GS NHK (1961)

Over de belijdenis der Kerk en haar handhaving
Herderlijk Schrijven van de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk, aanvaard in haar vergadering van 20 juni 1961
’s-Gravenhage
Boekencentrum N.V.
1961

GS NHK (1961) Vw

|3|

Voorwoord

 

Nadat in een vergadering van het breed moderamen van de generale synode in november 1960 de vraag aan de orde was gekomen of in de kerk niet enige voorlichting en leiding moest worden gegeven aan de bezinning over de zin en de grenzen van het opzicht over de dienst des Woords en de catechese, werd besloten aan Prof. Dr. A.A. van Ruler te verzoeken het ontwerp te maken van een geschrift, dat daartoe zou kunnen dienen.

Dit ontwerp werd, nadat het was onderworpen aan het oordeel van een commissie van rapport, bestaande uit: Dr. G.J. Streeder, Ds. G. Spilt, Ds. A. Faber en Ds. W. Zijlstra, behandeld in de vergadering van de generale synode van 7 februari 1961 en, nadat een nota van wijzigingen was ingediend, in haar vergadering van 20 juni 1961. In laatstgenoemde vergadering werd besloten het te aanvaarden en „de kerk in al haar geledingen op de voornaamste overwegingen opmerkzaam te maken welke wij in ons hoofd en hart moeten hebben, willen wij op een geestelijk verantwoorde wijze in onze bezinning en in onze praktijk oordelen over deze allerlaatste en zeer heilige zaken in het leven van de kerk.”

 

Namens de generale synode der Nederlandse Hervormde Kerk:

P.G. v.d. Hooff, praeses.
E. Emmen, scriba.

GS NHK (1961) Inl

|5|

Inleiding

 

Op 1 mei 1961 treden volgens de overgangsbepalingen 248 en 250 ook die delen van ordinantie 11 (art. 16 de leden 6 tot 10 en art. 17) in werking, die het mogelijk maken, dat de generale synode niet alleen een oordeel uitspreekt over de verkondiging en het onderricht van een predikant (dat kon zij volgens overgangsbepaling 248 ook reeds sinds 1 mei 1951), maar ook een predikant, wiens gevoelen door haar geoordeeld mocht worden het belijden der kerk te weerspreken en die niet bereid is, ontheffing van zijn ambt te vragen, van zijn ambt ontheft.

In de nu achter ons liggende tien jaren is de kerk in haar verschillende geledingen op een veelvoudige wijze bezig geweest met haar belijdenis en met het functioneren daarvan. Met het oog daarop kunnen wij zeggen, dat deze periode beantwoord heeft aan het doel, dat in de overweging van overgangsbepaling 248 daaraan werd gesteld. De invoering van de bovengenoemde bepalingen uit ordinantie 11 werd tot 1 mei 1961 uitgesteld „teneinde de kerk de gelegenheid te geven zich op de rechte wijze in te stellen op de uitoefening van haar opzicht over de dienst des Woords en de catechese”.

Het is daarbij evenwel niet gekomen tot een bewandelen van de weg, welke in de leden 1-5 van artikel 16 van ordinantie 11 en in lid 6 in de redactie van overgangsbepaling 248 is uitgestippeld. Men zou daaruit enerzijds de conclusie kunnen trekken, dat de kerk daarmede gewacht heeft tot 1 mei 1961 en dat na deze datum deze weg pas goed bewandeld kan worden en anderzijds, dat de kerk evenmin na deze datum als daarvoor bereid is, deze weg te gaan. Beide conclusies lijken voorbarig.

De taak van het opzicht over de dienst des Woords en de catechese, kortheidshalve vaak aangeduid met het woord „leertucht”, dat echter in de kerkorde niet voorkomt, is van een zo hoge en heilige ernst, dat men dienaangaande geen lichtvaardige conclusies behoort te trekken. De kerk weet zich in het Nieuwe Testament tot deze taak geroepen (Matth. 16: 19; 18: 15-18; Joh. 20: 21-23; Heid. Cat.

|6|

vr. en antw. 83-85; Ned. Gel. Bel. art 32) en zij zal haar vervullen, wanneer de Heilige Geest haar daartoe dringt.

Toch valt niet te ontkennen, dat er in het verstrijken van de in de overgangsbepalingen genoemde periode een aanleiding ligt, om zich opnieuw en opzettelijk bezig te houden met de vragen, waarvoor wij ons op dit terrein gesteld zien. Daarom wendt de generale synode zich met dit schrijven tot alle geledingen der kerk met de bedoeling, op de voornaamste overwegingen opmerkzaam te maken, welke wij in ons hoofd en hart moeten hebben, willen wij op een geestelijk verantwoorde wijze in onze bezinning en in onze praktijk oordelen over deze allerlaatste en zeer heilige zaken in het leven van de kerk.

GS NHK (1961) I

|7|

I
Het functioneren van de belijdenis in de Nederlandse Hervormde Kerk

 

1. Dit functioneren is werk en gave van de Geest

We zien voor ogen, dat de Heilige Geest de belijdenis in onze kerk doet functioneren. We moeten niet menen, dat het alleen van ons afhangt.

In de eerste plaats wil de generale synode er opmerkzaam op maken, dat men niet te veel moet willen doen aan het functioneren van de belijdenis in de kerk.

Zoals de gehele kerk een werk van de Heilige Geest in de geschiedenis is, zo is ook de belijdenis van de kerk en haar daadwerkelijk functioneren een werk van dezelfde Geest. De Nederlandse Hervormde Kerk is m.a.w., om zo te zeggen, „van de familie”. Zij is christelijke kerk. Zij is in de 16e eeuw gereformeerde christelijke kerk. De belijdenis, zowel die van de oecumenische als die van de reformatorische belijdenisgeschriften, welke genoemd zijn in artikel X van de kerkorde, is de belijdenis van onze váderen — uit wie wij zijn voortgekomen. Vanuit de trouw van het werk van de Heilige Geest gezien kunnen wij de vraag stellen: wat zouden wij anders kunnen zijn dan christelijke, gereformeerde kerk?

Men ziet dit ook in het leven en werk van de kerk, met name in de laatste twintig jaren, waarin de kerk bezig was zichzelf te hervinden. In haar officiële uitspraken — zowel terzake van de belijdenis, als van de liturgie, als van de kerkorde, als van de cultuur en de politiek — herkent men telkens de lijn van de gereformeerde christelijke religie. (Men zie bijv.: Wij geloven en belijden; Fundamenten en perspectieven van belijden; Herderlijk schrijven betreffende de Rooms-Katholieke Kerk; Herderlijk Schrijven over het huwelijk; De leer aangaande de Heilige Schrift; Christen-zijn in de Nederlandse samenleving).

In de kerk als geheel functioneert de belijdenis metterdaad, op een wijze waarvoor wij alleen maar dankbaar kunnen zijn. Er zijn misschien enkelingen, ook onder de ambtsdragers, misschien niet weinigen, van wie men geneigd zou kunnen zijn te zeggen, dat zij van de belijdenis afwijken en er tegen ingaan; al moet ook van hen

|8|

opgemerkt worden, dat zij er dan toch — zij het in verzet — mee bezig zijn. Maar van de kerk als geheel zal men dat niet dan op straffe van ondankbaarheid kunnen zeggen.

Waar zo het functioneren van de belijdenis het werk van de Heilige Geest is, moet men dit werk in eerste aanleg ook aan de Geest toevertrouwen en niet menen, dat men als kerk, groep of enkeling zelf de enige of ook maar de eerste is, die hiervoor heeft zorg te dragen. Men moet vóór alles de Geest ruimte geven voor zijn werk in dezen.

 

2. De tegenwoordige tijd dringt ons op de belijdenis terug

Als christen moeten we kleur bekennen. In de ontmoeting met andere kerken herkennen we onszelf. Wat zouden we ten aanzien van Rome vermogen zonder onze belijdenis?

