echter nog goedkeuring op deze definitieve vaststelling nodig, die door de provinciale kerkvoogdij-commissie gegeven wordt, en die zij niet geeft, dan nadat aan de kerkeraad nog tot dertig dagen na de vaststelling de gelegenheid is gegeven bezwaren in te brengen en die toe te lichten, terwijl ook het college van kerkvoogden de gelegenheid moet ontvangen zijn standpunt toe te lichten (zie O. 16-12-7, 8 en 9 en O. 16-13-6, 7 en 8). Deze toelichting van de zijde van de kerkeraad èn van het college van kerkvoogden kan aan de provinciale kerkvoogdij-commissie natuurlijk ook aanleiding geven om een beslissing te nemen, die tot wijziging van de vastgestelde begroting of rekening moet leiden.

Voordat wij nu de beide „brongebieden” voor de kerkelijke financiën en de wijze van beheer van beide van naderbij gaan bezien, zal het niet ondienstig zijn er nog even op te wijzen, dat ik opzettelijk alleen maar van een „doorschemeren” van

|298|

de oude tweedeling in algemene kerkelijke fondsen en bijzondere gemeentefondsen ingevolge artikel 65 van het Algemeen Reglement van 1852 sprak. Want deze oude tweedeling heeft bij nader beschouwen toch maar zeer betrekkelijk de structuur van ordinantie 16 bepaald. Die oude tweedeling laat b.v. de kerkvoogden vrijwel slechts als beheerders of bestuurders van het kerkelijk stichtingsgoed (of de „kerkfabriek”-fundatie) uitkomen, terwijl in de bouw van ordinantie 16 het college van kerkvoogden van meet af als verzorger van de stoffelijke belangen der gemeente, voor zover deze niet van diaconale aard zijn, heeft op te treden. Dat brengt dan als vanzelf met zich mede, dat in de opsomming van de bijzondere taken van het college van kerkvoogden het inzamelen van het levend geld uit de kring der gemeenteleden — in de vorm van collecten, of van vrijwillige of verplichte bijdragen aan de plaatselijke kerkekas — eerder aan de orde komt dan het beheer van de kerkgebouwen en de ander eigendommen en kapitalen der gemeente (O. 16-1-2).

En laten wij ook niet vergeten, dat zulk een accentverlegging in de taakbeschrijving van het college van kerkvoogden wel moest optreden, nadat K. IV-6 de verzorging van de stoffelijke belangen der gemeente, voor zover niet van diaconale aard, had toevertrouwd aan „daartoe in het bijzonder aangewezen ouderlingen, die als zodanig de naam kerkvoogd dragen”. Dit fundamentele artikel in ons nieuwe kerkrecht leidde er toen als vanzelf weer toe, om in de ordinantie voor het presbyteraat (O. 14) deze kerkvoogd-ouderlingen opnieuw ter sprake te brengen als „ouderlingen met een bepaalde opdracht", wier bepaalde opdracht zó veelomvattend is, dat zij automatisch worden vrijgesteld — tenzij de betrokkenen uitdrukkelijk anders begeren — van de herderlijke zorg en het opzicht door het doen van huisbezoek, van de zorg bij moeilijkheden in het gezinsleven, van het aandeel in de catechese en in de arbeid onder de van het Evangelie vervreemden (O. 14-2-1, 2 en 3). En door de poort van O. 14-4-2 is het in feite dan ook alleen maar mogelijk het territoir van de ordinantie voor de kerkelijke financiën te betreden. Indien de tweedeling van het oude artikel 65 van het Algemeen Reglement van 1852 volstrekt

|299|

bepalend was geweest voor de structuur van ordinantie 16, dan zou zeker afdeling II (de zorg voor de gelden en goederen der gemeente) hebben moeten vooropgaan, want dan zou men er mee hebben moeten rekenen, dat er eerder gelden en goederen der gemeente waren dan kerkvoogden, die zulke, b.v. door schenking of erflating verkregen, fondsen der gemeente zouden hebben te beheren. Nu gaan de artikelen over de kerkvoogden (en de notabelen) voorop, waarmede het zwaartepunt van hun taak verlegd wordt vanuit de administratieve accuratesse in het beheer van kerkegoed, dat er reeds vanouds is, naar de geestelijke verantwoordelijkheid 1 voor de verzorging van de stoffelijke belangen der gemeente, o.a. door het trachten te verkrijgen van de stoffelijke middelen, die het kerkewerk — zowel het plaatselijke als het algemene — moeten in stand houden en tot groter bloei brengen.

Door de poort van het ouderlingambt blijve men derhalve het eerste brongebied van de kerkelijke financiën, dat met de ietwat verbleekte titel „bijzondere gemeentefondsen” mag worden aangeduid, betreden.

Het is goed geweest, dat de generale synode onder de Werk-orde het principiële besluit, om de kerkvoogdelijke functiën op te dragen aan „ouderlingen met een bepaalde opdracht” eerst genomen heeft, toen de eerste afdeling van ordinantie 16 in behandeling komen moest (zie Handel., 1949, blz. 752). Toen kon men eerst ten volle duidelijk zien, waartoe de figuur van ouderling-kerkvoogd leiden moest in het nieuwe kerkelijk bestel.

En het is evenzeer vrucht van wijs beleid geweest, dat de Generale Synode in 1950 de overgangsbepalingen bij ordinantie 16 zó soepel geredigeerd heeft, dat men er mede heeft willen rekenen, dat er heel wat tijd mede gemoeid 2 zou zijn, vóór en aleer de aloude souvereiniteit inzake het beheer van


1 Over deze geestelijke verantwoordelijkheid van de kerkvoogd, die tevens ouderling met een bepaalde opdracht is, sprak namens de Algemene Kerkvoogdij-raad op voortreffelijke wijze Mr M.Ch. de Jong in de Generale Synode van October 1949 (Handel., 1949, blz. 750).
2 O.v.b. 335 noemt zelfs een tijdvak van 1951-1975, waarbinnen wijzigingen in O. 16 (èn in O.v.b. 335) niet mogen worden aangebracht, dan nadat overeenstemming is verkregen tussen het breed moderamen van de generale synode en de algemene kerkvoogdij-raad.

|300|

de „bijzondere gemeentefondsen” in oude stijl zou zijn wedergeboren tot het geestelijk verantwoordelijkheidsgevoel van in het dienende ambt van ouderling-kerkvoogd te staan midden in de gemeente.

Voor de werkelijkheidszin der overgangsbepalingen inzake „het beheer” vergelijk O.v.b. 281-291 en 314-317.
De eerstgenoemde serie overgangsbepalingen ziet de aanpassing van het plaatselijk reglement op het beheer aan de bepalingen der nieuwe kerkorde geheel vanuit het ouderlingambt, waarin de kerkvoogden behoren te treden.
O.v.b. 281 rekent met de mogelijkheid, dat zittende mannelijke kerkvoogden na 1 Mei 1951 niet bereid blijken in de kerkeraad als ouderling zitting te nemen, hoewel het college van kerkvoogden, waartoe zij behoren, met meerderheid van stemmen besloot hun plaatselijk reglement op het beheer in overeenstemming te brengen met de kerkorde (krachtens het z.g. vervangingsbesluit).
O.v.b. 284 en 285 rekenen met stagnatie bij de effectuering van het z.g. „vervangingsbesluit”, b.v. doordat het betrokken provinciaal college van Toezicht (oude stijl; zie § 5 van het „Historisch Gedeelte”) goedkeuring weigert op een aan de kerkorde aangepast nieuw plaatselijk reglement op het beheer. Een kerkvoogd-ouderling, die krachtens een principieel genomen „vervangingsbesluit” reeds in het voorjaar van 1951 gekozen werd tot lid ener meerdere vergadering, heeft daarin slechts adviserende stem, zolang hij nog niet als ouderling-kerkvoogd kon bevestigd worden, en moet zijn mandaat als lid dier meerdere vergadering neerleggen, wanneer hij op 31 December 1951 nog steeds niet als ouderling werd bevestigd.
O.v.b. 286 en 287 maken het zelfs mogelijk, dat kerkvoogden, die ondanks het meerderheidsbesluit van hun college om hun beheersreglement in overeenstemming te brengen met de kerkorde niet willen of wegens boventalligheid niet kunnen toetreden tot de kerkeraad, gedurende het verdere gedeelte van hun zittingstijd blijven zitting houden in het college van kerkvoogden met concluderende stem. Vrouwelijke kerkvoogden kunnen zelfs in dit voorrecht delen van te blijven zitting houden in het college van kerkvoogden met het uitzicht daarbij, dat zij bij periodieke aftreding herbenoembaar zijn.
O.v.b. 288 machtigt gemeenten, die haar college van kerkvoogden niet vóór 1 Febr. 1951 het z.g. vervangingsbesluit zagen nemen, om voorlopig een gewone ouderling i.p.v. een ouderling-kerkvoogd, die eigenlijk volgens rooster optreden moest, af te vaardigen naar de classicale vergadering, mits deze weer aftreedt, zodra tot benoeming van een ouderling-kerkvoogd kan worden overgegaan.
O.v.b. 289 wil voorzichtiglijk — bij stagnatie van de aanpassing van het plaatselijk reglement op het beheer aan de kerkorde — de kerkeraad doen optreden ter vervulling van die kerkvoogden-werkzaamheden, die volgens de vroegere algemene en plaatselijke bepalingen niet tot het

