Lonkhuyzen, J. van (1926)

Een ernstige fout
Het besluit der Generale Synode te Assen inzake de afzetting van een of meer kerkeraden gewogen en te licht bevonden
Chicago
The Christian Literature Publishing Co.
1926

Lonkhuyzen, J. van (1926) Inl

|3|

Inleiding

 

Aleer ik iets anders zeg, wil ik hier mijne waardeering uitspreken voor den ijver welke de Nederlandsche Gereformeerde kerken hebben voor de waarheid.

In onze tijden van dogmatisch indifferentisme, in onze tijden waarin men in alles precies wil zijn behalve in wat men op godsdienstig gebied gelooft en belijdt, is zulk een ijver voor de waarheid een zegen.

In dezen ijver voor de waarheid zijn er in de behandeling van de zaak-Geelkerken echter door genoemde kerken wel eenige dingen gedaan welke ons eenigszins — laat ik zeggen — vreemd voor komen.

Misschien ligt het in den afstand waarop wij hier van over den oceaan de worsteling in de Nederlandsche kerken in deze zaak gadeslaan; misschien dat ons niet alle gegevens bereikten — hoewel we toch nauwkeurig de mededeelingen in de Christelijke Pers (let er op, ik zeg Christelijke Pers) nagingen en deze Pers toch verondersteld mag worden hare lezers van het voornaamste nauwkeurig op de hoogte te houden; misschien ook — ik waag het bescheiden uit te spreken — ligt de oorzaak aan de andere zij die van den oceaan en kunnen wij hier bij kalm toezien de lijnen welke naar Gereformeerd gevoelen op kerkrechtelijk gebied gevolgd moeten worden nauwkeuriger onderscheiden en beter vasthouden. We willen echter dit alles laten rusten en aan onze ‘broeders aan de overzijde “the benefit of the doubt” geven, en ons bij onderscheiden kerkrechtelijke verklaringen der synode aangaande de wijze van behandeling der genoemde zaak neerleggen. Althans voor het oogenblik.

Daar is echter één zaak waar schrijver dezer regelen en onderscheiden predikanten in de Chr. Geref. Kerk van Amerika met hem zich niet bij neerleggen kan.

Toen in de week van Goeden Vrijdag de Nederlandsche Christelijke bladen ons bereikten was het bij onderscheidenen onder ons alsof we door een donderslag getroffen werden. Daar stond het, het onmogelijke, het nimmer verwachtte: “de synode besluit den kerkeraad van Amsterdam-Zuid af te zetten”. De synode, een meerdere vergadering, zet een mindere vergadering, zet een kerkeraad af! We wreven onze oogen uit of we het wel goed gelezen hadden. Want zoo iets kan toch niet! Kan wel in Roomsche of Herv. Kerk, maar

|4|

toch niet in Geref. Kerken! En kan toch zeker niet gedaan zijn door de zoo voor de waarheid strijdende synode der huidige Nederlandsche Geref. kerken. We lazen het nog eens, en konden het schier niet gelooven. Maar het stond er. In “De Reformatie”; in De Heraut nog wel! In denzelfden toon schreven ons onderscheiden predikanten. “Ik sta verbaasd” schrijft ons een predikant in onze kerkengroep, “Ik sta verpletterd” schrijft een ander, “Ik begrijp er niets meer van” betuigt een derde, “Zijn we zoo dom dat we wat de leiders in de Nederlandsche kerken ons geleerd en keer op keer voorgehouden hebben, zoo geheel verkeerd begrepen hebben?” zoo vraagt een hunner. En zoo ging dat in die week door.

Nu hangt — to be sure — ons geloof ook voor de Geref. kerkrechtelijke beginselen niet aan het getuigenis der Nederlandsche broeders, of wat zij doen, zelfs niet aan het besluit eener synode. Onze overtuiging heeft dieper grond dan dat. Maar de Nederlandsche broeders hadden ons zóó gesterkt in wat we oordeelden en nog beslist oordeelen dat eisch van de Geref. kerkrechtelijke beginselen is, ons zóó gesterkt door hun publieke verklaringen, in woorden voor geen tweeërlei uitlegging vatbaar. En we zien hier zoo hoog tegen de Geref. Kerken in Nederland op. Zoo dat ge begrijpen kunt hoe ons hart geschokt was. Het hart van velen onzer. Van schrijver dezes niet het minst.

Het hart van velen onzer was diep geschokt. Want — en ziedaar een andere reden voor onze ontroering bij het lezen van dit besluit — wij hebben sinds eenige jaren over datzelfde onderwerp een strijd hier in onze eigen kerken, een strijd die juist nu en op onze aanstaande synode in Juni tot een climax komt — een strijd die met ernst en gloed van overtuiging aan weerszijden gestreden is, een strijd waarin door onderscheidenen warm deel is genomen, of waarin zij gereed waren warm deel te nemen; een strijd die doorging tot in den boezem der commissie welke door de vorige synode aangesteld was om over deze zaak te rapporteeren, zoodat we twee rapporten krijgen.

Een ontroering dus voor velen, zeiden we, en voor schrijver dezes in het bijzonder. Daar zijn naam wel nauw verbonden is met de zijde dergenen, die zeiden en nog beslist zeggen, dat zoo iets — het afzetten van een kerkeraad door een meerdere vergadering — naar Geref. kerkrecht niet geschieden kan, nooit niet, in geen geval niet. Dat de Geref. methode een andere is.

|5|

Het is daarom, dat wij na na het lezen van meergenoemd besluit der synode te Assen onverwijld de pen opnemen.

Niet uit lust om meerdere verwarring in de Nederlandsche kerken aan te richten.

Of uit bemoeizucht.

Maar allereerst uit liefde voor de waarheid en uit getrouwheid jegens onze Nederlandsche zuster kerken, die hier naar onze stellige overtuiging een ernstigen misstap maakten.

Ik neem het niet op voor Dr. Geelkerken en zijn dwaling. Ook niet voor den onwililigen kerkeraad van Amsterdam-Zuid. Maar ik wensch dat de synode der Nederlandsche Geref. kerken ook Gereformeerd zij in haar kerkrecht. Ze heeft hier, als we hopen aan te toonen, een fundamenteele fout begaan. Tegen een der voornaamste grondbeginselen van ons kerkrecht gezondigd. Haar eigen leiders rechters zijnde.

En verder spreken we, omdat diezelfde zaak onder ons nog in discussie is. We gevoelen dat het met het besluit der synode van Assen is "tua res agitur”, dat het ook over onze zaak gaat.

En daarom onverwijld een woord van protest.

Te wachten tot de Acta der synode van Assen verschenen zouden zijn, wat anders gewis de juiste weg zou wezen, zou het protest voor onze synode in Juni a.s. te laat doen komen.

En daarom doen we het nu.

En we doen het niet overhaast. Deze dingen zijn sinds jaren — als de broeders aan deze zijde van den oceaan weten — onder ons in dispuut en in studie geweest.

Moge dit protest er toe bijdragen om de oogen der Nederlandsche kerken te openen. Mogen die kerken terugkeeren tot de lijn door haar eigen leiders in kalmer dagen uitgestippeld. Moge ze op een volgende synode haar besluit anders inkleeden.

Het resultaat kan practisch hetzelfde zijn, maar de methode zou verschillend zijn. En niet alleen in het einddoel, maar ook in de middelen hebben wij Gereformeerd te zijn.

Moge het bloed der verzoening, waaraan de Goede Vrijdag ons herinnerde, genadiglijk over deze afdwaling uitgespreid worden.

Want hier is naar onze vaste overtuiging een ernstige dwaling begaan. Hier is de wissel verlegd. Hier is men gekomen op het spoor van een stelsel waaronder de mannen van 1834 en 1886 zoo bitter geleden en waartegen zij zoo met al de kracht getuigd hebben.

Lonkhuyzen, J. van (1926) I

|6|

 

Hoofdstuk I

 

Het Synodaal Besluit

Het besluit der Gen. Synode der Ned. Geref. Kerken te Assen gehouden in zake de afzetting van den kerkeraad van Amsterdam-Zuid luidt als volgt:

“De Generale synode overwegende, dat de kerkeraad van de Geref. Kerk van Amsterdam-Zuid .........
“besluit de ouderlingen en diakenen, die medegewerkt of zich geconformeerd hebben aan het besluit van den Kerkeraad van 13 Maart om Dr. Geelkerken te handhaven in zijn ambtelijke bediening, uit hun ambt als ouderling of diaken te ontzetten, terwijl aan den Kerkeraad van Amsterdam wordt opgedragen met de broeders ouderlingen uit Amsterdam-Zuid, die aan deze openbare scheurmaking niet deel namen, ten spoedigste tot verkiezen van nieuwe ambtsdragers over te gaan, deze te bevestigen in hun ambt er aldus den Kerkeraad van Amsterdam-Zuid opnieuw te formeeren.
...............................
“Wanneer op andere plaatsen dan te Amsterdam-Zuid de predikanten of kerkeraden zich openlijk aan de zijde van Dr. Geelkerken en den schismatieken Kerkeraad mochten stellen, moeten de Classes terstond optreden om hen te vermanen en wanneer zij desniettegenstaande volharden hen schismatiek verklaren en afzetten.”

We hebben in het bovenstaand besluit (aangehaald uit De Heraut van Zondag, 21 Maart, 1926) niet de overwegingen vermeld waarom de synode oordeelde dat de kerkeraad der afzetting waardig was, namelijk dat hij Dr. Geelkerken gestijfd had, en het synodaal besluit ten zijnen opzichte niet uitgevoerd had, maar we hebben alleen het besluit der afzetting van dien kerkeraad zelf vermeld. Omdat de overwegingen voor het doel van dit schrijven geen waarde hebben. 1) Naar onze stellige overtuiging kan een kerkeraad door


1) Daarom gaan we ook niet in op de details welke bij de “afzetting van den kerkeraad” van Amsterdam-Zuid plaats hadden. Als:
1. De vermelding van de namen. Wordt de synode verondersteld een lijst van de namen van ouderlingen en diakenen te hebben? Indien niet, hoe weet zij officieel die namen?
2. Wordt de synode verondersteld te weten wie er op de vergadering van den kerkeraad, waar men Dr. Geelkerken handhaafde, al of niet tegenwoordig was? Die niet tegenwoordig waren zijn niet afgezet. Zie “De Standaard” van Donderdag, 25 Maart, 1926. Eerste blad. “Kerknieuws”. ➝

|7|

geen meerdere vergadering afgezet worden. Naar ons gevoelen is de afzetting als zoodanig principieel met het Geref. kerkrecht onbestaanbaar. Het gaat dus om het beginsel of zooiets kan of niet kan. En daarom laten wij de overwegingen rusten.

Nu is wel niet de kerkeraad als zoodanig afgezet, in massa, in “body” maar zijn de kerkeraadsleden man voor man afgezet, maar dit maakt voor de zaak zeer weinig verschil, het slot is hetzelfde, de kerkeraad is afgezet. Het besluit spreekt dan ook van een bijstaan van de getrouwe leden tot het “formeeren” van een nieuwen kerkeraad. En de titel van het besluit luidt dan ook: “Het ontzettingsbesluit met betrekking tot den Kerkeraad”. En in de overwegingen wordt herhaaldelijk gesproken van den “kerkeraad” en wat hij gedaan heeft; dies wordt ook in de laatste overweging gezegd dat “de kerkeraad in zijn geheel zich schuldig heeft gemaakt aan openbare scheurmaking”. Het gaat dus wel degelijk tegen den kerkeraad als zoodanig. Dat blijkt ook uit de instructies gemaakt in de besloten vergadering, welke we ook publiceeren. Waarin ook gesproken wordt van het afzetten van kerkeraden.

En dan zijn wij gereed aan te toonen dat de afzetting van een kerkeraad door een meerdere vergadering in strijd is:
1. Met den aard van het Geref. kerkverband zooals wij dat uit Gods Woord, de Belijdenis en de Kerkenorde kennen.
2. Met de geschiedenis der Geref. Kerken, inzonderheid met die in Nederland.
3. Met het getuigenis van mannen die autoriteiten op het gebied van het Geref. kerkrecht mogen geacht worden.


➝ Hoe weet de synode wie er tegenwoordig waren? Door spionage? Is men teruggekeerd tot de dagen der inquisitie?
3. De afgezette kerkeraad betuigt dat hij niet enkel niet is vermaand maar niet eens door de synode gehoord is en klaagt over onverhoord veroordeelen. De afgezette broeders vernamen hun afzetting het eerst uit de dagbladen. Zie “De Standaard” van Vrijdag, 19 Maart, 1926. 2e blad. “Kerknieuws”. Dit alles echter heeft met ons onderwerp geen doen. Het gaat in ons schrijven over het beginsel, of een synode een kerkeraad kan afzetten.

Lonkhuyzen, J. van (1926) II

|8|

 

Hoofdstuk II

 

1. De afzetting van een kerkeraad door een meerdere vergadering (classe of synode) is in strijd met den aard van het Geref. kerkverband zooals wij dat uit Gods Woord, de Belijdenis en de Kerkenorde leeren kennen.

Het zal althans onder ons geen tegenspraak vinden als wij zeggen dat de Israëlitische synagogen — waar Gods volk van ouds samenkwam om saam te bidden en Gods Woord te lezen — praeformaties waren van de organisatie der Christelijke kerken. 1) Wij hebben hierover indertijd meer uitvoerig gehandeld bij ons onderzoek naar de instelling van het diaconaat. 2) De slotsom van dat onderzoek was: “Men kan dan ook zeggen: de Kerk is uit de synagoge geboren, niet alleen in dien zin dat Israël de schaduw der toekomende goederen had, en niet alleen ook met het oog daarop, dat de apostelen hun zending schier immer van uit de synagoge begonnen, maar ook in dien zin, dat de synagoge een, zij het ook lagere en onvolmaakte, praeformatie van de Christelijke institueering was”. 3) Vooral Calvijn vond sterke analogie tusschen de inrichting van de synagoge en die der Chr. kerken en aansluiting der Chr. kerkorganisatie aan die van de synagoge. 4)

En niet alleen is er in de plaatselijke organisatie der synagoge een praeformatie voor die der Chr. Kerken, hoe zeer deze laatste straks ook opgevoerd en verrijkt zal worden en zoo haar eigen karakter zul ontvangen, maar de analogie gaat ook verder door.

De synagogen waren zelfstandige organisaties 5), en lagen ver en wijd om den tempel verspreid. De tempel was het middelpunt van haar leven. Daar was het aangezicht heengekeerd. Van daar werd het leven in de synagoge gedrenkt, getroost, bezield, bestierd. Daar ook lag de eenheid voor de synagogen. Het uiterlijk verband tusschen de synagogen was zeer los. 6) De eenheid lag in den tempel en


1) Zie ook Dr. P.A.E. Sillevis Smitt, De organisatie van de Chr. Kerk in den apostolischen tijd, Rotterdam. 1910 p. 72.
2) Biesterveld, Van Lonkhuyzen en Rudolph, Het Diaconaat, Hilversum 1907, p. 41 en verv.
3) a. w. p. 43.
4) Sillevis Smitt a. w. p. 72. En de aanhaling van Calvijn, p. 70.
5) Zie The Jewish Encyclopedia, 1903, onder Community, dl. IV, p. 194.
6) Zie The Jewish Encyclopedia, onder Synod, dl. XI, p. 643. Als ook onder Community, dl. IV, p. 194.

|9|

in den Hoogepriester en in het offer. Een geestelijke eenheid welke vastgelegd lag in de windselen van de bloeds- en volks-eenheid.

Zooals de synagogen eenmaal verspreid om den tempel lagen, liggen ook de Christelijke kerken over de aarde verspreid, ver en wijd, met het hart en de ziel naar boven gekeerd. (Naar het hemelsch heiligdom. Waar de ware Hoogepriester is en het algenoegzaam offer. Vandaar komt haar leven, haar bezieling, en ook haar bestuur. Haar hoogste en als: het er op aankomt, haar eenig bestuur ligt in Christus haar Heere en Koning. De door Christus’ apostelen ingestelde ambtsdragers, de kerkeraden, staan onder Hem.

In dien Christus ligt ook de eenheid der Christelijke kerken. Deze eenheid ligt niet meer in banden des bloeds of des volks. Ze is een zuiver geestelijke eenheid. Uit Christus komt de eenheid des lichaams en des Geestes, des geloofs en der liefde. Niet allereerst en allermeest van buiten af zijn ze saam verbonden, maar van binnen uit. Hoe zeer die innerlijke eenheid ook om uiterlijke aaneensluiting en samenwerking roept.

Zoo leert de H. Schrift.

Zij leert allereerst ons dat de Christelijke kerken plaatselijke kerken zijn.

Immers, Christus’ Kerk is de openbaring der nieuwe menschheid. Overal waar God door Zijn voorzienig bestel de menschen doet saamwonen, in steden en dorpen of gedeelten van steden, waar God Zijn menschen en Christus daaronder Zijn volk heeft, daar brengt Christus dit volk door de macht van Zijn Woord en Geest als Zijn volk, als de nieuwe menschheid, als Zijn kerk tot openbaring.

Die plaatselijke kerken zijn complete zelfstandige openbaringen van Christus’ lichaam. Zoozeer dat ook deze plaatselijke kerken in de Schrift genoemd worden de tempel Gods (1 Cor. 3: 16, 17), de bruid van Christus (2 Cor. 11: 3), of het lichaam van Christus (1 Cor. 12: 27).

Een complete openbaring dus van die bruid of dat lichaam van Christus op die plaats. Compleet is ze doordat Christus haar hoofd is, Hij Zijn Geest in haar uitstortte, en Hij haar al de ambten geeft waardoor Hij haar wil onderwijzen, troosten, regeeren.

Als er ook maar één kleine plaatselijke kerk op aarde ware, zoo was deze in wezen even compleet als dat er duizend zijn met allerlei vergaderingen.

En als er duizend zijn, dan is die eene kleine plaatselijke kerk

|10|

te midden van de duizend in wezen nog even zelfstandig en compleet alsof ze alleen ware. Ze is compleet en zelfstandig in haar Koning, wat Hij voor haar is en wat Hij aan haar geeft. Ze heeft in Hem ook eigen regeering verkregen. Ze is autonoom. 1) Men zij derhalve voorzichtig. Wie zich aan de plaatselijke Christelijke kerk vergrijpt, al is ze een dwalende, die vergrijpt zich aan de “bruid van Christus”, aan de “tempel Gods”, aan “het lichaam des Heeren”.

De Schrift leert verder dat deze zelfstandige plaatselijke kerken verband met elkander moeten zoeken en ook metterdaad zoeken. De noodzakelijkheid en de plicht van dit zoeken van verband volgt uit de eenheid welke de kerken in Christus hebben en in Hem zijn. Wat één is in den wortel moet zich ook in eenheid naar buiten openbaren. En de plaatselijke kerken zijn openbaringen van het ééne mystieke lichaam van Christus. Zij zijn verplicht gemeenschap des geloofs met elkander te zoeken. Met zoovele kerken als met haar een zelfde geloof deelachtig zijn.

Zoo zijn ze dus tegelijk zelfstandige, complete openbaringen op die plaats van Christus’ lichaam en tevens deelen van een groot geheel.

En hier komt het nu maar op aan dat aan beide waarheden recht gedaan wordt en niet de eene in de andere ondergaat. Ook hier weer moeten beide lijnen streng vast gehouden worden. Wie beide lijnen goed en gelijk vast houdt, die staat zuiver. En die alleen!

In den eersten tijd zijn de apostelen nog voor een groot deel de band van eenheid tusschen de kerken. Zij bezoeken ze, zij brengen ze tot elkander (Hand. 14), zij maken regelen voor alle kerken (Hand. 6). Maar de apostelen leiden ook tot een door de kerken zelve gevormden band heen. (Hand. 11: 19-24, Hand. 15). Een band die de kerken vrijwillig zoeken moeten. En zoo, eerst onder leiding der apostelen, dan afzonderlijk zoeken ze elkander, helpen ze elkander, troosten ze elkander (Hand. 11: 30), leggen ze verband met elkander, zenden ze brieven van aanbeveling tot elkander (2 Cor. 3: 1).

Dit verband komt ook met autoriteit tot de kerken, legt iets aan de kerken op, als een “last” (Hand. 15: 28).

Het heeft gezag.


1) We weten dat er tegen het woord “autonomie” bezwaren bestaan. Maar “verba valent usu”. We gebruiken het vanzelf niet in dien zin alsof de kerk in absoluten zin autonoom ware, maar in den zin: eigen regeering hebbende onder Christus en gebonden aan Zijn Woord.

|11|

Maar doet geen geweld aan de kerken.

Neen, dit verband doet de zelfstandigheid of autonomie der plaatselijke kerk niet te niet. De plaatselijke kerk behandelt haar eigen zaken (Hand. 1: 23; 6: 5; 11: 22; 11: 1-4; 15: 22; 21: 22). De kerk kiest haar eigen ambtsdragers (Hand. 6, en waarschijnlijk ook Hand. 14: 23), haar eigen vertegenwoordigers, (2 Cor. 8: 18); oefent de tucht uit (Gal. 1: 6; 1 Cor. 5: 1 en verv.). En zij — zoo wordt haar geleerd — moet die tucht uitoefenen. De apostel Paulus zoekt bij al zijn zoeken naar eenheid en band dit autonome leven der kerk “niet in te binden, maar aan te kweeken”. 1) Paulus “kent steeds groote autonomie aan de gemeente toe”. 2)

Deze zelfstandige plaatselijke Christelijke kerken zullen gewis innig en nauw met elkander verbonden zijn. Maar ook voor haar geldt het Woord des Heeren: “Een is uw Meester en gij zijt allen broeders”. Broeders, in dit geval zusters, met gelijke rechten, gelijke plichten, met gelijkheid in ambten en ambtsdragers, met gelijke zelfregeering. Geen heeft van Christus of Zijn apostelen een ambt over de andere ontvangen. Geen heeft heerschappij over de andere kerken van Christus of Zijne apostelen verkregen. Ze zullen op elkander toezicht hebben, ook elkander vermanen, ook over elkander tucht uitoefenen. Maar ook voor deze tucht geldt als niets helpt het woord: “Scheidt u af van dezulken.” En: Zegt tot hen niet: Weest gegroet. Dat is: Ontvangt ze niet als broeders. Dat is, excommuniceer ze voor zoover uw broederschap aangaat. Dat is, zet ze uit uw kerkverband. Maar niet: Dring in elkanders huishouden in. Maar niet: Ga eigenmachtig over den drempel en zeg tot de ambtsdragers in zulk een huis: Gij zit daar en ik zal hier regeeren en over u regeeren.

Zeker, de kerken zullen elkander helpen en ook over elkander tucht uitoefenen, maar laat ons toezien hoe wij dit doen.

Hoc schuldig een afdwalende kerk ook moge zijn, gij zult om Gods wille de rechten eerbiedigen welke God aan een instelling gaf.

 

De Reformatie ging — zooals haar naam reeds zegt — terug tot de oorspronkelijke Christendom en het oorspronkelijke kerkelijk leven. Ook tot het kerkverband zooals het in de dagen der formatie was.


1) Zoo terecht Sillevis Smitt a.w. p. 90. Sillevis Smitt spreekt van een “sterke autonomie” der eerste Christen-kerken.
2) Sillevis Smitt a.w. p. 89.

|12|

Althans zoo als het krachtens die formatieve beginselen behoorde te zijn.

En zoo vinden we dan — om bij de Hollandsche Geref. kerken vooreerst te blijven — bij de mannen der Reformatie die het zuiverst en doortastends teruggaan tot de eerste Chr. kerken, dat zijn de Gereformeerden, de erkenning van de plaatselijke kerken, van hare autonomie, van hare compleetheid en zelfstandigheid. De Roomsche hiërarchie wordt weggeworpen en men zoekt wederom de plaatselijke zelfstandige openbaring van het lichaam van Christus tot uiting te brengen. 1)

“De oude bestaande kerken .... hernamen hare oorspronkelijke zelfstandigheid en bepaalden zich eenvoudig tot eigen reformatie, met terzijde stelling van de priesterlijke hiërarchie.” 2)

Zoo vinden we dan ook weldra vergaderingen van de Geref. kerken in de Nederlanden. In die meerdere vergaderingen “traden de kerken zelve met elkaar in verband.” 2) Op de Acta der Synoden staat dat ze zijn de Acta of Handelingen der verzameling der Nederlandsche Kerken. 3) “De eenheid van die Kerken bestond allereerst, ja eigenlijk alleenlijk in de gemeenschappelijke belijdenis. 4) Op die Belijdenis berustte het kerkverband,” zegt Dr. Rutgers. “Zij was — zoo gaat hij voort — gelijk reeds het 2e artikel van de Acta der Embder Kerkenverzameling uitspreekt, “de betuiging van de onderlinge verbinding en eenheid der kerken”. 5) De Belijdenis was het accoord van gemeenschap. Een innerlijke eenheid welke dan ook uitkomt in uiterlijke eenheid in de samenvergaderingen der Kerken in kerkverband. Maar die samenvergadering in kerkverband, op de eenheid der Belijdenis rustende, was enkel en alleen een daad van vrijwillige “samenwerking en overeenstemming”. 6)

Ziedaar dus een zeer juiste terugkeer tot de Schrift. Tot de oorspronkelijke zelfstandige plaatselijke kerkformatie welke plaatselijke kerken echter ook de verplichting verstaan de eenheid van het lichaam Van Christus te openbaren en vrijwillig krachtens dien


1) Zie Jhr. Mr. A.F. De Savornin Lohman en Dr. F.L. Rutgers, De Rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken, 2e ed. p. 16.
2) Lohman-Rutgers a.w. p. 18.
3) Lohman-Rutgers a.w. p. 18.
4) Lohman-Rutgers a.w. p. 26.
5) Lohman-Rutgers a.w. p. 25.
6) Lohman-Rutgers a.w. p. 36.

|13|

geestelijken drang met elkander in verband treden. Om elkander te helpen, op elkander toezicht te oefenen en wat dies meer zij.

