Akkoord NGK (1982) III.

III. De tucht

Artikel
25-30

Akkoord NGK (1982) Art. 25

III. De tucht

Artikel
25

Karakter van de tucht

De kerkelijke tucht draagt een geestelijk karakter en is er op gericht de leden die zondigen te behouden, hen met God, met de gemeente en hun naaste te verzoenen en de gemeente te bewaren bij de heiligheid van het verbond van God.

Akkoord NGK (1982) Art. 26

III. De tucht

Artikel
26

Onderling toezicht

Heeft iemand een zonde bedreven die geen openbaar karakter draagt, dan zal hij hierover vermaand worden naar de regel van Matt. 18: 15, 16, en in de geest van Galaten 6: 1.
Indien de zondaar geen berouw toont, zal de kerkeraad hierin worden gekend.
Ook indien iemand een openbare zonde heeft bedreven, zal dit ter kennis van de kerkeraad worden gebracht (Matt. 18: 17).

Akkoord NGK (1982) Art. 27

III. De tucht

Artikel
27

Berouw en verzoening

Wanneer het vermaan van de kerkeraad berouw tot gevolg heeft, zal de verzoening op zulk een wijze plaatsvinden als de kerkeraad juist oordeelt.

Akkoord NGK (1982) Art. 28

III. De tucht

Artikel
28

Voortgaande tucht

Wie geen blijk geeft van berouw en de vermaningen van de kerkeraad verwerpt, zal van het avondmaal des Heren worden afgehouden. Indien na herhaalde vermaning geen bekering volgt, zal tot het laatste redmiddel, nl. de afsnijding, worden overgegaan, met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier.

Akkoord NGK (1982) Art. 29

III. De tucht

Artikel
29

Wederopneming

Indien iemand die afgesneden is van de gemeente na bekering begeert weer te worden opgenomen, zal hiervan aan de gemeente mededeling worden gedaan om haar instemming te verkrijgen. Daarna zal de wederopneming plaatsvinden in een openbare samenkomst van de gemeente, met dankzegging aan de Here en met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier.

Akkoord NGK (1982) Art. 30

III. De tucht

Artikel
30

Tucht over ambtsdragers

Wanneer een ambtsdrager een onschriftuurlijke leer brengt of een andere openbare grove zonde bedrijft, zal hij door de kerkeraad in zijn dienst worden geschorst of daarvan worden afgezet.
De schorsing van een predikant zal, evenals de schorsing en de afzetting van een ouderling of diaken, plaatsvinden in overeenstemming met het advies van een naburige gemeente.
Afzetting van een dienaar des Woords zal slechts plaatsvinden na instemmend advies van de regionale vergadering, die daarbij zal worden bijgestaan door afgevaardigden van een naburige regionale vergadering. Bij verschil van gevoelen tussen genoemde instanties zal het oordeel van de landelijke vergadering worden gevraagd.
Van schorsing en afzetting zal mededeling worden gedaan aan de gemeente, met het oog op haar instemming.