|301|

arbeidsveld van het college van kerkvoogden behoorden, maar die wel moeten verricht worden volgens de nieuwe ordinantie 16.
O.v.b. 290 laat uitkomen, dat eerst na 1 Januari 1953 door de provinciale kerkvoogdij-commissie in overleg en samenwerking met andere kerkelijke lichamen voor de financiën en het toezicht daarop zal beproefd worden de aanpassing van een plaatselijke beheersregeling aan de kerkorde te bevorderen.
O.v.b. 291 geeft aan deze pogingen één jaar tijd, zodat eerst na 1 Januari 1954 de algemene kerkvoogdij-raad en de generale synode zich geval voor geval met de kwestie gaan bemoeien.
De serie overgangsbepalingen 314-317, die het probleem der kerkvoogdijen vanuit het gezichtspunt der gemeentelijke financiën willen doen bezien, schorten de inwerkingtreding van de artikelen 1-13 van ordinantie 16 op tot het tijdstip, waarop het aangepaste plaatselijke reglement op het beheer van kracht geworden zal zijn, terwijl voor de overgangsphase hier tevens geregeld wordt, hoe uit de zittende kerkvoogden, zo die meer in aantal zijn dan het aantal in de kerkeraad zitting hebbende ouderlingen, een keuze zal worden gedaan van die kerkvoogden, die in de kerkeraad kunnen treden.

Parallel met de uitdrukking „college van diakenen” in onderscheiding van „de diaconie” is overeenkomstig het advies van de „commissie voor civiel-rechtelijke vraagstukken” in ordinantie 16 consequent sprake gekomen van het „college van kerkvoogden” in onderscheiding van „de kerkvoogdij” (Rapporten, blz. 184).

„Kerkvoogdij” wordt dus in het huidige kerkrecht voortaan alleen de titel voor de aard van dit werk in de stoffelijke aangelegenheden der gemeenten, terwijl voorheen met deze term ook niet zelden de rechtspersoon van het z.g. „kerkfabriek”-goed werd aangeduid.

Dit begrip van „kerkvoogdij” werd in de huidige formuleringen teruggedrongen, b.v. in O. 16-1-2, waar de kerkgebouwen zonder meer tot de „eigendommen” der gemeente schijnen gerekend te worden.

Uit de redactie van overgangsbepaling 289 is ons hierboven al reeds gebleken, dat het huidige kerkrecht nadrukkelijk onderscheid gemaakt wil hebben tussen de oude en de nieuwe taken van de colleges van kerkvoogden. Tot de oude taken reken ik onder het in O. 16-1-2 opgesomde:
ten 1e het vaststellen van de stoffelijke behoeften der gemeente, en de wijze, waarop daarin zal worden voorzien;

|302|

ten 2e het inzamelen van de gaven der gemeenteleden 1;
ten 3e de indeling en de regeling voor het gebruik van de zitplaatsen in de kerkgebouwen tijdens de kerkdiensten, waarbij dus ook de mogelijkheid van plaatsenverhuur opengelaten is 2, doch niet langer dan telkens voor vijf achtereenvolgende jaren, terwijl iedere vorm van eigendomsoverdracht door het college van kerkvoogden uitgesloten zal moeten zijn (zie O. 16-7-3);
ten 4e het vaststellen van het aandeel der leden in de geldelijke lasten der gemeente, waarbij in O. 16-7-1 duidelijk nader gestipuleerd wordt, dat dit aandeel zowel als vrijwillige als ook als verplichte periodieke bijdrage kan worden gevraagd 3;
ten 5e het beheer van de kerkgebouwen en andere eigendommen en kapitalen der gemeente;
ten 6e het beheer van kerkhoven en kerkelijke begraafplaatsen, (uitgezonderd natuurlijk de gevallen, waarin een begraafplaats in eigendom toebehoort aan de diaconie; zie Handel., 1949, blz. 742);
ten 7e het beheer — krachtens de daarvoor bestaande titels — van de pastorie-, vicarie- en kosteriegoederen;
ten 8e het vaststellen van de salarissen der beambten;
ten 9e het benoemen, schorsen en ontslaan van die beambten;
ten 10e het verrichten van datgene, wat de stoffelijke belangen der gemeente verder kan dienen.

Het „ten 7e” is opzettelijk ingevolge het advies van de commissie voor civiel-rechtelijke vraagstukken zeer voorzichtig geformuleerd. Men leze


1 Wat de kerkcollecten betreft, de huidige kerkorde vordert, dat de voorzitter van het college van kerkvoogden, de voorzitter van het college van diakenen en de praeses van de kerkeraad samen een voorbereidende commissie zullen vormen tot het ontwerpen van de collecterooster voor het eerstvolgende jaar (O. 16-7-2).
2 In de Generale Synode van October 1949 werden bezwaren tegen dit verhuursysteem geuit (Handel., 1949, blz. 755-756).
3 Gerechtelijke invordering van een verplichte periodieke bijdrage wordt zelfs niet uitgesloten als laatste maatregel (O. 16-7-5).

|303|

de inleiding van haar rapport (blz. V-VI) met de belangrijke historische opmerkingen over het wezen der pastoralia. Vóór 1 Mei 1951 voerden kerkvoogden het beheer over de pastoriegoederen als regel slechts in vacaturetijd en overigens slechts daar, waar de pastor loci van dit recht op beheer der pastoralia vrijwillig afstand gedaan had ten behoeve van het college van kerkvoogden (vgl. het vroegere Reglement op de pastoriegoederen, Art. 5 en 4). Wel hadden kerkvoogden steeds het toezicht op het beheer der pastoriegoederen ingevolge artikel 3 van voornoemd reglement.
Gelet op deze voorgeschiedenis van het beheer van het pastoriegoed behoeft het ons dan ook in het geheel niet te verwonderen, dat in O. 16 op aandrang van de „commissie voor civiel-rechtelijke vraagstukken" nog een afzonderlijk artikel (Art. 9) over het beheer van de pastoriegoederen is opgenomen, terwijl zulke artikelen voor de vicarie- en kosteriegoederen ontbreken. In O. 16-9-1 werd op aandrang van bovengenoemde commissie nadrukkelijk het recht van de predikant omschreven om in het overleg met het college van kerkvoogden mede betrokken te worden ten aanzien van de gewone beheersdaden en bovendien diens uitsluitend recht — zij het met medewerking van het college van kerkvoogden, enz. — geformuleerd om tot vervreemding en bezwaring van de pastoralia het initiatief te nemen.

De uitgesproken nieuwe taken van het college van kerkvoogden zijn:
ten 1e het bijhouden van de registers der gemeenteleden en van de doop-, de lidmaten-, en de trouwboeken;
ten 2e de financiële regelingen inzake het kerkblad van de gemeente of de deelneming aan een kerkblad van meer gemeenten tezamen.

De eerste hierboven omschreven nieuwe taak wordt uitvoeriger uitgewerkt in O. 2-3. In het Nunspeetse ontwerp was deze aangelegenheid geregeld in O. 16-3.
Deze taak kan alleen dan zinvol toevallen aan het college van kerkvoogden, indien volle ernst gemaakt wordt met de figuur van de ouderling-kerkvoogd, en derhalve het college van kerkvoogden mag beschouwd worden als een sector van de kerkeraad.
De tweede hierboven omschreven nieuwe taak kan natuurlijk niet bedoelen bestaande rechten inzake de exploitatie van kerkbladen, hetzij van diaconieën, hetzij van ministeries van predikanten, onder de voet te lopen. Wel kan met de commissie voor de consideratiën op de nieuwe kerkorde worden geconstateerd, dat, zodra een contract afloopt, de gemeenten gehouden zullen zijn „de hand te houden aan deze ordinantie, zodat de contracten niet meer afgesloten mogen worden zonder medewerking van kerkvoogden” (Rapporten, blz. 185).

|304|

In het tweede artikel van ordinantie 16, dat over de werkwijze van het college van kerkvoogden handelt, lijkt mij voor de nieuwe koers, die wij met het verzorgen van de stoffelijke belangen der gemeente uit moeten, bijzonder belangrijk de bepaling uit lid 4, die aan het college van kerkvoogden voorschrijft inzake het algemene financiële beleid „voeling te houden met de gehele kerkeraad” 1 o.a. ook door deze op de hoogte te houden van belangrijke gebeurtenissen op zijn arbeidsveld en hem ook de verlangde inlichtingen en gegevens te verschaffen. Hiermede worden stellig belangrijke perspectieven geopend voor een steeds inniger samenwerking tussen het college van kerkvoogden en de kerkeraad. Het „college van kerkvoogden” kan zodoende steeds duidelijker worden, wat zij kerkrechtelijk thans is: een sector van de kerkeraad.