Deze beginselen vinden we dan ook uitgedrukt in de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, het accoord der kerkelijke gemeenschap.

De Geloofsbelijdenis geeft uit den aard slechts korte beginselen. Welke straks in de kerkenorde breeder uitgewerkt worden.

Welke zijn de beginselen der Geloofsbelijdenis in de onderhavige zaak? De Geloofsbelijdenis spreekt uit:
1. Dat de openbaring van Christus’ lichaam plaatselijk is. “Op wat plaats dat zij zoude mogen gesteld zijn” Art. 28.
2. Dat deze plaatselijke openbaring van Christus’ lichaam compleet en zelfstandig is. Zij heeft alle ambten. En eigen regeering. Art. 30.
3. Dat deze plaatselijke kerken geroepen zijn verband met elkander te zoeken. Dit volgt bij analogie uit de plicht der enkele geloovigen om zich bij de ware kerk te voegen. “Om de eenheid der kerk” te openbaren. Zoo hebben ook de kerken de “eenheid des lichaams” te openbaren. Zich op zich zelf te houden is een doen “tegen de ordinantie Gods” Art. 28.
4. De plaatselijke kerken verliezen in dit kerkverband echter niet hare zelfstandigheid.
a) Ze behouden haar eigen regeering. Art. 30.
b) Ze krijgen geen hoogere bestuursmacht over zich. De dienaars des Woords hebben dezelfde macht en autoriteit. Art. 32.
c) Ze vormen zelve ook niet een bestuursmacht over zich.
d) Zij maken zelve hare “ordinantiën”. Zij oefenen ieder en elk keur uit bij het maken of aannemen van deze ordinantiën. Niets wordt van boven opgedrongen. Art. 32.
e) Deze ordinantiën worden door vrijwillige toestemming aangenomen. Art. 32.
f) Zij beloven alles aan te nemen wat ze met elkander maken, tenzij het strijden mocht tegen de gehoorzaamheid welke ze Gode verschuldigd zijn. Art. 32.

Eer we zien hoe deze beginselen nader uitgewerkt worden, willen we er op wijzen hoe krachtig en hoe klaar de Belijdenis, welke toch als het er op aankomt beslist, de zelfstandigheid der plaatselijke kerk voorop stelt, hoe weinig zij van het kerkverband maakt. We zeggen dit laatste niet om het kerkverband te minachten — dat zij verre —

|14|

maar om toch te waarschuwen in dat stuk niet te overdrijven. Maar daarin voorzichtig te zijn.

Nu laat ons zien hoe de beginselen der Belijdenis uitgewerkt zijn in de Kerkenordening.

Voor ons doel is het hierbij niet noodig al de bepalingen na te gaan welke de kerken in verschillende tijden en op verschillende synodes gemaakt hebben voor onderscheiden zaken harer samenleving en welke bepalingen in de kerkenordening zijn opgenomen. Bepalingen waarin zij met elkander overeenkwamen hoe te handelen in zake beroeping, tucht, sacramenten, feestdagen enz. enz.

Voor ons doel is het genoeg op twee punten te letten. Deze zijn:

Ten eerste de zelfstandigheid der plaatselijke kerk; en aan de andere zijde de macht van het kerkverband tegenover deze plaatselijke kerk.

En van deze twee punten behoeven we ook weer niet na te gaan alles wat de kerkenorde zegt van de zelfstandigheid der plaatselijke kerk noch ook alles wat zij zegt van de macht van het kerkverband, tegenover deze plaatselijke kerken.

Over veel is geen verschil. En beide zaken — zoo wordt door allen toegestemd — liggen klaarlijk in de kerkenorde uitgedrukt. Er wordt telkens gesproken van de plaatselijke kerk. En van hare zelfstandigheid. Van haar eigen regeering.

En er wordt ook gesproken, en herhaaldelijk gesproken, van de meerdere vergaderingen, waarin zich het kerkverband openbaart. En wat tot deze meerdere vergaderingen gebracht zal worden, waarin zij te beslissen hebben, enzoomeer. Veel hiervan kunnen voor het doel van dit geschrift ter zijde leggen. Over veel is geen verschil. Wij bepalen ons sprekende over de macht der meerdere vergaderingen, tot een onderzoek naar den aard en de bevoegdheid van het gezag der meerdere vergaderingen zooals we dat uit de kerkenordening leeren kennen. Dat is het hart der zaak.

En dan is het wel bekend dat er twee artikelen in de kerkenorde zijn, welke inzonderheid de twee beginselen, waar het hier op aankomt, vermelden.

Het eene artikel wijst op de zelfstandigheid of autonomie der plaatselijke kerken, het andere op het zeggenschap der meerdere vergaderingen.

We zullen beide artikelen afzonderlijk bezien.

|15|

En daarna zien hoe ze tezaam bepalen den aard van het Geref. kerkverband.

Het eerste beginsel, de zelfstandigheid en autonomie der plaatselijke kerk wordt uitgedrukt in art. 84 der Kerkenorde in de woorden: “Geen kerk zal over een andere kerk eenige heerschappij hebben.” Het is het beginsel hier uitgedrukt dat ook het meervoud waar doet zijn: Geen kerken zullen over een kerk eenige heerschappij hebben. Want het is niet de letter maar het beginsel in deze letter uitgedrukt dat hier geldt.

Dit beginsel is een fundamenteel beginsel van het Geref. kerkverband. Wat nu art. 84 is, was eerst bij art. 31 der Geloofsbelijdenis. Dit luidde in de oorspronkelijke Geloofsbelijdenis van 1564 in zijn slot (in onze spelling overgezet) aldus: “Zoo veel als den dienaars des Woords aangaat, in wat plaats dat zij zijn, hebben een gelijke macht en autoriteit, dewijl zij altegader dienaars Jesu Christi, des eenigen en almachtigen Bisschops en des eenigen Hoofd der Kerk zijn, daarom en heeft geen kerk eenige macht noch heerschappij over de ander om daarover te heerschen”. 1)

Uit de Geloofsbelijdenis is dit artikel aan het hoofd der kerkenorde gekomen. Zoo stond het aan het hoofd van de eerste kerkenorde der vrijgemaakte kerken (de Emdensche, 1571, zie Hooier “Oude kerkenordeningen”). En uit die kerkenorde is het eindelijk op de Dordtsche Synode achter in de kerkenorde gekomen, waar men nog eenige zaken, niet onder de vier rubrieken in art. 1 der kerkenorde genoemd, saamvatte. Omdat de Belijdenis de grondslag van ons kerkverband is, is derhalve ook dit artikel, uit de Belijdenis afkomstig, fundamenteel. Het wijst heel den aard van ons kerkverband aan. En dit heeft dit karakteristieke: Geen heerschappij van een of meer kerken over een andere.

In de Fransche kerkenordening van 1559 stond het ook aan het hoofd van de artikelen. En luidde: “Aucune eglise ne pourra pretendre prinauté, ni domination sur l’autre”. Dat is: “Geen kerk zal eenig primaat over een andere kerk pretendeeren noch heerschappij over een andere.” En de Latijnsche uitgave heeft: “Nulla ecclesia supra aliam ecclesiam”. 2) Behalve dit artikel mogen we hierbij niet vergeten te vermelden hoe op het Convent te Wezel in 1658, waar de beginselen van het kerkverband gelegd werden,


1) Lohman-Rutgers a.w. p. 19.
2) Lohman-Rutgers a.w. p. 30.

|16|

dit uitgesproken werd: (V:19) “Nochtans staan wij de classicale vergaderingen hierin (in ’t “verlaten” van ambtsdragers) geen recht toe over eenige kerk of hare dienaars, tenzij deze van zelve zulks toestemt, opdat de kerk niet tegen haren wil, beroofd worde van haar recht en gezag”.

En de eerste synode der vrijgemaakte Nederlandsche kerken sprak het aldus uit in het eerste artikel van hare kerkenordening (overgezet in onze spelling): “Geen kerke zal over een andere kerke, geen dienaar des Woords, geen ouderling, noch diaken zal de een over den ander heerschappij voeren, maar een iegelijk zal zich over alle suspicien en aanlokkingen om te heerschappen wachten.” 1)

Wat is heerschappij? Heerschappij is rechten als heer bezitten of uitoefenen over iets. Een heer beveelt, een heer vernietigt wat niet naar zijn wensen is. Het is, in dit geval, een bevelen van een meerdere vergadering jegens een mindere, het is auctoritate sua vernietigen of “casseeren” van het besluit van een mindere vergadering. En allen zijn het er over eens dat dit niet kan. Noch het bevelen kan, noch het vernietigen kan. Dit kan wel bij hiërarchie en collegialisme, maar niet in het Geref. stelsel van kerkrecht. In geval dat een meerdere vergadering het besluit van een mindere afkeurt, dan wordt de zaak terugverwezen naar kerkeraad of classe. En aldus wordt de zelfstandigheid der mindere vergadering erkend en geëerbiedigd. En kan een meerdere vergadering geen besluit van een mindere vernietigen, dan kan ze ook kwalijk die vergadering zelve vernietigen. Een kerkeraad afzetten. Dat kan wel wederom in de hiërarchie of in het collegialisme waar een honger bestuur boven den kerkeraad staat, maar niet bij Gereformeerden. Want bij hen is of staat geen kerk of verzameling van kerken “supra” een andere kerk, als de Latijnsche uitgave het heeft. En om af te kunnen zetten moest, als in de hiërarchie of bij het collegialisme, zulk .een vergadering of macht "supra" de andere vergadering zijn. Dan zoude zij kunnen bevelen, “casseeren”, afzetten. En dat “supra” zijn van een kerk of kerken over andere wordt in het aangehaalde artikel ontkend. De meerdere vergadering heeft wel meerdere macht, maar geen hoogere macht, zoo luidt de vaste regel welke, naar dit artikel, den aard van het Geref. kerkverband omschrijft.

Daar staat geen ander ambt of andere macht tusschen Christus en de ambtsdragers in een kerk.


1) Lohman-Rutgers a.w. p. 18.

|17|

En nu het andere artikel. Namelijk art. 36 der Kerkenorde. Dit artikel luidt: “Hetzelfde zeggen heeft een classe over den kerkeraad hetwelk de particuliere synode heeft over de classe en de generale synode over de particuliere”. Ging het eerstgenoemde artikel tegen de hiërarchie, dit gaat tegen het Independentisme. Beide zijn dwalingen die gelijkelijk vermeden moeten worden. En vermeden kunnen worden, zoo men maar midden op den weg blijft en zich houdt aan wat klaar in de kerkenorde uitgedrukt ligt.

Dit 36e artikel zegt, dat de meerdere vergaderingen zeggenschap hebben. Zij hebben over elkander te zeggen. De generale synode heeft iets over de particuliere te zeggen, en de particuliere iets over de classe en de classe iets over den kerkeraad. Wat is dit zeggenschap? Dat is de groote vraag.

Laat ons eerst zien wat het niet is. Het is geen zeggenschap in den zin van heerschappij. Dat wordt afgesneden door art. 84.

Het is ook geen bestuursmacht of regeermacht. Dit wordt in het artikel zelf ontkend. Want het zeggenschap in het artikel vermeld wordt uitdrukkelijk en principieel onderscheiden van het gezag dat de kerkeraad heeft over de gemeente. En dit laatste is bestuursmacht, is regeermacht. Zulk een opvatting zou ook strijden met de Belijdenis. Want deze kent maar één bestuurs- of regeermacht in de kerk, namelijk de kerkeraad. (art. 30). De kerkeraad is het hoogste bestuur op aarde in de kerk. De apostelen hebben geen hoogere macht daarboven ingesteld.

Het zeggenschap is aan de andere zijde ook niet een bloot advies geven. Neen, de meerdere vergaderingen hebben iets te zeggen, hebben autoriteit. Dit zeggenschap moet dus liggen tusschen bloot advies geven, het is meer dam dit, en heerschappij of bestuursmacht over de kerken uit oefenen, het is minder dan dit, iets anders dan dit.

Wat is het dan? Zagen we wat het niet is, laat ons nu zien wat het wel is.

We komen op het rechte spoor als we dit artikel vergelijken met een voorgaand artikel, namelijk met art. 31. Dit laatste luidt: “Hetgeen door de meeste stemmen (op een meerdere vergadering) goed gevonden is, dat zal voor vast en bondig gehouden worden, tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen Gods Woord of tegen de artikelen dezer kerkenorde zoolang als dezelve door geen generale synode veranderd zijn”. We spreken hier niet over de restrictie “tenzij enz.” en de eenige gezonde uitlegging welke daarvan door

|18|

prof. Rutgers gegeven is, we hebben dit vroeger gedaan in onze artikelen in “Onze Toekomst” (zie “Onze Toekomst” van 29 Juli, 1925), maar we houden ons voor ons doel aan het eerste gedeelte van het artikel. Hier wordt uitgesproken dat de kerken de op de meerdere vergaderingen genomen besluiten bindend achten. Dat de kerken zich er aan zullen houden, “tenzij” enz. Zelfs al zoude een kerk het er niet mede eens zijn, dan zal zij zich toch aan het beslotene houden. Zoo belooft zij.

Op de nationale synode van Dordrecht van het jaar 1578 werd dit artikel aldus geformuleerd: “In alle zaken (die zaken altijd uitgenomen van dewelke wij een uitgedrukt woord Gods hebben), als de stemmen naarstiglijk zullen gewogen zijn, zal men blijven bij het advies der meeste stemmen, om daarnaar te besluiten, hetwelk besluit een ieder schuldig zal zijn na te komen”. Dus klaarlijk hebben de besluiten der meerdere vergaderingen een bindende kracht. Daartoe had men oudtijds op de meerdere vergaderingen vaak twee stemmingen. De eerste stemming wees uit waar het gevoelen der meerderheid heen was. En dan werd dat voorstel met algemeene stemmen tot besluit verheven. Zooals ook nog uit het daareven aangehaalde artikel van Dordt van 1578 blijkt. Waar men nog blijkbaar de gewoonte van de twee stemmingen had.

De meerdere vergaderingen hebben dus autoriteit om besluiten te maken welke bindende kracht hebben. Dit komt ook overeen met wat de kerken, als we vroeger zagen, uitspraken in de Belijdenis, waar zij beloven alles aan te nemen “hetgeen dienstig is om de eendrachtigheid en eenigheid te vorderen en te bewaren en alles te onderhouden in de gehoorzaamheid Gods” (art. 32).

En dit komt ook overeen met wat de Schrift leert, als zij leert, als we zagen, in Handel. 15 van een besluit dat bindende kracht heeft en als een “last” aan de gemeente opgelegd wordt. De kerken hebben dus het recht, om Voetiuis’ woord te gebruiken, om elkander iets op te leggen, voor te schrijven. 1)

Hoe ver gaat nu dit bindend gezag der meerdere vergaderingen? Gaat dit gezag der meerdere vergaderingen nu zoover dat het een kerkeraad kan afzetten? Dat is de groote vraag.

Bij beantwoording van die vraag let allereerst op dit. De kerken hebben beloofd door vrijwillige toestemming zich aan al het


1) Zie Voetius Pol. Ecc. IV p. 222.

|19|

beslotene te houden, “tenzij het strijden mocht met Gods Woord en de aangenomen kerkenorde.” Nu is de eerste vraag: Geeft Gods Woord en geeft de aangenomen kerkenorde grond voor zulk een afzetting? Hebben de kerken in vrijwillige toestemming zulk een wijze van tuchtoefening op grond van dat Woord en die kerkenorde aanvaard? Dan zou de zaak vanzelf duidelijk zijn. En moest ieder er zich aanhouden.

Maar hier komt nu reeds dadelijk een punt van grooten twijfel. In Gods Woord hebben we na het verdwijnen van het apostolisch gezag geen blijk van zulk een uitoefening van gezag der kerken over elkander. En evenmin in de kerkenorde. All geven we dadelijk en van geheeler harte toe, dat de kerkelijke tuchtoefening geen zaak is als bij de overheid waar ge voor elke straf een wetsartikel moet hebben, en waar het om de letter van dat wetsartikel gaat, en geen stap verder mag gegaan; en al geven we evenzeer toe, dat de kerkenorde geen wetboek is, maar slechts eenige hoofdlijnen geeft, eenige beginselen, zoo houden we toch hier reeds vol dat voor zulk een wijze van tuchtoefening geen voldoende grond in de kerkenorde kan gevonden wonden. In de kerkenorde wordt de tuchtoefening in den breede omschreven, een groot deel van de kerkenorde gaat over niets anders dan over tucht. De vaderen wilden hier terecht niets aan willekeur over gelaten hébben. Dat zou de dood voor alle tucht zijn. En zij waren ook te diep doordrongen van hun verantwoordelijkheid aan hun Heere en Koning dan dat ze hier iets aan een “misschien” zouden willen overlaten. Vandaar een breede omschrijving hoe de tucht geschieden moet. Tot in graden en trappen toe. Hoe met een gemeentelid, hoe met een leeraar, hoe met ouderlingen en diakenen.

En nu, als de vaderen er ooit aan gedacht hadden om zulk een wijze van tucht over héél een kerkeraad uit te oefenen, een wijze van tucht door afzetting door de meerdere vergaderingen, toch vreemd dat ze er dan niets van in hun kerkenorde vermelden. Ze hadden er toch te Dordt overvloedig gelegenheid toe gehad. Daar wisten ze, behalve wat achter lag, dat er heel wat voor hen lag. Dit zwijgen der kerkenorde over afzetting van een kerkeraad spreekt boekdeelen.

Ja maar, zegt ge, dit is maar een “argumentum e silentio”. Dat is waar. Maar acht, zelfs al beziet ge het niet anders dan zoo, dit argument niet te gering.

|20|

Als iemand zich bij een plaatselijke kerk aansluit, dan weet hij bij zijn aansluiting, dat, als hij zich kwam te misgaan in leer of leven zóo en zóo de tucht op hem toegepast zal worden. Tot afsnijding met het formulier toe. Hij aanvaardt dat alles vrijwillig bij zijn aansluiting bij de kerk.

Maar waar blijkt dat de kerken bij haar vrijwillige toetreding tot het kerkverband zulk een afzetting vrijwillig aanvaard hebben? Waar is die ook maar genoemd? Waar hebben ze gewillig aanvaard bet hoofd op het blok te leggen — laat ik het een oogenblik zoo mogen noemen — in geval van conflict met bet kerkverband? Integendeel uit de conditie waarmee ze al de besluiten van het kerkverband beloven te aanvaarden namelijk “tenzij het blijken mocht te strijden met Gods Woord en de aangenomen kerkenorde” blijkt dat zij blijven keuren en niet er aan denken zich ter zijde te laten zetten. Dat de gedachte van afzetting van kerkeraden niet bij de makers van die kerkenorde opkwam. De kerkenorde blijkt de gedachte niet te kennen.

Zeker, het behoeft niet alles met uitgedrukte letter in de kerkenorde te staan, maar ge moogt ook niet in de kerkenorde in leggen wat er blijkbaar niet in ligt. En ook niet uithalen wat niet duidelijk blijkt dat er in ligt.

Voor zulk een uiterst gewichtige tuchtmaatregel moet het duidelijk en klaar er wel in liggen. Dat er geen twijfel over is. Laat de kerkenorde in de tuchtoefening over enkele personen niets aan het onzekere over, hoe daarin gehandeld moet worden, dan leert de kerkenorde u dat ge met tuchtoefening over kerkeraden ook wel een goede orde van procedure moogt hebben. En dat zij u die niet geeft moge u iets, ja veel, te denken geven.

Ook kunt ge hier niet bijvoegen wat de kerkenorde in art. 79 zegt, namelijk dat de ouderlingen en diakenen in geval van ergerlijke zonden “terstond door het voorgaand oordeel des kerkeraads derzelver en der naastgelegen gemeente “in hun- dienst geschorst of daarvan afgezet zullen worden”. Dit is een uitgesproken stipulatie welke de kerk zelve vrijwillig op zich neemt bij de aanvaarding van het kerkverband, of, in het kerkverband zijnde, zelve meegemaakt heeft. Opdat de kerkeraad zich voor alle lichtvaardige stappen zou wachten. Hij bindt zichzelven hier. En vraagt hulp. Maar al geeft hij krachtens de afspraak met het kerkverband aan den kerkeraad van de naastbijgelegen gemeente stemrecht in deze zaak, om allen schijn van machtsmisbruik te voorkomen, desniettegenstaande

|21|

is het de kerkeraad zelf die hier handelend optreedt en uitnoodigt. Hier worden de rechten van de plaatselijke kerk ten volle geëerbiedigd.

En wederom vragen we: Als de afzetting van een ouderling zoo nadrukkelijk in de kerkenorde is gestipuleerd, hoeveel te meer had dan niet de afzetting van een gebeden kerkeraad gestipuleerd moeten zijn? Temeer daar in zulk een geval er geen kerkeraad is die handelend optreedt? Het zou een onverschoonlijk tekort zijn van de kerkenorde, had ze afzetting van geheele kerkeraden gewild, om er ons over in het onzekere te laten.

En eindelijk, eer we verder gaan, willen we nog op iets wijzen. Namelijk op het principieel verschil dat art. 36 maakt tusschen het gezag van den kerkeraad en dat van de meerdere vergaderingen. Hetzelfde zeggenschap dat een classe heeft over den kerkeraad heeft een particuliere synode over een classe en een generale -synode over een particuliere. Maar niet wordt er gezegd “en een kerkeraad over de gemeente”. Of niet wordt gezegd, hetzelfde zeggenschap dat een kerkeraad heeft over een gemeente heeft een classe over een kerkeraad enz. Al wordt dit principieele onderscheid in gezag hier niet meer door alle broeders aangenomen, 1) — wie het beginsel van afzetting van een kerkeraad door een meerdere vergadering aanvaardt komt op een hellend vlak! — het principieel verschil staat nog wel vast bij de broeders in Nederland, zoo ik vertrouw. Welnu, als een kerkeraad het recht van afzetten heeft van een ouderling of diaken, toegestemd met hulp van het kerkverband, maar toch de kerkeraad is de macht die hier handelend optreedt en uitnoodigt, en die zich zelf verbindt tot die hulp van het kerkverband, ik zeg als een kerkeraad naar de kerkenorde aldus verstaan het recht van afzetten heeft, en de kerkenorde maakt principieel onderscheid tusschen het gezag van de meerdere vergadering en dat van den kerkeraad, waar krijgt ge dan dat gezag van de meerdere vergaderingen om ouderlingen en diakenen af te zetten vandaan? De kerkenorde zegt zelf: De meerdere vergaderingen hebben niet hetzelfde gezag.

Ja, maar, zegt ge, die macht van den kerkeraad kan, als Voetius zegt, “bij ongeneeselijk bederf” overgedragen worden op het kerkverband. We zullen verder in dit werk zien, wat Voetius in het geheel van zijn artikel, waarin deze uitdrukking voorkomt, zegt.


1) Zie “The Banner”, June 26, 1925, p. 406 e.a.

|22|

Hier alleen dit. Dat er gezag is dat niet overgedragen kan worden. Zoo het gezag van een rechter. Zoo het gezag van een man over zijn vrouw. En zoo staat het hier. Wij ontkennen, dat het gezag van den kerkeraad overgedragen kan worden. 1) Kerkeraad en meerdere vergaderingen zijn ongelijksoortige machten. Door de macht over te dragen zoudt ge de classe of de synode kunnen laten doen “wat des kerkeraads” is. Iets waar Voetius en de vaders zoo sterk tegen opkomen. Dan zoudt ge uitkomen bij wat zij zoo strengelijk veroordeelden, namelijk dat het kerkverband in sommige gevallen althans, wel een opperkerkeraad ware. 2)

Maar nu verder. Wij houden staande dat afzetting van kerkeraden niet enkel tegen deze uitspraken van de kerkenorde maar tegen heel den aard van het Geref. kerkverband ingaat. En dat in geval van onverhoopt conflict de weg die gevolgd moet worden geheel anders ligt.

Stel een der kerken wil zich niet houden aan ’t beslotene, terecht of te onrecht niet. Als het kleinere zaken zijn, kunnen de andere kerken zulk een kerk daarin dragen. Maar als het gewichtige zaken zijn, wat dan? Nadat alle vermaningen niet helpen, wat dan?

Dan komt de gewichtige vraag waarom het hier gaat.