Ook nog uit een andere overweging moeten wij er niet te veel zelf aan willen doen. Men kan er namelijk opmerkzaam op worden, dat wij door de gang, welke de dingen in de tegenwoordige tijd nemen, steeds meer teruggedrongen worden op onze familie, op onze geestelijke afstamming, dus op de belijdenis.

Daar is in de eerste plaats de voortschrijdende ontkerstening in het denken en leven en in verband daarmee het opkomen van het moderne humanisme, dat zich losmaakt van het christelijk geloof. In vroeger tijden was er een zeer intieme verstrengeling van het geloof, dat uit de bijzondere openbaring stamt, met de gemeenschappelijke cultuur van ons volk en werelddeel. Het christenzijn was bijkans een vanzelfsprekendheid in de algemeen-menselijke samenleving. Daarvan kan tegenwoordig steeds minder sprake zijn. Men moet kleur bekennen. Daardoor komt er terstond iets belijdends in het christenzijn. Men ontdekt dan meteen, van welke familie men is.

Er is in de tweede plaats de oecumenische beweging. Daarin moet men als enkele christen en als kerk zichzelf inbrengen. Wie zich voor zichzelf schaamt en niet het eigene in de waagschaal van het gesprek werpt, levert oecumenisch geen bijdrage. Daarom ontdekt men juist in de oecumenische discussie niet alleen de anderen en hun tradities, maar ook zichzelf en de eigen traditie. Men gaat ook steeds meer de innerlijke samenhang van de gang der dingen in de eigen traditie ontwaren. Zullen wij oecumenisch ooit tot enige resultaten komen, dan zal het daarbij uiteraard niet kunnen blijven. Vereniging van kerken zal niet mogelijk zijn zonder dat het tot opsmelting van

|9|

tradities komt. Daarvan kunnen wij ons thans nog weinig voorstelling maken. In het heden heeft de oecumenische beweging in ieder geval ook tot gevolg, dat wij bemerken, van welke familie wij zelf zijn.

In de derde plaats is er de ontmoeting met Rome. Zij wordt zowel oecumenisch, vanwege het gesprek der kerken en der christenen, als nationaal, vanwege de maatschappelijke en politieke stand der dingen, steeds onvermijdelijker. Men mag misschien verwachten, dat zij de kern van zowel de oecumenische als de nationale kwestie wordt. Maar juist in deze ontmoeting komen de oerposities van de gereformeerde belijdenis weer springlevend naar voren. Trouwens: zo pas komen zij ook in het juiste verband naar voren: de reformatie was en is reformatie van de katholieke kerk. Wat de gereformeerde vorm van het christelijk geloof is, ziet men pas zuiver, wanneer men haar vergelijkt met de rooms-katholieke vorm.

 

3. De Heilige Schrift is het, die tot belijden dringt

De boodschap van de bijbel wekt in de mens de belijdenis als weerklank. We moeten aan de bijbel ruimte geven, om zijn werk te doen.

Men moet, wanneer men zich afvraagt, hoe de belijdenis functioneert in onze kerk, ook steeds bedenken, wat belijden naar zijn wezen is. Het is, met één woord gezegd, terugwijken voor een macht, die tegenover ons komt opzetten, welke ons te machtig is, waaraan wij ons innerlijk, van binnen uit gewonnen moeten geven, omdat wij er onder bezwijken en beseffen, dat wij zo de waarheid en de zaligheid deelachtig worden.

Deze macht is de Heilige Schrift. Dat wil zeggen: het profetische en apostolische getuigenis van de Heilige Schrift. Men kan nog beter zeggen: God zelf in het gewaad van de Schrift. Of ook: de Schrift als het getuigenis van de Heilige Geest. In ieder geval: de bijbel als levende en werkzame macht in het heden.

Daarom ligt er altijd zekere omkering en verstoring van de rechte, geestelijke orde in, als men de belijdenis op zichzelf neemt en haar als een macht op ons laat toekomen. Wij zijn het zelf, die moeten bezwijken en belijden! Onder de verlossende overmacht van het Woord van God.

Als dit terugwijken er in de werkelijkheid van het geestelijke leven niet is, dan is het rechte belijden er niet. Het is gave en werk van de Geest.

|10|

Maar het is er, Gode zij dank, wel. De Heilige Schrift is er nog steeds. En zij dringt zich nog steeds aan ons op. Zij dringt tot belijden, dat is: tot een erkennen in de gehoorzaamheid van het geloof van datgene, wat God zegt en doet.

Men moet dan ook, in een diep vertrouwen, de Heilige Schrift haar werk laten doen en ook daarom niet op al te menselijke wijze maatregelen beramen, om de belijdenis te laten functioneren.

 

4. Wij moeten zelf, in het heden, op onze manier belijden

In elke tijd is de mens er voor Gods aangezicht weer anders aan toe. Wij moeten de vaderen niet napraten, maar zelf hun taak overnemen.

Wanneer het onder de overmacht van de Heilige Schrift tot belijden komt, dan zal dit in de twintigste en een en twintigste eeuw er anders uitzien en ook metterdaad anders zijn dan in de vierde of de zestiende eeuw.

Men kan zonder enige twijfel stellen, dat de centraal-religieuze kwestie in alle eeuwen altijd eender is. Het gaat om de vraag, hoe de mens als schepsel en zondaar er in de handen van God aan toe is en hoe hij zich daarin bevindt. Dat is dezelfde vraag bij Abraham, Athanasius en Luther.

Men moet daar dan echter wel bij bedenken, dat niemand deze centraal-religieuze kwestie naakt beleeft. Men beleeft haar steeds in de totaliteit van het menszijn. Daarmee is een factor van beweging en verandering gegeven. Zelfs de binnenste kern van het menszijn voor Gods aangezicht beleeft men in de verschillende eeuwen verschillend. In de vierde eeuw lag bijvoorbeeld het zwaartepunt in het artikel van het eeuwige leven, in de zestiende eeuw in dat van de vergeving van de zonden.

Daarom moeten wij stellen: er is òf stilstand, dan sluiten wij ons aan bij de vaderen, dan belijden wij zèlf niet, òf we belijden zelf, maar dan op onze manier, dus ánders. Wij kunnen daarom niet uit zijn op eenvoudige herhaling. Dat ware ontrouw aan de vaderen. Wij zijn pas trouw aan het oude als wij het oude in een nieuwe situatie nieuw zeggen, dus zelf iets zeggen.

Om zo ver te komen, moeten wij ons enerzijds geheel en al onderdompelen in het oude, in de traditie van de kerk en datgene, wat we

|11|

daar tegenkomen, helemaal dóór ons heen laten gaan, en anderzijds ons ook geheel open stellen voor de vraagstukken van het nieuwe. Wij staan b.v. anders in het aardse leven (door de achttiende eeuw) en anders in de staat (door de negentiende eeuw) dan de vaderen van de zestiende of de vierde eeuw en dat maakt geen gering verschil voor de wijze, waarop wij ons in de handen van God bevinden.

 

5. De belijdenis van de kerk is gericht op de geheelheid

Het gaat om de volheid van de waarheid van God, de totale traditie van de kerk, de gehele Heilige Schrift, het leven in cultuur en staat.

Wij moeten ons terzake van het functioneren van de belijdenis ook hoeden voor afsnoeringen. En dat naar vele zijden.

Het gaat in het belijden van de kerk om de volle waarheid en dat ook in de zin van de volledige waarheid. Zij mag zich niet tevreden stellen met slechts stukjes of zijden van de waarheid. Niet, dat zij de volle waarheid ooit omvat en tot uitdrukking kan brengen. Maar daar moet zij wel in de volle spankracht van haar ziel op gericht blijven. Zo kan het in het belijden van de kerk ook alleen maar gaan om de gehele belijdenis der vaderen. Zij bestrijkt een breed veld. Zij vertoont vele zijden. Zij wordt gekenmerkt door talloze inwendige samenhangen en betrekkingen. Daar kan men niet willekeurig een aantal onderdelen uit kiezen. Het is zelfs gevaarlijk, zich uitsluitend te richten op de hoofdzaken. Men zal ook hier de volheid en de overvloed moeten respecteren, welke ons geschonken zijn.