Over de werkwijze van het college van kerkvoogden moge ik daarnevens nog even aandacht vragen voor de bevoegdheid van dit college om uit zijn midden voor ten hoogste vier jaren een praeses aan te wijzen, en desgewenst ook een administrerend kerkvoogd, terwijl een secretaris-kerkvoogd bovendien nog — desnoods ook van buiten de kring der kerkvoogden, nl. uit de lidmaten, — kan benoemd worden (O. 16-2-1); het college van kerkvoogden heeft voorts de verplichting een plaatselijke regeling met inachtneming van de bepalingen van ordinantie 16 gereed te maken (O. 16-2-2) en vast te stellen na een procedure als in O. 16-2-3 omschreven.
Dat het parallelisme tussen het college van diakenen en het college van kerkvoogden toch maar zeer ten dele opgaat, blijkt ten overvloede uit een vergelijking van O. 15-12-2 met O. 16-2-5. Een college van diakenen, dat door bijzondere omstandigheden uit minder dan twee leden zou komen te bestaan, wordt aangevuld met een of twee leden van de kerkeraad en dat wel door de kerkeraad. Komt een college van kerkvoogden in een zelfde situatie van onvoltalligheid te verkeren, dan moet de provinciale kerkvoogdij-commissie ingrijpen en een of twee lidmaten uit de kerkprovincie aanwijzen, om het bestuur der „kerkvoogdij” weer bevoegdheid tot besluitvorming te geven!
Wordt hier de „apartheid” der kerkvoogdij-aangelegenheden op haar historische achtergrond toch niet wat ver gedreven?

Behalve colleges van kerkvoogden zijn er in het huidige kerkrecht ook wijkraden van kerkvoogden. Deze worden gevormd in centrale gemeenten door de kerkvoogden der wijkgemeente (O. 16-4-1). De wijkraden van kerkvoogden


1 Bedoeld wordt natuurlijk: de kerkeraad in zijn geheel.

|305|

vervullen verschillende taken uit O. 16-1-2 op het territoir hunner wijkgemeente, voor zover die taken hun bij plaatselijke regeling ingevolge O. 16-2-2 zijn toegewezen. Met dien verstande evenwel, dat het bijhouden van de boeken en registers benevens het voeren van de financiële administratie, zowel ten behoeve van de centrale gemeente als van de wijk-gemeenten, in ieder geval bij het college van kerkvoogden berust (O. 16-4-5). Men zou kunnen vragen, waarom dit laatste zo omschreven is. Dit hangt ten nauwste samen met het feit, dat in centrale gemeenten de wijkgemeenten geen afzonderlijke rechtspersonen vormen ingevolge O. 16-6-1. De consequentie daarvan is natuurlijk, dat wettige rechtshandelingen van vermogensrechtelijke, niet-diaconale, aard alleen namens de centrale gemeente kunnen verricht worden door het college van kerkvoogden (O. 16-5-1 en O. 16-6-2 en 3) 1. Maar dan kunnen natuurlijk ook de wijkraden van kerkvoogden nimmer belast worden met een financiële administratie, die met rechtshandelingen kunnen gepaard gaan, welke tegenover derden binden (zie O. 16-6-4).

Het college van kerkvoogden wordt in een centrale gemeente benoemd uit en door de kerkvoogden der wijkgemeenten, die daarvoor in een vergadering bijeenkomen onder leiding van de voorzitter van het college van kerkvoogden, terwijl de secretaris van dit college daarbij als secretaris fungeert (O. 16-4-2, 3 en 4).

De omvang en samenstelling van het college van kerkvoogden worden bij plaatselijke regeling vastgesteld, evenals de taakverdeling tussen het college van kerkvoogden en de wijkraden van kerkvoogden (O. 16-4-5).
Hoe zulk een plaatselijke regeling in een centrale gemeente tot stand komt, schetst O. 16-4-6.
Het belangrijke overleg, bedoeld in O. 16-2-4, heeft in centrale gemeenten plaats tussen het college van kerkvoogden en het groot moderamen van de centrale kerkeraad, terwijl de wijkraden van kerkvoogden regelmatig samenwerken met de wijkkerkeraden (O. 16-4-7).

Notabelen kunnen bijstand verlenen aan het kerkvoogdelijke werk in de gemeenten. Het Nunspeetse ontwerp sprak


1 Wel kan in een gemeente met geografisch gescheiden onderdelen de administratie van de bezittingen dier onderdelen afzonderlijk worden gevoerd; maar dan toch door het centrale college van kerkvoogden? (O. 16-10-2).

|306|

over deze mogelijkheid slechts in een enkele volzin in O. 16-2 onder het hoofd „de werkwijze van kerkvoogden”. De eerste lezing van de Kerkorde bracht in O. 16 reeds een afzonderlijk artikel over „de taak der notabelen” aan met artikel 3 (Kerkorde, eerste lezing, blz. 202). De definitieve tekst van O. 16, zoals die op 1 Mei 1951 kerkelijke wet werd, heeft dit artikel aanzienlijk uitgebreid, zonder echter af te wijken van het grondbeginsel van het Nunspeetse ontwerp, dat dit instituut van notabelen zeker niet in alle gemeenten, waar het te voren nog niet bestond, in het leven zou moeten geroepen worden. Zou de innige samenwerking van het college van kerkvoogden met de kerkeraad in zijn geheel het optreden van een notabelen-college niet overbodig kunnen maken?

Toch oordeelde de Generale Synode in 1950 bij de definitieve vaststelling van de tekst van O. 16, dat toch een uniforme regeling van de taak der notabelen in die gemeenten, waar zij waren, noodzakelijk was. Daarom beschrijft het huidige O. 16-3 de vorm van verkiezing dier notabelen in gewone gemeenten, en ook in centrale gemeenten, waar niet de stemgerechtigde lidmaten, doch alleen de vergadering van alle kerkvoogden aan die verkiezing te pas komen (O. 16-3-2); en werkt het de bijstand, die notabelen geven kunnen aan het kerkvoogden-werk onder drieërlei hoofd uit: a. de verwerving van gelden (O. 16-3-6), b. de verkiezing van kerkvoogden (O. 16-3-7), c. bij bepaalde handelingen van het college van kerkvoogden, zoals het opmaken van de begroting en de rekening (O. 16-3-8).

De werkzaamheden der notabelen, onder b. en c. genoemd, worden door hen niet als afzonderlijk college verricht, doch in gecombineerde vergadering met de kerkvoogden, waarbij de voorzitter en secretaris van het college van kerkvoogden als voorzitter en secretaris van deze gecombineerde vergadering fungeren (O. 16-3-9).
In deze gecombineerde vergadering wordt bij een kerkvoogd-vacature een groslijst van aanbevelenswaardige lidmaten opgemaakt en aan de kerkeraad toegezonden, die met deze lijst rekent als met een „aanbeveling” volgens hoofdstuk II van O. 3 (zie O. 16-3-7).
De notabelen komen ook nog weer even naar voren in het artikel over de vertegenwoordiging van de gemeente in en buiten rechte (O. 16-5-3); waar blijkt, dat zij kunnen worden aangewezen door het college van kerkvoogden — „bij belet of ontbreken” van voorzitter en secretaris ter ondertekening van een besluit van dit college — als plaatsvervangers

|307|

bij de uitvoering van zulk een besluit. Intussen kunnen — waar geen notabelen zijn — ook kerkeraadsleden als plaatsvervangers bij de ondertekening van zulk een besluit worden aangewezen. Voor centrale gemeenten is dit anders geregeld 1.

Tegen de vermenging en dooreenvloeiing van gelden en goederen uit verschillende fondsen waakt de huidige kerkelijke wet allereerst, door aan het college van kerkvoogden de verplichting op te leggen afzonderlijke inventarissen en administraties bij te houden van de door hen beheerde kosterie-, vicarie- en andere krachtens herkomst of bestemming daarmede gelijk te stellen goederen en fondsen (O. 16-8-2), ook van de pastorie-goederen (O. 16-9-3). In de tweede plaats kan het college van kerkvoogden, indien de omstandigheden dit wenselijk maken, voor bepaalde doeleinden of onderdelen van het kerkelijk leven afzonderlijke kassen en fondsen in het leven roepen, waarvan het beheer natuurlijk ook afzonderlijk moet worden gevoerd door of namens kerkvoogden (O. 16-10-3); zelfs kunnen door het college van kerkvoogden afzonderlijke rechtspersonen in het leven worden geroepen, indien bijzondere redenen daartoe nopen (O. 16-11-1).