En om in te zien wat dan gebeuren moet, moeten we voor alles in het oog houden wat het kerkverband is en wat de meerdere vergaderingen zijn. Dan kunnen we daar uit besluiten wat zeggenschap zij jegens een onwillige kerk of onwilligen kerkeraad kunnen laten gelden. Rechtens kunnen laten gelden. Kunnen laten gelden zonder in conflict te komen met het artikel dat spreekt van geen heerschappij, van geen kerk of kerken boven (supra) de andere kerken, of van een zich aanmatigen van bestuursmacht over de kerken.

Het lijdt geen twijfel of het Geref. kerkverband is een foederatief verband. 3) Zeker, het verband is dat van een gansche bijzondere foederatie, van een foederatie uit een geestelijke eenheid voortkomende, een foederatie waarbij het maar niet aan de gefoedereerden staat of zij saam willen komen, een foederatie waarbij men weet dat men deel is van een geheel, en die eenheid naar buiten moet vertoonen, maar toch met dit alles een foederatie. Een foederatie waarin


1) Ook trots de excommunicaties welke de vaders in synode wel gedaan hebben. Zie over dit onderwerp verder in dit werk.
2) Over den senatus ecclesiasticus of opperkerkeraad zie verder in dit werk.
3) Zie Voetius Pol. Ecc. I p. 226, Lohman-Rutgers a.w. p. 43, p. 188.

|23|

zelfstandige plaatselijke kerken vrijwillig toetreden en saamwerken. Evenzeer als een Christen, hoewel hij lid is van Christus’ lichaam, toch door een vrijwillige daad toetreedt tot de openbaring van Christus’ kerk, tot het kerkelijk instituut, tot de plaatselijke kerk. En er ook vrijwillig weer uit kan, hoe zondig die daad ook zou zijn, als ze niet door Gods Woord geëischt wordt. Zoo is het met de zelfstandige plaatselijke kerken en het kerkverband. Leg allen nadruk op de geestelijke eenheid, op de verplichting tot saamvoegen, maar laat niet los de vrijwillige toetreding van de plaatselijke kerk tot de kerkengroep en het vrijwillig blijven en zelfstandig bestaan van de kerk in die groep. Want op het oogenblik als ge dit los laat, dan verwart ge de zichtbare en onzichtbare kerk, dan vereenzelvigt ge deze en gaat ge op Rome’s lijn over.

En let er wel op, dat de Belijdenis wel met nadruk spreekt van de plicht van den geloovige om zich bij de ware kerk te voegen, al ware het dat de dood er aan hing, maar dat de Belijdenis niet spreekt van zulk een plicht van de plaatselijke kerken. Zeker, wij leiden uit het eene ook het andere af. En zeggen, als we boven gedaan hebben, hier ligt ook bij implicatie in dat de plaatselijke kerken de eenheid van het lichaam van Christus zullen vertoonen, door zich saam te voegen, maar dit ligt in de Belijdenis slechts bij implicatie, het staat er niet met uitgedrukte woorden.

Dus, indien, waar de Belijdenis zoo sterk spreekt van de plicht van aansluiting van den individueelen geloovige bij de plaatselijke kerk, gij toch, en terecht, die daad vrijwillig noemt, en gij wel onderscheidt tusschen de openbaring van Christus’ lichaam door den dienst der menschen, en ook de openbaring van de eenheid van dat lichaam door den dienst der menschen, en dit lichaam en die eenheid zelve, hoeveel te meer geldt dit dan van de plaatselijke kerken en haar zijn in het kerkverband.

Indien een individueele geloovige vrijwillig lid wordt van de plaatselijke kerk en — als het er op aankomt — hoe zeer die zonde te bestraffen is als het niet door Gods Woord geëischt wordt, bedanken kan voor zijn lidmaatschap, hoeveel te meer is de plaatselijke kerk in het kerkverband vrijwillig en behoudt zij hare zelfstandigheid. En hoeveel te meer zou zij, hoe zondig het ook ware indien, het niet naar Gods Woord was, zich kunnen onttrekken.

En laat ons zien wat hieruit voor ons geval volgt.

Als we dit vrijwillig bij het kerkverband zich aansluiten en er

|24|

vrijwillig bij blijven (hoe gedrongen dan ook door den plicht van de eenheid des lichaams) dan volgt daar wat het onderhavige punt aangaat toch wel dit. Van de zijde der plaatselijke kerk bezien. Dat als een lid der plaatselijke kerk bedanken kan voor zijn lidmaatschap, zich aan de censuur onttrekken kan, omdat hij vrijwillig bij de kerk zich aansloot, hoezeer verplicht door de eenheid des lichaams, dat dan ook een plaatselijke kerk zich aan het verband onttrekken kan. Hoe zondig ook, indien niet door Gods Woord geëischt. En houdt bij iemand die zich onttrekt aan de tucht door “bedanken” de uitoefening der tucht op, zoo ook bij een kerk in de kerkengroep. Ge kunt een kerkeraad “schismatiek” verklaren — en de kerkeraad vertegenwoordigt die gemeente — en dan kunt ge zulk een kerkeraad verklaren het verband verbroken te hebben, evenals bij een lid in de plaatselijke kerk, maar meer niet — de tucht houdt op. Ge hebt op zich zelf geen recht — als we hopen aan te toonen — om een kerkeraad af te zetten — maar zeker niet een kerkeraad die zich aan het verband onttrekt. Die staat buiten. Evengoed als een man die voor zijn lidmaatschap “bedankt”, hoe verkeerd dat op zich zelf ook moge zijn.

Een kerkeraad die zich met woord of daad, of beide, van het verband afscheidt staat buiten uw verband, daar hebt ge geen tucht meer over te oefenen. Al wat ge doen kunt is dat feit erkennen. Zoo ge toch nog wilt “afzetten” doet ge precies hetzelfde als de vroegere gewoonte hier dat men degenen die zich aan de tucht onttrokken hadden, “bedankt” hadden voor hun lidmaatschap der kerk nog eens ging afsnijden. Met het formulier daarvan zijnde.

Zoo verwart ge twee terreinen. Het lichaam van Christus en de openbaring daarvan. Dan wandelt ge op Rome’s weg. En dan beteekent heel dat vrijwillig en zelfstandig onder het kerkverband blijven niets.

Maar nu verder.

Stel de kerkeraad wil zich in bet kerkverband handhaven. Wat kunnen de meerdere vergaderingen dan doen? Kunnen en moeten ze dan zulk een onwilligen kerkeraad afzetten of kunnen en moeten ze iets anders doen?

Dat wordt beslist door het karakter onzer meerdere vergaderingen. Onze “meerdere vergaderingen” zijn geen bestuursmachten, maar vergaderingen der kerken. Van plaatselijke kerken. Van plaatselijke kerken die geen oogenblik haar wezenlijke zelfstandigheid in het kerkverband verloren hebben. Die vrijwillig tot het

|25|

kerkverband toetraden. 1) En er vrijwillig bij bleven. En er vrijwillig zich aan onderwerpen. Deze kerken worden vertegenwoordigd in de meerdere vergaderingen door haar afgevaardigden. Nochtans de kerken zijn daar in die afgevaardigden tezaam. Als er op elken lastbrief staat of behoort te staan: “alsof de kerk in haar geheel vertegenwoordigd ware”.

Of deze kerken direct of indirect afvaardigen, en dies direct of indirect vertegenwoordigd zijn, maakt geen verschil.

Naar de classes vaardigen de kerken direct af, naar de synode indirect, d.i. door de classes. Rechtstreeksche afvaardiging naar de synode van alle plaatselijke kerken zou even goed, ja beter zijn. Maar dit kan niet vanwege het getal. Door het groote getal afgevaardigden zouden de zaken niet wel afgedaan kunnen worden. Het getal sprekers zou te groot zijn. Het zou te lang duren.

Vandaar afvaardiging door trappen. Maar hetzij rechtstreeks of door trappen, steeds zijn de kerken vergaderd, in de classe, in de synode. Steeds is de meerdere vergadering eene samenkomst van kerken. Zie Kerkenorde art. 30, 33, en vooral 41, alsook art. 86. Al deze artikelen zeggen, niet predikanten en ouderlingen, maar de kerken komen op deze meerdere vergaderingen saam. Door hare afgevaardigden. Zoo zeggen ook de inleidingen tot de Synodale Acta. “Acta Synodi ecclesiarum Belgicarum ofte Handelingen der versameling der Nederlandsche Kerken”, zoo heet ’t hoven de acta der eerste synode in 1571. “Acta ofte Handelingen des Nationalen Synodi der Nederlandischen, Duytschen en Waalschen kerken, zoowel inlandsche en uitlandsche”, zoo staat er boven de Acta van de nationale synode van Dordt van 1578. En zoo kunt ge doorgaan. Nu bidden we onze lezers om dat goed vast te houden. Dit is de “conditio sine qua non” voor een zuiveren kijk op het Geref. kerkrecht. Zoo kwamen de eerste kerken saam (Hand. 15). Zoo de kerken der reformatie in Frankrijk, zoo in de Nederlanden en elders, in haar onderscheidene kerkelijke vergaderingen.

Zoo gingen ze met elkander op grond van haar geestelijke eenheid en die in het geloof een vrijwilligen band aan. In dat verband werden ze niet beroofd, als Voetius met nadruk opmerkt, van haar rechten, maar ze brachten haar macht saam. “De synoden hebben wel een zeker gezag, n.l. ’n macht, die niet oorspronkelijk, maar afgeleid,


1) Zie hoe sterk dit uitkomt in de organisatie der Fransche kerken zooals Bavinck dit vermeldt. Dogmatiek IV p. 408.

|26|

samengesteld en bijeengevoegd is; niet eenvoudig, maar uit meerdere kerken is ontstaan. En deze macht, welke naar rangorde aan elke plaatselijke kerk toegekend moet werden, is niet privatief (beroovend), maar cumulatief (ophoopend, opeenstapelend), niet anders dan de macht van alle apostelen samen vergeleken met de macht van ieder apostel op zichzelf; en de macht van alle dienaren samen in den kerkeraad met die van ieder dienaar afzonderlijk; en de macht van alle leden der gemeente te zamen vergeleken met de macht en de vrijheid van ieder lid op zich zelf; en de kracht van tien menschen samen vergeleken met die van elk der tien op zichzelf. Vandaar dan ook, dat zij deze kerkelijke macht gewoonlijk niet oefenen over en buiten de plaatselijke kerk om, opdat zij niets in en omtrent haar met autoriteit uitvoeren, tenzij dan in gemeenschappelijke zaken, of in geval van hooger beroep en van wanbestuur, ’t zij dan dat dit verondersteld wordt, ’t zij dat het inderdaad reeds zoo is.” 1)

Dit gezag der meerdere vergaderingen is dus niet dat van “heerschappij”, of van een bestuursmacht, maar het is een saamgebrachte macht. Een macht over elkander zoo als in elke foederatie de medeleden der foederatie zekere zeggenschap over elkander hebben. Anders zou een foederatie onmogelijk zijn. Maar niet beroovend van elkanders zelfstandigheid. Geen foederatie zou bij een medelid der foederatie (hetzij een foederatie van vereenigingen, corporaties, volken enz.) het bestuur komen afzetten. Dat zou een daad van heerschappij zijn, een gewelddaad tegen zulk een lid. Een machtsdaad waarbij de vrijheid mi de zelfstandigheid van zulk een medelid der foederatie tot nul gereduceerd werden.

En zoo is het nu ook in de kerken. En met het kerkverband. Maak dat verband zoo stringent als ge wilt, geef het een geestelijken achtergrond zooveel als gij wilt, leg zooveel nadruk op de eenheid des lichaams als ge verkiest, maar wilt ge het foederatieve van het Geref. kerkverband handhaven, wilt ge de vrijheid en zelfstandigheid van de plaatselijke kerken in het kerkverband niet tot een ijdel woord maken, zoo zult ge u voor zulk een de kerk (het medelid der foederatie) van haar macht beroovende daad wachten. Het oogenblik dat ge het bestuur bij zulk een medelid gaat afzetten, dat is de


1) Voetius Pol. Ecc. I, p. 226. Over dat “gewoonlijk niet over en buiten de plaatselijke kerk om” waaruit men opmaken kan dat Voetius toch wel een macht aan de synode toekent “over en buiten de plaatselijke kerk om” zie verder in dit werk, waar Voetius aangehaald wordt hoe hij dit verstaat.

|27|

kerkeraad in een gemeente gaat afzetten, doet ge een daad van heerschappij, houdt het foederatief karakter zooveel als aan u staat in het kerkverband op, dan hebt ge den noodlottigen stap gedaan en de lijn, die het Geref. erf van dat van hiërarchie of collegialisme scheidt, overtreden.

Laat mij, om klaar te doen zien dat de kerken zulk een heerschappij in de foederatie niet wilden, twee uitspraken der kerken mogen aanhalen. Beide uit vergaderingen, welke de fundamenten legden voor het Geref. kerkverband.

We wezen boven reeds op het artikel van de Wezelsche conventie waarin uitgesproken werd in zake het “verlaten” van ambtsdragers (dat niet geschieden mocht zonder toestemming der parochie of classe. V:18), dat de classes hierin, in dit “verlaten”, geen recht toegestaan werd over eenige kerk of hare diensten tenzij dezelve dit vanzelfs zullen toestemmen, opdat de kerk niet tegen haren dank beroofd worde van haar recht en gezag.” 1)

Daaruit blijkt hoe veel de stichters van het kerkverband van de zelfstandigheid der plaatselijke kerk ook in het kerkverband dachten. Van haar recht en gezag. Geen wegnemen van een ambtsdrager enkel door classicaal besluit, werd aan de classis toegestaan.

Dit “verlaten” moge niet direct een afzetten zijn, het is toch een wegnemen van de gemeente. En geldt dit van een ambtsdrager dan geldt dit zeker ook van den kerkeraad in zijn geheel. De band tusschen hem en de gemeente zal door de classe niet hij classicaal besluit (of door de synode bij synodaal besluit) gebroken worden. Dat komt het recht en het gezag van de plaatselijke kerk te na.

De kerkeraad behoudt het recht en het gezag in een gemeente. Een recht en gezag waarvan hij niet door classicaal besluit beroofd kan worden. Dat ligt er toch wel in dit artikel.

Daar is verder een nationale synode die op negatieve wijze hetzelfde uitgesproken heeft.

In haar wanhoop om orde te brengen in de chaotische toestanden op kerkelijk gebied in de Nederlanden kort na de reformatie besloot de particuliere synode van Rotterdam van 1586 om de nationale synode van Den Haag van 1586 voor te stellen of te verzoeken een


1) In de Latijnsche uitgave luidt het: “Nec tamen classium conventibus quicquam iuris hac in re concedendum putamus in ullam ecclesiam, eiusve ministros, nisi illa ultro consentiente, ne sui iure et authoritate invita privetur ecclesia” (V: 19). (Cursiveering van mij, v.L.) Rutgers, Acta van de Nederlandsche synoden der zestiende eeuw, p. 27.

|28|

“senatus ecclesiaticus” in te stellen. 1) Een soort van opperkerkeraad. Die toezicht zou houden op en staan boven de andere kerkeraden. En zoover als tot schorsen toe mocht handelen. Maar de nationale synode van Den Haag van 1586 is op dit verzoek geen oogenbllik in willen gaan. Ze verwierp de zaak van zulk een “bijzonderen kerkeraad”. 2) Ze wilde geen hooger bestuur over de kerken hebben. Een bestuur waardoor de macht der plaatselijke kerkeraden, hoe treurig de tijden ook waren, zou worden gekortwiekt.

Hoe streng ge het kerkverband dus ook opvat — en daar is niets tegen zoo ge in de rechte lijnen blijft om dat streng op te vatten — de eenheid in Christus eischt het — maar bij dat alles blijven de kerken zelfstandige plaatselijke kerken. Kerken die ook in het kerkverband hare zelfstandigheid en haar gezag niet verliezen.

Vandaar de restricties “tenzij” enz.

Vandaar geen dwang om besluiten op te leggen, maar overtuigen, overleggen, bewegen tot aanneming.

Vandaar dat niet alle synodale besluiten voor alle kerken in alle tijden dezelfde kracht hebben, zooals Voetius dat omschrijft.

 

Het is niet moeilijk uit het bovenstaande op te maken wat er gebeuren moet indien het met een kerkeraad onverhoopt vast zou loopen. En alle vermaningen niets zouden helpen. Er blijft dan maar één ding over, nl. met zulk een kerkeraad die zich niet houden wil aan de overeenkomst der foederatie, de foederatie op te zeggen, dat is hem uit het verband te zetten. Breken van het kerkverband. Uitzetten en niet afzetten, is de weg welke in een foederatie tegenover een onwillig medelid ingeslagen wordt. Zoo ook hier.

Dat is de weg waarop reeds Marnix wees, de man die zulk een grooten invloed had op de legging van het Geref. kerkverband.

“Want het kan geschieden — zegt hij dat de eene kerk zich alzoo vergrijpen zal, dat de andere kerk noodzakelijk zal dezelve moeten verdoemen ende een afscheid daarvan maken.” 3)

En de weg waarop Voetius wees als hij sprak van “opzegging van den vrede, van de broederschap en de speciale synodale correspondentie.” 4)


1) Reitsma en Van Veen Acta der Prov. en Part. Synoden II p. 282.
2) F.L. Rutgers, Acta der Neder, synoden der zestiende eeuw, p. 512.
3) Lohman-Rutgers a.w. p. 195.
4) Voetius P. Ecc. I p. 227.

|29|

Wanneer het bijzondere ambt in een kerk gedeformeerd is, dan valt de uitoefening van de macht door Christus aan die kerk gegeven terug op het ambt aller geloovigen. Het bijzondere ambt is om het algemeene, om dat te leiden, te helpen, te bouwen, te sterken. Maar het algemeene ambt, het ambt aller geloovigen, controleert ook het bijzondere. En bij deformatie, treedt dit ambt aller geloovigen op. ’t Gezag valt terug op de gemeente. Aan wie Christus het gaf. Het kerkverband kan helpen, zeker, maar de gemeente doet het. Zij reformeert. Zij zet af. En zij zet een nieuwen kerkeraad aan. Zij heeft er de rechten toe en zij is er toe geroepen. Gelijk Voetius zulke gevallen dan ook uitlegt als hij de vraag stelt: “Of de bestuursmacht ingeval van nood en niet te reformeeren bederf aan den kerkeraad kan ontnomen en op een ander kan overgebracht worden?” Dat kan, zegt hij, maar niet door eigen ingrijpen van de classe “maar alleen de gemeente heeft de bevoegdheid om in zoodanig geval de bestuursmacht aan de dienaars en de ouderlingen voor goed of tijdelijk te ontzeggen. De reden is deze. Bij degenen die op kerkelijk gebied wettiglijk iets verleent, gelijk door bet toekennen van de macht aan dezen of genen persoon geschiedt, bij denzelven berust ook de wettige bevoegdheid om datzelfde te ontnemen, als daartoe de noodzakelijkheid bestaat. En nu is het de gemeente in haar geheel door wier wettige verkiezing .... de macht aan dezen of genen persoon wordt toegekend.” 1)

Het kerkverband kan de gemeente, of het getrouw gebleven deel der gemeente, helpen in het verkiezen van een nieuwen kerkeraad, maar de gemeente of dat getrouwe deel der gemeente, doet de formeele daad van afzetting.

Zij en niemand anders! Help haar zoover ge kunt, maar zij doet de afzetting. Aan haar en haar alleen heeft de Heere die macht gegeven. Laat dat duidelijk uitkomen. En zie toe dat ge in Jehu’s ijver de lijn niet overschrijdt. En u aanmatigt wat u niet toekomt.

De zaak is toch duidelijk.

De tuchtoefening, ook over .zulk een onwillige, gaat naar kerkelijke lijn. Dat is de lijn van de sleutelmacht. Als iemand in een plaatselijke kerk zich hardnekkig gedraagt, dan wordt hij tenslotte door den sleutel van den ban uit die kerk uitgesloten. En daarmee


1) Pol. Ecc. I p. 225.

|30|

uit Gods koninkrijk. Als een kerk zich hardnekkig gedraagt en afwijkt, dan wordt zij nok naar dezen kerkelijken regel behandeld. Dat is, uitgesloten uit de gemeenschap der zusterkerken. Dat is, het verband wordt met haar verbroken. Zeker, er is verschil in beider soort uitsluiting. Even zeker als er verschil is in de macht van den kerkeraad en die van de classe of synode. Maar hierin stemt helder tuchtoefening overeen, het is gebruik van een zekere sleutelmacht, een zeker uitsluiten, een zekere excommunicatie. 1) De een met den ban uit het rijk Gods, uit de broederschap, de andere sluit, op andere wijze, een hardnekkigen, afdwalenden kerkeraad of dergelijke kerk uit de zusterschap der andere kerken uit. Dat is, men verbreekt ’t verband met haar. Men erkent haar niet meer als eene Geref. kerk. Ze behoort niet meer tot onze kerkengroep. Wij oefenen geen correspondentie meer niet haar. Totdat zij zich gereorganiseerd heeft. Ze mag, als ze de zusterschap verbreekt of er uitgezet is, een dwalende zuster zijn, als de Luthersche of welke andere kerk ook, ze mag een geheel valsche kerk zijn, of wat ook, maar ze is niet meer onzer één, niet meer een zusterkerk in ons kerkverband. Ze is ons in zeker opzicht — we zeggen niet een heiden of tollenaar — toch een vreemde geworden. We erkennen haar tucht niet meer. Haar leeraren niet meer. Haar besluiten niet meer. Ze staat buiten ons kerkverband.

En zoo hebben ook onze vaders de zaak verstaan.

Zij verbraken het kerkverband met een kerk of kerkeraad die afweek. Zeker, niet altijd even finaal, en dadelijk, maar eerst tijdelijk en gedeeltelijk. Maar de wijze waarop zij handelden toont toch welken weg zij opgingen in de censuur over een onwilligen kerkeraad. Zij weigerden in de Remonstrantsche twisten: (a) attestaties van een Rem. kerkeraad. aan te nemen, 2) (b) zij ontzegden Rem. predikers den kansel in hun gemeente, of classe; (c) zij braken de correspondentie met Rem. kerkeraden; (d) zij richtten zelfs eigen classicale vergaderingen op tegenover de Remonstrantsche. Op de vergadering van de part. synode van Noord Holland, gehouden te Enkhuizen in 1618, juist voor de Dordtsche synode, blijkt uit de lijst der afgevaardigden dat niet minder dan twee classes gesplitst zijn. Die van Alkmaar, waarvan de “andere zijde” niet eens ter synode wilde komen, en die van Hoorn, waarvan er van elke classe d.i. van


1) Zie daarover Voetius en Hoornbeek verder in dit geschrift.
2) Zie: Rutgers, Het Kerkverband, zooals dat gekend wordt, enz.

|31|

de Remonstrantsche classe Hoorn en van de Geref. classe Hoorn enkele afgevaardigden ter synode waren. Hier hadden dus de kerken tamelijk ver het verband met elkander verbroken. Had de Rem. twist een normaal kerkelijk verloop gehad, dan is klaar te zien, hoe de kerken verder gedaan zouden hebben. Dan zouden de Geref. kerken allerwege het verband met de Remonstrantsche kerken verbroken hebben. Ze begonnen dat immers al te doen. Twee kerkeraden, twee classes zelfs! Consequent zou dat uitgeloopen hebben, op algeheele verbreking van het kerkverband, op twee gescheiden kerkengroepen. Dat het anders liep, kwam door de overheid en de tijdsomstandigheden. Naar ’t geloof dier tijden was er maar één officieele kerk in het land mogelijk, en dat was de Gereformeerde. De overheid duldde slechts de Geref. kerken. De gemeenten werden daarom gedwongen, of zij het goedvonden of niet, om de Remonstrantsche kerkeraden aftezetten. Naar het formulier daarvoor gemaakt. Maar straks kwam het toch zoover dat, eerst oogluikend, toen na den Franschen tijd, officieel, andere kerken, ook afwijkende Remonstrantsche kerken, toegelaten werden. En stonden ze in afzonderlijk verband naast elkaar. Die “tour de force” van de overheid waarbij de gemeenten gedwongen werden de Rem. kerkeraden af te zetten, nu een oogenblik ter zijde latende — is het duidelijk als de dag dat de strijd, als bij een zuiver kerkelijk verloop gehad zou hebben, als er plaats voor alle religies in de Nederlanden destijds ware geweest, zou beslecht zijn door verbreking van het kerkverband met de Remonstrantsche kerken. Waar enkel Remonstrantsche kerkeraden waren werden door de Geref. nieuwe kerkeraden opgericht, die door de classes erkend werden (zie o.a. ook op de Zuid Hollandsche synode van 1618 zulk een afgevaardigde van een gereorganiseerde, of doleerende kerk). Zoo had de strijd een normaal einde genomen in verbreking van het kerkverband. De eenige weg dien wij in onzen tijd volgen kunnen. Want wij kunnen niet meer met behulp der overheid een gemeentevergadering saam roepen en een gemeente een stuk gaan voorlezen.