Evenzeer gaat het om de héle Heilige Schrift. De belijdenis helpt ons, daarin de weg te vinden. Maar als wij aan de hand van de belijdenis wandelen in de Schrift, komen we daar heel wat meer tegen, dan we dachten te vinden. De Geest is nog steeds bezig, de kerk de weg te wijzen tot de volle waarheid. (Joh. 16: 13) Dit geldt met name van de prediking, de bijbelbespreking en de meditatie. Het kan ook de gestalte aannemen van de formulering van een nieuw belijdenisgeschrift.

Het gaat in het belijden van de kerk echter ook om de resonnantie, het weerklinken van datgene wat de kerk belijdend uitspreekt in het algemeen cultuurbewustzijn. Het dogma kan nooit dogma zijn puur en alleen in de kerk. De kerk is door God in de wereld gesteld. Zij is er ook ten behoeve van de wereld. De belijdenis kan in de kerk

|12|

alleen dan op de rechte wijze functioneren, wanneer zij ook enigermate in de wereld om haar heen functioneert. Dit gaat zelfs zo ver, dat het aan de belijdenis van de kerk van nature eigen is, uitzichten te openen voor de inrichting van het leven in en door de staat.

In één woord gezegd: de belijdenis van de kerk is iets allesomvattends, een volheid en geheelheid, iets katholieks. Wanneer deze katholiciteit op een of meer punten wordt geschonden, ontbreekt er iets aan het rechte functioneren van de belijdenis.

Het is daarom bijvoorbeeld bijzonder gevaarlijk om, gelijk wel eens gesuggereerd wordt, een aantal „centrale” punten uit het geheel uit te lichten, die in ieder geval in de kerk moeten vaststaan, en deze dan ook, bijvoorbeeld op de manier van de kerkorde, vast te doen staan in een andere zin, dan waarop zij in het geheel van de belijdenis vast staan.

Het rechte belijden, de orthodoxie, is zaak van de kerk en niet van de school of van de partij.

 

6. Wij hebben zelf ook de taak om de belijdenis te laten functioneren

Ieder is geroepen in en uit de volheid van de belijdenis te leven en te werken.
Hij legge haar in de waagschaal van het gesprek met de broeders
.

Uit een en ander volgt ook, welke roeping men heeft ten aanzien van het functioneren van de belijdenis in de kerk.

De hoofdzaak is, dat men als enkele christen, als ambtsdrager en als theoloog de volheid van de belijdenis ziet, daarin leeft, zich daarin steeds meer onderdompelt, er ook naar vermogen aan vasthoudt en dan ook haar uitspreekt.

Men moet er ook naar leven. Daar gaat het zelfs om. Het is God om de levenspraktijk te doen, van de enkele en de gemeenschap. De orthopraxie, de rechte daad, is belangrijker dan de orthodoxie, de rechte uitspraak.

Toch is dat een ander chapiter. Men kan niet van het belijdenisvraagstuk afleiden door te verwijzen naar de levenspraktijk. Het valt niet te ontkennen, dat van het door Christus gestempelde leven ook een getuigenis uitgaat en dat in die zin ook de daad belijdend is. Maar de belijdenis gaat daarin niet op. Zij geschiedt niet alleen in

|13|

daden, maar ook in woorden. Men moet de waarheid ook uitspreken. Daarin spreekt men Góds daden uit. Centraal is het de grote goddelijke daad, in de gave van Jezus de Messias. Deze daad kan men ten volle alleen in woorden uitspreken.

Daarom is het belijden van de kerk steeds een geheel eigen functie, duidelijk onderscheiden van het leven.

Wanneer men op de aangegeven wijze in de volheid van de belijdenis staat, heeft men zich in zijn kerkelijk handelen ook door deze volheid te laten richten. Dit geldt allereerst van de prediking. Maar het geldt ook van de liturgische vormgeving van het leven der kerk, van haar kerkordelijke inrichting, van de regering der kerk, van het pastoraat en van alle arbeid der kerk in de wereld. Er vindt daarbij een duizendvoudige straalbreking van de volheid van de belijdenis plaats in de werkelijkheid van het leven. Soms zijn er zeer geoefende „geestelijke ogen des verstands” voor nodig, om in een bepaald onderdeel van het leven of het werken der kerk de belijdenis terug te vinden. Maar dat is wezenlijk voor het functioneren van de belijdenis. Zij is gist in het deeg. Men kan haar niet te veel op zichzelf nemen. Natuurlijk heeft zij ook een eigen plaats en behoort de kerk op zijn tijd ook apart en opzettelijk met een of meer onderdelen van haar belijdenis bezig te zijn. Maar de belijdenis heeft toch nog meer een functie dan een plaats. Zij werkt richtend in alle andere levensbewegingen en bezigheden van de kerk.

De aparte en opzettelijke bezigheid van de kerk met haar belijdenis geschiedt vooral in de vorm van het gesprek. Elke enkele christen, ambtsdrager en theoloog behoort met de volheid van de waarheid (voorzover het hem gegeven is, deze te zien) binnen te treden in de gemeenschap van het volk van God en zijn gaven gewillig en met vreugde mee te delen aan de anderen. Men zal zich er naar vermogen voor moeten hoeden, met een deelwaarheid in deze gemeenschap binnen te treden om haar dan te stellen tegenover een andere deelwaarheid. Het gesprek zou dan geheel een debat worden. Daarom zie men ook op hetgeen van de anderen is.

Men zal niet spoedig een einde mogen zien aan dit gesprek. Wij hebben elkaar nodig, om de waarheid te kunnen kennen. Misschien heeft het woord „gesprek” in onze oren wel enigszins de klank van een modewoord, waarmee het dan meteen ietwat lachwekkend wordt. Dan moeten wij toch bedenken, dat het gesprek ook dè vorm van de verhouding van God en de mens is. In de Geest hakt de Here

|14|

God ook niet permanent knopen door, maar gaat Hij geduldig met ons om.

Toch zal men niet onbeperkt voort kunnen gaan met de waarheid zwevende te houden in het gesprek. Nu en dan zullen er beslissingen moeten vallen. Deze beslissingen zullen vooral vorm krijgen in het opzicht der kerk. De vragen, welke zich daarbij voordoen, treden echter ook reeds op, wanneer men bedenkt, dat dergelijke beslissingen ook reeds vallen, wanneer de belijdenis van de kerk geformuleerd wordt. Hoe en door wie moet dat gebeuren?

Vanwege de ernst en het gewicht van deze vragen, willen wij ze in een afzonderlijk verband aan de orde stellen.

GS NHK (1961) II

|15|

II
Vragen rondom het opzicht over prediking en catechese

 

1. Er moet tucht zijn: in de christelijke kerk kan niet alles

God heeft bepaalde dingen gedaan. De apostelen en de profeten hebben ze in bepaalde woorden uitgedrukt. Het leven van een mens wordt daardoor op een bepaalde manier gevormd. Het geloof heeft daardoor een bepaalde inhoud.

Wij dienen er als van een vanzelfsprekendheid van uit te gaan, dat in de christelijke kerk niet alles kan. Wij liggen immers in het christelijk geloof voor anker in de geschiedenis. Er zijn feiten, met name de heilsfeiten, waarvan wij door de Geest belijden, dat zij daden van God zijn, waarin Hij verkiezend en zichzelf openbarend, verlossend en verzoenend op ons toekomt. Aan deze feiten zijn wij als christelijke kerk onlosmakelijk verbonden.

Maar niet alleen aan de feiten. In zekere zin zijn wij niet minder gebonden aan de woorden, waarin zij zijn uitgedrukt. Er is het apostolische getuigenis van het Nieuwe Testament. Trouwens ook het profetische van het Oude Testament. Blijkens de geschiedenis van de kerk kan men moeilijk menen, dat men met de woorden van de Schrift volledig uitkomt, als het er om gaat denkend uit te drukken, wat God ons in Israël en Christus door de Geest geschonken heeft. Toch zal men als christelijke kerk, ook wanneer men andere woorden gebruikt, er tot het uiterste op bedacht zijn, deze woorden door de Schrift te laten richten en vullen.