De formaliteiten bij zulk in het leven roepen van afzonderlijke rechtspersonen, b.v. in de rechtsvorm van een stichting, in acht te nemen, leze men zorgvuldig na in O. 16-11-1 en 2. De wetgever heeft hier o.a. gedacht aan bestaande, of expresselijk in het leven te roepen kerkelijke scholen, die door een rechtspersoon dienen te worden bestuurd.
Na zó op een mogelijk veelvoud in de administratie van plaatselijk-kerkelijke financiën de nadruk gelegd te hebben, mag ik wel weer teruggrijpen op de regel, dat er in iedere gemeente één kerkekas is, onder het beheer van het college van kerkvoogden (O. 16-10-1).

Aan de bredere kerkvoogdij-organen zijn in ordinantie 16 een tweetal artikelen (14 en 15) gewijd, die formeel van een zelfde structuur zijn als de artikelen over de „bredere diaconale organen” in ordinantie 15. Deze beide artikelen zijn óók op geheel parallelle wijze als een afzonderlijk hoofdstuk in de ordinantie ingevoegd, na de artikelen over de begroting en de rekening.

Alleen treft ons hier in ordinantie 16, dat de benoemingen in deze bredere kerkvoogdij-organen op enkelvoudige voordracht een veel grotere rol spelen dan in de ordinantie voor


1 Zie O. 16-6-4.

|308|

het diaconaat. Hier deed zich natuurlijk weer gelden de krachtens heel haar voorgeschiedenis veel sterker ontwikkelde souvereiniteit in eigen kring bij de kerkvoogdij-instanties in onze Nederl. Hervormde Kerk.

Er zijn twee bredere kerkvoogdij-organen:
a. de provinciale kerkvoogdij-commissies, bestaande uit zeven leden, die formeel wel door de ambtelijke vergadering, die over een gehele kerkprovincie regeert, nl. de provinciale kerkvergadering, worden benoemd (waarmede het dualisme van vroeger tussen „bestuur” en „beheer” in wezen doorbroken is!), maar dan toch zó, dat vier leden op enkelvoudige voordracht van tenminste vijftien colleges van kerkvoogden eigenlijk alleen maar worden benoemd verklaard, één lid op soortgelijke wijze door de algemene kerkvoogdij-raad wordt aangewezen, en derhalve slechts voor een tweetal leden benoeming naar vrije keuze mogelijk blijft (O. 16-14-2).

Naast de taken, die in het algemeen aan de bredere kerkvoogdij-organen toevallen ingevolge O. 16-15-1, hebben de provinciale kerkvoogdij-commissies inzonderheid tot taak, de haar toegezonden begrotingen van de colleges van kerkvoogden in hun kerkprovincie te beoordelen (O. 16-15-2 juncto O. 16-12-7 en 8), terwijl de rekeningen dier colleges ter goedkeuring moeten voorgelegd worden aan de provinciale colleges van toezicht (O. 16-13-6 en 7).

Hierbij valt echter wel te bedenken, dat — wat de leden betreft — de provinciale kerkvoogdij-kamer voor het toezicht gelijk is aan de provinciale kerkvoogdij-commissie (zie O.18-2-3).

b. de algemene kerkvoogdij-raad, bestaande uit negen leden, die ook weer formeel door de hoogste ambtelijke vergadering der Kerk, de generale synode, worden benoemd, evenwel zó, dat deze voor zes van de leden aan een enkelvoudige voordracht van tenminste veertig colleges van kerkvoogden gebonden is, voor één lid uit de dienstdoende predikanten kiezen moet, en voor twee leden in de keuze slechts geheel vrij is (O. 16-14-3).

Samensprekingen van de algemene kerkvoogdij-raad met gedelegeerden van de provinciale kerkvoogdij-commissies worden voorgeschreven in O. 16-14-4.

|309|

Beide bredere kerkvoogdij-organen kunnen een secretaris benoemen buiten hun leden, met adviserende stem (O. 16-14-5).

De taak van de bredere kerkvoogdij-organen wordt in een achttal punten omschreven, waarvan de eerste vijf kennelijk in het verlengde liggen van wat de Vereniging van kerkvoogdijen tot dusver steeds als haar taak zag, maar de laatste drie punten nieuwe perspectieven openen voor het leven en werken van een Kerk, die heeft leren verstaan, dat „bestuur” en „beheer” in harmonieuze eenheid behoren samen te werken, zó dat stoffelijke belangen vanzelf een diep-geestelijke keerzijde krijgen.

Men leze O. 16-15-1 maar eens rustig na. De op een na laatste taak, nl. „deel te nemen aan de verzorging van de algemene financiën der Kerk”, vormt duidelijk de overgang naar hoofdstuk IV van O. 16, waarmede dus ook de bredere kerkvoogdij-organen een taak zullen hebben op het gebied van het beheer der algemene kerkelijke fondsen, waar zij onder het oude reglementaire kerkrecht steeds angstvallig buiten gehouden werden.

 

Het tweede „brongebied” voor de kerkelijke financiën, m.a.w. het terrein van de algemene kerkelijke fondsen en kassen, was in de nieuwe kerkorde heel wat gemakkelijker te bezetten en te ordenen dan het eerste, dat der „bijzondere gemeentefondsen”, waarover wij tot dusver te handelen hadden. Op dit tweede gebied lag uiteraard veel minder conflict-stof dan op het eerste.

Wel moest er, vergeleken met het vroegere kerkrecht, een vrij ingrijpende omschakeling voltrokken worden, aangezien men thans, anders dan voorheen, de generale synode zoveel mogelijk wilde trachten te houden buiten alle beslommeringen met de generale financiën der Kerk. En waar na 1 Mei 1951 een lichaam, gelijkend op de vroegere Algemene Synodale Commissie, ook geheel is weggevallen, lag het voor de hand, dat een nieuw kerkelijk lichaam voor het beheer van de generale financiën der Kerk in het aanzijn diende geroepen te worden. Het is de generale financiële raad, in zijn samenstelling omschreven in O. 16-16-2.

De generale financiële raad heeft negen leden, door de generale synode te benoemen uit de lidmaten der Kerk, en wel vijf naar vrije keuze, twee op voordracht van de algemene kerkvoogdij-raad en twee op voordracht van de algemene diaconale raad (O. 16-16-1).

|310|

De werkwijze van deze raad wordt ingevolge O. 16-17-2 nader vastgesteld bij generale regeling der synode, nadat de generale financiële raad deze als ontwerp ingezonden heeft.

Dit nieuwe lichaam, de „generale financiële raad”, heeft in het kader van ons huidige Nederl. Hervormde kerkrecht grote bevoegdheden. Enerzijds draagt hij kennelijk de laatste financiële verantwoordelijkheid voor het beheer van en de beschikking over de gelden en goederen der Kerk, die tot de algemene kerkelijke fondsen en kassen behoren. Anderzijds is aan deze raad de bevoegdheid gegeven de Nederl. Hervormde Kerk in haar geheel in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

Met het eerste hangt natuurlijk samen, dat aan deze raad het recht is toevertrouwd een enkelvoudige voordracht bij de generale synode in te dienen voor de benoeming van een Quaestor-Generaal; en ook om de plichten en rechten van deze functionaris nader te regelen (O. 16-16-3).

In het Algemeen Reglement van 1816 was voor het eerst van zulk een „vaste quaestor” sprake, op dezelfde wijze als de „vaste secretaris” door „het synode” benoemd (Art. 19). Hij had dezelfde rang en stem, — evenals ook de secretaris — als de gewone synodeleden, en moest gekozen worden uit de ouderlingen of oud-ouderlingen van Amsterdam. Onder de vigueur van de Werkorde werden de benoeming en de taken van de Quaestor-Generaal geregeld in Invoeringsbepaling 17 bij de Additionele Artikelen van het Algemeen Reglement.
De Algemene Synodale Commissie kreeg nu het benoemingsrecht van de Quaestor-Generaal en, in afwijking van Art. 65, alin. 1 van het Algemeen Reglement, ook de laatste verantwoordelijkheid voor het beheer van alle algemene synodale fondsen. Verplichte accountantscontrole daarop werd toen ook krachtens deze overgangsbepaling geëist.
In de huidige kerkorde is van de Quaestor-Generaal behalve in O. 16-16-3 alleen nog sprake in O. 1-13-2 en in O.v.b. 328, waar de inschakeling van de vóór 1 Mei 1951 fungerende Quaestor-Generaal in het nieuwe kerkrecht geregeld wordt.