Klaar is dus de aard van het gezag, of het “zeggenschap” der meerdere vergaderingen. Men is schuldig aan de gemaakte besluiten zich te houden. “Tenzij” enz. En zoo men dat niet doet, en de redenen worden door de meerdere vergadering ongegrond gekeurd, en men houdt toch zijn verzet vol, en de meerdere vergadering keurt het een ernstige afwijking, dan zet de meerdere vergadering

|32|

zulk een weerbarstige kerk of zulk een kerkeraad buiten het kerkverband. Sluit ze uit. Verbreekt het verband met hem of haar. Dat is de “censure" die ze op deze weerbarstige uitoefent.

“Ja, maar, de vaders deden het toch.”

“Ten dage der Remonstranten.”

We zullen zien.

Lonkhuyzen, J. van (1926) III

|33|

 

Hoofdstuk III

 

De afzetting van een kerkeraad door een meerdere vergadering is in strijd met de geschiedenis

Laat ons nu de geschiedenis van de Geref. kerken in de Nederlanden nagaan en zien wat zij leert aangaande de afzetting van een kerkeraad door een meerdere vergadering.

Vooraf zij opgemerkt dat men met deze geschiedenis en met het trekken van een conclusie daaruit voorzichtig moet zijn. Om verschillende redenen.

De toestanden waren in het begin der Reformatie zeer chaotisch. En er was maar weinig dat op een kerkenorde geleek. De classes en synoden deden haar best om orde in dezen chaos te scheppen, maar deden dit vaak op paternale (vaderlijke) wijze. Met maar één groote wet voor oogen, namelijk wat haar voorkwam het meest tot welzijn der kerk te strekken. Maar voor het overige werd niet al te zeer naar ieders rechten of plichten gevraagd. 1)

Dan had men reeds van begin af aan de overheids bemoeiing in de zaken van het kerkelijk leven. Kerk en Staat waren nauw verbonden. En zeide de eigen Belijdenis der Geref. kerken niet, dat het het ambt der overheid was “om de zuivere leer te beschermen en de ketterijen uit te roeien”? Overheidsbemoeiing in kerkelijke zaken, waardoor de zaken allerminst een kerkelijk verloop hadden vindt men dan ook in de Acta der provinciale synode herhaaldelijk aangewezen. 2)


1) De synoden verplaatsen leeraren van de eene gemeente naar de andere, of verbieden om een beroep aan te nemen, of zenden een leeraar ook zonder beroep der gemeente naar een gemeente. Reitsma en Van Veen, Acta der Prov. en Part. Synoden I p. 33, 35, 36, 38, 41, 49, 76, 77, 78, 81, 97 enz.
2) B.v. in het bekende geval van Caspar Coolhaas, predikant te Leiden, wordt Coolhaas door de synode “uit de kerke Christi “geëxcommuniceerd” en deze excommunicatie wordt in de gemeente van Haarlem afgelezen of voltrokken, maar jegens den kerkeraad van Leiden, die hem niet wil of durft afzetten (de Leidsche overheid hield Coolhaas de hand boven het hoofd) doet men niets. (Reitsma en Van Veen a.w. I p. 113).
Dat een synode over het hoofd van een kerkeraad heen een predikant excommuniceert, iets waaruit men heeft zoeken af te leiden dat een meerdere vergadering een mindere in geval van onwil of corruptie ter zijde mag schuiven, bewijst voor ons geval niets. Die excommunicatie van Coolhaas had alleen effect voor zoover het kerkverband aanging. De eigenlijke formeele excommunicatie kon niet plaats hebben. Coolhaas bleef lid en predikant van de “kerke Christi te Leyden”. Zooals ook Voetius zegt dat de synodale excommunicatie is ➝

|34|

Deze overheidsbemoeiing nam toe. Een commissie van de Staten komt in de Noord-Hollandsche synodale vergadering van 1592 en deelt den broederen mede dat zij de synodale vergaderingen zullen bijwonen “om goed regard te nemen dat op deze vergadering geen politieke zaken zullen worden verhandeld noch eenige kerkelijke zaken den staat der kerken in het gemeen aangaande of waaruit eenige onrust of oneenigheid in het gemeen zou mogen rijzen”. 1)

De Commissie uit de Staten zal van alles rapport doen aan de Staten. 2)

Dat wil zeggen, dat het uit is met de vrije behandeling der zaken door de kerken. 3)

En zoo is dit door gegaan. Vooral in den tijd der Remonstranten. De strijd tegen hen was, wat haar karakter betreft, evenzeer een politieke strijd als een kerkelijke. De kerken mochten uitmaken welke de zuivere leer was, maar de overheid ging dan naar art. 36 en de opvatting die zij van haar plicht om de eenigheid en rust te bewaren had op hare wijze te werk. Met of zonder de kerk. De overheid riep de Dordtsche synode saam, zat er bij, betaalde, en zorgde voor de uitvoering der besluiten, voor de eenheid der kerk en de verdrijving der Remonstranten.

Men moet dus uiterst voorzichtig zijn om iets te willen bewijzen


➝ in zoo’n geval “niet formeel” “maar een daarvoor in de plaats komende handeling.” Pol. Ecc. I 226.
Verder gelde als illustratie voor overheidsbemoeiing met kerkelijke zaken het volgende: De overheid verbiedt predikanten naar de synode te gaan (R. en v. V., a.w. I p. 97), oefent censuur uit over predikanten en zegt wie niet zullen dienen (R. en v. V., a.w. I p. 99), verbiedt predikanten een beroep aan te nemen naar een andere provincie in Nederland (R. en v. V., a.w. I p. 73), de overheid maakt een kerkenorde (R. en v. V., a.w. I p. 112), de overheid, stelt predikanten aan zonder bewilliging der gemeente (R. en v. V., a.w. I p. 152), of zet ze af (R. en v. V., a.w. I p. 157, 185), verbiedt synode te houden zonder toestemming van de overheid (R. en v. V., a.w. I p. 161), enz. Let er op dat mijne aanhalingen maar uit één deel van Reitsma en van Veen’s werk zijn. En alle dicht bij elkander. Wat zoudt ge een collectie krijgen als ge door het geheel van dat werk heengingt!
1) R. en v. V., a.w. I p. 163. Zie ook I p. 185, 191.
2) R. en v. V., a.w. I p. 163.
3) Dat bleek al spoedig uit het geval van Comelius Wicherts, predikant te Hoorn, die in de leer dwaalde. En weigerde voor een synode te verschijnen. De Staten van Holland verbieden de synode in zijn zaak actie te nemen (R. en v. V., a.w. I p. 198) zeggende dat zij zelve een onderzoek zullen instellen en handelen zooals het hun goeddunkt. (l.l.) En evenzoo verbieden ze de synode actie te nemen in zake den predikant van Medemblik, Taco Sybrants (R. en v. V., l.l.) die ook in de leer afweek en in Medemblik beroepen was door de overheid tegen den wil van den kerke-raad! De synoden protesteerden wel, maar lieten de zaken aan de overheid over. (R. en v. V., a.w. I p. 202, 203).

|35|

met de geschiedenis der oude kerken en inzonderheid met de geschiedenis uit de dagen der Remonstranten. Men is niet klaar met te zeggen: Onze vaderen deden ook zoo tegen de Remonstranten. Dat is een terugkeeren tot het oude, nu pas herziene, artikel 36 der Ned. Geloofsbelijdenis. En tot gansch andere kerkelijke verhoudingen. Inzooverre als deze handelingen overeenkomen met de kerkrechtelijke beginselen door de kerken in algemeene synoden uitgesproken hebben hare handelingen bewijskracht. Anders niet. De leer gaat ook hier voorop. De praktijk was daar soms ver van af.

 

Men haalt gewoonlijk drie gevallen aan om te “bewijzen” dat meerdere vergaderingen kerkeraden kunnen afzetten.

Het eerste geval betreft de moeilijkheden in de kerk van Haarlem. De behandeling der zaak vindt men in de Acta der Prov. Synode van Noord Holland gehouden te Enkhuizen in 1618. 1)

Men beroept zich dan op de woorden der Acta waar staat, “dat is goed gevonden dat door het beleid van eenigen, uit deze vergadering daartoe te deputeeren, den ouden kerkeraad en de diakenen voor hun getrouwen dienst zullen bedankt en de nieuwe ontslagen worden.”

Let er in de eerste plaats op, dat hier staat “zullen” bedankt worden. Niet dus dat de synode bedankt of ontslaat. Het besluit laat nog de daad van afzetting door wie en hoe en waar in het midden. En daar is een heel Geref. weg waarin kerkeraden afgezet worden. Namelijk door de gemeente. Als we boven reeds zagen en straks nog verder zullen zien. Dus ook al zou men hier van een “afzetting” willen spreken, dan zegt dit nog niet dat de afzetting hier door de meerdere vergadering geschied is. Deze meerdere vergadering spreekt alleen uit, dat ze “zullen worden afgezet”. De daad van afzetting komt later.

Maar is hier van een “afzetting” sprake?

Dat hier van geen eigenlijke afzetting sprake is merkt ge reeds duidelijk daaruit dat geen namen van ouderlingen of diakenen, van af te zetten broeders, genoemd worden. Een afzetting is een tuchtzaak. En wij Gereformeerden kennen geen tucht “en masse”. Wij kennen alleen tucht over ieder afzonderlijk.

Dus die namen hadden dan vermeld moeten zijn.


1) Reitsma en van Veen, a.w. II p. 5 en verv.

|36|

Wat is hier dan? Laat ons daartoe nader op het geval ingaan.

Er was een hoog koppende twist in de gemeente van Haarlem. Er was een “oude” en een “nieuwe” kerkeraad. Dus twee kerkeraden in een gemeente. Ieder kerkeraad over een deel der gemeente. Beide partijen wenden zich met haar klachten tot de synode, “partijen ook wederom voor deze synodale vergadering verschenen zijnde”. 1) En nu, nadat de synode beide partijen herhaaldelijk gehoord heeft, gaat de synode een middel bedenken dat de vrede in Haarlem zal herstellen en de partijen verzoenen zal en komt tot de conclusie dat het het beste is dat de oude kerkeraad bedankt en de nieuwe ontslagen worden zal. Buiten de partijen en buiten de gemeente om? Ganschelijk niet.

In den aanvang der genoemde Acta lezen we over deze zaak: “Alzoo in de kerk van Haarlem nu eenen geruimen tijd was in zwang geweest zekere groote zwarigheid, zoo hebben Ds. Souterus en zijne assistenten, afgezonden van de oude ouderlingen, diakenen en het meeste deel der lidmaten aldaar als aanleggers, schriftelijk vertoond de beginselen en den voortgang van de tegenwoordige zwarigheden in de kerk voornoemd.” Ze verzoeken dan ontslag van drie predikanten en “de degradatie van den nieuwen kerkeraad als onwettig ingekomen en herstelling van alles op den ouden voet”. Ook waren daar de drie predikanten wier ontslag men begeerde “met hunne geassocieerden, afgezonden van den tegenwoordigen kerkeraad en diaken als verweerders”. 2)

En dat het verstaan moet worden als wij zeiden blijkt ook verder uit de Acta zelve. We lezen toch in de Acta over deze zaak verder dat nadat de synode de zaak van allen kant onderzocht had dat de beschuldigingen van valschheid in de leer, ongegrond waren, zoodat de synode geen tucht wilde toepassen, besloot zij den weg “tot accommodatie” 3) of inschikkelijkheid te volgen ten einde den vrede


1) Reitsma en van Veen, a.w. II p. 11, 12.
2) Reitsma en van Veen, a.w. II, p. 5.
3) “Derhalve aantredende tot de conclusie, aan wederzijden bij de partijen in hunne schriftelijke en mondelinge deductie genomen, en diensvolgens tot de middelen om de beroerde kerk van Haarlem wederom in rust en eenigheid te herstellen, gepraesupponeerd, dat alle de ingebrachte beschuldigingen van weerszijden ten eenen male buiten de leer omgaan, en noch de een noch de ander van eenige valschheid in de leer beschuldigd is, zoo is tot redressement van de tegenwoordige zwarigheden door de synode als het beste expediënt ingezien (om) in te gaan den weg van accomodatie, behoudens waarheid en goede orde,” enz. (Reitsma en van Veen., p. 10).

|37|

te herstellen. Toen zijn twee predikant en met een (ouderling afgevaardigd am den ouden kerkeraad “met goede redenen alsnog tot de voorgeslagen accomodatie te induceeren”. De broeders komen terug en rapporteeren, dat zij “die van den ouden kerkeraad tot de accomodatie niet hebben kunnen bewegen, dewijl zij verklaarden daartoe gansch geen apparentie in de gemeente te zien.” De reden is dan dat de gemeente van twee der drie predikanten in den twist betrokken niet meer weten wilde. Toen “inzonderheid lettende dat die van den ouden kerkeraad zich evenwel naar het oordeel der vergadering gedroegen” zijn eenige personen door de synode naar Haarlem gedeputeerd “om de voorslagen acecomodatie zoo veel als doenlijk was in loco te prepareeren, en tot dien einde met den edelen magistraat en de kerk aldaar (vette letter van mij, v. L.) ook zoo het de gelegenheid zou medebrengen met zijne prinselijke Excellentie vanwege het synodus te spreken”. De deputaten gaan naar Haarlem en rapporteeren, dat ze met den prins een bevredigend onderhoud over de dingen gehad hebben, hij nam genoegen in hetgeen de synode tot nog toe in de zaak gedaan had, ook met de burgemeesters, die ook de synode in haar arbeid prezen, en ook met de gemeente. “En ten laatste hadden ze ook met de kerk (gesproken) zeggende eerst hoe zij gehandeld hadden met den ouden kerkeraad en die met hen waren, die nadat ze In het lange en breede hetgeen in deze vergadering (de synode) in de zaak van Haarlem gepasseerd was en tot wat einde de tegenwoordige deputatie diende, gehoord hadden en daarop, communicatie gehouden hadden, zeiden enz.” Dit antwoord was dan dat de predikanten in den twist betrokken niet meer in de gemeente met stichting zouden kunnen dienen. De nieuwe kerkeraad en de beschuldigde predikanten verzochten daarna ook gehoord te worden. Die heel wat in te brengen hadden. Doch beide partijen verklaarden de zaak aan het oordeel der synode te willen overgeven. 1)

En aan het einde der Acta lezen we, nadat de zaak met de predikanten afgehandeld is, en deze de synode bedankt hebben voor de moeite in hun zaak genomen, dat de deputaten naar Haarlem zullen gaan, waarbij ook nog twee uit de classe benoemd worden, in zake het “instellen van den kerkeraad”, “blijvende zoo na bij den ouden voet als doenlijk”, (vette letter van mij, v. L.)

Wat is dus het summier van de zaak? Dit, dat we hier niet te


1) Reitsma en van Veen, a.w. II p. 11, 12.

|38|

doen hebben met het tuchtmiddel van afzetting van een kerkeraad. Want dit zou zulk een afzetting toch zeker zijn. En wel het ergste tuchtmiddel. Maar dat we hier te doen hebben met een synodale poging tot verzoening in een uiteengeslagen gemeente. Waarbij door wederzijdsch ingeven en goedvinden de eene kerkeraad bedankt en de andere ontslagen wordt en een nieuwe kerkeraad verkozen wordt. Met goedvinden van beide partijen. Zelfs van de twee kerkeraden. De daad zelve van dat “bedanken” of “ontslaan” is, als we boven gezien hebben, door de gemeente geschied. Die ook den nieuwen kerkeraad koos. Al werd de nominatie gemaakt, of goedgekeurd, door de deputaten.

Of dat “bedanken” en dat “ontslaan” formeel door de gemeente uitgesproken is of niet, doet er ook niet toe, door het aannemen van den synodalen voorslag en het verkiezen van den nieuwen kerkeraad heeft zij dat zakelijk gedaan.

Wat we dus hier hebben is geen zaak van tucht, maar wat we hebben is, als de synode het zelve noemt, een daad van accomodatie, een daad om door inschikken de verzoening in een uiteengeslagen gemeente te herstellen. De synode, wel verre van als van hooger hand deze dingen op te leggen, zoekt de gemeente en den kerkeraad, ja, den magistraat en den prins, er toe te bewegen, om dat verzoeningsmiddel te aanvaarden. Een verzoeningsmiddel waarbij nadat de onruststokende predikanten of verzoend of terzij geschoven waren, de dingen in het stellen der nominatie per slot van rekening “zooveel mogelijk bij het oude zouden blijven”, zegt de synode.

Hoe ge dat taaiste ook verstaan moogt, het is toch, bij het geheel vergeleken, niet de taal van een kerkelijk vonnis. Wel van een getroffen verzoening.

Alles wat we hier hebben is: een gemeente vraagt hulp, de synode geeft ze, en de gemeente werkt ze uit.

Geen ingrijpen van buiten op eigen initiatief.

Geen afzetten van een kerkeraad door een meerdere vergadering.

 

Het tweede geval waarop men zich gemeenlijk beroept en waarin dan een kerkeraad door een meerdere vergadering zou afgezet zijn is van soortgelijken aard. Namelijk, een verzoeningsmaatregel in een uit elkaar geslagen gemeente. Dit is het geval van Hoorn.

Hoe zaten de zaken in Hoorn?

Twee predikanten, die later bleken Remonstranten te wezen,

|39|

kwamen op de synode van Enkhuizen in 1618 klagen dat ze ten onrechte door de classe waren geschorst. De synode kon zelve de zaak niet meer behandelen, maar benoemde een commissie van onderscheiden personen, die daar Hoorn zou gaan “met volmacht en commissie alsof deze synode, gelijk ze nu vergaderd is, daar tegenwoordig ware, en dat het diensvolgens bij deze vergadering (de prov. synode, v. L.) van waarde zal gehouden worden hetgeen door haar commissie in dezen zal gedaan worden.” Terwijl nog de commissie inzonderheid op het hart gedrukt wordt “in hun ganschen handel het oog geslagen te houden op de rust en den vrede der kerk van Hoorn”. Alles wat daartoe strekken kon, zullen ze trachten te doen. Een commissie dus met een wijde opdracht. De synode verontschuldigt er zich over dat ze het zelve niet doet maar een commissie met zulk een opdracht benoemt, daar ze wegens de a.s. nationale synode haar handelingen moet bekorten.

De comm. gaat naar Hoorn.

Het rapport der Commissie is in de Acta uitgegeven door Reitsma en van Veen. 1) Wat blijkt ? Dat de commissie heel wat in de gemeente te Hoorn vindt. De gemeente ligt in twee deelen. Het eene deel, blijkbaar het Geref. deel, vergadert onder den ouden kerkeraad “in de Ramen”, het andere deel, onder een door de overheid op het kussen geholpen nieuwen kerkeraad, blijkbaar een Remonstrantsche, in de groote kerk. Na heel wat onderzoek schorst de commissie de Remonstrantsche predikanten. En dan komt het. Aangaande de kerkeraden.

“Doch aangezien de volle bevrediging dezer kerk niet kan getroffen worden tenzij dat over de kerkeraden orde wordt gesteld, acht de vergadering hoog noodig, dat de kerkeraad die in de Ramen vergadert, op haar eigen verzoek van haren getrouwen dienst worden bedankt, en die van de publieke kerk van hun bediening ontslagen worden; en dat uit het gansche corpus der gemeente een nieuwe kerkeraad door autoriteit dezer vergadering, met Ds. Ripparto geassisteerd, gesteld worde. En zijn overzulks eenstemmig de navolgende personen genomineerd tot ouderlingen (volgen de namen) en diakenen (volgen de namen); doch met conditie dat de kerkeraad die in de Ramen vergadert in actueelen dienst blijve tot den tijd en wijle dat de voornoemde personen naar behoorlijke voorstelling in hunne


1) Reitsma en van Veen, a.w. II p. 53 env.

|40|

diensten zullen bevestigd zijn.” Dan volgt het binnen roepen van de geschorste Rem. predikanten en wordt hun het besluit der comm. aangezegd. Dan gaat het rapport der Comm. voort: “De kerkeraad der publieke kerk (dus de Rem. kerkeraad, v. L.) bijeen vergaderd zijnde is tot twee malen geciteerd doch heeft geweigerd te verschijnen, weshalve de vergadering heeft goed gevonden hetgeen over hem besloten was aan de 3 kerkedienaren aan te zeggen. De kerkeraad die in de Ramen vergadert (de Geref. kerkeraad, v. L.) verschenen zijnde heeft na gedane kennis van zaken genomen te hebben, de vergadering voor hare moeite en arbeid bedankt, die ze tot den dienst dezer gemeente aangewend hadden en heeft zich in alles aan het goedvinden der vergadering onderworpen. De boven vermelde personen, genomineerd om in de toekomst het ambt van ouderlingen en diakenen te bedienen, door de vergadering geroepen zijnde, is hun voorgesteld hetgeen over hen was goedgevonden en deze hebben na eenige voorgewende zwarigheden eindelijk het besluit der vergadering aangenomen. Na hetwelk de naam Gods is aangeroepen en de vergadering met onderling bedanken vriendelijk gescheiden is”.

Ook hier blijkt dus de zaak ongeveer hetzelfde te zijn als in Haarlem. Twee kerkeraden, een Geref. en een andere door de overheid op het kussen geholpen. De gemeente in tweeën. De synodale commissie die in opdracht heeft voor alles het oog te hebben op den vrede in de gemeente, komt tot de conclusie dat het het beste is dat de eigenlijke kerkeraad op zijn verzoek voor zijn getrouwen dienst zal “bedankt” worden en de andere zal “ontslagen” worden. De eigenlijke kerkeraad bewilligt daarin, neemt ook de rest van het voorstel der comm. over, bedankt de commissie voor haar moeite en de vergadering gaat vriendelijk uiteen.

Is dat nu een afzetting? Immers neen. Goed, zegt ge, maar die andere kerkeraad, die Remonstrantsche, wordt toch “ontslagen”. Ten eerste merken we hierbij op dat al wordt die Remonstrantsche kerkeraad ontslagen en al heeft hij er blijkbaar niet veel zin in, kwaad als de heeren zijn dat hun predikanten geschorst zijn, nolens volens berusten ze er in. Ze protesteeren niet. Ze beroepen zich niet op de nationale synode, die aan den gang was, en waar ze zich heen hadden kunnen wenden. Ten andere, dat een commissie dien kerkeraad zoekt te bewegen dien weg der verzoening op te gaan. Ze zoekt dien kerkeraad te spreken ook al is het dat de heeren niet willen komen. Ten derde, ook hier is van geen eigenlijke afzetting

|41|

sprake. Want zulk een afzetting is een tuchtmiddel, dat met redenen omkleed moest zijn. En waarin de namen der af te zetten ouderlingen en diakenen genoemd hadden moeten zijn. En let er op dat dit laatste niet geschiedt. Ten vierde. Dan was ook het vrijwillig op eigen verzoek bedanken van den ouden kerkeraad evengoed een afzetting. Nu, welke kerkeraad wordt op eigen verzoek afgezet? Ook hier is het een verzoeningsvoorslag. Als in Haarlem. Het is trouwens de zelfde synode die het doet. Hier door hare deputaten. Die het voorbeeld van Haarlem hier copieeren. Ten vijfde. Dat verzoenings-voorstel wordt ingeleid met de woorden dat de deputaten het “hoog noodig” achten dat de eene kerkeraad “bedankt” en de andere “ontslagen” wordt. Dat zijn niet de woorden van een afzettingsbesluit. Als de Synode van Assen niet anders besloten had dan dat ze het hoog noodig vond dat de kerkeraad van Amsterdam-Zuid, die weigerde Dr. Geelkerken te schorsen, ontslagen zou worden, zou daar weinig tegen te zeggen zijn geweest. Maar daar was de daad van ontslag nog niet mee geschied. Als Voetius verklaart in een boven aangehaald artikel.

Dat de verkiezing niet door de gemeente heeft plaats gehad, maar alleen een voorstelling van de genomineerden door de Comm. en Ds. Ripparto gemaakt, maakt geen verschil. De gemeente nam, door geen bezwaar in te brengen, die nominatie over en verkoos ze stilzwijgend met algemeene stemmen. Strikt genomen is dus die scheurkerkeraad door de gemeente, of zoo ge wilt, door de gemeente en den getrouwen kerkeraad afgezet, zoo het al een afzetting zou geweest zijn. Want die oude kerkeraad bleef in het ambt tot de nieuwe bevestigd werd. Hij en de gemeente deden de daad.

Doch ook hier is gansch iets anders. Een verzoeningsvoorslag der synode in een onder twee kerkeraden uiteengeslagen gemeente. Beide kerkeraden zullen zich terugtrekken. De een deed het met meer plezier dan de andere. Maar ook waar de andere nolens volens ontslagen werd, daar geschiedde dit door den anderen kerkeraad en de gemeente.

 

Nu komen we tot het derde en voornaamste geval. Een geval waarin metterdaad de woorden “afzetting van kerkeraden” voorkomen. En nog wel afzetting van kerkeraden door classes, dat zijn meerdere vergaderingen. En wie zich door den schijn laat leiden,

|42|

die zal hier metterdaad veel van maken. En toch steunt ook dit beroep maar op schijn. Wie goed leest, die zal zien hoe hier heel wat anders geleerd wordt. Hoe de afzetting door meerdere vergaderingen juist ontkend wordt.