Aangezien de waarheid en het heil, volgens het evangelie, zo door God in de geschiedenis gegeven zijn, kan in de christelijke kerk, in de eerste plaats in het leven, niet alles. Het gehele bestaan van de mens wordt door en in Christus op een bepaalde wijze gestempeld en gestileerd. In alle eeuwen heeft de kerk dan ook in de tucht over het leven der mensen een van haar belangrijke, door God opgedragen taken gezien. Allerwegen speurt men in de tegenwoordige tijd in de christenheid (orde-bewegingen; secten) en daarbuiten, hoe groot de behoefte aan deze tucht is.

Maar om dezelfde reden kan in de christelijke kerk ook in de leer

|16|

niet alles. Het christelijk geloof heeft nu eenmaal bepaalde inhouden. Daar kan men niet van alles van maken.

Het is niet alleen onoprecht, het is ook zinloos, zich christen te blijven noemen en zelfs in de kerk te willen dienen, wanneer men het menszijn en de wereld beleeft en verstaat op een wijze, welke met het apostolische evangelie en het getuigenis van de Heilige Schrift weinig of niets meer te maken heeft, althans met de kernen daarvan, de uitverkiezing van Israël en de komst en het werk van Jezus als gave van het heil in de geschiedenis, geen ernst maakt. Daarom heeft de Kerk ook in alle eeuwen beseft, dat het tot haar taak behoort, te weren — ook in de vorm van opzicht en tucht — wat haar belijden weerspreekt, hoe bovenmate zwaar dit stuk van haar taak haar altijd ook gevallen moge zijn.

 

2. Over wie de leertucht gaat

De leertucht gaat in eerste aanleg natuurlijk over hen, die in de een of andere vorm in en namens de kerk „leren”. Maar toch ook over de lidmaten? Zij zijn het toch, die belijden? Is dat tegenwoordig onbegonnen werk?

Een belangrijke vraag is daarbij steeds geweest: over wie moet het opzicht en de tucht inzake het belijden der Kerk gaan?

Men zal natuurlijk in eerste aanleg moeten antwoorden: over de dienaren van het Woord en over alles wat daarmee verwant is, dus over allen, die in een bediening zijn gesteld en in hun werk op de een of andere manier ook uitdrukkelijk de leer raken. Zij staan ook in dienst van de kerk. Wat zij zeggen en doen, zeggen en doen zij ook namens de kerk, Het komt ook voor verantwoording van de kerk. En het gaat er om, dat de kerk de draagster is van het ware evangelie temidden van de mensen en de samenleving van elke nieuwe tijd. Maar dan kan men toch vragen: hoe zit het in dit opzicht met de lidmaten? Zij zijn toch belijdende en daarom mondige gemeenteleden? De gemeente, het volk van God, is toch het eigenlijke subject van het belijden? Men mag de kerk als belijdende kerk toch niet versmallen tot het leerambt, zodat alleen de „geestelijkheid” het subject van het belijden zou zijn?

Het is een zeer belangrijke greep van artikel X van de kerkorde, dat daar gezegd wordt, dat de gehele kerk, niet alleen in haar ambtelijke vergaderingen, belijdenis doet van de zelfopenbaring van de Drieënige God (lid 1) en dat daarom ook de gemeenteleden op hun wijze

|17|

gehouden zijn, zich te bewegen in de weg van het belijden der kerk (lid 4). Vandaar ook dat lidmaten als zodanig bezwaren inzake het belijden van de kerk kunnen inbrengen (lid 7; zie verder ordinantie 11, artikelen 19 en 20).

Dit houdt zonder twijfel ook in dat onder het opzicht, dat zich over alle leden der Kerk uitstrekt, ook het belijden is begrepen.

In de verbinding „belijdenis en wandel” dienen „belijdenis” en „wandel” een even zwaar accent te ontvangen (ord. 11-II).

Daarmede wordt uitdrukking gegeven aan de eenheid des levens die zich in het christen-zijn dient te manifesteren.

Het opzicht over „belijdenis en wandel” kan zelfs leiden tot een zo ingrijpende maatregel van kerkelijke tucht als de uitsluiting uit de gemeenschap der kerk (Ord. 11, 6, 1 sub 6).

Toch voelt men, wanneer men deze gedachten uitspreekt, reeds iets daarvan, dat de leertucht naar mensenmaat in zekere zin een bijna onbegonnen werk is. Er zit iets oeverloos in. Als men haar consequent en radicaal doorvoert, dreigt men de kerk op te heffen. In de moderne tijd geldt dit in nog sterkere mate dan in vroeger eeuwen.

 

3. Wie de leertucht oefent

Christus is het hoofd van de kerk. Hij zelf oefent de leertucht uit. Maar Hij doet dat door de organen, welke Hij daarvoor gesteld heeft. Dat zijn de ambten en de ambtelijke vergaderingen.

Een andere vraag luidt: Wie, welke organen moeten het opzicht, in het bijzonder dat over prediking en catechese, uitoefenen?

Men kan wel roepen om leertucht en dan met grote woorden zeggen, dat de „kerk” dat moet doen. Maar zonder precisering slaat men daarmee een slag in de lucht. Wat is de „Kerk”, die leertucht moet uitoefenen? Is dat de publieke opinie in de kerk? Wordt de leertucht niet tumultueus, als men het daarop laat aankomen? Is het de meerderheid van stemmen? Zijn het de ambtsdragers? Of de ambtelijke vergaderingen?

Ten principale zal men moeten antwoorden: het is Christus zelf! Hij is het Hoofd van zijn lichaam. Hij regeert de kerk. Hij reinigt en geneest haar ook. Hij is degene, die de tucht oefent. Maar wanneer wij op dit punt niet alles in schijn zullen laten vervluchtigen, zullen wij er toch bij moeten zeggen, dat Christus dit doet

|18|

in de concrete werkelijkheid van het aardse en tijdelijke leven der kerk en dat Hij daarvoor dus zijn organen heeft.

Kan men, wanneer men vraagt, welke dan deze organen zijn, volstaan met te verwijzen naar het persoonlijke geweten van elke lidmaat en ambtsdrager, wiens leringen in geding zijn? Reeds het karakter van gemeenschap, dat aan de kerk eigen is, doet het ontoereikende van dit antwoord gevoelen. De kerk heeft in de loop der eeuwen dan ook meestal op grond van de Schrift als haar opvatting uitgesproken, dat de organen van Christus, door welke Hij zelf zijn kerk regeert, te zoeken zijn in de ambten en met name in de ambtelijke vergaderingen. Indien dat waar is, zijn zij ook de van Godswege aangewezen instanties, welke de leertucht hebben uit te oefenen. De ambtelijke vergadering heeft in het algemeen dan ook, althans in onze presbyteriaal-synodale vorm van kerkregering, het opzicht, de episkopè.

Dat houdt derhalve in, dat de ambtelijke vergaderingen (volgens hoofdstuk IV van ordinantie 11 met name de provinciale kerkvergadering en de generale synode), áls zij leertucht oefenen, dit dan ook doen en behoren te doen als organen van Christus.

Wij raken hier aan een gevoelige zijde van het gehele vraagstuk. In gemeenschap met art. 30 van de Ned. Gel. Bel. vinden wij volgens de artikelen IV en V van onze kerkorde de ambten, welke Christus gebruikt, in de ambten van dienaar des Woords, ouderling en diaken en de ambtelijke vergaderingen in de kerkeraad, de classicale vergadering, de provinciale kerkvergadering en de generale synode. Wij moeten constateren, dat over deze zaak in onze kerk door verschillende personen zeer verschillend geoordeeld wordt en dat daardoor tot op aanzienlijke hoogte onklaarheid en onzekerheid op dit punt heersen. In verband met de leertucht, waaronder wij dus verstaan het opzicht over prediking en catechese, krijgt deze omstandigheid nog groter ernst dan zij op zichzelf reeds heeft. Zij stelt ons namelijk voor de vraag, of wij er voldoende zeker van zijn, dat wij als kerk de organen voor de leertucht bezitten en dat als organen, waarvan wij in gehoorzaamheid mogen vertrouwen, dat Christus er gebruik van maakt.