Met deze veelomvattende bevoegdheid ten aanzien van beheer en besteding der algemene kerkelijke fondsen en kassen hangt voorts ook samen, dat begrotingen van algemene kassen en fondsen, ook van de administratie-kosten van kerkelijke lichamen (omdat voor de bestrijding daarvan immers weer geput moet worden uit de kas voor de administratiekosten, genoemd in O. 16-23), aan de generale financiële raad ter goedkeuring moeten voorgelegd worden (O. 16-19-2),

|311|

en dat deze generale financiële raad ook desgewenst de betrokken kerkelijke lichamen kan bijeenroepen ter bespreking van de verwerving van de gelden en van wat verder aan een goede gang van zaken kan dienstbaar zijn (O. 16-19-3), terwijl, als de vorming van nieuwe generale kassen of fondsen daarbij in het geding komt, deze generale financiële raad de leiding van het overleg met de algemene kerkvoogdij-raad of — voor diaconale aangelegenheden — met de algemene diaconale raad zich toevertrouwd zag, zal het ooit tot vaststelling bij ordinantie van een verplichting tot betaling der bijdrage in zulk een nieuw fonds of nieuwe kas kunnen komen (O. 16-18-4).

Het besluit tot vorming van een nieuwe generale kas of een nieuw generaal kerkelijk fonds wordt door de generale synode genomen, maar in overleg met de generale financiële raad (O. 16-18-2).
Een verplichting tot betaling ten behoeve van zulk een kas of fonds kan alleen bij ordinantie worden vastgesteld. Dit gelieve ieder te bedenken, die de neiging mocht hebben smalend te spreken over de ongehoorde dwang, die met de weigering der autorisatie en approbatie inzake predikantsberoepingen (O. 3-15-1 en O. 3-20-1) door kerkelijke instanties kan uitgeoefend worden als „incassomiddel”!
Over het verschil tussen kas en fonds schreef ik reeds in § 15; zie blz. 292.
De oude en reeds vóór 1 Mei 1951 bestaan hebbende algemeen-kerkelijke fondsen en kassen worden volgens de O.v.b. 29-38 (de opsomming dier fondsen en kassen, dertien in getal, treft men aan in O.v.b. 29) gecontinueerd en wat het beheer en (of) een toekomstige opheffing betreft, onder de bijzondere zorg van de generale financiële raad gesteld. Deze heeft het daartoe te leiden, dat geleidelijk aan de kapitalen en fondsen dezer generale fondsen en kassen in overeenstemming met hun vroegere bestemming overgeleid worden naar een der drie kassen, die er ingevolge O. 16-18-6 in elk geval zullen moeten zijn, nl. 1e een generale kas voor de geestelijke belangen, direct onder beheers- en beschikkingsbevoegdheid van de generale financiële raad; 2e een generale kerkvoogdij-kas, waarvan het beheers- en beschikkingsrecht berust bij de algemene kerkvoogdij-raad; 3e een generale diaconale kas, waarover de algemene diaconale raad de beschikking heeft. Fondsen en kassen, wier oude bestemming niet toelaat, dat zij overgeheveld worden naar een der drie bovengenoemde kassen — zoals b.v. het Fonds voor het Hoger Onderwijs en het Studiefonds — blijven zelfstandig voortbestaan (O.v.b. 31). Dat een Fonds als dat „voor noodlijdende Kerken en personen” volgens een door de generale financiële raad te treffen verdeling deels naar de generale kerkvoogdij-kas en gedeeltelijk naar de generale diaconale kas zal overgeheveld worden, spreekt ook vanzelf. De inkomsten uit Paascollecte, Oudejaarsavondcollecte, en andere

|312|

collecten volgens het collecteplan komen natuurlijk onder het beschikkingsrecht van de generale financiële raad te vallen. Men vergelijke hierbij ook O.v.b. 330-332.
Voor de kas van de administratiekosten (eigenlijk een voortzetting van de vroegere algemene kas voor de kosten van het Bestuur) zijn O.v.b. 334 juncto 32, 3 5 en 36 belangrijk.
Nadat in O. 16-22-1 is omschreven, wat onder administratiekosten der algemene Kerk mag verstaan worden 1, wordt in O. 16-23 nader aangegeven, uit welke bronnen de geldmiddelen voor deze kas voor de administratiekosten zullen vloeien. Het zijn:
a. de bijdragen uit ’s rijks kas voor de kosten van het bestuur der Kerk, — een oude, vaste, jaarlijkse subsidie uit de dagen van koning Willem I, ter bestrijding van de onkosten, aan de vergaderingen der kerkelijke besturen en der classicale en ringvergaderingen verbonden;
b. de quota, van alle lichamen, organen, administraties, kassen en fondsen te heffen, welke onder toezicht ingevolge O. 18 staan (O. 16-23-2).
Het kerkrechtelijk begrip quotum is met deze laatste formulering zozeer veralgemeend, dat men in de toepassing er van zou kunnen mistasten en vergeten, dat de oude quota uit de plaatselijke kerkekas en de gemeentelijke diaconiekas uiteraard geheven blijven op dezelfde voet als voorheen, d.w.z. ongeacht de vraag met betrekking tot het „onder toezicht staan”, die alleen gewicht in de schaal legt voor de andere kassen en fondsen.

De tweede belangrijke bevoegdheid van de generale financiële raad, die ik reeds even aanduidde, betreft zijn recht om de Nederl. Hervormde Kerk in haar geheel te vertegenwoordigen. In O. 16-17-1 wordt bij de opsomming van de taken van de algemene financiële raad hier reeds aandacht aan geschonken, terwijl in O. 16-20-1 en 2 nader wordt uitgewerkt, hoe deze vertegenwoordiging der Nederl. Hervormde Kerk in haar geheel bindend zal zijn tegenover derden. Zoals plaatselijk-kerkelijk dus het college van kerkvoogden bevoegd is tot alle rechtshandelingen namens de gemeente, voor zover het vermogensrechtelijke zaken betreft, die niet van diaconale aard zijn, zo is de algemene financiële raad tot deze rechtshandelingen in vermogensrechtelijke zaken bevoegd, zonder dat hier zelfs de restrictie hij gemaakt moet worden, dat voor diaconale zaken een andere regeling van de vertegenwoordiging in en buiten rechte zou gelden.

Wat niet wegneemt, dat er ten behoeve van de algemeen-kerkelijke arbeid ook nieuwe rechtspersonen in het leven kunnen worden geroepen


1 O.a. wel reis- en verblijfkosten, maar geen vacatie- of presentiegelden!

|313|

(O. 16-21-1). Dit kan echter niet geschieden dan met toestemming van de generale financiële raad, die vóór zijn goedkeuring statuten, stichtingsacte, of welke andere regeling ook ter beoordeling moet hebben gehad. Wordt de rechtsvorm van de stichting gekozen, dan moet de stichtingsacte de in O. 16-21-2 onder a tot g opgesomde bepalingen bevatten, die een doorslaggevende invloed van de generale financiële raad waarborgen.

 

Het toezicht op de kerkelijke financiën heeft in de nieuwe kerkorde een systematische en, naar het zich laat aanzien, doeltreffende ordening gevonden, die wel heel sterk afsteekt bij de verwarrend-veelvoudige regelingen voor het toezicht, die tot 1 Mei 1951 gegolden hebben, waar dan nog bijkomt, dat voorheen de „bijzondere gemeentefondsen” in honderden Hervormde gemeenten geheel en al zonder toezicht van controlerende instanties van buiten de gemeente bleven. Ik doel hier natuurlijk op die gemeenten, die in 1870 (zie § 5 van het „Historisch Gedeelte”, blz. 60) voor „vrij beheer” gekozen hebben.

Deels traden vroeger de kerkelijke „besturen” op bij het toezicht op de financiën, speciaal van de diaconieën; en na 1905 ook bij het toezicht op het beheer der pastorie-goederen. Voor een ander deel droeg de Algemene Synodale Commissie vroeger, en na invoering der Werkorde in 1945 in nog veelszins versterkte mate, de verantwoordelijkheid van het toezicht op de kerkelijke financiën, met name dan op het beheer van de algemene kerkelijke fondsen en jaarlijks te besteden kassen voor het algemene kerkewerk. De gemeenten, die zich in 1870 bij stemgerechtigden-referendum vrijwillig onder het toezicht van de instanties, daartoe in het Algemeen Reglement op het beheer aangewezen, hadden gesteld, kwamen sindsdien voor het toezicht op haar kerkvoogdij-goederen onder de „Provinciale Colleges van toezicht”, die krachtens hun oorsprong steeds geneigd waren afwerend te staan tegenover iedere toezicht-houdende geste van de zijde der kerkelijke besturen.

En nu brengt ordinantie 18 in ons huidige kerkrecht daartegenover een kerkelijke ordening van het toezicht op de kerkelijke financiën over heel de linie, waarbij op de achtergrond nog wel iets speurbaar is van het vroegere dualisme

|314|

tussen „bestuur” en „beheer”, maar op de voorgrond toch colleges van toezicht optreden, die in hun totaliteit het gehele terrein van de kerkelijke financiën overzien: de „provinciale colleges van toezicht” voor het territoir hunner eigen kerkprovincie, het ,,generale college van toezicht” voor al de gemeenten tezamen en voor de gehele Kerk.