Het geval hier bedoeld — of eigenlijk is het een reeks van gevallen — is wat plaatsgreep dadelijk na de Dordtsche synode. In de synode van Zuid-Holland welke vergaderde kort na de evengenoemde nationale synode. En wel om de besluiten dier synode nader uit te werken of toe te passen. Deze particuliere synode vergaderde in 1619 in Leiden. 1)

In de Acta vinden we allereerst de uitdrukking “de kerkeraden van Vlaardingen en Maasland die nu afgezet zijn”. Maar er wordt niet melding van gemaakt door wie ze afgezet zijn, hetzij door de gemeente of door classe, of door overheid, of door een getrouwen kerkeraad. Noch ook hoe ze afgezet zijn. Dit kan dus niet als bewijs voor iets dienen. Alleen voor het feit dat kerkeraden afgezet kunnen worden. Hetgeen door niemand ontkend wordt. De vraag is maar door wie.

Dan lezen we in art. 35 der Acta verder, dat “Is medebesloten dat de kerkeraad der Remonstranten binnen Rotterdam afgezet zal worden, en dat dit mede aldaar in de kerk zal afgelezen worden.” Nu, let er weer op dat er staal “ZAL afgezet worden”. Dat laat, als we reeds een paar malen gezien hebben, de daad van afzetting, het hoe, door wie, wanneer, waar in het midden. Dit besluit doet de daad van afzetting nog niet.

Doch het ligt voor de hand dat de daad door de gemeente is geschied. Want er bestond in Rotterdam een doleerende gemeente met een kerkeraad. Deze trad nu op als de wettige kerkeraad en schoof den Remonstrantschen kerkeraad ter zijde.

En zoo staat het nu ook met het eigenlijke stuk, dat nu komt. In art. 118 wordt besloten: “Is goedgevonden een formulier te maken van afzetting der Remonstrantschgezinde kerkeraden en hetzelve in de kerken daar zoodanige zijn af te lezen.” 2) Dit formulier is in de bijlagen achter de Acta bewaard. We deelen het in zijn geheel mede opdat een ieder kan zien en kan oordeelen.

“Copie van het formulier van de afzetting der Remonstrantsche kerkeraden om in de kerke (daar zoodanige zijn) afgelezen te worden:


1) Reitsma en van Veen, a.w. II, p. 325 en verv.
2) Reitsma en van Veen, a.w. II, p. 403.

|43|

Alzoo N. Dienaar des Goddelijken Woords te N. volgens de resolutie der nationale synode laatst gehouden in Dordrecht, en de approbatie der Hoog Mogende Heeren Staten Generaal daarop gevolgd, door het oordeel der synode van Zuid-Holland, vergaderd binnen Leyden, van zijnen dienst is verlaten, zoo is het dat dezelfde synode van Zuid-Holland tot rust en eenigheid der kerken dienstig en noodig heeft bevonden, dat de ouderlingen en diakenen die met voorzeide verlaten kerkedienaren tot nog toe in de kerkregeering gediend hebben, mede van hunne tegenwoordige diensten zullen worden verlaten, gelijk ze ook van dezelve verlaten en ontslagen worden mits dezen. En wordt de classe van N. vermaand en belast zorg te dragen dat in dezelve gemeente met den allereersten andere ouderlingen en diakenen, staande in het eendrachtelijk gevoelen, in de voorzeide nationale synode verklaard, volgens de orde der kerken wederom verkoren en gesteld worden, waarom voor wettige ouderlingen en diakenen der Gereformeerde kerken hier ter plaatse voortaan alleen gehouden zullen worden de tegenwoordige ouderlingen, die in de openbare kerken hun ambt bedienen nevens de Dienaren des Goddelijken Woords, die zich met het gevoelen der Geref. Kerken, in de voorzeide nationale synode verklaard, conformeeren. Onder stond: Balthasar Lydus”. 1)

Dit stuk schijnt heel wat meer te zeggen dan de vroeger aangehaalde. Hier staat toch niet alleen: Ze zullen afgezet, of ontslagen worden, maar er staat ook “gelijk ze (de Rem. kerkeraden) van dezelve (hun diensten) verlaten en ontslagen worden mits dezen”. Ah, dat is de taal waarbij een synode iets doet. Dat is de taal die we moeten hebben, zullen we iets, ook maar iets, bewijzen in de lijn van de synode van Assen. Dat is de taal tot nog toe niet geboord. Tot nog toe hoorden we niet dat een synode besloot dat ze “mits dezen” afgezet zijn. Dat zegt bij vernieuwing dat de vorige gevallen geen afzettingen waren door de meerdere vergaderingen gedaan.

Maar hier staat dan toch dit “mits dezen”. Maar let nu goed op WAAR het staat. Het staat in het stuk dat in de gemeente zal worden afgelezen. Dat “mits dezen” zegt dus niet dat de synode het doet, maar dat de kerken, de gemeenten, het doen. Namelijk als dat stuk in haar midden zal worden voorgelezen. Dan en daar komt dat “mits dezen” tot zijn kracht. In die vergadering der


1) Reitsma en van Veen, a.w. II, p. 406.

|44|

gemeente. De synode heeft het alleen maar opgesteld om in zulke gemeentevergaderingen te gebruiken. Zij helpt de kerken.

Ja, merkt er wel op dat het formulier uitdrukkelijk onderscheid maakt tusschen de macht van de meerdere vergaderingen en die van de plaatselijke kerken. De synode zegt: Ze zullen van hun diensten verlaten worden; en bij het aflezen in de kerk heet het: “Gelijk ze ook van dezelve ontslagen worden mits dezen”. Dus het is duidelijk dat de synode de daad van afzetting gedaan wil hebben door de plaatselijke kerken.

Let ook nog op dit. Dat de predikanten, als hebbende een ambt dat verder gaat dan de plaatselijke kerk en heel het kerkverband aangaat, wel door de synode van Zuid-Holland ontzet worden, maar dat dit niet gezegd wordt van de ouderlingen en diakenen. Die wonden eerst afgezet “mits dezen”, d.i. als het formulier in de kerken zal worden voorgelezen. Dat is dus door de kerken zelve. Al is het maar een zwijgende actie, zij, de gemeenten, doen het toch. En verder. De uitdrukking: “Waarom voor wettige ouderlingen en diakenen der Geref. kerke hier ter plaatse voortaan alleen zullen gehouden worden de tegenwoordige ouderlingen die enz.” wijst er op dat er twee kerkeraden waren. Dit besluit der part. synode zegt dan — in zulke gevallen — dat het kerkverband de Remonstrantsche kerkeraden niet meer erkennen zal, maar alleen de Geref, d.i. die zich conformeeren met het gevoelen der Geref. als verklaard in Dordrecht. De gemeente aanvaardt dit stilzwijgend en schuift de Remonstrantsche kerkeraden ter zijde om alleen de Gereformeerde kerkeraden te erkennen. Met de aanvaarding van dit formulier zegt ze de connectie met de Rem. kerkeraden op en erkent alleen den Gereformeerden.

En dat dit zoo is, blijkt uit het besluit der synode waar tot opstellen van dit formulier besloten werd. Daar wordt besloten een formulier te maken tot afzetting der Remonstrantsche kerkeraden en dat in de kerk daar zoodanige zijn af te lezen “alsoo het gansch niet en dient tot rust der kerken en landen, dat nu na het gestreken oordeel over de vijf artikelen door de nationale synode twee contrarie kerkeraden in een plaats onder de Gereformeerde kerken zouden getolereerd worden.” 1)

Daar is nog iets in dit besluit dat de synode van Assen schijnt


1) Reitsma en van Veen, a.w. III, p. 403.

|45|

gelijk te geven. Daar staat: “En dewijl in sommige plaatsen nog geen Geref. kerkeraden zijn, doordien de Remonstranten nog zijn in volle possessie der kerken, is goedgevonden dat de classen met ten allereerste dezelve casseeren zullen.” 1) In andere handschriften staat “hierin met den allereersten zullen voorzien en dezelve met den eersten casseeren zullen”. Casseeren beteekent, vernietigen, verbreken, afzetten.

Het schijnt alsof aan de classes hiermede volmacht gegeven wordt om de Remonstrantsche kerkeraden daar waar geen Geref. kerkeraden waren af te zetten. Maar — en ziedaar weer wat deze gedachte omver werpt — er staat achter dezen volzin: “De acte hiervan (van dat casseeren, v. L.) is in appendice geannexeert.” 2) Dit verwijst naar het formulier achter de Acta dat men gebruiken zal. Dus zij moeten ze afzetten naar het formulier. En dit zegt: door voorlezing in de gemeente. Dus: door de gemeente.

Dat wij het formulier recht verklaren met de bovengegeven verklaring zegt een man die het mede gemaakt heeft. En dus wel de portée van dit besluit kennen kan. Zegt Voetius. Die ook op deze synode tegenwoordig was. Hoor wat Voetius over dit en dergelijke gevallen zegt. Want hij kan op geen ander het oog hebben. Er zijn na dien tijd, gedurende Voetius’ leven, geen gevallen van dezen aard meer voorgekomen. Voetius zegt dat ook bij ingetreden bederf in een kerk “aan de plaatselijke kerk haar recht en de uitoefening der kerkelijke macht moet verblijven”. 3) Voetius legt dan verder uit, zooals Rutgers meedeelt, dat als er nog een gezond deel in de kerk over is, door dat gezonde gedeelte de eigenlijke tuchtoefening in zulk een kerk geschiedt, en de synode alleen leiding geeft. En als de kerk geheel bedorven is — en dat geldt de gevallen waar alles Remonstrantsch was en de classes verzocht werden op te treden — dan is zulk een tuchtoefening “niet formeel”, maar wordt als zulk een kerk niet hooren wil, “de vrede en de broederschap en de synodale correspondentie opgezegd”. Dus het kerkverband verbroken. En dan komt de vraag bij Voetius die we reeds ten deele aangehaald hebben: “Of de bestuursmacht in geval van nood en niet te reformeeren bederf aan den kerkeraad ontnomen en op een ander overgebracht kan worden?” Daarop antwoord Voetius: Dat kan, maar


1) Reitsma en van Veen, a.w. II, p. 403, 404.
2) Reitsma en van Veen, a.w. II, p. 404.
3) P.E. I p. 225. Zie Rutgers a.w. p. 32.

|46|

“alleen de gemeente heeft de bevoegdheid om in zoodanig geval de bestuursmacht aan de dienaars en ouderlingen voor goed of tijdelijk te ontzeggen.” En Voetius voegt er bij, om toch alle misverstand uit te sluiten: De reden is deze: Bij degenen die op kerkelijk gebied wettiglijk iets verleent, gelijk door het toekennen van de macht aan dezen of genen persoon geschiedt, bij denzelven berust ook — de wettige bevoegdheid om datzelfde te ontnemen als daartoe de noodzakelijkheid bestaat”. De gemeente — zoo gaat hij voort — is het die de macht aan de dienaren en ouderlingen verleent door hun wettige verkiezing. Zij mag dus alleen ook weer ontnemen. “Indien mogelijk — zoo vervolgt Voetius — gebruikt zulke kerk daarbij de hulp der synodaal met haar verbonden kerken, en alzoo kan de bestuursmacht die aan de gewone en eigen dienaren is ontnomen, of althans de uitoefening die hun tijdelijk ontzegd is, ten minste hij deze noodzakelijke handeling overgebracht worden op de ouderlingen van een of meer kerken derzelfde synodale correspondentie, wier plaatsvervangende hulp dan slechts zoolang gebruikt wordt, totdat de orde gevestigd en de eigen kerkeraad hersteld is.” Dus Voetius leert dat in zulke gevallen, zelfs van geheel bederf, waar alles Remonstrantsch was, de Kerk, de gemeente, het altijd is die de hulp der synode gebruikt om den Remonstrantschen kerkeraad af te zetten en een Gereformeerden in te stellen.

De gemeente deed de formeele daad van afzetting, zegt Voetius, en zij had er alleen het recht toe, zoo voegt hij er bij.

Hiermede houden de gevallen, welke op afzetting van kerkeraden schijnen te gelijken in de geschiedenis der oude Geref. kerken, op.

Geen geval komt meer voor. Hoewel het toch in de twee eeuwen op deze genoemde gevallen volgende lang niet altijd overal rust en de was. Onze conclusie is, dat de genoemde gevallen geen bewijs leveren. Het zijn òf, op zijn meest genomen, twijfelachtige gevallen, òf gevallen waarin niet de meerdere vergadering maar de gemeente de formeele daad van afzetting deed.

En tegenover deze zeer twijfelachtige gevallen staan andere gevallen waarin de meerdere vergaderingen anders handelden. Of niets deden, als in de gevallen van Leiden, Hoorn en Medemblik; òf zich vergenoegden met een klacht en protest tegen een onwilligen

|47|

kerkeraad als het geval met Vlissingen, 1) of het verband verbraken als in het geval van Zwolle. 2)

Zoudt ge op de geschiedenis af willen gaan, dan zoudt ge evengoed deze laatste gevallen als voorbeelden kunnen nemen als de andere gevallen, op zijn best op zeer twijfelachtige wijze sprekende over de afzetting van kerkeraden door meerdere vergaderingen.

En zegt ge: Ja, maar in die laatste gevallen waarin men geen kerkeraad afzette, beschermde de overheid de kerkeraden. Mijn antwoord is: in de gevallen welke schijn van afzetting van kerkeraden — en o.i. niet meer dan schijn — door meerdere vergaderingen vertoonen, was het eveneens de overheid die medehandelde, daar de overheid geen twee kerkeraden op een plaats duldde.

Ge moogt het wenden of keeren zoo ge wilt, maar de geschiedenis laat u voor zoover zuiver kerkelijke handelingen aangaat tamelijk in het donker. En zooals het staat houden wij vol, en met beslistheid vol, dat het getuigenis der geschiedenis meer tegen dan voor zulk een methode is, als te Assen gevolgd werd.

Het getuigenis is in het algemeen precies als we konden verwachten : Men zoekt de gemeente zelve tot actie te brengen, en helpt de gemeente in afzetten van een onwilligen kerkeraad, en in het verkrijgen van een nieuwen. Maar daar is niet één voorbeeld waarin ge in de besluiten der meerdere vergaderingen leest: “De synode zet mits dezen af den kerkeraad daar of daar .... Of de ouderlingen en diakenen daar en daar. Die en Die ....”. Met naam en toenaam vermeld. Niet één voorbeeld daarvan.


1) Zie Reitsma en van Veen, a.w. p. 93, 94, 95.
2) Zie de vermelding daarvan o.a. bij Jansen: “Korte Verklaring der Kerkenorde”, p. 146.

Lonkhuyzen, J. van (1926) IV

|48|

 

Hoofdstuk IV

 

De afzetting van een kerkeraad door een meerdere vergadering is in strijd met het getuigenissen van mannen die als autoriteiten op het gebied van het Geref. kerkrecht mogen geacht worden.

Daar is allereerst de Geref. canonicus par excellence Gijsbertus Voetius.

En onder de uitspraken uit zijn standaard werk die hier allereerst in aanmerking komen is de classieke plaats waar hij spreekt over den aard van het Geref. kerkverband en de macht der meerdere vergaderingen. 1)

Hiervan getuigt hij dat deze macht is: “non privative, sed cumulative”, “niet beroovend, maar samenbrengend”. Hiermede wordt reeds de groote lijn aangegeven waarnaar we bet gezag der meerdere vergaderingen naar zijn gevoelen zullen opvatten. Er is in ons kerkrecht geen subordinatie, onder hoogere “courts”, die vernietigen en afzetten. Want afzetten van een kerkeraad is toch zeker een daad van “berooven” van een kerk. Dit antwoord beslist in het algemeen reeds het geheele punt in questie.

Maar daar is meer.

Men zou kunnen vragen, laat dat zoo zijn dat dit in bet algemeen waar is, zijn er geen bijzondere gevallen waarin het anders is? Daar gaat Voetius dan op in.

We geven de geheele plaats hier vertaald weer. Van wege haar groot belang.

Vrg. XXII. Of een deel van de kerkelijke macht, ook zelfs de excommunicatie, in geval van slecht beheer, of van ongeneeslijk bederf, aan de synodale vereeniging van kerken toegekend kan worden en door haar kan worden uitgeoefend?
Antw. Ik zie niet in op welken grond dit zou kunnen ontkend worden in geschillen en gevallen boven vermeld. Door zekere nieuwe richtingen (recensiores) wordt twijfel geopperd aangaande de macht, tot excommuniceeren, hetwelk door anderen door onderscheiding in dezen, en door verzoening van verschillende gevoelens, op de volgende wijze wordt weggenomen. Namelijk doordat men beweert, dat in geval van slecht beheer de regeling en de praeformatie


1) Pol. Ec., I, p. 226.

|49|

van een vonnis, maar niet de excommunicatie zelve aan de synode toekomt, dat aan de plaatselijke kerk de excommunicatie in formeelen zin toekomt; of wilt ge liever dat aan de plaatselijke kerk de excommunicatie in formeelen zin moet overgelaten worden. Zooals b.v. in I Cor. 5 vergeleken met Matth. 18. En tot zooverre wordt dit niet op ongepaste wijze beweerd (want men moet deze controverse niet van al te groot gewicht achten), gesteld dat geval van de Corinthiërs, wanneer namelijk een kerk, die nalatig is of slecht de regeering uitoefent, tot zich zelve komt, en (daardoor) voor een synodaal oordeel en autoritatieve regeling en een gepraeformeerd vonnis alleszins gelegenheid biedt. Maar voor het overige is het twijfelachtig en moet gevraagd worden: Of en hoe, gesteld een tegenovergesteld geval (dat ze niet tot bezinning komt, v. L. 1), aan een plaatselijke kerk de macht en de uitvoering kan worden overgelaten en toegekend? Of wanneer een geheele kerk geëxcommuniceerd moet worden? Verder moet dan geantwoord worden dat de geheele kerkeraad met en vóór (coram) het grootere deel van het volk, als dit weder tot bezinning mocht bomen, formeel geëxcommuniceerd worden kan, waaraan voorafgaat de regelende macht der synode (directiva potestas), die tevens door hare afgevaardigden bij die plaatselijke kerk (die namelijk in dit geval van hare voorgangers is beroofd) het ontbrekende zal aanvullen.
2. Bij aldien het grooter deel des volks, ja allen en een iegelijk, met den kerkeraad incluis, hopeloos bedorven zijn, en bijgevolg verdienen geëxcommuniceerd te worden (dan zijn er vier wegen open, v. L.): Dan moet namelijk, of ter plaatse en in een gewone samenkomst door afgevaardigden van synode of classe formeel een besluit tot excommunicatie worden afgekondigd; — of het anathema moet in alle kerken van dezelfde correspondentie worden bekend gemaakt; — of de schuldigen moeten althans privaat en persoonlijk (wanneer het op andere wijze niet geschieden kan, of niet gevoegelijk geschieden kan) geanathematiseerd worden; — of van hooger hand (insuper) moet hunzelven positief, hetzij door brieven of door afgevaardigden, het anathema aangezegd worden. Het eerste schijnt niet noodig of gepast te zijn, wanneer zij die geëxcommuniceerd moeten worden éen voor éen die vergadering verlaten, en er niemand tegenwoordig is of zich vertoont, behalve misschien toehoorders,


1) Hier en daar is een enkele maal een tusschen haakjes geplaatste verduidelijking toegevoegd. Deze weinige verklaringen zijn geteekend, v. L.

|50|

die voorheen hier de samenkomsten bijwoonden, of in de toekomst van plan zijn bij te wonen, en zoo een zekere opkomst uitmaken. De overige drie gestelde mogelijkheden kunnen of tegelijk of bij gedeelten uitgevoerd worden. Op welke wijze deze echter ook tot de meeste stichting mogen ten uitvoer worden aangewend, toch blijft een zekere macht niet alleen om een excommunicatie te regelen en een vonnis van excommunicatie voor te bereiden, d.i. om met synodaal gezag iets vast te stellen en in beslissend én zin een oordeel uit te spreken, maar ook om formeel uit te voeren, en te excommuniceeren, of althans dat te bewerkstelligen, wat bij analogie in beteekenis met excommunicatie gelijk staat.
Onderscheid tusschen regelende macht (directivam potestatem), in betrekking tot de macht om te excommuniceeren, en de excommunicatie zelve; of tusschen voorbereiding van een vonnis (sententie), of een oordeel, en instructie aangaande het te vormen vonnis, en ter anderer zijde tusschen het vonnis zelve, en het vormen van het vonnis en nog eens tusschen het vonnis tot excommunicatie en de uitvoering en bekendmaking daarvan met al de vereischten en formaliteiten, — wordt door ons gaarne erkend, wanneer de kwestie gaat over dit of dat bijzonder lidmaat, of Dienaar, of zekere lidmaten en Dienaars, wanneer de geheele kerk niet hopeloos bedorven is, maar tot een heter verstand en goede orde kan teruggebracht worden (zooals in dat geval van I Cor. 5.).
Want niemand twijfelt er aan, of recht en uitoefening van gezag moet aan elke plaatselijke kerk, onder de distincties pas behandeld, ongeschonden worden gewaarborgd, en niets dat boven het oordeel (judicium), en de formatie en de regeling (directio) van een vonnis mag, in geval van nalatigheid en slechte administratie, aan een synodaal lichaam worden opgedragen. Doch deze distincties nemen niet weg de moeilijkheid in gevallen als zoo pas behandeld. Wie dus met ons erkennen regeermacht en synodale correspondentie (zooals die zeer geleerde Theoloog doet die hier twijfel opperde) moeten aan dezelfde synoden excommunicati toekennen, indien al niet in formeelen zin, dan toch in de daarmede gelijkstaande handeling van het uitspreken van het anathema en het opzeggen van den vrede van de broederschap en van bijzondere synodale correspondentie, hetzij uitdrukkelijk, of stilzwijgend, of op beide wijzen.
Wij zien derhalve dat deze en dergelijke twijfelachtige zaken bij verstandige en vrome beschouwers der zaken niet moeten verhinderen

|51|

de instelling of aanvaarding van synodaal-presbyteriaal kerkrecht.

Vrg. XXIII. Of regelende macht (potestats directiva) oftewel besturende macht (hegemonike), op zoodanige wijze verbonden is aan den kerkeraad (ouderlingschap) dat ze in geval van noodzakelijkheid en onverbeterlijk bederf daaraan kan ontnomen worden, hetzij ten opzichte van het recht of van de uitoefening daarvan, en aan een ander kan worden overgedragen tot heil en stichting van het kerkelijk lichaam?
Antw. Eerste conclusie. Die macht of dat gezag wordt door ons niet beschouwd als een onuitwischbare karakteristiek (character indelebilis) of een voortdurend voorrecht in dit of dat subject, dat alleen de dood eindigt. Dit blijkt wel uit de schorsing, afzetting, degradatie, of wegneming van gezag bij predikanten. Dat deze op rechtvaardige gronden geschiedt en geschieden kan, hierin stemmen wij met de Pauselijken overeen.
Tweede Conclusie. Daar toch deze macht door een kerk aan de Dienaren en ouderlingen is opgedragen (zooals onze Catechismus “over de sleutelen des koninkrijks” daarvan spreekt in vrg. 85) kan in alle gevallen (utique) die macht door de kerk in geval van noodzakelijkheid en op goede gronden weer worden ontnomen, althans, wat toepassing en gebruik betreft, tot zoolang verhinderd worden. De reden hiervoor is: Omdat door denzelfden, door wien iets op wettelijke wijze in een kerk wordt opgedragen, te weten door gezag te leggen op dezen of genen persoon, dat gezag op wettige wijze weer wordt ontnomen, wanneer de noodzakelijkheid dit aldus vereischt. Nu is het de kerkelijke gemeente, door wier wettelijke verkiezing, hetzij rechtstreeks door haarzelve, of hetzij middellijk door den kerkeraad, en daardoor oorspronkelijk, aan dezen of genen persoon de macht wordt toegekend.
Bij aldien de helpende macht der kerken, die door den synodalen band verbonden zijn, hier niet te hulp wil komen, of niet kan, moet de kerk zelve in geval van noodzakelijkheid dit alleen (per se) doen. Maar indien zelfs dit niet plaats vinden kan, wegens wettige verhinderingen, scheide zij zich af van dien kerkeraad, of de kerkeraadsleden, zooals ten tijde der eerste reformatie en vooral ten tijde der oproerige Remonstrantsche partij in ons Nederland op vele plaatsen geschied is, en wettig geschieden kon, zooals we hebben aangetoond in "Desperata Causa Papatus”.

|52|

Derde Conclusie. De regelende macht (potestas directiva), die aan gewone en eigen Dienaren (Ministris) ontnomen is, of althans de beoefening en uitvoering die hun tijdelijk verboden is, althans in deze noodzakelijke actie, kan worden overgebracht op ouderlingen van een naburige kerk of naburige kerken, van die bepaalde synodale correspondentie, wier vertegenwoordigende en plaatsvervangende handelingen, moeten gevraagd en aangewend worden, zoolang tot dat de orde aangebracht en eigen kerkeraad hersteld is. Zooals gedaan is, herinneren we ons, in enkele kerken in de Nederlanden, wier kerkeraden de Remonstrantsche factie had ingenomen. En dat zich zoover de macht der gemeente uitstrekt zullen we bij de volgende vraag aantoonen. Ook zien we geen reden, waarom sommige hedendaagsche (recentiores) voorvechters van de Independentie der kerken, beweren, dat een Dienaar in een andere kerk niet eenige handeling van ministerieele macht uitoefenen mag. Zij moesten hun beweren op de navolgende wijze hebben bepaald, n.l. tenzij door de andere kerk zijne gehuurde, vertegenwoordigende en plaatsvervangende handelingen in eenige actie, of in eenige acties, of voor zekeren tijd, verzocht wordt en al wat hij doet of doen zal hem wordt opgedragen, en nog wel met instemming en goedkeuring van zijn eigen kerk, hetzij uitdrukkelijk en in het bijzonder, of stilzwijgend en met de daad, uit kracht van synodale correspondentie. Dan toch kan op die bijzondere wijze van handelen toegepast worden, wat gezegd is in onze Catechismus vraag 85: “Die van de gemeente daartoe verordineerd zijn”. Dat is dus geen indringen in eens anders opzicht, (allotrioepiscope), en zulke Dienaren loopen niet voordat zij gezonden zijn.”