Deze vraag slaat naar twee zijden uit.

In de eerste plaats naar de oecumenische zijde. Hebben wij de moed, in de oecumenische ontmoeting met de andere kerken te staan voor de ambten en de ambtelijke vergaderingen van het presbyteriaal-synodale stelsel als de organen van Christus in zijn regering van de kerk?

|19|

Als wij in de tuchtvraag deze moed hebben, zullen wij haar ook moeten hebben in de oecumenische vraag.

In de tweede plaats slaat de vraag ook uit naar de confessionele zijde. Hoe zit het met de verhouding van belijdenis en ambt? De ambtelijke vergadering is de enige — zo stelden we —, die bevoegd is, met effect te oordelen in belijdenisvragen. Maar kunnen we individueel of als groep eerst nog een belijdenismaatstaf aanleggen, voordat we een ambtelijke vergadering in haar gezag erkennen? Voor sommige groepen in onze kerk liggen hier moeilijke vragen. En men kan niet ontkennen, dat een ten volle ambtelijke vergadering grotelijks van de weg der waarheid kan afdwalen. Men realisere zich echter wel, dat een dergelijk kwaad alleen op de altijd ook wat gewelddadige wijze van een reformatie is op te heffen.

Onze kerk zal zich intussen door deze vragen niet mogen laten ophouden in de vervulling van de roeping, welke zij heeft, om de tucht te oefenen. Wat de leertucht betreft, zijn daartoe volgens onze huidige regeling met name de provinciale kerkvergaderingen en de generale synode geroepen. Vele andere instanties kunnen of moeten er ook een taak in vervullen, maar daadwerkelijke beslissingsmacht ligt in eerste instantie uitsluitend bij de provinciale kerkvergaderingen en in tweede instantie bij de generale synode.

 

4. De leertucht geschiedt met het oog op de ene kerk van Christus en het rijk van God

Naar haar wezen zegt leertucht aangaande een bepaalde lering, dat zij onverdraaglijk is in de gehele kerk van Christus en voor God niet bestaan kan in zijn rijk.

Een volgende overweging, welke men rondom de leertucht steeds moet laten gelden luidt: wanneer men tucht over een bepaalde lering uitoefent, dan moet men er zeker van zijn, dat zo’n lering niet in de katholieke kerk van Christus, niet in het rijk van God, niet voor Gods aangezicht kan bestaan.

Daarmee wordt de ernst reeds voelbaar van wat in de vorige afdeling werd gesteld: dat men als ambtelijke vergadering zich in zijn leertucht-oefening orgaan van Christus moet weten en dat men, als men zichzelf als zodanig niet vermag te beseffen, beter zich van leertucht kan onthouden.

De lering, welke men in de leertucht raakt, zet men uit de katholieke

|20|

kerk. Men mag hier geen geestelijk misbruik maken van de verdeeldheid van de kerk. Dat doet men, wanneer men in de leertucht ten opzichte van een bepaalde lering constateert, dat zij niet in de eigen kerk past. Men zal in zijn leertucht-oefening moeten durven zeggen: zij past niet in de kerk van Christus.

Dit diepe en hoge perspectief van de leertucht maakt haar in de oecumenische verhouding zo verbazend moeilijk. Men zou dusdoende immers een lering kunnen treffen, die beleden wordt door een kerk, waarmede men op de een of andere manier oecumenische betrekkingen onderhoudt. Deze kerk zou men op dit bepaalde punt in zijn leertucht dan ook gevoelig treffen.

Op deze moeilijkheid kan men op twee manieren reageren. Men kan in de eerste plaats in bepaalde gevallen eenvoudig aanvaarden, dat men ook tegenover zusterkerken, in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, vasthoudt aan dat wat men als waarheid Gods heeft leren verstaan. Het behoort tot de oecumenische verbondenheid mèt en verantwoordelijkheid vóór elkaar, dat men ook bepaalde elementen in elkaar veroordeelt en ervan verklaart dat zij in de kerk van Christus niet behoren voor te komen. Men kan in de tweede plaats uit de duistere werkelijkheid van de verdeeldheid van de kerk de conclusie trekken, dat het opzicht over prediking en catechese in een bepaalde kerk in de werkelijkheid heel dikwijls een praktisch en betrekkelijk karakter krijgt, waarbij men leringen uitsluit uit de eigen kerkgemeenschap, zonder daarmede ten einde toe te verklaren, dat de kerken, die deze leringen aanhangen, daarin onchristelijk zijn en dat deze leringen volstrekt ontoelaatbaar zijn in de kerk van Christus.

Dit is zonder enige twijfel een ernstige vertroebeling van het hoge werk van de leertucht. Men herkent er nauwelijks in, wat in het Nieuwe Testament aan de kerk is opgedragen. De werkelijkheid maakt deze weg echter dikwijls onvermijdelijk.

Deze kwestie van de veelheid van de kerken heeft trouwens nog een andere zijde, welke voor ons vraagstuk van belang is. Wie in de ene kerk zich door leertucht het zwijgen ziet opgelegd, kan met zijn lering in een andere kerk uitstekend terecht. Men bedenke daarbij, dat dat in vroeger eeuwen anders was. Toen stond de staat er omheen. Deze — en in wezen niet de leertucht — zorgde voor de eenheid en de zuiverheid van de kerk, welke door de leertucht beoogd werden. In de moderne tijd kan men ongehinderd zelfs nieuwe kerken oprichten. Daardoor leidt leertucht thans alleen tot vergroting van de verdeeldheid

|21|

van de kerk. De eenheid wordt door het kerkelijk oordeel niet hersteld. En de verbreiding van de alleen zuivere leer wordt er niet door bevorderd.

De hoogste ernst bereikt men evenwel, wanneer men bedenkt, dat ook de leertucht een vorm is van het hanteren van de sleutelen van het hemelrijk. In het Nieuwe Testament wordt op meer dan één plaats deze taak aan de kerk opgedragen. Daarom kan zij er zich niet willekeurig aan onttrekken. Maar dan behoort zij deze taak ook te nemen in de ernst, waarin zij is opgedragen. Het is inderdaad een hanteren van de sleutelen van het hemelrijk. Wat op de aarde gebonden wordt, zal in de hemel gebonden zijn en wat op aarde ontbonden wordt, zal in de hemel ontbonden zijn. Deze taak wordt niet alleen in de leertucht vervuld. Zij wordt ook vervuld in de prediking, het pastoraat en de levenstucht. Maar ook de leertucht deelt in deze ernst en daar wordt de ernst het allermeest voelbaar. In haar leertucht sluit de kerk een bepaalde lering uit uit het rijk van God. Zij houdt het er voor, dat God met haar oordeel instemt. Als zij het niet in dit besef doet, doet zij het beter niet.

Alle tucht, ook alle leertucht, draagt in haar spits het karakter van uitsluiting. Bij de leertucht betreft deze in eerste aanleg de verwerping van een bepaalde lering. Het gaat bij het binden en ontbinden, waarvan het Nieuwe Testament spreekt, niet alleen over personen maar ook over zaken.

Sommige dingen worden buiten de gemeenschap van de kerk en buiten het rijk van God gezet. Men zal zich echter steeds moeten afvragen, of de leer en de persoon niet zo nauw met elkaar verbonden zijn, dat een volledige verwerping van een leer ook het lidmaatschap-van-de-kerk van de drager van deze leer dubieus maakt.