De provinciale colleges van toezicht bestaan uit twee kamers: een kerkvoogdij-kamer en een diaconale kamer (O. 18-2-2). Als sector van het provinciaal college van toezicht zijn de provinciale kerkvoogdij-kamer en de provinciale diaconale kamer toch wat anders dan de „provinciale kerkvoogdij-commissie” en de „provinciale diaconale commissie”, al staat ook in O. 18-2-3, dat de provinciale kerkvoogdij-commissie ook als kerkvoogdij-kamer fungeert, en de provinciale diaconale commissie als diaconale kamer.

Het generaal college van toezicht, samengesteld op de wijze, zoals O. 18-2-4 voorschrijft, uit achttien leden, splitst zich in tenminste twee kamers, nl. voor de kerkvoogdij- en voor de diaconale financiën, doch heeft bovendien naar de behoeften van de contrôle op de generale kerkelijke financiën ook de mogelijkheid nog meerdere „kamers” van toezicht uit zijn midden te vormen (O. 18-2-5).

De werkwijze van de colleges van toezicht, voor zover deze niet reeds geregeld is in O. 18, bijzonderlijk in O. 18-2-6 (over secretariaten en de inrichting van een gemeenschappelijk bureau), in O. 18-2-7 (over bloedverwantschapsgraden, die bepaalde leden der toezicht-houdende colleges buiten een bepaalde zaak houden), in O. 18-4 (over te vragen inlichtingen en gegevens, en contact met de kerkvisitatoren), in O. 18-5 (over de procedure bij ingediende bezwaren tegen besluiten van provinciale colleges van toezicht), in O. 18-6 (over te treffen maatregelen bij nalatigheid van een kerkelijk orgaan of een lid daarvan), wordt in bijzonderheden uitgewerkt in een generale regeling der synode volgens een ontwerp van het generale college van toezicht (O. 18-9-1 juncto O. 18-16-1).

Aandacht verdient hier stellig nog, dat in ernstige gevallen bij gebleken nalatigheid in het nakomen van beheers verplichtingen, of ook „bij ontrouw of wanbeheer” het betrokken college van toezicht zulk een lid van een kerkelijk orgaan of lichaam voorlopig schorsen kan in zijn

|315|

functie, en kan voordragen tot ontslag bij het generaal college van toezicht, of — zo het een ambtsdrager betreft — bij de ambtelijke vergadering, onder welker opzicht hij is gesteld (O. 18-6-2).
De grote moeilijkheid in het vroegere kerkrecht, dat kerkvoogden met vrij beheer nimmer in hun functie konden worden getroffen bij ernstig wanbeheer, is hiermede overwonnen. O. 18-6-3 regelt het geval, dat door zulk ingrijpen van de nieuwe colleges van toezicht een dalen tot onder het quorum van het ledental van de betrokken lichamen of organen zou intreden.

Het toezicht op de financiën omvat: het controleren van de financiële administraties; het goedkeuren van de rekening en verantwoording; het waken over de belegging van kapitalen en de uitzetting van kasgelden; en het goedkeuren van daarvoor aangewezen daden van beheer (O. 18-15-1).

Voor het controleren van de financiële administraties richten de colleges van toezicht een centraal controle-bureau in met eigen accountants en speciale controlediensten voor de kerkvoogdij-zaken en de diaconiezaken afzonderlijk (O. 18-16-3 en 5). De directie van dit bureau wordt door de generale synode benoemd (O. 18-16-6).
Voor het waken over de belegging van kapitalen en de uitzetting van kasgeld hebben de colleges van toezicht bijstand van de beleggingsraad, bestaande uit vijf leden, op aanbeveling van het generaal college van toezicht te benoemen door de generale synode (O. 18-16-3 en 4).
Voor het toezicht op beheersdaden gelden de bepalingen van O. 18-17-1 voor die beheersdaden, die voorafgaande goedkeuring vereisen, en die van O. 18-18-1 voor de gevallen, waarin de vrijheid der beheerders beperkt wordt. Verschillende van deze bepalingen zijn uit de vroegere kerkelijke reglementen en uit het Algemeen Reglement op het beheer overgenomen en opnieuw naar civiel-rechtelijke normen geredigeerd. O. 18-19-1 en 2 onderstreept in deze zelfde geest de gezamenlijke verantwoordelijkheid der beheerders.

Hoewel de regeling van het toezicht op de kerkelijke financiën nu ongetwijfeld een hoofdmoot is in de ordinantie voor het toezicht, mag ik er aan het slot van dit hoofdstuk nog wel eens aan herinneren, dat ordinantie 18 ook het toezicht op de kerkelijke bezittingen (O. 18-8 tot 11), op de administraties en op de archieven (O. 18-12 tot 14) regelt. Ik sprak hierover reeds in § 14 van dit „Beschrijvend Gedeelte” (zie blz. 266-267).

Het is het toezicht, dat onder het oude kerkrecht tot zijn recht moest komen bij de schriftelijke en de persoonlijke kerkvisitatie, of ook naar de bepalingen van het Reglement op de kerkelijke archieven geëffectueerd moest worden.

|316|

Bij het toezicht op de kerkelijke bezittingen maakt het nieuwe kerkrecht thans dankbaar gebruik van de bijstand in het toezicht, die tijdens of na de oorlog opgekomen adviserende instanties als de orgelcommissie (zie O. 18-11) en de bouw- en restauratie-commissie (O. 18-10) verlenen kunnen aan de colleges van toezicht.
Voor de werkwijze en samenstelling dezer commissies leze men deze beide artikelen na.

Haitjema, Th.L. (1951) II.17

§ 17. De behandeling van bezwaren en geschillen.

 

De kerkelijke rechtspraak, die niet uit het opzicht voortvloeit en dus geen rechtspraak in „tuchtzaken” is, berustte onder het vroegere reglementaire kerkrecht bij dezelfde kerkelijke lichamen, die ook in zaken van tucht op te treden hadden; het waren de kerkelijke bestuurslichamen en de Algemene Synodale Commissie. In een drietal op elkaar volgende hoofdstukken van het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht werd achtereenvolgens over de procedure in tuchtzaken, in geschillen en in bestuurszaken gehandeld. En omdat het over de gehele linie dezelfde kerkelijke instanties waren, die met deze drie soorten van zaken in de rechtspraak konden te maken krijgen, had de kerkelijke wetgever zorg gedragen voor nauwkeurige onderscheiding in de vormen van decisie in deze verschillende soorten van zaken. Bij bestuurszaken sprak men consequent van „besluiten”, bij geschillen van „beslissingen”, en bij tuchtzaken van „uitspraken”, om de rechtsprekende kerkelijke instanties waakzaam te houden bij het besef volgens de richtlijnen van een der drie bovenaangeduide hoofdstukken van het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht te moeten werken.

Onder het tegenwoordige kerkrecht is de daadwerkelijke betekenis van deze onderscheidingen veel geringer geworden, doordat de kerkelijke rechtspraak, die uit het opzicht voortvloeit, in geheel andere handen is komen te liggen dan de rechtspraak in geschillen en bij bezwaren tegen genomen „besluiten”. De tuchtrechtspraak ingevolge O. 11 berust bij de ambtelijke vergaderingen en de daaruit gevormde commissies voor het opzicht. De rechtspraak bij bezwaren tegen besluiten en in geschillen berust ingevolge O. 19 bij provinciale commissies voor de behandeling van bezwaren en

|317|

geschillen en bij de generale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen. En terwijl de rechtspraak in tuchtzaken naar de bepalingen van ordinantie 11 zo dicht mogelijk onder de verantwoordelijkheid der ambtelijke vergaderingen gesteld en gehouden wordt, is de rechtspraak ingevolge ordinantie 19 (bezwaren en geschillen) toevertrouwd aan commissies van deskundigen in het kerkrecht, die zo ondubbelzinnig mogelijk hun zelfstandigheid tegenover de ambtelijke vergaderingen hebben te bewaren, wat b.v. blijkt uit de bepaling, dat de leden dezer rechtsprekende commissies niet tegelijkertijd deel kunnen uitmaken van het breed moderamen ener ambtelijke vergadering (O. 19-3-3).