Tot zoover Voetius.

Nu zoudt ge hierin mogelijk iets kunnen vinden dat het gevoelen dat meerdere vergaderingen bevoegdheid hebben in sommige gevallen kerkeraden af te zetten, schijnt te steunen. Namelijk als ge doet, wat Dr. Rutgers aan de mannen van de Haagsche synode, die zich ook op deze uitspraken van Voetius voor het afzetten van kerkeraden beriepen, verwijt — als ge de gezegden van Voetius “uit hun verband rukt.” 1)

Maar als ge de heele zaak saam neemt dan is het duidelijk, zegt Rutgers, dat de nadruk, voor zoover de onderhavige kwestie aangaat,


1) Lohman-Rutgers a.w. p. 32.

|53|

n.l. afzetten van kerkeraden, niet ligt in dat eerste (de excommunicatie-kwestie) maar in dat tweede, in de uitspraken die zeggen dat alleen de gemeente die aanstelt het recht heeft van afzetten. 1) Zelfs in de excommunicatie-kwestie, zegt Rutgers, moet ge niet vergeten dat Voetius zegt dat het formeele dan niet gedaan wordt. 2) Dus hoeveel te oneer in het andere.

Nu, een van tweeën, mijne broeders, Dr. Rutgers, altijd geprezen als “die kenner van Voetius bij uitnemendheid”, begreep er niets van wat Voetius hier zegt, en dat zal wel niemand durven beweren; of hij zou er maar los over heen geloopen zijn, wat ge evenmin van dien man, die zoo punctueel in alles was, durft zeggen; of dat hij met opzet het getuigenis van Voetius onjuist of eenzijdig zou weergegeven hebben, iets nog minder aan te nemen bij dezen rechtvaardige, — of dat ge Voetius hier verstaan moet zooals hij deze passages uitlegt. 3)

Welnu, Rutgers die heel deze pericoop bespreekt, zegt, tot Dr. Klein c.s. niet ophouden met lezen bij dat eerste, maar doorgaan en dan ziet ge wat Voetius zegt wie alleen het recht heeft een kerkeraad af te zetten. 4)

We hebben aan het woord van Rutgers, aangaande deze pericoop van Voetius, maar weinig toe te voegen. Op de excommunicatie-kwestie komen we straks bij Hoornbeek’s aanhaling terug en in het “Besluit” van dit werk. Hier alleen dit. Merkt er op, hoe ver Voetius ook gaat, dat hij spreekt van “te hulp komen” der plaatselijke kerk, van handelingen die “aangevraagd moeten worden”, van een onderscheid in de vormen van macht waarmede het kerkverband een in nood zijnde kerk te hulp komt, dat niets dat boven het oordeel en de formatie en de regeling (directio) van een vonnis uitgaat aan een synodaal lichaam tegenover het gezag van een plaatselijke kerk mag opgedragen.

Daar staat, in deze fijne onderscheidingen, niet bij macht om te vernietigen, om af te zetten, wat dan toch wel noodig was geweest.

Juist omdat niets dat boven “consilium”, “formatio” en “directio” van een vonnis uitgaat aan een meerdere vergadering tegenover gezag van den kerkeraad mag opgedragen worden, komen de


1) Lohman-Rutgers a.w. p. 32.
2) Lohman-Rutgers a.w. p. 32.
3) Lohman-Rutgers a.w. p. 32, 33.
4) Lohman-Rutgers a.w. p. 32, 33.

|54|

moeilijkheden, zegt voetius. Die moeilijkheden zouden niet komen als men eenvoudig de knoop kon doorhakken en kerkeraadsleden kon afzetten. Dan liep alles eenvoudig. Misschien niet in de uitvoering van de afzetting als we in ons “Besluit” zullen zien, maar wel in de houding tegenover zulk een kerkeraad.

Maar nu moeilijkheden, zegt hij, moeilijkheden die ten slotte soms niet anders kunnen eindigen dan in excommunicatie van de kerk, dat is opzeggen van den vrede, van de broederschap, dat is breken van het verband, of, uitzetten uit het kerkverband.

Daar eindigt het bij Voetius. En niet in afzetten van den kerkeraad.

 

En nu volge een getuigenis van Voetius’ ambtgenoot en geestverwant, van Hoornbeek (gest. 1666). Hoornbeek schreef, als men weet, een standaard werk tegen ketters en schismatieken. Waarin ook de Independenten besproken worden.

De Independenten in Holland in de 17e eeuw vormden hun kerkelijke organisatie voor een groot deel naar het model van de Gereformeerden.

Ook wat het gezag der meerdere vergaderingen betreft. Hoornbeek vertelt ons, dat de kerk van Rotterdam onrechtvaardiglijk een van haar predikanten afgezet had. 1) De kerk van Arnhem schreef daarover naar den kerkeraad van Rotterdam. En deelde hun mede welk een ergernis hun gedrag aan de andere kerken gegeven had. En verzocht aan hen zichzelven en geheelde zaak te onderwerpen aan het oordeel van eene synode. Die voor dat doel zou samenkomen. En deelde hun mede dat zulk een synode in elk geval zou samenkomen. In dat verzoek om voor de synode te komen en hun zaak bloot te leggen zegt de kerk van Arnhem dat geen plaatselijke kerk, in eenige vereeniging met andere kerken levende, ontheffing van de noodzakelijkheid om rekenschap van haar gedrag te geven behoort voor te wenden, ook niet om door andere kerken omtrent iets gecensureerd te worden, want zij verwerpen, zoo vervolgen ze, dat Independentisme dat algeheele vrijheid voorstaat.

De synode kwam saam in Rotterdam en de kerk van Rotterdam werd voor de synode gedagvaard. De zaken werden gedurende verscheidene dagen onderzocht en getuigen werden gehoord. De


1) Hoornbeek, Summa Controversiarum, p. 778.

|55|

synode nam ten slotte een besluit van censuur tegen de kerk van Rotterdam aan, welke daarop openbaar haar dwaling beleed, den afgezetten predikant weer in zijn ambt herstelde, nadat ook hij voor zijn aandeel zijn schuld beleden had.

Naar aanleiding van dit geval gaat Hoornbeek dan eenige merkwaardige lijnen schrijven over het Geref. kerkverband. Hij zoekt aan te toonen in zijn artikel tegen de Independenten, dat zij geen recht begrip van het Geref. kerkverband hebben. Anders zouden zij zich niet met dien naam noemen, en zich geheel bij de Gereformeerden aansluiten. Het verschil behoefde geen reden van scheiding te zijn. Hoornbeek, zeg ik, zegt in dit verband zeer belangrijke dingen. En toont hoe onze vaders het Geref. kerkverband opvatten.

Hij zegt, uit het Latijn vertaald, het volgende 1):

“Wat toch is hier zoo gewichtig, vraag ik nogmaals, dat oorzaak zou moeten zijn van zoo groote twisten en rumoerigheden? Wat dat niet geduld of overeengekomen zou kunnen worden, zoo het niet gemakkelijk uit den weg te ruimen ware? Het is toch een zeker feit dat de plaatselijke kerk alle kerkelijke macht in zich heeft, en dat ze deze macht niet van een synode ontvangt, of van andere superieuren (hoogere machten). Stel b.v. dat er maar ééne particuliere kerk bestond, hetzij in de wereld of in eenig deel van de wereld, of dat er geen kerken bestonden, die .zich tot een eenheid konden samenvoegen, of ook dat zekere kerk verhinderd zou zijn zich met andere kerken te vereenigen, desniettemin is deze eene kerk daardoor niet minder een kerk, of in eenig deel daarom verminkt, tenminste niet in eenig wezenlijk deel.
Nu keuren de tegenstanders (Independenten) niet af, dat kerken zich tot een eenheid vereenigen en in synode samenkomen, alleenlijk niet het afzetten (afsnijden) door synoden, (deponere a synodis) (Misschien dependere a synodis, v. L.) En indien we de zaak nauwkeurig indenken, zoo is het niet juist van afhankelijkheid (dependentia) van de synoden te spreken.
Immers moeten we niet meenen dat een plaatselijke kerk, welke ook, een kerkelijke macht bij wijze van gunst van andere hoogere machten, hetzij kerken hetzij synoden, ontvangen heeft, of dat zij


1) Hoornbeek a.w. p. 771.

|56|

van haar macht afstand doet, wanneer zij in synode samenkomt, en haar macht aan de synode overdraagt. Ganschelijk niet.
De praktijk of macht der synoden kan of mag niets in den weg leggen aan de vrijheid of de macht der plaatselijke kerk, zij (de macht der synode) is toch niet een beroovende maar een saambrengende macht (non privativa, sed cumulativa postestas) en elke plaatselijke kerk, welke ook, blijft de een eigen zelfstandigheid en gerechtigd tot de volle kerkelijke macht. Noch mogen de synoden jegens andere onder haar begrepen kerken een gebiedende macht aanmatigen, als die van heeren en superieuren is tegen minderen die aan hen onderworpen zijn. Maar uit gemeenschappelijke en vrije toestemming der kerken in een synode, heeft deze een afgeleide (opgedragen) (delagatam) macht, die tevens helpende en dienende is. Terwijl de kerken wegens de noodzakelijkheid van orde en stichting door vrijwillige toestemming zich aan de synoden onderwerpen. Zooals het in republieken of elders in de maatschappij dis, dat uit een gemeenschappelijk plan van gelijkgerechtigden eene vereeniging wordt opgericht, aan welke gemeenschappelijke zaken ter behandeling en beslissing worden opgedragen, doch welke in die zaken geen andere macht heeft dan zooveel door vrijwillige en wederkeerige toestemming daarin is overeengekomen. 1) Hetwelk ook voorkomt in de kringen en districten der kerken, waar sommige kerken zich aan deze, andere aan gene synode zich aansluiten en onderwerpen. Deze verhouding der kerken tot de synode moet dus niet met den naam van afhankelijkheid genoemd worden. En ook schijnt het mij toe, dat men of de aangeduide controvers of de secte (afwijkende leer, secta) van personen niet gepast met den naam van Independentisme kan bestempelen. Want met recht kan gezegd worden dat een plaatselijke kerk onafhankelijk is van een andere kerk, of ook van menschen, maar alleen van Christus afhankelijk is. Daarom ware onderdanigheid (of toegeving, submissio) een beter woord geweest, zooals deze (of daar deze) voortkomt (ut quae venit) uit de gemeenschappelijke toestemming der kerken, die zich aan die orde tot stichting en het welzijn der kerk onderwerpen. Wij vertrouwen dat zij zelve (de Independenten) van dezen term niet afkeerig zullen zijn en


1) Deze zin is niet geheel duidelijk. Prof. K. Schoolland, aan wien ik den zin toezond, leest hem als volgt: “doch welke tegenover haar (de oprichters) geen macht heeft dan bij hare vrijwillige en wederkeerige overeenkomst”. Dan zou het recht en de zelfstandigheid der kerken onder het kerkverband er nog sterker door uitgedrukt worden.

|57|

dat door een zachter woord een goede zaak bij hen gemakkelijker ingang zal vinden, omdat wij hen in hun “apologie” hoorden zeggen, dat zij onderwerping aan hun ouderlingen aanvaarden, en omdat onderwerping aan het besluit der Rotterdamsche synode van de Rotterdamsche gemeente gevorderd werd, dus dat een kerk gehouden is zich te 'onderwerpen aan het oordeel en de censuur van anderen, etc. Deze dingen schijnen mij toe gemakkelijker te vereenigen te zijn met ons gevoelen, dan met den naam afhankelijkheid (dependentia) waaraan zij zich ergeren, of van een macht door een synode over de kerken aangematigd. Evenwel wat is het dat hun zoozeer kan ergeren, indien wij, na de macht der synoden aldus uitgelegd en beperkt te hebben, aan de synoden zekere macht toekennen?
Een zachte censuur te versterken, verbreking van gemeenschap (non communio) uit te spreken, verschilt dat wel zooveel van excommunicatie, of van toeëigening van macht? Wanneer men die verbreking van gemeenschap (illa non communio) passief opvat, wat verschilt ze van excommunicatie? Wanneer iemand buiten de gemeenschap der heiligen gezet wordt is dat niet hetzelfde als excommunicatie? Of gevoelt een kerk die veroordeeld is tot verbreking van gemeenschap (non communio) niet dat jegens haar zekere macht is uitgeoefend? Inderdaad de tegenstanders (Independenten) zijn meer bevreesd voor woorden dan voor de zaak.”

Tot zoover Hoornbeek.

Nu is het, dunkt mij, toch klaar als de dag dat behalve de schoone lijnen voor het recht verstaan van het Geref. kerkverband hier door Hoornbeek gegeven, dat Hoornbeek hier:
ten eerste, duidelijk leert de zelfstandigheid der plaatselijke kerk in het kerkverband;
ten tweede, blijkt te kennen den weg van verbreking van het verband (non communio) met een onwillige kerk;
ten derde, dien weg goedkeurt;
ten vierde, van geen anderen weg jegens zulk een kerk weet;
ten vijfde, ons zegt hoe we de term “excommunicatie” van een kerk moeten opvatten, namelijk verbreking van het verband, of plaatsen buiten het verband;
ten zesde, dat dit censuur is geoefend op zulk een kerk door het kerkverband.

|58|

Er zijn ook bij de Schotsche en Engelsche Theologen stemmen die in deze richting wijzen.

We willen niet zeggen dat het Presbyteriaansch kerksysteem geheel overeenkomt met dat van de Gereformeerden in Nederland. Het Calvinistisch systeem van kerkregeering en kerkverband is in het eene land beter uitgewerkt dan in het andere. Het is de vraag of het vroeger ooit ergens een kans gehad heeft “to come to its own”. Alleen in de vrije kerken der 19e eeuw kreeg het zulk een kans. En juist daarom moeten we temeer toezien dat we in het rechte spoor blijven.

Welnu, wat de Schotsche en Engelsche theologen betreft, zoo zij vermeld, dat we bovenstaande aanhaling van Hoornbeek, deden uit het werk van John Brown, een Schotsen auteur over Presbyteriaansch kerkrecht. 1)

Brown haalt Hoornbeek met instemming aan en prijst hem als “this very excellent and candid writer”. Mogen we dan niet aannemen dat ook de Schotsche kerken dezen weg van “non comnmnio” kenden en goedkeurden?

Temeer daar er verschil was tusschen het Schotsche Presbyterianisme en het Engelsche. Het Engelsche was veel meer “hoog kerkelijk” dan het Schotsche. Zooals datzelfde “hoogkerkelijke” ook uitkomt, mogelijk onder invloed van de Episcopaalsche kerk, bij de Nederlandsche vluchtelingen kerk in Londen, die aan de meerdere vergaderingen dezelfde macht wilde toekennen welke de kerkeraden hebben over de gemeente, een standpunt waartegen Marnix zoo toornde. 2)

Zoo was het ook onder de Presbyterianen. De Engelsche Presbyterianen kenden meer macht toe aan de meerdere vergaderingen dan de Schotsche. Brown toch deelt mede, dat de groote Engelsche Theoloog Owen, door menig boekwerk ook in Holland wel bekend, gezegd zou hebben dat hij geen bezwaar zou hebben tegen het Presbyterianisme zooals dat in Schotland beoefend werd, maar wel tegen het Engelsche. 3)

Echter, als gezegd, blijft er bij alle overeenstemming verschil tusschen het Geref. kerksysteem en het Presbyteriaansche. De


1) John Brown, Vindication of the Presbyterian Form of Church-Government, Edinburgh, 1805. p. 209.
2) Lohman-Rutgers, a.w. p. 195, 196.
3) Brown, a.w. p. 204.

|59|

Presbyterianen kennen meer en kennen andere macht toe aan de meerdere vergaderingen dan de Gereformeerden doen. Een macht als de kerkeraden hebben over de gemeente. Er is een “subordinatie”, de meerdere vergaderingen kunnen de besluiten der mindere vernietigen, waarschijnlijk bij wanbestuur ook ambtsdragers afzetten. 1)

Toch blijkt uit de aanhaling van Hoornbeek, en uit het gezegde van Owen, dat eveneens door de Schotsche Presbyterianen aangehaald wordt, dat men het Presbyterianisme zuiverder acht waar het minder, als het Engelsche zich op de hoogkerkelijke lijn begeeft.

 

Van Voetius en Hoornbeek is de sprong naar onzen onvergetelijken leermeester in het kerkrecht, Dr. F.L. Rutgers, niet groot. Temeer niet daar deze canonicus van het Geref. kerkrecht der 19e eeuw, zijn gedachte over de zaak in bespreking in de woorden van Voetius geeft. In de aanhaling van Voetius, boven reeds besproken. In zijn de grondslagen van het Geref. kerkrecht weer blootleggend,


1) Brown zegt: “When it is affirmed by Presbyterians, that every particular congregation ought not to be independent of a Presbytery or Synod, it is not intended that its rulers or office bearers are to be dependent upon them for the exercise of their power after they are invested with it, or that they may be deprived of it by them at pleasure, in that society which they govern. All that is designed is simply that they are subject, in any case of error, or any instance of mal-administration to the authoritative review of the ministers and elders of a number of congregations met as a Presbytery; and perhaps it would be better, as the judicious Hoornbeek has observed, to express their relation to such a court by the terms subjection or subordination, than by the word dependence, which is occasionally used by some ancient Presbyterians.” (a.w. p. 209).
Uit deze uitdrukking kunt ge opmaken, dat de “courts of review” bij de Presbyterianen, ook in Schotland, wel het recht schijnen gehad te hebben ouderlingen af te zetten. Natuurlijk niet “at pleasure”, naar willekeur, maar toch op zichzelf het recht hadden. Eveneens kunt ge er uit opmaken, dat de Presbyterianen in Schotland meer of ander gezag aan de meerdere vergaderingen toekenden dan de Gereformeerden in Nederland. Zelfs dan Brown met zijn instemming met Hoornbeek doet. De Gereformeerden in Holland zouden niet spreken van “subordinatie”, zeker niet van “dependence”, ze zonden niet zulk een “authoritative review” voorstaan, waarbij de meerdere vergadering een besluit van een mindere als een hoogere rechtbank dat van een lagere vernietigt. Wel “authoritative” in dien zin, dat de mindere vergaderingen opgelegd werd zulk een besluit te herzien, dat aangetoond werd dat de gronden waarop het besluit genomen was niet deugden. Er blijft dus ook bij alles een verschil tusschen het Geref. systeem van kerkverband en zooals dat bij de Presbyterianen bestond en bestaat. De waarheid lag tusschen de Presbyterianen en Independenten zoover het kerkverband aangaat. Daar ligt de Gereformeerde lijn. Niet een systeem zooals mede de Nederl. vluchtelingen kerk voorstond onder Engelschen invloed, waarin de meerdere vergadering hetzelfde over de mindere heeft te zeggen als de kerkeraad over de gemeente, ook niet als de Independenten in Engeland voorstonden van bloot adviseerend gezag, maar als geteekend door Marnix, Voetius, Hoornbeek, Rutgers, en onze Geref. kerkenorde.

|60|

met de Savornin-Lohman uitgegeven, werk: “De Rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken”.

Rutgers bespreekt de kwestie in dezer voege.

Het gaat in dit verband over de kerkelijke goederen. Wat had de rechter moeten doen — zoo vraagt hij — als b.v. eene kerk van contra-remonstrantsch tot remonstrantsen overging en een minderheid in die kerk de kerkgebouwen opvorderde?

Dan antwoord Rutgers als volgt: “Allereerst was het natuurlijk voor den rechter de vraag, of er een kerkelijk vonnis was, waaruit bleek, dat de dienaren of de ouderlingen gecensureerd waren. Maar hoe kon zulk een kerkelijk vonnis in de wereld komen, wanneer kerkeraad en leeraar het eens waren? Dat kon alleen, wanneer aan de classes of aan iemand buiten den kerkeraad de bevoegdheid gegeven ware, om in een zaak als deze het initiatief te nemen. Het recht tot zulk een initiatief had vroeger wel de bisschop, maar of de classis dat had blijkt niet. Het is in allen gevalle twijfelachtig.” 1)

Hierbij voegt hij een breede noot. Met de bekende uitspraak uit Voetius met de aanhaling over de macht van de meerdere vergaderingen.

Wat Rutgers’ gevoelen is over de afzetting van een kerkeraad door een meerdere vergadering kan niet wel afgeleid worden uit wat hij in den tekst zegt. Daar spreekt hij eigenlijk over het op eigen initiatief, het op eigen hand afzetten, het afzetten van een leeraar of ouderling over het hoofd van een onwilligen kerkeraad heen. Hoewel hij blijkbaar de zaak zelf ook er onder verstaat. Want het ging er immers over, eigen initiatief of niet, zeg op een aanklacht, dat er een kerkelijk vonnis was.

We laten dus dit als niet conclusief rusten. Wilt ge Rutgers’ oordeel over de mogelijkheid van afzetting van een kerkeraad door een meerdere vergadering weten, dan moet ge naar de breede noot aan den tekst toegevoegd.

Rutgers bespreekt ook in de noot vaak twee dingen tegelijk. Het op eigen initiatief afzetten van kerkeraden of het afzetten “bij aanklacht”. De vraag of dan een classe het recht heeft “op de dienaren en de meerderheid van den kerkeraad de tucht toe te


1) Lohman-Rutgers, a.w. p. 81: De vraag of Rutgers zijn “dat blijkt niet” nu, nu er sinds zooveel van de particuliere synoden uitgegeven is, nog zou zeggen, kan blijven rusten. Want het is de kwestie niet wat de classes deden — Voetius zegt: ze zijn wel eens buiten hun boekje gegaan (even verder in de noot bij Lohman-Rutgers, a.w. p. 31) maar of zij er de bevoegdheid toe hadden.

|61|

passen.” 1) Dit was beide door Dr. Klein beweerd. De classe kon dan ingrijpen en censureeren en excommuniceeren en doen wat des kerkeraads is, zoolang tot eigen kerkeraad is hersteld.

Daar gaat nu Rutgers tegen in. Met Voetius. Tegen het eene zoowel als tegen het andere. En dan zegt Rutgers, wat het tweede punt betreft, met Voetius: “ALLEEN (wij cursiveeren, v. L.) de kerk (of gemeente) heeft de bevoegdheid om in zoodanig geval (algeheel bederf) de bestuursmacht aan de dienaars en ouderlingen voor goed of tijdelijk te ontzeggen.” 2)

Hier hebben we “das Ding an sich”. En Rutgers gedachte daarover. In Voetius’ woorden. En ge kunt er u niet afmaken met te zeggen: Rutgers zegt hier eenvoudig wat Voetius zegt, corrigeert een foutieve aanhaling van Voetius. Want uit heel het verband blijkt dat hij het hier en elders hartelijk met Voetius eens is. Hoe kan het ook anders! Dus ook naar Rutgers’ gevoelen kan dan “alleen de gemeente voor een tijd of voor goed in geval van “algeheel bederf” de macht aan den kerkeraad ontnemen.”

En merkt verder op dat Rutgers, blijkbaar ook met volkomen instemming Voetius aanhaalt als deze de reden geeft, waarom dit alleen kam geschieden. Als we boven uitvoerig hebben doen zien. In dat gedeelte waarin Voetius verwijst naar den regel: Wie aanstelt, die zet af.

En dit standpunt komt geheel over een met wat Rutgers elders in de “Rechtsbevoegdheid der plaatselijke kerken” heeft betoogd. Heel dat werk is een doorloopend protest niet maar tegen het initiatief nemen der synodale besturen, maar tegen de aanranding van “het recht en de vrijheid der kerken”.

Een bestrijden van de afzettingen der kerkeraden, zoowel om het materieele (het zich houden der kerkeraden aan Gods Woord), als om het formeele (het hiërarchische karakter).