In ieder geval wordt hem wat betreft zijn ambtelijk handelen het zwijgen opgelegd. Er ligt wijze bescheidenheid in, wanneer de kerk tracht, het daarbij te laten. Maar daar mag men niet uit afleiden, dat de leertucht geen uitsluiting en verwerping in die diepe en ernstige zin van het woord, waarbij alles op het spel staat, zou zijn.

Ook wanneer men de tucht in deze uiterste ernst neemt, houdt dat niet in, dat zij in deze zin definitief zou zijn, dat er geen bekering en terugkeer van de door de tucht getroffen mens mogelijk zou zijn. Integendeel! Zolang een mens in leven is, blijft hij in de gelegenheid, tot de gemeenschap met de volle waarheid en het volle heil te komen. Dit geldt ook, wanneer van hem in een kerkelijk oordeel is geconstateerd,

|22|

dat hij zichzelf er buiten heeft gesteld. Dit oordeel werd juist uitgesproken en ook daadwerkelijk uitgevoerd mede óm hem uit zijn verderf terug te roepen. Maar deze mogelijkheid van de terugkeer in de tijd doet niets af aan de eeuwige ernst van de tucht in het perspectief van de uitsluiting uit het rijk.

 

5. Wees niet te snel met het afsnijden van nieuwigheden!

Er komen soms zeer nieuwe en vreemde dingen naar voren. Dat kan: de Heilige Schrift is nog lang niet uitgeput — de belijdenis is voor herziening vatbaar — in ieder geval mag de kerk haar belijdenis niet zonder meer opleggen, maar moet zij haar verantwoorden.

Een andere zijde doet zich aan het vraagstuk van de leertucht voor, wanneer men overweegt, dat men niet meteen door leertucht datgene kan afsnijden, wat ongewoon is en vreemd voorkomt.

De kerk zal in al haar geledingen vreemde en nieuwe denkbeelden en formuleringen, die in haar midden worden opgeworpen, ernstig moeten nemen en ook ernstig van alle kanten moeten bekijken.

Dit geldt in de eerste plaats, omdat de Heilige Schrift onuitputtelijk is. Zij is in alle werkelijkheid dan ook niet uitgeput. De belijdenis is wel uit de Heilige Schrift geput, maar daarmee is de Heilige Schrift niet uitgeput. Er kunnen nieuwe dingen uit opkomen. De ervaringen van het leven en de ontwikkelingen in het historische proces, met name ook die in het denken, geven daar regelmatig aanleiding toe. De kerk heeft dit feit te verstaan vanuit de waarheid, dat het de Heilige Geest is, die voortdurend de weg tot de volle waarheid wijst. Zulke nieuwe dingen doen zich voor in die vreemde denkbeelden en formuleringen, waarvan wij spraken. Daar kan men niet van te voren afwijzend tegenover staan.

Het geldt in de tweede plaats, omdat de belijdenis der kerk revisabel is. Dat wil zeggen: zij is voor herziening vatbaar. Wanneer er door iemand tegen ingesproken wordt, is zo iemand en zijn zaak daarmee niet meteen veroordeeld. Want het zou kunnen zijn, dat de belijdenis veranderd moet worden. De vraag, wat er in de tussentijd moet gebeuren, is ingewikkeld. Tot verandering van de belijdenis kan het alleen door een kerkelijk oordeel komen. Moet degene, die tegen de belijdenis ingaat, intussen zwijgen over zijn taak, haar onderworpen

|23|

hebbende aan het kerkelijk oordeel? Is dat ven hem te vragen? Is het mogelijk, gezien de moderne communicatie- en publiciteitsmiddelen? Wordt dat kerkelijk oordeel zo puur ambtelijk gevormd? Moet daar niet het gehele volk van God op de een of andere manier in deelnemen? En is het met het oog daarop niet noodzakelijk, dat de onderhavige afwijking van de belijdenis juist wel in de conversatie en de discussie wordt opgenomen?

Het geldt in de derde plaats omdat datgene, wat de kerk belijdt en eventueel ook vasthoudt tegen alle tegenspreken in, niet puur gedecreteerd en opgelegd mag worden, maar ook inzichtelijk gemaakt moet worden. In de kerk moeten gronden aangevoerd worden, ontleend aan Woord en Geest, waarom men de waarheid zó belijdt en niet anders. En dat niet alleen bij het ontstaan van een belijdenisgeschrift. Wanneer dit eenmaal aanvaard is, geldt het niet uitsluitend met een eigen gezag. Ook dan zal de kerk bereid moeten zijn, rekenschap af te leggen van de hoop die in haar is. Zij kan haar belijdenis alleen op een expliciete wijze handhaven, met name wanneer er aanvallen op worden gedaan.

 

6. Geef gelegenheid om de waarheid anders te denken en te zeggen!

De belijdenis ligt niet helemaal vast. Zij is ook niet volledig. Zij moet innerlijk verwerkt worden. Zij komt in telkens nieuwe geestelijke situaties. Wij strekken ons uit naar de toekomst. Dat alles brengt risico’s met zich mee.

Daar komt nog de overweging bij, dat er niet alleen in de staat, maar ook in de kerk ruimte moet zijn voor het experiment, met name ook voor het denk-experiment.

Daarvoor zijn een aantal argumenten te geven. In de eerste plaats kan men er op wijzen, dat de dingen van de waarheid van God, zoals zij door de kerk beleden worden, niet alleen maar vast liggen. Wij stelden boven, dat de belijdenis principieel revisabel is.

In de tweede plaats kan in dit verband herinnerd worden aan de gedachte, dat de belijdenis van de kerk nooit volledig is. Op bepaalde punten is het in de geschiedenis van de kerk tot beslissingen gekomen. Op andere punten niet.

In de derde plaats is het experiment in het denken over de waarheid van God ook daarom bepaald noodzakelijk, omdat men zich deze

|24|

waarheid en haar belijdenis door de kerk in elke generatie opnieuw moet toeëigenen. Men kan haar zonder meer van de vorige generatie overnemen. Dan wordt zij dood kapitaal. Zij moet eigen, levend bezit worden. Dat kan alleen, wanneer men proefondervindelijk merkt, dat zij de waarheid is.

In de vierde plaats moet hier opnieuw verwezen werden naar het feit, dat in de geschiedenis van de kerk ook nieuwe situaties optreden. En dat niet alleen in de uitwendige omstandigheden. Zelfs niet alleen in het wijsgerige en wetenschappelijke denken van haar omgeving. Maar ook intern-kerkelijk en geestelijk. De mens is er in de ene eeuw anders aan toe in de handen van God dan in de andere eeuw. Dat moet zich ook in zijn denken over de waarheid weerspiegelen.

In de vijfde plaats moet bedacht worden, dat wij als kerk van Jezus Christus wel in de geschiedenis voor anker liggen, maar dat dit het anker van de hoop is, dat ook in de toekomst ligt (Hebr. 6: 19, 20). Vandaar dat artikel X van de kerkorde er op zinspeelt, dat de kerk belijdt „zich strekkende naar de toekomst van Jezus Christus”. Op deze weg naar de toekomst geldt niet alleen de traditie, maar is wezenlijk ook plaats voor het experiment. Of liever: de traditie zelf blijkt niet alleen een zaak van het verleden (een overnemen van het voorgeslacht), maar evenzeer een zaak van de toekomst (een doorgeven aan het nageslacht) te zijn.

Evenwel: wanneer er ruimte is voor denkexperimenten, dan moet er ook ruimte zijn voor mislukkingen en ongelukken in deze experimenten. Zo’n ongeluk is een ketterij. Daarvoor moet ruimte zijn, ook in de kerk. Daarom zal de kerk niet meteen elk onkruidje, dat opschiet, moeten wieden. Dat zou het experiment en daarmede het leven doden. Men kan trouwens de vraag stellen, wanneer de ketterij werkelijk de belijdenis van de kerk aantast. In een beeld uitgedrukt luidt de vraag: hoeveel haren kan men uit een paardestaart trekken, zonder dat de paardestaart ophoudt een paardestaart te zijn?