De provinciale commissies voor de behandeling van bezwaren en geschillen bestaan uit vijf leden, door de provinciale kerkvergaderingen te benoemen, en wel twee predikanten en één ouderling, één (ouderling)-kerkvoogd en één diaken met voor ieder hunner een secundus en een tertius (O. 19-3-1).
De generale commissie voor de niet-tuchtelijke rechtspraak bestaat uit zeven leden, te benoemen door de generale synode, en wel twee predikanten, drie ouderlingen, één (ouderling-) kerkvoogd en één diaken; ook weer met voor ieder hunner een secundus en een tertius (O. 19-3-2). O. 19-3-4 geeft een voor de hand liggende restrictie aan, nl. dat men niet tegelijk in een provinciale commissie en in de generale commissie kan zitting hebben. O. 19-3-5 sluit leden dezer commissies, die in een bepaalde zaak zelf of door middel van bloedverwanten betrokken zijn, van het mede oordelen daarover uit, en eist bovendien, dat zij bij de behandeling van zulk een zaak niet mede aanwezig zijn (deze laatste clausule werd eerst bij de behandeling in tweede lezing toegevoegd; zie Rapporten, blz. 224).

Gerechtigd tot het inbrengen van een bezwaar tegen enig besluit van een locaal, classicaal of provinciaal lichaam zijn: kerkelijke lichamen, ambtsdragers, of ook gemeenteleden. Terwijl voorheen alleen „kerkelijke besturen” een termijn van dertig dagen na kennisneming van zulk een aangevochten besluit hadden 1, binnen welke zij hun bezwaar moesten indienen, is thans aan alle drie de rubrieken van mogelijk bezwaarden deze termijn toegelaten; het bezwaar is echter niet ontvankelijk, zo niet met redenen omkleed door de bezwaarde kan worden aangewezen, dat hij in zijn


1 Vgl. Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht, Art. 81.

|318|

„werkelijk belang of in zijn kerkelijke verantwoordelijkheid ernstig is getroffen” (O. 19-1-1).

Gerechtigd tot het aanbrengen van een geschil zijn slechts kerkelijke lichamen en ambtsdragers als zodanig. In dit „als zodanig” ligt vanzelfsprekend reeds opgesloten, dat gewone gemeenteleden geen recht hebben om een geschil aan te brengen. Ten overvloede volgt dit trouwens ook uit de omschrijving van de terreinen, waarop geschillen kunnen ontstaan: nl. ter zake van de vervulling van de taak, de begrenzing van de arbeidsvelden of het bereik van de bevoegdheden der betrokken lichamen of ambtsdragers (O. 19-2-1).

Zowel bezwaren als geschillen kunnen in eerste aanleg reeds opkomen in een vorm, die niet binnen de grenzen van een en dezelfde kerkprovincie blijft; zulke bezwaren en geschillen komen onmiddellijk bij de generale commissie voor bezwaren en geschillen ter behandeling (O. 19-1-1 en O. 19-2-1).
Er zijn daarnevens gehele rubrieken van bezwaren en geschillen, die van zulk een aard zijn, dat zij niet bij een der in O. 19 genoemde commissies kunnen worden aangebracht, omdat de ordinanties der Kerk daarvoor een andere weg wijzen om tot een eindbeslissing te komen (O. 19-1-2 en O. 19-2-2). Voorbeelden hiervan zijn te vinden in de ordinantie voor het pastoraat (O. 13), ten aanzien van bezwaren inzake de waarneming van het dienstwerk (Art. 23) en inzake de vervulling van nevenbetrekkingen door predikanten (Art. 34). Het breed moderamen der classicale vergadering geeft in het eerste geval een eindbeslissing; het breed moderamen der generale synode in het tweede geval. Ook in de ordinanties voor het diaconaat (O. 15) en voor de kerkelijke financiën (O. 16) komen uiteraard meerdere bepalingen voor — inzonderheid bij bezwaren over begrotingen en jaarlijkse rekeningen —, waarin niet de commissies voor bezwaren en geschillen kunnen worden gemengd, maar de colleges van toezicht, c.q. de algemene kerkvoogdij-raad (O. 16-15-3) of ook het generaal college van toezicht (O. 18-5) het laatste woord hebben!
Merkwaardig is hiertegenover echter, dat bezwaren betreffende het quotum, welke niet door overleg uit de weg kunnen worden geruimd, wel weer uiteindelijk aan de generale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen moeten worden voorgelegd (O. 16-23-4).
Dit zal wel samenhangen met het feit, dat deze quota zullen moeten blijven komen, o.a. uit de plaatselijke kerkekas van iedere gemeente; ook van die gemeenten, waarin nog colleges van kerkvoogden zijn, die vooralsnog de nieuwe provinciale en algemene kerkvoogdij-commissies en -raden, en ook de provinciale en generale colleges van toezicht (nieuwe stijl) niet willen erkennen, maar eerder een eindbeslissing van de generale commissie voor niet-tuchtelijke rechtspraak zullen aanvaarden.

|319|

De wijze van behandelen van bezwaren en geschillen, die bij een der commissies voor de behandeling van zulke recht-spraak-aangelegenheden van niet-tuchtelijke aard worden aangebracht, wordt uitvoerig uiteengezet in O. 19-4-1 tot 11.

Het meest karakteristieke uit de inhoud van dit brede artikel moge ik nog even in het volle licht trekken.

Ten 1e wordt voorgeschreven, dat bezwaren en geschillen dienen aanhangig gemaakt te worden per gedagtekend èn aangetekend schrijven, met redenen omkleed (O. 19-4-1).

Ten 2e ontvangen bezwaarden of partijen in een geschil op hun verzoek òf wanneer de rechtsprekende commissie daarvoor aanleiding vindt, gelegenheid om hun belangen persoonlijk te komen bepleiten, en voorts ook op hun verzoek inzage van alle op de zaak betrekking hebbende en in haar bezit zijnde oorspronkelijke stukken, waarvan de bezwaarden op hun kosten ook afschrift kunnen krijgen, en natuurlijk ook afschrift van de met redenen omklede beslissing der commissie (O. 19-4-2).

Ten 3e staat van een beslissing van een provinciale commissie voor bezwaren en geschillen aan bezwaarden binnen dertig dagen hoger beroep open bij de generale commissie, die eindbeslissing geeft (O. 19-4-3).

Ten 4e is in het huidige kerkrecht geheel nieuw de bepaling, dat de generale commissie voor bezwaren en geschillen, ook zonder dat er hoger beroep werd aangetekend, de bevoegdheid heeft een beslissing van een provinciale commissie te niet te doen in het belang van de eenheid in de behandeling van bezwaren en geschillen, in welk geval de zaak door haar voor een nieuwe behandeling wordt doorgezonden naar een andere provinciale commissie (O. 19-4-5).

De generale commissie ontvangt afschrift van alle beslissingen van de provinciale commissie (O. 19-4-2) en kan derhalve ten behoeve van de uniformiteit in de kerkelijke rechtspraak afdoende ingrijpen.
Onder het vroegere kerkrecht ontving de Algemene Synodale Commissie wel afschriften van alle uitspraken, beslissingen en besluiten, in hoger beroep genomen, maar had niet de bevoegdheid om de betrokken decisies eigener beweging te niet te doen, wel om de instantie, die recht gesproken had in hoger beroep, op fouten in de inkleding of overwegingen te wijzen (vgl. Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht, Art. 59).

|320|

Ten 5e verdient het zeker bijzondere aandacht, dat van zulk een nieuwe behandeling door een andere provinciale commissie niet kan gezegd worden — ook weer anders dan in het oude reglementaire kerkrecht — dat zij stellig tot een eindbeslissing zal leiden, omdat de generale commissie voor bezwaren en geschillen zelfs na een nieuwe, tweede behandeling der zaak nog de bevoegdheid heeft om deze tweede beslissing weer nietig te verklaren terwille van de uniformiteit in de kerkelijke rechtspraak, en de zaak zelve in behandeling te nemen (O. 19-4-8).

Ten 6e hoede men zich voor het misverstand zulk een in bijzondere gevallen mogelijke derde behandeling van een bezwaar of geschil met cassatie-rechtspraak gelijk te achten. Dit is geen „cassatie”; vooreerst niet omdat bezwaarden zelf niet het recht hebben een aanvrage tot zulk een derde behandeling in te dienen; verder niet omdat deze derde behandeling zich geenszins behoeft te beperken tot een beoordeling van de onderhavige zaak naar het al of niet aanwezig zijn van „vormgebreken”.

Deze uitdrukking „vormgebreken” is ontleend aan O. 11-9-3, een alinea uit de ordinantie voor het opzicht, die ons duidelijk doet zien, dat alleen de tucht-rechtspraak onzer Kerk voortaan nog de mogelijkheid der cassatie-aanvrage kent. Bij de niet-tuchtelijke rechtspraak der Kerk, waarbij het meer over zaken en wetstoepassingen dan over personen en over hun positie en goede naam gaat, was deze etappe om bezwaarden zelf het initiatief tot een derde behandeling van hun zaak te laten nemen, niet nodig.

Ten 7e stellen de commissies voor bezwaren en geschillen bij elke beslissing vast, of de kosten, aan de behandeling der zaak verbonden, voor rekening van de Kerk of van de aanvrager zullen komen; de commissies hebben tevens de bevoegdheid van de aanvrager storting van een waarborgsom (cautie) te vorderen (O. 19-4-10).