Met hoeveel nadruk stelt hij voor dat het kerkverband is een vrijwillige confoederatie der kerken. Met hoeveel klem betoogt hij aldoor weer dat er zeker verband is (een verband dat niet bindt is “onzin”, zegt hij 3) ) maar dat dit verband naar art. 84 der Kerkenorde geen “heerschappij” over de kerken is. Dat de kerken,


1) Lohman-Rutgers, a.w. p. 31, noot 2.
2) Lohman-Rutgers, a.w. p. 32.
3) Lohman-Rutgers, a.w. p. 45.

|62|

hoeveel ze overeenkomen met elkaar, toch geen oogenblik hare vrijheid en zelfstandigheid in het kerkverband verliezen.

Dat wat ze met elkander door vrijwillige toestemming overeen gekomen zijn in de kerkenorde is neergeschreven.

En nu het is toch wel duidelijk dat er geen grond voor in de kerkenorde gegeven is. Dat het een daad van zich stellen “supra” boven een kerk om zoo iets te kunnen doen. Dat het een te na komen zou zijn van de rechten van een lid der foederatie. Alle welke dingen Rutgers in dit werk zoo breed en krachtig verdedigt.

Dr. Rutgers verwerpt met klem de gedachte door Dr. Klein uitgesproken alsof de kerkenorde duidelijk had uitgesproken dat de classes bevoegdheid hadden tot afzetting van kerkeraden. 1) Al wat door een classe in een plaatselijke kerk gedaan wordt geschiedt op grond van bepalingen der kerkenorde en dus uit kracht van het vrijwillig aangegaan en vrijwillig in stand gehouden verband, zoo voegt hij er aan toe. Inderdaad, nergens blijkt dat de leden der foederatie met elkander aangegaan hebben een accoord tot ontzetting van elkander bij verschil. De kerken hebben aangegaan het accoord om elkander te helpen. En zij kunnen een gemeente helpen tegen een weerbarstigen kerkeraad. Maar de gemeente doet het, zooals Rutgers met Voetius’ woord herinnert, wanneer het op het fijne puntje aankomt. En dat fijne puntje is hier het beslissende punt.

Ja maar, zegt ge, daar is een uitdrukking in Rutgers’ dictaten welke er op wijst dat de afzetting van kerkeraden door de meerdere vergaderingen wel kan geschieden. Die uitdrukking, zoo zegt men, luidt als volgt: “Wanneer de kerkeraad zich verzetten ging, dan zou hij later zelf een schismatieke kerkeraad worden en in kerkelijke behandeling komen. Gaf hij niet toe, dan zou dit leiden tot conflict, tot zijne afzetting en tot aanstelling van een nieuwen kerkeraad.” Hiertegen merken we op, ten eerste, dat deze uitdrukking in ons collegedictaat niet geheel precies zoo voorkomt. 2) De


1) Lohman-Rutgers, a.w. p. 34, 2e par. Het “zulk een macht als hij veronderstelt” sluit blijkens het voorgaande beide in, én het op eigen initiatief, én bet afzetten van kerkeraden als zoodanig. Want indien dit laatste niet bedoeld ware, waarom dan de geheele aanhaling van Voetius er bij, dat de gemeente het doet?
2) Ik zeg dit nu niet eerst om van een zoo gij waant lastige uitdrukking af te komen. Ik heb ditzelfde reeds 3 jaren geleden geschreven. Zie mijn “Gereformeerd ook In uw kerkrecht”, p. 11. En de uitdrukking is ook niet “lastig” als we aanstonds zullen zien. We halen de uitdruking aan uit: “De Afzetting van zeven kerkeraadsleden te Sioux Center, Iowa”, p. 24.

|63|

uitdrukking is dus niet volkomen zeker. Ten tweede, men kan zulk een uitspraak niet voor de verantwoording van Dr. Rutgers leggen. Want hij schreef en publiceerde deze uitdrukking zelf niet. Prof. Rutgers heeft zelf zijn collegedictaten niet uitgegeven. De aanteekeningen van Dr. De Jong zijn gepubliceerd nadat Dr. Rutgers gestorven was. Hij heeft ze nooit gezien. Hij kan er dus niet voor verantwoordelijk gehouden worden. Dr. A. Kuyper wilde niet eens voor zijn collegedictaten verantwoordelijk gehouden worden. Hoewel hij zelf een commissie uit de studenten aanstelde, en zelf nog de dictaten nazag. En als deze er dan nog niet voor verantwoordelijk wilde gehouden worden, hoe weinig kunt ge dan Dr. Rutgers verantwoordelijk houden, voor persoonlijke aanteekeningen — hoe goed ze ook mogen wezen — van lessen niet uitgesproken voor publicatie, en opgeschreven door een, ik zeg gaarne goed student, maar ongetwijfeld niet opgeschreven met de bedoeling van publicatie, door een student ook niet door den professor aangesteld, noch ook door den professor gecontroleerd.

Maar gesteld de uitdrukking ware juist, wat bewijst de uitdrukking ook dan nog? 1) Zegt die uitdrukking dat de afzetting van den kerkeraad door de meerdere vergaderingen moet geschieden? Is dat de eenige conclusie welke ge uit die woorden dan trekken moet? De eigenlijke conclusie? Hebt ge nooit gehoord ook van een andere afzetting van kerkeraden? Van een andere, van een Geref. methode? Nooit iets daarvan gelezen bij Rutgers in zijn uitgegeven werken ?

Hebt gij niet gelezen dat Rutgers met beroep op Voetius voorstaat een afzetting van den kerkeraad door de gemeente of door ’t beste deel daarvan? Zie de aanhalingen hierboven. En gij weet toch dat een schrijver naar zijn eigen uitleggingen verklaard moet worden. Niemand ontkent, ook wij niet, dat een kerkeraad afgezet kan worden. Maar de vraag is maar door wie? En de methode door Voetius voorgestaan en door Rutgers in 1886 weer voor het voetlicht gebracht en den synodalen heeren als de Geref. methode voorgehouden (zie boven) is: De afzetting geschiedt door de gemeente, of het trouw gebleven deel daarvan. Het kerkverband kan helpen, maar


1) Dr. Bouwman legt in De Bazuin (28 Maart 1926) nadruk op deze aanhaling van Rutgers, zoowel als Dr. H.H. Kuyper in De Heraut (4 April 1926). Die aanhaling van Rutgers’ dictaat schijnt dus op de synode te Assen nog al dienst gedaan te hebben.

|64|

de gemeente, of dat deel, doet het. Naar den regel: Wie aanstelt, die zet af. Zij, de gemeente, (onder Christus) verleent de macht aam die personen, zij ontneemt ze hun ook weer. In zulk een geval van algeheele deformatie.

Nu als Rutgers zelf zulk een weg elders voorstaat, waarom moet ge hem dan hier iets anders toedichten?

Nog dit. Als prof. Rutgers wezenlijk zoo iets in zijn gedachten gehad had kunt ge het dan verklaren, dat hij de zaak alleen hier en dat zoo terloops even noemt, zonder dat hij op de plaats waar hij er van gesproken zou moeten hebben, namelijk bij art. 36, er ook maar iets van spreekt. Daar, bij art. 36, kent hij geen anderen weg als het vast loopt tusschen plaatselijke kerk en kerkverband dan “breken met het verband”. En dit is daar maar geen op zichzelve staande uitdrukking, maar een bespreken van de zaak van beide zijden bezien, van de zijde van de plaatselijke kerk en van het kerkverband. “Als de andere 'kerken dwingen willen, dan schiet er niets anders over dan te breken met het verband.” Zoo is de slotsom daar. En lees de geheele verklaring van art. 36 en ge krijgt een geheel anderen indruk dan afzetten van kerkeraden.

Neen, mijne 'broeders, dan is er nog een heel andere uitspraak van Rutgers die er heel wat meer op schijnt te wijzen, dat classes of synoden naar zijn gevoelen kerkeraadsleden kunnen afzetten. Daar is een uitdrukking in “De Rechtsbevoegdheid” welke dat klaar schijnt te zeggen.

Deze uitdrukking luidt: “Wel mag de classis of synode kerkeraadsleden ontzetten van hun ambt zoolang de kerk in het verband staat, maar als de kerk dat vonnis niet erkent, verblijft aan de gezamentlijke kerken geen ander verweermiddel dan om deze kerk van het verband af te snijden.” 1)

Men zou zeggen: Dit toch duidelijk. Hier leert Rutgers, dat meerdere vergaderingen kerkeraden kunnen afzetten. We ontkennen dat Rutgers hier zoo iets leert. In de verwijzing welke hij hier bijvoegt verwijst hij naar plaatsen waar hij uitvoeriger over de zaak gesproken heeft (de aanhaling boven vermeld is uit de “Resumtie” aan het einde van het boek) en daar heeft hij gesproken van afzetting van predikanten. Toch ook “kerkeraadsleden”. Natuurlijk stemt ieder onzer dat toe. En verder verwijst hij in de noot bij de


1) Lohman-Rutgers, a.w. p. 179.

|65|

bovengemelde aanhaling naar wat hij hier van op pagina 31 van zijn werk gezegd heeft. Daar heeft hij gezegd met de woorden van Voetius dat alleen de gemeente een kerkeraad afzet. Dit zou in tegenspraak zijn met de aanhaling als hij bedoelde dat het kerkverband een kerkeraad kan afzetten.

Noch uit de eene of de andere verwijzing bij deze uitdrukking blijkt dat prof. Rutgers leert een afzetten van een kerkeraad door een meerdere vergadering. De verwijzingen bij deze beknopte uitdrukking in de “Resumtie” naar de bladzijden waar hij de zaak uitvoeriger behandeld heeft bewijzen dat hij, òf bedoelt alleen predikanten, òf een procedure als Voetius voorstelt, waarbij de eigenlijke afzetting door de gemeente geschiedt, en de meerdere vergaderingen alleen uitspreken dat de kerkeraadsleden behooren afgezet te worden. Wij denken, dat hij (blijkens de verwijzing) alleen ’t oog heeft op predikanten.

In den breede verdedigt Rutgers in genoemd werk de mogelijkheid, het recht en in sommige gevallen den plicht van breken van het kerkverband. En dit van beide zijden. Ook van de zijde van de andere kerken tegenover een onwilligen kerkeraad. Hij verdedigt den weg door de andere kerken in de 18e eeuw jegens Zwolle ingenomen niet alleen als den eenig mogelijken weg, maar ook, afgezien van de houding van de overheid van Zwolle, als den juisten en den voor de hand liggenden weg in zulk een verschil. Niet alleen van dat geval maar in het algemeen zegt hij: “dat de kerkeraden volkomen bevoegd waren, enkel in het belang der hun toevertrouwde kerken den samenhang of het verband met andere kerken te verbreken.” 1)

Ja maar, zult ge zeggen, dat werk van Rutgers waaruit gij zooveel en zoo gaarne aanhaalt (“De Rechtsbevoegdheid der plaatselijke kerken”) is een strijdschrift. Strijdschrift of geen strijdschrift, Prof. Rutgers bedacht zich wel tienmaal, aleer hij wat neerschreef voor publicatie. Hij was zoo uiterst voorzichtig, bijna te voorzichtig, in deze dingen. Hij moest het al goed en zeker weten, dat het zóó was en niet anders, aleer hij het zwart op wit zette en het uitgaf met zijn naam er onder.

Hier in dit werk (De Rechtsbevoegdheid) hebt ge dan ook geen los-daar heen geworpen strijdschrift. Hier hebt ge een werk dat de beginselen bevatte waarop het kerkrecht der reformatie van 1886


1) Lohman-Rutgers, a.w. p. 173.

|66|

gebouwd is. Zooals het hier neergeschreven staat, zoo hebben wij het in die dagen als HET Geref. kerkrecht aangenomen. Zoo hebben we het al de jaren dat we aan de voeten van den grooten meester zaten ingedronken. Er zou in die dagen (ongeveer een dozijn jaren na 1886) een rilling door ons, wat zeg ik, door de Geref. kerken gegaan zijn als een Geref. synode de methode gevolgd was nu door de Synode van Assen gevolgd.

Zijn we dan zoo spoedig het onderwijs van den meester vergeten? Zijn we dan zoo spoedig vergeten wat in die dagen voor ons onomstootelijk waar en ontwijfelbaar zeker scheen te zijn, tegenover alle synodale machtsaanmatiging? Ik verbaas mij, mijne broeders. Ik bedroef mij, tot diep in mijn ziel.

Ja, maar onze tegenwoordige kerkrechterlijke leiders die hef ook wel weten kunnen, zeggen dat het wel kan. Zeggen, dat een meerdere vergadering wel een kerkeraad kan afzetten.

Ook dat is niet juist. Ook zij zeiden in kalmer oogenblikken dat het niet kan. Luister. Zie hier hun getuigenissen.

 

Ik begin met dat van prof. Dr. H. Bouwman, hoogleeraar aan de Theol. School te Kampen. Gepubliceerd in “Onze Toekomst” van 5 Maart, 1924.

Kampen, 5 Februari, 1924.

Amice van Lonkhuyzen,
Uw vraag of ik ooit op mijne colleges zou gezegd hebben dat eene classis een kerkeraad zou kunnen afzetten bevreemdt me eenigszins. Ik herinner mij niet dit ooit te hebben geleerd, en ik zou zeggen dat dit onmogelijk is. Wel kon de classis den kerkeraad helpen in het afzetten van een ouderling. Ook wel kon een classis, wanneer de kerkeraad geheel afgedwaald is of in strijd handelt met het recht der kerk en hare belijdenis, de gemeente helpen in het kiezen van een anderen kerkeraad, maar de classis mag niet handelen zonder de gemeente. Ik heb in 1905, toen de kwestie N. Pekela op de synode behandeld werd, en ik met Dr. Hania en Ds. W. Breukelaar werd gedeputeerd om daar orde op zaken te stellen, dit beginsel krachtig verdedigd. De Generale kerken mogen niet doen wat des kerkeraads is. Ook de classis mag niet doen alsof er geen kerkeraad is. Naar Geref. kerkrecht valt, als het geheele kerkverband bedorven is, en er geen normale weg tot genezing is, de macht der kerk

|67|

weder terug op de gemeente, en het kerkverband kan en moet dan de gemeente hulp bieden, dat een andere kerkeraad worde gekozen in plaats van den ontrouwen.

Met de beste wenschen, de uwe

H. Bouwman.

 

Niet anders denkt ook Dr. H.H. Kuyper, hoogleeraar aan de V. U. te Amsterdam er over.

“De Heraut” van 6 Mei, 1923, schreef toch:

“Dat ook uit onze zusterkerken in Amerika ons vragen worden toegezonden met verzoek daarop in “De Heraut” een publiek antwoord te geven, verblijdt ons. Niet alleen, omdat dit toont, hoe ook onder onze Hollanders in Amerika “De Heraut” gelezen wordt en invloed heeft, maar omdat er uit blijkt, dat de band met het moederland en met de Gereformeerde Kerk in Nederland niet werd verbroken.
Hebben we daarom gaarne voldaan aan het verzoek tot ons gericht, om ons uit te spreken over de vraag, of men hij het Avondmaal in plaats van wijn ook geperst druivensap mocht gebruiken, we willen thans ook een antwoord geven op een andere vraag uit Amerika tot ons gericht, of een Classis, of deputaten namens eene Classis, het recht hebben een Kerkeraad of Kerkeraadsleden uit hun ambt te ontzetten?
Zoo gemakkelijk als de vorige vraag is deze vraag zeker niet te beantwoorden, aangezien tot een juiste beoordeeling van het geval de bijzonderheden ons zouden bekend moeten zijn. We kunnen daarom slechts in het algemeen op zulk een vraag antwoorden. En dan zij in de eerste plaats opgemerkt, dat een Classis of Synode zeker niet het recht heeft zonder meer om een Kerkeraad of een zeker aantal Kerkeraadsleden uit hun ambt te zetten. Een dergelijke bisschoppelijke of hiërarchische macht komt aan de meerdere vergaderingen niet toe. Volgens onze Kerkenorde Art. 79 komt het recht om de ouderlingen en diakenen, wanneer zij iets strafwaardigs gedaan hebben, aan den Kerkeraad toe, maar staat de beslissing of een predikant geheel van den dienst zal af te zetten zijn, aan de Chassis. Alleen in geval een Kerkeraad weigerde een ambtsdrager, die is aangeklaagd, uit zijn ambt te ontzetten, en de aanklager beriep zich op de Classis, zou deze hetzij dan zelf hetzij door hare deputaten kunnen uitspreken, dat zulk een Kerkeraadslid onwaardig was langer het

|68|

ambt te bekleeden, en in dat geval zou de Kerkeraad natuurlijk gehouden wezen dit vonnis uit te voeren. Maar de eigenlijke afzetting uit het ambt zou dan toch altoos door den Kerkeraad behooren te geschieden. Maar dat een Classis eigenmachtig zou ingrijpen en een zeker aantal Kerkeraadsleden zonder aanklacht uit de gemeente en zonder den Kerkeraad daarin gekend te hebben, uit hun ambt zou ontzetten, zou volgens ons Gereformeerde Kerkrecht niet geoorloofd wezen. Zoo iets behoort wel tot de bevoegdheden, die een hiërarchisch ingericht genootschap aan zijn bestuurscolleges toekent, maar niet tot de bevoegdheid van een meerdere vergadering in een Gereformeerde Kerk.

Intusschen kan het voorkomen, dat niet enkele Kerkeraadsleden, maar de geheele Kerkeraad als zoodanig door een zoodanig bederf is aangetast, dat vermaning noch andere middelen helpen. Voetius nu ontkent niet, dat in zulk een geval de bestuursmacht aan den Kerkeraad kan ontnomen en op een ander kan overgebracht worden, maar hij zegt duidelijk, dat dit dan geschieden moet door de Kerk d.w.z. de gemeente, die den Kerkeraad deze macht verleend heeft en ook de bevoegdheid heeft deze bestuursmacht aan de predikanten of ouderlingen weer voor goed of tijdelijk te ontzeggen. De gemeente of althans dat gedeelte der gemeente, dat trouw is aan Gods Woord, heeft dan op te treden. Dat de Classis daarbij hulpe mag bieden spreekt van zelf, maar deze hulp bestaat dan daarin, niet dat de Classis zulk een kerkeraad afzet, maar dat zij de leiding op zich neemt en zorgt, dat er andere ambtsdragers in hun plaats worden benoemd. (Pol. Eccl. t. I, pa. 225 en v.v.) Voorts is het natuurlijk ook denkbaar, dat niet alleen de Kerkeraad afwijkt, maar ook heel de gemeente met den Kerkeraad. In dat geval kan de Classis niet anders dan het verband met zulk een Kerk tijdelijk of voor goed verbreken.
We meenen met dit antwoord van Voetius te kunnen volstaan. Er zou natuurlijk nog veel meer over te zeggen zijn, maar dan zouden we ons in allerlei bijzonderheden moeten verdiepen. En we meenen, dat de hoofdvraag hiermede voldoende beantwoord is.” 1)
(cursiveering is van ons).


1) Uit De Heraut van 4 April 1926 en uit De Bazuin van 28 Maart 1926 kan ik niet anders opmaken dan dat de professoren Dr. H.H. Kuyper en Dr. H. Bouwman nu van gevoelen veranderd zijn. En verwonder mij. Ze kenden toch vroeger ook Voetius, en Rutgers en de kerkgeschiedenis. En wat moeten we er van denken, ons hier in heeten strijd te sterken met te zeggen: “Het kan niet” ➝

|69|

Wie de vrager was weten we niet, wij waren het niet, maar wel weten we dat dit precies is wat wij altijd voorgestaan hebben.

Daar is meer. Daar zijn twee getuigenissen van Ds. Joh. Janssen. Ds. Joh. Jansen schrijft blijkbaar onder leiding en in de geestesrichting van Prof. Dr. H.H. Kuyper. In “De Heraut” van 14 Febr. 1926, schrijft Dr. H.H. Kuyper van hem met hoogen lof. Als: “Ds. Jansen is onder onze predikanten wel eens de canonicus (man van het kerkrecht, v. L.) genoemd, en dien eerenaam heeft hij ten volle verdiend. Reeds in zijn eerste studie over de Kerkelijke Tucht toonde hij een uitstekend kenner te zijn van ons Geref. kerkrecht. De breede uiteenzetting, die hij vervolgens van onze Kerkenorde begon, moest helaas bij het eerste deel afgebroken worden, maar de meer belangrijke toelichting van onze kerkenorde die hij daarna gaf, is wel het beste, wat we op dit gebied bezitten, en vooral daarmede heeft hij onzen kerken een zeer grooten dienst bewezen. Zelfs in Zuid Afrika vond deze toelichting ingang, en op de synode te Rustenburg werd ze meermalen aangehaald. Dat Ds. Jansen bij deze kerkrechtelijke studiën dankbaar gebruik heeft gemaakt van de dictaten van prof. Rutgers vermindert de waarde van zijn geschriften allerminst .... Hij heeft daarbij streng vast gehouden aan de historische lijn en is daardoor een volkomen betrouwbaar gids voor ons volk geworden.” 1)

Laat ons dan hooren wat deze “volkomen betrouwbare gids voor ons volk” van het punt in kwestie zegt. Natuurlijk, is wat hij zegt over een fundamenteel punt ook volkomen vertrouwbaar, ook naar het oordeel van Dr. H.H. Kuyper. En het werk waaruit wij aanhalen is het “beste wat wij op dit gebied (verklaring van de kerkenorde, v. L.) bezitten.” Wat zegt Ds. Joh. Janssen, deze “uitstekende kenner van ons Geref. kerkrecht”?

In zijn “Korte verklaring van de Kerkenordening” lezen we p. 145 en 146 aldus: “Artikel XXXI. En ten zevende is de vraag, of een meerdere vergadering de door haar ongegrond verklaarde


➝ en nu te zeggen: “Het kan wel”. Wat moeten we zoo van hun woord denken? Hoe kunnen we er op aan?
Ja maar, zegt ge misschien, een mensch kan van opinie veranderen. En ook een professor is een mensch. Dat geef ik toe, en ik hoop dat ze nog maar weer veranderen.
1) Wij halen dit niet aan om Ds. Joh. Janssen te minachten, maar te doen zien hoe hoog Dr. H.H. Kuyper hem schat, en hoezeer dus zijn woord moet op prijs gesteld worden.

|70|

besluiten eener mindere vergadering mag casseeren, d.i. vernietigen. De Roomsche kerk antwoordt: ja, de paus kan alle besluiten der lagere geestelijken casseeren (vernietigen), en de hoogere geestelijken die der lagere! Evenzoo als het is in het burgerlijk recht, waar een hoogere rechtbank het vonnis van een lagere rechtbank, als zij het ongegrond verklaart, eenvoudig casseert. Maar de Gereformeerde kerken zeiden: neen, een meerdere vergadering kan de mindere alleen verzoeken en aanraden, met opgave van de gronden, waarop haar ongegrond-verklaring rust, zelve haar besluit in te trekken. Maar indien de mindere vergadering weigert zich aan de uitspraak der meerdere vergadering te onderwerpen, wat dan? Kan een classe of synode dan doen ‘wat des kerkeraads is?’ en den onwilligen kerkeraad afzetten, enz? Neen, zulk een dwingende en ingrijpende macht heeft een meerdere vergadering niet. Wel bij het Collegialistisch genootschap, maar niet bij de Gereformeerde Kerken. (Wij cursiveeren, v. L.) Wel kunnen zij van hare zijde tijdelijk of voor goed het kerkverband met zulk een onwilligen kerkeraad (classe enz.) verbreken, zooals blijkt uit het geval van Ds. Fredericus van Leenhof, die op grond van zijn Cartesiaansche en Spinozistische beginselen door bijna alle kerken ter afzetting waardig werd geacht, maar door den kerkeraad van Zwolle, en door de stedelijke en provinciale overheid gesteund, gehandhaafd werd. De kerken in de andere provincies verbraken toen het kerkverband met den kerkeraad van Zwolle, door te besluiten, Ds. van Leenhof in geen enkele functie te erkennen, geen enkel Zwolsch predikant op den kansel toe te laten, geen lidmaten uit Zwolle te aanvaarden zonder nader onderzoek, en de lidmaten, die naar Zwolle vertrokken, ernstig voor hem te waarschuwen. Eerst toen Ds. van Leenhof in 1711 zijn ontslag vroeg en verkreeg, kwamen al deze besluiten buiten werking.”

En dezelfde gedachte spreekt Ds. Joh. Janssen nog eenmaal uit in zijn brochure over “De bevoegdheid der meerdere vergaderingen.” 1)


1) In “Schild en Pijl”, afl. 9 en 10, p. 53.

Lonkhuyzen, J. van (1926) Bsl

|71|

 

Besluit

 

We hebben in het voorgaande zoeken aan te toonen hoe naar onze stellige overtuiging de lijn loopt langs welke de tucht tegen een onwilligen kerkeraad naar Geref. kerkrecht moet uitgeoefend worden.