In dit verband staan wij nog voor de moeilijke vraag, op welke wijze men zijn experimenten mag uitvoeren. Alleen in de theologische discussie en de ambtelijke vergaderingen? Of ook in de prediking en de catechese? Mag men de gemeente er onbeperkt aan blootstellen? Of moet de algemene kerk de gemeente in bescherming nemen tegen de willekeur en de vermetelheid van de enkele ambtsdrager? In het algemeen zal men daarop moeten antwoorden, dat de wijze zijn maat kent. Wie enig besef heeft van de denkarbeid, welke in de traditie

|25|

van de kerk is verricht, zal niet licht op het denkbeeld komen, dat hij op alle of zelfs maar op veel punten geroepen is, nu eindelijk de waarheid voor het eerst uit te spreken. Bovendien behoort het tot de pastorale wijsheid van elke ambtsdrager, dat hij weet, aan wie hij zijn nieuwe gedachten en formuleringen kan voorleggen en aan wie niet. In liturgie, prediking en catechese behoort men aan te sluiten bij het geloofsbezit van de gemeenschap, waarin men dient. Anderzijds is het echter ook onaanvaardbaar, het volk van God geheel buiten te sluiten bij de geboorte van nieuwe inzichten. Zelfs de theologie is niet alleen een zaak van de theologen. Laat staan de belijdenis van de waarheid.

 

7. De moderne tijd schept speciale moeilijkheden

Onze kerk heeft lange tijd niets kunnen doen. De wereld is intussen enorm veranderd. Is het geestelijk leven sterk en diep genoeg, om dit alles aan te kunnen? Zouden de mensen buiten de kerk er iets van begrijpen?

Een geheel andere vraag, welke ook met ernst overwogen dient te worden, luidt: is leertucht nú, in de tegenwoordige tijd mogelijk?

Aan de ene kant moet daarbij bedacht worden, dat wij als Nederlandse Hervormde Kerk een aantal eeuwen achter ons hebben, waarin de zaak van de kerk, de belijdenis en de leertucht nogal vergroeid is. In de zeventiende en achttiende eeuw maakte de staat een volledig functioneren van de ambtelijke vergaderingen, met name van de generale synode, onmogelijk. In de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw was aan onze kerk van staatswege een besturenorganisatie opgedrukt, welke niet bij haar wezen als kerk paste en terzake van het belijdend karakter van de kerk ook geen daden kon stellen. Daar komt bij, dat het juist deze eeuwen zijn, waarin de wereld door ongekend grote veranderingen is heengegaan, in wetenschap en techniek, in politiek en maatschappelijk opzicht, in levensgevoel en in bijbelonderzoek.

Men kan zich terecht afvragen, of onze kerk een en ander dusdanig heeft verwerkt in haar belijdend leven, dat zij er gerust op kan zijn, met vaste hand het vlijmscherpe mes van de leertucht te kunnen hanteren. Men zal hier niet alleen aan de Nederlandse Hervormde Kerk behoeven te denken. Men kan in dit verband ook aan die kerkgemeenschappen denken, welke in de loop van dit proces van haar zijn losgeraakt. Zijn zijn beter opgewassen tegen deze grote geestelijke

|26|

taak van de leertucht in de moderne tijd? Is het feit van de verdeeldheid van de gereformeerde kerk in Nederland op zichzelf niet reeds een veeg teken in dit opzicht? En is er één kerk aan te wijzen, die werkelijk dusdanig opgewassen is tegen de problemen van het christelijk geloof, het kerkzijn en de belijdenis in de moderne wereld, dat zij tot de leertucht bekwaam is? In wezen is dit niet een culturele, maar een geestelijke kwestie. Is het geestelijk leven, de kennis des harten van God in Christus, sterk genoeg om enerzijds de moderne wereld te overwinnen en om anderzijds dan ook op een geestelijk verantwoorde wijze leertucht te oefenen ? Zo wordt het vraagstuk van de leertucht ons aanleiding, niet alleen tot een heroriëntatie als kerk in de moderne wereld, maar ook tot een diepgaand geestelijk zelfonderzoek.

Aan de andere kant moet ook overwogen worden, hoe de wereld rondom de kerk leertucht van de kerk, met name van de Nederlandse Hervormde Kerk als grote volkskerk, zou opvatten. Zij zou er naar alle waarschijnlijkheid niet veel anders dan enghartigheid en heerszucht in ontwaren, strijdig met de ware verdraagzaamheid en de evangelische liefde.

Men kan terecht opmerken, dat een dergelijk oordeel een typisch teken van de verregaande oppervlakkigheid van de moderne geest in het Westen zou zijn en dat bijvoorbeeld de communisten belangrijk dieper in de zaak hebben gekeken, in zoverre zij inzien dat èn de waarheidsvraag èn de vraag van de samenleving der mensen niet zonder gezag en dan ook niet zonder geweld zijn op te lossen.

Maar dat neemt niet weg, dat de kerk in het Westen zich daadwerkelijk in deze omgeving, in dit geestelijk klimaat bevindt. Zij zal daarmee in ieder geval rekening moeten houden. Op een eenvoudige formule gebracht: het gaat o.a. om de communicatie van het evangelie aan de moderne mens en daarom ook om de communicatie met de moderne mens en deze communicatie zou ernstig verstoord kunnen worden, als het in de kerk komt tot excommunicatie.

Men kan zich bovendien afvragen, of het in dit verband alleen gaat om een tactische kwestie. Is de tucht, ook de leertucht, alleen gericht op de kerk? Beweegt zij zich zuiver binnen het instituut der kerk? Zijn de gevolgen van de kerkelijke leertucht naar buiten alleen een kwestie van tactiek? Bedoelt alle tucht niet het hele leven en denken van het volk, van de cultuurgemeenschap als zodanig te stempelen en te stileren?

|27|

8. In de praktijk wordt de leertucht met veel bijkomstigheden bezwaard

Men wijkt graag uit de eigenlijke zaak uit in de rechtsvorm. Bovendien spelen persoonlijke gevoelens en groepsverhoudingen een rol.

Een pijnlijke en beschamende vraag doet zich voor, wanneer men overweegt, of een leertuchtproces ooit zuiver te houden is, zó dat het inderdaad een leertuchtproces in de hoge en edele zin van het woord is en blijft.

In de praktijk klonteren er altijd duizend andere dingen omheen. Met name procedurekwesties. Men kan wel stellen, dat het kerkzijn, het belijden en de leertucht geestelijke werkelijkheden zijn en dan ook op geestelijke wijze voltrokken moeten worden. Maar men ontkomt nooit aan de noodzaak, een en ander ook in de vormen van het recht, in dit geval dus in de vormen van het kerkrecht, te gieten. Reeds uit een oogpunt van de rechtszekerheid van de enkele in de gemeenschap is deze rechtsvorm een niet hoog genoeg te schatten geestelijk goed. Maar alle recht wordt gekenmerkt door een diepgaande beperktheid en gebrekkigheid. Dat geeft in de regel aanleiding tot dusdanig veel verwikkelingen, dat een leertuchtproces heel gemakkelijk bezwaard wordt met en zelfs verdrongen wordt door kwesties, welke ontleend zijn aan de rechtsvorm, waarin het proces gevoerd wordt.

Daarnaast spelen gewoonlijk persoonlijke eigenaardigheden en gebreken, sympathie- en antipathiegevoelens, machtsverhoudingen van partijblokken, soms zelfs politieke complicaties een aanzienlijke rol in leertuchtprocedures.

Men zou het zo veel serener willen. Zó, dat het puur en alleen een zaak van de leer, een strijd om de waarheid en het heil was. Zó ook, dat het alleen en uitsluitend ging om een kerkelijk oordeel als oordeel van de organen van Christus in zijn regering van de kerk. En dat aan beide zijden: zowel aan de zijde van hen, die tot oordelen geroepen zijn, als aan de zijde van hen, over wie geoordeeld wordt.