Ten 8e kan een commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen ook bepalen, dat de tenuitvoerlegging van een aan hun oordeel onderworpen besluit gedurende de behandeling voorlopig wordt opgeschort (O. 19-4-11).

De overgangsbepalingen 357-362 bij ordinantie 19 bedoelen de overschakeling van reeds vóór 1 Mei 1951 bij de vroegere kerkelijke besturen aangebrachte bezwaren en geschillen naar de nieuwe kerkorde te

|321|

regelen. Waar O.v.b. 357 en 359 met zoveel woorden spreken van zaken „volgens de hoofdstukken IV en V van het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht”, wordt hieruit wel ten overvloede duidelijk, om welke soorten kerkelijke rechtspraak het in ordinantie 19 alleen maar gaat.

Haitjema, Th.L. (1951) II.18

§ 18. Het verbindende van kerkelijk noodrecht.

 

Reeds bij de eerste voorbereiding van de besprekingen in de generale synode over het Nunspeetse ontwerp, vooral van de met een romeins cijfer aangeduide artikelen van de Kerkorde zelf met hun „constitutieve” bepalingen, was de „Centrale Commissie van rapport” uit de synode er van overtuigd geworden, dat een afzonderlijk artikel over het noodrecht nog aan het slot van de nieuwe kerkelijke grondwet diende toegevoegd te worden (Handel., 1949, blz. 38, 41). Gedurende de oorlogsjaren 1940-1945 had immers onze Kerk sterk genoeg gevoeld, hoezeer abnormale omstandigheden de gewone functionnering van het kerkelijk leven met zijn vele lichamen en organen onmogelijk kunnen maken; zodat de nood haar was opgelegd om noodrecht te scheppen. Maar om dit noodrecht dan niet in de lucht te doen zweven en een gewoonlijk schijnheilige bezetter geen aanleiding te geven om het ontbreken van een normaal-kerkrechtelijke grondslag van zulk noodrecht te signaleren en te wraken, werd op 15 Januari 1943 een nieuw artikel in het Algemeen Reglement van 1852 ingevoerd, dat aldus luidde: „De Synode is bevoegd in omstandigheden, waarin de normale functionneering van het kerkelijk leven onmogelijk is, van de bij de Reglementen voorgeschreven bepalingen af te wijken en zoodanige noodmaatregelen te nemen als zij in het belang der Kerk noodzakelijk oordeelt.
Deze maatregelen worden door haar opgeheven, zoodra de in de vorige alinea bedoelde uitzonderingstoestand is geëindigd”.

Lettend op deze achtergrond en rekening houdend met de mogelijkheid, dat zulk een abnormale noodtoestand in ons kerkelijk leven weer eens op het onverhoedst zou kunnen intreden, heeft de bovengenoemde Centrale Commissie van rapport voor de toevoeging van een artikel aan onze nieuwe

|322|

kerkelijke grondwet gepleit, waardoor het niet langer twijfelachtig zou zijn, dat de Kerk door middel van haar daarvoor in aanmerking komende lichamen of leden bevoegdheid heeft om noodrecht te scheppen.

Bij de besprekingen van dit punt in de synode, en ook bij de behandeling van de eerste lezing der Kerkorde in de vergaderingen van Provinciale Kerkbesturen, Classicale Vergaderingen, enz. (toen er reeds een artikel over het noodrecht achteraan in de kerkorde stond), werd wel duidelijk, dat het zaak zou zijn de formulering van het kerkrechtelijk fundament voor alle noodrecht der Kerk zó te maken, dat de rechtszekerheid van de organen en leden der Kerk op geen enkele wijze schade lijden kan (Handel., 1949, blz. 229; Rapporten, blz. 35). Immers hadden wij in de eerste periode na de bevrijding van Nederland in 1945 niet enig leergeld gegeven met het ongemotiveerd voortduren van sommige noodrechtbepalingen, terwijl toch in wezen de abnormale uitzonderingstoestand reeds geëindigd was? Zo werd uiteindelijk het laatste artikel van de Kerkorde (Art. XXIX), dat tot titel kreeg: Van de orde der Kerk in tijden van nood, op de volgende voorzichtige wijze geformuleerd en definitief wet:

„Indien en zolang zeer bijzondere omstandigheden een normaal functionneren van het leven der Kerk onmogelijk maken, treffen de daarvoor in aanmerking komende lichamen der Kerk of hun leden de door de omstandigheden tijdelijk geboden, van de orde der Kerk afwijkende, maatregelen”.

 

Hoewel dus het noodrecht in strikte zin alleen kan gecreëerd en uitgevaardigd worden in tijden van nood en derhalve een aanvullende voorziening in leemten in het kerkrecht volgens de huidige kerkorde en de bijbehorende ordinanties eigenlijk geen „noodrecht” kan worden genoemd, is het hier toch wel de meest geschikte plaats om even nader in te gaan op de in O. 19-5-1 en 2 omschreven bevoegdheid van de generale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen het initiatief te nemen tot het scheppen van aanvullend recht, nadat zij bij de behandeling van een bezwaar of geschil heeft moeten constateren, dat er een bepaalde leemte is

|323|

in een of andere ordinantie. Evenwel, hoezeer het ook de taak der generale commissie voor bezwaren en geschillen in voorkomende gevallen is de synode van voorlichting te dienen inzake de aanvulling of de vernieuwing van de ordinanties der Kerk (O. 19-5-2), dit aanvullend recht kan per slot alleen tot wettig recht worden, nadat het zijn weg door de Kerk zal hebben volbracht overeenkomstig K. XXVII-4. Anders is het evenwel gesteld met de bevoegdheden van de Commissie van overgang, welker samenstelling en werkwijze beschreven worden in de overgangsbepalingen 8 tot en met 14. Deze „commissie van overgang” is geheel gedacht als een kerkelijk lichaam voor de moeilijke tijd van overgang van het oude naar het nieuwe kerkrecht, en kan daarom ook niet langer in functie blijven dan uiterlijk tot 1 November 1952 (O.v.b. 13). Gedurende deze overgangstijd heeft zij dan echter ook uitgebreide bevoegdheden. Behalve dat zij voorlichting heeft te geven aan de meerdere ambtelijke vergaderingen, berust bij haar ook het recht van eindbeslissing in kwesties van uitleg of toepassing ener overgangsbepaling (O.v.b. 9 b);het recht voorziening te geven voor het geval een overgangsbepaling onvoldoende in de situatie voorziet (O.v.b. 9 c); ook het recht om in bepaalde gevallen bijzondere bepalingen in het leven te roepen, die afwijken van de algemene overgangsbepalingen, omdat deze in zulk een concreet geval niet door te voeren zijn (O.v.b. 9 d); ten slotte is deze commissie van overgang gedurende de tijd van haar werkzaamheid zelfs bevoegd om een voorlopige correctie aan te brengen in ordinanties der Kerk, die bepaalde onduidelijkheden, oneffenheden of leemten bevatten (O.v.b. 9 e). Zulke wijzigingen, bij wijze van voorlopige correctie aangebracht in een of andere ordinantie der Kerk, zijn niet aan de gewone procedure van K. XXVII onderworpen, maar gelden dan ook niet langer dan tot 31 December 1955. Bovendien kan het breed moderamen der generale synode zulk een wijziging in een ordinantie nog weer — binnen de termijn van veertien dagen, nadat de commissie van overgang zulk een beslissing tot correctie ener ordinantie nam — buiten werking stellen en van de commissie van overgang vorderen de kwestie opnieuw te bezien (O.v.b. 10).

Zodra deze commissie van overgang teruggetreden is in de

|324|

loop van het jaar 1952, gaan de haar opgedragen taken over op de generale commissie voor bezwaren en geschillen, en wel tot 1 Juli 1955 (O.v.b. 14).

Zolang echter deze commissie van overgang nog in functie is, treedt de generale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen nog niet in haar bevoegdheid om ingevolge O. 19-5-1 en 2 het initiatief te nemen tot het scheppen van aanvullend recht bij de huidige kerkorde en de bijbehorende ordinanties. De beide alinea’s van artikel 5 van ordinantie 19 zijn derhalve nog niet van kracht „zolang de commissie van overgang haar werkzaamheden verricht” (zie O.v.b. 363).

De voorlopigheid van het aanvullend recht, bedoeld in O.v.b. 9e en O.v.b. 14, komt heel duidelijk uit, als wij letten op de termini ad quem: 31 December 1955 en 1 Juli 1955. Van 1 Juli tot 31 December 195 5 wordt een algemene correctie van ordinanties, overgangsbepalingen en generale regelingen overeenkomstig K. XXVII voorbereid, welke dan eerst definitief, d.w.z. voor onbepaalde tijd, gelden kan (O.v.b. 11).