Die lijn erkent de zelfstandigheid der plaatselijke kerk. En hare vrijwillige toetreding tot het kerkverband. Een kerkverband waarin de kerken beloven al het beslotene voor vast en bondig te houden tenzij het strijden mocht met Gods Woord of de aangenomen kerkenorde. Een kerkverband dat gezag heeft, besluiten kan, opleggen kan, kan voorschrijven, kan helpen, tucht kan oefenen, maar dat geen macht boven de kerken (supra ecclesias) vormt of schept. Daar is geen hoogere bestuursmacht dan de kerkeraad. Er staat geen ander ambt tusschen hem en Christus. En daarom kunnen de andere kerken, dat zijn de meerdere vergaderingen, als het vast loopt tusschen een kerkeraad en het kerkverband, en als niets helpt, zulk een kerkeraad wel uitsluiten met de tucht in den naam van Christus, maar niet afzetten in den naam van Christus. Want Hij heeft het kerkverband daarvoor geen ambt gegeven.

Uitsluiten uit de broederschap, het verband verbreken, dat is naar den aard der foederatie, de lijn van finale tuchtoefening jegens zulk een kerk. Buiten het verband zetten, het zij tijdelijk en ten deele, het zij geheel en voor goed.

Dat is de lijn van Marnix, Voetius, Hoornbeek, Rutgers. 1)


1) Bij het ter perse gaan van deze brochure bereikte ons het bericht dat in Nederland het gerucht verspreid werd, dat Dr. Rutgers later in zijn beschouwing aangaande de afzetting van kerkeraden door meerdere vergaderingen van gedachte veranderd zou zijn. Zijn latere beschouwing zou dan niet meer overeenkomen met die gegeven in de “Rechtsbevoegdheid der plaatselijke kerken”. Als reden zou dan moeten gelden dat toen hij de “Rechtsbevoegdheid” schreef nog niet de Acta der Provinciale Synoden uitgegeven waren.
En als bewijs wordt dan bijgebracht de boven vermelde uitspraak van Rutgers uit de college dictaten uitgegeven door Dr. De Jong. Vreemd, dat zoo iets nu in eens “ontdekt” wordt! Tot voor kort wisten de professoren in het Geref. kerkrecht aan de V.U. of aan de School te Kampen er blijkbaar niets van. Evenmin Ds. Joh. Jansen in zijn Verklaring der Kerkenorde. Geen wonder. Dit verhaal is niet dan een louter verzinsel. Ziehier mijne gronden voor deze kwalificatie.
1. Als Dr. Rutgers van gedachte veranderd was, dan zou hij dit duidelijk hebben moeten laten uitkomen in zijn behandeling van art. 36 der Kerkenorde, waar het over de bevoegdheid der meerdere vergaderingen gaat. Daar had dit moeten blijken. En nu wil ik ieder vragen zijn verklaring van dat artikel te lezen. Hetzij in de aanteekeningen als uitgegeven door Dr. De Jong, of hetzij, ➝

|72|

Uitzetten en niet afzetten.

De Schrift geeft voor dit laatste geen grond.

De Belijdenis vermeldt het niet.

De kerkenorde zwijgt er van.

We geven volmondig toe dat de kerkenorde geen wetboek is, doch slechts beginselen en hoofdlijnen geeft. Toch als zulk een afzetting van kerkeraden (of van de meerderheid der kerkeraadsleden, wat per slot op hetzelfde neerkomt) naar het Geref. kerkrecht geoorloofd was, dan had het duidelijk en klaar zonder den minsten twijfel in de kerkenorde moeten zijn aangegeven. Een uiterst gewichtige tuchthandeling als deze


➝ indien men zelf het voorrecht had de colleges van Dr. Rutgers te volgen dit te doen in eigen aanteekeningen. En ge krijgt een geheel anderen indruk dan dat Dr. Rutgers veranderd zou zijn. Daar, bij de bespreking van de macht der meerdere vergaderingen, treft ge precies dezelfde lijn aan, als in “De Rechtsbevoegdheid”. We wezen er boven op. Lees het maar na!
2. De uitdrukking door Dr. Rutgers in zijn collegedictaat aangaande de afzetting van een kerkeraad gegeven — welke uitdrukking, we houden het met nadruk vol, niet zeker is en niet door Dr. Rutgers gepubliceerd is — kan, als we boven gezegd hebben, zeer wel anders verklaard worden. Naar de door Dr. Rutgers aangehaalde woorden van Voetius, boven vermeld. De uitdrukking zegt niet dat de meerdere vergaderingen dit doen. En als ge verder leest in datzelfde gedeelte in de aanteekeningen van Dr. De Jong, zegt Rutgers dan, dat en hoe de classis of synode zulk een afzetting moet doen? Geen oogenblik, dan eindigt hij de bespreking met een “breken van het kerkverband”.
3. Soortgelijke uitdrukking vindt ge ook reeds in “De Rechtsbevoegdheid” (p. 179), als boven aangehaald. De uitdrukking uit het collegedictaat is dus niets nieuws. En bewijst geen verandering van gevoelen. En de verwijzing er bij is dat dit predikanten geldt, of wilt ge deze uitspraak van Rutgers op den heelen kerkeraad laten slaan, dan staat er de verwijzing van Dr. Rutgers bij naar Voetius’ uitspraak dat de gemeente het doet.
4. En waarom zou Dr. Rutgers veranderd zijn van meening wegens de uitgave der Aria der Prov. Synoden? Daar staat — wat de onderhavige kwestie betreft — in die Acta niets dat Tutgers in beginsel niet reeds wist uit Voetius die zelf dien strijd doorworsteld heeft en het bewuste “formulier” (waarop men zich dan ten onrechte beroept) mee gemaakt heeft. En dat Formulier zegt, please, sluit daar toch niet moedwillig het oog voor, zegt dat de gemeente het doet. De afzetting is geen besluit der synode, trouwens er worden niet eens namen van plaatsen genoemd, het formulier staat dan ook niet in de Acta, maar in de bijlage, is als een hulp opgesteld voor de gemeenten, bijgestaan door synodale of classicale deputaten. Al dat de synode deputaten aanwees, om met dit formulier rond te gaan, het formulier zegt, dat de gemeente het deed, op dien morgen, als dit formulier in die gemeentevergadering voorgelezen werd. Dan worden ze afgezet: “MITS DEZEN”. Zooals Voetius later ook in zijn Pol. Ecc. verklaart, als naar Geref. kerkrecht de eenige weg. De gemeenten doen het. Wie aanstelt die stelt af. Die weg toen gevolgd om zulke gemeentevergaderingen met behulp van de overheid saam te roepen, is voor ons toegesloten. Voor. ons is geen andere weg open dan de gemeente, die niet met een onwilligen kerkeraad meegaat, saam te roepen en daar, in de gemeentevergadering van de getrouw geblevenen de afzetting te laten doen. Hetzij met uitgedrukten woorde of verklaring, of stilzwijgend met verkiezing van nieuwe ambtsdragers. Met deputaten van synode, of classe, of van aangewezen kerkeraden, als de gemeente helpend, er bij.

|73|

kunt ge op geen onzekeren grond doen. De kerken der reformatie van de 19e eeuw zijn terug gekeerd tot de Dordtsche Kerkenorde. Ze zijn door vrije toestemming overeengekomen zoo te handelen in kun kerkelijk leven als daarin aangegeven staat. Zoo ook tegenover elkander te handelen. Al wat daar buiten ligt is willekeur tegenover elkander. En indien het tegen Gods Woord ingaat, revolutie tegen den Koning der kerk. Men mag dus niet anders dan met de uiterste voorzichtigheid in dezen handelen. En wel goed verzekerd zijn dat het duidelijk in de kerkenorde aangegeven staat. 1) En dan meenen we aangetoond te hebben, dat het er niet in staat. Meer, dat zulk een handeling tegen de kerkenorde ingaat.

En het eenvoudige feit, dat de twee professoren die jaren en jaren de kerkenorde uitgelegd en onderwezen hebben, de een aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en de ander aan de Theol. School te Kampen, dat beiden, met uitgedrukten woorde, tot kort voor de synode te Assen verklaarden, dat zij oordeelden, dat zulk een afzetting naar Geref. kerkrecht niet geschieden kon, wat toch wel zeggen wil, dat zij er geen grond voor in de kerkenorde vinden konden, — zegt hier genoeg. Het zegt, dat de zaak in geen geval klaar en duidelijk in de kerkenorde staat. Ook niet bij implicatie er uit kan afgeleid worden. Want die broeders hebben toch in deze 25 jaren van hun onderwijs de kerkenorde nauwkeurig bestudeerd. En tot voor kort zeiden zij: Zulk een afzetting kan niet geschieden. En zóó zeiden opzettelijke studies van de Kerkenorde, door hen hartelijk aanbevolen.

Het verband is foederatief. Zeker, er is een dure zedelijke verplichting tot aansluiting en tot samenwerking, en het is een foederatie welke een geestelijken achtergrond heeft, die tot aansluiting roept en noopt, maar toch het kerkverband berust op vrijwillige toetreding en samenwerking. Men kan er in en ook weer uit. En juist omdat het op vrijwillige toetreding en samenwerking berust, verbreekt een kerkeraad die blijft volharden in zijn weigering om


1) Men kan er zich niet afmaken met te zeggen, in de kerkenorde zijn alleen de gewone zaken vermeld, niet de buitengewone. Dat een heele kerkeraad zich verzet is iets buitengewoons. (“Afzetting van zeven kerkeraadsleden te Sioux Center”, p. 21). Daartegen kunt ge opmerken, dat als een of twee kerkeraadsleden afgezet moeten worden is dit ook, gelukkig, iets buitengewoons. En toch staan daar regelingen voor in de kerkenorde. Bovendien waren de gevallen van verzet van een ganschen kerkeraad in den tijd der Dordtsche Synode niet zoo buitengewoon. Maar talrijk. Hoevele gevallen in de twisten reeds voor de synode?

|74|

zich aan een besluit te onderwerpen, en die in deze zijn weigering niet gedragen wordt door de andere kerken, ipso facto het kerkverband. En tegen zulk een kerk of kerkeraad hebben de andere kerken ten slotte geen ander middel dan haar of hem buiten het verband te sluiten. Dat is de lijn reeds door Marnix vermeld. En naderhand gedurig bepleit en in beoefening gebracht.

Ook hebben we gezien, dat de bewering als zouden de vaderen zoo iets gedaan hebben, namelijk in meerdere kerkelijke vergaderingen kerkeraden afgezet hebben, op een misverstand berust. Ge kunt uit de synodale Acta niet één voorbeeld noemen waar de vaderen in meerdere vergadering besloten daar en daar den herberaad, die en die ouderlingen en die en die diakenen, af te zetten. Zooals de Synode te Assen deed.

En al zoudt ge iets bunnen aanhalen wat er van verre mee overeen schijnt te komen, dan bewijst dit nog niet dat de meerdere vergaderingen er de bevoegdheid toe hadden. Deze hebben zich wel eens meer vergrepen aan de rechten der plaatselijke kerk, zegt Voetius. 1) Maar we ontkennen ook dat er een voorbeeld is dat met het besluit van Assen overeenkomt.

Integendeel in het zoo menig maal aangehaalde “formulier tot afzetting van kerkeraden” lieten de vaderen het aan de gemeenten over om zulks te doen. De synoden mochten helpen en leiding geven, maar de gemeenten deden het. In gemeentevergadering. Daar kwam het “mits dezen” tot zijn recht.

Het is waar, die lijn is niet altijd even helder. Ook de vaderen waren kinderen huns tijds en ge zult bij hen ook in het kerkelijke leven opvattingen en praktijken vinden die wij nu niet meer zoo doen. Denk b.v. aan het ambt der Chr. overheid zooals zij dit zich voorstelden tot bescherming van den waren godsdienst en bestrijding der ketterijen. Zoo de gedachte dat er maar één erkende kerk op een plaats kon zijn, namelijk de Gereformeerde. Zoo ook was de vrije toestemming in het kerkelijke leven hun niet altijd even helder. Vooral niet toen de Gereformeerden de bovendrijvende partij geworden waren. Men excommuniceerde soms nog wie al lang de Geref. kerk verlaten had en zich bij een Roomsche of Doopersche kerk aangesloten had. Als de excommunicatie van Petrus Bertius, regent van het Staten College, die nadat de Remonstranten den strijd


1) Lohman-Rutgers, a.w. p. 33.

|75|

verloren hadden, naar Frankrijk ging, daar Roomsch werd en toen toch nog in Nederland geëxcommuniceerd werd, zooals Dr. Rutgers in zijn collegedictaat bij art. 77 verhaalt. En dat niet maar in een enkele uitdrukking, maar als een voorbeeld hoe men destijds nog geen begrip had van een opzeggen of bedanken voor zijn lidmaatschap. En blijkbaar ook weinig besef had, dat iemand die tot een andere kerk over was gegaan, met de daad met zijn eerste kerk gebroken had. Als het zoo met de leden was, wat wonder dat de gedachte van vrije toestemming tusschen de kerken onderling niet altijd even helder was. Zoo dat men wel eens te ver ging en zich vergreep aan de rechten der plaatselijke kerk.

In onzen tijd is er geen reden meer waarom die vrije toestemming, ook der kerken onderling, niet helder ons voor oogen zou moeten staan. Als een kerk met het kerkverband breken wal, hoe zondig die zaak ook is, als ze niet geschiedt naar den Woorde Gods, en hoe zeer men zulk een kerk daarover ook vermanen moet, men kan haar desniettegenstaande niet tegenhouden. En er is geen reden om bij zulk een kerk nog den kerkeraad af te gaan zetten. Zij staat er buiten. En wil zij zich in het kerkverband handhaven dan kan men baar de voorwaarden voorleggen, ja, opleggen, en voor de keus stellen: Zóó blijven of anders niet, anders moeten we u afsnijden van ons verband. Dat is ook tucht.

Dit beginsel van vrije toestemming doet aan het gezag der meerdere vergaderingen niets te kort. Maakt de kerken niet Independentistisch. Verre van dat. De kerken hebben in die vrije toestemming beloofd om alles voor vast en bondig te houden wat ze in meerdere vergaderingen besluiten, tenzij zulks strijden mocht tegen Gods Woord of de aangenomen kerkenorde. En in dat laatste liggen de lijnen voor wat ze in die vrije toestemming op zich genomen hebben en waaraan zij zich vrijwillig onderwerpen. Maar daar kan niet allerlei van gemaakt of ingelegd worden. In die laatste clausule ligt de “safeguard”, de beveiliging tegen willekeur en dwang.

We hebben in het voorgaande de vraag of naar Geref. kerkrecht, meerdere vergaderingen het recht hebben een kerkeraad af te zetten, alleen van de principieele zijde bezien. En zijn daarom niet ingegaan, en gaan nog niet in, op allerlei practische moeilijkheden die, zoo men de vraag toestemmend zou beantwoorden, zich op doen.

Ook van die zijde zou men de zaak kunnen bezien en zich wel mogen bedenken aleer men den voet op dit pad zet. Men komt toch

|76|

met het afzetten van kerkeraden door meerdere vergaderingen voor een wereld van moeilijkheden te staan, moeilijkheden waar wij als Gereformeerden geen oplossing voor hebben. Zoodat men gedwongen wordt hoe langer hoe verder op het hiërarchisch spoor door te gaan. B.v. om eenige moeilijkheden te noemen: Hebben de meerdere vergaderingen een lijst van al de kerkeraadsleden in de verschillende gemeenten? Een complete en wel bijgehoudene lijst? Toch noodig op dat standpunt. Het kan tot afzetten komen. En is de kerkeraad verplicht zulk een lijst te geven? En hoe, als hij hem niet geven wil? Dan maar afzetten? Maar wie? Bij de buren vragen? Of in de gemeente? Maar als die het ook niet zeggen willen? Of verkeerd zeggen? En hoe weet ge of iemand in een beslissende vergadering vóór of tegen gestemd heeft? En wie heel niet gestemd heeft? En staan ze allen gelijk? Tucht maakt toch onderscheid? En maar dadelijk afzetten, zonder bedenktijd of vermaning? En hoe met de classe? Hetzelfde zeggenschap heeft een synode over een classe. Als een classe zich verzet, wat dan? Buiten het verband zetten? Dat is ons standpunt, maar niet het uwe. Het uwe is: afzetten. Dan ook naar hetzelfde beginsel de classe afzetten. Hoe? Al de kerkeraden? Dus het drama vertiendubbeld. En de moeilijkheden vertiendublbeld. 1)

Bij onze methode is dat niet zoo. Daar handelt de kerk zelve en komen de getrouwen zelve voor den dag. En ieder die in zulk een kerk zich niet bij de getrouwen voegt, sluit zich zelven uit. Moet vermaand en ten slotte als het verband verbroken hebbende aangemerkt worden.

Ook zijn we niet ingegaan en gaan nog niet in op het weinig effectieve om als een als meerdere vergadering een kerkeraad af te


1) We behoeven hier niet bij te brengen de “afzetting” van de classe Sylvana (van de Wouden) in Friesland door de synode van Joure van 1599. Daar was een nieuwe classe georganiseerd, het harmonieerde niet, het was wanorde, vooral de predikanten schenen op die classe te twisten, de classe werd daarop te Joure weer ontbonden. De “dienaren” zouden zich weer vervoegen, “bij de naaste steden”, waaronder zij vroeger gehoord hadden. Later werd hun gezegd schuldbelijdenis bij de naburige classes te doen (waaronder ze weer behoorden) anders zouden ze worden afgezet. Als ze schuldbelijdenis deden en beterschap beloofden mochten ze weer classe houden. Dit “afzetten”, “roeyeeren” “teniete doen” en “casseeren” eener classe was zeker een tuchtoefening, maar men kan kwalijk zeggen dat deze de kerken der classe aanging. Of dat deze iets misdeden. De classe had ook zichzelf feitelijk al ontbonden, was niet meer vertegenwoordigd op de synode. Al wat dit is is een mislukte classe formatie. (Reitsma en van Veen, a.w. VI, p. 109-126).

|77|

willen zetten. Is het eigenlijk geen dwaasheid? Want als het er op aankomt zet ge eigenlijk niets en niemand af.

De mannen blijven dienen. Een predikant kunt ge nog naar den wijderen kring voor de uitoefening van zijn ambt afzetten voor zoover het kerkverband aangaat. Daar heeft afzetting door het kerkverband voor het kerkverband effect. Maar bij afzetting van de voor hun uitoefening strikt aan de plaats gebonden ambten heeft afzetting door het kerkverband geen effect. Daar doet de afzetting door het kerkverband niets. Het hangt daar per slot toch aan de gemeente. Hoe deze tegenover de “afgezetten” staat en doet. Het kerkverband kan de gemeente helpen en leiding geven, maar zelfs hij afzetting door de synode moet de gemeente, zal de afzetting eenig effect hebben, het toch doen. En terecht. Zij alleen heeft er bevoegdheid voor ontvangen. Als Voetius aantoonde.

Dat de kerk zichzelve reformeert is het groote kerkrechtelijke beginsel der reformatie, zoowel van die van de 16e eeuw als van die van de 19e eeuw. Het kerkverband kan haar daarin helpen, maar zij doet het. Zij reformeert zich, zij werpt vreemde of bedorven en bedervende machten van zich. Zij zet mitsdien een kerkeraad af. Daarom behoudt ze haar identiteit. Zij zet af en niemand anders. Zoo we dat beginsel loslaten komen we op een andere lijn. Op de Roomsche. Of de collegialistische. Dan hadden de mannen der Haagsche synode met hun afzettingen, zoover het formeele aangaat, gelijk.

Nederlandsche broeders, verandert de woorden van uw besluit te Assen genomen. Bewaart er ons voor, dat we moeten zien het schouwspel, dat helaas, meer gezien is. Namelijk, dat als men de onderliggende partij is men roept van “tirannie” en protesteert, en dat als men op het kussen zit men dezelfde methoden gebruikt.

Ja maar, zegt ge misschien, de kerken van ’34 en ’86 wilden het verband verbreken en men wilde haar niet laten gaan. Met uw welnemen, die kerken wilden, althans in 1886, evengoed het oude kerkverband handhaven en in het verband blijven als eenige andere kerk. Zij wilden de voortzetting zijn van de oude kerken en haar verband dat van het oude verband. Niets minder dan dat.

Bij alle waardeering welke we hebben voor uwen ijver voor de waarheid, het zij nog eens gezegd, een waardeering waarin we voor niemand onder doen, zijn we er innig van overtuigd, dat gij met uw

|78|

besluit tot afzetting van een of meer kerkeraden — hoe verdiend het ook moge zijn — op een verkeerd spoor gegaan zijt.

Het doel heiligt de middelen niet.

Ge kunt een kerk of kerkeraad, als niets anders helpt, excommuniceeren, buiten het verband zetten, maar tast niet aan de instellingen welke God haar gaf. Berooft haar niet. Want het kerkverband heeft geen beroovende (privatieve) macht.

Wat de meerdere vergaderingen betreft is het: uitzetten en niet afzetten.

Uitzetten en niet afzetten. Is dat nu zoo’n groot verschil? Zoo vraagt misschien een eenvoudige lezer. Moet daar nu al die drukte en strijd over zijn? Mijn broeder, het komt in de waarheid soms op een enkel woord, neen, op een enkele letter aan. Ge kent het verschil tusschen het: Uitverkoren tot het geloof, of uitverkoren om het geloof. Met het eerste zijt ge Gereformeerd, met het tweede Remonstrant. En als ge van onzen Heiland belijdt dat Hij is “homoousios” met den Vader of dat ge zegt dat Hij is “homoiousios” maakte van de oude Christen tijden af aan het verschil of ge den Heiland eens wezens met den Vader belijdt te zijn, gelijk met God, dan wel gelijkvormig met God, dat is niet God, zegt te zijn. Met het eene hebt ge de zuivere belijdenis van Christus, met het tweede rukt ge Hem de kroon van het hoofd en zijt ge geen orthodoxe maar een moderne, die Jezus’ godheid loochent. Het scheelt maar één letter. De kleinste nog wel.

En precies zoo komt het er ook hier op aan. Ge kunt een plaatselijke kerk te hulp komen zooveel als ge wilt, ge kunt besluiten dat een kerkeraad “waardig is afgezet te worden”, of “behoort afgezet te worden” en gij zijt nog binnen de lijn, maar één stap verder en “zet af” als meerdere vergadering, en, het is onze stellig overtuiging, gij zijt buiten de lijn. Zij, de kerk, moet bet doen, zij moet zich reformeeren, zij heeft er in het ambt aller geloovigen de middelen voor ontvangen en de roeping, de tucht is haar gegeven, zoolang er nog een kern in haar over is. De tucht is aan de gemeente gegeven, en zij oefent die uit. Zeker, door haar organen, maar als die weigeren, ook tegenover en over de ambtsdragers.

Maar, zal iemand zeggen, is het ook niet een helpen van een kerk door een onwilligen kerkeraad af te zetten? Denk eens een uwer buren was overrompeld door een vijandige macht, was het niet uw plicht hem te helpen om van onder die vijandige macht uit te

|79|

komen, of wanneer die in zijn huis ware die macht er uit te drijven? Zoo nu ook is het niet een betamelijk, ja een geboden helpen van een zuster kerk om een onwilligen kerkeraad weg te drijven? Dat zoudt gij kunnen doen indien gij overheid over haar waart, of geweld hadt ontvangen, maar gij zijt geen overheid over haar en hebt geen geweld ontvangen. Wat gij doen kunt is zulk een benauwde en verdrukte onder het geweld uit halen en die verkeerde macht uit uw kring uit sluiten. Al is uw bedoeling goed, gij zult ook Gereformeerd in uw methode zijn. En de gemeente de afzetting laten doen. Help de gemeente daarin, wijs genabuurde kerken, of commissies van het kerkverband aan, die haar, of het getrouwe deel in haar, bijstaan, hetzij in formeele afzetting, of in stilzwijgende afzetting, met verkiezing van nieuwe ambtsdragers, maar niet gij, doch zij, en zij alleen, doet de afzetting.

Dit is — wij zijn er diep van overtuigd — de lijn welke de Gereformeerden — misschien niet altijd even klaar in de hitte van den strijd — toch in hun kalme en beste oogenblikken voor oogen gehad hebben. Ze flikkerde bij alles en onder alles tot nog toe steeds door.

Het doet ons diepe smart als die lijn nu verlaten is. En nog meer als de Nederlandsche kerken zich op het ingeslagen spoor zouden voortbegeven en zich vast zouden zetten in de nu gekozen houding.

Een houding waardoor de zelfstandigheid der plaatselijke kerk in het kerkverband aangetast wordt.

De positie van den kerkeraad ondergeschikt gemaakt wordt.

De macht der meerdere vergaderingen veranderd en overdreven wordt.

En daarom waarschuwen wij.

Zoowel om de zaak zelf. Als om de gevolgen.

Want als dit afzetten als Assen deed kan, dan kan er meer geschieden.

En moet er meer volgen.

Dan hebben we een verkeerd beginsel binnengeloodsd.

En beginselen werken door.

En nu moge men misschien dit getuigenis zoeken te smoren — het is niet gemakkelijk van een eenmaal ingeslagen pad terug te keeren — maar de tijd zal ons gelijk geven.

Als men tot kalmer nadenken zal gekomen zijn.

Of als er een nieuwe ontwaking van het Gereformeerde leven komen zal.