Als men de kerkgeschiedenis overziet, krijgt men de indruk, dat het in de leertucht nog nooit sereen is toegegaan. Deze overweging kan ons er, evenmin als de andere overwegingen, toe brengen, dan maar af te zien van deze taak, die volgens het Nieuwe Testamen door God zelf aan de Kerk is toevertrouwd. Zij kan ons echter wel bescheiden en voorzichtig maken.

|28|

9. Voorwaarde is: alle dingen van God tegelijkertijd in het vizier hebben!

Van de kerk en van de belijdenis geldt: zij is op de volheid van de waarheid en het heil gericht. Dat geldt ook van de leertucht.

Een wezenlijke voorwaarde voor een enigszins zuivere uitoefening van de leertucht ligt in wat wij in ander verband noemden het katholiek karakter van de belijdenis der kerk: haar volheid, haar overvloed, haar allesomvattendheid.

Ook wanneer in de kerk leertucht geoefend wordt, dienen met name zij, die in welke betrekking dan ook daartoe geroepen zijn, in geestelijke houding en gedrag deze katholiciteit te betrachten. Zij behoren de volle en totale belijdenis in al haar inwendige betrekkingen in het hart en voor de geest te hebben. Zij dienen gericht te zijn op het gehele Woord van God. Zij behoren ook niet alleen de gehele kerk, maar ook de maatschappij, de cultuur en de staat, zoals zij er aan toe zijn in het historische proces en zoals zij geschouwd worden in de vergezichten van het rijk van God, in het veld van hun aandacht te hebben.

Indien deze katholiciteit ontbreekt, ontaardt de leertucht in een willekeurig er wat op inhakken, zonder dat men werkelijk weet, wat men doet. De ene partij drijft dan de andere partij uit. En het is niet meer de kerk, die — ook op de wijze van de leertucht — naar de volle waarheid grijpt.

 

10. De leertucht is niet de hoofdzaak

Het wezen van de kerk is, dat zij de verlossing en het eeuwige leven (het rijk) deelachtig is. Daarover prijst zij God. Uit deze lofprijzing wordt de belijdenis geboren. In noodsituaties doet de Geest haar grijpen naar de leertucht. Zij mag daarbij niet terugschrikken voor de gebrekkigheid, waarin zij instrument van de Geest zal zijn.

Tenslotte willen wij er nog opmerkzaam op maken, dat een kerk niet dan pas kerk of althans belijdende kerk is, wanneer zij leertucht uitoefent. Van verschillende kanten wordt dat wel gesuggereerd. Soms zit men, zowel in als buiten de Nederlandse Hervormde Kerk, te wachten op het ogenblik, dat overgegaan zal worden tot daadwerkelijke leertucht, denkende dat dan het „kerkelijk vraagstuk” zal worden opgelost.

|29|

Als generale synode willen wij de gehele kerk ernstig waarschuwen tegen dit verschrikkelijke gezichtsbedrog, dat vooral ook daarom zo verschrikkelijk is, omdat het verlammend dreigt te werken.

De leertucht is een alleruiterste middel, waartoe zo weinig mogelijk moet worden overgegaan.

Wij willen openhartig uitspreken, dat wij als generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk diep onder de indruk zijn van de vele moeilijkheden en vooral van de grote verantwoordelijkheid, welke verbonden zijn aan de taak van de leertucht. Men vraagt zich onwillekeurig af, hoe deze taak op de rechte wijze aangevat en vervuld kan worden. Dat maakt soms de indruk, dat men er maar liever van af zou zien.

In het licht van het voorgaande kan men zich daarover niet al te zeer verbazen. Indien één ding duidelijk is geworden, dan dit, dat de leertucht een bijzondere hoge en heilige zaak is.

Men behoeft er echter ook niet al te zeer over te treuren. Het belijdende kerk-zijn gaat waarlijk niet op in het uitoefenen van de leertucht. Men zal nog een stap verder moeten gaan. Het kerk-zijn gaat ook niet op in het belijdende kerk-zijn. Het belijden is niet het enige, wat de kerk doet. Haar diepste en eigenlijke wezen ligt in het deelgenootschap in de verlossing en het eeuwige leven, welke in Jezus Christus zijn geschonken, op de wijze van de prediking en het geloof, de liturgie en de bevinding, het sacrament en het geweten.

Op deze werkelijkheid van de gemeenschap aan de verlossing en het eeuwige leven hebben wij ons als kerk, gemeenschappelijk en persoonlijk, in eerste aanleg te concentreren. Wij behoren daarvan ook al de vreugde te smaken, welke door God zelf daar in gelegd is. Wij hebben met geestdrift kerk te zijn. Het is echter niet naar de bedoeling van de Geest, dat wij hierin zouden opgaan. Wij behoren ook te weten en uit te spreken, wat ons geschonken is. De heilige arbeid van de lofzegging gaat vanzelf over in de veelszins moeitevolle taak van het belijden. Daaraan mag de kerk zich niet onttrekken.

Wel zal zij moeten bedenken, dat het belijdenisvraagstuk in de kerk nooit helemaal opgelost is. Dat is zaak van het laatste oordeel. Het belijden heeft een eschatologische spits. In het heden is de kerk er steeds in grote gebrekkigheid mee bezig. De Géést moet de bloei geven. Hij doet dat gewoonlijk in een concrete situatie, waarin de nood de waarheid er uit perst. Maar Hij doet dat niet regelmatig. Wij kunnen als kerk niet aanhoudend in een uitstorting van de Geest,

|30|

in een reformatie of een réveil leven. Ook in meer windstille perioden behoren wij echter trouw te zijn. Wij teren dan op de traditie en nemen daarin voortdurend nieuwe elementen op, totdat het tot een nieuwe uitbarsting komt.

Een en ander geldt ten volle van de leertucht. Zij is alleen mogelijk als zij noodzakelijk, in de zin van in alle feitelijkheid onontwijkbaar is. Indien in de toekomst de Geest ons er toe roept, hopen wij aan deze roep niet ongehoorzaam te zijn. Wij vragen echter wel aan de gehele kerk in diepgaande en ernstige bezinning en in oprecht gebed om de provinciale kerkvergaderingen en de generale synode heen te staan. Men kan noch op lichtvaardige wijze aandringen op de uitoefening van de leertucht, noch op gemakzuchtige wijze zich onttrekken aan de ingrijpende moeilijkheden, welke de kerk in verband met deze taak op haar weg vindt.

Men kan er van te voren zeker van zijn, dat de kerk niet alleen terzake van de belijdenis, maar ook terzake van de leertucht in grote gebrekkigheid bezig zal zijn. Dat is echter geen reden om te versagen. Reeds daarom niet, omdat er anderzijds veel aan gelegen is, dat het in de kerk tot grotere eenheid en klaarheid komt terzake van de waarheid en het heil. Het apostolische evangelie is haar geschonken als de enige weg voor mens en wereld, om voor Gods aangezicht te kunnen bestaan. Door het werk van de Geest zijn op haar weg door de eeuwen beslissingen gevallen, die haar in het leven tot grote steun zijn. De wereld heeft niets zo zeer nodig als het ene en eeuwige evangelie. Met het oog op dit alles is het onverdraaglijk, wanneer leringen worden voorgedragen, welke de hoofdzaken van het christelijk geloof blijken te verloochenen en daardoor de naam des Heren lasteren.

Een en ander noopt de kerk, ondanks alle moeilijkheden en gevaren, voor haar taak van het oefenen van de leertucht niet uit de weg te gaan. Zij zal dit werk schroomvallig doen. Veel van wat zij aanvankelijk weer is gaan zien van de eenheid en de katholiciteit van de kerk en van de betrokkenheid van de kerk op het rijk van God zal vooralsnog buiten het bereik van haar greep blijken te liggen. Maar deze gebrekkige verwerkelijking van wat haar is opgedragen zal zij als een onontwijkbare roeping moeten aanvaarden. Mits zij in deze gebrekkigheid voortdurend blijft uitzien en streven naar „de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus” (Ef. 4: 13).